SRU-HvJ-2019-44

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, ambtenaar op het parket van de Procureur-Generaal,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 09 maart 2012;
  • het verweerschrift met een productie ingediend op 23 april 2012;
  • de beschikking van het hof van 04 juli 2012 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 augustus 2012, welk verhoor is verplaatst naar 05 april 2013;
  • het proces-verbaal van het op 05 april 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 03 mei 2013;
  • de antwoord pleitnota, met producties, overgelegd op 07 juni 2013;
  • de repliek pleitnota d.d. 05 juli 2013;
  • de dupliek pleitnota overgelegd op 02 augustus 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2013, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] was in vaste dienst bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname (hierna: BBS) van het Ministerie van Justitie en Politie in de functie van beveiligingsambtenaar 3e klasse.
2.2 [verzoekster] is op 14 april 2011, op de gronden vermeld in de hierna in 2.6 genoemde beschikking, aangehouden, in verzekering en buiten functie gesteld. Uit deze beschikking blijkt dat [verzoekster] vervolgens is geschorst in haar ambt.
2.3 Bij schrijven d.d. 14 april 2011 is [verzoekster] door het hoofd van BBS aangezegd zich schriftelijk te verweren ter zake van haar aanhouding en inverzekeringstelling.
2.4 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 19 april 2011 verweer gevoerd. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij op 14 april 2011 op het politiestation te Livorno is aangehouden op verdenking van het plegen van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 347 jo. 70, 362 jo. 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en is overgebracht naar het vrouwencellenhuis te Geyersvlijt.
2.5 Bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. 28 juli 2011 [nummer 1] is [verzoekster] ter zake van zware mishandeling (artikel 362 lid 1 Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
2.6 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 10 februari 2012, Bureau [nummer 2] (hierna: de beschikking) is aan [verzoekster] ingevolge artikel 69 lid 2 sub c van de Personeelswet (Pw) wegens plichtsverzuim ontslag uit staatsdienst verleend. In de beschikking is onder meer het volgende overwogen:
“dat de Beveiligingsambtenaar 3e klasse, mevrouw [verzoekster](…) in vaste dienst bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 347 juncto 70 en 189 van het Wetboek van Strafrecht, op 14 april 2011 in verzekering is gesteld;
dat naar aanleiding van het voorgaande, het Hoofd van de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname, dhr. K.S. AJODHIA, bij beschikking van 14 april 2011, mevrouw [verzoekster] voornoemd te rekenen van 14 april 2011 buitenfunctie heeft gesteld;
dat betrokkene middels een beschikking d.d. 27 mei 2011 j.[nummer 3], in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek en een definitieve besluitvorming, op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet is geschorst in haar ambt;
dat uit het verkort vonnis d.d. 28 juli 2011 no. [nummer 1] blijkt dat mevrouw [verzoekster] voornoemd is veroordeelt tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaren.
dat deze handelingen niet in een gedisciplineerde Dienst getolereerd kunnen worden en als plichtsverzuim worden aangemerkt;
dat gelet op de ernst van deze aangelegenheid, het nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.”
2.7 [verzoekster] heeft de beschikking op 05 maart 2012 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I.de beschikking, waarbij haar ontslag uit staatsdienst is verleend, zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard;
II.de Staat zal worden veroordeeld om met toepassing van artikel 79 lid 3 (lees kennelijk: artikel 82 lid 3) Pw, een nieuwe beschikking overeenkomstig het besluit van het hof te nemen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.
3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, naar het hof begrijpt, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. De feiten en omstandigheden die aan haar ontslag ten grondslag hebben gelegen, blijken niet uit het verkort strafvonnis. Het in de beschikking vervatte ontslagbesluit is ondeugdelijk, omdat [verzoekster] niet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren, maar tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met bevel tot gevangenhouding. Verder blijkt uit de beschikking niet dat [verzoekster] in de gelegenheid is gesteld zich ter zake van de opgelegde tuchtstraf of het voornemen daartoe, te verweren. Voorts is in de beschikking slechts rekening gehouden met de ernst van het plichtsverzuim, maar niet met het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van [verzoekster] alsmede met haar persoonlijke en financiële omstandigheden, zoals artikel 44 lid 3 van het Politiehandvest uitdrukkelijk voorschrijft. Dit laatste maakt het ontslagbesluit nietig, zodat de dienstbetrekking voortduurt. [verzoekster] is op grond van artikel 47 van het Politiehandvest gerechtigd om bij het hof nietigverklaring van de beschikking te vorderen, omdat deze niet overeenkomstig de beginselen van het Politiehandvest tot stand is gekomen.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof acht zich gelet op het gevorderde, op grond van artikel 79 lid 1 jo. lid 2 Pw, bevoegd om daarvan kennis te nemen.
4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] tijdig is opgekomen tegen het in de beschikking vervatte ontslagbesluit, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering.
4.3 De Staat heeft ten eerste aangevoerd dat onjuist is de opvatting van [verzoekster] dat het voorwaardelijk deel van de veroordeling, hierboven vermeld in 2.5, in de beschikking moet zijn opgenomen. Weliswaar is dit deel van de veroordeling abusievelijk niet in de beschikking opgenomen, maar dat neemt niet weg dat [verzoekster] door de kantonrechter is veroordeeld en dat het strafvonnis grond voor ontslag oplevert, aldus de Staat.
Het hof deelt de mening van de Staat, in die zin dat vorenbedoelde omissie van de Staat er niet een is die de ondeugdelijkheid van het ontslagbesluit tot gevolg heeft.
4.4 De Staat heeft verder, kort gezegd, aangevoerd dat een beroep op de bepalingen van het Politiehandvest [verzoekster] niet toekomt, omdat deze bepalingen van toepassing zijn op het Korps Politie Suriname en niet op de BBS, alwaar [verzoekster] als ambtenaar heeft gediend.
Naar het oordeel van het hof heeft de Staat het hier bij het rechte eind. Daartoe wordt als volgt overwogen. [verzoekster] gaat ervan uit, gelijk zij bij pleitnota heeft gesteld, dat de BBS een onderdeel van het Korps Politie Suriname is, zulks ten onrechte aangezien de BBS en het Korps Politie Suriname separate dienstonderdelen van het Ministerie van Justitie en Politie zijn. [verzoekster] is geen (politie)ambtenaar geweest in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest op wie de bepalingen van dit handvest van toepassing zijn, maar een beveiligingsambtenaar in de zin van artikel 1 van het Besluit Instructie Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname voor wie, gelijk de Staat heeft aangevoerd, de bepalingen van voormeld besluit gelden. Volgens artikel 8 van dit besluit geschieden de aanstelling, bevordering, schorsing en het ontslag van de beveiligingsambtenaren overeenkomstig de regels van de Personeelswet en artikel 11 van dit besluit bepaalt dat de algemene regelen omtrent de rechtspositie van de landsdienaren mede van toepassing zijn op de beveiligingsambtenaren. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het door [verzoekster] gedaan beroep op artikel 44 lid 3 van het Politiehandvest faalt.
4.5.1 De Staat heeft vervolgens aangevoerd dat hij, anders dan [verzoekster] stelt, wel rekening heeft gehouden met het algemeen gedrag van [verzoekster]. De Staat voert in dit kader verder aan dat [verzoekster] sinds haar indiensttreding onaanvaardbare indisciplinaire gedragingen vertoonde door in de nachtelijke uren in nevenfuncties werkzaamheden uit te oefenen als beveiligingsmedewerkster en uitsmijter in diverse ‘short time’ lokaliteiten, waardoor zij telkens in problemen geraakte. Daarbij is, nadat zij bij proces-verbaal van de politie is gehoord, haar, vanwege de dienst in bruikleen afgestane, vuistvuurwapen ingevorderd, aldus de Staat. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het verhoor van partijen het door de Staat aangevoerde ten aanzien van haar werkzaamheden als beveiligingsmedewerkster en uitsmijter erkend.
4.5.2 [verzoekster] persisteert dat de Staat in de beschikking geen rekening heeft gehouden met haar algemeen gedrag. Zij beroept zich daarbij mede op artikel 63 lid 3 (lees kennelijk: lid 4) Pw. Artikel 63 lid 4 Pw schrijft voor dat bij het opleggen van een tuchtstraf rekening wordt gehouden met de ernst van het plichtsverzuim waaraan de landsdienaar zich schuldig heeft gemaakt, de gevolgen van het plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan en het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van de landsdienaar, alsmede met diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden.
Het hof overweegt dat het aan [verzoekster] verleend ontslag ingevolge het bepaalde in artikel 69 lid 2 sub c Pw, te weten: onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, anders dan de beschikking vermeldt, geen opgelegde tuchtstraf wegens plichtsverzuim betreft, maar ontslag dat anders dan wegens plichtsverzuim aan een ambtenaar kan worden verleend. Zowel [verzoekster] als de Staat hebben dit over het hoofd gezien. Het voorgaande betekent dat [verzoekster], nu van een aan haar opgelegde tuchtstraf wegens plichtsverzuim geen sprake is, geen beroep op artikel 63 lid 4 Pw toekomt.
4.6 [verzoekster] beklaagt zich erover dat uit de beschikking niet blijkt dat het beginsel van hoor en wederhoor en het bepaalde in artikel 63 lid 2 Pw in acht zijn genomen.
Naar het oordeel van het hof staat een beroep op voormelde bepaling, welke voorschrijft dat een tuchtstraf niet wordt opgelegd alvorens de betrokken landsdienaar in de gelegenheid is gesteld zich ter zake mondeling of schriftelijk te verantwoorden, niet voor [verzoekster] open en wel op dezelfde grond als hierboven in 4.5.2 reeds is vermeld ten aanzien van artikel 64 lid 4 Pw. Dit neemt niet weg dat het beginsel van hoor en wederhoor in de visie van het hof ook in acht genomen dient te worden in geval van ontslag anders dan wegens plichtsverzuim zoals waarvan in casu sprake is. Vaststaat dat [verzoekster] ter zake van haar inverzekeringstelling in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren en dat zij zich ook schriftelijk heeft verweerd (zie hierboven in 2.3 en 2.4), zodat de Staat het beginsel van hoor en wederhoor wel in acht heeft genomen. Aan [verzoekster] moet wel worden toegegeven dat zulks niet uit de beschikking blijkt. De vraag is of deze omissie van de Staat de nietigheid van het ontslagbesluit tot gevolg heeft. Op deze vraag zal hieronder in 4.8 nader worden ingegaan.
Voor zover [verzoekster] meent dat zij zowel ter zake van haar aanhouding en inverzekeringstelling als het voorgenomen ontslag in de gelegenheid moest worden gesteld om verweer te voeren, gaat zij uit van een onjuist standpunt. Het hof overweegt daartoe dat dezelfde gedragingen van [verzoekster] die hebben geleid tot haar aanhouding en inverzekeringstelling, door de Staat, zij het op gebrekkige wijze, in de beschikking zijn genoemd als reden voor haar ontslag. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de Staat om [verzoekster] tweemaal, zoals door haar gesteld, in de gelegenheid te stellen verweer te voeren.
4.7 [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen gesteld twee maal voor hetzelfde feit te zijn gestraft. Naar hof begrijpt beklaagt [verzoekster] zich hiermee erover dat haar zowel een gevangenisstraf is opgelegd als ontslag uit staatsdienst is verleend. Het hof overweegt dat het één een strafrechtelijke sanctie betreft en het ander een administratiefrechtelijke, welke beide sancties naast elkaar mogen worden opgelegd.
4.8 [verzoekster] heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel, aangezien het door haar gepleegde feit, volgens haar, het ontslag niet rechtvaardigt. Ten aanzien hiervan wenst het hof aan [verzoekster] mee te geven dat zij, naar het oordeel van het hof, de ernst van de aan haar verweten gedragingen, te weten: zich schuldig te hebben gemaakt aan zware mishandeling waarvoor zij ook door de strafrechter is veroordeeld, zwaar miskent. Hoewel het hof van oordeel is dat de Staat enige nalatigheid kan worden verweten ter zake van de motivering van het ontslagbesluit, zoals onder meer hierboven in 4.5.2 en 4.6 is gebleken, kan dit, gelet op de ernst van voornoemde aan [verzoekster] verweten gedragingen die naar het oordeel van het hof het aan haar verleend ontslag wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid rechtvaardigt, niet leiden tot nietigheid van dit ontslag. [verzoekster] behoorde te weten, althans had zij kunnen weten dat zij op grond van bedoelde gedragingen niet gehandhaafd zou kunnen en moeten worden als beveiligings-ambtenaar. Daarbij komt nog dat [verzoekster], zoals ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen door haar erkend, buiten de dienst om bij haar werkzaamheden als beveiligingsmedewerkster en uitsmijter in een andere dienstbetrekking met een derde gebruik maakte van haar dienstwapen. Hoewel dit laatste niet aan het ontslag ten grondslag is gelegd, kan dit [verzoekster] ook zwaar worden aangerekend. Zij behoorde immers beter te weten.
4.9 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het ontslagbesluit in stand zal worden gehouden, zodat het gevorderde in 3.1 onder I zal worden afgewezen.
4.10 Aangezien het ontslagbesluit gehandhaafd zal blijven, zal het gevorderde in 3.1 onder II eveneens worden afgewezen.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. Drs. M.S.H. Boedhoe namens mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-32

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1069
03 april 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1] te [district 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr.S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres 2] in het [district 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 24 maart 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 maart 2020;
  • de conclusie van antwoord, met productie die per mail is ontvangen op 27 maart 2020 en achteraf in hard copy;
  • de conclusie van repliek die per mail is ontvangen op 30 maart 2020 en achteraf in hard copy;
  • de conclusie van dupliek die per mail is ontvangen op 31 maart 2020 en achteraf in hard copy.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 08 oktober 2018 heeft [gedaagde] een geldbedrag ad USD 710,- van [eiser] geleend. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] het bedrag op uiterlijk 08 november 2018 aan [eiser] zou betalen. [gedaagde] heeft een Mitsubishi pick-up, hierna aangeduid als het voertuig, als zekerheid tot terugbetaling van het hiervoor vermeld bedrag aan [eiser] gegeven.
2.2 [eiser] heeft het voertuig op 07 december 2018 aan een derde verkocht. [gedaagde] heeft een kort gedingzaak, die tussen partijen bekend staat onder
A.R. No. 19-1107, tegen [eiser] ingediend om het voertuig terug te krijgen.
2.3 Op 30 januari 2020 heeft de kantonrechter in kort geding in de hiervoor vermelde zaak tussen partijen vonnis gewezen, hierna gemakshalve aangeduid als het vonnis. De kantonrechter heeft in het vonnis, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt beslist:
“ 4.1 Veroordeelt gedaagde (lees [eiser]) om binnen een week na betekening van dit vonnis het in het verzoekschrift omschreven voertuig aan eiser (lees [gedaagde]) af te geven dan wel over te geven al dan niet tegen ontvangst van het bedrag ad USD 710,- (…).
4.2 Veroordeelt gedaagde (lees [eiser]) tot het betalen van een dwangsom ad SRD 30.000,- (…) per dag voor elke dag dat gedaagde (lees [eiser]) in strijd handelt met dit vonnis.
4.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
(…) “
2.4 [gedaagde] heeft het vonnis bij exploot van een deurwaarder d.d. 16 maart 2020, no. 202, aan [eiser] doen betekenen, met het bevel om binnen een week uitvoering te geven aan de veroordeling.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
I) te schorsen danwel op te schorten de door [gedaagde] middels betekening van het vonnis bij exploot van deurwaarder R. Sontono van 16 maart 2020 no. 202 aangevangen executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 30 januari 2020 onder het AR.no. 19-1107 tussen partijen gewezen, totdat in het daartegen door [eiser] ingesteld hoger beroep door het Hof van Justitie zal zijn beslist;
II) [gedaagde] te veroordelen het onder I gevorderde te gehengen en te gedogen op straffe van een direct opvorderbare dwangsom van SRD 30.000,- per dag voor iedere dag of keer dat [gedaagde] weigert aan dit vonnis te voldoen.
3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de door [gedaagde] aangevangen executie onrechtmatig is en [gedaagde] misbruik maakt van zijn executierecht. Daartoe stelt [eiser], tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:
– hij verkeert in de onmogelijkheid om uitvoering aan het vonnis te geven, omdat hij het voertuig reeds aan een derde heeft verkocht en deze derde op zijn beurt het voertuig heeft doorverkocht aan een andere derde.
3.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang van [eiser] blijkt genoegzaam uit het door hem gestelde. Om die reden wordt hij in het kort geding ontvangen.
Buiten staat zijn tot uitvoering vonnis grond tot schorsing ten uitvoerlegging?
4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of het in de onmogelijkheid verkeren tot het tenuitvoer leggen van een vonnis grond oplevert voor de schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [eiser] dat hij zich erop beroept dat hij buiten staat is om aan de tegen hem uitgesproken veroordeling te voldoen en vordert hij om die reden – bij wege van voorlopige voorziening -schorsing van de reeds door [gedaagde] aangevangen executie van het vonnis. Indirect beoogt [eiser] met de onderhavige gevorderde voorziening dus niets anders dan te voorkomen dat de dwangsommen waartoe hij is veroordeeld worden verbeurd. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter levert het beroep van [eiser] op het in de onmogelijkheid verkeren tot de uitvoerlegging van het vonnis geen grond op tot het door hem gevorderde. Dit, omdat het – zoals [gedaagde] terecht opwerpt – niet valt onder de criteria tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat uitgangspunt bij vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van vonnissen is, de in HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 ter zake ontwikkelde criteria. Blijkens dit arrest is schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld slechts mogelijk indien tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal onder meer aan de orde kunnen zijn indien de executant, mede gelet op de – voor haar kenbare – belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd.
Geen van de hiervoor gestelde criteria zijn door [eiser] gesteld noch aannemelijk gemaakt, zodat er geen grond is om de gevorderde voorzieningen toe te wijzen.
Artikel 492 lid 2 juncto artikel 491 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna afgekort Rv)
4.3 De kantonrechter begrijpt uit het betoog van [eiser] dat hij – vanwege het feit dat hij in de onmogelijkheid verkeerd om aan de veroordeling te voldoen –de aan hem opgelegde dwangsommen als onrechtvaardig ervaart, doch kan hij zoals de kantonrechter reeds hiervoor onder 4.2 heeft overwogen niet op grond hiervan schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis vorderen. Wat [eiser] wel zou kunnen vorderen is in artikel 492 lid 2 juncto artikel 491 lid 1 Rv neergelegd. Dit artikel geeft aan de schuldenaar (in casu [eiser]), die volgens zijn stelling buiten staat is aan de tegen hem uitgesproken veroordeling te voldoen, de bevoegdheid om op grond daarvan in kort geding te vorderen, dat de dwangsom niet of niet verder ten uitvoer gelegd wordt.
Conclusie
4.4 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen, zullen de gevorderde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd.
De kantonrechter kan niet nalaten om partijen op het hart te drukken om, indien mogelijk, te streven naar een minnelijke regeling. Dit, om te voorkomen dat partijen op grond van de hiervoor onder 4.3 vermelde bepalingen over en weer blijven procederen.
Proceskosten
4.5 De kantonrechter acht het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Dit, vanwege het feit dat [eiser] wel een poging heeft gewaagd om een oplossing te bewerkstelligen middels het doen van een voorstel aan [gedaagde].

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.
5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag
03 april 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-31

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1492
03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

ROYAL, RENTAL COMMEWIJNE,
wonende in het district Commewijne,
eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie, hierna aangeduid met “RRC”,
gemachtigde: de heer J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname,

tegen

[gedaagde],
wonende in het [district],
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie, hierna aangeduid met “[gedaagde]”,
gemachtigde: mr. N.F.Y. Steglich-Salarbaks, advocaat.

1. Het verloop van het geding in conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 02 mei 2018 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.
2.1. In het jaar 2016 zijn RRC en [gedaagde] een overeenkomst met elkaar aangegaan waarbij RRC aan [gedaagde] heeft verhuurd het zakenpand staande en gelegen aan het [adres] in het [district] voor een bedrag ad US $ 250,– per maand;
2.2 De maandelijkse huurpenningen zijn niet of niet afdoende voldaan.
2.3. RRC heeft [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling en tot ontruiming van het zakenpand;
2.4. [gedaagde] heeft geen betalingen verricht;
2.5. Bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, is ten verzoeke van RRC conservatoir beslag gelegd op de in het request vermelde roerende goederen toebehorende aan [gedaagde]. Voormelde roerende goederen zijn uit de macht van [gedaagde] gehaald en onder de heer [naam 1] geplaatst, die is aangesteld tot gerechtelijke bewaarder.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie
3.1. RRC vordert vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
a. de tussen partijen bestaande overeenkomst te ontbinden of voor ontbonden te verklaren;
b. [gedaagde] te veroordelen het omschreven zakenpand te ontruimen en RRC te machtigen om zulks zelf te bewerkstelligen, desnoods met de Sterke Arm, indien [gedaagde] in gebreke mocht blijven bedoeld zakenpand te ontruimen;
c. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RRC te betalen de huur van US $ 250,– vanaf 21 september 2016 tot aan de dag der ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
d. de vanwaardeverklaring van het ten deze gelegde beslag;
e. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad SRD 1.500,–.
3.2. Als grondslag voor het gevorderde stelt RRC dat [gedaagde] grove wanprestatie pleegt.
3.3. Als meest verstrekkend formeel verweer stelt [gedaagde] dat RRC ‘personam standi in judicio’ ontbeert, aangezien RRC geen rechtspersoon is en geen rechtssubject zijnde, de bevoegdheid mist om als partij in een burgerlijk geding op te treden. [gedaagde] stelt dat RRC niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de gevraagde voorzieningen tegen hem.
3.4. Op verdere stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover van belang, nader ingaan.

In reconventie
3.5. [gedaagde] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de onmiddellijke opheffing te bevelen van het conservatoir beslag, gelegd bij exploit no. 400 d.d.25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, op de in het beslag genoemde roerende goederen;
B. RRC te bevelen om binnen 24 uur, of binnen een in goede justitie te bepalen termijn, na het ten deze gewezen vonnis, aan [gedaagde] af te geven, de roerende goederen die bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, in conservatoir beslag zijn genomen, zijn gesekwestreerd en onder de gerechtelijke bewaarder [naam 1] zijn geplaatst;
C. onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,– voor iedere dag dat RRC de afgifte van de in het exploit vermelde roerende goederen weigert.
3.6. [gedaagde] voert als grondslag voor het gevorderde aan dat RRC onrechtmatig conservatoir beslag heeft doen leggen op de omschreven roerende goederen en deze uit de macht van [gedaagde] heeft doen halen.
3.7. Op verdere stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover van belang voor het geding, nader ingaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie
In conventie
‘personam standi in judicio’
4.1. Uit de overgelegde schrifturen (conclusies en producties), maakt de kantonrechter op dat RRC op 20 juni 2005 ingeschreven stond onder dossiernummer 42248 in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Het bedrijf werd vanaf 01 januari 2005 uitgeoefend. De zaak stond aanvankelijk ingeschreven onder de naam [naam 2] en bij opgaaf d.d. 16 december werd de naam per dezelfde datum gewijzigd in Royal Rental Commewijne. Bij opgaaf d.d. 08 juni 2018 is de zaak per dezelfde datum opgeheven. Eigenaar was de heer [naam 2].
Uit het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de heer [naam 2] onder de naam RRC in het Handelsregister geregistreerd stond en aldus als eenmansbedrijf handelsactiviteiten verrichtte, zijnde het verhuren van onroerende goederen en roerende goederen w.o. bussen, trucks, pick ups en ander zwaar materieel, hetgeen blijkt uit het uittreksel uit het Handelsregister. Geconcludeerd moet worden dat RRC de handelsnaam is van het rechtssubject [naam 2] en geen rechtspersoon. RRC is dus geen drager van rechten en plichten. RRC is derhalve niet rechtsbevoegd om als partij op te reden in dit geding. RRC zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in de ingestelde vordering.
4.2. RRC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, zoals bepaald in de beslissing.

In reconventie
4.3. Nu in conventie is komen vast te staan RRC geen rechtssubject is en dus niet bevoegd is geweest tot het leggen van conservatoir beslag op de roerende goederen van [gedaagde], zal het verzoek van [gedaagde] tot opheffing van het gelegde conservatoir beslag en de teruggave van bedoelde roerende goederen, worden toegewezen.
RRC zal worden bevolen om binnen (1) ÉÉN WEEK na betekening van het vonnis, alle roerende goederen vermeld in het exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, aan [gedaagde] terug te geven.
4.4. De door [gedaagde] gevorderde dwangsom van SRD 5.000,– voor iedere dag dat RRC weigert de roerende goederen af te geven, zal door de kantonrechter worden gemaximeerd tot SRD 100.000,–.

5. De beslissing
In conventie:
De kantonrechter:
5.1 verklaart RRC niet-ontvankelijk;
5.2 veroordeelt RRC in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

In reconventie:
5.3. gelast de onmiddellijke opheffing van het conservatoir beslag gelegd bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, op de hierna in 5.4. vermelde roerende goederen;
5.4. beveelt RRC om binnen ÉÉN WEEK na de betekening van het vonnis terug te geven aan [gedaagde], de hierna vermelde roerende goederen die bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, in conservatoir beslag zijn genomen en uit de macht van [gedaagde] zijn gehaald:
– twee onafgemaakte poolbiljart tafel met bladen;
– een boormachine Minfian mt. 1500;
– een schuurmachine Makita 9404;
– een figuurzaag Makita 4329;
– een cirkelzaag Skilsaw 5380;
– twee bankschroeven;
– een wasmachine van het merk Axxel;
– een “Haspel” verlengsnoer;
– diverse gereedschappen (2 hamers, 1 handzaag, 1 plyer, 1 verstelbare sleutel, 1 plamuurmes, 1 knijptang, 5 schroevendraaiers, 1 grip tang, 1 winkelhaak, 2 duimstokken, 2 spanna 17”, 2 handklemmen, een tas met boren);
– een klomboor maetrone Sunrico SC16N;
– delen van vietjebord;
– partij hout Basralocus (34 stuks a 7.5 m: 1’6);
– partij hout Basralocus (42 stuks a 1.5 m: 1’10);
– een lengte hout 1’6 = 1.5 meter;
5.5. het onder 5.4. gestelde wordt bevolen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,– (vijfduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat gedaagde de afgifte van voormelde roerende goederen weigert.
5.6. bepaalt evenwel dat het totaal bedrag van de dwangsom wordt gemaximeerd en het bedrag ad SRD 100.000,– niet te boven zal gaan.
5.7. verklaart hetgeen onder 5.3. tot en met 5.5. is beslist uitvoerbaar bij voorraad;
5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.
5.9. veroordeelt RRC in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 03 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU–2019-5

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 19 februari 2019, door
mr.F.F.P. Truideman, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 17 januari 2019 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 188 van het Wetboek van Strafrecht, art. 3 lid 1a en B Sub A, B en C jo art. 11 jo art. 12 Wet Verdovende Middelen;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 22 januari 2019 en ingaande op 24 januari 2019;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, gegeven d.d. 18 februari 2019, waarbij de bewaring van de verzoeker/ verdachte voornoemd is bevolen per ingaande 23 februari 2019;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van de opening van het GVO en de behandeling van de vordering inbewaringstelling d. 14 februari 2019;

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr. F.F.P. Truideman;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. R.Elgin;

Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat, op de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris is beslist dat de vrijheidsbeneming moet voortduren in verband met het GVO.Aangezien de rechtelijke toetsing van de vrijheidsbeneming reeds heeft plaatsgevonden moet verzoeker naar de mening van de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard in diens verzoek tot invrijheidstelling.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat:

  • verzoeker / verdachte thans verlengd in verzekering is gesteld;
  • de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte per ingaande 23 februari 2019 een aanvang zal hebben;
    Om die redenen staat naar de mening van de raadsman voor verzoeker/ verdachte op grond van art. 54a Sv de mogelijkheid open om in deze periode van de verlenging van de inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling te verzoeken.

Vaststaande feiten

  • op 6 februari 2019 is de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte door de vervolgingsambtenaar gevorderd;
  • op 14 februari 2019 is verzoeker/ verdachte geleid voor de rechter-commissaris in verband met de opening van het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO);
  • de vordering tot inbewaringstelling is vervolgens in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld;
  • verzoeker/verdachte is in het kader van de gevorderde bewaring met bijstand van zijn raadslieden Bsc. I.D. Kanhai, mrs. F.F.P. Truideman en C. Rambaros gehoord;
  • bij beschikking d.d. 18 februari 2019 is ten aanzien van verzoeker/verdachte het bevel bewaring voor de tijd van dertig dagen per ingaande 23 februari 2019 gegeven.

De beoordeling
Aan de orde is de vraag of verzoeker/verdachte onder de boven aangehaalde omstandigheden om zijn invrijheidstelling kan vragen op grond van art. 54a Sv?

  1. De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt- voorzover van belang- : “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken.”Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz Bharos S. en HvJ 4 december 2009 inz. Koendjbiharie L.) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om ook in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv.
  2. 54a Sv waarborgt het recht van de verdachte om gedurende de verlenging van de inverzekeringstelling eenmaal een beroep te doen op rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming. Derhalve is het begrijpelijk dat die verzochte rechtelijke toetsing alleen kan plaatsvinden voordat een rechtelijke toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de bewaring van en/ of het GVO tegen een verdachte.
  3. In het onderhavige is de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld en kon daarbij over de noodzaak van voorlopige hechtenis worden geoordeeld omdat, aanstonds duidelijk was dat:
  • de vrijheidsbeneming moest voortduren in verband met het GVO;
  • het ook uit oogpunt van doelmatigheid gewenst was de vordering zoveel mogelijk simultaan met de opening van het GVO te behandelen;
    Met deze aanpak is tevens voorkomen dat de verzoeker/verdachte binnen een periode van enkele dagen tweemaal voor de rechter-commissaris moest worden geleid: eerst in verband met de opening van het GVO, en vervolgens opnieuw in verband met de behandeling van de vordering inbewaringstelling.
  1. De rechtelijke toetsing van verzoeker/ verdachte zijn vrijheidsbeneming in het kader van het GVO en de gevorderde bewaring hebben plaatsgevonden op 14 februari 2019. Hierna deed de verzoeker/ verdachte op 19 februari 2019 op grond van art. 54a Sv een verzoek tot rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming.
  2. Blijkens de strekking en het systeem van de betrekkelijke bepaling heeft de wetgever niet de bedoeling dat de verdachte in verband met de rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming binnen de periode van de (verlengde) inverzekeringstelling tweemaal voor de rechter-commissaris kan worden geleid.

    Nu, vaststaat dat de rechtelijke toetsing van verzoeker/verdachte zijn verdere vrijheidsbeneming met het oog op het GVO en de gevorderde bewaring reeds heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019, moet onderhavig verzoek beschouwd worden als één die buiten de sfeer van artikel 54a lid 1 Sv valt en daardoor niet op de wet gestoeld is; dit verzoek zal daarom ook niet- ontvankelijk verklaard moeten worden.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek tot invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 26 februari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de Griffier mr. S.MULLER-BIEKMAN.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.S.MULLER-BIEKMANmr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-HvJ-2019-43

A-867

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie casu quo de Minister van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 58 Wet Rechtspositie Militairen jo artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 24 september 2014, ter griffie ontvangen op 24 september 2014, met producties;
  • het verzoek zijdens de Staat tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 03 november 2014;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 05 november 2014, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 05 november 2014 met zes weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 15 december 2014, ingediend ter griffie d.d. 16 december 2014;
  • de beschikking van Hof van Justitie d.d. 23 februari 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 maart 2015;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 20 maart 2015,met producties;
  • de overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 15 mei 2015;
  • de pleitnota en uitlating overgelegde stukken zijdens [verzoeker] d.d. 19 juni 2015;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 06 november 2015 doch nader op heden.

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is sinds augustus 1991 in dienst getreden van de Staat, met name het Ministerie van Defensie, als beroepsmilitair met [registratienummer].

2.2 Op 19 augustus 2014 is middels een schrijven aan [verzoeker], voor zover van belang, het volgende medegedeeld:

Op grond van het bovenstaande heeft de minister van Defensie het besluit genomen u ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen, ontslag uit militaire dienst te verlenen .
Het een en ander zal middels een beschikking van de minister worden geformaliseerd”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, na akte van rectificatie c.q. vermindering van eis, zakelijk weergegeven het navolgende:

a. het besluit tot het verlenen van ontslag d.d. 19 augustus 2014 met het [kenmerk] nietig te verklaren en hem te rehabiliteren in de rang waarin hij diende; voorts de Staat te veroordelen tot uitbetaling van het salaris vanaf februari 2015 althans vanaf wanneer is komen vast te staan dat hij geen salaris meer heeft ontvangen, tot op heden met eventuele periodieke verhogingen en emolumenten;

b. de Staat te veroordelen tot het toekennen van een ambtshalve te bepalen schadevergoeding;

c. [verzoeker] in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid als vóór de gewraakte beschikking

op de normale wijze te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;

d. de Staat te veroordelen om het vonnis binnen 1 week na betekening of een door het hof gestelde termijn, uit te voeren onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,= of een door het hof vastgestelde dwangsom voor iedere dag waarop de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis;

d. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd: dat het ontslag niet conform een besluit van de minister is genomen maar via de waarnemend onderdirecteur Personeel & Algemeen is doorgegeven. Derhalve is hij rechtens niet ontslagen uit staatsdienst. Verder is het ontslag niet bij beschikking geformaliseerd waardoor de Staat heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel. In artikel 34 van de Wet Rechtspositie Militairen staat limitatief aangegeven wie de bevoegdheid heeft tot het verlenen van ontslag van een beroepsmilitair. Tevens is het hoorbeginsel geschonden daar [verzoeker] niet is gehoord terzake het ontslag.

3.3 De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in het hierna volgende ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Bij pleitnota d.d. 19 juni 2015 heeft [verzoeker] middels een incident, een vermindering van eis gevorderd.
Het hof overweegt dat hiermede de Staat niet in haar verweer wordt geschaad aangezien na verhoor van partijen duidelijk is geworden dat [verzoeker] gedurende het proces salaris met terugwerkende kracht heeft ontvangen over de periode augustus 2015 (het hof begrijpt ”augustus 2014”) tot en met januari 2015, weshalve de wijziging van eis zal worden toegewezen.

4.2 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer (zie verweerschrift d.d. 15 december 2014) aangevoerd dat [verzoeker] niet is ontslagen maar dat er slechts een voornemen tot dat besluit is genomen en bij het schrijven van 19 augustus 2014 aan [verzoeker] is medegedeeld. Dergelijk ontslag geschiedt middels een resolutie of beschikking, hetgeen in casu niet het geval is geweest. Er is slechts een brief waarbij het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt. Dit valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet inzake vernietigbare besluiten.

4.3 [verzoeker] heeft daartegen aangevoerd dat hij gerechtvaardigd ervan uit mocht gaan dat hij was ontslagen omdat zijn salarisstorting (hetgeen gebruikelijk via de bank geschiedt) per augustus 2014 was stopgezet. Pas in februari 2015 heeft hij de gelden met terugwerkende kracht ontvangen tot februari 2015, en wel per kas.

4.4 Het hof overweegt dat het schrijven van de Staat inzake het besluit van ontslagaanzegging aan [verzoeker], dateert van 19 augustus 2014 hetwelk op 25 augustus 2014 door [verzoeker] is ontvangen. Met de Staat is het hof van oordeel dat de Minister van Defensie ingevolge de Personeelswet het bevoegd gezag is tot het nemen van een besluit terzake een eventueel ontslag van [verzoeker]. Echter was het voorgenomen besluit van de minister ten tijde van 19 augustus 2014 niet geformaliseerd middels een beschikking dan wel een resolutie. Dit is pas bij beschikking d.d. 03 februari 2015 geschied.

4.5 De vordering van [verzoeker] betreft nietigverklaring van het besluit van 19 augustus 2014 hetwelk toentertijd nog niet geformaliseerd was. Derhalve valt dit besluit niet binnen de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2 onder e van de Personeelswet en concludeert het Hof dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering. Daarenboven kan het schrijven van 19 augustus 2014 in de visie van het Hof niet worden gekwalificeerd als een besluit in de zin der wet maar gelet op de inhoud daarvan kan het eerder worden gekwalificeerd als een mededeling van het genomen besluit van de desbetreffende minister om tot ontslagverlening aan [verzoeker] over te gaan.

4.6 Gelet op al het voorgaande zal het Hof zich onbevoegd verklaren om van de ingestelde vordering kennis te nemen.

5. De beslissing

Het Hof:

Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de ingestelde vordering.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Jhinkoe namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-42

A-866

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Gravenbeek, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 23 september 2011;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 27 oktober 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 05 november 2014, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 05 november 2014 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 11 december 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 02 januari 2015, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 17 december 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 23 februari 2015, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 20 maart 2015;
  • het proces-verbaal van het op 20 maart 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging stukken zijdens de Staat de dato 05 juni 2015;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] de dato 19 juni 2015;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 06 november 2015 doch nader op heden.

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Bij resolutie d.d. 12 april 2000 is [verzoeker] overgeplaatst naar de afdeling Inspectie Voortgezet Onderwijs op Seniorenniveau en belast met de leiding van deze afdeling met behoud van zijn bezoldiging, de daarbij behorende toelage en tegemoetkoming en een vergoeding voor meer en verantwoordelijk werk van 10% van zijn bezoldiging;

2.2 Bij schrijven d.d. 25 april 2012 heeft de toenmalige Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, mr. R. Sapoen, gevraagd om het daarheen te leiden dat [verzoek0r] wordt ingeschaald als een V.O.S. -Directeur en wel in functiegroep 10/schaal 10 C/periodiek 10 en wel vanaf 01 januari 2008;

2.3 Bij schrijven d.d. 14 februari 2013 van het Kabinet van de President no. 397/G.A., gericht aan de toenmalige Vice-President is aan deze gevraagd de rechtspositie van [verzoeker] in orde te maken;

2.4 [verzoeker] is per 1 juli 2013 met vervroegd pensioen gegaan en zijn rechtspositie is nog steeds niet geregeld;

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:

Primair:

A. de Staat zal worden veroordeeld om hem in te schalen als een V.O.S. -Directeur en wel in de functiegroep 10/schaal 10C/ periodiek 10 en wel vanaf 1 januari 2008;

B. de Staat zal worden veroordeeld om aan hem te betalen het achterstallig loon als ingedeeld V.O.S. -Directeur in de functiegroep 10/ schaal 10C/ periodiek 10 en wel vanaf 01 januari 2008, zulks met alle daarbij behorende emolumenten en opslagen tot en met zijn pensioen;

C. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Subsidiair:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om hem conform de regelingen van Fiso (resolutie van 24 mei 2010, No. 10.525/10) in te schalen in ambtelijk functiegroep 11A, periodiek 12 en wel vanaf 01januari 2008;

  2. de Staat zal worden veroordeeld om aan hem te betalen het achterstallig loon als ambtenaar ingedeeld in functiegroep 11A, periodiek 12 en wel vanaf 01 januari 2008, zulks met alle daarbij behorende emolumenten en opslagen tot en met zijn pensioen;

  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De Staat maakt geen aanstalten om zijn rechtspositie te herzien en te corrigeren ondanks herhaaldelijk verzoek zijdens [verzoeker]. Hij heeft geen loon gekregen overeenkomstig verrichte arbeid waardoor hem thans geen correct pensioen wordt uitbetaald. [verzoeker] heeft namelijk altijd minder loon dan dat waar hij recht op heeft gehad ontvangen, omdat de Staat [verzoeker] zijn rechtspositie alsmaar niet heeft kunnen vaststellen. [verzoeker] heeft bij deurwaardersexploit no. 399 de dato 09 juni 2014 afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, de heer Bhoelan, Radjinderkoemar de Staat verzocht om zijn rechtspositie vast te stellen, doch is zulks niet gebeurd;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd en heeft een conclusie tot overlegging stukken genomen. In de conclusie tot overleggingstukken heeft de Staat als verweer aangevoerd – kort gezegd – dat [verzoeker] niet ­ ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat deze niet valt binnen de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW). Het hof komt -voor zover nodig ­ daarop terug in de beoordeling;

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft dat betrekking heeft op een besluit ten aanzien van het genoten ambtelijk salaris van [verzoeker]. Hetgeen de Staat heeft aangevoerd in dit kader haalt het derhalve niet in rechte en wordt verworpen;

Ontvankeliikheid

4.2 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn vordering, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering;

4.3 Waar gaat het in dit geding om ? [verzoeker] vindt dat hij bij zijn overplaatsing naar de afdeling Inspectie Voortgezet Onderwijs op Seniorenniveau niet correct is ingeschaald. Inmiddels is hij met pensioen en wenst de correcties alsnog gerealiseerd te zien. Daartoe heeft hij onderliggende documenten in het geding gebracht. Blijkens deze onderliggende documenten heeft [verzoeker] zich binnen de administratie schriftelijk beklaagd bij de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, welk schrijven gedateerd 06 juni 2014 bij deurwaardersexploot d.d. 09 juni 2014 aan de secretaresse van voornoemde functionaris is betekend. Op dit schrijven is er geen reactie van voornoemde functionaris gevolgd. Vervolgens heeft [verzoeker] op 23 september 2014 onderhavig verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie ingediend.

4.4. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. De werkarm van de Raad van Ministers, te weten de Onderraad Personele Aangelegenheden, heeft de reeds opgemaakte mutatie om [verzoeker] te benoemen in de functie van V.O.S. -Direkteur belast met de leiding van de afdeling Inspectie V.O.S., negatief beoordeeld. De Onderraad is van mening dat [verzoeker] niet volgens de voorschriften vier jaar lang als onderdirekteur in de leiding van een V.O.S.- school had gezeten en huldigt voorts de opvatting dat de functies van leidinggevende van de afdeling Inspectie V.O.S. en V.O.S. -Direkteur niet verenigbaar zijn;

4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] al dan niet aan de vereisten heeft voldaan om tot V.O.S. -Directeur benoemd te worden. De benoeming zou dan kennelijk alleen formeel zijn want hij zou feitelijk worden belast met de leiding van de afdeling Inspectie V.O.S. en niet met de leiding als directeur van een V.O.S. –school. De Staat heeft een document in het geding gebracht ter adstructie van het feit dat [verzoeker] niet aan de benoembaarheidsvereisten voor de functie van Directeur V.O.S. voldeed, met name het vereiste betreffende de ervaring, te weten het enkele jaren hebben gediend in de directie van de school als onderdirecteur (minimaal 4 jaar ervaring strekt tot aanbeveling). Het voorgaande is inderdaad niet gebleken bij de behandeling van deze zaak. Immers bekleedde [verzoeker] vóór zijn overplaatsing de functie van onderwijs-consulent op de afdeling Begeleiding van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] minimaal vier jaar heeft gediend als Onderdirecteur van een school op V.O.S.niveau. [verzoeker] beroept zich voorts op de inhoud van het schrijven de dato 25 april 2012 afkomstig van de toenmalige Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling en gericht aan de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken alsmede op de inhoud van het schrijven de dato 14 februari 2013 afkomstig van de Directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de President en gericht aan de Vice­President van de Republiek Suriname. In de visie van het hof hebben deze stukken interne werking en kan [verzoeker] daar geen aanspraken aan ontlenen;

4.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat de vordering van [verzoeker] voor afwijzing in aanmerking komt;

4.7. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing

Het hof:

Wijst af het gevorderde;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 01 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A.J.S. Toekoen namens mr. R.M.C. Denz, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Jhinkoe namens mr. R. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-41

A-865

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 22 september 2014;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 03 november 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 05 november 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 05 november 2014 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 15 december 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 02 januari 2015, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 17 december 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 23 februari 2015, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 20 maart 2015;
  • het proces-verbaal van het op 20 maart 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota en conclusie tot overlegging relevante stukken zijdens [verzoeker] de dato 20 november 2015;
  • de antwoordpleitnota en conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat de dato 15 januari 2016;
  • de repliekpleitnota de dato 05 februari 2016;
  • bij wege van mondelinge dupliekpleidooi is geconcludeerd tot persistit zijdens de Staat;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 juni 2016 doch nader op heden;

  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is inspekteur van Politie 3e klasse in het Korps Politie Suriname;

2.2 Op 3 augustus 2011 vond er een schietpartij plaats tussen [verzoeker] en een derde;

2.3 Op maandag 7 januari 2013 ontving [verzoeker] een ingebrekestelling inhoudende dat hij zich moest verweren ter zake een schietincident d.d. 30 augustus 2011 omstreeks 00.30 uur;

2.4 [verzoeker] heeft zich bij verweerschrift d.d. 9 januari 2013 verweerd ter zake en bij schrijven d.d. 22 juli 2013 heeft de Korpschef hem bericht dat hij negatief is beoordeeld op grond van de te verbeteren punten fysieke vaardigheidstest en relatie met hogere leidinggevenden;

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft jegens hem;

  2. de Staat zal worden gelast hem te benoemen in de naast hogere rang ingaande 13 januari 2013;

Subsidiair:

  1. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft jegens he0;

  2. de Staat zal worden gelast er zorg voor te dragen dat [verzoeker] zijn plaats op de ranglijst, plaats no. 14, terug krijgt;

  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Tijdens het gesprek met de Korpschef heeft de Korpschef nog aan [verzoeker] mede gedeeld dat hij hem een tuchtstraf van 1 (één) jaar onthouding van de bevordering oplegt zonder rekening te houden met de uitspraak van de rechter, welke uitspraak is een voorwaardelijke straf van vier maanden, waartegen [verzoeker] in beroep is gegaan bij het Hof;

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd en het Hof zal – voorzover nodig – in het hierna volgende daarop ingaan;

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 De Staat heeft preliminair als verweer bij het verhoor van partijen aangevoerd – kort gezegd – dat het Hof zich onbevoegd dient te verklaren om van de vordering kennis te nemen omdat deze niet valt onder de werking van de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) . Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel. [verzoeker] vraagt in deze zaak zowel primair als subsidiair een declaratoire beslissing met daaraan gekoppeld een benoeming in een naast hogere rang alsmede behoud van zijn plaats op de ranglijst. Het gevorderde valt naar het oordeel van het Hof niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW weshalve het Hof zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van het gevorderde;

4.2 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof derhalve niet toe;

  1. De beslissing

Het Hof:

  • Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 03 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. S. Marica, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens
mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-4463
25 augustus 2020
G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.
B. DE STAAT SURINAME, m.n. de Ontslagcommissie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 09 september 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met een productie zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres;
• de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 14 december 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 20 december 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 11 januari 2019 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens eiseres ten aanzien van gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens eiseres ten aanzien van gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusies tot uitlating producties zijdens eiseres;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub B is gelast om producties ten processe over te leggen;
• de mondelinge conclusie tot overlegging producties zijdens gedaagde sub B, die te kennen heeft gegeven dat de rolbeschikking kennelijk is gestoeld op een omissie, waarbij de kantonrechter heeft bedoeld gedaagde sub A in stede van gedaagde sub B;
• de rolbeschikking d.d. 02 oktober 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub A in de gelegenheid is gesteld om producties ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Eiseres was in dienst van gedaagde sub A in de periode van december 1985 tot en met november 1999. Bij arbeidsovereenkomst is eiseres op 16 maart 2006 weder in dienst getreden van gedaagde sub A, eerst in de functie van Hoofd Personeelszaken en Organisatie, en vanaf 13 juli 2016 in de functie van Manager Human Resources and Organizational Development. Deze arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde tijd verlengd. Het laatst genoten loon van eiseres bedroeg SRD 15.063,98.

2.2. Bij schrijven gedateerd 08 november 2015, betekend op 09 november 2015 aan eiseres per exploot no. [nummer 1], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Burgzorg, afkomstig van de waarnemend directeur van gedaagde sub A, is eiseres in kennis gesteld van het navolgende. In het kader van eiseres haar werkuitvoering, met name bij bestedingen aan consultants voor verrichte werkzaamheden, heeft zij zich schuldig gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen. Het vermoeden bestaat dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en mogelijk aan haar verwijtbare feiten. Het vorenstaande is aanleiding geweest om eiseres ingaande 09 november 2015 tot nader order op non-actief te stellen. Zij mocht gedurende de periode van haar non-actiefstelling gebouwen en terreinen van gedaagde sub A, met uit zondering van de Telesur-poli, niet betreden.

2.3. Bij schrijven gedateerd 10 november 2015, heeft eiseres aan gedaagde sub A te kennen gegeven dat zij de beschuldiging vervat in de brief d.d. 08 november 2015 ontkent en dat zij over hetgeen terzake niet is gehoord door gedaagde sub A. Voorts heeft zij de brief geconcludeerd met het beschikbaar stellen van zichzelf om haar werkzaamheden te hervatten. Deze brief is bij exploot no. [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D. Toekimin, op 10 november 2015 betekend aan [naam], assistente van de Chief Financial Officer van gedaagde sub A.

2.4. Bij schrijven gedateerd 11 januari 2016, heeft eiseres via haar procesgemachtigde wederom te kennen gegeven dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verwijten van gedaagde sub A en heeft zij verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om haar werk te hervatten. Voorts heeft zij haar grieven geuit ten aanzien van het verstrijken van twee maanden, en dat zij desondanks niet in kennis is gesteld van het door gedaagde sub A verrichte onderzoek en evenmin is gehoord hierbij. Ook heeft zij haar pijnpunt, ten aanzien van de salarisverhoging waarop zij aanspraak maakt, doch niet ontvangt, kenbaar gemaakt.

2.5. Blijkens het schrijven gedateerd 12 februari 2016, die aan eiseres in persoon is betekend per exploot gedateerd 12 februari 2016, no.[nummer 3], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, heeft de waarnemend directeur van gedaagde sub A aangegeven wat de aan eiseres ten laste gelegde feiten zijn.

2.6. Op 16 februari 2016 heeft eiseres verweer gevoerd, waarbij zij is ingegaan op hetgeen is vervat in de brief gedateerd 12 februari 2016.

2.7. Bij schrijven gedateerd 17 februari 2016, dat per exploot d.d. 17 februari 2016, no. [nummer 4], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiseres, heeft gedaagde sub A, met onderbouwing aangegeven dat het verweer van eiseres niet steekhoudend is bevonden.

2.8. Bij beschikking gedateerd 01 maart 2016 afkomstig van Arbeidsinspectie van Het Ministerie van Arbeid, heeft gedaagde sub A gepersisteerd bij hetgeen zij vermeld heeft in haar schrijven gedateerd 17 februari 2016. Eiseres heeft zich bij de Arbeidsinspectie verweerd door te persisteren bij hetgeen zij bij schrijven gedateerd 16 februari 2016 heeft verklaard.
Voorts heeft zij aangegeven dat zij met betrekking tot de tweede suppletie autorisatie voortdurend over het concept suppletievoorstel in overleg is geweest met de Directeur die in verband met de voortzetting van het project hieraan zijn goedkeuring had gegeven, doch dat zij nog vóór het indienen van betreffend voorstel werd ontslagen, nadat zij gedurende enkele maanden op non-actief was gesteld. Zij heeft ook aangegeven dat zij de hoogte van het overschreden bedrag zoals omschreven in de derde overweging noch kan bevestigen noch kan ontkennen, vermits het door gedaagde sub A opgegeven schadebedrag door laatstgenoemde niet is onderbouwd en voorts, dat zij is aangezegd zich te verweren, zonder dat zij is geconfronteerd met het resultaat van het intern onderzoek dan wel met enig onderliggend stuk, waardoor zij niet afdoende in de gelegenheid is gesteld zich terzake op deugdelijke wijze te verweren.

2.9. In voormelde beschikking afkomstig van de Arbeidsinspectie staat voorts dat beide partijen in verband met de ontslagaanvraag zaken hebben toegelicht en onderbouwd middels het overleggen van diverse bescheiden. Arbeidsinspectie is tot het oordeel gekomen dat niet, althans niet voldoende is komen vast te staan dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen welke een ontslag als het onderhavige redelijkerwijs zouden kunnen rechtvaardigen. Er is gelet op het vorenstaande bezwaar tegen het ontslag wegens dringende reden van eiseres aangetekend.

2.10. Bij schrijven gedateerd 01 maart 2016, dat per exploot d.d. 01 maart 2016, no. [nummer 5], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, aan eiseres is betekend, heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet om tot opheffing van de non-actiefstelling over te gaan en zal deze maatregel derhalve blijven handhaven.

2.11. In de verklaring gedateerd 15 maart 2016 heeft D. Currie, als toenmalige directeur van gedaagde sub A verklaard, dat eiseres na goedkeuring van en in opdracht van de voltallige directie, na verkregen autorisatie van de RvC, het FPO project heeft uitgevoerd. De directie en de RvC zijn regelmatig tijdens vergaderingen, die allen zijn genotuleerd, geïnformeerd en geconsulteerd over de voortgang van het project. Het verwijt dat eiseres het budget zou hebben overschreden is dus niet correct omdat dit met toestemming en medeweten van de directie is geweest. Alle diensten zijn overigens geleverd.

2.12. In de ontslagbeschikking gedateerd 31 maart 2016, is opgenomen dat gedaagde sub A het navolgende heeft gesteld naar aanleiding van de reactie van eiseres:
• dat autorisatie achteraf op grond van het Decreet C-38 wel mogelijk is, maar niet gebruikelijk, en dat de betalingen achteraf hebben kunnen plaatsvinden omdat autorisatie achteraf ook mogelijk is en er beroep is gedaan op de Financiële Administratie om de betalingen en de voortgang van het project, gegeven de urgentie en het belang van het project, niet te vertragen;
• dat de strijdigheid met procedure regels zeer ernstig is en er op grond daarvan dient te worden opgetreden tegen een medewerker;
• dat het bedrijf door het nalaten van eiseres, namelijk het niet tijdig voorbereiden van een autorisatie aanvraag, voor het bedrag van voorlopig begroot op USD 575.000,- is benadeeld, doordat dit bedrag is uitgegeven zonder dat het gebudgetteerd en of geautoriseerd is;
• dat gedaagde sub A nog steeds wordt geconfronteerd met nog niet betaalde rekeningen en door eiseres gemaakte afspraken, die nergens zijn vastgelegd en betrekking hebben op het FPO project, waar zij Project Manager van was;
• dat de door eiseres vermelde sessies allen betrekking hadden op het inhoudelijke, met name de wijziging van de organisatiestructuur, en nimmer op de financiële verantwoording;
• dat de verklaring van de gewezen directeur tegenstrijdig is, aangezien hij aangeeft dat na goedkeuring en opdracht van de voltallige directie en na verkregen autorisatie van de RvC he project is uitgevoerd, doch dat hij verzuimt te vermelden dat de betreffende autorisaties het bedrag van USD 1.000.000, betrof;
• dat alhoewel de gewezen directeur in zijn verklaring aangeeft dat het overschrijden van het budget met toestemming en medeweten van de directie is geweest, de directeur geen goedkeuring kan geven voor verplichtingen groter dan USD 20.000,- zonder goedkeuring van de RvC;
• dat eiseres bekend is ermee dat het presteren voor betaling, terwijl er geen goedgekeurde autorisatie tegenover staat, tot een bedrag van voorlopig begroot op USD 575.000,-, in strijd is met de procedure regels en zeer ernstig is omdat de door eiseres gemaakte afspraken nergens zijn vastgelegd (niet in een door partijen ondertekende overeenkomst);
• dat ondanks op 05 maart 2015 de genoemde functionaris, eiseres erop had gewezen dat het budget al met USD 152.000,- was overschreden, zij langer dan zes maanden door is gegaan met het presteren voor betaling, waarbij zij niet ervoor geschroomd heeft de Financiële Administratie onder druk te zetten om tot betaling over te gaan, terwijl ze haar omissie met betrekking tot het opstellen van een autorisatieaanvraag niet corrigeerde.

2.13. In de ontslagbeschikking staat dat de Ontslagcommissie, het navolgende heeft aangegeven:
• dat het de Ontslagcommissie is gebleken dat in het door het bedrijf verrichte onderzoek alle aangehaalde activiteiten en de daarbij getrokken conclusies onderbouwd zijn met relevante nota’s en andere onderliggende stukken;
• dat het de Ontslagcommissie uit de overgelegde documenten en afgelegde verklaringen tevens is gebleken dat bestaande procedures binnen gedaagde sub A niet althans niet genoegzaam zijn nageleefd, hetgeen financiële consequenties heeft gehad voor het bedrijf;
• dat gelet op het voorgaande, de door gedaagde sub A overgelegde documenten, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie in casu van oordeel is dat gedaagde sub A het gestelde met betrekking tot het geschonden vertrouwen voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met eiseres te laten voortduren.
De Ontslagcommissie heeft op grond van het vorenstaande besloten om vergunning te verlenen aan gedaagde sub A ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiseres, met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

2.14. Bij brief gedateerd 31 maart 2016, die per exploot d.d. 31 maart 2016, no. [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiseres, is zij namens de waarnemend directeur, door de Coördinator Technische Zaken, ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 3 weken per jaar, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 10 jaren, aan eiseres een uitkering toekomt gelijk aan haar loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 31 maart 2016 tot en met 27 oktober 2016.

2.15. Bij brief gedateerd 06 april 2016 heeft eiseres via haar gemachtigde aangegeven dat het aangezegde ontslag, ingevolge artikel 8 Decreet C-38 nietig is, nu de Coördinator Technische Zaken geen directeur of onderdirecteur is en slechts de directie van gedaagde sub A belast is met de aanzegging van het ontslag aan personeelsleden. Voorts is aangegeven dat eiseres oneens is met het aangezegd ontslag en zich dan ook beschikbaar stelt om de werkzaamheden te hervatten. Voorts gaat eiseres niet akkoord er mee dat haar loon en bijbehorende emolumenten in één keer wordt uitbetaald als een uitkering. Volgens haar dient er maandelijks uitbetaling van haar loon en bijbehorende emolumenten plaats te vinden, totdat het dienstverband is geëindigd.

2.16. Nadat partijen over en weer waren gehoord door de Ontslagcommissie van gedaagde sub B heeft laatstgenoemde nadere informatie doen opvragen bij gedaagde sub A, waarvan de inhoud onbekend was bij eiseres en is zij daaromtrent evenmin nader gehoord.

2.17. Bij brief gedateerd 08 april 2016, die per exploot d.d. 08 april 2016, no. [nummer 7], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiseres, is zij namens de waarnemend directeur, ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat, rekening houdend met een opzegtermijn van drie weken per jaar, bij een onafgebroken dienstverband van
10 jaren, aan eiseres een uitkering toekomt gelijk aan haar loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 08 april 2016 tot en met 04 november 2016.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiseres volledig te herstellen en haar in de gelegenheid zal stellen haar werkzaamheden in haar laatste functie onbelemmerd en ongestoord uit te voeren;
b. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiseres te betalen, haar loon en emolumenten, te rekenen vanaf 01 december 2016 tot aan de datum waarop de dienstbetrekking wordt hersteld, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding.

Subsidiair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 1.727.369,-, zijnde de door eiseres geleden en te lijden schade als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
en
b. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 1.727.369,-, zijnde de door eiseres geleden en te lijden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiseres ernstig in haar rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2. Eiseres legt, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag dat haar ontslag ingevolge artikel 1615s lid 2 sub a en b BW kennelijk onredelijk is. Gedaagde sub A heeft in strijd gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap. Ook is het ontslagbesluit door gedaagde sub B in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiseres draagt voorts ook geen kennis van het onderzoeksrapport dat gedaagde sub A ten grondslag heeft gelegd aan haar ontslagaanvraag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
De door gedaagde sub A opgegeven ontslagreden
4.1. Gedaagde sub A heeft als ontslagreden aangevoerd dat eiseres, in het kader van haar werkuitvoering, met name bij bestedingen aan consultants voor verrichte werkzaamheden, zich schuldig heeft gemaakt aan benadeling van gedaagde sub A door ongeautoriseerd te presteren voor betalingen. Gedaagde sub A heeft haar standpunt als navolgt uiteengezet.

4.1.1. Uit een intern onderzoek dat is verricht naar onregelmatigheden binnen gedaagde sub A, is onder andere gebleken dat eiseres met ingang van 15 maart 2013 was aangesteld als Project Manager van de Projectgroep: Ontwikkelen van een future-proof organisatiestructuur voor gedaagde sub A. In deze hoedanigheid is eiseres verantwoordelijk geweest voor het opstellen van de voorstellen voor autorisaties die betrekking hadden op voormeld project. Eiseres heeft echter nagelaten om bij de tweede overschrijding van het vastgestelde betalingsmaximum, een suppletie autorisatie aan te vragen.

4.1.2. Eiseres was ook belast met het presteren voor betaling van de uitgaven die in het kader van dit project werden gedaan. Na overschrijding van de eerste autorisatie heeft een medewerker werkzaam op de boekhoudingafdeling, eiseres per e-mail bericht van 05 maart 2015 erop geattendeerd dat het geautoriseerde bedrag met USD 152.000,- is overschreden en gevraagd naar een suppletie autorisatie. Eiseres heeft als Project Manager de aanvullende autorisatie achteraf opgemaakt. Hierna is eiseres langer dan zes maanden doorgegaan met het ongeautoriseerd presteren voor betaling van uitgaven in het kader van vermeld project. De overschrijding is voorlopig becijferd op USD 575.409.01.

4.1.3. Er is met [adviesbureau] een offerte getekend voor een bedrag van
USD 339.558,-. Eiseres heeft gepresteerd voor betaling aan [adviesbureau], een bedrag dat becijferd is op USD 1.537.680,72. Eiseres is nonchalant en nalatig geweest ten aanzien van het monitoren van de uitgaven van vermeld project en heeft zij zich niet gehouden aan de geldende comptabele procedures, waardoor zij het bedrijf ernstige financiële schade heeft berokkend.

Het verweer van eiseres
4.2. Eiseres heeft verweer gevoerd tegen voormelde ontslagredenen en de door gedaagde sub A gegeven onderbouwing. Haar verweer komt neer op het volgende.

4.2.1. Alle handelingen die eiseres heeft verricht, hebben vanuit haar rol en overeenkomstig de daaraan gerelateerde bevoegdheden plaatsgevonden conform de taken van het projectteam FPO. Eiseres rapporteerde aan de structuurgroep FPO, waarin de voltallige directie zitting had.
Alle bestedingen die tijdens dit project hebben plaatsgevonden zijn verricht op basis van vooraf met de directie/stuurgroep afgestemde planningen. Ter illustratie moge dienen dat behalve de rapportage tijdens reguliere directie vergaderingen er ook specifieke meetings met de stuurgroep/directie zijn geweest ter bespreking van de voortgang van het FPO. Overigens is de directie zeer frequent door eiseres betrokken bij de voortgang en verwezen kan worden naar mailberichten die zijn verzonden naar de directie. Hiertoe is er een bijlage overgelegd, waarin de mailcorrespondenties met betrekking tot het FPO project ten behoeve van de directie staat weergegeven.
Alle betalingen zijn conform de geldende administratief organisatorische procedure verricht.

4.2.2. Op diverse momenten zijn er ook presentaties ten behoeve van de RvC verzorgd over de status en planning. Deze rapportage aan de RvC zal ook zijn vastgelegd in de notulen van de RvC vergadering, echter heeft eiseres niet de beschikking daarover.

4.2.3. De werkwijze is steeds geweest dat de maandelijks ontvangen facturen na controle door de
Projectleiding werden gepresteerd voor geleverde diensten en vervolgens doorgestuurd voor verdere afhandeling naar het onderdirectoraat Financieel Economische Zaken, toen onder leiding van [naam 2], alwaar er standaard drie controle momenten plaatsvinden voor uitbetaling, te weten bij de bedrijfsonderdelen Boekhouding, Financiële Administratie en Financieel Beheer.
Gedaagde sub A heeft melding gemaakt dat eiseres geattendeerd zou zijn op overschrijding van het geautoriseerd bedrag. De melding is echter geweest, nadat eiseres heeft gevraagd om een overzicht van de uitgaven in het kader van FPO. Dus bij aanlevering van het door eiseres opgevraagd overzicht, is door de medewerker de overschrijding gemeld.
Op basis daarvan is er gerapporteerd aan de directie en is er groen licht gegeven het nodige voor te bereiden en onverkort door te gaan met het project. Overigens is het verkrijgen van een autorisatie van de Raad van Commissarissen een vereiste voor de directeur van gedaagde sub A.

4.2.4. Het gaat in deze om een project dat sedert 2013 is aangevangen en waar zowel de volledige directie als de volledige RvC vooraf over zijn geïnformeerd en aan welk project ook goedkeuring is verleend. Ten overvloede vermeldt eiseres dat gedurende de gehele voortgang van het project, voortgangsrapportages aan alle organen zijn verstrekt.

4.2.5. Aan de zijde van de diverse onderdelen van het Financieel directoraat onder leiding van [naam 2], zijn er steken gevallen daar die conform de procedures en regels niet tot betaling moesten zijn overgegaan zonder autorisatie vooraf. Overigens is in de oprichtingswet C-38 autorisatie achteraf ook mogelijk.

4.2.6. De aan eiseres verweten nonchalance en nalatigheid in deze betreft dus niet alleen haar. Eiseres heeft in elk geval op basis van de geldende richtlijnen de facturen gepresteerd en voor verdere afhandeling doorgestuurd naar de daartoe aangewezen en verantwoordelijke instantie.

4.2.7. Dat eiseres het bedrijf ernstige financiële schade zou hebben berokkend, spreekt zij tegen. Er heeft geen enkele betaling plaatsgevonden binnen het FPO waar tegenover er geen prestatie is geleverd door de consultants, dus van financiële benadeling kan er geenszins sprake zijn. De resultaten/tegenprestatie voor de gedane uitgaven zijn beschikbaar en bekend bij de voltallige directie en zijn zelfs grotendeels geïmplementeerd. Alle handelingen die tijdens het project zijn uitgevoerd zijn pas na goedkeuring van de voltallige directie, zijnde tevens de stuurgroep, uitgevoerd.

4.2.8. Eiseres benadrukt voorts dat zij haar werk altijd naar eer en geweten heeft verricht. Zij merkt voorts op dat gedurende haar hele loopbaan zij zich nimmer schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbare handelingen. Zij is ook altijd goed beoordeeld.

Ten aanzien van het gestelde kennelijk onredelijk ontslag
4.3. De kantonrechter definieert het kennelijk onredelijk ontslag als volgt: een ontslag van een werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever. De kantonrechter zal voor de vaststelling of er al dan niet sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, de door eiseres en gedaagde sub A gestelde feiten en omstandigheden toetsen aan hetgeen is bepaald onder artikel 1615s lid 2 sub a en b BW en voormelde definitie van het kennelijk onredelijk ontslag.

4.4. De kantonrechter is van oordeel dat er wel sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Dit oordeel wordt in de navolgende rechtsoverwegingen toegelicht.

Terzake het bepaalde onder artikel 10 lid 2 van de Wet C-38
4.4.1. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 de goedkeuring van een rechtshandeling betreffende het aangaan van verbintenissen, waarvan het geldelijk belang een bepaald bedrag, in casu SRD 20.000,- te boven gaat, ook achteraf gegeven kan worden door de RvC. In dit artikel staat het achteraf verlenen van goedkeuring als optie vervat, doch is er hierover geen nadere toelichting gegeven of de goedkeuring achteraf uitsluitend kan geschieden onder bepaalde voorwaarden en welke voorwaarden deze zijn. Gedaagde sub A heeft gesteld dat de achteraf gegeven goedkeuring ongebruikelijk is, doch heeft zij nagelaten om aan te voeren in welke gevallen het wel gebruikelijk zou zijn. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub A, niet enkel kan volstaan met voormelde stelling. In tegendeel is tijdens de comparitie van partijen verklaard door een RvC-lid dat de autorisaties heel vaak achteraf gebeurden.

4.4.2. Gedaagde sub A heeft ook niet aangevoerd, waaruit zou moeten blijken dat in onderhavig geval er geen goedkeuring achteraf zou worden verleend door de RvC. Ingevolge artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 is gedaagde sub A, niet gebonden aan rechtshandelingen voor zover de RvC geen machtiging heeft gegeven aan het bestuur. Gelet hierop overweegt de kantonrechter dat gedaagde sub A hoogstens een vordering had op het bestuur dan wel eiseres, voor zover gedaagde sub A van oordeel was dat de RvC geen goedkeuring had gegeven voor de rechtshandeling gesloten tussen [adviesbureau] en zichzelf door vertegenwoordiging van het bestuur. Nu gesteld noch gebleken is dat voormelde rechtshandeling op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 is betwist, is de kantonrechter van oordeel dat de rechtshandeling ondertussen door gedaagde sub A is bevestigd door de goedkeuring die achteraf is verleend door de RvC conform artikel 10 lid 2 van de Wet C-38.

Het rapport van de Centrale Landsaccountant Dienst (Het CLAD-rapport)
4.4.3. In het CLAD-rapport is onder meer vastgesteld dat voor het bewaken van een overschrijding er sprake is van een drietal controlestappen en een gedeelde verantwoordelijkheid van verschillende functionarissen, namelijk:
• de eerste controlestap is de beoordeling door eiseres, die in de hoedanigheid van projectleider bij de prestatie van betaling moest nagaan of conform de overeenkomst is geleverd. Het controlespoor hiervan is de blokstempel, waarin eiseres verklaart dat de levering heeft plaatsgevonden en voor goedkeuring parafeert.
• de tweede controlestap wordt verricht door het hoofd van de afdeling Boekhouding en het hoofd van de afdeling Financiële Administratie. Bij de tweede controlestap wordt nagegaan of de factuur is gepresteerd door de bevoegde functionaris, in dit geval de projectleider, en of er een goedgekeurd budget c.q. autorisatie aanwezig is. Indien akkoord bevonden, paraferen de eerder genoemde functionarissen in een blokstempel.
• de derde beoordeling vindt plaats door het hoofd van de afdeling Financieel Beheer. Deze persoon dient na te gaan of er voldoende kredietruimte bestaat alvorens fiat te verlenen voor de betaling. Indien akkoord bevonden parafeert de desbetreffende persoon in dezelfde blokstempel van de tweede controlestap.
Conclusie: Gebleken is dat geen enkele beheersingsmaatregel, namelijk die ten behoeve van het bewaken van de overschrijding van de door de RvC verleende autorisatie, heeft gewerkt.

4.4.4. De kantonrechter overweegt dat gelet op het vorenstaande, niet valt in te zien waarom de overige controlepersonen niet hebben gewezen op het ontbreken van de suppletie-goedkeuring door de RvC. Immers staat in het CLAD-rapport vermeld dat de afdeling Financiële Administratie belast is met de controle op de aanwezigheid van een goedgekeurd budget c.q. autorisatie. De enkele stelling dat er door eiseres en vanuit de directie werd aangegeven dat alles in orde gemaakt zou worden en dat zij haast hadden bij de afwikkeling van de betaling, neemt de controleplicht van de overige afdelingen niet af. Vooral nu de heer [naam 2] die toentertijd het hoofd was van de afdeling Financiële Administratie, thans directeur van gedaagde sub A, eiseres verwijt van verzaken van haar controleplicht. Indien de suppletie-aanvraag niet geschiedde binnen korte termijn en voornamelijk het hoofd van de afdeling financiële Administratie, die erop moest toezien dat de suppletie-aanvragen niet ontbraken en hij merkte dat er sprake was van overschrijding zonder een suppletie-aanvraag, hij de keuze had uit blokkering van het uitbetalingsproces of dit zelf door te geven aan zowel de directie als de RvC. Gesteld noch gebleken is dat zulks is geschied, zodat de kantonrechter van oordeel is dat het verantwoordelijk stellen van enkel eiseres voor de overschrijding van het budget, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

De functie van eiseres
4.4.5. Het feit dat eiseres niet was belast met de controle op de aanwezigheid van een goedgekeurd budget c.q. autorisatie en ook niet belast was met de feitelijke uitbetaling, draagt bij tot de conclusie vervat onder r.o. 4.4.4.
Uit het CLAD-rapport blijkt dat eiseres belast was met de controle of er conform de overeenkomst is geleverd.

Het verloop van het Future Proofing Organisatie project (FPO)
4.4.6. Eiseres heeft voorts ter comparitie verklaard dat de stuurgroep, de uitvoering door haar als project manager, ondersteunde en ook goedkeurde. Het FPO project is in april 2013 aangevangen. Hierbij is er een autorisatie-aanvraag gedaan voor het bedrag ad
USD 442.000,-. De aangevraagde autorisatie is door de RvC conform artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 verleend, op de voorwaarde dat de Raad alsnog zal beschikken over de afzonderlijke offertes, bestelopdrachten c.q. overeenkomsten. Initieel is heel duidelijk aangegeven hoe het project eruit zou zien, de fasering en alles wat erbij komt. Op een gegeven moment is aangegeven dat de consultant tot een bepaalde fase zou uitvoeren. De eerste suppletie-aanvraag na de autorisatie strekte, naar de kantonrechter begrijpt hiertoe en werd op 19 februari 2014 aangevraagd voor het bedrag ad USD 600.250,-. Deze suppletie-aanvraag werd door de RvC goedgekeurd onder dezelfde door hen gestelde voorwaarde bij de autorisatie-aanvraag. Uit het door gedaagde sub A overlegde, blijkt dat de laatste uitgave op 20 oktober 2015 is gedaan en dat het totaal bedrag dat aan [adviesbureau] is uitbetaald, bedraagt USD 1.496.057,56. Eiseres heeft voorts ter comparitie gesteld dat de tweede suppletie-aanvraag, wel was voorbereid doch was de afhandeling hiervan achterwege gebleven, vanwege de hectische periode en spoed die er was om het project zo snel als mogelijk af te ronden. De spoed werd verklaard door het feit dat het bedrijf klaargezet moest worden om de concurrentie strijd aan te gaan. De tweede suppletie-aanvraag zou ertoe strekken om de implementatie-fase door de consultant te dekken. Immers was bij de begroting nog niet vastgesteld dat ook de implementatie-fase zou worden uitbesteed aan de consultant. Ook is zij niet eraan toegekomen om de voorbereiding van de tweede suppletie-aanvraag af te ronden, omdat zij twee sterfgevallen in de nabije familie had en hierdoor moest afreizen naar Nederland. Toen zij van haar verlofperiode terugkwam, is zij meteen op non-actief gesteld.

4.4.7. In het kader van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat eiseres een rechtsgeldige reden heeft gegeven waarom zij de afwikkeling van de tweede suppletie-aanvraag niet heeft kunnen bewerkstelligen. Hiertegen is er geen weerleggend betoog gevoerd door gedaagden. Daarbij komt nog dat niet valt in te zien, waarom uitsluitend eiseres belast zou moeten worden met de suppletie-aanvraag. Immers is reeds in het CLAD-rapport vastgesteld dat de bewaking van overschrijding van het budget een gedeelde verantwoordelijkheid betreft. Zoals reeds is overwogen onder r.o. 4.4.4. is de kantonrechter van oordeel dat in het belang van het bedrijf, ook anderen konden wijzen op de nog niet ingediende suppletie-aanvraag en de nog niet verkregen toestemming van de RvC.

4.4.8. De kantonrechter overweegt voorts dat de stelling van eiseres dat zij in opdracht en met goedkeuring van de directie handelde, wordt ondersteund met de door haar onder 2.11 van dit vonnis, overgelegde verklaring zijdens de gewezen directeur van gedaagde sub A. Deze verklaring draagt bij tot het oordeel van de kantonrechter, gelet op het feit dat degene die de verklaring heeft afgelegd, de directeur was in wiens opdracht eiseres heeft gehandeld. De enkele stelling, dat de gewezen directeur ook verweten wordt van de onrechtmatige handelingen, die mede hebben geleid tot zijn ontslag en het nader onderzoek naar eiseres, is voor de kantonrechter juist reden om de verklaring mee te nemen bij zijn oordeel. Immers staat vast dat er omtrent de overlapping van hetgeen gedaagde sub A zowel eiseres als de gewezen directeur verwijt, een verklaring is afgelegd door laatstgenoemde. Gedaagde sub A heeft voorts nagelaten om verklaringen van andere directieleden ten processe over te leggen, waaruit het tegendeel van hetgeen is opgenomen in de verklaring van de gewezen directeur moet blijken. Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de stelling van eiseres, dat zij het FPO project heeft uitgevoerd conform het door de directie bepaalde en conform de goedkeuring van de RvC.

Terzake de overeenkomsten die niet terug te vinden zijn
4.4.9. Gedaagde sub A heeft aangevoerd dat de afspraken tussen eiseres en de consultant niet terug te vinden zijn, terwijl er betalingen zijn verricht.
Hiertegenover heeft eiseres gesteld dat er een contract was, waarin de werkzaamheden van de consultant uitvoerig waren vastgelegd. Eiseres heeft voorts aangegeven dat alles wat buiten het contract werd gedaan via de stuurgroep (bevattende de voltallige directie) ging. Er werden regelmatig presentaties en rapportages gedaan. Ook is er van de implementatie-fase een heel uitgebreid schema gemaakt over de aanpak en de fasering. De uitgaven zijn op basis daarvan gedaan.

4.4.10. De kantonrechter overweegt dat indien de overeenkomsten uit hoofde waarvan er betalingen werden verricht niet waren gevonden, gedaagde sub A eiseres hieromtrent had moet vragen alvorens haar op non-actief te stellen. Vooral vanwege het feit dat deze overeenkomst een deel van de grondslag vormen voor de op non-actiefstelling en later het ontslag van eiseres. Eiseres zou tenminste hierover gehoord moeten worden, alvorens gedaagde sub A tot een definitief besluit kwam over de non-actiefstelling en het ontslag. Het nagaan of er was nagekomen alvorens er tot betaling werd overgegaan, was namelijk haar taak als projectmanager. Om te kunnen bepalen of eiseres haar taak goed had gekweten, zouden de overeenkomsten gesloten met [adviesbureau] aan onderzoek moeten worden onderworpen. Er kan niet volstaan worden met de enkele vaststelling dat de overeenkomsten niet zijn gevonden. De kantonrechter overweegt dat op gedaagde sub A, als werkgever een verzwaarde stelplicht rust, uit hoofde waarvan zij aan eiseres had moeten vragen naar de desbetreffende overeenkomsten of de [adviesbureau], met wie de overeenkomsten waren gesloten. De kantonrechter vermag niet in te zien dat er is gepresteerd voor betalingen, terwijl er een onderliggend contract ontbreekt. Nu gedaagde sub A zulks heeft nagelaten, zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de stelling van eiseres dat er is uitbetaald voor prestaties die wel geleverd zijn. Het feit dat het verwijt dat gedaagde sub A aan eiseres maakt, betreft het akkoord dat is gegeven voor betalingen aan [adviesbureau] die het totaal geautoriseerde bedrag overschrijden, en niet dat eiseres heeft geaccordeerd zonder dat de daadwerkelijke prestaties waren geleverd door [adviesbureau], draagt bij tot voormeld oordeel.

4.4.11. Voor zover gedaagde sub A heeft bedoeld te stellen dat er tussen eiseres en [adviesbureau] enige verhouding bestaat, overweegt de kantonrechter dat zij hieraan voorbij zal gaan, nu deze stelling niet onderbouwd is met terzake doende feiten en omstandigheden. Daarbij komt nog dat gedaagde sub A, de stelling van eiseres dat zij geen invloed had op de betrekking van [adviesbureau] bij het project, niet heeft weersproken. Gedaagde sub A heeft evenmin weersproken dat, [adviesbureau] niet voor het eerst is benaderd voor een project van gedaagde sub A.

Het Sociaal plan
4.4.12. De kantonrechter overweegt dat het voormalig Hoofd van de afdeling Interne Controle, ter comparitie heeft verklaard dat er in het Intern Rapport ook een onderdeel was opgenomen dat te maken had met het Sociaal Plan. De kantonrechter overweegt dat nu het Sociaal plan niet is vervat in de ontslagredenen, een overweging hieromtrent achterwege kan blijven. Te meer, nu partijen hierover niet hebben uitgeweid in hun argumentatie.

4.4.13. Uit de door gedaagde sub A overgelegde jaarcijfers (de jaarrekeningen van 2014 en 2015 en het financieel rapport over het jaar 2016) blijkt weliswaar dat gedaagde sub A in het jaar 2014 een nettowinst van SRD 7.048,772 heeft behaald, waarbij in vergelijking met het jaar 2013 een nettowinst van SRD 20.529,528 was behaald, zodat er gelet hierop sprake is van een noemenswaardige achteruitgang. De kantonrechter is echter van oordeel dat het vorenoverwogene onder 4.4 met zich meebrengt dat eiseres, als personeelslid niet enkel aansprakelijk gehouden kan worden voor deze achteruitgang, terwijl een onderbouwde uitleg over de redenen van de achteruitgang ontbreekt.

4.5. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de ontslaggrond dat eiseres haar plichten welke uit de arbeidsovereenkomst en haar functie van manager van het FPO project voortvloeien grovelijk heeft veronachtzaamd, door zich niet te houden aan de geldende comptabele procedures van het bedrijf, alsook dat zij nonchalant en nalatig is geweest met betrekking tot het monitoren van de uitgaven van he FPO project, waardoor zij gedaagde sub A met haar handelingen opzettelijk heeft benadeeld, niet valide is, althans is zulks niet komen vast te staan.
De kantonrechter overweegt dat het ontslag gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer en ook niet berust op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst. Een normale en redelijke werkgever zou niet tot ontslag overgaan, rekening houdende met de feiten dat eiseres vóór dit geval nog nooit is verweten van enige laakbare handeling en dat eiseres bijkans 25 jaren, in dienst is geweest van gedaagde sub A.
Het beroep op artikel 1615s lid 2 sub a BW slaagt, zodat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.6. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 3 BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het opdragen van de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen of in de plaats hiervan het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub A niet te veroordelen het dienstverband met eiseres te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiseres en gedaagde sub A vanaf de non-actiefstelling van eiseres tot aan het onderhavig rechtsproces, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub A reeds zal hebben voorzien in de vacature van de functie die eiseres bekleedde. Dit deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van gedaagde sub B
4.7. Eiseres heeft gesteld dat het besluit van gedaagde sub B in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gedaagde sub B heeft het standpunt van eiseres betwist.

Het beginsel van hoor- en wederhoor
4.8. Overwogen wordt dat partijen op basis van voormeld beginsel in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich op een adequate wijze uit te laten over hetgeen door de wederpartij wordt gesteld, tot op het moment dat er geen nieuwe informatie wordt gegeven. Rekening houdend met de termijn van 30 dagen vervat in artikel 6 lid 3 van Besluit Ontslagcommissie (SB 1986, no.29), zou de nader ingebrachte standpunten, als tardief buiten de beoordeling gelaten moeten worden, voor zover deze niet van dien aard zijn dat er een heroverweging teweeg wordt gebracht. Indien er sprake is van het laatstgenoemde, dient de wederpartij zich hieromtrent uit te laten.
De kantonrechter gaat ervan uit dat alle standpunten vervat in de ontslagbeschikking, meegenomen zijn in de beoordeling van gedaagde sub B, zodat de aangevoerde ontslaggronden wel opgaan.

4.8.1. Ten eerste gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van gedaagde sub B, dat zij gedaagde sub A slechts bij rolbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld om zich schriftelijk uit te laten over het één en ander en dat zulks niet gelijkgesteld kan worden aan het wederhoren van gedaagde sub A, zoals eiseres betoogt. De kantonrechter overweegt dat feit is dat gedaagde sub A, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot tweemaal toe de kans heeft gehad om zich uit te laten ten aanzien van het geschil. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom gedaagde sub A zich voor een tweede keer diende uit te laten over het geschil. Het standpunt van gedaagde sub B dat er sprake was van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de partijen, is geen reden voor het wederhoren van een partij. Immers zullen er in elk geval strijdigheden zijn in de verklaringen van partijen, hetgeen namelijk de reden is dat de ene partij zich wendt tot een onafhankelijke derde, in casu gedaagde sub B, om een oplossing te brengen in hetgeen waarover partijen het oneens zijn. Het wederhoren van een partij, zonder dat de wederpartij zich omtrent het aangevoerde heeft uitgelaten, brengt voorshands mee dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

4.8.2. In de ontslagbeschikking staat als nadere toelichting een nieuw punt vervat, namelijk dat de door eiseres gemaakte afspraken nergens zijn vastgelegd, en dat dit bijdraagt aan de ernst van het verwijtbaar handelen door eiseres. Eiseres heeft zich over dit punt niet kunnen uitlaten.
De kantonrechter overweegt voorts dat hetgeen nader is toegelicht in de ontslagbeschikking onder 2.12 van dit vonnis, waarin vermeld staat dat eiseres de Financiële Administratie onder druk heeft gezet, een versterkte nuancering is van hetgeen is vermeld onder 2.12 van dit vonnis, waarin vermeld staat dat eiseres aan de Financiële Administratie had medegedeeld dat het FPO project niet vertraagd mocht worden. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres zich ook om deze versterkte nuancering, diende uit te laten. Het ‘onder druk zetten’ is namelijk ook een verwijt, waartegen eiseres zich had moeten verdedigen.
Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat eiseres ook in de gelegenheid gesteld diende te worden om zich uit te laten over de stellingen van gedaagde sub A, dat het ongebruikelijk is dat de goedkeuring van de RvC achteraf geschied en de uitlating van gedaagde sub A over de door eiseres overgelegde verklaring afkomstig van haar gewezen directeur.

4.8.3. De kantonrechter overweegt voorts dat zowel aan eiseres als aan gedaagde sub A, het recht om stukken in te dienen en het recht op inzage in de ingediende stukken, toekomt. Voor de vereenvoudiging van het voeren van verweer had het op de weg van gedaagde sub B gelegen om de door partijen ingediende stukken, ter inzage te geven aan de wederpartij, niettegenstaande de stelling dat deze niet door partijen worden opgevraagd. Dit heeft gedaagde sub B nagelaten.

4.8.4. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

Het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval
4.9. De kantonrechter overweegt dat het beginsel van zorgvuldige voorbereiding met zich meebrengt dat gedaagde sub B aan het nemen van een besluit, een onderzoek doet naar alle factoren, welke voor een antwoord op een- in verband met de gerezen ontslagaanvraag en mede in het licht van de toepasselijke regeling- relevante vraag van belang zijn.

4.9.1. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B, haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en wel gelet op het navolgende. Eiseres heeft een belangrijk verweer gevoerd, namelijk dat conform een wettelijke bepaling (artikel 10 lid 2 van de Wet C-38) er wel sprake kan zijn van goedkeuring achteraf verleend door de RvC. Nu zulks in onderhavig geval reeds aan orde was, lag het op de weg van gedaagde sub B om nader hierop in te gaan. Hetgeen ook is gebeurd, maar naar het oordeel van de kantonrechter is hierop niet uitvoerig ingegaan, om het genomen besluit door gedaagde sub B te rechtvaardigen.
Een tweede punt waarop niet voldoende is ingegaan door gedaagde sub B, betreft de functieomschrijving van eiseres en de door haar aangewezen personen in het kader van controle op de overschrijding van het budget.

4.9.2. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de motivering door gedaagde sub B vervat in de ontslagbeschikking betreffende de ontslagaanvragen met betrekking tot de anderen die eveneens door gedaagde sub A zijn ontslagen en hiervan een rechtsproces aanhangig is gemaakt, bekend onder de zaken met als A.R.no. 16-4461 en 16-4462, waarvan een rolvoeging is gelast bij onderhavige zaak, grotendeels woordelijk identiek zijn aan elkaar. Dit doet de kantonrechter voorkomen alsof er geen sprake is geweest van een individuele beslissing en dat de zaken globaal zijn afgedaan aan de hand van de algemeen gestelde verwijtbare handelingen. Het vorenstaande duidt ook aan op een motiveringsgebrek zijdens gedaagde sub B.

4.9.3. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel onderzoek en beslissing van het individuele geval is geschonden.

Het motiveringsbeginsel
4.10. De kantonrechter overweegt dat er op gedaagde sub B een motiveringsplicht rust, die draagkrachtig is en een deugdelijke feitelijke grondslag moet bevatten. Deze motiveringsplicht strekt ertoe, met name ingeval de bezwaren ongegrond worden verklaard, dat eiseres, die tegen de ontslagaanvraag bezwaar heeft, uit de beslissing moet kunnen opmaken waarom aan de aangevoerde bezwaren niet is tegemoetgekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B niet heeft aangegeven op welke wijze gedaagde sub A, de essentiële punten die eiseres heeft aangehaald heeft weerlegd en hoe de belangen van partijen tegen elkaar zijn afgewogen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan volgen hoe gedaagde sub B is gekomen tot haar besluit om de ontslagaanvraag toe te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden.
Nu gedaagde sub B de voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, is de kantonrechter van oordeel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens
eiseres en derhalve nimmer tot het besluit van ontslag had moeten komen, weshalve de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden
vergoed door hem de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden vergoed door hem.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.11. Uit de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding, leidt de kantonrechter af dat eiseres uitgegaan is van:
• 45 maanden brutosalaris en daarover berekende emolumenten omvattende: het salaris, bijdrage aan pensioen, verlies van medische voorzieningen voor twee personen, verlies gekoppeld aan privileges, dienstaansluitingen, verlies van vervoerstoelagen, verlies representatiekosten, verlies van vrij impulsen nationaal verkeer.
• 112,5 vakantiedagen, vakantietoelagen, verlies van gratificatie, verlies van dekking paramedische kostenvergoeding, verlies vergoeding voor extra prestatie en inzet, verlies jubileum in 2020 in verband met 30 jaar in dienst en daarbij behorende uitkering van drie maanden salaris, verlies voorzieningen voor gepensioneerden, verlies elke salariscorrectie vanwege de cao en tegemoetkoming vanwege koersstijgingen en of daarmee samenhangend.
In totaal vordert eiseres het bedrag ad SRD 1.727.368,71 aan schadevergoeding.

4.12. De kantonrechter overweegt dat eiseres geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de toewijzing van de door haar gevorderde schadevergoeding ad SRD 1.727.368,71. rechtvaardigen.
Echter overweegt de kantonrechter op grond van de wet en in lijn met de uitspraak van de uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 oktober 2018, NJ 2018/465), dat gelet op het kennelijk onredelijk ontslag, hij van oordeel is dat op grond van de eisen van goed werkgeverschap, die gedaagde sub A niet in acht heeft genomen, en gelet op de redelijkheid en billijkheid, eiseres aanspraak heeft op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.13. De kantonrechter overweegt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding, het uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat het bij de begroting van de billijke vergoeding aankomt op alle omstandigheden van het geval. In onderhavig geval acht de kantonrechter de mate van benadeling tegenover de belangen die daardoor worden geschaad, van belang ter vaststelling van de vergoeding. De navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang:

Aan de zijde van eiseres
• de duur van de dienstbetrekking van de werknemer. Als onweersproken staat vast dat eiseres 24,5 jaren in dienst was van gedaagde sub A, met een onderbreking.
• de kwaliteit van de werknemer gedurende de dienstjaren. Als onweersproken staat eveneens vast dat eiseres tot op 09 november 2015 nooit is verweten van enige laakbare handeling.
• leeftijd van de werknemer: gelet op de geboortedatum van eiseres, vermeld in de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst, had zij bij haar ontslag een leeftijd van 56 jaar.

Aan de zijde van gedaagde sub A
• het ontbreken van duidelijkheid over de werkloosheid van de werknemer, na de ontslag door de werkgever. Nu eiseres de schadevordering heeft ingesteld, lag het op de weg van haar om concreet aan te geven dat zij na het ontslag werkloos was. De kantonrechter kan hiervan niet zondermeer uitgaan;
• de uitgekeerde vergoeding aan eiseres, rekening houdende met een opzeggingstermijn van zes maanden.

4.14. De kantonrechter zal hierbij ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiseres heeft 24,5 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiseres reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad SRD 15.063,98. Factor C wordt vastgesteld op 0,75. De schadevergoeding komt derhalve neer op 24,5x2x15.063,98×0.75= SRD 553.601,27.
De kantonrechter is van oordeel dat nu geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid conform artikel 1303 BW, deze is namelijk niet bedongen noch vloeit het voort uit de wet, de proportionele aansprakelijkheid van toepassing is op onderhavig geval. Overwogen wordt dat de door gedaagde sub B gepleegde onrechtmatige daad, namelijk het schenden van de onder r.o. 4.7, 4.8 en 4.9 vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het verlengde ligt van de door gedaagde sub A gepleegde onrechtmatige daad, door verlenen van het kennelijk onredelijk verslag aan eiseres. Immers zou de één niet zonder de ander bestaan. Zie hierin het causaal verband van beide onrechtmatige daden en de door eiseres geleden schade. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zowel gedaagde sub A als sub B voor een even groot deel aansprakelijk zijn jegens eiseres. Dit leidt tot de slotsom dat zowel gedaagde sub A als gedaagde sub B elk aansprakelijk zijn voor het bedrag SRD 276.800,63.

4.15. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Veroordeelt gedaagde sub A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 276.800,63 (tweehonderdzesenzeventigduizend achthonderd en drieënzestighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiseres geleden als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.2. Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 276.800,63 (tweehonderdzesenzeventigduizend achthonderd en drieënzestighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiseres geleden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiseres in haar rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 628,- (zeshonderd achtentwintig Surinaamse dollar).

5.5. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2020-29

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-4462
25 augustus 2020
G.S.
Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.
B. DE STAAT SURINAME, m.n. de Ontslagcommissie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 09 september 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser;
• de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 14 december 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 20 december 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 11 januari 2019 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusies tot uitlating producties zijdens eiser;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub B is gelast om producties ten processe over te leggen;
• de mondelinge conclusie tot overlegging producties zijdens gedaagde sub B, die te kennen heeft gegeven dat de rolbeschikking kennelijk is gestoeld op een omissie, waarbij de kantonrechter heeft bedoeld gedaagde sub A in stede van gedaagde sub B;
• de rolbeschikking d.d. 02 oktober 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub A in de gelegenheid is gesteld om producties ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Bij arbeidsovereenkomst gedateerd 27 december 1982, is de dienstbetrekking tussen eiser en gedaagde sub A op 13 december 1982 aangevangen. Eiser is als Medewerker Planning in dienst genomen.

2.2. Eiser heeft tot 13 juli 2016 in de functie van Afdelingshoofd Telesur Verzorgingsgebieden gediend.

2.3. In de salarisspecificatie over de maand april 2016 staat dat eiser het bedrag ad
SRD 10.551,82 heeft ontvangen.

2.4. Bij schrijven gedateerd 08 november 2015, en betekend op 09 november 2015 aan eiser per exploot no. [nummer 1], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Burgzorg, afkomstig van de waarnemend directeur van gedaagde sub A, is eiser in kennis gesteld van het navolgende. In het kader van eiser zijn werkuitvoering, met name bij de aanschaf van telecommunicatie-apparatuur, heeft hij zich schuldig gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen. Het vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en mogelijk aan hem verwijtbare feiten. Het vorenstaande is aanleiding geweest om eiser ingaande 09 november 2015 tot nader order op non-actief te stellen. Hij mocht gedurende de periode van zijn non-actiefstelling gebouwen en terreinen van gedaagde sub A, met uit zondering van de Telesur-poli, niet betreden.

2.5. Bij schrijven gedateerd 10 november 2015, heeft eiser aan gedaagde sub A te kennen gegeven dat hij de beschuldiging vervat in de brief d.d. 08 november 2015, ontkent en dat hij over hetgeen terzake niet is gehoord door gedaagde sub A. Voorts heeft hij de brief geconcludeerd met het beschikbaar stellen van zichzelf om zijn werkzaamheden te hervatten. Deze brief is bij exploot no. [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie,
D. Toekimin, op 10 november 2015 betekend aan [naam 1], assistente van de Chief Financial Officer van gedaagde sub A.

2.6. Bij schrijven gedateerd 11 januari 2016 heeft eiser via zijn procesgemachtigde wederom te kennen gegeven dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verwijten van gedaagde sub A en heeft hij verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om zijn werk te hervatten. Voorts heeft hij zijn grieven geuit ten aanzien van het verstrijken van twee maanden, en dat hij desondanks niet in kennis is gesteld van het door gedaagde sub A verrichte onderzoek en is hij evenmin gehoord hierbij. Ook heeft hij zijn pijnpunt, ten aanzien van de salarisverhoging waarop hij aanspraak maakt, doch niet ontvangt, kenbaar gemaakt.

2.7. Bij schrijven gedateerd 02 februari 2016, dat aan eiser in persoon is betekend per exploot gedateerd 03 februari 2016, no.[nummer 3], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, heeft de waarnemend directeur van gedaagde sub A de verwijten aan eiser onderbouwd.

2.8. Op 04 februari 2016 heeft eiser verweer gevoerd, waarbij hij is ingegaan op de verwijten vervat in de brief gedateerd 02 februari 2016.

2.9. Bij schrijven gedateerd 05 februari 2016, dat per exploot d.d. 05 februari 2016, no.[nummer 4], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, is betekend, heeft gedaagde sub A aangegeven dat het verweer van eiser niet steekhoudend is bevonden. Als toelichting op voormeld besluit is aangegeven dat:
a. Eiser heeft aangegeven dat de levertijden zo kort mogelijk gehouden moesten worden (maximaal 10 dagen vanaf de bestelling), maar dat blijkt niet uitgaande van de ontvangsten in het magazijn (16 oktober 2015) en de factuurdatum (27 augustus 2015). Verder heeft eiser aangegeven dat een ander voordeel was dat gedaagde sub A niet direct hoefde te betalen (risicovermindering), doch staat op de factuur [bedrijf] REF: GEN-20150827-001 d.d. 08/27/2015, betreffende de door eiser bestelde MIFI apparaten, duidelijk als betalingsvoorwaarde: “Pre-Payment Required 100%. Dit betekent dat gedaagde sub A 100% vooruit moest betalen.
b. De door eiser gemaakte calculatie waarbij hij een winst uitrekent van USD 133.000,- is volstrekt onjuist, aangezien hij hierbij alleen de kosten van de modem meerekent. Voor het leveren van de MIFI dienst, zijn er ook kosten verbonden aan onderhoud van het netwerk, afschrijvingen, personeels-en marketingkosten. Door het randapparatuur duurder in te kopen heeft eiser juist de winstgevendheid van de dienst en het bedrijf negatief beïnvloed. In tegenstelling tot wat eiser stelt dat de investering in de MIFI apparaten reeds terug is verdiend, zij opgemerkt dat er pas sprake is van winst als van de opbrengsten alle gemaakte kosten worden afgetrokken.
c. Verder heeft de MIFI een negatieve impact gehad op de customer experience van het mobiel internet, waardoor het aantal klachten voor trage mobiel internet drastisch is toegenomen. Dit ondoordacht handelen heeft gedaagde sub A extra in de kosten gejaagd om licentie kosten te betalen aan [bedrijf 2], initieel USD 4.200.000,- na onderhandeling ruim
USD 1.500.000,-.
d. In 2015 zijn er door tussenkomst van eiser MIFI apparaten besteld. In plaats van rechtstreeks bij de leverancier [bedrijf 2] in te kopen, heeft eiser herhaaldelijk via de tussenpersoon [naam 3], opererende onder de bedrijfsnaam [bedrijf], ingekocht, terwijl gedaagde
sub A reeds jaren rechtstreeks goede zaken doet met [bedrijf 2]. Het verlies dat hierdoor door gedaagde sub A is geleden, is voorlopig becijferd op circa USD 58.955,-. Er is hier dus duidelijk sprake van overfacturering.
Met vorenstaande handelingen heeft eiser grovelijk de plichten, veronachtzaamd welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt. Eiser heeft gedaagde sub A ernstig financieel benadeeld. Als gevolg van het voorgaande is het gestelde vertrouwen ernstig geschonden. Van gedaagde sub A kan ook niet redelijkerwijs worden verwacht dat zij de dienstbetrekking zal laten voortduren. Aan eiser is gelet op het vorenstaande ontslag aangezegd.

2.10. Bij beschikking gedateerd 18 februari 2016 afkomstig van de Arbeidsinspectie, afdeling van het Ministerie van Arbeid, heeft gedaagde sub A volhard in de door haar opgegeven ontslaggronden. Voorts heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij het verweer in het kader van de opgegeven redenen, niet steekhoudend heeft bevonden.
Eiser heeft zich bij de Arbeidsinspectie verweerd door aan te geven:
• dat hij daadwerkelijk de apparaten heeft aangekocht, doch dat deze handeling niet op eigen initiatief, maar in opdracht van de toenmalige directie heeft plaatsgevonden;
• dat de bestellingen van en de betalingen voor de apparaten met goedkeuring van de toenmalige RvC en de directie zijn geschied, en dat deze verklaring door de werkgever niet is weerlegd;
• dat hij in verband met het verwijt aan zijn adres niet afdoende in de gelegenheid is gesteld zich terzake op deugdelijke wijze te verweren, vermits het door de werkgever opgegeven schadebedrag door laatstgenoemde niet is onderbouwd en dat hij voorts is aangezegd zich te verweren, zonder dat hij is geconfronteerd met het resultaat van het intern gepleegd onderzoek, dan wel met enig onderliggend stuk.

2.11. In voormelde beschikking afkomstig van de Arbeidsinspectie staat voorts dat beide partijen in verband met de ontslagaanvraag zaken hebben toegelicht en onderbouwd middels het overleggen van diverse bescheiden. Arbeidsinspectie is tot het oordeel gekomen dat niet, althans niet voldoende is komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen welke een ontslag als het onderhavige redelijkerwijs zouden kunnen rechtvaardigen. Er is gelet op het vorenstaande bezwaar tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser aangetekend.

2.12. Bij schrijven gedateerd 19 februari 2016, dat per exploot d.d. 19 februari 2016, no. [nummer 5], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet om tot opheffing van de non-actiefstelling over te gaan en zal deze maatregel derhalve blijven handhaven.

2.13. In de verklaring gedateerd 15 maart 2016, heeft [naam 2], als toenmalige directeur van gedaagde sub A, verklaard dat eiser na goedkeuring van en in opdracht van de directie, na verkregen autorisatie van de RvC, de MIFI apparaten en HAUS toestellen in het kader van de snelle uitbreiding van het aantal breedbandaansluitingen en de vervanging van slecht functionerende toestellen op het netwerk bij [bedrijf] heeft besteld. Een en ander hield allemaal verband met de toen actuele concurrentiedruk. De financiële afhandeling en inklaring heeft plaatsgevonden door de verantwoordelijk afdelingen (inkoop en financiële administratie).

2.14. In de ontslagbeschikking gedateerd 31 maart 2016, staat dat gedaagde sub A het navolgende heeft aan gegeven naar aanleiding van de reactie van eiser:
• de veroorzaakte vertraging in het netwerk door het gebruik van de MIFI-apparaten blijkt uit de netwerkstatistieken, waarin technisch is onderbouwd met netwerk verkeerscijfers dat het MIFI-verkeer is toegenomen van 0% naar 21 % van het totaal mobiel internetverkeer, met als gevolg dat ongeveer 42000 mobiel internetgebruikers een verslechterd mobiel internetverkeer hebben ondervonden, daar alle mobiel internetnetwerklicenties zijn overschreden door de ondoordachte introductie van MIFI;
• dat de levertijd van [bedrijf] 19 tot 50 dagen is geweest, waardoor er niet kan worden gesteld dat [bedrijf] sneller levert dan [bedrijf 2];
• dat de groei van 0 naar 21% op het netwerkverkeer als gevolg van het gebruik van de MIFI-apparaten zich zodanig heeft gemanifesteerd dat alle netwerklicenties voor mobiel internet overschreden zijn, met als gevolg dat de netwerkleverancier [bedrijf 2] gedaagde sub A een boetebedrag van ruim USD 4.100.000,- voorlegde voor over-verbruik van alle licenties;
• dat indien MIFI niet was ingevoerd de boven aangehaalde kosten niet zouden zijn gemaakt en zou het bedrijfsresultaat en de cashflow niet negatief zijn beïnvloed;
• dat de verklaring van de gewezen directeur niet als bewijs kan worden aangemerkt, aangezien de oud directeur deel is van de onrechtmatige handelingen, die mede hebben geleid tot zijn ontslag en het nader onderzoek naar eiser;
• dat de rol van de afdelingen Inkoop en Financiële Administratie totaal niets te maken heeft met het benadelen van het bedrijf;
• dat ongeacht welke strategieën ook hebben gegolden bij de bedrijfsvoering, men nimmer kan en mag voorbijgaan aan comptabele regels en voorschriften en dat uit onderzoek is gebleken dat zulks wel degelijk is gebeurd.

2.15. In de ontslagbeschikking staat dat de Ontslagcommissie, het navolgende heeft aangegeven:
• dat het de Ontslagcommissie is gebleken dat in het door het bedrijf verrichte onderzoek alle aangehaalde activiteiten en de daarbij getrokken conclusies onderbouwd zijn met relevante nota’s en andere onderliggende stukken;
• dat het de Ontslagcommissie uit de door de gedaagde sub A overgelegde documenten tevens is gebleken dat het door eiser gevoerd verweer, met betrekking tot de aanschaf van de apparaten bij [bedrijf] in plaats van [bedrijf 2], niet valide is;
• dat het de ontslagcommissie uit de overgelegde stukken ook is gebleken dat bestaande procedures binnen gedaagde sub A niet althans niet genoegzaam zijn nageleefd, hetgeen financiële consequenties heeft gehad voor het bedrijf;
• dat gelet op het voorgaande, de door gedaagde sub A overgelegde documenten, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie in casu van oordeel is dat gedaagde sub A het gestelde met betrekking tot het geschonden vertrouwen voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met eiser te laten voortduren.
De Ontslagcommissie heeft op grond van het vorenstaande besloten om vergunning te verlenen aan gedaagde sub A ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

2.16. Bij brief gedateerd 31 maart 2016, die per exploot d.d. 01 april 2016, no. [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, is hem namens de waarnemend directeur, door de Coördinator Technische Zaken ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 31 maart 2016 tot en met 30 maart 2017.

2.17. Nadat partijen over en weer waren gehoord door de Ontslagcommissie van gedaagde sub B heeft laatstgenoemde nadere informatie doen opvragen bij gedaagde sub A, waarvan de inhoud onbekend was bij eiser en is hij daaromtrent evenmin nader gehoord.

2.18. Bij brief gedateerd 06 april 2016 heeft eiser via zijn gemachtigde aangegeven dat het aangezegde ontslag, ingevolge artikel 8 Decreet C-38 nietig is, nu de Coördinator Technische Zaken geen directeur of onderdirecteur is en slechts de directie van gedaagde sub A belast is met de aanzegging van het ontslag aan personeelsleden. Ook is gedaagde sub A erop gewezen, dat ingevolge artikel 1615i BW, de dienstbetrekking eindigt op 31 mei 2017 in stede van 30 maart 2017, uitgaande van de aanzegging op 01 april 2016.

2.19. Bij brief gedateerd 08 april 2016, die per exploot d.d. 08 april 2016, no. [nummer 7], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, is hij namens de waarnemend directeur, zijn ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 08 april 2016 tot en met 31 mei 2017.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser volledig te herstellen en hem in de gelegenheid zal stellen zijn werkzaamheden in zijn laatste functie onbelemmerd en ongestoord uit te voeren;
b. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser te betalen, zijn loon en emolumenten, te rekenen vanaf 01 juni 2017 tot aan de datum waarop de dienstbetrekking wordt hersteld, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding.

Subsidiair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 697.437,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
en
b. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 697.437,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Ontslagcommissie verleende ontslagvergunning, waardoor eiser ernstig in zijn rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2. Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat zijn ontslag ingevolge artikel 1615s lid 2 sub a en b BW kennelijk onredelijk is. Gedaagde sub A heeft in strijd gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap. Ook is het ontslagbesluit van gedaagde sub B in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiser draagt voorts ook geen kennis van het onderzoeksrapport dat gedaagde sub A ten grondslag heeft gelegd aan haar ontslagaanvraag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
De opgegeven ontslaggronden door gedaagde sub A
4.1. Gedaagde sub A heeft gesteld dat eiser in het kader van zijn werkuitvoering, met name bij de aanschaf van telecommunicatie-apparatuur, zich schuldig gemaakt aan ontoelaatbare handelingen en ernstige aan hem verwijtbare feiten. Deze stelling is als volgt onderbouwd door gedaagde sub A.

4.1.1. Uit een intern onderzoek dat is verricht naar onregelmatigheden binnen gedaagde sub A, is onder andere gebleken dat in 2015 er door tussenkomst van eiser MIFI apparaten zijn besteld. Het was zeer opvallend dat ervoor gekozen is, om niet rechtstreeks bij de leverancier [bedrijf 2] in te kopen, maar via de tussenpersoon [naam 3], opererende onder de bedrijfsnaam [bedrijf], terwijl gedaagde sub A reeds jaren goede zaken doet met [bedrijf 2]. Het verlies dat hierdoor geleden is door gedaagde sub A, is becijferd op ca. USD 58.955,-. Er is hier dus duidelijk sprake van overfacturering.

4.1.2. Een nader onderzoek van [bedrijf] heeft tevens uitgewezen dat [bedrijf] een op papier gecreëerd bedrijf is, kennelijk met het doel om onder die naam diensten te verlenen aan gedaagde sub A. Eiser onderhield vanaf het jaar 2007 namens gedaagde sub A contact met [naam 3] toen hij in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van [bedrijf 3] fungeerde. Het gebruik maken van een bedrijf dat slechts op papier bestaat, waarbij er voor gedaagde sub A zeer nadelige transacties worden gepleegd, wordt gekwalificeerd als het bewust benadelen van gedaagde sub A.

4.1.3. Eiser heeft voorts zonder de nodige zorgvuldigheid, die een werknemer in ieder geval op zijn niveau betaamt, in acht te nemen, herhaaldelijk via [bedrijf], welk bedrijf aan gedaagde sub A verbonden was, MIFI apparaten aangekocht, terwijl gedaagde sub A over een inkoopafdeling beschikt.

4.1.4. Alhoewel dezelfde apparaten bij [bedrijf 2] goedkoper zijn en de afdeling Inkoop hem daarop heeft geattendeerd, is eiser toch door is gegaan met het aankopen van de duurdere apparaten via [bedrijf].

4.1.5. Ondanks de technische achtergrond van eiser, heeft hij genoemde apparaten niet eerst laten testen op hun werking, maar heeft hij deze ongeconditioneerd verkocht aan klanten van gedaagde sub A, met als gevolg dat de MIFI-apparaten een negatieve impact hebben gehad op de customer experience van het mobiel internet, waardoor het aantal klachten voor trage mobiel internet drastisch is toegenomen.

Het verweer van eiser tegen de ontslaggronden van gedaagde sub A
4.2. Eiser heeft uitvoerig verweer gevoerd tegen de stellingen van gedaagde sub A. Het verweer komt neer op het navolgende.

4.2.1. Aanschaf MIFI apparatuur bij [bedrijf]:
In 2015 is er MIFI apparatuur aangeschaft via [bedrijf] (directeur/eigenaar [naam 3]) i.p.v. [bedrijf 2].

Voorwaarden voor-en bij aanschaf van alle hardware en of apparatuur
• Aanschaf heeft altijd plaatsgevonden in opdracht van de directie.
• Bestellingen en betalingen hebben altijd plaatsgevonden met goedkeuring van de RvC (goedgekeurde autorisaties) en directie.
• Fysieke betaling heeft plaatsgevonden in opdracht van de Financieel directeur.
• Levering van bestelling is altijd inclusief vracht, afhandeling en assurantie af magazijn Telesur Tweede rijweg.

4.2.2. De redenen voor aanschaf van MIFI’s algemeen
[naam 3], directeur eigenaar van [bedrijf], is in 2010 door de voormalig Technisch directeur [naam 4], bij gedaagde sub A binnengebracht als consultant. Vanaf toen heeft [naam 3] gefunctioneerd als Technisch en Financieel adviseur op verschillende gebieden (Rapporten zijn gedaagde sub A bekend) binnen gedaagde sub A. Alle technische en eventueel financiële besluiten op technisch vlak moesten via de consultant geschieden.

In de periode 2014-2015 heeft eiser geconcludeerd dat er een behoorlijke achterstand was ontstaan in aanvragen voor ADSL aansluitingen (dit vanwege de trage aansluitsnelheid en/of tekort aan koper in gebieden). Daarnaast waren de concurrenten van gedaagde sub A altijd voor om die potentiële klanten af te romen van gedaagde sub A. Er werd met de ervaringen toen opgedaan, met USB dongles gepoogd invulling te geven aan het schrijnend tekort aan breedband aansluitingen. Echter werd al gauw duidelijk dat de dongles voor een zeer beperkte groep interessant was. Alleen gebruikers met een PC konden hiervan gebruik maken. Immers moest de dongle in een PC gestopt worden om deze te laten functioneren. Uit het toenmalig marktonderzoek bleek dat de grootste groep klanten behoefte had aan een andere breedband oplossing. Aangezien niet alle klanten beschikten over een PC en eigenlijk met hun smartphone een breedband verbinding wilden, moest worden uitgekeken naar een andere oplossing.
Samen met de consultant ([naam 3]) werd naar alternatieven gekeken. Er werd toen voorgesteld een MIFI device uit te proberen. Deze MIFI had alleen een 3G mogelijkheid. Na een test periode werden deze MIFI’s (5 voor test) goed bevonden. Ook zijn deze MIFI’s getest door de PUOM groep.

4.2.3. Waarom de MIFI’s zijn aangeschaft bij [bedrijf]
• Door de slechte ervaring die gedaagde sub A toen had met [bedrijf 2] wat betreft consumer equipment o.a. MSAN modem die niet functioneerde op hun eigen Huawei MSAN apparatuur geïnstalleerd ter vervanging van de Ercisson EDA apparatuur. Ook een aantal [bedrijf 2] cellulairs voldoen niet in het netwerk van gedaagde sub A. Dit is ook voorgehouden aan gedaagde sub A door de PUOM groep.
• Van eminent belang bij de bestelling waren de levertijden, deze moesten zo kort mogelijk gehouden worden, max 10 dagen vanaf bestelling. [bedrijf 2] kon dat niet, recentelijk ook weer bewezen toen in oktober 2015 een bestelling van CPE equipment werd geplaatst en pas tegen januari/februari 2016 werd geleverd.
• Daarnaast was een minimale afname van 2000 per model verplicht gesteld door [bedrijf 2]. De commerciële groep wist toen nog niet hoe de verkoop van deze equipment zou verlopen.
• [bedrijf] heeft 100% prepayment gedaan. De directie van gedaagde sub A heeft toen besloten om bij wijze van proef 500 MIFI’s te bestellen. Deze bezending was binnen 5 dagen in Suriname en binnen 3 dagen geïnstalleerd en was de vraag hiernaar niet te stuiten, zo enthousiast reageerden de klanten.
• [bedrijf] is een formeel, in de USA, geregistreerd bedrijf en gedaagde sub A heeft dus al jaren zaken met dit bedrijf gedaan, steeds naar tevredenheid van de toenmalige directie van gedaagde sub A. Dit vanwege de goede ervaringen met [bedrijf]. Afspraken met betrekking tot levering, levertijden en garantie zijn altijd nagekomen bij voorgaande bestellingen.
• Andere bedrijven vinden gedaagde sub A vanwege slecht betalingsgedrag onbetrouwbaar en willen geen zaken doen met gedaagde sub A.

4.2.4. Vervolgtraject aanschaf
Tijdens het MIFI project werden een aantal voorstellen en pointers door klanten en technici van gedaagde sub A meegenomen en werd de aanschaf aangepast en wel als volgt:
• Alle klanten, indien bij hoge uitzondering, in de toekomst te voorzien van vaste MIFI (CPE) aansluitingen.
• Klanten die een LAN nodig hebben voor een camera security systeem of soortgelijk, ook uit te rusten met CPE equipment (eventueel vervanging van bestaande MIFI).
• Vanwege de veel grotere aantallen, de bestelling elders te plaatsen (voorstel [bedrijf 2]).
o Door eiser is toen opnieuw contact gemaakt met de sales representative van [bedrijf 2] (voornaam). Hierbij is toen een offerte opgevraagd met levertijden en is een bestelling van 2000 CPE units met de mogelijkheden 3G en LTE700-1800Mhz besteld bij [bedrijf 2]. Deze bestelling was tot op de datum van zijn non-actiefstelling reeds geleverd, maar de inzet is niet bekend bij eiser.
• Eiser heeft ontkend dat het gebruik van de MIFI-apparaten, een vertraging heeft veroorzaakt in het netwerk en heeft aangegeven dat deze apparaten vooraf wel zijn getest en goed zijn bevonden.

4.2.5. Kostenprijscalculatie MIFI
Er zijn in totaal 3800 MIFI’s besteld waarvan 300 voor het binnenland project. Van deze 3800 (3G-HSPA, LTE 700-1800). De rest is 3G-HSPA only.
Totaal unitprijs USD 421.227,-
Assurantie, vracht en afhandelingkosten USD 36.726,-
Generaal totaal USD 458.953,-
In de brief is aangegeven dat USD 58.955,- extra is uitgegeven. Dit is een bewering van gedaagde zonder enige onderbouwing of bewijsstuk zijdens gedaagde sub A, zodat eiser vindt dat hij in zijn verweer wordt geschaad.
Om de vergelijking reëel te kunnen maken is daarom een uitleg gegeven omtrent de periode waarbij de apparaten zijn aangeschaft.
Hetgeen eiser verweten wordt, is voor hem niet begrijpelijk aangezien:
• Nergens formeel is aangegeven dat er bij [bedrijf 2] besteld moet worden.
• Het is geen vreemd verschijnsel om apparatuur en/of hardware ondanks duurder toch te bestellen. Zie openbare aanbesteding van GSM waarbij Huawei een stuk duurder was dan Alcatel-Lucent, maar toch is gekozen voor Huawei.
• De investering reeds is terugverdiend. Zie de hierbij gemaakte kostencalculatie.
Ingezet tot heden: 3200 devices
Aanschaf USD 459.000,-
Gemm. Aantal klanten met 3 jarig contract (2000)
2000X SRD 104,- (X 6 maanden in gebruik) USD372.537,31
1000X SRD 131,- (X 5 maanden in gebruik) USD 195.522,39
200X SRD 131,- (X 5 maanden in gebruik) USD 23.462,69
Totaal USD 591.522,3
Gedaagde sub A winst USD 133.000,-
De koers die is gehanteerd is SRD 3,35 voor USD 1,-

4.2.6. Conclusie
• Gedaagde sub A heeft aangegeven dat er USD 58.955,- extra is uitgegeven (overfacturering). Uit eiser zijn calculaties blijkt dat voornoemd bedrag reeds meer dan 2X is terugverdiend (nogmaals: dit is worstcase scenario).
• Had eiser dit niet gedaan of later gedaan, was de kans groot deze klanten te verliezen en de inkomsten mis te lopen.
• Over de periode van nog twee jaar zullen de inkomsten (inclusief verlaging van de tarieven en rekening houdend met koers verschillen SRD5.0) zijn: 3800 X 75 X 24 maanden
USD 1.368.000,- (MIL). Hierbij vermeerderd met vorig jaar, totaal USD 2.000.000,- (afgerond).
Reden waarom ondergetekende contact heeft met [naam 3]:
Ondergetekende heeft vanaf [naam 3] bij [bedrijf 3] als Sales manager was aangesteld (2007), uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid als project manager bij toenmalig IGP contact gehad met eerder genoemde. Aangezien eiser niet alleen belast was met de uitvoer, maar ook de offerten en bestellingen moest voorbereiden, is dit contact gebleven. Ook nadat [bedrijf 3] failliet werd verklaard en [naam 3] via de toenmalige Technisch directeur [naam 4] als consultant voor gedaagde sub A werd aangetrokken, bleef het contact ongewijzigd. Voormalig IGP (tegenwoordig B&I) functioneerde onder [naam 4] en moesten alle technische zaken (Transmissie, Centrales etc.) via deze consultant worden afgehandeld. Eiser moest dus het contact blijven onderhouden. Als projectmanager en/of leidinggevende is het immers belangrijk een goed netwerk van deskundigen te onderhouden.
Zoals hierboven is aangegeven, heeft eiser de opdrachten van de directie uitgevoerd. Hij heeft zich dus op geen enkele wijze schuldig gemaakt aan enig ontoelaatbare handeling, zodat de beschuldiging van gedaagde sub A aan eiser, alsof hij haar bewust zou hebben benadeeld, onterecht is.
• Eiser heeft gesteld dat hij zijn werkzaamheden altijd naar behoren en naar eer en geweten heeft uitgevoerd, reden waarom er ook nooit een maatregel tegen hem is getroffen;

Ten aanzien van het gestelde kennelijk onredelijk ontslag
4.3. De kantonrechter definieert het kennelijk onredelijk ontslag als volgt: een ontslag van een werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever.
De kantonrechter zal voor de vaststelling of er al dan niet sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, de door eiser en gedaagde sub A gestelde feiten en omstandigheden toetsen aan hetgeen is bepaald onder artikel 1615s lid 2 sub a en b BW en voormelde gehanteerde definitie van het kennelijk onredelijk ontslag.

Terzake de overfacturering
4.4. De kantonrechter is van oordeel dat eiser uitvoerig en afdoend verweer heeft gevoerd tegen de redenen die kort samengevat erop neerkomen:
4.4.1. dat hij de opdrachten van de gewezen directieleden, waaronder de toenmalige directeur van gedaagde sub A heeft opgevolgd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij de desbetreffende verklaring ten processe overgelegd, waarvan de inhoud is vermeld onder 2.13 van dit vonnis.
4.4.2. dat de door hem gedane inkopen, in tegenstelling tot hetgeen gedaagde sub A aangeeft voordelig is geweest voor gedaagde sub A.

4.5. Ter comparitie is het navolgende gebleken. De inkoopprocedure vangt aan met een aanvraag door de betreffende afdeling. Met de aanvraag kunnen soms offertes worden meegestuurd door de afdeling die de aanvraag deed. Indien er geen offertes worden opgestuurd, moet de Afdeling Inkoop een offerte zoeken bij verschillende leveranciers. Op basis hiervan wordt een vergelijking gemaakt door de Afdeling Inkoop en wordt de bestelling geplaatst bij de leverancier. Ten slotte komen de goederen binnen, na de inklaring en worden zij opgeslagen in het magazijn. In onderhavig geval, zijn de MIFI apparaten niet via voormelde procedure ingekocht.
Er zijn twee soorten autorisaties die verkregen moeten worden in onderhavig geval, namelijk:
• een autorisatie afkomstig van de directeur of de onderdirecteur, ten aanzien van bestellingen buiten de normale procedure;
• en een autorisatie van de RvC indien het betalingsbudget een bepaald bedrag overschrijdt.
Het voormalig hoofd van de Afdeling Inkoop heeft namens gedaagde sub A verklaard dat hij niet weet of eiser geautoriseerd is door de directie, maar dat hij bij het onderzoek heeft geconstateerd dat er niet voor elke factuur een autorisatie van de RvC is gegeven.
Eiser heeft ter comparitie voorts verklaard dat hij formeel is belast met de aanvraag van offerte en aan de hand hiervan heeft hij de bestellingsopdracht gedaan. De directie is echter uiteindelijk belast met het ondertekenen van een bestelling of inklaring. De betaling aan de leverancier verloopt formeel via de boekhouding. Voorts heeft eiser verklaard dat er aan alle formaliteiten gevolg is gegeven.
Eiser heeft ook nog aangegeven dat hij pas op de dag van de comparitie, voor het eerst wist dat er autorisaties van de RvC ontbraken. Dat is hem nooit kenbaar gemaakt en in de opgegeven ontslagredenen is er hiervan ook nooit melding gemaakt.

Ten aanzien van de autorisatie van de directie
4.5.1. De kantonrechter overweegt dat de stelling van eiser dat hij de autorisatie van de directie had om de door hem gedane inkopen te doen, wordt ondersteund door de verklaring van de gewezen directeur. Deze verklaring draagt bij tot het oordeel van de kantonrechter, gelet op het feit dat degene die de verklaring heeft afgelegd, de directeur was in wiens opdracht eiser heeft gehandeld. De enkele stelling, dat de gewezen directeur ook verweten wordt van de onrechtmatige handelingen, die mede hebben geleid tot zijn ontslag en het nader onderzoek naar eiser, is voor de kantonrechter juist reden om de verklaring mee te nemen bij haar oordeel. Immers staat vast dat er omtrent de overlapping van hetgeen gedaagde
sub A zowel eiser als de gewezen directeur verwijt, een verklaring is afgelegd door laatstgenoemde. Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de stelling van eiser, dat hij de autorisatie van de directie had om de door hem gedane inkopen te doen.

4.5.2. De kantonrechter overweegt dat de stellingen van de gemachtigde van gedaagde sub A ter comparitie, dat voor het comptabel maken van het proces, de omzeiling van de standaardprocedure moet worden doorgegeven aan de Afdeling Inkoop en dat het afdelingshoofd, de persoon is die de autorisatie-aanvraag voorbereid en allemaal meestuurt, niet is onderbouwd met stukken waarin die stellingen staan opgenomen. Er is ook niet aangetoond hoe eiser op de hoogte hiervan zou moeten zijn. Voorts strookt deze stelling niet met het rapport van de Centrale Landsaccountant Dienst (CLAD- rapport), waarin staat vermeld dat gedaagde sub B niet beschikt over formele procedure beschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedingsprocedure en overige procedures. De kantonrechter kan derhalve niet uitgaan van de juistheid van de informatie gegeven door de gemachtigde van gedaagde sub A.

Ten aanzien van de autorisatie van de RvC
4.5.3. De kantonrechter overweegt dat nergens uit blijkt dat eiser heeft geweten dat er een autorisatie van de RvC ontbrak. Daarenboven wordt overwogen dat niet valt in te zien, waarom een personeelslid de verantwoording zou hebben om erop toe te zien dat de autorisatie afkomstig van de RvC niet ontbrak. Het vorenstaande is de taak van de directie, tenzij anders is bepaald door de organisatie. Uit artikel 8 lid 8 van de Wet C-38, waarin is bepaald dat het overig personeel van gedaagde sub A door de directeur wordt aangesteld, geschorst en ontslagen, leidt de kantonrechter af dat de directeur de gezaghebbende is over het overig personeel. De kantonrechter is van oordeel dat eiser als personeelslid onder het gezag van de directie en meer in het bijzonder de directeur viel. Eiser kon derhalve gerechtvaardigd ervan uitgaan dat er uitvoering gegeven moest worden aan de opdrachten van de directeur. Reden te meer nu deze omkleed waren met aanvaardbare redenen, die uitvoerig door eiser zijn gemotiveerd onder r.o. 4.2.

4.5.4. De kantonrechter overweegt dat gedaagde sub B haar stelling, dat eiser de genoemde apparaten niet eerst heeft laten testen op hun werking en dat hij deze ongeconditioneerd heeft verkocht aan klanten van gedaagde sub A, niet heeft onderbouwd met terzake doende feitelijkheden, terwijl eiser gemotiveerd verweer heeft gevoerd terzake. Deze stelling is derhalve niet in rechte komen vast te staan.

4.6. Gelet op het vorenstaande, had eiser noch de bevoegdheid noch reden om de opdracht afkomstig van de directeur te weigeren. Dit leidt tot het oordeel dat de ontslaggrond dat eiser gedaagde sub A met zijn handelingen opzettelijk heeft benadeeld, niet valide is. Het beroep op artikel 1615s lid 2 sub a BW slaagt, zodat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook op basis van de andere onderbouwingen van voormelde ontslaggrond, er ook sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.

Ten aanzien van de e-mailwisseling tussen eiser en Hoofd van de Afdeling Inkoop
4.7. De kantonrechter overweegt dat uit de e-mailberichten tussen eiser en het (gewezen) hoofd van de Afdeling Inkoop, [naam 5], de intentie van eiser duidelijk naar voren komt. Zoals eiser reeds heeft onderbouwd in r.o. 4.2., heeft hij dezelfde uitleg aan [naam 5] gegeven, toen laatstgenoemde melding maakte van de goedkopere prijzen die [bedrijf 2] bood.
De uitleg van eiser leidt tot de conclusie dat, in tegenstelling tot hetgeen gedaagde sub A betoogt, eiser gericht was op het behalen van voordeel ten behoeve van gedaagde sub A.

Ten aanzien van de MIFI Device User Impact
e. De kantonrechter overweegt dat uit het overgelegde document MIFI Device User Impact, de stelling van gedaagde sub A, dat de MIFI een negatieve impact gehad op de customer experience van het mobiel internet, waardoor het aantal klachten voor trage mobiel internet drastisch is toegenomen, niet wordt ondersteund. Een zelfgemaakte powerpoint presentatie, met bevindingen zonder de grondslag of bron aan te geven, draagt niet bij tot de vaststelling van de door gedaagde sub A geponeerde stelling. Gedaagde sub A had desnoods met een user poll, de bevindingen van haar klanten ten aanzien van de MIFI apparatuur moeten vaststellen. Voor de kantonrechter is onduidelijk hoe de powerpoint presentatie, een indicatie van de customer experience moet vaststellen. Immers is er geen uitvoerig onafhankelijk onderzoek gedaan naar de bevindingen van de klanten van gedaagde sub A over de MIFI apparaten.
Ook de stelling van gedaagde sub A, dat het handelen van eiser haar in extra kosten heeft gejaagd om licentie kosten te betalen aan [BEDRIJF 2], initieel USD 4.200.000,- na onderhandeling ruim USD 1.500.000,-, gaat niet op. Er is geen ondersteunend materiaal ter verificatie van deze stelling overgelegd.

Ten aanzien van de gestelde benadeling van gedaagde sub A
4.8. Na het intern rapport van gedaagde sub A op naam van eiser te hebben doorgenomen, overweegt de kantonrechter het navolgende. Het intern rapport bestaat uit de door gedaagde sub A gestelde ontslaggronden, facturen van [bedrijf], een document over het adres van [bedrijf], een door gedaagde samengestelde prijsvergelijking tussen het aanbod van [bedrijf 2] en van [bedrijf] en een overzicht betreffende de consultancy fees betaald aan [bedrijf].

4.8.1. Uit de overgelegde documenten blijkt niet op welke wijze eiser onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens gedaagde sub A. Immers blijkt niet dat eiser opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de betalingen aan [bedrijf]. Evenmin blijkt dat eiser de feitelijke betalingen heeft verricht. Eiser heeft gesteld dat op de facturen de handtekeningen van
[naam 6] en [naam 2], zijnde de gewezen onderdirecteur en de directeur van gedaagde sub A, staan. Deze stelling is niet weersproken door gedaagde sub A, zodat deze stelling rechtens vaststaat tussen partijen.

4.8.2. De kantonrechter merkt op dat op alle facturen van [bedrijf] als adres staat vermeld: 1830 radius drive Hollywood fl 33020, Unit no. 1123, terwijl in het document, dat gedaagde sub A heeft overgelegd ter ondersteuning van haar stelling dat [bedrijf] niet bestaat, als adres staat vermeld: 315 NW 153RD AVE PEMBROKE PINES, FL 33028. Nu er geen nadere toelichting is gegeven door gedaagde sub A hieromtrent, zal de kantonrechter voorbijgaan aan deze stelling van gedaagde sub A.
De kantonrechter merkt op dat uit de facturen met de kenmerknummers: GEN-20150511-001 en GEN-20150722-001 blijkt, dat het volledig bedrag betaald dient te worden binnen
15 dagen. Uit deze facturen blijkt ook dat de levering van de bestellingen respectievelijk op 18 mei 2015 en 06 augustus 2015 heeft plaatsgehad. Uitgaande van de factuurdatum van
11 mei 2015 en 22 juli 2015, worden de stellingen van eiser ten aanzien van de snelle levering binnen 5 tot 15 dagen en de mogelijkheid op betaling achteraf, bekrachtigd.
Uit de factuur met als kenmerknummer GEN-20150827-001, blijkt dat er een 100% vooruitbetaling is vereist. Ook blijkt dat de goederen op 10 oktober 2015 zijn ontvangen. De kantonrechter overweegt dat er onvoldoende facturen zijn overgelegd, uit hoofde waarvan bepaald kan worden dat de stellingen van eiser niet opgaan. Immers worden de stellingen van eiser door twee facturen bekrachtigd, terwijl er als weerleging van de stelling, slechts één factuur is overgelegd. Daarbij komt nog dat in het kader van een vergelijking met de bestelling rechtstreeks via [bedrijf 2], de desbetreffende facturen niet zijn overgelegd. Dit, ondanks gedaagde sub A meent dat er in het verleden veelvuldig zaken werd gedaan met [bedrijf 2].

4.8.3. De kantonrechter overweegt ten aanzien van het overzicht van de consultant fees, dat nergens uit blijkt dat de betalingen aan of de aanstelling van [naam 3] dan wel [bedrijf], op initiatief van eiser is gedaan. Dit leidt ertoe dat hij hiervoor ook niet aansprakelijk gesteld kan worden.

4.8.4. Voor wat betreft het overzicht betreffende de prijsvergelijking tussen de prijzen van [bedrijf] en [bedrijf 2], overweegt de kantonrechter dat gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser, die neerkomt op het ontbreken van onderbouwend bewijs, het overzicht buiten beoordeling gelaten moet worden. Immers staat nergens vast waarop de eenheidsprijs van [bedrijf 2] is gebaseerd. Er is namelijk geen factuur afkomstig van [bedrijf 2] overgelegd, op basis waarvan de vergelijking gemaakt zou kunnen worden. Met dit overzicht wordt de door eiser gemaakte calculatie vervat onder r.o. 4.2.5 niet weerlegd.

4.8.5. Uit de door gedaagde sub A overgelegde jaarcijfers (de jaarrekeningen van 2014 en 2015 en het financieel rapport over het jaar 2016), blijkt dat hoewel gedaagde sub A in het jaar 2014 met een noemenswaardige achteruitgang in haar nettowinst is getroffen (van
SRD 20.529,528 naar SRD 7.048,772), het bedrijf in 2015, met een nettowinst van
SRD 22.384,- winstgevend was. Vooropgesteld dient te worden dat eiser niet aansprakelijk gesteld kan worden door de gedaagde sub A geleden verliezen. Eiser is immers zoals reeds is vastgesteld in dit vonnis, slechts een werkarm van de directie. Voorts is er geen onderbouwing gegeven van de redenen die ten grondslag liggen aan de achteruitgang.
De kantonrechter is voorts van oordeel dat de stelling van eiser dat er op lang termijn, voordeel geboekt zou worden door gedaagde sub A, enigszins door de vooruitgang in 2015 tot uiting komt.

4.9. De kantonrechter is gelet op het voren overwogene van oordeel dat het handelen van eiser, op zich, niet kan worden gekwalificeerd als te zijn onrechtmatig dan wel ernstig verwijtbaar jegens gedaagde sub A. Immers is gebleken dat het handelen van eiser steeds gericht was op het behalen van voordeel voor gedaagde sub A.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.10. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 3 BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen of het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub A niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub A vanaf de non-actiefstelling van eiser tot aan het rechtsproces, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub A reeds zal hebben voorzien in de vacature van de functie die eiser bekleedde. Dit deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van gedaagde sub B
4.11. Eiser heeft gesteld dat het besluit van gedaagde sub B in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gedaagde sub B heeft het standpunt van eiser betwist.

Het beginsel van hoor- en wederhoor
4.12. Overwogen wordt dat partijen op basis van voormeld beginsel in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich op een adequate wijze uit te laten over hetgeen door de wederpartij wordt gesteld, tot op het moment dat er geen nieuwe informatie wordt gegeven. Rekening houdend met de termijn van 30 dagen vervat in artikel 6 lid 3 van Besluit Ontslagcommissie (SB 1986, no.29), zou de nader ingebrachte standpunten, als tardief buiten de beoordeling gelaten moeten worden, voor zover deze niet van dien aard zijn dat er een heroverweging teweeg wordt gebracht.
De kantonrechter gaat ervan uit dat de standpunten vervat in de ontslagbeschikking, meegenomen zijn in de beoordeling van gedaagde sub B, dat de aangevoerde ontslaggronden wel opgaan.

4.12.1. Ten eerste gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van gedaagde sub B, dat hij gedaagde sub A slechts bij rolbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld om schriftelijk uit te laten over het één en ander en dat zulks niet gelijkgesteld kan worden aan het wederhoren van gedaagde sub A, zoals eiser betoogt. De kantonrechter overweegt dat feit is dat gedaagde sub A, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot tweemaal toe de kans heeft gehad om zich uit te laten ten aanzien van het geschil. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom gedaagde sub A voor een tweede keer gehoord diende te worden. Het standpunt van gedaagde sub B dat er sprake was van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de partijen, is geen reden voor het wederhoren van een partij. Immers zullen er in elk geval strijdigheden zijn in de verklaringen van partijen, hetgeen namelijk de reden is dat de ene partij zich heeft gewend tot een onafhankelijke derde, in casu gedaagde sub B, om een oplossing te brengen in hetgeen waarover partijen het oneens zijn. Het wederhoren van een partij, zonder dat de wederpartij zich omtrent het aangevoerde heeft uitgelaten, brengt voorshands mee dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

4.12.2. In de ontslagbeschikking staat als nadere toelichting een nieuw punt vervat, namelijk hetgeen onder 2.14 eerste punt van dit vonnis is genoemd met betrekking tot de veroorzaakte vertraging in het netwerk.
De kantonrechter overweegt voorts dat hetgeen nader is toegelicht in de ontslagbeschikking onder 2.14 derde punt, waarin een boetebedrag is genoemd, waarvan gesteld wordt dat dit bedrag door gedaagde sub A betaald moest worden, een concretisering is van hetgeen reeds door gedaagde sub A was verklaard ten aanzien van het handelen van eiser dat haar in extra kosten heeft gejaagd om licentie kosten te betalen aan [BEDRIJF 2]. De kantonrechter is van oordeel dat eiser zich ook om deze concretisering, diende uit te laten.
Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat eiser ook in de gelegenheid gesteld diende te worden om zich uit te laten over de uitlating van gedaagde sub A over de door eiser overgelegde verklaring afkomstig van haar gewezen directeur.

4.12.3. De kantonrechter overweegt voorts dat aan zowel eiser als aan gedaagde sub A, het recht om stukken in te dienen en het recht op inzage in de ingediende stukken, toekomt. Voor de vereenvoudiging van het voeren van verweer had het op de weg van gedaagde sub B gelegen om de door partijen ingediende stukken, ter inzage te geven aan de wederpartij, niettegenstaande dat deze niet door partijen worden opgevraagd. Dit heeft gedaagde sub B nagelaten.

4.12.4. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

Het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval
4.13. De kantonrechter overweegt dat het beginsel van zorgvuldige voorbereiding met zich meebrengt dat gedaagde sub B aan het nemen van een besluit een onderzoek doet voorafgaan naar alle factoren, welke voor een antwoord op een- in verband met de gerezen ontslagaanvraag en mede in het licht van de toepasselijke regeling- relevante vraag van belang zijn.

4.13.1. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B, zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt en wel gelet op het navolgende. Eiser heeft een belangrijk verweer gevoerd, namelijk dat hij in opdracht van de directie heeft gehandeld. Dit punt diende nader onderzocht te worden door gedaagde sub B, niet tegenstaande het feit dat er nog een rechtsmiddel openstaat voor eiser. Ook diende gevraagd te worden naar documenten waaruit het standpunt van gedaagde sub A blijkt met betrekking tot de prijzen van de apparaten, levertijd en voorwaarden rechtstreeks vanuit [bedrijf 2].

4.13.2. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de motivering door gedaagde sub B vervat in de ontslagbeschikking betreffende de ontslagaanvragen met betrekking tot de anderen die eveneens door gedaagde sub A zijn ontslagen en hiervan een rechtsproces aanhangig is gemaakt, bekend onder de zaken met als A.R.no. 16-4461 en 16-4463, waarvan een rolvoeging is gelast bij onderhavige zaak, voor het grootste deel woordelijk identiek zijn aan elkaar. Dit doet de kantonrechter voorkomen alsof er geen sprake is geweest van een individuele beslissing en dat de zaken globaal zijn afgedaan aan de hand van de algemene gestelde verwijtbare handelingen. Het vorenstaande duidt ook aan op een motiveringsgebrek zijdens gedaagde sub B.

4.13.3. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel onderzoek en beslissing van het individuele geval is geschonden.

Het motiveringsbeginsel
4.14. De kantonrechter overweegt dat er op gedaagde sub B een motiveringsplicht rust, die draagkrachtig is en een deugdelijke feitelijke grondslag moet bevatten. Deze motiveringsplicht strekt ertoe, met name ingeval de bezwaren ongegrond worden verklaard, dat eiser, die tegen de ontslagaanvraag bezwaar heeft uit de beslissing moet kunnen opmaken, waarom aan de aangevoerde bezwaren niet is tegemoetgekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B niet heeft aangegeven op welke wijze gedaagde sub A, de essentiële punten die eiser heeft aangehaald, heeft weerlegd en hoe de belangen van partijen tegen elkaar zijn afgewogen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan volgen hoe gedaagde sub B is gekomen tot haar besluit om de ontslagaanvraag toe te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden.

Nu gedaagde sub B voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, is de kantonrechter van oordeel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres en derhalve nimmer tot het besluit van ontslag had moeten komen, weshalve de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden vergoed door hem de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden vergoed door hem.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.15. Uit de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding, leidt de kantonrechter af dat eiser uitgegaan is van:
• 31 maanden brutosalaris en daarover berekende emolumenten omvattende: het salaris, bijdrage aan pensioen, verlies van medische voorzieningen voor twee personen, verlies gekoppeld aan privileges, dienstaansluitingen, verlies van vervoerstoelagen, verlies representatiekosten
• 77 vakantiedagen, verlies van gratificatie, verlies van dekking paramedische kostenvergoeding, verlies vergoeding voor extra prestatie en inzet, verlies elke salariscorrectie vanwege de cao en tegemoetkoming vanwege koersstijgingen en of daarmee samenhangend
In totaal vordert eiser het bedrag ad SRD 697.437,- aan schadevergoeding.

4.16. De kantonrechter overweegt dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de toewijzing van de door hem gevorderde schadevergoeding ad SRD 697.437,- rechtvaardigen. Immers heeft hij niet concreet gesteld dat hij werkloos was gedurende de periode vanaf
01 juni 2017 tot op heden. Daarenboven overweegt de kantonrechter dat gedaagde sub A een opzeggingstermijn van 12 maanden heeft gehanteerd, waarbij gedurende deze periode, zijn loon, de daarbij behorende emolumenten tevens de ouderdomspensioen is uitgekeerd aan eiser. De kantonrechter overweegt dat het vorenstaande de conclusie met zich meebrengt, dat deze uitkering voldoende is voor de transitie van de ene baan naar een andere.
Echter overweegt de kantonrechter op grond van de wet en in lijn met de uitspraak van de uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 oktober 2018, NJ 2018/465), dat gelet op het kennelijk onredelijk ontslag, zij wel van oordeel is dat op grond van de eisen van goed werkgeverschap, die gedaagde sub A niet in acht heeft genomen, en gelet op de redelijkheid en billijkheid, eiser aanspraak maakt op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.17. De kantonrechter overweegt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding, het uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat het bij de begroting van de billijke vergoeding aankomt op alle omstandigheden van het geval. In onderhavig geval acht de kantonrechter de mate van benadeling tegenover de belangen die daardoor worden geschaad, van belang ter vaststelling van de vergoeding. De navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang:
Aan de zijde van eiser
• de duur van de dienstbetrekking van de werknemer. Als onweersproken staat vast dat eiser bijkans 34,5 jaren in dienst was van gedaagde sub A.
• de kwaliteit van de werknemer gedurende de dienstjaren. Als onweersproken staat eveneens vast dat eiser tot op 09 november 2015 nooit is verweten van enige laakbare handeling.
• leeftijd van de werknemer: gelet op de geboortedatum van eiser, vermeld in de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst, had hij bij zijn ontslag een leeftijd van 57 jaar.

Aan de zijde van gedaagde sub A
• het ontbreken van duidelijkheid over de werkloosheid van de werknemer, na de ontslag door de werkgever. Nu eiser de schadevordering heeft ingesteld, lag het op de weg van hem om concreet aan te geven dat hij na het ontslag werkloos was. De kantonrechter kan hiervan niet zondermeer uitgaan;
• de uitgekeerde vergoeding aan eiser, rekening houdende met een opzeggingstermijn van 12 maanden.

4.18. De kantonrechter zal hierbij ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 34,5 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad SRD 10.551,82
Gelet op het vorenstaande acht de kantonrechter een schadevergoeding van 34,5x2xSRD 10.551,82×0.75= SRD 546.056,69.

4.19. ‬De kantonrechter is van oordeel dat nu geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid conform artikel 1303 BW, deze is namelijk niet bedongen noch vloeit het voort uit de wet, de proportionele aansprakelijkheid van toepassing is op onderhavig geval. Overwogen wordt dat de door gedaagde sub B gepleegde onrechtmatige daad, namelijk het schenden van de onder r.o. 4.11 tot en met 4.15 vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het verlengde ligt van het door gedaagde sub A gepleegde onrechtmatige daad, door verlenen van het kennelijk onredelijk verslag aan eiser. Immers zou de één niet zonder de ander bestaan. Zie hierin het causaal verband van beide onrechtmatige daden en de door eiser geleden schade. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zowel gedaagde sub A als sub B voor een even groot deel aansprakelijk zijn jegens eiser. Dit leidt tot de slotsom dat zowel gedaagde sub A als gedaagde sub B elk aansprakelijk is voor het bedrag vanSRD 273.028,35.

4.20. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Veroordeelt gedaagde sub A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 273.028,35 (tweehonderddrieënzeventigduizend achtentwintig en vijfendertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiser geleden als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.2. Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 273.028,35 (tweehonderddrieënzeventigduizend achtentwintig en vijfendertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiser geleden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiser in zijn rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 628,- (zeshonderd achtentwintig Surinaamse dollar).

5.5. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-4461
25 augustus 2020
G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiser]
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.
B. DE STAAT SURINAME, m.n. de Ontslagcommissie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 09 september 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser;
• de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 14 december 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 20 december 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 11 januari 2019 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusies tot uitlating producties zijdens eiser;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub B is gelast om producties ten processe over te leggen;
• de mondelinge conclusie tot overlegging producties zijdens gedaagde sub B, die te kennen heeft gegeven dat de rolbeschikking kennelijk is gestoeld op een omissie, waarbij de kantonrechter heeft bedoeld gedaagde sub A in stede van gedaagde sub B;
• de rolbeschikking d.d. 02 oktober 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub A in de gelegenheid is gesteld om producties ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Bij arbeidsovereenkomst gedateerd 10 november 1986, is de dienstbetrekking tussen eiser en gedaagde sub A op 01 november 1986 aangevangen. Eiser is als Informatie Analist in dienst genomen.

2.2. In de brief gedateerd 10 april 2015, waarop het brievenhoofd van gedaagde sub A staat, heeft [naam 1], onder andere melding gemaakt van de nieuwe functie van eiser als Manager Asset Management.

2.3. In de salarisspecificatie over de maand juli 2015 staat dat eiser het bedrag ad SRD 17.659,73 heeft ontvangen.

2.4. Bij schrijven gedateerd 08 november 2015 en betekend op 09 november 2015 aan eiser per exploot no. [nummer 1] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Burgzorg, afkomstig van de waarnemend directeur van gedaagde sub A, is eiser in kennis gesteld van het navolgende. In het kader van eiser zijn werkuitvoering, met name bij bestedingen ten behoeve van de aanschaf van computer hardware en software, heeft hij zich schuldig gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen. Het vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en mogelijk aan hem verwijtbare feiten. Het vorenstaande is aanleiding zijn geweest om eiser ingaande 09 november 2015 tot nader order op non-actief te stellen. Hij mocht gedurende de periode van zijn non-actiefstelling gebouwen en terreinen van gedaagde
sub A, met uit zondering van de Telesur-poli, niet betreden.

2.5. Bij schrijven gedateerd 10 november 2015, heeft eiser aan gedaagde sub A te kennen gegeven dat hij de beschuldiging vervat in de brief d.d. 08 november 2015, ontkent en dat hij over hetgeen terzake niet is gehoord door gedaagde sub A. Voorts heeft hij de brief geconcludeerd met het beschikbaar stellen van zichzelf om zijn werkzaamheden te hervatten. Deze brief is bij exploot no. [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie,
D. Toekimin, op 10 november 2015, betekend aan [naam 2], assistente van de Chief Financial Officer van gedaagde sub A.

2.6. Bij schrijven gedateerd 11 januari 2016 heeft eiser via zijn gemachtigde wederom te kennen gegeven dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verwijten van gedaagde sub A en heeft hij verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om zijn werk te hervatten. Voorts heeft hij zijn grieven geuit ten aanzien van het verstrijken van twee maanden, en dat hij desondanks niet in kennis is gesteld van het door gedaagde sub A verrichte onderzoek en evenmin is gehoord hierbij. Ook heeft hij zijn pijnpunt, ten aanzien van de salarisverhoging waarop hij aanspraak maakt, doch niet ontvangt, kenbaar gemaakt.

2.7. Bij schrijven gedateerd 02 februari 2016, aan eiser in persoon betekend per exploot gedateerd 02 februari 2016, no. [nummer 3], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, heeft de waarnemend directeur van gedaagde sub A de ontslagredenen nader toegelicht.

2.8. Op 04 februari 2016 heeft eiser verweer gevoerd, waarbij hij uitvoerig is ingegaan op de voormelde punten vervat in de brief gedateerd 02 februari 2016.

2.9. Bij schrijven gedateerd 05 februari 2016, dat per exploot d.d. 06 februari 2016, no. [nummer 4], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, is betekend, heeft gedaagde sub A met een nadere toelichting aangegeven dat het verweer van eiser niet steekhoudend is bevonden.

2.10. Bij beschikking gedateerd 18 februari 2016, afkomstig van Arbeidsinspectie van Het Ministerie van Arbeid, heeft gedaagde sub A gepersisteerd bij de door haar aangegeven ontslaggronden. Eiser heeft zich bij de Arbeidsinspectie verweerd. Hij heeft ook aangegeven dat door gedaagde sub A op 05 februari 2016, melding is gedaan bij de Arbeidsinspectie van een in de toekomst aan eiser te verlenen ontslag, vermits het onderhavig ontslag pas op
06 februari 2016 aan eiser is medegedeeld hetgeen impliceert dat in onderhavig geval niet overeenkomstig het gestelde in artikel 1615o van het Burgerlijke Wetboek (BW) en artikel 3 lid 2 van de Wet Ontslagvergunning is gehandeld.

2.11. In voormelde beschikking afkomstig van de Arbeidsinspectie staat voorts dat beide partijen in verband met de ontslagaanvraag zaken hebben toegelicht en onderbouwd middels het overleggen van diverse bescheiden. Arbeidsinspectie is tot het oordeel gekomen dat niet, althans niet voldoende is komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen welke een ontslag als het onderhavige redelijkerwijs zouden kunnen rechtvaardigen. Ook is komen vast te staan dat in het onderhavig geval niet is gehandeld conform het bepaalde in artikel 1615o BW, met betrekking tot het vereiste van onverwijlde mededeling. Er is gelet op het vorenstaande bezwaar tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser aangetekend.

2.12. Bij het schrijven gedateerd 19 februari 2015, dat per exploot d.d. 19 februari 2016, no. [nummer 5], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet om tot opheffing van de
non-actiefstelling over te gaan en zal deze maatregel derhalve blijven handhaven.

2.13. In de verklaring gedateerd 15 maart 2016, heeft [naam 1], als toenmalige directeur van gedaagde sub A, verklaard dat eiser na goedkeuring van en in opdracht van de Directie, na verkregen autorisatie van de RvC, diverse projecten heeft uitgevoerd. Hem wordt daarom ten onrechte, de ontoelaatbare handelingen vervat in de brief gedateerd 05 februari 2016, verweten. De kwestie van de licentie is door de Directie middels juridische ondersteuning overgenomen. Eiser is vanwege de implementatie van de FPO hiermee niet belast, zodat hem ten onrechte verwijten terzake worden gemaakt.

2.14. In de ontslagbeschikking staat dat gedaagde sub A het navolgende heeft aangegeven naar aanleiding van de reactie van eiser:
• dat uit de toelichting op de autorisatieaanvraag is gebleken dat er ten aanzien van de 14 aan te schaffen printers er geen bestemmingsplan is aangegeven en dat als dat er was, net als voor de overige aangeschafte printers bij die autorisatie, er geen behoefte zou zijn geweest deze vanaf december 2014 tot na 19 augustus 2015 op te slaan in het magazijn;
• dat op instigatie van eiser ten behoeve van het bedrijf 14 netwerkprinters zijn aangeschaft, naar zijn zeggen met een bestemmingsplan, en dat betrokkene als verantwoordelijke leidinggevende erop zou moeten toezien dat de printers op grond van het bestemmingsplan, op de juiste bestemming werden geïnstalleerd;
• dat deze 14 printers niet in het magazijn zijn aangetroffen;
• dat er in casu een boete is betaald met betrekking tot het over-verbruik van licenties, aangezien het bedrag in geval van een aantal daadwerkelijk gebruikte licenties ongeveer USD 800.000,- zou zijn en niet het bedrag zoals eerder aangegeven;
• dat het gebruik van licenties niet wordt gemonitord door het buitenlands bedrijf INOVA, aangezien INOVA een licensed Microsoft partner is die de belangen behartigt van Microsoft en deze er dus baat bij zou hebben als meer licenties worden verkocht en een hogere boete wordt betaald;
• dat eiser als Manager van MIS, onder wiens leiding het contract met Microsoft is gesloten via INOVA en het over-verbruik Microsoft licenties is ontstaan, niet zijn verantwoordelijkheid heeft opgepakt en pro-actief heeft meegeholpen met de onderhandelingen voor het omlaag brengen van de ‘settlement fee’;
• dat eiser bij het ontvangen van de settlement letter van Microsoft deze heeft doorgestuurd met het commentaar ‘gaarne afhandelen’;
• dat eiser genoeg ruimte had om een bijdrage te leveren bij het oplossen van deze zaak, omdat hij steeds per e-mail werd betrokken, ook na 20 april 2015, aangezien Microsoft eiser kende als vertegenwoordiger van het bedrijf;
• dat de verklaring van de oud directeur niet kan worden meegenomen, aangezien hij zichzelf schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige handelingen, die geleid hebben tot zijn ontslag;
• dat eiser geen maatregelen heeft getroffen om de aangehaalde boete te voorkomen, terwijl hij tot en met 20 april 2015, hiervoor de verantwoordelijke leidinggevende was en dat de overtreding vanaf 06 september 2013 heeft plaatsgevonden toen eiser nog hoofd MIS was.

2.15. In de ontslagbeschikking staat dat de Ontslagcommissie, het navolgende heeft aangegeven:

• dat het de Ontslagcommissie is gebleken dat in het door het bedrijf verrichte onderzoek alle aangehaalde activiteiten en de daarbij getrokken conclusies onderbouwd zijn met relevante nota’s en andere onderliggende stukken;
• dat het de Ontslagcommissie uit de door de gedaagde sub A overgelegde autorisatie-aanvraag en de daarbij behorende memo, welke door eiser is opgemaakt, tevens is gebleken dat er voor de 14 aan te schaffen netwerkprinters geen bestemmingsplan aanwezig was, terwijl eiser het tegendeel heeft beweerd;
• dat het de ontslagcommissie uit de overgelegde stukken ook is gebleken dat bestaande procedures binnen gedaagde sub A niet, althans niet genoegzaam zijn nageleefd, hetgeen financiële consequenties heeft gehad voor het bedrijf;
• dat gelet op het voorgaande, de door gedaagde sub A overgelegde documenten, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie in casu van oordeel is dat gedaagde sub A het gestelde met betrekking tot het geschonden vertrouwen voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met eiser te laten voortduren.
De Ontslagcommissie heeft op grond van het vorenstaande besloten om vergunning te verlenen aan gedaagde sub A ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

2.16. Bij brief gedateerd 31 maart 2016, die per exploot d.d. 31 maart 2016, no. [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, is namens de waarnemend directeur, door de Coördinator Technische Zaken zijn ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 31 maart 2016 tot en met 30 maart 2017.

2.17. Bij brief gedateerd 06 april 2016, heeft eiser via zijn procesgemachtigde aangegeven dat het aangezegde ontslag, ingevolge artikel 8 Decreet C-38 nietig is, nu de Coördinator Technische Zaken geen directeur of onderdirecteur is en slechts de directie van gedaagde sub A belast is met de aanzegging van het ontslag aan personeelsleden. Voorts is aangegeven dat eiser oneens is met het aangezegd ontslag en zich dan ook beschikbaar stelt om de werkzaamheden te hervatten. Voorts gaat eiser niet akkoord er mee dat zijn loon en bijbehorende emolumenten in één keer wordt uitbetaald als een uitkering. Volgens hem dient er maandelijks uitbetaling van zijn loon en bijbehorende emolumenten plaats te vinden, totdat het dienstverband is geëindigd.

2.18. Bij brief gedateerd 08 april 2016, die per exploot d.d. 08 april 2016, no. [nummer 7], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger is betekend aan eiser, is hij namens de waarnemend directeur, ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 08 april 2016 tot en met 31 mei 2017.

2.19. Nadat partijen over en weer waren gehoord door de Ontslagcommissie van gedaagde sub B heeft laatstgenoemde nadere informatie doen opvragen bij gedaagde sub A, waarvan de inhoud onbekend was bij eiser en is hij daaromtrent evenmin nader gehoord.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser volledig te herstellen en hem in de gelegenheid zal stellen zijn werkzaamheden in zijn laatste functie onbelemmerd en ongestoord uit te voeren;
b. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser te betalen, zijn loon en emolumenten, te rekenen vanaf 01 juni 2017 tot aan de datum waarop de dienstbetrekking wordt hersteld, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding.

Subsidiair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 2.218.996,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
en
b. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 2.218.996,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Ontslagcommissie verleende ontslagvergunning, waardoor eiser ernstig in zijn rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2. Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat zijn ontslag ingevolge artikel 1615s lid 2 sub a en b BW kennelijk onredelijk is. Ook is het ontslagbesluit in strijd met de beginselen van goed werkgeverschap, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiser draagt namelijk geen kennis van het onderzoeksrapport dat gedaagde ten grondslag legt aan zijn ontslagaanvraag. De Ontslagcommissie wordt verweten van vooringenomenheid vanwege de betrokkenheid van de Raad van Ministers, die goedkeuring heeft verleend aan het ontslag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
De door gedaagde sub A opgegeven ontslaggronden
4.1. Gedaagde sub A heeft als ontslagreden gegeven dat eiser in het kader van zijn werkuitvoering, met name bij bestedingen ten behoeve van de aanschaf van computer hardware en software, zich schuldig heeft gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen en ernstige en mogelijk aan hem verwijtbare feiten. De ontslaggronden zijn als volgt nader toegelicht. Uit een intern onderzoek welke is verricht naar onregelmatigheden binnen gedaagde sub A, is onder andere gebleken dat:

4.1.1. Voordat de FPO structuur werd geïmplementeerd, de afdeling Management Informatie Systemen (MIS)- waarvan eiser hoofd is geweest- verantwoordelijk is geweest voor de aanschaf en het beheer van computer hardware en software van gedaagde sub A. De aanzet tot het inkopen van de apparatuur ten behoeve van gedaagde sub A geschiedde door eiser buiten het gezichtsveld van de afdeling inkoop. De voorstellen voor autorisaties werden door eiser opgesteld. De selectie van de leveranciers was volledig aan eiser overgelaten. Gebleken is dat er doorgaans geen offertes werden opgevraagd door eiser, en dat de toewijzing van orders en opdrachten naar willekeur geschiedde. Gebleken is dat het overgrote deel van de opdrachten en aankopen werden gedaan bij [bedrijf], zonder in acht name van de algemeen geldende procedures.

4.1.2. In de periode 2014-2015 bedroegen de totale bestedingen in verband met aankopen bij [bedrijf], USD 1.401.886,55. Eveneens is gebleken dat er een familierelatie bestaat tussen eiser en de eigenaar van [bedrijf].

4.1.3. Eiser heeft op 13 oktober 2014, middels een bestelbon 19 stuks multifunctionele netwerkprinters aangekocht bij [bedrijf], waarbij hij heeft aangegeven dat deze zouden worden ingezet ter vervanging van bestaande printers die naar zijn zeggen minder functioneel zouden zijn, om zodoende kosten te besparen. Op 15 december 2014 heeft een medewerker van MIS bij het bedrijfsonderdeel Voorraadbeheer gevraagd om 14 van deze multifunctionele netwerkprinters op te laten slaan tot en met januari 2015. Echter blijkt dat in ieder geval tot en met 19 augustus 2015 er in het magazijn op het complex van gedaagde sub A, deze printers onbenut hebben gestaan. Er bestond dus geen dringende noodzaak voor deze aanschaf. Gedaagde sub A heeft ook hierdoor enorme financiële schade geleden.

4.1.4. De personeelsvereniging van gedaagde sub A heeft onder de voorzitterschap van eiser, bij het organiseren van verschillende activiteiten, gebruik gemaakt van de diensten van steeds dezelfde bedrijven, o.a. bij de jaarafsluitingen en de family day, zonder de vigerende richtlijnen van het opvragen van meerdere offertes te hanteren.

4.1.5. Volgens zeggen van een bestuurslid van de Personeelsvereniging is er een aanzienlijk bedrag aan contant geld onbeheerd in eiser zijn werkruimte, waarvan de herkomst en het doel niet duidelijk is, aangetroffen. Dit geeft ook eiser zijn nonchalante houding met betrekking tot gelden en/of eigendommen van gedaagde sub A aan.

4.1.6. Ondanks een MIS medewerker in een e-mailbericht van 26 mei 2014 heeft gewaarschuwd voor oververbruik van de Microsoft licenties, heeft eiser als leidinggevende verzuimd dit te monitoren. Per e-mailbericht van 30 maart 2015 gericht aan eiser, heeft Microsoft aangekondigd een audit te zullen verrichten. Bij de audit uitgevoerd door Deloitte is het oververbruik vastgesteld. De settlement letter is op 22 juni 2015 naar eiser via e-mail verzonden, welk bericht eiser achteloos heeft door verstuurd met de opdracht: Gaarne verder afhandelen. Eiser is ook geïnformeerd over het terugbrengen van het oververbruik, doch heeft hij geen interesse getoond. Vanwege eiser zijn nalatigheid met betrekking tot het monitoren van het verbruik door gedaagde sub A van de Microsoft licenties, welke door het bedrijfsonderdeel MIS onder zijn leiding moest geschieden, heeft gedaagde sub A in het jaar 2015 een boete van ongeveer USD 1.516.253,89 opgelegd gekregen. Er is namelijk geruime tijd sprake geweest van oververbruik. Na intensief onderhandelen, hebben eiser zijn collega’s kunnen bewerkstelligen dat de boete enigszins naar beneden toe is bijgesteld naar
USD 785.940,88. Deze boete is slechts ontstaan, omdat eiser zich niet correct van zijn taken heeft gekweten. Daarnaast heeft eiser geen enkele actie ondernomen om deze schade enigszins te minimaliseren. Gedaagde sub A heeft door eiser zijn toedoen ook hierdoor bijzonder veel schade geleden. Specifiek is de eenmalige uitkering in de maand oktober 2015, zoals overeengekomen met de vakbond aan het totale personeel, negatief beïnvloed.

4.1.7. Er zijn mondelinge overeenkomsten met diverse bedrijven gesloten door MIS voor het leveren van diensten aan gedaagde sub A, waarbij er geen schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden. Het is onduidelijk wat de behoefte c.q. noodzaak voor het sluiten van deze overeenkomsten was voor gedaagde sub A. Voor deze diensten dient gedaagde echter wel maandelijks betalingen te verrichten. Het is gebleken dat eiser niet alleen buiten zijn bevoegdheden is getreden, doch ook het belang van gedaagde sub A naast zich heeft neergelegd.

4.1.8. De uitkomst van het onderzoek wijst uit dat eiser de gangbare inkoopprocedures heeft overtreden en dat hij zelfs de inkoopafdeling oversloeg en de op hem rustende verantwoordelijkheid verzaakte. Eiser heeft het belang van gedaagde sub A structureel naast zich neergelegd. Er zijn tevens overduidelijke indicaties dat nepotisme daarbij een grote rol heeft gespeeld. Zonder minstens drie offertes op te vragen heeft hij grotere aantallen van onder andere netwerkprinters en personal computers dan nodig ingekocht, die hij achteloos in het magazijn liet staan, waardoor eiser gedaagde sub A financieel heeft benadeeld. Tevens heeft het bedrijf, vanwege de nalatigheid om het verbruik van de Microsoft licentie te monitoren, enorme financiële schade geleden.

4.1.9. Met vorenstaande handelingen heeft eiser grovelijk de plichten, veronachtzaamd welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt. Als gevolg van het voorgaande is het gestelde vertrouwen ernstig geschonden. Van gedaagde sub A kan ook niet redelijkerwijs worden verwacht dat zij de dienstbetrekking zal laten voortduren.

4.2. Eiser heeft tegen de ontslaggronden verweer gevoerd. Zijn verweer komt samengevat neer op het volgende.
4.2.1. Eiser was tot 20 april 2015 hoofd van de betreffende afdeling en vanaf april 2015 was hij vrijgemaakt om voorbereidingen te treffen voor de functie Manager Asset Management, in welke functie hij op 16 juli 2015 is aangesteld.

4.2.2. Eiser is niet belast met inkoopprocedures en heeft hij deze ook niet overschreden. De inkoopafdeling is evenmin overgeslagen. De afdeling MIS is uitsluitend verantwoordelijk voor het beheer van hardware en software van het bedrijf en niet voor de aankopen en financiële afhandeling van computer hardware en software. De inkopen vallen onder de verantwoordelijkheid van de inkoopafdeling. De aanschaf van de 19 netwerkprinters zijn geheel overeenkomstig de in het bedrijf geldende inkoopprocedures geschied en de toenmalige RvC en de Directie hebben hieraan ook hun goedkeuring gegeven.

4.2.3. Eiser heeft ten stelligste de beschuldigingen ontkend, dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan nepotisme. De afdeling Inkoop bepaalde of er gebruik zou worden gemaakt van de door de afdeling MIS opgestuurde offerte en, of er andere offertes werden aangevraagd.
Eiser heeft wel offertes opgevraagd, doch was het niet zijn bevoegdheid om de orders toe te wijzen en dat heeft hij ook nooit gedaan.

4.2.4. Eiser heeft aangegeven dat het niet waar is dat de personeelsvereniging onder zijn voorzitterschap zich niet heeft gehouden aan de vigerende regels van het opvragen van meerdere offertes. Jaarlijks werd er een commissie ingesteld door de directeur om jaarafsluitingen en de family day te organiseren.

4.2.5. Eiser heeft voorts ontkend nalatig te zijn met betrekking tot het monitoren van het verbruik door gedaagde sub A van de Microsoft Licenties, alsmede dat door zijn toedoen de eenmalige uitkering aan het personeel in oktober 2015, negatief is beïnvloed. Eiser had geen inzage in de resultaten van de audit, welke is uitgevoerd met betrekking tot het gebruik van de licenties, aangezien hij geen hoofd meer was van de afdeling MIS vanaf 20 april 2015.
Het monitoren van het gebruik van licenties geschiedde mede via het bedrijf INOVA.
Voorts heeft eiser gesteld dat gedaagde sub A geen boete heeft betaald, maar het verschil in aantal daadwerkelijk gebruikte licenties.

4.2.6. De conclusie dat eiser grotere aantallen netwerkprinters en pc’s heeft laten kopen dan nodig waren. Het is bezijden de waarheid dat eiser onnodig en achteloos printers en pc’s in het magazijn heeft laten staan. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om de printers en pc’s te laten plaatsen op locatie, maar de afdeling is er nog en hij had niet anders verwacht dan dat de printers en pc’s alsnog door de afdelingen zouden worden geplaatst. Onder eiser zijn leiding waren reeds zes tot negen van de eerdergenoemde printers ingezet en conform het bij de toenmalige Directeur bekende plan zouden de overige printers uiterlijk in juni 2015, moeten worden gebruikt. Eiser was echter sinds 20 april 2015, onder verwijzing naar de bedrijfspublicatie d.d. 10 april 2015, niet langer belast met de leiding van de daarvoor verantwoordelijke afdeling, waardoor hem noch het niet verder inzetten van de netwerkprinters, noch het oververbruik van de licenties zoals genoemd in de tweede overweging, kunnen worden verweten.

4.2.7. Eiser heeft geen gelden onbeheerd achtergelaten. De gelden waren veilig opgeborgen en hadden een bestemming. Door zijn non-actiefstelling kon hij deze kwestie niet meer afhandelen.

4.2.8. Eiser heeft ontkend mondelinge overeenkomsten te hebben gesloten, tenzij deze in opdracht van de directeur zijn gesloten.

Ten aanzien van het gestelde kennelijk onredelijk ontslag
4.3. De kantonrechter definieert het kennelijk onredelijk ontslag als volgt: een ontslag van een werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever.
De kantonrechter zal voor de vaststelling of er al dan geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, de door eiser en gedaagde sub A gestelde feiten en omstandigheden toetsen aan hetgeen is bepaald onder artikel 1615s lid 2 sub a en b BW en voormelde gehanteerde definitie van het kennelijk onredelijk ontslag.

Terzake de overschrijding van de licenties
4.4. De kantonrechter is van oordeel dat eiser uitvoerig en afdoend verweer heeft gevoerd tegen de redenen die kort samengevat neerkomen op: de door eiser gedane inkopen en zijn organisatiebeleid op basis van het nepotisme en de strijdigheid hiervan aan de bestaande inkoopprocedures van gedaagde sub A, de onnodige inkoop van 19 netwerkprinters en het onbeheerd achterlaten van geld in zijn werkruimte. Gedaagde sub A heeft de stellingen van eiser namelijk niet gemotiveerd weersproken.

4.5. Ter comparitie is gebleken dat er in het jaar 2015 een audit is geweest door Microsoft. Alhoewel deze audit in 2015 is uitgevoerd, besloeg het de periode vanaf september 2013 tot de uitvoering van de audit. Uit de resultaten bleek dat er sprake was van oververbruik van de licenties van Microsoft, zonder dat er hiervoor een verruiming aan Microsoft was aangevraagd. Dit leidde ertoe dat aan gedaagde sub A een boete van USD 1.516.253,89 is opgelegd. Deze boete is na onderhandelingen gematigd tot USD 785.940,88, hetgeen op
08 september 2015 is betaald door gedaagde sub A.

4.5.1. Eiser heeft betwist dat hij nalatig is geweest met betrekking tot het monitoren van het verbruik door het bedrijf van de Microsoft licenties. Hiertoe heeft hij gesteld dat hij alle maatregelen had getroffen, die oververbruik zouden kunnen voorkomen. Uit plichtsbesef had hij namelijk de Afdeling Onderzoek en Beleidsformulering (OBF), onder leiding van [persoon 1] ingeschakeld, die zich ook met licentiebeheer bezighield. Eiser heeft tevens een tool, zijnde de applicatie BMC, ingezet om de licenties te meten. Dit ter bewerkstelliging dat gedaagde sub A altijd voor het juiste aantal licentiekosten betaalde aan de leveranciers. Deze tool was echter nog niet volledig geïmplementeerd, zodat het oververbruik toch kon ontstaan. Ter verklaring van het oververbruik heeft eiser aangegeven dat verschillen zouden kunnen zijn ontstaan door:
5. oneigenlijk gebruik van licenties door de helpdesk van Beheer, Beveiliging Infrastructuur (BBI) en sub afdeling van de ICT afdeling;
6. de Microsoft Portal, waartoe BBI toegang had, waar de licenties gedownload moeten worden, heeft geen restricties indien de licenties worden gebruikt die niet voorkomen in de overeenkomst;
7. licenties die zijn gebruikt voor test en migratie doeleinden. Door een complicatie bij een migratie van servers waren licenties dubbel geactiveerd.

4.5.2. De kantonrechter overweegt dat het vorenstaande niet slaagt en wel vanwege hetgeen vermeld staan in de door gedaagde overgelegde memo met betrekking tot de settlement. In de memo staat onder “lessons learned” het navolgende:
1. Een realistische inschatting maken van de benodigde licenties en tijdige planning en afhandeling van renewals.
2. Goede afspraken maken met systeem beheerders.
3. Toegang tot de portal beperken tot enkele personen die de verantwoordelijkheid kunnen dragen.
4. Erop toezien dat de afspraken worden nageleefd.
5. Regelmatige controle door een implementatie van een bedrijfsbrede asset management tool.
6. Microsoft licenties is een aparte specialiteit met elk jaar diverse veranderingen. Het is aan te bevelen om hulp van een consultant in te huren hiervoor. Het bedrag voor consultancy is minder dan het risico voor settlement en de kosten om zelf kennis op te doen.

De kantonrechter overweegt dat eiser als hoofd van de Afdeling MIS, weliswaar erop had moeten toezien dat hij kennis droeg van hetgeen onder zich op zijn afdeling afspeelde. De kantonrechter is van oordeel dat eiser als actieve en verantwoordelijke afdelingshoofd kennis zou moeten dragen van de inhoud van de e-mail die door [persoon 1] aan [persoon 2] op 26 mei 2014 was verstuurd. Vooral nu eiser ter comparitie heeft erkend dat [persoon 1] en [persoon 2] beide onder hem vielen. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat eiser terzake geen verwijt treft, na zijn gemotiveerde betwisting.

4.5.3. Eiser heeft voorts betwist dat gedaagde sub A een boete heeft betaald. Volgens eiser is er slechts bijbetaald voor de teveel verbruikte licenties. Hiervoor heeft de Directie namelijk goedkeuring van de RvC verkregen en zodoende is de zaak afgehandeld.

4.5.4. De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde e-mailberichten blijkt dat er over en weer onderhandelingen zijn geweest tussen gedaagde sub A en Microsoft, waarbij er sprake is geweest van “settlement” en “consessions”, neerkomende op schikkingen en toegevingen. De kantonrechter, vermag niet in te zien waarom er onderhandelingen gevoerd zou worden, als er vaststaat dat er sprake is van oververbruik en dat gedaagde sub A slechts moet bijbetalen voor hetgeen teveel is gebruikt. Het vorenstaande tezamen met het e-mailbericht gedateerd 26 mei 2014, waarin –voor zover van belang- staat:
“Microsoft vereist dat bedrijven nu een overzicht geven van hun omgeving vanwaaruit zei kunnen zien als we ons houden aan de hoeveelheid licenties die we afnemen. Van INOVA heb ik begrepen dat we het kunnen weigeren, maar als ze dat zien kunnen ze elk moment langskomen en de SAM eisen. Als er dan zaken worden vernomen die niet kloppen worden we beboet.
Met de SAM kunnen zaken gecovered worden met INOVA. Het gaat om een Asset scan, ik denk Laptops, PC’s en servers voor Microsoft app installaties.”, leidt tot de conclusie dat een overschrijding van licenties wel degelijk kunnen leiden tot een boete, doch is niet komen vast te staan dat er daadwerkelijk boete is betaald of slechts voor oververbruik.

4.5.5. Eiser heeft ook gesteld dat de audit van Microsoft in mei 2015 is uitgevoerd, terwijl hij reeds in april 2015 naar een andere afdeling is overgeplaatst.

4.5.6. De kantonrechter overweegt dat eiser bij het inleidend rekest heeft aangegeven dat hij tot en met 12 juli 2016, naar de kantonrechter begrijpt 12 juli 2015, als hoofd werkzaam was op de afdeling MIS en dat hij vanaf 13 juli 2015 is aangesteld als Manager Asset Management. Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat tijdens het uitvoeren van de audit, eiser niet meer belast was met de werkzaamheden op de afdeling MIS. Immers, [persoon 1] en [persoon2 ] waren belast met de operaties op de afdeling.

4.5.7. Eiser heeft ook aangegeven dat het probleem uiteindelijk door de directie is opgelost, middels een autorisatie van de RvC om het verschuldigd bedrag aan Microsoft uit te betalen. Het uiteindelijk betaalde bedrag was iets meer dan voorheen, doch kan er in casu geen sprake zijn ernstige benadeling.

4.5.8. Eiser heeft tevens een beroep gedaan de door de Minister van TCT verleende décharge in de jaren 2014 en 2015 gedaan en dat er in deze jaren winsten zijn geboekt door gedaagde
sub A.

4.5.9. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 15 lid 7 van de Wet C-38 die van toepassing is op gedaagde sub A, décharge wordt verleend aan het bestuur, met name de directeur en onderdirecteur. De verleende décharge raken de personeelsleden niet en heeft evenmin invloed op een ontslagbesluit, indien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Het feit dat gedaagde sub A winsten heeft geboekt, ontdoet een nalatig handelen van eiser niet, noch neemt het een financiële benadeling, veroorzaakt door een nalatig handelen van eiser weg.

Artikel 1615s lid 2 sub a BW
4.6. Gelet op het overwogene onder r.o. 4.3., is de kantonrechter van oordeel dat eiser niet heeft verzaakt in zijn verplichtingen als Afdelingshoofd van MIS. Dit leidt ertoe dat de ontslaggrond terzake de nalatigheid van eiser met betrekking tot het monitoren van het verbruik door gedaagde sub A van de Microsoft licenties, welke door de afdeling MIS onder leiding van hem moest geschieden, niet valide is. Een beroep op artikel 1615s lid 2 sub a BW slaagt derhalve.

4.7. Ook terzake de aankoop van de printers heeft eiser zulks gemotiveerd weersproken, terwijl er volgens het CLAD-rapport geen bestaande procedures zijn binnen het bedrijf. De ondergeschikten [persoon 1] en [persoon 2], die tijdens de comparitie van partijen nadere informatie zouden verstrekken, zijn ondanks toezegging van gedaagde sub A, niet verschenen. De vertegenwoordigers van gedaagde sub A die wel aanwezig waren, konden of mochten geen verklaringen afleggen.

Artikel 1615s lid 2 sub b BW
4.8. Indien er ingevolge artikel 1615s lid 2 sub b BW een belangenafweging gemaakt moet worden tussen de voor eiser getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden en het belang van gedaagde sub A bij de opzegging, overweegt de kantonrechter het navolgende.
Een daadwerkelijke benadeling door toedoen van eiser is niet komen vast te staan.

4.9. Gelet op het overwogene onder r.o. 4.4., 4.5. en 4.6. is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, nu de opgegeven gronden niet zijn komen vast te staan.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.10 Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 3 BW, wordt de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen of in de plaats hiervan het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub A niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Ook de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub A vanaf de non-actiefstelling van eiser tot het voeren van het rechtsproces is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub A reeds zal hebben voorzien in de vacature van de functie die eiser bekleedde. Dit deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van gedaagde sub B
4.11 Eiser heeft gesteld dat het besluit van gedaagde sub B in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gedaagde sub B heeft het standpunt van eiser betwist.

Het beginsel van hoor- en wederhoor
4.12 Overwogen wordt dat partijen op basis van voormeld beginsel in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich op een adequate wijze uit te laten over hetgeen door de wederpartij wordt gesteld, tot op het moment dat er geen nieuwe informatie wordt gegeven. Rekening houdend met de termijn van 30 dagen vervat in artikel 6 lid 3 van Besluit Ontslagcommissie (SB 1986, no.29), zou de nader ingebrachte standpunten, als tardief buiten de beoordeling gelaten moeten worden, voor zover deze niet van dien aard zijn dat er een heroverweging teweeg wordt gebracht. Indien er sprake is van het laatstgenoemde, dient de wederpartij zich hieromtrent uit te laten.
De kantonrechter gaat ervan uit dat alle standpunten vervat in de ontslagbeschikking, meegenomen zijn in de beoordeling van gedaagde sub B, zodat de aangevoerde ontslaggronden wel opgaan.

4.12.1 Ten eerste gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van gedaagde sub B, dat zij gedaagde sub A slechts bij rolbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld om zich schriftelijk uit te laten over het een en ander en dat zulks niet gelijkgesteld kan worden aan het wederhoren van gedaagde sub A, zoals eiseres betoogt. De kantonrechter overweegt dat feit is dat gedaagde sub A, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot tweemaal toe de kans heeft gehad om zich uit te laten ten aanzien van het geschil. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom gedaagde sub A zich voor een tweede keer diende uit te laten over het geschil. Het standpunt van gedaagde sub B dat er sprake was van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de partijen, is geen reden voor het wederhoren van een partij. Immers zal er in elk geval strijdigheden zijn in de verklaringen van partijen, hetgeen namelijk de reden is dat de ene partij zich wendt tot een onafhankelijke derde, in casu gedaagde sub B, om een oplossing te brengen in hetgeen waarover partijen het oneens zijn. Het wederhoren van een partij, zonder dat de wederpartij zich omtrent het aangevoerde heeft uitgelaten, brengt voorshands mee dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

4.12.2 In de ontslagbeschikking staat als nadere toelichting een nieuw punt vervat, namelijk dat de door eiser gemaakte afspraken nergens zijn vastgelegd, en dat dit bijdraagt aan de ernst van
het verwijtbaar handelen door eiser. Eiser heeft zich over dit punt niet kunnen uitlaten.
De kantonrechter overweegt voorts dat hetgeen nader is toegelicht in de ontslagbeschikking onder 2.14 van dit vonnis, met name dat de 14 printers niet in het magazijn zijn aangetroffen en dat er in casu een boete is betaald met betrekking tot het over-verbruik van licenties, waaraan eiser geen medewerking heeft verleend, eiser niet in de gelegenheid is geweest om zich hierover uit te laten.

4.12.3 De kantonrechter overweegt voorts dat zowel aan eiser als gedaagde sub A, het recht om stukken in te dienen en het recht op inzage in de ingediende stukken, toekomen. Voor de
vereenvoudiging van het voeren van het verweer had het op de weg van gedaagde sub B gelegen om de door partijen ingediende stukken, ter inzage te geven aan de wederpartij,
niettegenstaande de stelling dat deze niet door partijen worden opgevraagd. Dit heeft gedaagde sub B nagelaten.

4.12.4 Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel van hoor- en
wederhoor is geschonden.

Het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval
4.13 De kantonrechter overweegt dat het beginsel van zorgvuldige voorbereiding met zich meebrengt dat gedaagde sub B aan het nemen van en besluit een onderzoek doet
voorafgaan naar alle factoren, welke voor een antwoord op een- in verband met de gerezen ontslagaanvraag en mede in het licht van de toepasselijke regeling- relevante vraag van
belang zijn.

4.13.1 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B, haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en wel gelet op het navolgende. Eiser heeft gemotiveerd en gedetailleerd verweer gevoerd.
Nu zulks in onderhavig geval reeds aan de orde was, lag het op de weg van gedaagde sub B om nader hierop in te gaan. Hetgeen ook is gebeurd, maar naar het oordeel van de
kantonrechter is hierop niet uitvoerig ingegaan, om het genomen besluit door gedaagde sub B te rechtvaardigen.
Een tweede punt waarop niet voldoende is ingegaan door gedaagde sub B, betreft de het feit dat eiser was overgeplaatst naar een andere afdeling, terwijl de heren [persoon 1] en [persoon 2] die op de afdeling waren achtergebleven, belast waren met de uitvoering en monitoring van zaken.

4.13.2 De kantonrechter is voorts van oordeel dat de motivering door gedaagde sub B vervat in de ontslagbeschikking betreffende de ontslagaanvragen met betrekking tot de anderen die
eveneens door gedaagde sub A zijn ontslagen en hiervan een rechtsproces aanhangig is gemaakt, bekend onder de zaken met als A.R.no. 16-4461 en 16-4462, waarvan een
rolvoeging is gelast met onderhavige zaak, grotendeels woordelijk identiek zijn aan elkaar. Dit doet de kantonrechter voorkomen alsof er geen sprake is geweest van een individuele
beslissing en dat de zaken globaal zijn afgedaan aan de hand van de algemene gestelde verwijtbare handelingen. Het vorenstaande duidt ook aan op een motiveringsgebrek zijdens
gedaagde sub B.

4.13.4 Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel onderzoek en beslissing van het individuele geval is geschonden.

Het motiveringsbeginsel
4.14 De kantonrechter overweegt dat er op gedaagde sub B een motiveringsplicht rust, die draagkrachtig is en een deugdelijke feitelijke grondslag moet bevatten. Deze
motiveringsplicht strekt ertoe, met name ingeval de bezwaren ongegrond worden verklaard, dat eiser, die tegen de ontslagaanvraag bezwaar heeft, uit de beslissing moet kunnen
opmaken waarom aan de aangevoerde bezwaren niet is tegemoetgekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B niet heeft aangegeven op welke wijze gedaagde sub A, de essentiële punten die eiser heeft aangehaald heeft weerlegd en hoe de belangen van partijen tegen elkaar zijn afgewogen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan volgen hoe gedaagde sub B is gekomen tot haar besluit om de ontslagaanvraag toe te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden.

4.15 Nu gedaagde sub B de voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde sub B onrechtmatig heeft
gehandeld jegens eiser en derhalve nimmer tot het besluit van ontslag had moeten komen, weshalve de schade die zijdens eiser voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te
worden vergoed door hem.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.16 Uit de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding, leidt de kantonrechter af dat
eiser uitgegaan is van een schadevergoedingsbedrag van SRD 2.218.996,-

4.17 De kantonrechter overweegt dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de toewijzing van de door hem gevorderde schadevergoeding ad SRD 2.218.996 rechtvaardigen.
Echter overweegt de kantonrechter op grond van de wet en in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 oktober 2018, NJ 2018/465), dat gelet op het kennelijk onredelijk ontslag, zij wel van oordeel is dat op grond van de eisen van goed werkgeverschap, die gedaagde sub A niet in acht heeft genomen, en gelet op de redelijkheid en billijkheid, eiser aanspraak heeft op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.18 De kantonrechter overweegt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding, het uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat het bij de begroting van de billijke vergoeding aankomt op alle omstandigheden van het geval. In onderhavig geval acht de kantonrechter de mate van benadeling tegenover de belangen die daardoor worden geschaad, van belang ter vaststelling van de vergoeding. De navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang:
Aan de zijde van eiser
– de duur van de dienstbetrekking van de werknemer. Als onweersproken staat vast dat eiser 30,5 jaren in dienst was van gedaagde sub A.
– de kwaliteit van de werknemer gedurende de dienstjaren. Als onweersproken staat eveneens vast dat eiser tot op 09 november 2015 nooit is verweten van enige laakbare handeling.
– leeftijd van de werknemer: gelet op de geboortedatum van eiser, vermeld in de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst, had hij bij zijn ontslag een leeftijd van 55 jaar.

Aan de zijde van gedaagde sub A
– het ontbreken van duidelijkheid over de werkloosheid van de werknemer, na de ontslag door de werkgever. Nu eiser de schadevordering heeft ingesteld, lag het op de weg van hem om concreet aan te geven dat zij na het ontslag werkloos was. De kantonrechter kan hiervan niet zondermeer uitgaan;
– de uitgekeerde vergoeding aan eiser, rekening houdende met een opzeggingstermijn van 12 maanden.

4.19 De kantonrechter zal hierbij ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 30,5 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad
SRD 17.659,73. Factor C wordt vastgesteld op 0,75. De schadevergoeding komt derhalve neer op 30,5x2xSRD 17.659,73×0.75= SRD 807.932,65.
De kantonrechter is van oordeel dat nu geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid conform artikel 1303 BW, deze is namelijk niet bedongen noch vloeit het voort uit de wet, de proportionele aansprakelijkheid van toepassing is op onderhavig geval. Overwogen wordt dat de door gedaagde sub B gepleegde onrechtmatige daad, namelijk het schenden van de vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het verlengde ligt van de door gedaagde sub A gepleegde onrechtmatige daad, door verlenen van het kennelijk onredelijk verslag aan eiser. Immers zou de één niet zonder de ander bestaan. Zie hierin het causaal verband van beide onrechtmatige daden en de door eiser geleden schade. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zowel gedaagde sub A als sub B voor een evengroot deel aansprakelijk zijn jegens eiseres. Dit leidt tot de slotsom dat zowel gedaagde sub A als gedaagde sub B elk aansprakelijk zijn voor het bedrag van SRD 403.966,32.

4.20 Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Veroordeelt gedaagde sub A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 403.966,32 (vierhonderddrieduizend negenhonderd zesenzestig en tweeëndertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiser geleden als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 403.966,32 (vierhonderddrieduizend negenhonderd zesenzestig en tweeëndertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiseres geleden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiser in haar rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 628,- (zeshonderd achtentwintig Surinaamse dollar).

5.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.