SRU-ATC-2019-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/21

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 16 april 2018 een schrijven met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft op 22 maart 2019 bovenvermeld schrijven met bijbehorende producties van klager ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 26 juli 2019, waarbij klager is gehoord. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 Verweerster heeft niet tijdig aanwezig kunnen zijn op de zitting en is in de gelegenheid gesteld om zich over het verhoor van klager uit te laten.De conclusie tot uitlating zijdens verweerster bevindt zich onder de processtukken.

2. De feiten
2.1 Klager is procespartij in de gedingen bekend onder AR. [no.1], AR. [no. 2] en AR.no. [no.3] tegen [naam 3] en [naam 4].

2.2 Verweester heeft als procesgemachtigde opgetreden voor [naam 3 ] en [naam 4] (hierna: gedaagden) in de gedingen genoemd onder punt 2.1. van onderhavige beslissing.

3. De klacht en het verweer
1.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klager stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerster in haar conclusies tot uitlating gebruik heeft gemaakt van onterechte stellingen c.q. uitlatingen die zeer grievend zijn alsook in strijd met de waarheid zijn gesteld. Dit blijkt met name uit de volgende passages in het rechtsproces bekend onder:
– AR. [no.1]: “Zijn rechtsvoorganger had namelijk gedaagden een blanco stuk laten tekenen en naderhand is hierop de (schriftelijke) overeenkomst getypt”;
– AR. [no. 2]: “Gedaagden zijn op een goedkope wijze het litgieuze onroerend goed kwijt geraakt aan verzoeker. Zijn rechtsvoorganger had namelijk gedaagden een blanco stuk laten tekenen en naderhand is hierop de (schriftelijke) koopovereenkomst getypt”;
– AR. [no.3]; “ zij waren -zijn nog steeds van mening – dat de rechtsvoorganger van verzoeker (erflater) op een slinkse wijze heeft getracht hen dit perceelland afhandig te maken door hen een blanco stuk te laten tekenen, waarop de koopovereenkomst is getekend”.
Volgens klager zou uit de voornoemde passages geconcludeerd kunnen worden dat zijn thans overleden vader niet te goeder trouw heeft gehandeld, althans een oplichter zou zijn geweest. Om het tegendeel te bewijzen heeft klager de originele koopovereenkomst met betalingskwitanties aan het Tuchtcollege getoond. Voorts stelt klager dat verweerster de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen) heeft geschonden en wel Ere-regel nummer 13 en 25. Verder stelt klager dat hij en zijn advocaat geen reactie meer hebben kunnen geven op de stelling van verweerster, daar de gewraakte passages pas bij conclusie van dupliek zijn gesteld.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager.

4.2 Verweerster voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerster namens haar cliënten ingediende conclusies bevat de zienswijze /het gevoel van hen en is geen uitdrukking van haar mening.Verweerster betwist dat zij de Ere-regelen heeft geschonden en ontkent op enige wijze de rechter of de tegenpartij te hebben misleid door de stellingen alsmede ongepaste uitlatingen te hebben gedaan ter motivatie hiervan. Volgens verweerster verwart klager haar positie met de positie van haar cliënten en wordt zij onterecht aansprakelijk gesteld door klager voor de door haar gedane uitlatingen in de gedingstukken.Voorts voert verweerster aan dat het niet juist is dat klager geen reactie meer kon geven op de uitlatingen zijdens haar cliënten, aangezien deze bij conclusie van dupliek zijn gesteld. In de zaak bekend onder AR. [no.3] is dit bij conclusie van antwoord gedaan en had klager de gelegenheid om bij conclusie van repliek daarop te reageren.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartjen is voorgelegd het bewijs van de door verweerster gedane stellingen in haar conclusies moet beoordelen en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.Het Tuchtcollege merkt op dat verweerster bij conclusie van antwoord in de zaak bekend onder AR. [no.3] de gedane stellingen heeft geponeerd en dat klager de gelegenheid heeft gehad om bij conclusie van repliek zich uit te laten hierover. Het Tuchtcollege is van oordeel dat de advocaat de belangen van zijn/haar cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat de cliënt hem verschaft en dat de advocaat in beginsel mag afgaan op de juistheid daarvan. De advocaat behoeft in beginsel niet af te wegen of het voordeel dat hij/zij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij/zij zich van bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Uiteraard dient de advocaat zich daarbij niet onnodig grievend casu quo krenkend uit te laten en dienen de Ere-regelen in acht te worden genomen. Voorts huldigt het Tuchtcollege het standpunt dat stellingen en weren die door de advocaat van de tegenpartij in een concreet gedingstuk worden aangevoerd in beginsel in dat geding dienen te worden beslecht voor zover dat relevant is voor de te nemen beslissing.Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster door de gebezigde stellingen niet correct heeft gehandeld jegens klager.Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerster is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerster ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:
1.1 verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 25 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,
Mr. M.S. Wesenhagenmr. A.Charan
De leden,
mr. G. Ramai-Badal
mr. J.R. Wouter

SRU-ATC-2020-7

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/25

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist,
hierna te noemen: “[klaagster]”,

tegen

[naam 2],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,
hierna te noemen: “[verweerster]”,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 19 juli 2019, heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019 en vrijdag 29 november 2019.Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt,

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald op 24 januari 2020 doch nader op heden.

2. De feiten
2.1. [klaagster] is een jongere zus van [verweerster].
2.2. [klaagster] is procespartij in gedingen die [verweerster] tegen haar en de overige familieleden heeft ingesteld.

3. De klacht en het verweer
1.1. De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat [verweerster] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW). [klaagster] stelt -zakelijk weergegeven- dat zij op steenworp afstand woont van [verweerster] en door de gedragingen van [verweerster] is de band met de familieleden ernstig verstoord en is er een zeer onbehaaglijke sfeer in de woonomgeving geschapen. De onhoudbare leefsituatie verergerde toen [verweerster] werd beëdigd tot advocaat en [verweerster] herhaaldelijk over hetzelfde onderwerp van geschil, gedingen aanhangig heeft gemaakt tegen [klaagster] en de overige naaste familieleden, waarbij [klaagster] zich moet verweren en rechtsbijstand moet inroepen. Er zijn volgens [klaagster] 22 rechtszaken aangespannen en moest zij hierdoor steeds advocaatkosten betalen. [klaagster] stelt dat [verweerster] misbruik maakt van procesrecht. Volgens [klaagster] legt het geschil tussen partijen, die reeds zeventien jaren duurt, een psychische druk op haar en de overige naaste familieleden. [klaagster] stelt dat zij en de overige familieleden ook noodgedwongen rechtszaken moesten aanspannen tegen [verweerster]. Eén der rechtszaken werd ingesteld aangezien [verweerster], [klaagster] en de overige naaste familieleden enige tijd de toegang tot haar woning weigerde, waardoor zij de zieke vader van partijen, die bij [verweerster] verbleef, niet konden bezoeken. [klaagster] stelt verder dat [verweerster] diverse brieven heeft geschreven aan haar werkgever waarin [verweerster] haar negatief heeft beklad, waardoor haar goede naam en eer onterecht ernstig is aangetast. Voorts stelt [klaagster] dat het handelen van [verweerster] als advocaat onbetamelijk is.

3.2. [verweerster]heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag of [verweerster] verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2. [verweerster] voert -zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
[verweerster] voert aan dat zij als oudste kind van het gezin zich verplicht voelde om te zorgen voor haar ouders, jongere broer en zussen alsmede hen te ondersteunen en dat de problemen met de familie begonnen toen zij weigerde om opnieuw tickets te betalen voor hen. Volgens [verweerster] zijn opeenvolgende rechters misleid geworden door geknoei en vervalsingen gepleegd door [klaagster], waardoor haar ([verweerster]) perceel en woning op de veiling is gezet. Daarnaast voert [verweerster] aan dat er thans een rechtsproces loopt dat door [klaagster] aanhangig is gemaakt, inzake de ontruiming uit haar woning. [verweerster] voelt zich bestolen en voert aan dat zij volgens wettelijke procedures opkomt voor zichzelf en dat de problemen die zij met de familie heeft niets te maken hebben met haar functioneren als advocaat. Volgens [verweerster] heeft zij in privé een geschil met haar familie en niet als advocaat. [verweerster] vindt dat er geen wettelijke grond aanwezig is op grond waarvan [klaagster] kan zeggen dat zij haar taak als advocaat niet goed doet. [verweerster] ontkent dat zij misbruik maakt van procesrecht. [verweerster] betwist dat zij zich onbetamelijk heeft gedragen jegens [klaagster].

4.3. Het Tuchtcollege heeft alleen [klaagster] aangemerkt als klaagster, hoewel in haar klacht is vermeld dat zij mede namens haar moeder, broer en enkele overige naaste familieleden de klacht indient. Het Tuchtcollege is van oordeel dat er geen volmacht van de overige familieleden is overgelegd en dat [verweerster] niet de gelegenheid meer heeft gehad om zich uit te laten over de volmacht van de moeder van partijen d.d. 19 december 2019, die naderhand door [klaagster] op 20 december 2019 is overgelegd. Het Tuchtcollege is verder van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd zal uitmaken of er al dan niet sprake is van misleiding van de rechter zijdens [klaagster] en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege. Het geschil tussen partijen is een slepende kwestie dat reeds jaren duurt. Het is het Tuchtcollege gebleken dat er handelingen zijn gepleegd door [verweerster] van zoveel jaren geleden, maar gezien het tijdsverloop zal het Tuchtcollege verder geen acht hierop slaan. Het Tuchtcollege overweegt eveneens dat partijen een mediator in de hand zouden moeten nemen, zoals in het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. [2008], bekend onder het AR.[no.1], is overwogen. Het Tuchtcollege is voorts van oordeel dat de persoon van [verweerster] en de advocaat [verweerster] niet van elkaar afgezonderd kunnen worden. Ingevolge de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname dient de advocaat, dus ook [verweerster] in en buiten de uitoefening van het beroep niets te doen wat haar stand zou kunnen schaden. Het Tuchtcollege is de mening toegedaan dat het niet van goed fatsoen betaamt dat [verweerster] haar bevoegdheden als advocaat heeft gebruikt om zaken in de familierechtelijke sfeer aan te kaarten bij de werkgever van [klaagster] zoals ter gelegenheid van het verhoor is gebleken. Voorts is het Tuchtcollege van oordeel dat [verweerster] bewust misbruik heeft gemaakt van haar hoedanigheid als advocaat om telkenmale civiele rechtsgeschillen bij de rechter aanhangig te maken tegen, onder andere klaagster, betreffende hetzelfde onderwerp van geschil. Daardoor is klaagster onnodig in de kosten gejaagd doordat ze genoodzaakt werd om zich telkenmale in rechte te doen bijstaan door een advocaat. Naar het oordeel van het Tuchtcollege dient ook daaraan paal en perk gesteld te worden.Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor in rechte is komen vast te staan dat [verweerster] onbetamelijk heeft gehandeld jegens [klaagster].[verweerster] heeft aldus, naar het oordeel van het Tuchtcollege, in strijd gehandeld met de betamelijkheid die zij als advocaat behoorde te betrachten ten opzichte van [klaagster]. Op grond van het voorgaande acht het Tuchtcollege de klacht tegen [verweerster] gegrond. Het Tuchtcollege zal daarom de in het dictum te bepalen maatregelen opleggen aan [verweerster].

4.4. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:
5.1. Verklaart de klacht tegen [verweerster] gegrond.

5.2. Schorst [verweerster] om het beroep van advocaat uit te oefenen voor een periode van een jaar.

5.3. Bepaalt dat aan [verweerster] ingevolge het bepaalde in artikel 47 lid 2 van de Advocatenwet als bijzondere voorwaarde een verbod wordt opgelegd om met betrekking tot hetzelfde onderwerp van geschil te pocederen tegen [klaagster] gedurende een periode van twee jaren met ingang van de dag waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 22 mei 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,De voorzitter,
w.g. w.g.
mr. M.S.Wesenhagenmr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

Ingevolge artikel 56 van de Advocatenwet kan van de beslissingen van het Tuchtcollege gedurende dertig dagen na de ontvangst van het afschrift hoger beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie aan de daarbij door:
de klager die de klacht die tot de beslissing heeft geleid, heeft ingediend, indien:
a. de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard; bij gegrondbevinding van de klacht, het verzoek wordt afgewezen;
b. de Deken, welke de klacht die tot de beslissing heeft geleid, ter kennis van het Tuchtcollege heeft gebracht, indien de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard;
c. de advocaat jegens wie de beslissing is genomen.
Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omklede memorie, in drievoud in te dienen bij de griffie van het Hof van Justitie en vergezeld van drie afschriften van de beslissing waartegen beroep is ingesteld.

Voor eensluitend afschrift
De secretaris van het ATC,
mr. M.S. Wesenhagen

SRU-ATC-2020-6

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/03

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klager
procederende in persoon,

tegen

[naam 2]
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerder,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op 07 februari 2020, heeft de Deken van de Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van 22 mei 2020. Klager heeft daarbij zijn klacht mondeling toegelicht en aangevuld. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3. Vervolgens hebben partijen over en weer de gelegenheid gehad om het debat schriftelijk voort te zetten en daar hebben partijen gebruik van gemaakt, waarbij er zijdens klager eveneens additionele producties zijn overgelegd.

1.4. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1.Verweerder heeft in zijn antwoordpleidooi d.d. 7 juni 2019 in de zaak bekend in het G.R. onder [no1] inzake [bedrijf 1] (appellante(n)), gemachtigde [klager] contra [bedrijf 2] (geïntimeerde), gemachtigde [verweerder], in sustenu 6 op bladzijde 2 de navolgende bewoordingen gebezigd (citaat): “ …..Deze vileine opmerking reveleert het karakter van de scribent van de pleitnota dat hoort bij een ploert althans mislukkeling …. (einde citaat).

2.2. In de zaak A.R.[no. 2] in sustenu 5 van de Conclusie van Antwoord d.d. 26 oktober 2017 heeft verweerder het navolgende verwoord (citaat): “… Gedaagde gaat voorbij aan de lafhartige insinuaties aan het adres van haar functionarissen en dat van ingeschreven zaken…(einde citaat).

3. De klacht en het verweer
1. De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder door het bezigen van voornoemde bewoordingen – zoals hiervoor onder de feiten aangegeven – in een conclusie casu quo pleitnota zijn beroepsethiek heeft veronachtzaamd en inbreuk heeft gepleegd op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag ligt en ook nog zijn waarheidsplicht heeft geschonden. Het lijkt meer dan overtuigend dat in alle redelijkheid en billijkheid verweerder als te zijn een juridisch deskundige zich houdt aan de absolute fatsoensnormen en waarden en deze niet met de voeten treedt. Zeer afkeurenswaardig is dan ook dat klager als te zijn een non jurist, is gebombardeerd met laatdunkende betichtingen door de gemachtigde van de tegenpartij, verweerder. Klager voelt zich dan ook ten zeerste gekwetst, beledigd en aangetast in zijn goede naam en eer. Het gevolg is dat klager onherstelbare immateriële- en materiële schade heeft opgelopen en is er hier sprake van smaad. Dit handelen is eveneens strijdig met alle beginselen van een goede procesorde. Verwijzend naar artikel 64 Rv heeft verweerder ook nagelaten ex artikel 13 Ere-regelen (gedragscode) advocaten in acht te nemen.

3.2 Klager vraagt derhalve dat verweerder voor immateriële- en materiële schade waaronder het raadplegen van Rechtsgeleerden-, Doktershulp e.a. dan ook het schadebedrag ad SRD. 15.000,- dient te voldoen. Voorts vordert klager dat verweerder zijn verontschuldigingen schriftelijk aanbiedt aan klager, op straffe van een dwangsom van SRD. 50.000,- voor iedere dag, uur en minuut. Daarnaast vraagt klager (althans zo vat het Tuchtcollege dat op) om de nodige tuchtmaatregelen te treffen tegen verweerder.

3.3 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Alvorens inhoudelijk in te gaan op de stellingen en weren van partijen stelt het Tuchtcollege vast dat klager verzuimd heeft om in de aanhef van zijn klacht ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 4 van de Advocatenwet (hierna AW) zijn naam en woonplaats te vermelden. Ingevolge het bepaalde in artikel 40 lid 6 AW diende de Deken casu quo diens secretaris de gelegenheid te bieden aan klager om dit verzuim te herstellen hetgeen niet is geschied. Het Tuchtcollege zal volstaan met het voorgaande te constateren zonder daar enige consequentie aan te verbinden. Immers staat in de aanhef van de klacht wel de personalia van de klager vermeld, blijkende zulks uit naam, adres, telefoonnummers en e-mailadres (kennelijk een brievenhoofd). Uit de wirwar van stellingen in de klacht destilleert het Tuchtcollege met nadrukkelijk inlevingsvermogen, met name uit de aanhef en de stellingen zoals vervat in de klacht, dat klager zowel in persoon als qualitate qua als vertegenwoordiger van de rechtspersonen [bedrijf1] (anonimiseren) optreedt (dus pro sè en q.q.). Met het voorgaande wordt het niet-ontvankelijkheidsverweer van verweerder geacht te zijn besproken en verworpen.

4.2.Ten aanzien van het door klager gevorderde dat betreft – kort gezegd – het aanbieden van verontschuldigingen door verweerder aan klager op straffe van een dwangsom is het Tuchtcollege van oordeel dat dat niet kan worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming van tuchtrechtelijke maatregelen in artikel 45 lid 2 AW. Evenmin kan dat worden gerubriceerd onder de bijzondere voorwaarden zoals bedoeld in artikel 47 AW. Het daartoe strekkend onderdeel van het gevorderde is derhalve ongegrond gebleken.

4.3. Ter beoordeling ligt thans de vraag of verweerder zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Voorop gesteld wordt dat op advocaten, en dus ook op verweerder, van toepassing zijn de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen). Ingevolge Ere-regel nummer 25 dient de advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. In casu is aan de orde de vraag of verweerder door zich te bedienen van de bewoordingen zoals die hiervoor onder de feiten (2.1. en 2.2.) zijn weergegeven, in een pleitnota en een conclusie in een concreet geding, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het Tuchtcollege zal de gewraakte bewoordingen “vileine”, “ploert’ en “lafhartig” onder een loep plaatsen. Vileine betekent volgens het Nederlands woordenboek: snood, slecht, boosaardig, geniepig, gemeen, laag, venijnig. Ploert betekent volgens www.encyclo.nl: iemand die gemene streken uithaalt. Lafhartig betekent volgens www.encyclo.nl: bang, bangelijk, beschroomd, blode, blohartig, flauwhartig, laf van aard, niet moedig. Voormelde woorden op zichzelf beschouwd leveren in elk geval in de visie van het Tuchtcollege geen complimenten jegens klager op. Wordt gekeken naar de context waarin voormelde bewoordingen zijn gebruikt door verweerder in respectievelijk een conclusie van antwoord en in een antwoordpleidooi dan heeft klager in elk geval de kans gehad om in die concrete gedingen daarop in te gaan en eventueel van de behandelende gerechten te eisen dat verweerder die gebezigde bewoordingen – die bij klager veel ongerief schijnen te hebben veroorzaakt – terug neemt casu quo corrigeert. Daarvan is gesteld noch gebleken. Evenwel blijkt klager – zoals verweerder in de visie van het Tuchtcollege terecht heeft aangevoerd – zich in zijn stukken ook te bedienen van “scherpe” bewoordingen.Ter adstructie daarvan citeert het Tuchtcollege uit de van klager afkomstige pleitnota d.d. 5 april 2019 in de zaak G.R. [no.1] hetwelk door klager zelf als productie is overgelegd bij zijn klacht. In sustenu 3 heeft klager het over “misleiding”, arglist, bedrog en frauduleuze gepleegde handelingen. In sustenu 8 heeft klager het over “verdonkeremanen”. Al het voorgaande leidt in de visie van het Tuchtcollege tot de slotsom dat hoewel de verweerder zich in elk geval niet vleiend over klager heeft uitgelaten in de gewisselde stukken hetzelfde ook geldt voor klager die zich in de gewisselde stukken niet onbetuigd heeft gelaten. Uiteraard kunnen de vonken ervan af springen in de felheid van de rechtsstrijd maar dienen partijen zich bij hun woordkeus toch te houden aan de gangbare regels van moraal en fatsoen. In dit concreet geval zijn – naar het oordeel van het Tuchtcollege – beide partijen de grenzen van het ontoelaatbare dicht genaderd maar is het niet gebleken dat zij de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden. De woordkeus van klager en verweerder in de gewisselde stukken verdienen geen “schoonheidsprijs” en kan het Tuchtcollege zich enigszins voorstellen dat partijen zich daar over en weer niet prettig bij voelen maar uiteindelijk hebben zij daar zelf voor gekozen en dienen zij te beseffen dat elke actie een reactie oplevert. In dit kader lijkt het dienstig om op te merken dat aan verweerder als professionele rechtsbijstandverlener toch wel hoge eisen worden gesteld qua uitdrukkingsvaardigheid in woord en geschrift. Hoewel verweerder – zoals hiervoor aangegeven – naar het oordeel van het Tuchtcollege de grenzen van het toelaatbare niet heeft overschreden lijkt het gepast om een waarschuwend signaal te geven in de richting van verweerder als professionele rechtsbijstandverlener aangezien verweerder met de gebezigde woordkeus toch wel de contouren van de grenzen van het ontoelaatbare zichtbaar heeft doen worden.

4.4. In de visie van het Tuchtcollege is uit het ingesteld onderzoek ter zitting na hoor en wederhoor niet gebleken dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld jegens klager door het bezigen van de gewraakte bewoordingen in de gewisselde processtukken. De klacht tegen verweerder is derhalve ongegrond gebleken.

4.5. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig en zal dat achterwege laten.

5. De beslissing

Het Tuchtcollege:
Verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 juli 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen
w.g

De voorzitter,
mr. A. Charan
w.g.

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

SRU-ATC-2020-5

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

Naar aanleiding van de klacht in de zaken 19/22 en 19/23 van:

[naam],
klaagster,
procederend in persoon;

tegen

A. [verweerder sub A],
B. [verweerder sub B]
advocaten tegen wie de klacht is ingediend,
verweerders,
procederend in persoon;

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 23 april 2019 een klacht met bijbehorende producties ingediend tegen verweerder bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft de klacht op 07 mei 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van dinsdag 30 juli 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 De conclusies tot uitlating aan de zijde van klaagster enerzijds en de verweerders anderzijds.

1.5 De beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klaagster is op 06 januari 2017, met ingang van 1 januari 2017, een dienstverleningsovereenkomst (hierna de overeenkomst) aangegaan met [N.V.] (hierna de N.V.) handelende onder naam [bedrijfsnaam].

2.2 Verweerders A en B hebben de functie van algemeen directeur respectievelijk financieel directeur van de N.V.

2.3 Artikel 7 van de overeenkomst bepaalt – zover van belang – het volgende:
“7.1 Beide partijen zijn bevoegd de overeenkomst te beëindigen middels opzegging, zoals bepaald in artikel 3 van de overeenkomst…..
7.3 De opdrachtnemer (lees klaagster) ziet gedurende de opzegtermijn erop toe dat de lopende opdrachten die bij haar in uitvoering zijn vóór de einddatum zoveel mogelijk worden voltooid op de voor de opdrachtgever gebruikelijke wijze.
7.4 De niet voltooide c.q. nog te voltooien opdrachten zullen gedurende de opzegtermijn door de opdrachtnemer aan een andere door de opdrachtgever aangewezen opdrachtnemer c.q. advocaat-werknemer aan de opdrachtgever verbonden, worden overgedragen op de voor de opdrachtgever gebruikelijke wijze.
7.5 In de opdrachten waarin nog te verrichten werkzaamheden door de cliënt reeds is betaald en/of waarin voor reeds verrichte werkzaamheden nog door de cliënt moet worden betaald, zullen over de vergoeding tussen opdrachtnemer en de andere door de opdrachtgever aangewezen opdrachtnemer c.q. advocaat-werknemer afspraken worden gemaakt. …….”.

2.4 Op 18 mei 2018 is de betreffende overeenkomst op verzoek van klaagster beëindigd en heeft zij sinds 01 juni 2018 een zelfstandige praktijk.

2.5 Bij haar vertrek heeft klaagster dossiers overgedragen aan de N.V. Tussen klaagster en de N.V. heeft nog geen financiële afrekening plaatsgevonden van door haar overgedragen dossiers.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat de verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in art. 37 Advocatenwet.
Klaagster stelt daartoe dat verweerders zich onvoldoende hebben ingespannen om met klaagster tot een voortvarende financiële afhandeling van de door haar overgedragen dossiers over te gaan, ondanks herhaalde verzoeken – zowel mondeling als schriftelijk – harerzijds daartoe. Volgens klaagster hebben verweerders door hun handelswijze, haar geduld onnodig op de proef gesteld. Daarnaast getuigt de houding van verweerders niet van respect c.q. collegialiteit, welke advocaten onderling jegens elkaar in acht behoren te nemen.

3.2 Verweerders hebben verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 De zaken bekend onder nummers 19/22 en 19/23 zullen vanwege hun verwevenheid gevoegd worden behandeld, één en ander zoals reeds uit de kop van de beslissing blijkt.

4.2 Verweerders voeren primair aan dat de onderhavige kwestie niet valt onder de sfeer van het tuchtrecht voor advocaten.
Volgens hen regardeert de klacht de uitvoering van de overeenkomst tussen klaagster en de N.V. Verweerder A is in de verhouding tussen klaagster en de N.V. slechts als algemeen directeur van de N.V. opgetreden. Van enig handelen uit hoofde van zijn bevoegdheden en verplichtingen zoals bedoeld in de Advocatenwet en de Ere regelen voor Advocaten in Suriname is in deze geen sprake. Door de kwestie aan het Tuchtcollege voor te leggen maakt klaagster misbruik van het voor advocaten geldende tuchtrecht. Verweerders concluderen op grond van het voorgaande tot niet ontvankelijk verklaring van klaagster.

4.2.1 Het Tuchtcollege stelt voorop dat ingevolge hoofdregel I onder a van de Ere regelen voor de Advocaten in Suriname, iedere advocaat, dus ook verweerders, in en buiten de uitoefening van het beroep moet nalaten iets te doen wat zijn stand zou kunnen schaden. Hieruit volgt dat verweerders niet alleen bij de uitoefening van hun beroep maar ook buiten de uitoefening van het beroep, moeten nalaten iets te doen wat het beroep zou kunnen schaden.
Dat verweerders bestuurders zijn van de N.V. en in die hoedanigheid een relatie hadden met klaagster, betekent dus niet dat zij daarom niet kunnen worden aangesproken op grond van de advocatenwet. Immers zijn zij naast bestuurders van de N.V. ook nog advocaat.
Nu verweerders advocaten zijn, en klaagster zich – naar het Tuchtcollege begrijpt – erop beroept dat zij in strijd hebben gehandeld met de zorg die zij als advocaat behoorden te betrachten jegens haar, is klaagster ontvankelijk in haar verzoek. Het ter zake door verweerders gevoerde verweer zal daarom worden verworpen.

4.3 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerders verwijtbaar zijn ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorden te betrachten jegens klaagster.
Verweerders voeren – zakelijk weergegeven – aan dat uit de tussen de N.V. en klaagster gesloten overeenkomst, met name het bepaalde bij art. 7.4 en 7.5, voortvloeit dat klaagster afspraken diende te maken met de andere aan de N.V. verbonden advocaten die de dienstverlening in de door klaagster overgedragen dossiers hebben voortgezet c.q. voortzetten. De afspraken zullen moeten aangeven hoe beide dienstverleners (de vertrekkende en de overnemende) het aan hen in elk overgedragen dossier toekomende gedeelte van het door de cliënt aan de N.V. betaalde honorarium onderling zullen verdelen. Zolang die afspraken niet zijn gemaakt, is de N.V. op geen enkele wijze bevoegd klaagster enige uitkering te doen uitbetalen die uit hoofde van de desbetreffende dossiers mochten zijn gedaan aan de N.V. Uitkeringen kunnen pas aan haar worden gedaan indien klaagster met de overnemende opdrachtnemers afspraken heeft gemaakt over het aandeel van elke opdrachtnemer (vertrekkende en overnemende) in relatie tot het aan hen gezamenlijk toekomende gedeelte van een overeengekomen honorarium en het desbetreffende honorarium ook door de N.V. is ontvangen.

4.4 Ingevolge hoofdregel II onderdeel 5a van de Ere-regelen, dient tussen advocaten een verhouding te bestaan van onderlinge welwillendheid en onderling vertrouwen.
Vaststaat dat de door klaagster gewenste financiële afhandeling niet heeft plaatsgevonden. Het Tuchtcollege is echter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat zulks te wijten zou zijn aan onwelwillendheid van verweerders. Immers is door verweerder A, weliswaar ietwat verlaat, tot twee keer toe een concreet aanbod gedaan, te weten op 07 juni 2019 en 23 augustus 2019, om de onderhavige kwestie te bespreken, terwijl klaagster geen gebruik heeft gemaakt van dit aanbod. De reden van klaagster dat zij niet is ingegaan op het aanbod omdat zij de klacht reeds had ingediend, acht het Tuchtcollege niet valide. Immers, ook van klaagster mocht worden verwacht dat zij naar haar collega (verweerder A) toe een houding van welwillendheid etaleerde, en dus het aanbod accepteerde. Daarbij neemt het tuchtcollege ook in overweging dat eerst klaagster in gebreke is geweest door niet te voldoen aan haar verplichtingen voortvloeiende uit artikel 7.4 van de overeenkomst.
Ingevolge dat artikel diende klaagster binnen de opzegtermijn de niet voltooide c.q. nog te voltooien opdrachten aan een andere door de opdrachtgever aangewezen opdrachtnemer c.q. advocaat-werknemer, over te dragen. Dit heeft klaagster niet gedaan om haar moverende redenen, evenwel met instemming van verweerder A.
Dat klaagster geïrriteerd raakte en het gevoel had dat ze “aan het lijntje” werd gehouden is begrijpelijk omdat ze herhaaldelijk – minimaal 4 keren – heeft gevraagd voor de financiële afhandeling zonder het gewenste resultaat. De houding van verweerders om na herhaaldelijke verzoeken van klaagster, niet een concrete afspraak met haar te maken maar daarmee te wachten totdat de klacht was ingediend, verdient naar het oordeel van het Tuchtcollege geen schoonheidsprijs. Het verweer van verweerder B dat klaagster hem niet heeft benaderd, doet aan het voorgaande niets af. Als financieel directeur van de N.V., mocht van hem worden verwacht dat hij op de hoogte was van de ontwikkelingen tussen klaagster en de N.V. Evenwel kan hieruit niet worden geconcludeerd dat verweerders verwijtbaar zijn ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaten behoorde te betrachten jegens klaagster.
Alhoewel er sprake is van een overeenkomst tussen klaagster en de N.V., verdient het naar het oordeel van het Tuchtcollege wel aanbeveling om – ondanks de wrijvingen tussen klaagster en verweerders – de financiële afhandeling als “goede” collega’s met elkaar af te wikkelen, en dit niet bewust aan te sturen op een civiele vordering. Deze aanbeveling ligt in de lijn van het eerder door verweerder A gedane aanbod om deze kwestie af te handelen door middel van een afspraak bij hem op kantoor.

4.5 Op grond van het voren overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het Tuchtcollege de klacht ongegrond.

4.6 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerders ongegrond.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, plv. voorzitter, mr. S. Sheombar en mr. J.R. Wouter, leden, en door de plv. voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 10 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De plv. voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
mr. S. Sheombar
mr. J.R. Wouter

SRU-ATC-2020-4

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/02
Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op
07 februari 2020 heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 mei 2020.
Klager heeft producties overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald
op 26 juni 2020 doch nader op heden.

2. De feiten
2.1. Klager heeft schriftelijk een tuchtklacht tegen [advocaat] ingediend bij verweerder in de periode toen laatstgenoemde de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten was.

3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

3.2.Klager stelt -zakelijk weergegeven- dat verweerder twee aanbiedingsbrieven in de tuchtklacht genoemd in 2.1. naar het Tuchtcollege heeft verzonden waarvan de inhoud met betrekking tot de reden waarom de klacht is doorgestuurd naar het Tuchtcollege niet op waarheid berust.
Klager stelt voorts dat verweerder de eerste aanbiedingsbrief niet heeft ingetrokken en de tweede aanbiedingsbrief is geantidateerd. Volgens klager riekt het voorgaande naar fraude en heeft verweerder in strijd gehandeld met alle beginselen van een goede procesorde, het procesreglement en met de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname ex. artikelen 13, 15 en 26.
Klager stelt verder dat verweerder de Advocatenwet heeft vertrapt aangezien verweerder zich onbereikbaar, weigerachtig en onbereidwillig heeft opgesteld naar klager toe. Volgens klager heeft verweerder zijn beroepsethiek veronachtzaamd en heeft verweerder inbreuk gepleegd op de waardigheid, de rechtschapenheid en de kiesheid.
Kortom klager beklaagt zich over het leugenachtig, neerbuigend, onfatsoenlijk en afkeurenswaardig gedrag van verweerder.

3.3. Klager verzoekt derhalve dat verweerder:
– tuchtrechtelijk wordt veroordeeld en schriftelijk wordt verwezen naar zijn plichtethiek;
– schriftelijk zijn excuses aanbiedt aan klager, zulks onder betaling van een dwangsom van SRD 50.000,= (Vijftig Duizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag, uur en minuut dat verweerder niet aan hetgeen is gevorderd mocht meewerken.

3.4. Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1.Ter beoordeling ligt de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2. Allereerst dient het Tuchtcollege te beoordelen of klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Verweerder heeft primair aangevoerd dat hij niet rechtstreeks betrokken is geweest als advocaat van klager in de zin van artikel 37 AW, zodat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht. Verweerder voert verder aan dat hij klager in zijn hoedanigheid van Deken voldoende heeft bijgestaan bij het doorgeleiden van zijn tuchtklacht en heeft hij ingevolge de artikelen 40, 41 en 42 AW aan zijn verplichtingen als Deken voldaan.
Volgens verweerder heeft hij getracht te bemiddelen tussen klager en [advocaat], de advocaat tegen wie de klacht is ingediend, doch is er hiervan niets terecht gekomen daar laatstgenoemde te kennen heeft gegeven dat de klacht doorgestuurd moet worden naar het Tuchtcollege. Verweerder heeft vervolgens de tuchtklacht doorgestuurd naar het Tuchtcollege.

4.3.Ten aanzien van de vraag of klager kan worden ontvangen in zijn klacht, overweegt het Tuchtcollege als volgt:
Het Tuchtcollege stelt voorop dat het geregelde tuchtrecht in artikel 37 AW en volgende blijkens de memorie van toelichting op de Advocatenwet betrekking heeft op gedragingen van advocaten “als zodanig” en het beoogt het algemeen belang met het waarborgen van een behoorlijke beroepsuitoefening te dienen. De advocaat die zijn taak als Deken uitoefent is in de visie van het Tuchtcollege niet werkzaam in zijn hoedanigheid van advocaat van een procespartij.
In dit geval betreft het dus een klacht tegen de Deken qualitate qua. Aan de klacht legt klager ten grondslag hetgeen hiervoor is weergegeven onder 3.2. In de artikelen 40, 41, 42 en 43 AW zijn de taken en bevoegdheden van de Deken in het kader van de Tuchtrechtspraak aangegeven. Door de klager is niet gesteld en evenmin is uit de behandeling gebleken dat verweerder in strijd met het bepaalde in voormelde wetsartikelen zou hebben gehandeld. Nu vorenvermelde wetsartikelen de actieradius van de Advocatenwet met betrekking tot het functioneren van de Deken qualitate qua omlijnen en klager de grondslag van zijn klacht niet daarop heeft gebaseerd, dient de klager – in de visie van het Tuchtcollege – niet ontvankelijk te worden verklaard.

4.4. Voor zover klager bedoelt dat verweerder tuchtrechtelijk aansprakelijk is ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, heeft hij in de visie van het Tuchtcollege volstaan met kwalificaties aan te geven. Deze kwalificaties zijn niet feitelijk onderbouwd door klager zodat het Tuchtcollege niet in staat is om dat te toetsen

4.5. Aan de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Tuchtcollege niet toe.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F.Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 juli 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
w.g.
mr. M.S.Wesenhagen

De voorzitter,
w.g.
mr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

SRU-RC-2019-6

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 27 december 2018, door mr.R.R. Lobo, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 13 december 2018 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 426;427;429 en 430 van het Wetboek van Strafrecht;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. S.J. Bradley, gegeven d.d. 20 december 2018, waarbij de inverzekeringstelling van de verzoeker/ verdachte voornoemd rechtmatig is verklaard;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 18 december 2018 en ingaande op 20 december 2018;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van onderhavig verzoekschrift op 7 januari 2019;

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr.R. Lobo;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. B. Tjin Liep Shie;

1. Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu in de periode van verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op het bepaalde in artikel 54a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering ( Sv).

2. De relevante feiten

  • verzoeker/ verdachte zijn inverzekeringstelling is verlengd per ingaande 20 december 2018 voor de duur van dertig dagen;
  • de raadsman van verdachte mr. S. Dulam heeft op dezelfde dag (20 december 2018) een verzoek tot invrijheidstelling ingediend op grond van art.54a lid 1 Sv ( bij beschikking van de RC van 24 december 2018 is het verzoek afgewezen);
  • vervolgens heeft de raadsman van de verdachte mr. R. Lobo op 27 december 2018 wederom een verzoek tot invrijheidstelling op grond van art. 54a lid 1 Sv ingediend.

Beoordeling
De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt: “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling om zijn invrijheidstelling verzoeken”

Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz. [naam] en HvJ 4 december 2009 inz. [naam 2]) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv. Immers, kan het nimmer de bedoeling zijn geweest om rechten of waarborgen van de verdachte, te beperken tot slechts de eerste fase van de inverzekeringstelling.

In het onderhavige is er sprake van tijdens de verlenging van de inverzekeringstelling meerdere verzoeken tot invrijheidstelling doen op grond van artikel 54a lid 1 Sv.De Rechter-Commissaris is van oordeel dat:

  1. uit de wetstekst en haar memorie van toelichting niet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was naast de mogelijkheid om gedurende periode van de inverzekeringstelling een tweede of meerdere toetsmomenten mogelijk te maken;
  2. voorts dat in lijn met de genoemde beschikkingen van het Hof van Justitie evenmin is gebleken van de mogelijkheid om tijdens de verlenging van de inverzekeringstelling een tweede of meerdere toetsmomenten mogelijk te maken.

Het onderhavig verzoek tot invrijheidstelling zal daarom beschouwd moeten worden als een verzoek die buiten de sfeer van art. 54a Sv valt en dus niet op de wet gestoeld is. Verzoeker/verdachte zal daarom niet- ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn verzoek.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven te Paramaribo 11 januari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. CHANDER-ROEPA.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.J.CHANDER-ROEPAmr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-ATC-2020-3

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 20/04

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege
naar aanleiding van de klacht van:

[naam A],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam B],
verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief door het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege) ontvangen op
07 februari 2020 heeft de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht ter kennis van het Tuchtcollege gebracht.

1.2. De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 mei 2020.
Klager heeft producties overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.3. De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing was hierna aanvankelijk bepaald
op 26 juni 2020 doch nader op heden.

2. De feiten
2.1. Klager is de CEO van de [Stichting].

2.2. Verweerster heeft [Stichting] juridisch bijgestaan in rechtsprocessen.

2.3. Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager, mw [naam], juridisch bijgestaan in een rechtszaak inzake scheiding en deling na ontbinding van het huwelijk tussen klager en mw. [naam] voornoemd.

3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht houdt -zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

3.2. Klager stelt -zakelijk weergegeven- dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling aangezien zij zaken heeft gedaan voor de [Stichting], waarvan klager en zijn ex-vrouw de enige aandeelhouders waren en tegelijkertijd heeft verweerster ook de zaak betreffende scheiding en deling voor zijn ex-vrouw gedaan. Volgens klager heeft verweerster kennis gedragen van de financiën van zowel klager als zijn ex-vrouw en die informatie gebruikt in de zaak betreffende scheiding en deling hetwelk door verweerster namens zijn ex-vrouw aanhangig was gemaakt.
Voorts stelt klager dat verweerster zich op een zeer onfatsoenlijke en afkeurenswaardige wijze heeft gedragen naar hem toe bij het opvragen van zijn dossier. Volgens klager heeft hij sinds 2010 en wederom op 28 maart 2019 het dossier opgevraagd bij verweerster en uiteindelijk mocht hij het dossier op 21 juni 2019 bij verweerster ophalen, waarbij hij op een stuk voor ontvangst moest tekenen voor de aan hem afgegeven documenten. Volgens klager heeft verweerster in voornoemd stuk vermeld: “Ik heb nimmer als (proces)gemachtigde van u, [klager], opgetreden in een zaak.” Klager die het niet eens is met deze zinsnede heeft toen onder het stuk geschreven: “Ik persisteer niet eens te zijn met deze zinsnede en teken alleen voor ontvangst van de overeengekomen en vermelde stukken.” Volgens klager blijkt achteraf dat hij een incompleet dossier heeft ontvangen van verweerster.
Verder stelt klager dat hij tijdens een telefoongesprek d.d. 14 mei 2019 met de volgende denigrerende woorden door verweerster werd bejegend: “Iemand zoals jij” en “Ik heb meer verstand dan u.”
Volgens klager heeft verweerster in deze haar beroepsethiek veronachtzaamd en inbreuk gepleegd op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid.

3.3. Klager verzoekt derhalve dat verweerster:
– schriftelijk haar verontschuldigingen aanbiedt aan klager en een dwangsom van SRD 50.000,= (Vijftig Duizend Surinaamse Dollar) wordt opgelegd voor iedere dag, uur en minuut indien verweerster zou weigeren zulks te doen;
– de nodige berisping en tuchtrechtelijke maatregelen worden opgelegd.

3.4. Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1.Ter beoordeling ligt de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

4.2.Verweerster voert -zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
Verweerster voert aan dat zij de [Stichting] juridisch heeft bijgestaan in rechtsprocessen en niet klager in privé. Verweerster voert verder aan dat zij niet wist of kon weten dat klager en zijn ex-vrouw aandeelhouders waren van de [Stichting]. Volgens verweerster staat in het uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken niets vermeld over aandeelhouderschap en heeft zij nimmer inzage gehad in de privé-rekening van klager.
Verweerster weerspreekt dat er sprake is van belangenverstrengeling door het verlenen van juridische bijstand aan de ex-echtgenote van klager, aangezien zij klager niet in persoon heeft bijgestaan in de rechtszaken. Verweerster voert aan dat zij de ex-echtgenote van klager heeft bijgestaan in een scheiding en deling na ontbinding van het huwelijk tussen haar en klager en dat zij nimmer betrokken is geweest als gemachtigde in de echtscheidingszaak.
Volgens verweerster heeft zij nimmer geweigerd om klager zijn dossier terug te geven en heeft de afgifte van het dossier aan verweerder langer geduurd, aangezien het om een lijvig dossier gaat en de administratieve verwerking van de stukken veel tijd in beslag heeft genomen. Volgens verweerster heeft zij bij de afgifte van het dossier klager laten tekenen voor ontvangst en heeft klager toen nimmer aangegeven dat bepaalde stukken ontbreken, terwijl hij het dossier wel minutieus heeft geïnventariseerd.
Verweerster ontkent niet dat zij in conversaties met klager scherpe woorden heeft gebruikt. Volgens verweerster benadert klager haar op een bepaalde manier waarvan zij niet gediend is.

4.3. Het Tuchtcollege stelt bij de beoordeling voorop dat ingevolge de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname de advocaat verplicht is in de uitoefening van het beroep de hem toevertrouwde belangen te verdedigen naar eer en geweten en zoals de eisen ener goede rechtsbedeling hem dat voorschrijven en daarbij steeds de goede trouw in acht te nemen.
Naar het oordeel van het Tuchtcollege is het de advocaat in beginsel niet toegestaan om tegen een cliënt of een voormalige cliënt van hem/haar in rechte op te treden. De advocaat dient zich niet in een situatie te begeven waardoor hij/zij in een belangenconflict met zijn (voormalige) cliënt geraakt, terwijl voorts de (voormalige) cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie toevertrouwd aan zijn advocaat niet tegen hem kan worden gebruikt in een opvolgende procedure.

4.4. Het Tuchtcollege is van oordeel dat uit de aan haar gepresenteerde feiten in deze zaak niet is gebleken dat klager in privé is aan te merken als een (voormalige) cliënt van verweerster. Nu klager in privé niet kan worden aangemerkt als een (voormalige) cliënt van verweerster is van belangenverstrengeling ook geen sprake. Klager heeft evenmin bewijs aangedragen waaruit zou moeten blijken dat verweerster kennis droeg van de financiële gegevens van klager in privé en daarvan gebruik gemaakt in de zaak van de ex-vrouw van klager. Verder dan het uitspreken van vermoedens is klager in de visie van het Tuchtcollege niet gekomen. De daartoe strekkende grondslag van de klacht zal derhalve worden verworpen.

4.5. Het Tuchtcollege komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat uit de inhoud van de overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster onbetamelijk heeft gehandeld jegens klager. Dat er scherpe bewoordingen zijn gebezigd tijdens conversaties door verweerster jegens klager doen aan voorgaande vaststelling niet af, aangezien verweerster de context daarvan bij de behandeling van de klacht heeft geschetst. Van het verzaken van haar plichtethiek zoals klager heeft aangevoerd is daarbij niet gebleken.
Van enig gegrond tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerster is dus niet gebleken, zodat de klacht tegen verweerster ongegrond zal worden verklaard.

4.6. Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr.A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 juli 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
w.g.
mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
w.g.
mr. A. Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
w.g.
mr. G. Ramai-Badal
w.g.

SRU-ATC-2019-1

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/06

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam A],
klager,
procederend in persoon,

tegen

[naam B],
verweerster,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 04 februari 2019 een schrijven met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft op 22 februari 2019 bovenvermeld schrijven met bijbehorende producties van klager ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 26 juli 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

2. De feiten
2.1 Klager is verwikkeld in rechtsprocessen inzake de nalatenschap van wijlen zijn ouders en wordt juridisch bijgestaan door zijn procesgemachtigde, mr. S. Mangroelal.

2.2 Verweerster treedt als procesgemachtigde op voor één der erfgenamen van de overleden ouders, te weten: [naam].

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klager stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerster met de door haar gebezigde woordkeus in haar verzoekschriften en conclusies tot uitlating, hem en zijn echtgenote, nu wijlen, consequent onterecht heeft gecriminaliseerd, beklad, beledigd en geïntimideerd. Volgens klager is dit reeds begonnen in het verzoekschrift tot beslaglegging waarbij onder andere is aangegeven: “gegronde vrees voor verduistering”. Volgens klager komen de beslagstukken terecht in handen van derden.
Voorts stelt klager dat hij de woordkeus in enkele passages van verweerster ervaart als een criminele bejegening. Verder is klager het oneens met de mening van verweerster dat het verslag d.d 09 juni 2014 dat door hem is opgemaakt ongeloofwaardig is en verzoekt het Tuchtcollege om een oordeel hierover te geven.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager.

4.2 Verweerster voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerster namens haar cliënt ingediende verzoekschriften en conclusies tot uitlating bevat de informatie van haar cliënt en is geen uitdrukking van haar mening. De gebezigde woorden: “gegronde vrees voor verduistering” zijn volgens verweerster niet bedoeld om klager te criminaliseren, maar zijn een passage uit artikel 591 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verweerster ontkent dat zij klager onterecht heeft gecriminaliseerd, beklad, beledigd en geïntimideerd.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd het bewijs van de door verweerster gedane stellingen in haar conclusies en overgelegde gedingstukken moet beoordelen en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.
Het Tuchtcollege gaat ervan uit dat klager een verduidelijking van de door verweerster gebezigde bewoordingen kon hebben besproken met zijn procesgemachtigde.
Het Tuchtcollege is van oordeel dat de advocaat de belangen van zijn/haar cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn/haar cliënt hem/haar verschaft en dat de advocaat in beginsel mag afgaan op de juistheid daarvan. De advocaat behoeft in beginsel niet af te wegen of het voordeel dat hij/zij voor zijn/haar cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij/zij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij/zij daarmee aan de wederpartij toebrengt.
Uiteraard dient de advocaat zich daarbij niet onnodig grievend casu quo krenkend uit te laten en dienen de Ere-regelen in acht te worden genomen. Met het bezigen van de wettelijke terminologie in de gedingstukken heeft verweerster in casu in de visie van het Tuchtcollege de grens van het toelaatbare niet overschreden.
Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster door de gebezigde stellingen niet correct heeft gehandeld jegens klager.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerster is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerster ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:
5.1 verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. G. Ramai-Badal en mr. J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 25 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A.Charan

De leden,
mr. G. Ramai-Badal
mr. J.R. Wouter

SRU-ATC-2020-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE
no. 19/20

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[naam 1],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[naam 2],
verweerder,
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
procederend in persoon,

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft een schrijven gedateerd 06 juni 2018 ingediend bij de Wnd. President van het Hof van Justitie, mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, en heeft een kopie van voornoemd schrijven naar onder andere de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) gestuurd.

1.2 De Deken heeft op 14 maart 2019 bovenvermeld schrijven van klaagster ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het Tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het Tuchtcollege van vrijdag 22 november 2019. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt door de secretaris, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Klaagster is procespartij in de gedingen die verweerder namens zijn cliënt tegen klaagster heeft ingesteld.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).

Klaagster stelt – zakelijk weergegeven– dat verweerder herhaaldelijk dezelfde vordering bij dezelfde instantie tegen haar instelt, terwijl er reeds vonnis is gewezen in de zaak dat in het voordeel van haar is uitgesproken. Volgens klaagster maakt verweerder misbruik van procesrecht. Voorts stelt klaagster dat verweerder zich onbetamelijk naar haar toe heeft gedragen, aangezien hij een dreigbrief voor haar had opgestuurd om de woning waarin zij verblijft te ontruimen en had hij haar een keer gebeld met een bepaalde toon in zijn stem.

3.2 Verweerder heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens klaagster.

4.2 Verweerder voert – zakelijk weergegeven – het volgende verweer.
De door verweerder namens zijn cliënt ingediende vordering betreft een ontruimingsvordering. Verweerder heeft namens zijn cliënt in bodemprocedure een vordering aanhangig gemaakt jegens klaagster en vervolgens heeft hij op grond van andere gronden in kort geding een vordering tegen haar ingesteld. Volgens verweerder heeft hij klaagster slechts één keer gebeld om haar uit te nodigen voor een gesprek op zijn kantoor en is de brief die klaagster een dreigbrief noemt een aanmaningsbrief. Verweerder voert aan dat hij klaagster voldoende tijd heeft gegeven om de woning te ontruimen en heeft hij gewoon zijn regulier werk gedaan. Verweerder betwist dat hij zich onbetamelijk heeft gedragen jegens klaagster.

4.3 Het Tuchtcollege is van oordeel dat de rechter aan wie het geschil tussen de procespartijen is voorgelegd zal uitmaken of er sprake is van misbruik van procesrecht wegens het herhaaldelijk instellen van dezelfde vordering en dat zulks niet ter beoordeling is van het Tuchtcollege.
Conform Ere-regel nummer 25 dient een advocaat zich steeds in gepaste termen uit te laten en alles te vermijden wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. Nu klaagster de brief die zij van verweerder heeft ontvangen en als bedreigend heeft ervaren niet heeft overgelegd, kan het Tuchtcollege niet beoordelen of verweerder zich op een dergelijke wijze heeft uitgelaten jegens klaagster. Het Tuchtcollege heeft evenwel acht geslagen op de inhoud van een brief d.d. 14 januari 2014 waarvan klaagster heeft aangegeven dat het weliswaar een andere brief is maar dat de inhoud min of meer hetzelfde is. Naar het oordeel van het Tuchtcollege verdient de inhoud van de brief de kwalificatie van een reguliere aanmaning en kan niet worden gekwalificeerd als een “dreigbrief”. Met betrekking tot de door verweerder gebezigde toon bij een gevoerd telefoongesprek met klaagster komt het Tuchtcollege tot de slotsom dat dat – na weerspreking door verweerder – onvoldoende aannemelijk is gemaakt door klaagster.
Het Tuchtcollege komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor niet in rechte is komen vast te staan dat verweerder incorrect heeft gehandeld jegens klaagster.
Van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van verweerder is er dus geen sprake, zodat de klacht tegen verweerder ongegrond zal worden verklaard.

4.4 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege verklaart de klacht tegen verweerder ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, voorzitter, mr. R.M.F. Oemar en mr. G. Ramai-Badal, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 24 januari 2020 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
mr. M.S.Wesenhagen

De voorzitter,
mr. A.Charan

De leden,
mr. R.M.F. Oemar
mr. G. Ramai-Badal

SRU-RC-2019-5

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 19 februari 2019, door
mr.F.F.P. Truideman, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 17 januari 2019 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 188 van het Wetboek van Strafrecht, art. 3 lid 1a en B Sub A, B en C jo art. 11 jo art. 12 Wet Verdovende Middelen;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 22 januari 2019 en ingaande op 24 januari 2019;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, gegeven d.d. 18 februari 2019, waarbij de bewaring van de verzoeker/ verdachte voornoemd is bevolen per ingaande 23 februari 2019;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van de opening van het GVO en de behandeling van de vordering inbewaringstelling d. 14 februari 2019;

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr. F.F.P. Truideman;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. R.Elgin;

Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat, op de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris is beslist dat de vrijheidsbeneming moet voortduren in verband met het GVO.Aangezien de rechtelijke toetsing van de vrijheidsbeneming reeds heeft plaatsgevonden moet verzoeker naar de mening van de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard in diens verzoek tot invrijheidstelling.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat:

  • verzoeker / verdachte thans verlengd in verzekering is gesteld;
  • de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte per ingaande 23 februari 2019 een aanvang zal hebben;
    Om die redenen staat naar de mening van de raadsman voor verzoeker/ verdachte op grond van art. 54a Sv de mogelijkheid open om in deze periode van de verlenging van de inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling te verzoeken.

Vaststaande feiten

  • op 6 februari 2019 is de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte door de vervolgingsambtenaar gevorderd;
  • op 14 februari 2019 is verzoeker/ verdachte geleid voor de rechter-commissaris in verband met de opening van het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO);
  • de vordering tot inbewaringstelling is vervolgens in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld;
  • verzoeker/verdachte is in het kader van de gevorderde bewaring met bijstand van zijn raadslieden Bsc. I.D. Kanhai, mrs. F.F.P. Truideman en C. Rambaros gehoord;
  • bij beschikking d.d. 18 februari 2019 is ten aanzien van verzoeker/verdachte het bevel bewaring voor de tijd van dertig dagen per ingaande 23 februari 2019 gegeven.

De beoordeling
Aan de orde is de vraag of verzoeker/verdachte onder de boven aangehaalde omstandigheden om zijn invrijheidstelling kan vragen op grond van art. 54a Sv?

  1. De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt- voorzover van belang- : “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken.”Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz Bharos S. en HvJ 4 december 2009 inz. Koendjbiharie L.) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om ook in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv.
  2. 54a Sv waarborgt het recht van de verdachte om gedurende de verlenging van de inverzekeringstelling eenmaal een beroep te doen op rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming. Derhalve is het begrijpelijk dat die verzochte rechtelijke toetsing alleen kan plaatsvinden voordat een rechtelijke toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de bewaring van en/ of het GVO tegen een verdachte.
  3. In het onderhavige is de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld en kon daarbij over de noodzaak van voorlopige hechtenis worden geoordeeld omdat, aanstonds duidelijk was dat:
  • de vrijheidsbeneming moest voortduren in verband met het GVO;
  • het ook uit oogpunt van doelmatigheid gewenst was de vordering zoveel mogelijk simultaan met de opening van het GVO te behandelen;
    Met deze aanpak is tevens voorkomen dat de verzoeker/verdachte binnen een periode van enkele dagen tweemaal voor de rechter-commissaris moest worden geleid: eerst in verband met de opening van het GVO, en vervolgens opnieuw in verband met de behandeling van de vordering inbewaringstelling.

4. De rechtelijke toetsing van verzoeker/ verdachte zijn vrijheidsbeneming in het kader van het GVO en de gevorderde bewaring hebben plaatsgevonden op 14 februari 2019. Hierna deed de verzoeker/ verdachte op 19 februari 2019 op grond van art. 54a Sv een verzoek tot rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming.
5. Blijkens de strekking en het systeem van de betrekkelijke bepaling heeft de wetgever niet de bedoeling dat de verdachte in verband met de rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming binnen de periode van de (verlengde) inverzekeringstelling tweemaal voor de rechter-commissaris kan worden geleid.

Nu, vaststaat dat de rechtelijke toetsing van verzoeker/verdachte zijn verdere vrijheidsbeneming met het oog op het GVO en de gevorderde bewaring reeds heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019, moet onderhavig verzoek beschouwd worden als één die buiten de sfeer van artikel 54a lid 1 Sv valt en daardoor niet op de wet gestoeld is; dit verzoek zal daarom ook niet- ontvankelijk verklaard moeten worden.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek tot invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 26 februari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de Griffier mr. S.MULLER-BIEKMAN.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.S.MULLER-BIEKMAN
mr. D.G.W. KARAMAT ALI