SRU-HvJ-2019-47

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [plaats] in [land],
thans tijdelijk verblijf houdende in Suriname,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde:voorheen mr. S. Marica (wijlen), vervolgens mr. V.V.C. Piqué, advocaten,
thans mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: voorheen mr. A.R. Autar, thans mr. M.E. Danning, officier van justitie,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 oktober 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014 met producties;
  • de beschikking van het hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 16 mei 2014, welk verhoor is verplaatst naar 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 03 oktober 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘antwoordpleitnota’;
  • de antwoordpleitnota, met een productie, overgelegd op 07 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘reactie pleitnota’;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘dupliekpleitnota’;
  • het bij schriftelijke rolbeschikking d.d. 03 juni 2016 gelasten van een comparitie van partijen ter verkrijging van inlichtingen en/of beproeving van een minnelijke regeling;
  • het proces-verbaal van de op 05 mei 2017 gehouden comparitie van partijen;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de comparitie van partijen op 19 mei 2017 is voortgezet;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 01 december 2017, met producties;
  • het schrijven van mr. Piqué d.d. 18 mei 2018, waaruit blijkt dat hij zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 december 2018, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 01 december 2006 als chauffeur op de ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (Nederland) in dienst getreden van de Staat, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 650,- per maand conform de schaal verbonden aan de rang van ambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 6). Blijkens artikel VIII van deze overeenkomst is het dienstverband aangegaan voor de duur van een jaar, eindigende op 30 november 2007.
2.2 Artikel IX van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat deze door elk der partijen schriftelijk en per aangetekend schrijven zal worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand en voorts dat bij tussentijdse opzegging partijen een opzeggingstermijn van twee maanden in acht zullen nemen.
2.3 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2009 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Kraag-Keteldijk, L.Y., meegedeeld:
“Op 21 september 2007 werd ik ontboden door de kanselier Dhr. [naam] die mij namens de ambassadeur mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werd beëindigd. Ik heb tot op heden geen brief ontvangen zoals mij dat werd toegezegd dat ik ontslagen ben. (…)
Tot mijn verbazing werd mijn salaris per 1 november 2007 stopgezet (…).
Ik verzoek u het daarheen te willen leiden dat ik mijn salaris met terugwerkende kracht alsnog mag ontvangen. Ik ga er nog steeds vanuit dat ik in dienst ben van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (…).”
2.4 Bij schrijven d.d. 20 juli 2011 is namens de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw recentelijk verzoek met betrekking tot een mogelijke vordering uwerzijds bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt uw aandacht erop gevestigd dat deze aangelegenheid aan een beschouwing is onderworpen.
Aan u kan worden medegedeeld dat het onderzoek niet heeft uitgewezen dat er een dienstverband met u bestaat op grond waarvan aanspraken uwerzijds voortvloeien.”
2.5 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 11 januari 2012 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Lackin, W., meegedeeld:
“Ik heb mijn werk altijd tot volle tevredenheid verricht en was daarom zeer verrast toen ik op 21 september 2007 door de kanselier, de heer [naam], werd ik ontboden, die mij namens de ambassadeur zonder enige reden mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werden beëindigd. Tot op heden heb ik geen schrijven hieromtrent ontvangen, dan wel ontslag verkrijgen of een ontslagvergunning althans ontslagbeschikking ontvangen.
Tot mijn grote verbazing werd mijn salaris per 01 november 2007 stopgezet (…). Sindsdien heb ik diverse brieven verzonden naar het ministerie tot opheldering en doorbetaling van mijn salaris, helaas zonder succes. (…)
Gelet op het bovenstaande wordt u verzocht het daarheen te leiden dat ik mijn salaris sinds 01 november 2007 doorbetaald krijg, totdat de dienstbetrekking tenminste op richtige wijze is beëindigd.”
2.6 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. Marica, d.d. 02 april 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken meegedeeld:
“Tot mij heeft zich gewend mijn client, de heer [verzoeker] die mij om juridische bijstand vroeg.
(…)
Op 21 september 2007 werd client ontboden door de Kanselier [naam] die hem mede deelde dat zijn werkzaamheden beëindigd waren zonder enig opgaaf van redenen. En per 1 november 2007 werd zijn salaris stopgezet ook zonder redenen.
Client heeft vele malen geprobeerd de zaak minnelijk op te lossen het laatst op 11 januari 2012 per schrijven aan u gericht zonder enig bericht uwerzijds.
(…)
Gaarne verneem ik van u per ommegaande wat de rechtspositie van client is en bij welke funktionaris hij zich moet aanmelden.
Indien ik geen voor client bevredigend bericht van u mocht ontvangen heb ik opdracht om na zeven dagen van ontvangst van dit schrijven de rechter te adiëren.”
2.7 Op het schrijven d.d. 02 april 2013 is geen reactie van de minister ontvangen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A.voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker];
B.de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen zijn loon over de afgelopen tien maanden, zijnde in totaal SRD 6.500,-;
C.de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] per maand te betalen zijn loon ad SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) vanaf ultimo april 2013 en voorts voor iedere maand SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.
3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op 21 september 2007 heeft de kanselier, dhr. [[naam]], [verzoeker] mondeling meegedeeld dat zijn werkzaamheden beëindigd waren per 01 november 2007 zonder opgaaf van redenen. Het salaris van [verzoeker] werd per laatstgenoemde datum niet meer uitbetaald. Bij schrijven noch bij beschikking is een reden voor zijn ontslag opgegeven. Door het uitblijven van enige reactie van de minister op het in 2.6 vermeld schrijven, heeft de Staat in strijd gehandeld met het beginsel van correcte bejegening, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het beginsel van deugdelijke besluitvorming. Op grond van deze beginselen is sprake van willekeur zijdens de Staat, hetgeen verboden is. De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoeker], als gevolg waarvan [verzoeker] schade lijdt in de zin van loonderving.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat aan [verzoeker] zal betalen het loon over tien maanden, in totaal SRD 6.500,-, met de aantekening dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 november 2007 van rechtswege is geëindigd overeenkomstig artikel VIII van genoemde overeenkomst. [verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.
4.2 Het hof constateert dat de Staat abusievelijk niet in de gelegenheid is gesteld om te dupliceren. De Staat zal evenwel niet alsnog daartoe in de gelegenheid worden gesteld, nu de Staat, gelet op het in 4.4.2 overwogene, naar het oordeel van het hof, daardoor niet in zijn belang wordt geschaad.
Bevoegdheid
4.3.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (Pw). Deze wet is dan ook op [verzoeker] van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c.tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
4.3.2Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Het in 3.1 onder A gevorderde, te weten de verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder B en C gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het besluit om vanaf november 2007 geen salaris aan [verzoeker] te betalen. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit deel van het gevorderde kennis te nemen.
Ontvankelijkheid
4.4.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer, naar het hof begrijpt, aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] pas in oktober 2013 een vordering heeft ingesteld, terwijl de Staat [verzoeker] reeds op 20 juli 2011 in kennis had gesteld van zijn besluit.
4.4.2Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 sub b Pw een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat een genomen besluit, in casu het besluit tot stopzetting van de betaling van het loon aan [verzoeker], ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft bij pleitnota terecht gesteld dat de Staat op 20 juli 2011 (zie 2.4) geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot het dienstverband. De Staat heeft echter reeds bij zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 08 november 2007 door de toenmalige ambassadeur is bericht dat zijn dienstbetrekking met de Staat ingaande 01 oktober 2007 was beëindigd en dat hij vanaf laatstgenoemde datum derhalve geen salaris meer zal ontvangen.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [verzoeker] op 21 september 2007 was meegedeeld dat zijn werkzaamheden zouden worden beëindigd per 01 november 2007, dan wel dat hij op 08 november 2007 in kennis is gesteld van het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris. [verzoeker] heeft gesteld dat zijn salaris vanaf november 2007 niet meer werd betaald. Het hof overweegt dat [verzoeker] derhalve reeds in december 2007 had kunnen constateren dat het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris daadwerkelijk was genomen. Nu [verzoeker] pas op 11 oktober 2013 – na bijna 6 jaren – zijn vordering bij het hof heeft ingesteld, is hij daarin tardief, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het gevorderde in 3.1 onder B en C. Het daartoe strekkend verweer slaagt.
Het hof gaat voorbij aan het betoog van [verzoeker], kort gezegd, dat de Staat gehouden was hem voor te houden dat er een beperkte termijn geldt voor het instellen van een vordering bij het hof, nu dit betoog is gedaan bij pleitnota tot uitlating producties – het laatste processtuk – en de Staat geen gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Ten overvloede wordt overwogen dat voormeld betoog, ook al had het hof dat wel betrokken bij zijn beslissing, [verzoeker] niet kan baten en wel om de volgende reden. Anders dan [verzoeker] meent, brengt geen enkel algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de door hem bedoelde verplichting van de Staat met zich mee. Een andere opvatting zou meebrengen dat iedere landsdienaar die tardief is met het instellen van een vordering tegen de Staat en die zich niet op overmacht ex artikel 80 lid 4 Pw kan beroepen, zich met vrucht zou kunnen beroepen op de omstandigheid dat de Staat hem niet in kennis heeft gesteld van de in artikel 80 Pw genoemde termijn voor het instellen van een vordering bij het hof. Dit betekent dat deze termijn, welke van openbare orde is, zou verworden tot een dode letter.
4.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde in 3.1 onder A.
5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder B en C.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door mr. K.J. Kraag-Brandon namens mr. J. Kraag, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als [verzoekster],
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als het ministerie,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ter griffie ingediend op 08 mei 2013 (met vier producties);
  • de beschikking van het Hof van 20 juni 2013 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift ter griffie ingediend op 31 juli 2013;
  • de beschikking van het Hof van 02 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 november 2013;
  • het proces-verbaal van het op 01 november 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • conclusie tot uitlating schikking zijdens de Staat overgelegd d.d. 17 januari 2014;
  • pleitnota overgelegd d.d. 21 februari 2014;
  • antwoordpleitnota overgelegd d.d. 21 maart 2014;
  • repliekpleitnota met producties overgelegd d.d. 02 mei 2014;
  • dupliekpleitnota met producties overgelegd d.d. 20 juni 2014;
  • conclusie tot uitlating producties overgelegd d.d. 15 augustus 2014;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06
maart 2015, maar is nader bepaald op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste
inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1 [verzoekster] is middels arbeidsovereenkomst in dienst getreden van het ministerie op 23 november 2000 en te werk gesteld in de functie van Adjunct Secretaresse van de Minister van Justitie en Politie, waarbij zij belast werd met voorlichtingswerkzaamheden.
2.2 Bij beschikking d.d. 11 augustus 2003 no. 4001 is [verzoekster], te rekenen vanaf 6 juni 2003 te werk gesteld bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname.
2.3 Bij beschikking d.d. 18 maart 2010, no. 269, is [verzoekster] op eigen verzoek overgeplaatst naar het Ministerie van Sport en Jeugdzaken.
2.4 [verzoekster] heeft bij deurwaarderexploot no. 389 d.d. 10 april 2013 het ministerie gevraagd haar te plaatsen in een passende functie en schaal, waar zij recht op heeft.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken het ministerie te veroordelen:
a. om haar te benoemen in een passende functie en schaal overeenkomstig haar opleiding en ervaring;
b. om met terugwerkende kracht het achterstallig salaris aan haar uit te betalen, vermeerderd met alle eventuele toelagen vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;
c. tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat het ministerie nalatig blijft om te voldoen aan het onder a gevorderde.
3.2 [verzoekster] heeft – naast voormelde vaststaande feiten – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij heeft op enig moment gefunctioneerd als het Hoofd van de afdeling Opleidingen bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname, echter zonder daarvoor de nodige
voorzieningen te hebben ontvangen. Volgens [verzoekster] heeft de toenmalige Minister van Justitie en Politie wel een onderhoofd benoemd voor de afdeling Opleidingen, die niet gekwalificeerd was voor die functie. Er werd geen acht geslagen op het feit dat zij hoger was opgeleid en ook niet dat zij al functioneerde als hoofd van de afdeling Opleidingen.
[verzoekster] stelt verder dat zij vanaf het jaar 2000 geen periodieke uitkeringen heeft gekregen en geen bevordering als gevolg waarvan zij overeenkomstig FISO ook geen salarisverhoging heeft gehad.
3.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. Het Hof komt voor zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof heeft getracht een minnelijke regeling tussen partijen te bewerkstelligen, echter zonder succes. Het hof zal daarom de onderhavige vordering beoordelen op grond van de gedingstukken.
4.2 Het Hof merkt op dat de vordering van [verzoekster] erg vaag is omschreven. Daardoor is het onduidelijk op welke functie en schaal, [verzoekster] meent recht te hebben zoals onder a van het petitum gevorderd. Evenzo is het onduidelijk op welk (achterstallig) salaris en toelagen zij meent recht te hebben.
Voor zover [verzoekster] meent dat zij recht heeft te moeten worden geplaatst in de functie van (onder)hoofd van de afdeling Opleidingen bij de Beveiligings – en Bijstandsdienst Suriname met bijbehorende inschaling, is het Hof van oordeel dat dit gevorderde dient te worden afgewezen.
Immers is onweersproken door het ministerie gesteld en is daarmee komen vast te staan dat een afdeling werving en opleiding bij de Beveiligings – en Bijstandsdienst nooit heeft bestaan en ook niet bestaat.
Voor het geval [verzoekster] het oog heeft op de functie van (onder)hoofd van de Beveiligings – en Bijstandsdienst is door het ministerie aangevoerd dat [verzoekster] niet voldoet aan de vereisten om te worden benoemd in een dergelijke functie. Zo is uit het verhoor van partijen naar voren gekomen dat eerst een elementaire opleiding dient te worden gevolgd om binnen te stromen bij de Beveiligings- en Bijstandstienst Suriname. Daarnaast volgt uit het bepaalde in artikel 61 van het Reglement Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname (S.B. 2000-84) dat de te benoemen functionaris onder meer de opleidingen op het gebied van bewaking c.q. beveiliging moet hebben gevolgd.
Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoekster] deze opleidingen heeft gevolgd. Zij voldoet derhalve ook niet aan de vereisten voor benoeming in genoemde functie.
Bovendien is niet in geding dat [verzoekster] zelf heeft gevraagd voor overplaatsing naar een andere ministerie zodat benoeming in de hiervoor genoemde functie ook om die reden niet mogelijk zou zijn. Immers, om te worden benoemd in een functie is het van belang dat je op het betreffende ministerie werkzaam bent, hetgeen niet aan de orde is in dit geval.
4.3 Naar het Hof begrijpt is [verzoekster] van mening dat ook anderen die niet voldoen aan de vereisten benoemd zijn in de genoemde functies. Zij heeft het met name over de personen van [naam 1] en [naam 2].
Dit wordt ontkend door het ministerie. Bij het gehouden verhoor van partijen is verklaard dat de twee hiervoor genoemde personen wel voldeden aan de functievereisten, en daarom ook zijn benoemd.
Hiermee is ook deze stelling van [verzoekster] ondergraven. Bovendien is het Hof van oordeel dat, ook indien de stelling van [verzoekster] juist zou zijn, dit evenmin ertoe kan leiden dat iemand die niet beschikt over de functievereisten toch wel wordt benoemd in een bepaalde functie. Het maken van “misstappen” heeft niet tot gevolg dat er een “recht” ontstaat. Derden kunnen zich daarom in beginsel niet met succes beroepen op deze misstappen, tenzij er sprake is van een evidente schending van het gelijkheidsbeginsel riekend naar favoritisme casu quo willekeur.
4.4 Bij het gehouden verhoor van partijen heeft [verzoekster] verklaard dat zij niet meer wil werken voor de Staat en dat zij door de Staat wil worden afgekocht zodat zij haar eigen zaken kan doen.
Naar het oordeel van het Hof dient [verzoekster] dit voorgaande zelf met de Staat te bespreken, omdat het Hof de bevoegdheid mist om hierover te oordelen.
4.5 Al het voorgaande, in onderlinge samenhang gelezen, leidt tot de afwijzing van de vorderingen van [verzoekster].
4.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
Het Hof:
Wijst af het door [verzoekster] gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Verzoekster verschenen in persoon en vertegenwoordigd door advocaat mr. J. Kraag namens mr. N.U. van Dijk, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-45

Kosteloos A-825
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN
In de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid,
Afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG),
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. E. Danning, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoekster] respectievelijk de Staat;

1.Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 17 oktober 2013;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 02 december 2013;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 december 2013, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 04 december 2013 is verlengd met zes weken;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 13 januari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 15 januari 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 15 januari 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend op 24 februari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 09 mei 2014, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 06 juni 2014;
  • het proces-verbaal van het op 06 juni 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat de dato 04 juli 2014;
  • de conclusie tot uitlating omtrent de door de Staat overgelegde stukken zijdens [verzoekster];

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015 en vervolgens nader op 21 februari 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1 [verzoekster] is per 16 juni 1977 in dienst getreden van het toenmalige Ministerie van Opbouw en tewerkgesteld bij het zogeheten Houtskoolproject;
2.2 [verzoekster] is per 1 januari 1980 overgeplaatst naar het Ministerie van Volksgezondheid, afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG), eerstens in de functie van schoonmaakster en later in de functie van telefoniste;
2.3 [verzoekster] heeft over de periode van haar tijdelijk dienstverband, gelegen tussen 16 juni 1977 en 31 juli 1980 pensioenrechten ingekocht en heeft daardoor vanaf 16 juni 1977 haar pensioenaanspraken opgebouwd;
2.4.[verzoekster] heeft in haar privé-leven nogal wat tegenslagen te verwerken gehad, hetgeen geleid heeft tot afwezigheid (het hof begrijpt: op de werkplek) wegens ziekte;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1.[verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- dat de Staat zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking met haar met terugwerkend te herstellen en aan haar de achterstallige bezoldiging, inclusief onder andere vakantietoelage vanaf de stopzetting daarvan aan haar uit te betalen. Voorts vordert zij veroordeling van de Staat om haar conform de FISO-bezoldiging in een vergelijkbare loongroep te doen inschalen:
3.2.[verzoekster] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar ziekteverzuim permanent middels doktersattesten gedekt waren. Desondanks werd zij bij hervatting van haar werkzaamheden door de Onderdirekteur Administratieve Diensten van het BOG namens de Direkteur van het BOG aangezegd vooruitlopend op een te nemen beslissing thuis te blijven. Zij heeft met klem tegen delen van de brief van de Direkteur van het BOG gericht aan de Direkteur van het Ministerie van Volksgezondheid gereageerd omdat zij nimmer ongeoorloofd heeft verzuimd en haar afwezigheid wegens ziekte altijd gedekt is geweest middels doktersattesten. Zij heeft zich nimmer ingevolge het bepaalde in artikel 42 van de Personeelswet in opdracht van of op verzoek van het BOG gedurende haar afwezigheid wegens ziekte, noch na haar herstel, aan een geneeskundige controle moeten onderwerpen. Na aanzegging in 2003 door de Direkteur van het BOG heeft zij zich overduidelijk en gemotiveerd wegens vermeend plichtsverzuim verweerd. Op voormeld verweer van haar is zijdens het Ministerie van Volksgezondheid, hoewel onterecht, nimmer zoals artikel 61 van de Personeelswet voorschrijft op schrift een tuchtstraf opgelegd doch heeft de leiding van het BOG het haar constant onmogelijk gemaakt haar werkzaamheden te continueren en zulks ondanks zij zich steeds aanmeldde om haar werkzaamheden te hervatten. Zij bleef door middel van brieven en bezoeken tevergeefs aan het BOG verzoeken haar werkzaamheden te mogen hervatten en kreeg zij in oktober/november 2004 op haar woonadres bezoek van het Hoofd Algemene Zaken van het BOG voor het in ontvangst nemen van een voor haar bestemde brief waarvan de inhoud niet werd medegedeeld. Zij heeft geweigerd de zojuist aangehaalde brief in ontvangst te nemen maar was daartoe op kantoor wel bereid om de dienstbrief, na over de inhoud daarvan geïnformeerd te zijn, in ontvangst te nemen. Zij beschikt niet over een ontslagbeschikking en voorzover die er mocht zijn heeft de Staat de voorgeschreven ambtelijke procedures niet in acht genomen;
3.3.De Staat heeft verweer gevoerd. Het hof komt –voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling;

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW is het Hof van Justitie (hierna: het hof) optredende als gerecht in ambtenarenzaken slechts bevoegd om kennis te nemen van de navolgende vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald;
4.2. Hetgeen [verzoekster] heeft gevorderd valt naar het oordeel van het hof niet te categoriseren onder de limitatieve opsomming van voormelde wetsbepaling. Immers vordert [verzoekster] – kort gezegd -herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht en betaling van het achterstallig salaris alsmede inschaling in een vergelijkbare loongroep conform de Fiso-bezoldiging. Het hof heeft derhalve geen andere keus dan om – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – zich onbevoegd te verklaren om van het gevorderde kennis te nemen. Het daartoe strekkend verweer zijdens de Staat is derhalve gegrond gebleken;
4.3. Nu [verzoekster] door het in het onderhavige geding gebracht Certificaat van Onvermogen d.d. 30 april 2013 genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt niet bij machte te zijn de kosten van dit proces te bestrijden, zal het Hof het ter zake door haar gedaan verzoek inwilligend verstaan, dat haar is vergund ten deze kosteloos te procederen;
4.4. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen en zal beslissen als in het dictum te melden;

5.De beslissing
Het hof:
5.1.Verstaat dat aan [verzoekster] is vergund om ten deze kosteloos te procederen;
5.2.Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. R.D. Neslo, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-33

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-3060
03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [plaats], [land],
hierna te noemen: “[eiser]”,
eiser,
gemachtigde: mr. H. S. Djasmadi, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
hierna te noemen: “[gedaagde]”,
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • Het verzoekschrift met producties dat op 07 juli 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de akte van niet – dienen terzake de conclusie van dupliek;
  • 1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] heeft zijn woning, gelegen aan de [adres], verhuurd aan de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna: de huurders). De overeengekomen huur bedraagt €125,– per maand.
2.2 Bij vonnis d.d. 04 januari 2016 in de zaak bekend onder A.R. no. 12-4505, heeft de Kantonrechter de vordering van [eiser] tot ontruiming van de huurders afgewezen.
2.3 In februari 2016 wendt [eiser] zich tot [gedaagde] voor juridische bijstand.
2.4 [eiser] heeft op 01 februari 2016 en 22 februari 2016 in totaal SRD 2.000,- aan [gedaagde] betaald voor juridische bijstand.
2.5 [gedaagde] heeft, als gemachtigde van [eiser], op 24 februari 2016 een schriftelijke verklaring ingediend op de Griffie der Kantongerechten, waaruit blijkt dat [eiser] gebruik wenst te maken van het middel van hoger beroep tegen het vonnis als vermeld onder 2.2.
2.6 [gedaagde] heeft namens [eiser] huurpenningen van de huurders ontvangen. Het totaal aan ontvangen huurpenningen bedraagt SRD 11. 350,–.
2.7 De door [gedaagde] ontvangen huurpenningen zijn niet aan [eiser] overgedragen.
2.8 Bij schrijven d.d. 22 mei, 30 mei en 08 juni 2017 is [gedaagde] door de huidige gemachtigde van [eiser] verzocht de voor de zaak relevante stukken over te dragen [gedaagde] heeft niet gereageerd op deze verzoeken.
2.9 [gedaagde] is per schrijven d.d. 20 juni 2017, dat per deurwaardersexploit d.d. 20 juni 2017 no. 387 aan hem is betekend, gesommeerd om de door hem ontvangen huurgelden aan [eiser] te voldoen.
2.10 [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1 De vordering
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
– de aan hem toekomende huurgelden ad € 2.125,–;
– de door hem geleden schade vooralsnog begroot op SRD 5. 100,–;
– de proceskosten.
3.2 De grondslag
[eiser] heeft – zakelijk weergegeven – aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] wanprestatie jegens hem pleegt nu hij de op hem rustende verplichting om deugdelijke rechtsbijstand aan hem te verlenen, niet is nagekomen. [eiser] houd [gedaagde] dan ook aansprakelijk voor alle door hem geleden schade en nog te lijden schade als gevolg van zijn handelen.
3.3 Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Volgens hem was met de gevolmachtigde van [eiser], te weten [naam 3], afgesproken dat de ontvangen achterstallige huurpenningen als voorschot zouden worden gebruikt op de procedure in hoger beroep. Toen [eiser] naar de ontvangen huurgelden vroeg heeft hij hem een factuur doen toekomen op grond waarvan [eiser] SRD 50,- moest ontvangen. [eiser] heeft geweigerd dit bedrag te ontvangen. Volgens [gedaagde] heeft hij geen verplichting tot overdracht van processtukken aan de huidige procesgemachtigde van [eiser], omdat de zaak eerst op een juiste wijze moet worden beëindigd. Hij betwist voorts dat hem wanprestatie kan worden verweten en ontkent aansprakelijk te zijn voor betaling van advocaatkosten en deurwaarderskosten. Dat de zaak in hoger beroep geen voortgang heeft gevonden is volgens hem niet aan hem te wijten, maar aan [eiser] die andere plannen had.
3.4 Op de stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter, voor zover van belang bij de beoordeling, terug.

4. De beoordeling
4.1 Tussen partijen is komen vast te staan dat het totaal bedrag aan huurpenningen dat door
[gedaagde] namens [eiser] is ontvangen, SRD 11. 350,– bedraagt. [eiser] stelt in zijn conclusie van repliek dan ook dat onder andere voormeld bedrag door [gedaagde] aan hem betaald dient te worden. Uit deze stelling van [eiser] begrijpt de kantonrechter dat [eiser] zijn eis wenst te wijzigen. Nu het wijzigen van de eis ex artikel 109 Rv in elke stand van het geding is toegestaan en [gedaagde] hieromtrent geen verweer heeft gevoerd, zal voormelde wijziging worden toegestaan in dier voege dat in stede van het gevorderde bedrag ad € 2.125,– zal worden gelezen het bedrag ad SRD 11. 350,–. Daarbij wordt mede gevorderd het bedrag ad SRD 200,–, zijnde het verschil tussen het reeds door [eiser] aan [gedaagde] betaalde voorschot ad SRD 4.000,– en het bedrag dat [eiser] daadwerkelijk aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn voor de door hem verrichte diensten namelijk SRD 3. 800,-.
4.2 Nu de vraag of [gedaagde] gehouden is de ontvangen huurgelden aan [eiser] over te dragen. Deze vraag moet, naar het oordeel van de kantonrechter, bevestigend worden beantwoord en wel om de navolgende redenen.
[eiser] heeft gesteld dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt als gevolg waarvan hij op 1 en 2 februari 2017 in totaal SRD 2.000,– aan [gedaagde] heeft betaald voor het verlenen van juridische bijstand. Volgens [eiser] heeft hij hierna nog eens SRD 2.000,- aan [gedaagde] betaald, maar hiervoor heeft hij geen kwitantie.
[eiser] heeft voorts gesteld dat tussen hem en [gedaagde] is afgesproken dat, indien de rechter positief zou beslissen op zijn vordering, hij aan [gedaagde] nog SRD 2.000,- zou moeten betalen. Voormelde afspraken zijn door [gedaagde] niet betwist en staan derhalve vast tussen partijen.
De door [gedaagde] ten processe overgelegde factuur dient buiten beschouwing te worden gelaten en wel om de navolgende redenen. De factuur is door [eiser] gemotiveerd betwist. Volgens hem is tussen partijen geen verrekening met de ontvangen huurgelden afgesproken. [gedaagde] is na de gemotiveerde betwisting door [eiser], niet nader hierop ingegaan. Van hem mocht worden verwacht dat hij feiten en omstandigheden zou aandragen en eventueel relevante producties zou overleggen ter onderbouwing van zijn standpunt. Evenmin zijn door [gedaagde] producties overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij de werkzaamheden zoals opgenomen in de factuur, heeft verricht. Nu de afspraak voor verrekening niet is komen vast te staan en de door [eiser] gestelde afspraken niet zijn betwist, zal [gedaagde] worden veroordeeld tot afgifte van de ontvangen huurgelden aan [eiser]. Het mede gevorderde bedrag ad SRD 200,- zal worden afgewezen, omdat deze is gebaseerd op de bedragen zoals vermeld in de factuur. Het voorgaande is daarom in strijd met de afspraken die zijn komen vast te staan tussen partijen.
4.3 [eiser] stelt dat zij op grond van de wanprestatie die [gedaagde] jegens haar pleegt schade lijdt die, behalve uit de te ontvangen huurgelden bestaat uit advocaat- en deurwaarderskosten die vooralsnog zijn begroot op SRD 5.100,-. Voormelde schade is echter niet onderbouwd door [eiser] zodat zij niet kan worden toegewezen.
4.5 [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.
4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag groot SRD 11. 350,- (elfduizend driehonderd en vijftig Surinaamse Dollar);
5.2 verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad;
5.3 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op SRD 339,80 (driehonderd en negenendertig tachtighonderdste Surinaamse Dollar).
5.4 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. P. Rudge LLM en in het openbaar uitgesproken door mr. R.M. Praag, kantonrechters in het Eerste Kanton, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 03 februari 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-44

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, ambtenaar op het parket van de Procureur-Generaal,
spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 09 maart 2012;
  • het verweerschrift met een productie ingediend op 23 april 2012;
  • de beschikking van het hof van 04 juli 2012 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 augustus 2012, welk verhoor is verplaatst naar 05 april 2013;
  • het proces-verbaal van het op 05 april 2013 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota d.d. 03 mei 2013;
  • de antwoord pleitnota, met producties, overgelegd op 07 juni 2013;
  • de repliek pleitnota d.d. 05 juli 2013;
  • de dupliek pleitnota overgelegd op 02 augustus 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2013, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] was in vaste dienst bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname (hierna: BBS) van het Ministerie van Justitie en Politie in de functie van beveiligingsambtenaar 3e klasse.
2.2 [verzoekster] is op 14 april 2011, op de gronden vermeld in de hierna in 2.6 genoemde beschikking, aangehouden, in verzekering en buiten functie gesteld. Uit deze beschikking blijkt dat [verzoekster] vervolgens is geschorst in haar ambt.
2.3 Bij schrijven d.d. 14 april 2011 is [verzoekster] door het hoofd van BBS aangezegd zich schriftelijk te verweren ter zake van haar aanhouding en inverzekeringstelling.
2.4 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 19 april 2011 verweer gevoerd. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij op 14 april 2011 op het politiestation te Livorno is aangehouden op verdenking van het plegen van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 347 jo. 70, 362 jo. 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en is overgebracht naar het vrouwencellenhuis te Geyersvlijt.
2.5 Bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. 28 juli 2011 [nummer 1] is [verzoekster] ter zake van zware mishandeling (artikel 362 lid 1 Sr) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
2.6 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 10 februari 2012, Bureau [nummer 2] (hierna: de beschikking) is aan [verzoekster] ingevolge artikel 69 lid 2 sub c van de Personeelswet (Pw) wegens plichtsverzuim ontslag uit staatsdienst verleend. In de beschikking is onder meer het volgende overwogen:
“dat de Beveiligingsambtenaar 3e klasse, mevrouw [verzoekster](…) in vaste dienst bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 347 juncto 70 en 189 van het Wetboek van Strafrecht, op 14 april 2011 in verzekering is gesteld;
dat naar aanleiding van het voorgaande, het Hoofd van de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname, dhr. K.S. AJODHIA, bij beschikking van 14 april 2011, mevrouw [verzoekster] voornoemd te rekenen van 14 april 2011 buitenfunctie heeft gesteld;
dat betrokkene middels een beschikking d.d. 27 mei 2011 j.[nummer 3], in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek en een definitieve besluitvorming, op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet is geschorst in haar ambt;
dat uit het verkort vonnis d.d. 28 juli 2011 no. [nummer 1] blijkt dat mevrouw [verzoekster] voornoemd is veroordeelt tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaren.
dat deze handelingen niet in een gedisciplineerde Dienst getolereerd kunnen worden en als plichtsverzuim worden aangemerkt;
dat gelet op de ernst van deze aangelegenheid, het nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.”
2.7 [verzoekster] heeft de beschikking op 05 maart 2012 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I.de beschikking, waarbij haar ontslag uit staatsdienst is verleend, zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard;
II.de Staat zal worden veroordeeld om met toepassing van artikel 79 lid 3 (lees kennelijk: artikel 82 lid 3) Pw, een nieuwe beschikking overeenkomstig het besluit van het hof te nemen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.
3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, naar het hof begrijpt, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. De feiten en omstandigheden die aan haar ontslag ten grondslag hebben gelegen, blijken niet uit het verkort strafvonnis. Het in de beschikking vervatte ontslagbesluit is ondeugdelijk, omdat [verzoekster] niet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren, maar tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met bevel tot gevangenhouding. Verder blijkt uit de beschikking niet dat [verzoekster] in de gelegenheid is gesteld zich ter zake van de opgelegde tuchtstraf of het voornemen daartoe, te verweren. Voorts is in de beschikking slechts rekening gehouden met de ernst van het plichtsverzuim, maar niet met het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van [verzoekster] alsmede met haar persoonlijke en financiële omstandigheden, zoals artikel 44 lid 3 van het Politiehandvest uitdrukkelijk voorschrijft. Dit laatste maakt het ontslagbesluit nietig, zodat de dienstbetrekking voortduurt. [verzoekster] is op grond van artikel 47 van het Politiehandvest gerechtigd om bij het hof nietigverklaring van de beschikking te vorderen, omdat deze niet overeenkomstig de beginselen van het Politiehandvest tot stand is gekomen.
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof acht zich gelet op het gevorderde, op grond van artikel 79 lid 1 jo. lid 2 Pw, bevoegd om daarvan kennis te nemen.
4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] tijdig is opgekomen tegen het in de beschikking vervatte ontslagbesluit, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering.
4.3 De Staat heeft ten eerste aangevoerd dat onjuist is de opvatting van [verzoekster] dat het voorwaardelijk deel van de veroordeling, hierboven vermeld in 2.5, in de beschikking moet zijn opgenomen. Weliswaar is dit deel van de veroordeling abusievelijk niet in de beschikking opgenomen, maar dat neemt niet weg dat [verzoekster] door de kantonrechter is veroordeeld en dat het strafvonnis grond voor ontslag oplevert, aldus de Staat.
Het hof deelt de mening van de Staat, in die zin dat vorenbedoelde omissie van de Staat er niet een is die de ondeugdelijkheid van het ontslagbesluit tot gevolg heeft.
4.4 De Staat heeft verder, kort gezegd, aangevoerd dat een beroep op de bepalingen van het Politiehandvest [verzoekster] niet toekomt, omdat deze bepalingen van toepassing zijn op het Korps Politie Suriname en niet op de BBS, alwaar [verzoekster] als ambtenaar heeft gediend.
Naar het oordeel van het hof heeft de Staat het hier bij het rechte eind. Daartoe wordt als volgt overwogen. [verzoekster] gaat ervan uit, gelijk zij bij pleitnota heeft gesteld, dat de BBS een onderdeel van het Korps Politie Suriname is, zulks ten onrechte aangezien de BBS en het Korps Politie Suriname separate dienstonderdelen van het Ministerie van Justitie en Politie zijn. [verzoekster] is geen (politie)ambtenaar geweest in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest op wie de bepalingen van dit handvest van toepassing zijn, maar een beveiligingsambtenaar in de zin van artikel 1 van het Besluit Instructie Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname voor wie, gelijk de Staat heeft aangevoerd, de bepalingen van voormeld besluit gelden. Volgens artikel 8 van dit besluit geschieden de aanstelling, bevordering, schorsing en het ontslag van de beveiligingsambtenaren overeenkomstig de regels van de Personeelswet en artikel 11 van dit besluit bepaalt dat de algemene regelen omtrent de rechtspositie van de landsdienaren mede van toepassing zijn op de beveiligingsambtenaren. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het door [verzoekster] gedaan beroep op artikel 44 lid 3 van het Politiehandvest faalt.
4.5.1 De Staat heeft vervolgens aangevoerd dat hij, anders dan [verzoekster] stelt, wel rekening heeft gehouden met het algemeen gedrag van [verzoekster]. De Staat voert in dit kader verder aan dat [verzoekster] sinds haar indiensttreding onaanvaardbare indisciplinaire gedragingen vertoonde door in de nachtelijke uren in nevenfuncties werkzaamheden uit te oefenen als beveiligingsmedewerkster en uitsmijter in diverse ‘short time’ lokaliteiten, waardoor zij telkens in problemen geraakte. Daarbij is, nadat zij bij proces-verbaal van de politie is gehoord, haar, vanwege de dienst in bruikleen afgestane, vuistvuurwapen ingevorderd, aldus de Staat. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het verhoor van partijen het door de Staat aangevoerde ten aanzien van haar werkzaamheden als beveiligingsmedewerkster en uitsmijter erkend.
4.5.2 [verzoekster] persisteert dat de Staat in de beschikking geen rekening heeft gehouden met haar algemeen gedrag. Zij beroept zich daarbij mede op artikel 63 lid 3 (lees kennelijk: lid 4) Pw. Artikel 63 lid 4 Pw schrijft voor dat bij het opleggen van een tuchtstraf rekening wordt gehouden met de ernst van het plichtsverzuim waaraan de landsdienaar zich schuldig heeft gemaakt, de gevolgen van het plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan en het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van de landsdienaar, alsmede met diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden.
Het hof overweegt dat het aan [verzoekster] verleend ontslag ingevolge het bepaalde in artikel 69 lid 2 sub c Pw, te weten: onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, anders dan de beschikking vermeldt, geen opgelegde tuchtstraf wegens plichtsverzuim betreft, maar ontslag dat anders dan wegens plichtsverzuim aan een ambtenaar kan worden verleend. Zowel [verzoekster] als de Staat hebben dit over het hoofd gezien. Het voorgaande betekent dat [verzoekster], nu van een aan haar opgelegde tuchtstraf wegens plichtsverzuim geen sprake is, geen beroep op artikel 63 lid 4 Pw toekomt.
4.6 [verzoekster] beklaagt zich erover dat uit de beschikking niet blijkt dat het beginsel van hoor en wederhoor en het bepaalde in artikel 63 lid 2 Pw in acht zijn genomen.
Naar het oordeel van het hof staat een beroep op voormelde bepaling, welke voorschrijft dat een tuchtstraf niet wordt opgelegd alvorens de betrokken landsdienaar in de gelegenheid is gesteld zich ter zake mondeling of schriftelijk te verantwoorden, niet voor [verzoekster] open en wel op dezelfde grond als hierboven in 4.5.2 reeds is vermeld ten aanzien van artikel 64 lid 4 Pw. Dit neemt niet weg dat het beginsel van hoor en wederhoor in de visie van het hof ook in acht genomen dient te worden in geval van ontslag anders dan wegens plichtsverzuim zoals waarvan in casu sprake is. Vaststaat dat [verzoekster] ter zake van haar inverzekeringstelling in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren en dat zij zich ook schriftelijk heeft verweerd (zie hierboven in 2.3 en 2.4), zodat de Staat het beginsel van hoor en wederhoor wel in acht heeft genomen. Aan [verzoekster] moet wel worden toegegeven dat zulks niet uit de beschikking blijkt. De vraag is of deze omissie van de Staat de nietigheid van het ontslagbesluit tot gevolg heeft. Op deze vraag zal hieronder in 4.8 nader worden ingegaan.
Voor zover [verzoekster] meent dat zij zowel ter zake van haar aanhouding en inverzekeringstelling als het voorgenomen ontslag in de gelegenheid moest worden gesteld om verweer te voeren, gaat zij uit van een onjuist standpunt. Het hof overweegt daartoe dat dezelfde gedragingen van [verzoekster] die hebben geleid tot haar aanhouding en inverzekeringstelling, door de Staat, zij het op gebrekkige wijze, in de beschikking zijn genoemd als reden voor haar ontslag. Geen enkele wettelijke bepaling verplicht de Staat om [verzoekster] tweemaal, zoals door haar gesteld, in de gelegenheid te stellen verweer te voeren.
4.7 [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen gesteld twee maal voor hetzelfde feit te zijn gestraft. Naar hof begrijpt beklaagt [verzoekster] zich hiermee erover dat haar zowel een gevangenisstraf is opgelegd als ontslag uit staatsdienst is verleend. Het hof overweegt dat het één een strafrechtelijke sanctie betreft en het ander een administratiefrechtelijke, welke beide sancties naast elkaar mogen worden opgelegd.
4.8 [verzoekster] heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel, aangezien het door haar gepleegde feit, volgens haar, het ontslag niet rechtvaardigt. Ten aanzien hiervan wenst het hof aan [verzoekster] mee te geven dat zij, naar het oordeel van het hof, de ernst van de aan haar verweten gedragingen, te weten: zich schuldig te hebben gemaakt aan zware mishandeling waarvoor zij ook door de strafrechter is veroordeeld, zwaar miskent. Hoewel het hof van oordeel is dat de Staat enige nalatigheid kan worden verweten ter zake van de motivering van het ontslagbesluit, zoals onder meer hierboven in 4.5.2 en 4.6 is gebleken, kan dit, gelet op de ernst van voornoemde aan [verzoekster] verweten gedragingen die naar het oordeel van het hof het aan haar verleend ontslag wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid rechtvaardigt, niet leiden tot nietigheid van dit ontslag. [verzoekster] behoorde te weten, althans had zij kunnen weten dat zij op grond van bedoelde gedragingen niet gehandhaafd zou kunnen en moeten worden als beveiligings-ambtenaar. Daarbij komt nog dat [verzoekster], zoals ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen door haar erkend, buiten de dienst om bij haar werkzaamheden als beveiligingsmedewerkster en uitsmijter in een andere dienstbetrekking met een derde gebruik maakte van haar dienstwapen. Hoewel dit laatste niet aan het ontslag ten grondslag is gelegd, kan dit [verzoekster] ook zwaar worden aangerekend. Zij behoorde immers beter te weten.
4.9 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het ontslagbesluit in stand zal worden gehouden, zodat het gevorderde in 3.1 onder I zal worden afgewezen.
4.10 Aangezien het ontslagbesluit gehandhaafd zal blijven, zal het gevorderde in 3.1 onder II eveneens worden afgewezen.

5. De beslissing
Het hof:
5.1 Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. Drs. M.S.H. Boedhoe namens mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-32

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1069
03 april 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1] te [district 1],
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr.S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres 2] in het [district 2],
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 24 maart 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 maart 2020;
  • de conclusie van antwoord, met productie die per mail is ontvangen op 27 maart 2020 en achteraf in hard copy;
  • de conclusie van repliek die per mail is ontvangen op 30 maart 2020 en achteraf in hard copy;
  • de conclusie van dupliek die per mail is ontvangen op 31 maart 2020 en achteraf in hard copy.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 08 oktober 2018 heeft [gedaagde] een geldbedrag ad USD 710,- van [eiser] geleend. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] het bedrag op uiterlijk 08 november 2018 aan [eiser] zou betalen. [gedaagde] heeft een Mitsubishi pick-up, hierna aangeduid als het voertuig, als zekerheid tot terugbetaling van het hiervoor vermeld bedrag aan [eiser] gegeven.
2.2 [eiser] heeft het voertuig op 07 december 2018 aan een derde verkocht. [gedaagde] heeft een kort gedingzaak, die tussen partijen bekend staat onder
A.R. No. 19-1107, tegen [eiser] ingediend om het voertuig terug te krijgen.
2.3 Op 30 januari 2020 heeft de kantonrechter in kort geding in de hiervoor vermelde zaak tussen partijen vonnis gewezen, hierna gemakshalve aangeduid als het vonnis. De kantonrechter heeft in het vonnis, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt beslist:
“ 4.1 Veroordeelt gedaagde (lees [eiser]) om binnen een week na betekening van dit vonnis het in het verzoekschrift omschreven voertuig aan eiser (lees [gedaagde]) af te geven dan wel over te geven al dan niet tegen ontvangst van het bedrag ad USD 710,- (…).
4.2 Veroordeelt gedaagde (lees [eiser]) tot het betalen van een dwangsom ad SRD 30.000,- (…) per dag voor elke dag dat gedaagde (lees [eiser]) in strijd handelt met dit vonnis.
4.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
(…) “
2.4 [gedaagde] heeft het vonnis bij exploot van een deurwaarder d.d. 16 maart 2020, no. 202, aan [eiser] doen betekenen, met het bevel om binnen een week uitvoering te geven aan de veroordeling.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
I) te schorsen danwel op te schorten de door [gedaagde] middels betekening van het vonnis bij exploot van deurwaarder R. Sontono van 16 maart 2020 no. 202 aangevangen executie van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 30 januari 2020 onder het AR.no. 19-1107 tussen partijen gewezen, totdat in het daartegen door [eiser] ingesteld hoger beroep door het Hof van Justitie zal zijn beslist;
II) [gedaagde] te veroordelen het onder I gevorderde te gehengen en te gedogen op straffe van een direct opvorderbare dwangsom van SRD 30.000,- per dag voor iedere dag of keer dat [gedaagde] weigert aan dit vonnis te voldoen.
3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de door [gedaagde] aangevangen executie onrechtmatig is en [gedaagde] misbruik maakt van zijn executierecht. Daartoe stelt [eiser], tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:
– hij verkeert in de onmogelijkheid om uitvoering aan het vonnis te geven, omdat hij het voertuig reeds aan een derde heeft verkocht en deze derde op zijn beurt het voertuig heeft doorverkocht aan een andere derde.
3.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang van [eiser] blijkt genoegzaam uit het door hem gestelde. Om die reden wordt hij in het kort geding ontvangen.
Buiten staat zijn tot uitvoering vonnis grond tot schorsing ten uitvoerlegging?
4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of het in de onmogelijkheid verkeren tot het tenuitvoer leggen van een vonnis grond oplevert voor de schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [eiser] dat hij zich erop beroept dat hij buiten staat is om aan de tegen hem uitgesproken veroordeling te voldoen en vordert hij om die reden – bij wege van voorlopige voorziening -schorsing van de reeds door [gedaagde] aangevangen executie van het vonnis. Indirect beoogt [eiser] met de onderhavige gevorderde voorziening dus niets anders dan te voorkomen dat de dwangsommen waartoe hij is veroordeeld worden verbeurd. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter levert het beroep van [eiser] op het in de onmogelijkheid verkeren tot de uitvoerlegging van het vonnis geen grond op tot het door hem gevorderde. Dit, omdat het – zoals [gedaagde] terecht opwerpt – niet valt onder de criteria tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat uitgangspunt bij vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van vonnissen is, de in HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 ter zake ontwikkelde criteria. Blijkens dit arrest is schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld slechts mogelijk indien tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal onder meer aan de orde kunnen zijn indien de executant, mede gelet op de – voor haar kenbare – belangen van de veroordeelde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd.
Geen van de hiervoor gestelde criteria zijn door [eiser] gesteld noch aannemelijk gemaakt, zodat er geen grond is om de gevorderde voorzieningen toe te wijzen.
Artikel 492 lid 2 juncto artikel 491 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna afgekort Rv)
4.3 De kantonrechter begrijpt uit het betoog van [eiser] dat hij – vanwege het feit dat hij in de onmogelijkheid verkeerd om aan de veroordeling te voldoen –de aan hem opgelegde dwangsommen als onrechtvaardig ervaart, doch kan hij zoals de kantonrechter reeds hiervoor onder 4.2 heeft overwogen niet op grond hiervan schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis vorderen. Wat [eiser] wel zou kunnen vorderen is in artikel 492 lid 2 juncto artikel 491 lid 1 Rv neergelegd. Dit artikel geeft aan de schuldenaar (in casu [eiser]), die volgens zijn stelling buiten staat is aan de tegen hem uitgesproken veroordeling te voldoen, de bevoegdheid om op grond daarvan in kort geding te vorderen, dat de dwangsom niet of niet verder ten uitvoer gelegd wordt.
Conclusie
4.4 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen, zullen de gevorderde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd.
De kantonrechter kan niet nalaten om partijen op het hart te drukken om, indien mogelijk, te streven naar een minnelijke regeling. Dit, om te voorkomen dat partijen op grond van de hiervoor onder 4.3 vermelde bepalingen over en weer blijven procederen.
Proceskosten
4.5 De kantonrechter acht het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Dit, vanwege het feit dat [eiser] wel een poging heeft gewaagd om een oplossing te bewerkstelligen middels het doen van een voorstel aan [gedaagde].

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.
5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag
03 april 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-31

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1492
03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

ROYAL, RENTAL COMMEWIJNE,
wonende in het district Commewijne,
eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie, hierna aangeduid met “RRC”,
gemachtigde: de heer J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname,

tegen

[gedaagde],
wonende in het [district],
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie, hierna aangeduid met “[gedaagde]”,
gemachtigde: mr. N.F.Y. Steglich-Salarbaks, advocaat.

1. Het verloop van het geding in conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 02 mei 2018 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.
2.1. In het jaar 2016 zijn RRC en [gedaagde] een overeenkomst met elkaar aangegaan waarbij RRC aan [gedaagde] heeft verhuurd het zakenpand staande en gelegen aan het [adres] in het [district] voor een bedrag ad US $ 250,– per maand;
2.2 De maandelijkse huurpenningen zijn niet of niet afdoende voldaan.
2.3. RRC heeft [gedaagde] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling en tot ontruiming van het zakenpand;
2.4. [gedaagde] heeft geen betalingen verricht;
2.5. Bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, is ten verzoeke van RRC conservatoir beslag gelegd op de in het request vermelde roerende goederen toebehorende aan [gedaagde]. Voormelde roerende goederen zijn uit de macht van [gedaagde] gehaald en onder de heer [naam 1] geplaatst, die is aangesteld tot gerechtelijke bewaarder.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie
3.1. RRC vordert vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
a. de tussen partijen bestaande overeenkomst te ontbinden of voor ontbonden te verklaren;
b. [gedaagde] te veroordelen het omschreven zakenpand te ontruimen en RRC te machtigen om zulks zelf te bewerkstelligen, desnoods met de Sterke Arm, indien [gedaagde] in gebreke mocht blijven bedoeld zakenpand te ontruimen;
c. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan RRC te betalen de huur van US $ 250,– vanaf 21 september 2016 tot aan de dag der ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
d. de vanwaardeverklaring van het ten deze gelegde beslag;
e. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad SRD 1.500,–.
3.2. Als grondslag voor het gevorderde stelt RRC dat [gedaagde] grove wanprestatie pleegt.
3.3. Als meest verstrekkend formeel verweer stelt [gedaagde] dat RRC ‘personam standi in judicio’ ontbeert, aangezien RRC geen rechtspersoon is en geen rechtssubject zijnde, de bevoegdheid mist om als partij in een burgerlijk geding op te treden. [gedaagde] stelt dat RRC niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de gevraagde voorzieningen tegen hem.
3.4. Op verdere stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover van belang, nader ingaan.

In reconventie
3.5. [gedaagde] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de onmiddellijke opheffing te bevelen van het conservatoir beslag, gelegd bij exploit no. 400 d.d.25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, op de in het beslag genoemde roerende goederen;
B. RRC te bevelen om binnen 24 uur, of binnen een in goede justitie te bepalen termijn, na het ten deze gewezen vonnis, aan [gedaagde] af te geven, de roerende goederen die bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, in conservatoir beslag zijn genomen, zijn gesekwestreerd en onder de gerechtelijke bewaarder [naam 1] zijn geplaatst;
C. onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,– voor iedere dag dat RRC de afgifte van de in het exploit vermelde roerende goederen weigert.
3.6. [gedaagde] voert als grondslag voor het gevorderde aan dat RRC onrechtmatig conservatoir beslag heeft doen leggen op de omschreven roerende goederen en deze uit de macht van [gedaagde] heeft doen halen.
3.7. Op verdere stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover van belang voor het geding, nader ingaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie
In conventie
‘personam standi in judicio’
4.1. Uit de overgelegde schrifturen (conclusies en producties), maakt de kantonrechter op dat RRC op 20 juni 2005 ingeschreven stond onder dossiernummer 42248 in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Het bedrijf werd vanaf 01 januari 2005 uitgeoefend. De zaak stond aanvankelijk ingeschreven onder de naam [naam 2] en bij opgaaf d.d. 16 december werd de naam per dezelfde datum gewijzigd in Royal Rental Commewijne. Bij opgaaf d.d. 08 juni 2018 is de zaak per dezelfde datum opgeheven. Eigenaar was de heer [naam 2].
Uit het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de heer [naam 2] onder de naam RRC in het Handelsregister geregistreerd stond en aldus als eenmansbedrijf handelsactiviteiten verrichtte, zijnde het verhuren van onroerende goederen en roerende goederen w.o. bussen, trucks, pick ups en ander zwaar materieel, hetgeen blijkt uit het uittreksel uit het Handelsregister. Geconcludeerd moet worden dat RRC de handelsnaam is van het rechtssubject [naam 2] en geen rechtspersoon. RRC is dus geen drager van rechten en plichten. RRC is derhalve niet rechtsbevoegd om als partij op te reden in dit geding. RRC zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in de ingestelde vordering.
4.2. RRC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, zoals bepaald in de beslissing.

In reconventie
4.3. Nu in conventie is komen vast te staan RRC geen rechtssubject is en dus niet bevoegd is geweest tot het leggen van conservatoir beslag op de roerende goederen van [gedaagde], zal het verzoek van [gedaagde] tot opheffing van het gelegde conservatoir beslag en de teruggave van bedoelde roerende goederen, worden toegewezen.
RRC zal worden bevolen om binnen (1) ÉÉN WEEK na betekening van het vonnis, alle roerende goederen vermeld in het exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, aan [gedaagde] terug te geven.
4.4. De door [gedaagde] gevorderde dwangsom van SRD 5.000,– voor iedere dag dat RRC weigert de roerende goederen af te geven, zal door de kantonrechter worden gemaximeerd tot SRD 100.000,–.

5. De beslissing
In conventie:
De kantonrechter:
5.1 verklaart RRC niet-ontvankelijk;
5.2 veroordeelt RRC in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

In reconventie:
5.3. gelast de onmiddellijke opheffing van het conservatoir beslag gelegd bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, op de hierna in 5.4. vermelde roerende goederen;
5.4. beveelt RRC om binnen ÉÉN WEEK na de betekening van het vonnis terug te geven aan [gedaagde], de hierna vermelde roerende goederen die bij exploit no. 400 d.d. 25 april 2018 van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, in conservatoir beslag zijn genomen en uit de macht van [gedaagde] zijn gehaald:
– twee onafgemaakte poolbiljart tafel met bladen;
– een boormachine Minfian mt. 1500;
– een schuurmachine Makita 9404;
– een figuurzaag Makita 4329;
– een cirkelzaag Skilsaw 5380;
– twee bankschroeven;
– een wasmachine van het merk Axxel;
– een “Haspel” verlengsnoer;
– diverse gereedschappen (2 hamers, 1 handzaag, 1 plyer, 1 verstelbare sleutel, 1 plamuurmes, 1 knijptang, 5 schroevendraaiers, 1 grip tang, 1 winkelhaak, 2 duimstokken, 2 spanna 17”, 2 handklemmen, een tas met boren);
– een klomboor maetrone Sunrico SC16N;
– delen van vietjebord;
– partij hout Basralocus (34 stuks a 7.5 m: 1’6);
– partij hout Basralocus (42 stuks a 1.5 m: 1’10);
– een lengte hout 1’6 = 1.5 meter;
5.5. het onder 5.4. gestelde wordt bevolen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,– (vijfduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat gedaagde de afgifte van voormelde roerende goederen weigert.
5.6. bepaalt evenwel dat het totaal bedrag van de dwangsom wordt gemaximeerd en het bedrag ad SRD 100.000,– niet te boven zal gaan.
5.7. verklaart hetgeen onder 5.3. tot en met 5.5. is beslist uitvoerbaar bij voorraad;
5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.
5.9. veroordeelt RRC in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 03 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU–2019-5

RECHTER-COMMISSARIS BELAST MET DE BEHANDELING VAN STRAFZAKEN BIJ DE KANTONGERECHTEN

Gezien het verzoek tot invrijheidstelling ingediend op 19 februari 2019, door
mr.F.F.P. Truideman, raadsman van verzoeker/ verdachte:[verzoeker/verdachte];

Gezien de stukken, waaronder:

  • het bevel tot inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat verzoeker/ verdachte voornoemd op 17 januari 2019 in verzekering is gesteld op verdenking van het begaan van de misdrijven vastgelegd in de artikelen 188 van het Wetboek van Strafrecht, art. 3 lid 1a en B Sub A, B en C jo art. 11 jo art. 12 Wet Verdovende Middelen;
  • het bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling d.d. 22 januari 2019 en ingaande op 24 januari 2019;
  • de beschikking van de rechter-commissaris, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, gegeven d.d. 18 februari 2019, waarbij de bewaring van de verzoeker/ verdachte voornoemd is bevolen per ingaande 23 februari 2019;
  • het proces-verbaal betreffende de behandeling van de opening van het GVO en de behandeling van de vordering inbewaringstelling d. 14 februari 2019;

Gehoord de verzoeker/ verdachte voornoemd, die heeft verklaard gelijk gerelateerd staat in de daartoe opgemaakte verklaring, waarvan een afschrift aangehecht is aan deze beschikking;

Gehoord de raadsman mr. F.F.P. Truideman;

Gehoord de vervolgingsambtenaar, mr. R.Elgin;

Ontvankelijkheid van verzoeker/ verdachte:
De vervolgingsambtenaar heeft aangevoerd dat, op de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris is beslist dat de vrijheidsbeneming moet voortduren in verband met het GVO.Aangezien de rechtelijke toetsing van de vrijheidsbeneming reeds heeft plaatsgevonden moet verzoeker naar de mening van de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard in diens verzoek tot invrijheidstelling.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat:

  • verzoeker / verdachte thans verlengd in verzekering is gesteld;
  • de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte per ingaande 23 februari 2019 een aanvang zal hebben;
    Om die redenen staat naar de mening van de raadsman voor verzoeker/ verdachte op grond van art. 54a Sv de mogelijkheid open om in deze periode van de verlenging van de inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling te verzoeken.

Vaststaande feiten

  • op 6 februari 2019 is de inbewaringstelling van verzoeker/ verdachte door de vervolgingsambtenaar gevorderd;
  • op 14 februari 2019 is verzoeker/ verdachte geleid voor de rechter-commissaris in verband met de opening van het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO);
  • de vordering tot inbewaringstelling is vervolgens in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld;
  • verzoeker/verdachte is in het kader van de gevorderde bewaring met bijstand van zijn raadslieden Bsc. I.D. Kanhai, mrs. F.F.P. Truideman en C. Rambaros gehoord;
  • bij beschikking d.d. 18 februari 2019 is ten aanzien van verzoeker/verdachte het bevel bewaring voor de tijd van dertig dagen per ingaande 23 februari 2019 gegeven.

De beoordeling
Aan de orde is de vraag of verzoeker/verdachte onder de boven aangehaalde omstandigheden om zijn invrijheidstelling kan vragen op grond van art. 54a Sv?

  1. De wetstekst van artikel 54a lid 1 Sv luidt- voorzover van belang- : “uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter- commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken.”Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie ( HvJ 29 september 2009 inz Bharos S. en HvJ 4 december 2009 inz. Koendjbiharie L.) moet de mogelijkheid voor de verdachte openstaan om ook in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 54a Sv.
  2. 54a Sv waarborgt het recht van de verdachte om gedurende de verlenging van de inverzekeringstelling eenmaal een beroep te doen op rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming. Derhalve is het begrijpelijk dat die verzochte rechtelijke toetsing alleen kan plaatsvinden voordat een rechtelijke toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de bewaring van en/ of het GVO tegen een verdachte.
  3. In het onderhavige is de vordering tot inbewaringstelling in aansluiting op de opening van het GVO door de rechter-commissaris behandeld en kon daarbij over de noodzaak van voorlopige hechtenis worden geoordeeld omdat, aanstonds duidelijk was dat:
  • de vrijheidsbeneming moest voortduren in verband met het GVO;
  • het ook uit oogpunt van doelmatigheid gewenst was de vordering zoveel mogelijk simultaan met de opening van het GVO te behandelen;
    Met deze aanpak is tevens voorkomen dat de verzoeker/verdachte binnen een periode van enkele dagen tweemaal voor de rechter-commissaris moest worden geleid: eerst in verband met de opening van het GVO, en vervolgens opnieuw in verband met de behandeling van de vordering inbewaringstelling.
  1. De rechtelijke toetsing van verzoeker/ verdachte zijn vrijheidsbeneming in het kader van het GVO en de gevorderde bewaring hebben plaatsgevonden op 14 februari 2019. Hierna deed de verzoeker/ verdachte op 19 februari 2019 op grond van art. 54a Sv een verzoek tot rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming.
  2. Blijkens de strekking en het systeem van de betrekkelijke bepaling heeft de wetgever niet de bedoeling dat de verdachte in verband met de rechtelijke toetsing van zijn vrijheidsbeneming binnen de periode van de (verlengde) inverzekeringstelling tweemaal voor de rechter-commissaris kan worden geleid.

    Nu, vaststaat dat de rechtelijke toetsing van verzoeker/verdachte zijn verdere vrijheidsbeneming met het oog op het GVO en de gevorderde bewaring reeds heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019, moet onderhavig verzoek beschouwd worden als één die buiten de sfeer van artikel 54a lid 1 Sv valt en daardoor niet op de wet gestoeld is; dit verzoek zal daarom ook niet- ontvankelijk verklaard moeten worden.

BESCHIKKENDE:
Verklaart verzoeker/verdachte niet- ontvankelijk in zijn verzoek tot invrijheidstelling.

Aldus gegeven te Paramaribo op 26 februari 2019 door mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Rechter-Commissaris, in tegenwoordigheid van de Griffier mr. S.MULLER-BIEKMAN.

De Griffier,
De Rechter-Commissaris,

mr.S.MULLER-BIEKMANmr. D.G.W. KARAMAT ALI

SRU-HvJ-2019-43

A-867

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie casu quo de Minister van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 58 Wet Rechtspositie Militairen jo artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 24 september 2014, ter griffie ontvangen op 24 september 2014, met producties;
  • het verzoek zijdens de Staat tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 03 november 2014;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 05 november 2014, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 05 november 2014 met zes weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 15 december 2014, ingediend ter griffie d.d. 16 december 2014;
  • de beschikking van Hof van Justitie d.d. 23 februari 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 maart 2015;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 20 maart 2015,met producties;
  • de overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 15 mei 2015;
  • de pleitnota en uitlating overgelegde stukken zijdens [verzoeker] d.d. 19 juni 2015;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 06 november 2015 doch nader op heden.

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is sinds augustus 1991 in dienst getreden van de Staat, met name het Ministerie van Defensie, als beroepsmilitair met [registratienummer].

2.2 Op 19 augustus 2014 is middels een schrijven aan [verzoeker], voor zover van belang, het volgende medegedeeld:

Op grond van het bovenstaande heeft de minister van Defensie het besluit genomen u ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen, ontslag uit militaire dienst te verlenen .
Het een en ander zal middels een beschikking van de minister worden geformaliseerd”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, na akte van rectificatie c.q. vermindering van eis, zakelijk weergegeven het navolgende:

a. het besluit tot het verlenen van ontslag d.d. 19 augustus 2014 met het [kenmerk] nietig te verklaren en hem te rehabiliteren in de rang waarin hij diende; voorts de Staat te veroordelen tot uitbetaling van het salaris vanaf februari 2015 althans vanaf wanneer is komen vast te staan dat hij geen salaris meer heeft ontvangen, tot op heden met eventuele periodieke verhogingen en emolumenten;

b. de Staat te veroordelen tot het toekennen van een ambtshalve te bepalen schadevergoeding;

c. [verzoeker] in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid als vóór de gewraakte beschikking

op de normale wijze te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;

d. de Staat te veroordelen om het vonnis binnen 1 week na betekening of een door het hof gestelde termijn, uit te voeren onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,= of een door het hof vastgestelde dwangsom voor iedere dag waarop de Staat in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis;

d. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd: dat het ontslag niet conform een besluit van de minister is genomen maar via de waarnemend onderdirecteur Personeel & Algemeen is doorgegeven. Derhalve is hij rechtens niet ontslagen uit staatsdienst. Verder is het ontslag niet bij beschikking geformaliseerd waardoor de Staat heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel. In artikel 34 van de Wet Rechtspositie Militairen staat limitatief aangegeven wie de bevoegdheid heeft tot het verlenen van ontslag van een beroepsmilitair. Tevens is het hoorbeginsel geschonden daar [verzoeker] niet is gehoord terzake het ontslag.

3.3 De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in het hierna volgende ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Bij pleitnota d.d. 19 juni 2015 heeft [verzoeker] middels een incident, een vermindering van eis gevorderd.
Het hof overweegt dat hiermede de Staat niet in haar verweer wordt geschaad aangezien na verhoor van partijen duidelijk is geworden dat [verzoeker] gedurende het proces salaris met terugwerkende kracht heeft ontvangen over de periode augustus 2015 (het hof begrijpt ”augustus 2014”) tot en met januari 2015, weshalve de wijziging van eis zal worden toegewezen.

4.2 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer (zie verweerschrift d.d. 15 december 2014) aangevoerd dat [verzoeker] niet is ontslagen maar dat er slechts een voornemen tot dat besluit is genomen en bij het schrijven van 19 augustus 2014 aan [verzoeker] is medegedeeld. Dergelijk ontslag geschiedt middels een resolutie of beschikking, hetgeen in casu niet het geval is geweest. Er is slechts een brief waarbij het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt. Dit valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet inzake vernietigbare besluiten.

4.3 [verzoeker] heeft daartegen aangevoerd dat hij gerechtvaardigd ervan uit mocht gaan dat hij was ontslagen omdat zijn salarisstorting (hetgeen gebruikelijk via de bank geschiedt) per augustus 2014 was stopgezet. Pas in februari 2015 heeft hij de gelden met terugwerkende kracht ontvangen tot februari 2015, en wel per kas.

4.4 Het hof overweegt dat het schrijven van de Staat inzake het besluit van ontslagaanzegging aan [verzoeker], dateert van 19 augustus 2014 hetwelk op 25 augustus 2014 door [verzoeker] is ontvangen. Met de Staat is het hof van oordeel dat de Minister van Defensie ingevolge de Personeelswet het bevoegd gezag is tot het nemen van een besluit terzake een eventueel ontslag van [verzoeker]. Echter was het voorgenomen besluit van de minister ten tijde van 19 augustus 2014 niet geformaliseerd middels een beschikking dan wel een resolutie. Dit is pas bij beschikking d.d. 03 februari 2015 geschied.

4.5 De vordering van [verzoeker] betreft nietigverklaring van het besluit van 19 augustus 2014 hetwelk toentertijd nog niet geformaliseerd was. Derhalve valt dit besluit niet binnen de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2 onder e van de Personeelswet en concludeert het Hof dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering. Daarenboven kan het schrijven van 19 augustus 2014 in de visie van het Hof niet worden gekwalificeerd als een besluit in de zin der wet maar gelet op de inhoud daarvan kan het eerder worden gekwalificeerd als een mededeling van het genomen besluit van de desbetreffende minister om tot ontslagverlening aan [verzoeker] over te gaan.

4.6 Gelet op al het voorgaande zal het Hof zich onbevoegd verklaren om van de ingestelde vordering kennis te nemen.

5. De beslissing

Het Hof:

Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de ingestelde vordering.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Jhinkoe namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-42

A-866

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Gravenbeek, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 23 september 2011;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 27 oktober 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 05 november 2014, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 05 november 2014 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 11 december 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 02 januari 2015, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 17 december 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 23 februari 2015, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 20 maart 2015;
  • het proces-verbaal van het op 20 maart 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging stukken zijdens de Staat de dato 05 juni 2015;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] de dato 19 juni 2015;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 06 november 2015 doch nader op heden.

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Bij resolutie d.d. 12 april 2000 is [verzoeker] overgeplaatst naar de afdeling Inspectie Voortgezet Onderwijs op Seniorenniveau en belast met de leiding van deze afdeling met behoud van zijn bezoldiging, de daarbij behorende toelage en tegemoetkoming en een vergoeding voor meer en verantwoordelijk werk van 10% van zijn bezoldiging;

2.2 Bij schrijven d.d. 25 april 2012 heeft de toenmalige Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, mr. R. Sapoen, gevraagd om het daarheen te leiden dat [verzoek0r] wordt ingeschaald als een V.O.S. -Directeur en wel in functiegroep 10/schaal 10 C/periodiek 10 en wel vanaf 01 januari 2008;

2.3 Bij schrijven d.d. 14 februari 2013 van het Kabinet van de President no. 397/G.A., gericht aan de toenmalige Vice-President is aan deze gevraagd de rechtspositie van [verzoeker] in orde te maken;

2.4 [verzoeker] is per 1 juli 2013 met vervroegd pensioen gegaan en zijn rechtspositie is nog steeds niet geregeld;

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:

Primair:

A. de Staat zal worden veroordeeld om hem in te schalen als een V.O.S. -Directeur en wel in de functiegroep 10/schaal 10C/ periodiek 10 en wel vanaf 1 januari 2008;

B. de Staat zal worden veroordeeld om aan hem te betalen het achterstallig loon als ingedeeld V.O.S. -Directeur in de functiegroep 10/ schaal 10C/ periodiek 10 en wel vanaf 01 januari 2008, zulks met alle daarbij behorende emolumenten en opslagen tot en met zijn pensioen;

C. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Subsidiair:

  1. de Staat zal worden veroordeeld om hem conform de regelingen van Fiso (resolutie van 24 mei 2010, No. 10.525/10) in te schalen in ambtelijk functiegroep 11A, periodiek 12 en wel vanaf 01januari 2008;

  2. de Staat zal worden veroordeeld om aan hem te betalen het achterstallig loon als ambtenaar ingedeeld in functiegroep 11A, periodiek 12 en wel vanaf 01 januari 2008, zulks met alle daarbij behorende emolumenten en opslagen tot en met zijn pensioen;

  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De Staat maakt geen aanstalten om zijn rechtspositie te herzien en te corrigeren ondanks herhaaldelijk verzoek zijdens [verzoeker]. Hij heeft geen loon gekregen overeenkomstig verrichte arbeid waardoor hem thans geen correct pensioen wordt uitbetaald. [verzoeker] heeft namelijk altijd minder loon dan dat waar hij recht op heeft gehad ontvangen, omdat de Staat [verzoeker] zijn rechtspositie alsmaar niet heeft kunnen vaststellen. [verzoeker] heeft bij deurwaardersexploit no. 399 de dato 09 juni 2014 afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, de heer Bhoelan, Radjinderkoemar de Staat verzocht om zijn rechtspositie vast te stellen, doch is zulks niet gebeurd;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd en heeft een conclusie tot overlegging stukken genomen. In de conclusie tot overleggingstukken heeft de Staat als verweer aangevoerd – kort gezegd – dat [verzoeker] niet ­ ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat deze niet valt binnen de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW). Het hof komt -voor zover nodig ­ daarop terug in de beoordeling;

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft dat betrekking heeft op een besluit ten aanzien van het genoten ambtelijk salaris van [verzoeker]. Hetgeen de Staat heeft aangevoerd in dit kader haalt het derhalve niet in rechte en wordt verworpen;

Ontvankeliikheid

4.2 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn vordering, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering;

4.3 Waar gaat het in dit geding om ? [verzoeker] vindt dat hij bij zijn overplaatsing naar de afdeling Inspectie Voortgezet Onderwijs op Seniorenniveau niet correct is ingeschaald. Inmiddels is hij met pensioen en wenst de correcties alsnog gerealiseerd te zien. Daartoe heeft hij onderliggende documenten in het geding gebracht. Blijkens deze onderliggende documenten heeft [verzoeker] zich binnen de administratie schriftelijk beklaagd bij de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, welk schrijven gedateerd 06 juni 2014 bij deurwaardersexploot d.d. 09 juni 2014 aan de secretaresse van voornoemde functionaris is betekend. Op dit schrijven is er geen reactie van voornoemde functionaris gevolgd. Vervolgens heeft [verzoeker] op 23 september 2014 onderhavig verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie ingediend.

4.4. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. De werkarm van de Raad van Ministers, te weten de Onderraad Personele Aangelegenheden, heeft de reeds opgemaakte mutatie om [verzoeker] te benoemen in de functie van V.O.S. -Direkteur belast met de leiding van de afdeling Inspectie V.O.S., negatief beoordeeld. De Onderraad is van mening dat [verzoeker] niet volgens de voorschriften vier jaar lang als onderdirekteur in de leiding van een V.O.S.- school had gezeten en huldigt voorts de opvatting dat de functies van leidinggevende van de afdeling Inspectie V.O.S. en V.O.S. -Direkteur niet verenigbaar zijn;

4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] al dan niet aan de vereisten heeft voldaan om tot V.O.S. -Directeur benoemd te worden. De benoeming zou dan kennelijk alleen formeel zijn want hij zou feitelijk worden belast met de leiding van de afdeling Inspectie V.O.S. en niet met de leiding als directeur van een V.O.S. –school. De Staat heeft een document in het geding gebracht ter adstructie van het feit dat [verzoeker] niet aan de benoembaarheidsvereisten voor de functie van Directeur V.O.S. voldeed, met name het vereiste betreffende de ervaring, te weten het enkele jaren hebben gediend in de directie van de school als onderdirecteur (minimaal 4 jaar ervaring strekt tot aanbeveling). Het voorgaande is inderdaad niet gebleken bij de behandeling van deze zaak. Immers bekleedde [verzoeker] vóór zijn overplaatsing de functie van onderwijs-consulent op de afdeling Begeleiding van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] minimaal vier jaar heeft gediend als Onderdirecteur van een school op V.O.S.niveau. [verzoeker] beroept zich voorts op de inhoud van het schrijven de dato 25 april 2012 afkomstig van de toenmalige Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling en gericht aan de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken alsmede op de inhoud van het schrijven de dato 14 februari 2013 afkomstig van de Directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de President en gericht aan de Vice­President van de Republiek Suriname. In de visie van het hof hebben deze stukken interne werking en kan [verzoeker] daar geen aanspraken aan ontlenen;

4.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat de vordering van [verzoeker] voor afwijzing in aanmerking komt;

4.7. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing

Het hof:

Wijst af het gevorderde;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 01 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A.J.S. Toekoen namens mr. R.M.C. Denz, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Jhinkoe namens mr. R. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld