SRU-K1-2018-34

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 163701

8 februari 2018

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[eiser], wonende in [land],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. drs. M-S Boedhoe, advocaat,
hierna te noemen: “[eiser]”,

tegen

[gedaagde], wonende in het [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. R. Lobo, advocaat,
hierna te noemen: “[gedaagde]”.

  1. Het proces verloop:

In het incident en in de hoofdzaak

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 21 juli 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie tot schorsing en hervatting van het geding zijdens de wettelijk vertegenwoordiger van [eiser],
  • de conclusie tot hervatting van het geding zijdens [gedaagde].

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident in kortgeding is bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 De kantonrechter overweegt dat het geding is geschorst op 10 augustus 2017 in verband met het feit dat [eiser] die bij de aanvang van dit geding nog minderjarig was en werd vertegenwoordigd door zijn moeder als wettelijke vertegenwoordiger van hem, op 16 juli 2017 meerderjarig is geworden. Gevorderd is dat het geding wordt voortgezet ten name van de meerderjarige [eiser].

2.2 [gedaagde] heeft in zijn conclusie tot hervatting aangegeven dat hij het noodzakelijk vindt dat een geboorte akte wordt overgelegd omdat uit het overgelegde uittreksel uit de gemeente ‘s Gravenhage niet voldoende blijkt dat [eiser] inmiddels meerderjarig is geworden.

2.3 De kantonrechter overweegt dat de geboorte datum wel voldoende uit de overgelegde documenten blijkt, met name uit de copie van het uittreksel uit de basisregistratie van de gemeente ‘s Gravenhage en uit de akte van koop en verkoop van 2 november 2005 verleden ten overstaan van notaris J. Currie. Hierdoor zal de zaak worden hervat ten name van [eiser], zoals reeds is doorgevoerd in de aanhef van dit vonnis.

2.4 In de hoofdzaak zal worden voortgeprocedeerd.

3. De beslissing

In het incident

3.1 Hervat het geding ten name van [eiser];

In de hoofdzaak

3.2 Stelt [gedaagde] in de gelegenheid zijn conclusie van dupliek te nemen;

3.3 Roept daartoe deze zaak af voor de zitting van donderdag 8 maart 2018 om 09.00 uur des voormiddags;

3.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 8 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-35

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-2648

01 oktober 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak:

1. [eiser 1], rechtspersoon, hierna te noemen “de BV”,
2. [eiser 2] rechtspersoon, voorheen [naam] hierna te noemen “de NV”,
3. [eiser 3], rechtspersoon, hierna te noemen “de stichting” allen kantoorhoudende aan [adres 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[gedaagde], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende aan [adres 2] te [ district 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. Anne-Marel M. Linger, advocaat.

  1. Het verloop van het proces:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 09 september 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 14 september 2020;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Bij onderhandse akte gedateerd 04 juni 2018 zijn de BV en de NV met gedaagde een kredietovereenkomst aangegaan voor het bedrag van US$ 2,250,000. – (tweemiljoen tweehonderd en vijftigduizend Amerikaanse dollar). De stichting heeft op 18 mei en 04 juni 2018 krediethypotheek verleend aan gedaagde strekkende tot zekerheid voor het verstrekte krediet aan de BV en de NV, op het recht van grondhuur vervallende op 26 september 2042 op het perceelland groot vijftien hectare een are en dertig centiare (15.0130 ha) gelegen in [district 1], ten zuiden van het verlengde van de [straat 1] bekend als [adres 3], straatregistratie [nummer]. Voorts is tot zekerheid voor het verstrekte krediet afgegeven het nog te verkrijgen recht van grondhuur op een stukland van 7.8 ha waarvoor een bereidverklaring is verstrekt onder LAD [no. 01]. Voorts zijn door de stichting in fiduciair eigendomovergedragen aan gedaagde de voorraden gelegen aan [adres 1]

2.2. Bij onderhandse akte van 06 september 2018 is een addendum horende bij de overeenkomst van 04 juni 2018 overeengekomen waarbij het bedrag voor de geldlening wordt uitgebreid naar US$ 3,000,000. – (driemiljoen Amerikaanse dollar).

2.3. Bij onderhandse akte van 08 april 2019 zijn gedaagde, de BV en de NV een samenwerkingsovereenkomst kippie-project aangegaan.

2.4. Bij onderhandse akte van 23 augustus 2019 zijn de stichting en gedaagde een optieovereenkomst aangegaan, waarbij gedaagde de mogelijkheid werd geboden tot aankoop van alle bezittingen en bedrijfsactiviteiten van de BV, de NV en de stichting voor een prijs van US$ 2,500,000. – (tweemiljoen vijfhonderdduizend Amerikaanse dollar).

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Eisers vorderen, voor zover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Gedaagde te verbieden om over te gaan tot het in het openbaar verkopen van de in het exploot [no.02] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
b) Gedaagde te verbieden om over te gaan tot het in het openbaar verkopen van de in het exploot [no.03] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.
c) Schorsing van c.q. op te schorten alle door gedaagde te treffen executie maatregelen van de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer].
d) Gedaagde te veroordelen tot een dwangsom van SRD 10.000.000, – (tienmiljoen Surinaamse dollar) voor iedere keer dat zij in strijd handelt met in sub. A t/m C gevorderde.
e) Gedaagde te veroordelen tot betaling aan eisers de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10,800. – (tienduizend achthonderd Amerikaanse dollar) inclusief 8% omzetbelasting.
f) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen alle kosten gemaakt met betrekking tot de onderhavige veiling.
g) Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde misbruik maakt van haar executierecht.

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voor zover van belang voor de beslissing van deze zaak.

  1. De beoordeling

4.1. Eisers stellen dat zij en gedaagde partners zijn in het Kippie-project waarbij gedaagde de financiële partner is die tevens belast is met het management van het project. Gedaagde ontkent dat de rechtsverhouding tussen partijen primair het karakter van een zakelijke samenwerking c.q. partnerschap is. In het geding is gebracht een onderhandse akte gedateerd 08 april 2019, ondertekend door partijen, waarin gedaagde, de BV en de NV een samenwerkingsovereenkomst Kippie-project zijn aangegaan Gedaagde heeft het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst niet ontkend. Op grond van artikel 1896 levert de in het geding gebrachte akte volledig bewijs op dat gedaagde, de BV en de NV een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan.

In artikel 1.2 en 1.3 van de samenwerkingsovereenkomst is door partijen gesteld dat gedaagde, de BV en de NV bij akten van 04 juni en van 06 september 2018 een overeenkomst zijn aangegaan die voorzag in het verstrekken aan de NV door gedaagde van een investeringskrediet van US$ 3,000,000. – (driemiljoen Amerikaanse dollar). Voorts is in artikel 1.4 door partijen gesteld “…dat de gewenste inbreng van [gedaagde] bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering …”. Voorts is in artikel 2.3 bedongen: “Elke afzonderlijke kredietovereenkomst maakt deel uit van deze samenwerkingsovereenkomst en wordt beheerst door de principes van deze overeenkomst.” De verstrekte geldmiddelen die op basis van de overeenkomst welke in de akte van 04 juni en van 06 september 2018 het karakter had van kredietverlening onder hypotheekstelling is bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst gewijzigd in een investeringskrediet van gedaagde aan de NV waarbij gedaagde meer verplichtingen heeft dan die van kredietverschaffer. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter hebben partijen met het gestelde in artikel 1.2, 1.3, 1.4 en 2.3 van de samenwerkingsovereenkomst het karakter van de bij akte van 04 juni en van 06 september 2018 verstrekte geldlening tegen hypotheekstelling gewijzigd in een investeringskrediet en onderworpen aan de principes van de samenwerkingsovereenkomst. Op grond van het voorgaande is de kredietverlening van gedaagde aan de NV onderdeel geworden van de samenwerking van partijen en kan het daardoor niet afzonderlijk worden bezien. Op grond van het voorgaande maakt, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, gedaagde misbruik van de bevoegdheid die zij heeft verkregen op grond van artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek, door de kredietverlening los te koppelen van de samenwerking tussen haar en de eisers.

Op grond van artikel 1.4 waarin het volgende is gesteld: “Gaandeweg de uitvoering van de plannen bleek dat de gewenste inbreng van [gedaagde] bij de uitvoering van het project verder ging dan de kale financiering en dat de wederzijdse betrokkenheid bij het project het karakter van een structurele samenwerking had. Partijen achten het nodig hun onderlinge verhouding en afspraken met betrekking tot het “Kippie-project” nader vast te leggen in deze samenwerkingsovereenkomst.” en wat in artikel 3.1 van de samenwerkingsovereenkomst is gesteld namelijk:“…, zal [gedaagde] aanspraak maken voordracht en benoeming van drie van de vijf leden van de RvC. De RvC functie bestrijkt zowel [de BV], als [de NV]. waarbij tevens bepaald is dat het maximaal aantal commissarissen vijf personen zal zijn.” Blijkt dat gedaagde in de samenwerking met partijen meer is dan alleen een kredietverschaffer. Gedaagde kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zich niet zondermeer onttrekken aan de door haar aangegane samenwerking met eisers en zich beroepen op de overeenkomst vervat in de akten van 04 juni en 06 september 2018, omdat de samenwerkingsovereenkomst nog intact is en de rechtsverhouding van partijen daardoor wordt beheerst. De kantonrechter zal daarom de vordering van eisers om gedaagde te verbieden om tot het in het openbaar verkopen van de goederen over te gaan, omschreven in de exploten [no.02] en [no.03] gedateerd 15 augustus 2020 van deurwaarder L. Gangaram Panday, toewijzen.

4.2. De vordering van eisers tot schorsing van c.q. het op schorten van alle door gedaagde te treffen executie maatregelen op de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer] zal worden toegewezen nu blijkt dat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen nog intact is en gedaagde ondanks dat toch probeert om goederen van de stichting op grond van de overeenkomst van 04 juni en 06 september 2018 te executeren.

4.3. Ter verzekering van de uitvoering van het in dit vonnis bepaalde zal de kantonrechter de vordering tot het veroordelen van gedaagde tot een dwangsom voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het in dit vonnis bepaalde toewijzen. Gedaagde zal worden veroordeeld tot een handelen of een nalaten waarvoor op grond van artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een veroordeling tot een dwangsom is toegestaan. De kantonrechter zal echter de gevorderde dwangsom mitigeren.

4.4. De vordering om gedaagde te veroordelen tot betaling aan eisers de kosten voor rechtsbijstand zal worden toegewezen. Nu naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gedaagde misbruikt maakt van het executierecht welke zij heeft verkregen op grond van de hypotheekstelling van de goederen van de stichting, zij de schade welke eisers daardoor lijden zal moeten vergoeden.

4.5. De vordering tot veroordeling van gedaagde om aan eisers te betalen alle kosten gemaakt met betrekking tot de onderhavige veiling zal worden afgewezen. Eisers hebben onvoldoende gesteld om deze vordering te kunnen beoordelen.

4.6. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de eisers.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1. gelast de stopzetting van de openbare verkoop van de bij exploot [no.02] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.

5.2. gelast de stopzetting van de openbare verkoop van de bij exploot [no.03] van deurwaarder L. Gangaram Panday gedateerd 15 augustus 2020, omschreven goederen welke openbare verkoop zal plaatsvinden op 08 oktober 2020 om 10.00 uur op het kantoor van notaris mr. V. Gangaram Panday of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo.

5.3. schorst alle door gedaagde te treffen executie maatregelen op de percelen toebehorende aan de stichting, in afwachting van een uitspraak van de bodemrechter in de zaak bekend als [AR nummer].

5.4. veroordeelt gedaagde tot een dwangsom van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse dollar) voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het bepaalde in sub. 5.1 t/m 5.3 van dit vonnis tot een maximum van SRD 5.000.000, – (vijfmiljoen Surinaamse dollar).

5.5. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eisers voor de kosten voor rechtsbijstand van US$ 10,800. – (tienduizend achthonderd Amerikaanse dollar) inclusief 8% omzetbelasting.

5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.7. veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van eisers en tot op heden begroot op SRD 700, – (zevenhonderd Surinaamse dollar).

5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op 01 oktober 2020, in tegenwoordigheid van de griffier

SRU-K1-2020-34

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1500

01 oktober 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak:

  1. [naam 1], wonende aan [straat 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  2. [naam 2], wonende aan [straat 2], [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  3. [naam 3], wonende in het [plaats 1]in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  4. [naam 4], wonende aan [straat 3], [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  5. [naam 5], wonende in [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  6. [naam 6], wonende aan [straat 4], [plaats 1 ]in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  7. [naam 7], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  8. [naam 8], wonende aan [straat 5] [no. 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  9. [naam 9], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  10. [naam 10], wonende aan [straat 6] [no. 2], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  11. [naam 11], wonende aan [straat 1], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  12. [naam 12], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  13. [naam 13], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  14. [naam 14], wonende te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  15. [naam 15], wonende aan [straat 7] [no. 3], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  16. [naam 16], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Pararmaribo,
  17. [naam 17], wonende aan de Macousistraat te [plaats 3] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  18. [ naam 18], wonende aan [straat 7] [no. 3], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Pararmaribo,
  19. [naam 19], wonende in het [plaats 2] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  20. [naam 20], wonende aan [straat 8], [plaats 1] in [district 1] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  21. [naam 21], wonende te [plaats 1]in [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
  22. [naam 22], wonende te [plaats 3] in [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,

eisers in conventie,
gedaagden in reconventie,
gemachtigde: mr. E.A. Dennen, advocaat,

tegen

[bedrijfsnaam], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende aan de [straat 8] [no. 4] te [district 2],

gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat.

  1. Het verloop van het proces:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 02 juli 2020;
  • de conclusie van antwoord en van eis in reconventie;
  • de conclusie van repliek en van antwoord in reconventie;
  • de akte van gedaagde in conventie met het verzoek aan de kantonrechter om een comparitie van partijen te gelasten ter beproeving van een schikking, waarvan op het doorlopend procesverbaal de beschikking van de kantonrechter is gesteld;
  • het proces-verbaal van de op 07 augustus 2020 gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van eisers in conventie/gedaagden in reconventie na gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van gedaagde in conventie/eiseres in reconventie na gehouden comparitie van partijen.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Eisers in conventie zijn op arbeidsovereenkomst in dienst van gedaagde.

2.2. Eisers in conventie hebben op 24 maart 2020 aan gedaagde mede gedeeld de bedongen arbeid niet te zullen verrichten, zolang gedaagde geen zorg draagt voor adequate beschuttingsmiddelen (N95 stofmaskers) ter bescherming van hun gezondheid.

2.3. Gedaagde in conventie heeft eisers bij brief van 29 april 2020 medegedeeld dat hun arbeidsovereenkomst niet gecontinueerd zal worden en aan hen is een afvloeiingsregelingaangeboden.

2.4. [werknemers organisatie], die eisers in conventie vertegenwoordigd bij gedaagde wanneer het betreft het aangaan van collectieve arbeidsvoorwaarden, heeft bij brief van 30 april 2020 gedaagde gevraagd of zij voor overleg met haar kan worden uitgenodigd om afspraken te maken over de verbetering van de positie van de onderneming, waaronder doch niet beperkt tot occupational safety and health.

2.5. Het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie heeft bij brief van 29 april 2020 kenmerk [Arb.No.] met als onderwerp beoordeling stofmasker gedaagde in conventie mede gedeeld dat de door haar aan haar werknemers verstrekte mondkapjes ongeschikt zijn om de werknemerste beschermen tegen de gezondheidsrisico’s die zij lopen door het werken in een werkomgevingwaar zij worden bloot gesteld aan houtstof.

2.6. Bij brief van 06 mei 2020 hebben eiseres in conventie gedaagde mede gedeeld dat zij bereid zijn hun werkzaamheden te verrichten onder veilige en aanvaardbare arbeidsomstandigheden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie

3.1. Eisers vorderen, voorzover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Gedaagde te veroordelen om eisers tot het werk toe te laten bij gebreke waarvan zij een dwangsom van SRD 5.000, – (vijfduizend Surinaamse dollar) verbeuren voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
b) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen het loon over de maand mei 2020 en daarmee doorgaan totdat de dienstbetrekking met hen rechtsgeldig zal zijn geëindigd.
c) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen een verhoging vanwege te late betaling van het loon op grond van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek.
d) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de advocaat en deurwaarderskosten van SRD 3.756, – (drieduizend zevenhonderd zes en vijftig Surinaamse dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
e) Gedaagde te veroordelen om aan eisers te betalen de in de toekomst te maken deurwaarders kosten van SRD 1.100, – (een duizend een honderd Surinaamse dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, vanaf 25 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
f) Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat hun dienstbetrekking voortduurt en dat zij nog aanspraak maken op doorbetaling van het loon.

3.3. Gedaagde heeft verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voorzover van belang voor de beslissing van deze zaak.

In reconventie

3.4. Eiseres vordert, voorzover uitvoerbaar bij voorraad:

a) Opschorting c.q. schorsing van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst totdat deze op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.
b) Gedaagden te veroordelen om het in deze te wijzen vonnis te dulden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor elke dag of keer dat zij geen gevolg geven aan het in deze te wijzen vonnis.
c) Gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat zij vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten niet meer in staat is de dienstbetrekking met gedaagden voort te zetten.

3.6. Gedaagden hebben verweer gevoerd, op dit verweer komt de kantonrechter terug in de beoordeling voorzover van belang voor de beslissing van deze zaak.

  1. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Eisers in conventie stellen dat gedaagde in conventie hun loon vanaf mei 2020 niet heeft uitbetaald ondanks dat zij gedaagde daartoe herhaaldelijk hebben aangesproken. Gedaagde in conventie heeft verweer gevoerd welk verweer erop neerkomt dat eisers in conventie hun loon is opgebouwd uit een basisloon, een onregelmatigheidstoeslag en een toeslag voor representatie en/of voor meer en verantwoordelijk werk. Gedaagde inconventie stelt dat eisers in conventie geen arbeid verrichten waardoor zij geen aanspraak maken op de toelagen. Voorts stelt gedaagde dat zij geen loon aan eisers verschuldigd is omdat zij niet is aangemaand en gesommeerd om het achterstallig loon over de maand mei 2020 en de daarop volgende maanden uit te betalen.

Eisers in conventie hebben, via hun vakvereniging, aan gedaagde kenbaar gemaakt dat zij in staat en bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten, mits zij de beschikking krijgen over de juiste beschuttingsmiddelen ter bescherming van hun gezondheid. Voorts hebben eisers in conventie aan gedaagde in conventie aangeboden om tijdelijk aangepast werk te verrichten. Eisers in conventie stellen dat gedaagde in conventie aan hen heeft gevraagd om hun zakdoek als stofmasker te gebruiken en deze nat te houden om zich te beschermen tegen de houtstof dat vrijkomt bij de verwerking van de boomstammen. Eisers in conventie kregen vervolgens zelfgemaakte stofmaskers gemaakt van jeans stof in plaats van N95 stofmaskers. De door gedaagde in conventie vervaardigde stofmaskers zijn ter beoordeling voorgelegd aan het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie, welke stofmaskers door het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie zijn afgekeurd, omdat deze maskers geen adequate bescherming bieden aan eisers tegen het inademen van fijne stofdeeltjes vanwege het feit dat destofmaskers niet voorzien zijn van een filter. Het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspectie concludeert derhalve dat het gebruik van de door gedaagde in conventie vervaardigde stofmaskers wordt afgeraden omdat de zichtbare en onzichtbare (fijn) houtstof schade aan de gezondheid en welzijn van eisers kan bezorgen die de in de omgeving van de houtzaagmachines werkzaam zijn. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde in conventie haar verplichting om een veilige werkomgeving instant te houden niet is nagekomen door geen adequate beschuttingsmiddelen aan eisers in conventie ter beschikking te stellen om hun werk te verrichten in een omgeving waar fijn stof vrijkomt. Op grond van artikel 1614x van het Burgerlijk Wetboek is gedaagde in conventie verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmee zij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede omtrent het verrichten van de arbeid zodanige regelingen te treffen en aanwijzingen te geven, dat eisers in conventie tegen gevaar voor hun gezondheid en welzijn zover zijn beschermd, als redelijkerwijs in verband met het werken met of in de nabijheid van een houtzaagmachine, gevorderd kan worden. Voorts heeft gedaagde in conventie op grond van artikel 20 van het Besluit Stofbestrijding S.B. 1981 no. 71 de verplichting maatregelen te treffen ter bescherming van eisers in conventie die werkzaam zijn in een omgeving, waarin ziektevormende dan wel inert of hinderlijke stof aanwezig is. De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van gedaagde in conventie dat vanwege de COVID-19 situatie N95 stofmaskers niet te verkrijgen zijn. Gelet op de aard van het door gedaagde in conventie uitgeoefend bedrijf, zou gedaagde in conventie vanwege het feit dat stofmaskers steeds beschikbaar moeten zijn voor haar werknemers in het bedrijf, deze steeds in voldoende hoeveelheid voorradig moeten hebben.

Op grond van artikel 1614d van het Burgerlijk Wetboek verliezen eisers in conventie hun aanspraak op het loon niet, indien zij bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten, doch gedaagde in conventie daarvan geen gebruik heeft gemaakt door eigen schuld of zelfs ten gevolge van haar persoonlijk betreffende toevallige verhindering. Het niet verrichten van de bedongen arbeid door eisers in conventie is een direct gevolg van het feit dat gedaagde in conventie haar verplichting tot het instant houden van een veilige werkomgeving niet is nagekomen. Het niet verrichten van de bedongen arbeid door eisers in conventie is aan de schuld van gedaagde in conventie gelegen, doordat zij er niet voor heeft gezorgd dat de stofmaskers in voldoende mate beschikbaar zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en welzijn van haar werknemers. Gedaagde in conventie is daarom verplicht het loon aan eisers in conventie door te betalen.

4.2. Gedaagde in conventie stelt dat het loon van eisers in conventie is opgebouwd uit een basisloon, een onregelmatigheidstoeslag en een toeslag voor representatie en of meer en verantwoordelijk werk en dat eisers in conventie omdat zij niet werken geen aanspraak maken op hun loon en hun toeslagen. Eisers in conventie stellen dat de door gedaagde aangehaalde toeslagen een vast onderdeel zijn van het aan eisers in conventie verschuldigd loon gelet op het feit dat in de arbeidsovereenkomst noch op de loonstrook van eisers in conventie een nadere specificatie is gegeven waaruit opgemaakt kan worden dat deze toeslagen geen vast onderdeel vormen van het loon. De kantonrechter is van oordeel dat nu er in de arbeidsovereenkomst noch op de loonstrook van eiseres in conventie een nadere specificatie is gegeven voor de toeslagen, de toeslagen een vast onderdeel vormen van het loon. Gedaagde in conventie is derhalve het basisloon en de toeslagen verschuldigd aan eisers in conventie. De vordering tot betaling van een verhoging wegens te late betaling van het loon zal worden toegewezen. De kantonrechter stelt de verhoging op 10% van het te vorderen loon voor elke loonuitbetaling waarbij gedaagde in conventie heeft verzuimd om het loon uiterlijk op de laatste dag van de maand uit te betalen.

4.3. De vordering van eisers in conventie tot veroordeling van gedaagde in conventie om hen onmiddellijk te werk te stellen zal worden afgewezen. Gedaagde in conventie heeft op grond van de met eisers in conventie gesloten arbeidsovereenkomst het recht om de werkkracht van eisers in conventie te gebruiken in haar onderneming. Gedaagde in conventie is in het algemeen niet verplicht eisers in conventie te werk te stellen, wel blijft de verplichting voor gedaagde in conventie bestaan om het loon aan eisers in conventie door te betalen, als zij bereid zijn de bedongen arbeid te verrichten maar gedaagde in conventie geen gebruik daarvan heeft gemaakt door eigen schuld of ten gevolgen van een aan haar toekomende toevallige verhindering. De gedaagde in conventie is slechts verplicht eisers in conventie te werk te stellen, indien het inkomen en de carrière van eisers in conventie afhankelijk is van het verrichten van arbeid. Niet gesteld nog gebleken is dat het inkomen en de carrière van eisers in conventie afhankelijk is van het verrichten van arbeid.

4.4. De vordering van eisers in conventie tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, nu blijkt dat gedaagde in conventie als gevolg van het feit dat zij haar verplichting tot het op tijd betalen van het loon aan eisers in conventie niet is nagekomen, eisers in conventie gedwongen waren rechtskundige bijstand in te roepen om hun rechten geldend te maken. Gedaagde in conventie zal daarom worden veroordeeld in de kosten voor rechtsbijstand. De vordering tot veroordeling van gedaagde om aan eisers te betalen de in de toekomst te maken deurwaarderskosten zal worden afgewezen. In een eventuele kosten veroordeling ligt naar het oordeel van de kantonrechter ook besloten de kosten die nog gemaakt moeten worden ter uitvoering van het vonnis. De kantonrechter stelt slechts vast de kosten tot aan de uitspraak van het vonnis.

4.5. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Gedaagde in conventie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de eisers in conventie.

4.6. De vordering van eiseres in reconventie tot opschorting van de arbeidsovereenkomst met gedaagden in reconventie zal worden afgewezen. De arbeidsovereenkomsten van gedaagden in reconventie kunnen in de uitvoering daarvan worden geschorst door overmacht ontstane gebeurtenissen van tijdelijk aard. De arbeidsovereenkomst van gedaagden kan ook worden geschorst wanneer gedaagden weigeren passende arbeid te verrichten. Niet gesteld noch gebleken is dat er sprake is van door overmacht ontstane gebeurtenissen van tijdelijke aard noch dat er sprake is van weigering van gedaagden om passende arbeid te verrichten.

4.7. De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen. Eiseres in reconventie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden in reconventie.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

In conventie

5.1. veroordeelt gedaagde om aan eisers bij wege van voorschot te betalen het loon vanaf mei 2020 tot aan de dag van de rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking met eisers, vermeerderd met een verhoging van wege te late betaling van 10% over het te vorderen loon voor elke loonuitbetaling waarbij gedaagde het loon niet heeft betaald op uiterlijk de laatste dag van de maand waarover het loon moest worden uitbetaald.

5.2. veroordeelt gedaagde om aan eisers te betalen SRD 3.756, – (drieduizend zevenhonderd zes en vijftig Surinaamse dollar).

5.3. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van eisers en tot op heden begroot op SRD 700, – (zevenhonderd Surinaamse dollar).

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.6. wijst af het gevorderde.

5.7. veroordeelt eiseres in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gedaagden

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op 01 oktober 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-RC-2019-4

Rechter-commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten

Verzoek tot invrijheidstelling ex artikel 54a Sv

De Rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten;

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte: [verdachte];

Gezien de stukken, waaronder een bevel tot inverzekeringstelling d.d. 24 juli 2019 en de verlenging daarvan d.d. 29 juli 2019;

Gehoord de verdachte en zijn raadsman I.D. Kanhai, B.Sc.;

Gehoord de vervolgingsambtenaar mr. N.Maikoe;

Overwegende, dat uit de overgelegde stukken vooralsnog de navolgende feiten en omstandigheden zijn voortgekomen:

Op woensdag 24 juli 2019 tegen 18.10 uur reed het slachtoffer kort voor de aanrijding over [straat 1] komende vanuit [straat 2] en gaande in die van [straat 3] terwijl de verdachte over de [straat 3] reed komende vanuit [straat 4] en gaande in die van [straat 5].

Gekomen op de kruising gevormd door de [straat 1] en [straat 3], alwaar het verkeer over [straat 1] voorrang geniet boven het verkeer over [straat 3], verzuimde de verdachte voorrang te verlenen aan het verkeer op [straat 1], in deze het slachtoffer met als gevolg de aanrijding tussen de door verdachte bestuurde auto en de door het slachtoffer bestuurde bromfiets.

Het slachtoffer is op vrijdag 26 juli 2019 als gevolg van de opgelopen verwondingen in het Academisch Ziekenhuis komen te overlijden.

Verdachte, die de Venezolaanse nationaliteit bezit, is ook in het bezit van een verblijfsvergunning om in Suriname te verblijven voor de periode van 15 maart 2018 tot 15 maart 2020. Uit een stempel in het paspoort van verdachte blijkt dat zij op 17 juli 2019 in Suriname vanuit het buitenland is binnengekomen. Verdachte is in het bezit van een geldig Venezolaans nationaal rijbewijs. Verdachte is niet in het bezit van een Surinaams paspoort, een rijtoestemmingsbewijs als bedoeld in artikel 37i lid 1 van het Rijbesluit 1957 (zoals gewijzigd bij het Staatsbesluit van 24 februari 2009 SB. 2009 no. 23) noch een internationaal rijbewijs.

Overwegende, dat de cruciale vraag aan de orde is of verdachte aangemerkt kan worden als een persoon die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding, één en ander als bedoeld in artikel 7 van de Rijwet 1971;

Overwegende, dat als uitvloeisel van het bepaalde in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 het Staatsbesluit van 24 februari 2009 (SB. 2009 no. 23) is uitgevaardigd tot wijziging van het Rijbesluit 1957 waarin in artikel 37i lid 1 is verwoord, zakelijk weergegeven, dat het degene die in het bezit is van een geldig buitenlands nationaal rijbewijs als bedoeld in artikel 7 lid 5 van de Rijwet 1971 toegestaan is om daarmee in Suriname een motorrijtuig over de weg te besturen indien:
a. het buitenlands nationaal rijbewijs is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit in het buitenland;
b. de bestuurder in het bezit is van een vanwege de Procureur Generaal door het Hoofd van de Afdeling Verkeer van het Korps Politie Suriname afgegeven bewijs houdende toestemming (rijtoestemmingsbewijs) om in Suriname met een buitenlands nationaal rijbewijs een motorrijtuig over een weg te besturen;

Overwegende, dat in lid 7 van genoemd artikel 37i lid 1 is bepaald dat “het bepaalde in lid 1 onder b van dit artikel niet van toepassing is op door de Minister aangewezen categorieën van personen”; dat hieruit volgt dat bepaalde categorieën van personen door de minister kunnen worden aangewezen, aan wie, zonder in het bezit te zijn van het rijtoestemmingsbewijs, is toegestaan een motorrijtuig op de weg in Suriname te besturen;

Overwegende, dat bij beschikking van de minister van Justitie van 2 juli 2009 no.3500/09, houdende aanwijzing categorieën van personen ter uitvoering van artikel 37i lid 7 van het Rijbesluit 1957 (S.B. 2009 no.94) als de bedoelde categorieën van personen is aangewezen personen die voor vakantie of zakelijke doeleinden in Suriname verblijven voor een periode van niet langer dan 14 dagen;

Overwegende, dat thans de vraag dient te worden beantwoord of verdachte, die, na aankomst uit het buitenland, 7 dagen in Suriname verbleef voor zakelijke doeleinden (zij zou haar voertuig verkopen en terugreizen naar Chili volgens haar verklaring) en die wel in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs afgegeven door de bevoegde autoriteiten van Venezuela, het land waarvan zij de nationaliteit bezit, aangemerkt kan worden als een persoon niet in het bezit zijnde van een geldig rijbewijs omdat ze een verblijfsvergunning van Suriname bezit; dat met andere woorden de vraag dient te worden of het hebben van een verblijfsvergunning voor verdachte in haar situatie een beletsel oplevert om te behoren tot de categorie van personen die voor een periode van maximaal 14 dagen zonder rijtoestemmingsbewijs een motorvoertuig mogen besturen op de weg;

Overwegende, dat, naar oordeel van de rechter-commissaris, voornoemde vraag negatief dient te worden beantwoord daar deze beperking nergens in de wettelijke regelingen is neergelegd;

Overwegende, dat, derhalve de thans geldende wettelijke regelingen in die zin dienen te worden begrepen, dat het elke vreemdeling, die in het bezit is van een geldig nationaal rijbewijs van het land waarvan hij/zij de nationaliteit heeft en die in Suriname voor vakantie of zakelijke doeleinden verblijft, gedurende maximaal 14 dagen na binnenkomst in Suriname, is toegestaan een motorrijtuig (van de categorie waarvoor het rijbewijs is afgegeven) in Suriname te besturen op de weg, ongeacht of die vreemdeling al dan niet ook een verblijfsvergunning van de Surinaamse autoriteiten bezit;

Overwegende, dat het voren overwogene tot de conclusie leidt dat verdachte in casu niet aangemerkt kan worden als zijnde niet in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding; dat dientengevolge er onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het haar verweten strafbaar feit verwoord in artikel 20 lid 3 van de Rijwet;

Overwegende, dat het vorenoverwogene tot de conclusie leidt dat de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan als onrechtmatig kunnen worden gekwalificeerd weshalve het verzoek dient te worden toegewezen;

Beschikkende:

Wijst het verzoek tot invrijheidstelling van de [verdachte] toe en beveelt diens onmiddellijke invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 6 augustus 2019 door mr. D.D. Sewratan, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de griffier mevr. Mr. E. Ommen-Dors.

De griffier, De rechter-commissaris,

mevr. Mr. E. Ommen-Dors mr. D.D. Sewratan

SRU-RC-2019-3

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN
Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering(SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek van de vervolgingsambtenaar d.d. 6 juni 2019 ter vaststelling van een voorgeleidingsdatum voor de verdachte : [verdachte];

Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verdachte op 04 oktober 2011 in verzekering is gesteld terzake overtreding van de artikelen 2 en 4 van de Rijwet 1971;

Gehoord de verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Tav art. 2 Rijwet 1971
Overwegende, dat ten aanzien van dit feit wel een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit,evenwel betreft het niet een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

Tav art. 4 Rijwet 1971
Overwegende, dat uit de zich in het strafdossier bevindende stukken gebleken is dat verdachte betrokken is van een verkeersongeval waarbij er schade is toegebracht aan een ander voertuig terwijl verdachte bij aankomst van de politie niet ter plaatse is aangetroffen;

Overwegende dat, het toepasselijke artikel 4 lid 1a – verkort weergegeven- alsvolgt luidt:
“Het is de bestuurder van een rij- of voertuig verboden na een ongeval, ontstaan hetzij als gevolg van botsing, aan- of overrijding met dat rij- of voertuig, hetzij als gevolg van enige handeling ter voorkoming van botsing, aan- of overrijding met dat rij- of voertuig:
a. schade is toegebracht aan enig goed van een ander, door te rijden of weg te rijden of zich op andere wijze te verwijderen, voordat de identiteit van zijn persoon en voorzover het motorrijtuigen betreft, van het motorrijtuig en van degene die tijdens het ongeval het motorrijtuig bestuurde, behoorlijk is kunnen worden vastgesteld”;

Overwegende, dat voor strafbaarstelling van het bepaalde genoemd artikel- in casu vereist is dat de verdachte op de plaats van het ongeluk niet behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van diens identiteit en de identiteit van het door haar bestuurde motorrijtuig;

Overwegende, dat uit de zich in het strafdossier bevindende stukken de navolgende feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid:

l. Blijkens het uittrekselrapport d.d. 1 juni 2019 opgemaakt door ambtenaar van politie [verbalisant]:

  • op 1 juni 2019 omstreeks 08:30 uur vond er een aanrijding plaats aan de [weg] dichtbij de [straat] tussen twee voertuigen Isuzu DMax kentekennummer [kentekennummer] en Toyota Vitz kentekennummer [kentekennummer] Het voertuig van de bestuurder [naam]. werd door de bestuurder van de Toyota Vitz aangereden en na de aanrijding reed de bestuurder van de Toyota Vitz door;
  • er was sprake van een doorrijder maar de doorrijder was klemgereden door bestuurder [naam];
  • bij aankomst van de politie op de locatie waar het voertuig was klemgereden werd de veroorzaker van de aanrijding niet aangetroffen;
  • het voertuig van de doorrijder de Toyota Vitzwerd onbeheerd aangetroffen;
  • aan de hand van de voertuig bescheiden die in het voertuig werden aangetroffen is gebleken dat het voertuig op naam staat van [naam 2] wonende aan de [straat 2] en dat het voertuig WA verzekerd is bij Self Reliance;
  • het voertuig van [naam] (DMax) vertoonde schade aan de linkerzijde van de achterlaadbak;
  • de Toyota Vitz vertoonde schade aan de voorzijde;
  • er was geen sprake van persoonlijke ongelukken;

ll. Op 2 juni 2019 verklaarde de benadeelde [naam] bij de ambtenaar van politie [verbalisant]. pg 12-13 alsvolgt:

  • na de aanrijding zag ik dat de bestuurder weg reed zonder te stoppen;
  • ik zette een achtervolging in en gekomen op de kruising van de [straat 3] en de [straat 4] lukte het mij om de bestuurder van de Toyota Vitz klem te rijden;
  • ik stapte uit mijn voertuig en liep naar de bestuurder toe ik zag dat het een vrouwspersoon van Braziliaanse komaf betrof die vermoedelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde;
  • ik pakte vervolgens de contactsleutel af en belde naar de politie meldkamer;
  • na een uur gewacht te hebben op de politie, die maar niet kwam opdagen besloot ik zelf naar politie [wijk] te rijden;
  • na met de politie op de plaats te zijn gekomen bleek dat de bestuurder de plaats verlaten had en haar voertuig onbeheerd had gelaten;

lll. De verdachte heeft bij haar voorgeleiding bij de rechter-ommissarisverklaard zich niets meer te kunnen herinnen van de aanrijding.

Overwegende, dat de verdachte na de aanrijding is klemgereden door de benadeelde waarbij laatstgenoemde:

  • de gelegenheid had om de contactsleutel van het voertuig weg te nemen;
  • in aanwezigheid van de verdachte een (1) uur op de politie heeft gewacht;
  • de verdachte hierna is vertrokken van de plaats met achterlating van het voertuig met relevante autobescheiden;

Overwegende, dat naar het oordeel van de rechter-commissaris uit deze feitelijke gang van zaken kan worden afgeleid dat de verdachte voldoende gelegenheid geboden heeft tot vaststelling van haar identiteit en, tevens de identiteit van het motorrijtuig waardoor er ten aanzien van verdachte geen sprake van redelijk vermoeden van schuld aan de in het bevel in verzekering stelling genoemd strafbaar feit van artikel 4 Rijwet 1971;

Nu, als hierboven overwogen de inverzekeringstelling op grond van artikel 2 Rijwet 1971 wettelijke grondslag mist en, er ten aanzien van artikel 4 Rijwet 1971 geen redelijk vermoeden van schuld van verdachte bestaat dient haar inverzekeringstelling onrechtmatig verklaard te worden;

BESCHIKKENDE:
Verklaart de inverzekeringstelling onrechtmatig en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo op 7 juni 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. F. AMIRULLAH.

De fungerend-griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.F. AMIRULLAH
mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-K3-2015-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-04509
Vonnisnummer: 152
Datum uitspraak: 13 november 2015
Tegenspraak
Raadslieden : mr. F.F.P. Truideman en mr. R. Lobo, advocaten,

VONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte]
geboren op [datum] in het [district 1],
wonende aan de [adres 1] in het [district 1] ,
van beroep visser,
gevangen gehouden.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van respectievelijk
09 juni 2014, 20 juni 2014, 11 juli 2014, 31 juli 2014, 02 oktober 2015, 22 oktober 2014,
14 november 2014, 28 november 2014, 12 december 2014, 09 januari 2015, 18 maart 2015,
30 maart 2015, 29 april 2015,15 mei 2015, 12 juni 2015, 10 juli 2015, 14 augustus 2015,
13 oktober 2015 en 13 november 2015.

2.De tenlastelegging
De verdachte staat terecht ter zake dat:
hij op een niet ander aan te duiden tijdstip gelegen in de periode van 04 augustus 2013 tot en met 08 augustus 2013, althans in het jaar 2013, in het [district], in ieder geval in Suriname:
tezamen en in vereniging met [medeverdachte] althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk [slachtoffer], van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk
– die [slachtoffer] met een eindhout, althans een hard en/of zwaar voorwerp, één of meer slag(en) toegebracht aan het hoofd, althans het lichaam en/of
– die [slachtoffer] aan de handen gekneveld en/of
– die [slachtoffer] met een houwer en/of mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp, één of meer steek- en /of snij- en/of kapverwondingen toegebracht op het hoofd, althans het lichaam en/of
– met een houwer en/of mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp het hoofd van die [slachtoffer] van het lichaam gescheiden,
tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3.De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de kantonrechter
De kantonrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6.Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverweging
De verdediging beroept zich primair op bewijsuitsluiting en subsidiair op strafvermindering.
Ter zake het beroep op bewijsuitsluiting voert de verdediging het volgende aan:
Op 30 augustus 2013 had de rechter-commissaris de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geacht. Hiertegen heeft de verdediging hoger beroep ex artikel 54c Sv aangetekend. Het Hof van Justitie heeft in hoger beroep de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig verklaard en tevens zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen, omdat er geen redelijk vermoeden van schuld was. Daar op het moment van de aanhouding van de verdachte er geen redelijk vermoeden van schuld was, zijn al de op dat moment en hierna verkregen bewijsmiddelen voortvloeiend uit het eerder gesteld onderzoek onrechtmatig verkregen.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat de verdediging uit van een onjuist standpunt, omdat uit het onrechtmatig verklaren van de inverzekeringstelling geenszins voortvloeit dat de verkregen bewijsmiddelen vanaf het moment van aanhouding onrechtmatig zijn verkregen. Overigens valt uit geen der wettelijke bepalingen in het wetboek van Strafvordering en evenmin uit de jurisprudentie af te leiden dat door het onrechtmatig verklaren van de inverzekeringstelling van een verdachte het bewijs dat vanaf de aanhouding van de verdachte is verkregen onrechtmatig is. Deinverzekeringstelling is een onderzoeksmaatregel, welke alleen mag worden toegepast om het onderzoek naar het vermoedelijk gepleegde strafbare feit te voltooien, dan wel om te verhinderen dat de verdachte dit onderzoek frustreert. Vanuit dat oogpunt verwerpt de kantonrechter het verweer van de verdediging.
Voorts voert de verdediging aan dat het DNA onderzoek zonder enige wettelijke grondslag is verricht, waardoor de privacy van de verdachte is geschonden. De verdediging acht niet uitgesloten dat de politie heeft geknoeid met het sporenmateriaal dat op inbeslag genomen voorwerpen aanwezig is enop het materiaal dat is afgenomen van het slachtoffer. Daarom moet het resultaat van het NFI als bewijsmiddel worden uitgesloten.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat hetgeen de verdediging aanvoert niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
Een wettelijke basis voor DNA onderzoek is ter bescherming van de privacy en de lichamelijke integriteit van ieder individu. In casu is in het kader van de waarheidsvinding celmateriaal van het slachtoffer onderzocht en niet van de verdachte, dus kan in casu geen sprake zijn van schending van de privacy van de verdachte.
Voor zover de verdediging betoogt dat de politie onzorgvuldig te werk is gegaan met het veiligstellen van de sporen c.q. het celmateriaal en daardoor het onderzoek onbetrouwbaar is, is dit voor de kantonrechter onvoldoende, omdat de verdediging heeft nagelaten aan te voeren aan welke criteria in zijn visie het veiligstellen van die sporen zou horen te voldoen en aan welke criteria er niet zou zijn voldaan. Bovendien is het een feit van algemeen bekendheid dat het NFI strenge criteria en protocollen ter zake het veiligstellen van sporen heeft. Zouden de forensische opsporingsambtenaren de voorschriften met betrekking tot het veiligstellen en bewaren van de sporen niet in acht nemen, dan zou het NFI het verzoek tot het verrichten van het onderzoek niet inwilligenen zulks vermelden.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot de slotsom dat van onrechtmatig verkregen bewijs geen sprake is en eraldus geen plaats is voor bewijsuitsluiting of, in geval van oplegging van een straf, vermindering van de hoogte daarvan.

8.Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair telaste gelegde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de hierna volgende bewijsmiddelen.

Proces-verbaal betreffende een telefonische melding d.d. 06 augustus 2013, op ambtsbelofte opgemaakt door agent van politie tweede klasse, [naam 1]:
“ Op dag, datum en tijdstip als hoger vermeld bevond ik mij onder begeleiding van agent [naam 2] op Pro Surveillance. Kort daarna werd het bericht ontvangen van de wacht dat er een ongewenst gast zich bij de woning van agent [naam 3] bevond. Naar aanleiding van de melding reed ik derwaarts voor onderzoek. Terplaatse aangekomen trof ik een manspersoon van hindoestaanse komaf die aangeschoten bleek te zijn voor de woning van agent [naam 3]. Bedoelde manspersoon gaf op te zijn genaamd [naam 4]. Tijdens een informatief gesprek verklaarde hij dat in de woonomgeving van het Nieuw bouwproject te [polder 1], in een der zijwegen een auto stond die is afgebrand. Naar aanleiding van de melding reed ik derwaarts voor onderzoek.
Terplaatse aangekomen zag ik dat er een auto die verwoest is door brand in een zijweg van de [polder 1] stond geparkeerd. Voor het voertuig en wel op de grond zag ik een kentekenplaat met als politie volg [nummer 1] die ook verwoest was door de brand.
PLAATSELIJK ONDERZOEK
“Het betreft in deze een voertuig dat reeds was afgebrand, en in een zijweg van de [polder 1] stond geparkeerd, zulks met front naar de zuidelijke richting. Voor het voertuig, en wel op de grond was er een kentekenplaat met als politie volg [nummer 1] die ook is verwoest door brand. De straat alwaar het voertuig was geparkeerd lijdt naar rijst arealen toe. Vanuit de hoofdweg tot waar het voertuig was geplaatst was ongeveer vijftig meters. De straat die naar het voertuig lijdt is ongeveer vier meters breed en de lozingen die evenwijdig lopen aan de straat staan onder hoogwied.
(…)
Naar mijn inzien kon het voertuig op zondag 04 augustus 2013 of op maandag 05 augustus 2013 aldaar zijn geplaatst, daar in de naaste omgeving van het voertuig het gras verschroeid was door brand. Daar er geen versmeulde resten werden aangetroffen, bestaat het vermoeden, dat het geruime tijd voor mijn komst ter plaatse het voertuig was uitgebrand. Het voertuig voelde ook niet warm aan. “

Proces-verbaal van aangifte door [naam 5] d.d. 08 augustus 2013, op ambtsbelofte opgemaakt door agent van politie eerste klasse, [naam 6]:
“ Op dag, datum en tijdstip als hoger vermeld werd telefonisch melding ontvangen van de aangever voornoemd dat er een lijk drijft in het [kanaal] nabij de pompgemaal aan de [weg 1] in dit district. Naar aanleiding hiervan begaf ik mij onder leiding van de Onderinspecteur van politie [naam 7] derwaarts voor onderzoek en moge het volgende worden vermeld:
(…)
Dat hij het beheer heeft over het Pompgemaal, dat nabij de kruising gevormd door de [weg 2]- en de [weg 1] staat. Heden zaterdag 8 augustus 2013, een tijdstip gelegen tussen 07.00 uur en 07.30 uur had hij het pompgemaal gecontroleerd. Toen was alles in orde bij het gemaal. Vanmiddag omstreeks 14.30 uur ging hij voor de tweede keer naar het gemaal om controle uit te voeren. Het [kanaal] waarin het pompgemaal is gebouwd en het kanaal aan de rechterzijde daar staan in verbinding middels een sluis. Tussen deze twee kanalen is er een dam. Het [kanaal] voedt dit kanaal met water. Deze sluis wordt ook beheerd door de aangever voornoemd.
Toen hij voor de tweede keer op controle uitging, besloot hij eerst de sluis, die deze twee kanalen met elkaar verbindt, te controleren. Bij nadering van de sluis rook hij een enorme stank. Hij is verder gaan controleren en zag een levenloos lichaam zonder hoofd drijven nabij de sluis.
Daar hij de schrik van zijn leven kreeg, snelde hij zich naar voren en zag een hoofd drijven in het water voor het pompgemaal. Het gemaal bevindt zich op ongeveer 61 meters, in de noordelijke richting, verwijderd van de sluis. Hij verwittigde de politie meteen hierover.
(…)
PLAATSELIJK-ONDERZOEK
Geografisch bekeken staat het pompgemaal ten oosten van de [weg 1] en wel nabij de kruising gevormd door de [weg 2]-, [weg 1]- en de [weg 3]. Het kanaal waarin het pompgemaal is gebouwd wordt het [kanaal] genoemd. Op aanwijzing van de aangever werd een hoofd van een mens drijvend aangetroffen in het water, bij de afzuigkleppen van genoemd pompgemaal. Het hoofd verkeerde in verre staat van ontbinding en vertoonde een kap verwonding op het hoofd en schrammen in het gelaat.
Aan de rechterzijde van het [kanaal] zulks, bekeken vanuit de straatzijde is er een dam aangelegd. Tussen deze dam en de [weg 3] is er een kanaal, dat met water gevoed wordt door het [kanaal]. Ongeveer 61 meters verwijderd van het gemaal, in de richting van EBS wordt de toevoer van water naar het kanaal langs de [weg 3] geregeld middels een sluis. Bij de sluis werd een onthoofde lichaam van een manspersoon drijvend op zijn rug aangetroffen in het water. Het ontzielde lichaam was in verre staat van ontbinding en was niet voorzien van lijfskleren (naakt). Het lijk vertoonde enkele, vermoedelijk, snij verwondingen op de rug en borst.
Het vermoeden bestaat dat het ontzielde lichaam via het [kanaal] uit de richting van de [dam] door het stromend water daar naar toe is gevoerd en bij het sluis is blijven steken. Verder is uit onderzoek gebleken dat de handen van het slachtoffer aan de polsen op zijn rug middels een stuk zwarte nylon touw waren gebonden. De identiteit van het ontzielde lichaam is nog niet bekend.
(…)
Naar aanleiding van de aangetroffen situatie werd de Hulp Officier van Justitie, (…), op de hoogte gesteld, die ter plaatse verscheen. Ook de arts Ramjattan werd ingeschakeld, die de dood vaststelde.”

Referte proces-verbaal betreffende achterhaling van de juiste personalia van het op donderdag 08 augustus 2013 aangetroffen onthoofde lichaam, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de majoor van politie, [naam 8] :
“ (…)
Daar het niet werd uitgesloten, dat de verbrandde personenauto verband kon hebben met het op donderdag 08 augustus 2013 aangetroffen onthoofde lichaam van een man van het negroïde ras, werd via de Verkeers Technische Dienst, nagetrokken op wiens naam die staat ingeschreven.
(….)
Staande het onderzoek, werd op de Aangiftedienst van station [district 1] gerapporteerd, dat er op 08 augustus van het lopend jaar een bericht binnen was gekomen van de vermissing van een man die woonachtig moet zijn ten huize van familie [naam 9] aan de [adres 2]. Verder, dat iemand uit [district 2] had opgebeld met de mededeling, dat die persoon al langer dan een week vermist word. De dagrapporten van de diensten van 08 augustus 2013, werden opgevraagd en bleek, dat de persoon van [echtgenote slachtoffer], tegen 13.45 uur heeft gebeld met het verzoek of de politie van station [district 1], naar het adres van familie [NAAM 9] aan de [adres 2], kon gaan om te onderzoeken of haar echtgenoot [SLACHTOFFER], ter plaatse is.
(…)
Aangegeven moge worden, dat het duidelijk voor het onderzoek team werd, dat er een link bestond tussen de eigenaar c.q. gebruiker van de door de brand verwoestte personenauto; de persoon als vermist opgegeven door [echtgenote slachtoffer], en het op donderdag 08 augustus 2013, aangetroffen lichaam en hoofd in het [kanaal] in dit district.
(…)
Tijdens het telefonische onderhoud met de onder inspecteur van politie [naam 10], werd naar een beschrijving van de door haar bedoelde [SLACHTOFFER] gevraagd. Ze gaf daarbij aan, dat hij van het gemengd ras is; tenger van postuur; een lichte huidskleur heeft en altijd kaalgeknipt is. Verder dat hij een tatoeage aan zijn hals moet hebben. Het betreft volgens haar een afbeelding van een kop van een Ram en verschillende tatoeages, die zij op dat moment niet kon beschrijven, op zijn rechterbovenarm moest hebben.
Uitgaande van haar uitleg werd gevoeglijk aangenomen, dat het slachtoffer in de onderhavige zaak, de door haar bedoelde [SLACHTOFFER], kon zijn, temeer daar de door haar beschreven tatoeage op de hals van de opgegeven vermiste persoon, overeenkwam met die op de hals van het slachtoffer. Ze gaf verder aan, dat het haar bekend is, dat hij een liefdesrelatie heeft met een dame [NAAM 9], van de [adres 2] in het [district 1] .
(…)
Gezien het vorenstaande, werd de persoon van [NAAM 9], opgespoord aan de [adres 2], alwaar zij werd aangetroffen.
(…)
Uit het verder gesprek, werd ook duidelijk, dat zij de persoon van [SLACHTOFFER], met wie zij volgens zeggen, langer dan een jaar een liefdesrelatie heeft, op zondag 04 augustus 2013, tegen 23.30 uur, voor het laatst heeft gezien. Zij had volgens eigen zeggen nog ruzie met hem gehad, daar hij haar op de hoogte had gebracht, dat hij de dag daaropvolgend naar [district 2] zou afreizen.
(…)
Volgens haar zeggen was, zij tegen 23.30 uur van dezelfde avond naast hem in slaap gevallen en dat zij tegen 05.00 uur van maandag 05 augustus 2013 wakker was geworden en had ontdekt, dat hij niet meer op bed lag. Het was haar bij die gelegenheid ook opgevallen, dat de bordeaux gelakte personenauto van het handelsmerk “Toyota, levin” niet voor de deur stonde geparkeerd.
(…)
[NAAM 9], deed zich op een bepaald moment, ook ontvallen, dat ene [verdachte], mogelijk ook meer van de dood van [SLACHTOFFER], moest afweten. Ze gaf aan, dat zij en [SLACHTOFFER], voor ongeveer zes (6) weken naast familie [VERDACHTE], aan de [polder 2] in het district, hebben gewoond. Verder, dat het haar in die periode was opgevallen, dat [SLACHTOFFER], ietwat te intiem bezig was met de vrouw van [VERDACHTE]. Hij bracht volgens haar zeggen, teveel tijd met meerbedoelde vrouw door, en wel op momenten waarop haar echtgenoot en kinderen, niet thuis waren. Het laatste is volgens haar de reden geweest, dat zij het besluit had genomen om van dat adres te verhuizen en zich weer te gaan vestigen aan de [adres 2] in het district. Volgens haar zeggen had de door haar bedoelde [VERDACHTE], lucht gekregen van de bezoekjes van [SLACHTOFFER], aan zijn woning en dat hij in duidelijke bewoordingen aan derden zou hebben verteld, dat hij daarvoor niet gediend was. Volgens [NAAM 9], verscheen [VERDACHTE] voornoemd op woensdag 07 augustus 2013 heel onverwachts op haar werkplaats, zijnde de Surinaamse Post Spaarbank, om naar [SLACHTOFFER], te vragen. Het was volgens [NAAM 9], nooit eerder voorgevallen, dat [VERDACHTE], haar ter plaatse was komen opzoeken en werd die handeling, als zeer vreemd door haar bestempeld. Ook vanwege het feit, dat hij haar ter plekke had omhelst en had aangegeven, dat hij dacht, dat zij en [SLACHTOFFER] nog boos op hem waren, terwijl er volgens haar niks tussen hen was voorgevallen en bij die gelegenheid ruzie werd gemaakt. Hij zou haar bij die gelegenheid hebben voorgehouden, dat hij hem al geruime tijd telefonisch niet kon bereiken. Nadat zij hem had voorgehouden, dat hij naar [district 2] was afgereisd, verliet hij de plaats zonder achterlating van een boodschap voor [SLACHTOFFER] voornoemd.
(…)
Het onderzoek voortzettend, werd de persoon van [NAAM 9], omstreeks 13.20 uur overgebracht naar het lijkenhuis van het [ziekenhuis], alwaar het ontzielde lichaam aan haar werd getoond. [NAAM 9], kon het lijk niet herkennen aan het gezicht en postuur, maar wel aan de tatoeages, die zij bij eerdere ondervraging had beschreven, dus op de hals en rechterbovenarm.”

Proces-verbaal d.d. 20 augustus 2013 op ambtsbelofte opgemaakt door avp Miralam, F. betreffende resultaat van een onderzoek naar het voorkomen van bloesporen.
“ De bromfiets is in beslag genomen bij de verdachte [verdachte].
Er werden hierbij luminescenties waargenomen op:
De linker voorschokkenbreker
Op en onder de voorste staaf van het frame
Op de benzine toevoerslang
Op de plastieke verkasting van het frame onder de zitting en benzine tank
Op het versnellingshendel
Op de plastieken zak op de achterzitting
Over de gehele motorkap
Op de linker schokkenbreker
Naar aanleiding van het verkregen onderzoeksresultaat ….. kan gesteld worden dat de aangetroffen opgedroogde substanties bloedvoorkomens en wel menselijke bloedvoorkomens zijn.”

Proces-verbaal d.d. 2 september 2013 op ambtsbelofte opgemaakt door avp Miralam, F. betreffende resultaat van een onderzoek naar het voorkomen van bloesporen in de woning.
“Naar aanleiding van het verkregen onderzoeksresultaat ….. kan gesteld worden dat de aangetroffen verkleuringen op de vloer aan de rechterachterzijde van de koelkast, op de treden van de trap en de steunbalk en op de kinderbalk aan het plafond bloedvoorkomens en wel menselijke bloedvoorkomens zijn.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van Miralam, F., van de afdeling FO, d.d. 3 april 2014 bij de rechter-commissaris tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek:
“Ik ben samen met de collegae Djamad en Mangal afgereisd naar [district] voor het onderzoek. We hebben samen het onderzoek verricht op deze bromfiets.
Op uw vraag zeg ik, dat ik twee processen-verbaal heb opgemaakt, te weten:
1. betreffende het onderzoek op de bromfiets
2. betreffende het onderzoek in de woning.
Terugkomend op het onderzoek verricht op de bromfiets, deel ik u mede dat het resultaat was dat er sporen van menselijk bloed zijn gevonden op verschillende delen van de bromfiets aan de linkerzijde. Ik verwijs u naar het proces-verbaal, dat ik ter zake heb opgemaakt. In het proces-verbaal zijn ook foto’s toegevoegd waar de menselijke bloedsporen zijn gevonden.
De bromfiets werd in beslag genomen toen wij onderzoek daar verrichten. Het bevond zich in een bergruimte van het politiebureau te [district 1]. De bloedsporen bevonden zich vanaf de voorste modderkap tot de achter modderkap. De plaatsen waar de sporen zijn aangetroffen op de bromfiets zijn van dien aard dat je niet kan zeggen dat verdachte een letsel heeft opgelopen of dat het van een aanrijding is. De concentratie van bloedsporen was verspreid over de linkerzijde van de bromfiets en wel niet te hoog. Je zou het kunnen benoemen als bloedspatten patroon van sporen.
Op foto 29 aangehecht aan het proces-verbaal, die ik heb opgemaakt op zondag 25 augustus 2013 is te zien dat de testkit heeft gereageerd op menselijk bloed.
Ten aanzien van het onderzoek dat wij hebben verricht in de woning refereer ik ook naar het door mij opgemaakt proces-verbaal.
De sporen van menselijk bloed zijn gevonden op de vloer aan de rechter achterzijde van de koelkast, op de treden van de trap en de steunbalk en op de kinderbalk aan het plafond. Ik wil u erbij vermelden dat dit onderzoek drie dagen heeft geduurd.”.

Het proces-verbaal d.d. 30 oktober 2014 betreffende de gehouden descente op de plaatsdelict ([polder 2] in het [district 1]), met fotomateriaal, op ambtsbelofte opgemaakt door de buitengewoon agent van politie, Miralam Faraiza:
“Op foto 1 is de woning van de verdachte te zien. Het betreft een hoogbouw woning welke gedeeltelijk uit steen en gedeeltelijk uit hout is opgetrokken. Vanuit de straat is er een houten brug naar het erf toe. Het erf is niet omrasterd. Aan de achterzijde van het erf zijn er rijstvelden. Ook zijn er verschillende vruchtbomen op en rondom het erf. Aan de rechterzijde vanuit de straat bekeken is er een afdakje waaronder er een tractor is geplaatst. Ook aan de achterzijde van de woning is er een afdakje.
Foto 2 en foto 3: Volgens de verdachte stond het voertuig van het slachtoffer, dat naderhand afgebrand is aangetroffen, op het erf aan de linkerzijde. Het voertuig stond met front naar de straatzijde met draaiende motor.
Foto 5: De bovenverdieping van de woning van de verdachte is verdeeld in vier (4) kamers, een woonkamer en een balkon. In de kamer, sliepen de verdachte, samen met de medeverdachte en hun drie kinderen. De kinderen sliepen op een matras op de vloer, met hun hoofd aan de zijde van de klerenkast.
Foto 6: De verdachte gaf aan dat zijn vrouw (medeverdachte) sliep en dat hij bezig was op het internet met zijn telefoontoestel van het merk “LG”. Verder gaf hij aan dat hij iets hoorde lopen op het dak en dacht dat het om een awarie ging. Later hoorde hij iemand lopen in het huis. Hij stond op van het bed, liep naar de trap toe, keek naar beneden en zag niets. Hij liep toen naar het raam, schoof het gordijn open en keek naar buiten. Hij zag niets buiten.
Foto 7: Volgens de verdachte waren er toen geen houten latten (horizontaal en verticaal) aan het raam bevestigd.
Foto 8: De verdachte liep toen terug naar zijn slaapkamer. In de deurnaad van de kamer, aangeduid met pijl B op foto 8, zag hij een lichtschijnsel. Hij liep toen terug naar het raam en pakte een balk die onder het raam was gezet. Met de balk in zijn hand, sloeg hij met zijn ellebogen tegen de wand van de kamer vanwaar hij het schijnsel zag.
Foto 9: Plotseling zag hij iemand in het zwart gekleed voor hem staan.
Hij sloeg de persoon met de balk aan het hoofd en de nek. Volgens de verdachte viel de persoon voor de trap. Hij bracht hem weer slagen toe waardoor hij van de trap viel.
Ook verklaarde de verdachte dat de persoon die hij had geslagen op de trap, moet hebben gerend naar beneden. Toen de persoon op de vloer beneden lag, liep de verdachte ook naar beneden.
Volgens de verdachte zou de persoon het huis zijn binnengekomen via het raam bij de trap.
Voor de trap beneden zag de verdachte de persoon liggen met het hoofd richting straat, de [adres 1] , en benen richting achterzijde woning.
De verdachte sprong over de persoon heen, om naar de schakelaar te gaan, om het licht aan te doen. Verder gaf de verdachte aan dat er een houwer naast de vitrine kast was.
Foto 11: Volgens de verdachte was de bromfiets, die door de politie in beslag is genomen, bij de deur, vanuit de straat bekeken aan de rechterzijde.
De verdachte verklaarde dat het licht niet aan was en hij de deur niet kon openmaken.
Daar de verdachte het gevoel kreeg dat er iemand achter hem stond, keerde hij zich om, zag een glinsterend voorwerp, en hoorde de uitlating “mo djoek joe kierie”. Als reactie hierop pakte hij de houwer en maakte twee zwaaiende bewegingen.
Volgens de verklaring van de verdachte maakte hij de deur van de keuken daarna open en ging naar buiten.
Foto 12: Vanuit het terras beneden zag de verdachte een voertuig, met draaiende motor en open kofferbak geparkeerd op het erf aan de rechterzijde van de woning, dus het belendend perceel, bekeken vanuit de straatzijde.
De verdachte keerde volgens zijn verklaring terug naar de keuken en maakte het licht aan. Hij zag het slachtoffer op de buik liggen. Het slachtoffer was in het zwart gekleed en ongeschoeid. Daar herkende hij de persoon als te zijn het slachtoffer [slachtoffer].
Foto 13, 14 en 15: De verdachte [verdachte] keerde het slachtoffer om, hield hem aan zijn handen, liep achteruit en sleepte het slachtoffer naar het voertuig toe.
In de kofferbak van het voertuig zag de verdachte touw. Hiermee had hij de handen van het slachtoffer vastgebonden. Hij hield het slachtoffer aan zijn broeksband vast en laadde hem in de kofferbak.
Hierna liep de verdachte terug naar de keuken en maakte een deel van de vloer waar er bloed lag schoon. De kledingstukken die hij heeft gebruikt, plaatste hij ook in het voertuig. Hij verbrandde de kledingstukken samen met het voertuig.
Na het slachtoffer in het kanaal te hebben gedumpt kwam de verdachte terug naar huis en maakte de vloer en het plafond schoon.
Foto 16 en 17: De kledingstukken en andere spullen die hij had gebruikt om de vloer en het plafond schoon te maken heeft de verdachte in het kanaal dat voorlangs zijn woning loopt, en wel evenwijdig aan de [adres 1], gedumpt.
Foto 18 en 19: Volgens de verdachte zou het slachtoffer in een manjaboom aan de achterzijde van de woning hebben geklommen. Via deze manjaboom zou hij op het dak zijn gekomen en vervolgens bij het raam, via welk hij de woning zou hebben moeten betreden.”

Het proces-verbaal van het verhoor van de [getuige 1], d.d. 11 april 2014 bij de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek:
“Ik ben werkzaam bij de recherche unit van het Korps Politie Suriname te [district 1].
Op 8 augustus 2013 is een lijk gevonden en naderhand is gebleken dat het lijk het stoffelijk overschot betrof van de persoon van [slachtoffer]. In die periode is een mevrouw, genaamd [naam 9], geweest op het politiebureau. Zij had een buitenechtelijke relatie met de persoon [slachtoffer]. In haar verklaring had zij aangegeven dat [slachtoffer] contact had met ene [verdachte], althans dat hij vaak aan huis ging bij [verdachte], ook al was hij niet thuis. Voornoemde [naam 9] concludeerde daaruit dat [slachtoffer] mogelijk een relatie had met de vrouw van [verdachte]. Voorts werd door de politie rekening gehouden met de mogelijkheid dat [verdachte] van deze relatie afwist en dat hij daarom mogelijk verantwoordelijk kon worden gesteld voor de gewelddadige dood van [slachtoffer].
Nadat de hulpofficier overleg had gepleegd met de officier van justitie ben ik tezamen met andere opsporingsambtenaren op zaterdag 10 augustus 2013 geweest ten huize van [verdachte] aan de [adres 1] in de [polder 2] in [district 1].
[verdachte] is toen kort gezegd aangehouden en kort ondervraagd, waarna met zijn toestemming en in zijn tegenwoordigheid een onderzoek werd verricht in zijn woning. De woning betreft een hoogbouw woning. In de keuken, die zich bevindt in de benedengedeelte van de woning zijn er een aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen, zoals een houtenknuppel, een vlijmscherpe houwer, werpnetten, een paar hoge schoenen (zgn bootsmodel), een jeansbroek van het merk G-star en drie stuks mobiele toestellen.”

De verklaring van de [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van 02 oktober 2014:
“Ik ben betrokken geweest bij het onderzoek in deze zaak.
Ik ben eveneens geweest bij de aanhouding van de verdachte. Ik ben met leden van de afdeling F.O. geweest bij de woning van de verdachte.
(…) Er zijn tijdens het onderzoek door de Recherche goederen in beslag genomen, waaronder: een stuk steen, een houwer/een metalen pijp, een keukenmes. Op de houwer zaten er bloedsporen.
Ik was samen met Inspecteur [naam 11]. Er zijn ook visnetten en een knuppel in beslaggenomen. Het onderzoek in de woning heeft 2 á 3 dagen in beslag genomen. Wij zijn ook op het achtererf van de woning geweest.
Verder zijn er een paar laarzen in beslag genomen. De verdachte verklaarde dat hij die laarzen van een familielid had gehad.
(…) Wij hebben die goederen in beslag genomen, nadat het lijk was gevonden.”

De verklaring van de getuige, [naam 8] majoor van politie, afgelegd ter terechtzitting d.d. 31 juli 2014:
“Ik heb op verschillende momenten onderzoekingen in deze zaak verricht. Ik heb verhoren van de verdachten afgenomen.
Ik ben op 9 augustus 2013 naar [district 1] geweest nadat wij het bericht hadden ontvangen dat er een lijk was aangetroffen. Ik ben er geweest om assistentie te verlenen.
Daarna kregen wij het bericht dat er een voertuig was aangetroffen, dat verbrand was. Naar aanleiding van de nummerplaat hebben wij de eigenaar van het voertuig kunnen achterhalen.
Het lijk was onherkenbaar verbrand. Het lijk werd bij het [kanaal] aangetroffen op 8 augustus 2013. Er zijn aldaar geen sporen aangetroffen.
Bij de aanhouding van de verdachte [verdachte] werden er een paar zaken in zijn woning aangetroffen. Het bloed in de woning bleek na onderzoek van de afdeling F.O. dat het om menselijk bloed ging. Voorts zijn na de aanhouding van de verdachte [verdachte] in zijn woning enkele zaken aangetroffen en in beslaggenomen zoals een houwer, een knuppel, een chasnet, althans touw van die chasnetten.
Op die houwer waren er donkere plekken. Rekening houdende dat het slachtoffer is gehakt, is die houwer in beslag genomen.
Er is ook in die periode van 20 augustus 2013 een bromfiets in beslag genomen.
De in beslag genomen goederen zijn door de afdeling Forensische Opsporing [district] belicht om te weten als er menselijke bloedsporen op de goederen waren.
Wij hebben de verdachten geconfronteerd met het menselijk bloed op de goederen. De verdachten hebben verklaard dat het bloed vermoedelijk afkomstig was van vis/vlees/ de hond en eventueel “kamrawentje’.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen werden de verdachte [verdachte] en zijn vrouw afzonderlijk gehoord. Ze gaven beiden uiteenlopende verklaringen, die niet schenen te kloppen.
Bij een nader onderzoek thuis bij de verdachte werden bloedsporen op een bromfiets aangetroffen. Van de afdeling F.O. kregen wij te horen dat het om menselijk bloed ging.
Ik heb onderzoekingen verricht bij het huis van de verdachte. Ik heb geen sporen van een auto bij verdachte thuis aangetroffen. Het onderzoek heeft niet uitgewezen hoe het voertuig aan de [weg 4] is aangekomen.”

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 13 december 2013 betreffende het onderzoek naar biologische sporen en DNA-ondezoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot van [slachtoffer] in het [district] op 8 augustus 2012, opgemaakt naar waarheid door de NFI- deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, dr. J. Warnaar, waarin genoemde NFI- deskundige onder meer het volgende vermeld:
“Onderzoek naar biologische sporen:
Alle bemonsteringen en stukjes textiel zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. In de bemonsteringen AAGK3598NL en AAGK3599NL en op alle stukjes textiel is bloed aangetroffen. In de bemonstering AAGK3600NL is geen bloed aangetroffen.

DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAGK3598NL#01een bemonstering (met bloed) van een bromfiets
AAGK3599NL#01een bemonstering (met bloed) van een motorkap
AAGK3600NL#01een bemonstering (zonder bloed) van een toevoerslang
AAGK3601NL#01een donkerkleurig stukje textiel (met bloed) van een linkerschoen
AAGK3601NL#02een lichtkleurig stukje textiel (met bloed) van een linkerschoen
AAGK3602NL#01een donkerkleurig stukje textiel (met bloed) van een rechterschoen
AAGK3602NL#02een lichtkleurig stukje textiel (met bloed) van een rechterschoen
AAGK3603een tand van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (geboortedatum)
AAGK3604een referentiemonster botweefsel van het stoffelijk overschot van [slachtoffer]
Van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] is geen referentiemateriaal ontvangen. De DNA-profielen van de verdachten zijn daarom niet betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek

Resultaten, interpretatie en conclusie
Van de aangeleverde referentiemonsters tand AAGK3603NL en botweefsel AAGK3604NL van het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer] is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is vergeleken met de DNA-profielen van het sporenmateriaal.
Van het materiaal in de bemonstering AAGK3600NL#01 van een toevoerslang is geen DNA profiel verkregen.
Van het bloed in de bemonsteringen AAGK3598NL#01 van een bromfiets, AAGK3599NL#01 van een motorkap, AAGK3601NL#01 en AAGK3601NL#02 van een linkerschoen en AAGK3602NL#01 en AAGK3602#02 van een rechterschoen zijn DNA-profielen verkregen van een man. Deze DNA-profielen matchen met elkaar en met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] AAGK3603NL/AAGK3604NL. Dit betekent dat het bloed in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer].
De berekende frequentie van de DNA-profielen van het bloed in elk van de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man match met deze DNA-profielen is kleiner dan één op één miljard.”

De verklaring van de getuige-deskundige, P. Tjin Liep Shie, afgelegd ter terechtzitting d.d. 12 december 2014:
“ De inbeslag genomen sporen in deze zaak zijn veilig gesteld. Het moment waarop de sporen aan mij zijn overgedragen, worden ze in een brandkast opgeslagen, waarvan ik alleen de sleutels heb.
De sporen moeten op een donkere en droge plaats worden opgeslagen.
De sporen zijn aan N.F.I. in Nederland overgedragen. Het Nederlands Forensisch Instituut hanteert zeer strenge criteria.
De deskundige Miralam praat over verkleuringen. Dat is een identificatie test. Er is een voorgeschreven methode (steriel watten staaf) welke gebruikt wordt om de aangetroffen sporen in beslag te nemen. Die worden dan opgestuurd naar Nederland tijdens het vooronderzoek. Ik heb het opgestuurd rapport ook gelezen. Daarin staat dat het om menselijk bloed gaat en ook expliciet van wie het bloed afkomstig is. Het opgestuurde materiaal blijft in Nederland. Het resultaat wordt opgestuurd naar Suriname.”

Het proces-verbaal d.d. 09 augustus 2013, betreffende het verhoor van [naam 9], welk proces-verbaal door de agent van politie 2e klasse, [naam 12], op ambtseed is opgemaakt:
“De vraag wordt aan mij gesteld wanneer ik [slachtoffer] voor het laatst gezien heb en verklaar ik aan u, dat ik op zondagavond 4 augustus samen met hem en mijn dochter thuis was. (…)
Diezelfde dag nog vertelde hij mij dat hij de volgende dag naar [district 2] moest om zijn “ding” te gaan doen. Ik was het niet hem eens en wilde samen met hem pas op woensdag naar [district 2] afreizen. Hij hield voet bij stuk dat hij naar [district 2] moest waarna wij tegen 23.30 uur zijn gaan slapen. (…)
De volgende ochtend werd ik precies tegen 05.00 uur wakker en merkte dat hij weg was zonder mij te groeten. (…)
U vraagt aan mij wat voor kleding hij voor het laatst aan had en verklaar ik aan u, dat ik niet precies weet wat hij aan had toen hij wegging aangezien ik nog sliep. U vraagt aan mij wat voor kleding hij de nacht tevoren aan had en geef ik u te kennen dat hij een blauwe lange jeansbroek aan had met grote zakken aan de zijkant. Hij had een witte trui aan met blauwe opschrift “PAIS”. In ieder geval kan ik u vertellen dat de kleding die hij de nacht tevoren aan had niet thuis meer te zien was en denk ik dat hij met dezelfde kleding is vertrokken.”

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige, [naam 9], d.d. 25 april 2014 bij de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek:
“Ik ben vaker met [slachtoffer] geweest thuis bij [verdachte]. [verdachte] was onze buurman toen ik aan de [polder 2] woonde. De vrouw van [verdachte] werd [medeverdachte] genoemd. Naderhand heb ik begrepen dat zij [medeverdachte] is geheten.
Wij hebben ongeveer twee maanden gewoond op het adres aan de [polder 2]. Uit financiele overwegingen zijn wij terug verhuisd naar de [adres 2]. Ik had een idee dat [medeverdachte] en [slachtoffer] iets met elkaar hadden, omdat zij zodra wij daar op bezoek gingen, zij [slachtoffer] aan zijn lichaam betastte. Bij die gelegenheden zag ik dat [verdachte] vals keek naar [slachtoffer]. Met vals bedoel ik dat het leek alsof hij geïrriteerd was door het gedrag van die twee. Ik heb [slachtoffer] daarom geadviseerd om liever niet meer thuis bij [verdachte] te gaan.
Op uw vraag of [slachtoffer] een relatie met [medeverdachte] had, zeg ik u dat ik dat niet precies weet, maar aan de hand van de manier waarop [medeverdachte] met [slachtoffer] bezig was kwam de gedachte wel bij mij op.
[slachtoffer] heeft mij ook een keertje verteld, dat [medeverdachte] haar seksueel leven met haar man genaamd [verdachte] aan [slachtoffer] toevertrouwde. Zo vertelde [slachtoffer] mij, dat [medeverdachte] hem zou hebben verteld dat zij en haar man slechts een keer per de maand seks me elkaar hadden.
Aan [naam 13], dat is de vrouw die woonde achter het huis welke wij hadden gehuurd en tevens de verhuurder van het huis was had ik wel als reden voor de verhuizing gegeven, dat ik een vermoeden had, dat [slachtoffer] een verhouding had met [medeverdachte].
Op uw vraag of [slachtoffer] vaker telefoontjes kreeg nadat wij terug waren verhuisd naar de [adres 2], antwoord ik u bevestigend. [medeverdachte] belde steeds op de mobiele telefoon van [slachtoffer]. De telefoontjes kwamen merendeels in de nachtelijke uren. Soms 12.00 uur ’s avonds of 01.00 uur in de ochtend.
Op uw vraag zeg ik, dat ik het vreemd vond dat [verdachte] mij op woensdag 7 augustus 2013 was komen opzoeken op het werk.
Hij heeft mij toen gevraagd hoe het met mij gaat en of wij boos op hem zijn, omdat wij volgens hem lang niet thuis bij hem zijn geweest. Ik heb dat ontkend. Vervolgens vroeg hij mij of ik contact met [slachtoffer] had. Hierop reageerde hij door mij te vragen hoe ik dan contact met [slachtoffer] had.”

De verklaring van de getuige, [echtgenote slachtoffer] afgelegd ter terechtzitting d.d. 02 oktober 2014:
“(…) Ik was met [slachtoffer], (slachtoffer) getrouwd in het jaar 2011. [slachtoffer] is in december 2012 naar het [district 1] vertrokken om er te werken.
(…) Als [slachtoffer] in de bij mij in de stad was kreeg hij telefoontjes en hij werd eens boos. Hij zei later tegen mij dat een manspersoon het vermoeden had dat hij en relatie zou hebben met zijn vrouw.
Een vrouwspersoon belde hem ook vaker op. Ik weet wel dat het om een Hindoestaanse vrouw ging. Dat kon ik afleiden uit de woorden die [slachtoffer] sprak tegen de Hindoestaanse vrouw.”.

De verklaring van de [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2014:
“Ik ken de verdachte [verdachte] vanaf mijn jeugd. Ik had [verdachte] benaderd om naar Apoera te gaan, om samen met mij naar een defecte machine te gaan kijken. Dat was omstreeks 4 augustus 2013.
Ik heb op 1 augustus 2013 de afspraak met de verdachte [verdachte] gemaakt om naar Apoera te gaan. Ik heb de verdachte [verdachte] op 4 augustus 2013 thuis opgehaald voor 7.00 uur in de ochtend. Er was ook nog een andere arbeider bij. Ik heb hem weer thuis afgezet.
Het enige wat ik kan verklaren is dat ik [verdachte] thuis heb opgehaald en dat de reis op die dag naar Apoera niet is doorgegaan.”

De verklaring van de [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2014:
“ (…)In dit geval gaat het om de gegevens van de telefoonnummers [nummer 2 ] van de familie [verdachte] en [nummer 3] van het slachtoffer.
Er is contact geweest tussen deze 2 nummers.
Familie [verdachte] heeft gebeld naar het slachtoffer.
Op 3 augustus 2013 tijd 09.20 uur misscall. De beller en ontvanger waren beiden op locatie. [polder 2];
Er hebben op dat moment 3 contacten plaatsgevonden. Het 3e gesprek heeft 25 seconden geduurd en de locaties waren verschillend, namelijk de ontvanger bevond zich te [plaats 1] in [district 1];
Op dezelfde dag heeft de familie [verdachte] 2 miscalls geplaatst op het nummer van het slachtoffer. Er bevinden zich in [district] 1 meerdere masten. Als de ene overbelast is, gaat de call registratie naar een andere mast. Als alle masten overbelast zijn, krijgen we een “call fail”. De gesprekken tussen de 2 nummers duurden niet lang. Er zou sprake kunnen zijn van miscalls. Er is op 3 augustus 2013 op verschillende tijdstippen gebeld met het nummer van de familie [verdachte] naar het nummer van het slachtoffer. Er is een gesprek van ±48 seconden.
Er is op 5 augustus 2013 om 01.47 uur gebeld door het slachtoffer naar familie [verdachte] en het gesprek duurde 1.02 minuten, de locatie was van [polder 1]. Verder zijn er op verschillende momenten gesprekken gevoerd op bovengenoemde datum.”

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 02 oktober 2014;
“Ik heb het feit gepleegd. Ik had eerst ontkend.
Ik heb een gezin te verzorgen. Als ik het feit beken, komt het misschien in mijn voordeel uit.
Ik kende [slachtoffer] sedert het jaar 2010. Ik heb hem in het binnenland leren kennen. Ik zag hem in het jaar 2013 naast mij wonen. Ik herkende hem niet meer.
Hij kwam thuis bij mij en wij maakten opnieuw kennis met elkaar. We spraken met elkaar en ik liet hem samen met zijn vrouw, kennismaken met mijn vrouw.
Wij, [slachtoffer] en ik hadden geen hechte band. [slachtoffer] is in totaal 4 keer thuis bij mij geweest. Ik heb [slachtoffer] 1 augustus 2013 voor het laatst gezien bij de brug.
Op 10 augustus 2013 hoorde ik dat er een lijk was gevonden in het kanaal. Ik werd toen voor de 1ste keer gearresteerd. Ik beken dat ik het gedaan heb.
[slachtoffer] heeft in mijn huis ingebroken. Ik heb hem vermoord en ik heb die auto verbrand.
Dat voertuig is ergens anders gevonden. [slachtoffer] woonde naast mij, maar hij is op gegeven moment verhuisd. [slachtoffer] is op 4 augustus 2013 thuis bij mij geweest. Hij had aan mij gezegd dat hij naar de stad zou gaan. Ik weet het zeker, omdat ik op 3 augustus 2013 jarig was en hij is niet op mijn jaardag geweest. Ik zou na mijn jaardag naar Apoera gaan om te gaan werken. Ik hoorde op 4 augustus 2013 dat het werk op Apoera niet meer door zou gaan. Op 4 augustus 2013 ging ik naar mijn koeien kijken. Ik kwam thuis en ging later slapen. Op een gegeven moment hoorde ik de honden blaffen. Dat was omstreeks 23.00 uur. Ik hoorde iets op het dak lopen. Ik ging kijken maar zag niets. Bij de kamerdeur, die tegenover mijn kamer stond zag ik het licht van een lamp schijnen. In die kamer bergen wij spullen op. De honden blaften niet meer. Ik zag het licht in die kamer niet meer. Ik pakte een balk, die bij het raam werd gezet. Een balk van 2 bij 3. Ik sloeg met die balk tegen de houtenwand. De deur van die kamer ging open, de scharnieren kraakten en ik probeerde de persoon, die te voorschijn kwam met die balk te slaan. De persoon viel op de vloer. Ik sloeg hem nog 2 keer met die balk. De persoon stond op en rende van de trap. Terwijl hij van de trap rende, schopte ik een bezemstok tussen zijn benen, waardoor hij kwam te struikelen.
Hij stond op en hield een mes voor mij. Ik kreeg niet de kans om het licht aan te maken. Ik trok een houwer en probeerde daarmee het mes weg te slaan. Ik kon op dat moment de politie niet bellen, omdat alle telefoons in de kamer waren.
Ik zwaaide met de houwer en er spatte bloed. Ik hoorde hem wel schreeuwen. Ik zag dat de persoon voor mij gevallen was. Zijn hoofd was van het lichaam. Ik maakte het licht aan. Ik zag dat het [slachtoffer] was. Ik keek naar buiten en zag zijn wagen buiten staan met draaiende motor.
De kofferbak van de auto stond open. Het rechter portier stond ook open.
Mijn vrouw en kinderen lagen op dat moment te slapen. Mijn vrouw had haar medicijnen gedronken. Ik liep 40 a 50 m naar zijn voertuig. Ik liep terug naar het lichaam, welke ik gekapt had. Ik pakte het lichaam op, maar het zat onder bloed en gleed steeds terug. Het lijk lag op zijn buik.
Het gevecht heeft zich in de keuken afgespeeld. Nadat ik hem gekapt had lag zijn hoofd naar de kant van de trap. Ik sleepte hem over die stenen vloer aan zijn handen naar buiten. Het hoofd hing aan zijn vel. Het lijk gleed steeds weg.
Mijn keuken zat onder het bloed. Ik heb niet kunnen zien hoe het bloed spatte, omdat ik het licht nog niet had aangemaakt.
Ik sleepte het lijk naar zijn auto die openstond, maar ik kon het niet in de kofferbak krijgen, omdat het steeds teruggleed.
Ik zag een groen stuk touw in de kofferbak. Ik bond hem daarmee vast en kon zodoende het lijk in de kofferbak plaatsen.
Ik bond zijn handen vast op zijn rug en tilde hem op, plaatste hem in de auto. Ik heb hem alleen opgetild en in de kofferbak gezet. Ik heb hem bij handen en borst vastgebonden.
Het lijk had geen kleren aan, omdat bij de worsteling de kleren van het lijf waren gescheurd. Toen ik het licht had aangemaakt zag ik wie het was.
[slachtoffer] was de enige persoon, die wist dat ik er niet zou zijn. Ik weet niet wat hij daar is komen zoeken. Nadat ik hem in de kofferbak had geplaatst ben ik terug naar huis gelopen. Ik ben toen het huis gaan schoonmaken. Ik ben naar de [plaats 2] gereden en gooide het lijk in het kanaal. Ik had het lijk over die brug getrokken en in het kanaal gegooid. Ik heb alle stoffen (lapjes) waarmee ik de keuken had schoongemaakt in het kanaal gegooid. Ik maakte het licht aan in de auto en zag de aansteker. In het handschoenenkastje vond ik papier. Ik plaatste het papier op de achterbank en stak de auto in brand. Toen de auto in brand stond ben ik weggelopen. Toen ik het lijk naar de auto sleepte heb ik dat op blote voeten gedaan.
Ik heb het huis voor 6.00 uur s’morgens met een desinfectant schoongemaakt.
Ik gooide steeds het water weg als er bloed in zat. Ik liep steeds naar de sluis om het water weg te gooien. Het was 2 minuten lopen naar de sluis. Ik ben daarna mijn koeien gaan melken. Toen ik weer naar huis was gekeerd, was mijn vrouw al wakker. Ik had in de keuken alleen de vloer schoongemaakt.
Nadat ik hem gekapt had zaten mijn kleren ook onder bloed. Ik heb mijn kleren in het kanaal gegooid. Mijn kinderen slapen met ons in de kamer.
Ik heb mijn hart gelucht. De advocaten hebben mij gezegd, dat als ik zou bekennen ik strafvermindering kan krijgen. Mijn vrouw heeft niets gedaan. Mijn vrouw heeft niets gehoord toen ik bezig was met [slachtoffer]. Zij heeft geen enkele handeling gepleegd ten opzichte van [slachtoffer].”

De nadere verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 09 januari 2015:
“Ik heb het slachtoffer vanuit de zijkant gekapt met een houwer.
Ik heb mij later afgevraagd wat het slachtoffer zou komen stelen.
Het slachtoffer is via het raam van boven gelopen, omdat beneden alles op slot zat. Het slachtoffer heeft via de manjaboom gelopen, is dan via het 2de raam de woning binnengekomen.
Ik had het slachtoffer na de slag in het donker nog niet herkend. Ik herkende wel iemand in het donker. Ik zwaaide in zijn richting met een balk.
Het slachtoffer ging de trap al rennend af. Het was op dat moment pikdonker. Ik stapte over het slachtoffer die op de trap zat.
Ik wilde het licht aanmaken. Ik zag in het donker een schaduw op mij afkomen. De persoon had een capuchon over zijn hoofd. Op dat moment stonden het slachtoffer en ik tegenover elkaar. Het slachtoffer zei: “mi o djoek joe kiri.”. Ik pakte die houwer, zwaaide ermee in de richting van het slachtoffer en rende naar buiten.
Ik stond buiten op hem te wachten. Toen hij niet naar buiten kwam, ging ik kijken en merkte ik dat ik hem had gekapt.
Het moet tussen 23.00 en 24.00 uur zijn geweest waarop het geval is gebeurd.
Ik ken [slachtoffer]. Hij heeft ongeveer 2 weken naast mij gewoond. Hij vroeg mij vaker naar spullen. Ik had geen vermoeden dat hij een relatie had met mijn vrouw.
Mijn vrouw heeft niets gehoord, omdat ze medicijnen gebruikt.
[slachtoffer] wist dat ik er niet zou zijn. Ik heb achteraf gedacht dat hij of was komen stelen of hij was bij mijn vrouw gekomen. ”

De verklaring van de getuige-deskundige, dr. M. Chan, afgelegd ter terechtzitting d.d. 12 december 2014:
“ Ik heb de obductie op het lijk van [slachtoffer] gepleegd. Als de deskundige een conclusie neemt is het op basis van hetgeen hij te zien krijgt.
Een kapverwonding wordt met kracht aangebracht. Doorsnijden geschied met minder kracht.
In dit geval heb ik geconstateerd dat het om een kapverwonding gaat. Bij doorsnijden heb je te doen met een zaagverwonding oftewel een onregelmatige snijvlak.
Dat is te zien aan de oppervlakte van de huid.
Een capuchon hoeft geen belemmering te vormen als men met een heel scherp voorwerp heeft gesneden/gekapt.
Je kan het niet helemaal uitsluiten dat het lijk in het kanaal tegen scherpe voorwerpen zou zijn aangekomen. Als ik kijk naar de wondreactie, betrof het hier een ontbindend lijk. Er zijn geen zwarte verwondingen op het lijk aangetroffen. Als de verwondingen voor de dood zijn aangebracht, dan krijg je zwarte verkleuringen en dat is hier niet het geval geweest.
Het zou kunnen zijn dat de verwondingen in het kanaal zijn ontstaan.
De verwondingen aan de hals zijn niet in het kanaal gebeurd en dat is van rechts naar links gebeurd. Iemand die een ander kapt doet dat met een bepaalde kracht. In dit geval moet het slachtoffer lager dan de dader zijn geweest. Het slachtoffer moet zich in een lagere positie hebben bevonden. Het was een neerwaartse kapbeweging (dus van boven naar onder).
Bij het openen van de schedel heb ik inwendige bloedingen geconstateerd (zwarte verkleuringen). Dus de conclusie is dat het bij leven van het slachtoffer is gebeurd. Letsels met onregelmatige wondranden zijn verwondingen door een stompvoorwerp toegebracht. Als de persoon zo een stomp krijgt bij het hoofd kan het zijn dat slachtoffer buiten bewustzijn raakt.
In dit geval moet het slachtoffer lager hebben gezeten toen de dader hem had gekapt, Als beiden op dezelfde hoogte zouden zijn, dan zouden er snijverwondingen zijn. Het slachtoffer moet in een lagere positie zijn geweest. Ook als het slachtofer aan het bewegen was zou je wel kunnen kappen. Als er gesneden wordt krijg je op de huid een rechte lijn.
Het slachtoffer had 12 steekverwondingen. Misschien dat in het kanaal scherpe voorwerpen lagen.
De doodsoorzaak is de bloeding via de hoofdslagader.
Het zou wel mogelijk zijn geweest om het lijk bij de armen vast te houden en te vervoeren. De dader kon gewoon de handen onder de oksels van het lijk hebben geplaatst om het lijk te vervoeren.
De dader moet achter het slachtoffer hebben gestaan, omdat er gekapt is van rechts naar links.”

Het obductieverslag van de patholoog anatoom, drs. M.P.K. Chan, d.d. 10 maart 2014, waarin de volgende uiteenzetting over de doodsoorzaak van het [slachtoffer] is gegeven:
“Hoofd:
Aan het hoofd werd een deel van de hals gezien. Het hoofd was gesepareerd van het lichaam. Het behaarde hoofd toonde kort geknipt haar. Rechts op het behaarde hoofd, 6m van de middenlijn werd een wond gezien van 12x12cm met onregelmatige wondranden. 1cm hiervan verwijderd richting het rechter oor werd een tweede wond gezien met een stervormig aspect, afm. 5,5x3cm. Ook hier waren de wondranden rafelig. Aan de rechter zijde van het voorhoofd, 3,5cm van de middenlijn en naar links werd een grote onregelmatige wond gezien van 9,5x7cm. Deze wond liep naar de buitenste ooghoek. In de middenlijn en naar links werd een grote wond van 9,5x7cm gezien. Ook hier waren de wondranden rafelig. Links op het voorhoofd, 5,5cm van de middenlijn en 9cm boven het linkeroog werd een verticaal verlopende wond gezien met onregelmatige wondranden, afm 5,5x1cm. 1cm naar achteren toe werd een dwarsverlopende wond met ook onregelmatige wondranden afm 5,5x1cm gezien. 1cm hiervan verwijderd naar de kruin toe een derde wond, deze lag 5cm van de middenlijn, afm. 7x1cm. Naar de buitenzijde toe richting het linker oor en 3cm van het laatstgenoemde werd een vierde wond met onregelmatige wondranden van 3,5×0,5cm gezien. 1cm hiervoor gelegen werd er een wond met een tranendruppel aspect gezien. De punt was richting kruin. De wond meette 5,5x2cm. Het achterhoofd toonde links, 5cm van de linker oorlel en 2cm van de middenlijn een wond met onregelmatige wondranden, afm. 5x1cm. Aan de rechter zijde, 2cm van de middenlijn en 2,5cm van het eerder beschreven stervormig letsel werd nog een wond met onregelmatige wondranden gezien, afm. 5×0,5cm. De hals toonde schuin onder de rechter-oorlel een tatoeage, afm. 2,5×2,5cm, vermoedelijk in de vorm va een kop van een ram (sterrenbeeld/)
Boven het linker oog werden nog 2 ovale verwondingen gezien met scherpe wondranden. De eerste was 3cm boven het oog gelegen en meette 3×0,3cm. De tweede lag 2cm hieronder en meette 3,5×0,5cm. De wondrand toonde een zwarte kleur als teken van wondreactie.
Ogen: deze waren niet te beoordelen vanwege verre staat van ontbinding.
Neus: 2cm onder de neusbrug werd een dwarsverlopende verwonding gezien richting de linkerwnag, afm. 3,5x1cm. Deze wond toonde scherpe wondranden. De rechter neusvleugel toonde tekenen van posmortale dierenvraat. In het tussenschot ter plaatse van het linker neusgat werden 2 kleine scherpe verwondingen gezien, beide met afm van 0,5×0,1cm. Rechts 2,5cm van de middenlijn van de neus werd een schuinoplopende scherpe verwonding gezien, afm.1.3×0,2cm. Op de rechter wang werden twee kleine scherpe verwondingen gezien. De eerste was 1,5cm onder het oog en had een schuinverloop van links boven naar rechts onder, afm 1×0,2cm. De tweede was 2,5cm verwijderd van het eerstgenoemde en 3,5cm van de re-neusvleugel, afm 0,7×0,2cm.
Mond: er werd vaag aan de bovenzijde van de bovenlip een kort snor gezien. De onderzijde van de kin toonde een kleine baard. De rechter zijde van de bovenlip ontbrak als gevolg van posmortale dierenvraat. Rechts onder in de kaak, 3,5cm van de middenlijn werd een wond gezien met onregelmatige wondranden, af. 4,5x3cm. Het gebit toonde opvallen puntige hoektanden. Rechts onder werd een vulling van de tweede grote kies gezien. De bovenkaak ontbrak zowel de linker als rechter tweede kleine kies. Voorts vulling van zowel de linker als rechter tweede grote kies. De lipbandjes waren intact. De lipbandjes toonden geen overtuigende mechanische letsels.
Bij inspectie van de onderzijde van de hals werd een stuk van de kraakbeen van de luchtpijp waargenomen. Deze toonde een scherpe wondvlak passend bij een snij/kapverwonding. Bij inspectie van de halswervels werd eveneens een schepe wondvlak gezien. De huid van de hals toonde eveneens scherpe wondranden met een zwarte verkleuring (wondreactie).
(…)
Linkerarm en been:
Aan de voorzijde van de linkerschouder werd een grote wond met scherpe wondranden gezien, afm. 10x7cm. De onderliggende spieren toonden een zwarte verkleuring. Ter plaatse van de wond meerder maden. De bovenarm toonde in het bovenste 1/3 deel op 10,5cm van de oksel een dwars verlopende wond aan de buitenzijde van de bovenarm, afm. 4x3cm. Deze toonde gedeeltelijk scherpe wondranden. 4,5cm van de laatstgenoemde verwonding werd aan de buitenzijde van de linker bovenarm in een gebied van 7x7cm een 8-tal verwondiinezien allen met een ovaalvormig aspect en scherpe wondranden. De grootste afm bedroeg 1,5×0,5cm. De kleinste afm bedroeg 0,7×0,2cm. 2 daarvan waren vermoedelijk oppervlakkige snijverwondingen en de overige vermoedelijk steekverwondingen. Aan de binnenzijde van de bovenarm en 9cm van de oksel weer in een gebied van 4,5x3cm twee verwondingen gezien met scherpe wondranden. De eerste meette 3x1cm. De tweed was 2cm hieronder gelegen en meette 1,5×0,7cm. De binenzijde van de bovenarm toonde op 6,5cm van de laatstgenoemde wond een derde wond, afm. 1×0,8cm. Ook deze wond toonde gedeeltelijk scherpe wondranden. De onderarm en hand toonden geen afwijkingen. Het bovenbeen, ondereen en de voet toonden geen mechanische letsels.
Halsgebied: er werd geen hals aan het lichaam gezien. De hals was aan het hoofd. De overgang borst naar hals gebied toonde een forse wond met scherpe wondranden. Afm. 15x18cm. Centraal in de wond waren zichtbaar de luchtpijp en halswervel met een scherpe wondvlak. De halsspieren toonden een zwarte kleur als tekenen van een wondreactie(bloed in ontbinding).
Borstgebied: (…)
Buikgebied:
Links onder in de buik, 4cm onder het niveau van de navel en 9cm van de middenlijn werd een horizontaal verlopende wond gezien met scherpe wondranden. Afm. 2,5x1cm (oppervlakkige snijwond). In de schaamstreek, het boven de basis van de penis werde op een rij drie wonden gezien. De eerste lag links, 5cm van de middenlijn en meette 4x2cm. De twwede lag net boven de basis van de penis en meette 2,5x2cm. De derde lag 5cm van de middenlijn en meette 2×1,5cm. Bij sonderen werd er geen steekkanaal naar de diepte waargenomen, het beeld past bij oppervlakkige snijverwondingen.
Rug:
De rugzijde toonde links, 2cm onder het niveau van overgang hals naar ruggebied in een gebied van 10x3cm 5 letsels met scherpe wondranden. De grootste afm bedroeg 2,5×1,3cm en de kleinste afm bedroeg 0,6×0,1cm. Deze waren vermoedelijk kleine oppervlakkige steekverwondingen. Gemiddelde sonde lengte bedroeg 3cm. In de middenlijn werd 1,5cm verwijderd van de verwonding van de halsstreek een 4-tal kleine verticaal verlopende groene huidtekeningen gezien vermoedelijk kleine streepvormige tatoeages in een gebied van 1×1,5cm. Overige delen van de rug geen afwijkingen.
(….)
Inwendig:
Schedel/hersenen:
De slaapspier rechts toonde tekenen van bloedingen. De verwondingen verspreid over het behaarde hoofd en aan de voorzijde van het voorhoofd toonde aan de onderzijde van het behaarde hoofd een gering zwarte verkleuring als teken van bloeding. Bij inspectie van de schedel werden geen duidelijke fracturen waargenomen. Na verwijderen van het schedeldak werd een papperige hersenmassa gezien met een normale grijs groene kleur. Daartussen geen duidelijke bloed. De schedelbasis toonde inwendig geen fracturen.
(….)
Mondbodem hals preparaat:
Inspectie van de mondbodem-hals preparaat toonde doorneming van het schildklierbeen net onder het niveau van de adamsappel (niveau 4e-5e halswervel). Voorts werd fractuur van de linkerhoorn van het schildklierkraakbeen waargenomen. Het tongbeen was intact. De rechter hoorn van het schildklier kraakbeen was intact. Beide vleugels van het schildklier kraakbeen toonden een scherpe wondvalk t.g.v. een kapverwonding. Voorts doorneming van de slokdarm te plaatse van de kapverwonding.
Bij het vergelijken van het stukje wervelkolom vast aan het hoofd met de wervelkolom van het lichaam werd een overeenkomst van de wondvlakken t.p.v de kapverwonding gezien. De kapverwonding had een iets schuinverloop van rechts boven naar links onder. Ter plaatse van de kapverwonding wer doorneming van de halsslagaderen, adreen en ruggemerg waargenomen.
Inspectie van de bovenarm t.p.v het schoudergewricht toonde de kop van het opperarmbeen (humerus) een oppervlakkig wond met scherpe wondranden. Afm. 1,5×1,5cm met een diepte van 0,7cm. 1,5cm hierboven toonde het schouderdak (acromion) een losliggend botfragment 3×1,5cm. Deze 2 verwondingen lagen in de richting van de kapverwonding van de hals. De ter-plaatse gelegen weke delen toonden een zwarte verkleuring a.g.v. een bloeding.
Samenvattend:
Het betreft een stoffelijk overschot van een man met tekenen van onthoofding.
Het overlijden is t.g.v. onthoofding a.g.v. een kapverwonding in de halsstreek.”

De door de arts drs. R. Ramjatan op beroepseed opgemaakte geneeskundige verklaring d.d. 8 augustus 2016 betreffende de bevindingen van het lijk dat is aangetroffen in het kanaal, in welke geneeskundige verklaring het volgende staat vermeld:
“ Een lijk aangetroffen in kanaal, waarbij het hoofd en het lichaam gescheiden. Het hoofd vertoond diverse kapwonden.
Geslacht: mannelijk en vermoedelijk van creoolse komaf.
NB: Het lijk is zonder kleren aangetroffen.”

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een houtenknuppel, een houwer met bijbehorende zwartkleurige hoes en riem, drie (werp) visnetten (tjasnet), drie mobiletoestellen namelijk van de merken Nokia; Alcatel en LG. (alleen van het LG-mobieltoestel is niet voorzien van een simkaart), een zwarte hoge schoen (boots), een lichtblauwkleurige jeansbroek van het merk G-star.

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een paar (zwarte) hoge schoenen (KL-boots), vier jassen (jacks) respectievelijk twee groenkleurig, een lichtblauwe en een zwarte leren jas.

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een kindertrui vermoedelijk wit, met het opschrift “Baby”.

Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 11 augustus 2013, van de hierna in beslag genomen goederen van verdachte:
Een wit/crémegekleurde broeksdeel

9.Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, namelijk dat hij op een niet ander aan te duiden tijdstip gelegen in de periode van 04 augustus 2013 tot en met
08 augustus 2013, in het [district 1]opzettelijk en met voorbedachte rade [SLACHTOFFER], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,
– die [SLACHTOFFER] met een eindhout, één of meer slagen toegebracht aan het hoofd, althans het lichaam en
– die [SLACHTOFFER] aan de handen gekneveld enf
– die [SLACHTOFFER] met een houwer en mes, één of meer steek- en snij- en kapverwondingen toegebracht op het hoofd, althans het lichaam en
– met een houwer het hoofd van die [SLACHTOFFER] van het lichaam gescheiden,
tengevolge waarvan voornoemde [SLACHTOFFER] is overleden.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

10.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie
10.1 Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
10.2Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:
moord (art. 349 Sr).

11. De strafbaarheid van verdachte
De verdediging heeft zich beroepen op noodweer en noodweerexcess.Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het slachtoffer een indringer in de woning van de verdachte was.
Ter zake dit verweer oordeelt de kantonrechter als volgt.
Vaststaat dat het slachtoffer zich in de woning van de verdachte bevond. Dat het slachtoffer zich via het tweede raam aan de achterzijde van de woning de toegang tot woning van de verdachte zou hebben verschaft of zich zonder toestemming van de verdachte in de woning bevond, komt de kantonrechter ongeloofwaardig over.
De feiten en omstandigheden die tijdens het onderzoek ter terechtzitting en de gehouden descente op oktober 2013 aan het licht zijn gekomen geven een indicatie dat het voor een derde in casu het slachtoffer onmogelijk was om zich van buitenaf via één der bedoelde ramen de toegang tot de woning van de verdachte te verschaffen. Met name zijn aan de binnenzijde op de raamkozijnen van beide ramen zowel horizontaal als verticaal houtenlatten bevestigd.
De verdachte op zijn beurt heeft, na geconfronteerd te zijn met dit gegeven, tijdens de descente verklaard dat hij de houtenlatten na het feit zou hebben bevestigd. Ook deze verklaring komt de kantonrechter ongeloofwaardig over. Bovendien, ook al zouden de houtenlatten ten tijde van het feit nog niet zijn bevestigd dan nog komt de verklaring van de verdachte alszou het slachtoffer zich eerst via de manjaboom op het afdakje hebben begeven en vervolgens vanuit het afdakje via het tweede raam de woning zou zijn binnengedrongen ongeloofwaardig over. Dit, omdat niet te verklaren is waarom het slachtoffer zou kiezen voor het binnentreden van de woning via het verst gelegen raam, zijnde het tweede raam, instede van het dichtstbijzijnd gelegen raam, zijnde het eerste raam dat op korte afstand verwijderd staat van de manjaboom.
De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden geven een indicatie dat het slachtoffer zich alleen op uitnodiging in de woning van de verdachte kon bevinden.Toen het slachtoffer zich in de woning bevond heeft de verdachte hem met een eindhout slagen aan het hoofd toegebracht, als gevolg waarvan het slachtoffer van de trap is gevallen. Vervolgens heeft de verdachte met een houwer het hoofd van het lichaam van het slachtoffer gescheiden.
Volgens verklaring van de getuige deskundige bestaat de mogelijkheid dat een slachtoffer met slagen toegebracht aan het hoofd bewusteloos kan raken.Voorts heeft de getuige deskundige op grond van de bevindingen voortvloeiend uit de door hem gepleegde obductie op het lijk van het slachtoffer verklaard, dat de verdachte zich achter het slachtoffer bevond bij het scheiden van het hoofd van het lichaam van het slachtoffer met de houwer en het slachtoffer zich in een bukkende of knielende houding bevond. Deze verklaring van de getuige deskundige brengt de kantonrechter tot de slotsom dat het slachtoffer door de slagen kennelijk weerloos was en de verdachte gebruikmakend van de weerloosheid van het slachtoffer een houwer heeft genomen waarmede hij het hoofd van het slachtoffer van diens lichaam heeft gescheiden. Dat de verdachte werd aangevallen door het latere slachtoffer of dat deze op hem afkwam met een mes komt, gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, niet geloofwaardig over. Welke handelingen het slachtoffer naar de verdachte toe heeft kunnen plegen heeft de kantonrechter niet kunnen toetsen, omdat de verdachte volgens zijn verklaring alle mogelijke hulpmiddelen na de daad heeft weggemaakt en de verdachte zelf geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven waarom hij die hulpmiddelen heeft weggemaakt.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat van een ogenblikkelijke aanranding waarbij de verdediging van lijf, eerbaarheid of goed van verdachte geboden was, sprake kon zijn geweest. Daarom wordt het beroep op noodweer verworpen. Nu een noodweersituatie niet aannemelijk is geweest, wordt ook het beroep op noodweerexcess verworpen.
Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat hij strafbaar is.

12. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 15 mei 2015 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde, zijnde moord, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 15 jaren, met aftrek.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging acht de eis van de vervolgingsambtenaar te veel en vraagt een lagere straf dan gevorderd is. Volgens het standpunt van de verdediging heeft het slachtoffer het geval uitgelokt en is de dood aan de schuld van het slachtoffer te wijten. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niemand in de nacht in de woning van een ander gaat, terwijl de verdachte vermoedt van een relatie met zijn vrouw

Ten aanzien van de op te leggen straf
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft het slachtoffer uitgenodigd in zijn woning en hem vermoord, omdat bij hem het vermoeden bestond dat het slachtoffer een relatie met zijn vrouw had. Toen het slachtoffer zich in de woning bevond, heeft de verdachte hem eerst enkele slagen met een eindhout op zijn hoofd toegebracht, als gevolg waarvan het slachtoffer van de trap naar beneden is gevallen. Vervolgens heeft de verdachte het hoofd van het lijf van het latere slachtoffer met een houwer gescheiden. Dit, terwijl het latere slachtoffer zich weerloos in een gebukte of knielende houding bevond.
De verdachte heeft ervoor gekozen om steeds andere verklaringen af te leggen over de toedracht van het gebeurde en alle hulpmiddelen weggemaakt. Daarmee heeft de kantonrechter geen enkel inzicht kunnen krijgen in de beweegredenen die de verdachte tot het plegen misdrijf hebben gebracht en evenmin in wat zich precies in de woning van de verdachte heeft voltrokken. Het staat verdachte geheel vrij een dergelijke houding aan te nemen, maar het gevolg daarvan is wel dat de kantonrechter het moet doen met feiten zoals die haar zijn gebleken op basis van de bewijsmiddelen. Als gevolg van de proceshouding van de verdachte blijven voor de nabestaanden veel vragen onbeantwoord omtrent de aanleiding van dit handelen die tot de dood van hun dierbare heeft geleid.
Tevens neemt de kantonrechter mee dat de verdachte geen enkel berouw heeft getoond na het plegen van het feit door zich steeds erop te beroepen dat het slachtoffer een indringer in zijn woning was en zich twee dagen na het feit te begeven naar de werkplek bij de vrouw met wie het slachtoffer een relatie had om te vragen hoe het met het slachtoffer gaat, terwijl het slachtoffer niet meer in leven was.
Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De kantonrechter zal een zwaardere straf opleggen dan de straf die de vervolging heeft gevorderd, omdat de door de vervolging gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Alles afwegende komt de kantonrechter tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 (Achtien) jaar.
De in beslag genomen houwer en mes zullen verbeurd worden verklaard, omdat daarmee het misdrijf is gepleegd.

13.Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9,11, 44, 50 en 349van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

14.Beslissing
De kantonrechter:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: moord;

Verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

Veroordeelt verdachte tot :
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (Achtien) jaren,

Bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beveelt zijn gevangenhouding.

Bijzondere straf
Verklaart verbeurd het in beslaggenomen mes en de houwer.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 november 2015.

Mw. L.J. De Rooymr.S.M.M. Chu

SRU-HvJ-2019-58

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen I.D. Kanhai, BSc., advocaat, vervolgens advocaat mr. S. Marica, (thans wijlen),

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, waarnemend substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 30 oktober 2012;
  • het verweerschrift d.d. 12 december 2012, met producties;
  • de beschikking van het hof van 21 januari 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 maart 2013, welk verhoor is verplaatst naar 19 april 2013;
  • het proces-verbaal van het op 19 april 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • de producties overgelegd door de Staat op 05 juli 2013;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 01 november 2013 waaruit blijkt dat advocaat I.D. Kanhai, BSc. zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota, met een productie, overgelegd op 01 november 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 17 januari 2014, met een productie;
  • de repliekpleitnota d.d. 04 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 01 augustus 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 20 februari 2015, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoeker] is op 01 april 2005 in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk in vaste dienst bij het KPS in de rang van agent van politie 3e klasse.
2.2 Blijkens politiedossiers [nummer 1] d.d. 20 december 2010, [nummer 2] d.d. 07 januari 2011, [nummer 3] d.d. 02 februari 2011 en [nummer 4] d.d. 02 oktober 2011 zijn tegen [verzoeker] de navolgende aangiftes gedaan:
-op 21 september 2010 door [aangever 1] (hierna aangeduid als: [aangever 1]) ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
-op 16 december 2010 – de Staat vermeldt in zijn verweerschrift kennelijk abusievelijk: 16 december 2011 – door [aangever 2] (hierna aangeduid als: [aangever 2]) ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
-op 02 februari 2011 door [aangever 3] (hierna aangeduid als: [aangever 3]) ter zake van knevelarij en het aannemen van giften/beloften;
-op 13 december 2011 door [aangever 4] (hierna aangeduid als: [aangever 4]) ter zake van afpersing.
2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de korpschef, de hoofdcommissaris van politie, D.W.D. Braam d.d. 07 februari 2011 te rekenen van dezelfde datum buiten functie gesteld wegens verdenking van ernstig plichtsverzuim.
2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 21 februari 2011, Justitie [nummer 5], K.A. [nummer 6], is voormelde buitenfunctiestelling van [verzoeker] te rekenen van 14 februari 2011 ingevolge artikel 39 lid 3 sub c van het Politiehandvest met een week verlengd en is [verzoeker] met ingang van 21 februari 2011 ingevolge artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.
2.5 [verzoeker] is met ingang van 08 maart 2011 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van de misdrijven omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 430 en 427 van het Wetboek van Strafrecht.
2.6 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 08 oktober 2012, Justitie J. [nummer 7], K.A. [nummer 8] (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:
“dat uit het terzake ingesteld onderzoek zoals vastgelegd in een der strafdossier, is gebleken, dat agent [verzoeker] tegen het einde van de tweede week van januari 2011, de persoon van [aangever 3] , tussen 16.00 – 17.00 uur, als bestuurder van een goudkleurig voertuig van het merk Lexus GX, had staande gehouden, toen hij tijdens het rijden, een gesprek voerde op zijn mobiele telefoontoestel; dat agent [verzoeker] aan [aangever 3] had voorgehouden, dat de boete voor het bellen in het verkeer SRD. 200,- is en dat hij nog andere overtredingen had begaan. Deze was gevaarlijk rijden SRD. 500,- en nog voor een andere overtreding, die [aangever 3] zich niet meer kon heugen. De totale boete zou dan SRD. 1200,- bedragen;
dat [verzoeker] naderhand tot het besluit kwam, dat hij [aangever 3] een kans wilde geven, daar hij een oude man is, doch moest hij aan hem denken. Op de vraag van [aangever 3] hoe hij dat moest geschieden, hield [verzoeker] hem voor, dat hij hem een “soft” moest geven, waarop [aangever 3] hem een biljet van SRD. 100,- overhandigde;
dat [verzoeker] de persoon van [aangever 3] een week later wederom had staande gehouden en hield [verzoeker] hem voor, dat hij gevaarlijk reed en hem een boete van SRD. 500,- zou opleggen. Daar [aangever 3] hem herkende van de vorige keer, hield [verzoeker] hem wederom voor, dat hij rekening zal houden, aangezien hij een oude man is en liet hem gaan;
dat [verzoeker] ten aanzien van de geconstateerde overtredingen, hij de processenverbaal niet had opgemaakt en het geld ten onrechte ten eigen bate aangewend;
dat verder is gebleken dat [verzoeker] zich eerder schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, door op 21 september 2010, de persoon van [aangever 1], overal te molesteren en te bedreigen, toen zij weigerde op het liefdesaanzoek van [verzoeker] in te gaan;
dat [verzoeker] verder op 7 januari 2011, bij het constateren van een overtreding, na een achtervolging, de persoon van [aangever 2] op een onbehoorlijke wijze aansprak, onder het uiten van onwelvoeglijke taal en dreigementen;
dat [verzoeker] zich niet heeft gehouden aan de regels van de gedragscode van politie-ambtenaren, namelijk zich niet schuldig te maken aan strafbare feiten en overtredingen;
dat de gedragingen gepleegd door agent [verzoeker] niet alleen een strafbaar feit opleveren, maar zijn tevens in strijd met de ambtsinstructies zoals ondermeer vervat in de Instructie Ambtenaren van politie G.B. 1972 no. 82 en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname.
dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer [verzoeker] voornoemd, weshalve hij bij schrijven van de Hoofdcommissaris van politie, D. Braam, de dato 21 juni 2011 terzake ingebreke werd gesteld en in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;
dat agent [naam 1] in zijn mondeling verweer de dato 28 juni 2011 heeft ontkend, de persoon van [aangever 2] te hebben bedreigd, dat het om een valse aangifte gaat en hij juist uitgescholden werd;
dat op grond van het door agent [verzoeker] gepleegd plichtsverzuim, de argumenten aangehaald in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 28 juni 2011, waarbij meegenomen wordt het voorstel bij het overleg tussen de KC en de PG en het advies omtrent het ontslagvoorstel van het Overleg Orgaan in Politie-ambtenaren Zaken, het voorstel van ontslag aan agent [naam 1] dient te worden opgelegd;”
2.7 De ontslagbeschikking is op 18 oktober 2012 aan [verzoeker] uitgereikt.
2.8 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 22 oktober 2012 op grond van artikel 46 lid 1 onder c (lees kennelijk: van het Politiehandvest) beroep van het ontslagbesluit ingesteld bij de President van de Republiek Suriname (hierna: de President), waarbij de President is verzocht het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit te vernietigen althans nietig te verklaren. Een beslissing van de President op dit beroep is uitgebleven.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b.de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende voor de ontslagbeschikking;
c.[verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de ontslagbeschikking te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d.de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker] zoals door hem verdiend voor de ontslagbeschikking uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e.de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw). Hij heeft zich gedurende zijn dienstperiode doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar, hetgeen blijkt uit de verschillende bevorderingen en zijn aanstelling tot agent van politie 3e klasse. De ontslagbeschikking berust op onware feiten en is daarenboven ondeugdelijk gemotiveerd en slordig. Dat de ontslagbeschikking in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering blijkt uit het volgende: de rechtvaardigingsgrond voor het ontslag van [verzoeker] is niet gemotiveerd in de beschikking aangegeven, er is ook niet aangegeven waarom zo lang is gewacht met het ontslag, van een veroordelend vonnis is geen sprake en het is nog de vraag of sprake is van plichtsverzuim zoals bedoeld in de artikelen 61, 63 en 66 Pw. Het ontslag is voorts niet in overeenstemming met het resultaat van het onderzoek en wel om de volgende redenen: het resultaat van het onderzoek is nimmer aan [verzoeker] kenbaar gemaakt zoals verwoord in de ontslagbeschikking, [verzoeker] is nimmer in verzekering gesteld vanwege het strafbaar feit genoemd in de ontslagbeschikking en er is niet aangegeven waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is. De ontslagbeschikking is tevens in strijd met de wet en wel op grond van het volgende: de ontslagbeschikking maakt gewag van het mondelinge verweer van agent [naam 1] terwijl dit niet de naam van [verzoeker] is, de ontslagbeschikking maakt ook gewag van het voorstel om agent [naam 1] ontslag op te leggen terwijl het besluit is genomen om aan [verzoeker] ontslag te verlenen en het ontslag staat in geen enkele evenredigheid met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Om voormelde redenen komt de ontslagbeschikking voor vernietiging in aanmerking.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie is in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw is het hof dan ook bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder a en e gevorderde, respectievelijk de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag is opgelegd en de vordering tot oplegging van een dwangsom.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hof overweegt ten overvloede dat de gevorderde rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een ambtenaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het gevorderde zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 3 sub a Pw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De Staat heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Volgens voormeld artikel zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 Pw voorts niet ontvankelijk indien overeenkomstig artikel 78 Pw beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, dan wel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd. [verzoeker] heeft op 22 oktober 2012 beklag gedaan bij de President ter zake van het ontslagbesluit en vervolgens reeds op 29 oktober 2012 (het hof begrijpt: 30 oktober 2012), zonder dat op het beklag was beslist, een vordering, onder meer inhoudende de nietigverklaring van de ontslagbeschikking, bij het hof ingesteld.
4.2.2 Het hof stelt voorop dat, anders dan de Staat meent, niet artikel 80 lid 3 Pw van toepassing is maar artikel 47 lid 4 van het Politiehandvest, aangezien het in casu betreft een vordering strekkende tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van de tuchtstraf van ontslag aan een politieambtenaar. Op grond van laatstgenoemde bepaling zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de tuchtstraf van ontslag – voorts niet-ontvankelijk:
a.indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen;
b.indien overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 beroep is ingesteld, zolang daarop nog niet is beslist;
c.indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat de beslissing op het onder b bedoeld beroep ter kennis van de bestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen.
Op grond van artikel 46 lid 2 van het Politiehandvest dient op het beroep – in casu beroep bij de President – uiterlijk binnen drie maanden te worden beslist. Hieruit volgt dat de President, indien hij niet binnen drie maanden op een bij hem ingesteld beroep heeft beslist, geacht wordt een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit.
Vaststaat dat de ontslagbeschikking op 18 oktober 2012 aan [verzoeker] is uitgereikt, dat [verzoeker] op 22 oktober 2012 ingevolge artikel 46 lid 1 sub c van het Politiehandvest beroep heeft ingesteld bij de President en dat [verzoeker] op 30 oktober 2012 de vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit bij het hof heeft ingesteld.
[verzoeker] zou, nu hij voormelde vordering reeds op 30 oktober 2012 bij het hof heeft ingesteld – acht dagen nadat hij op 22 oktober 2012 van het ontslagbesluit in beroep is gegaan bij de President – en hij derhalve de beslissing van de President op zijn beroep niet heeft afgewacht, bij strikte toepassing van artikel 47 lid 4 sub b van het Politiehandvest niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn vordering. Het hof overweegt dienaangaande echter als volgt. Het doel van het rechtsmiddel van administratief beroep als bedoeld in artikel 46 van het Politiehandvest is de belanghebbende uitsluitsel te verschaffen of aan hem al dan niet terecht een tuchtstraf is opgelegd door een lager overheidsorgaan. Het is het hof bekend dat dit rechtsmiddel niet werkt, in die zin dat een beslissing van de President op een bij hem ingesteld beroep in de regel pleegt uit te blijven. In dit licht kan van [verzoeker] in alle redelijkheid niet worden verwacht de (fictieve) beslissing van de President op het ingestelde beroep af te wachten. Het hof acht [verzoeker] daarom ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit en derhalve ook in het gevorderde in 3.1 onder d en e dat als een sequeel daarvan heeft te gelden. Het daartoe strekkend verweer van de Staat wordt verworpen.
4.3.1 De Staat heeft ter zake van de stellingen van [verzoeker] dat de ontslagbeschikking op onware feiten berust en dat van een veroordelend vonnis geen sprake is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat naar aanleiding van de verschillende aangiftes van strafbare feiten tegen [verzoeker], door de politie onderzoek is gedaan naar de feitelijke toedracht en dat de uit dat onderzoek gebleken feiten en omstandigheden betreffende de betrokkenheid van [verzoeker] bij bedoelde strafbare feiten categorisch in de ontslagbeschikking zijn weergegeven.
4.3.2 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker], mede gelet op hetgeen hij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard alsmede hetgeen hij bij pleitnota en repliekpleitnota heeft gesteld, dat de Staat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit onvoldoende bewijsmateriaal in handen had om dit besluit te rechtvaardigen. Vooropgesteld wordt dat het bij een disciplinair onderzoek niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten, maar om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Naar vaste jurisprudentie gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Aan de stelling dat van een veroordelend strafvonnis geen sprake is, komt derhalve niet de betekenis toe die [verzoeker] daaraan toegekend wil zien. In casu is voldoende dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat [verzoeker] zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

De aangifte van [aangever 1]
4.4.1 [aangever 1] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 21 september 2010, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Zij heeft in mei 2010 een politieagent leren kennen. Hij had zich toen aan haar voorgesteld als te zijn geheten [naam 2]. Nadat zij zijn verzoek om een relatie met hem aan te gaan had afgewezen, heeft deze politieagent haar meerdere keren gemolesteerd, uitgescholden en gedreigd haar omver te rijden met zijn voertuig. Op 15 september 2010 liep zij met haar moeder in de Ramgoelamweg. Voormelde politieagent, gekleed in een blauw politieuniform, reed hen van achteren tegemoet in zijn crème gelakte Toyota Premio. Toen zij weigerde om naar hem toe gaan nadat hij haar riep, werden zij en haar moeder door hem uitgescholden en bedreigd omver gereden te worden. Dit was de derde keer dat hij deze bedreiging tegen haar heeft geuit.
4.4.2 [naam 3] – de moeder van [aangever 1] – heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 03 november 2010 de lezing van [aangever 1] bevestigd. Zowel [aangever 1] als haar moeder hebben bij een gehouden confrontatie [verzoeker] herkend als de politieagent die [aangever 1] lastig viel en die had gedreigd [aangever 1] en haar moeder omver te rijden met zijn voertuig.
4.4.3 [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 27 december 2010 toegegeven [aangever 1] te kennen en haar voorgehouden te hebben dat hij [naam 2] heette. Hij verklaarde dit laatste bewust te hebben gedaan omdat hij in de toekomst geen problemen met [aangever 1] wilde hebben. [verzoeker] heeft tevens toegegeven [aangever 1] en haar moeder aan de Ramgoelamweg te zijn tegemoet gereden in zijn voertuig en hen te hebben uitgescholden. Hij ontkent echter [aangever 1] en haar moeder te hebben bedreigd.
4.4.4 Naar het oordeel van het hof kon de minister op grond van de geloofwaardig geachte verklaringen van [aangever 1] en haar moeder, tot de overtuiging komen dat [verzoeker] zich aan de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 1], zoals weergegeven in de ontslagbeschikking, schuldig heeft gemaakt. Aan de ontkenning van [verzoeker] dat hij [aangever 1] en haar moeder heeft bedreigd, kan als ongeloofwaardig worden voorbijgegaan. Het hof tekent wel aan dat de in de ontslagbeschikking genoemde datum van 21 september 2010 de aangifte van [aangever 1] betreft, en niet de datum waarop [verzoeker] de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 1] heeft geëtaleerd.

De aangifte van [aangever 2]
4.5.1 [aangever 2] heeft blijkens de processen-verbaal van aangifte d.d. 16 december 2010 en van verhoor d.d. 05 januari 2011, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Hij reed op 16 december 2010 over de Latourweg op weg naar huis. Op gegeven moment merkte hij dat hij door iemand rijdend in een grijs gelakte personenauto werd achtervolgd. Nadat hij zijn erf was opgereden en uit zijn voertuig was gestapt, zag hij dat het voertuig dat hem achtervolgde voor zijn inrit was gestopt. De bestuurder van dat voertuig, die niet was uitgestapt, riep hem naar zich toe en toonde hem een zwarte etui met het embleem van de politie. Toen hij zich ongeveer op een afstand van een meter van het voertuig bevond, vroeg deze bestuurder hem in het Surinaams: “Joe no sap tak joe moes stop tap a oekoe.” Toen hij de bestuurder vroeg om welke hoek het ging, haalde de bestuurder, zonder dat daartoe aanleiding bestond, een zwart vuistvuurwapen tevoorschijn, met de loop naar het stuur gericht, en vroeg de bestuurder aan hem in het Surinaams: “Soort wakamang joe wan play.” De bestuurder weigerde, onder het bezigen van schuttingtaal, zich op zijn verzoek wederom te legitimeren. Toen hij aangaf het kentekennummer van het voertuig van de bestuurder nodig te hebben, gaf de bestuurder hem, wederom onder het gebruik van schuttingtaal, te kennen dat hij voor het voertuig kon komen staan om het kentekennummer op te nemen. De bestuurder reed vervolgens weg. [aangever 2] heeft daarbij het kentekennummer van het voertuig, te weten: [nummer 9], kunnen noteren. Hij heeft zich door de handelwijze van de bestuurder bedreigd gevoeld. De uitdaging van de bestuurder om voor zijn voertuig te komen staan teneinde het kentekennummer te noteren, heeft hem het gevoel gegeven dat de bestuurder hem omver zou rijden. Hij is niet door de bestuurder bekeurd.
4.5.2 De politie heeft het door [aangever 2] genoteerde kentekennummer nagetrokken. Daarbij is gebleken dat het voertuig met dat kentekennummer staat geregistreerd op naam van [verzoeker].
4.5.3 Naar het oordeel van het hof kon de minister ook in dit geval tot de overtuiging komen dat [verzoeker] zich aan de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 2], zoals weergegeven in de ontslagbeschikking, schuldig heeft gemaakt. Het hof overweegt daartoe als volgt. De verklaring van [aangever 2] wordt geloofwaardig geacht. [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2011 immers toegegeven dat hij [aangever 2] achterna is gereden nadat die een verkeersovertreding zou hebben begaan, dat hij zijn voertuig voor de inrit van de woning van [aangever 2] tot stilstand heeft gebracht, dat hij [aangever 2] in het Surinaams heeft toegeschreeuwd “Fa yu e rij so” en later “Soort waka mang yu wan pley” en dat hij zijn vuistvuurwapen tevoorschijn heeft gehaald. Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van [verzoeker] dat hij dit laatste heeft gedaan omdat [aangever 2] op een gegeven moment naar zijn zij greep waar zijn bovenkleding er bol uitzag, dat hij vermoedde dat [aangever 2] een wapen bij zich droeg en dat hij om die reden zijn vuistvuurwapen heeft geplaatst op de zitting van de stoel waarop hij zat. Veel aannemelijker is dat [verzoeker] zijn vuistvuurwapen heeft getoond aan [aangever 2] op de wijze zoals door [aangever 2] is aangegeven, aangezien [aangever 2], naar het oordeel van het hof, het vuistvuurwapen van [verzoeker] niet kon hebben waargenomen als dit op de zitting van de stoel was geplaatst, zoals [verzoeker] wil doen geloven. Ook is aannemelijk dat het door [verzoeker] tevoorschijn halen en tonen van het vuistvuurwapen aan [aangever 2], nu daartoe geen aanleiding bestond, bedoeld was ter bedreiging van [aangever 2]. Het hof acht derhalve niet geloofwaardig de ontkenning van [verzoeker] dat hij [aangever 2] heeft bedreigd. Het hof acht evenmin geloofwaardig de ontkenning van [verzoeker] dat hij krachttermen heeft gebruikt jegens [aangever 2]. Het is immers niet aannemelijk dat [verzoeker], die gemeend heeft [aangever 2] wegens een vermeende verkeersovertreding achterna te moeten rijden tot aan diens woning teneinde hem daarover aan te spreken, zulks in nette bewoordingen heeft gedaan, zeker als geloof moet worden gehecht aan zijn verklaring dat hij door [aangever 2] werd uitgescholden. Het hof tekent wel aan dat het onderhavige voorval zich niet heeft voorgedaan op 07 januari 2011, zoals kennelijk abusievelijk de in de ontslagbeschikking is vermeld, maar op 16 december 2010.

De aangifte van [aangever 3]
4.6.1 [aangever 3] heeft blijkens het proces-verbaal van aangifte d.d. 02 februari 2011, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. In de tweede week van de maand januari 2011 reed hij in een goudkleurige Lexus GX 470 over de Zwartenhovenbrugstraat. Ter hoogte van de hoek met de Saramaccastraat werd hij staande gehouden door een politieagent. Deze politieagent hield hem voor dat hij diverse verkeersovertredingen had begaan en dat de boete in totaal SRD 1.200,- bedroeg. Op gegeven moment zei de politieagent dat hij [aangever 3] een kans wilde geven, maar dat hij, [aangever 3], hem daarvoor ‘een soft’ moest geven. Nadat hij de politieagent een biljet van SRD 100,- had gegeven, kon hij zijn weg vervolgen. Omstreeks 19 januari 2011 reed hij in een groengelakte Toyata Rav-4 over de dr. Sophie Redmondstraat. Voorbij de kruising met de Wanicastraat werd hij door dezelfde politieagent staande gehouden. Deze hield hem voor dat hij een verkeersovertreding had begaan en dat de boete SRD 500,- bedroeg. Hij noteerde het kentekennummer van het voertuig van de politieagent, zijnde [nummer 9]. Toen de politieagent dat merkte, mocht hij, [aangever 3], zijn weg vervolgen. Hij heeft geen bescheid ter zake van enige boete van de politieagent ontvangen.
4.6.2 De politie heeft het door [aangever 3] genoteerde kentekennummer nagetrokken. Daarbij is gebleken dat het voertuig met dat kentekennummer staat geregistreerd op naam van [verzoeker]. [aangever 3] heeft bij een gehouden confrontatie [verzoeker] herkend als de politieagent die hem, volgens zijn zeggen, tweemaal had staande gehouden wegens het begaan hebben van een verkeersovertreding en aan wie hij een bedrag van SRD 100,- heeft gegeven.
4.6.3 [verzoeker] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 08 maart 2011 en het proces-verbaal d.d. 09 maart 2011 ontkend dat hij [aangever 3], rijdend in een Lexus GX 470, in de tweede week van de maand januari 2011 staande heeft gehouden in de Saramaccastraat wegens het begaan hebben van een verkeersovertreding en dat hij hem vervolgens heeft toegestaan om zijn weg te vervolgen na betaling van een bedrag van SRD 100,-. [verzoeker] heeft wel bevestigd dat hij [aangever 3], rijdend in een Toyota Rav-4, staande heeft gehouden in de dr. Sophie Redmondstraat wegens het begaan hebben van een verkeersovertreding. [verzoeker] heeft verklaard dat hij [aangever 3] bij die gelegenheid proces-verbaal heeft aangezegd, dat [aangever 3] weigerde een afschrift van het proces-verbaal in ontvangst te nemen en dat hij het afschrift op de motorkap van het voertuig van [aangever 3] heeft gelegd. [verzoeker] heeft tevens verklaard dat hij het proces-verbaal heeft opgestuurd.
4.6.4 Naar het oordeel van het hof kon de minister in dit geval niet tot de overtuiging komen dat [verzoeker] zich aan de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 3], zoals weergegeven in de ontslagbeschikking, schuldig heeft gemaakt. Het hof overweegt daartoe dat de verklaringen van [aangever 3] en [verzoeker] tegenover elkaar staan en dat het politiedossier onvoldoende ondersteuning biedt voor de lezing van [aangever 3]. De Staat heeft niet weersproken dat [verzoeker] het proces-verbaal ter zake van de bekeuring van [aangever 3] heeft opgestuurd. Uit het voorgaande volgt dat vorenbedoelde gedragingen van [verzoeker] niet aan zijn ontslag ten grondslag mochten worden gelegd. Nu dit wel is gebeurd, dient de vraag zich aan welke gevolgen hieraan verbonden moeten worden. Hierop wordt in 4.9 nader ingegaan.
4.7 Beoordeeld moet worden of de aan [verzoeker] verweten gedragingen jegens [aangever 1] en [aangever 2] plichtsverzuim opleveren en zo ja, of dit plichtsverzuim het ontslag van [verzoeker] rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof heeft de minister vorenbedoelde gedragingen van [verzoeker] terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt, aangezien deze zo zeer indruisen tegen de kerntaak van de politie alsmede de voor politieambtenaren geldende gedragscode en hetgeen van een goed politieambtenaar mag worden verwacht. Daaraan doet niet af dat de aan [verzoeker] verweten gedragingen zich deels in de privésfeer hebben afgespeeld. Voorts wordt overwogen dat [verzoeker] begreep althans had kunnen begrijpen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon, zodat deze hem kan worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen. Van [verzoeker] kan, anders dan hij zelf meent, in geen geval gezegd worden dat hij zich gedurende zijn dienstperiode heeft doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar. Ten slotte wordt overwogen dat [verzoeker] door zijn handelwijze in zodanige mate inbreuk heeft gemaakt op de integriteit van het korps en het aanzien en de betrouwbaarheid van het korps in de ogen van het publiek in zodanige mate in gevaar heeft gebracht, dat zijn ontslag niet als een onevenredige sanctie is te beschouwen.
Daarbij komt dat [verzoeker] blijkens het proces-verbaal van voorgeleiding d.d. 05 mei 2011 heeft toegegeven dat hij [naam 4] heeft bewogen tot het verduisteren van SRD 2.086,- toebehorende aan Texaco en tot afgifte van dit bedrag aan hem. [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat het zijn bedoeling was om het geld terug te betalen, maar dat zulks niet op tijd is gelukt en voorts dat hij het geld inmiddels wel heeft terugbetaald. Uit het politiedossier blijkt dat [naam 4] voornoemd, een met [verzoeker] bevriende minderjarige pompbediende werkzaam bij een pompstation van Texaco, naar aanleiding van dit voorval is aangehouden en in verzekering is gesteld.
Voorts heeft [verzoeker], naar aanleiding van een aangifte van [aangever 4] ter zake van afpersing d.d. 13 december 2011 op grond waarvan [verzoeker] op dezelfde dag in verzekering is gesteld, blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 december 2011 toegegeven, kort gezegd, dat hij op 12 december 2011 aan [aangever 4], die zijn voertuig aan de Hofstraat nabij de kruising met de Burenstraat had geparkeerd, te kennen heeft gegeven dat deze een verkeersovertreding had begaan waarop een boete van SRD 500,- staat en [aangever 4] die boete ter plekke aan hem moest voldoen. [verzoeker] heeft voorts verklaard dat hij dit bedrag van [aangever 4] in ontvangst heeft genomen, dat hij dit bedrag ten eigen bate heeft aangewend en dat hij bereid is dit bedrag aan [aangever 4] terug te geven. Dit voorval heeft zich daarenboven voorgedaan gedurende de periode dat [verzoeker] was geschorst in zijn ambt.
Verder blijkt uit het politiedossier [nummer 10] d.d. 16 augustus 2010 dat [naam 5] op 16 augustus 2010 aangifte heeft gedaan tegen [verzoeker] wegens afpersing.
In zijn schrijven d.d. 10 februari 2011, gericht aan de hoofdcommissaris van politie tevens korpschef Braam, D., heeft de inspecteur van politie 2e klasse Cooman, R.M. bericht dat hem ter ore is gekomen dat [verzoeker] en [naam 1], zich schuldig maken aan het afzetten van personen die zij proces-verbaal aanzeggen wegens verkeersovertredingen en dat hij hen hierop heeft aangesproken en hen heeft gewaarschuwd zich niet te lenen voor dergelijke praktijken.
In een schrijven d.d. 17 juli 2012, gericht aan de minister van Justitie en Politie, heeft het plaatsvervangend hoofd van de afdeling Interne Tuchtzaken, de inspecteur van politie 3e klasse Jardim-Kartoredjo, I.S., gewag gemaakt van een gesprek met de onderinspecteur van politie Boldewijn, A., tevens chef van dienst te bureau Nieuwe Haven, waarbij laatstgenoemde heeft aangegeven dat hij [verzoeker] vaker heeft gewaarschuwd om zijn praktijken achterwege te laten, dat het erom ging dat [verzoeker] aan personen die een verkeersovertreding hadden begaan naderhand het voorstel deed om tegen betaling van een bedrag lager dan de opgelegde boete de verkeersovertreding te laten vervallen en dat in geval niet op dit voorstel werd ingegaan, [verzoeker] het proces-verbaal alsnog opmaakte. Het hof constateert dat de comparitiegevolmachtigde van de Staat, inspecteur van politie 2e klasse Prade, R., ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen een verklaring met dezelfde strekking heeft afgelegd.
Kortom, uit het politiedossier komt een beeld naar voren van een politieambtenaar die bij herhaling ernstig in de fout gaat, niet voor verbetering vatbaar is en derhalve niet in een gedisciplineerd korps als het KPS thuishoort. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als politieambtenaar wordt gehandhaafd.
4.8 De Staat heeft betwist dat het resultaat van het onderzoek nimmer aan [verzoeker] kenbaar is gemaakt. De Staat heeft aangevoerd dat [verzoeker] naar aanleiding van het politieonderzoek in de gelegenheid is gesteld zich te verweren en dat hem is voorgehouden waartegen hij zich moest verweren. [verzoeker] heeft dit niet weersproken, zodat zulks in rechte tussen partijen is komen vast te staan. Het hof constateert in dit kader dat blijkens de voorlaatste overweging van de ontslagbeschikking, [verzoeker] (zie 4.10) in zijn mondeling verweer heeft ontkend [aangever 2] te hebben bedreigd.
Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat in de ontslagbeschikking niet is aangegeven waarom zijn verweer niet steekhoudend is bevonden. Dit kan echter niet leiden tot nietigheid van het ontslagbesluit. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] ter zake van zijn verweer meer heeft aangevoerd dan in de ontslagbeschikking is opgenomen. Reeds hieruit volgt dat, gelet op de aan hem verweten gedragingen jegens [aangever 1] en [aangever 2], zijn verweer ontoereikend is.
4.9 Uit hetgeen in 4.7 is overwogen volgt dat het beroep van [verzoeker] op de onevenredigheid van het ontslag aan het plichtsverzuim, geen doel treft.
Het beroep van [verzoeker] op het motiveringsbeginsel treft evenmin doel, aangezien de ontslagbeschikking genoegzaam blijk geeft van het aan [verzoeker] verweten gedrag dat aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd. Het hof tekent daarbij wel aan dat, gelijk in 4.6.4 reeds is overwogen, het aan [verzoeker] verweten gedrag jegens [aangever 3] niet aan het ontslag van [verzoeker] ten grondslag had mogen worden gelegd. Dit doet echter, naar het oordeel van het hof, geen afbreuk aan het ontslagbesluit, nu het ontslag kan worden gedragen door het overige aan [verzoeker] verweten gedrag.
Voor zover [verzoeker] betoogt dat het ontslagbesluit wegens onzorgvuldigheid nietig verklaard moet worden omdat de besluitvorming veel te lang heeft geduurd, volgt het hof [verzoeker] niet daarin. Hoewel er ruim vijftien maanden zijn verstreken tussen de dag waarop [verzoeker] ter gelegenheid van het gehouden korpsrapport mondeling verweer heeft gevoerd, zijnde 28 juni 2011, en de dag waarop het ontslagbesluit is genomen, zijnde 08 oktober 2012 – welk tijdsverloop erop wijst dat de Staat niet over één nacht ijs is gegaan – blijkt uit de in de laatste overweging van de ontslagbeschikking weergegeven procedure die aan het ontslagbesluit is voorafgegaan, niet van een onaanvaardbaar lang stilzitten van de Staat. Gegeven de ernst van het plichtsverzuim en gelet op het feit dat aan [verzoeker] bij het gehouden korpsrapport reeds te kennen is gegeven dat een voorstel tot zijn ontslag zal worden gedaan, ziet het hof onvoldoende aanleiding om aan de lange duur van de besluitvorming gevolgen te verbinden.
4.10 Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de Staat enige nalatigheid in de motivering van het ontslagbesluit kan worden verweten ter zake van de naamsverwisseling in de laatste en voorlaatste overweging van de ontslagbeschikking, waarbij in stede van [verzoeker] de naam van [naam 1] is vermeld. Dit levert, gelijk de Staat heeft aangevoerd, geen strijd met de wet op. Uit de overige overwegingen van de ontslagbeschikking blijkt duidelijk dat hier sprake is van een kennelijke schrijffout en dat niemand anders dan [verzoeker] is bedoeld, zodat vorenbedoelde nalatigheid niet de nietigheid van het ontslagbesluit tot gevolg kan hebben.
4.11 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde in 3.1 onder a als ongegrond zal worden afgewezen.
4.12 Nu het ontslagbesluit in stand blijft, zal het in 3.1 onder d en e gevorderde, dat als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder a heeft te gelden, eveneens als ongegrond worden afgewezen.
4.13De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat
mr. V.V.C Pique, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. R.Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-RC-2019-2

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Beschikking ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering (SB 2008 no.21)

Gezien het verzoek van de vervolgingsambtenaar d.d. 13 maart 2019 ter vaststelling van een voorgeleidingsdatum voor de [verdachte];
Gezien de vordering bewaring van de verdachte voornoemd per ingaande 13 maart 2019 gedaan door de vervolgingsambtenaar op 13 maart 2019;
Gelezen de stukken, waaronder het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verdachte op 8 maart 2019 in verzekering is gesteld ter zake overtreding van de artikelen 295; 296; 298; 299; 300; 303 en 304 van het wetboek van Strafrecht;
Gehoord de verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Uit de stukken die de Rechter-Commissaris ten tijde van onderhavige toetsing ter beschikking stonden blijkt dat verdachte in beeld kwam na een anonieme melding van 06 juli 2018 inhoudende dat, hij zijn minderjarige stiefdochter seksueel misbruikt heeft en een kind verwekt heeft bij het slachtoffer.

Op grond van de verdenking zijn minderjarige stiefdochter seksueel misbruikt te hebben (ex. artikelen 295; 296; 298; 299; 300; 303 en 304 van het wetboek van Strafrecht) werd verdachte herhaald in verzekering gesteld t.w.:

  1. op 13 september 2018 en

  2. op 8 maart 2019

t.a.v. de 1e inverzekeringstelling:

  • de verdachte heeft vanaf het begin ontkend iets met slachtoffer gedaan te hebben en verklaard niet de verwekker van slachtoffer haar kind te zijn;

  • aanvankelijk verklaarde het slachtoffer dat verdachte de verwekker is maar, kwam naderhand op die verklaring terug onder aanvoering dat de eerdere verklaring niet op waarheid berust;

  • op 18 sept. 2018 werd verdachte door de vervolgingsambtenaar in vrijheid gesteld;

  • op 18 september 2018 werden van verdachte, het slachtoffer en het kind wangslijm afgenomen t.b.v. een DNA-vaderschapsonderzoek;

  • het opgestuurde referentie materiaal wordt op 24 september 2018 ontvangen door het MWI- forensisch DNA laboratorium;

t.a.v. de 2e inverzekeringstelling:

  • in het rapport van 31 januari 2019 opgemaakt door het MWI- forensisch DNA laboratorium wordt geconcludeerd dat, verdachte niet uitgesloten kan worden als de biologische vader van het kind; de kans op vaderschap is 99,999%;

  • op grond van deze ontwikkeling werd verdachte opgeroepen en op 8 maart 2019 wederom aangehouden en in verzekering gesteld;

  • tijdens de inverzekeringstelling is verdachte bij het (nader) verhoor door de politie geconfronteerd met het resultaat van het DNA-vaderschapsonderzoek;

  • evenzo is het slachtoffer nader gehoord en geconfronteerd met het resultaat van het DNA-vaderschapsonderzoek;

  • verdachte en het slachtoffer persisteren bij hun verklaring dat verdachte niet de verwekker is;

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris ambtshalve dient te beoordelen of bij deze 2e inverzekeringstelling in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld is;

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris uit eerder aangehaalde geschetste gang van zaken van oordeel is dat zich voorafgaande aan de 2e inverzekeringstelling nieuwe redengevende omstandigheden hebben aangediend waardoor de verdachte zijn tweede inverzekeringstelling niet onrechtmatig geacht kan worden;

Overwegende, dat nu onderhavige rechtmatigheidstoetsing van de inverzekeringstelling samen valt met de beoordeling van de vordering tot inbewaringstelling en naar het oordeel van de rechter-commissaris :

  • de verdenking ernstig genoeg is en;

  • de bewaring noodzakelijk wordt geacht;

Reden waarom de gevorderde bewaring verleend zal worden. Van deze beslissing tot bewaring van de verdachte wordt een afzonderlijke beschikking opgemaakt.

BESCHIKKENDE:
Verklaart inverzekeringstelling rechtmatig;

Aldus gegeven te Paramaribo op 15 maart 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. J. CHANDER-ROEPA.

De fungerend-griffier, De Rechter-Commissaris,

Mr. J. CHANDER- ROEPA Mr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-RC-2019-1

R.M. Rechter – Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten.

Parketnummer(s) 02361/19 BESCHIKKING INZAKE
RC- nummer(s) 628/19 BEWARING

De Rechter- Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten:
Gezien de vordering van de vervolgingsambtenaar d.d. 21 augustus 2019 strekkende tot uitvaardiging van een bevel tot bewaring tegen de verdachte(n): [verdachte] die wordt verdacht ter zake overtreding van de strafbare feiten zoals omschreven in de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het wetboek van Strafrecht;
Gezien de door de Vervolgingsambtenaar daarbij overgelegde stukken;

De beoordeling:

A) Feiten en omstandigheden

  1. Verdachte is op 7 augustus 2019 voor de duur van 7 dagen inverzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het Wetboek van Strafrecht.

  1. Bij beschikking van de Rechter Commissaris d.d. 13 augustus 2019 is de vervolgingsambtenaar niet- ontvankelijk verklaard in diens vordering tot rechtmatigheidstoetsing.

  1. Verdachte – zijnde een vreemdeling- is na verstrijken van de termijn van de (strafvorderlijke) inverzekeringstelling vervolgens bij beschikking d.d. 21 augustus 2019 van de officier van justitie in verzekeringgesteld krachtens artikel 28 lid 1 b Vreemdelingenwet 1991. Zulks in het belang van de openbare orde of nationale veiligeheid daar ten aanzien van hem “ernstige reden bestaat om te verwachten dat zijn uitzetting zal worden gelast”.

B) Vordering van het Openbaar Ministerie

Thans is bij vordering d.d.21 augustus 2019 op grond van art. 55 Sv en 168 Sv de inbewaringstelling van verdachte gevorderd aangezien voldoende aanwijzing van schuld is ontstaan aan de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het Wetboek van Strafrecht .

C) Het oordeel van de Rechter- Commissaris

De Rechter- Commissaris stelt voorop dat op verdachte thans de maatregel van vreemdelingen inverzekeringstelling is toegepast. Deze maatregel heeft als doel zijn uitzetting te realiseren. Bij gemis aan een expliciete vermelding wordt uitgaande van het bepaalde in art. 28 lid 3 Vreemdelingenwet 1991 het ervoor gehouden dat deze beschikking is gegeven voor de volle termijn van ten hoogste een maand- derhalve verstrijkend op 13 september 2019. Met deze maatregel is door het Openbaar Ministerie bij de verdachte het vertrouwen opgewekt dat hij niet zou worden vervolgd. Derhalve rust op de overheid de plicht om verdachte uit te zetten.

D) Gevolgen van de gevorderde inbewaringstelling

Met de maatregel van inverzekeringstelling is nauw verbonden het doel van de officier van justitie om de uitzetting van de vreemdeling/ verdachte voorrang te geven boven zijn strafvervolging.
Aangezien deze inverzekeringstelling niet tot een ander doel gebruikt mag worden dient de Rechter Commissaris bij onderhavige beoordeling gelet op de geconstateerde verandering in de vervolgingsbeslissing te beoordelen of:

  1. een vervolgingsnoodzaak is ontstaan waardoor de omstandigheden noopten tot die verandering.

  2. of daarbij de beginselen van een goede procesorde in acht zijn genomen

T.a.v .de omstandigheden die hebben doen besluiten tot verandering

De Rechter Commissaris stelt vast dat uit het politiedossier :

  • blijkt dat onderzoekshandelingen naar de vermeende strafbare feiten dateren van 7, 8 en 10 augustus 2019, een periode gelegen vóór de ingangsdatum van de (vreemdelingen) inverzekeringstelling;
  • niet blijkt waarom voortzetting van de inverzekeringstelling niet meer gevorderd wordt danwel de vreemdeling niet meer voldoet aan de wettelijk gegeven omschrijvingen;
  • geen feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid op grond waarvan er sprake is een verandering van de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling naar vervolging van betrokkene als verdachte;

De Rechter Commissaris concludeert, dat de vervolgingsambtenaar geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit duidelijk blijkt van de vervolgingsnoodzaak en noodzaak om terug te komen op het besluit tot uitzetting en de strafprocedure voort te zetten. Dit was wel nodig omdat art. 55 Vreemdelingenbesluit 1995 bepaalt dat, “inverzekeringstelling zal worden opgeheven wanneer de vreemdeling niet meer voldoet aan de in artikel 28 lid 1 onder b van de Vreemdelingenwet 1991 gegeven omschrijving”. Terwijl met de gevorderde inbewaringstelling beoogt wordt het daarheen te leiden dat de vrijheidbeneming van de vreemdeling – nu als verdachte- voortduring heeft.

t.a.v. het in acht nemen van de beginselen van een goede procesorde

Gezien hetgeen hierboven is overwogen behoeft dit onderdeel geen verdere beoordeling.

Alles in overweging nemende is de rechter- commissaris van oordeel, dat het bovenomschreven gemis aan vervolgingsnoodzaak, in combinatie met de schending van het bij de vreemdeling /verdachte opgewekte vertrouwen dat hij zou worden uitgezet, een dusdanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert, dat hier slechts de sanctie van niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de gevorderde inbewaringstelling dient te volgen.

BESCHIKKENDE:
Verklaart de vervolgingsambtenaar niet- ontvankelijk in de gevorderde inbewaringstelling van de [verdachte]

Aldus gegeven te Paramaribo op 11 september 2019 door mr. D.G.W.KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de fungerend -griffier mr. J. CHANDER- ROEPA.

De fungerend- Griffier, De Rechter-Commissaris,

mr. J. CHANDER- ROEPA mr. D.G.W.KARAMAT ALI

SRU-HvJ-2019-57

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15339

18 oktober 2019

In de zaak van

[appellante],
wonende in het [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 2 april 2008 bekend onder A.R.No. 07-3649 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 25 april 2008 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 18 mei 2018;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 6 juli 2018;
  • het repliekpleidooi gedateerd 2 november 2018;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 16 november 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 maart 2019 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de wettelijk gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep

De vrouw vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man af te wijzen.

4. De beoordeling

4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 2 april 2008, bekend onder AR no. 07-3649 nu de vrouw daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De man heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien, en voorts dat een datum zal worden bepaald voor het familieverhoor. De man heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk te wijten is aan verschillende oorzaken en dat partijen uit elkaar zijn gegroeid met dien verstande dat normale, constructieve communicatie tussen partijen niet meer mogelijk is. De man stelt verder dat alhoewel partijen in dezelfde woning verblijven, zij al jaren het bed niet meer delen omdat de vrouw een andere partner heeft met wie zij vleselijke gemeenschap heeft. Volgens de man is er elke dag ruzie en heeft de vrouw de kinderen zodanig opgehitst dat zij bang zijn om in bijzijn van de vrouw met hem te praten. De man stelt dat de vrouw hem ook heeft aangevallen met een mes, waarbij hij letsels heeft opgelopen en heeft hij hiervan aangifte gedaan tegen de vrouw. De man stelt verder dat hij zelf alles in huis moet doen voor hem en de kinderen; dat de vrouw in de ochtend vroeg uit huis gaat om haar vriend te ontmoeten en laat terug komt, terwijl de kinderen na school aan hun lot worden overgelaten. Volgens de man scheldt de vrouw hem elke dag vies en vuil uit welke situatie niet gezond is voor de opvoeding van de kinderen. De man stelt tenslotte dat op grond van het voorgaande de mogelijkheid tot herstel van het huwelijk is uitgesloten.

4.3 De kantonrechter heeft bij het beroepen vonnis de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en een datum bepaald voor het familieverhoor.

4.4 In eerste aanleg heeft de vrouw ontkend dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Ook de door de man aangevoerde gronden, zoals onder 4.2 is overwogen, heeft zij ontkend.
In hoger beroep beroept de vrouw zich erop dat de duurzame ontwrichting aan de man te wijten is nu hij de huwelijksgoederengemeenschap van partijen heeft uitgehold door de onroerende goederen middels een valse volmacht te plaatsen op naam van zijn jongere broer. De vrouw beroept zich erop dat nu de duurzame ontwrichting aan de man te wijten is, hij niet als aanlegger van de vordering mag optreden.

4.5 Naar het hof begrijpt beroept de vrouw zich op artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.

4.6 De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter reeds heeft beslist op het verweer van de vrouw met betrekking tot de valse volmacht. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een kopie-vonnis gedateerd 18 maart 2014 bekend onder AR no. 07-4876 ten processe overgelegd, waaruit moet blijken dat de vordering van de vrouw ter zake is afgewezen.
De man persisteert in hoger beroep dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, en thans zelfs al langer dan twaalf jaren. De man stelt verder dat deze ontwrichting te wijten is aan de vrouw die met verschillende partners was, wat de aanleiding was tot het verzoek tot echtscheiding. Volgens de man heeft hij de vrouw tot aan een pensioen (lees: pension) achtervolgd hetgeen de aanleiding is geweest dat er ruzie was tussen partijen en het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.
In dit hoger beroep heeft de vrouw niet meer vastgehouden aan haar in eerste aanleg gevoerde verweer dat er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk terwijl de man daarin is blijven volharden. Hierdoor is de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen komen vast te staan.

4.7 Na de hiervoor genoemde weerlegging van de man dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan hem te wijten is en verder de gemotiveerde nadere uiteenzetting van de man ter onderbouwing van de door hem gestelde duurzame ontwrichting heeft de vrouw enkel gepersisteerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, echter zonder nadere onderbouwing.
Nu de vrouw dit heeft nagelaten is haar stelling dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is niet in rechte komen vast te staan.
Om redenen als voormeld dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.

4.8 De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

5. De beslissing

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 2 april 2008 bekend onder AR no. 07-3649, onder aanvulling van de gronden.

5.2 Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, in dier voege dat ieder de eigen kosten voldoet.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en
door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van

mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld