SRU-K1-2020-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-3279
25 augustus 2020
G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigden: mr. J. Kraag en mr. M.G.A. Vos, advocaten,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, m.n. de Minister van Arbeid en de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
B. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 juni 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis en de conclusie tot overlegging CLAD-rapport, met een productie;
• de rolbeschikking d.d. 08 november 2016 gegeven, waarbij een nadere rechtsdag is bepaald voor gedaagde sub B;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties;
• de conclusies van repliek en uitlating producties;
• de conclusie van dupliek;
• de rolbeschikking d.d. 12 december 2017 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 23 februari 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 14 maart 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot overlegging producties met producties, zijdens gedaagden;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens gedaagden;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties, zijdens eiser;
• de rolbeschikking d.d. 13 november 2018 gegeven, waarbij een rolvoeging is gelast van de onderhavige zaak bij de zaken met als A.R.no.’s 16-4461, 16-4462, 16-4463;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagden, althans gedaagde
• sub B in de gelegenheid zijn/is gesteld om haar jaarrekeningen over 2016 en 2016 ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagden;
• de conclusie tot uitlating producties, zijdens eiser.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Gedaagde sub B is bij Decreet van 24 december 1980, houdende instelling van het Telecommunicatiebedrijf Suriname (Telesur) opgericht. Voormeld decreet is naderhand tot wet verheven en staat bekend als Wet C-38.

2.2. De Minister van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna te noemen: de minister van TCT) heeft krachtens artikel 8 lid 3 Wet C-38, de bevoegdheid om de directeur te benoemen en te ontslaan.

2.3. De Raad van Commissarissen (hierna RvC) is krachtens artikel 12 Wet C-38, belast met het toezicht op het bestuur en beheer van de directeur.

2.4. Op 01 januari 1987 is eiser, als hoofd van de afdeling Interne Controle, in dienst getreden van gedaagde sub B. Hierna was hij op 01 juni 1991 belast met de leiding van het onderdirectoraat Financiële en Economische Zaken. Vervolgens is eiser in november 1994 benoemd tot onderdirecteur. Op 1 juli 2005 is hij belast geworden met de waarneming in de functie van directeur, waarna hij met ingang van 02 mei 2006 is benoemd in de functie van directeur van gedaagde sub B.

2.5. Eiser en gedaagde sub B hebben een arbeidsovereenkomst gedateerd 17 april 2008 gesloten, ten aanzien van de aanstelling van eiser als directeur van gedaagde sub B.

2.6. Op 22 oktober 2015 heeft eiser overleg gehad met de nieuwe Minister van TCT, waarbij hem is medegedeeld dat alle nieuwe investeringen zullen worden aangehouden en dat er op
04 november 2015 een vergadering zal worden gehouden.

2.7. Op 28 oktober 2015 is er bij gedaagde sub B een nieuwe RvC benoemd.

2.8. Bij schrijven van de nieuwe RvC van gedaagde sub B gedateerd 04 november 2015, is de Minister van TCT ervan in kennis gesteld, dat na een grondige bestudering van en onderzoek naar de gang van zaken binnen gedaagde sub B, de RvC is gestuit op ernstige administratieve onvolkomenheden binnen de bedrijfsvoering van gedaagde sub B. De geconstateerde onregelmatigheden zijn als volgt opgesomd:
a. de instructie van de overheid inzake het niet langer in vreemde valuta uitbetalen van consultants is totaal genegeerd. Er is vastgesteld dat in de afgelopen twee jaren ruim één miljoen Amerikaanse dollar is betaald aan buitenlandse en lokale consultants. Er wordt gevreesd dat nader onderzoek zal uitwijzen dat dit bedrag hoger ligt;
b. lokale aannemers worden in vreemde valuta betaald en sommigen worden zelfs nog op buitenlandse rekeningen betaald;
c. de financiële reserves van het bedrijf zijn de afgelopen twee jaar sterk verslechterd. Het boekjaar 2014 vertoond voorlopig een dieptepunt met een winst van SRD 7.000.000,- ten opzichte van 20.000.000,- in 2013. Ondanks aandringen vanuit de overheid is er geen grootschalige kostenbesparing doorgevoerd in de bedrijfsvoering;
d. er is zonder de vereiste autorisatie meer geld uitgegeven aan projecten;
e. de verlaging van internettarieven voor de consument, zoals is geïnstrueerd door de overheid, is niet ingevoerd;
f. het verzoek van de overheid om betalingen in RMB te doen, wordt genegeerd. Bovendien worden aankopen in China niet rechtstreeks gedaan, maar via tussenpersonen/- organisaties in Trinidad of Miami, hetgeen kostenverhogend werkt;
g. zonder overleg is het project Digitale Televisie ten behoeve van het binnenland stopgezet;
h. de verdere ontsluiting van het binnenland is ook zonder overleg stopgezet.
Tot slot heeft het onderzoek uitgewezen dat eiser als hoofdverantwoordelijke verantwoordelijk moet worden gesteld voor de geconstateerde onregelmatigheden.

2.9. Op 06 november 2015, is eiser door de Minister van TCT in gebreke gesteld terzake de onregelmatigheden die geconstateerd zijn door de RvC en genoemd zijn in de brief gedateerd 04 november 2015. Aan eiser is aangegeven dat als gevolg van voormelde brief van de RvC, de Minister van TCT genoodzaakt is om hem te schorsen en wel op grond van de bepalingen vervat in de Wet C-38. De Minister van TCT heeft bij de ingebrekestelling voorts aangegeven dat eiser zich binnen drie dagen dient te verdedigen en als de verdediging als niet steekhoudend wordt beschouwd, de Minister van TCT genoodzaakt zal zijn om de ontslag procedure van eiser in te zetten.

2.10. Bij schrijven gedateerd 09 november 2015 afkomstig van de RvC en gericht aan de Minister van TCT, is melding gemaakt van het navolgende punten:
• Na de opgelegde schorsing aan eiser, is in een spoed RvC vergadering op 06 november 2015, besloten om [persoon] aan te wijzen als waarnemend Algemeen Directeur.
• In de spoed RvC vergadering is eveneens gevraagd naar een aanvulling op de rapportage van administratieve onvolkomenheden. Na bestudering van de rapportage heeft de RvC besloten om de Minister van TCT te verzoeken om per onmiddellijke ingang [naam 2], onderdirecteur Commerciële Zaken, te doen schorsen.

2.11. Bij verweerschrift gedateerd 10 november 2015 afkomstig van de gemachtigde van eiser, mr. J. Kraag, is namens eiser verweer gevoerd tegen het schorsingsbesluit van de Minister van TCT.

2.12. Op 12 november 2015 is aan de heer [naam], die door de waarnemend directeur is aangesteld als waarnemend Manager Corporate Audit, opdracht gegeven om een intern onderzoek in te stellen.
2.13. Op 17 november 2015 heeft [waarnemend manager corporate audit] het Rapport inzake onderzoek naar onverantwoorde bestedingen van middelen bij gedaagde sub B opgesteld, waarbij is geconcludeerd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden en opzettelijke benadeling van gedaagde sub B.

2.14. Op 19 november 2015 is eiser per brief in kennis gesteld dat zijn verweer niet steekhoudend is bevonden, omdat eiser niet heeft kunnen aangeven dat het falen van de directie, hem niet verweten kan of mag worden. Voorts is ook de onderbouwing van de RvC terzake hun oordeel over het verweer van eiser, als volgt toegelicht:
a. er hebben een aantal serieuze en ernstige onvolkomenheden en misstanden in de afgelopen jaren plaatsgevonden onder de leiding van eiser.
b. bij nader onderzoek blijkt dat er betalingen zijn gedaan aan ontvangers, zoals Genovus, waarvan de rechtmatigheid vraagtekens oproept;
c. eiser behoorde te weten dat de gestelde uitgavenplafonds werden overschreden, welke handeling ook aan hem mogen worden verweten;
d. de directeur blijft aansprakelijk voor zijn eigen falen of handelen in strijd met de bedrijfsbepalingen- en regelingen, ook als dit naar eiser zijn zeggen niet opzettelijk gebeurt;
e. eiser is niet deugdelijk ingegaan op de stelling dat de directie aankopen in China niet rechtstreeks deed, maar via tussenpersonen hetgeen ongerechtvaardigd kostenverhogend heeft gewerkt;
f. in de jaarverslagen heeft de directie mogelijk zaken verzwegen dan wel niet alle stukken en/of informatie doorgespeeld aan de RvC. Décharge zou dus op basis van onvolledige informatie verleend kunnen zijn. Als gevolg hiervan kan de directie, met eiser als vertegenwoordiger, nog steeds aansprakelijk gesteld worden voor de tekortkomingen van de voorgaande jaren.
g. eiser doet voorkomen alsof het schorsingsbesluit zijn eer en goede naam heeft aangetast en dat het besluit niet voldoet aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Dit wordt ten stelligste ontkend. Er is geen formeel bericht terzake de schorsing door de Minister, gedaagde sub B of de RvC bekend gemaakt.

2.15. Voorts is in dezelfde brief van 19 november 2015 aan eiser medegedeeld dat op grond van het advies en de feitelijkheden alsook het resultaat van het intern onderzoek, de Minister van TCT het besluit heeft genomen om ingaande 19 november 2015, de ontslagprocedure tegen eiser in te stellen.

2.16. Bij beschikking van gedaagde sub A d.d. 24 december 2015, is aangegeven dat er bezwaar is tegen het wegens dringende redenen verleend ontslag aan eiser.

2.17. Naar aanleiding van op de 01 december 2015 aangevraagde ontslagvergunning, is bij beschikking gedateerd 30 december 2015, door de Minister van Arbeid vergunning verleend ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst.

2.18. Bij brief gedateerd 30 december 2015, is eiser door de Minister van TCT medegedeeld dat de vergunning tot aanzegging van het ontslag is verleend en reeds op gemelde datum is geëffectueerd, met in achtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

2.19. Op verzoek van eiser, heeft gedaagde sub B het onderzoeksrapport van [waarnemend Manager Corporate Audit], op 11 december 2015 naar eiser verzonden.

2.20. In het Rapport van feitelijke bevindingen inzake het interne rapport afkomstig van de Centrale Landsaccountantsdienst (hierna aangeduid als: het CLAD rapport), d.d. 14 september 2016, heeft de Centrale Landsaccountantsdienst in opdracht van de Minister van Financiën, onderzoek verricht bij gedaagde sub B over de periode 1 januari 2012 tot en met 14 september 2016 op basis van een negental kwesties, welke als onderwerp zijn opgenomen in het interne rapport.

2.21. In de samenvatting van het CLAD rapport staan de navolgende feitelijke constateringen aangeven:
a. gedaagde sub B beschikt niet over formele procedure beschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedingsprocedure en overige procedures (zoals het gebruik van een bedrijfscredit card). Hierdoor kon er geen vaststelling worden gemaakt of personen hun bevoegdheden hebben overschreden in voornoemd opgesomde activiteiten/kwesties. Het gaat in de meeste gevallen om een gedeelde verantwoordelijkheid. Echter kan wel gesteld worden dat de directeur de eindverantwoordelijke is;
b. bij de besluiten die genomen zijn in voornoemde kwesties zijn er zakelijke en commerciële overwegingen kenbaar gemaakt door de voormalige directeur en de voormalige commercieel directeur. Echter hebben diverse functionarissen ook gewezen op de goedkopere prijzen en hebben zij de invalshoek vanuit de inkoopfunctie benadrukt;
c. In het geval van de fraude van [persoon 2] is door het interne onderzoek van gedaagde sub B aangetoond dat hij bewust het bedrijf heeft benadeeld en dat wellicht zijdens de (voormalige)directie hierop niet adequaat is gereageerd;
d. In het geval van de generatoren die zich bij [naam 2] bevinden, is aangegeven dat de geldende procedure niet is gevolgd door [naam 2] en evenmin door andere functionarissen. Er is ook geen informatie bekomen waaruit blijkt dat de generatoren die zich bij de [naam 2] bevinden aanvankelijk als schroot werden aangemerkt of buitengebruik waren gesteld. Verder is ook niet aangetoond dat er voor de generatoren is betaald.
Als nadere toelichting op punt c, is aangegeven dat op grond van de opgesomde feitelijke bevindingen in de kwestie [persoon2], kan worden vastgesteld dat het uiteindelijk bepaalde schadebedrag (de afdeling Corporate Audit stelde een onderzoek in en de eerste bevindingen werden op 10 december 2013 gerapporteerd), nooit heeft geleid tot daadwerkelijke invordering, noch door de voormalige directie, noch door de na november 2015 aangestelde directie(s).

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de beschikking van de Minister van Arbeid tot ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer], nietig zal verklaren, althans zal vernietigen, althans het besluit c.q. de ontslagvergunning van gedaagde sub A, althans namens hem van de Minister van Arbeid, vervat in de beschikking van 30 december 2015, nietig zal verklaren althans zal vernietigen;
B. het besluit van gedaagden, met name van de Minister van Transport Communicatie en Toerisme, althans van gedaagde sub B, tot ontslag van eiser de dato 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen, althans het besluit van gedaagde sub B tot ontslag van eiser, vervat in de brief van 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen;
C. gedaagde sub B zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
D. gedaagde sub B zal gelasten eiser in de gelegenheid te stellen, zijn werkzaamheden met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
E. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting met ingang van 30 juni 2016, zijn salaris ad USD 12.000,- per maand, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse courant door te betalen, vermeerderd met de boeterente ad 50% ex artikel 1614q BW, althans met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de algehele voldoening;
F. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen
het bedrag van USD 696.000,-, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant,
vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de
algehele voldoening;
G. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat het aan hem verleend ontslag kennelijk onredelijk is, omdat er gebruik is gemaakt van valse ontslaggronden. Volgens hem is het intern rapport, dat als basis is gebruikt voor de aanvraag van de ontslagvergunning, in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor. Ook is het rapport in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel opgemaakt, daar er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser en het rapport binnen een korte termijn van één week is opgesteld. Voorts beticht hij het rapport van vooringenomenheid c.q. partijdigheid, nu de samensteller van het rapport door eiser was ontheven uit zijn functie. Volgens eiser betreft het rapport geen onderzoek, doch een vaststelling, immers is het uitgangspunt van gedaagde sub B geweest dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan administratieve onvolkomenheden en/of onregelmatigheden. Ook strookt de inhoud van het intern rapport niet met de inhoud van het CLAD rapport.
De ontslagcommissie heeft het beginsel van hoor-en wederhoor ook geschonden, daar eiser slechts één keer is gehoord, terwijl gedaagde sub B is twee keren is gehoord. Eiser heeft gelet hierop niet de gelegenheid gehad om te reageren op de door gedaagde sub B overgelegde tussentijdse rapporten. Daarenboven heeft er ook geen belangenafweging plaatsgevonden bij het oordeel tot toewijzing van de ontslagaanvraag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer
4.1. Gedaagden hebben als formeel verweer opgeworpen dat eiser zich niet heeft bediend van de mogelijkheid die artikel 8 lid 7 Wet C-38 hem biedt, waarbij hij binnen 30 dagen na kennisname van het ontslag, tegen het ontslagbesluit in beroep zou kunnen gaan bij de President van de Republiek Suriname.
In lijn met hetgeen eiser heeft gesteld, overweegt de kantonrechter dat artikel 8 lid 7 Wet
C-38, de rechtsgang naar de kantonrechter niet uitsluit. Buitendien blijkt dat de termijn van 30 dagen reeds is verlopen, zodat er geen speciale bestuursrechtelijke voorziening openstaat voor eiser. De kantonrechter is ingevolge artikel 1 van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke macht, bevoegd kennis te nemen van alle twistgedingen over burgerlijke rechten, waaronder dus ook arbeidsrechtelijke geschillen zoals het onderhavig geschil. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het formeel verweer dient te worden verworpen.

4.2. De kantonrechter stelt voorts vast dat de Minister van Arbeid op de juiste wijze is aangeduid, zodat het verweer betreffende de naam van het Ministerie van Arbeid evenmin opgaat. Hiervoor wordt ook verwezen naar de aanhef van de beschikking van gedaagde sub A.

4.3. Ten aanzien van de wijziging van het petitum
Artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), geeft eiser de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerde¬ren. De kantonrechter overweegt dat het onderwerp van onderhavig geschil, het ontslag van eiser, betreft. De kantonrechter is van oordeel dat de gevraagde wijziging van eis, namelijk:
• de aanvulling van: “het besluit van gedaagde” met “het besluit van gedaagden, met name van de minister van Transport, Communicatie en Toerisme”;
• en het integreren van het primair en subsidiair gevorderde,
geen verandering dan wel vermeerdering van het onderwerp betreft. De gevorderde wijziging van eis ligt derhalve binnen de grenzen van artikel 109 Rv.
Daarnaast levert de wijziging van eis, geen strijd op met de eisen van een goede procesorde, nu de wijziging niet van dien aard is dat gedaagden daarmee zijn belemmerd in het voeren van verweer. Voorts wordt overwogen dat onderhavig geding ook niet is vertraagd door de eiswijziging. Het voren overwogene leidt ertoe dat de eiswijziging zal worden toegestaan. Het petitum is bereids met de verzochte wijziging in overeenstemming gebracht.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de ontslagvergunning
4.4. De kantonrechter overweegt dat de Wet Ontslagvergunning geen rechtsmiddel kent tegen de krachtens deze wet gegeven ministeriële beschikking. Voorts wordt overwogen dat de wetgever kennelijk niet heeft gewild dat de besluiten van de Minister van Arbeid, die als een eindbeslissing beschouwd kunnen worden, door de onafhankelijke kantonrechter getoetst worden. Er zijn namelijk geen toetsingsmogelijkheden vervat in de Wet Ontslagvergunning. De Minister van Arbeid heeft ingevolge de Wet Ontslagvergunning een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan de Minister in meer of mindere mate beleidsvrijheid wordt toegekend om in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen. Uitsluitend de bestuursrechter is bevoegd om het besluit van de Minister te vernietigen en ook slechts op formele en procedurele gronden. Nu deze rechtsinstantie ontbreekt in Suriname en er desondanks moet worden voorzien in de rechtsbescherming van de justitiabelen, is de kantonrechter op grond van artikel 158 lid 2 van de Grondwet van Suriname, bevoegd om de onrechtmatigheid van elke finale en afdwingbare handeling van organen van de overheidsadministratie te beoordelen. Deze beoordeling is echter een marginale toetsing met betrekking tot de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, doch heeft niet de vernietiging dan wel de nietigverklaring van het genomen besluit door de overheidsadministratie als rechtsgevolg, maar slechts de veroordeling tot het vergoeden van de schade die is voortvloeit uit het genomen besluit. Bovendien wordt vastgesteld dat de rechtspositie van eiser als werknemer uitsluitend wordt beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met gedaagde sub B, zijnde de werkgever. De bevoegdheid van de Minister van Arbeid is gestoeld op de beoordeling van de ontslagredenen vervat in de ontslagaanvraag. De enkele beoordeling van de ontslagredenen raakt de rechtspositie van de werknemer niet, zodat een gerechtelijke actie van eiser tegen een beschikking van de minister van Arbeid is uitgesloten. Het onderliggende geschil waarover de kantonrechter zich moet uitlaten, betreft de door gedaagde sub B opgegeven ontslagredenen en niet de beoordeling hiervan door gedaagde sub A. Eiser zal ten aanzien van de vordering onder A van het petitum derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring v/d brief d.d. 30 december 2015
4.5. Als gevolg van hetgeen onder r.o. 4.4. is overwogen, kan de brief gedateerd 30 december 2015, waarin staat dat eiser is ontslagen, evenmin worden vernietigd dan wel nietig worden verklaard. De door de Minister van Arbeid verleende ontslagvergunning vormt namelijk de grondslag van de brief gedateerd 30 december 2015. Eiser zal derhalve eveneens ten aanzien van dit deel van de vordering, sub B van het petitum, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De toetsing of het ontslag onredelijk is
4.6. De kantonrechter is wel bevoegdheid om te toetsen of het ontslag van eiser ingevolge artikel 1615s lid 2 BW kennelijk onredelijk is. De stellingen en weren omtrent de door gedaagde opgegeven ontslaggronden zullen hierna worden weergeven en beoordeeld.

De door gedaagde sub B opgegeven ontslaggronden
4.7. Volgens gedaagde sub B heeft eiser misbruik van zijn bevoegdheden gemaakt. Er is op structurele wijze door hem verzuimd om een goed intern beheerssysteem te bewerkstelligen, om de controle en monitoring te doen van activiteiten met grote financiële risico’s.
Gedaagde sub A heeft de navolgende rechtshandelingen van eiser aangegeven, waarbij hem het voorgaande wordt verweten.

4.7.1. Het besluit van de directeur en de coördinator Commerciële Zaken van gedaagde sub B om per juni 2012 haar belkaarten, die op dat moment alleen besteld werden bij en gedrukt werden door het bedrijf Tele-Pak Inc., gevestigd te New York, USA, tegen hogere kosten te bestellen bij en te laten drukken door [bedrijf 1], gevestigd aan [adres] te [district].

4.7.2. De overeenkomst met en de bijkomstigheden in relatie tot [bedrijf 2], waarbij gedaagde sub B tegen alle gebruiken in, volledig de huur betaalt van de twee locaties van [bedrijf 2], terwijl slechts 10% van de beschikbare fysieke ruimte gebruikt wordt om producten van gedaagde sub B te verkopen.

4.7.3. De opzet en de financiële activiteiten bij Telesur Multimedia Innovation Laboratory, waarbij er onder andere in strijd is gehandeld met de gunningsprocedure, de inkoopprocedure, de voorraadprocedure en de procedure met betrekking tot het gebruik van creditcards.

4.7.4. De aankoop van zend/transmissie apparatuur door gedaagde sub B bij het bedrijf Divitel, gevestigd te Willemstad, Curaçao, ten behoeve van [bedrijf 3], waarbij er slechts één offerte is aangetroffen, terwijl indien de aankoop door gedaagde sub B bij DB Electronica had plaatsgevonden, een bedrijf waarmee er reeds goede relaties bestaan, dit een extra besparing voor gedaagde sub B zou opleveren.

4.7.5. Het tegen de inkoopprocedure in, aankopen van mobiele telefoontoestellen, mifi devices en andere apparatuur via [bedrijf 4], waarbij gedaagde sub B meer betaald heeft dan wanneer de toestellen rechtstreeks bij WGI Wireless waren aangeschaft. Aangezien de aankopen buiten de inkoopprocedure om werden voortgezet en er steeds bij dezelfde tussenpersoon werd ingekocht, wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake kan zijn geweest van een incident, omdat ondanks bezwaren deze activiteiten werden voortgezet.

4.7.6. Het inhuren van [adviesbureau] voor het FPO traject binnen gedaagde sub B, waarbij er geen andere offertes zijn aangetroffen en waarbij een bedrag boven het geautoriseerd bedrag is uitgegeven.

4.7.7. Fraude gepleegd door [persoon 2], ex-medewerker bij [mediabedrijf], waarbij door eiser het besluit is genomen dat er geen aangifte zou worden gedaan bij de justitiële autoriteiten, maar dat [persoon 2] de gelegenheid zou krijgen vanaf oktober 2014 de geleden schade
(SRD 794.053,55) te vergoeden. Tot heden heeft er echter geen aflossing plaatsgevonden en zijn er vanuit gedaagde sub B nog geen maatregelen getroffen om terugbetaling te bewerkstelligen.

4.7.8. De ontwikkelingen in relatie tot Telesur Mobiel Nederland (TMN), waarbij over de afgelopen jaren een verlies is geleden (ongeveer US 14.156.884), terwijl de indruk werd gewekt alsof het project winstgevend was. Opmerkelijk hierbij was dat slechts de resultatenrekening werd gepresenteerd, waardoor het vermogen van TMN uit beeld bleef.

Het verweer van eiser tegen de ontslaggronden
4.8. Eiser heeft tegen de opgeworpen ontslaggronden verweer gevoerd. Het verweer komt op het navolgende neer.

4.8.1. Het onderzoek dat de grondslag vormt van het verleende ontslag, is niet deugdelijk en objectief verricht. De onderzoeker is eerder door eiser ontheven en bij het aantreden van de nieuwe RvC/directie is hij in ere hersteld. Het intern rapport heeft hierdoor elke schijn van objectiviteit verloren. Uit de inleiding van het intern rapport blijkt niet concreet wat de onderzoeksopdracht is. Voorafgaand aan het onderzoek is er sprake van een conclusie en van vooringenomenheid.

4.8.2. Nu onverantwoorde besteding van middelen door gedaagde sub B het onderwerp van onderzoek is, diende eiser schriftelijk geïnformeerd te worden over het te verrichten onderzoek en zou hij hierbij ook betrokken moeten worden. Dit is echter niet gebeurd, zodat gedaagde sub B in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld.

4.8.3. De Minister van TCT dan wel de Raad van Ministers, althans de regering, heeft krachtens artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, aan eiser als directeur décharge verleend over al de jaren van zijn directeurschap, in concreto over de boekjaren 2009-2014. Eiser kan daarom niet alsnog verantwoordelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in die periode.
Volgens vaste en constante jurisprudentie heeft décharge, ontslag van aansprakelijkheid tot gevolg en strekt het over het handelen of nalaten van een bestuurder ingeval de algemene vergadering bekend was met een dergelijk handelen of nalaten.

4.8.4. Alle betalingen en/of rechtshandelingen die door gedaagde sub B worden gekwalificeerd als administratieve onregelmatigheden/onvolkomenheden, zijn verwerkt in de boekhouding c.q. jaarrekening, waaronder de balans en winst- en verliesrekening.

4.8.5. De onderzoeker heeft geen rekening gehouden met marketing argumenten. Ook is er geen rekening gehouden met het feit dat de implementatie van de activiteiten c.q. projecten, waarvan onregelmatigheden worden verweten, altijd een collectief besluit is geweest en dat de RvC voorafgaande goedkeuring heeft gegeven en naderhand décharge heeft verleend.

4.8.6. Eiser is door de jaren heen, zoals de doctrine als voorwaarde stelt, nooit aangesproken dat hij tekort is geschoten in het verrichten van zijn werkzaamheden en/of handelen, noch is hem door de RvC noch door de Minister ooit enig verwijt gemaakt dat hij buiten zijn beslissingsbevoegdheid is getreden. Het achteraf verwijten te maken over zijn handelingen, waarvoor décharge was verleend, kan minstens als onbehoorlijk worden gekwalificeerd.

4.8.7. Uit het voorgaande is volgens eiser komen vast te staan dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat zijn handelingen niet van zodanige gewicht zijn dat het een grond oplevert tot ontslag.

4.9. Tegen deze standpunten van eiser heeft gedaagde sub B het navolgende aangevoerd.
Gedaagde heeft betwist dat eiser geen inzage heeft gehad in de tussentijdse rapporten. Aan eiser is op 05 en 10 november 2015 de gelegenheid geboden om gehoord te worden. Bij schrijven van de Minister van TCT, d.d. 06 november 2015, waarbij aan eiser de ruimte is geboden om zich schriftelijk te verweren, is het toen beschikbare tussentijds rapport als bijlage verzonden.
Eiser is in zijn verdediging erg puntsgewijs en nauwgezet ingegaan op de punten in boven aangehaald schrijven, alsook op de punten in de tussentijdse onderzoeksrapporten.
Vanwege de ernst van de onregelmatigheden, althans de wanprestatie voor het bedrijf en de Staat Suriname, is er geen ‘verbetertraject’ dat als optie kon worden voorgesteld, aangezien het vertrouwen in eiser reeds dusdanig was geschonden dat voortzetting van de dienstbetrekking uiteindelijk geen optie meer was.
Gedaagde sub B heeft terzake de verleende décharge aangegeven dat uit de tussentijdse rapporten is gebleken dat eiser de RvC en de Minister toen heeft misleid, dan wel informatie heeft verzwegen voor hun en dat de doctrine en jurisprudentie aangeven dat een bestuurder aan wie kwijting is verleend, hierop geen beroep kan doen in geval van misleiding of verzwijging of misbruik van vertrouwen.

Het verwijt van onbehoorlijk bestuur
4.10. De kantonrechter overweegt dat de hoofdregel van behoorlijk bestuur is dat de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voorts wordt overwogen dat het bij onbehoorlijk bestuur gaat om gedragingen die als “schuldige verwaarlozing van de bestuurstaak” kunnen worden aangemerkt. Het is geenszins de bedoeling om de bestuurders een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van het bestuursbeleid van belang zijn. Voor onbehoorlijke taakvervulling is méér nodig, in het bijzonder, dat er onverantwoordelijk is gehandeld met de wetenschap — objectief te bepalen — dat de rechtspersoon daarvan de dupe zouden kunnen worden. Een zodanige taakvervulling is gelijk te stellen met misbruik van bevoegdheid.

4.11. Naar aanleiding van het vorenstaande acht de kantonrechter de door gedaagde sub B verweten handelingen aan eiser, an sich niet tot behorende tot onbehoorlijk bestuur. Immers, eiser heeft in zijn verweer gemotiveerd aangegeven waarom hij gekozen heeft om op zodanige wijze te handelen. Eiser zijn verweer tegen hetgeen hem verweten wordt, komt zoals het CLAD samengevat heeft weergeven in haar rapport, neer op “handelingen die gepleegd zijn uit zakelijke en commerciële overwegingen”. Bovendien werd eiser door de regering onder druk gezet om bepaalde activiteiten met spoed te implementeren met het oog op de naderende verkiezingen. De kantonrechter overweegt dat gelet op de uitvoerige motivering vervat in het verweerschrift gedateerd 24 december 2015, het op de weg van gedaagde sub B lag om het standpunt van eiser dat het door hem gevoerde beleid niet tot schade heeft geleid, te weerleggen.

4.12. De kantonrechter acht voor de weerlegging van het standpunt van eiser, het intern rapport opgesteld door gedaagde sub B niet voldoende. Het intern rapport is namelijk opgebouwd uit autorisatie-aanvragen, facturen, nota’s, offertes, financiële overzichten, verklaringen van personen werkzaam binnen gedaagde sub B en wisseling van e-mail berichten. Gedaagde sub B had echter middels een vergelijking van de twee perspectieven namelijk de zakelijke en commerciële invalshoek enerzijds en de invalshoek inkoopfunctie anderzijds, duidelijk en inzichtelijk moeten maken waarom er enkel en alleen gekozen moest worden voor de invalshoek van de inkoopfunctie, ter behartiging van de belangen van de rechtspersoon. Ook zou moeten blijken dat eiser ondanks het vorenstaande, eigendunkelijk de zakelijke en commerciële invalshoek heeft gekozen, zodat gedaagde sub B hierdoor benadeeld is geworden. Gedaagde sub B heeft zulks nagelaten, zodat de kantonrechter niet zondermeer kan uitgaan van de juistheid van haar standpunt, dat zij is benadeeld door de handelingen van eiser en diens team. Ook heeft gedaagde sub B nagelaten om een verklaring van een terzake deskundigen over te leggen, waaruit het voordeel van de invalshoek van de inkoopfunctie overduidelijk zou moeten blijken. Evenmin is de benadeling onderbouwd.

Misbruik van bevoegdheid door eiser
4.13. De kantonrechter overweegt dat blijkens het CLAD rapport, gedaagde sub B niet beschikt over formele procedurebeschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbesteding- en overige procedures, zodat niet vastgesteld kon worden of er sprake was van overschrijding van bevoegdheden. De kantonrechter kan deze stelling volgen, nu uit artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 blijkt dat bekrachtiging van rechtshandelingen vervat in lid 1 van dat artikel kan plaatsvinden door goedkeuring achteraf van de RvC. Voor het geval dat gedaagde sub B heeft beoogd te stellen dat er wel procedurebeschrijvingen zijn, die niet gevolgd zijn door eiser, hebben zij nagelaten om aan te geven wat deze procedurebeschrijvingen zijn. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter zal uitgaan van de juistheid van voormelde stelling vervat in het CLAD rapport.

De conform artikel 15 lid 7 van de Wet C-38 verleende décharge
4.14. Décharge wordt omschreven als het verlenen van kwijting aan een bestuurder voor het gevoerde beleid. Décharge heeft het ontslag van aansprakelijkheid van de bestuurder voor al zijn handelen tot gevolg. In lijn met de uitspraak van de Hoge Raad, bekend onder HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308, overweegt de kantonrechter dat het rechtsgevolg van de verleende décharge ook geldend is wanneer de bestuurder de onderneming bewust en opzettelijk schade heeft berokkend. Echter brengt het feit dat de vennootschap de bestuurder décharge heeft verleend, niet zondermeer met zich mee dat de bestuurder niet meer intern aansprakelijk is voor de door de vennootschap geleden schade.
Overwogen wordt dat de décharge slechts toeziet op het gevoerde beleid van de bestuurder, zoals blijkt uit de jaarrekening. De décharge is ook geldend ten aanzien van de expliciete door het bestuur gegeven toelichting voor feiten ten tijde van de verleende décharge. De kantonrechter volgt de Hoge Raad ook in zijn overweging dat “décharge zich niet uitstrekt tot hetgeen de aandeelhouders redelijkerwijs konden weten dan wel tot hetgeen waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, bedacht konden zijn”, vervat in de uitspraak bekend onder HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360.

4.15. Als gesteld en niet weersproken staat rechtens vast dat de Minister van TCT, in overeenstemming met artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, décharge heeft verleend aan het bestuur onder leiding van eiser over de jaren 2009-2014. Tijdens de comparitie van partijen heeft de gevolmachtigde van gedaagde sub B verklaard dat er eveneens décharge is verleend over het jaar 2015.
Gelet op hetgeen onder r.o. 4.14. staat vermeld, is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van gedaagde sub B lag om te onderbouwen ten aanzien waarvan de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of welke informatie door eiser is verzwegen, teneinde een décharge te verkrijgen. Indien gedaagde sub B heeft bedoeld dat handelingen van eiser zijn verzwegen, had hij dit moeten aantonen door aan te geven dat deze handelingen niet zijn meegenomen in de jaarrekening van de desbetreffende jaren. In het door gedaagde
sub B overgelegde tussentijds rapport gedateerd 09 november 2015, zijn er acht punten met bijlagen opgenomen, waarvan zes punten zijn vervat in de ontslagvergunning. Uit het tussentijds rapport, valt ook niet concreet af te leiden welke informatie verzwegen zou zijn voor gedaagde sub B.
Gedaagde sub B heeft haar stelling dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie niet kunnen concretiseren, zodat de kantonrechter voorbij zal gaan aan de stelling dat de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of dat eiser enige informatie voor de RvC en/of de Minister heeft verzwegen in de door hem opgemaakte jaarrekeningen.
Eiser heeft voorts ter comparitie verklaard dat hij altijd een presentatie gaf over nieuwe projecten, teneinde een autorisatie van de RvC te krijgen. Deze stelling is door een raadslid in de RvC bekrachtigd. Voormelde lid heeft namelijk verklaard dat er veel presentaties door de directie werden gegeven om goedkeuring te krijgen en dat er vaak achteraf goedkeuring werd verleend door de RvC.
Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter ervan uitgaan dat er over de jaren 2009-2015, door de minister van TCT, décharge is verleend aan het bestuur onder leiding van eiser, zonder dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie door eiser.

De gestelde benadeling van gedaagde sub B
4.16. De kantonrechter overweegt dat uit het jaarverslag van het jaar 2015, waarin eiser leiding gaf aan het bestuur, blijkt dat gedaagde sub B winsten heeft geboekt. Deze vaststelling wordt eveneens door de vertegenwoordiger van gedaagde sub B ter comparitie erkend. De stelling van de gemachtigde dat indien de jaarrekening in 2015 positief is, dit niet zondermeer met zich meebrengt dat gedaagde sub B geen schade heeft geleden, kan niet worden gevolgd. Immers heeft gedaagde sub B nagelaten om de gestelde schade te concretiseren. Zoals reeds door de kantonrechter is overwogen onder r.o. 4.12, heeft gedaagde sub B niet middels een door de accountant vastgestelde berekening en verklaring, aangegeven wat de jaarrekening had moeten zijn met het door gedaagde sub B wenselijk geachte beleid. Het feit dat uit de door de accountant opgestelde report on the financial statements van gedaagde sub B, blijkt dat er in 2016, het jaar van het bestuur zonder leiding door eiser, verliezen zijn geleden in vergelijking met de jaren 2012 tot en met 2015 van het bestuur onder leiding van eiser, draagt bij tot de conclusie dat gedaagde sub B geen als zodanige schade heeft geleden onder het bestuur van eiser. Zelfs als er rekening wordt gehouden met de inflatie, overweegt de kantonrechter dat uit de toelichting van de accountant blijkt dat: de omzet van de aangeboden diensten is verminderd en er is een toename van verkoop-en afzetkosten. Voorts is gebleken van een vermindering in de kosten. Een vermindering in de financiële inkomsten is toegeschreven aan de devaluatie van het courant SRD.

4.17. Ten aanzien van de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, overweegt de kantonrechter het navolgende. De management letters zijn richtlijnen aan het bestuur om een gerichte gang van zaken binnen de vennootschap te bewerkstelligen. De mate van prioriteit terzake de posten kan invloed uitoefenen op de resultaten van de jaarrekeningen.
De kantonrechter acht voornamelijk de beoordeling van de “financial reporting & analyses” door de accountant essentieel om een conclusie te trekken over het door eiser gevoerde beleid. Uit de management letter 2014 en het concept management letter 2015 blijkt het volgende.
• De periodieke analyses en aansluitingen werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld.
• De verbandlegging internationaal verkeer werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• De bewaking begroting werden in beide jaren met een high prioriteit beoordeeld.
• De cashmanagement werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• Verbanden standen registers werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld

In het concept management letter 2015 zijn de navolgende posten bijgekomen.
– Inkomstenbelasting en afwikkeling carriers die respectievelijk met een medium en high prioriteit werden beoordeeld.
Uit het vorenstaande valt te concluderen dat het beleid van eiser op een aantal punten matig was en kon worden verscherpt en dat de mate van dringendheid op twee posten hoog waren.

4.18. De kantonrechter overweegt dat terzake een oordeel over benadeling van gedaagde sub B door het beleid van eiser, zij voornamelijk de post periodieke analyses en aansluitingen noodzakelijk acht. Uit de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, blijkt dat periodieke analyses en aansluitingen inhoudt: dat er onvoldoende afstemmingen en analyses plaatsvinden ten aanzien van de financiële rekeningen. De afstemmingen en analyses worden veelal aan het eind van het boekjaar uitgevoerd, waardoor eventuele verschillen of onduidelijkheden niet tijdig worden ontdekt en verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het uitzoekwerk veelal tijdrovend is. Het risico dat daaraan wordt verbonden is dat tussentijdse, interne cijfers, onjuistheden vertonen.
Het vorenstaande werd als matig beoordeeld door de accountant, hetgeen aangeeft dat eiser als hoofdverantwoordelijk wel aandacht aan deze post moest schenken, doch behoorde het niet tot de allerhoogste prioriteit.

4.19. Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat gelet op hetgeen is vastgesteld in het CLAD rapport vermeld onder 2.21 sub c en d van dit vonnis, gedaagde sub B enigszins wel is benadeeld, doch is gedaagde sub B ook na het ontslag van eiser, niet overgegaan tot inning van de gelden bij [persoon 2]. De kantonrechter is van oordeel dat de ernst van deze benadeling niet van dien aard is, dat zulks een besluit tot ontslag van eiser rechtvaardigt.

De bevoegdheden van de RvC
4.20. De kantonrechter overweegt dat voor het deugdelijk functioneren van een vennootschap, een wisselwerking met de nodige checks and balances vereist is tussen de drie organen, namelijk de aandeelhouders, de RvC en het bestuur. Deze wisselwerking is eveneens in de Wet C-38 uitgedrukt, doch blijkt dat de naleving hiervan is uitgebleven, indien de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van gedaagde sub B, dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer.

4.21. Op grond van artikel 9 lid 2 van de Wet C-38, dient de RvC het directie-reglement, op basis waarvan de directie de verdeling van hun taken en hun werkwijze regelt, goed te keuren. Ingevolge artikel 12 lid 1 van de Wet C-38, is de RvC belast met toezicht op het bestuur en beheer van de directeur. Lid 4 van voormeld artikel geeft de RvC het recht tot inzage van de boeken en bescheiden van het bedrijf en het opnemen van de kas. En op grond van lid 5 kan de RvC zich voor rekening van het bedrijf doen bijstaan door één of meer door hem aan te wijzen deskundigen. Blijkens artikel 15 dient de RvC de balans en de winst- en verliesrekening met de toelichting te onderzoeken en moet zich daarbij doen bijstaan door een register-accountant. De raad dient hieromtrent een pre-advies aan de Minister uit te brengen.

4.22. Overwogen wordt dat op grond van het vorenstaande, het de taak van de RvC is om er op toe te zien dat het bestuur de noodzakelijke informatie verstrekte en verantwoording aflegde terzake hun beleid, waaronder de gedane inkopen, de gesloten overeenkomsten, de uitvoeringen van projecten en dat de boekhoudplicht nagekomen werd. De RvC had zich door het bestuur over het vorenstaande moeten laten inlichten en zich door een deskundige hieromtrent laten adviseren en had zo nodig moeten ingrijpen. Met een actieve houding van de RvC, waren de gestelde misstanden eerder ontdekt en kon hierop, in het belang van de vennootschap, met een adequate maatregel ingegrepen worden.

4.23. De kantonrechter overweegt voorts– in afwijking op wat gedaagde sub B heeft aangevoerd – dat het achteraf toetsen van het bestuur onvoldoende is om te kunnen concluderen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer in strijd met de Wet
C-38. De gestelde misstanden onder het beleid van eiser, dienen niet uitsluitend voor rekening van eiser te komen. De RvC diende, gelet op hun bevoegdheden vermeld onder artikel 12 van de Wet C-38, zich eveneens op een behoorlijke wijze van haar controlerende en toezichthoudende taak te hebben gekweten. De RvC had zich kortom actiever moeten opstellen en is tekort geschoten in haar taken.

4.24. De kantonrechter kan de stelling van het raadslid van de RvC ter comparitie, dat de link tussen de specifieke autorisatie en de jaarrekening niet te controleren valt door de RvC en dat de RvC niet heeft gefaald niet volgen. Hetzelfde raadslid heeft namelijk, direct na voormelde verklaring, op de vraag: op grond waarvan er is vastgesteld dat autorisaties achteraf werden ingediend, aangegeven dat zulks aan het licht is gekomen doordat er stukken van de afgelopen drie jaren zijn opgevraagd en bestudeerd. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het antwoord van het raadslid, duidelijk valt te concluderen dat er wel degelijk controle kon worden uitgeoefend door de RvC ten aanzien van het door het bestuur gevoerde beleid en de gepresenteerde jaarrekeningen. Ook valt niet in te zien waarom de Minister van TCT décharge over het jaar 2015 zou verlenen, wanneer er gesteld wordt dat de overschrijding van de autorisatie ten aanzien van de Future Proof organisatie in het jaar 2015 is geconstateerd. De handelingen van de RvC en de minister van TCT stroken niet met de verwijten die ze aan eiser maken.

4.25. De kantonrechter overweegt dat het feit dat er aan eiser décharge is verleend met betrekking tot zijn beleid gedurende de jaren 2009-2015, tot de conclusie leidt dat er binnen gedaagde sub B sprake is van een tolerante dan wel passieve houding zijdens de RvC. De verklaringen ter comparitie van het raadslid in de RvC, onder andere dat de RvC geen invloed had op de autorisatie en dat eiser heeft aangegeven dat de president-commissaris zijn goedkeuring moest geven en niet de leden van de RvC, dragen bij tot voormeld oordeel. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het bestuur onder leiding van eiser, gedurende 2009 tot en met het aantreden van de nieuwe RvC, ooit is verweten van het voeren van onbehoorlijk bestuur.
Voor de kantonrechter is het dan ook niet vreemd dat deze houding van de RvC, heeft geleid tot een bestuur met een grote mate van beleidsvrijheid.

4.26. Tegen de achtergrond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om uitsluitend eiser, verantwoordelijk te houden voor de gestelde misstanden en daarbij ook nog, zonder voorafgaande waarschuwing of kans tot herstel van de gemaakte fouten, de ingrijpende maatregel van ontslag te koppelen. De kantonrechter overweegt dat gelet op de feiten en omstandigheden, gedaagde sub B het ontslag als ultimum remedium had moeten gebruiken. Naar het oordeel van de kantonrechter hadden gedaagden tenminste op het CLAD-rapport, zijnde een onafhankelijk en objectief onderzoek, moeten wachten, nu is komen vast te staan dat [waarnemend Manager Corporate Audit]de specifieke opdracht had gehad om de handelingen van eiser en nog 4 bij name genoemde stafleden van gedaagde sub B te onderzoeken. De nieuwe RvC heeft niet of nauwelijks overleg gehad met eiser, nog minder hem de gelegenheid geboden om alle gevraagde informatie binnen een redelijke termijn te verzamelen. Ook heeft er geen goede belangen afweging plaatsgehad gelet op het aantal dienstjaren van eiser bij gedaagde sub B.

4.27. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet valt in te zien, waarom de personen die zijn gehoord bij het opstellen van het intern rapport en de RvC leden die het kennelijk oneens waren met het beleid van het bestuur, de door hen geconstateerde misstanden dan wel wanbeleid, niet eerder ter kennis hebben gebracht van de RvC dan wel de Minister van TCT, de organen die conform de Wet C-38 bevoegd zijn om tegen wanbeleid op te treden.

De conclusie
4.28. Nu niet rechtens vaststaat dat eiser:
• zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur;
• gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid,
mede gelet op:
• de passieve houdingen van de RvC en de Staat die een grote mate van beleidsvrijheid zijdens eiser bewerkstelligden,
• de duur van de dienstbetrekking van eiser;
• en de voor eiser getroffen voorzieningen, het na het ontslag ontvangen van zes maanden loon, is de kantonrechter van oordeel dat ingevolge artikel 1615s lid 2 sub b BW, het ontslag van eiser kennelijk onredelijk is.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.29. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde of het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub B niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub B vanaf de schorsing van eiser tot aan het onderhavig geding, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub B reeds heeft voorzien in de vacature van directeur. Dit deel van de vordering, sub D van het petitum, zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.30. Voorop dient te worden gesteld dat eiser de door hem gevorderde schadevergoeding duidelijk heeft onderbouwd en wel als volgt. Gelet op zijn functie en het aantal dienstjaren, heeft hij een schadevergoeding van drie maanden brutoloon per dienstjaar gevorderd. Hij heeft voorts gesteld dat bij de hantering van de drie maanden ook rekening is gehouden met de aan het salaris toegekende emolumenten, die eveneens verloren zijn gegaan. Uit het door eiser overgelegde schrijven van de RvC, blijkt dat zijn laatst toegekende brutoloon met emolumenten USD 12.000,- bedraagt. Eiser zijn berekening luidt als volgt: 58 maanden X USD 12.000,-= USD 696.000,-
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het door eiser overgelegde schrijven afkomstig van de RvC, de blote betwisting van gedaagde sub B betreffende het loon van eiser niet opgaat.

4.31. Uit hoofde van artikel 1615s BW is de kantonrechter bevoegd om de gevorderde vergoeding te matigen als deze haar gelet op de omstandigheden onbillijk voorkomt. Uit de keuzemogelijkheid die artikelen 1615s en1615t BW de werknemer bieden, volgt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding op grond van artikel 1615s BW mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als gedaagde sub B niet tot ontslag van eiser zou zijn overgegaan. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen.
De kantonrechter zal echter ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 30 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad
US$ 12.000,-.

4.32. Vanwege de verzwaarde motiveringsplicht van de werkgever, is de kantonrechter ervan uitgegaan dat niet rechtens vaststaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur of gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid. De kantonrechter overweegt echter dat op grond van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de vaststelling van het kennelijk onredelijk ontslag, niet uitgesloten kan worden dat eiser wel enige mate nalatigheid kan worden verweten. Immers, kan van een goede bestuur worden verwacht dat hij steeds in overleg is met de RvC over de besluiten die de vennootschap raken. Voorts diende erop worden toegezien dat er checks en balances in place waren voor adequate monitoring teneinde misstanden te voorkomen. De passieve houding van de RvC hoeft in beginsel niet te leiden tot een beleidsvrijheid zonder beperkingen.
De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat factor C vastgesteld zal worden op 0,75.
De schadevergoeding komt aldus op 30x2xUS$ 12.000,-x0.75= US$ 540.000,-

4.33. Gedaagde sub B zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren dan wel de vernietiging van de beschikking althans het besluit van de Minister van Arbeid tot het verlenen van de ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer].

5.2. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren dan wel de vernietiging van het besluit van de Minister van TCT althans gedaagde sub B tot het verlenen van ontslag aan eiser, vervat in de brief van 30 december 2015.

5.3. Veroordeelt gedaagde sub B om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van USD 540.000,- (vijfhonderdveertigduizend Noord-Amerikaanse dollar), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf 29 juni 2016 tot aan de algehele voldoening.

5.4. Verklaart hetgeen is beslist onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. Veroordeelt gedaagde sub B in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 230,- (tweehonderd en dertig Surinaamse dollar).

5.6. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-3278

25 augustus 2020

G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [district],

eiser,

gemachtigden: mr. J. Kraag en mr. M.G.A. Vos, advocaten,

tegen

1. DE STAAT SURINAME, m.n. de Minister van Arbeid en de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,

2. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1.Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 juni 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis en de conclusie tot overlegging CLAD-rapport, met een productie;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties;
  • de conclusies van repliek en uitlating producties;
  • de conclusie van dupliek;
  • de rolbeschikking d.d. 12 december 2017 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • de op 23 februari 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
  • de op 14 maart 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
  • de conclusie tot overlegging producties met producties, zijdens gedaagden;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens gedaagden;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties, zijdens eiser;
  • de rolbeschikking d.d. 13 november 2018 gegeven, waarbij een rolvoeging is gelast van de onderhavige zaak bij de zaken met als A.R.no.’s 16-4461, 16-4462, 16-4463;
  • de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagden, althans gedaagde sub B in de gelegenheid zijn/is gesteld om haar jaarrekeningen over 2016 en 2016 ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagden;
  • de conclusie tot uitlating producties, zijdens eiser.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde sub B is bij Decreet van 24 december 1980, houdende instelling van het Telecommunicatiebedrijf Suriname (Telesur) opgericht. Voormeld decreet is naderhand tot wet verheven en staat bekend als Wet C-38.

2.2 De Minister van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna te noemen: de Minister van TCT) heeft krachtens artikel 8 lid 3 Wet C-38, de bevoegdheid om de onderdirecteur te benoemen en te ontslaan.

2.3 De Raad van Commissarissen (hierna RvC) is krachtens artikel 12 Wet C-38, belast met het toezicht op het bestuur en beheer van de directeur.

2.4 Op 01 juni 1996 is eiser in dienst getreden van gedaagde sub B. Hierna is hij met ingang van 01 januari 2015 benoemd in de functie van onderdirecteur Commerciële Zaken.

2.5 Op 22 oktober 2015 heeft de directeur van gedaagde sub B overleg gehad met de nieuwe Minister van TCT, waarbij hem is medegedeeld dat alle nieuwe investeringen zullen worden aangehouden en dat er op 04 november 2015 een vergadering zal worden gehouden.

2.6 Op 28 oktober 2015 is er bij gedaagde sub B een nieuwe RvC benoemd.

2.7 Bij schrijven gedateerd 09 november 2015 afkomstig van de RvC en gericht aan de Minister van TCT, is melding gemaakt van het navolgende punten:

  • Na de opgelegde schorsing aan de directeur van gedaagde sub B, is in een spoed RvC vergadering op 06 november 2015, besloten om [persoon] aan te wijzen als waarnemend Algemeen Directeur.
  • In de spoed RvC vergadering is eveneens gevraagd naar een aanvulling op de rapportage van administratieve onvolkomenheden. Na bestudering van de rapportage heeft de RvC besloten om de Minister van TCT te verzoeken om per onmiddellijke ingang eiser, onderdirecteur Commerciële Zaken, te doen schorsen.

2. 8 Bij schrijven van de nieuwe RvC van gedaagde sub B gedateerd 09 november 2015, is de Minister van TCT ervan in kennis gesteld, dat na een grondige bestudering van en onderzoek naar de gang van zaken binnen gedaagde sub B, de RvC is gestuit op ernstige administratieve onvolkomenheden binnen de bedrijfsvoering van gedaagde sub B. De geconstateerde onregelmatigheden zijn als volgt opgesomd:

a. inkopen buiten de geldende procedures om;
b. kosten buitenlandse jurist;
c. verlies geleden door handelen onderdirecteur Commerciële Zaken;
d. ongeautoriseerde overbestedingen op het Project Future Proof Organisatie;
Het vorenstaande vormt de reden, waarom de RvC, de Minister van TCT verzoekt om eiser te schorsen.

2.9 Op 12 november 2015 is eiser door de minister van TCT in gebreke gesteld terzake de onregelmatigheden die geconstateerd zijn door de RvC en genoemd zijn in de brief gedateerd 04 november 2015. Aan eiser is aangegeven dat als gevolg van voormelde brief afkomstig van de RvC, de Minister van TCT genoodzaakt is om hem te schorsen en wel op grond van de bepalingen vervat in de Wet C-38. De Minister van TCT heeft bij de ingebrekestelling voorts aangegeven dat eiser zich binnen drie dagen dient te verdedigen en als de verdediging als niet steekhoudend wordt beschouwd, de Minister van TCT genoodzaakt zal zijn om de ontslag procedure van eiser in te zetten.

2.10 Bij verweerschrift gedateerd 17 november 2015, afkomstig van de gemachtigde van eiser, mr. J. Kraag, is namens eiser verweer gevoerd tegen het schorsingsbesluit van de Minister van TCT.

2.11 Op 12 november 2015 is aan [naam], die door de waarnemend directeur is aangesteld als waarnemend Manager Corporate Audit, opdracht gegeven om een intern onderzoek in te stellen.

2.12 Op 17 november 2015 heeft [waarnemend manager corporate audit] het Rapport inzake onderzoek naar onverantwoorde bestedingen van middelen bij gedaagde sub B opgesteld, waarbij is geconcludeerd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden en opzettelijke benadeling van gedaagde sub B.

2.13 Op 26 november 2015 is eiser per brief in kennis gesteld dat zijn verweer niet steekhoudend is bevonden, omdat eiser niet heeft kunnen aangeven dat het falen van de directie, hem niet verweten kan of mag worden.

2.14 Voorts is in dezelfde brief van 26 november 2015 aan eiser medegedeeld dat op grond van het advies en de feitelijkheden alsook het resultaat van het intern onderzoek, de minister van TCT het besluit heeft genomen om ingaande 26 november 2015, de ontslag procedure tegen eiser in te stellen.

2.15 Bij beschikking van gedaagde sub A d.d. 24 december 2015, is aangegeven dat er bezwaar is tegen het wegens dringende redenen verleend ontslag aan eiser.

2.16 Naar aanleiding van op de 01 december 2015 aangevraagde ontslagvergunning, is bij beschikking gedateerd 30 december 2015, door de Minister van Arbeid vergunning verleend ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst.

2.17 Bij brief gedateerd 30 december 2015 is eiser door de Minister van TCT medegedeeld dat de vergunning tot aanzegging van het ontslag is verleend en reeds op gemelde datum is geëffectueerd, met in achtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

2.18 Op verzoek van eiser, heeft gedaagde sub B het onderzoeksrapport van [waarnemend manager corporate audit], op 11 december 2015 naar eiser verzonden.

2.19 Blijkens het Rapport van feitelijke bevindingen inzake het interne rapport afkomstig van de Centrale Landsaccountantsdienst (hierna aangeduid als: het CLAD rapport), heeft de Centrale Landsaccountantsdienst in opdracht van de minister van Financiën, onderzoek verricht bij gedaagde sub B over de periode 1 januari 2012 tot en met 14 september 2016 op basis van een negental kwesties, welke als onderwerp zijn opgenomen in het interne rapport.

2.20 In de samenvatting van het CLAD rapport staan de navolgende feitelijke constateringen aangeven:

a. gedaagde sub B beschikt niet over formele procedure beschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedings- en overige procedures (zoals het gebruik van een bedrijfscredit card). Hierdoor kon er geen vaststelling worden gemaakt of personen hun bevoegdheden hebben overschreden in voornoemd opgesomde activiteiten/kwesties. Het gaat in de meeste gevallen om een gedeelde verantwoordelijkheid. Echter kan wel gesteld worden dat de directeur de eindverantwoordelijke is.
b. bij de besluiten die genomen zijn in voornoemde kwesties zijn er zakelijke en commerciële overwegingen kenbaar gemaakt door de voormalige directeur en de voormalige commercieel directeur. Echter hebben diverse functionarissen ook gewezen op de goedkopere prijzen en hebben de invalshoek vanuit de inkoopfunctie benadrukt.
c. In het geval van de generatoren die zich bij [eiser] bevinden is aangegeven dat de geldende procedure niet is gevolgd door [eiser] en evenmin door andere functionarissen. Er is ook geen informatie bekomen waaruit blijkt dat de generatoren die zich bij [eiser] bevinden aanvankelijk als schroot werden aangemerkt of buitengebruik waren gesteld. Verder is ook niet aangetoond dat voor de generatoren is betaald.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de beschikking van de Minister van Arbeid tot ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer], nietig zal verklaren althans zal vernietigen, althans het besluit c.q. de ontslagvergunning van gedaagde sub A, althans namens hem van de Minister van Arbeid, vervat in de beschikking van 30 december 2015, nietig zal verklaren althans zal vernietigen;
B. het besluit van gedaagden, met name van de Minister van Transport Communicatie en Toerisme, althans van gedaagde sub B, tot ontslag van eiser de dato 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen, althans het besluit van gedaagde sub B tot ontslag van eiser, vervat in de brief van 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen;
C. gedaagde sub B zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
D. gedaagde sub B zal gelasten eiser in de gelegenheid te stellen, zijn werkzaamheden met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
E. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting met ingang van 30 juni 2016, zijn salaris ad SRD 20.000,- per maand, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse courant door te betalen, vermeerderd met de boeterente ad 50% ex artikel 1614q BW, althans met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de algehele voldoening;
F. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen
het bedrag van SRD 1.200.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf
de dag der indiening tot aan de algehele voldoening;
G. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat het aan hem verleend ontslag kennelijk onredelijk is, omdat er gebruik is gemaakt van valse ontslaggronden. Volgens hem is het intern rapport, dat als basis is gebruikt voor de aanvraag van een ontslagvergunning, in strijd met het beginsel van hoor-en wederhoor. Ook is het rapport in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel opgemaakt, daar er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser en het rapport binnen een korte termijn van één week is opgesteld. Voorts beticht hij het rapport van vooringenomenheid c.q. partijdigheid, nu de samensteller van het rapport door de directeur van gedaagde sub B was ontheven uit zijn functie. Volgens eiser betreft het rapport geen onderzoek, doch een vaststelling, immers is het uitgangspunt van gedaagde sub B geweest dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan administratieve onvolkomenheden en/of onregelmatigheden. Ook strookt de inhoud van het intern rapport niet met de inhoud van het CLAD rapport.
De ontslagcommissie heeft het beginsel van hoor-en wederhoor ook geschonden, daar eiser slechts één keer is gehoord en gedaagde sub B is twee keren gehoord. Eiser heeft gelet hierop niet de gelegenheid gehad om te reageren op de door gedaagde sub B overgelegde tussentijdse rapporten. Daarenboven heeft er ook geen belangenafweging plaatsgevonden bij het oordeel tot toewijzing van de ontslagaanvraag.

3.3 Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer

4.1 Gedaagden hebben als formeel verweer opgeworpen dat eiser zich niet heeft bediend van de mogelijkheid dat artikel 8 lid 7 Wet C-38 hem biedt, waarbij hij binnen 30 dagen na kennisname van het ontslag, tegen het ontslagbesluit in beroep zou kunnen gaan bij de President van de Republiek Suriname.
In lijn met hetgeen eiser heeft gesteld, overweegt de kantonrechter dat artikel 8 lid 7 Wet C-38, de rechtsgang naar de kantonrechter niet uitsluit. Buitendien blijkt dat de termijn van 30 dagen reeds is verlopen, zodat er geen speciale bestuursrechtelijke voorziening openstaat voor eiser.
De kantonrechter is ingevolge artikel 1 van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke Macht, bevoegd kennis te nemen van alle twistgedingen over burgerlijke rechten, waaronder dus ook arbeidsrechtelijke geschillen zoals het onderhavig geschil. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het formeel verweer dient te worden verworpen.

4.2 De kantonrechter stelt voorts vast dat de Minister van Arbeid op de juiste wijze is aangeduid, zodat het verweer betreffende de naam van het Ministerie van Arbeid evenmin opgaat. Hiervoor wordt ook verwezen naar de aanhef van de beschikking van gedaagde sub A.

Ten aanzien van de wijziging van het petitum

Artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), geeft de eiser de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerde­ren. De kantonrechter overweegt dat het onderwerp van onderhavig geschil, het ontslag van eiser, betreft. De kantonrechter is van oordeel dat de gevraagde wijziging van eis, namelijk:

  • de aanvulling van: “het besluit van gedaagde” met “het besluit van gedaagden, met name van de minister van Transport Communicatie en Toerisme”;
  • en het integreren van het primair en subsidiair gevorderde,geen verandering dan wel vermeerdering van het onderwerp betreft. De gevorderde wijziging van eis ligt derhalve binnen de grenzen van artikel 109 Rv.
    Daarnaast levert de wijziging van eis, geen strijd op met de eisen van een goede procesorde, nu de wijziging niet van dien aard is dat gedaagden daarmee zijn belemmerd in het voeren van verweer. Voorts wordt overwogen dat onderhavig geding ook niet is vertraagd door de eiswijziging. Het voren overwogene leidt ertoe dat de eiswijziging zal worden toegestaan. Het petitum is bereids met de verzochte wijziging in overeenstemming gebracht.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de ontslagvergunning

4.4 De kantonrechter overweegt dat de Wet Ontslagvergunning geen rechtsmiddel kent tegen de krachtens deze wet gegeven ministeriële beschikking. Voorts wordt overwogen dat de wetgever kennelijk niet heeft gewild dat de besluiten van de Minister van Arbeid die als een eindbeslissing beschouwd kunnen worden, door de onafhankelijke kantonrechter getoetst worden. Er zijn namelijk geen toetsingsmogelijkheden vervat in de Wet Ontslagvergunning. De Minister van Arbeid heeft ingevolge de Wet Ontslagvergunning een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan de Minister in meer of mindere mate beleidsvrijheid wordt toegekend om in concrete gevallen eigen inzicht een besluit te nemen. Uitsluitend de bestuursrechter is bevoegd om een besluit van de Minister te vernietigen en dan ook slechts op formele en procedurele gronden. Nu deze rechtsinstantie ontbreekt in Suriname en er desondanks moet worden voorzien in de rechtsbescherming van de justitiabelen, is de kantonrechter op grond van artikel 158 lid 2 van de Grondwet van Suriname, bevoegd om de onrechtmatigheid van elke finale en afdwingbare handeling van organen van de overheidsadministratie te beoordelen. Deze beoordeling is echter een marginale toetsing met betrekking tot de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, doch heeft niet de vernietiging dan wel de nietigverklaring van het genomen besluit door de overheidsadministratie als rechtsgevolg, doch slechts de veroordeling tot het vergoeden van de schade die voortvloeit uit het genomen besluit.
Bovendien wordt vastgesteld dat de rechtspositie van eiser als werknemer uitsluitend wordt beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met gedaagde sub B, zijnde de werkgever. De bevoegdheid van de Minister van Arbeid is gestoeld op de beoordeling van de ontslagredenen vervat in de ontslagaanvraag. De enkele beoordeling van de ontslagredenen raakt de rechtspositie van de werknemer niet, zodat een gerechtelijke actie van eiser tegen een Beschikking van de minister van Arbeid is uitgesloten. Het onderliggende geschil waarover de kantonrechter zich moet uitlaten, betreft de door gedaagde sub B opgegeven ontslagredenen en niet de beoordeling hiervan door gedaagde sub A. Eiser zal ten aanzien van de vordering onder A van het petitum derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring v/d brief d.d. 30 december 2015
4.5. Als gevolg van hetgeen onder r.o. 4.4. is overwogen, kan de brief gedateerd 30 december 2015, waarin staat dat eiser is ontslagen, evenmin worden vernietigd dan wel nietig worden verklaard. De door de Minister van Arbeid verleende ontslagvergunning vormt namelijk de grondslag van de brief gedateerd 30 december 2015. Eiser zal derhalve eveneens ten aanzien van dit deel van de vordering, sub B van het petitum, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De toetsing of het ontslag onredelijk is
4.6. De kantonrechter is wel bevoegd om te toetsen of het ontslag van eiser ingevolge artikel 1615s lid 2 BW kennelijk onredelijk is. De stellingen en weren omtrent de door gedaagde opgegeven ontslaggronden zullen hierna worden weergeven en beoordeeld.

De door gedaagde sub B opgegeven ontslaggronden
4.7. Gedaagde sub B heeft de navolgende verwijten gemaakt aan eiser. Er hebben een aantal serieuze en ernstige onvolkomenheden en misstanden in de afgelopen jaren plaatsgevonden onder de leiding van de directeur, waarop eiser als mede leidinggevende ook controle had moeten uitoefenen. Door de navolgende handelingen en besluiten van eiser, heeft hij gedaagde sub B ernstig nadeel geleden.

4.7.1. Het besluit van de directeur en de coördinator Commerciële Zaken van gedaagde sub B om per juni 2012 haar belkaarten, die op dat moment alleen besteld werden bij en gedrukt werden door het bedrijf Tele-Pak Inc., gevestigd te New York, USA, tegen hogere kosten te bestellen bij en te laten drukken door [bedrijf 1], gevestigd aan [adres] te [district].

4.7.2. De overeenkomst met en de bijkomstigheden in relatie tot [bedrijf 2], waarbij gedaagde sub B tegen alle gebruiken in, volledig de huur betaalt van de twee locaties van [bedrijf 2], terwijl slechts 10% van de beschikbare fysieke ruimte gebruikt wordt om producten van gedaagde sub B te verkopen.

4.7.3. De opzet en de financiële activiteiten bij Telesur Multimedia Innovation Laboratory, waarbij er onder andere in strijd is gehandeld met de gunningsprocedure, de inkoopprocedure, de voorraadprocedure en de procedure met betrekking tot het gebruik van creditcards.

4.7.4. De aankoop door gedaagde sub B van zend/transmissie apparatuur bij het bedrijf Divitel, gevestigd te Willemstad Curaçao, ten behoeve van [bedrijf 3], waarbij er slechts één offerte is aangetroffen, terwijl indien de aankoop door gedaagde sub B bij DB Electronica had plaatsgevonden, een bedrijf waarmee er reeds goede relaties bestaan, dit een extra besparing voor gedaagde sub B zou opleveren.

4.7.5. Het tegen de inkoopprocedure in, aankopen van mobiele telefoontoestellen, mifi devices en andere apparatuur via [bedrijf 4], waarbij gedaagde sub B meer betaald heeft dan wanneer de toestellen rechtstreeks bij WGI Wireless waren aangeschaft. Aangezien de aankopen buiten de inkoopprocedure om werden voortgezet en er steeds bij dezelfde tussenpersoon werd ingekocht, wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake kan zijn geweest van een incident, omdat ondanks bezwaren deze activiteiten werden voortgezet.

4.7.6. Het inhuren van [adviesbureau] voor het FPO traject binnen gedaagde sub B, waarbij er geen andere offertes zijn aangetroffen en waarbij een bedrag boven het geautoriseerd bedrag is uitgegeven.

4.7.7. De onrechtmatige installatie van twee van gedaagde sub B afkomstige Wilson generatoren bij de privé woningen van de coördinator Commerciële Zaken, waarbij eiser gewoon de opdracht heeft gegeven om de in goede technische staat verkerende generatoren bij zijn privé woning te laten installeren. Dit is een duidelijk geval van misbruik maken van bevoegdheid als directielid en een benadeling van gedaagde sub B.

4.7.8. De ontwikkelingen in relatie tot Telesur Mobiel Nederland (TMN), waarbij over de afgelopen jaren een verlies is geleden (ongeveer US 14.156.884), terwijl de indruk werd gewekt alsof het project winstgevend was. Opmerkelijk hierbij was dat slechts de resultatenrekening werd gepresenteerd, waardoor het vermogen van TMN uit beeld bleef.

4.7.9. Gedaagde sub B heeft tevens aangegeven dat de conclusie wordt getrokken dat in alle genoemde gevallen er sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden door eiser en dat er op structurele wijze door hem werd verzuimd om te bewerkstelligen dat er een goed intern beheersysteem in place was om de controle en monitoring te doen van activiteiten met grote financiële risico’s.

Het verweer van eiser tegen de ontslaggronden
4.8. Eiser heeft verweer gevoerd tegen de ontslaggronden die gedaagde sub B heeft opgeworpen. Dit verweer komt neer op het navolgende.

4.8.1. Het onderzoek dat de grondslag vormt van het verleende ontslag is niet deugdelijk en objectief verricht. De onderzoeker is namelijk door de directeur van gedaagde sub B eerder ontheven en bij het aantreden van de nieuwe RvC/directie, is hij in ere hersteld, waardoor het intern rapport elke schijn van objectiviteit heeft verloren.

4.8.2. Uit de inleiding van het interne rapport blijkt niet concreet wat de onderzoeksopdracht is, en voorafgaand het onderzoek is er sprake van een conclusie en van vooringenomenheid.

4.8.3. Nu onverantwoorde besteding van middelen van gedaagde sub B het onderwerp van onderzoek is, diende eiser schriftelijk geïnformeerd te worden over het te verrichten onderzoek en diende hij daarbij betrokken te worden, hetgeen niet is gebeurd. Gedaagde sub B heeft hierdoor in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor gehandeld.

4.8.4. De Minister van TCT dan wel de Raad van Ministers, althans de regering, heeft krachtens artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, zowel eiser als directeur, décharge verleend over al de jaren van zijn mede-directeurschap, in concreto over de boekjaren 2009-2014. Eiser kan gelet hierop niet verantwoordelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in die periode.
Volgens vaste en constante jurisprudentie heeft décharge, ontslag van aansprakelijkheid tot gevolg. Een décharge omvat het handelen of nalaten van een bestuurder, ingeval de algemene vergadering bekend was met een dergelijk handelen of nalaten.

4.8.5. De betreffende generatoren waren reeds afgeschreven door gedaagde sub B en zouden worden afgestoten. Eiser heeft ze op eigen kosten gebruiksklaar gemaakt.

4.8.6. Alle betalingen en/of rechtshandelingen die door gedaagde sub B worden gekwalificeerd als administratieve onregelmatigheden/onvolkomenheden, zijn verwerkt in de boekhouding c.q. jaarrekening, waaronder de balans en winst- en verliesrekening.

4.8.7. De onderzoeker heeft geen rekening gehouden met de marketing argumenten en het feit dat de implementatie van de activiteiten c.q. projecten, waarvan onregelmatigheden worden verweten, altijd een collectief besluit is geweest. De RvC heeft voorafgaande goedkeuring gegeven en naderhand décharge verleend.

4.8.8. Eiser is door de jaren heen, zoals de doctrine als voorwaarde stelt, nooit aangesproken dat hij tekort is geschoten in het verrichten van zijn werkzaamheden en/of handelen, noch is hem door de RvC noch door de Minister ooit enig verwijt gemaakt dat hij buiten zijn beslissingsbevoegdheid is getreden. Het is onbehoorlijk om eiser achteraf verwijten te maken over zijn handelingen, waarvoor reeds décharge was verleend.

4.8.9. Uit het voorgaande is komen vast te staan dat aan eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Zijn handelingen zijn niet van zodanig gewicht dat het een grond oplevert tot ontslag.

4.9. Gedaagde sub B heeft tegen het gevoerd verweer door eiser, het navolgende aangegeven.
Zij heeft betwist dat eiser geen inzage heeft gehad in de tussentijdse rapporten. Aan eiser is op 05 en 10 november 2015, de gelegenheid geboden om gehoord te worden. Bij het schrijven van de Minister van TCT, d.d. 06 november 2015, is aan eiser de ruimte geboden om zich schriftelijk te verweren. Het toen beschikbare tussentijds rapport is als bijlage verzonden.
Eiser is in zijn verdediging erg puntsgewijs en nauwgezet ingegaan op de punten in het boven aangehaald schrijven, alsook op de punten in de tussentijdse onderzoeksrapporten.
Vanwege de ernst van de onregelmatigheden, althans de wanprestatie voor het bedrijf en de Staat Suriname, is er geen ‘verbetertraject’ dat als optie kon worden voorgesteld, aangezien het vertrouwen in eiser reeds dusdanig was geschonden dat voortzetting van de dienstbetrekking uiteindelijk geen optie meer was.
Gedaagde sub B heeft terzake de verleende décharge aangegeven dat uit de tussentijdse rapporten is gebleken dat eiser de RvC en de Minister toen heeft misleid, dan wel informatie heeft verzwegen voor hun. In de doctrine en jurisprudentie staat aangeven dat een bestuurder aan wie kwijting is verleend, hierop geen beroep kan doen in geval van misleiding of verzwijging of misbruik van vertrouwen.

Het verwijt van onbehoorlijk bestuur
4.10. De kantonrechter overweegt dat de hoofdregel van behoorlijk bestuur is dat de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voorts wordt overwogen dat bij onbehoorlijk bestuur het gaat om gedragingen die als “schuldige verwaarlozing van de bestuurstaak” kunnen worden aangemerkt. Het is geenszins de bedoeling om de bestuurders een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van het bestuursbeleid van belang zijn. Voor onbehoorlijke taakvervulling is méér nodig, in het bijzonder dat er onverantwoordelijk is gehandeld met de wetenschap — objectief te bepalen — dat de rechtspersoon daarvan de dupe zouden kunnen worden. Een zodanige taakvervulling is gelijk te stellen met misbruik van bevoegdheid.

4.11. Naar aanleiding van het vorenstaande acht de kantonrechter de door gedaagde sub B verweten handelingen aan eiser, an sich niet behorende tot onbehoorlijk bestuur. Immers, eiser heeft in zijn verweer gemotiveerd aangegeven waarom hij gekozen heeft om de handelingen vermeld onder r.o 4.7. Eiser zijn verweer tegen hetgeen hem verweten wordt, komt zoals het CLAD samengevat heeft weergeven in haar rapport neer op “handelingen die gepleegd zijn uit zakelijke en commerciële overwegingen”. De kantonrechter overweegt dat gelet op de uitvoerige motivering vervat in het verweerschrift gedateerd 24 december 2015, het op de weg van gedaagde sub B lag om het standpunt van eiser dat het door hem gevoerde beleid niet tot schade heeft geleid, te weerleggen.

4.12. De kantonrechter acht voor de weerlegging van het standpunt van eiser, het intern rapport opgesteld door gedaagde sub B niet voldoende. Het intern rapport is namelijk opgebouwd uit autorisatie-aanvragen, facturen, nota’s, offertes, financiële overzichten, verklaringen van personen werkzaam binnen gedaagde sub B en wisseling van e-mail berichten. Gedaagde sub B had echter middels een vergelijking van de twee perspectieven namelijk de zakelijke en commerciële invalshoek enerzijds en de invalshoek inkoopfunctie anderzijds, duidelijk en inzichtelijk moeten maken waarom er enkel en alleen gekozen moest worden voor de invalshoek van de inkoopfunctie, ter behartiging van de belangen van de rechtspersoon. Ook zou moeten blijken dat eiser ondanks het vorenstaande, eigendunkelijk de zakelijke en commerciële invalshoek heeft gekozen, zodat gedaagde sub B hierdoor benadeeld is geworden. Gedaagde sub B heeft zulks nagelaten, zodat de kantonrechter niet zondermeer kan uitgaan van de juistheid van haar standpunt, dat zij is benadeeld door de handelingen van eiser en diens team. Ook heeft gedaagde sub B nagelaten om een verklaring van een terzake deskundige over te leggen, waaruit het voordeel van de invalshoek van de inkoopfunctie overduidelijk zou moeten blijken.

Misbruik van bevoegdheid door eiser
4.13. De kantonrechter overweegt dat blijkens het CLAD rapport, gedaagde sub B niet beschikt over formele procedurebeschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedingsprocedure en overige procedures, zodat niet vastgesteld kon worden of er sprake is van overschrijding van bevoegdheden. De kantonrechter kan deze stelling volgen, nu uit artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 blijkt dat bekrachtiging van rechtshandelingen vervat in lid 1 van dat artikel, kan plaatsvinden door goedkeuring achteraf van de RvC. Voor het geval dat gedaagde sub B heeft beoogd te stellen dat er wel procedurebeschrijvingen zijn, die niet gevolgd zijn door eiser, hebben zij nagelaten om aan te geven wat deze procedurebeschrijvingen zijn. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter zal uitgaan van de juistheid van voormelde stelling vervat in het CLAD rapport.

De conform artikel 15 lid 7 van de Wet C-38 verleende décharge
4.14. Décharge wordt omschreven als het verlenen van kwijting aan een bestuurder voor het gevoerde beleid. Décharge heeft het ontslag van aansprakelijkheid van de bestuurder voor al zijn handelen tot gevolg. In lijn met de uitspraak van de Hoge Raad, bekend onder HR
20 oktober 1989, NJ 1990, 308, overweegt de kantonrechter dat het rechtsgevolg van de verleende décharge ook geldend is wanneer de bestuurder de onderneming bewust en opzettelijk schade heeft berokkend. Echter brengt het feit dat de vennootschap de bestuurder décharge heeft verleend, niet zondermeer met zich mee dat de bestuurder niet meer intern aansprakelijk is voor de door de vennootschap geleden schade.
Overwogen wordt dat de décharge slechts toeziet op het gevoerde beleid van de bestuurder, zoals blijkt uit de jaarrekening. De décharge is ook geldend ten aanzien van de expliciete door het bestuur gegeven toelichting voor feiten ten tijde van de verleende décharge. De kantonrechter volgt de Hoge Raad ook in zijn overweging dat “décharge zich niet uitstrekt tot hetgeen de aandeelhouders redelijkerwijs konden weten dan wel tot hetgeen waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, bedacht konden zijn”, vervat in de uitspraak bekend onder HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360.

4.15. Als gesteld en niet weersproken staat rechtens vast dat de Minister van TCT, in overeenstemming met artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, décharge heeft verleend aan het bestuur waarin eiser mede leidinggevende was over de jaren 2009-2014. Tijdens de comparitie van partijen heeft de gevolmachtigde van gedaagde sub B verklaard dat er eveneens décharge is verleend over het jaar 2015. Nu hetgeen is bepaald onder r.o. 4.14 is gebaseerd op décharge van het bestuur, overweegt de kantonrechter dat nu de onderdirecteur, deel uitmaakt van het bestuur, de verleende décharge ook betrekking heeft op hem.
Gelet op hetgeen onder r.o. 4.14. staat vermeld, is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van gedaagde sub B lag om te onderbouwen ten aanzien waarvan de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of welke informatie door eiser is verzwegen, teneinde een décharge te verkrijgen. Indien gedaagde sub B heeft bedoeld dat de handelingen onder 2.12 sub a tot en met f en h van dit vonnis vermeld, zijn verzwegen, had hij dit moeten aantonen door aan te geven dat deze handelingen niet zijn meegenomen in de jaarrekening van de desbetreffende jaren. In het door gedaagde sub B overgelegde tussentijds rapport gedateerd 09 november 2015, zijn er acht punten met bijlagen opgenomen, waarvan zes punten zijn vervat in de ontslagvergunning. Uit het tussentijds rapport, valt ook niet concreet af te leiden welke informatie verzwegen zou zijn voor gedaagde sub B.
Gedaagde sub B heeft haar stelling dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie niet kunnen concretiseren, zodat de kantonrechter voorbij zal gaan aan de stelling dat de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of dat eiser enige informatie aan de RvC en de Minister heeft verzwegen in door hem opgemaakte jaarrekeningen.
De gewezen directeur van gedaagde sub B heeft voorts ter comparitie verklaard dat het bestuur onder zijn beleid, waaronder eiser, altijd een presentatie gaf over nieuwe projecten, teneinde een autorisatie van de RvC te krijgen. Deze stelling is door een raadslid in de RvC bekrachtigd. Voormeld lid heeft namelijk verklaard dat er veel presentaties door de directie werden gegeven om goedkeuring te krijgen en dat er vaak achteraf goedkeuring werd verleend door de RvC.
Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter ervan uitgaan dat er over de jaren 2009-2015, door de minister van TCT, décharge is verleend aan het bestuur mede onder leiding van eiser, zonder dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie door eiser.

De gestelde benadeling van gedaagde sub B
4.16. De kantonrechter overweegt dat uit het jaarverslag van het jaar 2015, waarin eiser mede leiding gaf aan het bestuur, blijkt dat gedaagde sub B winsten heeft geboekt. Deze vaststelling wordt eveneens door de vertegenwoordiger van gedaagde sub B ter comparitie erkend. De stelling van de gemachtigde dat, indien de jaarrekening in 2015 positief is, dit niet zondermeer met zich meebrengt dat gedaagde sub B geen schade heeft geleden, kan niet worden gevolgd. Immers, gedaagde sub B heeft nagelaten om de gestelde schade te concretiseren. Zoals reeds door de kantonrechter is overwogen onder r.o. 4.12, heeft gedaagde sub B niet middels een door de accountant vastgestelde berekening en verklaring, aangegeven wat de jaarrekening zou moeten zijn met het door gedaagde sub B wenselijk geachte beleid. Het feit dat uit de door de accountant opgestelde report on the financial statements van gedaagde sub B, blijkt dat er in 2016, het jaar van het bestuur zonder leiding door eiser, verliezen zijn geleden in vergelijking met de jaren 2012 tot en met 2015 van het bestuur onder leiding van eiser, draagt bij tot de conclusie dat gedaagde sub B geen als zodanige schade heeft geleden onder het mede bestuur van eiser. Zelfs als er rekening wordt gehouden met de inflatie, overweegt de kantonrechter dat uit de toelichting van de accountant blijkt dat: de omzet van de aangeboden diensten is verminderd en een toename van verkoop-en afzetkosten. Voorts is gebleken van een vermindering in de kosten. Een vermindering in de financiële inkomsten is toegeschreven aan de devaluatie van het courant SRD.

4.17. Ten aanzien van de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, overweegt de kantonrechter het navolgende. De management letters zijn richtlijnen aan het bestuur om een gerichte gang van zaken binnen de vennootschap te bewerkstelligen. De mate van prioriteit terzake de posten kan invloed uitoefenen op de resultaten van de jaarrekeningen.
De kantonrechter acht voornamelijk de beoordeling van de “financial reporting & analyses” door de accountant essentieel om een conclusie te trekken over het door eiser mede gevoerde beleid. Uit de management letter 2014 en het concept management letter 2015 blijkt het volgende.
• De periodieke analyses en aansluitingen werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld.
• De verbandlegging internationaal verkeer werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• De bewaking begroting werden in beide jaren met een high prioriteit beoordeeld.
• De cashmanagement werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• Verbanden standen registers werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld

In het concept management letter 2015 zijn de navolgende posten bijgekomen.
– Inkomstenbelasting en afwikkeling carriers die respectievelijk met een medium en high prioriteit werden beoordeeld.
Uit het vorenstaande valt te concluderen dat het beleid van het bestuur, waarin eiser mede leidinggevende was, op een aantal punten matig was en kon worden verscherpt en dat de mate van dringendheid op twee posten hoog waren.

4.18. De kantonrechter overweegt dat terzake een oordeel over benadeling van gedaagde sub B door het mede gevoerde beleid van eiser, zij voornamelijk de post periodieke analyses en aansluitingen noodzakelijk acht bij de beoordeling. Uit de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, blijkt dat periodieke analyses en aansluitingen inhoudt dat er onvoldoende afstemmingen en analyses plaatsvinden ten aanzien van de financiële rekeningen. De afstemmingen en analyses worden veelal aan het eind van het boekjaar uitgevoerd, waardoor eventuele verschillen of onduidelijkheden niet tijdig worden ontdekt en verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het uitzoekwerk veelal tijdrovend is. Het risico dat daaraan wordt verbonden is dat tussentijdse, interne cijfers onjuistheden vertonen.
Het vorenstaande werd als matig beoordeeld door de accountant, hetgeen aangeeft dat eiser als mede verantwoordelijke wel aandacht aan deze post moest schenken, doch behoorde het niet tot de allerhoogste prioriteit.

4.19. Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat gelet op hetgeen is vastgesteld in het CLAD rapport vermeld onder 2.20 sub c van dit vonnis, gedaagde sub B kan zijn benadeeld door het mede gevoerde beleid van eiser. De stelling van eiser dat het afgeschreven generatoren betrof die zouden worden afgestoten en dat hij met zijn eigen financiële middelen de generatoren in werkende staat heeft gebracht, strookt niet met hetgeen is vastgesteld in het CLAD rapport. De kantonrechter is echter van oordeel dat de ernst van de benadeling niet van dien aard is, dat zulks een besluit tot ontslag van eiser rechtvaardigt.

De bevoegdheden van de RvC
4.20. De kantonrechter overweegt dat voor het deugdelijk functioneren van een vennootschap, een wisselwerking met de nodige checks and balances vereist is tussen de drie organen, namelijk de aandeelhouders, de RvC en het bestuur. Deze wisselwerking is eveneens in de Wet C-38 uitgedrukt, doch blijkt dat de naleving hiervan is uitgebleven indien de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van gedaagde sub B, dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer.

4.21. Op grond van artikel 9 lid 2 van de Wet C-38, dient de RvC het directie-reglement, op basis waarvan de directie de verdeling van hun taken en hun werkwijze regelt, goed te keuren. Ingevolge artikel 12 lid 1 van de Wet C-38, is de RvC belast met toezicht op het bestuur en beheer van de directeur. Lid 4 van voormelde artikel geeft de RvC het recht tot inzage van de boeken en bescheiden van het bedrijf en het opnemen van de kas. En op grond van lid 5 kan de RvC zich voor rekening van het bedrijf doen bijstaan door één of meer door hem aan te wijzen deskundigen. Blijkens artikel 15 dient de RvC de balans en de winst- en verliesrekening met de toelichting te onderzoeken en moet zich daarbij doen bijstaan door een register-accountant. De raad dient hieromtrent een pre-advies aan de Minister uit te brengen.

4.22. Overwogen wordt dat op grond van het vorenstaande, het de taak van de RvC is om er op toe te zien dat het bestuur de noodzakelijke informatie verstrekte en verantwoording aflegde terzake hun beleid, waaronder de gedane inkopen, de gesloten overeenkomsten, de uitvoeringen van projecten en dat de boekhoudplicht nagekomen werd. De RvC had zich door het bestuur over het vorenstaande moeten laten inlichten en zich door een deskundige hieromtrent laten adviseren en had zo nodig moeten ingrijpen. Met een actieve houding van de RvC, waren de gestelde misstanden eerder ontdekt en kon hierop, in het belang van de vennootschap, met een adequate maatregel ingegrepen worden.

4.23. De kantonrechter overweegt voorts– in afwijking op wat gedaagde sub B heeft aangevoerd – dat het achteraf toetsen van het bestuur onvoldoende is om te kunnen concluderen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer in strijd met de Wet
C-38. De gestelde misstanden onder het medebeleid van eiser, dienen niet uitsluitend voor rekening van eiser te komen. De RvC diende, gelet op hun bevoegdheden vermeld onder artikel 12 van de Wet C-38, zich eveneens op een behoorlijke wijze van haar controlerende en toezichthoudende taak te hebben gekweten. De RvC had zich kortom actiever moeten opstellen.

4.24. De kantonrechter kan de stelling van het raadslid van de RvC ter comparitie, dat de link tussen de specifieke autorisatie en de jaarrekening niet te controleren valt door de RvC en dat de RvC niet heeft gefaald, niet volgen. Hetzelfde raadslid heeft namelijk, direct na voormelde verklaring, op de vraag: op grond waarvan er is vastgesteld dat autorisaties achteraf werden ingediend, aangegeven dat zulks aan het licht is gekomen doordat er stukken van de afgelopen drie jaren zijn opgevraagd en bestudeerd. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het antwoord van het raadslid, duidelijk valt te concluderen dat er wel degelijk controle kon worden uitgeoefend door de RvC ten aanzien van het door het bestuur gevoerde beleid en de gepresenteerde jaarrekeningen. Ook valt niet in te zien waarom de Minister van TCT décharge over het jaar 2015 zou verlenen, wanneer er gesteld wordt dat de overschrijding van de autorisatie ten aanzien van de Future Proof organisatie in het jaar 2015 is geconstateerd. De handelingen van de RvC en de Minister van TCT stroken niet met de verwijten die ze aan eiser maken.

4.25. De kantonrechter overweegt dat het feit dat er aan eiser décharge is verleend met betrekking tot zijn mede gevoerd beleid gedurende de jaren 2009- 2015, tot de conclusie leidt dat er binnen gedaagde sub B sprake is van een tolerante dan wel passieve houding zijdens de RvC. De verklaringen ter comparitie van het raadslid in de RvC, onder andere dat de RvC geen invloed had op de autorisatie en dat eiser heeft aangegeven dat de president-commissaris zijn goedkeuring moest geven en niet de leden van de RvC, dragen bij tot voormeld oordeel. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het bestuur mede onder leiding van eiser, gedurende 2009 tot en met het aantreden van de nieuwe RvC, ooit is verweten van het voeren van onbehoorlijk bestuur.
Voor de kantonrechter is het dan ook niet vreemd dat deze houding van de RvC, heeft geleid tot een bestuur met een grote mate van beleidsvrijheid.

4.26. Tegen de achtergrond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om uitsluitend eiser, verantwoordelijk te houden voor de gestelde misstanden en daarbij ook nog, zonder voorafgaande waarschuwing of kans tot herstel van de gemaakte fouten, de ingrijpende maatregel van ontslag te koppelen. De kantonrechter overweegt dat gelet op de feiten en omstandigheden, gedaagde sub B het ontslag als ultimum remedium had moeten gebruiken. Naar het oordeel van de kantonrechter hadden gedaagden tenminste op het CLAD-rapport, zijnde een onafhankelijk en objectief onderzoek, moeten wachten, nu is komen vast te staan dat [waarnemend manager corporate audit] de specifieke opdracht had gehad om de handelingen van eiser en nog 4 bij name genoemde stafleden van gedaagde sub B te onderzoeken. De nieuwe RvC heeft niet of nauwelijks overleg gehad met eiser, nog minder hem de gelegenheid geboden om alle gevraagde informatie binnen een redelijke termijn te verzamelen. Ook heeft er geen goede belangen overweging plaatsgehad, gelet op het aantal dienstjaren van eiser bij gedaagde sub B.

4.27. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet valt in te zien, waarom de personen die zijn gehoord bij het opstellen van het intern rapport en de RvC leden, die het kennelijk oneens waren met het beleid van het bestuur, de door hen geconstateerde misstanden dan wel wanbeleid, niet eerder ter kennis hebben gebracht van de RvC dan wel de Minister van TCT, de organen die conform de Wet C-38 bevoegd waren om tegen het wanbeleid op te treden.

De conclusie
4.28. Nu niet rechtens vaststaat dat eiser:
• zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur;
• gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid,
mede gelet op:
• de passieve houdingen van de RvC en de Staat die een grote mate van beleidsvrijheid zijdens eiser bewerkstelligden,
• de duur van de dienstbetrekking van eiser;
• en de voor eiser getroffen voorzieningen, het na het ontslag ontvangen van zes maanden loon, is de kantonrechter van oordeel dat ingevolge artikel 1615s lid 2 sub b BW, het ontslag van eiser kennelijk onredelijk is.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.29. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde of het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub B niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub B vanaf de schorsing van eiser tot aan het onderhavig proces, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub B reeds heeft voorzien in de vacature van de onderdirecteur. Dit deel van de vordering, sub D van het petitum, zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.30. Voorop dient te worden gesteld dat eiser de door hem gevorderde schadevergoeding duidelijk heeft onderbouwd en wel als navolgt. Gelet op zijn functie en aantal dienstjaren, heeft hij een schadevergoeding van drie maanden brutoloon per dienstjaar gevorderd. Hij heeft voorts gesteld dat bij de hantering van de drie maanden ook rekening is gehouden met de aan het salaris toegekende emolumenten, die eveneens verloren zijn gegaan. Uit de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst, blijkt dat zijn laatst toegekende brutoloon met emolumenten SRD 20.000,- bedraagt. Eiser zijn berekening luidt als volgt: 60 maanden X SRD 20.000,- = SRD 1.200.000,-.
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst, de blote betwisting van gedaagde sub B betreffende het loon van eiser niet opgaat.

4.31. Uit hoofde van artikel 1615s BW is de kantonrechter bevoegd om de gevorderde vergoeding te matigen als deze haar gelet op de omstandigheden onbillijk voorkomt. Uit de keuzemogelijkheid die artikelen 1615s en1615t BW de werknemer bieden, volgt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding op grond van artikel 1615s BW, mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als gedaagde sub B niet tot ontslag van eiser zou zijn overgegaan. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. De kantonrechter zal evenwel ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 20 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad
SRD 20.000,-.

4.32. Vanwege de verzwaarde motiveringsplicht van de werkgever, is de kantonrechter ervan uitgegaan dat niet rechtens vaststaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur of gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid. De kantonrechter overweegt echter dat op grond van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de vaststelling van het kennelijk onredelijk ontslag, niet uitgesloten kan worden dat eiser enige mate van nalatigheid kan worden verweten. Immers kan van een goede bestuurder worden verwacht dat hij steeds in overleg is met de RvC over de besluiten die de vennootschap raken. Voorts diende erop worden toegezien dat er checks en balances in place waren voor adequate monitoring teneinde misstanden te voorkomen. De passieve houding van de RvC hoeft in beginsel niet te leiden tot een beleidsvrijheid zonder beperkingen. De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat factor C vastgesteld kan worden op 0,75.

4.33. De schadevergoeding komt aldus op 20x2xSRD 20.000,-x0.75= SRD 600.000,-

4.34. Gedaagde sub B zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren, dan wel de vernietiging van de beschikking, althans het besluit van de Minister van Arbeid tot het verlenen van de ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer].

5.2. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren, dan wel de vernietiging van het besluit van de Minister van TCT, althans gedaagde sub B tot het verlenen van ontslag aan eiser, vervat in de brief van 30 december 2015.

5.3. Veroordeelt gedaagde sub B om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van SRD 600.000,- (zeshonderdduizend Surinaamse dollar), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf 29 juni 2016 tot aan de algehele voldoening.

5.4. Verklaart hetgeen is beslist onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. Veroordeelt gedaagde sub B in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 230,- (tweehonderd dertig Surinaamse dollar).

5.6. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
hierna te noemen [verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde voorheen: mr. L.C.A. Latour, advocaat,
thans: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Justitie en Politie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
hierna te noemen de Staat,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.A.J. Hupsel, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaten.

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen en uitgesproken op 2 november 2012.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het tussenvonnis d.d. 2 november 2012, waarbij [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting;
  • ten dage voor enquête zijdens [verzoeker] bepaald heeft deze geen voortgang gevonden en is vervolgens voor gesloten verklaard;
  • de conclusie na niet gehouden enquête met productie zijdens [verzoeker];
  • de conclusie na niet gehouden enquête zijdens de Staat.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof neemt over en volhardt in al hetgeen in het tussenvonnis d.d. 2 november 2012 is overwogen en beslist.

2.2 Bij tussenvonnis d.d. 2 november 2012, is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting.

2.3 [verzoeker] heeft geen getuigen doen horen als gevolg waarvan de enquête voor gesloten is verklaard.

2.4 [verzoeker] heeft bij nadere conclusie een door notaris R.B. Manna gelegaliseerde schriftelijke getuigenverklaring, getekend door [getuige 1], doen overleggen. Deze [getuige 1] is blijkens verklaringen aangetroffen in het procesdossier, door twee collegae Penitentiaire Ambtenaren, namelijk [getuige 2] en [getuige 3] genoemd als een van de personen die ook op het feestje was van [verzoeker] op 17 februari 2009 en die zich eveneens tegoed heeft gedaan aan alcoholhoudende drank in de inrichting. [verzoeker] heeft zelfs verklaard dat hij op aandringen van [getuige 4] een borrel heeft gepakt.

2.5 De Staat heeft haar verweer onderbouwd met uitgebreide verklaringen zoals die te lezen zijn in het overgelegde informatierapport van 23 februari 2009 en waarin is verklaard dat op 17 februari 2009, alcoholhoudende drank is genuttigd in de inrichting tijdens kantooruren in verband met een verjaardagsfeestje van [verzoeker] en voorts dat laatstgenoemde tezamen met verschillende met name genoemde collega’s zich hieraan hebben tegoed gedaan.

2.6 [verzoeker] heeft nagelaten om hierop gemotiveerd te reageren. De summiere schriftelijke verklaring van [getuige 1] waarvan de betrouwbaarheid notabene door de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3], en [verzoeker] zelf in twijfel wordt getrokken, kan daarom in de visie van het Hof niet als toereikend worden aangemerkt. [verzoeker] is derhalve niet geslaagd in het door hem te leveren bewijs zoals overwogen in het tussenvonnis en wordt het in deze procedure ervoor gehouden dat hij in groepsverband alcohol heeft genuttigd binnen de inrichting tijdens kantooruren. Dit levert naar het oordeel van het Hof plichtsverzuim op. Hiermee is de grondslag van de vordering op de helling komen te staan en dient het door [verzoeker] gevorderde te worden afgewezen.

3. De beslissing

Het Hof:

3.1 Wijst de vorderingen van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fugerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. L.H.R. Rogers, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. R.A.J. Hupsel, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. [verzoekster], advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
ge(vol)machtigden: kapitein mr. J.J. de Bies, beleidsmedewerker op het ministerie van Defensie en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat, en mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 20 mei 2010;
  • het verweerschrift ingediend op 25 augustus 2010;
  • de beschikking van het hof van 07 december 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 februari 2011;
  • de conclusie tot uitlating schikking zijdens [verzoekster] d.d. 20 mei 2011, met een productie;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 05 augustus 2011, waaruit blijkt dat mr. van der San zich namens de Staat mondeling heeft uitgelaten, daarbij aanvoerende dat er een termijn was gegeven om een schikking te treffen en dat de zaak bij de Raad van Ministers ligt;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoekster] d.d. 21 oktober 2011;
  • de conclusie tot beraad intrekking zijdens [verzoekster] d.d. 16 maart 2012, met een productie;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 18 mei 2012, waaruit blijkt dat mr. van der San namens de Staat mondeling heeft gepersisteerd (lees kennelijk: bij zijn mondelinge uitlating van 05 augustus 2011);
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoekster] d.d. 15 juni 2012;
  • de conclusie tot uitlating schikking zijdens de Staat d.d. 19 oktober 2012, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoekster] d.d. 02 november 2012;
  • de pleitnota zijdens [verzoekster] d.d. 07 december 2012, met een productie;
  • de pleitnotitie d.d. 15 februari 2013 zijdens de Staat;
  • de conclusie tot uitlating over de pleitnotitie d.d. 15 maart 2013 zijdens [verzoekster], met een productie;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 05 april 2013, waaruit blijkt dat zowel de Staat als [verzoekster] mondeling heeft gepersisteerd en vonnis heeft gevraagd.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoekster] is in vaste dienst van het ministerie van Defensie in de rang van kapitein en tewerkgesteld op het Centraal Kantoor.

2.2 Bij schrijven van 30 juni 2004 heeft de directeur van Defensie aan de staf en afdelingshoofden van dit ministerie, onder meer, bekendgemaakt dat te rekenen van 01 juli 2004 van kracht is de mutatie van [verzoekster], chef Begrotingszaken, naar de functie van hoofd Financieel-Comptabele Afdeling van het ministerie van Defensie. Laatstgenoemde functie, thans de functie van hoofd Begrotings- en Financiële Zaken, is gewaardeerd in de functiegroep 11, gelijk aan de rang van majoor.

2.3 [verzoekster] heeft zich bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 31 augustus 2009 gericht tot de President van de Republiek Suriname (hierna: de President). In dit schrijven is onder meer het volgende opgenomen:

“Bij bekendmaking van de Directeur van het Ministerie van Defensie d.d. 30 juni 2004 is kapitein [verzoekster], te rekenen van 01 juli 2009, belast met de waarneming van de funktie van Hoofd Financiele- en Comptabele zaken thans geheten Begrotings- en Financiele zaken (BvFZ). (…)
Deze funktie is thans gewaardeerd in de funktiegroep 11, gelijk aan de rang van majoor.
Mijn cliente [verzoekster] neemt langer dan 1 jaar waar in de genoemde funktie en dient volgens de Personeelswet c.q. de Militaire Rechtspositie regeling (…) bevorderd te worden tot majoor belast met de funktie van Hoofd van de Afdeling Begrotings- en Financiele zaken.
Onlangs heeft mijn cliente de vertraging in de (…) bevordering onder de aandacht van de minister gebracht, waarop tot nu toe geen reaktie is ontvangen (…).
Aangezien de President het bevoegde gezag is ten aanzien van kapitein [verzoekster] en niet de Minister, wordt e.e.a. onder uw aandacht gebracht, met het verzoek te willen bevorderen, dat kapitein [verzoekster] (…) te rekenen vanaf 1 juli 2005 bevorderd wordt tot majoor.”

2.4 Ofschoon de President bij schrijven d.d. 14 september 2009 [verzoekster] heeft bericht dat hij het schrijven d.d. 31 augustus 2009 heeft ontvangen en dat het verzoek van [verzoekster] in behandeling is genomen, is enig bericht ter zake tot de dag van vandaag uitgebleven.

2.5 Bij schrijven d.d. 17 mei 2011, [kenmerk], is namens de directeur van Defensie in reactie op een schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] d.d. 21 maart 2011, aan vorenbedoelde procesgemachtigde onder meer het volgende meegedeeld:

“In reactie op uw schrijven betreffende bevordering van Kapitein [verzoekster] naar Majoor kan ik u het volgende doorgeven:

  • Kapitein [verzoekster] is voorgedragen bij de RvM trv 1 januari 2008 bevorderd te worden tot de rang van Majoor.

  • Trv 3 mei 2011 is Kapitein [verzoekster] voorgedragen voor waarneming in de functie van Onderdirecteur Materieel Logistiek en Financiën.

Hopende dat uw cliënt zich terug kan vinden in de voorgestelde schikking.”

2.6 De directeur van Defensie heeft bij schrijven d.d. 18 oktober 2012, [ref. no.], onder meer het volgende aan de procesgemachtigde van de Staat, mr. van der San, meegedeeld:

“Te rekenen van 01 juli 2004 werd kapitein [verzoekster] aangesteld in de functie van hoofd Financieel Comptabele Afdeling (thans geheten hoofd Begroting en Financiele Zaken) van het Ministerie van Defensie. Het beleid was erop gericht om de kapitein voornoemd op basis van de bekendmaking van 30 juni 2004, na een inwerkperiode van 1 jaar en een positieve beoordeling, voor te dragen voor bevordering tot majoor. Dit voornemen is echter niet gerealiseerd wat geresulteerd heeft in een rechtszaak. Met de bedoeling het bestaande conflict op te lossen, heeft het Ministerie van Defensie op 07 mei 2011 een raadsvoorstel ingediend, gewijzigd exemplaar d.d. 20 juli 2011, voor bevordering van kapitein [verzoekster] tot majoor, te rekenen van 01 januari 2008. Hierbij is met betrokkene een schikking getroffen om de rechtszaak in te trekken en zij te rekenen van 01 januari 2008 voor bevordering wordt voorgedragen instede van 01 juli 2005.

Genoemde kapitein heeft zich bereid verklaard de vordering tegen de Staat Suriname in te trekken, na ontvangst van de missive inzake haar bevordering tot majoor, te rekenen van 01 januari 2008, instede van 01 juli 2005.
Bij de behandeling van het genoemde raadsvoorstel in de Onderraad voor Personele Aangelegenheden heeft de voorzitter van deze raad besloten om het rechterlijk vonnis in deze zaak af te wachten.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert, na vermindering van eis, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om haar te rekenen van 01 januari 2008 te bevorderen in de rang van majoor bij het Nationaal Leger, onder toekenning van een salaris van SRD 1.636,- per maand met de daaraan verbonden periodieke verhogingen en emolumenten, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Bij het onder 2.2 genoemd schrijven van de directeur van Defensie is [verzoekster] te rekenen van 01 juli 2004 belast met de waarneming van de functie van hoofd Financiële en Comptabele Zaken, thans geheten Begrotings- en Financiële Zaken. Deze functie is gewaardeerd in de functiegroep 11, gelijk aan de rang van majoor. [verzoekster] neemt reeds langer dan 1 jaar waar in deze functie. Zij komt volgens de ter zake geldende wettelijke regeling dan ook in aanmerking voor een waarnemingstoelage te rekenen van 01 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 en bevordering tot majoor bij het Nationaal Leger belast met de functie van hoofd Begrotings- en Financiële Zaken te rekenen van 01 juli 2005.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoekster], inhoudende dat [verzoekster] zal worden bevorderd tot majoor te rekenen van 01 januari 2008. Naar het hof begrijpt zijn partijen overeengekomen dat [verzoekster] na ontvangst van de resolutie waarin haar bevordering in voormelde zin is vervat, de zaak zou intrekken.

4.1.2 [verzoekster] is akkoord gegaan met het voorstel van de Staat om haar te bevorderen tot majoor te rekenen van 01 januari 2008 in stede van 01 juli 2005. [verzoekster] heeft bij pleitnota gesteld dat de Staat inmiddels de waarnemingstoelage aan haar heeft uitgekeerd en dat zij dientengevolge het daartoe strekkende deel van haar vordering intrekt.

4.1.3 De op grond van het voorgaande verminderde eis van [verzoekster] is weergegeven onder 3.1. [verzoekster] heeft uitdrukkelijk gehandhaafd de veroordeling van de Staat om haar te bevorderen tot majoor onder toekenning van het daarbij behorend salaris, op straffe van een dwangsom, naar zeggen van [verzoekster], omdat de Staat dit zelf heeft voorgesteld. Naar het hof begrijpt doelt [verzoekster] hiermee op de passage “Bij de behandeling van het genoemde raadsvoorstel in de Onderraad voor Personele Aangelegenheden heeft de voorzitter van deze raad besloten om het rechterlijk vonnis in deze zaak af te wachten”, zoals opgenomen in het door de Staat, als productie bij zijn conclusie tot uitlating schikking d.d. 19 oktober 2012, overgelegd schrijven van de directeur van Defensie d.d. 18 oktober 2012, [ref. no.] (zie 2.6).

4.1.4 Het hof constateert dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de bevordering van [verzoekster] tot majoor te rekenen van 01 januari 2008. Hiermee zou de Staat voldoen aan het door [verzoekster] gevorderde. Gesteld noch gebleken is dat de Staat van het overeengekomene is teruggekomen. Blijkens de passage vermeld onder 4.1.3 wacht de Staat echter het vonnis van het hof in deze zaak af. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de Staat zich naar het oordeel van het hof niet (langer) verzet tegen de vordering van [verzoekster], zal deze worden toegewezen.

4.2 Het hof acht termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te mitigeren en maximeren zoals in het dictum te melden.

4.3 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.4 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Veroordeelt de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis [verzoekster] te bevorderen tot de rang van majoor bij het Nationaal Leger te rekenen van 01 januari 2008, onder toekenning van een salaris van SRD 1.636,- (eenduizend zeshonderdenzesendertig Surinaamse dollar) per maand, met de daaraan verbonden periodieke verhogingen en emolumenten.

5.2 Veroordeelt de Staat om ten titel van dwangsom aan [verzoekster] te betalen de som van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de onder 5.1 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. J.J. de Bies, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker],
gemachtigde: mr. S. Dulam, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 10 februari 2012;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 07 mei 2012;
  • de beschikking van het hof van 04 juli 2012 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 augustus 2012, welk verhoor is verplaatst naar 20 juli 2012;
  • het proces-verbaal van het op 20 juli 2012 gehouden verhoor van partijen;
  • de producties overgelegd door de Staat op 15 oktober 2012;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 02 november 2012;
  • de pleitnota d.d. 07 december 2012, met producties;
  • de antwoordpleitnota met producties overgelegd op 01 februari 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 01 maart 2013, met producties;
  • de dupliekpleitnota d.d. 05 april 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is als hoofdbeveiligingsambtenaar 2e klasse in vaste dienst geweest bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname (hierna: BBS) van het Ministerie van Justitie en Politie.

2.2 [verzoeker] is op 12 januari 2010 betrokken geraakt bij een aanrijding, waarbij hij een linker bovenbeen- en een halswervelfractuur heeft opgelopen.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 11 januari 2012, Bureau [no. 1], BBS [no.2] (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst verleend. Daartoe is overwogen:

dat uit de overgelegde stukken is gebleken, dat (…) [verzoeker] (…) zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige plichtsverzuim in de zin van de Personeelswet doordat hij zonder toestemming van het bevoegd gezag en/of bericht van verhindering onwettig van de navolgende diensten is weggebleven, te weten: de ochtenddiensten van vrijdag 01 april 2011, maandag 04 april 2011, donderdag 07 april 2011, vrijdag 08 april 2011, dinsdag 12 april 2011, woensdag 13 april 2011, donderdag 14 april 2011, vrijdag 15 april 2011, dinsdag 19 april 2011, donderdag 21 april 2011, dinsdag 26 april 2011, woensdag 27 april 2011, donderdag 28 april 2011, vrijdag 29 april 2011, woensdag 04 mei 2011, dinsdag 10 mei 2011, vrijdag 13 mei 2011, woensdag 18 mei 2011, woensdag 25 mei 2011, donderdag 26 mei 2011, vrijdag 27 mei 2011, woensdag 01 juni 2011, donderdag 02 juni 2011, vrijdag 03 juni 2011, maandag 06 juni 2011, dinsdag 07 juni 2011, vrijdag 10 juni 2011, vrijdag 17 juni 2011, donderdag 23 juni 2011, vrijdag 24 juni 2011, woensdag 06 juli 2011, donderdag 07 juli 2011, vrijdag 08 juli 2011, vrijdag 15 juli 2011, donderdag 21 juli 2011, vrijdag 29 juli 2011, maandag 01 augustus 2011, donderdag 04 augustus 2011, vrijdag 12 augustus 2011, donderdag 25 augustus 2011, donderdag 01 september 2011, vrijdag 02 september 2011, woensdag 07 september 2011, donderdag 15 september 2011, vrijdag 16 september 2011, vrijdag 23 september 2011, maandag 26 september 2011, vrijdag 30 september 2011, dinsdag 04 oktober 2011, woensdag 05 oktober 2011, donderdag 06 oktober 2011, vrijdag 07 oktober 2011, dinsdag 18 oktober 2011, vrijdag 21 oktober 2011, dinsdag 25 oktober 2011, donderdag 27 oktober 2011, vrijdag 28 oktober 2011, woensdag 02 november 2011, vrijdag 04 november 2011, woensdag 09 november 2011, maandag 14 november 2011, dinsdag 15 november 2011, donderdag 17 november 2011, vrijdag 18 november 2011, maandag 21 november 2011, dinsdag 22 november 2011, woensdag 23 november 2011, donderdag 24 november 2011, maandag 28 november 2011, dinsdag 29 november 2011, donderdag 01 december 2011, maandag 05 december 2011, dinsdag 06 december 2011, woensdag 07 december 2011, donderdag 08 december 2011, vrijdag 09 december 2011, dinsdag 13 december 2011, vrijdag 16 december 2011, maandag 19 december 2011, dinsdag 20 december 2011, dinsdag 27 december 2011 alsmede woensdag 28 december 2011;

dat deze handelingen niet in een gedisciplineerde Dienst getolereerd kunnen worden en als plichtsverzuim worden aangemerkt;

dat betrokkene middels herhaaldelijke schriftelijke oproepingen daartoe in de gelegenheid is gesteld zich terzake te verweren op de reguliere gehouden strafrapporten, doch liet hij zondermeer verstek gaan, waardoor aan de bepaalde hoorplicht is voldaan;

dat gelet op de ernst van deze aangelegenheid, het nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.”

