SRU-HvJ-2019-56

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker]
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: l.D. Kanhai BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, waarnemend substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2013;
  • het verweerschrift ingediend op 27 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot aanbieding van aanvullende processtukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 21 februari 2014;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 04 april 2014;
  • de pleitnota d.d. 02 mei 2014;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 06 juni 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota, met producties, overgelegd op 15 augustus 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als: reactie op pleitnota;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 21 november 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 april 2015, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is omstreeks 2001 in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk in vaste dienst bij het KPS in de rang van agent van politie 1e klasse.
2.2 [verzoeker] heeft in de ochtend van 11 mei 2012 meerdere schoten met zijn dienstvuistvuurwapen afgevuurd op de woning van zijn directe chef, de inspecteur van politie 3e klasse [naam 1], (hierna: [naam 1]). [verzoeker] is hiervoor strafrechtelijk vervolgd.
2.3 [verzoeker] is blijkens het strafdossier [nummer 1]91/2012 van de afdeling OPZ wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70 jo 69, 347 jo 70 jo 69, 414, 345 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, ingaande 11 mei 2012 bij beschikking van de toenmalige waarnemend korpschef, H.A. Tjin Liep Shie, te rekenen van even vermelde datum buiten functie gesteld en op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.
2.4 [verzoeker] is op 12 december 2012 in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het op 10 januari 2013 gehouden korpsrapport mondeling verweer gevoerd.
2.5 Bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 11 maart 2013, Justitie no. J.[nummer 2] , K.A. [nummer 3] (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:
“(…);
dat de agent van politie 1e klasse [verzoeker] op dinsdag 08 mei 2012 is gerapporteerd terzake het niet in dienst verschijnen door zijn toenmalige afdelingshoofd de inspecteur van politie 3e klasse [naam 1] ;
dat agent [verzoeker], in de vroege ochtend van vrijdag 11 mei 2012 omstreeks 02:00 uur, met de aan hem vanwege de dienst in bruikleen afgestane dienstvuistvuurwapen van het merk Glock GCP 369, schoten afvuurde op de woning van de inspecteur van politie 3e klasse [naam 1], zijnde zijn afdelingshoofd;

dat op dat moment de inspecteur voornoemd en zijn gezin zich in de woning bevonden;

dat agent [verzoeker] met zijn handelingen niet alleen vernielingen heeft aangebracht aan de woning van inspecteur [naam 1], doch ook het risico heeft genomen dat de afgevuurde projectielen de inspecteur en zijn gezin dodelijk geraakt konden hebben, danwel letsels konden hebben veroorzaakt;

dat agent [verzoeker] daarbij onder invloed van inwendig gebruik van alcoholhoudende dranken verkeerde en zijn voertuig naar en van de woning heeft bestuurd, hetgeen in strijd is met de verkeersregels;

(…);
dat tijdens de voorgeleiding van agent [verzoeker], hij had toegegeven de schoten te hebben gelost omdat hij gefrustreerd was geraakt;
(…);
dat de gedragingen gepleegd door agent [verzoeker] niet alleen onrechtmatig zijn, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies zoals ondermeer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82, de gedragscode en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname ernstig;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer [verzoeker] voornoemd weshalve hij bij schrijven van de toenmalige waarnemend korpschef, thans de korpschef, de hoofdcommissaris van politie, H.A. Tjin Liep Shie, de dato 12 december 2012 terzake ingebreke werd gesteld en derhalve in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn schrijven de dato 27 december 2012 heeft aangegeven zich mondeling te zullen verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013 het volgende heeft verklaard: ‘ik bied mijn verontschuldigingen hierbij aan en verklaar dat het geenszins mijn bedoeling was om zulke handelingen te plegen. Ik raakte gefrustreerd en kon met niemand erover praten ondanks vele pogingen daartoe. Ik ben daarom emotioneel geraakt en heb mij tegoed gedaan aan alcohol en raakte daardoor dronken. Toen ik langs de woning van inspecteur [naam 1] reed heb ik mijn dienstvuistvuurwapen gespannen en geschoten op de woning van genoemde inspecteur zonder verder na te denken. Meneer [naam 1] deed al een hele tijd een aanzoek bij mij en maakte seksistische opmerkingen naar mij toe, doch gaf ik hem te kennen dat ik geen homo ben en geen relatie met hem wilde aangaan. Ik heb echter willen praten met de hoofdinspecteur van politie [naam 2], doch is het niet gelukt’;

dat agent [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82 luidende ‘de ambtenaar van politie gedraagt zich onder andere te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig, dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad’;

dat agent [verzoeker] ook in strijd heeft gehandeld met de gedragscode voor ambtenaren van politie onder andere luidende ‘elk korpslid is eerlijk en oprecht, is betrouwbaar en straalt gezag uit, gedraagt zich als een voorbeeldfiguur onder andere door het Korps en het overheidsgezag op een positieve manier uit te dragen en zich niet schuldig te maken aan strafbare feiten en overtredingen’;

dat de beschuldigingen tegen agent [verzoeker] uitermate ernstig zijn en de commotie die door deze zaak is ontstaan het vertrouwen in de politie ernstig heeft ondermijnd;

dat gelet op al het gebeurde de Korpsleiding geen vertrouwen meer heeft in de agent van politie 1e klasse [verzoeker];

dat de zaak ter terecht zitting dient;

dat op grond van het door agent [verzoeker], gepleegd plichtsverzuim, de argumenten aangehaald in zijn schrijven de dato 27 december 2012 en zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013, wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst aan hem dient te worden opgelegd;”
2.6 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b. de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende voor de ontslagbeschikking;
c. [verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de ontslagbeschikking te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d. de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker] zoals door hem verdiend voor de ontslagbeschikking uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw). Zijn directe chef heeft een homo sensuele (het hof begrijpt: homoseksuele) relatie met hem willen aangaan en heeft hem vaker op de werkplek aangeraakt en betast. De tegen [verzoeker] ingestelde strafzaak ter zake van zijn handeling genoemd in 2.2 is nog in behandeling bij de strafrechter. De ontslagbeschikking berust op onware feiten. De ontslagbeschikking is daarenboven in strijd met het beginsel van een deugdelijke motivering, hetgeen uit het volgende blijkt: de rechtvaardigingsgrond voor het ontslag van [verzoeker] is niet gemotiveerd in de beschikking aangegeven, er is ook niet aangegeven waarom zo lang is gewacht met het ontslag, er is geen onderzoek gedaan naar de seksuele handelingen van zijn chef en het is nog de vraag of sprake is van plichtsverzuim zoals bedoeld in de artikelen 61, 63 en 66 Pw, aangezien uit het psychologisch rapport blijkt dat aan de handeling van [verzoeker] frustraties zijn voorafgegaan. De echtgenote van [verzoeker] had al vernomen dat hij een relatie met zijn chef was begonnen, hetgeen een gerucht betreft dat door de chef zelf is verspreid. Het ontslag is voorts niet in overeenstemming met de door [verzoeker] gepleegde handeling en de omstandigheden waaronder die is begaan en wel om de volgende redenen: [verzoeker] is nooit meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag, in het psychologisch rapport en het mondeling verweer is nadrukkelijk aangegeven onder welke omstandigheden het feit is gepleegd en voorts is in dit rapport nadrukkelijk aangegeven dat het korps geen mogelijkheden heeft deze persoonlijke omstandigheden op te vangen, er is niet aangegeven waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is en er is geen onderzoek gedaan ter zake van de aantijgingen en het molest op de werkvloer en ten slotte blijkt uit de ontslagbeschikking niet dat de gevoelens van de procureur-generaal zijn gevraagd en overwogen, terwijl artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest nadrukkelijk bepaalt dat alvorens wordt overgegaan tot het opleggen van een tuchtstraf de gevoelens van de procureur-generaal daaromtrent moeten worden meegenomen. De ontslagbeschikking is tevens in strijd met de wet omdat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Om voormelde redenen komt de ontslagbeschikking voor vernietiging in aanmerking.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen –besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw is het hof dan ook bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder a en e gevorderde, respectievelijk de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij aan een ambtenaar van politie de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, als waarvan hier sprake is, en de vordering tot oplegging van een dwangsom.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hof overweegt ten overvloede dat de gevorderde rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een ambtenaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de tuchtstraf van ontslag – niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen. Nu hij het verzoekschrift op 12 juni 2013 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder a en derhalve ook in het gevorderde in 3.1 onder d en e dat als een sequeel daarvan heeft te gelden.
4.3 Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat het ontslagbesluit op onware feiten berust. [verzoeker] heeft immers toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan de aan hem verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging, te weten: het op 11 mei 2012 afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam 1].
4.4 Beoordeeld moet worden of de aan [verzoeker] verweten gedraging ernstig plichtsverzuim oplevert, of dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is te achten aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.
4.5 Naar het oordeel van het hof kon de minister de aan [verzoeker] verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging bezwaarlijk anders dan als ernstig plichtsverzuim aanmerken. Met deze gedraging die zo zeer indruist tegen de kerntaak van de politie heeft [verzoeker] ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie ernstig geschaad alsmede zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, zulks in strijd met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie en de gedragscode voor ambtenaren van politie. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.
4.6 Ten aanzien van de vraag of het plichtsverzuim [verzoeker] kan worden toegerekend overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat bij de vraag of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim van belang is of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat hij tot de aan hem verweten gedraging is overgegaan uit frustratie ter zake van het door hem gestelde seksueel molest zijdens [naam 1] en het nalaten van de korpsleiding om naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] hierover, maatregelen tegen [naam 1] te treffen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het door hem in het geding gebrachte psychologisch rapport, opgemaakt door drs. H.E. Essed in opdracht van het openbaar ministerie, waarin ten aanzien van [verzoeker] onder meer het volgende wordt geconcludeerd: “Hij heeft zich danig gefrustreerd gevoeld om tot zulk ondoordacht, agressief en weinig effectief gedrag over te gaan. Van de ervaren politieman mocht een andere wijze van oplossen van zijn probleem verwacht worden. Toch zijn er verzachtende omstandigheden te vinden, in de situatie van onzakelijke en subjectieve gedragsuitingen zijdens zijn meerdere, waaraan hij werd blootgesteld indien zo. Indien schuldig bevonden aan het ten laste gelegde zou dat hem op grond van het bovenstaande mogen in iets verminderde mate mogen worden aangerekend.”
Naar het oordeel van het hof vindt het door [verzoeker] gestelde ten aanzien van het seksueel molest zijdens [naam 1] geen ondersteuning in het politie- noch het procesdossier. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat de Staat geen onderzoek heeft gedaan naar zijn aantijgingen jegens [naam 1], nu het op de weg van [verzoeker] had gelegen om het bestaan van verzachtende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarbij komt, naar het oordeel van het hof, dat uit het psychologisch rapport niet is gebleken van een zodanige stoornis als gevolg waarvan [verzoeker] de ontoelaatbaarheid van het afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam 1] niet heeft kunnen inzien of niet in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de conclusie uit het psychologisch rapport dat [verzoeker] in iets verminderde mate toerekenbaar zou zijn. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim volledig aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] ten tijde van de aan hem verweten gedraging in beschonken toestand verkeerde, nu dit op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed daarvan gepleegd plichtsverzuim vormt.
4.7 Het hof acht het opgelegde strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het gericht met een vuistvuurwapen schieten op de woning van [naam 1], waarin hij en zijn gezin op het moment van de beschieting aanwezig waren, is immers zo een ernstig vergrijp dat de zwaarste tuchtstraf van ontslag zonder meer gerechtvaardigd is. [verzoeker] mag van geluk spreken dat er geen slachtoffers zijn gevallen. [verzoeker] heeft door zijn handelwijze in ernstige mate inbreuk gemaakt op de integriteit van het korps en het aanzien en de betrouwbaarheid van het korps in de ogen van het publiek in ernstige mate in gevaar gebracht. Het hof kent verder grote betekenis toe aan het feit dat van [verzoeker] als ambtenaar van politie mag worden verwacht dat hij van onbesproken gedrag is. [verzoeker] had als ambtenaar van politie beter moeten weten. Het hof heeft bij zijn oordeel tevens betrokken dat de discipline onder de ambtenaren van politie, zoals [verzoeker], conform artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest in militaire trant wordt gehandhaafd. De door [verzoeker] gestelde aanleiding tot de aan hem verweten gedraging, wat overigens daarvan zij, kan niet tot een ander oordeel leiden evenmin als de diensttijd van [verzoeker]. Hij kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als ambtenaar van politie wordt gehandhaafd.
4.8 Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hem nooit is meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag. Deze stelling is immers niet van belang voor de beoordeling of het ontslagbesluit al dan niet nietig verklaard moet worden.
4.9 Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat in de ontslagbeschikking niet is aangegeven waarom zijn verweer niet steekhoudend is bevonden. Dit kan echter niet leiden tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. De minister hoefde, naar het oordeel van het hof, in hetgeen [verzoeker] in zijn mondeling verweer heeft aangevoerd, geen aanleiding te vinden om tot een ander besluit te komen.
Aan [verzoeker] kan tevens worden toegegeven dat de ontslagbeschikking er geen blijk van geeft dat de procureur-generaal conform artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld om zijn gevoelens omtrent een op te leggen tuchtstraf te doen kennen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. De aan [verzoeker] verweten gedraging levert zo ernstig plichtsverzuim op dat de procureur-generaal, naar het oordeel van het hof, niet anders dan tot het ontslag van [verzoeker] zou zijn gekomen. Vorenbedoelde nalatigheid kan in dit specifieke geval derhalve niet tot nietigverklaring van het ontslagbesluit leiden.
4.10 Uit hetgeen in 4.7 is overwogen volgt dat het beroep van [verzoeker] op de onevenredigheid van het ontslag aan het plichtsverzuim, geen doel treft. Van strijd met artikel 79 lid 3 Pw, als waarvan [verzoeker] kennelijk uitgaat, is dan ook geen sprake.
Het beroep van [verzoeker] op het motiveringsbeginsel treft evenmin doel, aangezien de ontslagbeschikking genoegzaam blijk geeft van de aan hem verweten gedraging die aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd.
Voor zover [verzoeker] betoogt dat het ontslagbesluit wegens onzorgvuldigheid nietig verklaard moet worden omdat de besluitvorming veel te lang heeft geduurd, volgt het hof hem niet daarin. Immers zijn tussen de dag waarop [verzoeker] ter gelegenheid van het gehouden korpsrapport mondeling verweer heeft gevoerd, zijnde 10 januari 2013, en de dag waarop het ontslagbesluit is genomen, zijnde 11 maart 2013, amper twee maanden verstreken.
4.11 Uit al het voorgaande volgt dat er geen grond is voor nietigverklaring van het ontslagbesluit. Dit leidt tot de slotsom dat het gevorderde in 3.1 onder a zal worden afgewezen.
4.12 Nu het ontslagbesluit in stand blijft, zal het in 3.1 onder d en e gevorderde, dat als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder a heeft te gelden, eveneens als ongegrond worden afgewezen.
4.13 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. A. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-55

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district] ,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 17 oktober 2012;
  • het verweerschrift met een productie d.d. 14 januari 2013;
  • de beschikking van het hof van 11 februari 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 maart 2013, welk verhoor is verplaatst naar 19 juli 2013;
  • het proces-verbaal van het op 19 juli 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 17 januari 2014;
  • de antwoord pleitnota d.d. 21 maart 2013 (ten onrechte aangeduid als conclusie van dupliek);
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat [verzoeker] voor repliek en vervolgens de Staat voor dupliek heeft gepersisteerd.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoeker] is in dienst geweest van de Staat in de rang van sergeant eerste klasse.
2.2 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 23 juli 2012, Bureau no. PW/no. [nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) juncto artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet (Pw), ontslag uit Staats (militaire) dienst verleend wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den Lande. Daartoe is overwogen:
“- dat aan de sergeant der eerste klasse, in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, tewerkgesteld bij de Landmacht, de heer [verzoeker],(…) te rekenen van 01 april 2005 ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub k van de “Personeelswet”, ontslag is verleend, wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den Lande;
– dat bij vonnis van het Hof van Justitie van 17 februari 2012 A 767, de ontslagbeschikking van 13 oktober 2005 [nummer 2] van de sergeant der eerste klasse, de heer [verzoeker] nietig is verklaard;
– dat aan deze nietigverklaring ten grondslag ligt dat de heer [verzoeker] niet op rechtens juiste wijze in kennis is gesteld van het besluit van de Minister van Defensie om hem te ontslaan op grond van het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den lande en wel op 01 april 2005; en hij niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren voor het niet hervatten van zijn dienst op 01 april 2005;
– dat het salaris zal worden berekend vanaf 11 juni 2008 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze wordt beëindigd, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 juli 2009 tot aan de dag van de daadwerkelijke betaling;
– dat de sergeant der eerste klasse, de heer [verzoeker], bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van het Ministerie van Defensie van 16 mei 2012 alsnog in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren;
– dat de heer [verzoeker] zich bij ongedateerd schrijven heeft verweerd, waarbij hij prive-omstandigheden zoals problemen met zijn minderjarige kinderen, het oprichten van een winkel in [plaats] en het hebben van een emotionele band met [plaats] heeft aangehaald als redenen voor het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den lande;
– dat deze redenen in het verweerschrift niet steekhoudend zijn bewezen. Dat per brief afkomstig van de Onderdirecteur personeel en Algemeen van 25 mei 2012 betrokkene in kennis is gesteld van de bevindingen en beslissing op zijn verweerschrift;
– dat de heer [verzoeker] door het stellen van zijn privebelang boven het dienstbelang gedurende ruim 3 jaar twijfels heeft doen ontstaan over zijn betrouwbaarheid als militair en wel als onderofficier, terwijl juist de militaire organisatie op de betrouwbaarheid van haar leden moet kunnen rekenen om haar grondwettelijke opgedragen taken te kunnen uitvoeren; met andere woorden betrokkene heeft zich zonder opgaaf van reden en zonder berichtgeving aan de dienst onttrokken van de aan hem opgedragen werkzaamheden;
– dat in verband met het voorgaande, betrokkene ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub k van de “Personeelswet”, uit Staats (militaire) dienst dient te worden ontslaan wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof buitenbezwaar van den Lande.”
2.3 De Staat heeft de ontslagbeschikking bij exploot van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg d.d. 14 augustus 2012, no. K-792, doen betekenen aan [verzoeker] middels afgifte van een afschrift daarvan aan de procureur-generaal.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met veroordeling van de Staat tot rehabilitatie van [verzoeker] in de rang waarin hij diende, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat weigert aan het vonnis uitvoering te geven.
3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ontslagbesluit nietig is omdat de Staat bij het nemen daarvan geen rekening heeft gehouden met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten: het motiverings-, het gelijkheids-, het fair play beginsel, het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individuele geval en het proportionaliteitsbeginsel.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een militaire ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.
Het hof is op grond van artikel 79 lid 5 Pw niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. De mede gevorderde rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang kan niet worden gecategoriseerd onder vorenbedoelde limitatieve opsomming, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Ten overvloede wordt overwogen dat voormelde vordering tot rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een landsdienaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
4.2 Gelet op de door de Staat erkende stellingen van [verzoeker] staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker], nadat zijn salaris over de maand augustus 2012 niet was uitbetaald, hierover in contact is getreden met het Ministerie van Defensie en dat hij door dit ministerie is verwezen naar de procureur-generaal, te wiens parket hij de ontslagbeschikking op 24 september 2012 in ontvangst heeft genomen. Door de indiening door [verzoeker] van het inleidend verzoekschrift op 17 oktober 2012 is hij binnen de gestelde wettelijke termijn van een maand opgekomen tegen het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zodat hij ontvankelijk is in zijn vordering.

Strijd met het motiveringsbeginsel
4.3 Het beroep van [verzoeker] op dit beginsel faalt. Het door hem gestelde levert geen inbreuk op dit beginsel op. De Staat heeft in de ontslagbeschikking, naar het oordeel van het hof, voldoende gemotiveerd overwogen, kort gezegd, dat [verzoeker] zijn privébelang heeft gesteld boven het dienstbelang en voorts dat hij, door zich zonder opgaaf van reden en zonder berichtgeving aan de dienst te onttrekken, gedurende ruim 3 jaar twijfels heeft doen ontstaan over zijn betrouwbaarheid als militair en wel als onderofficier, terwijl juist de militaire organisatie op de betrouwbaarheid van haar leden moet kunnen rekenen om haar grondwettelijk opgedragen taken te kunnen uitvoeren. In dit licht is het evident dat het dienstbelang door [verzoeker] is geschonden en alleszins begrijpelijk dat de Staat de betrouwbaarheid van [verzoeker] in twijfel heeft getrokken. Aan het door [verzoeker] gedaan bewijsaanbod ter zake van zijn betrouwbaarheid, wordt dan ook als niet ter zake dienend voorbijgegaan. Voorts is de omstandigheid dat [verzoeker] niet wegens desertie strafrechtelijk is vervolgd, zoals gesteld door [verzoeker], niet één die de administatie regardeert.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel
4.4.1 [verzoeker] stelt voorts dat de Staat het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door gelijke gevallen niet gelijk te behandelen. Volgens [verzoeker] heeft de Staat hem namelijk ontslagen, terwijl andere militaire ambtenaren aan wie hetzelfde verwijt als hem is gemaakt, niet zijn ontslagen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het geval van de militair [naam 1].
4.4.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist in strijd te hebben gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan niet bekend te zijn met het geval van de militair [naam 1]. Hij voert verder aan dat [verzoeker] er verstandig aan doet het geval van [naam 1] in het geding te brengen, zodat hij, de Staat, maar ook het hof kan oordelen of sprake is van gelijke gevallen die niet op soortgelijke wijze zijn afgehandeld.
4.4.3 In het licht van de betwisting door de Staat had het op de weg van [verzoeker] gelegen om zijn stelling dat de Staat het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. [verzoeker] heeft zich weliswaar bij pleitnota, naast het geval van de militair [naam 1], beroepen op de gevallen van [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5], maar deze gevallen kunnen, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, niet geacht worden zijn stelling te onderbouwen. Deze gevallen gaan – aldus [verzoeker] zelf – over militairen die bij strafvonnis zijn veroordeeld wegens het plegen van diverse strafbare feiten, terwijl het bij [verzoeker] erom gaat dat hij is ontslagen wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof. Nu het niet om gelijke gevallen gaat en [verzoeker] geen andere feiten en omstandigheden ter adstructie van zijn stelling heeft aangedragen, moet daaraan als onvoldoende onderbouwd worden voorbijgegaan.

Strijd met het fair play beginsel
4.5.1 [verzoeker] stelt ook dat de Staat in strijd met het fair play beginsel heeft gehandeld en wel op grond van het volgende. De Staat is partijdig en wil [verzoeker] per se ontslaan. [verzoeker] was in 2008 (het hof begrijpt: 2005) reeds ontslagen, welk ontslag hij met succes heeft aangevochten. De Staat heeft hem daarna wederom ontslag verleend wegens hetzelfde eerder aan hem gemaakte verwijt en met toepassing van dezelfde wettelijke bepalingen. Voorts diende de Staat [verzoeker] in kennis te stellen van het ontslagbesluit, zodat [verzoeker] tijdig rechtsmiddelen daartegen kon aanwenden.
4.5.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist het fair play beginsel te hebben geschonden. Hij voert aan dat [verzoeker] bij schrijven van 25 mei 2012 in kennis is gesteld van de bevindingen over en de beslissing op zijn verweerschrift en dat [verzoeker], na een onjuist gebleken vaststelling, bij beschikking d.d. 23 juli 2012 is ontslagen. De Staat heeft ook aangevoerd dat op geen enkele wijze is gebleken dat [verzoeker] is gehinderd in het aanwenden van rechtsmiddelen.
4.5.3 Kern van het fair play beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, dat een bestuursorgaan de burger de gelegenheid biedt zijn procedurele kansen te benutten en de burger hierin niet op oneerlijke wijze benadeelt. Er moet met andere woorden ‘eerlijk spel’ worden gespeeld. Naar het oordeel van het hof is van strijd met dit beginsel geen sprake. Overwogen wordt dat de Staat, naar zijn gevolmachtigde, majoor Duurham, ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard, de dienstbetrekking met [verzoeker] middels de bestreden ontslagbeschikking op rechtsgeldige wijze wilde beëindigen, nadat de beschikking d.d. 13 oktober 2005, waarbij [verzoeker] reeds in 2005 ontslag werd verleend, wegens de daaraan klevende gebreken door het hof nietig was verklaard. [verzoeker] is in dit kader in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof kon de Staat (wederom) tot beëindiging van de dienstbetrekking met [verzoeker] overgaan, nu de grond voor het eerdere ontslag, te weten: het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof buiten bezwaar van den Lande, recht overeind staat. Van de Staat kan immers in alle redelijkheid niet worden verwacht dat hij de dienstbetrekking met [verzoeker] laat voortduren. Voorts is van een belemmering van [verzoeker] om tijdig rechtsmiddelen tegen het ontslagbesluit te kunnen aanwenden, gelet op hetgeen hierboven in 4.2 is overwogen, niet gebleken. Het beroep op voormeld beginsel faalt.

Strijd met het materiële zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individuele geval.
4.6.1 [verzoeker] stelt dat uit de ontslagbeschikking niet blijkt dat de Staat met zijn persoonlijke omstandigheden rekening heeft gehouden, zodat dit beginsel niet in acht is genomen. Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij in dit kader (tevens) een beroep doet op artikel 63 lid 4 Pw. [verzoeker] stelt dat de Staat onder meer geen rekening heeft gehouden met de problemen met zijn minderjarige kinderen, die volgens hem mede redengevend zijn geweest voor het zich niet op tijd aanmelden voor de dienst. [verzoeker] stelt voorts dat de Staat voorafgaand aan het aan hem verleend ontslag, niet eens een gesprek heeft gevoerd met zijn kinderen om te weten wat de problemen waren en dat de Staat weigert een sociaal maatschappelijk onderzoek in te stellen naar zijn omstandigheden.
4.6.2 De Staat heeft in zijn verweerschrift betwist in strijd te hebben gehandeld met voormeld beginsel en geen rekening te hebben gehouden met artikel 63 lid 4 Pw. De Staat verwijst in dit kader naar de ontslagbeschikking waarin is overwogen dat [verzoeker] in zijn ongedateerd verweerschrift privéomstandigheden, zoals problemen met zijn minderjarige kinderen, het oprichten van een winkel in [plaats] en het hebben van een emotionele band met [plaats], heeft aangehaald als redenen voor het niet hervatten van zijn dienst na afloop van zijn verlof buiten bezwaar van den lande. De Staat voert aan dat [verzoeker] hiermee heeft aangegeven dat hij zijn privébelangen boven het dienstbelang stelt en dat hij niet de intentie had om zijn diensten te hervatten.
4.6.3 [verzoeker] faalt ook in zijn beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof merkt op dat artikel 63 lid 4 Pw toepassing mist, aangezien het hier niet gaat om een tuchtstraf van ontslag wegens plichtsverzuim maar om ontslag dat is verleend anders dan wegens plichtsverzuim. Uit de ontslagbeschikking blijkt dat de Staat, gelijk hij heeft aangevoerd, wel rekening heeft gehouden met de door [verzoeker] vermelde redenen voor het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van zijn verlof, doch dat hij van oordeel is dat deze redenen niet steekhoudend zijn gebleken. Het hof overweegt dat de Staat de door [verzoeker] vermelde redenen heeft kunnen verwerpen, aangezien deze op zichzelf niet meebrengen dat [verzoeker] niet in staat geacht mocht worden zich op tijd aan te melden voor de dienst na afloop van zijn verlof.

Strijd met het proportionaliteitsbeginsel
4.7.1 [verzoeker] stelt, kort gezegd, dat de Staat het proportionaliteitsbeginsel heeft geschonden door hem de zwaarste (tucht)straf van ontslag op te leggen, terwijl de Staat gelet op de vaste jurisprudentie, volgens welke een tuchtrechtelijke sanctie in overeenstemming moet zijn met de ernst van het plichtsverzuim, een lichtere straf diende op te leggen.
4.7.2 Het beroep op dit beginsel faalt. Naar het oordeel van het hof is de aan [verzoeker] verweten gedraging, kort gezegd: het ruim 3 jaren lang niet aan het werk verschijnen na afloop van zijn verlof, zodanig ernstig dat het besluit tot het verlenen van ontslag als uiterste middel gerechtvaardigd is.
4.8 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grondslag aan het gevorderde is komen te ontvallen, zodat de vordering dient te worden afgewezen.
4.9 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tot rehabilitatie van [verzoeker] in de rang waarin hij diende.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat S.M. Ramman, BSc. namens advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-54

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant a],
[appellant b],
wonende te [plaats 1] in [land],
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat,

tegen

[geïntimeerde 1],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 2],
wonende te [plaats 2],[land],
[geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 4],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 5],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 6],
wonende te [plaats 1],[land],
[geïntimeerde 7],
wonende te [plaats 1],[land], hierna gezamenlijk aangeduid als “[geïntimeerden]”,
[geïntimeerde 8] ,
wonende in het [district],
hierna aangeduid als “[geïntimeerde 8]”,
geïntimeerden,
gemachtigde voor [geïntimeerde 8]: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 november 2016 (A.R.No. 12-3949) tussen geïntimeerden als eisers en appellanten als gedaagden,
spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] bij schriftelijke verklaring van hun procesgemachtigde op 22 november 2016 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 2 februari 2018, met een productie;
  • de antwoord pleitnota d.d. 16 maart 2018, met een productie;
  • de repliek pleitnota d.d. 6 april 2018;
  • de dupliek pleitnota d.d. 4 mei 2018.

[geïntimeerden] zijn, ondanks behoorlijke oproeping, in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2.Partijen waren ter terechtzitting vertegenwoordigd op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg, d.d. 14 november 2016.
[appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 22 november 2016 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande hebben zij tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 [appellanten] en [geïntimeerden] zijn de wettige kinderen van [naam 1] en [naam 2].
3.2 [naam 1], hierna aangeduid als “de moeder”, is op 15 augustus 2003 te [plaats1] overleden.
3.3 Mr. Pali Ferencz Wilhelm Sebök, notaris te [plaats 1], heeft in een door hem opgestelde verklaring van erfrecht d.d. 3 december 2003 verklaard dat [appellanten] en [geïntimeerden] gezamenlijk bevoegd zijn om over de goederen van de nalatenschap van de moeder te beschikken.
3.4 De onverdeelde nalatenschap van de moeder bestond uit een zestal in Suriname gelegen percelen waaronder een perceelland groot 4 ha., met de daarop staande gebouwen en beplantingen, gelegen in het [district] aan het [Pad], thans bekend als [adres] en deel uitmakende van het voormalig land van de [plantage] , hierna aangeduid als “het perceel”.
3.5 [geïntimeerden] hebben bij onderhandse overeenkomsten van 18 maart 2012, 29 maart 2012 en 30 maart 2012 verklaard dat zij hun aandeel in het perceel verkopen aan [geïntimeerde 8].

De procedure in eerste aanleg
4.1 [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] hebben in eerste aanleg gevorderd [appellanten] te veroordelen met hen over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de moeder, van het perceel, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon alles volgens de wet. Bij repliek is gevorderd de eis aan te vullen met een zestal in die conclusie genoemde perceellanden.
4.2 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 14 november 2016 [geïntimeerden] niet ontvankelijk verklaard in hun vordering en heeft [appellanten] veroordeelt om binnen een maand na de betekening van het vonnis met [geïntimeerde 8] over te gaan tot scheiding en deling van het perceelland behorende tot de nalatenschap van de moeder, met benoeming van een notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden en onzijdige personen namens partijen.
4.3 De kantonrechter heeft in de beoordeling die heeft geleid tot de beslissing het verweer van [appellanten] dat [geïntimeerde 8] geen erfgenaam is en de door [geïntimeerden] met [geïntimeerde 8] gesloten verkoopovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn omdat deze gesloten dienden te worden met medewerking van alle erfgenamen, verworpen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat [geïntimeerden] partiele scheiding en deling vorderen van de nalatenschap en wel slechts ten aanzien van het perceel. Geoordeeld is dat het ingevolge de Surinaamse rechtspraktijk en jurisprudentie partiele scheiding en deling is toegestaan, alsook de verkoop van de aandelen van een bepaalde tot de nalatenschap behorende zaak, zodat de met [geïntimeerde 8] gesloten overeenkomsten rechtsgeldig zijn en het gevorderde toewijsbaar is.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] om met hen over te gaan tot de scheiding en deling van alle zes percelen behorend tot de nalatenschap van de moeder, waarbij de overige vorderingen vermeld in eerste aanleg in het petitum worden toegewezen.
5.2 [appellanten] hebben ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep gesteld dat zij veroordeeld zijn om met een niet-deelgerechtigde persoon over te gaan tot scheiding en deling van een perceel behorend tot de nalatenschap van de moeder.
Als grief is verder aangevoerd dat de verkoop van de 7/9de onverdeeld aandeel in het perceel is verricht zonder toestemming of medewerking van hen, [appellanten], zodat die verkoop elk rechtsgevolg ontbeert.
Voorts is aangevoerd dat de kantonrechter in eerste aanleg ervan uitgaat dat ingevolge de Surinaamse rechtspraktijk en jurisprudentie zowel partiele scheiding en deling is toegestaan, alsook de verkoop van de aandelen in een bepaalde tot de nalatenschap behorende onroerende zaak, maar dat de rechter geen rechtsbronnen noemt waaruit het een en ander zou blijken. Bestreden is dat zulks het geval is. Tevens is aangevoerd dat rechterlijke beslissingen niet in strijd mogen zijn met het bepaalde in artikel 365 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.).
5.3 [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
6.1 Het Hof constateert dat [appellanten] zowel vernietiging van het vonnis in eerste aanleg gewezen, vorderen en bij pleitnota een reconventionele vordering instellen.
Artikel 182 lid 2 Rv bepaalt evenwel dat indien in eerste aanleg een eis in reconventie niet is gedaan, dit niet meer mag geschieden in hoger beroep.
Ingevolge artikel 183 Rv. moet de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord van de verweerder in conventie worden gedaan.
Nu [appellanten] pas bij pleitnota (in hoger beroep) een eis in reconventie hebben gedaan zijn zij tardief. [appellanten] is derhalve niet ontvankelijk in de reconventionele vordering.
6.2 Het Hof begrijpt uit het verzoekschrift en het petitum dat in het inleidend verzoekschrift scheiding en deling van het perceel is gevorderd.
In artikel 1093 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat niemand verplicht is in een overdeelde boedel te blijven en dat de boedelscheiding te allen tijde kan worden gevorderd. Verkoop van een onverdeeld aandeel in een deel van de totale boedel staat op gespannen voet met dit wetsartikel. Daardoor ontstaan immers meerdere onverdeeldheden, zodat de boedelscheiding voor de deelgerechtigden die niet aan de verkoop hebben meegewerkt, wordt bemoeilijkt. Een dergelijke verkoop is derhalve slechts toegestaan indien de overige deelgerechtigden daarvoor toestemming hebben verleend.
In casu is zulks niet het geval.
[geïntimeerden] hebben hun aandeel in het perceel, dat deel uitmaakt van een grotere boedel, verkocht aan [geïntimeerde 8], zonder dat [appellanten] daartoe hun toestemming hebben verleend. [geïntimeerde 8] heeft derhalve weliswaar een vordering tot levering op [geïntimeerden] , maar [geïntimeerden] kunnen slechts tot levering overgaan indien het perceel aan hen wordt toegewezen. Zulks is evenwel (nog) niet het geval, zodat [geïntimeerde 8] naar het oordeel van het Hof niet ontvankelijk is in de gevorderde scheiding en deling.
Het in eerste aanleg gewezen vonnis kan derhalve geen stand houden en zal worden vernietigd.
6.3 In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] bij conclusie van repliek gevorderd het inleidend verzoekschrift aan te vullen met zes tot de boedel behorende percelen.
Nu het petitum niet is aangevuld, en derhalve scheiding en deling is gevorderd van slechts een deel van de nalatenschap van de moeder, is de vordering niet toewijsbaar aangezien [appellanten] als de overige deelgerechtigden, zich tegen de partiële scheiding en deling verzetten.
6.4 [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden verwezen.

7. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 14 november 2016, A.R.No. 12-3949 en opnieuw recht doende:
I. Verklaart [geïntimeerde 8] niet ontvankelijk in zijn vordering.
II. Wijst de vordering van [geïntimeerden] af.
III. Veroordeelt [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] in de kosten aan de zijde van [appellanten] gevallen en tot aan de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg begroot op nihil.
7.2 Veroordeelt [geïntimeerden] en [geïntimeerde 8] in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 610,–.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. J.S. Tamsiran namens advocaat mr. R.L. Kensmil, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-53

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, eiser in het incident, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. A. R. Baarh, advocaat,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

[geïntimeerde 2] ,
[geïntimeerde 3] ,
[geïntimeerde 4] ,
[geïntimeerde 5] ,
[geïntimeerde 6] ,
[geïntimeerde 7] ,
[geïntimeerde 8] ,
[geïntimeerde 9] ,
allen wonende te [district 1],
geïntimeerden, gedaagden in het incident, gezamenlijk aangeduid als “[geïntimeerden]”,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,
gelet op het door het Hof gewezen tussenvonnis van 5 april 2019 inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder A.R. no. 06-2490 en A.R. no. 06-3539 tussen [appellant] als eiser en [naam 1] (hierna [naam 1]) als gedaagde .
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak
1.1. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Voor het procesverloop tot 05 april 2019 wordt verwezen naar het tussenvonnis van die datum;
  • De Pleitnota overgelegd op 18 april 2019;
  • De Antwoordpleitnota overgelegd op 03 mei 2019;
  • Het schrijven van de gemachtigde van appellant d.d. 07 mei 2049, waarin is aangegeven, dat er zijdens appellant geen behoefte bestaat tot het nemen van een conclusie van repliek en waarin ook het verzoek wordt gedaan om vonnis te wijzen in onderhavige zaak;
  • Het schrijven van de gemachtigde van geïntimeerde d.d. 08 mei 2019, waarin is aangegeven, dat geïntimeerde afziet van het nemen van een conclusie van dupliek en waarin ook het verzoek wordt gedaan om vonnis te wijzen in onderhavige zaak;

1.2. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2.De feiten
Als zijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd weersproken dan wel erkend, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de overgelegde producties, staan de navolgende feiten tussen partijen rechtens vast:
2.1. [naam 1] heeft een onderhandse volmacht doen opmaken, hetwelk ook is gelegaliseerd, daterend 21 november 2002, waarbij [naam 1] last en volmacht heeft gegeven aan [appellant] om voor en namens haar het perceelland, groot vier en veertig hectaren dertig aren en vier centiaren, aangeduid op de kaart van de landmeter J.G. van der Jagt, d.d. 5 november 2002 met de letters c’ GEDMN, gelegen in het [district 2] ten noorden van de [weg] en deel uitmakende van het gedeelte groot eenhonderd vier en vijftig hectaren negen en negentig aren en zes centiaren van de [plantage], te verkopen en in eigendom over te dragen aan de Stichting Pensioenfonds van de Surinaamsche Bank N.V. (hierna: de stichting). Ten aanzien van de koopsom staat -voor zover van belang- het navolgende in de volmacht vermeld:
“(…) voor een koopsom niet minder dan TWEE AMERIKAANSE DOLLARS (US$ 2,-) per vierkante meter, terwijl elk bedrag hierboven ten goede komt van de lasthebber, als commissie, zoals reeds door de lastgever met de gemachtigde was overeengekomen.”
2.2. [appellant] werd voorts ook gemachtigd om een optie tot verkoop aan de stichting aan te bieden voor het perceelland aangrenzend aan bovengenoemd perceel, welk perceelland de grootte had van ongeveer een en veertig hectaren drie en veertig aren en drie centiaren. Voor zover van belang staat het volgende in de volmacht aangegeven:
“(…) Voorts wordt de lasthebber gemachtigd om een optie tot verkoop voor gemeld bedrag per vierkante meter, te verlenen op het aan voormeld perceel aangrenzend perceel aan gemelde Stichting groot ongeveer een en veertig hectaren drie en veertig aren en drie centiaren.”
2.3.[appellant] heeft bij de koopovereenkomst gedateerd 19 december 2002 waarbij het onder 2.1. omschreven perceelland aan de stichting is verkocht, ook de optie tot koop aangeboden aan de stichting voor het aangrenzend perceelland. Dit optierecht was onherroepelijk verleend tot en met 31 mei 2005. In de voormelde koopovereenkomst staat voor zover van belang het volgende weergegeven:
“De verkoper verleent aan de koper het onherroepelijk recht om het hiervoor gemeld deel groot ongeveer een en veertig hectaren drie en veertig aren en dertig centiaren te kopen voor een bedrag van minimaal US $2,85 per vierkante meter welk recht onherroepelijk is tot 31 mei 2005.”
De stichting heeft in haar schrijven d.d. 19 april 2004 aangegeven, gebruik te willen maken van haar optierecht om ook het aangrenzend perceelland te kopen.
2.4 Voorts is in dit hoger beroep, als zijnde door [appellant] met onderbouwing door overlegging van een productie gesteld en door [geïntimeerden](rechtsopvolgers van [naam 1]) erkend, het volgende komende vast te staan.
[appellant] heeft van [naam 1] de opdracht gehad een perceelland voor en namens haar te verkopen. Ter accordering heeft [appellant] een bevestigingsbrief d.d. 25 september 2002 van de gemaakte afspraken naar [naam 1] gestuurd. Voor zover van belang staat het navolgende in deze brief weergegeven:
“Ter bevestiging van uw opdracht tot verkoop van het perceelland groot 85.773 ha., deel uitmakende van de [plantage] in het [district 2], gelegen ten noorden (linkerzijde) van de [weg] op circa 10 kilometer afstand van de brug over de [rivier], u in eigendom toebehorend, doe ik u bijgaande brief ter accordering toekomen.
Ik zal voor uw rekening bovengenoemd perceelland ten verkoop aanbieden voor de verkoopprijs van USD 2 per m2 k.k.
Met u is afgesproken dat in afwijking van het normale honorarium als intermediair de prijs die wordt verkregen boven de USD 2 per m2 als vergoeding voor mijn inzet zal gelden.
Deze verkoopopdracht is geldig tot uiterlijk 31 december 2002.”
Deze brief is voor akkoord ondertekend door [naam 1], [naam 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 8].

De procedure in eerste aanleg
De vordering, grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
3.1. [appellant] heeft in eerste aanleg bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – gevorderd [naam 1] te veroordelen, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen de som van USD 354.180,50 (Driehonderd vier en vijftig duizend eenhonderd tachtig 50/100 Amerikaanse Dollars) met de wettelijke rente daarover ad. 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, met veroordeling van [naam 1] in de kosten van het geding.
3.2. [appellant] legt- voor zover van belang en zakelijk weergegeven – ten grondslag aan zijn vordering, dat [naam 1] jegens hem wanprestatie heeft gepleegd.
3.3. Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.
3.4. De Kantonrechter heeft in haar vonnis d.d. 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder A.R. no. 06-2490 en A.R. no. 06-3539, de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Deze beslissing heeft de Kantonrechter – kort gezegd – gebaseerd op het feit dat voor wat betreft de machtiging met betrekking tot de optie tot verkoop van het aangrenzend perceel alleen is gebleken dat [appellant] een koopsom van USD 2,- per m2 mocht bedingen, maar dat het niet is komen vast te staan dat er hier ook sprake was van een commissie die door [appellant] verdiend zou worden bij het bedingen van een hogere koopsom.

De vordering, grieven en het verweer in hoger beroep
4.1 [appellant] verzoekt in hoger beroep om het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder de A.R. no.’s 06-2490 en 06-3539 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk verzoek toe te wijzen.
4.2 [appellant] heeft daartoe een tweetal grieven aangevoerd waarop het Hof in de verdere beoordeling zal ingaan. De grieven kunnen alsvolgt worden samengevat.
Grief 1.
Ten onrechte is de Kantonrechter in het bestreden vonnis er van uit gegaan dat uitsluitend hetgeen in de volmacht tot verkoop de dato 21 november 2002 is verwoord de afspraken tussen [naam 1] en [appellant] behelsde.
De Kantonrechter heeft over het hoofd gezien dat voorafgaand aan de volmacht tot verkoop de dato 21 november 2002 [naam 1] bij schriftelijke overeenkomst de dato 25 september 2002 aan [appellant] de opdracht had gegeven het perceelland groot 85.773 ha, deel uitmakende van de [plantage] in het [district 2], gelegen ten noorden (linkerzijde) van de [weg] op circa 10 kilometer afstand van de brug over de [rivier], aan [naam 1] in eigendom toebehorend, voor rekening van [naam 1] te verkopen en wel voor de verkoopprijs van USD.2,- per m2 k.k.; voorts dat tussen [appellant] en [naam 1] is afgesproken dat in afwijking van het normale honorarium als intermediair de prijs die wordt verkregen boven de USD.2, – per m2 als vergoeding voor de inzet van [appellant] zal gelden en ten slotte dat die verkoopopdracht geldig is tot uiterlijk 31december 2002.
[appellant] heeft verder gesteld dat voor zover de Kantonrechter ervan is uitgegaan dat de volmacht tot verkoop d.d. 21 november 2002 in de plaats is getreden van de overeenkomst d.d. 25 september 2002, dit een onjuist uitgangspunt is daar nergens in de (overeenkomst tot verlening van) volmacht tot verkoop van het onroerend goed d.d. 21 november 2002 is gesteld dat daarmee de overeenkomst d.d. 25 september 2002 is vervallen danwel dat daarvan wordt afgeweken.
Op basis van de volmacht d.d. 21 november 2002 en de overeenkomst d.d. 25 september 2002 staat volgens [appellant] vast dat hij zijn intermediair niet kosteloos verleende. De laatste zinssnede op pagina 1, 5e alinea in de volmacht tot verkoop d.d. 21 november 2002 luidende “zoals reeds door de lasthebber met de gemachtigde was overeengekomen” refereert naar de overeenkomst van 25 september 2002. Daarbij moet volgens [appellant] niet uit het oog worden verloren dat de aan hem gegeven opdracht om 85.773 ha te vervreemden is gerealiseerd in twee fasen.
Grief 2.
Ten onrechte heeft de Kantonrechter geoordeeld dat niet in rechte is komen vast te staan dat [appellant] recht had op een commissie gelijk aan elk bedrag boven de USD. 2, – per m2. Daarbij is de Kantonrechter voorbij gegaan aan het feit dat het intermediair van [appellant] niet pro deo was en heeft de Kantonrechter de wettelijke bepalingen neergelegd in artikel 1814 jo 468 BW eveneens ten onrechte buiten toepassing gelaten.

4.3.[geïntimeerden] heeft de grieven bestreden en verweer gevoerd, erop neerkomende dat de aangevoerde grieven geen stand kunnen houden, omdat er nergens uitdrukkelijk met [appellant] is overeengekomen dat hij aanspraak maakt op een commissie voor de verkoop van het aangrenzend perceelland. Bij de verdere beoordeling zal het Hof voor zover nodig daarop terug komen.

De beoordeling
5.1.Ten aanzien van grief 1:
Zoals in de feiten onder 2.4 weergegeven is in dit hoger beroep tevens komen vast te staan dat voorafgaande aan de volmacht tot verkoop de dato 21 november 2002 [naam 1] bij schriftelijke overeenkomst de dato 25 september 2002 aan [appellant] de opdracht had gegeven het perceelland groot 85.773 ha, deel uitmakende van de [plantage] in het [district 2], gelegen ten noorden (linkerzijde) van de [weg] op circa 10 kilometer afstand van de brug over de [rivier], aan [naam 1] in eigendom toebehorend, voor rekening van [naam 1] te verkopen en wel voor de verkoopprijs van USD.2,- per m2 k.k.; voorts dat tussen [appellant] en [naam 1] is afgesproken dat in afwijking van het normale honorarium als intermediair de prijs die wordt verkregen boven de USD.2,- per m2 als vergoeding voor de inzet van [appellant] zal gelden en ten slotte dat die verkoopopdracht geldig is tot uiterlijk 31 december 2002.
Uit deze overeenkomst blijkt naar het oordeel van het Hof duidelijk dat [naam 1] met [appellant] heeft afgesproken dat aan [appellant] de prijs boven USD.2,- als vergoeding voor de verkoop van het perceelland groot 85.773 ha voor diens werkzaamheden als intermediair dient te worden betaald.
Als zijnde door [naam 1]/ [geïntimeerden] niet weersproken is tevens komen vast te staan dat de verkoop van het perceelland groot 85.773 ha in twee fasen is geschied te weten eerst het deel groot 44,304 ha bij koopovereenkomst d.d. 19 december 2002 en daarna het deel groot ongeveer 41,433 ha naderhand vastgesteld groot 41.469 ha. door aanvaarding van de koopoptie door de stichting bij schrijven d.d. 19 april 2004 (prod. B bij het verzoekschrift van [appellant] in eerste aanleg bekend onder A.R.No. 062490) welk schrijven als volgt luidt:

“Paramaribo, 19 april 2004

De heer [appellant]
[adres]
[district 1]

Gebruik optie aankoop [plantage] 41,469 HA konform koopovereenkomst de dato 19 december 2002

Geachte heer [appellant],

Met referte aan de gesprekken tussen u en onze heer [naam 3] bevestigen wij dat wij gebruik maken van de optie tot koop van het perceelland groot 41.469 HA en deeluitmakende van de [plantage] gelegen in het [district 2] ten Noorden van de [weg].
Deze koop geschiedt onder de voorwaarden zoals die zijn vastgesteld onder het hoofdstuk Optie in onze koopovereenkomst van 19 december 2002:
De grootte van het perceelland bedraagt 41,469 HA
De koopsom is berekend op basis van 39,744 HA voor de prijs van USD.2,85 per m2
Het verschil van 1,7250 Ha is de reservering voor de helft van de aan te leggen weg aan weerszijden van de grenslijn NM- aangeduid op de kaart van landmeter J.G. van der Jagt van 17 februari 2004 – van het voormeld perceelland, met een totale breedte van 15 meters.
De totale koopsom bedraagt USD.1.132.704,00 en zal worden betaald zoals is overeengekomen.
De notariële overdracht van het perceelland vindt plaats na betaling van de koopsom.

Wij danken u voor uw medewerking.

Hoogachtend. Voor akkoord:
Stichting Pensioenfonds van(opm. Hof: voorzien van De Surinaamsche Bank N.V.een onleesbare handtekening)
(Opm. Hof: voorzien van twee onleesbare handtekeningen)De heer [appellant]”

Door het accepteren van de koopoptie is ten aanzien van het deel groot 41,469 ha een koopovereenkomst tot stand gekomen. Uit de bewoordingen van de verkoopdracht d.d. 25 september 2002 zoals weergegeven in 2.4 enerzijds en de hier boven weergegeven koopovereenkomst tussen [naam 1] / [geïntimeerden] en de stichting anderzijds is de verschuldigdheid van [naam 1]/[geïntimeerden] aan [appellant] van de overeengekomen commissie genoegzaam komen vast te staan.
Daaraan doet het verweer van [naam 1]/[geïntimeerden] als zou het perceel in kwestie aan derden zijn verkocht en dat [naam 1]/[geïntimeerden] uit dien hoofde “slechts” het boetebedrag van USD.100.000,- zal verbeuren niet af. Dit boetebeding regardeert immers niet [appellant] als intermediair, doch de koper van het onroerend goed, te weten de stichting, die indien nodig geacht dit beding tegen [naam 1]/[geïntimeerden] kan inroepen.
Voor wat betreft de hoogte van het door [naam 1]/[geïntimeerden] aan [appellant] verschuldigd bedrag wordt het navolgende overwogen. De koopsom van het verkochte deel van het perceelland groot 41,469 ha is berekend op basis van 39,744 ha voor de prijs van USD.2,85 per m2 aangezien tussen partijen (koper en verkoper) is bedongen dat de strook grond bestemd voor het aanleggen van een weg in totaal neerkomende op 1,7250 ha niet zal worden vergoed. De koopsom komt dus neer op USD.1.132.704,-. De prijs per m2 berekend over de oppervlakte van 41,469 ha is USD.1.132.704,- gedeeld door 414690 vierkante meters is USD.2,73144759.
Aan [appellant] is [naam 1]/[geïntimeerden] verschuldigd USD.2,73144759 minus USD.2,- is USD.0,73144759 maal 414690 vierkante meters. Dit komt neer op USD.303.324,-.
Een en ander brengt met zich dat grief 1 doel treft en dat het daartegen gevoerd verweer faalt.
Ten aanzien van grief 2:
Gelet op het feit dat grief 1 doel treft acht het Hof het niet nodig grief 2 aan een bespreking te onderwerpen. Immers is reeds komen vast te staan dat in casu het loon voor de bemiddelingswerkzaamheden uitdrukkelijk is vastgesteld in de verkoopopdracht d.d. 25 september 2002.
5.3 [naam 1]/[geïntimeerden] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.
5.4 Tevens zullen de gelegde conservatoir derdenbeslagen van waarde worden verklaard nu de beslagformaliteiten in acht zijn genomen
5.5. Op grond van de hiervoren aangehaalde overwegingen, komt het hof tot de conclusie dat het beroepen vonnis van de Kantonrechter moet worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal worden beslist zoals na te melden in het dictum.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
6.1. Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 13 januari 2009 in de gevoegde zaken bekend onder A.R. no. 06-2490 en A.R. no. 06-3539 tussen [appellant] als eiser en [naam 1] als gedaagde, waarvan beroep;
En opnieuw rechtdoende:
6.2. Veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van USD 303.324,-. (Driehonderddrieduizend drie honderd en vierentwintig Amerikaanse Dollars) vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad. 6% per jaar vanaf 5 juli 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.3 Verklaart van waarde het door deurwaarder D.Hieralal bij exploot d.d. 29 juni 2006 no.269 respectievelijk 30 juni 2006 no.271 gelegd conservatoir derdenbeslag onder mr. Derrick Alexander, notaris, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat no.32 respectievelijk onder de stichting Pensioenfonds van de Surinaamsche Bank n.v., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de H.A.E. Arronstraat no.26;
6.4.Veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen in eerste aanleg en in dit hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 800,–;
6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. A. Charan, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van appellant en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-52

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als: “[verzoeker]”,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als: “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, substituut-officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift d.d. 05 september 2012, ingediend ter griffie op 14 september 2012, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 05 november 2012, ingediend ter griffie op 06 november 2015, met producties;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 12 december 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 februari 2013;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 01 februari 2013;
  • de pleitnota d.d. 05 april 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 april 2013, overgelegd op 18 april 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. d. 05 juli 2013;
  • de duplieknota d.d. 02 augustus 2013;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 01 november 2013, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.2 [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en zijn arbeidsrelatie met de Staat is aangevangen op 1 december 1992.
2.3 Bij beschikking van 10 maart 2004 is [verzoeker] vanaf 1 januari 2002 aangesteld in vaste dienst en wel in de functie van tuinman.
2.4 In de periode van 18 januari 2010 tot heden heeft [verzoeker] geen werkzaamheden verricht.
2.5 De Staat heeft ten aanzien van het niet verrichten van werkzaamheden (plichtsverzuim) verscheidene verweeraanzeggingen gestuurd naar [verzoeker] te weten d.d. 07 april 2010 Gt-[nummer 1],Gt-[nummer 2], Gt-[nummer 3], Gt- [nummer 4], Gt-[nummer 5], d.d. 21 juni 2016 Gt-[nummer 6]Gt-[nummer 7] en d.d. 20 augustus 2010 Gt-[nummer 8] waarbij aan [verzoeker] onder meer het volgende is medegedeeld:
“Ingevolge de Personeelswet artikel 63 lid 2 hebt U zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en wordt U in de gelegenheid gesteld, zich binnen 5 dagen na dagtekening te verweren.
Indien U niet binnen de U gestelde tijd reageert of indien Uw verweer niet accepteerbaar is, zullen tegen U de tuchtstraffen zoals opgesomd in artikel 61 van de Personeelswet getroffen worden.”
In de verweeraanzeggingen d.d. 07 april 2010 en d.d. 21 juni 2010 zijn als disciplinaire maatregelen onder meer voorgesteld: schorsing voor het aantal afwezige dagen en berisping met derving van het salaris. In de verweeraanzegging d.d. 20 augustus 2010 is als disciplinaire maatregel voorgesteld: ontslag ingaande 01 december 2010.
2.6 Tegen bovenstaande verweeraanzeggingen heeft [verzoeker] zich niet, binnen de gestelde tijd van 5 dagen, verweerd.
2.7 [verzoeker] heeft zich bij schrijven d.d. 25 januari 2011 en 28 februari 2011 verweerd ter zake zijn onwettig ver zuim.
2.8 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 31 mei 2011 en 25 juli 2011 het verzoek gedaan tot verlof buiten bezwaar voor de periode dat hij niet op het werk kon vertoeven.
2.9 Middels een schrijven van de Directeur van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 5 september 2011 is de dienstbetrekking tussen [verzoeker] en de Staat, ingaande 01 december 2011, beëindigd
2.10 Naar aanleiding van het schrijven genoemd onder 2.9 is de Staat bij vonnis d.d. 24 mei 2012 veroordeeld om het salaris van [verzoeker] uit te betalen vanaf december 2011 en daarmee voort te gaan totdat de dienstbetrekking tussen partijen op rechtmatige wijze is beëindigd. De Staat heeft geen gevolg gegeven aan bovengenoemd vonnis.
2.11 De Staat heeft bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 15 augustus 2012 met kenmerk AG. No. [nummer 9], Ad. No. [nummer 10] (hierna aangeduid als ‘de beschikking’) [verzoeker], te rekenen van 1 oktober 2012, ontslagen wegens plichtsverzuim. In de beschikking is onder meer overwogen en besloten dat:
– [verzoeker], te rekenen van 18 januari 2010 tot heden, niet op het werk is verschenen zonder bericht van hindering;
– [verzoeker] ter zake verweerbrieven heeft geschreven en wel d.d. 25 januari 2011, 28 februari 2011, 31 mei 2011 en 25 juni 2011 waarin hij beaamt zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim;
– Het salaris van [verzoeker] vanaf 1 mei 2010 is geblokkeerd;
–[verzoeker] ingevolge artikel 28 lid 3 van de Personeelswet juncto artikel 1614 b van het Burgerlijk Wetboek, geen aanspraak maakt op het salaris van 18 januari 2010 tot heden en de onterecht ontvangen gelden voor het niet verrichten van de bedongen arbeid gedurende de periode 18 januari 2010 tot en met 30 april 2010 zal moeten terugstorten in ’s Lands kas;
–[verzoeker], wegens plichtverzuim, ontslag uit Staatsdienst wordt verleend, te rekenen van 01 oktober 2012.

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a. de ingestelde vordering ontvankelijk te verklaren;
b. de beschikking nietig te verklaren c.q. te vernietigen;
c. de Staat te veroordelen tot doorbetaling van het salaris, vanaf december 2011;
d. de Staat te veroordelen binnen één (1) dag na het gewezen vonnis de dienstbetrekking te herstellen en in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid te verrichten;
e. de Staat te veroordelen tot het betalen van een dwangsom ad. SRD 2500,- voor iedere dag dat zij in gebreke mocht blijven te voldoen aan het vonnis dan wel aan een of meer der daarin gegeven beslissingen.
3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] aangevoerd dat:
– hij in de periode van eind april 2010 tot en met 21 juli 2011 niet kon verschijnen aan het werk wegens ziekte die niet behandeld kon warden door de plaatselijke doctoren waardoor hij genoodzaakt was hulp te zoeken bij een alternatieve dokter. Hierdoor heeft hij geen attesten kunnen overleggen over de periode dat hij onder behandeling was van de alternatieve dokter;
– hij zich na zijn herstel heeft aangemeld op het werk bij de heer [naam], hoofd afdeling Gebouwen en Terreinen, die hem vervolgens te kennen heeft gegeven om brieven te schrijven en thuis te blijven in afwachting op antwoord;
– hij diverse schriftelijk pogingen heeft ondernomen teneinde zijn diensten wederom aan te bieden aan de Staat waarbij hij heeft aangegeven dat hij wegens ziekte zijn werkzaamheden niet kon uitvoeren en derhalve verzoekt om zijn onwettig verzuim te rekenen als te zijn verlofdagen buiten bezwaar. Echter heeft de Staat nimmer gereageerd op zijn verzoek;
– in zijn ontslagbeschikking d.d. 15 augustus 2012 is gesteld dat, aan hem, te rekenen vanaf 01 oktober 2012, ontslag uit staatsdienst wordt verleend wegens het niet aanmelden voor diensthervatting en dat derhalve het dienstverband eenzijdig is verbroken;
– hetgeen in de ontslagbeschikking is vermeld in strijd is met de waarheid en derhalve de grondsla g voor het verleend ontslag onjuist is.
3.3 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat:
– [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door over een periode van langer dan zes (6) maanden onwettig afwezig te zijn;
– de schriftelijke pogingen die [verzoeker] heeft ondernomen meer de strekking hadden om bedoeld plichtsverzuim om te zetten in verlof buiten bezwaar. Dit verzoek is niet gegrond en onacceptabel want ingevolge artikel 56 van de Personeelwet kan verlof buiten bezwaar slechts aan een ambtenaar worden verleend indien de dienst het toelaat. Iedere vorm van verlof, in het bijzonder verlof buiten bezwaar, zal vóór aanvang van de geplande periode moeten worden aangevraagd. [verzoeker] bleef zonder opgaaf van reden weg van het werk en diende achteraf zijn verzoek tot verlof buiten bezwaar in, waardoor hij hierdoor te laat was met het indienen van zijn verzoek;
uit de verweeraanzegging d.d. 21 juni 2010, gericht aan [verzoeker], gebleken is dat aan hem de mededeling is gedaan dat hij geschorst is en dat hij in de gelegenheid werd gesteld zich binnen vijf (5) dagen te verweren, echter is hij in gebreke gebleven zulks te doen;
het niet is gebleken dat [verzoeker] op enige wijze, los van de schriftelijke pogingen, heeft getracht om zijn ambt te hervatten. Voorts heeft hij niet kunnen overtuigen dat hij tot werkhervatting in staat was;
het algemeen bekend is dat jegens iedere ambtenaar die zich schuldig maakt aan onwettig verzuimen, voor langere duur, zal worden opgetreden en dathet niet uitgesloten is dat zo een ambtenaar zal worden ontslagen uit staatsdienst.

4 Bevoegdheid
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag en betreffende het salaris vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof is daarbij tevens bevoegd tot het opleggen van een dwangsom.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering onder a, b, c en e.
Hetgeen onder d is gevorderd, is echter niet vervat in artikel 79 van de Personeelswet, in welk artikel de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken limitatief is omschreven. Het Hof zal zich derhalve niet bevoegd verklaren kennis te nemen hiervan.

5 Ontvankelijkheid
5.1 Het Hof constateert dat Soek hai in hoofdzaak opkomt tegen de ontslagbeschikking d.d. 15 augustus 2012. [verzoeker] heeft niet gesteld op welke datum de ontslagbeschikking aan hem is uitgereikt. De Staat heeft zich daarover ook niet uitgelaten. Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid uitgaan van de datum van dagtekening van de ontslagbeschikking. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 14 september 2012 ter griffie is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschiedt ingevolge artikel 80 lid 1b van de Personeelswet, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking.
5.2 Het Hof constateert verder dat [verzoeker] opkomt tegen de stopzetting van de uitbetaling van zijn salaris en wel vanaf 01 december 2011. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van dit deel van de vordering wordt de datum waarop [verzoeker] zijn salaris voor het laatst heeft ontvangen, als uitgangspunt genomen. Hij stelt tot en met eind februari 2010 zijn salaris te hebben ontvangen. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 14 september 2012 ter griffie is ontvangen, is dit niet binnen de wettelijke gestelde termijn geschied ingevolge artikel 80 lid 1b van de Personeelswet, zodat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn vordering tot doorbetaling van zijn salaris zoals vermeld in 3.1 onder c.
6. Het Hof ziet de gevorderde dwangsom zoals vermeld onder 3.1 onder e als een sequeel van de vorderingen vermeld onder 3.1 onder c en d. Nu het Hof zich onbevoegd zal verklaren ten aanzien van de vordering vermeld onder 3.1 onder d en [verzoeker] met een niet-ontvankelijkheid zal worden begroet voor wat het gevorderde betreft zoals vermeld onder 3.1 onder c, zal de gevorderde dwangsom onder 3.1 onder e dan ook worden afgewezen.

De verdere beoordeling
7.Door [verzoeker] is zelf gesteld c.q. erkend en is hierdoor komen vast te staan dat [verzoeker] vanaf eind april 2010 tot en met 21 juli 2011 zijn werkzaamheden als tuinman niet heeft verricht. Vast is komen te staan dat [verzoeker] zonder opgave van reden is weggebleven van het werk. Als niet weersproken is tevens komen vast te staan dat [verzoeker] heeft nagelaten tijdig te reageren op verschillende verweeraanzeggingen. Pas veel later heeft [verzoeker] in de brieven d.d. 25 januari 2011en 28 februari 2011 ziekte als reden voor zijn afwezigheid opgegeven. De dagen waarvan [verzoeker] beweert afwezig te zijn geweest wegens ziekte zijn evenwel niet gedekt door medische attesten. Hierdoor staat reeds vast dat [verzoeker] over een vrij lange periode, ongeveer 14 maanden en drie weken, onwettig afwezig is geweest. In zijn brief van 25 juli 2011 geeft [verzoeker] een geheel andere reden voor zijn afwezigheid op, met name, dat hij na een paar dagen gewerkt te hebben werd gemolesteerd door dieven, zwervers en rovers. Voorts dat hij op een gegeven moment zich onveilig voelde waardoor hij is weggebleven van het werk. Het Hof constateert dat [verzoeker] in deze brief met geen woord rept over een eventuele ziekte van hem waardoor hij niet op het werk kon verschijnen. Gelet op deze tegenstrijdigheid komt [verzoeker] naar het oordeel van het Hof onwaarachtig over.
Op het verzoek van [verzoeker] zoals verwoord in de brieven van 31 mei 2011 en 25 juli 2011 om de onwettig afwezige dagen te beschouwen als verlof buiten bezwaar hoefde verweerder terecht niet in te gaan nu een dergelijk verlof ingevolge het bepaalde in artikel 56 van de Personeelswet om dringende redenen aan een ambtenaar op diens verzoek kan worden verleend voor zover de dienst dat toelaat. Alszijnde onweersproken staat immers vast dat de aanvraag van een dergelijk verlof voor de geplande periode diende te worden aangevraagd, hetgeen in casu niet is gebeurd.
Gelet op al hetgeen hier voren is overwogen kan het Hof zich met het besluit van verweerder verenigen dat voormelde gedragingen van [verzoeker], die zijn komen vast te staan, als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt en dat die van zulk een ernstige aard is, dat het ontslag van [verzoeker] uit staatsdienst zonder meer wordt gerechtvaardigd. De vordering van [verzoeker] zoals vermeld onder 3.1. onder b zal danook worden afgewezen.

De beslissing
Het Hof:
Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het onder 3.1 onder d gevorderde;
Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk met betrekking tot het door hem onder 3.1 onder c en e gevorderde;
Wijst af het gevorderde onder 3.1 onder b.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.M. Praag, Leden en
w.g. D.D. Sewratan
door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 5 april 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. drs. M. Sh. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. B. Tjin Liep Shie namens mr. R. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-51

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende, door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet jo artikel 47 van het Politiehandvest als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift met producties, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 07 oktober 2014, van de kant van [verzoeker];
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 17 november 2014, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 01 december 2014, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 19 november 2014 met 06 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 29 december 2014, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 02 januari 2015, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 31 december 2014 voor de laatste maal met 06 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, ingediend ter Griffie op 10 februari 2015, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 20 april 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 15 mei 2015;
  • de conclusie tot wijziging van het petitum en de fundamentum petendi d.d. 05 juni 2015, van de kant van [verzoeker];
  • de conclusie tot uitlating met betrekking tot wijziging van het petitum en het fundamentum petendi d.d. 03 juli 2015, van de kant van de Staat.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten

2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties vast dat:

  • [verzoeker] ambtenaar van politie is in de rang van onder-inspecteur van politie;
  • [verzoeker] bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton van 04 november 2008 ter zake van zware mishandeling in vereniging gepleegd is vrijgesproken en ontslagen van alle rechtsvervolging;
  • het Openbaar Ministerie tegen het hiervoor bedoelde vonnis hoger beroep had ingesteld en uiteindelijk daarvan afstand heeft gedaan;
  • [verzoeker] heeft deelgenomen aan de Inspecteursopleiding 2007/2009 en dat hij deze opleiding in 2011 succesvol heeft afgerond;
  • [verzoeker] na voltooiing van de hiervoor genoemde opleiding – anders dan zijn lichtingsgenoten – zonder opgave van redenen niet is bevorderd tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet tot inspecteur van politie tweede klasse.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – het volgende:

primair

  1. nietigverklaring van het negatief besluit van de Staat, inhoudende het niet bevorderen van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse en derhalve het verlagen van zijn rang;
    de Staat op grond van artikel 82 lid 3 van de Personeelswet te gelasten om binnen 01 maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit te nemen tot bevordering van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse.

Subsidiair

  1. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen het bedrag van SRD 3.523,= (DRIEDUIZEND VIJFHONDERD DRIE EN TWINTIG SURINAAMSE DOLLAR), zijnde de geleden schade als gevolg van het achterwege laten van het besluit, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot de dag der algehele voldoening;

  2. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub c van de Personeelswet te gelasten binnen 01 maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit te nemen tot bevordering van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,= (VIJFDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) per dag voor elke dag dat de Staat nalatig blijft aan deze uitspraak te voldoen.

3.2 Bij conclusie verzoekt [verzoeker] wijziging van het verzoekschrift, in dier voege dat:

  • de eerste zin van alinea 8 als volgt wordt gelezen:

”Als gevolg van het niet reageren op het ingediend verzoek oftewel het niet binnen 6 maanden uitdrukkelijk beslissen op het ingediend verzoek wordt de Staat op grond van artikel 78 lid 2 Personeelswet (PW) geacht een besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit inhoudende: het niet zullen bevorderen van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse alsook niet tot Tweede Klasse en het derhalve verlagen van zijn rang.”

  • de eerste zin van alinea 9 als volgt wordt gelezen:

”Doch, indien en voor zover uw Hof van oordeel mocht zijn dat er in casu nog geen besluit door de Staat is genomen ten aanzien van de bevordering van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse en daarop volgend Tweede Klasse, quod non, dan wenst [verzoeker] zich te beroepen op artikel 79 lid 1 sub b PW en de vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit het niet hebben genomen van een besluit door de Staat, te vorderen.”

  • het petitum als volgt wordt gelezen:

”Primair:

  1. het negatief besluit van de Staat inhoudende het niet zullen bevorderen van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse en ook niet tot Inspecteur van Politie Tweede Klasse en het derhalve verlagen van zijn rang nietig te verklaren;

  2. de Staat op grond van artikel 82 lid 3 Personeelswet te gelasten binnen 1 maand na de uitspraak, althans binnen een door uw Hof, in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit tot bevordering van [verzoeker] tot Inspecteur van Politie Derde Klasse, direct gevolgd door bevordering tot Inspecteur van Politie Tweede Klasse, te nemen en wel bij één hetzelfde besluit dan wel bij twee afzonderlijke besluiten.

Subsidiair:

  1. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub b Personeelswet te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen het bedrag van SRD 3.523,= (DRIEDUIZEND VIJFHONDERD DRIB EN TWINTIG SURINAAMSE DOLLAR) zijnde de geleden schade als gevolg van het achterwege laten van het besluit, althans de besluiten, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot de dag der algehele voldoening;

  2. de Staat op grond van artikel 79 lid 1 sub c Personeelswet te gelasten binnen 1 maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof, in goede justitie vast te stellen termijn, het besluit tot bevordering van hem tot Inspecteur van Politie Derde Klasse, direct gevolgd door bevordering tot inspecteur van politie Tweede Klasse te nemen, en wel bij één hetzelfde besluit dan wel bij twee afzonderlijke besluiten, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,= (VIJFDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) per dag voor elke dag dat de Staat nalatig blijft aan deze uitspraak te voldoen.”

3.3 Ter onderbouwing van zijn vordering voert [verzoeker] – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende aan:

a. de Staat heeft nagelaten om binnen 06 maanden uitdrukkelijk te beslissen op het door hem bij de President van de Republiek Suriname ingediende verzoek van 03 februari 2014 en het rappel van 03 april 2014 om hem het bevorderen tot inspecteur van politie tweede klasse;

b. als gevolg van dit nalaten wordt de Staat geacht het besluit genomen te hebben om hem niet te bevorderen tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet tot inspecteur van politie tweede klasse;

c. dit besluit kan worden aangemerkt als een besluit tot verlaging in rang, dat ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 2b van de Personeelswet vatbaar is voor nietigverklaring.

3.4 De Staat heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verweer gevoerd:

a. het Hof is niet bevoegd om kennis te nemen van de primaire vordering, aangezien deze vordering niet valt binnen de reikwijdte van artikel 79 van de Personeelswet en fictieve besluiten zijn op grond van artikel 78 lid 2 en artikel 80 lid 2c van de Personeelswet niet vatbaar voor nietigverklaring;

b. de primaire vordering is niet-ontvankelijk; bij brief van 21 januari 2014 heeft [verzoeker] bij de minister van Justitie en Politie aangedrongen op bevordering in de rang van inspecteur van politie; ingevolge artikel 78 lid 2b van de Personeelswet heeft [verzoeker] te rekenen vanaf 21 januari 2014 zes maanden, dus tot 21 juli 2014, en daarboven nog eens drie maanden, overeenkomstig artikel 80 lid 2c van de Personeelswet, derhalve tot 21 oktober 2014 de mogelijkheid om in beroep te gaan; de vordering van [verzoeker] is op 07 oktober 2014 ter Griffie van het Hof ingediend, terwijl de hiervoor bedoelde termijn nog niet was verstreken, zodat de vordering niet-ontvankelijk is.

c. de subsidiaire vordering is volkomen ongemotiveerd en ongegrond en kan dus niet worden toegewezen.

4 De beoordeling

4.1 Met betrekking tot de gevraagde wijziging van het verzoekschrift (lees: eis) wordt geoordeeld, dat, nu de Staat zich hiertegen niet heeft verzet en voorts niet is gebleken dat door toewijzing van het verzoek de Staat onredelijk in zijn belangen wordt geschaad c.q. het geding zal worden vertraagd, zulks voor toewijzing in aanmerking komt.

4.2 Bevoegdheid

4.2.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a PW oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een (gewezen) ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in bet algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot onder meer verlaging van rang vatbaar voor nietigverklaring.

4.2.2 Het Hof begrijpt dat [verzoeker] opkomt tegen het fictieve besluit van de Staat wegens strijd

met het bepaalde in artikel 50 van het Reglement van Politie, dat onder meer handelt over de eisen van benoembaarheid van de onderinspecteur van politie tot inspecteur van politie derde klasse en over de eisen van benoembaarheid van de inspecteur van politie derde klasse tot inspecteur van politie tweede klasse. Het Hof is van oordeel dat het in casu betreft een besluit tot bevordering in rang en dat een dergelijk besluit geen betrekking heeft op verlaging in rang, doch betrekking heeft op salaris.

4.2.3 Nu de Staat heeft nagelaten een besluit te nemen op het verzoek van [verzoeker] d.d. 03 februari 2016, wordt de Staat geacht op grond van het bepaalde in artikel 78 lid 2b van de Personeelswet het besluit genomen te hebben om [verzoeker] niet te benoemen tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet te benoemen tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.2.4 Op grond van het voorgaande is het Hof bevoegd om te oordelen over de vordering tot nietigverklaring van het negatieve besluit van de Staat om [verzoeker] niet te benoemen tot inspecteur van politie derde klasse en ook niet tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.3 De volgende vraag die beantwoord moet worden is of de vordering van [verzoeker] ontvankelijk is.

4.3.1 [verzoeker] heeft zich bij brief van 03 februari 2014 gewend tot de President van de Republiek Suriname, het bevoegde gezag, met het verzoek hem spoedig te bevorderen tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.3.2 Vaststaat dat de Staat niet binnen zes maanden na indiening van het verzoek van [verzoeker] een besluit heeft genomen op het in 4.3.1 bedoelde verzoek van [verzoeker]. Op grond van het bepaalde in artikel 78 lid 2b van de Personeelswet wordt de Staat geacht op 02 augustus 2014 het besluit te hebben genomen om [verzoeker] niet te bevorderen tot inspecteur van politie tweede klasse.

4.3.3 De vordering tot nietigverklaring van het fictieve negatieve besluit van de Staat om [verzoeker] niet te benoemen tot inspecteur van politie tweede klasse is op 07 oktober 2010 ter Griffie ingediend. De vordering tot nietigverklaring is binnen de in artikel 80 lid 2c van de Personeelswet vermelde termijn van drie maanden te rekenen vanaf 02 augustus 2014 ingediend. De vordering van [verzoeker] is derhalve ontvankelijk.

4.4 Nu de Staat niet heeft gesteld – integendeel heeft de Staat bij conclusie tot wijziging van het verzoekschrift geïmpliceerd dat de bevordering van [verzoeker] nog moet worden geformaliseerd – en niet is gebleken dat [verzoeker] niet voldoet aan de in artikel 50 van het Reglement Algemene Politie gestelde eisen van benoembaarheid in de rang van inspecteur van politie tweede klasse, is het Hof van oordeel dat het fictieve besluit van de Staat in strijd is met voormeld Reglement en derhalve op grond van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet voor vernietiging vatbaar is.

4.5 Het Hof begrijpt het tweede onderdeel van de primaire vordering aldus dat de Staat op grond van het bepaalde in artikel 82 lid 3 van de Personeelswet wordt gelast om binnen een maand na de uitspraak, althans binnen een door het Hof vast te stellen termijn, een besluit te nemen over de benoeming van [verzoeker] tot inspecteur van politie derde klasse en tot inspecteur van politie tweede klasse. Het Hof is van oordeel dat ook het tweede onderdeel van de primaire vordering kan worden toegewezen.

De beslissing

Het Hof:

  1. Verleent [verzoeker] akte van aanvulling van het verzoekschrift als gevorderd.
  2. Verklaart nietig het fictieve negatieve besluit van de President van de Republiek Suriname van 02 augustus 2014, inhoudende het niet benoemen van [verzoeker] tot inspecteur van politie tweede klasse.
  3. Gelast de Staat om binnen drie maanden na de uitspraak een besluit te nemen over de benoeming van [verzoeker] tot inspecteur van politie derde klasse ingaande 1 juli 2011 en daaropvolgend tot inspecteur van politie tweede klasse.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur­Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker, vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Sitaram namens mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K3-2014-7

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03825
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 28 maart 2014
Tegenspraak
Raadslieden : mr. L. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

TUSSENVONNIS

van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [datum] in [land],
wonende aan de [adres] in [land].
van beroep visser,
thans gevangen gehouden.

Bevoegdheid van de kantonrechter
De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting van respectievelijk
20 november 2013 en 18 december 2013, dan wel gelijk nadat de vervolgingsambtenaar de strafzaak heeft voorgedragen, als preliminair verweer opgeworpen dat de kantonrechter onbevoegd is van de onderhavige strafzaak kennis te nemen.Ter adstructie van hun betoog hebben zij aangevoerd dat – kort weergegeven – de aan de verdachte verweten strafbare feiten zich hebben voorgedaan op Guyanese wateren oftewel Guyanees grondgebied en niet op Surinaams grondgebied.
In dat licht hebben de raadslieden ten aanzien van het rapport van de MAS en de wijze van vaststelling van de plaatsen waar de strafbare feiten zijn gepleegd de nodige kritische kanttekeningen geplaatst. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de vaststelling van de coördinaten door de opsporingsambtenaren van de locaties alwaar de vermoedelijke delicten zijn gepleegd – welke coördinaten op grond van de aanwijzingen van de medeverdachten [naam 1] en [naam 2] middels een GPS systeem zijn vastgesteld – slordig en niet juist is geweest. Volgens het betoog van de raadslieden is die vaststelling niet juist, omdat de medeverdachten [naam 1], zijnde de kapitein van de vissersboot, en [naam 2] bij het doen van de aanwijzingen niet werden bijgestaan door een tolk in een voor hun verstaanbare taal. Hierdoor hebben de opsporingsambtenaren hen verkeerd begrepen bij het doen van de aanwijzingen. De aanwijzingen die de hiervoor genoemde medeverdachten aldus de raadslieden hebben gedaan, betreffen de plaatsen waar de vissers te werk gaan in Suriname en niet de plaatsen waar de vermoedelijke strafbare feiten zijn gepleegd.
Rekeninghoudend met het verdedigingsbelang van de verdachte heeft de kantonrechter naar aanleiding van dit verweer de opsporingsambtenaren, die met de hiervoor genoemde medeverdachten op de boot zijn geweest voor het doen van de aanwijzingen van de locaties, en de directeur van de MAS ter terechtzitting gehoord, en overweegt de kantonrechter met betrekking tot het door de raadslieden opgeworpen preliminair verweer, zoals hiervoor uiteengezet als volgt:
Uit de verklaring van de getuigen, welke getuigen ter terechtzitting zijn gehoord, is aan het licht gekomen op welke wijze de vaststelling van de locaties plaatsvindt. Namelijk, dat de MAS niet op de rivier gaat met de opsporingsambtenaren, omdat de opsporingsambtenaren zijn getraind om de coördinaten middels een GPS vast te leggen en die coördinaten naar de MAS worden opgestuurd, waarna de MAS op grond van die coördinaten vaststelt in welk grondgebied de plaats zich bevindt. Voorts is aan het licht gekomen dat de medeverdachten bij het doen van de aanwijzingen niet konden worden bijgestaan door een tolk, omdat geen enkele tolk bereid was op de rivier te gaan.
Ondanks er geen tolk was, is de kantonrechter ervan overtuigd dat de medeverdachten bij het doen van de aanwijzingen de opsporingsambtenaren hebben begrepen, en hebben zij niet de plaatsen waar de vissers te werk gaan aangewezen dan zij nu verklaren, en wel op grond van:

  • de verklaring van de getuigen 1) [naam 3], 2) [naam 4] 3) [naam 5],4) [naam 6] en 5) [naam 7] ter terechtzitting. Deze getuigen hebben verklaard dat zij als opsporingsambtenaren op 12 juli 2013 in de Engelse taal met de verdachten hebben gecommuniceerd bij het doen van de aanwijzingen door de verdachten en deze hen wel hebben begrepen;
  • de verklaring van de getuige [naam 7] ter terechtzitting d.d. 07 maart 2014, inhoudende dat hij gelijk na terugkeer, dan wel nadat de medeverdachten [naam 1] en [naam 2] de aanwijzingen hadden gedaan, een verhoor ter zake van de medeverdachte [naam 2] op 13 juli 2013 bij proces-verbaal heeft afgenomen, waarbij de medeverdachte tijdens dit verhoor werd bijgestaan door een tolk;
  • de verklaring van de medeverdachte [naam 2] ter terechtzitting d.d. 07 maart 2014, dat hij de verklaringen bij de politie in alle vrijheid heeft afgelegd en zijn verhoor bij de agent van politie, [naam 7] d.d. 13 juli 2013 betreffende de aanwijzingen die deze medeverdachte op 12 juli 2013 heeft gedaan;
  • het verhoor van de slachtoffers [naam 8], 2) [naam 9], 3) [naam 10], 4) [naam 11], 5) [naam 12], 6) [naam 13] en 7) [naam 14], welke slachtoffers allemaal ook vissers zijn en wiens verhoren bij processen-verbaal met bijstand van een tolk in een voor hun verstaanbare taal hebben plaatsgevonden. Uit hun verhoor bij de politie valt ondubbelzinnig af te leiden dat de vermoedelijke strafbare feiten zijn gepleegd op Surinaamse wateren;
  • van het feit dat de verdachte in het kader van de rechtmatigheidtoetsing en bewaring bij de rechter-commissaris is voorgeleid, en hij dit verweer nimmer bij de rechter-commissaris heeft opgeworpen. Dit, terwijl hij tijdens zijn voorgeleiding in het kader van het verzoek tot de bewaring, wel werd bijgestaan door zijn raadslieden en een tolk in de Engelse taal.

Zoals de feiten er nu voorliggen is de kantonrechter ervan overtuigd dat de aan de verdachte verweten strafbare feiten op Surinaamse wateren dan wel op Surinaams grondgebied zijn gepleegd. Hieruit vloeit voort dat de kantonrechter zich wel bevoegd acht van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte kennis te nemen. Derhalve verwerpt de kantonrechter het door de raadslieden opgeworpen preliminair verweer en zal thans overgaan tot de (verdere) behandeling van deze strafzaak.

DE BESLISSING:
De kantonrechter:

  • verklaart zich bevoegd van de onderhavige zaak kennis te nemen;
  • gaat onmiddellijk over tot de verdere behandeling van de onderhavige zaak.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 maart 2014.

De Griffier, De Kantonrechter,
mw. L.J. De Rooy mr. S.M.M. Chu

SRU-HvJ-2019-50

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 16 mei 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 02 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 04 april 2014;
  • de processen-verbaal van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen en de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting daarvan;
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens de Staat d.d. 21 november 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 16 januari 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 17 april 2015, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst geweest van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling in de functie van pijpfitter in de rang van ambtenaar B 1e klasse.
2.2 [verzoeker] is op 15 december 1994 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van diefstal. Hij is op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid gesteld.
2.3 Bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, AD. [nummer] (hierna: de ontslagbeschikking) , is aan [verzoeker] met inachtneming van artikel 69 lid 2 onder c van de Personeelswet (Pw) ontslag uit Staatsdienst verleend, onder de aantekening dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 Pw juncto artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak maakt op salaris gedurende de periode waarin hij niet gewerkt heeft en wel vanaf 15 december 1994 tot en met de datum van het ontslag.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a.de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met handhaving van [verzoeker] in zijn functie;
b.de Staat zal worden veroordeeld tot betaling c.q. doorbetaling van het salaris van [verzoeker] vanaf 22 maart 1996, totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is, met alle emolumenten, toelagen en aanpassingen van dit salaris vanaf 22 maart 1996 tot heden.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2[verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking, blijkens welke aan hem op grond van artikel 69 lid 2 onder c Pw ontslag is verleend wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. De ontslagbeschikking (het hof begrijpt: het ontslagbesluit) is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids-, het motiverings-, het rechtszekerheids-, het fair play beginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien het ontslag en de gronden daarvan niet voldoende zijn gemotiveerd. De gronden voor het ontslag van [verzoeker] zijn komen weg te vallen, nu hij op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid is gesteld en hij nadien niet strafrechtelijk is vervolgd. De Staat heeft geweigerd hem wederom tot de werkplek toe te laten om zijn werkzaamheden te hervatten, ondanks hij zich herhaaldelijk heeft aangemeld om ingedeeld c.q. ingeroosterd te worden. Als gevolg van het aan [verzoeker] op ongegronde feiten en derhalve onrechtmatig verleende ontslag, heeft hij sedert juli 1996 – reeds 18 jaren lang – geen salaris ontvangen. [verzoeker] was tot het aan hem verleend ontslag op 22 maart 1996, reeds 24 jaren in overheidsdienst zonder dat er enige op- en aanmerkingen dan wel klachten waren over zijn functioneren.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], gewezen ambtenaar, strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatdienst is verleend.
[verzoeker] vordert tevens betaling van achterstallig salaris vanaf 22 maart 1996. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.
4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het ontslagbesluit dateert van 22 maart 1996 en dat [verzoeker] ingevolge artikel 79 lid 1 sub a juncto artikel 80 lid 1 sub b Pw zijn verzoekschrift niet binnen de wettelijke termijn heeft ingediend.
4.2.2 [verzoeker] heeft in reactie op het niet-ontvankelijksheidsverweer van de Staat ter gelegenheid van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen onder meer als volgt verklaard:
“Ik heb van niemand enig ontslagbeschikking ontvangen. Ik ben vanaf het jaar 1996 niet aan het werk geweest en ontvang vanaf toen geen salaris. Nadat ik in vrijheid ben gesteld en bemerkte dat er geen salaris op mijn rekening gestort werd ben ik bij de afdeling Loonadministratie aan de Herenstraat geweest. De afdeling Loonadministratie gaf mij te kennen dat mijn salaris geblokkeerd is. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij toen wel op het werk aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen en dus niet op het werk hoefde te verschijnen. (…) Ik had ook niet het idee dat ik met ontslag was. De afdeling loonadministratie heeft mij wel aangegeven dat mijn salaris geblokkeerd was omdat ik vanwege onwettig verzuim, zijnde de 43 dagen hechtenis, ontslagen was.”
4.2.3 In reactie op het door [verzoeker] verklaarde, heeft de gevolmachtigde van de Staat, mr. M. Dubois (hierna: Dubois), ter gelegenheid van de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen, zakelijk weergegeven, verklaard dat de Staat aan [verzoeker], nadat het door hem gevoerde verweer door de Staat ongegrond was bevonden, te kennen heeft gegeven dat hij is voorgedragen voor ontslag. Dubois heeft tevens verklaard dat haar is meegedeeld dat de ontslagbeschikking persoonlijk aan [verzoeker] is overhandigd en dat hij in een cahier voor ontvangst daarvan heeft getekend. Dit alles heeft zich vele jaren geleden afgespeeld en het cahier is niet meer in het bezit van de Staat, aldus Dubois.
4.2.4 [verzoeker] heeft daarop bij dezelfde gelegenheid, hierboven in 4.2.2 genoemd, onder meer als volgt verklaard:
“Ik ben in december 1994 ingesloten en in het jaar 1995 in vrijheid gesteld. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij gelijk bij mijn werkgever aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen omdat ik eerst een verklaring van de Procureur-Generaal moest overleggen waarna de Onderdirecteur [naam] over mijn zaak zou beslissen. Ik kreeg geen salaris. Bij navraag kreeg ik te horen dat mijn salaris geblokkeerd was. Ik ben op kantoor bij de heer [naam] geweest om mij hieromtrent te laten informeren. Van de heer [naam] kreeg ik te horen dat ik niet meer op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling werkzaam was. Dit alles is mij in het jaar 1996 medegedeeld. (…) Anders dan mevrouw Dubois aangeeft heb ik geen enkel ontslagbeschikking ontvangen en ook nergens daarvoor ondertekend.”
4.2.5 Partijen twisten over de vraag of [verzoeker] de ontslagbeschikking heeft ontvangen. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 Pw een vordering tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij sedert juli 1996 geen salaris meer heeft ontvangen en dat hem de toegang tot de werkplek is geweigerd. De Staat heeft ter gelegenheid van de voortzetting van het verhoor van partijen onweersproken aangevoerd dat, nadat het verweer van [verzoeker] ongegrond was bevonden, [verzoeker] ervan in kennis is gesteld dat hij is voorgedragen voor ontslag. Uit [verzoeker] eigen verklaringen, afgelegd ter gelegenheid van (de voortzetting van) het verhoor van partijen, blijkt dat hij, bij navraag omtrent het uitblijven van de uitbetaling van zijn salaris, in het jaar 1996 van zowel de afdeling Loonadministratie als de onderdirecteur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, de heer [naam], te horen heeft gekregen dat hij was ontslagen. Onder deze omstandigheden had [verzoeker], naar het oordeel van het hof, zo niet reeds in de maand juli 1996, dan toch wel in de loop van 1996 moeten begrijpen dat het besluit tot zijn ontslag reeds was genomen. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet pas in 2013 opkomen tegen het ontslagbesluit.
Uit het voorgaande volgt dat tussen het moment dat [verzoeker] heeft kennis heeft genomen van het ontslagbesluit en de indiening van de onderhavige vordering op 16 mei 2013, bijkans 17 jaren liggen, derhalve méér dan een maand, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat overigens daarvan zij, dat hij de ontslagbeschikking pas van de Staat heeft ontvangen toen hij (naar het hof begrijpt: in 2013) ging informeren naar zijn pensioen.
4.3 Nu het ontslagbesluit blijft gehandhaafd is van achterstallig loon c.q. schade geen sprake, zodat het in 3.1 onder b gevorderde dient te worden afgewezen.
4.4 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het in de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, AD. [nummer], vervatte ontslagbesluit.
5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van verzoeker.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-49

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoekster],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, substituut officier van justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 19 augustus 2013;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 11 november 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota, met een productie, d.d. 07 maart 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 04 april 2014;
  • de repliekpleitnota, met een productie, d.d. 02 mei 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 06 juni 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden.

2.De feiten
2.1 [verzoekster] is op 17 april 2000 in dienst getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie. Zij is thans in vaste dienst bij de afdeling Algemene Dienst van voormeld ministerie.
2.2 [verzoekster] is te rekenen van 01 juni 2008 bevorderd tot agent van politie 2e klasse.
2.3 [verzoekster] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. [nummer 1] (hierna ook: de bevorderingsbeschikking) te rekenen van 01 juni 2011 bevorderd tot agent van politie 1e klasse. Daartoe is onder meer overwogen dat [verzoekster] gunstig is beoordeeld en dat zij voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 48 van het Reglement Algemene Politie.
2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie [nummer 2] (hierna ook: de intrekkingsbeschikking), is besloten de bevorderingsbeschikking in te trekken en [verzoekster] weer aan te stellen als agent van politie 2e klasse, te rekenen van de dag waarop dit besluit tot haar kennis wordt gebracht. Daartoe is overwogen:
“- dat de Agent van Politie [verzoekster], (…) bij beschikking de dato 17 januari 2012 just. [nummer 1] te rekenen van 1 juni 2011 is bevorderd tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat er abusievelijk een bevorderingsbeschikking voor mej. [verzoekster], is opgemaakt tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat mej [verzoekster] was overgeplaatst naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling in de periode 26 april 2010 tot en met 01 oktober 2010 en dus een diensttijdonderbreking heeft gehad;
– dat mej. [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis lijdt;
– dat betrokkene als gevolg van haar ziektebeeld slechts met administratieve werkzaamheden wordt belast en niet van een dienstvuurwapen wordt voorzien;
– dat de beoordeling waarop de bevordering gebaseerd is, onjuist is bevonden;
– dat betrokkene niet voldoet aan de eisen van benoembaarheid vastgesteld in artikel 48 lid 5 van het Reglement Algemene Politie en de betreffende bevorderingsbeschikking dient te worden ingetrokken.”
2.5 [verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert, na rectificatie van het petitum, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de intrekkingsbeschikking, waarbij de Staat de beschikking tot bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse heeft ingetrokken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 3 van de Personeelswet (Pw) de bevorderingsbeschikking heeft ingetrokken.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 [verzoekster] heeft bij pleitnota akte van rectificatie verzocht, in die zin dat in het petitum van het verzoekschrift in stede van ‘agent van politie 2e klasse’ zal worden gelezen: agent van politie 1e klasse. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoekster] ter zake daarvan akte zal worden verleend, zoals reeds in 3.1 tot uitdrukking is gebracht.

Bevoegdheid
4.2.1 Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.2.2 De vordering van [verzoekster] strekt tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse, en weder aanstelling van [verzoekster] als agent van politie 2e klasse. [verzoekster] heeft aan deze vordering een dwangsom gekoppeld. Voormeld besluit behelst naar het oordeel van het hof de verlaging van de rang van [verzoekster] van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.3 Op grond van artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 2 sub b Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit tot verlaging van rang niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen. Nu zij het verzoekschrift op 19 augustus 2013 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is zij ontvankelijk in haar vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit behelzende de verlaging van haar rang van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse.
4.4.1 Partijen twisten onder meer over de vraag of de bevorderingsbeschikking aan [verzoekster] is uitgereikt of niet. [verzoekster] heeft gesteld dat de bevorderingsbeschikking aan haar is uitgereikt, terwijl de Staat, naar het hof begrijpt, heeft aangevoerd dat bedoelde uitreiking nimmer heeft plaatsgevonden zodat het besluit tot de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse niet formeel te harer kennis is gebracht en [verzoekster] zich ook niet daarop kan beroepen.
4.4.2 Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster], die niet door de Staat zijn weersproken, dat zij de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft ontvangen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] in de rang van agent van politie 1e klasse op de ‘Ranglijst KPS Politiepersoneel 2013’ nog voorkomt onder [nummer 3]. Op grond van het voorgaande wordt [verzoekster] geacht kennis te hebben genomen van het besluit tot haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. In dit licht kan het naar het oordeel van het hof in het midden blijven of de bevorderingsbeschikking al dan niet aan [verzoekster] is uitgereikt. Voor zover de Staat een andere mening is toegedaan, gaat hij uit van een onjuist standpunt.
4.5.1 Ingevolge artikel 24 lid 1 en 2 Pw kan het bevoegde gezag een ambtenaar, die daarvoor op grond van zijn geschiktheid, bekwaamheid, betrouwbaarheid en ervaring in aanmerking komt, tot een hogere rang bevorderen en worden nadere algemene vereisten voor bevordering bij staatsbesluit vastgesteld.
De Staat heeft aangevoerd dat [verzoekster] abusievelijk is bevorderd tot agent van politie 1e klasse te rekenen van 01 juni 2011. De Staat heeft daartoe onder meer verwezen naar de redenen vermeld in de, hierboven in 2.4 genoemde, intrekkingsbeschikking, waaronder het niet voldoen van [verzoekster] aan de in artikel 48 lid 6 van het Reglement Algemene Politie genoemde vereisten voor benoeming tot agent van politie 1e klasse – [verzoekster] heeft volgens de Staat niet vier jaren gediend in de rang van agent van politie 2e klasse noch ten minste twee jaren daarvan gediend buiten de gewesten Paramaribo en Suriname (Wanica) – en het lijden van [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis, te weten narcolepsie, als gevolg waarvan het dienstwapen van [verzoekster] werd ingenomen en [verzoekster] uiteindelijk slechts werd belast met administratieve werkzaamheden. Nu voormelde bevordering abusievelijk heeft plaatsgevonden, is deze conform wet en recht teniet gedaan middels de intrekkingsbeschikking, aldus de Staat.
4.5.2 De bevoegdheid tot intrekking van een besluit tot bevordering van een ambtenaar is neergelegd in artikel 24 lid 3 Pw. Dit artikel schrijft voor dat een besluit tot bevordering, nadat dit ter kennis van de ambtenaar is gebracht, niet meer wegens strijd met een bepaling, vastgesteld bij of krachtens de voorgaande leden van dit artikel, kan worden ingetrokken of buiten werking gesteld.
Het hof is van oordeel dat, gelijk [verzoekster] heeft betoogd, het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking in strijd met artikel 24 lid 3 Pw is genomen. Dit besluit is immers genomen nadat [verzoekster] reeds kennis droeg van haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. Het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking komt derhalve reeds wegens strijd met voormelde bepaling voor nietigverklaring in aanmerking. Daarbij komt dat de Staat pas elf maanden na de bevordering van [verzoekster] is overgegaan tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, overigens zonder voor het lange tijdsverloop een verklaring te geven. Voorts is [verzoekster], naar zij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken heeft gesteld, voorafgaand aan de intrekking van de bevorderingsbeschikking niet door de Staat gehoord. Verder is gesteld noch gebleken dat [verzoekster] voorafgaand aan vorenbedoelde intrekking ten minste van het voornemen van de Staat daartoe op de hoogte is gesteld. Daarenboven staat als onweersproken in rechte tussen partijen vast dat [verzoekster] gedurende twee jaren met de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft rondgelopen, terwijl de Staat niet heeft aangevoerd dat hij op enig moment voormelde onderscheidingstekens vanwege de naar zijn mening onterechte bevordering van [verzoekster] heeft teruggenomen en zulks ook niet anderszins is gebleken.
Aan het oordeel van het hof dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, doen niet af de door de Staat aangevoerde en in de intrekkingsbeschikking opgesomde redenen tot ongedaanmaking van de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse.
4.6.1[verzoekster] heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [verzoekster] weet dat zij niet voldoet aan de vereisten voor haar benoeming tot agent van politie 1e klasse en dus ook weet dat zij geen aanspraak maakt op de bevordering, zodat er van een daartoe strekkend gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake kan zijn.
4.6.2 Nu is overwogen dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, kan een bespreking van het beroep van [verzoekster] op het vertrouwensbeginsel achterwege blijven.
4.7 Uit hetgeen hierboven in 4.5.2 is overwogen volgt dat de vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, zal worden toegewezen.
4.8 De mede gevorderde dwangsom is niet gekoppeld aan het verder achterwege laten van een besluit of handeling dan wel het voortzetten of herhalen van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zodat deze ingevolge artikel 79 lid 1 sub c van voormelde wet als ongegrond zal worden afgewezen.
4.9 De gevorderde uitvoerbaar bijvoorraadverklaring van het vonnis zal eveneens worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.
4.10 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.
4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5.De beslissing
Het hof:
5.1 Verleent aan [verzoekster] akte van rectificatie als verzocht, zoals overwogen in 4.1 van de beoordeling.
5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie [nummer 2], vervatte besluit tot intrekking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. [nummer 1], waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse.
5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker]
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,
spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 03 februari 2017.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het op 03 maart 2017 gehouden getuigenverhoor zijdens de Staat;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 21 juli 2017 waaruit blijkt dat [verzoeker] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 februari 2018, doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling
2.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen.
2.2 Bij ongedateerde akte van rectificatie, overgelegd ter terechtzitting van 07 februari 2014, heeft [verzoeker] verzocht dat in het verzoekschrift in stede van [verzoeker], zal worden gelezen [verzoeker variant],. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoeker] ter zake daarvan akte zal worden verleend.
2.3 Een vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag vanaf welke dag [verzoeker] kennis droeg van het ontslagbesluit. Bij het tussenvonnis van 03 februari 2017 is de Staat toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het ontslagbesluit.
2.4 De Staat heeft als productie 1 bij zijn verweerschrift overgelegd een door de onderinspecteur van politie [naam 1] (hierna: [naam 1]) opgemaakt resumé d.d. 26 november 2013, waarin laatstgenoemde, kort gezegd, het volgende heeft vermeld. Op maandag 13 mei 2013 heeft [naam 1] zich samen met brigadier van politie [naam 2]. (hierna: [naam 2]) begeven naar de woning van [verzoeker] teneinde een voor [verzoeker] bestemde envelop, met daarin de ontslagbeschikking, aan hem uit te reiken. [verzoeker] was niet thuis en zijn broer [naam 3] heeft voormelde envelop in ontvangst genomen. [naam 1] heeft in tegenwoordigheid van [naam 2] aan voormelde broer van [verzoeker] gevraagd om aan [verzoeker] door te geven dat hij zo gauw mogelijk contact moest opnemen met de afdeling Interne Tuchtzaken. De volgende dag, dinsdag 14 mei 2013, heeft [verzoeker] inderdaad telefonisch contact gemaakt met bovengenoemde afdeling, waarbij [naam 1] hem te woord heeft gestaan. [verzoeker] heeft toen bevestigd de ontslagbeschikking te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben genomen. Hij vroeg wanneer het ontslag zou ingaan. [naam 1] heeft hem toen meegedeeld dat het ontslag ingaat op de dag volgende op die waarop [verzoeker] van de ontslagbeschikking kennis heeft genomen. [verzoeker] heeft [naam 1] vervolgens te kennen gegeven dat hij het heeft begrepen.
2.5.1 Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft de Staat twee getuigen, te weten [naam 1] en [naam 2], doen horen. Ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor heeft [naam 1] hetgeen hij in voormeld resumé heeft vermeld, bevestigd. [naam 1] heeft tevens verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat hij met [verzoeker] zelf heeft gesproken. Hij heeft de stem van [verzoeker] kunnen herkennen, omdat hij vaker met hem in contact is geweest. [verzoeker] is namelijk vaker op de afdeling Interne Tuchtzaken geweest, alwaar [naam 1] toen werkzaam was, aldus [naam 1]. Volgens [naam 1] heeft hij [verzoeker] vaker ontmoet en gesproken, ook over straat. [naam 1] heeft ten slotte verklaard dat de stem van [verzoeker] verschilt met die van zijn broer.
2.5.2 Ook [naam 2] heeft ter gelegenheid van gehouden getuigenverhoor de inhoud van voormeld resumé bevestigd. [naam 2] heeft daarbij, zakelijk weergeven, tevens het volgende verklaard. Op de dag volgende op die waarop [naam 1] en [naam 2] de envelop met daarin de ontslagbeschikking hadden afgegeven aan de broer van [verzoeker] op het adres van [verzoeker], waren zij, [naam 1] en [naam 2], op de afdeling Interne Tuchtzaken aanwezig. [naam 2] begreep op een gegeven moment van [naam 1] dat hij aan de telefoon was met [verzoeker]. [naam 2] heeft het gesprek gevolgd. Tijdens het gesprek noemde [naam 1] de naam van [verzoeker]. [naam 2] hoorde [naam 1] telefonisch doorgeven dat het ontslag zou ingaan de dag nadat kennis was genomen van de ontslagbeschikking.
2.5.3 Het hof acht de Staat geslaagd in het bewijs. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het hof acht de door [naam 1] en [naam 2] onder ede afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat daarvan overigens zij, dat hij zich, ten tijde van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer, in het binnenland bevond en hij dientengevolge van voormelde afgifte niet op de hoogte was en derhalve geen contact kon hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag. Immers, het zich in het binnenland bevinden brengt, gezien de ontsluiting van grote delen van het binnenland op het gebied van de telecommunicatie, niet automatisch mee dat [verzoeker] niet telefonisch bereikbaar was voor zijn broer en dat [verzoeker] geen telefonisch contact had kunnen maken met de afdeling Interne Tuchtzaken. In het licht van de verklaringen van [naam 1] en [naam 2], had het op de weg van [verzoeker] gelegen om tegenbewijs aan te bieden, met name dat hij zich, op de dag van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer en de dag waarop hij telefonisch contact zou hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken, in het binnenland bevond en wel op een plek waar hij verstoken was van elke vorm van communicatie met de buitenwereld. [verzoeker] heeft dit echter nagelaten en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat bewezen is dat [verzoeker] op 14 mei 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag en derhalve dat hij op voormelde datum kennis droeg van het ontslagbesluit.
2.6 Nu [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis droeg van het ontslagbesluit en hij de vordering strekkende tot nietigverklaring van dit besluit op 03 september 2013, derhalve meer dan een maand na 14 mei 2013, bij het hof heeft ingesteld, dient hij daarin op grond van artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.7 Uit het voorgaande volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft en dat dientengevolge de grondslag aan het mede gevorderde, te weten: de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang, met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest, alles onder verbeurte van een dwangsom, is komen te ontvallen, zodat dit dient te worden afgewezen.

3.De beslissing
Het hof:
3.1 Verleent aan [verzoeker] akte van rectificatie als verzocht.
3.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.
3.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Koendan namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld