SRU-HvJ-2019-52

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als: “[verzoeker]”,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als: “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, substituut-officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift d.d. 05 september 2012, ingediend ter griffie op 14 september 2012, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 05 november 2012, ingediend ter griffie op 06 november 2015, met producties;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 12 december 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 februari 2013;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 01 februari 2013;
  • de pleitnota d.d. 05 april 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 april 2013, overgelegd op 18 april 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. d. 05 juli 2013;
  • de duplieknota d.d. 02 augustus 2013;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 01 november 2013, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.2 [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en zijn arbeidsrelatie met de Staat is aangevangen op 1 december 1992.
2.3 Bij beschikking van 10 maart 2004 is [verzoeker] vanaf 1 januari 2002 aangesteld in vaste dienst en wel in de functie van tuinman.
2.4 In de periode van 18 januari 2010 tot heden heeft [verzoeker] geen werkzaamheden verricht.
2.5 De Staat heeft ten aanzien van het niet verrichten van werkzaamheden (plichtsverzuim) verscheidene verweeraanzeggingen gestuurd naar [verzoeker] te weten d.d. 07 april 2010 Gt-[nummer 1],Gt-[nummer 2], Gt-[nummer 3], Gt- [nummer 4], Gt-[nummer 5], d.d. 21 juni 2016 Gt-[nummer 6]Gt-[nummer 7] en d.d. 20 augustus 2010 Gt-[nummer 8] waarbij aan [verzoeker] onder meer het volgende is medegedeeld:
“Ingevolge de Personeelswet artikel 63 lid 2 hebt U zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en wordt U in de gelegenheid gesteld, zich binnen 5 dagen na dagtekening te verweren.
Indien U niet binnen de U gestelde tijd reageert of indien Uw verweer niet accepteerbaar is, zullen tegen U de tuchtstraffen zoals opgesomd in artikel 61 van de Personeelswet getroffen worden.”
In de verweeraanzeggingen d.d. 07 april 2010 en d.d. 21 juni 2010 zijn als disciplinaire maatregelen onder meer voorgesteld: schorsing voor het aantal afwezige dagen en berisping met derving van het salaris. In de verweeraanzegging d.d. 20 augustus 2010 is als disciplinaire maatregel voorgesteld: ontslag ingaande 01 december 2010.
2.6 Tegen bovenstaande verweeraanzeggingen heeft [verzoeker] zich niet, binnen de gestelde tijd van 5 dagen, verweerd.
2.7 [verzoeker] heeft zich bij schrijven d.d. 25 januari 2011 en 28 februari 2011 verweerd ter zake zijn onwettig ver zuim.
2.8 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 31 mei 2011 en 25 juli 2011 het verzoek gedaan tot verlof buiten bezwaar voor de periode dat hij niet op het werk kon vertoeven.
2.9 Middels een schrijven van de Directeur van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 5 september 2011 is de dienstbetrekking tussen [verzoeker] en de Staat, ingaande 01 december 2011, beëindigd
2.10 Naar aanleiding van het schrijven genoemd onder 2.9 is de Staat bij vonnis d.d. 24 mei 2012 veroordeeld om het salaris van [verzoeker] uit te betalen vanaf december 2011 en daarmee voort te gaan totdat de dienstbetrekking tussen partijen op rechtmatige wijze is beëindigd. De Staat heeft geen gevolg gegeven aan bovengenoemd vonnis.
2.11 De Staat heeft bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 15 augustus 2012 met kenmerk AG. No. [nummer 9], Ad. No. [nummer 10] (hierna aangeduid als ‘de beschikking’) [verzoeker], te rekenen van 1 oktober 2012, ontslagen wegens plichtsverzuim. In de beschikking is onder meer overwogen en besloten dat:
– [verzoeker], te rekenen van 18 januari 2010 tot heden, niet op het werk is verschenen zonder bericht van hindering;
– [verzoeker] ter zake verweerbrieven heeft geschreven en wel d.d. 25 januari 2011, 28 februari 2011, 31 mei 2011 en 25 juni 2011 waarin hij beaamt zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim;
– Het salaris van [verzoeker] vanaf 1 mei 2010 is geblokkeerd;
–[verzoeker] ingevolge artikel 28 lid 3 van de Personeelswet juncto artikel 1614 b van het Burgerlijk Wetboek, geen aanspraak maakt op het salaris van 18 januari 2010 tot heden en de onterecht ontvangen gelden voor het niet verrichten van de bedongen arbeid gedurende de periode 18 januari 2010 tot en met 30 april 2010 zal moeten terugstorten in ’s Lands kas;
–[verzoeker], wegens plichtverzuim, ontslag uit Staatsdienst wordt verleend, te rekenen van 01 oktober 2012.

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a. de ingestelde vordering ontvankelijk te verklaren;
b. de beschikking nietig te verklaren c.q. te vernietigen;
c. de Staat te veroordelen tot doorbetaling van het salaris, vanaf december 2011;
d. de Staat te veroordelen binnen één (1) dag na het gewezen vonnis de dienstbetrekking te herstellen en in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid te verrichten;
e. de Staat te veroordelen tot het betalen van een dwangsom ad. SRD 2500,- voor iedere dag dat zij in gebreke mocht blijven te voldoen aan het vonnis dan wel aan een of meer der daarin gegeven beslissingen.
3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] aangevoerd dat:
– hij in de periode van eind april 2010 tot en met 21 juli 2011 niet kon verschijnen aan het werk wegens ziekte die niet behandeld kon warden door de plaatselijke doctoren waardoor hij genoodzaakt was hulp te zoeken bij een alternatieve dokter. Hierdoor heeft hij geen attesten kunnen overleggen over de periode dat hij onder behandeling was van de alternatieve dokter;
– hij zich na zijn herstel heeft aangemeld op het werk bij de heer [naam], hoofd afdeling Gebouwen en Terreinen, die hem vervolgens te kennen heeft gegeven om brieven te schrijven en thuis te blijven in afwachting op antwoord;
– hij diverse schriftelijk pogingen heeft ondernomen teneinde zijn diensten wederom aan te bieden aan de Staat waarbij hij heeft aangegeven dat hij wegens ziekte zijn werkzaamheden niet kon uitvoeren en derhalve verzoekt om zijn onwettig verzuim te rekenen als te zijn verlofdagen buiten bezwaar. Echter heeft de Staat nimmer gereageerd op zijn verzoek;
– in zijn ontslagbeschikking d.d. 15 augustus 2012 is gesteld dat, aan hem, te rekenen vanaf 01 oktober 2012, ontslag uit staatsdienst wordt verleend wegens het niet aanmelden voor diensthervatting en dat derhalve het dienstverband eenzijdig is verbroken;
– hetgeen in de ontslagbeschikking is vermeld in strijd is met de waarheid en derhalve de grondsla g voor het verleend ontslag onjuist is.
3.3 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat:
– [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door over een periode van langer dan zes (6) maanden onwettig afwezig te zijn;
– de schriftelijke pogingen die [verzoeker] heeft ondernomen meer de strekking hadden om bedoeld plichtsverzuim om te zetten in verlof buiten bezwaar. Dit verzoek is niet gegrond en onacceptabel want ingevolge artikel 56 van de Personeelwet kan verlof buiten bezwaar slechts aan een ambtenaar worden verleend indien de dienst het toelaat. Iedere vorm van verlof, in het bijzonder verlof buiten bezwaar, zal vóór aanvang van de geplande periode moeten worden aangevraagd. [verzoeker] bleef zonder opgaaf van reden weg van het werk en diende achteraf zijn verzoek tot verlof buiten bezwaar in, waardoor hij hierdoor te laat was met het indienen van zijn verzoek;
uit de verweeraanzegging d.d. 21 juni 2010, gericht aan [verzoeker], gebleken is dat aan hem de mededeling is gedaan dat hij geschorst is en dat hij in de gelegenheid werd gesteld zich binnen vijf (5) dagen te verweren, echter is hij in gebreke gebleven zulks te doen;
het niet is gebleken dat [verzoeker] op enige wijze, los van de schriftelijke pogingen, heeft getracht om zijn ambt te hervatten. Voorts heeft hij niet kunnen overtuigen dat hij tot werkhervatting in staat was;
het algemeen bekend is dat jegens iedere ambtenaar die zich schuldig maakt aan onwettig verzuimen, voor langere duur, zal worden opgetreden en dathet niet uitgesloten is dat zo een ambtenaar zal worden ontslagen uit staatsdienst.

4 Bevoegdheid
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag en betreffende het salaris vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof is daarbij tevens bevoegd tot het opleggen van een dwangsom.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder a, b, c en e.
Hetgeen onder d is gevorderd, is echter niet vervat in artikel 79 van de Personeelswet, in welk artikel de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken limitatief is omschreven. Het Hof zal zich derhalve niet bevoegd verklaren kennis te nemen hiervan.

5 Ontvankelijkheid
5.1 Het Hof constateert dat Soek hai in hoofdzaak opkomt tegen de ontslagbeschikking d.d. 15 augustus 2012. [verzoeker] heeft niet gesteld op welke datum de ontslagbeschikking aan hem is uitgereikt. De Staat heeft zich daarover ook niet uitgelaten. Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid uitgaan van de datum van dagtekening van de ontslagbeschikking. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 14 september 2012 ter griffie is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschiedt ingevolge artikel 80 lid 1b van de Personeelswet, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking.
5.2 Het Hof constateert verder dat [verzoeker] opkomt tegen de stopzetting van de uitbetaling van zijn salaris en wel vanaf 01 december 2011. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit deel van de vordering wordt de datum waarop [verzoeker] zijn salaris voor het laatst heeft ontvangen, als uitgangspunt genomen. Hij stelt tot en met eind februari 2010 zijn salaris te hebben ontvangen. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 14 september 2012 ter griffie is ontvangen, is dit niet binnen de wettelijke gestelde termijn geschied ingevolge artikel 80 lid 1b van de Personeelswet, zodat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn vordering tot doorbetaling van zijn salaris zoals vermeld in 3.1 onder c.
6. Het Hof ziet de gevorderde dwangsom zoals vermeld onder 3.1 onder e als een sequeel van de vorderingen vermeld onder 3.1 onder c en d. Nu het Hof zich onbevoegd zal verklaren ten aanzien van de vordering vermeld onder 3.1 onder d en [verzoeker] met een niet-ontvankelijkheid zal worden begroet voor wat het gevorderde betreft zoals vermeld onder 3.1 onder c, zal de gevorderde dwangsom onder 3.1 onder e dan ook worden afgewezen.

De verdere beoordeling
7.Door [verzoeker] is zelf gesteld c.q. erkend en is hierdoor komen vast te staan dat [verzoeker] vanaf eind april 2010 tot en met 21 juli 2011 zijn werkzaamheden als tuinman niet heeft verricht. Vast is komen te staan dat [verzoeker] zonder opgave van reden is weggebleven van het werk. Als niet weersproken is tevens komen vast te staan dat [verzoeker] heeft nagelaten tijdig te reageren op verschillende verweeraanzeggingen. Pas veel later heeft [verzoeker] in de brieven d.d. 25 januari 2011en 28 februari 2011 ziekte als reden voor zijn afwezigheid opgegeven. De dagen waarvan [verzoeker] beweert afwezig te zijn geweest wegens ziekte zijn evenwel niet gedekt door medische attesten. Hierdoor staat reeds vast dat [verzoeker] over een vrij lange periode, ongeveer 14 maanden en drie weken, onwettig afwezig is geweest. In zijn brief van 25 juli 2011 geeft [verzoeker] een geheel andere reden voor zijn afwezigheid op, met name, dat hij na een paar dagen gewerkt te hebben werd gemolesteerd door dieven, zwervers en rovers. Voorts dat hij op een gegeven moment zich onveilig voelde waardoor hij is weggebleven van het werk. Het Hof constateert dat [verzoeker] in deze brief met geen woord rept over een eventuele ziekte van hem waardoor hij niet op het werk kon verschijnen. Gelet op deze tegenstrijdigheid komt [verzoeker] naar het oordeel van het Hof onwaarachtig over.
Op het verzoek van [verzoeker] zoals verwoord in de brieven van 31 mei 2011 en 25 juli 2011 om de onwettig afwezige dagen te beschouwen als verlof buiten bezwaar hoefde verweerder terecht niet in te gaan nu een dergelijk verlof ingevolge het bepaalde in artikel 56 van de Personeelswet om dringende redenen aan een ambtenaar op diens verzoek kan worden verleend voor zover de dienst dat toelaat. Alszijnde onweersproken staat immers vast dat de aanvraag van een dergelijk verlof voor de geplande periode diende te worden aangevraagd, hetgeen in casu niet is gebeurd.
Gelet op al hetgeen hier voren is overwogen kan het Hof zich met het besluit van verweerder verenigen dat voormelde gedragingen van [verzoeker], die zijn komen vast te staan, als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt en dat die van zulk een ernstige aard is, dat het ontslag van [verzoeker] uit staatsdienst zonder meer wordt gerechtvaardigd. De vordering van [verzoeker] zoals vermeld onder 3.1. onder b zal danook worden afgewezen.

De beslissing
Het Hof:
Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het onder 3.1 onder d gevorderde;
Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk met betrekking tot het door hem onder 3.1 onder c en e gevorderde;
Wijst af het gevorderde onder 3.1 onder b.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.M. Praag, Leden en
w.g. D.D. Sewratan
door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 5 april 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. drs. M. Sh. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. B. Tjin Liep Shie namens mr. R. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-51

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende, door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet jo artikel 47 van het Politiehandvest als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift met producties, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 07 oktober 2014, van de kant van [verzoeker];
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 17 november 2014, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 01 december 2014, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 19 november 2014 met 06 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 29 december 2014, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 02 januari 2015, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 31 december 2014 voor de laatste maal met 06 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, ingediend ter Griffie op 10 februari 2015, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 20 april 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 15 mei 2015;
  • de conclusie tot wijziging van het petitum en de fundamentum petendi d.d. 05 juni 2015, van de kant van [verzoeker];
  • de conclusie tot uitlating met betrekking tot wijziging van het petitum en het fundamentum petendi d.d. 03 juli 2015, van de kant van de Staat.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten

2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties vast dat:

  • [verzoeker] ambtenaar van politie is in de rang van onder-inspecteur van politie;
  • [verzoeker] bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton van 04 november 2008 ter zake van zware mishandeling in vereniging gepleegd is vrijgesproken en ontslagen van alle rechtsvervolging;
  • het Openbaar Ministerie tegen het hiervoor bedoelde vonnis hoger beroep had ingesteld en uiteindelijk daarvan afstand heeft gedaan;
  • [verzoeker] heeft deelgenomen aan de Inspecteursopleiding 2007/2009 en dat hij deze opleiding in 2011 succesvol heeft afgerond;
  • [verzoeker] na voltooiing van de hiervoor genoemde opleiding – anders dan zijn lichtingsgenoten – zonder opgave van redenen niet is bevorderd tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet tot inspecteur van politie tweede klasse.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – het volgende:

primair

  1. nietigverklaring van het negatief besluit van de Staat, inhoudende het niet bevorderen van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse en derhalve het verlagen van zijn rang;
    de Staat op grond van artikel 82 lid 3 van de Personeelswet te gelasten om binnen 01 maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit te nemen tot bevordering van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse.

Subsidiair

  1. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen het bedrag van SRD 3.523,= (DRIEDUIZEND VIJFHONDERD DRIE EN TWINTIG SURINAAMSE DOLLAR), zijnde de geleden schade als gevolg van het achterwege laten van het besluit, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot de dag der algehele voldoening;

  2. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub c van de Personeelswet te gelasten binnen 01 maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit te nemen tot bevordering van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,= (VIJFDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) per dag voor elke dag dat de Staat nalatig blijft aan deze uitspraak te voldoen.

3.2 Bij conclusie verzoekt [verzoeker] wijziging van het verzoekschrift, in dier voege dat:

  • de eerste zin van alinea 8 als volgt wordt gelezen:

”Als gevolg van het niet reageren op het ingediend verzoek oftewel het niet binnen 6 maanden uitdrukkelijk beslissen op het ingediend verzoek wordt de Staat op grond van artikel 78 lid 2 Personeelswet (PW) geacht een besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit inhoudende: het niet zullen bevorderen van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse alsook niet tot Tweede Klasse en het derhalve verlagen van zijn rang.”

  • de eerste zin van alinea 9 als volgt wordt gelezen:

”Doch, indien en voor zover uw Hof van oordeel mocht zijn dat er in casu nog geen besluit door de Staat is genomen ten aanzien van de bevordering van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse en daarop volgend Tweede Klasse, quod non, dan wenst [verzoeker] zich te beroepen op artikel 79 lid 1 sub b PW en de vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit het niet hebben genomen van een besluit door de Staat, te vorderen.”

  • het petitum als volgt wordt gelezen:

”Primair:

  1. het negatief besluit van de Staat inhoudende het niet zullen bevorderen van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse en ook niet tot Inspecteur van Politie Tweede Klasse en het derhalve verlagen van zijn rang nietig te verklaren;

  2. de Staat op grond van artikel 82 lid 3 Personeelswet te gelasten binnen 1 maand na de uitspraak, althans binnen een door uw Hof, in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit tot bevordering van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse, direct gevolgd door bevordering tot Inspecteur van Politie Tweede Klasse, te nemen en wel bij één hetzelfde besluit dan wel bij twee afzonderlijke besluiten.

Subsidiair:

  1. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub b Personeelswet te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen het bedrag van SRD 3.523,= (DRIEDUIZEND VIJFHONDERD DRIB EN TWINTIG SURINAAMSE DOLLAR) zijnde de geleden schade als gevolg van het achterwege laten van het besluit, althans de besluiten, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot de dag der algehele voldoening;

  2. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub c Personeelswet te gelasten binnen 1 maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof, in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit tot bevordering van hem tot Inspecteur van Politie Derde Klasse, direct gevolgd door bevordering tot inspecteur van politie Tweede Klasse te nemen, en wel bij één hetzelfde besluit dan wel bij twee afzonderlijke besluiten, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,= (VIJFDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) per dag voor elke dag dat de Staat nalatig blijft aan deze uitspraak te voldoen.”

3.3 Ter onderbouwing van zijn vordering voert [verzoeker] – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende aan:

a. de Staat heeft nagelaten om binnen 06 maanden uitdrukkelijk te beslissen op het door hem bij de President van de Republiek Suriname ingediende verzoek van 03 februari 2014 en het rappel van 03 april 2014 om hem het bevorderen tot inspecteur van politie tweede klasse;

b. als gevolg van dit nalaten wordt de Staat geacht het besluit genomen te hebben om hem niet te bevorderen tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet tot inspecteur van politie tweede klasse;

c. dit besluit kan worden aangemerkt als een besluit tot verlaging in rang, dat ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 2b van de Personeelswet vatbaar is voor nietigverklaring.

3.4 De Staat heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verweer gevoerd:

a. het Hof is niet bevoegd om kennis te nemen van de primaire vordering, aangezien deze vordering niet valt binnen de reikwijdte van artikel 79 van de Personeelswet en fictieve besluiten zijn op grond van artikel 78 lid 2 en artikel 80 lid 2c van de Personeelswet niet vatbaar voor nietigverklaring;

b. de primaire vordering is niet-ontvankelijk; bij brief van 21 januari 2014 heeft [verzoeker] bij de minister van Justitie en Politie aangedrongen op bevordering in de rang van inspecteur van politie; ingevolge artikel 78 lid 2b van de Personeelswet heeft [verzoeker] te rekenen vanaf 21 januari 2014 zes maanden, dus tot 21 juli 2014, en daarboven nog eens drie maanden, overeenkomstig artikel 80 lid 2c van de Personeelswet, derhalve tot 21 oktober 2014 de mogelijkheid om in beroep te gaan; de vordering van [verzoeker] is op 07 oktober 2014 ter Griffie van het Hof ingediend, terwijl de hiervoor bedoelde termijn nog niet was verstreken, zodat de vordering niet-ontvankelijk is.

c. de subsidiaire vordering is volkomen ongemotiveerd en ongegrond en kan dus niet worden toegewezen.

4 De beoordeling

4.1 Met betrekking tot de gevraagde wijziging van het verzoekschrift (lees: eis) wordt geoordeeld, dat, nu de Staat zich hiertegen niet heeft verzet en voorts niet is gebleken dat door toewijzing van het verzoek de Staat onredelijk in zijn belangen wordt geschaad c.q. het geding zal worden vertraagd, zulks voor toewijzing in aanmerking komt.

4.2 Bevoegdheid

4.2.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a PW oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een (gewezen) ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in bet algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot onder meer verlaging van rang vatbaar voor nietigverklaring.

4.2.2 Het Hof begrijpt dat [verzoeker] opkomt tegen het fictieve besluit van de Staat wegens strijd

met het bepaalde in artikel 50 van het Reglement van Politie, dat onder meer handelt over de eisen van benoembaarheid van de onderinspecteur van politie tot inspecteur van politie derde klasse en over de eisen van benoembaarheid van de inspecteur van politie derde klasse tot inspecteur van politie tweede klasse. Het Hof is van oordeel dat het in casu betreft een besluit tot bevordering in rang en dat een dergelijk besluit geen betrekking heeft op verlaging in rang, doch betrekking heeft op salaris.

4.2.3 Nu de Staat heeft nagelaten een besluit te nemen op het verzoek van [verzoeker] d.d. 03 februari 2016, wordt de Staat geacht op grond van het bepaalde in artikel 78 lid 2b van de Personeelswet het besluit genomen te hebben om [verzoeker] niet te benoemen tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet te benoemen tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.2.4 Op grond van het voorgaande is het Hof bevoegd om te oordelen over de vordering tot nietigverklaring van het negatieve besluit van de Staat om [verzoeker] niet te benoemen tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.3 De volgende vraag die beantwoord moet worden is of de vordering van [verzoeker] ontvankelijk is.

4.3.1 [verzoeker] heeft zich bij brief van 03 februari 2014 gewend tot de President van de Republiek Suriname, het bevoegde gezag, met het verzoek hem spoedig te bevorderen tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.3.2 Vaststaat dat de Staat niet binnen zes maanden na indiening van het verzoek van [verzoeker] een besluit heeft genomen op het in 4.3.1 bedoelde verzoek van [verzoeker]. Op grond van het bepaalde in artikel 78 lid 2b van de Personeelswet wordt de Staat geacht op 02 augustus 2014 het besluit te hebben genomen om [verzoeker] niet te bevorderen tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.3.3 De vordering tot nietigverklaring van het fictieve negatieve besluit van de Staat om [verzoeker] niet te benoemen tot inspecteur van politie tweede klasse is op 07 oktober 2010 ter Griffie ingediend. De vordering tot nietigverklaring is binnen de in artikel 80 lid 2c van de Personeelswet vermelde termijn van drie maanden te rekenen vanaf 02 augustus 2014 ingediend. De vordering van [verzoeker] is derhalve ontvankelijk.

4.4 Nu de Staat niet heeft gesteld – integendeel heeft de Staat bij conclusie tot wijziging van het verzoekschrift geïmpliceerd dat de bevordering van [verzoeker] nog moet worden geformaliseerd – en niet is gebleken dat [verzoeker] niet voldoet aan de in artikel 50 van het Reglement Algemene Politie gestelde eisen van benoembaarheid in de rang van inspecteur van politie tweede klasse, is het Hof van oordeel dat het fictieve besluit van de Staat in strijd is met voormeld Reglement en derhalve op grond van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet voor vernietiging vatbaar is.

4.5 Het Hof begrijpt het tweede onderdeel van de primaire vordering aldus dat de Staat op grond van het bepaalde in artikel 82 lid 3 van de Personeelswet wordt gelast om binnen een maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof vast te stellen termijn, een besluit te nemen over de benoeming van [verzoeker] tot inspecteur van politie derde klasse en tot inspecteur van politie tweede klasse. Het Hof is van oordeel dat ook het tweede onderdeel van de primaire vordering kan worden toegewezen.

De beslissing

Het Hof:

  1. Verleent [verzoeker] akte van aanvulling van het verzoekschrift als gevorderd.
  2. Verklaart nietig het fictieve negatieve besluit van de President van de Republiek Suriname van 02 augustus 2014, inhoudende het niet benoemen van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse.
  3. Gelast de Staat om binnen drie maanden na de uitspraak een besluit te nemen over de benoeming van [verzoeker] tot inspecteur van politie derde klasse ingaande 1 juli 2011 en daaropvolgend tot inspecteur van politie tweede klasse.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur­Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker, vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Sitaram namens mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K3-2014-7

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03825
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 28 maart 2014
Tegenspraak
Raadslieden : mr. L. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

TUSSENVONNIS

van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [datum] in [land],
wonende aan de [adres] in [land].
van beroep visser,
thans gevangen gehouden.

Bevoegdheid van de kantonrechter
De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting van respectievelijk
20 november 2013 en 18 december 2013, dan wel gelijk nadat de vervolgingsambtenaar de strafzaak heeft voorgedragen, als preliminair verweer opgeworpen dat de kantonrechter onbevoegd is van de onderhavige strafzaak kennis te nemen.Ter adstructie van hun betoog hebben zij aangevoerd dat – kort weergegeven – de aan de verdachte verweten strafbare feiten zich hebben voorgedaan op Guyanese wateren oftewel Guyanees grondgebied en niet op Surinaams grondgebied.
In dat licht hebben de raadslieden ten aanzien van het rapport van de MAS en de wijze van vaststelling van de plaatsen waar de strafbare feiten zijn gepleegd de nodige kritische kanttekeningen geplaatst. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de vaststelling van de coördinaten door de opsporingsambtenaren van de locaties alwaar de vermoedelijke delicten zijn gepleegd – welke coördinaten op grond van de aanwijzingen van de medeverdachten [naam 1] en [naam 2] middels een GPS systeem zijn vastgesteld – slordig en niet juist is geweest. Volgens het betoog van de raadslieden is die vaststelling niet juist, omdat de medeverdachten [naam 1], zijnde de kapitein van de vissersboot, en [naam 2] bij het doen van de aanwijzingen niet werden bijgestaan door een tolk in een voor hun verstaanbare taal. Hierdoor hebben de opsporingsambtenaren hen verkeerd begrepen bij het doen van de aanwijzingen. De aanwijzingen die de hiervoor genoemde medeverdachten aldus de raadslieden hebben gedaan, betreffen de plaatsen waar de vissers te werk gaan in Suriname en niet de plaatsen waar de vermoedelijke strafbare feiten zijn gepleegd.
Rekeninghoudend met het verdedigingsbelang van de verdachte heeft de kantonrechter naar aanleiding van dit verweer de opsporingsambtenaren, die met de hiervoor genoemde medeverdachten op de boot zijn geweest voor het doen van de aanwijzingen van de locaties, en de directeur van de MAS ter terechtzitting gehoord, en overweegt de kantonrechter met betrekking tot het door de raadslieden opgeworpen preliminair verweer, zoals hiervoor uiteengezet als volgt:
Uit de verklaring van de getuigen, welke getuigen ter terechtzitting zijn gehoord, is aan het licht gekomen op welke wijze de vaststelling van de locaties plaatsvindt. Namelijk, dat de MAS niet op de rivier gaat met de opsporingsambtenaren, omdat de opsporingsambtenaren zijn getraind om de coördinaten middels een GPS vast te leggen en die coördinaten naar de MAS worden opgestuurd, waarna de MAS op grond van die coördinaten vaststelt in welk grondgebied de plaats zich bevindt. Voorts is aan het licht gekomen dat de medeverdachten bij het doen van de aanwijzingen niet konden worden bijgestaan door een tolk, omdat geen enkele tolk bereid was op de rivier te gaan.
Ondanks er geen tolk was, is de kantonrechter ervan overtuigd dat de medeverdachten bij het doen van de aanwijzingen de opsporingsambtenaren hebben begrepen, en hebben zij niet de plaatsen waar de vissers te werk gaan aangewezen dan zij nu verklaren, en wel op grond van:

  • de verklaring van de getuigen 1) [naam 3], 2) [naam 4] 3) [naam 5],4) [naam 6] en 5) [naam 7] ter terechtzitting. Deze getuigen hebben verklaard dat zij als opsporingsambtenaren op 12 juli 2013 in de Engelse taal met de verdachten hebben gecommuniceerd bij het doen van de aanwijzingen door de verdachten en deze hen wel hebben begrepen;
  • de verklaring van de getuige [naam 7] ter terechtzitting d.d. 07 maart 2014, inhoudende dat hij gelijk na terugkeer, dan wel nadat de medeverdachten [naam 1] en [naam 2] de aanwijzingen hadden gedaan, een verhoor ter zake van de medeverdachte [naam 2] op 13 juli 2013 bij proces-verbaal heeft afgenomen, waarbij de medeverdachte tijdens dit verhoor werd bijgestaan door een tolk;
  • de verklaring van de medeverdachte [naam 2] ter terechtzitting d.d. 07 maart 2014, dat hij de verklaringen bij de politie in alle vrijheid heeft afgelegd en zijn verhoor bij de agent van politie, [naam 7] d.d. 13 juli 2013 betreffende de aanwijzingen die deze medeverdachte op 12 juli 2013 heeft gedaan;
  • het verhoor van de slachtoffers [naam 8], 2) [naam 9], 3) [naam 10], 4) [naam 11], 5) [naam 12], 6) [naam 13] en 7) [naam 14], welke slachtoffers allemaal ook vissers zijn en wiens verhoren bij processen-verbaal met bijstand van een tolk in een voor hun verstaanbare taal hebben plaatsgevonden. Uit hun verhoor bij de politie valt ondubbelzinnig af te leiden dat de vermoedelijke strafbare feiten zijn gepleegd op Surinaamse wateren;
  • van het feit dat de verdachte in het kader van de rechtmatigheidtoetsing en bewaring bij de rechter-commissaris is voorgeleid, en hij dit verweer nimmer bij de rechter-commissaris heeft opgeworpen. Dit, terwijl hij tijdens zijn voorgeleiding in het kader van het verzoek tot de bewaring, wel werd bijgestaan door zijn raadslieden en een tolk in de Engelse taal.

Zoals de feiten er nu voorliggen is de kantonrechter ervan overtuigd dat de aan de verdachte verweten strafbare feiten op Surinaamse wateren dan wel op Surinaams grondgebied zijn gepleegd. Hieruit vloeit voort dat de kantonrechter zich wel bevoegd acht van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte kennis te nemen. Derhalve verwerpt de kantonrechter het door de raadslieden opgeworpen preliminair verweer en zal thans overgaan tot de (verdere) behandeling van deze strafzaak.

DE BESLISSING:
De kantonrechter:

  • verklaart zich bevoegd van de onderhavige zaak kennis te nemen;
  • gaat onmiddellijk over tot de verdere behandeling van de onderhavige zaak.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 maart 2014.

De Griffier, De Kantonrechter,
mw. L.J. De Rooy mr. S.M.M. Chu

SRU-HvJ-2019-50

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 16 mei 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 02 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 04 april 2014;
  • de processen-verbaal van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen en de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting daarvan;
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens de Staat d.d. 21 november 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 16 januari 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 17 april 2015, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst geweest van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling in de functie van pijpfitter in de rang van ambtenaar B 1e klasse.
2.2 [verzoeker] is op 15 december 1994 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van diefstal. Hij is op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid gesteld.
2.3 Bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, AD. [nummer] (hierna: de ontslagbeschikking) , is aan [verzoeker] met inachtneming van artikel 69 lid 2 onder c van de Personeelswet (Pw) ontslag uit Staatsdienst verleend, onder de aantekening dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 Pw juncto artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak maakt op salaris gedurende de periode waarin hij niet gewerkt heeft en wel vanaf 15 december 1994 tot en met de datum van het ontslag.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a.de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met handhaving van [verzoeker] in zijn functie;
b.de Staat zal worden veroordeeld tot betaling c.q. doorbetaling van het salaris van [verzoeker] vanaf 22 maart 1996, totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is, met alle emolumenten, toelagen en aanpassingen van dit salaris vanaf 22 maart 1996 tot heden.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2[verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking, blijkens welke aan hem op grond van artikel 69 lid 2 onder c Pw ontslag is verleend wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. De ontslagbeschikking (het hof begrijpt: het ontslagbesluit) is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids-, het motiverings-, het rechtszekerheids-, het fair play beginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien het ontslag en de gronden daarvan niet voldoende zijn gemotiveerd. De gronden voor het ontslag van [verzoeker] zijn komen weg te vallen, nu hij op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid is gesteld en hij nadien niet strafrechtelijk is vervolgd. De Staat heeft geweigerd hem wederom tot de werkplek toe te laten om zijn werkzaamheden te hervatten, ondanks hij zich herhaaldelijk heeft aangemeld om ingedeeld c.q. ingeroosterd te worden. Als gevolg van het aan [verzoeker] op ongegronde feiten en derhalve onrechtmatig verleende ontslag, heeft hij sedert juli 1996 – reeds 18 jaren lang – geen salaris ontvangen. [verzoeker] was tot het aan hem verleend ontslag op 22 maart 1996, reeds 24 jaren in overheidsdienst zonder dat er enige op- en aanmerkingen dan wel klachten waren over zijn functioneren.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], gewezen ambtenaar, strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatdienst is verleend.
[verzoeker] vordert tevens betaling van achterstallig salaris vanaf 22 maart 1996. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.
4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het ontslagbesluit dateert van 22 maart 1996 en dat [verzoeker] ingevolge artikel 79 lid 1 sub a juncto artikel 80 lid 1 sub b Pw zijn verzoekschrift niet binnen de wettelijke termijn heeft ingediend.
4.2.2 [verzoeker] heeft in reactie op het niet-ontvankelijksheidsverweer van de Staat ter gelegenheid van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen onder meer als volgt verklaard:
“Ik heb van niemand enig ontslagbeschikking ontvangen. Ik ben vanaf het jaar 1996 niet aan het werk geweest en ontvang vanaf toen geen salaris. Nadat ik in vrijheid ben gesteld en bemerkte dat er geen salaris op mijn rekening gestort werd ben ik bij de afdeling Loonadministratie aan de Herenstraat geweest. De afdeling Loonadministratie gaf mij te kennen dat mijn salaris geblokkeerd is. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij toen wel op het werk aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen en dus niet op het werk hoefde te verschijnen. (…) Ik had ook niet het idee dat ik met ontslag was. De afdeling loonadministratie heeft mij wel aangegeven dat mijn salaris geblokkeerd was omdat ik vanwege onwettig verzuim, zijnde de 43 dagen hechtenis, ontslagen was.”
4.2.3 In reactie op het door [verzoeker] verklaarde, heeft de gevolmachtigde van de Staat, mr. M. Dubois (hierna: Dubois), ter gelegenheid van de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen, zakelijk weergegeven, verklaard dat de Staat aan [verzoeker], nadat het door hem gevoerde verweer door de Staat ongegrond was bevonden, te kennen heeft gegeven dat hij is voorgedragen voor ontslag. Dubois heeft tevens verklaard dat haar is meegedeeld dat de ontslagbeschikking persoonlijk aan [verzoeker] is overhandigd en dat hij in een cahier voor ontvangst daarvan heeft getekend. Dit alles heeft zich vele jaren geleden afgespeeld en het cahier is niet meer in het bezit van de Staat, aldus Dubois.
4.2.4 [verzoeker] heeft daarop bij dezelfde gelegenheid, hierboven in 4.2.2 genoemd, onder meer als volgt verklaard:
“Ik ben in december 1994 ingesloten en in het jaar 1995 in vrijheid gesteld. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij gelijk bij mijn werkgever aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen omdat ik eerst een verklaring van de Procureur-Generaal moest overleggen waarna de Onderdirecteur [naam] over mijn zaak zou beslissen. Ik kreeg geen salaris. Bij navraag kreeg ik te horen dat mijn salaris geblokkeerd was. Ik ben op kantoor bij de heer [naam] geweest om mij hieromtrent te laten informeren. Van de heer [naam] kreeg ik te horen dat ik niet meer op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling werkzaam was. Dit alles is mij in het jaar 1996 medegedeeld. (…) Anders dan mevrouw Dubois aangeeft heb ik geen enkel ontslagbeschikking ontvangen en ook nergens daarvoor ondertekend.”
4.2.5 Partijen twisten over de vraag of [verzoeker] de ontslagbeschikking heeft ontvangen. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 Pw een vordering tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij sedert juli 1996 geen salaris meer heeft ontvangen en dat hem de toegang tot de werkplek is geweigerd. De Staat heeft ter gelegenheid van de voortzetting van het verhoor van partijen onweersproken aangevoerd dat, nadat het verweer van [verzoeker] ongegrond was bevonden, [verzoeker] ervan in kennis is gesteld dat hij is voorgedragen voor ontslag. Uit [verzoeker] eigen verklaringen, afgelegd ter gelegenheid van (de voortzetting van) het verhoor van partijen, blijkt dat hij, bij navraag omtrent het uitblijven van de uitbetaling van zijn salaris, in het jaar 1996 van zowel de afdeling Loonadministratie als de onderdirecteur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, de heer [naam], te horen heeft gekregen dat hij was ontslagen. Onder deze omstandigheden had [verzoeker], naar het oordeel van het hof, zo niet reeds in de maand juli 1996, dan toch wel in de loop van 1996 moeten begrijpen dat het besluit tot zijn ontslag reeds was genomen. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet pas in 2013 opkomen tegen het ontslagbesluit.
Uit het voorgaande volgt dat tussen het moment dat [verzoeker] heeft kennis heeft genomen van het ontslagbesluit en de indiening van de onderhavige vordering op 16 mei 2013, bijkans 17 jaren liggen, derhalve méér dan een maand, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat overigens daarvan zij, dat hij de ontslagbeschikking pas van de Staat heeft ontvangen toen hij (naar het hof begrijpt: in 2013) ging informeren naar zijn pensioen.
4.3 Nu het ontslagbesluit blijft gehandhaafd is van achterstallig loon c.q. schade geen sprake, zodat het in 3.1 onder b gevorderde dient te worden afgewezen.
4.4 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het in de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, AD. [nummer], vervatte ontslagbesluit.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van verzoeker.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-49

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoekster],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, substituut officier van justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 19 augustus 2013;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 11 november 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota, met een productie, d.d. 07 maart 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 04 april 2014;
  • de repliekpleitnota, met een productie, d.d. 02 mei 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 06 juni 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoekster] is op 17 april 2000 in dienst getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie. Zij is thans in vaste dienst bij de afdeling Algemene Dienst van voormeld ministerie.
2.2 [verzoekster] is te rekenen van 01 juni 2008 bevorderd tot agent van politie 2e klasse.
2.3 [verzoekster] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. [nummer 1] (hierna ook: de bevorderingsbeschikking) te rekenen van 01 juni 2011 bevorderd tot agent van politie 1e klasse. Daartoe is onder meer overwogen dat [verzoekster] gunstig is beoordeeld en dat zij voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 48 van het Reglement Algemene Politie.
2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie [nummer 2] (hierna ook: de intrekkingsbeschikking), is besloten de bevorderingsbeschikking in te trekken en [verzoekster] weer aan te stellen als agent van politie 2e klasse, te rekenen van de dag waarop dit besluit tot haar kennis wordt gebracht. Daartoe is overwogen:
“- dat de Agent van Politie [verzoekster], (…) bij beschikking de dato 17 januari 2012 just. [nummer 1] te rekenen van 1 juni 2011 is bevorderd tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat er abusievelijk een bevorderingsbeschikking voor mej. [verzoekster], is opgemaakt tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat mej [verzoekster] was overgeplaatst naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling in de periode 26 april 2010 tot en met 01 oktober 2010 en dus een diensttijdonderbreking heeft gehad;
– dat mej. [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis lijdt;
– dat betrokkene als gevolg van haar ziektebeeld slechts met administratieve werkzaamheden wordt belast en niet van een dienstvuurwapen wordt voorzien;
– dat de beoordeling waarop de bevordering gebaseerd is, onjuist is bevonden;
– dat betrokkene niet voldoet aan de eisen van benoembaarheid vastgesteld in artikel 48 lid 5 van het Reglement Algemene Politie en de betreffende bevorderingsbeschikking dient te worden ingetrokken.”
2.5 [verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert, na rectificatie van het petitum, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de intrekkingsbeschikking, waarbij de Staat de beschikking tot bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse heeft ingetrokken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 3 van de Personeelswet (Pw) de bevorderingsbeschikking heeft ingetrokken.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 [verzoekster] heeft bij pleitnota akte van rectificatie verzocht, in die zin dat in het petitum van het verzoekschrift in stede van ‘agent van politie 2e klasse’ zal worden gelezen: agent van politie 1e klasse. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoekster] ter zake daarvan akte zal worden verleend, zoals reeds in 3.1 tot uitdrukking is gebracht.

Bevoegdheid
4.2.1 Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.2.2 De vordering van [verzoekster] strekt tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse, en weder aanstelling van [verzoekster] als agent van politie 2e klasse. [verzoekster] heeft aan deze vordering een dwangsom gekoppeld. Voormeld besluit behelst naar het oordeel van het hof de verlaging van de rang van [verzoekster] van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.3 Op grond van artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 2 sub b Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit tot verlaging van rang niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen. Nu zij het verzoekschrift op 19 augustus 2013 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is zij ontvankelijk in haar vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit behelzende de verlaging van haar rang van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse.
4.4.1 Partijen twisten onder meer over de vraag of de bevorderingsbeschikking aan [verzoekster] is uitgereikt of niet. [verzoekster] heeft gesteld dat de bevorderingsbeschikking aan haar is uitgereikt, terwijl de Staat, naar het hof begrijpt, heeft aangevoerd dat bedoelde uitreiking nimmer heeft plaatsgevonden zodat het besluit tot de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse niet formeel te harer kennis is gebracht en [verzoekster] zich ook niet daarop kan beroepen.
4.4.2 Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster], die niet door de Staat zijn weersproken, dat zij de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft ontvangen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] in de rang van agent van politie 1e klasse op de ‘Ranglijst KPS Politiepersoneel 2013’ nog voorkomt onder [nummer 3]. Op grond van het voorgaande wordt [verzoekster] geacht kennis te hebben genomen van het besluit tot haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. In dit licht kan het naar het oordeel van het hof in het midden blijven of de bevorderingsbeschikking al dan niet aan [verzoekster] is uitgereikt. Voor zover de Staat een andere mening is toegedaan, gaat hij uit van een onjuist standpunt.
4.5.1 Ingevolge artikel 24 lid 1 en 2 Pw kan het bevoegde gezag een ambtenaar, die daarvoor op grond van zijn geschiktheid, bekwaamheid, betrouwbaarheid en ervaring in aanmerking komt, tot een hogere rang bevorderen en worden nadere algemene vereisten voor bevordering bij staatsbesluit vastgesteld.
De Staat heeft aangevoerd dat [verzoekster] abusievelijk is bevorderd tot agent van politie 1e klasse te rekenen van 01 juni 2011. De Staat heeft daartoe onder meer verwezen naar de redenen vermeld in de, hierboven in 2.4 genoemde, intrekkingsbeschikking, waaronder het niet voldoen van [verzoekster] aan de in artikel 48 lid 6 van het Reglement Algemene Politie genoemde vereisten voor benoeming tot agent van politie 1e klasse – [verzoekster] heeft volgens de Staat niet vier jaren gediend in de rang van agent van politie 2e klasse noch ten minste twee jaren daarvan gediend buiten de gewesten Paramaribo en Suriname (Wanica) – en het lijden van [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis, te weten narcolepsie, als gevolg waarvan het dienstwapen van [verzoekster] werd ingenomen en [verzoekster] uiteindelijk slechts werd belast met administratieve werkzaamheden. Nu voormelde bevordering abusievelijk heeft plaatsgevonden, is deze conform wet en recht teniet gedaan middels de intrekkingsbeschikking, aldus de Staat.
4.5.2 De bevoegdheid tot intrekking van een besluit tot bevordering van een ambtenaar is neergelegd in artikel 24 lid 3 Pw. Dit artikel schrijft voor dat een besluit tot bevordering, nadat dit ter kennis van de ambtenaar is gebracht, niet meer wegens strijd met een bepaling, vastgesteld bij of krachtens de voorgaande leden van dit artikel, kan worden ingetrokken of buiten werking gesteld.
Het hof is van oordeel dat, gelijk [verzoekster] heeft betoogd, het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking in strijd met artikel 24 lid 3 Pw is genomen. Dit besluit is immers genomen nadat [verzoekster] reeds kennis droeg van haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. Het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking komt derhalve reeds wegens strijd met voormelde bepaling voor nietigverklaring in aanmerking. Daarbij komt dat de Staat pas elf maanden na de bevordering van [verzoekster] is overgegaan tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, overigens zonder voor het lange tijdsverloop een verklaring te geven. Voorts is [verzoekster], naar zij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken heeft gesteld, voorafgaand aan de intrekking van de bevorderingsbeschikking niet door de Staat gehoord. Verder is gesteld noch gebleken dat [verzoekster] voorafgaand aan vorenbedoelde intrekking ten minste van het voornemen van de Staat daartoe op de hoogte is gesteld. Daarenboven staat als onweersproken in rechte tussen partijen vast dat [verzoekster] gedurende twee jaren met de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft rondgelopen, terwijl de Staat niet heeft aangevoerd dat hij op enig moment voormelde onderscheidingstekens vanwege de naar zijn mening onterechte bevordering van [verzoekster] heeft teruggenomen en zulks ook niet anderszins is gebleken.
Aan het oordeel van het hof dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, doen niet af de door de Staat aangevoerde en in de intrekkingsbeschikking opgesomde redenen tot ongedaanmaking van de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse.
4.6.1[verzoekster] heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [verzoekster] weet dat zij niet voldoet aan de vereisten voor haar benoeming tot agent van politie 1e klasse en dus ook weet dat zij geen aanspraak maakt op de bevordering, zodat er van een daartoe strekkend gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake kan zijn.
4.6.2 Nu is overwogen dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, kan een bespreking van het beroep van [verzoekster] op het vertrouwensbeginsel achterwege blijven.
4.7 Uit hetgeen hierboven in 4.5.2 is overwogen volgt dat de vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, zal worden toegewezen.
4.8 De mede gevorderde dwangsom is niet gekoppeld aan het verder achterwege laten van een besluit of handeling dan wel het voortzetten of herhalen van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zodat deze ingevolge artikel 79 lid 1 sub c van voormelde wet als ongegrond zal worden afgewezen.
4.9 De gevorderde uitvoerbaar bijvoorraadverklaring van het vonnis zal eveneens worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.
4.10 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.
4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verleent aan [verzoekster] akte van rectificatie als verzocht, zoals overwogen in 4.1 van de beoordeling.
5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie [nummer 2], vervatte besluit tot intrekking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. [nummer 1], waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse.
5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker]
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,
spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 03 februari 2017.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het op 03 maart 2017 gehouden getuigenverhoor zijdens de Staat;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 21 juli 2017 waaruit blijkt dat [verzoeker] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 februari 2018, doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling
2.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen.
2.2 Bij ongedateerde akte van rectificatie, overgelegd ter terechtzitting van 07 februari 2014, heeft [verzoeker] verzocht dat in het verzoekschrift in stede van [verzoeker], zal worden gelezen [verzoeker variant],. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoeker] ter zake daarvan akte zal worden verleend.
2.3 Een vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag vanaf welke dag [verzoeker] kennis droeg van het ontslagbesluit. Bij het tussenvonnis van 03 februari 2017 is de Staat toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het ontslagbesluit.
2.4 De Staat heeft als productie 1 bij zijn verweerschrift overgelegd een door de onderinspecteur van politie [naam 1] (hierna: [naam 1]) opgemaakt resumé d.d. 26 november 2013, waarin laatstgenoemde, kort gezegd, het volgende heeft vermeld. Op maandag 13 mei 2013 heeft [naam 1] zich samen met brigadier van politie [naam 2]. (hierna: [naam 2]) begeven naar de woning van [verzoeker] teneinde een voor [verzoeker] bestemde envelop, met daarin de ontslagbeschikking, aan hem uit te reiken. [verzoeker] was niet thuis en zijn broer [naam 3] heeft voormelde envelop in ontvangst genomen. [naam 1] heeft in tegenwoordigheid van [naam 2] aan voormelde broer van [verzoeker] gevraagd om aan [verzoeker] door te geven dat hij zo gauw mogelijk contact moest opnemen met de afdeling Interne Tuchtzaken. De volgende dag, dinsdag 14 mei 2013, heeft [verzoeker] inderdaad telefonisch contact gemaakt met bovengenoemde afdeling, waarbij [naam 1] hem te woord heeft gestaan. [verzoeker] heeft toen bevestigd de ontslagbeschikking te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben genomen. Hij vroeg wanneer het ontslag zou ingaan. [naam 1] heeft hem toen meegedeeld dat het ontslag ingaat op de dag volgende op die waarop [verzoeker] van de ontslagbeschikking kennis heeft genomen. [verzoeker] heeft [naam 1] vervolgens te kennen gegeven dat hij het heeft begrepen.
2.5.1 Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft de Staat twee getuigen, te weten [naam 1] en [naam 2], doen horen. Ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor heeft [naam 1] hetgeen hij in voormeld resumé heeft vermeld, bevestigd. [naam 1] heeft tevens verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat hij met [verzoeker] zelf heeft gesproken. Hij heeft de stem van [verzoeker] kunnen herkennen, omdat hij vaker met hem in contact is geweest. [verzoeker] is namelijk vaker op de afdeling Interne Tuchtzaken geweest, alwaar [naam 1] toen werkzaam was, aldus [naam 1]. Volgens [naam 1] heeft hij [verzoeker] vaker ontmoet en gesproken, ook over straat. [naam 1] heeft ten slotte verklaard dat de stem van [verzoeker] verschilt met die van zijn broer.
2.5.2 Ook [naam 2] heeft ter gelegenheid van gehouden getuigenverhoor de inhoud van voormeld resumé bevestigd. [naam 2] heeft daarbij, zakelijk weergeven, tevens het volgende verklaard. Op de dag volgende op die waarop [naam 1] en [naam 2] de envelop met daarin de ontslagbeschikking hadden afgegeven aan de broer van [verzoeker] op het adres van [verzoeker], waren zij, [naam 1] en [naam 2], op de afdeling Interne Tuchtzaken aanwezig. [naam 2] begreep op een gegeven moment van [naam 1] dat hij aan de telefoon was met [verzoeker]. [naam 2] heeft het gesprek gevolgd. Tijdens het gesprek noemde [naam 1] de naam van [verzoeker]. [naam 2] hoorde [naam 1] telefonisch doorgeven dat het ontslag zou ingaan de dag nadat kennis was genomen van de ontslagbeschikking.
2.5.3 Het hof acht de Staat geslaagd in het bewijs. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het hof acht de door [naam 1] en [naam 2] onder ede afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat daarvan overigens zij, dat hij zich, ten tijde van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer, in het binnenland bevond en hij dientengevolge van voormelde afgifte niet op de hoogte was en derhalve geen contact kon hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag. Immers, het zich in het binnenland bevinden brengt, gezien de ontsluiting van grote delen van het binnenland op het gebied van de telecommunicatie, niet automatisch mee dat [verzoeker] niet telefonisch bereikbaar was voor zijn broer en dat [verzoeker] geen telefonisch contact had kunnen maken met de afdeling Interne Tuchtzaken. In het licht van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2], had het op de weg van [verzoeker] gelegen om tegenbewijs aan te bieden, met name dat hij zich, op de dag van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer en de dag waarop hij telefonisch contact zou hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken, in het binnenland bevond en wel op een plek waar hij verstoken was van elke vorm van communicatie met de buitenwereld. [verzoeker] heeft dit echter nagelaten en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat bewezen is dat [verzoeker] op 14 mei 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag en derhalve dat hij op voormelde datum kennis droeg van het ontslagbesluit.
2.6 Nu [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis droeg van het ontslagbesluit en hij de vordering strekkende tot nietigverklaring van dit besluit op 03 september 2013, derhalve meer dan een maand na 14 mei 2013, bij het hof heeft ingesteld, dient hij daarin op grond van artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.7 Uit het voorgaande volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft en dat dientengevolge de grondslag aan het mede gevorderde, te weten: de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang, met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest, alles onder verbeurte van een dwangsom, is komen te ontvallen, zodat dit dient te worden afgewezen.

3.De beslissing
Het hof:
3.1 Verleent aan [verzoeker] akte van rectificatie als verzocht.
3.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.
3.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Koendan namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-47

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [plaats] in [land],
thans tijdelijk verblijf houdende in Suriname,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde:voorheen mr. S. Marica (wijlen), vervolgens mr. V.V.C. Piqué, advocaten,
thans mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: voorheen mr. A.R. Autar, thans mr. M.E. Danning, officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 oktober 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014 met producties;
  • de beschikking van het hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 16 mei 2014, welk verhoor is verplaatst naar 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 03 oktober 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘antwoordpleitnota’;
  • de antwoordpleitnota, met een productie, overgelegd op 07 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘reactie pleitnota’;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘dupliekpleitnota’;
  • het bij schriftelijke rolbeschikking d.d. 03 juni 2016 gelasten van een comparitie van partijen ter verkrijging van inlichtingen en/of beproeving van een minnelijke regeling;
  • het proces-verbaal van de op 05 mei 2017 gehouden comparitie van partijen;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de comparitie van partijen op 19 mei 2017 is voortgezet;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 01 december 2017, met producties;
  • het schrijven van mr. Piqué d.d. 18 mei 2018, waaruit blijkt dat hij zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 december 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 01 december 2006 als chauffeur op de ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (Nederland) in dienst getreden van de Staat, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 650,- per maand conform de schaal verbonden aan de rang van ambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 6). Blijkens artikel VIII van deze overeenkomst is het dienstverband aangegaan voor de duur van een jaar, eindigende op 30 november 2007.
2.2 Artikel IX van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat deze door elk der partijen schriftelijk en per aangetekend schrijven zal worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand en voorts dat bij tussentijdse opzegging partijen een opzeggingstermijn van twee maanden in acht zullen nemen.
2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2009 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Kraag-Keteldijk, L.Y., meegedeeld:
“Op 21 september 2007 werd ik ontboden door de kanselier Dhr. [naam] die mij namens de ambassadeur mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werd beëindigd. Ik heb tot op heden geen brief ontvangen zoals mij dat werd toegezegd dat ik ontslagen ben. (…)
Tot mijn verbazing werd mijn salaris per 1 november 2007 stopgezet (…).
Ik verzoek u het daarheen te willen leiden dat ik mijn salaris met terugwerkende kracht alsnog mag ontvangen. Ik ga er nog steeds vanuit dat ik in dienst ben van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (…).”
2.4 Bij schrijven d.d. 20 juli 2011 is namens de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw recentelijk verzoek met betrekking tot een mogelijke vordering uwerzijds bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt uw aandacht erop gevestigd dat deze aangelegenheid aan een beschouwing is onderworpen.
Aan u kan worden medegedeeld dat het onderzoek niet heeft uitgewezen dat er een dienstverband met u bestaat op grond waarvan aanspraken uwerzijds voortvloeien.”
2.5 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 11 januari 2012 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Lackin, W., meegedeeld:
“Ik heb mijn werk altijd tot volle tevredenheid verricht en was daarom zeer verrast toen ik op 21 september 2007 door de kanselier, de heer [naam], werd ik ontboden, die mij namens de ambassadeur zonder enige reden mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werden beëindigd. Tot op heden heb ik geen schrijven hieromtrent ontvangen, dan wel ontslag verkrijgen of een ontslagvergunning althans ontslagbeschikking ontvangen.
Tot mijn grote verbazing werd mijn salaris per 01 november 2007 stopgezet (…). Sindsdien heb ik diverse brieven verzonden naar het ministerie tot opheldering en doorbetaling van mijn salaris, helaas zonder succes. (…)
Gelet op het bovenstaande wordt u verzocht het daarheen te leiden dat ik mijn salaris sinds 01 november 2007 doorbetaald krijg, totdat de dienstbetrekking tenminste op richtige wijze is beëindigd.”
2.6 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. Marica, d.d. 02 april 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken meegedeeld:
“Tot mij heeft zich gewend mijn client, de heer [verzoeker] die mij om juridische bijstand vroeg.
(…)
Op 21 september 2007 werd client ontboden door de Kanselier [naam] die hem mede deelde dat zijn werkzaamheden beëindigd waren zonder enig opgaaf van redenen. En per 1 november 2007 werd zijn salaris stopgezet ook zonder redenen.
Client heeft vele malen geprobeerd de zaak minnelijk op te lossen het laatst op 11 januari 2012 per schrijven aan u gericht zonder enig bericht uwerzijds.
(…)
Gaarne verneem ik van u per ommegaande wat de rechtspositie van client is en bij welke funktionaris hij zich moet aanmelden.
Indien ik geen voor client bevredigend bericht van u mocht ontvangen heb ik opdracht om na zeven dagen van ontvangst van dit schrijven de rechter te adiëren.”
2.7 Op het schrijven d.d. 02 april 2013 is geen reactie van de minister ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A.voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker];
B.de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen zijn loon over de afgelopen tien maanden, zijnde in totaal SRD 6.500,-;
C.de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] per maand te betalen zijn loon ad SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) vanaf ultimo april 2013 en voorts voor iedere maand SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.
3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op 21 september 2007 heeft de kanselier, dhr. [[naam]], [verzoeker] mondeling meegedeeld dat zijn werkzaamheden beëindigd waren per 01 november 2007 zonder opgaaf van redenen. Het salaris van [verzoeker] werd per laatstgenoemde datum niet meer uitbetaald. Bij schrijven noch bij beschikking is een reden voor zijn ontslag opgegeven. Door het uitblijven van enige reactie van de minister op het in 2.6 vermeld schrijven, heeft de Staat in strijd gehandeld met het beginsel van correcte bejegening, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het beginsel van deugdelijke besluitvorming. Op grond van deze beginselen is sprake van willekeur zijdens de Staat, hetgeen verboden is. De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoeker], als gevolg waarvan [verzoeker] schade lijdt in de zin van loonderving.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat aan [verzoeker] zal betalen het loon over tien maanden, in totaal SRD 6.500,-, met de aantekening dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 november 2007 van rechtswege is geëindigd overeenkomstig artikel VIII van genoemde overeenkomst. [verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.
4.2 Het hof constateert dat de Staat abusievelijk niet in de gelegenheid is gesteld om te dupliceren. De Staat zal evenwel niet alsnog daartoe in de gelegenheid worden gesteld, nu de Staat, gelet op het in 4.4.2 overwogene, naar het oordeel van het hof, daardoor niet in zijn belang wordt geschaad.
Bevoegdheid
4.3.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (Pw). Deze wet is dan ook op [verzoeker] van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.3.2Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Het in 3.1 onder A gevorderde, te weten de verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder B en C gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het besluit om vanaf november 2007 geen salaris aan [verzoeker] te betalen. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit deel van het gevorderde kennis te nemen.
Ontvankelijkheid
4.4.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer, naar het hof begrijpt, aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] pas in oktober 2013 een vordering heeft ingesteld, terwijl de Staat [verzoeker] reeds op 20 juli 2011 in kennis had gesteld van zijn besluit.
4.4.2Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 sub b Pw een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat een genomen besluit, in casu het besluit tot stopzetting van de betaling van het loon aan [verzoeker], ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft bij pleitnota terecht gesteld dat de Staat op 20 juli 2011 (zie 2.4) geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot het dienstverband. De Staat heeft echter reeds bij zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 08 november 2007 door de toenmalige ambassadeur is bericht dat zijn dienstbetrekking met de Staat ingaande 01 oktober 2007 was beëindigd en dat hij vanaf laatstgenoemde datum derhalve geen salaris meer zal ontvangen.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [verzoeker] op 21 september 2007 was meegedeeld dat zijn werkzaamheden zouden worden beëindigd per 01 november 2007, dan wel dat hij op 08 november 2007 in kennis is gesteld van het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris. [verzoeker] heeft gesteld dat zijn salaris vanaf november 2007 niet meer werd betaald. Het hof overweegt dat [verzoeker] derhalve reeds in december 2007 had kunnen constateren dat het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris daadwerkelijk was genomen. Nu [verzoeker] pas op 11 oktober 2013 – na bijna 6 jaren – zijn vordering bij het hof heeft ingesteld, is hij daarin tardief, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het gevorderde in 3.1 onder B en C. Het daartoe strekkend verweer slaagt.
Het hof gaat voorbij aan het betoog van [verzoeker], kort gezegd, dat de Staat gehouden was hem voor te houden dat er een beperkte termijn geldt voor het instellen van een vordering bij het hof, nu dit betoog is gedaan bij pleitnota tot uitlating producties – het laatste processtuk – en de Staat geen gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Ten overvloede wordt overwogen dat voormeld betoog, ook al had het hof dat wel betrokken bij zijn beslissing, [verzoeker] niet kan baten en wel om de volgende reden. Anders dan [verzoeker] meent, brengt geen enkel algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de door hem bedoelde verplichting van de Staat met zich mee. Een andere opvatting zou meebrengen dat iedere landsdienaar die tardief is met het instellen van een vordering tegen de Staat en die zich niet op overmacht ex artikel 80 lid 4 Pw kan beroepen, zich met vrucht zou kunnen beroepen op de omstandigheid dat de Staat hem niet in kennis heeft gesteld van de in artikel 80 Pw genoemde termijn voor het instellen van een vordering bij het hof. Dit betekent dat deze termijn, welke van openbare orde is, zou verworden tot een dode letter.
4.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde in 3.1 onder A.
5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder B en C.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door mr. K.J. Kraag-Brandon namens mr. J. Kraag, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als [verzoekster],
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als het ministerie,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ter griffie ingediend op 08 mei 2013 (met vier producties);
  • de beschikking van het Hof van 20 juni 2013 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift ter griffie ingediend op 31 juli 2013;
  • de beschikking van het Hof van 02 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 november 2013;
  • het proces-verbaal van het op 01 november 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • conclusie tot uitlating schikking zijdens de Staat overgelegd d.d. 17 januari 2014;
  • pleitnota overgelegd d.d. 21 februari 2014;
  • antwoordpleitnota overgelegd d.d. 21 maart 2014;
  • repliekpleitnota met producties overgelegd d.d. 02 mei 2014;
  • dupliekpleitnota met producties overgelegd d.d. 20 juni 2014;
  • conclusie tot uitlating producties overgelegd d.d. 15 augustus 2014;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06
maart 2015, maar is nader bepaald op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste
inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1 [verzoekster] is middels arbeidsovereenkomst in dienst getreden van het ministerie op 23 november 2000 en te werk gesteld in de functie van Adjunct Secretaresse van de Minister van Justitie en Politie, waarbij zij belast werd met voorlichtingswerkzaamheden.
2.2 Bij beschikking d.d. 11 augustus 2003 no. 4001 is [verzoekster], te rekenen vanaf 6 juni 2003 te werk gesteld bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname.
2.3 Bij beschikking d.d. 18 maart 2010, no. 269, is [verzoekster] op eigen verzoek overgeplaatst naar het Ministerie van Sport en Jeugdzaken.
2.4 [verzoekster] heeft bij deurwaarderexploot no. 389 d.d. 10 april 2013 het ministerie gevraagd haar te plaatsen in een passende functie en schaal, waar zij recht op heeft.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken het ministerie te veroordelen:
a. om haar te benoemen in een passende functie en schaal overeenkomstig haar opleiding en ervaring;
b. om met terugwerkende kracht het achterstallig salaris aan haar uit te betalen, vermeerderd met alle eventuele toelagen vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;
c. tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat het ministerie nalatig blijft om te voldoen aan het onder a gevorderde.
3.2 [verzoekster] heeft – naast voormelde vaststaande feiten – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij heeft op enig moment gefunctioneerd als het Hoofd van de afdeling Opleidingen bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname, echter zonder daarvoor de nodige
voorzieningen te hebben ontvangen. Volgens [verzoekster] heeft de toenmalige Minister van Justitie en Politie wel een onderhoofd benoemd voor de afdeling Opleidingen, die niet gekwalificeerd was voor die functie. Er werd geen acht geslagen op het feit dat zij hoger was opgeleid en ook niet dat zij al functioneerde als hoofd van de afdeling Opleidingen.
[verzoekster] stelt verder dat zij vanaf het jaar 2000 geen periodieke uitkeringen heeft gekregen en geen bevordering als gevolg waarvan zij overeenkomstig FISO ook geen salarisverhoging heeft gehad.
3.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. Het Hof komt voor zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof heeft getracht een minnelijke regeling tussen partijen te bewerkstelligen, echter zonder succes. Het hof zal daarom de onderhavige vordering beoordelen op grond van de gedingstukken.
4.2 Het Hof merkt op dat de vordering van [verzoekster] erg vaag is omschreven. Daardoor is het onduidelijk op welke functie en schaal, [verzoekster] meent recht te hebben zoals onder a van het petitum gevorderd. Evenzo is het onduidelijk op welk (achterstallig) salaris en toelagen zij meent recht te hebben.
Voor zover [verzoekster] meent dat zij recht heeft te moeten worden geplaatst in de functie van (onder)hoofd van de afdeling Opleidingen bij de Beveiligings – en Bijstandsdienst Suriname met bijbehorende inschaling, is het Hof van oordeel dat dit gevorderde dient te worden afgewezen.
Immers is onweersproken door het ministerie gesteld en is daarmee komen vast te staan dat een afdeling werving en opleiding bij de Beveiligings – en Bijstandsdienst nooit heeft bestaan en ook niet bestaat.
Voor het geval [verzoekster] het oog heeft op de functie van (onder)hoofd van de Beveiligings – en Bijstandsdienst is door het ministerie aangevoerd dat [verzoekster] niet voldoet aan de vereisten om te worden benoemd in een dergelijke functie. Zo is uit het verhoor van partijen naar voren gekomen dat eerst een elementaire opleiding dient te worden gevolgd om binnen te stromen bij de Beveiligings- en Bijstandstienst Suriname. Daarnaast volgt uit het bepaalde in artikel 61 van het Reglement Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname (S.B. 2000-84) dat de te benoemen functionaris onder meer de opleidingen op het gebied van bewaking c.q. beveiliging moet hebben gevolgd.
Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoekster] deze opleidingen heeft gevolgd. Zij voldoet derhalve ook niet aan de vereisten voor benoeming in genoemde functie.
Bovendien is niet in geding dat [verzoekster] zelf heeft gevraagd voor overplaatsing naar een andere ministerie zodat benoeming in de hiervoor genoemde functie ook om die reden niet mogelijk zou zijn. Immers, om te worden benoemd in een functie is het van belang dat je op het betreffende ministerie werkzaam bent, hetgeen niet aan de orde is in dit geval.
4.3 Naar het Hof begrijpt is [verzoekster] van mening dat ook anderen die niet voldoen aan de vereisten benoemd zijn in de genoemde functies. Zij heeft het met name over de personen van [naam 1] en [naam 2].
Dit wordt ontkend door het ministerie. Bij het gehouden verhoor van partijen is verklaard dat de twee hiervoor genoemde personen wel voldeden aan de functievereisten, en daarom ook zijn benoemd.
Hiermee is ook deze stelling van [verzoekster] ondergraven. Bovendien is het Hof van oordeel dat, ook indien de stelling van [verzoekster] juist zou zijn, dit evenmin ertoe kan leiden dat iemand die niet beschikt over de functievereisten toch wel wordt benoemd in een bepaalde functie. Het maken van “misstappen” heeft niet tot gevolg dat er een “recht” ontstaat. Derden kunnen zich daarom in beginsel niet met succes beroepen op deze misstappen, tenzij er sprake is van een evidente schending van het gelijkheidsbeginsel riekend naar favoritisme casu quo willekeur.
4.4 Bij het gehouden verhoor van partijen heeft [verzoekster] verklaard dat zij niet meer wil werken voor de Staat en dat zij door de Staat wil worden afgekocht zodat zij haar eigen zaken kan doen.
Naar het oordeel van het Hof dient [verzoekster] dit voorgaande zelf met de Staat te bespreken, omdat het Hof de bevoegdheid mist om hierover te oordelen.
4.5 Al het voorgaande, in onderlinge samenhang gelezen, leidt tot de afwijzing van de vorderingen van [verzoekster].
4.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het Hof:
Wijst af het door [verzoekster] gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Verzoekster verschenen in persoon en vertegenwoordigd door advocaat mr. J. Kraag namens mr. N.U. van Dijk, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-45

Kosteloos A-825
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN
In de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid,
Afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG),
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. E. Danning, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoekster] respectievelijk de Staat;

1.Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 17 oktober 2013;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 02 december 2013;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 december 2013, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 04 december 2013 is verlengd met zes weken;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 13 januari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 15 januari 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 15 januari 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend op 24 februari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 09 mei 2014, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 06 juni 2014;
  • het proces-verbaal van het op 06 juni 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat de dato 04 juli 2014;
  • de conclusie tot uitlating omtrent de door de Staat overgelegde stukken zijdens [verzoekster];

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015 en vervolgens nader op 21 februari 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1 [verzoekster] is per 16 juni 1977 in dienst getreden van het toenmalige Ministerie van Opbouw en tewerkgesteld bij het zogeheten Houtskoolproject;
2.2 [verzoekster] is per 1 januari 1980 overgeplaatst naar het Ministerie van Volksgezondheid, afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG), eerstens in de functie van schoonmaakster en later in de functie van telefoniste;
2.3 [verzoekster] heeft over de periode van haar tijdelijk dienstverband, gelegen tussen 16 juni 1977 en 31 juli 1980 pensioenrechten ingekocht en heeft daardoor vanaf 16 juni 1977 haar pensioenaanspraken opgebouwd;
2.4.[verzoekster] heeft in haar privé-leven nogal wat tegenslagen te verwerken gehad, hetgeen geleid heeft tot afwezigheid (het hof begrijpt: op de werkplek) wegens ziekte;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1.[verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- dat de Staat zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking met haar met terugwerkend te herstellen en aan haar de achterstallige bezoldiging, inclusief onder andere vakantietoelage vanaf de stopzetting daarvan aan haar uit te betalen. Voorts vordert zij veroordeling van de Staat om haar conform de FISO-bezoldiging in een vergelijkbare loongroep te doen inschalen:
3.2.[verzoekster] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar ziekteverzuim permanent middels doktersattesten gedekt waren. Desondanks werd zij bij hervatting van haar werkzaamheden door de Onderdirekteur Administratieve Diensten van het BOG namens de Direkteur van het BOG aangezegd vooruitlopend op een te nemen beslissing thuis te blijven. Zij heeft met klem tegen delen van de brief van de Direkteur van het BOG gericht aan de Direkteur van het Ministerie van Volksgezondheid gereageerd omdat zij nimmer ongeoorloofd heeft verzuimd en haar afwezigheid wegens ziekte altijd gedekt is geweest middels doktersattesten. Zij heeft zich nimmer ingevolge het bepaalde in artikel 42 van de Personeelswet in opdracht van of op verzoek van het BOG gedurende haar afwezigheid wegens ziekte, noch na haar herstel, aan een geneeskundige controle moeten onderwerpen. Na aanzegging in 2003 door de Direkteur van het BOG heeft zij zich overduidelijk en gemotiveerd wegens vermeend plichtsverzuim verweerd. Op voormeld verweer van haar is zijdens het Ministerie van Volksgezondheid, hoewel onterecht, nimmer zoals artikel 61 van de Personeelswet voorschrijft op schrift een tuchtstraf opgelegd doch heeft de leiding van het BOG het haar constant onmogelijk gemaakt haar werkzaamheden te continueren en zulks ondanks zij zich steeds aanmeldde om haar werkzaamheden te hervatten. Zij bleef door middel van brieven en bezoeken tevergeefs aan het BOG verzoeken haar werkzaamheden te mogen hervatten en kreeg zij in oktober/november 2004 op haar woonadres bezoek van het Hoofd Algemene Zaken van het BOG voor het in ontvangst nemen van een voor haar bestemde brief waarvan de inhoud niet werd medegedeeld. Zij heeft geweigerd de zojuist aangehaalde brief in ontvangst te nemen maar was daartoe op kantoor wel bereid om de dienstbrief, na over de inhoud daarvan geïnformeerd te zijn, in ontvangst te nemen. Zij beschikt niet over een ontslagbeschikking en voorzover die er mocht zijn heeft de Staat de voorgeschreven ambtelijke procedures niet in acht genomen;
3.3.De Staat heeft verweer gevoerd. Het hof komt –voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling;

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW is het Hof van Justitie (hierna: het hof) optredende als gerecht in ambtenarenzaken slechts bevoegd om kennis te nemen van de navolgende vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald;
4.2. Hetgeen [verzoekster] heeft gevorderd valt naar het oordeel van het hof niet te categoriseren onder de limitatieve opsomming van voormelde wetsbepaling. Immers vordert [verzoekster] – kort gezegd -herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht en betaling van het achterstallig salaris alsmede inschaling in een vergelijkbare loongroep conform de Fiso-bezoldiging. Het hof heeft derhalve geen andere keus dan om – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – zich onbevoegd te verklaren om van het gevorderde kennis te nemen. Het daartoe strekkend verweer zijdens de Staat is derhalve gegrond gebleken;
4.3. Nu [verzoekster] door het in het onderhavige geding gebracht Certificaat van Onvermogen d.d. 30 april 2013 genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt niet bij machte te zijn de kosten van dit proces te bestrijden, zal het Hof het ter zake door haar gedaan verzoek inwilligend verstaan, dat haar is vergund ten deze kosteloos te procederen;
4.4. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen en zal beslissen als in het dictum te melden;

5.De beslissing
Het hof:
5.1.Verstaat dat aan [verzoekster] is vergund om ten deze kosteloos te procederen;
5.2.Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. R.D. Neslo, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-33

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-3060
03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [plaats], [land],
hierna te noemen: “[eiser]”,
eiser,
gemachtigde: mr. H. S. Djasmadi, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
hierna te noemen: “[gedaagde]”,
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • Het verzoekschrift met producties dat op 07 juli 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de akte van niet – dienen terzake de conclusie van dupliek;
  • 1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] heeft zijn woning, gelegen aan de [adres], verhuurd aan de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna: de huurders). De overeengekomen huur bedraagt €125,– per maand.
2.2 Bij vonnis d.d. 04 januari 2016 in de zaak bekend onder A.R. no. 12-4505, heeft de Kantonrechter de vordering van [eiser] tot ontruiming van de huurders afgewezen.
2.3 In februari 2016 wendt [eiser] zich tot [gedaagde] voor juridische bijstand.
2.4 [eiser] heeft op 01 februari 2016 en 22 februari 2016 in totaal SRD 2.000,- aan [gedaagde] betaald voor juridische bijstand.
2.5 [gedaagde] heeft, als gemachtigde van [eiser], op 24 februari 2016 een schriftelijke verklaring ingediend op de Griffie der Kantongerechten, waaruit blijkt dat [eiser] gebruik wenst te maken van het middel van hoger beroep tegen het vonnis als vermeld onder 2.2.
2.6 [gedaagde] heeft namens [eiser] huurpenningen van de huurders ontvangen. Het totaal aan ontvangen huurpenningen bedraagt SRD 11. 350,–.
2.7 De door [gedaagde] ontvangen huurpenningen zijn niet aan [eiser] overgedragen.
2.8 Bij schrijven d.d. 22 mei, 30 mei en 08 juni 2017 is [gedaagde] door de huidige gemachtigde van [eiser] verzocht de voor de zaak relevante stukken over te dragen [gedaagde] heeft niet gereageerd op deze verzoeken.
2.9 [gedaagde] is per schrijven d.d. 20 juni 2017, dat per deurwaardersexploit d.d. 20 juni 2017 no. 387 aan hem is betekend, gesommeerd om de door hem ontvangen huurgelden aan [eiser] te voldoen.
2.10 [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1 De vordering
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
– de aan hem toekomende huurgelden ad € 2.125,–;
– de door hem geleden schade vooralsnog begroot op SRD 5. 100,–;
– de proceskosten.
3.2 De grondslag
[eiser] heeft – zakelijk weergegeven – aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] wanprestatie jegens hem pleegt nu hij de op hem rustende verplichting om deugdelijke rechtsbijstand aan hem te verlenen, niet is nagekomen. [eiser] houd [gedaagde] dan ook aansprakelijk voor alle door hem geleden schade en nog te lijden schade als gevolg van zijn handelen.
3.3 Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Volgens hem was met de gevolmachtigde van [eiser], te weten [naam 3], afgesproken dat de ontvangen achterstallige huurpenningen als voorschot zouden worden gebruikt op de procedure in hoger beroep. Toen [eiser] naar de ontvangen huurgelden vroeg heeft hij hem een factuur doen toekomen op grond waarvan [eiser] SRD 50,- moest ontvangen. [eiser] heeft geweigerd dit bedrag te ontvangen. Volgens [gedaagde] heeft hij geen verplichting tot overdracht van processtukken aan de huidige procesgemachtigde van [eiser], omdat de zaak eerst op een juiste wijze moet worden beëindigd. Hij betwist voorts dat hem wanprestatie kan worden verweten en ontkent aansprakelijk te zijn voor betaling van advocaatkosten en deurwaarderskosten. Dat de zaak in hoger beroep geen voortgang heeft gevonden is volgens hem niet aan hem te wijten, maar aan [eiser] die andere plannen had.
3.4 Op de stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter, voor zover van belang bij de beoordeling, terug.

4. De beoordeling
4.1 Tussen partijen is komen vast te staan dat het totaal bedrag aan huurpenningen dat door
[gedaagde] namens [eiser] is ontvangen, SRD 11. 350,– bedraagt. [eiser] stelt in zijn conclusie van repliek dan ook dat onder andere voormeld bedrag door [gedaagde] aan hem betaald dient te worden. Uit deze stelling van [eiser] begrijpt de kantonrechter dat [eiser] zijn eis wenst te wijzigen. Nu het wijzigen van de eis ex artikel 109 Rv in elke stand van het geding is toegestaan en [gedaagde] hieromtrent geen verweer heeft gevoerd, zal voormelde wijziging worden toegestaan in dier voege dat in stede van het gevorderde bedrag ad € 2.125,– zal worden gelezen het bedrag ad SRD 11. 350,–. Daarbij wordt mede gevorderd het bedrag ad SRD 200,–, zijnde het verschil tussen het reeds door [eiser] aan [gedaagde] betaalde voorschot ad SRD 4.000,– en het bedrag dat [eiser] daadwerkelijk aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn voor de door hem verrichte diensten namelijk SRD 3. 800,-.
4.2 Nu de vraag of [gedaagde] gehouden is de ontvangen huurgelden aan [eiser] over te dragen. Deze vraag moet, naar het oordeel van de kantonrechter, bevestigend worden beantwoord en wel om de navolgende redenen.
[eiser] heeft gesteld dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt als gevolg waarvan hij op 1 en 2 februari 2017 in totaal SRD 2.000,– aan [gedaagde] heeft betaald voor het verlenen van juridische bijstand. Volgens [eiser] heeft hij hierna nog eens SRD 2.000,- aan [gedaagde] betaald, maar hiervoor heeft hij geen kwitantie.
[eiser] heeft voorts gesteld dat tussen hem en [gedaagde] is afgesproken dat, indien de rechter positief zou beslissen op zijn vordering, hij aan [gedaagde] nog SRD 2.000,- zou moeten betalen. Voormelde afspraken zijn door [gedaagde] niet betwist en staan derhalve vast tussen partijen.
De door [gedaagde] ten processe overgelegde factuur dient buiten beschouwing te worden gelaten en wel om de navolgende redenen. De factuur is door [eiser] gemotiveerd betwist. Volgens hem is tussen partijen geen verrekening met de ontvangen huurgelden afgesproken. [gedaagde] is na de gemotiveerde betwisting door [eiser], niet nader hierop ingegaan. Van hem mocht worden verwacht dat hij feiten en omstandigheden zou aandragen en eventueel relevante producties zou overleggen ter onderbouwing van zijn standpunt. Evenmin zijn door [gedaagde] producties overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij de werkzaamheden zoals opgenomen in de factuur, heeft verricht. Nu de afspraak voor verrekening niet is komen vast te staan en de door [eiser] gestelde afspraken niet zijn betwist, zal [gedaagde] worden veroordeeld tot afgifte van de ontvangen huurgelden aan [eiser]. Het mede gevorderde bedrag ad SRD 200,- zal worden afgewezen, omdat deze is gebaseerd op de bedragen zoals vermeld in de factuur. Het voorgaande is daarom in strijd met de afspraken die zijn komen vast te staan tussen partijen.
4.3 [eiser] stelt dat zij op grond van de wanprestatie die [gedaagde] jegens haar pleegt schade lijdt die, behalve uit de te ontvangen huurgelden bestaat uit advocaat- en deurwaarderskosten die vooralsnog zijn begroot op SRD 5.100,-. Voormelde schade is echter niet onderbouwd door [eiser] zodat zij niet kan worden toegewezen.
4.5 [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.
4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag groot SRD 11. 350,- (elfduizend driehonderd en vijftig Surinaamse Dollar);
5.2 verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad;
5.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op SRD 339,80 (driehonderd en negenendertig tachtighonderdste Surinaamse Dollar).
5.4 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. P. Rudge LLM en in het openbaar uitgesproken door mr. R.M. Praag, kantonrechters in het Eerste Kanton, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 03 februari 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.