SRU-HvJ-2019-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. V.V.C. Piqué, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 17 juli 2014;
  • het verweerschrift d.d. 21 november 2014;
  • de beschikking van het hof van 20 april 2015 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015, welk verhoor is verplaatst naar 05 juni 2015;
  • de processen-verbaal van het op 05 juni 2015 gehouden verhoor van partijen en de op 03 juli 2015 gehouden voortzetting daarvan;
  • de schriftelijke uitlating zijdens de Staat d.d. 06 november 2015, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en uitlating productie zijdens [verzoekster] d.d. 04 december 2015;
  • de schriftelijke uitlating zijdens de Staat d.d. 05 februari 2016, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde productie zijdens [verzoekster] d.d. 06 mei 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] – in de desbetreffende arbeidsovereenkomst aangeduid als: [naam] – is te rekenen van 01 september 2008 als arbeidscontractant in dienst getreden van het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer in de functie van juridisch medewerkster op het Hypotheekkantoor.

2.2 Vervolgens is [verzoekster] gedurende de periode van 16 november 2009 tot en met 14 mei 2013 werkzaam geweest op het Bureau Intellectuele Eigendom van het ministerie van Justitie en Politie.

2.3 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 22 juli 2010, gericht aan de directeur van Justitie en Politie, het verzoek gedaan haar in vaste dienst aan te stellen.

2.4 [verzoekster] heeft gedurende de periode dat zij werkzaam was op het Bureau Intellectuele Eigendom drie keren waargenomen de functie van hoofd van dit bureau. [verzoekster] heeft diverse keren schriftelijk geïnformeerd naar haar aanstelling in vaste dienst en de betaling van de toelage ter zake van vorenbedoelde waarneming.

2.5 Bij schrijven d.d. 14 mei 2013, [nummer], heeft de directeur van Justitie en Politie onder meer aan [verzoekster] meegedeeld dat zij, [verzoekster], te rekenen van 15 mei 2013 tewerk wordt gesteld op het Bureau Rechtszorg van de Hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden en haar verzocht zich op dezelfde datum voor de dienst aan te melden bij het waarnemend hoofd van voormeld bureau.

2.6 Bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 02 maart 2015, [nummer 2], is [verzoekster] te rekenen van 01 oktober 2011 voorzien van een aanstelling in vaste dienst.

2.7 Bij schrijven d.d. 15 oktober 2015 heeft mevr. [naam 2], beleidsadviseur Personeelsaangelegenheden van het ministerie van Justitie en Politie, onder meer aan de directeur van dit ministerie gerapporteerd dat:

  • het raadsvoorstel betreffende de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoekster], welk raadsvoorstel op 02 maart 2015 is aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken, thans nog in behandeling is bij de Raad voor Personeelsaangelegenheden;
  • het ministerie van Binnenlandse Zaken voor de formele afhandeling, inclusief de administratieve uitvoering, maximaal twee maanden respijt heeft gevraagd.

2.8 De minister van Binnenlandse Zaken heeft bij schrijven d.d. 04 februari 2016, BIZA [nummer 3], het volgende aan de minister van Justitie en Politie bericht:“Aan: De Minister van Justitie en Politie.
Betreft: Toekenning waarnemingstoelage aan mevr. mr. [verzoekster]
Onder verwijzing naar uw voorstel d.d. van 2 februari 2015 [nummer 4], deel ik U mede dat mijnerzijds geen bezwaar bestaat aan (…) mevr. mr. [verzoekster], die de functie van Hoofd Bureau Intelectuele Eigendom gedurende de na volgende periode heeft waargenomen een waarnemingstoelage toe te kennen t.w.:

  • 6 september 2010 t/m 17 december 2010;
  • 1 augustus 2011 t/m 4 november 2011;
  • 24 december 2012 t/m 15 maart 2015.

Aan betrokkene zal krachtens de thans geldende regeling een waarnemingstoelage worden toegekend.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert na vermindering van eis, zakelijk weergegeven, dat de Staat bij vonnis zal worden veroordeeld om haar binnen een maand na betekening van het vonnis in aanmerking te doen komen voor de toelage, met eventuele emolumenten, voor de waarneming als hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom gedurende de drie navolgende perioden, namelijk van 04 september 2010 tot en met 19 december 2010, van 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en van 24 december 2012 tot en met 15 maart 2013, ten bedrage van SRD 10.221,85, althans het bedrag dat na deugdelijk onderzoek op rechtmatige wijze is vastgesteld door de Staat, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor elke dag of keer dat de Staat in strijd handelt met deze veroordeling. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster] heeft drie keren waargenomen als hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom en wel van 04 september 2010 tot en met 19 december 2010, van 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en van 24 december 2012 tot en met 15 maart 2013. [verzoekster] komt voor de waarneming over voormelde perioden conform artikel 22 lid 4 van de Personeelswet (Pw) in aanmerking voor een waarnemingstoelage. Ondanks de diverse brieven gericht aan en de toezeggingen van de bevoegde instanties, is de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoekster] achterwege gebleven. De waarnemingstoelage bedraagt in totaal SRD 10.221,85. Door het achterwege laten van de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoekster], op welke toelage [verzoekster] aanspraak maakt, handelt de Staat in strijd met artikel 22 lid 4 Pw alsmede met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel en derhalve onrechtmatig jegens [verzoekster].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Vaststaat dat [verzoekster] gedurende dit geding bij de in 2.6 vermelde beschikking d.d. 02 maart 2015 van een aanstelling in vaste dienst is voorzien. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen ingetrokken de aanvankelijk door haar gevorderde veroordeling van de Staat om haar van een aanstelling in vaste dienst te voorzien, onder verbeurte van een dwangsom. De Staat heeft zich niet verzet tegen de intrekking, zodat de vordering wordt geacht te zijn ingetrokken.

4.2.1 De op grond van het voorgaande verminderde eis van [verzoekster] is weergegeven in 3.1. Het gevorderde strekt tot betaling van een waarnemingstoelage, onder verbeurte van een dwangsom.

4.2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 4 Pw voor de waarneming van de functie van hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage. De Staat heeft in fotokopie overgelegd het in 2.8 vermeld schrijven van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 04 februari 2016 (productie bij de schriftelijke uitlating d.d. 05 februari 2016), waaruit blijkt dat laatstgenoemde geen bezwaar heeft om aan [verzoekster] toe te kennen een waarnemingstoelage voor de waarneming van de functie van hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom over de perioden: 06 september 2010 tot en met 17 december 2010, 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en 24 december 2012 tot en met 15 maart 2015 (lees kennelijk: 15 maart 2013). De Staat heeft niet weersproken de door [verzoekster] gevorderde waarnemingstoelage ad SRD 10.221,85, zoals berekend over de perioden van 04 september 2010 tot en met 19 december 2010, 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en 24 december 2012 tot en met 15 maart 2013 en gespecificeerd in het door [verzoekster] overgelegde overzicht (productie no. 9 bij het verzoekschrift). Gelet op het voorgaande zal de vordering – voor zover de waarnemingstoelage niet reeds aan [verzoekster] is betaald – worden toegewezen als in het dictum te melden.

4.3 Nu het gevorderde strekt tot de betaling van een waarnemingstoelage en de Staat dit gevorderde niet bestrijdt, zal in dit specifieke geval de medegevorderde dwangsom worden afgewezen.

4.4 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verstaat dat de vordering tot veroordeling van de Staat om [verzoekster] van een aanstelling in vaste dienst te voorzien, onder verbeurte van een dwangsom, is ingetrokken.

5.2 Veroordeelt de Staat – voor zover de betaling van de na te noemen waarnemingstoelage aan [verzoekster] nog niet is geschied – om aan [verzoekster] te betalen een waarnemingstoelage voor de waarneming van de functie van hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom ten bedrage van SRD 10.221,85 (tienduizend tweehonderdeneenentwintig 85/100 Surinaamse dollar).

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 01 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. V.V.C. Pique, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door dhr. S. Sewgobind, LL.M namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in het bijzonder het Ministerie van Openbare Werken, thans het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: voorheen mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat, thans mr. N.U. van Dijk, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2014;
  • het verweerschrift en uitlating producties d.d. 07 november 2014, met producties;
  • de beschikking van het hof van 20 april 2015 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015, welk verhoor is verplaatst naar 19 juni 2015;
  • het proces-verbaal van het op 19 juni 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • het schrijven van mr. dr. J. van Dijk-Silos d.d. 02 oktober 2015, waarbij zij zich als gemachtigde van de Staat onttrekt aan de zaak en het schrijven van mr. N.U. van Dijk van dezelfde datum, waarbij zij zich stelt voor de Staat;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen zijdens de Staat d.d. 15 januari 2016;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens [verzoeker] d.d. 15 april 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 17 juni 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 januari 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst bij het Ministerie van Openbare Werken, laatstelijk in de functie van onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken. [verzoeker] is tevens parlementariër.

2.2 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 oktober 2010, Bureau [nummer], [nummer 2] (hierna: de ontheffingsresolutie), is [verzoeker] met toepassing van artikel 23 lid 5 van de Personeelswet (Pw) te rekenen van 20 september 2010 ontheven uit de functie van onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken en per dezelfde datum ter beschikking gesteld van de minister van Openbare Werken (hierna: de minister), met behoud van zijn bezoldiging en met gelijktijdige omzetting van de representatietoelage in een overgangstoelage.

2.3 [verzoeker] is bij verzoekschrift d.d. 22 februari 2011 bij het hof opgekomen tegen vorenbedoeld ontheffingsbesluit.

2.4 De directeur Civieltechnische Werken van Openbare Werken (hierna: de directeur) heeft bij schrijven d.d. 28 juli 2011, 17 augustus 2011, 23 september 2011, 14 oktober 2011 en 17 oktober 2011 [verzoeker] opgeroepen dan wel gesommeerd om zich aan te melden voor hervatting van de dienst.

2.5 Bij schrijven d.d. 20 oktober 2011 heeft de directeur onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: bespreking inzake uw functie als ambtenaar
Geachte heer [verzoeker],
Middels deze bevestig ik, het met u gevoerde gesprek op woensdag 19 oktober 2011 te mijner kantore op het Ministerie van Openbare Werken.
Hierbij heb ik u duidelijk geïnstrueerd, in uw hoedanigheid van ambtenaar, informatie betreffende het Ministerie van Openbare Werken niet naar buiten te laten gaan c.q. niet te bespreken en ook niet bespreekbaar te maken zonder mijn nadrukkelijke goedkeuring.
Het confidentialiteits beginsel is bij u, als ambtenaar op het Ministerie, onverkort van toepassing. Andere door ons besproken onderwerpen zullen na uitwerking eveneens schriftelijk worden vastgelegd.Wij hopen dat u zich, zoals afgesproken, aan deze gedragscode zal houden en verblijven.”

2.6 De minister heeft middels schrijven d.d. 28 januari 2013 aan [verzoeker] aangeboden een exemplaar van een werkomschrijving en afspraken betreffende het functioneren van [verzoeker] op het ministerie, met het verzoek dit te ondertekenen en te retourneren. Daarbij is [verzoeker] tevens aangezegd om zich op 29 januari 2013 aan te melden bij de directeur om de omschreven werkzaamheden te kunnen starten.Voormelde werkomschrijving en afspraken luiden als volgt:

“WERKOMSCHRIJVING

  1. .Adviseert gevraagd en ongevraagd, de departementsleiding inzake de diverse beleidsgebieden van het Ministerie van Openbare werken.
  2. Brengt advies uit m.b.t. diverse rapporten.
  3. Ondersteunt c.q. adviseert de departementsleiding t.a.v. diverse vraagstukken het Ministerie regarederende [sic] zowel nationaal als internationaal.
  4. Volgt de instructies verkregen vanwege de departementsleiding m.b.t. de ondersteuning aan het beleid van het Ministerie.
  5. Stelt alles in het werk om de werksfeer op Openbare Werken te helpen bevorderen.

AFSPRAKEN M.B.T. HET FUNCTIONEREN.

  1. U tekent de presentie in op het secretariaat van de Directeur van het Directoraat Civiel Technische Werken van Openbare Werken tot uiterlijk 7.15 van maandag tot en met vrijdag en u tekent van maandag tot en met donderdag uit uiterlijk 15.00 uur. Op de vrijdag tekent u 14.30 uur uit. (Het e.e.a. conform de dienstvoorschriften voor landsdienaren (Rondzendbrief van 15 mei 2003 [nummer 3]).
  2. Op de dagen dat u D.N.A. vergaderingen moet bijwonen, bent u vrijgesteld van dienst. Vermeld dient te worden dat u op de dagen dat u D.N.A. vergaderingen moet bijwonen, voor 8.00 uur s’morgens, dit telefonisch doorgeeft aan het secretariaat van de Directeur van het Directoraat Civiel Technische Werken op telefoonnummer: [nummer].”

2.7 Bij schrijven d.d. 28 augustus 2013, [nummer 4], heeft de minister [verzoeker] onder meer meegedeeld dat hij, [verzoeker], blijkens zijn personeelsdossier op verschillende data in het jaar 2011 door de departementsleiding is aangezegd de dienst te hervatten, doch dat hij zulks tot op heden heeft nagelaten. [verzoeker] is vervolgens aangezegd om zich op 30 augustus 2013 om 07.00 uur aan te melden bij de minister voor hervatting van de dienst en meegedeeld dat bij die gelegenheid met hem zal worden besproken de werkzaamheden waarmee hij zal worden belast en de wijze van uitvoering van deze werkzaamheden.

2.8 Op 30 augustus 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de minister en [verzoeker].

2.9 Bij schrijven d.d. 02 september 2013, [nummer 5], heeft de minister onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: Hervatting werkzaamheden op het Ministerie van Openbare Werken
Heer [verzoeker],
Met verwijzing naar mijn eerder schrijven gedateerd 28 augustus 2013, kenmerk [nummer 4] en het onderhoud welke ik met u had op 30 augustus jl. moge het volgende gelden:
(…)
Aangezien het ministerie grote behoefte heeft aan deskundig kader, wordt u per onmiddellijk belast met het adviseren van de minister omtrent te treffen maatregelen nodig voor het optimaliseren van het functioneren van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, alsook het mede begeleiden en monitoren van de in dit kader uit te voeren activiteiten en het hieromtrent rapporteren naar de minister.In verband met het voorgaande, zult u een werkplek toegewezen krijgen op het ministerie. Vanwege uw rol bij het begeleiden van het transformatieproces op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, wordt het noodzakelijk geacht dat u dagelijks aanwezig bent op de werkplek. Rekening houdend met het door u t/m 27 september 2013 aangevraagd verlof, wordt u middels deze aangezegd zich op de eerstvolgende werkdag na afloop van het verlof, om 07.00 uur aan te melden bij de minister voor nadere instructies.”

2.10 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2013 onder meer het volgende aan de minister meegedeeld:
“Betreft: uw schrijven d.d. 2 september 2013,

Geachte Minister,
Zoals u uit de bijlagen behorende bij mijn brief d.d. 29 augustus 2013 en mijn brief van 29 januari 2013 heeft kunnen vernemen alsook van hetgeen ik eerder mondeling aan de orde heb gesteld, ben ik bereid mijn plichten als ambtenaar te vervullen.
(…)
Een ander zeer belangrijk punt, dat door mij aan de orde is gesteld, is dat mijn nieuwe taken vooraf duidelijk moeten zijn. Dus voordat aan de uitoefening van de werkzaamheden in een andere functie wordt begonnen.U stelt in uw brief d.d. 2 september 2013 dat ik belast zal worden met het adviseren van de minister omtrent te treffen maatregelen nodig voor het optimaliseren van het functioneren van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, alsook het mede begeleiden en monitoren van de in dit kader uit te voeren activiteiten en het hieromtrent rapporteren naar de minister.Ik functioneerde vóór de ontheffing in functie van onderdirecteur Administratieve Diensten, derhalve behoef ik uit dien hoofde geen werk uit te voeren op een lager nivo [sic].U zou mij, zo begrijp ik, willen inzetten als interne ‘adviseur’. Naar ik begrijp wenst u geadviseerd te worden over hoe het functioneren van het personeel op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht te upgraden. Deze werkzaamheden vallen duidelijk niet onder de functie van onderdirecteur Administratieve Diensten. Ik wil daarom eerst duidelijkheid hebben over de aanduiding van de functie (functiebenaming) waaronder de door u gewenste advieswerkzaamheden worden gebracht, alsmede de formatie plaats binnen het Ministerie.
(…) Ik wil niet dat ik in een onzekere situatie terechtkom. Ik heb er namelijk, zoals u ook weet, niet zelf voor gekozen om in deze situatie te zijn. De ontheffing, die onterecht is, heeft buiten mij om plaatsgehad. Ik ben daarom van mening dat behalve vastlegging van mijn nieuwe taken ook vastgelegd dient te zijn dat ik op geen enkel onderdeel in [sic] ook in geen enkel opzicht afstand doe van de rechten die ik ontleen aan mijn functie als onderdirecteur Administratieve Diensten. Immers indien het Hof van Justitie de ontheffing vernietigt, moet ik in staat zijn wederom invulling aan die functie te geven. Een ander, maar niet minder belangrijk aspect, is mijn lidmaatschap van De Nationale Assemblee. Zoals u weet, ben ik gekozen en geïnstalleerd als volksvertegenwoordiger. In het parlementaire werk in Suriname is het altijd zo geweest dat parlementariërs met behoud van hun baan in de gelegenheid worden gesteld hun taken voortvloeiende uit hun lidmaatschap van het Parlement uit te oefenen. Deze benadering is gebaseerd op enerzijds het algemeen bekende feit dat de schadeloosstelling die parlementariërs ontvangen hun dagelijke kosten van levensonderhoud niet dekken en anderzijds op het feit dat indien de zittingsperiode van de parlementariër in kwestie erop zit hij niet zonder baan komt te zitten. Ik ben van mening dat ook mij een dergelijke bejegening toekomt. Er dienen derhalve duidelijke werkafspraken vooraf te worden gemaakt en die moeten ook bij anderen bekend zijn. Ik ben bereid daarover dan ook afspraken met u te maken.U bent zelf ook parlementariër geweest. Zoals u weet, kan die taak alleen naar behoren worden vervuld als ook effectief invulling gegeven kan worden aan het DNA-lidmaatschap en de daaraan verbonden verplichtingen en verantwoordelijkheden. Ik moet dus de vergaderingen kunnen bijwonen, alsook de andere bijeenkomsten welke aan deze functie verbonden zijn. Ook moet ik mij kunnen voorbereiden op deze bijeenkomsten en de nodige onderzoeken kunnen verrichten en contacten onderhouden.Ik verneem derhalve gaarne uw reactie op het voorgaande en dank u voor uw bereidwilligheid en begrip in dezen.”

2.11 Bij schrijven d.d. 11 oktober 2013, [nummer 6], heeft de minister onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: Verduidelijking omtrent aanvang werkzaamheden op het Ministerie van Openbare Werken
Heer [verzoeker],
Uw schrijven gedateerd 27 september 2013, heb ik in goede orde ontvangen. Uit de verschillende stellingen en argumenten welke u in genoemd schrijven poneert en aandraagt, destilleer ik in hoofdzaak het volgende:

  1. U wenst formalisatie van de taken waarmee u belast zult worden
  2. Tevens wenst u dat wordt vastgelegd dat u in geen enkel opzicht afstand doet van de rechten welke u meent te ontlenen aan de door u in het verleden bekleedde functie van Onder-Directeur Administratie van het Ministerie van Openbare werken
  3. U meent financieel niet rond te kunnen komen van de schadeloosstelling welke toegekend wordt aan parlementariërs, en heeft derhalve belang bij de instandhouding van de ambtenarenstatus en de daarbij behorende bezoldiging
  4. U wenst duidelijke afspraken ten aanzien van het combineren van uw lidmaatschap van De Nationale Assemblee en uw werkzaamheden als ambtenaar bij het Ministerie van Openbare Werken

Ten aanzien van het vorengaande, deel ik u het volgende mede:
Per resolutie gedateerd 25 oktober 2010, bureau [nummer], [nummer 2] bent u ontheven uit de functie van Onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken, en ter beschikking gesteld van de Minister van Openbare Werken. Aangezien u zich niet kunt verenigen met dit besluit heeft u ter zake de onafhankelijke rechter geadieerd, hetwelk uw goed recht is.Totdat anders is beslist door de rechter, blijft het regeringsbesluit echter in stand, en bent u ter beschikking van de Minister van Openbare Werken. Dit houdt in dat u op aangeven van de minister belast kunt worden met taken welke in overeenstemming zijn met uw opleidings- en ervaringsniveau. Indien u van mening bent dat het adviseren van de minister ten aanzien van beleidsvraagstukken van een lager niveau is dan het functioneren als onderdirecteur van het ministerie, dan is dat uw interpretatie en voor uw rekening.Verder acht ik het overbodig om vast te doen leggen dat u geen afstand doet van rechten welke u meent te ontlenen aan een functie die u in het verleden bekleedde. Ik veronderstel dat u bekend bent met het gegeven dat indien een onherroepelijke rechterlijke uitspraak u mocht herstellen in die functie, de rechten en plichten verbonden aan die functie, daarmee herleven.
(…)
Ten aanzien van het combineren van uw taken als lid van De Nationale Assemblee en die van ambtenaar op het Ministerie van Openbare Werken, geef ik u mee dat dezerzijds de medewerking zal worden verleend voor uw participatie aan de door de Griffier van de Nationale Assemblee uitgeschreven huishoudelijke en openbare vergaderingen, alsook de door de Griffier uitgeschreven vergaderingen van vaste commissies in welke u zitting heeft.Ik verwacht dat alle onzekerheden en onduidelijkheden welke bij u mochten hebben bestaan ten aanzien van uw functioneren op het ministerie, middels deze uiteenzetting zijn weggenomen. Derhalve wordt u – met verwijzing naar mijn eerdere brieven aan u – respectievelijk gedateerd 28 augustus 2013, kenmerk [nummer 4] en 2 september 2013, kenmerk [nummer 7] – middels deze nogmaals aangezegd zich zonder uitstel aan te melden bij de Minister van Openbare Werken voor hervatting van de werkzaamheden, en wel op de eerste werkdag volgend op de dagtekening van dit schrijven.Indien geen gehoor wordt gegeven aan deze aanzegging, zal het ministerie genoodzaakt zijn een tuchtrechtelijke procedure in te zetten.”

2.12 Bij schrijven d.d. 16 oktober 2013 heeft [verzoeker] onder meer het volgende aan de minister meegedeeld:
“Betreft: uw schrijven d.d. 11 oktober 2013
Geachte minister,
Ik heb met veel interesse kennis genomen van uw zienswijze over de wijze waarop u mij tegemoet wenst te komen met betrekking tot mijn wettelijke verplichtingen uit hoofde van mijn lidmaatschap van De Nationale Assemblee.
(…)
Deze kwestie verdient naar mening de nodige aandacht te krijgen opdat het geheel werkbaar blijft (overigens niet alleen voor mij maar ook voor andere parlementariërs in overheidsdienst). U kunt zich voorstellen dat ik niet in een positie wil komen waarbij ik mijn taken als parlementariër zou moeten verzaken.De invulling van de taken als parlementariër zijn zoals u weet niet beperkt tot het bijwonen van uitgeschreven huishoudelijke-, openbare- en commissievergaderingen.Mij is gebleken dat het doen van onderzoek, het voorbereiden van besprekingen en vergaderingen en het hebben van overleg met andere parlementariërs en deskundigen ook veel arbeidstijd in beslag neemt. Wil ik serieus inhoud geven aan mijn lidmaatschap van DNA dan is de beschikking over deze arbeidstijd onontbeerlijk. Ik zou u daarom, nu u mij klaarblijkelijk niet wenst tegemoet te komen in deze arbeidstijd en gelet op het feit dat mijn lidmaatschap over ruim anderhalf jaar al ten einde zal zijn, het voorstel willen doen om mij met behoud van salaris vrij te stellen van dienst.Ik zou graag een bespreking met u willen hebben over dit voorstel.Ik wil voor de volledigheid van de gelegenheid gebruik maken om te reageren op de overige inhoud van uw brief. De behoefte aan vastlegging van het standpunt dat ik geen afstand doe van mijn rechten is volgens mij gebruikelijk wanneer partijen een schikking treffen. Ook is het volgens mij op grond van de Personeelswet voorgeschreven dat de door de ambtenaar uit te voeren taken, immers zijn die gekoppeld aan een bevoegdheid, vooraf dienen te zijn omschreven. De functie dient volgens mij ook een grondslag te hebben in de op basis van de Personeelswet tot stand gekomen regelingen en/of besluiten. Ik heb met mijn stellingen hierover dus niet willen beweren dat het verrichten van werkzaamheden in het kader van het adviseren van de minister ten aanzien van beleidsvraagstukken van lager niveau zijn dan die verbonden aan de functie van onderdirecteur Administratieve Diensten. Ik wens slechts duidelijkheid vooraf. Volgens mij is het voor beide partijen wenselijk om vóóraf aan die duidelijkheid te werken.
(…)
Ik neem aan dat u begrip kunt opbrengen voor het feit dat ik als werknemer slechts duidelijkheid aan het vragen ben over de door mij te verrichten werkzaamheden, mijn functieaanduiding c.q. functiebenaming en mijn rechtspositie als ambtenaar en als parlementariër en dat u niet op grond hiervan tuchtrechtelijke maatregelen jegens mij treft.Ik wil bij dezen voor alle duidelijkheid tot slot nog benadrukken dat ik nog immer bereid ben mijn diensten als ambtenaar aan de overheid te verlenen. Ik stel overigens voor om, zolang op het hier vorenvermelde verzoek nog niet is beslist, duidelijke afspraken te maken over de wijze van afmelding in geval van andere verplichtingen, ziekte, verlof ect. van mijn zijde.”

2.13 [verzoeker] is bij schrijven van de minister d.d. 23 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld zich te verweren, hetgeen hij ook heeft gedaan bij schrijven d.d. 28 oktober 2013.

2.14 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 20 mei 2014, Bureau [nummer 8], [nummer 9] (hierna: de schorsingsresolutie), is [verzoeker] geschorst voor een periode van 1 (één) maand met stilstand van het door hem uit staatskas genoten salaris. Daartoe is als volgt overwogen: “dat de heer drs. [verzoeker] (…) die bij resolutie d.d. 25 oktober 2010 bureau [nummer], res. [nummer 10] ontheven is uit de functie van Onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken en ter beschikking is gesteld van de Minister van Openbare Werken vanaf augustus 2013 diverse malen is aangezegd dan wel aangeschreven om zich te melden voor hervatting van de dienst;dat de heer Drs. [verzoeker] voornoemd tegen deze aanzeggingen c.q. aanschrijvingen onder andere heeft aangevoerd dat:
a.hij in de gelegenheid dient te worden gesteld zijn taken, voortvloeiende uit het lidmaatschap van De Nationale Assemblee, uit te voeren;
b.er vooraf duidelijkheid dient te zijn over zijn functiebenaming en formatieplaats binnen het Ministerie; c.er uitdrukkelijk dient te worden vastgelegd, dat hij in geen enkel opzicht afstand doet van de rechten die hij meent te ontlenen aan de functie van Onderdirecteur Administratie;
hoewel in reactie op de stellingen van de heer Drs. [verzoeker] meergenoemd, de standpunten van het Ministerie daaromtrent schriftelijk uiteen gezet en betrokkene tevens bij herhaling is aangezegd dan wel aangeschreven de dienst te hervatten, heeft hij zulks nagelaten;dat een dergelijk [sic] handeling ernstig plichtsverzuim oplevert en niet getolereerd kan worden;dat betrokkene per schrijven van de Minister van Openbare Werken d.d. 23 oktober 2013, kenmerk [nummer 11] in de gelegenheid is gesteld zich terzake schriftelijk te verweren en zulks ook heeft gedaan per schrijven d.d. 28 oktober 2013;

In zijn verweer stelt betrokkene onder andere:

  1. dat het onjuist is dat hij geen gevolg heeft gegeven aan aanzeggingen om zich te melden voor hervatting van de dienst, daar hij zich juist iedere keer heeft gemeld;
  2. dat zijn functie en werkzaamheden hem sinds zijn ontheffing niet bekend zijn, en dat hij hieromtrent steeds om duidelijkheid heeft gevraagd.

Dat het verweer echter niet steekhoudend is bevonden, aangezien:

  1. betrokkene zich weliswaar heeft gemeld voor een bespreking met de Minister op 30 augustus 2013, waarvoor hij uitgenodigd is geworden, doch hij zich nimmer heeft gemeld voor diensthervatting;
  2. de werkzaamheden waarmee hij belast zou worden, hem kenbaar zijn gemaakt per schrijven d.d. 2 september 2013, kenmerk [nummer 7].

Dat de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is begaan, de ernst en de gevolgen daarvan het opleggen van de te melden tuchtstraf van schorsing in artikel 61 lid 1 aanhef onder h van de aangehaalde ‘Personeelswet’, rechtvaardigt.”

2.15 De schorsingsresolutie is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Gangaram Panday, d.d. 16 juli 2014 no. 219, aan [verzoeker] betekend.

2.16 Bij schrijven van de minister d.d. 25 juli 2014, [nummer 12], is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk te verweren ter zake van – volgens dit schrijven – zijn nalaten om zich, ondanks herhaalde aanzeggingen daartoe, aan te melden voor het verrichten van werkzaamheden alsmede zijn negatieve publieke uitlatingen over het beleid van de regering, dan wel het gevoerde beleid op het ministerie, dan wel de persoon van de minister.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard. Tevens is gevorderd het in de schorsingsresolutie vervatte schorsingsbesluit nietig te verklaren en de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het schorsingsbesluit, de gevolgen ervan en de gronden waarop het berust en wel om de volgende redenen. De schorsing is op onjuiste feiten gebaseerd. Het schorsingsbesluit is gebaseerd op de in 2.2 genoemde ontheffingsresolutie. [verzoeker] is bij verzoekschrift van 22 februari 2011 bij het hof opgekomen tegen de ontheffingsresolutie. Zolang het hof niet heeft beslist over de rechtmatigheid van de ontheffingsresolutie, kan deze op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet tegen [verzoeker] worden gebruikt als grondslag voor het schorsingsbesluit. Verder heeft [verzoeker] zich niet aan plichtsverzuim schuldig gemaakt. Immers heeft [verzoeker] zich wel voor diensthervatting gemeld en is hem nimmer, ondanks herhaalde verzoeken, duidelijkheid verschaft over zijn functie, zijn functieomschrijving en de daarbij behorende taken. Voorts is de maatregel van schorsing met inhouding van het salaris heel ingrijpend voor [verzoeker] en zijn gezin en voor het functioneren van [verzoeker] als parlementariër. De Staat wil met het schorsingsbesluit zijn politieke macht demonstreren door [verzoeker] functioneren als parlementariër te bemoeilijken. Het schorsingsbesluit is, nu met de belangen van [verzoeker] geen rekening is gehouden, dan ook in strijd met het beginsel van een redelijke belangenafweging. Ook de vereiste zorgvuldigheid is ver te zoeken. Op grond van het voorgaande is het bestreden schorsingsbesluit onwettig en komt het derhalve in aanmerking voor algehele nietigverklaring.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. De vorderingen waarvan het hof als ambtenarenrechter bevoegd is kennis te nemen, zijn limitatief opgesomd in artikel 79 Pw. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring. De vordering van [verzoeker] strekt tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem de tuchtstraf van schorsing voor een maand met stilstand van salaris is opgelegd. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar een tuchtstraf van schorsing is opgelegd, als waarvan in dit geding sprake is, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De schorsingsresolutie is op 16 juli 2014 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 14 augustus 2014 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde.

4.3 De Staat betwist dat de schorsing op onjuiste feiten is gebaseerd. De Staat voert in dit kader aan dat het schorsingsbesluit niet is gestoeld op de ontheffingsresolutie, maar op hetgeen zich na de ontheffing van [verzoeker] heeft voorgedaan. [verzoeker] heeft zich, ondanks daartoe te zijn aangezegd, nimmer aangemeld voor hervatting van de dienst, aldus de Staat.

4.4 Blijkens de schorsingsresolutie wordt [verzoeker], kort gezegd, verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim, daarin bestaande dat hij, ondanks vanaf augustus 2013 diverse malen te zijn aangezegd dan wel aangeschreven om zich te melden voor hervatting van de dienst, heeft nagelaten de dienst te hervatten.Geen der partijen heeft de verweeraanzegging d.d. 23 oktober 2013 overgelegd noch iets gesteld dan wel aangevoerd over de periode waarover [verzoeker] zich ter zake van plichtsverzuim diende te verweren. Het hof houdt het derhalve, gelet op de dagtekening van de verweeraanzegging en de inhoud van de schorsingsresolutie, ervoor dat het aan [verzoeker] verweten gedrag de periode van augustus 2013 tot en met 22 oktober 2013 betreft en het hof zal zijn beoordeling omtrent het vermeende plichtsverzuim dan ook tot deze periode beperken.

4.5.1 Het hof zal zich eerst buigen over de vraag of [verzoeker] zich heeft gedragen zoals bedoeld in de schorsingsresolutie, nu [verzoeker] dit ontkent.

4.5.2 De minister heeft [verzoeker] bij schrijven d.d. 28 augustus 2013 aangezegd zich op 30 augustus 2013 bij hem aan te melden voor hervatting van de dienst. De minister heeft, na op 30 augustus 2013 een gesprek te hebben gehad met [verzoeker] over diens wedertewerkstelling op het ministerie, laatstgenoemde bij schrijven d.d. 02 september 2013 meegedeeld welke de werkzaamheden zijn waarmee hij zal worden belast en hem aangezegd zich op de eerste werkdag na afloop van zijn verlof – dit is 30 september 2013 – aan te melden voor nadere instructies (zie 2.9). De minister heeft [verzoeker] vervolgens bij schrijven d.d. 11 oktober 2013 onder meer wederom aangezegd zich aan te melden voor hervatting van de werkzaamheden en wel op 14 oktober 2013 en voorts [verzoeker] meegedeeld dat, indien hij geen gehoor geeft aan deze aanzegging, het ministerie genoodzaakt zal zijn een tuchtrechtelijke procedure tegen hem in te zetten (zie 2.11).

4.5.3 [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onder meer het volgende verklaard:“Op uw vraag of ik mij heb aangemeld op mijn eerste werkdag na mijn verlof in september 2013 bij de minister, kan ik aangeven dat ik mij heb aangemeld om het werk te hervatten, maar dat het probleem met betrekking tot de onduidelijkheid van mijn taken er nog steeds was. Vandaar dat ik gevraagd heb aan de minister om eerst ontvangen te worden om de afspraken die mondeling op 30 augustus 2013 gemaakt zijn ten aanzien van mijn functioneren, de functie en mijn taakomschrijving en ook mijn functioneren als volksvertegenwoordiger te bespreken. Aangezien de minister niet aanwezig was heb ik een schrijven achtergelaten. Op uw vraag als ik mij heb aangemeld bij de minister nadat ik het schrijven van 11 oktober 2013 heb ontvangen kan ik aangeven dat ik direkt een schrijven heb gestuurd omdat het nog steeds niet duidelijk was welke functie en werkzaamheden ik moest uitvoeren.”

4.5.4 Een redelijke lezing van het schrijven van [verzoeker] d.d. 27 september 2013 en d.d. 16 oktober 2013 (zie 2.10 en 2.12) – in reactie op de aanzeggingen van de minister d.d. 02 september 2013 en d.d. 11 oktober 2013 – leidt naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie dan dat [verzoeker] over de door hem aangehaalde zaken in bedoeld schrijven eerst duidelijkheid wilde hebben, alvorens een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden. In zijn schrijven d.d. 27 september 2013 geeft [verzoeker] onder meer aan dat voor hem van belang is dat zijn nieuwe taken vooraf, dus voordat aan de uitoefening van de werkzaamheden in een andere functie wordt begonnen, duidelijk moeten zijn. Tevens maakt [verzoeker] in zijn schrijven d.d. 16 oktober 2013 onder meer gewag ervan dat hij slechts duidelijkheid vraagt omtrent de door hem te verrichten werkzaamheden, zijn functieaanduiding en zijn rechtspositie als ambtenaar tevens parlementariër en dat zulks geen grond oplevert voor het treffen van tuchtrechtelijke maatregelen jegens hem.

4.5.5 Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat [verzoeker], hoewel daartoe aangezegd, zich in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 niet heeft aangemeld om een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat hij zich wel heeft aangemeld voor hervatting van de dienst.

4.6 Thans is aan de orde de vraag of de in 4.5.5 als vaststaand aangenomen gedraging zijdens [verzoeker] (ernstig) plichtsverzuim oplevert. Het hof stelt voorop dat een werkgever die een werknemer uit zijn functie ontheft en hem vervolgens oproept om zich aan te melden voor de dienst, als goed werkgever ervoor dient zorg te dragen dat duidelijk is met welke werkzaamheden de werknemer bij zijn wedertewerkstelling zal worden belast.In de onderhavige zaak heeft de minister bij schrijven d.d. 02 september 2013 aan [verzoeker] kenbaar gemaakt met welke werkzaamheden hij zou worden belast, alsmede dat hij een werkplek op het ministerie krijgt toegewezen (zie 2.9). Naar het oordeel van het hof zijn vorenbedoelde werkzaamheden voldoende duidelijk omschreven en kon [verzoeker], vooral gelet op het feit dat hij zijn salaris als ambtenaar elke maand krijgt uitbetaald, in alle redelijkheid niet voorbijgaan aan de aanzegging van de minister om zich op 30 september 2013 voor nadere instructies aan te melden. Hieraan doet niet af dat aan [veroeker] naar eigen zeggen nog geen volledige duidelijkheid was verschaft omtrent onder meer de functieaanduiding, de formatieplaats en de afspraken omtrent de tegemoetkoming van het ministerie aan [verzoeker] ter zake van het verrichten van zijn werkzaamheden als parlementariër. In 4.9 gaat het hof nader op dit laatste in. Duidelijkheid over voormelde zaken kon immers ook na aanvang van de nieuwe werkzaamheden aan [verzoeker] worden verschaft. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] met zijn nalaten om zich, hoewel daartoe aangezegd, in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 aan te melden teneinde een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden, zich niet gedragen als het een goed en getrouw landsdienaar betaamt, één en ander zoals bepaald in artikel 36 Pw. [verzoeker] heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, welk plichtsverzuim in de schorsingsresolutie terecht als ernstig is aangemerkt.Het hof verwerpt, met inachtneming van het in 4.5.5 overwogene, derhalve de stelling van [verzoeker] dat het schorsingsbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.

4.7 Vervolgens moet worden beantwoord de vraag of in casu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. Naar het oordeel van het hof begreep [verzoeker] althans had hij kunnen begrijpen dat hij, in afwachting van de door hem gewenste duidelijkheid omtrent de zaken genoemd in 4.6, wel aan het werk diende te verschijnen, nu de aanzegging van de minister d.d. 02 september 2013 en d.d. 11 oktober 2013 niet voor andere uitleg vatbaar is. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim aan [verzoeker] kan worden toegerekend.

4.8 Het hof acht de aan [verzoeker] opgelegd tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand met inhouding van salaris niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het door [verzoeker] gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Hiermee wordt de vraag of het plichtsverzuim de opgelegde tuchtstraf rechtvaardigt, bevestigend beantwoord.

4.9 Het hof merkt op dat de ambtenaar die besluit zich verkiesbaar te stellen als lid van De Nationale Assemblée, erop bedacht dient te zijn dat een eventuele verkiezing tot lid van dit college hem niet ontslaat van zijn verplichtingen als ambtenaar noch dat zulks voor de werkgever enige verplichting meebrengt om hem te accommoderen in zijn werkzaamheden als parlementariër.De kennelijke stelling van [verzoeker] dat het ministerie hem zodanig tegemoet moet komen dat hij niet alleen in de gelegenheid wordt gesteld om de door de griffier van De Nationale Assemblée uitgeschreven openbare en huishoudelijke vergaderingen alsmede de vergaderingen van de vaste commissies waarin hij zitting heeft, bij te wonen, maar ook dat hij daarnaast in de gelegenheid wordt gesteld om tijdens kantooruren andere, naar zijn zeggen, aan het ambt van parlementariër verbonden werkzaamheden te verrichten, vindt dan ook in geen enkele (wettelijke) bepaling steun.De visie van [verzoeker] brengt mee dat de ambtenaar die tevens parlementariër is, zelf kan bepalen wanneer zijn werkzaamheden als parlementariër toelaten dat hij zijn verplichtingen als ambtenaar vervult, terwijl hij maandelijks wel zijn vol salaris als ambtenaar opstrijkt. Deze visie is naar het oordeel van het hof onjuist.In dit kader siert het [verzoeker] allerminst dat hij bij schrijven d.d. 16 oktober 2013 de minister het voorstel heeft gedaan om hem met behoud van zijn salaris als ambtenaar vrij te stellen van dienst, zodat hij naar eigen zeggen niet in een positie komt te verkeren waarbij hij zijn taken als parlementariër zou moeten verzaken.

4.10 Een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, kan ingevolge het bepaalde in artikel 79 leden 1 tot en met 3 Pw nietig worden verklaard wegens strijd met een wettelijk voorschrift, wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dan wel op de grond dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan.

4.11 Voor zover [verzoeker] betoogt dat het schorsingsbesluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor nietigverklaring in aanmerking komt, omdat het hof nog niet heeft beslist over de rechtmatigheid van het besluit tot de ontheffing van [verzoeker], zoals bedoeld in 2.2, volgt het hof [verzoeker] niet daarin. Immers, het schorsingsbesluit heeft als grondslag het aan [verzoeker] verweten plichtsverzuim, welk plichtsverzuim in rechte is komen vast te staan. De Staat heeft bovendien terecht aangevoerd dat zolang het ontheffingsbesluit niet nietig is verklaard, het in stand blijft. Naar het oordeel van het hof is strijd met het rechtszekerheidsbeginsel hier niet aan de orde.

4.12 Naar het hof begrijpt, betoogt [verzoeker] dat het schorsingsbesluit tot doel had het bemoeilijken van zijn functioneren als parlementariër, vanwege zijn kritische houding jegens de regering. Voor zover [verzoeker] hiermee erop doelt dat de President van zijn bevoegdheid tot het opleggen aan [verzoeker] van de in de schorsingsresolutie vermelde tuchtstraf, anders gebruik heeft gemaakt dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, volgt het hof [verzoeker] niet in voormeld betoog. Immers, hierboven is reeds overwogen dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim – kort gezegd het onwettig afwezig zijn van de dienst in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 – en dat hem daarvoor vorenbedoelde tuchtstraf is opgelegd.

4.13 Zoals hierboven in 4.8 reeds is overwogen acht het hof de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Naar het oordeel van het hof is met de belangen van [verzoeker] voldoende rekening gehouden en is van enige onzorgvuldigheid bij het nemen van het schorsingsbesluit geen sprake.

4.14 Uit het voorgaande volgt dat geen van de in 4.10 genoemde gronden voor nietigverklaring van het schorsingsbesluit aanwezig is, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.15 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.16 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] ontvankelijk in zijn vordering.

5.2 Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. G.R. Sewcharan namens advocaat mr. C.P. Baal en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. N.U. van Dijk,gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
dienende als beroepsinstantie van het Medisch Tuchtcollege

In de zaak van

[appellant], chirurg,
wonende aan [adres] te [district],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: thans mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

1. [stichting 1],
gevestigd aan [adres] te [district],
hierna aangeduid als “[stichting 1]”,
2. [stichting 2],
gevestigd aan [adres] te [district],
hierna aangeduid als “[stichting 2]”,
3. [geïntimeerde], huisarts
wonende aan [adres] te [district],
hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
geïntimeerden, hierna gezamenlijk aangeduid als “de Stichting c.s.”,
procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van de door het Medisch Tuchtcollege uitgesproken beslissing van
13 januari 2019 tussen de Stichting c.s. als klagers en [appellant] als degene over wie geklaagd is, spreekt de Fungerend President, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het aan de Secretaris van het Medisch Tuchtcollege gericht schrijven van de griffier van het Hof van Justitie waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld;
– het beroepschrift en de aanvulling daarop, beide overgelegd op 13 februari 2017, met producties;
– het schriftelijk antwoord op het beroepschrift (inclusief aanvulling) overgelegd op
13 februari 2019, met producties;
– de processen-verbaal van het op 22 november 2018, 16 januari 2019, 13 februari 2019 en 13 maart 2019 in raadkamer verhandelde.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2 Ingevolge artikel 62 van de Wet Medisch Tuchtrecht 1944 kan van eindbeslissingen door het Medisch Tuchtcollege genomen, schriftelijk beroep worden ingesteld binnen een maand gerekend van de dag van de uitspraak of, indien degene die in beroep komt bij de uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop de eindbeslissing hem is medegedeeld.
Het Hof constateert dat op de beslissing van het Medisch Tuchtcollege van 13 januari 2017 niet is aangetekend of [appellant] ter terechtzitting is verschenen op de dag van de uitspraak. Uit de inhoud van het procesdossier blijkt evenmin wanneer de eindbeslissing van het Medisch Tuchtcollege aan [appellant] is gezonden.
Nu hierop geen verweer is gevoerd, houdt het Hof het ervoor dat [appellant] het beroepschrift tijdig heeft overgelegd, zodat hij daarin ontvankelijk wordt geacht.

De feiten
3.1 [stichting 1] en [stichting 2] hebben met [rechtspersoon] – hierna aangeduid als “[werkgever]” – overeenkomsten gesloten betreffende de geneeskundige zorg voor rechthebbenden vanuit [werkgever]. [geïntimeerde], enig bestuurder van [stichting 1] en [stichting 2], heeft daarbij opgetreden als vertegenwoordiger van [stichting 1] en [stichting 2]. [geïntimeerde] is tevens als bedrijfsarts werkzaam bij [werkgever].

3.2 Een werknemer van [werkgever], de heer [naam], hierna aangeduid als “de patiënt”, is op [overlijdensdatum] in het Academisch Ziekenhuis te Paramaribo overleden.

3.3 [leidinggevende] van [werkgever] heeft in een aan [appellant] gericht schrijven
d.d. 30 januari 2013, Ref.No. SP-024/13, informatie opgevraagd over de gezondheidstoestand van de patiënt. In het betreffend schrijven is onder meer vermeld:
“Op dinsdag 22 januari jl. werd in de avonduren [patiënt], medewerker van [werkgever], in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo opgenomen, om vervolgens de volgende dag geopereerd te worden in verband met een opgelopen maagperforatie.

Zijn situatie was naar verluidt van dien aard, dat er op zondag 27 en dinsdag 29 januari wederom operatief ingegrepen moest worden.

De situatie van deze medewerker baart mij ernstig zorgen, waarbij dezerzijds vragen rijzen over de reden waarom zijn gezondheidstoestand zo heeft kunnen verslechteren. Teneinde een onderzoek ter zake te kunnen instellen zou ik gaarne geïnformeerd willen worden over de toestand van betrokkene, toen hij bij u voor zijn eerste consult binnenkwam.”

3.4 [appellant] heeft op 4 februari 1913 (het Hof begrijpt: 2013) een schrijven aan [leidinggevende] van [werkgever] gericht met de volgende inhoud:
Naar aanleiding van uw brief dd 30-01-1913 met ref.no. SP-024/13 betreffende [patiënt], deel ik u het volgende mede.
Uit een familie gesprek (echtgenote en kinderen) blijkt dat [patiënt], reeds jaren klachten heeft van zijn maag zonder ooit door een specialist te zijn geconsulteerd.

Op 8/1/13 kreeg hij toenemende klachten van pijn in de maagstreek.

Op 14/1/13 waren de klachten verergerd met braken en ernstig ziek zijn.

Op 22/1/13 werd hij verwezen naar de SEH. Wij zagen een doodzieke man in een zorgwekkende en alarmerende toestand. Toen de diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was gesteld moest patiënt eerst gestabiliseerd worden alvorens geopereerd te worden.

Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik te weeg heeft gebracht. Patiënt is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden.”

3.5 Bij schrijven van 5 februari 2013 heeft [leidinggevende] van [werkgever] aan [geïntimeerde] te kennen gegeven dat:
“Uit een verklaring van Chirurg [appellant] is gebleken dat bij opname bij de Spoedeisende Hulp bij de heer [patiënt], als diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was vastgesteld. Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik te weeg heeft gebracht. [patiënt] is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden.

Uit de informatie verkregen van de Chirurg blijkt, dat de maag perforatie geruime tijd moet hebben bestaan, en de vraag rijst hoe dat kon gebeuren omdat [patiënt], vaker bij u op de Poli is geweest met dezelfde klachten. Dit verwijst naar een zekere nalatigheid.
Ten slotte kan ik u mede delen dat er meerdere klachten door de medewerkers van [werkgever], over uw behandeling, tijdens hun consult aan mij is gerapporteerd en dat die op eigen kosten wel naar een specialist zijn geweest.

Op grond van het bovenstaande, wens ik de overeenkomsten die [werkgever]met u als bedrijfsarts en als subhoofd Medische Dienst heeft, per heden met in achtneming van de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden op te zeggen.

3.6 In een ongedateerd schrijven van [naam 1], radioloog, gesteld op briefhoofd van [kliniek], is ten aanzien van de patiënt het volgende vermeld:
“Onderzoeken: Echo Abdomen
Onderzoeksdatum: 22/01/2013
Normale galblaas. De galwegen zijn niet verwijd.
Normaal aspect van de lever, nieren, pancreas en milt.
Geen para-aortale lymfadenopathie.
Er is een geringe dilitatie van de maag.
De wand van de duodenum is verdikt.

Advies:
Gastroscopie.

Conclusie:
Verdikte wand van de bulbus en het duodenum.
DD; Ulcus, ontsteking.”

3.7 [naam 2], medisch-directeur AZP heeft in een schrijven gericht aan [geïntimeerde] d.d. 2 september 2014 onder meer verklaard:
“Naar aanleiding van uw verzoek om informatie over de toedracht voorafgaand aan de opname van wijlen [patiënt],(…) is het volgende uit zijn dossier gebleken:
* [patiënt], meldde zich op 22 januari 2013 om 20.28 uur aan op de SEH, met een verwijsbrief van u voor de MDL-arts, labresultaten van 21 en 22 januari 2013 en het
resultaat van het echo-onderzoek van 2 januari 2013. (…)
* op 23 januari 2013 om 6.20 uur vroeg de internist met spoed X-thorax en X-abdomenaan en een intercollegiaal consult van de chirurg op verdenking van een geperforeerd
ulcus duodeni.
* Op verdenking van een gastrointestinal perforatie werd de patiënt om 8.39 uur opgenomen.”

3.8 [naam 2] heeft op 25 april 2014 een email aan [geïntimeerde] met informatie omtrent de patiënt gezonden. Aan deze email is gehecht een document genaamd Chronologie case [patiënt]. In dat document is onder meer vermeld:
“SEH
22-jan-2013 2015 uur:
Hoofdklacht: pijn in de bovenbuik, braken
P 95, RR 100/80, T 36,7
Niet ABC instabiel, geen high-risk situatie. Urgentiecode 3

A. 4 dagen geleden stekende pijn rechter bovenbuik in aanvallen. Braken na elke voeding. Nu buikpijn, brandend, continu en over gehele buik. Maagpap helpt niet. Ingestuurd door huisarts.
Def: 4 dagen niet afgegaan
Mic: urine donker

O: pijnlijk uitziende man, bleek
Cor/pulm: gb
Abd: soepel, matig darmgeruis, actief spierverzet (+), diffuus drukpijn (+)(…)

23-jan-2013 6.20 uur:
(…) Intercollegiaal consult chirurg
Cave geperforeerd UD.
(…)
Opname 8.39 uur i.v.m. G.I. perforatie (…)

A/ co-assistent 15 uur: conform SEH; (…)
D/ GI-perforatie
(…)
Operatie (1) 23 –jan-2013 ivm acute buik; GI perforatie (…)”

De procedure in eerste aanleg
4.1 De Stichting c.s. heeft bij schrijven van hun procesgemachtigde d.d. 13 mei 2014 een klacht ex artikel 10 van de Wet Medisch Tuchtrecht 1944 ingediend tegen [appellant] in zijn hoedanigheid van arts c.q. geneesheer en chirurg.

4.2 De Stichting c.s. heeft ter onderbouwing van de klacht gesteld dat [appellant] opzettelijk verkeerde informatie heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever], als gevolg waarvan laatstgenoemde de overeenkomsten met [stichting 1] en [stichting 2] heeft opgezegd en de goede naam en eer van [geïntimeerde] als huisarts en bedrijfsarts in ernstige mate schade heeft geleden en nog lijdt.
Gesteld is verder dat [appellant] het voor de artsen geldend beroepsgeheim heeft geschonden; [appellant] heeft voorafgaand aan het verstrekken van de informatie op geen enkele wijze contact gelegd met [geïntimeerde], zijnde de huisarts en verwijzende arts van de patiënt.
Voorts is gesteld dat daarenboven [appellant] informatie die medisch van aard is, heeft gedeeld met een derde die helemaal geen medische achtergrond of medische deskundigheid heeft, waarbij die derde de verstrekte medische informatie verkeerd heeft begrepen en aangewend. De Stichting c.s. heeft gesteld dat de hiervoor aangehaalde negatieve gevolgen derhalve een rechtstreeks gevolg zijn van het handelen van [appellant].
Daarnaast is gesteld dat [appellant] zich een bevoegdheid heeft aangemeten die hem in de gegeven omstandigheden van het geval niet toekwam: [appellant] heeft gemeend een oordeel te mogen geven over het medisch handelen van [geïntimeerde].
De Stichting c.s. heeft geconcludeerd dat [appellant] zich niet heeft gedragen zoals het een goed medicus betaamt.
[geïntimeerde] heeft ook gesteld dat [appellant] het vertrouwen in de stand der geneesheren opzettelijk heeft ondermijnd, aangezien [appellant] in zijn hoedanigheid van arts opzettelijk verkeerde medische informatie heeft verstrekt aan een derde, zonder de informatie eerst bij [geïntimeerde], als huisarts van de patiënt, te verifiëren c.q. met hem in overleg te treden.
Door alzo te handelen heeft [appellant] het voor de artsen geldend beroepsgeheim geschonden.
In de schriftelijke verklaring d.d. 28 november 2016 is zijdens [geïntimeerde] geconcretiseerd dat [appellant] het beroepsgeheim heeft geschonden omdat hij in het schrijven van 4 februari 2013 confidentiële medische informatie heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever] en hij telefonisch informatie omtrent de patiënt heeft verstrekt aan het Hoofd van de beveiliging van [werkgever].
In voornoemde verklaring is tevens gesteld dat de door [appellant] bij brief van
4 februari 2013 verstrekte informatie niet op waarheid berust op grond van het volgende:
a. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] de patiënt op 8 en 14 januari in consult heeft
gezien. [geïntimeerde] was op 8 januari 2013 in het buitenland en op 14 januari
2013 nog met verlof;
b. [appellant] heeft de patiënt niet in de SEH gezien, zulks is ten onrechte in het
betreffend schrijven vermeld;
c. [appellant] doet voorkomen alsof op 22 januari 2013 de diagnose “waarschijnlijk maagperforatie” zou zijn gesteld; uit het rapport van [radioloog], de bevindingen van de triage verpleegkundige en de SEH arts blijkt dat op 22 januari 2013 een dergelijke diagnose niet is gesteld.

4.3 Het Medisch Tuchtcollege heeft in haar beslissing van vrijdag 13 januari 2017 de klacht gegrond verklaard en [appellant] schuldig verklaard aan schending van zijn beroepsgeheim, onder oplegging van de maatregel van waarschuwing.
Het Medisch Tuchtcollege heeft daartoe onder meer overwogen dat niet is komen vast te staan dat de nabestaanden van de patiënt toestemming aan [appellant] hebben verleend om de medische informatie te verstrekken aan een derde, omdat het indienen van een klacht door de nabestaanden bij het Medisch Tuchtcollege met daarin een passage omtrent het verlenen van toestemming aan [appellant] voornoemd, niet automatisch betekent dat er reeds eerder daartoe toestemming aan [appellant] is verleend om medisch informatie omtrent de patiënt te delen met derden. Nabestaanden kunnen immers, aldus het Medisch Tuchtcollege, de arts niet van zijn geheimhoudingsverplichting ontslaan.
Het Medisch Tuchtcollege heeft verder overwogen dat bij de behandeling van de klacht niet aannemelijk is geworden dat er door of vanwege de nabestaanden van de patiënt toestemming zou zijn verstrekt aan [appellant] om medische informatie omtrent de patiënt te delen met derden, casu quo dat zich een situatie zou hebben voorgedaan die een uitzondering op de regel zou rechtvaardigen.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat hij de informatie ten aanzien van de patiënt heeft verstrekt na voorafgaande toestemming van de patiënt toen die nog in leven was en van de nabestaanden c.q. de familie van de patiënt nadat die overleden was.
[appellant] heeft verklaard dat hij de informatie heeft verstrekt aangezien hij zelf enkele constateringen heeft gedaan bij de patiënt welke duiden op een mogelijke grove nalatigheid aan de zijde van [geïntimeerde].
In de aanvulling van het beroepschrift is gesteld dat het Medisch Tuchtcollege allereerst diende te beantwoorden de vraag of de Stichting c.s. als een tot klagen bevoegd persoon in de zin van artikel 10 lid 1 van de Wet Medisch Tuchtrecht 1944 en artikel 22 van het Reglement Medisch Tuchtrecht en oplossing geschillen kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van [appellant] diende de Stichting c.s. niet ontvankelijk te worden verklaard in hun klacht.
[appellant] heeft tevens als grief opgeworpen dat het Medisch Tuchtcollege heeft verzuimd na te gaan of de klacht wel valt onder de Medische Tuchtwet en de daarin gestelde bepalingen.

5.2 De Stichting c.s. heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
Ontvankelijkheid van de Stichting c.s.
6.1 [appellant] heeft gesteld dat de klachtbevoegdheid toekomt aan de patiënt en niet aan een collega-arts.
Het Hof constateert dat ingevolge artikel 10 van de Wet Medisch Tuchtrecht een ruimere kring bevoegd is tot indiening van een klacht bij het Medisch Tuchtcollege:
a. een, ter beoordeling van het College, rechtstreeks belanghebbende;
b. het bestuur van een lichaam bij hetwelk de geneesheer in dienst of voor het verlenen
van geneeskundige hulp ingeschreven is;
c. de Geneeskundig-Inspecteur.

Ter beantwoording ligt de vraag wie als een rechtstreeks belanghebbende klager kan worden aangemerkt en dus bevoegd is een klacht in te dienen.
In de eerste plaats is de patiënt zelf daartoe geroepen, indien hij zich bezwaard voelt. Hij is “rechtstreeks belanghebbende”. Onder deze term kunnen ook andere personen begrepen zijn. Onder belang mag worden verstaan het gevolg van een feitelijk gebeuren dat de klager rechtstreeks heeft getroffen.
In beginsel valt de enkele mogelijkheid dat een medicus de weerslag ondervindt van de ondermijning van het vertrouwen in zijn stand, welke ondermijning het gevolg is van een handeling van een collega tegenover een derde, daaronder niet en kan die medicus derhalve niet op die grond tot klagen bevoegd zijn. Daarnaast overweegt het Hof dat ook indien een belang hier aanwezig zou worden geacht het zeker niet een rechtstreeks belang betreft. Zijn belang bij een behoorlijk gedrag van een collega is immers niet groter dan dat van een “bestuur” bij het gedrag van een ingeschreven medicus. Juist omdat het bestuur veelal een zijdelings belang zal hebben, heeft de wet het uitdrukkelijk tot klagen bevoegd gemaakt, in tegenstelling tot de collega-klager.
Als uitzondering op bovenvermelde beginsel kan in casu wel sprake zijn van een rechtstreeks getroffen belang van de Stichting c.s. door het vermeend handelen van [appellant]. Immers zijn door [werkgever] de overeenkomsten met [stichting 1] en [stichting 2] opgezegd naar aanleiding van de gewraakte informatieverstrekking door [appellant] aan [werkgever].

6.2. Het Hof constateert dat ter terechtzitting is verklaard dat [stichting 2] de bedrijfsarts is (het Hof begrijpt: bedrijfsartsen ter beschikking stelt) en dat [stichting 1] er is voor het management gedeelte zoals onder andere declaraties en bonnen nagaan. Tegen deze achtergrond ontgaat het het Hof welk belang [stichting 1] heeft bij de klacht tegen [appellant]. Nu zulks niet nader is onderbouwd, zal [stichting 1] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Schending van het beroepsgeheim
6.3. De Stichting c.s. heeft ter adstructie van zijn standpunt dat de nabestaanden van de patiënt geen toestemming hebben verleend aan [appellant] om medische informatie betreffende de patiënt te delen, overgelegd een schrijven d.d. 19 november 2018 waarin de weduwe en twee dochters te kennen hebben gegeven dat zij nimmer aan [appellant] toestemming hebben verleend om medische informatie van de patiënt te verstrekken aan de toenmalige [leidinggevende] van [werkgever]. Gesteld is dat het daartoe door de nabestaanden ondertekend document deel uitmaakt van het dossier van de patiënt.

6.4. Het Hof constateert dat de patiënt ten tijde van het schriftelijk verzoek van [leidinggevende] van [werkgever] om informatie op 30 januari 2013, nog in leven was.
Voorts wordt geconstateerd dat niet deugdelijk gemotiveerd is weersproken dat [appellant] toestemming van de patiënt heeft verkregen om de medische informatie te verstrekken aan [leidinggevende] van [werkgever]. Daartegenover is zijdens de Stichting c.s. verklaard dat dit onlogisch, onwaarschijnlijk en zeer waarschijnlijk een leugen is omdat de toestand van de patiënt volgens [appellant] ernstig zou zijn toen hij binnen kwam. De Stichting c.s. spreekt zichzelf hierin tegen door te stellen dat de patiënt lopend naar de SEH is gekomen en zijn situatie dus niet urgent was. Deze stellingname is derhalve niet geschikt om als een deugdelijk gemotiveerde betwisting te kunnen gelden.
Daarenboven wordt overwogen dat het beroepsgeheim ertoe strekt te waarborgen dat privé informatie van patiënten die zij aan de hulpverleners hebben verstrekt, niet zonder hun toestemming wordt verstrekt aan derden of voor andere doeleinden wordt gebruikt. Het beroepsgeheim strekt er niet toe bescherming te bieden aan medische zorgverleners. Het beroepsgeheim draagt verder niet in zich dat specialisten voorafgaand aan het verstrekken van medische informatie over patiënten, de huisarts van de patiënt dienen te consulteren. Het Hof merkt op dat het feit dat [appellant] ook via het hoofd van de beveiliging van [werkgever], aan laatstgenoemde de gevraagde informatie heeft doen toekomen, geen schoonheidsprijs verdient.
Naar dezerzijds oordeel treft het beroep zijdens [geïntimeerde] en [stichting 2] op schending van het beroepsgeheim derhalve geen doel.

Opzettelijke verstrekking van onjuiste informatie
6.5. Het Hof constateert dat in het schrijven zijdens [appellant] d.d. 4 februari 2013 er geen melding van is gemaakt dat [geïntimeerde] de patiënt op 8 en 14 januari 2013 in consult heeft gezien, zodat aan dit standpunt van [geïntimeerde] en [stichting 2] wordt voorbij gegaan.

6.6. In het schrijven d.d. 4 februari 2013 is de volgende alinea vervat:
“Op 22/1/13 werd hij verwezen naar de SEH. Wij zagen een doodzieke man in een zorgwekkende en alarmerende toestand. Toen de diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was gesteld moest de patiënt eerst gestabiliseerd worden alvorens geopereerd te worden.”
Naar het oordeel van het Hof blijkt uit dit citaat niet dat [appellant] daarbij stelt dat hij de patiënt op 22 januari 2013 op de SEH heeft gezien, noch dat op 22 januari 2013 de diagnose is gesteld dat er zeer waarschijnlijk sprake was van een maagperforatie. Overigens blijkt uit het zijdens [geïntimeerde] en [stichting 2] overgelegd chronologisch overzicht van de behandeling op de SEH dat aldaar op 23 januari 2013 om 6.20 uur is aangetekend “intercollegiaal consult chirurg
Cave geperforeerd UD (…)
Opname 8.39 uur i.v.m. G.I. perforatie”.
Hier blijkt uit dat op de SEH vrij kort na de aankomst de diagnose is gesteld dat sprake was van een perforatie.
Het door [geïntimeerde] en [stichting 2] ter zake ingenomen standpunt is derhalve naar dezerzijds oordeel niet terecht.

6.7. Het Hof concludeert uit het verhandelde dat [appellant] van het door hem ten aanzien van de patiënt gedane constateringen melding heeft gemaakt.
[geïntimeerde] en [stichting 2] dienen, indien zij menen dat [appellant] onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen en zij als gevolg daarvan schade hebben geleden, een daarop gebaseerde vordering niet in te dienen bij het Medisch Tuchtcollege, maar bij de gewone rechter. Het Hof kan [geïntimeerde] en [stichting 2], gelet op al het hiervoor overwogene, niet volgen in hun standpunt dat [appellant] hierdoor handelingen heeft gepleegd die het vertrouwen in de stand der geneesheren ondermijnen.
Het door het Medisch Tuchtcollege op 13 januari 2017 in deze genomen besluit kan derhalve niet in stand blijven en zal worden vernietigd, waarna de klacht ongegrond zal worden verklaard.

6.8. De overige standpunten van partijen zullen niet besproken worden, aangezien die niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

6.9. De Stichting c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
1. Vernietigt de eindbeslissing van het Medisch Tuchtcollege de dato 13 januari 2017 in de procedure tussen [stichting 1], [stichting 2] en [geïntimeerde] als klagers en
[appellant] als degene over wie geklaagd wordt;

En opnieuw recht doende:
1. Verklaart [stichting 1] niet ontvankelijk;

2. Verklaart de klacht voor zover ingesteld door [stichting 2] en [geïntimeerde] jegens [appellant] ongegrond;

3. Veroordeelt de Stichting c.s. in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. S.S.S. Wijnhard, lid, en mr. J.M. Jensen, lid-plaatsvervanger, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van dinsdag 25 augustus 2020 in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan
w.g. S.S.S. Wijnhard
w.g. J.M. Jensen

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-MTC-2017-1

Beslissing van het Medisch Tuchtcollege inzake van:

A. [Stichting 1], gevestigd aan [adres] te [district],
B. [Stichting 2], gevestigd aan [adres] te [district], en
C. [Klager], wonende aan [adres] te [district], te dezen handelende in persoon, in zijn hoedanigheid van huisarts c.q. bedrijfsarts en als statutair vertegenwoordiger van klaagsters A en B, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
klagers,

tegen

[naam] chirurg, wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S.R. Ramrattansing, advocaat,
de persoon over wie geklaagd is,

Het Medisch Tuchtcollege, hierna te noemen het College, zitting houdende in het gebouw van de Griffie der Kantongerechten aan de Grote Combeweg no. 2 te Paramaribo;
Gezien de op 14 mei 2014 door de klagers ingediende klacht tegen [chirurg], het proces-verbaal van het gehouden voorlopig onderzoek d.d. 11 juni 2014 naar aanleiding van bovenvermelde klacht;

Ten aanzien van de feiten:

De klacht van de klagers houdt, zakelijk weergegeven, in dat klagers het College verzoeken de klacht gegrond te verklaren en de beklaagde een maatregel c.q. maatregelen op te leggen die het College in goede justitie geboden acht. Klagers beroepen zich op – kort gezegd – schending van het voor artsen geldende beroepsgeheim. De klagers hebben hun klacht bij het gehouden voorlopig onderzoek mondeling toegelicht terwijl de persoon over wie geklaagd is ondanks behoorlijke oproep daartoe niet is verschenen.

Ten aanzien van het recht:

Uit hetgeen de klagers en de persoon over wie geklaagd is naar voren hebben gebracht in het klaagschrift en de mondelinge toelichting daarop respectievelijk ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klacht, stelt het College het navolgende vast.

Bij schrijven d.d. 5 februari 2013 afkomstig van [persoon], [leidinggevende] van [werkgever], is aan klagers de mededeling gedaan dat hij, [leidinggevende] van [werkgever van patiënt], medische informatie heeft ontvangen van [chirurg]. In het schrijven stelt [leidinggevende] van [werkgever] het navolgende: “ Uit een verklaring van [chirurg] is gebleken dat bij opname bij de Spoedeisende Hulp bij [patiënt] als diagnose “ zeer waarschijnlijk maagperforatie “ was vastgesteld. Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik te weeg heeft gebracht. [patiënt] is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden. Uit de informatie verkregen van de Chirurg blijkt dat de maagperforatie geruime tijd moet hebben bestaan, en de vraag rijst hoe dat kon gebeuren omdat [patiënt] vaker bij u op de Poli is geweest met dezelfde klachten. Dit verwijst naar een zekere nalatigheid. “

Blijkens het schrijven van de directeur van het Ministerie van Volksgezondheid is er op de SEH van het AZP helemaal geen “zeer waarschijnlijk maagperforatie” vastgesteld.

In de visie van de klagers heeft degene over wie geklaagd wordt zich vanwege uiteenlopende argumenten niet gedragen zoals het een goed medicus betaamt.

De persoon over wie geklaagd wordt bestrijdt voormelde zienswijze van de klagers onder aanvoering dat – verkort weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – hij met de uitdrukkelijke toestemming van de nabestaanden c.q. familieleden van de patiӫnt medische informatie heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever]. Zulks blijkt uitdrukkelijk uit de hierbij in fotokopie overgelegde klachtbrief d.d. 19 december 2014 afkomstig van de familie van [patiënt], waarmee door hen een klacht is ingediend bij het Medisch Tuchtcollege tegen [klager] terzake grove nalatigheid gedurende de medische behandeling van [patiënt]. Hiermee heeft beklaagde het wettig en overtuigend bewijs geleverd dat hij nimmer het medisch beroepsgeheim heeft geschonden.

Naar het oordeel van het College is de centrale vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de persoon over wie geklaagd wordt, [chirurg], al dan niet zijn beroepsgeheim heeft geschonden door informatie over [patiënt] aan [leidinggevende] van [werkgever] te verstrekken. Al hetgeen voorts is aangevoerd omtrent de wijze van behandeling van [patiënt] casu quo het al dan niet nalatig zijn geweest van [klager] voornoemd casu quo het al dan niet in strijd met de waarheid zaken te hebben aangehaald door [chirurg] voornoemd zijn in casu naar het oordeel van het College niet relevant gebleken. Het College zal derhalve voorbij gaan aan al hetgeen partijen dienaangaande hebben aangevoerd. Het geding zal in het onderhavig geval worden toegespitst op al dan niet schending van het beroepsgeheim door [chirurg] voornoemd aangezien klagers stellen daardoor schade te hebben geleden.

Het College stelt vast dat het beroepsgeheim de plicht is om te zwijgen over feiten en gegevens van derden die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen. Het wordt ook wel zwijgplicht genoemd. Het gaat daarbij vooral om vrije beroepen. Het beroepsgeheim geldt niet als de betrokkene toestemming geeft om aan derden inlichtingen te verstrekken. In dit geding is betrokkene helaas komen te overlijden en in beginsel kunnen nabestaanden de arts niet van zijn geheimhoudingsverplichting ontslaan. Aangezien er uitzonderingen op deze regel mogelijk zijn zal het College in het hierna volgende nagaan of er in casu sprake is geweest van een situatie die een uitzondering rechtvaardigt.

Uitgaande van het voorgaande blijkt in dit concreet aan het College voorgelegd geval tussen partijen in confesso te zijn dat [chirurg] voornoemd medische informatie ten aanzien van [patiënt] heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever] in zijn schrijven gedateerd 4-2-1913 (het College begrijpt: 4-2-2013). Volgens voornoemde chirurg had hij daartoe toestemming van de nabestaanden van voormelde patiӫnt maar naar het oordeel van het College is het voorgaande niet komen vast te staan. Immers betekent het indienen van een klacht door de nabestaanden bij het Medisch Tuchtcollege met daarin een passage omtrent het verlenen van toestemming aan [chirurg] voornoemd niet automatisch dat er reeds eerder toestemming is verstrekt door de nabestaanden aan de chirurg om medische informatie omtrent de overleden patiӫnt te delen met derden. Immers kunnen nabestaanden – zoals hiervoor reeds overwogen – de arts niet van zijn geheimhoudingsverplichting ontslaan. Die redenering loopt naar het oordeel van het College mank. Bij de behandeling van deze klacht is het voorts niet anderszins aannemelijk geworden dat er door of vanwege de nabestaanden van [patiënt] toestemming zou zijn verstrekt aan [chirurg] voornoemd teneinde medische informatie omtrent voornoemde patiӫnt te delen met derden casu quo dat zich een situatie zou hebben voorgedaan die een uitzondering op de regel zou rechtvaardigen. Het verweer van [chirurg] voornoemd dat hij de familie van [patiënt] in het kader van transparantie heeft geїnformeerd omtrent de nalatigheid van [klager] voornoemd doet aan het voorgaande niet af aangezien in de visie van het College thans de vraag aan de orde is of [leidinggevende] van [werkgever] al dan niet terecht door [chirurg] voornoemd is geїnformeerd en/of het voorgaande een uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel van het beroepsgeheim. Die situatie zou bij de behandeling van een eventuele klacht van de nabestaanden bij het College nader uitgediept dienen te worden waarbij [chirurg] voornoemd als eventuele getuige-deskundige gehoord zou kunnen worden. Het voorgaande is evenwel vooralsnog niet aan de orde gesteld.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de klacht gegrond is. Het College acht de maatregel van een waarschuwing onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

Beslissende:

Verklaart de klacht gegrond.

Verklaart de persoon over wie geklaagd is, [chirurg], schuldig aan schending van zijn beroepsgeheim.

Legt hem terzake de maatregel op van waarschuwing.

Aldus gegeven op heden, vrijdag 13 januari 2017 door: mr. A. Charan, Voorzitter, Dr. W. Jap Tjoen San en Drs. A. Bueno de Mesquita-Voigt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. E. van Genderen-Relyveld, secretaris.

SRU–2020-4

SRU-HvJ-2019-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, Substituut-Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 21 oktober 2015, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 30 november 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 04 december 2015, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 07 december 2015 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 07 januari 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 07 januari 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 25 januari 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 24 februari 2016 met producties;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 16 maart 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 06 mei 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 06 mei 2016;
  • de akte tot overlegging van producties zijdens verzoeker d.d. 04 november 2016;
  • de akte tot uitlating producties zijdens verweerder d.d. 02 december 2016;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 mei 2017 doch nader op heden.

2. De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. Verzoeker is in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname, tot aan zijn degradatie in de functie van agent van politie 1ste klasse.

2.2. Verzoeker was belast met het onderzoek van de zaak waarin de heer [naam], directeur van Global N.V., tegen een medewerker van zijn bedrijf aangifte heeft gedaan.

2.3. Verzoeker werd ervan verdacht in zijn hoedanigheid van onderzoeksambtenaar, de verdachte in de zaak voornoemd te hebben gedwongen een schuldbekentenis te ondertekenen ten gunste van [naam] voornoemd. Verzoeker werd eveneens ervan verdacht een voertuig als beloning te hebben ontvangen voor zijn bewezen diensten.

2.4. Verzoeker is in verzekering gesteld op 10 december 2013 op verdenking van overtreding van de artikelen 427 en 429 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, gevolgd door zijn buitenfunctiestelling d.d. 11 december 2013.

2.5. Verzoeker is bij beschikking van 07 januari 2014 de tuchtmaatregel van schorsing opgelegd, te rekenen van 10 december 2013.

2.6. Bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 21 mei 2014 is verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

2.7. Bij schrijven van verweerder d.d. 14 juli 2014 met als onderwerp ingebrekestelling en gelegenheid tot verweer, is verzoeker in de gelegenheid gesteld zich binnen zeven dagen na ontvangst van het schrijven, schriftelijk te verweren. Verzoeker heeft zich op 18 juli 2014 schriftelijk verweerd.

2.8. Verzoeker is bij beschikking d.d. 19 juni 2015 een tuchtstraf van degradatie van de rang van agent van politie 1ste klasse tot agent van politie 2e klasse opgelegd, voor de duur van een jaar, ingaande de dag volgende op die waarop het besluit ter kennis van hem is gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
3.1. Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
A. De beschikking, althans het besluit d.d. 19 juni 2015 met het K.A. [nummer], waarbij verzoeker de tuchtstraf van degradatie is opgelegd en zijn schorsing is opgeheven, nietig te verklaren;
B. Verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De grondslag
Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij het niet eens is met het door verweerder genomen besluit, daar dit besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu verzoeker integraal is vrijgesproken in de strafzaak. De strafbare feiten zijn immers niet vast komen te staan.Bovendien is de tuchtstraf ruim een jaar na het gestelde plichtsverzuim aan verzoeker opgelegd en is hiermee elke redelijke termijn waarbinnen beslist zou moeten worden over het gestelde plichtsverzuim, overtreden.De beschikking is tevens in strijd met de beginselen van evenredigheid en proportionaliteit. Verzoeker is reeds zestien jaar in dienst van het korps en nooit eerder in opspraak geraakt. De uit dit besluit voortvloeiende gevolgen voor verzoeker zijn ook disproportioneel.

3.3. Het verweer
De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.Verweerder heeft als formeel verweer aangevoerd, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering, daar hij – blijkens het ontvangstbewijs – de gewraakte beschikking op 17 september 2015 in ontvangst heeft genomen. Het verzoekschrift is ter griffie van het Hof ingediend op 21 oktober 2015, hetgeen betekent dat verzoeker de termijn voor het indienen van het verzoekschrift heeft overschreden.

4. De beoordeling van het geschil
4.1. Het Hof als ambtenarengerecht is slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.Nu de vordering van verzoeker onder I betreft een besluit tot verlaging van zijn rang, is het Hof bevoegd kennis te nemen van de door hem ingestelde vordering.

4.2. Met betrekking tot de vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de beschikking d.d. 19 juni 2015 met nummer K.A. [nummer], overweegt het Hof, dat als enerzijds gesteld en anderzijds bevestigd, mede blijkende uit de door verweerder overgelegde producties is komen vast te staan dat de gewraakte beschikking op 17 september 2015 aan verzoeker is betekend.Ingevolge artikel 80 lid 1b van de Personeelswet is de vordering zoals bedoeld in artikel 79 van eerder genoemde wet niet ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht, dan wel de handeling geacht kan worden te zijner kennis te zijn gekomen. Aangezien de onderhavige vordering op 21 oktober 2015 is ingesteld, is het Hof van oordeel dat de vordering van verzoeker tardief is ingesteld en zal hij dientengevolge ook niet-ontvankelijk worden verklaard daarin.

4.3. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5. De beslissing
Het Hof:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019,in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A.M. Essed namens mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-29

HET HOF VAN JUSTITI E VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
domicilie kiezende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN FINANCIЁN,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 21 oktober 2015 met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 02 december 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 09 december 2015, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 07 december 2015 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 14 januari 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 18 januari 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 18 januari 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 26 februari 2016 met producties;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 29 februari 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 april 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 01 april 2016 en 15 april 2016;
  • de akte tot overlegging van producties zijdens verzoeker d.d. 18 november 2016;
  • de akte tot uitlating producties zijdens verweerder d.d. 06 januari 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 mei 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. Verzoeker is op 01 oktober 1977 in dienst getreden van de Staat, met name het Ministerie van Openbare Werken en Verkeer en is sedert zijn overplaatsing per 01 oktober 1978 werkzaam op het Ministerie van Financiën.

2.2. Verzoeker is in het jaar 2007 in opdracht van de toenmalige Minister van Financiën, op non actief gesteld, vanwege een tegen hem, verzoeker, gedane klacht.

2.3. Blijkens het schrijven van de directeur van het Ministerie van Financiën, [naam], is uit het onderzoek gebleken dat verzoeker zich niet schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbare handelingen.

2.4. Op 21 november 2012 heeft verzoeker in een schrijven aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen het verzoek gedaan, hem per 01 december 2012 ontslag uit overheidsdienst te willen verlenen, met daaraan gekoppeld een vervroegd pensioen.

2.5. Bij schrijven van de Directeur der Belastingen d.d. 06 december 2012 is het verzoek van verzoeker niet ingewilligd, daar verzoeker een onderbreking van dienst heeft gehad voor de duur van twee en een half jaar, waardoor hij pas in juni 2015 in aanmerking voor vervroegd pensioen zou kunnen komen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

3.1. Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:

  1. De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
  2. De beschikking d.d. 10 september 2015 onder bureau nummer [nummer] nietig te verklaren, althans de datum van het 35-jarig ambtsjubileum van verzoeker te bepalen op 01 december 2012 instede van 25 september 2015;
  3. Verweerder in de kosten van het geding te veroordelen.

Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de beslissing om hem op non-actief te stellen onrechtmatig was, reeds vanwege het feit dat hij, verzoeker, nimmer in de gelegenheid is gesteld zich ter zake te verweren. Voorts is niet gebleken dat verzoeker onrechtmatige handelingen heeft gepleegd.

De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat de vordering van verzoeker niet valt binnen de werking van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet. Het Hof is in de visie van verweerder onbevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof als ambtenarengerecht is slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen, besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.Nu de vordering van verzoeker betreft een besluit tot toekenning gratificatie in verband met zijn 35 – jarig ambtsjubileum, is het Hof onbevoegd kennis te nemen van de door hem ingestelde vordering. Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet is het Hof evenmin bevoegd kennis te nemen van de vordering van eiser tot bepaling van de datum van ingang van het 35 – jarig ambtsjubileum van eiser op 01 december 2012 instede van 25 september 2015.

4.2. Gelet op het voorgaande is het door de verweerder aangevoerd verweer gegrond gebleken, Het Hof zal zich dan ook niet bevoegd verklaren om van de vordering van verzoeker kennis te nemen.

4.3. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof derhalve niet toe.

4.4. Het Hof overweegt ten overvloede dat in casu verweerder door middel van haar organen naar aanleiding van een gedeponeerde klacht een onderzoek heeft ingesteld op de afdeling Vermakelijkheidsbelasting, alwaar verzoeker de scepter zwaaide. Uiteraard was verweerder daartoe bevoegd en was zij ook bevoegd om verzoeker hangende het onderzoek buiten functie te stellen. Evenwel heeft het onderzoek niets bezwarends ten aanzien van verzoeker opgeleverd. Verweerder diende derhalve in de visie van het Hof het daarheen te leiden dat verzoeker conform zijn uitdrukkelijk verzoek in ere hersteld werd.Evenwel heeft verweerder er juist voor gekozen om verzoeker feitelijk te degraderen en andersoortige werkzaamheden op te dragen en uit te laten voeren. In de visie van het Hof maakt verweerder ten onrechte de koppeling met [naam 2] aangezien [naam 2] geen Hoofd van de afdeling Vermakelijkheidsbelasting was maar verzoeker wel. Verweerder dient in de visie van het Hof zorgvuldig om te gaan met de belangen van individuele ambtenaren in onze kleinschalige samenleving. Want als er een onderzoek ingesteld wordt, wordt dat breed uitgemeten in de pers en als het onderzoek niets oplevert zwijgt iedereen in alle talen terwijl de betrokken ambtena(a)r (en) nog steeds aan de schandpaal genageld is (zijn). Niemand – behalve zijn/hun direkte familie – die naar hem/hun omkijk (t) (en). En als betrokkene rehabilitatie eist – zoals in casu het geval is geweest – dan kan daar geen rekening mee worden gehouden. Ergo, betrokkene wordt van Pontius naar Pilatus gestuurd en hij weet uiteindelijk niet meer of hij nou “vis of vlees” is. Het voorgaande is in de visie van het Hof een zeer kwalijke zaak. Zelfs de leiding van het ambtenarenapparaat wringt zich in allerlei bochten om een onrechtvaardige situatie in stand te houden terwijl het Hof bij monde van de Fungerend-President van deze samengestelde behandelende kamer ter gelegenheid van het verhoor van partijen zulks nadrukkelijk aan de vertegenwoordigster van verweerder heeft meegegeven.

5. De beslissing
Het Hof:

5.1. Verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A.M. Essed namens advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens mr. R.Y. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN DEFENSIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo
verweerder,
gemachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat.

1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 28 november 2014;
  • het verweerschrift ontvangen op 8 april 2015;
  • het proces-verbaal van het op 5 juni 2018 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot uitlating met producties aan de zijde van de Staat.
  • ten dage voor uitlating zijdens [verzoeker] m.b.t. het overgelegd strafdossier peremptoir bepaald is er geen conclusie genomen.

1.2. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Tussen [verzoeker] en de Staat is er een arbeidsovereenkomst gesloten op 20 november 2013.

2.2. Bij schrijven d.d. 31 oktober 2014 kenmerk [nummer] heeft de Staat aan [verzoeker] medegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst wordt beëindigd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken, uitvoerbaar bij voorraad:

I. nietig te verklaren het besluit zoals vervat in het schrijven d.d. 31 oktober 2014 en hem, [verzoeker], te rehabiliteren in de rang waarin hij diende en voorts de Staat te veroordelen om hem zijn salaris door te betalen;
II. hem toe te kennen een schadevergoeding te voldoen door de Staat;
III. [verzoeker] in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid te verrichten;
IV. veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom .

3.2. [verzoeker] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
Bij zijn indiensttreding waren de daartoe verantwoordelijken ermee bekend dat hij een bevlekt verleden had, en is hij desondanks toegelaten tot de Elementaire Algemene Opleiding (hierna de opleiding). Daarmee mocht hij erop vertrouwen dat hij binnen de organisatie mocht dienen als militaire arbeidscontractant. Door op die grond de dienstbetrekking met hem te beëindigen schendt de Staat het bij hem opgewekte vertrouwen Het besluit tot ontslag is ook niet daadkrachtig gemotiveerd. De motivering is onbegrijpelijk en in strijd met de waarheid. Bij het proces tot indiensttreding heeft hij nimmer informatie verzwegen. Anders dan de Staat aangeeft, had hij bij de sollicitatie wel vermeld dat hij eerder met de justitie in aanraking is gekomen. Hij had alleen niet gemotiveerd op welke wijze hij met de politie in aanraking is gekomen. Daarnaast is het door de Staat aan hem verleende ontslag nietig omdat de brief waarin de mededeling van het ontslag aan hem is gedaan niet is ondertekend door het daartoe bevoegde gezag.

3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Anders dan de Staat heeft aangevoerd is het Hof van oordeel dat de vordering van [verzoeker] wel valt binnen het kader van artikel 79 Personeelswet. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Het verweer van de Staat ter zake zal daarom worden verworpen .

Ontvankelijkheid
4.2. Niet is gesteld of gebleken dat de door [verzoeker] ingestelde vordering niet binnen de bij wet vastgestelde termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is, daarin.

4.3. Aan de orde is de vraag of de Staat al dan niet terecht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd.De Staat heeft – zover van belang – aangegeven en hetgeen ook als zodanig wordt erkend door [verzoeker], dat de arbeidsovereenkomst met hem is beëindigd omdat op een later moment dan bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst is ontdekt dat [verzoeker] een bevlekt verleden had. De Staat betoogt dat [verzoeker] een keer is veroordeeld door de kantonrechter voor overtreding van de Wet Verdovende Middelen en daarnaast ook betrokken is geweest bij een beroving.Volgens de Staat was deze informatie eerder niet bekend waardoor de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is aangegaan. Volgens de Staat heeft [verzoeker] deze specifieke informatie verzwegen bij zijn sollicitatie.[verzoeker] reactie hierop is dat hij bij de sollicitatie wel heeft aangegeven dat hij in aanraking is gekomen met de politie, doch dat hij inderdaad geen details daarover heeft gegeven. Hij heeft daarom op het sollicitatieformulier vermeld dat hij dit graag persoonlijk zou willen bespreken.Door niet de volledige en specifieke informatie te hebben gegeven tijdens de sollicitatie, is het Hof van oordeel dat [verzoeker] het risico heeft aanvaard dat bij een latere ontdekking door de Staat, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] alsnog zou worden beëindigd hetgeen in casu ook is gebeurd. Dat [verzoeker] de informatie achteraf toch met derden binnen de organisatie heeft gedeeld doet aan het voorgaande niets af. Immers, is niet gesteld en ook niet gebleken dat die personen te oordelen hadden over de sollicitanten waartoe [verzoeker] behoorde. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd m.b.t. het door de Staat gewekte vertrouwen dat hij binnen de organisatie kon dienen ondanks zijn vermelding in aanraking te zijn geweest met justitie doet aan het voorgaande niet af. Immers blijkt na doorname van het sollicitatieformulier van [verzoeker] dat hij bij de desbetreffende vraag juist heeft aangegeven dat hij niet in aanraking is gekomen met de politie of justitie en dat hij vervolgens heeft aangeven dat het onterecht is geweest en dat hij dit graag persoonlijk zou willen bespreken. Voorzover die verwachtingen zijn ontstaan bij [verzoeker] waren die verwachtingen in de visie van het Hof in elk geval niet gerechtvaardigd aangezien [verzoeker] zich ervan bewust diende te zijn dat hij de Staat in elk geval cruciale informatie had onthouden omtrent zijn persoon.

4.4. Het maakt in deze ook niet uit of [verzoeker] al dan niet mede schuldig was aan de beroving, zoals hij wil doen geloven.Vaststaat dat [verzoeker] wel in verband is gebracht met een beroving en uit dien hoofde was het wel belangrijk om die informatie te vermelden op het sollicitatieformulier.Overigens heeft de Staat een kopie strafdossier met betrekking tot de beroving overgelegd, welker inhoud niet is betwist door [verzoeker]. Uit voormeld dossier blijkt dat [verzoeker] bij proces-verbaal d.d. 20 december 2012 ten overstaan van de agent van politie [verbalisant], een verklaring heeft afgelegd. In deze verklaring heeft hij zijn betrokkenheid bij de beroving aangegeven. Dit proces-verbaal is ook door hem ondertekend. Daarnaast heeft de medeverdachte, [naam], die ook bij proces­verbaal is gehoord uitgebreid verklaard wat het aandeel van [verzoeker] is geweest bij de beroving. Naar het oordeel van het Hof is het vooralsnog dan ook voldoende aannemelijk dat [verzoeker] betrokken is geweest bij de beroving, ondanks zijn ontkenning.

4.5. De stelling van [verzoeker] dat de brief waarin de mededeling van het ontslag aan hem is gedaan, nietig is omdat die niet is ondertekend door het daartoe bevoegde gezag zal worden verworpen. Voormelde brief, die ondertekend is door de directeur namens de minister van Defensie, is slechts een mededeling aan [verzoeker] dat de dienstbetrekking wordt beëindigd. Niet is gesteld en ook niet is gebleken dat de directeur niet bevoegd is om namens de minister een dergelijke mededeling te doen. In het verlengde daarvan is evenmin gesteld noch gebleken dat de formalisering van het besluit zelf niet door het daartoe bevoegde gezag is geschied. Daarenboven is gebleken dat de onderhavige arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ook door dezelfde functionaris namens de minister van Defensie is ondertekend.

4.6. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hem niet de mogelijkheid is geboden om zijn betrokkenheid met de politie mondeling toe te lichten, nu nergens uit blijkt dat de Staat de verplichting daartoe heeft. Bovendien heeft [verzoeker] de mogelijkheid gehad om zich te verweren, hetgeen hij ook heeft gedaan. De stelling van [verzoeker] dat niet de juiste hiërarchische weg is bewandeld bij de aanzegging van het verweer – zo dit juist is – maakt het besluit tot ontslag evenmin onrechtmatig. Het voorgaande geldt mutatis mutandis eveneens t.a.v. al hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd m.b.t. schending van het hoorbeginsel aangezien [verzoeker] wel de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren.

4.7. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat het besluit van de Staat om de dienstbetrekking met [verzoeker] te beëindigen niet onterecht dan wel onrechtmatig is geweest. De vordering van [verzoeker] zal derhalve worden afgewezen .

4.8. Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
5.1. Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President , mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Jhinkoe namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-10

HOF VAN JUSTITIE
dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

In de zaak van

[appellant]
advocaat,
kantoorhoudende te [district],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde]
gemachtigde: mr. J. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Voorzitter van het Advocaten Tuchtcollege (hierna ook ATC genoemd) uitgesproken beslissing van 21 oktober 2019 (no. 19/24) (hierna ook genoemd: de bestreden beslissing) tussen [geïntimeerde] als klager en [appellant] als advocaat tegen wie de klacht is ingediend,

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 no. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42) de navolgende beslissing uit.

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

  • de brief d.d. 21 november 2019 waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing van het ATC, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 22 november 2019 vergezeld van de memorie van grieven;
  • het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 10 december 2019;
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [appellant];
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [geïntimeerde];

1.2. De uitspraak van de beslissing was aanvankelijk bepaald op 18 februari 2020, doch is nader bepaald op heden.2

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Op 21 oktober 2019, waren partijen niet aanwezig bij de uitspraak van de tuchtbeslissing waarvan beroep. Het afschrift van de bestreden beslissing heeft [appellant] op 25 oktober 2019 van de Secretaris van het ATC ontvangen en zij heeft bij schrijven d.d. 21 november 2019 appel aangetekend tegen genoemde beslissing, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

3. De feiten
Voor de beoordeling van de klacht en dit appel wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.
3.1. [geïntimeerde] heeft juridische bijstand bij [appellant] gezocht voor het opheffen van conservatoir derdenbeslag gelegd door zijn echtgenote. Bij het aanvaarden van de opdracht is door [geïntimeerde] aan [appellant] SRD 5000, – betaald.
3.2. De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 07 maart 2019 bekend onder [nummer] het onder 3.1 vermeld conservatoir derdenbeslag opgeheven.
3.3 [appellant] heeft hierna [geïntimeerde] voorgehouden dat hij haar alsnog honorarium verschuldigd is en heeft hem een declaratie voorgehouden waarbij [geïntimeerde] de bedragen van USD. 68.000, -, SRD. 443.000, – en Euro 8.900, – diende te betalen. [geïntimeerde] ging pertinent niet akkoord met deze declaratie aangezien hij de mening was toegedaan dat hij met de betaling van de SRD.5.000,- hij reeds het verschuldigde honorarium had betaald. Na confrontatie met eerdergenoemde declaratie is er een gehaal en getrek geweest waarna [appellant] het honorarium verlaagde naar SRD.60.000,- en USD.30.000,-. [geïntimeerde] ging hiermee ook niet akkoord en liep weg. [persoon], die samen met [geïntimeerde] ten kantore was verschenen om hem bij te staan, is nagebleven en heeft uit zichzelf (zonder vooroverleg of toestemming van [geïntimeerde]) SRD.50.000,- vanuit zijn eigen bankrekening gelicht en vervolgens dit bedrag betaald aan [appellant]. [appellant] heeft voor deze betaling geen kwitantie verstrekt aan [persoon].
3.4 Op 13 maart 2019 ging [persoon] naar [appellant] aangezien er weer beslag was gelegd op zowel de werkrekeningen van [bedrijf 1] alsook de privé rekeningen van [geïntimeerde]. [appellant] gaf aan [persoon] aan dat er nog een openstaande rekening van SRD.10.000,- en USD.30.000,- was die [geïntimeerde] nog diende te betalen. [appellant] gaf de instructie dat het bedrag van SRD. 10.000,- contant bij haar moest worden betaald terwijl het bedrag van USD.30.000,- op de rekening van [bedrijf 2] bij de [bank 1] (rek.nr. [nummer]) overgemaakt diende te worden.
3.5 [geïntimeerde] heeft geweigerd de bedragen van SRD.10.000,- en USD.30.000,- te betalen. Dit is aanleiding geweest voor [appellant] tot het doen leggen van conservatoir derdenbeslag onder Fernandes Bottling Company N.V., Fernandes Ice Cream N.V., Academisch Ziekenhuis Paramaribo, N.V. Sail en de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. althans haar dochteronderneming Surinaamse Luchtvaart Maatschappij Catering Services ten laste van [geïntimeerde], en [bedrijf 1].

4. De procedure in eerste aanleg
4.1. [geïntimeerde] heeft bij het ATC gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen [appellant] op grond van door haar gepleegde tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen.
4.2. Als grondslag voor de vordering heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij met [appellant] een honorarium van SRD. 5000, – is overeengekomen voor haar werkzaamheden met betrekking tot de opdracht voor het opheffen van het gelegd beslag; dat hij dit bedrag in zijn totaliteit heeft voldaan bij de administratie van kantoor [appellant], waarvoor hij echter geen kwitantie heeft ontvangen; dat [appellant] hem naderhand USD. 68.000, -, SRD. 443.000, – en Euro 8.900, – in rekening heeft gebracht terwijl zij geen meer of ander werk voor hem heeft verricht, en eiste zij betaling hiervan.
Tevens heeft [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag gelegd, dat de door [appellant] gelegde beslagen op zijn banktegoeden, voor het niet betalen van de bedragen die achteraf door haar in rekening zijn gebracht, ertoe hebben geleid dat de contracten die hij met bedrijven had, verbroken zijn waardoor hij geen tot weinig inkomen heeft.
4.3. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] samen met de heer [persoon] bij haar op kantoor is geweest, en heeft aangegeven, dat door zijn echtgenote beslag was gelegd op de bankrekeningen van zijn bedrijf [bedrijf 1] en dat hij dit beslag op kort termijn opgeheven wilde hebben; verder dat ter zake deze opdracht een honorarium van SRD. 5.000, -, SRD. 60.000, – en USD. 30.000, met [geïntimeerde] – is afgesproken; dat het gangbaar tarief voor een zaak betreffende het opheffen van beslag 15% van het belang bedraagt.
4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 21 oktober 2019 met de daarin vermelde gronden, de klacht van [geïntimeerde] gegrond verklaard en [appellant] de tuchtmaatregel van schorsing voor de periode van drie maanden opgelegd met de bepaling dat deze maatregel niet ten uitvoering zal worden gelegd indien [appellant] binnen één week na de uitspraak het bedrag van SRD. 50.000, – teruggeeft aan [geïntimeerde] en binnen 1×24 uur na de uitspraak alle ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen opheft voor zover die nog niet zijn opgeheven.

5. De grieven
[appellant] heeft een zevental grieven aangevoerd tegen de beslissing van het ATC, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1 Niet- ontvankelijkheid van de klager.
Blijkens het schrijven van 26 april 2019 is de klacht ingediend door [geïntimeerde] in persoon. Wanneer gekeken wordt naar de feiten van de zaak is [appellant] opgekomen voor de belangen van [bedrijf 1] en zou de klacht door haar ingediend moeten worden. [geïntimeerde] zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn klacht.

Grief 2 Misbruik van tuchtrecht.

  • De klacht van [geïntimeerde] is gedateerd 26 april 2019, echter heeft [appellant] deze op 27 mei 2019 ontvangen, waaruit moge blijken dat de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht een maand onder zich heeft gehouden zonder [appellant] daarvan in kennis te stellen.
  • [geïntimeerde] heeft verder expliciet gevraagd om de klacht door te sturen naar het ATC, hetgeen de Deken ingevolge artikel 42 lid 1 Advocatenwet onmiddellijk had behoren te doen doch is zulks niet geschied.
  • Evenmin heeft de Deken ingevolge artikel 41 lid 1 Advocatenwet getracht de klacht in der minne te schikken. Op grond hiervan verdenkt [appellant] de Deken ervan dat zij met behulp van [geïntimeerde] en diens gemachtigde een klacht tegen haar hebben geconstrueerd in het kader van een complot tegen haar.
  • Voorts is er hier sprake van een civielrechtelijk vraagstuk en geen tuchtrechtelijke, hetgeen [geïntimeerde] reeds heeft beaamd door in kortgeding te procederen. De klacht is ingediend nadat de vorderingen in civilibus afgewezen zijn, hetgeen de stelling bevestigt dat er hier sprake is van misbruik van tuchtrecht om zo de beslagen op de rekeningen van [geïntimeerde] opgeheven te krijgen.
  • Ook heeft het ATC niet getracht om de klacht in der minne te schikken. Dit had ingevolge het bepaalde in de artikelen 42 lid 3 jo 40 lid 5 en 41 lid 1 van de Advocatenwet gemoeten.

Grief 3. Geen sprake van onzorgvuldig – en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden.

  • Het ATC heeft onder 4.3 van haar beslissing overwogen, dat voorop gesteld moet worden dat op de advocaten en dus ook op [appellant] de ere-regels van toepassing zijn. Ingevolgde de ere-regels artikel 9 lid 1, is één van de eerste verplichtingen van de advocaat, de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden te betrachten. Een advocaat moet duidelijke afspraken maken over het verschuldigd honorarium. Echter kan niet gesteld worden op grond van artikel 9 lid 1 van de ere-regels, dat de advocaat reeds bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken moet hebben gemaakt. De advocaat is namelijk niet altijd in staat om in de eerste momenten van contact met de cliënt aan te geven wat het honorarium zal zijn voor het verlenen van de nodige rechtsbijstand.
  • Ten onrechte heeft het ATC overwogen dat [appellant], met de erkenning dat zij tekort is geschoten in de vastlegging van de prijsafspraak met [geïntimeerde], heeft toegegeven ook artikel 9 lid 1 van de ere-regels te hebben geschonden. Het niet schriftelijk vastleggen van een prijsafspraak levert in de Surinaamse tuchtrechtspraak voor advocaten geen klachtwaardige handeling op. Voorts heeft [geïntimeerde] de declaratie gezien en daarop in mindering een bedrag van SRD. 50.000, – betaald alsook de betalingsopdracht voor USD. 30.000, – gegeven, die later is teruggedraaid.

Grief 4. Geen afspraken met betrekking tot het honorarium

  • Ten onrechte heeft het ATC onder 4.4. van haar beslissing overwogen, dat:
    “naar het oordeel van het tuchtcollege het niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster afspraken had met klager met betrekking tot een honorarium van SRD.5.000, -, SRD.60.000, – en USD.30.000,-. Dit wordt niet alleen ontkend door klager, maar ook door [persoon] die steeds aanwezig was met klager ten tijde van de gesprekken met verweerster. Aannemelijk is verder de stelling van klager, die ook wordt ondersteund door de verklaring van [persoon], die ter zitting is gehoord als getuige, dat verweerster buiten zijn aanwezigheid afspraken met [persoon] heeft gemaakt danwel heeft onderhandeld met [persoon] met betrekking tot het door klager verschuldigde honorarium. Het vaststellen van een honorarium buiten aanwezigheid van klager en hem er ook nog aan houden om dat te voldoen, is in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Daar komt ook nog bij dat verweerster tot twee keer toe heeft nagelaten om kwitanties uit te schrijven van de door haar ontvangen bedragen groot SRD.5.000,- en SRD.50.000, -, welke bedragen betaald zijn respectievelijk door klager en [persoon]. Aan het voorgaande doet niet af het verweer van verweerster dat klager de kwitantie in alle haast niet heeft meegenomen, hetgeen overigens wordt ontkend door klager. Immers is niet gesteld of gebleken dat verweerster op enig moment klager op de hoogte heeft gesteld dat hij zijn kwitantie(s) moet ophalen.”
    Uit de feiten van de zaak is gebleken dat [appellant] heeft ontvangen SRD. 55.900, – (opmerking Hof: kennelijk wordt SRD.55.000,- bedoeld) en dat er voor het bedrag van USD. 30.000, – een aanvang is gemaakt met de betaling. De aanname van het ATC dat de prijsafspraken niet in rechte zijn komen vast te staan zijn derhalve onjuist en onbegrijpelijk. Het komt in de advocatuur met grote regelmaat voor dat prijsafspraken gemaakt worden buiten de cliënt om. Dus ook al zou de prijsafspraak buiten [geïntimeerde] en de N.V. zijn gemaakt, levert dit nog geen klachtwaardig handelen op. Het niet uitschrijven van een kwitantie betekent op zichzelf ook niet automatisch dat [appellant] zich niet heeft gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. De kwitantie kan immers op elk moment gedurende de bijstandsverlening nog worden uitgeschreven en afgegeven.

Grief 5. Geen sprake van schending van artikel 8 van de ere-regels
Het ATC heeft onder 4.4. van haar beslissing overwogen, dat [appellant] conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen ten laste van [geïntimeerde], waardoor hij niet over zijn financiën kan beschikken met als gevolg dat leveranciers de samenwerking met hem hebben stopgezet en hij hierdoor grote schade lijdt. [appellant] had vanwege de werkzaamheden die zij voor [geïntimeerde] heeft verricht gevoelige informatie over de financiële middelen van [geïntimeerde] en wist zij dat hij over de middelen moest beschikken voor de continuering van zijn bedrijf. [appellant] heeft deze informatie gebruikt door derdenbeslag te leggen ten behoeve van zichzelf, wetende dat er een verschil van mening was over de hoogte van het honorarium.

  • Ten onrechte heeft het ATC overwogen dat [appellant] hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van de ere-regels. Dit artikel is op onderhavige situatie, waarbij er een dispuut is over het honorarium, niet van toepassing. Immers zou toepassing van dit artikel betekenen, dat de advocaat per definitie geen verhaal zou mogen zoeken voor zijn honorarium op bezittingen van gewezen cliënten en dat cliënten per definitie gevrijwaard zouden zijn van het betalen van honoraria. Artikel 8 is volstrekt verkeerd uitgelegd en toegepast door het Tuchtcollege.
  • Voorts gaat het ATC er ten onrechte vanuit dat [appellant] conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen ten laste van [geïntimeerde]. De beslagen in kwestie zijn gelegd ten laste van de N.V.

Grief 6. Onredelijk honorarium

  • Ten onrechte heeft het ATC onder 4.5. van haar beslissing overwogen, dat de door [appellant] genoemde bedragen voor het honorarium onredelijk zijn en dat niet gesteld noch gebleken is, dat de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak het verlangde honorarium rechtvaardigden.
  • Ten onrechte merkt het ATC verder op dat artikel 11a van de ere-regels stelt, dat de declaratie redelijk dient te zijn, in aanmerking nemende de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak en dat het feit dat [appellant] haar honorarium heeft gekoppeld aan het belang in de zaak in strijd is met de bovengenoemde regel. [appellant] merkt op dat er in de advocatuur reeds lange tijd is uitgemaakt dat voor de hoogte van het honorarium, de soort zaak niet bepalend is, maar dat er gebruik wordt gemaakt van een met de cliënt overeengekomen declareergrondslag c.q. –methode. Dit blijkt uit de incasso zaken waarbij de advocaat en de cliënt een percentage van het te innen bedrag overeenkomen als honorarium. Het percentage van 15% is door de kantonrechter in civiele zaken herhaaldelijk toegewezen en wordt dit betaald ongeacht de omvang van de werkzaamheden. De in casu gehanteerde declareermethode komt neer op het principe van scheiding en deling. Door en op verzoek van [geïntimeerde] te geraken tot de opheffing van het beslag, welke in beginsel het karakter van een conservatoir maritaal beslag moest hebben, heeft hij zijn deel in de huwelijksgoederengemeenschap veilig kunnen stellen en mag dat gezien worden in het kader van een scheiding en deling. De door het ATC aangenomen onredelijkheid van het honorarium is dan ook niet c.q. onvoldoende gemotiveerd.

Grief 7. Niet gehandeld in strijd met de integriteit van een advocaat
Het ATC heeft ten onrechte onder 4.6. van haar beslissing overwogen, dat [appellant] een constructie had bedacht dat gelden die betrekking hadden op haar honorarium niet op haar eigen rekening werden gestort, maar op rekening van een importbedrijf, hetgeen niet ethisch is en in strijd met de integriteit van een advocaat. Er is geen sprake van enig klachtwaardig handelen aan de zijde van [appellant]. Het doen betalen van een honorarium door storting daarvan op een andere rekening dan de kantoorrekening van een advocaat, maakt niet dat de advocaat in kwestie klachtwaardig handelt tegenover de cliënt. Het is uiteraard wenselijk dat voor de administratie van het kantoor alle betalingen die betrekking hebben op de dienstverlening van de advocaat op de rekening van diens kantoor worden gedaan of in contanten bij de advocaat. Echter is niet gebleken, dat enige norm de advocaat verbiedt om een betaling voor verleende diensten te doen storten op een andere rekening dan de kantoorrekening.

6. De vordering in hoger beroep
[appellant] concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het ATC d.d. 21 oktober 2019 (no.19/24) waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de klacht als ongegrond te verklaren.

7. Het verweer
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop – voor zover nodig – in de beoordeling zal worden ingegaan.

8. De beoordeling
Primair dient te worden opgemerkt dat advocaten op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, die overigens niet uitputtend zijn vastgesteld, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel. Daarbij zal rekening dienen te worden gehouden met ontwikkelingen binnen de advocatuur, met name met veranderde opvattingen over hetgeen een behoorlijk advocaat al dan niet betaamt. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan.
Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:
8.1. Met betrekking tot grief 1: Niet-ontvankelijkheid klager
8.1.1 [geïntimeerde] voert aan, dat hij de enige directeur is van [bedrijf 1]en derhalve 99% van de aandelen in de N.V. bezit. In het kader hiervan is hij opgekomen voor zijn belangen.
8.1.2 Uit de door [appellant] overgelegde, maar niet aan [geïntimeerde] afgegeven, kwitantie met no. 0799, d.d. 22 februari 2019, blijkt dat deze op naam van [geïntimeerde] staat uitgeschreven. Dit wijst er op dat de opdracht tot het verrichten van enkele diensten is gegeven door [geïntimeerde] in persoon. Uit het door [appellant] overgelegde vonnis van de kantonrechter d.d. 07 maart 2019, [nummer] blijkt ook dat [appellant] de vordering in kortgeding tot opheffing van het gelegd beslag ook namens [geïntimeerde] in persoon heeft ingediend. Het Hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daarom in zijn klacht kan worden ontvangen. Grief 1 faalt.

8.2 Met betrekking tot grief 2: Misbruik van tuchtrecht
8.2.1 [geïntimeerde] heeft aangevoerd, dat de verkiezing van de Deken niets met hem te maken heeft en dat hij ook niet daarin betrokken moet worden. Voorts wil [appellant] het doen overkomen dat er geen rekening met haar is gehouden, terwijl zij niet heeft meegewerkt aan het schikkingsvoorstel gedaan bij de kantonrechter.
8.2.2 Het Hof concludeert dat [geïntimeerde] de opdracht tot opheffing van conservatoir beslag heeft gegeven aan [appellant] doch dat hij ontevreden is met haar handelen ter zake het declareren van haar honorarium. [appellant] heeft gesteld dat er sprake is van een complot vanuit de gewezen Deken en de gemachtigde van [geïntimeerde], maar zij heeft hier geen bewijs voor geleverd. Artikel 37 van de Advocatenwet geeft uitdrukkelijk aan op welke gronden een advocaat aan tuchtrechtspraak is onderworpen. Indien [geïntimeerde] de mening is toegedaan dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de in artikel 37 Advocatenwet neergelegde gronden, is hij gerechtigd daartoe een klacht in te dienen conform de in de Advocatenwet aangegeven procedure.
Het Hof kan in zoverre meegaan met [appellant] dat het conflict omtrent de hoogte van het honorarium ook een civielrechtelijk vraagstuk is. Echter is er geen beletsel om ook de tuchtrechter te adiëren in het geval van eventuele misstanden zoals excessieve declaratie.
[appellant] heeft gesteld dat zij niet heeft gereageerd op de oproep van de deken in verband met deze klacht omdat zij de uitspraak van de rechter wilde afwachten. Ten aanzien van de ontevredenheid met betrekking tot de tijd (bijkans een maand) die is gelegen tussen de indiening van de klacht en het haar in kennistellen van die klacht en vervolgens het doorverwijzen daarvan naar het ATC, had [appellant] de bij de wet voorgeschreven procedure kunnen volgen. Artikel 40 lid 11 van de Advocatenwet wijst het forum aan, waar en de wijze waarop klachten tegen de Deken behoren te worden ingediend; van een dergelijk klacht is niet gebleken. Op grond van het voorgaande kan het Hof niet meegaan in de stelling van [appellant] dat er aan de zijde van [geïntimeerde] en of de Deken sprake is van misbruik van het tuchtrecht. De opvatting van [appellant] dat het ATC heeft nagelaten om de klacht in der minne te schikken, hetwelk volgens haar ingevolge de bepalingen in de artikelen 42 lid 3 jo 40 lid 5 jo 41 lid 1 van de Advocatenwet had gemoeten, is feitelijk onjuist. Een dergelijke verplichting rust niet op het ATC. Evenwel heeft het ATC door de tuchtmaatregel die toen is opgelegd wel de opening gecreëerd om zaken recht te trekken en in dier voege de klacht in der minne te schikken. [appellant] heeft echter van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Grief 2 faalt.

8.3. Met betrekking tot grief 3: Geen sprake van onzorgvuldig en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden
8.3.1. [geïntimeerde] voert aan, dat het in casu ging om een zaak betreffende de opheffing van een gelegd beslag. Dit is een vrij eenvoudige zaak, waarbij er geen sprake was van jarenlang procederen en getuigen laten oproepen of een aantal keren compareren. Het gegeven dat [appellant] niet kon vaststellen wat haar uiteindelijk honorarium zou zijn in deze zaak, is voor [geïntimeerde] onvoorstelbaar. [geïntimeerde] voert verder aan dat indien [appellant] meende zo een hoog bedrag in rekening te moeten brengen, zij dit op schrift had moeten stellen.
8.3.2. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is komen vast te staan dat [geïntimeerde] naast de aan [appellant] gegeven opdracht tot opheffing van het beslag gelegd door zijn echtgenote, eveneens de kwestie van zijn echtscheiding heeft besproken. Voorts is komen vast te staan dat [geïntimeerde] aan [appellant] uitdrukkelijk heeft gevraagd slechts het beslag te doen opheffen en ook dat [appellant] zich heeft onttrokken als gemachtigde van [geïntimeerde] voor wat betreft de echtscheiding. Op grond hiervan concludeert het Hof dat de afspraak was dat [appellant] dus effectief, haar diensten zou verlenen ter zake enkel het doen opheffen van het gelegd beslag. Naar het oordeel van het Hof vergen dergelijke werkzaamheden geen ingewikkelde deskundige verrichtingen die [appellant] zouden beletten, direct en concreet de hoogte van het verschuldigd honorarium met [geïntimeerde] te bespreken en overeen te komen. De stelling van [appellant] dat zij bij het aanvaarden van de opdracht in de eerste momenten van het contact niet in staat was duidelijke afspraken omtrent de hoogte van het honorarium voor het verlenen van de nodige rechtsbijstand te maken, wordt geacht te zijn niet aannemelijk. [appellant] had immers na het eerste intakegesprek en na bestudering van de door [geïntimeerde] beschikbaar gestelde stukken het honorarium kunnen voorhouden en daarover een overeenkomst bereiken alvorens verdere stappen te nemen. Aan [geïntimeerde] is niet voorgehouden dat 10 tot 15 % van het belang als honorarium zal gelden. Indien [geïntimeerde] dit had geweten, dan had hij ervoor kunnen kiezen om een andere advocaat aan te trekken om de zaak betreffende het opheffen van het beslag te doen.
[appellant] heeft als gevolg van de niet transparante wijze van communiceren met [geïntimeerde] omtrent het verschuldigde honorarium, gedeclareerd in strijd met de naar de mening van [geïntimeerde] overeengekomen en reeds door hem betaalde honorarium van SRD.5000, -. De aan [appellant] te wijten ondeugdelijke wijze van communiceren welke heeft geleid tot de ten behoeve van haar gelegde beslagen heeft verstrekkende gevolgen gehad voor [geïntimeerde], daar zijn bedrijf enorme financiële schade heeft geleden. Hierdoor heeft [appellant] jegens [geïntimeerde] onzorgvuldig gehandeld.
Artikel 9a van de ere-regels voor advocaten stelt dat één der verplichtingen van de advocaat is de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden te betrachten.
[appellant] heeft bewust een onzuiver beeld geschapen als gevolg waarvan [geïntimeerde] financiële schade heeft geleden. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie dat [appellant] Artikel 9a van de ere-regels heeft overtreden. Grief 3 faalt derhalve.

8.4. Met betrekking tot grief 4: Geen afspraken met betrekking tot het honorarium
8.4.1. [geïntimeerde] voert aan, dat er nimmer uitdrukkelijk aan [appellant] is aangegeven, dat [persoon] zijn zaakwaarnemer is en dat hij de bevoegdheid heeft om zaken namens [geïntimeerde] te doen danwel betalingen te verrichten. Een advocaat kan niet optreden op aangeven van een tussenpersoon, zonder daartoe een uitdrukkelijke machtiging te hebben.
8.4.2. Ondanks het feit dat [persoon] steeds aanwezig was bij de gesprekken met [geïntimeerde] is [appellant] is er ten onrechte vanuit gegaan, dat [persoon] de officiële zaakwaarnemer van [geïntimeerde] was. Het enkel aangeven van [geïntimeerde] bij het verlaten van het kantoor van [appellant], dat [persoon] zijn zaken voor hem zal afwikkelen, ontsloeg [appellant] er niet van om zaken betrekking hebbende op haar honorarium, met [geïntimeerde] te bespreken. Dit geldt te meer vanwege de grote bedragen die door [appellant] in rekening werd gebracht. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is komen vast te staan, dat [persoon] niet de zaakgelastigde was van [geïntimeerde], maar hem slechts bijstond waar nodig daar [geïntimeerde] de Nederlandse taal niet machtig is. Voorts dat [persoon] inderdaad blanco cheques van [geïntimeerde] onder zich had, maar dat hij deze slechts na afstemming met [geïntimeerde] mocht gebruiken teneinde betalingen voor hem te verrichten. [persoon] heeft als getuige in hoger beroep verklaard dat het afgesproken bedrag als honorarium SRD.5000,- bedroeg wat ook was betaald. Echter voelde hij zich verplicht om een deel van de door [appellant] geëiste bedragen te betalen omdat zij bleef aandringen en hij ervan uitging dat hij hoorde te betalen. Voorts omdat hij bovendien degene is geweest die [appellant] in contact heeft gebracht met [geïntimeerde].
Uit het onderzoek van deze klacht in hoger beroep is gebleken dat het ook voor [appellant] duidelijk was dat [geïntimeerde] haar kantoor uit boosheid heeft verlaten omdat hij niet akkoord ging met het door haar gevorderde honorarium, daar dit naar zijn mening niet met haar was afgesproken; voorts dat er daarover een discussie was ontstaan.
Door deze omstandigheden had [appellant] enige terughoudendheid moeten betrachten en afspraken ten aanzien van haar honorarium, met [geïntimeerde] zelf moeten maken en niet met [persoon]. Dit volgt ook uit het bepaalde in artikel 7 lid a derde zin van de ere-regels luidende: “Wordt een zaak door een ander dan de partij zelf (familielid, vriend of kennis) aangebracht, dan zal de advocaat zich steeds moeten overtuigen van de toestemming van de partij zelve”.
Het is, naar het Hof kan concluderen, niet komen vast te staan dat uitdrukkelijk aan [appellant] is gezegd dat [persoon] de zaakgelastigde was van [geïntimeerde].
Ook de artikelen 7a, 7b en 19 van de ere-regels waarborgen, het voorkomen van financieel nadeel van de cliënt ten opzichte van de advocaat als gevolg van onbevoegde vertegenwoordiging. [appellant] heeft deze ere-regels niet in acht genomen terwijl zij dit behoorde te doen. Grief 4 faalt daarom eveneens.

8.5. Met betrekking tot grief 5: Geen sprake van schending van artikel 8 van de ere-regels.
8.5.1. [geïntimeerde] voert aan, dat het niet zo kan zijn dat [appellant] bij elke zaak aangeeft, dat zij haar honorarium mondeling heeft afgesproken en dat deze dan ook op grond hiervan moet worden betaald.
8.5.2. Het Hof concludeert dat [appellant], als gemachtigde van [geïntimeerde], inzage heeft gehad in zijn privé financiële documenten die aan haar zijn toevertrouwd ter staving van de urgentie van de op te heffen beslagen. Artikel 8 van de ere-regels stelt dat een advocaat verplicht is ernstig te zorgen voor de handhaving van zijn beroepsgeheim. Dit heeft betrekking op alles, wat hem vertrouwelijk bekend is geworden in de uitoefening van zijn beroep en zij duurt ook voort na het beëindigen van de zaak. Verder dat de advocaat ten behoeve van zichzelf of enige derde ook geen gebruik mag maken van de gegevens of inlichtingen welke hem in zijn verhouding tot zijn cliënt bekend is geworden. [appellant] heeft, nadat [geïntimeerde] aan haar als advocaat, privacygevoelige stukken heeft afgestaan, op een goed moment ten behoeve van zichzelf, bepaalde percentages van het saldo van banktegoeden die uit die verstrekte stukken zichtbaar waren, als honorarium geëist.
En toen bleek dat [geïntimeerde] zich hiermee niet kon verenigen, heeft zij conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de bedrijven waarmee het bedrijf van [geïntimeerde] samenwerkt. Het Hof komt tot de conclusie dat deze werkwijze van [appellant], een schending van artikel 8 van de ere-regels oplevert. Grief 5 faalt.

8.6. Met betrekking tot grief 6: Onredelijk honorarium
8.6.1. [geïntimeerde] ontkent ten stelligste, dat hij met [appellant] een honorarium van SRD. 60.000, – en USD. 30.000, – is overeengekomen. De door [appellant] gehanteerde procentuele declaratie is van toepassing op geldvorderingen, hetgeen in casu niet het geval is. Het betreft in deze ook geen zaak van scheiding en deling, maar een zaak betreffende een vordering tot het opheffen van een gelegd beslag. [appellant] heeft een declareermethode van [advocatenkantoor] overgelegd en vermeld dat zij hiermee heeft gewerkt teneinde haar honorarium vast te stellen. Echter wordt in dit document ook aangegeven, dat prijsafspraken steeds schriftelijk vastgelegd dienen te zijn, alsook dat de declaratie redelijk dient te zijn. [appellant] heeft hier niet naar gehandeld.
8.6.2 Het Hof vindt het onbegrijpelijk dat [appellant] stelt en daarin volhardt, dat zij haar werkzaamheden ziet in het kader van een scheiding en deling en op grond daarvan haar honorarium heeft vastgesteld terwijl vaststaat dat [geïntimeerde] slechts wilde dat het beslag werd opgeheven. Ook staat vast dat zij zich als advocaat heeft onttrokken van de echtscheidingszaak. [appellant] heeft, eerstens verklaard dat zij bij de aanvang van de opdracht niet direct kon inschatten hoeveel het honorarium zou bedragen om daarna te verklaren dat zij 15% van het belang had afgesproken met [geïntimeerde]. Vervolgens is [appellant] overgegaan betaling van [geïntimeerde] te eisen van andere bedragen zijnde SRD.60.000, – en USD.30.000, -.
Uit het voren overwogene is reeds duidelijk komen vast te staan dat [appellant] geen andere financiële afspraken met [geïntimeerde] had dan het door hem gestelde overeengekomen en betaalde honorarium van SRD.5000,-. Immers een afspraak oftewel een overeenkomst komt tot stand wanneer beide partijen daarmee instemmen, hetgeen in casu niet het geval was. [geïntimeerde] is nimmer akkoord gegaan met andere bedragen dan het door hem betaalde bedrag van SRD.5.000,-. Dat [persoon] eigendunkelijk SRD.50.000,- heeft betaald doet daaraan niet af. Dit is onbevoegd en zonder instemming van [geïntimeerde] geweest.
Naar het oordeel van het Hof zijn de werkzaamheden die [appellant] heeft uitgevoerd, niet evenredig met het door haar in rekening gebrachte honorarium. In dit licht is het volharden in die declaratie door [appellant], ondanks tegenwerping van [geïntimeerde], in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend advocaat betaamt.
De verklaring van [appellant], dat de bankrekeningen waarop beslag is gelegd het belang behelsden welke [geïntimeerde] zou ontvangen uit een scheiding en deling, komt het Hof zeer verregaand en onrealistisch voor, gezien het gegeven, dat het echtscheidingsconvenant welke door [appellant] was opgesteld, al dan niet in opdracht van [geïntimeerde], nimmer ondertekend is. Het belang van [geïntimeerde] uit de echtscheiding zou door de kantonrechter moeten worden bepaald.
Artikel 11a van de ere-regels geeft onder meer aan, dat de declaratie redelijk dient te zijn, in aanmerking nemende de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. In casu komt het, het Hof niet voor, dat de omvang en het gewicht van de zaak de door [appellant] gevraagde honorarium rechtvaardigen. Het Hof gaat mee met het verweer van [geïntimeerde] en stelt dat de door [appellant] opgebrachte declaratie verre van redelijk is in verhouding tot de door haar verrichte werkzaamheden.
Ten overvloede wordt overwogen dat slechts in incassozaken een redelijk percentage, gangbaar is, maximaal 15% van het belang, welke als honorarium mag worden overeengekomen tussen advocaat en cliënt, en dat vaststaat dat in casu van een incassozaak geen sprake is geweest. Grief 6 faalt hierom ook.

8.7. Met betrekking tot grief 7: Niet gehandeld in strijd met de integriteit van een advocaat
8.7.1. [geïntimeerde] voert aan, dat zijn bedrijf rekeningen heeft bij [bank 2] en dat hij aldus geen reden had om [appellant] te vragen naar een rekeningnummer van [bank 1] om enige betaling te kunnen doen.
8.7.2. Vaststaat zoals hiervoor is gebleken, dat het probleem welke [geïntimeerde] opgelost wilde hebben was, het opheffen van het beslag op de rekeningen van zijn bedrijf. Ook [persoon] ging er net als [geïntimeerde] vanuit, dat met het voldoen van de SRD.5.000,- het honorarium van [appellant] volledig was betaald, omdat dit volgens hen was afgesproken. Het niet terstond en ook niet daarna afgeven van kwitanties na – volgens [appellant] – ontvangen deelbetalingen, ondersteunt het bestaan van een bewust door [appellant] gecreëerd onzuiver beeld met betrekking tot haar honorarium. Ook het doen storten van een deel van het in rekening gebrachte honorarium op een bankrekening van een ander bedrijf in stede van een bankrekening van het advocatenkantoor van [appellant], versterkt de conclusie dat [appellant] bewust onzuiver heeft gehandeld. Dit des temeer nu uit het onderzoek in hoger beroep gebleken is dat [appellant], in tegenstelling tot hetgeen zij steeds heeft beweerd, degene is geweest die verlangde dat de betaling moest plaatsvinden op een andere rekening dan die van haar kantoor.
De betaling van de rekening dient ten kantore van de advocaat te geschieden of giraal te worden overgemaakt op de bankrekening van het kantoor van de advocaat en niet op de bankrekening van derden; dit alles mede in het kader van transparantie en de Wet Moneylaundering. Door dit handelen heeft [appellant] in strijd met de integriteit van een advocaat gehandeld. Cliënten behoren de advocaat ten alle tijde te vertrouwen. Grief 7 faalt.

8.8. Het Hof komt op grond van de hierboven besproken grieven tot de conclusie dat [appellant] zeer ernstige misslagen in de praktijkuitoefening heeft begaan en daardoor heeft gehandeld op een wijze dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Zij heeft gehandeld in strijd met de algemene verplichting van advocaten en wel met name de verplichting om het beroep uit te oefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of ander voordeel te laten leiden.
[appellant] heeft door haar zucht naar financieel voordeel, het bedrijf van [geïntimeerde] aanmerkelijke schade toegebracht door [geïntimeerde] een honorarium in rekening te brengen die [geïntimeerde] niet is overgekomen met [appellant], die zeer excessief was tegen de achtergrond van de verrichte werkzaamheden en op de koop toe door verschillende beslagen te leggen als gevolg waarvan het bedrijf verlamd is geraakt en het bedrijf en [geïntimeerde] daardoor behoorlijke schade hebben geleden.
Op grond van het gegeven dat, naar het oordeel van het Hof:
1. er bewust een onzuiver beeld is geschapen, door het zonder redelijk grond bij het aanvaarden van de opdracht niet vooraf vaststellen van het honorarium,
2. het niet (terstond) afgeven van kwitanties na betaling,
3. het ten onrechte ten behoeve van zichzelf gebruikmaken van de door [geïntimeerde] aan haar verstrekte gevoelige financiële informatie,
4. de gebleken wanverhouding tussen declaratie en de verrichte werkzaamheden en
5. het volharden en aandringen tot het voldoen daaraan door [geïntimeerde],
6. alsook het op haar verzoek doen storten van een deel van het geëiste honorarium op de bankrekening van een derde om vervolgens omtrent dit laatste het tegendeel te beweren,
verklaart het Hof de klacht van [geïntimeerde] gegrond en zal het Hof de bestreden beslissing van het ATC d.d. 21 oktober 2019 vernietigen voor wat betreft de opgelegde tuchtmaatregel.
Gelet op dit voren overwogene, de ernst van de misslagen van [appellant] in de praktijkuitoefening en mede in aanmerking genomen hebbende het feit dat aan [appellant] eerder een tuchtmaatregel wegens soortgelijk klachtwaardig handelen is opgelegd, is het Hof met eenparigheid van stemmen van oordeel, dat aan [appellant] thans een zwaardere tuchtmaatregel dient te worden opgelegd te weten van schorsing uit het ambt van advocaat zoals aangegeven in artikel 45 lid 2c van de Advocatenwet, voor de duur van zes maanden welke maatregel passend en geboden wordt geacht.
Gelet op het publieke belang van kennisneming van onderhavige materie zal het Hof tevens beslissen dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

9. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

9.1. Verklaart de klacht van [geïntimeerde] gegrond;

9.2. Vernietigt de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 21 oktober 2019, waarvan beroep voor wat betreft de opgelegde tuchtmaatregel;

En opnieuw rechtdoende:

9.3. Legt aan [appellant] de tuchtstraf van schorsing uit het ambt van advocaat op voor de duur van zes maanden met ingang van de dag waarop het afschrift van deze beslissing van de griffier is ontvangen.

9.4 Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare zitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 25 augustus 2020, in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S.S.S. Wijnhard

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-9

HOF VAN JUSTITIE
dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

In de zaak van

[appellant],
advocaat,
kantoorhoudende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ‘[appellant]’,
gemachtigde: Mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘[geïntimeerde]’,
procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van de door de Voorzitter van het Advocaten Tuchtcollege (hierna “ATC” genoemd) uitgesproken beslissing van 21 oktober 2019 (no. 19/12) (hierna aangeduid als “de bestreden beslissing”) tussen [geïntimeerde] als klaagster en [appellant] als advocaat tegen wie de klacht is ingediend,

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 no. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42) de navolgende beslissing uit.

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

  • de brief d.d. 21 november 2019 ontvangen ter Griffie van het Hof van Justitie d.d. 22 november 2019 alsmede de memorie van grieven, waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing van het ATC;
  • de processen-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 14 januari 2020 en 18 februari 2020;
  • een rolbeschikking waarin het hof heeft beslist dat eenmaal aangevangen tuchtzaken vanwege de strafrechtelijke aard daarvan, met een beslissing op de klacht dienen te worden beëindigd en intrekking daarom niet mogelijk is;
  • de conclusie na gehouden verhoor van partijen zijdens appellant overgelegd d.d. 18 februari 2020;

1.2. De uitspraak van de beslissing was aanvankelijk bepaald op 18 februari 2020, doch is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Op 21 oktober 2019, waren partijen niet aanwezig bij de uitspraak van de tuchtbeslissing waarvan beroep. Het afschrift van de bestreden beslissing heeft [appellant] op 25 oktober 2019 van de Secretaris van het ATC ontvangen en zij heeft bij schrijven d.d. 21 november 2019 appel aangetekend tegen genoemde beslissing, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

3. De feiten
Voor de beoordeling van de klacht en dit appel wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.
3.1. [appellant] heeft in het jaar 2007 van [geïntimeerde] de opdracht ter zake het verlenen van juridische bijstand aangenomen. [geïntimeerde] heeft in dit kader SRD.1.750, -, SRD.600,- en €.4.900, – in kontanten aan [appellant] betaald welke bedragen [appellant] heeft ontvangen.

3.2. Uit een notariële akte d.d. 18 juli 2008, verleden ten overstaan van notaris Derrick Alexander, blijkt dat [geïntimeerde], handelende als enig bestuurslid van [stichting 1], een perceelland groot 998 m2 met al hetgeen daarop staat en gelegen aan [adres] te [district] heeft verkocht en overgedragen aan [stichting 2] waarvan [appellant] het enige bestuurslid is;

4. De procedure in eerste aanleg
4.1. [geïntimeerde] heeft bij het ATC gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen [appellant] op grond van tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen en heeft voorts teruggave van de aan [appellant] betaalde gelden alsook van het overgedragen perceel gevorderd.

4.2. Als grondslag voor de vordering heeft [geïntimeerde] aangevoerd:

  • dat [appellant] tekort is geschoten in haar dienstverlening;
  • dat zij op advies van [appellant] vermogensbestanddelen toebehorende aan haar echtgenoot, met wie zij buiten gemeenschap van goederen was gehuwd, heeft ondergebracht in een stichting, namelijk [stichting 1] en – dat [appellant] vervolgens erop heeft aangedrongen één van de percelen uit de stichting aan haar over te dragen als deel van haar honorarium terwijl er nimmer enig honorarium was overeengekomen tussen haar en [appellant];
  • voorts dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de emotionele situatie waarin [geïntimeerde] verkeerde door haar te misleiden en te manipuleren teneinde het betreffend perceel overgedragen te krijgen.

4.3. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd:

  • dat zij in de periode 2007 tot 2010 juridische bijstand aan [geïntimeerde] heeft verleend. Vanwege de vele zaken die [geïntimeerde] aan haar had voorgelegd was het niet mogelijk vooraf vast te stellen wat het honorarium zou zijn;
  • dat zij nimmer het verzoek heeft gedaan aan [geïntimeerde] om het betreffend perceel aan haar over te dragen. Integendeel werd dit voorstel door [geïntimeerde] zelf gedaan om zo het honorarium deels te kunnen verrekenen;
  • dat zij rekening heeft gehouden met de financiële situatie van [geïntimeerde] en zij daarom het honorarium betreffende haar bijstand met betrekking tot de oprichting van [stichting 1] heeft gemitigeerd naar SRD 20.000, -, waarvan een deel door [geïntimeerde] in contanten is voldaan en een deel verrekend is met de overdracht van het perceel.

4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 21 oktober 2019 met de daarin vermelde gronden, de klacht van [geïntimeerde] gegrond verklaard en [appellant] de tuchtmaatregel van berisping opgelegd.

5. De grieven
[appellant] heeft een zestal grieven aangevoerd tegen de beslissing van het ATC, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1. Niet-ontvankelijkheid van de klager.
Blijkens het schrijven d.d. 04 juni 2018 is de klacht ingediend door [geïntimeerde] in persoon. Niet is gebleken, dat de klacht door [stichting 1] is ingediend, waardoor de klager niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Grief 2. Niet tijdig doorsturen van de klacht door de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten.
De toenmalige Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) heeft [appellant] aangeschreven teneinde zich te verweren op de door [geïntimeerde] ingediende klacht, hetwelk [appellant] heeft gedaan. Hierna heeft zij mondeling van de toenmalige Deken mogen vernemen, dat de klacht als oneigenlijk c.q. ongegrond of van onvoldoende gewicht is bevonden. Echter heeft [appellant] daarna nimmer iets van de toenmalige Deken ter zake vernomen. Omdat de Deken de klacht niet terstond door heeft gestuurd naar het ATC is hier sprake van rechtsverwerking. Immers heeft de toenmalige Deken zijn rechten verspeeld door de zaak na het verweer te hebben ontvangen, als afgedaan te beschouwen en zich naar [appellant] toe ook zo te uiten.

Grief 3. Verjaring van de klacht.
Er is sprake van verjaring, gezien het feit dat de juridische bijstand die door [appellant] is verleend dateert van de jaren 2007, 2008 en 2009, zijnde tien jaren terug. [geïntimeerde] heeft haar klacht niet tijdig ingediend en dient zij op grond hiervan niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Grief 4. Geen sprake van onzorgvuldig en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden.
Ten onrechte heeft het ATC overwogen, dat een advocaat er zorg voor dient te dragen dat er duidelijke afspraken gemaakt worden met betrekking tot het honorarium. De advocaat is echter niet altijd in staat om in de eerste momenten van het contact met de cliënt, het met de te geven rechtsbijstand gemoeide honorarium vast te stellen. Het komt regelmatig voor, dat het honorarium gedurende de uitvoering van de opdracht of aan het eind van de werkzaamheden, door de advocaat wordt vastgesteld.

Grief 5. Geen onduidelijkheid met betrekking tot de gedeclareerde en ontvangen bedragen.
Ten onrechte heeft het ATC onder 4.3 van haar beslissing aangegeven, dat [appellant] op onduidelijke wijze heeft gecommuniceerd met [geïntimeerde] over de verschuldigde kosten. Dat voorts niet uit het onderzoek is komen vast te staan, dat de afspraken tussen [appellant] en [geïntimeerde] met betrekking tot het honorarium schriftelijk zijn vastgelegd, waardoor er geen duidelijkheid was voor [geïntimeerde] en niet van haar hoefde te worden verwacht dat zij de achteraf gedeclareerde bedragen van [appellant] hoefde te accepteren. [appellant] geeft aan, dat zij expliciet heeft aangegeven welke werkzaamheden zij voor [geïntimeerde] heeft uitgevoerd. De verschuldigde kosten waren in vele zaken niet vooraf bepaalbaar. Het komt voorts vaker voor, dat de advocaat na afronding van de werkzaamheden tot een begroting komt.

Grief 6. Geen sprake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Ten onrechte heeft het ATC overwogen, dat het accepteren van de overdracht van een perceel als verrekening, als deel van het honorarium, in strijd is met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. [appellant] ontkent dat de overdracht van het perceel op instigatie van haar is gedaan. De overdracht van het perceel is op verzoek van [geïntimeerde] gedaan.

6. Vordering in hoger beroep
[appellant] concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het ATC waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de klacht als ongegrond te verklaren en [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren.

7. De beoordeling
Primair dient te worden opgemerkt dat advocaten op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, die overigens niet uitputtend zijn vastgesteld, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel. Daarbij zal rekening dienen te worden gehouden met ontwikkelingen binnen de advocatuur, met name met veranderde opvattingen over hetgeen een behoorlijk advocaat al dan niet betaamt. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan.
Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:
7.1. Met betrekking tot grief 1: niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] omdat zij niet degene is met wie de overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten is gesloten.
Uit de overgelegde stukken en tijdens de behandeling van de klacht in hoger beroep, is niet komen vast te staan dat [appellant] namens [stichting 1] heeft gehandeld. Gebleken is dat de stichting voornoemd op een latere datum is opgericht, dan de datum waarop [appellant] door [geïntimeerde] in de arm is genomen om juridische bijstand te verlenen. Immers het probleem waarmee [geïntimeerde] naar [appellant] was gekomen heeft ertoe geleid dat op voorstel van en onder begeleiding van [appellant] [stichting 1] is opgericht en een aantal goederen in die stichting zijn ondergebracht. Het Hof concludeert, dat [geïntimeerde] en niet [stichting 1] een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten heeft gesloten met [appellant]. Daarnaast heeft [appellant] bij de behandeling van dit appel zelf aangegeven, letterlijk geciteerd: “Vervolgens is [geïntimeerde] met een andere zaak bij mij gekomen, waar het erom ging dat [persoon] over een machtiging scheen te beschikken…………………Daarom het idee om de onroerende goederen onder te brengen in een stichting vermogensbeheer waarbij [geïntimeerde] dan de leiding zou hebben………………..Ik heb alle voorbereidingen voor haar getroffen om te komen tot de oprichting van [stichting 1], om alle onroerende goederen hierin onder te brengen. etc.” Grief 1 faalt derhalve.

7.2. Met betrekking tot grief 2: niet tijdig doorsturen van de klacht door de Deken.
Het Hof gaat voorbij aan de blote stelling van [appellant] dat zij mondeling van de toenmalige Deken heeft mogen vernemen dat de klacht van [geïntimeerde] niet gegrond was en dat zij er derhalve op mocht vertrouwen dat de klacht was afgedaan. Van [appellant] mocht, gelet op haar veronderstelde wets- en rechtskennis alsook jarenlange praktijkervaring, verwacht worden dat zij kon weten en begrijpen, dat – voor zover er een dergelijke mondelinge toezegging gedaan zou zijn – daar geen waarde aan kon worden gehecht. Immers is in de Advocatenwet in artikel 41 lid 4 uitdrukkelijk bepaald dat de Deken, indien die van oordeel is dat de ingediende klacht niet klachtwaardig is, dit schriftelijk aan de klager en de advocaat tegen wie de klacht is ingediend moet mededelen. Van enige rechtsverwerking is geen sprake simpel vanwege het feit dat er geen sprake is van een recht van de Deken om de klacht naar het ATC door te sturen doch gelet op het bepaalde in artikel 41 lid 3 en artikel 42 eerder een plicht om de klacht door te sturen naar het ATC. Grief 2 faalt eveneens.

7.3. Met betrekking tot grief 3: verjaring van de klacht.
7.3.1. [geïntimeerde] heeft als verweer hierop aangevoerd, dat het Advocaten Tuchtcollege in mei 2017 is geïnstalleerd en dat zij in juni 2018 haar klacht bij de Deken heeft gedeponeerd die de klacht vervolgens heeft doorgeleid naar het Tuchtcollege alwaar haar klacht in behandeling is genomen op 14 juni 2019.

7.3.2. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant], dat de klacht zoals die door [geïntimeerde] is ingediend, verjaard is. Het Advocaten Tuchtcollege is in mei 2017 geïnstalleerd. De toenmalige Deken heeft de klacht op 10 maart 2019 doorgeleid naar het Advocaten Tuchtcollege en deze is in juni 2019 in behandeling genomen, hetwelk binnen redelijk termijn is geschied. Voorts is er geen uitdrukkelijke verjaring termijn aangegeven in de Advocatenwet. Het Hof gaat voorbij aan hetgeen door [appellant] gesteld wordt, namelijk dat [geïntimeerde] haar klacht na 2010 moest hebben ingediend bij het Hof van Justitie. Uit de stukken noch uit de behandeling van de klacht in hoger beroep is gebleken, dat [geïntimeerde] kennis droeg van het feit, dat zij het Hof kon hebben geadieerd om haar klacht in te dienen, temeer daar deze regel geen algemene bekendheid genoot; dit in tegenstelling tot de installatie van het Advocaten Tuchtcollege waaraan wel algemene bekendheid is gegeven. Grief 3 faalt derhalve.

7.4. Met betrekking tot grief 4: geen sprake van onzorgvuldig en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden.
7.4.1. [geïntimeerde] stelt, dat [appellant] haar nimmer duidelijk heeft aangegeven, wat de kosten zijn waarop zij zou mogen rekenen in het kader van de juridische bijstand die [appellant] verleende en welke werkzaamheden zij specifiek heeft verricht. De werkzaamheden welke door [appellant] zijn aangegeven als te zijn door haar verricht, worden door [geïntimeerde] betwist.

7.4.2. Tijdens de behandeling van de klacht in hoger beroep is komen vast te staan, dat [appellant] werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde], doch dat er tussen partijen een twist bestaat over welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, alsook wat de kosten voor deze werkzaamheden waren.
Ingevolge het bepaalde in artikel 9 lid a van de ere-regelen behoort tot één van de eerste verplichtingen van een advocaat de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid die in geldelijke aangelegenheden in acht dient te worden genomen.
[appellant] heeft tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep aangegeven, dat er uitgezocht moest worden in welke zaken zij werkzaamheden moest verrichten voor [geïntimeerde] en dat zij aan de hand hiervan een declaratie bedrag met haar zou overeenkomen. Verder, dat zij de stukken heeft doorgenomen waarna zij een mondeling traject met [geïntimeerde] heeft uitgestippeld. [appellant] heeft volgens eigen verklaring, hierna bepaalde zaken die spoed hadden gelijk aangepakt en andere zaken op de achtergrond geplaatst. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie, dat [appellant] een concreet beeld had van de werkzaamheden die zij zou moeten verrichten alsook een goede indicatie kon hebben gehad van wat de mogelijke kosten zouden zijn voor elke zaak. [appellant] had naar de mening van het Hof [geïntimeerde] moeten voorzien in een duidelijk overzicht van haar werkzaamheden alsook wat de eventuele kosten hiervoor zouden zijn. [geïntimeerde] had daardoor haar afwegingen kunnen maken om al dan niet akkoord te gaan met de mogelijke kostenraming voor de verschillende zaken en bij het niet bereiken van een akkoord ervoor kunnen kiezen elders rechtsbijstand te betrekken. [geïntimeerde] is hierin in het ongewisse gelaten en aan het einde van de rit “overvallen” met hoge declaraties. Deze wijze van handelen van [appellant] is in elk geval in strijd met artikel 9a van de ere-regelen. Grief 4 gaat derhalve ook onderuit.

7.5 Met betrekking tot grief 5: geen onduidelijkheid met betrekking tot de gedeclareerde en ontvangen bedragen.
7.5.1 [geïntimeerde] stelt, dat [appellant] nimmer uitdrukkelijk heeft aangegeven, wat haar honorarium zal zijn voor het verlenen van rechtsbijstand maar dat zij slechts met tussenpozen aangaf, wat betaald moest worden voor haar diensten en dat zulks door haar werd voldaan.

7.5.2 Vaststaat dat er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt tussen partijen voor wat betreft het honorarium. [appellant] heeft tussentijds bedragen gedeclareerd respectievelijk SRD.1.750, – zijnde het voorschot voor de door [appellant] te verlenen diensten, SRD.600,- en €.4.900, – zijnde de slotdeclaratie. Niet is gebleken voor welke werkzaamheden er door [appellant] is gedeclareerd en op basis waarvan de voornoemde bedragen tot stand zijn gekomen. Het had op de weg van [appellant] gelegen, om conform hetgeen zij aan [geïntimeerde] had voorgehouden, namelijk dat zij een declaratie bedrag met haar overéén zou komen, duidelijk aan te geven voor welke werkzaamheden zij declareerde en hoe die declaratie was opgebouwd.
Artikel 11a van de ere-regelen schrijft voor, dat de declaratie van de advocaat redelijk dient te zijn, in aanmerking nemende de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak.
Nu [appellant] geen uiteenzetting heeft gegeven van de werkzaamheden die zij voor [geïntimeerde] heeft verricht, kan niet eenvoudig getoetst worden als de door haar ingediende declaratie redelijk is ten opzichte van de omstandigheden, omvang en gewicht van de zaak.
[appellant] heeft Artikel 11a van de ere-regelen niet in acht genomen. Ook grief 5 schiet haar doel voorbij.

7.6 Met betrekking tot grief 6: Geen sprake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
7.6.1. [geïntimeerde] voert aan, dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van haar fragiele emotionele staat om één van de percelen behorende tot [stichting 1] overgedragen te krijgen als deelbetaling van haar honorarium welke zij in rekening bracht voor de verleende bijstand bij het oprichten van de voornoemde stichting.

7.6.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling van de klacht in hoger beroep is komen vast te staan, dat [geïntimeerde] advies gevraagd heeft aan [appellant] ten aanzien van de onroerende goederen van thans, wijlen haar echtgenoot. Voorts is komen vast te staan dat [appellant] [geïntimeerde] heeft bijgestaan bij het doen oprichten van [stichting 1], welke is geschied op 22 april 2008. [appellant] heeft voor deze werkzaamheden SRD.20.000,- als honorarium in rekening gebracht. Niet is komen vast te staan, dat dit bedrag vooraf met [geïntimeerde] was afgesproken. Uit de onroerende goederen van [stichting 1], heeft [appellant] een perceel geaccepteerd zijnde verrekening voor een deel (SRD.10.000,-) van het gevraagde honorarium terwijl het ander deel ad SRD.10.000,- contant is betaald. Het Hof laat in het midden of deze wijze van verrekening is geschied, op instigatie van [appellant] of [geïntimeerde] zelf.

7.6.3 Het bewuste perceel groot 998 m2 met al hetgeen daarop staat en gelegen aan [adres] te [district] is overgeschreven op naam van [stichting 2]. [stichting 2] is opgericht op 18 juli 2008 met [appellant] als de enige bestuurder en ingeschreven in het Stichtingenregister op 4 februari 2009. De bestuurswijziging van deze stichting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2010, waarbij [appellant] uit het bestuur van [stichting 2] is getreden.
7.6.4 Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is door [appellant] aangegeven, dat zij geen behoefte had aan een perceel, doch dat zij de stichting heeft opgericht om het perceel te kopen met ‘gesloten beurs’. [appellant] heeft ten aanzien van de door haar toegepaste “verrekening constructie” eerst verwoede pogingen gedaan om het Hof ervan te overtuigen dat zij niet onbetamelijk heeft gehandeld omdat niet zij, maar [stichting 2] de koper is van het perceel en [stichting 1], de verkoper. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie dat [appellant] bewust onzuiver heeft gehandeld. Indien [geïntimeerde] niet over de financiën beschikte om het honorarium van [appellant] te betalen, [geïntimeerde] betwist dit, had zij, [appellant], een betalingsregeling met [geïntimeerde] kunnen treffen. De door [appellant] gehanteerde constructie komt erop neer dat zij betaald is voor haar diensten als advocaat met een perceel dat zij heeft ondergebracht in een stichting die zij speciaal hiervoor heeft opgericht en zij alzo doende de bedoeling heeft gehad zich achter de stichting te verschuilen. Daarbij is [geïntimeerde] behoorlijk benadeeld geworden. Het is een feit van algemene bekendheid (zie de klapper van 2011 van het MI-Glis betreffende de minimale grondwaarde bron: https://miglis.sr/klapperonline/klapper_view.php) dat de minimale grondwaarde van een vierkante meter perceel aan [adres] €.40,- bedroeg. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de waarde van betreffend perceel in 2011 niet (significant)verschilde met de waarde in juli 2008 toen de overdracht van het perceel plaatsvond. De totale minimale klapperwaarde van betrekkelijk perceel bedroeg derhalve indicatief 998 m2 X €.40,- = €.39.920,-. Feit van algemene bekendheid is dat de indicatieve marktkoers van de euro in 2008 SRD.4,- voor €.1,- bedroeg (bron: https://www.cbvs.sr/images/content/publicaties/Wisselkoersen/2018/Gemiddelde_mndkrsn_1994-2018.pdf) hetgeen neerkomt op SRD.159.680,-.
Eén en ander komt erop neer dat [appellant] als tegenprestatie voor een te ontvangen restanthonorarium ad SRD. 10.000,- zich, via een door haar opgerichte stichting, heeft laten betalen met een perceel ter waarde van minimaal SRD.159.680,-. [appellant] heeft toen derhalve excessief ontvangen het bedrag van SRD. 159.680,- minus SRD.10.000,- is SRD.149.680,- in natura, en wel in de vorm van genoemd perceel.
Ingevolge de ere-regelen moet de advocaat het beroep uitoefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of andersoortig voordeel te laten leiden.
Het aannemen van een perceel als betaling voor bewezen diensten, en daarbij de meerwaarde zoals hiervoor weergegeven, alsook het oprichten van een stichting om de overdracht van het perceel te accommoderen is onzuiver, niet acceptabel en in strijd met datgene dat een behoorlijk advocaat betaamt.

7.7. Het Hof komt op grond van de hierboven besproken grieven tot de conclusie dat [appellant] heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt. Zo heeft zij met name in strijd gehandeld met de verplichting om het beroep uit te oefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of ander voordeel te laten leiden. [appellant] heeft door haar zucht naar voordeel, onzuiver gehandeld.
Mede op grond van het gegeven dat, naar de mening van het Hof, [appellant] zonder redelijke grond heeft nagelaten het honorarium met [geïntimeerde] vooraf te bespreken, zij daarnaast bedragen heeft gedeclareerd en ontvangen van [geïntimeerde] zonder haar hieromtrent duidelijkheid te verschaffen en de ontvangst van betaling van het restant honorarium ad. SRD.10.000,- door overdracht van een onroerend goed met een minimale waarde van SRD.169.680,- aan een door haar opgerichte stichting waarbij zij de enige bestuurder was, verklaart het Hof de klacht van [geïntimeerde] gegrond.
Voor wat betreft de op te leggen tuchtmaatregel neemt het Hof mede in overweging dat [appellant] bij de behandeling van onderhavige tuchtzaak heeft erkend verkeerd te hebben gehandeld, dat de maatregel van berisping opgelegd door het ATC passend was en dat zij zal instaan voor de consequenties. Voorts houdt het Hof rekening met het feit dat [appellant] first offender is.
Gelet op al het vorenoverwogene acht het Hof de maatregel van berisping passend en geboden en zal het Hof de beslissing van het ATC d.d. 21 oktober 2019 bevestigen onder aanvulling van gronden.
Voor wat betreft de vordering van [geïntimeerde] dat zij het aan [appellant] overgedragen perceel terugwenst, verwijst het Hof [geïntimeerde] naar de civiele rechter voor de beslechting hiervan. Het Hof dienende als hoger beroepsinstantie van het ATC, is niet de aangewezen instantie om vorderingen tot teruggave van goederen te bewerkstelligen. Deze bevoegdheid is weggelegd voor de civiele rechter.

7.8. Gelet op het publieke belang van kennisneming van onderhavige materie zal het Hof tevens beslissen dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

8. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

8.1. Verklaart de klacht van [geïntimeerde] gegrond.

8.2. Bevestigt de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 21 oktober 2019, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

8.3. Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare zitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 25 augustus 2020, in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S.S.S. Wijnhard

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld