SRU-HvJ-2020-13

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN HET OPENBAAR MINISTERIE tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 20 november 2020 terzake de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling van de verdachte, ADHIN, MICHAEL ASHWIN (ex art.54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Verdachte voornoemd is op 16 november 2020 in verzekering gesteld terzake de artikelen 278;278 jo 67; 278 jo 73; 278 jo 72;382; 382 jo 67; 382 jo 73; 382 jo 72; 381; 381 jo 67; 381 jo 73; 381 jo 72; 414; 414 jo 67; 414 jo 73; 414 jo 72 van het wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de inhoud het schriftuur van grieven (ex artikel 54c lid 2 van het wetboek van Strafvordering ) d.d. 23 november 2020 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier. Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 23 november 2020 bepaald dat behandeling van het beroepschrift in raadkamer op 24 november 2020 om 12:00uur des namiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
– de waarnemend Procureur Generaal, mr.G. Paragsingh, namens het Openbaar Ministerie;
– de verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc. en mr. F.F.P. Truideman, advocaten bij het Hof van Justitie.

Beschikking van de Rechter- Commissaris
Bij beschikking d.d. 20 november 2020 heeft de Rechter-Commissaris (hierna: RC) belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten de inverzekeringstelling van de verdachte voornoemd onrechtmatig verklaard en diens onmiddellijke invrijheidstelling gelast.

Grieven van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is op 23 november 2020 in beroep gegaan tegen de beschikking en heeft met het oog op de vernietiging van de beschikking van de RC en het alsnog rechtmatig doen verklaren van de inverzekeringstelling van de verdachte voornoemd, grieven opgeworpen.
De grieven van het OM richten zich in grote lijnen op de zienswijze van de RC, namelijk dat de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, hier van toepassing is. Hiertoe heeft het OM onder andere aangevoerd dat, de verdachte in de periode 19 juli 2020- 11 augustus 2020 de hoedanigheid van Vice President van de Republiek Suriname en dus politieke ambtsdrager niet meer bezat. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd door de persoon Adhin waardoor de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, niet van toepassing is en heeft de inverzekeringstelling van verdachte overeenkomstig het wetboek van Strafvordering plaatsgevonden.

Het standpunt van de verdediging
Op het verweer van de verdediging komt het Hof voor zover nodig hierna terug.

Ontvankelijkheid
Door de verdediging is aangevoerd dat het OM niet- ontvankelijk verklaard moet worden omdat:
1. het beroepschrift niet op de wettelijke voorgeschreven wijze is ingediend bij de griffier van de RC.
2. de grieven niet binnen de wettelijke vierentwintig uren en dus te laat kenbaar gemaakt zijn aan het Hof van Justitie (hierna: Hof); Betoogd is dat de beslissing van RC op vrijdag 20 november 2020 omstreeks 16:00 uur bekend was, terwijl de grieven eerst op maandag 23 november 2020 omstreeks 15:00 uur ingediend zijn.

Het OM heeft in reactie aangegeven dat er conform de wet is gehandeld bij de indiening van de grieven. Het beroep is binnen de wettelijke beroepstermijn van drie dagen na de beslissing van de RC ingesteld. Op maandag 23 november 2020 ontving het OM de beschikking d.d. 20 november 2020 op schrift van de RC. Na ontvangst van de beschikking heeft de vervolging eveneens op 23 november 2020 het beroepschrift simultaan met de grieven bij de griffier van de RC ingediend.

De beoordeling door het Hof
De relevante leden van artikel 54c Sv (SB 2008 no. 21) luiden alsvolgt:

Art. 54c lid 2 Sv:
“Het beroep wordt schriftelijk ingesteld bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk doorgeleidt naar de griffier van het Hof van Justitie; binnen vierentwintig uren dienen de grieven aan het Hof kenbaar te worden gemaakt.”

Art. 54c lid 4 Sv:
“Ingeval van een ingesteld beroep door de vervolgingsambtenaar als bedoeld in lid 1 van dit artikel, wordt de invrijheidstelling van de verdachte voor ten hoogste drie dagen gestuit.”

Tav punt 1
1. Uit de zich in Hof dossier bevindende stukken is niet gebleken van de door de verdediging geschetste gang van zaken. Aangezien het instellen van het beroep door het OM overeenkomstig de wet heeft plaatsgevonden wordt het terzake gevoerde verweer verworpen.

Tav punt 2
2. Uit de redactie van het verweer van de verdediging begrijpt het Hof dat er zijdens de verdediging twee momenten worden onderscheiden t.w.:
A) het instellen van het beroep en;
B) het kenbaar maken van de grieven aan het Hof.
Dienaangaande brengt het Hof in herinnering dat, in de zaak [naam] (HvJ d.d. 20 juli 2005) is bepaald dat, “een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de termijn van 24 uur geldt voor zowel het kenbaar maken van grieven aan het Hof van Justitie als voor het instellen van het hoger beroep”.

3. Alsvoren aangegeven is het vaste jurisprudentie dat de in artikel 54c lid 2 wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde 24 uur geldt, zowel voor het instellen van het beroep als voor het kenbaar maken van de grieven aan het Hof. Bij de beoordeling van onderhavig verweer zal derhalve dienovereenkomstig zowel het ingestelde beroep als de ingediende grieven betrokken worden. Van belang is tevens de beantwoording van de vraag wanneer de termijn van 24 uur een aanvang neemt?

4. De wet vermeldt niet wanneer deze termijn een aanvang neemt. Blijkbaar heeft de wetgever die bepaling, over het hoofd gezien. Door de rechtspraak is voorzien in die leemte. In de eerder genoemde zaak [ naam], is dienaangaande [bij door de verdachte ingesteld beroep
(toevoeging: Hof)] overwogen dat, “een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat moet worden aangenomen dat de periode van 24 uur begint te lopen vanaf de uitreiking van het afschrift van de beschikking van de rechter-commissaris aan de verdachte”.

In het beroepschrift d.d. 23 november 2020 ondertekend door de Advocaat Generaal mr. G. Paragsingh is opgenomen dat“ de beschikking gegeven op vrijdag 20 november 2020 door de rechter-commissaris is ontvangen op het Parket op maandag 23 november 2020”.
Het Hof begrijpt hieruit dat, het OM het moment van de ontvangst van de beschikking opschrift – naar analogie van de uitreiking aan de verdachte- aanmerkt als de formele kennisgeving.

Het Hof kan zich niet verenigen met het standpunt van het OM en overweegt dienaangaande als volgt;
– In tegenstelling tot bepalingen betreffende de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan de verdachte, voorziet het wetboek van Strafvordering (art. 515 Sv ev.) niet in bepalingen betreffende die kennisgeving aan het OM c.q. de vervolgingsambtenaar.
– In de praktijk is daarom in dit gemis van een wettelijke regeling voorzien door afhandeling op basis van werkafspraken aangaande de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen door het Kabinet van de Rechter Commissaris aan het OM .

5. In het onderhavig geval is de beschikking van de RC gegeven op de vrijdag middag en kort daarna (omstreeks 16:00 uur) digitaal via whatsapp foto naar de aangewezen functionaris van het OM en de raadsman verzonden. De ontvangst van het bericht is in raadkamer bevestigd. Evenwel is door het OM opgemerkt dat de foto’s wazig waren. Naar het oordeel van het Hof doet deze opmerking van het OM niets af aan het doel van de verzending. Immers, het had op de weg van het OM gelegen om een zonodig leesbaar exemplaar (foto) op te vragen al dan niet met gebruikmaking van andere (communicatie) mogelijkheden. Aangezien het OM op de gebruikelijke wijze de elektronische kennisgeving heeft ontvangen moet aan die ontvangst het rechtsgevolg verbonden worden welke gelijk is aan de verzending van de beschikking opschrift. Dientengevolge is vrijdag 20 november 2020 (16:00 uur) het tijdstip waarop de vervolgingsambtenaar kennis heeft gekregen van de beschikking van de RC.

6. De RC heeft de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig verklaard en diens onmiddellijke invrijheidstelling gelast. Het uitgangspunt met betrekking tot beslissingen tot opheffing van de inverzekeringstelling of verlenging van de inverzekeringstelling is dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn (ex.art. 64 Sv). De uitzondering hierop vormt het geval waarbij de vervolgingsambtenaar in beroep gaat tegen het bevel tot invrijheidstelling (ex art. 54c lid1 Sv). In welk geval de invrijheidstelling voor de duur van ten hoogste drie dagen wordt gestuit.

Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel (vide SB 2012 no. 61) is het uitgangspunt bij de invoering van de beroepsmogelijkheid voor zowel de verdachte als de vervolgingsambtenaar dat de verdachte (toevoeging Hof: door het beroep) zo min mogelijk in zo min mogelijk in zijn rechten wordt beperkt.

Naar het oordeel van het Hof ziet het OM zich hierdoor gesteld voor de spoedige instelling van het beroep en wel binnen 24 uur nadat aan het OM mededeling is gedaan van de beslissing van de RC. Het Hof preciseert dat uit de tekst van artikel 54a Sv en 54c Sv, “de wetsgeschiedenis, de doelstellingen ervan en het onderling verband” volgt dat de ingang van de wettelijke stuitingstermijn – bij een naderhand door de vervolgingsambtenaar ingesteld beroep, geacht wordt te zijn het moment waarop de RC het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling heeft gegeven (dagtekening van die beschikking).

7. Ten aanzien van onderhavig beroepschrift met schriftuur van grieven is het moment van indiening bij de griffier van de RC op maandag 23 november 2020 om 14:50 uur. Vervolgens zijn de stukken op gelijke datum op de griffie van het Hof ontvangen om 15:55 uur. In lijn met het overwogene onder punt 5 is het OM met de indiening op maandag 23 november 2020 te laat. Het verweer van de verdediging op dit punt is geslaagd en het OM zal als hieronder te beslissen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in het ingesteld beroep.

8. Uit deze feitelijke gang van zaken vermeld onder punt 7 concludeert het Hof dat, de periode van stuiting van de invrijheidstelling van verdachte korte tijd na de indiening van het beroepschrift op 23 november 2020 is komen te vervallen, waardoor het bevel van de RC tot zijn onmiddellijke invrijheidstelling inwerking trad voordat het Hof een aanvang maakte met de behandeling op dinsdag 24 november 2020. Om die redenen zal een (verdere) detentie beschouwing zijdens het Hof achterwege blijven.

9. Aangezien het OM niet- ontvankelijk verklaard zal worden in het ingesteld beroep komt het Hof niet toe aan de (inhoudelijke) bespreking van de overige grieven.

BESCHIKKENDE:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk in het ingesteld beroep tegen de beschikking van de Rechter- Commissaris gegeven d.d. 20 november 2020 tegen de verdachte ADHIN, MICHAEL ASHWIN.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 24 november 2020 in raadkamer van het Hof van Justitie door mr. M.C. Mettendaf, fungerend –president, mr.D.G.W. Karamat Ali, lid,mr. J. Kasdipowidjojo, lid- plaatsvervanger, bijgestaan door de wnd substituut- griffier, mr. G.A. Kisoensingh- JangbahadoerSingh.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh

w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-K1-2020-38

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-3724
24 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ADHIN, MICHAEL ASHWIN,
wonende te Paramaribo en domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 1 te Paramaribo,
eiser,
gemachtigden: mr. F.F.P. Truideman en I.D. Kanhai Bsc, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G. Paragsingh, Advocaat-Generaal.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 23 november 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 november 2020;
– de aantekeningen van de griffier betreffende al hetgeen partijen tijdens het mondeling afpleiten d.d. 24 november 2020 over en weer hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 16 november 2016 is eiser aangehouden en in verzekering gesteld.

2.2 Eiser is in verzekering gesteld op grond van verdenking van het plegen van strafbare feiten.

2.3 Op 18 november 2020 heeft de Officier van Justitie een vordering ex-artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering (afgekort Sv) bij de Rechter-commissaris ingesteld, inhoudende een vordering tot toetsing of de inverzekeringstelling van eiser al dan niet rechtmatig is.

2.4 Op 20 november 2019 heeft de Rechter-Commissaris bij beschikking de inverzekeringstelling onrechtmatig geacht en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser gelast.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:
a) gedaagde veroordeelt om binnen 1 uur na de uitspraak eiser lijfelijk in vrijheid te stellen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor ieder uur dat gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
b) gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig matig handelt jegens hem, als gevolg van welk handelen hij schade lijdt en zal lijden. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:
– gedaagde heeft in strijd met artikel 54c lid 1 Sv niet binnen de termijn van drie dagen schriftelijk het beroepschrift ingediend;
– de termijn van hoger beroep dient als een fatale termijn te worden aangemerkt en eiser wordt thans zonder enige grondslag van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de aard van het gevorderde zelf. Daarom is hij in het kort geding ontvangen.

4.2 Eiser heeft de hierna volgende rectificatie gevorderd:
– in sustenu 7 dient instede van “19 november en 20 november” te worden gelezen: “20 november en 21 november”;
– in sustenu 9 dient het woord “artikel”, vermeld op de vierde regel, komen te vervallen.
De kantonrechter zal de gevorderde akte rectificatie toestaan, omdat gedaagde hierdoor niet in zijn verweer is geschaad.

4.3 Gedaagde heeft als formeel verweer opgeworpen dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde, omdat hij prematuur is met de onderhavige vordering. Daartoe heeft hij het hierna volgende aangevoerd. Hij heeft op 23 november 2020 omstreeks 11.00 uur formeel de beschikking van de Rechter-Commissaris ontvangen en heeft gisteren omstreeks 14.45 uur schriftelijk het hoger beroep en de grieven tegen de gewraakte beschikking ingediend. Op heden d.d. 24 november 2020 vindt, aldus het verdere verweer van gedaagde, omstreeks 12.00 uur de behandeling in hoger beroep plaats.
Eiser heeft beaamd dat de behandeling van de gewraakte beschikking op heden in hoger beroep zal plaatsvinden.

4.4 Nu eiser heeft beaamd dat de behandeling van het hoger beroep tegen de gewraakte beschikking op heden zal plaatsvinden, komt naar het oordeel van de kantonrechter hiermee de grondslag van het door eiser gevorderde weg te vallen. Hieruit volgt dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het gevorderde en dat gedaagde slaagt in het door hem opgeworpen formeel verweer.
Of het rechtsmiddel van hoger beroep al dan niet binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn heeft plaatsgevonden en of de termijn van hoger beroep als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, laat de kantonrechter in het midden. Dit, omdat slechts het Hof van Justitie de bevoegdheid heeft om hierover te oordelen en niet de kantonrechter in kort geding die in eerste aanleg oordeelt. Anders zou het zijn, indien eiser helemaal geen toegang zou hebben tot een speciaal hiervoor aangewezen forum en de kort gedingrechter als “restrechter” hierover zou moeten oordelen.

4.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Staat toe de gevorderde akte van rectificatie.

5.2 Verklaart eiser niet ontvankelijk in de gevorderde voorziening.

5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil

Dit vonnis is gewezen en er openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag
24 november 2020 te Paramaribodoor de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

20 november 2020

In de zaak van

CAIRO, Rodney Alexander,
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna aangeduid als “Cairo”, `
ge(vol)machtigde: voorheen I.D. Kanhai BSc., advocaat, vervolgens mr. G.M. Leter, advocaat, thans drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Defensie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 08 augustus 2017;
  • de beschikking van het hof van 05 maart 2018, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 april 2018, welk verhoor is verplaatst naar 06 juli 2018;
  • het proces-verbaal van het op 06 juli 2018 gehouden verhoor van partijen;
  • het schrijven van advocaat I.D. Kanhai BSc. d.d. 19 oktober 2018, waarbij hij zich als procesgemachtigde van Cairo onttrekt aan de zaak;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 16 november 2018, waaruit blijkt dat mr. G.M. Leter zich stelt voor Cairo;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken met bijbehorende producties zijdens de Staat d.d. 16 november 2018 (kennelijk abusievelijk gedateerd: 16 november 2017);
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken en uitlating producties met bijbehorende producties, zijdens Cairo overgelegd op 15 februari 2019;
  • het schrijven van advocaat mr. G.M. Leter d.d. 14 maart 2019, waarbij zij zich als procesgemachtigde van Cairo onttrekt aan de zaak;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 De Staat is op 04 juli 2012 een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie jaren met Cairo aangegaan (hierna: de arbeidsovereenkomst). De arbeidsovereenkomst is in 2015 met gelijke duur verlengd.

2.2 Cairo heeft reeds bij aanvang van vorenbedoelde dienstbetrekking een geneeskundig onderzoek ondergaan.

2.3 De voormalige procesgemachtigde van Cairo, advocaat I.D. Kanhai BSc., heeft bij brief d.d. 27 juli 2017, gericht aan de minister van Defensie (hierna: de minister), onder meer aangegeven op welke gronden Cairo moet worden voorzien van een aanstelling in vaste dienst. Deze gronden zijn in hoofdzaak tevens hieronder in 3.2 vermeld. Voormelde brief d.d. 27 juli 2017 luidt voor zover van belang als volgt:

“(…)

Resumerend

  • Dat cliënt recht heeft op een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf zijn datum van indiensttreding, zijnde 04 juli 2012;

  • Dat zijn overplaatsing naar het ministerie van Financiën wordt geformaliseerd, en wel in dier voege, dat in de beschikking expliciet wordt opgenomen, dat hij vanwege de overplaatsing niet zal worden gedemilitariseerd en ook niet in salaris achteruit zal gaan;

  • Dat zijn bevordering tot Korporaal wordt geformaliseerd en dat zijn salaris dienovereenkomstig wordt aangepast;

  • Dat cliënt recht heeft op het verkrijgen van een werkgeversverklaring;

  • Dat zijn naam en eer gezuiverd dienen te worden, omdat hij nooit het idee heeft gehad en nog minder een poging heeft ondernomen om een aanslag te plegen tegen de hoogste militaire gezagsdrager, het Staatshoofd enof de Regering van de Republiek Suriname.

Op grond van al het bovenstaande wordt bij deze een beroep op u gedaan, om het daarheen te leiden, zodat de rechtspositie van cliënt niet wordt aangetast. Dat aan cliënt binnen een week na ontvangst van dit schrijven wordt kenbaar gemaakt wat zijn huidige rechtspositie is en dat daarbij alle hoger aangehaalde zaken conform wet en recht worden rechtgetrokken.

Indien u nalaat om binnen de gestelde termijn aan het hoger aangehaalde gevolg te geven, zullen wij genoodzaakt zijn om namens cliënt een rechtsvordering tegen de Staat Suriname, met name het ministerie van Defensie in te stellen en worden gevorderd, dat cliënt schadeloos wordt gesteld voor alle schade die hij heeft geleden en nog lijdt vanwege het hoger omschreven onwettelijk en onrechtmatig handelen.

(…)”

2.4 De hierboven in 2.3 vermelde brief d.d. 27 juli 2017 is bij exploot d.d. 02 augustus 2017, no. 723, van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R. Sontono, aan de minister betekend.

2.5 De waarnemend directeur van Defensie, kolonel J.R. Antonius, heeft bij brief d.d. 06 juni 2018, ref. no. DD/18-1065, betreffende “expiratie arbeidsovereenkomst”, het volgende aan Cairo bericht:

“Geachte Korporaal,

De op 04 juli 2012 met u aangegane arbeidsovereenkomst, welke op 04 juli 2015 verlengd is voor een periode van 03(drie) jaren, zal op 04 juli 2018 expireren. Zijdens het Ministerie van Defensie is er geen voornemen het dienstverband met u voort te zetten.

Op grond van het bovenstaande stel ik vast dat de met u aangegane arbeidsovereenkomst per 04 juli 2018 zal expireren. Met het oog op het voorgaande dient u uw tegoed aan vakantieverlof op te nemen.

In verband met het voorgaande maakt u ingevolge artikel 39 van de Wet Rechtspositie Militairen, juncto artikel 28 lid 3 van de Personeelswet, artikel 1614b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek, te rekenen van 04 juli 2018 geen aanspraak op salaris of andere emolumenten en geneeskundige zorg ten laste van het ministerie van Defensie/Nationaal Leger.”

2.6 De hierboven in 2.5 genoemde brief d.d. 06 juni 2018 is bij exploot d.d. 06 juni 2018, no. Q-184, van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Tran van Can-Doesburg, aan Cairo betekend.

2.7 Voornoemde waarnemend directeur van Defensie heeft bij brief d.d. 06 juni 2018, ref. no. DD 1065/18, betreffende “expiratie arbeidsovereenkomst tnv kpl Cairo, Rodney”, het volgende aan het hoofd Beveiliging van de minister van Financiën, D. Calor, bericht:

“Geachte heer Calor,

Middels deze geef ik u aan dat de arbeidsovereenkomst van de Korporaal in dienst bij het Ministerie van Defensie, thans ter beschikking gesteld van het Ministerie van Financiën, de heer Cairo, Rodney (…) niet verlengd zal worden.

Betrokkene zijn arbeidsovereenkomst zal per 04 juli 2018 expireren. Aan betrokkene wordt medegedeeld zijn tegoed aan vakantieverlof alvast op te nemen. U wordt verzocht betrokkene niet meer in te zetten voor werkzaamheden tot de expiratie van de arbeidsovereenkomst.

Hopende u geinformeerd te hebben.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Cairo vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden:

I. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met onder andere de bepalingen van artikel 13 lid 3 juncto artikel 14 WRM en wel in dier voege dat hij in aanmerking komt voor een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf de datum van zijn indiensttreding;

II. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis zijn mutatie naar het Ministerie van Financiën te formaliseren en wel in dier voege dat in de beschikking expliciet wordt opgenomen dat hij vanwege de mutatie niet zal worden gedemilitariseerd en ook niet in salaris achteruit zal gaan;

III. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis zijn bevordering c.q. benoeming tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig bij te stellen;

IV. gelast erop toe te zien dat hij niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring;

V. gelast om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van het verlenen van verlof in acht te nemen;

VI. gelast om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis schriftelijk aan hem te kennen te geven dat de door de Staat gedane uitlating als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berust en hem dientengevolge te rehabiliteren;

VII. veroordeeld tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat in strijd wordt gehandeld met het gevorderde onder I tot en met VI;

VIII. veroordeeld om binnen 1 (een) week na uitspraak van het vonnis bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 2.500.000,-, zijnde vergoeding van de schade die hij heeft geleden wegens de onterechte beschuldigingen aan zijn adres en de gevolgen die dit voor hem en zijn gezin heeft;

IX. veroordeeld om bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 7.500,-, zijnde de advocaatkosten die hij noodzakelijkerwijs moest betalen ter bescherming en handhaving van zijn rechten.

Cairo vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten, alsmede dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt.

3.2 Cairo heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Cairo is krachtens de arbeidsovereenkomst in militaire dienst van de Staat en is dientengevolge militaire arbeidscontractant. Krachtens artikel 11 lid 1 WRM gaat aan de aanstelling van een militaire ambtenaar een geneeskundig onderzoek vooraf. In lid 3 (het hof begrijpt: lid 2) van voormeld artikel is bepaald dat de aanstelling slechts mogelijk is van personen die bij een geneeskundig onderzoek lichamelijk geschikt zijn bevonden. Gezien het feit dat Cairo vanwege de resultaten van het geneeskundig onderzoek mocht deelnemen aan de Elementaire Algemene Opleiding en hij deze opleiding met goed gevolg heeft afgerond, kan geconcludeerd worden dat hij medisch gezien geschikt is voor aanstelling tot militaire ambtenaar. Ondanks het feit dat Cairo vanwege de resultaten van het geneeskundig onderzoek recht had op aanstelling als militaire ambtenaar, blijkt dat hij tot op heden op arbeidsovereenkomst in dienst is en aldus niet van een tijdelijke noch vaste aanstelling is voorzien. De Staat handelt aldus in strijd met artikel 9 WRM, omdat Cairo reeds bij de aanvang van de dienstbetrekking recht had op een aanstelling als militaire ambtenaar. Artikel 13 lid 3 WRM bepaalt uitdrukkelijk hoe gehandeld dient te worden, indien blijkt dat van Staatswege een arbeidsovereenkomst is gesloten in een ander geval dan voorzien in artikel 9 lid 1 WRM. Met inachtneming van de bepalingen, onder meer opgenomen in artikel 14 WRM, is het vanzelfsprekend dat Cairo recht heeft op een aanstelling in vaste dienst.

Gezien de omstandigheid dat de Staat in strijd heeft gehandeld met artikel 14 WRM dient ervan uitgegaan te worden dat Cairo vanaf zijn indiensttreding op 04 juli 2012 militaire ambtenaar is, omdat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst nietig, althans vernietigbaar is. Cairo wenst ter verduidelijking aan te tekenen dat, hoewel de onderhavige rechtszaak onder meer de bedoeling heeft de geldigheid van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 13 lid 3 WRM aan te tasten, de inhoud daarvan, voor wat betreft de rechtspositie van Cairo, wel bewijs biedt voor zijn stellingen.

Cairo is onlangs tewerk gesteld bij het Ministerie van Financiën. Aangezien het verzoek tot overplaatsing van hem afkomstig is, heeft hij hiertegen geen bezwaar. Echter mag de mutatie niet tot gevolg hebben dat hij ter zake van de overplaatsing wordt gedemilitariseerd, omdat dit nooit is overeengekomen. Het is echter alleszins noodzakelijk dat de overplaatsing middels een beschikking wordt geformaliseerd, zodat dit definitief vaststaat.

Voorts heeft de Staat, ondanks het feit dat Cairo thans de rang van korporaal bekleedt, tot op heden nagelaten zijn benoeming (het hof begrijpt: de bevordering) te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen.

Verder heeft de administratie meerdere keren geweigerd om aan Cairo een werkgeversverklaring te verstrekken, terwijl hij dit dringend nodig heeft voor het afwikkelen van zijn financiële zaken. Aangezien hij alle recht heeft op deze verklaring, kan deze handeling als onrechtmatig worden gekwalificeerd. Cairo ondervindt als gevolg hiervan schade, voor welke schade de Staat aansprakelijk kan worden gesteld.

Voorts heeft de Staat Cairo en vier van zijn collega’s ervan beschuldigd dat zij bezig zijn met het beramen van een coup. Cairo kan deze zware beschuldiging niet zomaar naast zich neerleggen, gezien de consequenties daarvan op zijn functioneren binnen de organisatie. Een onderzoek ter zake van de aantijgingen heeft nimmer plaatsgevonden. Cairo heeft mede naar aanleiding van voormelde beschuldiging en het feit dat hij zijn werkterrein niet mocht betreden, overplaatsing gevraagd naar een ander ministerie. Voormelde beschuldiging is uiteraard ook van invloed op de veiligheid van het gezin van Cairo en de relatie met zijn partner, omdat zij alle reden hebben om terug te denken aan een bepaalde periode in de geschiedenis van de Republiek Suriname ter zake van militairen die verdacht werden van het beramen van een staatsgreep en de consequenties die dit voor hen heeft gehad. Cairo en zijn gezin hebben als gevolg van deze valse beschuldiging schade geleden en lijden nog schade, voor welke schade de Staat aansprakelijk kan worden gesteld. Bij de berekening van de omvang van de schade, begroot op SRD 2.500.000,-, is met het volgende rekening gehouden:

  • voor het geval Cairo, als gevolg van de beschuldiging, de schande die en het gevaar dat daaraan kleeft, mocht besluiten om niet meer in overheidsdienst te blijven, moet hij met voormeld bedrag in staat zijn een eigen bedrijf op te starten om zodoende in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien;
  • indien Cairo, in het uiterste geval, mocht besluiten om samen met zijn gezin zijn heil in het buitenland te zoeken, moet hij daarin kunnen voorzien.

Gezien het feit dat Cairo niet over de nodige deskundigheid beschikt om een vordering als de onderhavige in te stellen en te verdedigen en de hieraan verbonden uitgaven het rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatig gedrag van de Staat, is het alleszins redelijk en billijk dat de advocaatkosten ad SRD 7.500,- door de Staat in de vorm van schadevergoeding worden vergoed.

De Staat heeft niet binnen de termijn gesteld in de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017 (zie 2.3) op deze brief gereageerd.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat Cairo militaire arbeidscontractant is geweest in de zin van artikel 1 WRM, welke wet dan ook op hem van toepassing is. Ingevolge artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. Blijkens artikel 83 Pw zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 – hieronder vallen artikelen 78 tot en met 82 Pw (de rechtsmiddelen) – van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten, zoals Cairo, en op vorderingen betreffende arbeidsovereenkomsten, welke door het land zijn gesloten.

Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.

Het hof vat het in 3.1 onder I, III en VII gevorderde op als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging aan de Staat van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet (juncto de Wet rechtspositie militairen) bepaalde, in casu voor het verder achterwege laten om, kort gezegd:

  1. Cairo te voorzien van een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen van de datum van zijn indiensttreding;

  2. de bevordering van Cairo tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen.

Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw derhalve bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 onder I, III en VII gevorderde.

Het in 3.1 onder II, IV, V en VI (in combinatie met VII) gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder VIII gevorderde niet worden beschouwd als een vordering tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Cairo heeft immers de gevorderde schadevergoeding gekoppeld aan de vermeende onterechte beschuldiging aan zijn adres, terwijl de wetgever is uitgegaan van een koppeling aan een genomen besluit of een niet of niet tijdig genomen besluit dan wel het verrichten of nalaten van een handeling door de Staat in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Cairo heeft geen zodanig(e) besluit of handeling gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Het hof zal zich derhalve eveneens onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Het in 3.1 onder IX gevorderde kan daarentegen wel worden aangemerkt als een vordering tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat het hof bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.

De in 2.3 vermelde brief d.d. 27 juli 2017 behelst het verzoek van Cairo aan de minister, zijnde in dezen het bevoegde gezag, om de daarin aangehaalde zaken in orde te maken. Voormeld schrijven is op 02 augustus 2017 aan de minister betekend. Gelet op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de minister tot 02 februari 2018 de ruimte om te beslissen op het verzoek van Cairo. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister nimmer op dit schrijven heeft gereageerd. Nu de onderhavige vordering reeds is ingesteld op 08 augustus 2017, is Cairo in feite prematuur daarmee en zou hij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het hof overweegt echter dat de minister, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van Cairo, zodat ervan wordt uitgegaan dat de minister alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het hof Cairo wel ontvankelijk in het in 3.1 onder I, III, VII en IX gevorderde. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de minister niet meer op het verzoek van Cairo hoefde te beslissen.

4.3.1 In artikel 9 lid 1 WRM zijn limitatief opgesomd de personen met wie en de functies waarvoor een arbeidsovereenkomst kan worden gesloten. Artikel 9 lid 1 aanhef en onder a WRM bepaalt dat arbeidsovereenkomsten slechts kunnen worden gesloten met personen die bij een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 11 lid 1 niet geschikt voor aanstelling tot militaire ambtenaar zijn bevonden doch om bijzondere redenen wel onder de krijgstucht moeten vallen.

4.3.2 Artikel 11 WRM luidt als volgt:

“1. Aan de aanstelling van een militaire ambtenaar gaat, volgens regelen bij staatsbesluit te stellen en behoudens de daarbij te bepalen uitzonderingen, een geneeskundig onderzoek vooraf. (…)
2. Aanstelling is slechts mogelijk van personen die:
a. de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;
b. de Surinaamse nationaliteit bezitten;
c. niet bij een geneeskundig onderzoek als bedoeld in lid 1 lichamelijk ongeschikt zijn bevonden, en
d. niet bij een, volgens door de Minister te stellen regelen ingesteld, veiligheidsonderzoek ongeschikt zijn bevonden.
3. Aanstelling geschiedt hetzij in vaste hetzij in tijdelijke dienst.

(…)”

4.3.3 Artikel 13 lid 3 WRM luidt als volgt:

“Indien blijkt dat van Staatswege een arbeidsovereenkomst is gesloten in een ander geval dan voorzien in artikel 9 lid 1 wordt de betrokkene alsnog, met terugwerkende kracht tot de datum waarop die overeenkomst is ingegaan, tot militaire ambtenaar aangesteld. Deze aanstelling kan niet een vermindering van salaris ten gevolge hebben.”

4.3.4 Artikel 14 lid 1 WRM luidt als volgt:

“Aanstelling in tijdelijke dienst is slechts mogelijk:
a. van personen, die op grond van de resultaten van een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 11 lid 1, niet aanstonds in aanmerking komen voor een aanstelling in vaste dienst;
b. van personen, die nog niet voldoen aan een der vereisten gesteld in artikel 11 lid 2 onder a en b;
c. op proef.”

4.4.1 Cairo komt in dit geding op tegen het uitblijven van een beslissing op de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017 (zie 2.3).

4.4.2 Vaststaat dat Cairo bij de aanvang van zijn indiensttreding in juli 2012 een geneeskundig onderzoek heeft ondergaan. Tussen partijen is niet in geschil dat Cairo bij dit onderzoek geschikt is bevonden (voor aanstelling tot militaire ambtenaar). Naar het oordeel van het hof moet het de Staat, zo niet reeds in juli 2012, in ieder geval in augustus 2017 – na ontvangst van de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017 – zijn gebleken dat hij buiten de gevallen voorzien in artikel 9 lid 1 WRM een arbeidsovereenkomst met Cairo heeft gesloten. Ingevolge het bepaalde in artikel 13 lid 3 WRM diende de Staat Cairo daarom met terugwerkende kracht tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst is ingegaan – zijnde 04 juli 2012 – tot militaire ambtenaar aan te stellen.

4.4.3 Cairo heeft een door de Staat aan hem verstrekte werkgeversverklaring d.d. 17 augustus 2015 in het geding gebracht. Daarop is aangetekend dat de procedure voor vaste aanstelling reeds is ingezet.

Voorts heeft de comparitiegevolmachtigde van de Staat, J. Finkie, stafmedewerker Personeelsaangelegenheden van het Ministerie van Defensie, ter zitting verklaard dat een militaire arbeidscontractant na drie jaren in dienst te zijn geweest in aanmerking komt voor een aanstelling als militaire ambtenaar.

Ten tijde van het verzenden van de sommatiebrief d.d. 27 juli 2017, was Cairo reeds vijf jaren in dienst van de Staat.

4.4.4 Als niet weersproken is rechtens komen vast te staan dat Cairo in aanmerking komt voor een aanstelling en wel een aanstelling in vaste dienst. Feit is dat deze aanstelling, zelfs nadat Cairo in 2015 is toegelaten tot de elementaire commando opleiding en hij deze opleiding in 2016 met goed gevolg heeft afgerond, achterwege is gebleven. De Staat heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

Geconcludeerd wordt dat Cairo gegronde reden had te verzoeken dat hij van een aanstelling in vaste dienst wordt voorzien. Naar het oordeel van het hof heeft de Staat, gelet op de in 4.4.2 en 4.4.3 genoemde omstandigheden, ten onrechte achterwege gelaten om te beslissen zoals door Cairo verzocht.

Overwogen wordt dat het de Staat, gelet op het belang van Cairo, in alle redelijkheid niet vrijstond de arbeidsovereenkomst per 04 juli 2018 te laten expireren, zonder Cairo eerst van een vaste aanstelling te voorzien. Door de arbeidsovereenkomst toch te laten expireren heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens Cairo.

Naar het oordeel van het hof moet Cairo geacht worden na vorenbedoelde expiratiedatum in dienst van de Staat te zijn gebleven, hetgeen betekent dat de Staat gehouden is zijn verplichtingen als werkgever jegens Cairo na te komen. Het in 3.1 onder I gevorderde zal daarom worden toegewezen als in het dictum te melden.

Het hof acht voorts termen aanwezig om de mede gevorderde dwangsom te mitigeren en te maximeren.

4.5 Het hof volgt Cairo niet in zijn stelling dat de Staat heeft nagelaten om zijn bevordering tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen. Zulks is immers niet komen vast te staan op grond van de door Cairo zelf in het geding gebrachte producties, te weten een ‘MUTATIEFORMULIER EN KENNISGEVING T.A.V. BEVORDERING VAN ARBEIDSCONTRACTANT PERSONEEL VAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE’ ten name van Cairo d.d. 01 maart 2017, een salarisopgave ten name van Cairo over de maand juni 2017 en een overzicht van het verloop van de bezoldiging van Cairo te rekenen van 04 juli 2012 tot en met 01 januari 2017. Het in 3.1 onder III (in combinatie met VII) gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

4.6 De gevorderde advocaatkosten – die worden aangemerkt als schade – zijn niet weersproken door de Staat, zodat deze zullen worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat Cairo deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem.

4.7 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.8 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.9 Cairo heeft tevens gevorderd dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt. Dit gevorderde is onduidelijk en zal daarom ook worden afgewezen.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder II, IV, V, VI en VIII gevorderde.

5.2 Veroordeelt de Staat om binnen vier maanden na betekening van dit vonnis Cairo in aanmerking te doen komen voor een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf de datum van zijn indiensttreding, zijnde 04 juli 2012, met dien verstande dat zulks geen vermindering van zijn salaris tot gevolg heeft.

5.3 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan Cairo te betalen de advocaatkosten ad SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat om aan Cairo te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de in 5.2 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 50.000,- (vijftigduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, Mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door mr. A. Charan, fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 20 november 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. D.D. Sewratan w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, de heer A.R. Cairo, verzoeker en de heer G. Burke namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-RC-2020-1

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING
VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering(SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek van de vervolgingsambtenaar d.d. 18 november 2020 ter vaststelling van een voorgeleidingsdatum voor de verdachte, ADHIN, MICHAEL ASHWIN;

Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verdachte op 16 november 2020 in verzekering is gesteld ter zake de artikelen 278; 278 jo 67; 278 jo 73; 278 jo 72; 382; 382 jo 67; 382 jo 73; 382 jo 72; 381; 381 jo 67; 381 jo 73; 381 jo 72; 414; 414jo 67; 414 jo 73; 414 jo 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat door de President van de Republiek Suriname richtlijnen zijn gegeven en maatregelen zijn getroffen die specifiek gericht zijn op aanpak casu quo het voorkomen of minimaliseren van de verspreiding van het SARS-COV-2/ COVID -19 virus alsmede de gevolgen hiervan waardoor de verdachte telefonisch en in persoon met inachtneming van de SARS-COV-2/ COVID -19 maatregelingen is gehoord door de rechter-commissaris;

Gehoord de verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Overwegende, dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

Overwegende dat verdachte en zijn medeverdachten worden verweten te zijn medepleger van valsheid in geschrifte, verduistering en vernieling van media-apparatuur toebehorende aan de Staat Suriname;

Overwegende, de raadslieden van de verdachte Adhin bij monde van dhr. I. Kanhai BSc.- zakelijk weergegeven – hebben aangevoerd dat hun cliënt onrechtmatig in verzekering is gesteld omdat hij onschuldig is; dat hun cliënt nimmer de intentie heeft gehad om de apparatuur bij zich te houden. Voorts dat niet kan worden bewezen dat hun cliënt de apparatuur heeft vernield; dat bij de afgifte door medeverdachte [naam 1] van de apparatuur bij het Kabinet van de vicepresident, er geen controle is uitgevoerd en drie (3) maanden daarna de verdachte geen vernieling kan worden verweten. De raadslieden hebben tevens als formeel verweer – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hun cliënt in staat van beschuldiging diende te worden gesteld omdat, indien mocht blijken dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten, deze feiten zouden zijn gepleegd in zijn betrekking van politieke ambtsdrager;

Overwegende, dat op 11 augustus 2020 media-apparatuur is bezorgd bij het Kabinet van de vicepresident door de verdachte voornoemd. Deze apparatuur is direct onderworpen aan een controle door medewerkers van de ICT-afdeling van voornoemd kabinet en werd geconstateerd dat ze opzettelijk waren beschadigd c.q. vernield;

Overwegende, dat de verdachte Adhin bij zijn verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij de opdracht heeft gegeven aan de verdachten [naam 1] en [naam 2] om voor hem na te gaan welke apparatuur afgeschreven kon worden; dat door medeverdachten [naam 1] en [naam 2] apparatuur is afgeschreven. De bedoeling hiervan was volgens de verdachte Adhin om goederen te schenken aan het Doveninstituut aan wie hij een pand aan de Nassylaan ter beschikking zou stellen en deze zou doen inrichten met afgeschreven meubilair en apparatuur. De getuige [naam 3] van het Doveninstituut heeft verklaard dat haar nimmer is medegedeeld dat het pand dat zij ter beschikking zou krijgen, zou worden ingericht;

Overwegende, dat naar aanleiding van bovenvermelde opdracht van de verdachte Adhin, [naam 2] een Memo Afschrijving Media Equipment d.d. 8 juli 2020 – heeft opgemaakt welke door de medeverdachte Adhin akkoord is bevonden en ondertekend; de verdachte Adhin zegt dat hij de inhoud hiervan slechts grammaticaal heeft getoetst. Uit onderzoek is gebleken dat de apparatuur in kwestie allen zijn aangeschaft één en een half jaar voor de afschrijving en dat voor de afschrijving ten aanzien van ICT-apparatuur minimaal vijf (5) jaren geldt en voor meubilair minimaal tien (10) jaren. Daarnaast is gebleken dat medeverdachte [naam 2] niet bevoegd was de memo te schrijven en de afschrijving niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden;

Overwegende, dat medeverdachte [naam 2] heeft verklaard dat hij een deel van de apparatuur bij zich had omdat die in opdracht van medeverdachte Adhin aan hem, door [naam 4] en [naam 5] was afgegeven met de bedoeling om deze tot nadere instructie bij zich te houden. Hij heeft deze gedurende vier (4) dagen bij zich gehouden en heeft hij de apparaten gebracht voor de verdachte Adhin, omdat hij bang was dat er een inval door de politie bij hem zou worden gepleegd. Hij vermoedt dat de bedoeling van het brengen van de apparatuur naar Adhin was dat hij deze zelf zou gebruiken;

Overwegende, dat de medeverdachte [naam 1] bij zijn verhoor verschillende verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de plaats waar hij apparatuur is gaan ophalen en waar hij deze naartoe heeft vervoerd. Dat de medeverdachte [naam 1] heeft verklaard dat apparatuur en meubilair waren opgeslagen in het pand gelegen aan de Nassylaan en dat hij die heeft moeten verwijderen; dat aan hem mededeling is gedaan dat de huur van het pand is opgezegd en hij het pand moest ontruimen. Deze verklaring is nimmer bevestigd. In tegensteling tot deze verklaring van de medeverdachte [naam 1] heeft de verdachte Adhin verklaard dat het meubilair en apparatuur dat geschonken zou worden aan het Doveninstituut, niet kon blijven in het pand aan de Nassylaan omdat het daar onveilig zou zijn. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [naam 1] verklaard dat hij in opdracht van de verdachte Adhin de goederen thuis bij hem, Adhin, heeft opgehaald en deze vervolgens heeft afgegeven op het Kabinet van de vicepresident;

Overwegende, dat de medeverdachte [naam 1] heeft verklaard dat, toen hij de apparatuur bij de woning van de verdachte Adhin is gaan ophalen, Adhin hem een lijst heeft overhandigd en hij met die lijst gecontroleerd heeft welke apparatuur aan hem is afgestaan waarna hij de goederen heeft meegenomen en deze heeft afgeven op het Kabinet van de vicepresident. De verdachte Adhin verklaart in tegenstrijd hiermede niet te hebben geweten wie degene is geweest die de apparatuur vanachter de deur van zijn woning heeft weggehaald maar later te hebben vernomen dat de medeverdachte [naam 1] degene was;

Overwegende, dat in tegenstelling tot het verweer van de raadslieden is gebleken dat de door de medeverdachte [naam 1] afgegeven media-apparatuur bij het Kabinet van de vicepresident direct na afgifte is gecontroleerd door een van de ICT-deskundigen en is gebleken dat deze opzettelijk waren beschadigd c.q. vernield;

Overwegende, dat op grond van het bovenstaande blijkt dat in opdracht van de verdachte Adhin onbevoegdelijk de Memo Afschrijving Media Equipment d.d. 8 juli 2020 door de medeverdachte [naam 2] is opgemaakt, welke akkoord is bevonden en ondertekend door de verdachte Adhin, en media-apparatuur onbevoegdelijk is afgeschreven. Een deel deze apparatuur was op het moment van die onbevoegdelijk afschrijving slechts anderhalf jaar terug aangeschaft en bleek na terug te zijn gebracht naar het Kabinet van de vicepresident te zijn beschadigd en zichtbaar vernield. De goederen zijn op verschillende locaties ondergebracht en waren allen gedurende enige tijd bij de verdachte en zijn medeverdachten. Na de onbevoegdelijke afschrijving is een deel van deze apparatuur nog voor de dienst gebruikt terwijl er is verklaard dat de apparaten als niet geschikt voor de dienst waren afgeschreven;

Overwegende, dat de verklaringen van de verdachten tegenstrijdig zijn;

Overwegende, dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten;

Overwegende, dat voor de beantwoording van de vraag of de inverzekeringstelling rechtmatig is, niet uitsluitend de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld dient te worden beantwoord maar ook moet worden nagegaan of de regels van het procesrecht in acht zijn genomen. Ten aanzien van dit laatste geldt het volgende: de opdracht van de verdachte Adhin die heeft geleid tot de Memo Afschrijving Media Equipment d.d. 8 juli 2020 heeft plaatsgehad tijdens zijn Ambtsperiode als vicepresident en deze, behalve onbevoegdelijk, gelet op bovenstaande feiten, mogelijk ook valselijk is opgemaakt en kan dit feit worden beschouwd als een feit gepleegd in de betrekking van zijn ambt. Als uitvloeisel van deze handeling zijn deze goederen op één of meerder momenten verduisterd, daarna teruggebracht op kabinet van de vicepresident en bleken zij opzettelijke te zijn beschadigd c.q. vernield. De verdachte Adhin diende ingevolge de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers (S.B. 2001 no. 72) eerst in staat van beschuldiging te worden gesteld. De stelling van het Openbaar Ministerie welke erop neerkomt dat deze wet pas van toepassing zou zijn op de verdachte Adhin indien tegen hem een daad van vervolging was ingesteld wordt verworpen, omdat dit in strijd zou zijn met de ratio van artikel 140 van de Grondwet en ter uitvoering daarvan, de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers;

Overwegende, dat op grond van al hetgeen is overwogen de inverzekeringstelling onrechtmatige dient te worden verklaard.

BESCHIKKENDE:

Verklaart de inverzekeringstelling onrechtmatig en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte ADHIN, MICHEAL ASHWIN
Aldus gegeven te Paramaribo op 20 november 2020 door mr. S.S.S. Wijnhard, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. Z.K. Lamsberg LLB.

De fungerend-griffier, De rechter-commissaris,

mw. Z.K. Lamsberg LLB. mr. S.S.S. Wijnhard

SRU-ATC-2020-10

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/30

Beslissing van het Advocatentuchtcollege
Naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[verweerder],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,

1. Het verloop van de procedure
1.1 Bij schrijven van 8 augustus 2019 heeft klager bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna de Deken) een klacht ingediend tegen verweerder;
1.2 De Deken heeft de klacht met bijbehorende producties op 28 november 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege);
1.3 De klacht is behandeld op 13 maart 2020 ter zitting van het tuchtcollege, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
1.4 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klager heeft verweerder benaderd voor rechtsbijstand. In dat kader heeft verweerder op verzoek van klager conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [naam] en Wood Source International N.V.
Verweerder heeft op 10 mei 2019 de vanwaardeverklaring van die gelegde beslagen verzocht.

2.2 Verweerder heeft voorts namens klager verweer gevoerd in een kortgedingzaak aangelegd door [naam] en Wood Source International N.V. (hierna [naam] e.a.) tegen klager ter opheffing van de gelegde beslagen. De vordering van [naam] e.a. voornoemd is afgewezen en de beslagen zijn in stand gebleven.

2.3 Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van de advocaat van [naam]e.a., mr. C. Algoe, en de bereidwilligheid van klager eveneens bemiddeld om tot een oplossing te geraken. Op grond hiervan is er een dadingsovereenkomst opgesteld met overwegingen, bedingen en voorwaarden. Deze dadingsovereenkomst is op 29 mei 2019 door de betrokken partijen, klager en [naam] in persoon en in de hoedanigheid van Direkteur van Wood Source International N.V. getekend, waarbij de handtekeningen zijn gelegaliseerd door notaris mr. J.A. Jadnanansing residerende te Paramaribo.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet door zijn belangen niet zorgvuldig te hebben behartigd.
Klager meent dat verweerder, bij het opstellen van de dadingsovereenkomst niet zijn belangen als cliënt heeft gediend, maar juist die van de tegenpartij.
Tevens stelt klager dat verweerder hem heeft gedwongen de dadingsovereenkomst te ondertekenen. Tenslotte stelt klager dat de verrichtingen van verweerder het door hem gevraagde honorarium niet rechtvaardigen.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd. Het tuchtcollege komt zover nodig hierop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Verweerder stelt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met de zorgplicht genoemd in artikel 37 van de Advocatenwet.
Volgens verweerder heeft klager zelf aangegeven dat hij wenst mee te werken aan een permanente oplossing, omdat hij niet zijn hele leven lang in onmin wil leven met [naam], die zijn schoonzoon is, en zijn dochter. Dit is de reden waarom er een dading tot stand is gekomen tussen partijen.
Verweerder ontkent dat hij klager heeft gedwongen om de dadingsovereenkomst te ondertekenen. Verweerder voert voorts aan dat verweerder op de hoogte was van de inhoud van de dadingsovereenkomst en dat deze is ondertekend ten overstaan van de notaris. mr. J.A. Jadnanansingh, die de handtekeningen heeft gelegaliseerd.
Ten aanzien van het gevraagde honorarium, heeft verweerder verklaard dat hij aan klager heeft voorgehouden dat zijn honorarium bedraagt USD 10.000,=.

4.2 Klager heeft niet weersproken dat hij wenste mee te werken aan een permanente oplossing omdat hij niet zijn hele leven lang in onmin wilde leven met [naam], die zijn schoonzoon is, en zijn dochter. Ook heeft hij niet weersproken dat dit de reden is waarom een dadingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen. Klager heeft evenmin weersproken dat hij kennis droeg van de inhoud van de dadingsovereenkomst en dat deze is ondertekend ten overstaan van de notaris die de handtekeningen heeft gelegaliseerd.
Indien klager het niet eens was met de inhoud van de dadingsovereenkomst had hij die niet moeten ondertekenen. Klager heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat hij de dadingsovereenkomst onder druk heeft moeten ondertekenen.
De stelling van klager dat verweerder, bij het opstellen van de dadingsovereenkomst niet zijn belangen als cliënt heeft gediend, maar juist die van de tegenpartij, is daarom niet aannemelijk.
Het tuchtcollege komt daarom niet tot enige verwijtbaarheid aan de zijde van verweerder. Verweerder heeft dus niet gehandeld in strijd met zijn zorgplicht jegens klager.

4.3 Voor wat betreft de hoogte van het honorarium van verweerder oordeelt het tuchtcollege als volgt.
Gebleken is dat partijen thans verwikkeld zijn in een rechtsproces met betrekking tot de hoogte van het door klager aan verweerder te betalen honorarium.
Op grond van de door verweerder verrichtte werkzaamheden acht het tuchtcollege het door verweerder gevraagde honorarium vooralsnog niet bovenmatig. Het tuchtcollege komt tot deze vaststelling na het marginaal onderzoek in de onderhavige zaak. In het rechtsproces waarin partijen thans verwikkeld zijn, zal uiteindelijk over de rechtmatigheid van de hoogte van het honorarium worden beslist.
In ieder geval komt het tuchtcollege niet tot de slotsom dat verweerder ten aanzien van het honorarium, heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht jegens klager.

4.4 Het tuchtcollege komt op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen tot de conclusie dat de klacht van klager ongegrond is, en zal dienovereenkomstig beslissen.

4.5 Het tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het tuchtcollege:
Verklaart de klacht tegen [verweerder] ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 09 oktober 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris, De plv. voorzitter,

w.g.mr. M.S. Wesenhagen w.g.mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,

w.g. mr. S. Sheombar
w.g. mr. J.R. Wouter

Voor eensluitend afschrift

De secretaris van het ATC,

mr. M.S. Wesenhagen

Ingevolge artikel 56 van de Advocatenwet kan van de beslissingen van het Tuchtcollege gedurende dertig dagen na de ontvangst van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie aan de daarbij door:
de klager die de klacht die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:
de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard; bij gegrondbevinding van de klacht, het verzoek in artikel 45 lid 6 bedoeld wordt afgewezen;
de Deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft geleid, ter kennis van het Tuchtcollege heeft gebracht, indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.

Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omklede memorie, in drievoud in te dienen bij de griffie van het Hof van Justitie en vergezeld van drie afschriften van de beslissing waartegen beroep is ingesteld.

SRU-K1-2020-37

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1581
30 oktober 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DOES TRAVEL SERVICE N.V.,
gevestigd aan de Burenstraat 4 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. G. Castelen, advocaat,

tegen

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V. (KLM),
gevestigd en kantoorhoudend aan de Hofstraat 1 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde of afzonderlijk Does Travel Service en KLM worden genoemd.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 02 juli 2020 met producties op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 juli 2020;
  • de conclusies van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusies van dupliek met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de niet weersproken stellingen en producties kan in dit geding van het volgende worden uitgegaan.

2.1 Bij Staatsbesluit van 24 december 2007 (S.B. 2007 no. 131), hierna het Staatsbesluit genoemd, is een minimum commissie voor gecertificeerde IATA (International Air Transport Association) reisagenten vastgesteld met de bedoeling de bestaanszekerheid van die reisagenten te garanderen. Luchtvaartmaatschappijen die erkend zijn door de Staat Suriname en internationale luchtvervoersdiensten in Suriname verkopen via reisagenten en via het IATA – BSP (Bank Settlement Plan van de IATA) verrekenen, zijn verplicht de commissie te betalen aan de IATA reisagenten met wie zij een agenturen overeenkomst hebben. De commissie is met ingang van 1 januari 2008 vastgesteld op 6% over het basisvliegtarief en de gepubliceerde brandstoftoeslag (en).

2.2 KLM heeft bij brief van 9 juni 2020 met referentie MTB aan Does Travel Service meegedeeld dat met ingang van 9 juli 2020 de KL Ticketing Authority tijdelijk stop gezet wordt conform IATA resolutie 818g 2.5.1.2. en Does Travel Service geen KL tickets meer kan “issuen”.

2.3 De IATA resolutie 818g 2.5.1.2. luidt:

“any BSP Airline having granted Ticketing Authority to an Agent, may cancel such authority in respect of the Agent, or any Location of the Agent by so notifying the Agent in writing or by updating the relevant information online through the BSP link system.”

2.4 Does Travel Service heeft bij betekend schrijven van 19 juni 2020 KLM gesommeerd haar brief van 9 juni 2020 in te trekken en haar besluit ongedaan te maken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Does Travel Service vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. De brief van, de kantonrechter leest verbeterd, in plaats van 19, 09 juni 2020 met als kenmerk MTB althans het daarin genomen besluit nietig te verklaren of te schorsen in haar werking;
B. KLM te veroordelen een dwangsom ad € 50.000, – tot een maximum van € 2.000.000, – dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, aan Does te betalen voor elke keer dat zij, KLM, weigerachtig is het vonnis uit te voeren of te gehengen en gedogen;
C. KLM te veroordelen aan Does Travel Service te betalen het bedrag wegens schade bestaande uit gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten inclusief advocaatkosten ad € 5.000, – dan wel een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag.

Voorts is veroordeling van KLM in de proceskosten gevorderd.

3.2 Does Travel Service heeft kort gezegd aan de vordering ten grondslag gelegd dat KLM onrechtmatig jegens haar handelt door in strijd met het Staatsbesluit met ingang van 9 juli 2020 de KL Ticketing Authority tijdelijk stop te zetten met gebruikmaking van IATA resolutie 818g 2.5.1.2. zodat zij geen KL tickets kan uitgeven.

3.3 KLM voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en Does Travel Service zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 KLM is primair van mening dat het Staatsbesluit geen stand kan houden, omdat een wettelijke grondslag die op grond van het legaliteitsbeginsel vereist is ontbreekt. KLM baseert dit op haar interpretatie van het Staatsbesluit dat de Regering KLM gebiedt een commissie van 6% te betalen op straffe van nietigheid van een overeengekomen lagere vergoeding, terwijl niet bij wet in die beperking is voorzien. KLM concludeert dat het Staatsbesluit daarom nietig is en buiten toepassing dient te worden gelaten. Subsidiair meent KLM dat voor zover wel sprake is van die beperking, het Staatsbesluit haar niet in de weg kan staan haar gewijzigd commercieel beleid met het oog op kostenbesparing vooral ingegeven door – kort gezegd – de druk van de Covid-19 pandemie, uit te voeren.

4.3 Does Travel Service stelt zich op het standpunt dat in het Staatsbesluit geen sprake is van belastingen, van straffen of handhaven van straffen, in welk geval een andere wettelijke grondslag vereist zou zijn. De opvatting van KLM is volgens Does Travel Service onbegrijpelijk, omdat aan KLM niets in de weg heeft gestaan, zo zij meende dat het Staatsbesluit in strijd met het legaliteitsbeginsel was vastgesteld, om in de in de afgelopen 13 jaar de rechtmatigheid van het Staatsbesluit te doen toetsen door de onafhankelijke rechter.

4.4 Allereerst overweegt de kantonrechter dat de Wet Veiligheid en Beveiliging Burgerluchtvaart (S.B. 2002, No. 24, hierna WVBB genoemd) en het Surinaams Luchtvaartbesluit 1935 tot het kader van de Burgerluchtvaartwetgeving van Suriname horen. Tevens omvat het wettelijk kader voor de burgerluchtvaart van Suriname het Verdrag inzake Internationale Burgerluchtvaart, tot stand gekomen in Chicago, op 7 december 1944, inclusief de daarbij behorende Bijlagen en alle wijzigingen daarvan en aanvullingen daarop voor zover geratificeerd door Suriname. Regelingen – artikel 43 lid 3 WVBB – zijn bepalingen die geregelde onderwerpen omvatten of waaruit internationale verplichtingen voortvloeien uit de Burgerluchtvaartwetgeving en uitgevaardigd zijn door de minister belast met de burgerluchtvaart. Besluiten zijn volgens de WVBB bepalingen, procedures en andere wettelijke maatregelen die zijn uitgevaardigd in overeenstemming met de WVBB en andere eisen van nationaal recht. De hier bedoelde Regelingen en Besluiten zijn eveneens onderdeel van de Burgerluchtvaartwetgeving van Suriname.

4.5 Voorts overweegt de kantonrechter dat uit artikel 3 sub k WVBB voortvloeit dat de minister belast met de burgerluchtvaart bevoegd is maatregelen voor vergoedingen vast te stellen voor dienstverlening binnen het kader van de Burgerluchtvaartwetgeving. In het Staatsbesluit is – samengevat – overwogen dat het wenselijk is een minimum commissie voor IATA reisagenten vast te stellen en is bij of krachtens staatsbesluit de te betalen commissie bepaald. De vaststelling is blijkens artikel 2 lid 1 “van tijd tot tijd” bedoeld, kennelijk van tijdelijke aard. Voorts kunnen met betrekking tot het bepaalde over de vastgestelde vergoeding ad 6% in artikel 2 lid 2 nadere regels worden vastgesteld. De redactie, systematiek en inhoud van het Staatsbesluit brengen onmiskenbaar met zich mee dat sprake is van een zogenoemd “uitvoeringsbesluit”. Anders dan KLM meent, is de kantonrechter van oordeel dat daarbij noch de verplichting tot betaling van de commissie – die KLM overigens opvat als een aan haar opgelegde beperking van haar recht het eigen commercieel beleid gestalte te geven – noch het rechtsgevolg van nietigheid in artikel 2 lid 2 van het Staatsbesluit, zijn aan te merken als bestuursrechtelijke sancties. Voor zover van belang merkt de kantonrechter in dit verband nog op dat strafbepalingen binnen de thans geldende Burgerluchtvaartwetgeving van Suriname zijn neergelegd in de artikelen 40 en 41 van de WVBB. Het verweer van KLM dat het Staatsbesluit de vereiste wettelijke grondslag ontbeert wordt op grond van het voorgaande verworpen.

4.6 KLM heeft bij dupliek als productie 5 de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden grondgebieden, hierna de Overeenkomst genoemd, overgelegd. Dit document heeft zij overgelegd als onderbouwing van haar standpunt dat zij voorzieningen mag treffen voor de bevordering van het luchtvervoer en de verkoop van vliegbiljetten. KLM beroept zich daarbij op artikel 7 lid 1 van de Overeenkomst. Does Travel Service heeft de Overeenkomst niet weersproken en is in haar conclusie tot uitlating verder ingegaan op artikel 7 van de Overeenkomst en wel lid 4 inhoudende dat de activiteiten worden verricht in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij.

Hoewel KLM zich hierover niet meer heeft kunnen uitlaten oordeelt de kantonrechter dat partijen bij repliek onder randnummer 7 en bij dupliek onder randnummer 11 hun standpunten over dit onderdeel van het partijdebat zodanig hebben kunnen stellen dat KLM niet in haar belang is geschaad.

4.7 Uit artikel 7 lid 1 juncto artikel 1 van de Overeenkomst vloeit voort dat KLM een door de luchtvaartautoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvaartmaatschappij is, om internationale luchtdiensten te exploiteren zoals door partijen bij de Overeenkomst bepaald op de routes zoals in de van toepassing zijnde Bijlage omschreven. De kantonrechter oordeelt dat het standpunt van Does Travel Service hout snijdt dat die activiteiten ex artikel 7 lid 4 van de Overeenkomst verricht zullen moeten worden in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere Overeenkomstsluitende Partij, in dit geval de Republiek Suriname. De positie van KLM als aangewezen luchtvaartmaatschappij brengt met zich dat zij rechten en verplichtingen aan de Overeenkomst ontleent. Op die grond is KLM in het onderhavige geval dan ook gehouden uitvoering te geven aan artikel 2 lid 1 en 2 van het Staatsbesluit, totdat daarin wijziging zal zijn gekomen. De kantonrechter verwijst, voor zover van belang, nog naar artikel 6 van de Overeenkomst waarin is voorzien in een procedure ter beslechting van geschillen over tarieven tussen de Overeenkomstsluitende Partijen. In de onderhavige procedure is evenwel gesteld noch gebleken dat een dergelijke procedure is ingezet noch dat de brief van 09 juni 2020 als uitkomst van die procedure aan Does Travel Service is verstuurd. Aan een beoordeling wordt dan ook niet toegekomen.

4.8 Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot schorsing van de werking van het besluit in de brief van 09 juni 2020 afkomstig van KLM met als kenmerk MTB zal worden toegewezen.

4.9 Aan een bespreking van de overige standpunten van partijen wordt niet toegekomen nu deze niet tot een ander resultaat zullen leiden.

4.10 De gevorderde dwangsom zal gemitigeerd worden toegewezen.

4.11 De gevorderde vergoeding van schade bestaande uit gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten en advocaatkosten zal als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.12 KLM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Schorst de werking van het besluit in de brief afkomstig van KLM van 09 juni 2020 met als kenmerk MTB.

5.2 Veroordeelt KLM tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse Dollar) tot een maximum van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse Dollar) aan Does Travel Service te betalen voor elke keer of dag dat KLM weigert dit vonnis uit te voeren dan wel te gehengen en gedogen.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt KLM in de kosten van het geding aan de zijde van Does Travel Service tot aan deze uitspraak begroot op SRD 350, – (driehonderdvijftig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 30 oktober 2020 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-36

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1619
13 november 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [Eiser sub A],
B. [Eiser sub B],
beiden wonend te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. A. Karg, advocaat,

tegen

A. RUSLAND, GREGORY,
B. FATEHMOHAMED, IRSHAAD MOHAMED,
C. ETNEL, PATRICIA,
D. LAU, ANDY SIE,
E. ABAUNA, LEENDERT,
F. DAAN, ROSELINE,
G. HOEVER, DOROTHY,
H. OEMAR, RONNY,
I. PIGOT, HESDY,
J. RENFRUM-COUTINHO, RUTH,
allen voornoemd in hoedanigheid van bestuurder (Hoofdbestuurslid) van rechtspersoon de politieke vereniging ‘NATIONALE PARTIJ SURINAME’,
zitting of kantoorhoudend te Paramaribo aan de Johan Adolf Pengelstraat 77,
K. DE POLITIEKE VERENIGING NATIONALE PARTIJ SURINAME, afgekort NPS, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudend aan de Johan Adolf Pengelstraat 77,
gedaagden,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden of afzonderlijk ‘[eisers]’ en ‘Rusland e.a.’ worden genoemd.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 10 juli 2020 met producties op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 11 juli 2020 gevolgd door de vordering tot vermindering van eis, inhoudend – kort gezegd – de vorderingen om een Congres bijeen te roepen om te beslissen over
    I. deelname aan een samenwerkingsverband met politieke en andere organisaties,
    II. kandidaatstelling van kandidaat-ministers en
    III. kandidaatstelling van een Presidentskandidaat en Vicepresidentskandidaat in te trekken, welke vordering van eisvermindering door de kantonrechter is toegewezen;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, of niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1 De Nationale Partij Suriname, hierna NPS genoemd, is opgericht op 29 september 1946. NPS heeft haar Statuten voor het laatst in mei 2019 gewijzigd. Het Huishoudelijk Reglement van NPS, hierna HR genoemd, is vastgesteld en goedgekeurd op de vergadering van het Congres op 9 oktober 2009.

2.2 De secretaris van NPS heeft namens de voorzitter, gedaagde sub A, de leden van het Hoofdbestuur uitgenodigd voor een spoedvergadering van het Hoofdbestuur op zaterdag 11 juli 2020 om 10.00 uur. Op de agenda stond onder meer “Voordrachten ivm de functie van minister voor de ministeries van a. Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur en b. Ruimtelijke Ordening en Milieu.”

2.3 Namens het Congresbestuur van NPS hebben de voorzitter en secretaris het Congresbestuur van NPS het Hoofdbestuur, gemachtigden van de Afdelingen, vertegenwoordigers van de Adviesraad, vertegenwoordigers van de Jongerenraad, leden van de Nationale Assemblee en vertegenwoordigers van het Japin uitgenodigd voor het bijwonen van een Buitengewoon Congres van de Partij op zaterdag 11 juli 2020 om 11.00 uur. “Verkrijgen van goedkeuring voor de samenwerking in de Coalitie en deelname aan de Regering” en “Behandeling van voordrachten van kandidaat Ministers” behoorden onder meer tot de agendapunten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eisers] vorderen na eiswijziging, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden sub A tot en met K te veroordelen:

IV. alle boeken en bescheiden, houdende financiële verslaglegging, over te dragen en daartoe toegang te bieden op een Congres uiterlijk binnen negentig dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
V. volledige medewerking te verlenen of alles wat bevorderlijk mocht zijn te ondernemen, waaronder het verstrekken van noodzakelijke documenten, het doen van bekendmakingen, ondertekenen van akten, benoemen van deskundigen, evenals overige feitelijke handelingen en rechtshandelingen om te bewerkstelligen dat uiterlijk binnen negentig dagen na het te wijzen vonnis een Congres te houden ter verkiezing van het Hoofdbestuur, een Voorzitter en Ondervoorzitter van gedaagde sub K;
VI. e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 50.000, – per dag of keer dat een of meer gedaagden in strijd handelen met de veroordelingen als hiervoor gevorderd;
VII. het te wijzen vonnis te gehengen en gedogen.

3.2 Aan hun vorderingen leggen [eisers] – samengevat – ten grondslag dat gedaagde sub A, althans het hoofdbestuur onder zijn leiding, heeft verzuimd de aangekondigde statutenwijziging vorm te geven en te realiseren, de notulen van tal van organen te arresteren of te concipiëren en voor een correcte financiële verslaglegging zorg te dragen, wat strijdig is met de Statuten, het Huishoudelijk Reglement en de normen van goed bestuur. Gedaagde sub A treedt, zonder grondslag voor voortgezet voorzitterschap van gedaagde sub K, vanaf 21 mei 2019 in die hoedanigheid op.

3.3 Rusland e.a. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is gelet op de naderende datum van verkiezing van de President en Vice President en de kabinetsformatie voldoende aannemelijk geacht en [eisers] zijn op die grond in het kort geding ontvangen.

4.2 Rusland e.a. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], omdat zij menen dat laatstgenoemden de onderhavige vordering niet in hoedanigheid van leden van NPS hebben ingesteld. Verder stellen Rusland e.a. dat ook indien de eisers als individuele leden de vordering zouden hebben ingesteld, zulks in strijd zou zijn met artikel 9, de kantonrechter begrijpt artikel 9 lid 2, Statuten. Daarin is bepaald dat behoudens het Congresbestuur alleen het Hoofdbestuur en de Algemene Ledenvergadering van ten minste drie afdelingen van NPS de bevoegdheid tot het eisen van een Congres toekomt. Ook werpen Rusland e.a. op dat eisers, zoals in de voorliggende zaak is gevorderd, geen overdracht van en toegang tot de betreffende documenten kunnen afdwingen van gedaagden sub A tot en met J, omdat laatstgenoemden de bevoegdheid missen zelfstandig te beschikken over de boeken en bescheiden van NPS.

4.3 [eisers] voeren hiertegen aan dat zij geruime tijd lid zijn van de politieke vereniging NPS in de zin van het Decreet Politieke Organisaties jo. artikel 4 Statuten. Zij stellen dat op de vereniging volgens artikel 4 HR de verplichting rust hen het bewijs van lidmaatschap te verstrekken. Echter, zo stellen zij, heeft NPS onvoldoende uitvoering hieraan gegeven.

4.4 De deelvorderingen onder IV en V houden in dat NPS op een te houden Congres uitvoering geeft aan het in die deelvorderingen verder gevorderde. De kantonrechter overweegt als uitgangspunt voor de beoordeling dat statuten een noodzaak zijn voor een vereniging, omdat slechts in de statuten het verenigingsverband voldoende wordt bepaald. Deze geïdentificeerde noodzaak sluit aan bij jurisprudentie waarin is geoordeeld dat de regeling waaruit van een georganiseerd lichaam blijkt, voor een vereniging nodig is, zie C. Asser, Rechtspersonenrecht, 2012.

4.5 Artikel 7 lid 1 Statuten bepaalt dat het Congres het hoogste orgaan van NPS is. Het orgaan bestaat uit afgevaardigden van de Afdelingen en Onder-Afdelingen, het Hoofdbestuur, leden van de Partij die lid zijn van volksvertegenwoordigende lichamen, leden van de Partij die lid zijn van de Staatsraad, leden van de Partij die lid zijn van de Raad van Ministers, leden van de Adviesraad en afgevaardigden van de Jongerenraad. Voorts kan elk lid van de Partij als toehoorder worden toegelaten. Uit artikel 7 lid 1 en artikel 9 lid 2 Statuten (hiervoor aangehaald onder 4.2) vloeit lidmaatschap van NPS als voorwaarde voort om deel te mogen nemen in de onderscheiden organen van de vereniging.

4.6 De beoordeling raakt in de kern de vraag of zich in de onderhavige zaak een kennelijke aanwezigheid dan wel afwezigheid van hoedanigheid van eisers als leden van NPS in hun vordering voordoet. NPS onderscheidt volgens artikel 4 Statuten haar leden in gewone leden, junior leden, buitengewone leden en ereleden. [eisers] stellen weliswaar dat zij lid zijn van NPS in de zin van het Decreet Politieke Organisaties jo. artikel 4 Statuten, maar zij weerspreken het gemotiveerd verweer van Rusland e.a. niet dat zij niet in die hoedanigheid, dat is als leden van NPS, de vordering hebben ingesteld. In hun repliek werpen [eisers] integendeel op dat Rusland e.a. de verplichting om het bewijs van lidmaatschap aan hen te verstrekken niet hebben uitgevoerd.

4.7 Het had daarom op de weg van [eisers] gelegen zich als in rechte optredende partij zodanig te stellen, dat de vereiste hoedanigheid uitdrukkelijk werd geduid. Immers, het bestaan van een bepaalde rechtsband tussen de procespartij (eisers) en het betwiste recht is vereist om in rechte op te treden tegen schending van dat recht. Dit klemt te meer nu uit de artikelen 7 lid 1 en 9 lid 2 Statuten uitdrukkelijk het lidmaatschap vereiste voortvloeit. Dat eisers hebben nagelaten hun hoedanigheid als procespartij te duiden en onweersproken gelaten hebben dat zij niet in de hoedanigheid van leden van NPS onder meer het houden van een Congres hebben gevorderd, maakt aannemelijk dat in dit geding sprake is van een kennelijke afwezigheid van hoedanigheid.

4.8 Daar komt bij dat Rusland e.a. naar het oordeel van de kantonrechter zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat [eisers] een algemeen theoretisch belang geformuleerd hebben zonder daarbij te stellen welk persoonlijk en rechtstreeks belang zij menen te hebben bij de vorderingen. Geoordeeld wordt dat de gestelde feiten en omstandigheden aldus geen rechtsband van [eisers] met een bestreden subjectief recht construeren.

4.9 Het vorenstaande leidt ertoe dat [eisers] niet hebben voldaan aan het ontvankelijkheidsvereiste. Dit betekent dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

4.10 Eisers zullen als de niet ontvangen partij in de proceskosten veroordeeld worden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vorderingen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 13 november 2020 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-ATC-2020-9

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/29

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

De Stichting “[stichting 1]”,
klaagster,
hierna (ook) [stichting 1],
gevolmachtigde: dhr. [naam 1],

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

Het verloop van de procedure

Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 29 oktober 2019 heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 28 februari 2020. Zowel klaagster als verweerder hebben producties overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen en weren. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 27 maart 2020 doch nader op heden.

2. De feiten

2.1. Op 09 juli 2009 is [stichting 1 ]een lening aangegaan met hypotheekstelling met de in het district [dictrict] gevestigde stichting “[stichting 2]”. Hierbij is het erfpachtsrecht – vervallende twee april tweeduizend en vijftig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vierhonderd en tien zeven en veertig/honderdste meters, gelegen in het district [district 2], deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats [plaats] en nader aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels de dato zes en twintig januari 1976 met de letters AFGHK, als onderzetting verbonden.

2.2. Sedert 2015 heeft de schuldeiseres [stichting 2] met als procesgemachtigde mr. [verweerder] verschillende processen gevoerd contra [stichting 1] (schuldenares) bekend onder Ar. [no.1], Ar. [no.2], Ar. [no.3].

3. De klacht en het verweer

3.1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

3.2. Klaagster stelt -zakelijk weergegeven- dat de sommatie/saldo-opgave inhoudende de hoofdsom en achterstallige rente d.d. 04 juni 2019, hierna: de sommatie, valselijk is opgemaakt en ondertekend door verweerder en dat de sommatie klaagster nimmer heeft bereikt. Volgens klaagster heeft verweerder ten onrechte doen voorkomen alsof de sommatie in de brievenbus van het bestuurslid van klaagster is bezorgd.

3.3. Voorts stelt klaagster dat met de sommatie verweerder namens zijn cliënte de veiling heeft aangezegd, welke op 12 augustus 2019 zou plaatsvinden en indien de veiling voortgang zou hebben gehad zou deze tot benadeling van klaagster hebben kunnen leiden, omdat volgens klaagster de volledige rente reeds was kwijtgescholden door de cliënte van verweerder. Daarnaast stelt klaagster dat verweerder desondanks heeft geprobeerd de rente op een slinkse wijze te verhalen op haar.

3.4. Verder stelt klaagster dat in het deurwaardersexploit no. [nummer] d.d. 5 januari 2017 van [deurwaarder], waarbij de brief van verweerder d.d. 02 januari 2017 is betekend aan klaagster de passage onder voorbehoud van rechten niet staat vermeld. Klaagster heeft bij de Deken de brief van 02 januari 2017 onder ogen gehad, waarin de passage onder voorbehoud van rechten wel staat vermeld. Volgens klaagster heeft verweerder deze zinssnede achteraf erbij getypt in de brief.

3.5. Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1. Ter beoordeling ligt de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2. Verweerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer. Volgens verweerder is aan klaagster voorgehouden dat onder voorbehoud van rechten alvast de hoofdsom moest worden betaald, maar dat klaagster dit niet heeft gedaan, waardoor verweerder in opdracht van zijn cliënte de hoofdsom en de rente dat nog niet was verjaard heeft geëxecuteerd. Verweerder is ervan uitgegaan dat zijn cliënte bevoegd en gerechtigd is tot het overgaan van executie, want het voorbehoud dat de kantonrechter in kort geding in het vonnis d.d. 25 oktober 2016, AR.No. [no.4] had gemaakt namelijk, dat klaagster binnen twee maanden na het vonnis een vordering in bodemprocedure moet indienen, is geschied. Volgens verweerder heeft hij gehandeld conform voornoemd vonnis en heeft de kantonrechter het voorbehoud niet gemaakt dat bij in kracht van gewijsde gegane vonnis daarover een beslissing moet zijn genomen. Verweerder voert verder aan dat de deurwaarder bij het scannen van de brief d.d. 02 januari 2017 kennelijk het gedeelte van “onder voorbehoud van rechten” abusievelijk heeft weggelaten.

4.3. Het Tuchtcollege heeft acht geslagen op de inhoud van de sommatie d.d. 04 juni 2019, waarvan klaagster vindt dat die valselijk is opgemaakt en ondertekend door verweerder en hem nimmer heeft bereikt. Het Tuchtcollege begrijpt dat de deurwaarder in opdracht van de cliënte van verweerder moest executeren en is van oordeel dat de sommatie niet gekwalificeerd kan worden als te zijn valselijk opgemaakt. De sommatie is in opdracht van de cliënte van verweerder opgemaakt en daar bestaat er bij het Tuchtcollege geen twijfel over. Klaagster is van mening dat verweerder heeft aangegeven dat de volledige rente wordt kwijtgescholden, maar dat verweerder in de sommatie toch de hoofdsom en de rente voor een bepaalde periode heeft opgebracht. Het Tuchtcollege gaat ervan uit dat de wijze van het betekenen van stukken een bevoegdheid is van de deurwaarder. Het eventuele nalaten, onzorgvuldigheid of slordigheid van een deurwaarder kan niet toegerekend worden aan de advocaat. Naar aanleiding van de insinuatie van klaagster als zou verweerder achteraf in de brief d.d. 02 januari 2017 de passage “onder voorbehoud van rechten” hebben opgenomen, is het Tuchtcollege van oordeel dat in voormelde brief die per deurwaardersexploit op 05 januari 2017 door [deurwaarder] is betekend aan klaagster, onder andere, in de laatste alinea staat vermeld: “Op grond hiervan wordt u dan ook gesommeerd om op uiterlijk vrijdag 13 januari 2017 uiterlijk 12:00 uur te mijne kantore, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de ter leen verkregen hoofdsom ad. USD 60.000 minus de gepleegde betaling van in totaal USD 3.000, brengende het saldo op USD 57.000. Mocht u aan deze sommatie geen gevolg geven, dan zal mijn cliënte opnieuw de executie aanzeggen en zijn de gevolgen geheel voor uw rekening.” Het Tuchtcollege is van mening dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat er een voorbehoud is opgemaakt. Verder begrijpt het Tuchtcollege uit de inhoud van het schrijven d.d. 17 januari 2017 inzake antwoord [stichting 1] op het schrijven van 02 januari 2017, overgelegd als productie 5 bij het klaagschrift, dat de kwijtschelding van de rente voorwaardelijk is geschied en dat klaagster binnen een bepaalde periode toch nog de hoofdsom moet betalen. Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de inhoud van overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld jegens klaagster. Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is dus niet gebleken, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. S. Sheombar, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 22 mei 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,

w.g.w.g.
mr. M.S. Wesenhagenmr. A. Charan

De leden,
mr. G. Ramai-Badal
w.g.
mr.S. Sheombar
w.g.

 

SRU-ATC-2020-8

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/15

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],

verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, denavolgende beslissing uit.

1.Het verloop van de procedure

1.1 Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 07 maart 2019, heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019.Zowel klaagster als verweerster hebben producties overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen en weren.Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.3 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is hierna bepaald op heden.

2. De feiten

2.1Klaagster is procespartij in een geding die verweerster namens haar cliënt [naam 3] tegen klaagster heeft ingesteld.

2.2 Op een fotocopie van een kwitantie staat, onder andere, vermeld (citaat):
Nr.___________
Ontvangen van: [klaagster],
Zevenhonderd en vijftig Sur Dollar,
opmaak brief + dw.ksten
Par’bo 13/10/2017,
SRD 750,= (einde citaat). Verder is er een stempel waarop,onder andere,staat vermeld: [verweerster], advocaat/attorney at law, Keizerstraat 40 bov, Ph: 411577 met een handtekening daarop.

3. De klacht en het verweer
1.1 De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

1.2 Klaagster stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerster ten onrechte een kwitantie op haar naam heeft uitgeschreven, terwijl klaagster nimmer een betaling aan verweerster heeft gedaan. Verder stelt klaagster dat het handschrift op de kwitantie niet van verweerster maar van [naam 3] is.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Verweerster voert aan dat zij per abuis de in 2.2. genoemde kwitantie op naam van klaagster heeft uitgeschreven en dat zij haar verontschuldiging hiervoor heeft aangeboden aan klaagster, doch heeft laatstgenoemde deze niet geaccepteerd. Verweerster voert verder aan dat klaagster geen nadeel heeft ondervonden van deze omissie. Volgens verweerster is de kwitantie nimmer elders door haar gebruikt. Verweerster voert aan dat zij een andere kwitantie heeft uitgeschreven op naam van [naam 3]. Verweerster ontkent dat het handschrift op de kwitantie van [naam 3] is en volhardt dat de kwitantie door haar is uitgeschreven. Verweerster ontkent dat zij incorrect heeft gehandeld jegens klaagster.

4.2 Ter beoordeling ligt de vraag of verweerster verwijtbaar is terzake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens de klaagster. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de kwestie terzake het handschrift op de kwitantie eventueel onderzocht dient te worden door de rechter die de zaak tussen partijen ter behandeling heeft en dat zulks niet ter beoordeling ligt van het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege is verder van oordeel dat klaagster in casu, niet is geschaad in enig rechtens te respecteren belang aangezien niet gebleken is dat de kwitantie verder is gebruikt. Integendeel heeft verweerster aangegeven dat zij een andere kwitantie heeft uitgeschreven op naam van [naam 3].Het Tuchtcollege overweegt voorts dat klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij nadeel heeft ondervonden of zal ondervinden van de kwitantie die per vergissing op haar naam is uitgeschreven. Voor zover klaagster een vrees voor de toekomst koestert vanwege de onderhavige kwitantie is die vrees in de visie van het Tuchtcollege volkomen ongegrond. Van enige verwijtbaarheid aan de zijde van verweerster is er dus ook geen sprake. De klacht is derhalve ongegrond gebleken.

4.3 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr.G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,
mr. M.S.Wesenhagenmr. A.Charan
De leden,
mr. R.M.F. Oemer
mr. G. Ramai-Badal

SRU-ATC-2019-3

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/04
Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:
[naam A]
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam B] ,
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 17 juli 2018 een klacht met bijbehorende produkties ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten.

2. De Deken heeft de klacht op 12 februari 2019 ter kennis gebracht van het
Advocaten Tuchtcollege.

3. De klacht is behandeld ter zitting van het Advocaten Tuchtcollege op 08 maart
2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

4. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De erven [naam 1], waaronder ook klaagster en de cliёnt van verweerder zijn betrokken in de boedelafwikkeling van de nalatenschap van hun ouders [naam 2] en [naam 3]. Als boedelnotaris trad op mr. J.A. Jadnanansing.

2.2 Verweerder is de gemachtigde van [naam 4] (hierna [naam 4]), die een broer is van klaagster.

3. De klacht en het verweer
1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).
Volgens klaagster heeft verweerder zich op een niet correcte wijze gedragen naar de overige erfgenamen. Ook heeft hij schofferende uitlatingen gedaan over de positie en mening van de boedelnotaris. Klaagster meent dat de aanwezigheid van verweerder voor vertraging zorgt bij de boedelafwikkeling en ook voor verwijdering tussen de erven. Klaagster stelt verder dat verweerder haar ongevraagd en ook per mail van adviezen heeft voorzien. Volgens klaagster heeft verweerder hoge commissie afspraken gemaakt met zijn cliёnt, [naam 4]. Tenslotte stelt klaagster dat verweerder heeft gezorgd voor vertraging in de boedelafwikkeling en totale verwijdering van de erfgenamen hier en overzee.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens de klaagster.

4.2 Verweerder voert zakelijk weergegeven aan dat klaagster niet zijn cliёnt is en dat hij niet in strijd met artikel 37 van de Advocatenwet heeft gehandeld. Verweerder ontkent de stelling van klaagster dat hij zich incorrect heeft gedragen jegens klaagster en de overige erfgenamen, danwel de boedenotaris. Verweerder voert tevens aan dat juist klaagster zich ernstig beledigend over hem heeft uitgelaten, hetgeen communicatie tussen hem en haar onmogelijk maakt. Verweerder heeft ter onderbouwing van het voorgaande enkele email-berichten overgelegd. Verweerder voert tenslotte aan dat klaagster misbruik maakt van het tuchtrecht om onterechte klachten in te dienen omwille van de oneigenlijke reden dat verweerder zich onttrekt als gemachtigde van [naam 4]. Verweerder legt een verklaring van [naam 4] over, onder andere inhoudende dat verweerder hem, [naam 4], niet heeft overvraagd.

4.3 Naar het oordeel van het tuchtcollege heeft klaagster niet kunnen onderbouwen dat verweerder zich niet correct heeft gedragen jegens haar, de overige erfgenamen en/of de boedelnotaris. Evenmin heeft klaagster kunnen onderbouwen dat de aanwezigheid van verweerder voor vertraging zorgt bij de boedelafwikkeling en/of verwijdering tussen de erven. Gezien het verweer van verweerder had van klaagster mogen worden verwacht dat zij concreet feiten en of omstandigheden presenteerde op grond waarvan haar verwijt naar verweerder toe kon worden getoetst. Klaagster heeft niet aannemelijk kunnen maken in welk concrete belang zij door het handelen of nalaten van verweerder als gemachtigde van [naam 4] is getroffen.

4.4 Voor wat betreft de stelling van klaagster dat verweerder hoge commissie afspraken heeft gemaakt met zijn cliënt, [naam 4], oordeelt het tuchtcollege als volgt. Het honorarium van de advocaat als (boedel)gemachtigde wordt, in tegenstelling tot de notariskosten, in overleg met de cliënt vastgesteld en valt derhalve buiten het domein van de overige erven. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [naam 4], cliënt van verweerder, de mening is toegedaan dat het door verweerder vastgestelde honorarium niet evenredig is aan de door verweerder ten behoeve van hem verrichte werkzaamheden.
Het tuchtcollege komt tot de slotsom dat niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten gedragingen.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.5 Het tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege
5.1 verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en
mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De plv. voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
mr. S. Sheombar
mr. J.R. Wouter