2.4 De ontslagbeschikking is op 23 januari 2012 aan [verzoeker] uitgereikt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit nietig zal worden verklaard en voorts de Staat zal worden gelast die handelingen te verrichten, opdat aan [verzoeker] tegen behoorlijke kwijting wordt uitbetaald zijn salaris verhoogd met de hem toekomende emolumenten, na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet met het aan hem verleend ontslag verenigen, omdat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. [verzoeker] was op alle in de ontslagbeschikking genoemde dagen, waarop hij volgens de Staat onwettig van zijn dienst is weggebleven, wegens ziekte verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten. Dit blijkt uit de door hem overgelegde attesten van de huisarts. Deze attesten zijn steeds tijdig ingeleverd bij de wachtdienst van de BBS aan de Henck Arronstraat no. 8. [verzoeker] is weliswaar twee keren per brief opgeroepen om zich te verweren op de strafrapporten, maar hij kon vanwege zijn ziekte niet aanwezig zijn op de betreffende dagen. [verzoeker] is na zijn ziekte wel geweest om zich te verweren op de strafrapporten, maar hij heeft van de Staat daartoe geen gelegenheid gekregen. De Staat heeft hierdoor artikel 63 lid 2 van de Personeelswet (Pw) niet in acht genomen en derhalve het hoorbeginsel geschonden. De Staat heeft ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Staat heeft [verzoeker] ontslagen zonder rekening ermee te houden dat [verzoeker] nog 85 verlofdagen tegoed heeft. Om voormelde redenen kan het ontslagbesluit niet in stand blijven en dient het te worden vernietigd.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Blijkens artikel 8 lid 1 van het Besluit Instructie Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname geschieden de aanstelling, bevordering, schorsing en het ontslag van de beveiligings-ambtenaren overeenkomstig de regels van de Personeelswet. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], gewezen beveiligingsambtenaar, tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatdienst is verleend.

4.1.2 Het hof is op grond van artikel 79 lid 5 Pw niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. Naar het hof begrijpt vordert [verzoeker] tevens betaling van achterstallig salaris. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zodanig uit te leggen dat [verzoeker] niet betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2.1 Uit artikel 80 lid 1 sub b Pw blijkt dat vorderingen tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 23 januari 2012 ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 10 februari 2012 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is hij ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit tot zijn ontslag uit Staatsdienst.

4.2.2 Op grond van artikel 28 lid 1, laatste volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 79 lid 1 sub b juncto artikel 80 lid 2 sub c Pw is de vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het salaris had moeten worden betaald, aldus meer dan drie maanden na de laatste dag van de maand waarin geen salaris is betaald. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken gesteld dat hij vanaf februari 2012 geen salaris meer heeft ontvangen, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Nu het verzoekschrift op 10 februari 2012 is ingediend, is [verzoeker] ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

4.3 [verzoeker] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven en wel om de volgende redenen. Er is er geen grond voor zijn ontslag, nu hij de attesten over alle in de ontslagbeschikking genoemde ziektedagen tijdig heeft ingediend en derhalve van onwettige afwezigheid geen sprake is. Voorts heeft de Staat bij het nemen van het ontslagbesluit het hoorbeginsel geschonden, aangezien hij niet de gelegenheid heeft gehad zich te verweren. De Staat heeft ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het hof zal als eerst overgaan tot bespreking van het beroep van [verzoeker] op schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Strijd met het beginsel van hoor en wederhoor

4.4.1 De Staat heeft betwist dat van schending van het beginsel van hoor en wederhoor sprake is. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] heeft erkend dat hij tot tweemaal toe schriftelijk is opgeroepen om zich te verweren op de strafrapporten en dat niet is gebleken dat [verzoeker] op welke wijze dan ook getracht heeft gebruik te maken van zijn recht op wederhoor. De Staat stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] zich niet in persoon hoefde te verweren, maar dat hij dit ook schriftelijk kon doen. De gevolmachtigde van de Staat, R. Ommel (hierna: Ommel), heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] is opgeroepen om inzage te nemen in de tegen hem opgemaakte rapporten ter zake van zijn niet-verschijnen op het werk, maar dat hij geen gehoor heeft gegeven aan deze oproepen. Ommel heeft tevens verklaard dat vervolgens een verweeraanzegging aan [verzoeker] is overhandigd. De Staat heeft bij antwoordpleitnota aangevoerd dat [verzoeker] drie keren is opgeroepen om zich te verweren, maar dat [verzoeker] geen enkele keer is verschenen en dat [verzoeker] tevens schriftelijk is aangemaand om zich uit te laten ter zake van het onwettig verzuim. Volgens de Staat is het beginsel van hoor en wederhoor wel in acht genomen.

4.4.2 Het beroep van [verzoeker] op schending van het beginsel van hoor en wederhoor slaagt. De Staat heeft niet weersproken de stelling van [verzoeker] dat hij wegens ziekte niet is verschenen op de dagen waarop hij is opgeroepen om inzage te nemen in de tegen hem opgemaakte strafrapporten. De Staat heeft ook niet weersproken dat [verzoeker] zich na zijn ziekte bij hem, de Staat, heeft gemeld om de strafrapporten alsnog in te zien en dat [verzoeker] de gelegenheid daartoe niet is geboden. De Staat heeft evenmin weersproken dat Ommel [verzoeker] wederom zou oproepen om inzage te nemen in de strafrapporten, maar dat deze oproep zijdens Ommel is uitgebleven, zoals door [verzoeker] bij repliekpleitnota is gesteld.

Naar het oordeel van het hof had de Staat [verzoeker], die wegens ziekte niet op eerdere oproepen was verschenen, alsnog in de gelegenheid moeten stellen om inzage te nemen in de tegen hem opgemaakte strafrapporten. Door [verzoeker] deze gelegenheid niet te bieden, heeft de Staat [verzoeker] een gelegenheid ontnomen om verweer te voeren ter zake van hetgeen hem werd verweten. Hieraan doet niet af dat door de Staat is aangevoerd dat [verzoeker] tijdens zijn ziekte niet in persoon hoefde te verschijnen, maar zich wel schriftelijk kon verweren. Dit laatste kan van iemand die wegens ziekte niet in staat was om in persoon te verschijnen, naar het oordeel van het hof, immers niet in redelijkheid worden verwacht.

4.4.3 De Staat heeft verder aangevoerd dat [verzoeker] vervolgens een schriftelijke verweeraanzegging (productie IV bij de antwoordpleitnota) heeft ontvangen, maar dit is door [verzoeker] betwist.

Het hof constateert dat voormelde productie een niet gedateerde verweeraanzegging ten name van [verzoeker] betreft en wel ter zake van de verzuimdagen over de periode april tot en met juli 2011. De Staat heeft in reactie op de betwisting door [verzoeker] niet aangegeven wanneer [verzoeker] deze verweeraanzegging, volgens de Staat, wel zou hebben ontvangen, noch heeft de Staat daartoe een bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet geen reden om de Staat ambtshalve bewijs dienaangaande op te dragen. Het hof merkt overigens op dat voormelde verweeraanzegging niet tevens de verzuimdagen over de periode van augustus tot en met december 2011 betreft, terwijl de verzuimdagen over deze periode wel in de ontslagbeschikking zijn opgenomen. Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren, zodat de Staat het beginsel van hoor en wederhoor dat ten aanzien van het opleggen van een tuchtstraf is neergelegd in artikel 63 lid 2 Pw, niet in acht heeft genomen.

4.5 Reeds uit hetgeen in 4.4.2 en 4.4.3 is overwogen volgt dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven en derhalve nietig zal worden verklaard. Hierdoor kunnen onbesproken blijven de overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 4.3. Nu het ontslagbesluit nietig zal worden verklaard, betekent dit dat het dienstverband met [verzoeker] voortduurt. Aangezien vaststaat dat [verzoeker] vanaf februari 2012 geen salaris heeft ontvangen, ligt de gevorderde schadevergoeding, bestaande uit het achterstallige salaris vanaf februari 2012, voor toewijzing gereed.

4.6 De mede gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen verdere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart nietig het besluit tot ontslag van [verzoeker] uit Staatsdienst, vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 11 januari 2012, Bureau [no. 1], BBS [no.2].

5.2 Veroordeelt de Staat tot betaling aan [verzoeker] bij wege van schadevergoeding, bestaande uit het achterstallige salaris verhoogd met alle emolumenten en na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten, vanaf 01 februari 2012 totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens mr. S. Dulam, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] in [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis op 03 november 2017.

Het verdere procesverloop
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het tussenvonnis d.d. 03 november 2017 gewezen, waarbij onder meer de voortzetting van het verhoor van partijen is bepaald voor 16 maart 2018;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 20 juli 2018 en de door verweerder overgelegde productie;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 07 december 2018, doch nader werd bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw) en is ingaande 01 juli 2010 in dienst getreden van het Ministerie van ROGB, laatstelijk gefunctioneerd hebbende als medewerkster Balie en Administratie Domeinen zoals bepaald bij beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer].

1.2 Op 29 mei 2015 heeft verzoekster ontvangen de beschikking d.d. 13 mei 2015 [nummer 2] , waarbij is besloten verzoekster wegens plichtsverzuim te rekenen van 01 mei 2015 ontslag te verlenen.

1.3 Op 12 januari 2016 heeft verzoekster ontvangen de beschikking d.d. 03 november 2015 [nummer 3], waarbij is bepaald dat het aan verzoekster verleend ontslag wordt verleend met ingang van de dag volgende op die waarop het ontslag ter harer kennis is gebracht. Op grond hiervan is het ontslag ingegaan op 13 januari 2016, hetgeen is vastgelegd in de beschikking d.d. 22 februari 2016 [nummer 4].

1.4 Op 14 januari 2016 heeft verzoekster ontvangen de beschikking d.d. 23 oktober 2015 [nummer 3], waarbij is besloten om de beschikking d.d. 13 mei 2015 [nummer 2] in te trekken.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven na wijziging van eis, om:
a. verzoekster te ontvangen in haar vordering;
b. te vernietigen, althans nietig te verklaren de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 2], d.d. 03 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 3] en d.d. 22 februari 2016 [nummer 4];
c. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;
d. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die zij voorheen heeft bekleed, te kunnen vervullen zonder enige hinder;
e. verweerder te gelasten het salaris aan verzoekster, zoals door haar verdiend conform het bepaalde bij beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer], uit te betalen en daarmede voort te gaan;
f. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd handelt met het hierboven gevorderde;
g. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;
h. één of meer beslissingen te geven zoals het het Hof geraden voorkomt.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij is ontslagen wegens plichtsverzuim, omdat zij een medewerker van het departement van het ministerie van het [district 2], naar aanleiding van diens telefonische mededeling om stukken te ontvangen, erop heeft gewezen dat die eerst contact diende op te nemen met haar afdelingschef om zich ervan te vergewissen of zij, verzoekster, de stukken in ontvangst mocht nemen, hetgeen niet ongebruikelijk is bij binnengekomen stukken van grote omvang. Verzoekster stelt dat zij op 17 maart 2015 breedvoerig mondeling verweer heeft gevoerd ten overstaan van de Directeur van het Ministerie, in bijzijn van de Onderdirecteur Grondzaken en de Onderdirecteur Administratieve Diensten. Verzoekster stelt dat zij zonder opgaaf van redenen per schrijven d.d. 18 maart 2015 is gemuteerd naar de Afdeling Bosonderzoek van de Dienst `s Lands Bosbeheer van het Ministerie, terwijl zij in strijd met artikel 63 lid 2 w bij schrijven d.d. 18 maart 2015 op grond van plichtsverzuim in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren. Het schriftelijk verweer van verzoekster d.d. 19 maart 2015 werd niet steekhoudend bevonden, terwijl verweerder voorbij is gegaan aan de door verzoekster bij schrijven d.d. 27 april 2015 gegeven toelichting op haar schriftelijk verweer. Verzoekster stelt dat zij op 29 mei 2015 de beschikking d.d. 13 mei 2015 [nummer 2] heeft ontvangen, waarbij zij is ontslagen wegens plichtsverzuim per ingaande 01 mei 2015. Volgens verzoekster is voornoemde beschikking in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en met de wet, terwijl de beschikking berust op onware feiten en niet deugdelijk is gemotiveerd;tevens is de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming met het vermeend door haar gepleegde plichtsverzuim.

2.3 Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend maar bij het verhoor en nader verhoor van partijen alsmede in de gewisselde gedingstukken verweer gevoerd waarop het Hof – voorzover nodig – in de beoordeling van het geschil terug komt.

3. De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

  1. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
    a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
    b. tot verlaging van rang;
    c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
    d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping,is opgelegd;
    e. tot schorsing of ontslag.
    Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.Rechtens staat tussen partijen vast dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Pw en is de Pw van toepassing op verzoeker.Onder a van het petitum wordt gevorderd verzoekster te ontvangen in haar vordering,waarvan het Hof bevoegd is om kennis te nemen. Onder b wordt gevorderd de nietigverklaring c.q. vernietiging van de daarin genoemde beschikkingen althans de in de beschikking vervatte besluiten, waarvan het Hof op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw bevoegd is om kennis te nemen. Onder c wordt gevorderd om verzoekster te rehabiliteren in haar oude rang, het Hof acht zich bevoegd om hiervan kennis te nemen op grond van artikel 79 lid 1 sub a jo sub c. Onder d van het petitum wordt gevorderd om verzoekster in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid te verrichten.Naar het oordeel van het Hof houdt deze vordering geen besluit in de zin van artikel 79 lid 2 Pw, weshalve het Hof zich niet bevoegd acht om hiervan kennis te nemen. Van het gevorderde onder e (doorbetaling salaris) en f (dwangsom), acht het Hof zich bevoegd om daar kennis van te nemen op grond van respectievelijk artikel 79 lid 1 sub a en sub c Pw.Het Hof acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder g. Op grond van het voren overwogene acht het Hof zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder d en g van het petitum.

3.3 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoeker in haar vorderingen, overweegt het Hof dat verzoekster haar vordering heeft ingesteld op 24 juni 2015, terwijl zij kennis heeft genomen van de oorspronkelijke beschikking d.d. 13 mei 2015 op 29 mei 2015, weshalve zij op grond van artikel 80 lid 1 Pw ontvangen kan worden in haar vordering onder b, nu de overige beschikkingen gedurende het onderhavige geding aan verzoekster zijn verstrekt en deel uit zijn gaan maken van het onderhavig geding, zodat daarvoor geen aparte termijnen in acht dienen te worden genomen. Naar het oordeel van het Hof is het gevorderde onder c, e en f een sequeel van het gevorderde onder b, zodat verzoekster daarin eveneens kan worden ontvangen.

3.4 Ten aanzien van de beschikking d.d. 13 mei 2015, overweegt het Hof dat deze bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 reeds is ingetrokken, zodat verzoekster naar het oordeel van het Hof geen belang meer heeft bij de nietigverklaring daarvan en zal dat onderdeel van het gevorderde daarom worden afgewezen. Ten aanzien van de beschikking d.d. 23 oktober 2015, overweegt het Hof dat deze een besluit inhoudt tot intrekking van de ontslagbeschikking d.d. 13 mei 2015. Het Hof heeft geen aanleiding gevonden om deze beschikking nietig te verklaren, weshalve het terzake gevorderde als ongegrond zal worden afgewezen. Ten aanzien van de beschikking d.d. 03 november 2015, die op 12 januari 2016 door verzoekster is ontvangen, overweegt het Hof dat verzoekster hierbij (opnieuw) is ontslagen en is de ontslagdatum vastgesteld bij beschikking d.d. 22 februari 2016.

3.5 Het Hof overweegt dat verzoekster zich op het standpunt stelt dat het aan haar verleende ontslag onterecht is omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten niet waar zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en verwijst ter adstructie naar de door hem overgelegde schriftelijke rapportages van onder meer het Hoofd van de Afdeling Bali/Agenda, [naam] d.d. 17 maart 2015; de Chef-Gronduitgifte van het [district 2], [naam 2] d.d. 27 maart 2015; de heer [naam 3] van het dependance te [district 2] d.d. 27 maart 2015.Naar het Hof uit voornoemde rapportages, met name uit die van [naam 2] begrijpt heeft [naam 2] opzettelijk de toewijzingsbeschikking ten name van verzoekster achtergehouden op 16 januari 2015, reden waarom verzoekster zich op het standpunt heeft gesteld en dit ook kenbaar heeft gemaakt aan de dependance te [district 2], dat zij zich voortaan zakelijk zal opstellen tegenover hen en geen extra moeite voor hen zal doen als voorheen, weshalve zij eerst het hoofd van de Balie dienden te contacten enniet rechtstreeks stukken voor verzoekster konden brengen, omdat men haar niet kon vertellen waarom haar stukken waren achtergehouden. Uit de rapportages van de dependance te [district 2] blijkt dat het kantoor van verweerder aldaar zich rancuneus had opgesteld jegens verzoekster op grond van het bij hen gerezen vermoeden ten aanzien van verzoekster. Naar het oordeel van het Hof zijn bedoelde verklaringen niet deugdelijk en zullen verder buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van de verklaring van [naam] over het weigerachtig gedrag van verzoekster, overweegt het Hof dat niet is gebleken dat verzoekster door haar of een ander is aangesproken daarop, terwijl evenmin blijkt van een terzake getroffen maatregel tegen verzoekster. Voorts overweegt het Hof dat nergens uit is gebleken dat verzoekster heeft geweigerd om de stukken in ontvangst te nemen; verzoekster heeft slechts mede gedeeld dat de dependance eerst het afdelingshoofd moet contacten.

3.6 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het Hof dat het door verweerder gestelde plichtsverzuim niet is komen vast te staan, terwijl de tuchtmaatregel voor een dergelijke gedraging naar het oordeel van het Hof disproportioneel moet worden geacht, aangezien verzoekster blijkens haar bevorderingen wel goed heeft gefunctioneerd. Het door verweerder verleend ontslag is derhalve onrechtmatig. De ontslagbeschikking d.d. 03 november 2015 [nummer 3], alsook de vaststellingsbeschikking van de ingangsdatum van het ontslag d.d. 22 februari 2016 [nummer 4] als een sequeel van het verleende ontslag, zal derhalve nietig worden verklaard.

3.7 Nu het aan verzoekster verleend ontslag nietig zal worden verklaard, heeft verzoekster recht op doorbetaling van haar salaris met emolumenten conform het vastgestelde bij beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer] en dient zij te worden gerehabiliteerd in de rang die zij had vóór het ontslag. Het Hof ziet aanleiding om aan de veroordeling onder c een dwangsom op te leggen ad SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling, tot een maximum van SRD 100.000,-. Gelet op het voren overwogene zal het door verzoekster gevorderde onder b voor wat betreft de beschikkingen d.d. 03 november 2015 [nummer 3] en 22 februari 2016 [nummer 4], worden toegewezen zoals geformuleerd in de beslissing. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4.De beslissing
Het Hof

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder d en g van het petitum.

4.2 Verklaart nietig de beschikkingen d.d. 03 november 2015 [nummer 3] en 22 februari 2016 [nummer 4].

4.3 Veroordeelt verweerder om aan verzoekster te betalen en daarmede door te gaan, het salaris met emolumenten conform de beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer] en wel vanaf het tijdstip dat dit was stopgezet.

4.4 Gelast verweerder om verzoekster binnen een week na deze uitspraak te rehabiliteren in de rang waarin zij had gediend vòòr zij werd ontslagen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat verweerder nalaat hieraan te voldoen, met dien verstaande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

4.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 21 maart 2014;
  • het verweerschrift, met producties, ingediend op 31 juli 2014;
  • de beschikking van het hof van 07 oktober 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 november 2014, welk verhoor is verplaatst naar 21 november 2014;
  • het proces-verbaal van het op 21 november 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie van antwoord met betrekking tot het schikkingsvoorstel zijdens de Staat, met een productie, overgelegd op 19 december 2014;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoeker] d.d. 17 april 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 augustus 2015, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 20 augustus 2004, Justitie [nummer], K.A. [nummer 2], is [verzoeker], tezamen met 24 andere politierekruten, te rekenen van 01 juli 2004 in vaste dienst aangesteld bij het Korps Politie Suriname (hierna: KPS) in de rang van hulpagent van politie 1e klasse.

2.2 [verzoeker] heeft samen met zijn lichtingsgenoten deelgenomen aan de Elementaire Politie Opleiding (hierna: EPO), teneinde bij succesvolle afronding daarvan te kunnen worden bevorderd in de naast hogere rang, te weten die van aspirant agent van politie. [verzoeker] heeft de EPO niet met succes afgerond en is dientengevolge niet voorgedragen voor vorenbedoelde bevordering.

2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Stads Politie Commandant, de Commissaris van Politie,[naam], d.d. 14 juli 2006 te rekenen van dezelfde datum buiten functie gesteld.

2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 juli 2006, Justitie [nummer 3], K.A. [nummer 4], is voormelde buitenfunctiestelling van [verzoeker] te rekenen van 21 juli 2006 ingevolge artikel 39 lid 3 sub c van het Politiehandvest verlengd met een week en is [verzoeker] met ingang van 28 juli 2006 ingevolge artikel 66 lid 2 sub b van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.

2.5 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, Justitie [nummer 5], K.A. [nummer 6], is besloten aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim op te leggen de tuchtstraffen van aanhouding van de bevordering voor de duur van een jaar en voorwaardelijk ontslag.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. de Staat zal worden veroordeeld binnen een maand na betekening van het vonnis het besluit te nemen [verzoeker] te bevorderen van hulp agent van politie (lees kennelijk: hulpagent van politie 1e klasse) naar aspirant agent van politie;
B. de Staat zal worden veroordeeld binnen een maand na betekening van het vonnis het besluit te nemen [verzoeker] te bevorderen van aspirant agent van politie naar agent van politie 2e klasse;
C. de Staat zal worden veroordeeld binnen een maand na betekening van het vonnis het besluit te nemen [verzoeker] te bevorderen van agent van politie 1e klasse (lees kennelijk: agent van politie 2e klasse) naar agent van politie 1e klasse en wel te rekenen van 07 januari 2009;
D. de Staat zal worden veroordeeld aan [verzoeker] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag groot SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat de Staat in gebreke mocht blijven te voldoen aan het veroordeelde in sub A, B en C.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Bij raadpleging van de door het KPS bijgehouden ranglijst over het dienstjaar 2013 (hierna: de ranglijst) heeft [verzoeker] geconstateerd dat twee van zijn collega’s, te weten [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 2] en [naam 3]) die net als hem, [verzoeker], aan de EPO hebben deelgenomen en deze opleiding evenmin succesvol hebben afgerond, tussen 2004 en 2009 meerdere keren zijn bevorderd en uiteindelijk te rekenen van 07 januari 2009 dienen in de rang van agent van politie 1e klasse. [verzoeker] heeft zijn bezwaren tegen voormelde gang van zaken kenbaar gemaakt aan de korpschef van het KPS, doch vervolgens daaromtrent niets meer van de korpsleiding vernomen. Voor zover het bevorderingsbeleid van de Staat is gestoeld op succesvolle deelname aan de ter zake aangeboden opleidingen, kan de Staat niet zonder meer daarvan afwijken, althans dient de Staat erop toe te zien dat het bevorderen van ambtenaren van politie in afwijking van voormeld beleid is ontbloot van willekeur. Door het besluit te nemen slechts twee ambtenaren van politie uit de groep van de niet voor de EPO geslaagden te bevorderen, heeft de Staat gehandeld naar willekeur en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten: het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het motiverings-, het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. De Staat heeft de bevorderingen van [naam 2] en [naam 3] kennelijk doen stoelen op artikel 24 lid 1 Pw. [verzoeker] heeft in gelijke mate de geschiktheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid getoond en derhalve die ervaring opgedaan om op grond van voormelde bepaling eveneens in aanmerking te komen voor de bevordering, terwijl de Staat tot op heden heeft nagelaten om ten aanzien van [verzoeker] dezelfde gronden te doen gelden. De Staat weigert aldus een besluit te nemen ter zake van de bevordering van [verzoeker], hetgeen onrechtmatig is jegens [verzoeker].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat [verzoeker] alsnog zou bevorderen tot aspirant agent van politie. [verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen, zich op het standpunt stellende dat hij niet alleen voor bevordering tot aspirant agent van politie in aanmerking komt, maar ook voor de overige door hem gevorderde bevorderingen en het schikkingsvoorstel deze bevorderingen dan ook mede diende te omvatten. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2 Het hof constateert ten aanzien van het petitum, hierboven in 3.1 weergegeven, dat er geen subsidiaire vordering is ingesteld. Aan de aanduiding ‘Primair’ ter zake van het in 3.1 onder A tot en met D gevorderde, zal daarom worden voorbijgegaan.

Bevoegdheid
4.3 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie is in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan het door [verzoeker] gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald, namelijk een besluit tot bevordering van [verzoeker]. Dit betekent dat het hof bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.4.1 In artikel 80 lid 2 sub c Pw is bepaald dat een vordering als de onderhavige niet-ontvankelijk is, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. In artikel 78 lid 2 sub a Pw is bepaald dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn, of, zo een tijdsbepaling ontbreekt, binnen drie maanden, een verplichte handeling te verrichten. Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat de Staat op grond van het gelijkheidsbeginsel verplicht was om naast zijn lichtingsgenoten [naam 2] en [naam 3] ook hem, [verzoeker], te bevorderen (onder meer) tot aspirant agent van politie, maar de Staat dit heeft nagelaten.

4.4.2 Uit hetgeen [verzoeker] onweersproken heeft gesteld, begrijpt het hof dat hij pas na raadpleging van de ranglijst kennis droeg van de bevordering(en) van zijn lichtingsgenoten [naam 2] en [naam 3]. Daarvan uitgaande kon [verzoeker] niet eerder dan na het raadplegen van de ranglijst, de onderhavige vordering bij het hof hebben ingesteld. In dit licht is het voor de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag van belang wanneer [verzoeker] de ranglijst heeft geraadpleegd, welke actie(s) hij daarna heeft ondernomen en wanneer zulks is geschied. Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt slechts dat hij schriftelijk zijn bezwaren tegen de gang van zaken rond de bevordering van [naam 2] en [naam 3] bij de korpschef heeft geuit en daarna ter zake daarvan een gesprek met de korpschef heeft gehad, maar niet wanneer hij de ranglijst heeft geraadpleegd, wanneer hij vorenbedoeld schrijven heeft gericht aan de korpschef en evenmin wanneer het gesprek met laatstgenoemde heeft plaatsgevonden, terwijl het een en ander ook niet anderszins is gebleken. Naar het oordeel van het hof bevat het door [verzoeker] gestelde onvoldoende aanknopingspunten om de ontvankelijkheidsvraag te kunnen beantwoorden en heeft [verzoeker] derhalve niet aan zijn stelplicht voldaan. Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.

4.5 Het hof overweegt ten overvloede dat ook in geval Alibaks wel ontvankelijk zou zijn in zijn vordering, deze niet zou kunnen worden toegewezen en wel om de volgende redenen.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel
4.6.1 Het hof zal eerst ingaan op de gevorderde veroordeling van de Staat tot bevordering van [verzoeker] tot aspirant agent van politie. [verzoeker] heeft, zich beroepende op het gelijkheidsbeginsel, betoogd dat hij, net als zijn lichtingsgenoten [naam 2] en [naam 3], diende te worden bevorderd tot aspirant agent van politie. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft [verzoeker] enkel gesteld dat, nu [naam 2] en [naam 3] evenmin als hij de EPO succesvol hebben afgerond, sprake is van gelijke gevallen, die gelijk moeten worden behandeld.Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn betoog dat er sprake is van gelijke gevallen. Vaststaat dat aan [verzoeker] de tuchtstraffen van – naar het hof begrijpt – onthouding van bevordering ingevolge artikel 40 lid 1 onder f van het Politiehandvest voor de duur van een jaar en voorwaardelijk ontslag zijn opgelegd. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat op het functioneren van [naam 2] en [naam 3] als politieambtenaren, anders dan bij [verzoeker], niets was aan te merken. Het hof concludeert hieruit dat er geen sprake is van gelijke gevallen, zodat evenmin sprake kan zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel door de Staat. Daarbij komt dat uit [verzoeker]’ eigen, door de Staat niet weersproken, stellingen blijkt, dat, anders dan [naam 2] en [naam 3], de rest van zijn lichtingsgenoten die de EPO evenmin succesvol hebben afgerond, ook niet zijn bevorderd tot aspirant agent van politie. Ook hieruit volgt dat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op het gelijkheidsbeginsel. [verzoeker] heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel nopen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het motiverings- en het rechtszekerheidsbeginsel
4.6.2 Het hof gaat voorbij aan het beroep van [verzoeker] op de overige vermelde beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vorenbedoelde beginselen kunnen van belang zijn bij een vordering ex artikel 79 lid 1 sub a Pw tot nietigverklaring van een door een bestuursorgaan genomen besluit. In dit geding is van een dergelijke vordering echter geen sprake. De onderhavige vordering betreft een veroordeling van de Staat om een besluit te nemen tot bevordering van [verzoeker], onder verbeurte van een dwangsom, en toetsing aan voormelde beginselen van behoorlijk bestuur is daarbij niet aan de orde.

4.6.3 [verzoeker] stelt dat de Staat hem, door hem niet bij de bevordering van [naam 2] en [naam 3] te betrekken, onevenredig in zijn belang heeft getroffen, aangezien hij daardoor niet geplaatst kon worden in een hogere salarisschaal en hem daarmee, gelet op de reeds gediende en de nog te dienen dienstjaren, de mogelijkheid is ontnomen om een gunstige pensioengrondslag te bewerkstelligen. [verzoeker] beklaagt zich erover dat hij als enige van zijn lichting nooit is bevorderd en nog steeds dient in de rang van hulpagent van politie 1ste klasse.Het hof geeft [verzoeker] hieromtrent mee dat hij de hand in eigen boezem moet steken. Gesteld noch gebleken is dat hij niet in de mogelijkheid verkeerde om door deelname aan de vereiste opleidingen te voldoen aan de vereisten voor benoeming in de naast hogere rang. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] zijn deelname in 2010 aan een verkorte EPO wegens gezondheidsredenen heeft gestaakt.

4.6.4 Uit hetgeen hierboven in 4.6.1 en 4.6.2 is overwogen, volgt dat het gevorderde in 3.1 onder A zou worden afgewezen. Het gevorderde in 3.1 onder B, C en D zou als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder A eveneens worden afgewezen.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Denz namens advocaat mr. M. Dubois, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. H.A. Wekker, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 29 januari 2016 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d.10 maart 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 14 maart 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 maart 2016 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d.22 april 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 22 april 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 april 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, overgelegd op 03 juni 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 09 juni 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 februari 2017;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens verzoeker, overgelegd op 25 april 2017, met producties;
  • de conclusie tot overlegging stukken zijdens verweerder, overgelegd op 19 mei 2017;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde stukken zijdens verzoeker, overgelegd op op 16 juni 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 05 januari 2017.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
1.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om:
a. nietig te verklaren althans te vernietigen de beschikking van verweerder d.d.26 februari 2013, kenmerk La B P/O [nummer], waarbij is besloten tot inhouding van het salaris van verzoeker;
b. verweerder te veroordelen om onmiddellijk na dit uit te spreken vonnis, alle reeds door verweerder ingehouden gelden terug te storten op de rekening van verzoeker onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

1.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij ingevolge artikel 20 lid 2 van de Dienstorder no. 34 van de Instructie Vuurwapen Douane d.d.14 september 1972, een verklaring van de politie heeft doen toekomen aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, verweerder, waarin gewag wordt gemaakt van de diefstal van zijn dienstvuurwapen op 24 december 2011. Tevens heeft verzoeker zijn rapport over de diefstal van zijn dienstvuurwapen op 14 december 2012 bij verweerder ingeleverd. Ondanks bezwaar ingediend bij schrijven d.d.06 februari 2013 tegen het besluit van verweerder vervat in het schrijven d.d.08 januari 2013, waarin in strijd met de artikelen 30 en 63 lid 2 van de Personeelswet is besloten dat verzoeker de prijs van een ander vuurwapen ad USD 1.200,- zal moeten betalen en dat verzoeker zal worden berispt voor zijn gedrag, heeft verweerder bij beschikking d.d. 26 februari 2013, kenmerk La B P/O [nummer], het besluit genomen om tot uitvoering van haar besluit d.d. 08 januari 2013 over te gaan, middels inhouding op het loon in 16 maandelijkse termijnen van SRD 250,- en 01 van SRD 20,-, aanvangende per ultimo maart 2013. Verzoeker stelt dat hij tegen voormelde beschikking per schrijven d.d. 02 april 2013 zijn beklag heeft gedaan bij de President van de Republiek Suriname en heeft hij vanwege het spoedeisend belang op 12 juli 2013 in een kort geding procedure gevorderd om de gewraakte beschikking te schorsen op grond van het feit dat de inhoudingen zwaar drukken op het reeds krappe inkomen van verzoeker. Volgens verzoeker kan het feit dat de uitspraak in de kort geding zaak buiten zijn schuld om, pas op 24 december 2015 heeft plaatsgevonden, waarbij verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vordering, hem niet worden toegerekend, nu het vaste rechtspraak is dat ook indien bij een geschil met de overheid een administratieve procedure is voorgeschreven, de rechter in kort geding bevoegd is tot het bevelen van een voorlopige voorziening, indien die administratieve procedure een uitspraak op korte termijn niet mogelijk maakt. Volgens verzoeker is er aldus sprake van overmacht. Verzoeker stelt ten slotte dat vanwege het feit dat hij geen reactie heeft ontvangen van de President van de Republiek, hij zowel op grond van artikel 80 lid 2c en lid 4 Pw, de onderhavige vordering alsnog kan indienen.

1.3 Verweerder heeft verweer gevoerd erop neerkomende dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat hij tardief is ingevolge artikel 78 lid 2b en artikel 80 lid 2c Pw, aangezien hij opkomt tegen de beschikking d.d. 26 februari 2013 en is de onderhavige vordering bij het hof ingediend op 29 januari 2016, terwijl er van een situatie van overmacht niet is gebleken en de gestelde feiten en omstandigheden rechtens niet als overmacht kunnen worden gehonoreerd.

De beoordeling van het geschil
2.1 Het hof overweegt dat, nu verzoeker de gewraakte beschikking van verweerder op 26 februari 2013 heeft ontvangen, hij zijn beklag ingevolge artikel 78 lid 1 Pw had dienen in te stellen binnen een maand nadat het besluit hem ter kennis was gebracht, dus uiterlijk 28 maart 2013. Nu, het beklag pas bij schrijven van 02 april 2013 is gedaan, is verzoeker tardief in zijn beklag, weshalve artikel 80 lid 3 Pw in casu niet van toepassing is. Het hof overweegt voorts dat verzoeker de vordering tot nietigverklaring van voornoemd besluit ingevolge artikel 79 lid 1 Pw, bij het hof had dienen in te stellen binnen 30 dagen daarna en wel op uiterlijk 28 maart 2013. Nu, verzoeker de vordering pas op 29 januari 2016 heeft ingediend, is verzoeker naar het oordeel van het hof ingevolge artikel 80 lid 1b en lid 2b PW niet-ontvankelijk in zijn vordering. Met betrekking tot het beroep op overmacht, overweegt het hof dat het afwachten van een beslissing in kort geding onder geen beding overmacht oplevert, nu het een bewuste keus van verzoeker is geweest om een kort geding zaak in te dienen in stede van een vordering bij het ambtenarengerecht. Het beroep op overmacht wordt derhalve verworpen. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

2.2 Verzoeker zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen.

3. De beslissing
Het Hof:

3.1 Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

3.2 Veroordeelt verzoeker in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid–Plaatsvervanger en door de Fungerend–President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr.M.Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 22 november 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014;
  • de beschikking van het hof van 03 juli 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is als sergeant eerste klasse in vaste dienst geweest bij het Ministerie van Defensie.

2.2 [verzoeker] is in 1990 door de Krijgsraad veroordeeld ter zake van een gepleegd strafbaar feit. Hij heeft van 22 februari 1990 tot en met 25 augustus 1992 in detentie gezeten en is op 26 augustus 1992 in vrijheid gesteld.

2.3 [verzoeker] heeft zich twee weken na zijn invrijheidstelling aangemeld bij de dienst teneinde zijn werkzaamheden te hervatten en wel bij de grootmajoor [naam], sergeant-majoor [naam 2] en toenmalige sergeant [naam 3]. Verdere instructies bleven uit.

2.4 In 2008 heeft [verzoeker] zich opnieuw aangemeld en hierover is contact geweest met de heer [naam 4], de sergeant-majoor van [naam 4] en mevrouw [naam 6] van de afdeling Personeelszaken. Aan [verzoeker] is meegedeeld dat er een sociaal rapport zou worden opgemaakt en dat zijn plaatsing zou volgen, maar verdere instructies omtrent zijn wedertewerkstelling bleven wederom uit.

2.5 [verzoeker] heeft zich bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 08 mei 2012, gericht aan de directeur van Defensie, voor de derde keer bereid verklaard zijn werkzaamheden te hervatten.

2.6 Bij schrijven van de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie d.d. 16 mei 2013 is [verzoeker] onder meer het volgende meegedeeld:
“Na bekomen informatie van de G-1, is gebleken dat u vanaf mei 1990 ongeoorloofd afwezig bent van uw dienstonderdeel. Uw 23-jarige afwezigheid van uw dienstonderdeel, doet vermoeden dat er hier sprake is van plichtsverzuim. U wordt in de gelegenheid gesteld om u schriftelijk binnen 5 (vijf) werkdagen na ontvangst van deze uitnodiging tot verweer, hieromtrent te verantwoorden.”

2.7 Bij verweerschrift d.d. 21 mei 2013, gericht aan de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie, heeft [verzoeker] zich als volgt verweerd:“Weledelgestrenge vrouwe, Op uw schrijven d.d. 16 mei jl. met kenmerk [nummer], dat ik heb ontvangen op 17 mei 2013, reageer ik als volgt. U stelt in het schrijven dat ik mij moet verweren terzake plichtsverzuim met name voor mijn afwezigheid in de periode van 1990 tot op heden.Ten aanzien hiervan geef ik u aan dat ik van rechtswege was geschorst in de periode 1990-1992 vanwege detentie. Na deze periode heb ik mij terstond aangemeld om mijn diensten te hervatten bij de leiding van het Ministerie van Defensie maar is mijn plaatsing niet gevolgd. Mijn aanmelding is persoonlijk geweest bij grootmajoor [naam] en sergeant-majoor [naam 2] en de toenmalige sergeant [naam 3].In 2008 heb ik mij opnieuw aangemeld bij het Ministerie van Defensie. Aan degene die mijn belangen toentertijd behartigde, mevrouw [naam 6], is hierover contact geweest met de onderdirecteur van het ministerie de heer [naam 4], sergeant-majoor van [naam 5] en mevrouw [naam 6] van personeelszaken. Er is mij toen medegedeeld dat er een sociaal-rapport zou worden opgemaakt waarop mijn plaatsing zou volgen. Hierna heb ik echter niets meer vernomen.Ik heb nooit eerder een verweeraanzegging ontvangen ter zake ongeoorloofde afwezigheid en is ook niet gebleken dat mijn dienstbetrekking is beëindigd of dat er een andere reden is waarom mijn feitelijke tewerkstelling wordt aangehouden. Dat ik steeds bereid ben gebleven om de bedongen diensten te verrichten blijkt uit het schrijven d.d. 8 mei 2012 afkomstig van mijn gemachtigde gericht aan de heer [naam 7] (…). Het is mij tot op de dag van vandaag nimmer voorgehouden waarom mijn feitelijke tewerkstelling is uitgebleven. Door het hierboven gestelde kan nimmer worden gesteld dat ik ongeoorloofd afwezig ben geweest. Indien nodig ben ik beschikbaar om mijn verweer mondeling toe te lichten. Voor het overige wijs ik ook nog op het feit dat tegen de Staat een vordering is ingesteld om mijn feitelijke tewerkstelling te doen plaatsvinden. Bij het verhoor van partijen terzake dat op 17 mei jl. zou plaatsvinden, is er om een uitstel verzocht zijdens de Staat.”

2.8 In reactie op voormeld verweerschrift heeft de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie bij schrijven d.d. 08 juli 2013 onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:“In uw verweerschrift geeft u aan dat u zich na uw detentieperiode persoonlijk hebt aangemeld bij enkele functionarissen binnen de defensieorganisatie. Bij navraag hebben de voornoemde functionarissen aangegeven dat ze toen niet in de positie verkeerden om enig actie ten aanzien van uw wederplaatsing te treffen. Verder zou, volgens uw verweerschrift, u zich in 2008 wederom hebben gemeld bij de u bekende functionarissen, waarbij men u zou hebben medegedeeld dat er een sociaalrapport zou worden opgemaakt en plaatsing zou plaatsvinden. Navraag bij de betrokken functionarissen heeft uitgewezen dat u verwezen bent naar de Rehabilitatiecommissie, welke de enige instantie is die zich buigt over zulke aangelegenheden, waar u zich echter nooit heeft aangemeld. In de periode was u al 16 jaren ongeoorloofd afwezig van uw dienstonderdeel, het zou dus niet opportuun zijn om een sociaalrapport te laten opmaken voor iemand die voor zo’n lange periode ongeoorloofd is weggebleven van het werk. In uw verweerschrift geeft u ook aan dat u steeds bereid bent geweest om de bedongen diensten te verrichten hetgeen zou moeten blijken uit een schrijven van u van 08 mei 2012, gericht aan de heer [naam 7]. We spreken dan al van een periode van 20 jaren, waarna u meent dat er nog steeds een plaats voor u open is gehouden om opnieuw werkzaamheden te verrichten. Het lijkt mij dat van geen enkele werkgever verwacht kan worden dat hij eerder bij hem tewerkgestelden opnieuw accommodeert na 20 jaren. Dat de administratieve afhandeling van het e.e.a. eerder is uitgebleven, is te wijten aan het feit dat in het jaar 1990 er een brand heeft gewoed in Fort Zeelandia, waarbij de administratieve documenten van betrokkene, die ondergebracht was bij de Militaire Politie in vlammen is opgegaan. Bewust van uw eigen verantwoordelijkheid zou u zich na de periode toen u geen reactie opmerkte zijdens het ministerie van Defensie ook hebben kunnen richten tot het ministerie, maar die actie uwerzijds is uitgebleven. Door de lange periode die u weggebleven bent heeft u o.i. aangetoond geen belangstelling te hebben voor de dienst en u heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Op grond van bovenstaande is besloten u bij de minister voor te dragen om het dienstverband met u te beëindigen ingevolge art 35 lid 2 van de ‘Wet Rechtspositie Militairen’. Het een en ander zal middels een beschikking van de minister worden geformaliseerd.”

2.9 Bij beschikking van de minister van Defensie d.d. 22 oktober 2013, Bureau [nummer 2], [nummer 3] (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) ontslag uit (militaire) Staatsdienst verleend, onder de bepaling dat hij ingevolge artikel 39 WRM juncto artikel 28 lid 3 van de Personeelswet (Pw) en artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding over de periode waarin hij zijn ambtsverplichtingen niet heeft vervuld en wel te rekenen van mei 1990 tot en met de datum van ingang van het ontslag. In de ontslagbeschikking is het volgende overwogen:

  • “dat de sergeant der eerste klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij de toenmalige Informatiedienst, de heer [verzoeker]
    (…) na een afwezigheid van bijkans 23 jaar bij schrijven van 08 mei 2012 en 17 juli 2012 de bereidheid aangeeft te willen arbeiden;
  • dat betrokkene vanaf mei 1990 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel;
  • dat naderhand is gebleken dat de Sergeant der eerste klasse vanwege het plegen van een strafbaar feit, veroordeeld was en in detentie verkeerde (periode 1990-1992) hetgeen geresulteerd heeft in plichtsverzuim ten opzichte van zijn werkgever;
  • dat na de detentieperiode hij zich niet conform de voorgeschreven procedure heeft aangemeld bij de afdeling Rehabilitatie van het Ministerie van Defensie;
  • dat naar aanleiding van eerder genoemde schrijven van de heer [verzoeker] van 8 mei 2012 en 17 juli 2012 een onderzoek is ingesteld;
  • dat uit dit onderzoek gebleken is dat bij de brand in het MP-gebouw in Fort Zeelandia in 1990 de administratie van de Militaire Politie in vlammen is opgegaan waaronder ook de gegevens van betrokkene; hetgeen ertoe geleid heeft dat hij buiten het zicht gebleven is van de administratie van het Ministerie van Defensie;
  • dat eerder genoemd onderzoek vervolgens geresulteerd heeft in een schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 16 mei 2013 aan betrokkene om zich terzake schriftelijk te verweren;
  • dat [verzoeker] in zijn verweerschrift van 21 mei 2013, geen steekhoudende argumenten naar voren heeft gebracht, die aanleiding zouden kunnen zijn om zijn verzoek om te arbeiden na drieëntwintig (23) jaren te honoreren;
  • dat integendeel is gebleken dat hij, als onderofficier die zich, bewust zou moeten zijn van zijn verantwoordelijkheden, toen niet volgens de voorgeschreven procedure actie heeft ondernomen naar de daarvoor aangewezen instantie n.l. de afdeling Rehabilitatie op het Ministerie van Defensie;
  • dat het voorgaande aangeeft dat de door hem aangegeven bereidwilligheid om te arbeiden niet gestaafd wordt door het tijdig ondernemen van de juiste formele acties, te meer gezien de langdurige periode van afwezigheid;
  • dat gezien de lange periode van wegblijven er geen aanleiding is zijn verzoek om te arbeiden te honoreren en er sprake is van langdurig plichtsverzuim;
  • dat in het voorgaande, ingevolge artikel 35 lid 2 van de ‘Wet Rechtspositie Militairen’ grond voor ontslag oplevert en er derhalve alle aanleiding bestaat om betrokkene uit Staatsdienst (militaire dienst) te ontslaan.;”

2.10 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 24 oktober 2013 ontvangen. Het ontslag is ingegaan op 25 oktober 2013.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. het ontslagbesluit nietig zal worden verklaard;
II. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] uit te keren het salaris behorende bij de functie van sergeant eerste klasse vanaf september 1992 tot heden, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente;

Subsidiair:
III. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] uit te keren het salaris behorende bij de functie van sergeant eerste klasse vanaf september 1992 tot aan 24 oktober 2013, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente;[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met het ontslagbesluit en de gronden waarop dit berust. Bij het geven van de ontslagbeschikking is in strijd gehandeld met één of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag en het beginsel van de juiste informatie en wel om de volgende redenen. De overweging in de ontslagbeschikking dat de veroordeling van [verzoeker] vanwege een gepleegd strafbaar feit heeft geresulteerd in plichtsverzuim is onjuist, omdat hij ingevolge de Personeelswet gedurende de periode van detentie van rechtswege was geschorst en deze schorsing is geëindigd met ingang van de dag waarop hij in vrijheid is gesteld. [verzoeker] heeft zich in 1992 na zijn invrijheidstelling, daarna opnieuw in 2008 en vervolgens weer in 2012 bij het in 2.5 genoemd schrijven aangemeld om zijn diensten te hervatten. De overweging in de ontslagbeschikking dat [verzoeker] zich niet conform de voorgeschreven procedure heeft aangemeld bij de afdeling Rehabilitatie is onbegrijpelijk. [verzoeker] is nimmer verwezen naar deze afdeling. Het gestelde ongeoorloofd verzuim kan hierdoor geen stand houden. Dit kan ook worden afgeleid uit het feit dat [verzoeker] niet is vervolgd wegens het zich onttrekken aan de dienstplicht, hetgeen een misdrijf is (artikel 72 e.v. van het Wetboek van Militair Strafrecht). Op grond van het voorgaande kan ook geen stand houden het in de ontslagbeschikking vervatte besluit dat [verzoeker] geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding. Bovendien mag een besluit ingevolge artikel 6 Pw geen terugwerkende kracht hebben, voor zover nadelig voor de belanghebbende. Uit het voorgaande volgt dat het ontslag op onjuiste gronden is verleend en strijdig is met de wet en derhalve geen stand kan houden.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof stelt voorop dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift niet heeft gesteld tegen wie hij de vordering instelt, doch dat uit zijn stellingen wordt begrepen dat hij de vordering instelt tegen de Staat Suriname, met name de minister van Defensie. De Staat heeft blijkens zijn verweerschrift het verzoekschrift in dezelfde zin begrepen. Het hof zal het verzoekschrift dan ook verbeterd lezen, met dien verstande dat de vordering is ingesteld tegen de Staat Suriname, met name het ministerie – en niet de minister – van Defensie, een en ander zoals reeds tot uitdrukking is gebracht in de kop van dit vonnis.De primaire vordering

Bevoegdheid
4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] militaire ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 lid 1 WRM. Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van artikel 79 Pw is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 primair onder I gevorderde, te weten de vordering tot nietigverklaring van het besluit waarbij een militaire ambtenaar ontslag uit Staatdienst is verleend.

4.2.2 [verzoeker] vordert tevens betaling van achterstallig salaris vanaf september 1992 tot 22 november 2013. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift aldus uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 primair onder II gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.3.1 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 Pw is een vordering tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 24 oktober 2013 ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 22 november 2013 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatsdienst is verleend.

4.3.2 Ten aanzien van het in 3.1 primair onder II gevorderde overweegt het hof als volgt. Volgens artikel 39 WRM zijn ter zake van de salarissen, emolumenten en andere vergoedingen van militaire landsdienaren, de artikelen 28 tot en met 35 Pw van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen. [verzoeker] heeft niet duidelijk gesteld wanneer hij voor het laatst zijn salaris heeft ontvangen, terwijl de Staat daarover evenmin iets heeft aangevoerd. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard tot 1990 te zijn uitbetaald en daarna niet meer. Vaststaat dat hij vanaf 22 februari 1990 tot en met 25 augustus 1992 in detentie heeft gezeten. Geconstateerd wordt dat [verzoeker] achterstallig salaris vordert vanaf september 1992, zodat het ervoor wordt gehouden dat hij meent aanspraak te maken op salaris vanaf die maand. Bij de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag zal derhalve daarvan worden uitgegaan. Nu [verzoeker] de vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld op 22 november 2013, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van de maand september 1992 het besluit te hebben genomen om het salaris van [verzoeker] niet meer te betalen, is hij tardief in het gevorderde zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.4 Thans zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. Blijkens de ontslagbeschikking wordt aan [verzoeker], kort gezegd, verweten zich aan plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt, daarin bestaande dat hij strafrechtelijk is veroordeeld en dientengevolge in detentie heeft gezeten alsmede dat hij vanaf zijn invrijheidstelling in 1992 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel. Op grond daarvan is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 WRM ontslag verleend.

4.5 Het hof overweegt ten aanzien van het gestelde plichtsverzuim dat zou bestaan in de strafrechtelijke veroordeling en de daaropvolgende detentie van [verzoeker] als volgt.De Staat heeft in dit kader verwezen naar artikel 61 lid 2 sub b Pw, welk artikel bepaalt dat een landsdienaar mede geacht wordt zich aan plichtsverzuim te hebben schuldig gemaakt, indien hij in de loop van zijn dienstverband bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot vrijheidsstraf ter zake van een buiten verband met de dienst opzettelijk begaan misdrijf.Vooropgesteld wordt dat blijkens artikel 35 lid 5 WRM onder plichtsverzuim mede wordt verstaan wangedrag in de dienst dan wel buiten de dienst, voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling van de militaire ambtenaar of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt. Daarbij is bepaald dat artikel 61, leden 2, 3, 5 en 6 Pw van overeenkomstige toepassing zijn.Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] dan wel de Staat in beroep is gegaan tegen het vonnis waarbij [verzoeker] strafrechtelijk is veroordeeld, zodat het ervoor wordt gehouden dat dit veroordelend vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. [verzoeker] heeft niet weersproken dat in casu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 61 lid 2 sub b Pw, zodat zijn stelling dat van plichtsverzuim geen sprake is, wordt verworpen. Het hof tekent daarbij aan dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld zich te verweren ter zake van de ongeoorloofde afwezigheid van zijn dienstonderdeel vanaf mei 1990, van welke gelegenheid [verzoeker] ook gebruik heeft gemaakt door zich schriftelijk te verweren.

4.6 Het hof overweegt ten aanzien van het gestelde plichtsverzuim dat daarin zou bestaan dat [verzoeker] vanaf zijn invrijheidstelling in 1992 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel, als volgt. [verzoeker] heeft zich kort na zijn invrijheidstelling op 26 augustus 1992 aangemeld bij de dienst teneinde zijn werkzaamheden te hervatten. Hij is echter nimmer daartoe opgeroepen. De comparitiegevolmachtigde van de Staat heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] zich na zijn vrijlating had moeten aanmelden bij kolonel [naam 7], hoofd Personeelswezen, of bij zijn directe commandant bij de militaire politie, die dan op basis van de bevindingen zou beslissen of hij gehandhaafd kon worden of niet. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij heeft nagelaten zich aan te melden bij een van de hiervoor genoemde personen, zodat in rechte hiervan wordt uitgegaan. Daarnaast heeft [verzoeker], toen hij geen nadere instructies kreeg omtrent het hervatten van zijn werkzaamheden, zich pas in 2008 – derhalve na 16 jaren – weer aangemeld bij de dienst en daarna vervolgens pas weer in 2012. Op [verzoeker] rustte een eigen verantwoordelijkheid om, toen instructies omtrent zijn wedertewerkstelling uitbleven, daarover tijdig navraag te doen bij de dienst. [verzoeker] heeft geen verklaring gegeven voor het tijdsverloop van 16 jaren tussen de eerste en de tweede aanmelding. Gesteld noch gebleken is dat aan [verzoeker] niet kan worden toegerekend het nalaten om zich na zijn invrijheidstelling voor de hervatting van zijn werkzaamheden aan te melden bij de juiste functionaris en het tijdsverloop van 16 jaren tussen de eerste en de tweede aanmelding. Naar het oordeel van het hof heeft de minister terecht geoordeeld dat [verzoeker] vanaf zijn invrijheidstelling in 1992 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel en zich derhalve aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt en dat dit plichtsverzuim zodanig ernstig is dat het ontslag van [verzoeker] gerechtvaardigd is. Met het voorgaande wordt de stelling van [verzoeker] dat van ongeoorloofd verzuim geen sprake kan zijn omdat hij niet is vervolgd wegens het zich onttrekken aan de dienstplicht, wat overigens daarvan zij, verworpen.

4.7 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat in strijd met het bepaalde in artikel 6 Pw terugwerkende kracht is toegekend aan de in de ontslagbeschikking opgenomen bepaling dat hij ingevolge artikel 39 WRM juncto artikel 28 lid 3 Pw en artikel 1614b BW geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding over de periode waarin hij zijn ambtsverplichtingen niet heeft vervuld en wel te rekenen van mei 1990 tot en met de datum van ingang van het ontslag. Het hof volgt [verzoeker] niet in dit betoog, aangezien vorenbedoelde bepaling niet is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 6 Pw en daarenboven van terugwerkende kracht in de zin van voormeld artikel geen sprake is.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat van strijd met de wet of met enig door [verzoeker] genoemd algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is, zodat er geen grond is voor nietigverklaring van het ontslagbesluit. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 primair onder I gevorderde zal worden afgewezen.

4.9 Nu de primaire vordering niet kan worden toegewezen, zal het hof overgaan tot de beoordeling van de subsidiaire vordering.

De subsidiaire vordering

Bevoegdheid
4.10 [verzoeker] vordert in 3.1 subsidiair onder III betaling van achterstallig salaris, naar het hof begrijpt, vanaf september 1992 tot en met 24 oktober 2013. Het hof is op dezelfde gronden als in 4.2.2 vermeld, bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.11 Uit hetgeen in 4.3.2 ter zake van het in 3.1 primair onder II gevorderde is overwogen, volgt dat [verzoeker] ook in het in 3.1 subsidiair onder III gevorderde tardief is en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.12 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet valt binnen de limitatieve opsomming van hetgeen mag worden gevorderd ingevolge het bepaalde in artikel 79 Pw.

4.13 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 primair onder II gevorderde.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 subsidiair onder III gevorderde.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. C.P. Baal namens mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name A. het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
B. het Ministerie van Buitenlandse zaken,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 09 mei 2014;
  • het verweerschrift ingediend op 16 september 2014;
  • de beschikking van het hof van 14 november 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 05 december 2014, welk verhoor is verplaatst naar 15 mei 2015;
  • de processen-verbaal van het op 15 mei 2015 gehouden verhoor van partijen en de op 03 juli 2015 gehouden voortzetting daarvan;
  • de pleitnota d.d. 07 augustus 2015;
  • de antwoordpleitnota d.d. 06 november 2015;
  • de repliekpleitnota d.d. 04 december 2015;
  • de dupliekpleitnota d.d. 15 januari 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 april 2016, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] is op basis van een arbeidsovereenkomst te rekenen van 01 juni 2003 in overheidsdienst getreden en tewerkgesteld als coördinator van het secretariaat van de Staatsraad bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Directoraat Algemene Zaken). Het dienstverband is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.2 Bij resolutie [nummer] is [verzoekster] te rekenen van 01 oktober 2006 overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.3 De Raad van Ministers heeft bij missive d.d. 28 december 2006 [nummer 2]/RvM (hierna: de missive) goedgekeurd dat [verzoekster] – volgens de missive in vaste dienst werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken – wordt voorgedragen voor benoeming in consulaire rang van consul-generaal (schaal 21) te rekenen van 15 december 2006 en dat zij te rekenen van dezelfde datum wordt gedetacheerd naar het Consulaat-Generaal van de Republiek Suriname in Amsterdam, Nederland.

2.4 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 17 september 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken bericht:“Geachte Minister,Hierbij vraag ik uw aandacht voor het volgende.Mevrouw Drs. [verzoekster], heeft mijn hulp ingeroepen voor de kwestie van haar vaste aanstelling bij de Centrale Overheid i.c. het Ministerie van Buitenlandse zaken. Zoals aan mij is medegedeeld heeft de Raad van Ministers in zijn vergadering van 28 december 2006 [nummer 2]/RvM goedgekeurd dat Mevr. [verzoekster], in vaste dienst werkzaam op het ministerie van Buitenlandse zaken wordt voorgedragen voor benoeming in de Consulaire rang van Consul Generaal (schaal 21) (…).Van Mevr. [naam] van uw ministerie heb ik begrepen, dat de vaste aanstelling van mijn cliënte problemen oplevert, omdat zij bij indiensttreding de leeftijd van 35 jaren reeds had bereikt en al zodoende niet kan worden voorzien van een vaste aanstelling. Afgezien van het feit dat dit standpunt juist is of niet wordt opgemerkt dat Mevr. [verzoekster] sedert het jaar 2009 pensioen premie heeft gestort (…).Nu de Raad van Ministers haar definitieve benoeming en bevordering heeft goedgekeurd en gelet op haar pensioenstorting, verzoek ik u beleefd doch dringend te willen bevorderen dat de concept resolutie die reeds is opgemaakt betreffende haar vaste aanstelling en benoeming tot Consul Generaal op korte termijn kan worden geeffectueerd. In afwachting van uw spoedige berichten.”

2.5 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft ter zake van het in 2.4 vermeld schrijven d.d. 17 september 2013, twee herinneringsschrijven d.d. 14 oktober 2013 en 26 november 2013 gericht aan de minister van Buitenlandse Zaken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om:
a. die handelingen te verrichten, zodat zij in het bezit kan worden gebracht van een vaste aanstelling;
b. haar te benoemen in de functie van consul-generaal overeenkomstig de missive van 28 december 2006 (schaal 21);
c. haar te voorzien van de bezoldiging en overige emolumenten verbonden aan de rang van consul-generaal;
d. aan haar een dwangsom te betalen van SRD 10.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster] is bij de in 2.1 genoemde arbeidsovereenkomst te rekenen van 01 juni 2013 (lees: 01 juni 2003) in dienst getreden van de Staat in de rang van coördinator van het secretariaat van de Staatsraad bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De Staat heeft nagelaten [verzoekster] te benoemen tot consul-generaal en derhalve slechts gedeeltelijk uitvoering gegeven aan de missive. Bij het in 2.4 vermeld schrijven d.d. 17 september 2013 heeft [verzoekster] de Staat op deze nalatigheid gewezen en gevraagd om haar aanstelling in vaste dienst en haar benoeming tot consul-generaal op korte termijn te effectueren. De verdere uitvoering van de missive in vorenbedoelde zin door de Staat is echter uitgebleven, ook na het in 2.5 vermeld herinneringsschrijven van [verzoekster] gericht aan de Staat. Laatstgenoemde maakt met zijn nalatigheid ernstige inbreuk op de rechtspositie van [verzoekster] en op haar financieel vermogen. [verzoekster] heeft een gerechtvaardigd belang bij de vordering, te meer zij vanaf het jaar 2007 pensioenpremie heeft betaald.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 De Staat heeft, naar het hof begrijpt, als formeel verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoekster], omdat, kort gezegd:

  1. in artikel 79 van de Personeelswet (Pw) limitatief zijn opgesomd de vorderingen waarover het hof bevoegd is te oordelen en het door [verzoekster] gevorderde niet daartoe behoort;
  2. [verzoekster] geen ambtenaar is maar arbeidscontractant, waardoor de rechtsrelatie tussen [verzoekster] en de Staat wordt beheerst door het contractenrecht en de Personeelswet slechts aanvullende werking heeft.

4.1.2 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat [verzoekster] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 Pw. Hieraan doet niet af dat [verzoekster] in het verzoekschrift spreekt van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. In de kop van de door [verzoekster], als productie bij het verzoekschrift, in fotokopie overgelegde arbeidsovereenkomst staat vermeld: “ARBEIDSOVEREENKOMST INGEVOLGE ARTIKEL 15 LID 1 VAN DE PERSONEELSWET”. Blijkens artikel 83 Pw zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 – hieronder vallen artikelen 78 tot en met 82 Pw (de rechtsmiddelen) – van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten – zoals [verzoekster] – en op vorderingen betreffende arbeidsovereenkomsten, welke door het land zijn gesloten.In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan het door [verzoekster] gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald, in casu het nalaten om [verzoekster] te voorzien van een vaste aanstelling, haar te benoemen in de functie van consul-generaal overeenkomstig de missive en haar te voorzien van de bezoldiging en overige emolumenten verbonden aan de rang van consul-generaal. Gelet op het voorgaande is het hof bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde. Het verweer van de Staat faalt.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft tevens als formeel verweer aangevoerd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De Staat heeft in dit kader, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 17 september 2013 de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om haar positie als consul-generaal vast te stellen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat [verzoekster] ten aanzien van dit verzoek recht heeft op een beslissing van de minister binnen zes maanden. Nu voormeld verzoek is gedaan op 17 december 2013, heeft [verzoekster] nog vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden de vordering op 09 mei 2014 bij het hof ingesteld.

4.2.2 Het hof stelt voorop dat de Staat bij zijn betoog dat [verzoekster] haar vordering bij het hof heeft ingesteld nog vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden waarbinnen de minister diende te beslissen op het in 2.4 bedoeld verzoek van [verzoekster], kennelijk abusievelijk is uitgegaan van een schrijven d.d. 17 december 2013 in stede van het schrijven van [verzoekster] d.d. 17 september 2013. Op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering als de onderhavige niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Hieruit volgt dat de minister, nu hij binnen voormelde termijn niet uitdrukkelijk heeft beslist op het bij het schrijven van [verzoekster] d.d. 17 september 2013 gedane verzoek om haar aanstelling in vaste dienst en haar benoeming tot consul-generaal te effectueren, geacht wordt op 17 maart 2014 een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. [verzoekster] heeft de onderhavige vordering op 09 mei 2014 bij het hof ingesteld, zodat niet juist is het betoog van de Staat dat de vordering is ingesteld vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden waarbinnen de minister diende te beslissen op het verzoek van [verzoekster], wat overigens zij van de daaraan verbonden consequentie van niet-ontvankelijkheid in de visie van de Staat. Nu de onderhavige vordering bij het hof is ingesteld op 09 mei 2014, derhalve binnen drie maanden na 17 maart 2014, is [verzoekster] op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw daarin ontvankelijk. Ook dit verweer van de Staat faalt.

4.3 Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering. De comparitiegevolmachtigde van de Staat heeft ter gelegenheid van de gehouden voortzetting van het verhoor van partijen onweersproken verklaard dat [verzoekster] wel is benoemd in de functie van consul-generaal, zodat dit in rechte tussen partijen is komen vast te staan. Het hof concludeert hieruit dat de Staat vorenbedoelde benoeming van [verzoekster] niet achterwege heeft gelaten. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken gesteld dat zij reeds met pensioen is. Het hof overweegt dat, nu [verzoekster] niet meer in dienst van de Staat is, de Staat reeds hierom haar niet kan voorzien van een vaste aanstelling noch van de bezoldiging en emolumenten behorende bij de functie van consul-generaal. Daaraan doet niet af dat [verzoekster] in [land] werkzaam is geweest in de functie van consul-generaal en dat zij, volgens haar, niet de volledige bezoldiging en emolumenten behorende bij die functie heeft ontvangen.Overigens heeft de missive blijkens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer van het hof slechts interne werking en bezit deze tegenover [verzoekster] geen enkele rechtskracht zolang de desbetreffende resolutie niet door het daartoe bevoegde gezag is opgemaakt en goedgekeurd.Nu de door [verzoekster] gestelde handelingen, hetzij niet door de Staat zijn nagelaten, hetzij niet door de Staat kunnen worden verricht, is er geen grond voor het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van deze handelingen, zodat de vordering zal worden afgewezen. Ten overvloede wordt overwogen dat indien [verzoekster] meent schade te hebben geleden als gevolg van enig nalaten van de Staat in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zij een vordering tot vergoeding van deze schade had moeten instellen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

4.4 De gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 01 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door dhr. S. Sewgobind, LL.M namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld