SRU–2019-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE

no. 19/24

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe en mr. H.S. Monorath, advocaten,

tegen

[verweerster],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerster,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 26 april 2019 een klacht met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft de klacht op 24 juni 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het tuchtcollege van vrijdag 12 juli 2019.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt. Op voormelde datum is tevens is gehoord de getuige [naam]

2. De feiten
2.1 Klager is ondernemer en doet met verschillende grote bedrijven zaken.

2.2 Op advies van [naam] (hierna [getuige]) waarmee klager goed bevriend is, heeft klager verweerster benaderd voor juridische bijstand, in een procedure tot opheffing van een conservatoir derdenbeslag bij het gerecht.

2.3 Op 20 februari 2019 heeft klager een bedrag van SRD5.000,= betaald aan verweerster terzake de door verweerster ten behoeve van klager te verrichten diensten. Klager heeft van deze betaling geen kwitantie ontvangen van verweerster.

2.4 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 7 maart 2019 bekend onder [nummer} is het beslag opgeheven. Na de uitspraak heeft klager zich met [getuige] begeven naar het kantoor van verweerster. Uit ontevredenheid heeft klager het kantoor van verweerster verlaten, [getuige] ter plekke achterlatend. [getuige] heeft op die dag op eigen risico (dus zonder afstemming met klager) besloten een bedrag van SRD50.000,= aan verweerster te betalen terzake de door haar verrichte juridische werkzaamheden ten behoeve van klager. [getuige] heeft geen kwitantie van deze betaling ontvangen.

2.5 Op 13 maart 2019 werd wederom derdenbeslag gelegd ten laste van klager. Klager heeft de bescheiden ter zake dit beslag ter hand gesteld aan [getuige], die zonder goedkeuring van klager deze bescheiden heeft gebracht naar verweerster voor advies.
Verweerster heeft daarbij aangegeven, dat eerst het saldobedrag in de zaak bekend onder [nummer],moest worden voldaan. [getuige] heeft hierop wederom op eigen risico een bedrag van US$30.000,= van klager’s rekening doen overmaken naar een rekening van [bedrijf] bij de [bank] ten behoeve van verweerster.

2.6 Nadat klager hiervan op de hoogte werd gesteld door [getuige] heeft hij de overmaking ten behoeve van verweerster, gecanceld.

2.7 Verweerster heeft hierna, conservatoir derden beslag doen leggen op alle tegoeden van klager bij derden-bedrijven met wie klager zaken doet.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).
Klager stelt daartoe dat hij met verweerster een honorarium van SRD5.000,= was overeengekomen. Toen hij zich na de uitspraak met [getuige] begaf naar het kantoor van verweerster, kreeg hij aldaar van laatstgenoemde te horen dat hij nog een saldo bedrag aan haar moest voldoen terzake haar honorarium. Het ging om een saldo van US$68.000,=, SRD443.000,= en €8.900,=. Hij verzette zich hiertegen omdat hij nimmer deze bedragen met verweerster was overeengekomen. Uit boosheid is hij weggelopen, [getuige] achterlatend met verweerster. Naderhand begreep hij van [getuige] dat die met verweerster heeft onderhandeld over het saldo honorarium waarbij deze is aangepast tot een bedrag van SRD60.000,= en US$30.000,=. Dit alles is gebeurd buiten zijn aanwezigheid en zonder zijn toestemming. Van [getuige] begreep hij dat die SRD50.000,= uit diens eigen middelen aan verweerster had betaald. Van deze betaling heeft [getuige] geen kwitantie ontvangen van verweerster. Ondanks het feit dat dit zonder zijn, klager’s, toestemming is gebeurd, heeft hij toch besloten het bedrag van SRD50.000,= terug te betalen aan [getuige].
Toen er wederom conservatoir derden beslag werd gelegd op zijn rekeningen, heeft hij de stukken terzake afgestaan aan [getuige]. Laatstgenoemde is zonder zijn medeweten en toestemming wederom naar verweerster geweest, die hem voorhield dat eerst het saldohonorarium van SRD10.000,= en US$30.000,= diende te worden betaald voordat zij aan die zaak zou werken. Om deze reden heeft [getuige] US$30.000,= van klager’s rekening doen overmaken op een rekening van [bedrijf] bij [bank] ten behoeve verweerster. Deze wijze van betaling is geschied op verzoek van verweerster. Volgens klager was hij het totaal niet eens met de betaling, en heeft hij daarom de overmaking ongedaan gemaakt. Als reactie hierop heeft verweerster conservatoir derden beslag gelegd op al zijn tegoeden bij derden. Deze derden zijn bedrijven waarmee klager jaren zaken doet. Het gevolg hiervan was dat zijn werkkapitaal in gedrang kwam en dat hij zijn leveranciers niet kon betalen. Volgens klager hebben enkele leveranciers om voormelde reden de samenwerking met hem stopgezet. Hij, klager, lijdt enorme schade door de handelingen van verweerster.

3.2 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager.

4.2 Verweerster voert zakelijk weergegeven het volgende verweer.

Zij heeft vanaf het moment dat klager en [getuige] haar hebben benaderd voor juridische bijstand bij de vordering tot opheffing van het beslag aan klager voorgehouden dat het honorarium bedraagt SRD60.000,= en US$30.000,=. Zij heeft klager ook voorgehouden dat hij vrij was om naar een andere advocaat te gaan indien hij zich niet kon terugvinden in het door haar gevraagde honorarium. Klager ging akkoord en gaf aan niet naar een andere advocaat te zullen gaan omdat hij het honorarium redelijk vond. Verweerster geeft toe tekort te zijn geschoten in het schriftelijk vastleggen van de overeenkomst. Zij heeft haar honorarium gekoppeld aan het belang.

4.3 Voorop gesteld wordt dat op de advocaten, en dus ook op verweerster, van toepassing is de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen).
Ingevolge de Ere-regelen is een der eerste verplichtingen van de advocaat, de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden. Een advocaat moet ervoor zorgen dat hij bij het aanvaarden van een opdracht duidelijke afspraken maakt over het verschuldigde honorarium. Verweerster erkent tekort te zijn geschoten in het vastleggen van de overeenkomst met klager, dus ook met betrekking tot het verschuldigde honorarium. Verweerster heeft dus onzorgvuldig gehandeld jegens klager.

4.4 Naar het oordeel van het tuchtcollege is het niet in rechte komen vast te staan dat verweerster afspraken had met betrekking tot een honorarium van en SRD5.000,= en SRD60.000,= en US$30.000,= – zoals zij heeft aangevoerd – met klager heeft gemaakt. Dit wordt immers niet alleen ontkend door klager, maar ook door [getuige] die steeds aanwezig was met klager ten tijde van gesprekken met verweerster. Aannemelijk is verder de stelling van klager, die ook wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] die ter zitting is gehoord als getuige, dat verweerster buiten zijn aanwezigheid, afspraken met [getuige] heeft gemaakt danwel heeft onderhandeld met [getuige] met betrekking tot het door klager verschuldigde honorarium.

Het vaststellen van een honorarium buiten aanwezigheid van klager en klager ook nog eraan houden om dit te voldoen, is naar het oordeel van het tuchtcollege in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Daar komt ook nog bij dat verweerster tot twee keren toe heeft nagelaten om kwitanties uit te schrijven van de door haar ontvangen bedragen groot SRD5.000,= en SRD50.000,= welke bedragen respectievelijk betaald zijn door klager en [getuige]. Aan het voorgaande doet niet af het verweer van verweerster dat klager de kwitantie in alle haast niet heeft meegenomen, hetgeen overigens wordt ontkend door klager. Immers is niet gesteld of gebleken dat verweerster op enig moment klager op de hoogte heeft gesteld dat hij zijn kwitantie(s) moet ophalen.

Het tuchtcollege neemt verder ook mee dat verweerster conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen ten laste van klager waardoor klager niet over zijn financiën kan beschikken met als gevolg dat leveranciers de samenwerking met klager hebben stopgezet, en klager grote schade lijdt. Vanwege de werkzaamheden die verweerster heeft verricht ten behoeve van klager, had verweerster gevoelige informatie van het [bedrijf] van klager en wist zij hoe belangrijk het was dat hij over zijn financiële middelen kon beschikken voor de voortzetting van zijn [bedrijf]. Verweerster heeft deze informatie gebruikt door derden beslag te leggen ten laste van klager en ten behoeve van haarzelf, wetende dat er een verschil van mening was tussen klager en haar over de hoogte van het honorarium. Het betaamt een behoorlijke advocaat niet om ten behoeve van zichzelf of van enige derde gebruik te maken van de gegevens of inlichtingen, welke hem in zijn verhouding tot zijn cliënt bekend zijn geworden. Dit handelen van verweerster is in strijd met hoofdstuk IV onder 8 van de Ere-regelen.

4.5 Ten aanzien van de hoogte van het door verweerster opgegeven honorarium overweegt het tuchtcollege als volgt. Zoals eerder overwogen betrof de vordering waarin verweerster juridische bijstand verleende aan klager, de opheffing van een conservatoir derden beslag. Naar het tuchtcollege begrijpt beroept klager zich erop dat initieel een honorarium van SRD5.000,= was overeengekomen met verweerster doch na de uitspraak heeft verweerster aangegeven dat het saldo honorarium bedroeg US$68.000,=, SRD443.000,= en €8.900,=. Verweerster daarentegen heeft aangevoerd dat zij reeds vanaf de aanvang heeft afgesproken dat haar honorarium bedraagt SRD60.000,= en US$30.000,=.
Het tuchtcollege laat in midden of de door klager genoemde bedragen wel of niet door verweerster zijn opgegeven. Het tuchtcollege is echter van oordeel dat ook de door verweerster genoemde bedragen voor het honorarium onredelijk zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. In casu betrof het de opheffing van een door de echtgenote van klager, die met klager verwikkeld was in een echtscheidingsproces, gelegde conservatoir beslag. Verweerster heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak het door haar verlangde honorarium rechtvaardigde.
Ingevolge hoofdstuk IV onder 11a van de Ere-regelen, dient de declaratie redelijk te zijn, in aanmerking genomen de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. Het verweer van verweerster dat zij haar honorarium heeft gekoppeld aan het belang in de zaak is dus in strijd met het hiervoor omschreven artikel van de Ere-regelen.

4.6 Op grond van al het voorgaande acht het tuchtcollege de klacht dan ook gegrond. Het tuchtcollege acht de handelingen van verweerster zo ernstig dat niet met een andere maatregel kan worden volstaan dan een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van haar praktijk voor de duur van 3 maanden. Het tuchtcollege overweegt dat de hiervoor genoemde maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd indien verweerster binnen een week na de uitspraak het bedrag van SRD50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar) teruggeeft aan klager, en voorts alle ten laste van klager en ten behoeve van verweerster gelegde beslagen opheft binnen 1 x 24 uur (voor zover die nog niet zijn opgeheven).Het tuchtcollege neemt verder ook mee dat aan verweerster eerder ook een tuchtmaatregel is opgelegd, en wel in de zaak bekend onder nummer 19/12. Niet op de laatste plaats neemt het college ook mee dat verweerster een constructie heeft bedacht dat de gelden die betrekking hadden op haar honorarium niet op haar eigen rekening werden gestort maar op een rekening van een importbedrijf [bedrijf]. Naar het oordeel van het tuchtcollege is dit niet ethisch. Het is in strijd met de integriteit van een advocaat, om het honorarium te doen overmaken op een bedriijfrekening op naam van een importbedrijf. Het verweer van verweerster dat zij op verzoek van klager danwel [getuige], deze rekening heeft opgegeven om de betaling te vergemakkelijken, hetgeen overigens ook wordt ontkend door klager en [getuige], doet aan het voorgaande niets af.

4.5 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:

5.1 verklaart de klacht tegen verweerster gegrond.

5.2 legt aan verweerster de maatregel van schorsing op voor een periode van drie (3) maanden.

5.3 bepaalt dat de hiervoor vermelde maatregel van schorsing niet zal worden ten uitvoer gelegd, onder de voorwaarde dat verweerster:

  • binnen een week na de uitspraak het bedrag van SRD50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar) teruggeeft aan klager en voorts
  • alle ten laste van klager en ten behoeve van verweerster gelegde beslagen opheft binnen 1 x 24 uur na de uitspraak (voor zover die nog niet zijn opgeheven).

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, voorzitter, mr. S. Sheombar en J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
S. Sheombar
J.R. Wouter

SRU–2019-1

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE

no. 19/12

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klaagster],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[verweerster],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerster,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 04 juni 2018 een klacht met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft de klacht op 04 maart 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het tuchtcollege van vrijdag 14 juni 2019.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

2. De feiten
2.1 In het jaar 2007 heeft verweerster juridische bijstand verleend aan klaagster.

2.2 Klaagster heeft drie kwitanties overgelegd waaruit blijkt dat verweerster de navolgende bedragen van haar heeft ontvangen:

  • kwitantie d.d. 06 juli 2007, een bedrag van SRD 1750,=;
  • kwitantie d.d. 18 juli 2007, een bedrag van SRD 600,=;
  • kwitantie d.d. 08 januari 2009, een bedrag van € 4.900,=.

2.3 Bij notariële akte d.d. 18 juli 2008, verleden ten kantore van notaris D. Alexander, heeft klaagster, handelende als enig bestuurslid van [stichting 1] het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 998 m2, gelegen aan [adres] te [district], verkocht en overgedragen aan verweerster, handelende als enig bestuurslid van [stichting 2].

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW). Klaagster stelt daartoe dat de dienstverlening van verweerster veel te wensen overliet. Volgens klaagster heeft verweerster haar misleid en gemanipuleerd. Geen enkele vordering waarin verweerster haar heeft bijgestaan zijn in haar voordeel beslecht.
Voorts stelt klaagster dat verweerster haar heeft geadviseerd om alle vermogensbestanddelen welke in eigendom toebehoorden aan haar echtgenoot [naam], met wie klaagster buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, onder te brengen in [stichting 1]. Vervolgens stelt klaagster dat verweerster bij haar erop heeft aangedrongen dat één der percelen van [stichting 1] wordt overgedragen aan haar, verweerster, aangezien klaagster haar nog een deel van het honorarium verschuldigd was, terwijl volgens klaagster het honorarium nimmer was overeengekomen tussen hen. Volgens klaagster heeft verweerster misbruik gemaakt van de emotionele situatie waarin zij zich bevond en heeft zij via de notaris het perceel door middel van overschrijving verkregen. Klaagster vindt dat de waarde van het perceel, de werkzaamheden die verweerster voor haar heeft verricht, overtreft en dat verweerster nimmer het verzoek mocht doen aan klaagster om overdracht van een perceel aan haar in plaats van betaling. Volgens klaagster heeft zij verweerster nog driemaal betaald maar ze heeft van haar geen kwitanties ontvangen.
Klaagster stelt dat verweerster tekort geschoten is in haar dienstverlening jegens haar. Klaagster stelt verder de gelden die zij aan verweerster heeft betaald terug te willen alsook het perceel.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klaagster.

4.2 Verweerster voert zakelijk weergegeven het volgende verweer.
In de periode 2007 tot 2010 heeft zij juridische bijstand verleend aan klaagster, waarbij zij in het kader van voornoemde werkzaamheden de onder 2.2 omschreven bedragen heeft ontvangen van klaagster. Verweerster ontkent bedragen te hebben ontvangen van klaagster waarvoor zij geen kwitanties aan haar heeft verstrekt. Verweerster ontkent ook dat zij aan klaagster het verzoek heeft gedaan inzake de overdracht van het perceel aan haar.
Volgens verweerster verkeerde klaagster in financiele problemen, waardoor zij het honorarium niet kon voldoen. Zij, klaagster, deed toen zelf het verzoek aan verweerster om een perceel bij [stichting 1] te kopen en het honorarium deels met de koopsom te verrekenen. Volgens verweerster vertegenwoordigen de werkzaamheden die zij ten behoeve van klaagster heeft verricht een belang van bijkans €500.000,=. Zij meent dat een honorarium percentage van 10%-15% van dat bedrag niet onredelijk is. Verweerster voert verder aan dat zij rekening heeft gehouden met de situatie van klaagster en haar honorarium heeft beperkt tot SRD20.000,=. Een deel van het honorarium is als koopsom verrekend en het ander deel is door klaagster in contanten voldaan. Uit de notariële akte d.d. 18 juli 2008 blijkt dat zij, verweerster, het perceel voor SRD10.000,= heeft aangekocht. Verweerster voert tenslotte aan dat zij geen behoefte had aan het perceel en heeft [stichting 2] die het beheer had over het perceel dit overgedragen middels bestuurswijziging.

4.3 Voorop gesteld wordt dat op de advocaten, en dus ook op verweerster, van toepassing is de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen).
Ingevolge de Ere-regelen is een der eerste verplichtingen van de advocaat, de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden. Een advocaat moet ervoor zorgen dat hij bij het aanvaarden van een opdracht duidelijke afspraken maakt over het verschuldigde honorarium. Het tuchtcollege is van oordeel dat verweerster op onduidelijke wijze met klaagster heeft gecommuniceerd over de verschuldigde kosten.
Uit het onderzoek is niet gebleken dat de afspraken tussen klaagster en verweerster met betrekking tot het verschuldigde honorarium, schriftelijk zijn vastgelegd. Klaagster heeft dit in ieder geval ontkend en verweerster heeft ook geen stukken overgelegd waaruit het voorgaande mocht blijken. Hierdoor was er geen duidelijkheid voor klaagster over het honorarium, en van klaagster hoefde niet te worden verwacht dat zij de achteraf door verweerster gedeclareerde bedragen accepteerde.
Verweerster heeft dus onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster. Het vervolgens accepteren van de overdracht van een perceel als “verrekening” van (een deel van) het honorarium is naar het oordeel van het tuchtcollege in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt ongeacht of dit een aanbod was van klaagster. Dit laatste wordt overigens ontkend door klaagster. Klaagster heeft immers gesteld dat deze overdracht is geweest op verzoek van verweerster.
Op grond van het voorgaande acht het tuchtcollege de klacht dan ook gegrond. Het tuchtcollege acht de maatregel van berisping passend.

4.4 Met betrekking tot de teruggave van de betaalde bedragen en het perceel aan klaagster is het tuchtcollege van oordeel dat klaagster daartoe desgewenst een civiele vordering aanhangig dient te maken, nu dit verzoek zich niet leent voor behandeling in de onderhavige procedure.

4.5 Door klaagster zijn er geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de dienstverlening van verweerster veel te wensen overliet, en evenmin dat verweerster haar heeft misleid en gemanipuleerd. Het tuchtcollege gaat dan ook voorbij aan deze stellingen van klaagster.

4.6 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:

5.1 verklaart de klacht tegen verweerster gegrond.

5.2 legt aan verweerster de maatregel van berisping op.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, voorzitter, mr. S. Sheombar en J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
S. Sheombar
J.R. Wouter

 

 

SRU-HvJ-2019-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district], verzoekster,
gemachtigde: mr. G. van der San, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van de Republiek Suriname,
domicilie hebbende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 04 januari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift door de Staat is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 april 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • de processen-verbaal van de op 05 januari 2018 en 06 april 2018 gehouden verhoren van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018 doch nader op heden;

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is op 01 april 2011 in overheidsdienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 (één) jaar. Zij is bij indiensttreding tewerkgesteld als juridisch medewerker op de Griffie der Kantongerechten (Civiele Zaken) van de hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie, zijnde een orgaan van de Staat. De arbeidsovereenkomst is hierna steeds stilzwijgend verlengd;

2.2.verzoeker] heeft middels haar aan de directeur van Buitenlandse Zaken gericht schrijven d.d. 21 oktober 2013 een verzoek gedaan tot overplaatsing van het Ministerie van Justitie en Politie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een ander orgaan van de Staat. In reactie op voornoemd schrijven heeft [verzoeker] een schrijven d.d. 06 oktober 2014 ontvangen van de directeur van Buitenlandse Zaken waarin haar wordt medegedeeld dat haar verzoek in welwillende overweging is genomen en dat zij zich vooruitlopend op de ter beschikking stelling op 15 oktober 2014 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan aanmelden. Kort hierna wordt er namens de directeur van Justitie en Politie een schrijven d.d. 13 oktober 2014 verstuurd naar de directeur van Buitenlandse Zaken, met een cc naar [verzoeker]. In dit schrijven deelt eerstgenoemde directeur, laatstgenoemde directeur mee dat er van de zijde van het Ministerie van Justitie en Politie geen bezwaren bestaan dat [verzoeker] met ingang van 15 oktober 2014 wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiernaast wordt ook meegedeeld dat de concept overplaatsingsbeschikking ten name van [verzoeker], de directeur van Buitenlandse Zaken wordt toegezonden na bevestiging dat [verzoeker] haar diensten heeft aangevangen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. [verzoeker] vangt op 15 oktober 2014 aan met haar werkzaamheden op laatstgenoemd Ministerie;

2.3.Op 20 maart 2015 ontvangt [verzoeker] een aan haar gericht schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 waarin, onder verwijzing naar zijn schrijven d.d. 11 maart 2015 aan de Minister van Justitie en Politie, aan haar wordt meegedeeld dat wordt afgezien van haar overplaatsing. Hiernaast wordt aan haar gevraagd contact op te nemen met het Ministerie van Justitie en Politie casu quo instructies af te wachten. Derhalve wordt afgezien van de overplaatsing van [verzoeker] en betrokkene wordt per 15 maart 2015 wederom ter beschikking gesteld van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.4. Bij haar schrijven d.d. 23 maart 2015 reageert [verzoeker] op het schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 en vraagt de Minister om haar te ontvangen voor een persoonlijk onderhoud eventueel in gezelschap van de relevante functionarissen, opdat het een en ander kan worden toegelicht casu quo uitgepraat. Op dit schrijven ontvangt [verzoeker] in december 2016 een reactie;

2.5.Bij het schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 30 april 2015, wordt [verzoeker] gevraagd zich schriftelijk te verweren naar aanleiding van het feit dat zij zich niet zou hebben aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie nadat zij was terugverwezen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop informeert [verzoeker] de directeur middels haar schrijven d.d. 06 mei 2015 dat zij met betrekking tot onderhavige kwestie, in communicatie is met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waardoor zij zich niet heeft kunnen aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Hierna ontvangt [verzoeker] een ander schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 26 mei 2015, inhoudende dat zij zich moet aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Op 02 juni 2015 heeft [verzoeker] een gesprek met het wnd. Hoofden een medewerker van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie. Op 03 juni 2015 richt [verzoeker] een schrijven aan de directeur van Justitie en Politie waarin zij haar, onder andere, informeert over de gang van zaken en het gesprek van 02 juni 2015 met functionarissen van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.6. Enkele maanden later ontvangt [verzoeker] een schrijven vanwege de directeur van Justitie en Politie d.d. 22 maart 2016, onder meer, inhoudende dat hetgeen [verzoeker] heeft aangegeven bezijdens de waarheid is en zij zich tot 22 maart 2016 nimmer voor de dienst heeft aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie en dat als gevolg daarvan besloten is de met haar aangegane arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat haar salaris per eind maart 2016 wordt stopgezet. Enkele maanden hierna wordt voornoemd schrijven opgevolgd door de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 10 juni 2016, Bureau [nummer] [nummer 2] middels welke is besloten/bepaald dat de tussen de Staat en Blankendal aangegane arbeidsovereenkomst is opgezegd en dat [verzoeker] vanaf 15 maart 2015 (het hof begrijpt: 2016) geen aanspraak maakt op salaris of enige andere vergoeding, wegens het zonder gegronde redenen niet vervullen van haar ambtsverplichtingen. Dit besluit is middels exploot van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 01 november 2016, nummer: 182 betekend aan Blankendal;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1.[verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – primair dat de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d.10 juni 2016, Bureau [nummer] [nummer 2] nietig zal worden verklaard met daaraan gekoppelde nevenvorderingen, waaronder (door) betaling van haar maandelijkse loon. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag. Subsidiair vordert [verzoeker] nietigverklaring van voormelde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en vergoeding van de door [verzoeker] geleden schade bestaande uit loonderving, zijnde het achterstallig loon te rekenen vanaf 15 maart 2015 tot en met 31 december 2016 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars. Kosten rechtens;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven en in zoverre voor de beslissing van belang – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is het niet eens met de opzegging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en de stopzetting van de doorbetaling van haar loon. Voornoemd(e) besluit(en) volgens eerdergenoemde beschikking van de directeur van Binnenlandse Zaken berust(en) op overwegingen die zijn gebaseerd op onjuiste informatie casu quo niet op waarheid. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat de dienstbetrekking met haar met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en daarbij de in artikel 2 onder a van de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid

4.1.Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu de vordering betreft nietigverklaring van een besluit van de Staat. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde;

Ontvankelijk
4.2. De Staat heeft als preliminair verweer aangevoerd – kort gezegd – dat [verzoeker] tardief is met het instellen van de onderhavige vordering en derhalve niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Immers is het ontslagbesluit op 1 november 2016 per deurwaardersexploot onder nummer 182 aan [verzoeker] betekend en heeft zij onderhavige vordering pas op 04 januari 2017 ingediend. [verzoeker] heeft het voorgaande erkend maar heeft gevraagd om rekening te houden met de belangen van haar die in geding zijn. Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel.Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet dienen dergelijke vorderingen uiterlijk binnen een maand nadat het besluit ter kennis van belanghebbende is gebracht, te worden ingediend. In casu is onderhavige vordering ruim twee maanden nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht ingediend, weshalve [verzoeker] tardief is met het instellen van onderhavige vordering;

4.3. De consequentie van het voorgaande is dat [verzoeker] niet – ontvankelijk zal worden verklaard in de ingestelde vordering. Immers zijn de in de wet opgenomen termijnen van openbare orde en leidt een redelijke en billijke belangenafweging niet tot een ander oordeel. [verzoeker] geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal in de gedingkosten worden veroordeeld aan de zijde van de Staat gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5.De beslissing
Het Hof:

5.1. Verstaat dat [verzoeker] kosteloos procedeert;

5.2. Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in de ingestelde vordering;

5.3. Veroordeelt [verzoeker] in de gedingkosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr.A.M. Nooitmeer­Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van w.g.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Matawlie namens advocaat mr.G. van der San, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens advocaat mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. l.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 06 januari 2017;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 20 februari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 27 februari 2017 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 07 april 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 10 april 2017, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 10 april 2017 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 23 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • het proces-verbaal van het op 05 januari 2018 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging stukken zijdens de Staat de dato 16 maart 2018;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] de dato 18 mei 2018;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 02 november 2018 doch nader op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is bij de Staat in dienst getreden en wel bij het Korps Politie Suriname en was in vaste dienst en bekend onder persoonsnummer [nummer];

2.2. [verzoeker] is op 27 april 2015 buiten functie gesteld omdat (blijkens beschikking) er een vermoeden bestond dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van één of meerdere winkeliers, dan wel het aannemen van giften en beloften casu quo plichtsverzuim;

2.3. Voormelde buitenfunctiestelling is vervolgens bij beschikking de dato 07 mei 2015 met een week verlengd en is [verzoeker] bij voormelde beschikking eveneens geschorst in zijn ambt met ingang van 12 mei 2015;

1.4. [verzoeker] heeft een kort geding ingediend bekend in het A.R. onder no. 16-1228 en de zaak stond voor vonnis op 04 mei 2017;

1.5. [verzoeker] is bij beschikking d.d. 17 november 2016 K.A. [nummer 2] ontslag aangezegd als tuchtstraf;

1.6. [verzoeker] heeft voormelde ontslagbeschikking op 09 december 2016 ontvangen;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:
A. zal worden vernietigd althans nietig zal warden verklaard de algehele beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 november 2016 K.A. [nummer 2] Bureau [nummer 3] waarbij [verzoeker] is ontslagen;
B. de betaling casu quo doorbetaling van het loon van [verzoeker] zal worden gelast;
C. zal worden bepaald dat [verzoeker] tot de werkplek toegelaten wordt onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000,- per dag;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking omdat deze in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een deugdelijke motivering van een Overheidsbeslissing, het beginsel van willekeur en handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan het vermoeden genoemd in de ontslagbeschikking en het betreft een ongegronde beschuldiging. Na zijn schorsing heeft [verzoeker] niets meer van de Staat vernomen terwijl hij op zijn beurt steeds heeft geïnformeerd naar een opheffing van de schorsing en naar het resultaat van het strafrechterlijk onderzoek, doch het leek alsof men geen oor voor hem had. Hij kreeg nergens afdoend antwoord. Ingevolge het bepaalde in artikel 66 lid 2 onder a van de Personeelswet (hierna: PW) kan een ambtenaar geschorst worden indien er een strafrechterlijk onderzoek wegens verdenking van een opzettelijk begaan misdrijf dan wel van een in verband met de dienst begaan misdrijf tegen hem is ingesteld. Hij stelt dat hij niets meer heeft vernomen van het onderzoek casu quo enig onderzoek, na de buitenfunctiestelling in het jaar 2015. Ingevolge het bepaalde in artikel 68 lid 3 PW eindigt de schorsing uiterlijk op de dag waarop de schorsing drie maanden heeft geduurd. In dit geval duurt de schorsing langer dan 10 maanden. Er is ook geen strafrechterlijk onderzoek tegen hem ingesteld, hij is nimmer gedagvaard en is ook niet veroordeeld. De ontslagbeslissing is genomen op grond van valse en ondeugdelijke gronden en de Staat heeft zeer onzorgvuldig naar hem toe gehandeld. Eveneens heeft de Staat aan hem de kans ontnomen om zijn onschuld te bewijzen door de zaak niet gerechtelijk voor te brengen. Hij stelt dat hij onschuldig is en zijn onschuld gaarne in een strafzaak had willen bewijzen maar die kans is hem ontnomen. Hij heeft zich nimmer aan plichtsverzuim schuldig gemaakt en heeft ook nimmer een tuchtstraf gehad. Zijn belangen zijn totaal niet in aanmerking genomen bij het nemen van zijn ontslagbeslissing;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd en heeft een conclusie tot overlegging stukken genomen. Het hof komt

  • voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft tot – onder andere – vernietiging dan wel nietigverklaring van een besluit van een overheidsorgaan;

Ontvankelijkheid
4.2. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.3. Waar gaat het in dit geding om? [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;

4.4. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. Er zijn sterke vermoedens dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan de verwijten die aan zijn adres worden gemaakt. Het ingesteld onderzoek heeft voldoende aanknopingspunten opgeleverd voor aanname dat hetgeen de aangeefster heeft aangegeven op waarheid berust (althans zo vat het hof dat op). De verklaring van de aangeefster in samenhang bezien met de verklaring van Huisraad levert wel een redelijk vermoeden van schuld op ten aanzien van [verzoeker]. De handelingen van [verzoeker] leveren wel ernstig plichtsverzuim op en rechtvaardigen de sanctie van ontslag;

4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale ” Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof in deze context – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet gedragen zoals een functionaris van het Korps Politie Suriname betaamt. In casu maakte [verzoeker] deel uit van een gemengde patrouille afkomstig uit [land] en [land 2] belast met controle in het [gebied] gedurende de periode 30 maart – 03 april 2015. Volgens verklaring van de aangeefster zou [verzoeker] haar hebben afgeperst. Naar het oordeel van het hof is het voorgaande onvoldoende aannemelijk geworden uit het ingesteld onderzoek. [verzoeker] ontkent de beschuldiging in alle toonaarden en daartegenover staat de verklaring van de aangeefster. De verklaring van Huisraad waar de Staat zich op beroept als ondersteuning voor de verklaring van de aangeefster biedt in de visie van het hof geen ondersteuning voor het relaas van de aangeefster doordat de verklaring van voornoemde Huisraad wordt ontkracht door hetgeen [naam] bij zijn verhoor de dato 13 mei 2015 ten overstaan van agent van politie eerste klasse, [verbalisant], heeft aangegeven. Daar heeft voornoemde [naam] op een daartoe strekkende vraag van de verbalisant namelijk het volgende aangegeven (citaat) ”lk heb niet gezien dat agent [verzoeker] alcoholische dranken heeft ontvangen van winkeliers in het [gebied]….. Hebt U aan collega Huisraad verteld, dat agent [verzoeker] tijdens de patrouille, winkels te [gebied 2] had aangedaan en goederen zou hebben genomen zonder te betalen? Nee.- Deze informatie berust niet op waarheid.- lk heb agent Huisraad nimmer zo iets verteld.” (einde citaat). In de visie van het hof is met het voorgaande de grondslag voor de litigieuze ontslagverlening weg komen te vallen aangezien de Staat niet alleen oog dient te hebben voor bezwarende zaken maar ook ontlastende zaken in ogenschouw dient te nemen. In de visie van het hof dient de Minister van Justitie en Politie in de ijver om de zogenaamde ”rotte appels” uit het Korps Politie Suriname te verwijderen er wel voor te waken dat er lichtvaardig te werk wordt gegaan en het spreekwoordelijke kind met het badwater wordt weg gegooid;

4.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift door [verzoeker]. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een deugdelijke motivering van een Overheidsbeslissing, het beginsel (het hof begrijpt: verbod) van willekeur, het handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Immers had het op de weg van de Staat gelegen om de door haar geuite ernstige vermoedens nader te concretiseren casu quo te adstrueren, hetgeen zij heeft nagelaten. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde toelating tot de werkplek kan niet worden gerubriceerd onder het bepaalde in artikel 79 lid 1 PW weshalve dat onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen. De mede gevorderde (door) betaling van loon vat het hof op als een vergoeding van schade ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 onder b van de Pw, weshalve dat onderdeel van het gevorderde eveneens voor toewijzing in aanmerking komt;

4.7. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Vernietigt de algehele beschikking van het Ministerie van Justitie en Politie K.A. [nummer 2] de dato 17 november 2016 Bureau [nummer 3] waarbij [verzoeker] is ontslagen;

5.2. Gelast de betaling van het achterstallig loon en doorbetaling van het loon van [verzoeker] door de Staat;

5.3. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Jhinkoe namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen- Relyveld

SRU-HvJ-2019-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 03 november 2016 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verweerschrift dat op 12 december 2016 is overgelegd met een productie;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 20 september 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 03 november 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 november 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 19 januari 2018 en de door verzoeker overgelegde producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verweerder, overgelegd op 02 februari 2018;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 15 februari 2019, doch nader is bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Verzoeker is in dienst van het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (TCT) in de functie van Chef Taxiwezen op de afdeling Openbaar Vervoer van voormelde Ministerie.

1.2 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname Bureau [nummer], [nummer 2], is verzoeker te rekenen van 01 december 2010, vanwege ontstentenis van de Coordinator Controle Dienst, belast geworden met de waarneming van voornoemde functie, onder toekenning van een waarnemingstoelage.

1.3 Bij schrijven d.d. 25 augustus 2016 heeft de directeur van het Ministerie van TCT aan verzoeker medegedeeld dat vanwege de departementsleiding is besloten hem te rekenen van 01 september 2016 te ontlasten van zijn werkzaamheden als chef van de Controle Dienst Openbaar Vervoer en dat hij conform de beschikking d.d. 20 januari 2011 buro [nummer 3] per diezelfde datum zal worden ingezet als chef Taxiwezen.

1.4 Bij schrijven d.d. 20 september 2016 van de procesgemachtigde van verzoeker gericht aan de directeur van TCT, is namens verzoeker verzocht om het besluit d.d. 25 augustus 2016 [nummer 4] te doen corrigeren.

1.5 Bij schrijven d.d. 12 oktober 2016 van de procesgemachtigde van verweerder gericht aan verzoeker, is namens verweerder negatief beslist op voormeld verzoek van verzoeker.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. te vernietigen, althans nietig te verklaren het schrijven d.d. 25 augustus 2016 [nummer3];
b. (1) verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, zodat verzoeker kan worden voorzien van een definitieve benoeming in de functie van Chef Controle Dienst bij de Dienst Openbaar Vervoer en (2) voorts verweerder te veroordelen om met inachtneming van de resolutie van 25 juli 2011 [nummer 2] het salaris van verzoeker door te betalen totdat verzoeker in de functie op rechtmatige wijze is benoemd c.q. op rechtmatige wijze is beëindigd.

2.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (Pw) en te rekenen van 01 december 2010 werd benoemd tot Chef Taxiwezen ingedeeld in schaal 8A. Verzoeker stelt dat hij bij resolutie d.d. 25 juli 2011 [nummer 2] te rekenen van 01 december 2010 werd belast met de waarneming van de functie van Coördinator Controle Dienst, in welke functie hij langer dan een jaar heeft waargenomen en ingevolge de Pw voorzien moest worden in een definitieve benoeming c.q. bevordering in die functie.Verzoeker stelt dat de directeur van TCT, die niet het bevoegde zag daartoe is, heeft gemeend hem bij schrijven d.d. 25 augustus 2016 [nummer 4] te ontlasten van de werkzaamheden als Chef Controle Dienst Openbaar Vervoer, terwijl de Pw geen ontlasting van de waarneming kent, doch beëindiging. Verzoeker is bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 20 september 2016 opgekomen tegen voormeld besluit. Volgens verzoeker dient de brief van de directeur vernietigd te worden, omdat zij niet het bevoegde gezag is ten aanzien van hem en legt ter adstructie het vonnis van het Hof van Justitie in de zaak van [naam] contra de Staat Suriname ten processe over. Tenslotte voert verzoeker aan dat de functie definitief is opengevallen nu de heer [naam 2], de Coördinator Controle Dienst, deze functie al langer dan 5 jaren niet meer uitoefent, omdat hij inmiddels is ontslagen c.q. reeds is gepensioneerd. Ter adstructie legt verzoeker ten processe over de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 05 augustus 2014.

2.3 Verweerder heeft als formeel verweer aangevoerd dat aan verzoeker per brief van 25 augustus 2016 het besluit kenbaar is gemaakt en hij pas bij rekest van 02 november 2016 is opgekomen tegen dit besluit bij het Hof, terwijl dit krachtens artikel 80 Pw binnen een maand diende te geschieden, weshalve verzoeker niet ontvangen dient te worden in de onderhavige vordering.Verweerder heeft inhoudelijk verweer gevoerd erop neerkomende dat het in casu niet betreft een definitief opengevallen functie, aangezien de betrekking van de formeel in die functie benoemde ambtenaar niet is beëindigd, terwijl verzoeker ingevolge artikel 22 lid 5 Pw niet voldoet aan de eisen voor benoembaarheid. Voorts voert verweerder aan dat de brief voornoemd, geen besluit van de directeur van TCT betreft, doch slechts een mededeling betreft dat een dergelijk besluit is genomen door de departemenstleiding onder leiding van de Minister, die ingevolge artikel 3 Pw het bevoegde gezag is ten aanzien van de aanstelling, benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren voor zover het zijn/haar departement betreft.

3. De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

2. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping,is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.

Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.Rechtens staat tussen partijen vast dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Pw en is de Pw van toepassing op verzoeker.Onder a van het petitum wordt gevorderd de nietigverklaring c.q. vernietiging van het besluit waarbij verzoeker is ontlast uit zijn waarnemingsfunctie. Aangezien verzoeker als gevolg van voornoemd besluit niet meer in aanmerking zal komen voor de waarnemingstoelage verbonden aan de functie waarin hij waarneemt, heeft het besluit waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, betrekking op het salaris van verzoeker en is het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub a bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder a van het petitum.Onder b van het petitum wordt gevorderd om (1) verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, zodat verzoeker kan worden voorzien van een definitieve benoeming in de functie van Chef Controle Dienst. Ingevolge artikel 79 lid 1 sub c kan het voorgaande naar het oordeel van het Hof niet gevorderd worden zonder een dwangsom daaraan te verbinden, weshalve het Hof onbevoegd is om van het gevorderde onder b (1) kennis te nemen.Met betrekking tot het gevorderde onder b (2) van het petitum, met name verweerder te veroordelen om met inachtneming van de resolutie van 25 juli 2011 [nummer 2] het salaris van verzoeker door te betalen totdat verzoeker in de functie op rechtmatige wijze is benoemd c.q. op rechtmatige wijze is beëindigd, begrijpt het Hof dat verzoeker als gevolg van het besluit van verweerder d.d. 25 augustus 2016 schade heeft geleden als gevolg van het feit dat verweerder hem na 25 augustus 2016 niet meer het salaris conform resolutie d.d. 25 juli 2011 [nummer 2] heeft betaald, zijnde het salaris conform voornoemde resolutie. Ingevolge artikel 79 lid 1 sub b acht het Hof zich derhalve bevoegd om van het gevorderde onder b (2) van het petitum kennis te nemen.Op grond van het voren overwogene acht het Hof zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder b (1) van het petitum.

3.3 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn vorderingen onder a en b (2) van het petitum, overweegt het Hof dat het formeel verweer van verweerder opgaat voor wat betreft de vordering van verzoeker onder a en b (2), nu verzoeker zijn vordering bij het Hof vòòr 25 september 2016 had moeten indienen ingevolge artikel 80 lid 1 en 2 Pw.Met betrekking tot het schrijven d.d. 20 september 2016 gericht aan de directeur van TCT, overweegt het Hof dat deze handeling van verzoeker kan worden aangemerkt als bezwaar, nu verzoeker tegen voormeld besluit is opgekomen bij dezelfde instantie die het besluit heeft genomen. Aangezien bezwaar niet wettelijk is geregeld, wordt deze termijn niet meegenomen bij artikel 80 Pw. Voorts overweegt het Hof dat verzoeker ten aanzien van het onder b (2) gevorderde tijdens het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard dat hij wordt uitbetaald met behoud van de waarnemingstoelagen en dat hij niet uit de waarnemingsfunctie is weggehaald doch gewoon is ontlast uit die functie. Op grond van het voren overwogene heeft verzoeker geen belang bij het door hem gevorderde onder b (2) van het petitum en zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De beslissing
Het Hof

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder b (1) van het petitum.

4.2 Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering onder a en b (2) van het petitum.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 03 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens de advocaten mr. F.F.P. Truideman en mr. D.S. Kraag, gemachtigden van partijen, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 01 april 2016 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 25 mei 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift is verlengd met zes weken ingaande 25 mei 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 juli 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift is verlengd met zes weken ingaande 06 juli 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 februari 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 03 maart 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 maart 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 07 juli 2017;
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens verweerder, overgelegd op 07 juli 2017, met producties;
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens verweerder, overgelegd op 03 augustus 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, overgelegd op 20 oktober 2017, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens verweerder, overgelegd op 17 november 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 20 april 2017, doch nader bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Blijkens beschikking d.d. 21 januari 2013 is verzoekster in vaste dienst werkzaam bij het Directoraat Algemene Zaken en is te rekenen van 01 juli 2012 ingepast in de functie van Tekstverwerker op de afdeling Handelingen.

1.2 Bij schrijven d.d. 16 oktober 2013, no. 080/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster opgeroepen om zo spoedig mogelijk de attesten over de periode 2 t/m 5 augustus 2013 en van 10 september t/m 16 oktober 2013 over te leggen en is zij tevens aan herinnerd aan de afspraak voor herkeuring bij de Geneeskundige Commissie op 30 oktober 2013 om 12.00 uur.

1.3 Bij schrijven d.d. 05 november 2013, no. 088/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster opgeroepen voor aanmelding, omdat zij vanaf 17 oktober 2013, de dag waarop de attesten geldig t/m 19 oktober 2013 zijn gestuurd, de leiding van de DNA niets meer van haar heeft vernomen. Bij verzuim zal de stopzetting van het salaris plaatsvinden.

1.4 Bij schrijven d.d. 15 november 2013, [nummer]/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster wederom opgeroepen voor aanmelding, omdat er niets van haar is vernomen op de oproep van 05 november 2013. Indien er van de gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, zal worden aangenomen dat er geen prijs wordt gesteld op continuering van het dienstverband en zullen daaraan de nodige consequenties worden verbonden.

1.5 Bij schrijven d.d. 19 januari 2014, [nummer 2]/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster uitgenodigd voor 14 januari 2014.

1.6 Bij schrijven d.d. 14 februari 2014, [nummer 3]/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is aan verzoekster medegedeeld dat zij in verband met haar langdurig ziekteverzuim voor een herkeuring wordt gestuurd naar de Geneeskundige Commissie op 19 februari 2014.

1.7 Bij schrijven d.d. 20 februari 2014 heeft de Geneeskundige Commissie aan de DNA medegedeeld dat verzoekster ter herkeuring is opgeroepen voor 07 augustus 2013,30 oktober 2013 en 19 februari 2013, doch nimmer is verschenen.

1.8 Bij schrijven d.d. 17 juni 2014, [nummer 4]/geh, afkomstig van de griffier van de DNA, is aan verzoekster onder meer medegedeeld dat uit de administratie van personeelszaken is gebleken dat verzoekster op 27 mei en van 29 t/m 30 mei 2014 afwezig was zonder bericht; van 4 juni t/m 13 juni 2014 ziek was, doch geen attesten heeft aangetoond, terwijl is gebleken dat verzoekster elke dag laat aanwezig is op het werk.

1.9 Bij schrijven d.d. 29 april 2014,[nummer 5]/geh, afkomstig van de griffier van de DNA,is aan verzoekster het navolgende medegedeeld:
“(…) Ondanks de herhaalde mondelinge en schriftelijke waarschuwingen van de navolgende data;
16 oktober 2013 [nummer 6]/Geh.,
05 november 2013 [nummer 7]/Geh.,
15 november 2013 [nummer]/Geh.,
19 januari 2014 [nummer 2]/Geh.
En van 17 juni 2014 [nummer 4]/Geh., heeft u nagelaten gehoor te geven aan de opdrachten dezerzijds.Wederom blijkt uit de administratie van de Afdeling HRM bij DNA, dat u op regelmatige basis niet meldt bij afwezigheid en ook geen attesten overlegt waardoor u zich schuldig maakt aan ernstig plichtsverzuim. Bij aanvang van dit jaar is reeds meer dan 1/3 deel van uw verlofdagen in mindering gebracht als gevolg van het feit dat u afwezig was zonder enig bericht en vanwege teveel ziekte dagen. U heeft thans geen tegoeden aan verlof meer.Bijgaand treft u aan een overzicht van Onwettig Afwezige dagen. Het betreft 42 dagen, in de periode 16/2 tot en met heden. Deze dagen dienen, indien het ziekte betreft, met een doktersattest te worden gedekt. Voornoemd indisciplinair gedrag en vertoond plichtsverzuim, kunnen niet langer worden getolereerd, derhalve dient u zich binnen 2 werkdagen na dagtekening, conform art. 63 PW, schriftelijk te verweren.”

1.10 Blijkens overzicht van de afdeling HRM van de DNA/g.c., d.d. 28 april 2015, had verzoekster in het jaar 2013, 277 ziektedagen; in het jaar 2014, 156 ziektedagen en 83 keren geen attest overgelegd; in de periode januari 2015 t/m 28 april 2015, 16 ziektedagen, waarvan 3 zonder attest, 12 dagen afwezig zonder bericht en 42 dagen onwettig afwezig.

1.11 Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken, Bureau no. 9901/15, is besloten om verzoekster ingevolge artikel 69 lid 2 Pw wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst te verlenen en wel met onmiddellijke ingang conform artikel 71 lid 6 Pw, met bepaling dat verzoekster ingevolge artikel 28 lid 3 Pw te rekenen van 12 mei 2015 geen aanspraak maakt op salaris.

1.12 In voormelde beschikking is, zakelijk weergegeven, het navolgende overwogen:

  • dat verzoekster vanaf 16 februari 2015 systematisch zonder kennisgeving van het werk is weggebleven;
  • dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om zich te verweren;
  • dat een dergelijk gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert;
  • dat verzoekster vanaf haar indiensttreding een dergelijk gedrag vertoont en ondanks mondelinge en schriftelijke waarschuwing geen gehoor heeft gegeven;
  • dat verzoekster zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden gesteld voor ziekte en frequent zonder afmelding absent is geweest en heeft zij meermalen bij ziekte geen attesten overgelegd.

1.13 Een afschrift van voormelde beschikking is op 15 juni 2015 aan de DNA afgegeven.

1.14 Verzoekster heeft vanaf juni 2015 geen salaris ontvangen.

1.15 Bij schrijven d.d. 24 februari 2016 heeft verzoekster verweerder doen verzoeken om haar in de gelegenheid te stellen om haar werkzaamheden te hervatten.

2.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a.verweerder te gelasten om binnen een week na dit uit te spreken vonnis, aan verzoekster kenbaar te maken vanaf welke datum zij haar werkzaamheden mag hervatten en haar aldus in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op normale wijze voort te zetten zonder dat zij daarin gehinderd wordt;
b.Verweerder te gelasten om het salaris van verzoekster vanaf 25 februari 2016 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de dag van indiening tot aan de algehele kwijting;
c.Verweerder te veroordelen om verzoekster in het genot te stellen van alle emolumenten die zij zou hebben genoten indien zij gedurende de periode van 25 juni 2015 tot 24 februari 2016 haar werkzaamheden normaal had kunnen uitvoeren;
d.Verweerder te veroordelen om bij wege van schadevergoeding aan verzoekster te betalen het salaris vanaf 25 juni 2015 tot 24 februari 2016, thans begroot op SRD 13.296,-;
e.Verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag of keer dat verweerder in strijd handelt met het onder a en c gevorderde;
f.Verweerder te veroordelen in de kosten van het geding, alsook de kosten van vastrecht ad SRD 30,-, de deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij vanaf januari 2015 vanwege ernstige medische problemen, vaker niet aan het werk is verschenen, doch dat deze dagen consequent werden verantwoord middels een door de behandelende arts afgegeven attest, welke attesten zij haar zus had gevraagd om af te geven bij PZ vanwege de situatie waarin zij verkeerde. Verzoekster stelt dat zij eind april 2015 vanwege een telefoontje van haar chef erachter is gekomen dat haar zus de attesten nooit heeft afgegeven. Voorts stelt verzoekster dat haar moeder op een bepaald moment naar de afdeling waar zij te werk was gesteld, belde om door te geven dat verzoekster ter verpleging in het ziekenhuis was opgenomen, waarop haar moeder te horen kreeg dat verzoekster zich niet meer hoefde aan te melden omdat zij zou zijn ontslagen en dat als gevolg daarvan haar salaris ook is stop gezet. Volgens verzoekster is zij op grond van voornoemde mededeling, na het verstrijken van de termijn van haar laatste attest, te weten 25 juni 2015, niet meer aan het werk verschenen, omdat zij er vanuit is gegaan dat zij was ontslagen, terwijl zij zich daarbij niet realiseerde dat dit niet de juiste procedure was. Verzoekster stelt dat zij enkele dagen geleden door een kennis erop werd geattendeerd dat het aangezegd ontslag in strijd was met de Personeelswet (Pw), nu dit mondeling was gedaan en nota bene door een onbevoegde. Volgens verzoekster heeft zij bij schrijven d.d. 24 februari 2016 aan verweerder kenbaar gemaakt dat zij haar diensten aanbiedt en dat zij bereid is haar werkzaamheden te hervatten, doch heeft zij tot op heden geen reactie ontvangen daarop. Volgens verzoekster zit zij wegens het onrechtmatig handelen van verweerder al langer dan acht maanden thuis en kan zij niet deelnemen aan het arbeidsproces, als gevolg waarvan zij inkomsten derft en derhalve schade lijdt, waarvoor verweerder aansprakelijk is.

2.3 Verweerder heeft geen verweer gevoerd.

3.De beoordeling van het geschil
3.1Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
  4. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
  5. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  6. tot verlaging van rang;
  7. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  8. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  9. tot schorsing of ontslag.

Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Ten aanzien van de vordering onder a van het petitum om verweerder te gelasten aan verzoekster kenbaar te maken vanaf wanneer zij haar werkzaamheden mag hervatten, overweegt het Hof dat aan deze veroordeling onder f van het petitum een dwangsom is verbonden. Naar het oordeel van het Hof betreft het besluit tot hervatting van de werkzaamheden, niet een handeling van verweerder in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, zodat het Hof zich niet bevoegd acht hiervan kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder b en c van het petitum om verweerder te gelasten om verzoekster haar salaris vanaf 25 februari 2016 alsook de daarbij horende emolumenten te betalen, begrijpt het Hof dat verzoekster door het besluit van verweerder om haar salaris stop te zetten, schade heeft geleden in de zin van gederfde inkomsten. Het Hof acht zich daarom ingevolge artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd van de vordering onder b en c van het petitum kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder d van het petitum om verweerder te veroordelen om aan verzoekster op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding te betalen.Op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw acht het Hof zich bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder e van het petitum om verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het handelen in strijd met a en c, acht het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder f van het petitum om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding en de buitengerechtelijke kosten, acht het Hof zich niet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, nu dit niet in de Pw is geregeld.Op grond van het voren overwogene acht het Hof zich bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder b, c, d en e van het petitum.

3.3 Het hof overweegt dat verzoekster in ieder geval vanaf 25 juni 2015 moet hebben begrepen dat zij was ontslagen, omdat zij na de gedane mededeling haar salaris toen ook niet meer ontving, weshalve zij ingevolge artikel lid 1b Pw niet-ontvankelijk is in haar vordering onder b voor wat betreft het salaris tot 01 maart 2016, nu zij de onderhavige vordering pas op 01 april 2016 heeft ingediend. Als gevolg hiervan is verzoekster niet-ontvankelijk in haar onder vordering onder b en c voor wat betreft het salaris met emolumenten tot 01 maart 2016. Met betrekking tot het salaris en emolumenten vanaf 01 maart 2016 is verzoekster wel ontvankelijk in haar vordering.

3.4 Het hof overweegt dat verzoekster aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar, omdat de mondelinge ontslagaanzegging in strijd is met de Pw, terwijl deze ook nog door een daartoe niet-bevoegde is gedaan.Verzoekster heeft tijdens het gehouden verhoor van partijen voor zover van belang verklaard dat zij, nadat haar ziekteverlof was verstreken, zich niet meer op het werk had aangemeld omdat men haar de laatste keer had gezegd dat ze met ontslag was en dat ze steeds heeft zitten wachten op haar ontslagbrief, nadat zij had begrepen had dat ze niet mondeling kon worden ontslagen. Verzoekster verklaarde dat ze in januari 2015 medische problemen kreeg die tot juni 2015 hebben geduurd en dat zij nooit persoonlijk heeft gebeld naar het werk. Verzoekster verklaarde voorts dat zij behalve de laatste oproep voor medische herkeuring, geen enkel schrijven van verweerder heeft gehad, dus ook niet de verweeraanzeggingen van verweerder.Verweerder heeft daarbij voor zover van belang verklaard dat verzoekster haar onwettige afwezigheid en ziekteverzuim vanaf 2013 begonnen was en in 2015 de maat voor hem vol was, terwijl er een aantal momenten van verweer zijn geweest voor verzoekster. Verweerder verwijst naar de door hem overgelegde producties terzake.

3.5 Naar het oordeel van het Hof staat op grond van de door verweerder overgelegde presentiestaten en -overzichten vast dat verzoekster vanaf 2013 veelvuldig ziek is geweest en hiervan niet altijd melding heeft gedaan c.q. heeft laten doen, alsook heel vaak ook geen doktersattest daartoe heeft doen toekomen aan verweerder ingevolge de geldende regels ex artikel 54 lid 2 Pw. Alleen al in de periode januari 2015 t/m april 2015, is verzoekster 12 dagen afwezig geweest zonder bericht, terwijl zij geen doktersattest heeft overgelegd voor 42 ziekedagen. Al het voorgaande is overigens niet betwist door verzoekster. Overigens geeft verzoekster toe dat zij nimmer heeft gebeld om ziek te melden, terwijl zij enkele keren met haar zus is meegereden naar de DNA om attesten af te geven, doch zelf niet is uitgestapt.Naar het oordeel van het Hof is het zeer frappant dat verzoekster van alle brieven van verweerder, slechts die brief heeft ontvangen op grond waarvan zij naderhand toch naar de Geneeskundige Commissie is geweest en waarvoor zij voor ontvangst heeft afgetekend, terwijl alle brieven op hetzelfde adres zijn geadresseerd. Het Hof overweegt dat verzoekster door haar onverantwoordelijke gedragingen als voren omschreven zelf de mededeling van ontslag, die zij overigens al had moeten zien aankomen, in de hand heeft gewerkt. Naar het oordeel van het Hof heeft verzoekster het niet nauw genomen met haar verplichtingen jegens verweerder, terwijl zij zich, conform de haar gegeven instructie, niet heeft aangemeld voor werk nadat de Geneeskundige Commissie haar arbeidsgeschikt had verklaard. Voorts overweegt het hof dat verzoekster gehouden was om zich na haar ziekte persoonlijk aan het werk te melden om zich ervan te vergewissen dat zij daadwerkelijk was ontslagen, vermits verzoekster geen ontslagbrief had ontvangen en al die tijd daarop heeft zitten wachten. Hoe serieus moet verzoekster worden genomen in haar aanbod om het werk te mogen hervatten? Op grond van het voorgaande overweegt het Hof dat verweerder gerechtigd is om verzoekster op grond van artikel 69 lid 2 sub k ontslag aan te zeggen.

3.6 Met betrekking tot de mondelinge ontslagaanzegging overweegt het hof dat die inderdaad niet rechtsgeldig is, terwijl niet gebleken is dat deze aanzegging door de directe meerdere of een leidinggevende van de DNA afkomstig was, zodat verzoekster naar het oordeel van het hof er onterecht van uit is gegaan dat zij was ontslagen en nagelaten heeft om deze informatie te verifiëren. Vanwege de informatie van haar moeder dat zij niet mondeling kon worden ontslagen, had het op de weg van verzoekster gelegen om zich na haar ziekte persoonlijk aan te melden voor hervatting van haar werkzaamheden. Nu zij zulks heeft nagelaten, kan verzoekster naar het oordeel van het hof niet aan verweerder tegenwerpen onrechtmatig jegens haar te hebben gehandeld, daar zij zelf debet is daaraan.

Ten aanzien van de ontslagbeschikking, overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat deze eerder aan verzoekster was afgegeven. Deze beschikking is evenwel ter terechtzitting aan verzoekster c.q. via haar procesgemachtigde aan haar overhandigd conform artikel 5 lid 2 Pw, zodat het ontslag van verzoekster sindsdien is ingegaan.Voor wat betreft het niet betalen van salaris en emolumenten vanaf 01 maart 2016, overweegt het hof dat zulks niet aan verweerder kan worden tegengeworpen, nu zulks aan verzoekster zelf te wijten is geweest. Verzoekster heeft geen arbeid verricht, terwijl zij afwezig was zonder berichtgeving en heeft zij derhalve geen recht op betaling van salaris.Het onder b en c gevorderde voor wat betreft het salaris en emolumenten vanaf 01 maart 2016, alsmede het onder d en e gevorderde zal gelet op het voren overwogene als ongegrond worden afgewezen.

4.De beslissing
Het Hof

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het onder a en f gevorderde.

4.2 Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar vordering onder b en c voor wat betreft het salaris met emolumenten tot 01 maart 2016.

4.3 Wijst af het overig door verzoekster gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. R.M. Praag, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door w.g. S.S.S. Wijnhard

mr.D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C.Berenstein,Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens mr. M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS,
WETENSCHAP EN CULTUUR,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, Wnd. Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 29 januari 201 6 met producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 29 januari 2016;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 22 maart 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 22 maart 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 24 maart 2016 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 02 mei 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 02 mei 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 05 mei 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
    het verweerschrift d.d. 15 juni 2016, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 15 juni 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 18 oktober 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 november 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 20 januari 2017, met de door verweerder daarbij overgelegde producties;
  • de conclusies tot uitlating na gehouden verhoor van partijen zijdens partijen, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 03 maart 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017, doch nader op heden.

De motivering
1.De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoekster” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 Blijkens de door verweerder overgelegde arbeidsovereenkomst is verzoekster bij verweerder in dienst getreden per 05 juni 1987.

1.2 Verzoekster, in vaste dienst werkzaam op het Directoraat Cultuur, is bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 30 mei 2000, Bureau [nummer], te rekenen van 01 juli 1999 bevorderd tot Stafambtenaar A 3e klasse (schaal 15).

1.3 Bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 24 juli 2009, Bureau [nummer 2], is verzoekster in de functie van secretaresse van de Onderdirecteur Administratieve Diensten op het Directoraat Cultuur:

  • te rekenen van 01 januari 2004, bevorderd tot Stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) en is aan haar ingevolge de missive van 09 juni 2000 [nummer 3]/R.v.M. toegekend een representatietoelage ad 10 % van haar maandbezoldiging;
  • te rekenen van 01 januari 2007, bevorderd tot Stafambtenaar A 1ste klasse (schaal 17) onder toekenning van een representatietoelage ad 10 % van haar maandbezoldiging;

1.4 Bij schrijven van de directeur Cultuur d.d. 02 februari 2009, kenmerk [kenmerk], is aan de afdelingshoofden en beleidsmedewerkers van het Directoraat Cultuur, onder meer medegedeeld dat met ingang van 15 december 2008 verzoekster in verband met reshuffling secretariaten, is overgeplaatst naar het kabinet van de Directeur.

1.5 Bij herhaaldelijk schrijven heeft verzoekster geprotesteerd tegen de stopzetting van de uitbetaling van haar representatietoelage vanaf juli 2011 en heeft zij gevraagd om haar weer over te plaatsen naar het Secretariaat van de Onderdirecteur Cultuur.

1.6 Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015, Bureau [nummer 4], is onder meer overwogen:

  • dat verzoekster per 01 januari 2008 bij de implementatie van het FISO is ingepast als Hoofd Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten;
  • dat per omissie de inpassing niet bij beschikking is geschied;
  • dat op grond van het voorgaande het noodzakelijk is de rechtspositie verzoekster alsnog bij beschikking vast te stellen;
  • dat in het belang van de dienst verzoekster niet meer te werk gesteld kan worden op het Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten;waarbij onder meer is besloten om verzoekster te rekenen van:
  • 01 januari 2008 te benoemen in de functie van Hoofd Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten en haar in te delen in de functiecategorie 08 schaal 08c P13 en een representatietoelage van 10 % van haar maandbezoldiging; met toekenning van een jaarlijkse periodiek, zijnde per 01 januari 2013 max functiecategorie 8c P18 en 10 % representatietoelage van de maandbezoldiging;
  • 01 januari 2015 te ontheffen uit de functie van Hoofd Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten;

1.7 Bij beschikking d.d. 22 mei 2015 [nummer 5] is verzoekster in aanmerking gekomen voor gratificatie uitkering in verband met haar 25-jarig ambtsjubileum.

1.8 Bij beschikking d.d. 17 juni 2015 [nummer 6] zijn de dienstjaren van verzoekster in de periode 05 juni 1987 tot en met 30 juni 1989 ingekocht, waardoor de telling van het aantal dienstjaren van verzoekster begint vanaf 05 juni 1987.

1.9 Bij schrijven d.d. 05 augustus 2015 heeft verzoekster bezwaar aangetekend bij de Minister van Binnenlandse Zaken tegen de beschikking d.d. 19 maart 2015 voornoemd, aanvoerende dat:

  • zij niet per 01 januari 2008 moet worden benoemd in de functie van Hoofd Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten, doch per 01 januari 1996, omdat zij sindsdien is benoemd in die functie conform missive d.d. 04 november 1999 [nummer 7]/R.v.M., waarbij tevens is aangegeven dat de herwaardering van de secretaressen per 01 januari 2000 moest ingaan;
  • haar inpassing in FISO niet correct is, omdat zij per 01 januari 2009 op het maximum van schaal 17 (ABB) stond, weshalve zij bij de implementatie van FISO, ingepast diende te worden in schaal 8c P15;
  • haar ontheffing uit de functie en gelijktijdige buitenwerking stelling van haar representatietoelage te rekenen van 01 januari 2015, in strijd is met artikel 6 Pw en de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel, nu dit besluit met terugwerkende kracht in haar nadeel werkt.

1.10 Blijkens uittreebericht d.d. 09 september 2015, is aan verzoekster per 01 februari 2016 eervol ontslag verleend wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, waaruit blijkt dat verzoekster een voor pensioen geldige diensttijd heeft van 28 jaren 7 maanden en 26 dagen, te rekenen van 05 juni 1987.

2. De vordering en het verweer daartegen
2.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om:
I. bij vonnis:

a. de beschikking d.d. 19 maart 2015 Bureau [nummer 4], nietig te verklaren althans te vernietigen;
b. het uittreebericht d.d. 09 september 2015 kenmerk [kenmerk], nietig te verklaren, althans te vernietigen.
II. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verweerder te veroordelen om binnen een week na uitspraak van dit vonnis:
A. verzoekster in de gelegenheid te stellen de periode in tijdelijke dienst doorgebracht alsnog te mogen in kopen, als gevolg waarvan deze periode wordt meegeteld bij het bepalen voor de pensioen geldige diensttijd;
B. verzoekster, vanwege het totaal aantal dienstjaren na inkoop van de periode in tijdelijke dienst, in aanmerking te doen komen voor gratificatie in verband met het ambtsjubileum van 35 en 40 dienstjaren.
C. De beschikking d.d. 19 maart 2015 Bureau [nummer 4], in te trekken omdat deze in strijd is met de Personeels (lees: Personeelswet) en de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en een nieuwe beschikking met hetzelfde onderwerp uit te vaardigen. Dat verweerder in de gewijzigde beschikking het volgende in acht dient te nemen:
* dat daarin de juiste datum zal worden vermeld met betrekking tot de benoeming van verzoekster in de functie van ‘Hoofd Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten’;
* dat verweerder vervolgens ook zal aangeven in welke functie verzoekster per 01 januari 2008, bij de implementatie van het Functie Informatie Systeem Overheid (FISO) is ingepast;
* dat bij de inpassing tevens het juiste salaris te rekenen van de datum van inpassing dient te worden opgenomen;
* dat gezien het feit dat de ontheffing uit de functie niet met terugwerkende kracht mag geschieden, als gevolg daarvan de ontheffing van wege het tijdsverloop niet meer relevant is en achterwege gelaten dient te worden;
D. Om het uittreebericht te herzien, met dien verstande dat daarin de juiste functie bij uittreding zal worden vermeld en dat ook de periode in tijdelijke dienst na inkoop zal worden vermeld en meegeteld als voor pensioen geldige diensttijd;
E. verweerder te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of iedere keer dat hij in strijd met het onder paragraaf II punt A tot en met D gevorderd zal handelen;
F. verweerder te veroordelen om vanwege de onrechtmatige daad als gevolg waarvan verzoekster schade heeft geleden en nog lijdt, bij wege van schadevergoeding een bedrag van SRD 250.000,- aan verzoekster te voldoen;
G. verweerder te veroordelen in betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten van vastrecht ad SRD 60,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd:

  • dat verzoekster bij beschikking van 30 mei 2000 Bureau no. 269, in aanmerking is gekomen voor de haar toegezegde bevordering bij schrijven van verweerder d.d. 20 oktober 1999 [nummer 8], namelijk Stafambtenaar A 3e klasse (schaal 15);
  • dat gezien de herwaardering van de functie van ‘Secretaresse van een Onderdirecteur van een Departement van Algemeen Bestuur’ en het feit dat de minister reeds in 1999 heeft aangegeven dat verzoekster leiding geeft aan het Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten, verzoekster te rekenen van 01 januari 2000 recht had op de formele benoeming tot Hoofd van het desbetreffend Secretariaat;
  • dat gelet op het beleidsuitgangspunt met betrekking tot het bevorderen van ambtenaren in een naast hogere rang en dat verweerder nooit heeft aangegeven dat de beoordeling van verzoekster negatief is, zij na de laatste bevordering van 30 mei 2000, recht had op de hierna volgende bevorderingen: te rekenen van 30 mei 2003, de rang van Stafambtenaar A 2e klasse (schaal 16) en te rekenen van 30 mei 2006, de rang van Stafambtenaar A 1ste klasse (schaal 17), terwijl op basis van de beschikking van 24 juli 2009 [nummer 2], verzoekster pas te rekenen van 01 januari 2004 en te rekenen van 01 januari 2007 is bevorderd met terugwerkende kracht;
  • dat uit een rapport d.d. 01 augustus 2002 van [naam] en een advies van het Hoofd van de afdeling Centrale Personeelsadministratie d.d. 09 februari 2009, tevens blijkt dat de rechtspositie van verzoekster ernstig is geschaad;
  • dat verzoekster op 08 augustus 2008 een brief met betrekking tot haar rechtspositie heeft gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken, daar zij vanaf het jaar 2000 niet in aanmerking is gekomen voor de jaarlijkse bij wet vastgestelde periodieke verhoging;
  • dat op grond van het voorgaande voldoende is aangetoond dat verweerder de rechtspositie van verzoekster constant en systematisch heeft ondermijnd, waardoor zij ontzettend veel schade heeft geleden en nog lijdt;
  • dat zij pas bij beschikking van 19 maart 2015 is ingepast in FISO welke per 01 januari 2009 is geïmplementeerd, doch terugwerkt vanaf 01 januari 2008 en waarbij zij per 01 januari 2008 is ingepast als ’Hoofd Secretariaat van de Onderdirecteur Administratieve Diensten;
  • dat met deze inpassing de indruk wordt gewekt alsof zij pas per 01 januari 2008 deze functie uitoefent, terwijl zij gelet op de brief van 20 oktober 1999 en de missive van 04 november 1999 reeds voor 01 januari 2000 deze functie uitoefent;
  • dat zij bij schrijven van de directeur van Cultuur d.d. 02 februari 2009 is medegedeeld dat zij te rekenen van 15 december 2008 is overgeplaatst naar het kabinet van de Directeur;
  • dat zij eind juli 2011 heeft moeten ervaren dat haar representatietoelage niet meer is uitbetaald zonder dat zij daarvan in kennis is gesteld of dat de stopzetting bij beschikking is geschied;
  • dat zij op respectievelijk 24 februari 2014 en 10 april 2014 een brief heeft gericht aan verweerder met betrekking tot haar rechtspositie, doch tot op heden geen reactie heeft ontvangen;
  • dat zij op 04 november 2014 een brief heeft gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot haar rechtspositie, aangezien het Personeelsbeleid aldaar berust;
  • dat zij bij beschikking d.d. 19 maart 2015 Bureau [nummer 4], ontvangen op 20 augustus 2015, te rekenen van 01 januari 2015 uit haar functie is ontheven, hetgeen in strijd is met artikel 6 Pw en dus vatbaar is voor nietigverklaring;
  • dat zij bij schrijven d.d. 05 augustus 2015 haar beklag heeft gedaan bij de Minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de functie waarin zij was ingepast, het salaris dat zij als gevolg van die inpassing ontving en de ontheffing uit haar functie met terugwerkende kracht;
  • dat zij op 26 oktober 2015 een brief heeft gericht aan verweerder met betrekking tot het uittreebericht naar aanleiding van haar pensionering te rekenen van 01 februari 2016 in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op 11 januari 2016, waarin zij kenbaar heeft gemaakt dat haar ontheffing uit de functie in strijd is met de wet, weshalve zij de functie onverkort bekleedt; tevens is als datum van indiensttreding daarbij opgenomen dat zij op 24 oktober 1974 in tijdelijke dienst is getreden, terwijl de periode van haar tijdelijke dienst niet is meegerekend voor het berekenen van het aantal dienstjaren, ondanks daartoe ettelijke keren verzocht; eveneens is in voornoemd uittreebericht een onjuist salaris aangegeven.

2.3 De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat het Hof van Justitie on bevoegd is van de vordering kennis te nemen, althans dat verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, aangezien verzoekster tardief is met haar vordering onder I van het petitum, terwijl het Hof volgens verweerder ingevolge artikel 79 Pw onbevoegd is om van het gevorderde onder II van het petitum kennis te nemen.

3. De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof overweegt ten aanzien van het verweer van verweerder als zou het Hof op grond van artikel 79 lid 1 Pw onbevoegd zijn om van de vordering van verzoekster onder II van het petitum kennis te nemen, het navolgende.

3.1.1.Op grond van artikel 79 lid 1 Pw, oordeelt het Hof als ambtenarenrechter in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

3.1.2 Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan die in artikel 79 lid 1 Pw bedoelde. Het Hof begrijpt dat verzoekster onder 1a van het petitum vordert dat het besluit van verweerder tot haar ontheffing uit haar functie, de ingangsdatum van haar benoeming en de daarop volgende inpassing in FISO bij beschikking d.d. 19 maart 2015 Bureau [nummer 4] vernietigd dient te worden.Blijkens artikel 79 lid 2 van de Personeelswet zijn vatbaar voor nietigverklaring, besluiten betreffende het salaris en besluiten waarbij een tuchtstraf is opgelegd. Gelet hierop acht het Hof zich niet bevoegd kennis te nemen van de vordering regarderende voornoemde besluiten, nu deze besluiten geen besluiten in genoemde zin.

3.1.3 Met betrekking tot het onder 1b van het petitum gevorderde wordt overwogen dat het uittreebericht d.d. 09 september 2015 betrekking heeft op het pensioen van verzoekster. Ingevolge artikel 79 lid 2 sub A Pw, is het Hof derhalve bevoegd·ter kennis te nemen van het onder 1b van het petitum gevorderde.

3.1.4 Ten aanzien van het gevorderde onder II van het petitum overweegt het Hof dat blijkens artikel 79 Pw het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen onder A, B, C en D. Het Hof zal zich dan ook ten aanzien van het gevorderde onder II A, B, C en D onbevoegd verklaren.

3.1.5 Met betrekking tot het gevorderde onder II E, F en G wordt overwogen dat het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 sub b en c Pw wel bevoegd is om van die vorderingen kennis te nemen.

3.2 Met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer ten aanzien van het gevorderde onder 1b, wordt overwogen dat het uittreebericht is gedateerd 09 september 2015 en dat verzoekster op 26 oktober 2015 hiertegen bezwaar heeft aangetekend, zodat het ervoor wordt gehouden dat verzoekster in ieder geval op 26 oktober 2015 kennis droeg van het uittreebericht. Niet gesteld of gebleken is dat verzoekster tegen dit besluit beklag heeft ingediend, weshalve verzoekster ingevolge artikel 80 lid 1b Pw tardief is met het instellen van haar vordering, aangezien de vordering is ingediend op 29 januari 2016. Het Hof zal op grond van artikel 80 lid 1b Pw verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering onder 1b van het petitum.

3.3 Met betrekking tot het gevorderde onder II E overweegt het hof, dat nu het hof onbevoegd is van het gevorderde onder II A t/m D, kennis te nemen, dit onderdeel van het gevorderde, als sequeel daarvan, hetzelfde lot staat te wachten.

3.4 Ten aanzien van het gevorderde onder II F begrijpt het hof, dat verzoekster stelt dat verweerder in strijd met de Pw heeft gehandeld, door haar rechtspositie constant en systematisch te ondermijnen, waardoor zij ontzettend veel schade heeft geleden en nog lijdt. Met name stelt verzoekster dat zij bij beschikking van 24 juli 2009 no. 468/09, te rekenen van 01 januari 2004 en te rekenen van 01 januari 2007 is bevorderd met terugwerkende kracht en dat zij pas bij beschikking van 19 maart 2015 met terugwerkende kracht is ingepast in FISO in de functie van Hoofd Secretariaat Onderdirecteur Administratieve Diensten per 01 januari 2008, terwijl zij voornoemde functie reeds vóór 01 januari 2000 bekleedde. Voorts stelt verzoekster dat zij als gevolg van voornoemde benoeming niet correct is ingepast in FISO. Ten slotte stelt verzoekster dat de periode van haar tijdelijke indiensttreding vanaf 24 oktober 1974 niet is meegerekend voor het berekenen van het aantal dienstjaren.

3.5 Naar het oordeel van het hof is nergens uit gebleken dat verzoekster vanaf 24 oktober 1974 in dienst dan wel in tijdelijke dienst van verweerder was, terwijl verzoekster de beschikking d.d. 22 mei 2015 betreffende de toekenning van gratificatie aan haar in verband met haar 25-jarig ambtsjubileum, alsmede de beschikking d.d. 17 juni 2015 waarbij ten behoeve van verzoekster is ingekocht als dienstjaren het tijdvak van 05 juni 1987 tot en met 30 juni 1989 eveneens niet heeft weersproken. Evenmin heeft verzoekster de door verweerder overgelegde dienststaat ten name van verzoekster, betwist. Meer nog, in het gewraakte uittreebericht is duidelijk de telling van het aantal dienstjaren begonnen bij 05 juni 1987. Het onrechtmatig handelen van verweerder in deze is derhalve naar het oordeel van het hof op grond van het voorgaande niet komen vast te staan. Met betrekking tot de bevorderingen van verzoekster met terugwerkende kracht, overweegt het hof dat vaststaat, dat verzoekster de haar toekomende bevorderingen heeft gehad, terwijl naar het oordeel van het hof bevorderingen van een persoon naar een naast hogere rang niet iets is dat automatisch geschied, omdat deze afhankelijk zijn van de daarvoor geldende vereisten. Meer nog, de bevorderingen zijn toegekend met terugwerkende kracht, zodat verzoekster naar het oordeel van het hof daardoor niet is benadeeld. Dat de waarde van het geld is gedaald in de tussen liggende periode, kan naar het oordeel van het hof niet aan verweerder worden toegerekend, aangezien nergens uit is gebleken dat verzoekster in een eerder stadium heeft gevraagd om bevorderd te worden, zodat de slotsom is gerechtvaardigd dat de late bevordering mede aan haar te wijten is geweest. Met betrekking tot de benoeming van verzoekster als Hoofd Secretariaat Onderdirecteur Administratieve Diensten per 01 januari 2008 in stede van 01 januari 2000, overweegt het hof dat niet gesteld of gebleken is dat verzoekster vanaf 01 januari 2000 leiding gaf aan een secretariaat bestaande uit meerdere medewerkers, zodat het verzoek van verzoekster om per die datum in voornoemde functie benoemd te worden, niet gerechtvaardigd is. Op grond van het voorgaande is het onrechtmatig handelen van verweerder in deze evenmin komen vast te staan. Het hof overweegt dat, nu geoordeeld is dat er niets mis is met de ingangsdatum van de benoeming van verzoekster per 01 januari 2008, de inpassing in FISO conform voornoemd benoeming is geschied, terwijl er ten overvloede wordt overwogen dat er voor de inpassing in FISO, een apart orgaan in het leven is geroepen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Nu de voorgaande handelingen van verweerder naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig zijn jegens verzoekster c.q. niet in strijd zijn met de Personeelswet, zal het door verzoekster gevorderde onder II F als ongegrond worden afgewezen.

3.6 Het gevorderde onder II G zal worden afgewezen nu dit niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Personeelswet van hetgeen bij het Hof van Justitie als Ambtenarenrechter kan worden gevorderd.

4. De beslissing
Het Hof:

4.1 Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde onder Ia, II A, B, C, D en E van het petitum kennis te nemen;

4.2 Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar vordering vermeld onder Ib van het petitum;

4.3 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr.S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K3-2014-6

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03825
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 04 augustus 2014
Tegenspraak
Raadslieden : mr. L. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

VONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte], alias [verdachte],
geboren op [geboorte datum] in [land],
van beroep [beroep],
wonende aan [adres] in [land]
thans gevangen gehouden.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2013, 18 december 2013, 29 januari 2014, 17 februari 2014, 07 maart 2014, 28 maart 2014, 19 mei 2014, 30 mei 201420 juni 2014, 30 juni 2014, 31 juli 2014 en 04 augustus 2014.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

I. hij op of omstreeks 08 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

Tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, opzettelijk [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 15], en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14],althans een of meerder personen wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft(hebben) hij/zij verdachte(n) met dat opzet

  • zich begeven naar de plaats(en) waar die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen zich bevonden en/of (vervolgens)
  • bewapend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) en/of (vervolgens) overgestapt in het/de vaartuig(en) waarop die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen die zich bevonden en/of (vervolgens)
  • dreigend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout althans een of meer scherpe en/of een puntige en/of hard(e) voorwerp(en) te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans en of meerdere personen met een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen toegebracht op het lichaam en/of (vervolgens)
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en/of beroofd gehouden en/of (aldus) voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de kantonrechter
De verdediging blijft zich erop beroepen dat de kantonrechter onbevoegd is van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Voor wat betreft dit verweer verwijst de kantonrechter naar al de overwegingen van het ter zake op 28 maart 2014 gewezen tussenvonnis in welk tussenvonnis de kantonrechter het verweer heeft verworpen. De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van dit tussenvonnis.Met het verwerpen van het verweer acht de kantonrechter zich bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III bewezen verklaarde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 5], e.a. betreffende diefstal middels geweldpleging, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant],d.d. 08 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:“Nadat zij drie keren vis hadden gevangen, verplaatsten zij zich naar het gebied, dat bekend staat als “[gebied]”, nabij de monding van de [rivier]. Naar zijn zeggen was het op dat moment omstreeks 19.00 uur en was het al iets donkerder dan de schemering. Voorts dat hij luttele minuten daarna een rood/grijs/groengelakte [naam]-vissersboot, naar hun richting zag komen. Die boot herkende hij als te zijn van “[naam 15]”, die in [land] woont.Volgens zijn verdere verklaring zag hij dat er vijf mannen aan boord van de boot waren, waarbij één als kapitein fungeerde. Verder verklaarde hij dat, nadat die boot die van hun dichtbij was genaderd, hij gezien had dat vier mannen, gewapend met houwers, gelijk op zijn boot begonnen te slaan, alsook hun begonnen uit te schelden. Eveneens verklaart hij dat al de mannen hun gezichten hadden bedekt, althans dat zij gemaskerd waren. Voorts dat zij door die rovers geslagen werden met de platte zijde van de houwers en dat zij in de cabine moesten gaan liggen. Verder werd, volgens zijn verklaring, hun gehele visvangst door de rovers, uit de ijsbox gehaald en in de ander boot geladen, waarna hun kapitein in zijn eentje met hun boot wegvoer.Volgens zijn verdere verklaring hebben de rovers hedenochtend een ander [naam]-vissersboot beroofd met gebruikmaking van hun(slachtoffers) boot. Hij verklaarde dat hij bij die actie, onder dwang, de boot moest varen.(..) Hij verklaarde dat de buitenboordmotor van zijn boot vervolgens door de rovers werd vernield, waarna zij met achterlating van zijn boot, vandaar richting [land] vertrokken.”

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 16] gehuwd [naam 17], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie, [verbalisant 2], d.d. 09 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:“zij had bericht verkregen dat een van de vissersboten namelijk de ene met het opschrift [naam boot 2] door een aantal zee piraten dan wel rovers gekaapt was geworden en dat daarnaast de piraten van de vijf, – twee van de bemanningsleden hebben gegijzeld en de 3 anderen in hulpeloze toestand hebben achtergelaten in een kapotte boot waarvan de machine kapot was geslagen.
(…)
Naar aanleiding van de melding begaf ik mij hierna omstreeks 11.00 uur in opdracht van het hoofd van de recherche [district 2], (…) per politieboot via de [rivier 2] naar de opgegeven locatie voor het instellen van een onderzoek. Vanuit de aanmeer steiger van de heer [naam 4] aan de [rivier 2] werd in een tijd van ongeveer 2 uren gevaren naar de richting van de schelprits voor de kust van [district] maar hebben wij ter plaatse niets aangetroffen. Terwijl wij ons nog op de locatie bevonden werd op ander moment via mobiel informatie van de melder voornoemd verkregen, dat de bedoelde kapers door vermoedelijk door de door haar in [land] gemobiliseerde familie en kennissen op de rivier beschoten zijn geworden en thans richting [district 2] voerden.
(…)
Nadat wij vervolgens naar de richting van de boten waren gevaren werd mij door een man die zich voorstelde als [naam 18] mede gedeeld dat hij na de melding van de melder voornoemd samen met anderen de vijf kapers op zee had weten aan te houden en voorts een aantal gegijzelden heeft bevrijd. De aangehouden mannen en gegijzelden die zich allen in 1 van de boten bevonden werden hierna aan mij samen met een tweede boot overgedragen waarna [naam 18] met zijn bemanning in de 3e boot wegvoer.De boot waarin de kapers en gegijzelden zich bevonden betrof een blauw/geel/wit/rood houten boot met het opschrift [naam boot 2] en bleken zowel de verdachte als gegijzelden allen van [land] komaf te zijn. De tweede boot betreft eveneens een groen/grijs/rood houten vissersboot met het opschrift [naam 19].Bij de verdere ondervraging hebben de slachtoffers [naam 2] en [naam 12] afzonderlijk van elkaar verklaard dat hun boot op maandagavond nabij de kust van de [rivier] door de verdachten is gekaapt waarbij zij hun hebben mishanded en daarbij hun lading vis en andere goederen hebben weggenomen.De slachtoffers [naam 9] en [naam 10] hebben verklaard dat hun boot op dinsdagmorgen nabij de schelprits te [district] door de verdachten is gekaapt waarna zij eveneens zijn mishandeld en daarna 2 van hun zijn gegijzeld en meegenomen oor de kapers terwijl de overige 3 in een kapotte boot waarvan de motor was stuk geslagen aldaar in hulpeloze toestand werden achtergelaten.”

De verklaring van de verdachte i.v.m de rechtmatigheidtoetsing, afgelegd bij de Rechter-commissaris d.d. 17 juli 2013, waarbij hij het volgende heeft verklaard:“Ik geef toe een beroving op zee te hebben gepleegd. De plaats staat bekend als [gebied 2]. We hebben twee boten beroofd.De beroving heb ik onder dwang van de kapitein gepleegd. De kapitein had mij voorgehouden dat hij mij overboord zou gooien als ik niet meedeed aan de beroving. Het is de eerste keer dat ik met hen ben komen werken.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerst klasse, [verbalisant], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard: “(…) Terwijl wij verder voeren, vroeg ik wederom aan de anderen om de drijfnetten uit te zetten. Daarop antwoordde [naam 2] dat de drijfnetten niet meer uitgezet zouden worden, maar dat wij andere vissersboten zouden beroven. Op gegeven moment stemde ik toe, daar ik de mening was toegedaan dat ik alleen tegenover de ander vier stond.(…) Nadat wij ongeveer drie uren hadden gevaren, zagen wij een blauwgelakte [naam]-vissersboot ongeveer ter hoogte van de monding van de [rivier], alwaar twee palen staan. Die plek staat meer bekend als “[gebied 2]”. Wij besloten om die boot te overvallen. Wij bedekten onze gezichten met onze T-shirts, tot onder onze ogen en trokken wij onze T-shirts, die wij aanhadden over ons hoofd. [naam 2] had een rode pet opgedaan.(…) Gelijk nadat wij die boot dichtbij waren genaderd, zei [naam 4] aan de bemanningsleden dat zij in de cabine moesten gaan. Daarbij schold hij hun ook uit en sprong hij in die boot, waarna hij met zijn houwer de bemanningsleden enkele slagen toebracht. Vervolgens sprongen [naam 20] en ik, gevolgd door [naam 2] in die boot. Wij allen scholden de bemanningsleden uit en sommeerden hun om in de cabine te gaan. Bij die gelegenheid bracht ik kapitein [naam 21] ook een slag toe met de platte zijde van de houwer, waarmee ik gewapend was.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [naam], alias “[naam]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant ], d.d. 12 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Bij de monding aangekomen wees ik naar oostelijke richting toe waar wij heen moesten. Van daaruit voeren wij voor de [land 2] kust naar de plaats welke onder de visser bekend staat als “[gebied 3]”. Dit moet de plek zijn waar de tweede beroving had plaatsgevonden. Deze plaats ligt voor het kustgebied tussen [district 2] en [district]. Daar aangekomen wees ik de twee Walaba palen aan die uitstaken boven het waterspiegel.(…) Vervolgens heb ik de bootkapitein laten varen naar de plek waar de eerste beroving had plaatsgevonden die meer naar oostelijk richting gelegen is. Dat gebied ligt ook voor de kust van [district] en wel in de omgeving die bekend staat als “[gebied 2]”. De benaming komt door de twee hoge metalen masten die langs de kust van [district] te zien zijn. Na een poos te hebben gevaren naar noordelijke richting heb ik de bootkapitein stil laten houden en wees de geschatte plek aan waar de eerste beroving had plaatsgevonden.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [naam 2] meergenoemd “[naam 2]” of “[naam 2]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 3], d.d. 13 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Nadat ik mij goed had georiënteerd, had ik de politie twee palen in zee aangewezen waar ik de tweede beroving heb gepleegd. (…) Onder de vissers staat het bekend onder de naam “[gebied 3]”.(…) Ik heb aangegeven dat er verder gevaren moest worden naar de richting van de [rivier]. Vervolgens heb ik de plek aangewezen waar ik de eerste beroving heb gepleegd. Ik heb het kunnen herkenen omdat er vanuit de zee twee telefoonmasten te zien zijn die zich op het land bevinden. Ik moet u gelijk voorhouden, dat het gebied vanwege de twee masten onder vissers als “[gebied 2]” bekend staat. Daar heb ik de boot van “[naam boot 3]” beroofd.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 5], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 4], d.d. 09 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“In de nacht van 08 juli 2013 werden wij overvallen door zeepiraten danwel rovers.Nadat wij onze netten hadden opgehaald voerden wij in de richting van de monding van het district [district] met de bedoeling om in dat gebied te vissen. Dat gebied is bij de vissers bekend als “[gebied]”.(…) Toen de boot ons dicht genaderd had zag ik dat vier van de mannen een houwer bij zich hadden en daarmee heel hard op onze boot sloegen. De vier mannen hadden hun gezichten gedeeltelijk bedekt met een stuk lap.Tewijl ik op mijn buik lag, werd ik door een van hen met een eind hout mishandeld. Ogenblikken daarna gaven zij de opdracht aan een van mijn manschappen om de buiten boordmotor van onze boot op gang te brengen. Hierna voerden zij in de richting van [gebied 4]. Ik moet u verklaren dat hun boot eveneens achter ons voerde. Toen zij in de buurt van [gebied 4] aankwamen haalden zij onze vangst uit onze boot en laadden de vangst in hun boot. Behalve onze vangst namen zij ook een vat benzine en etenswaren die wij in onze boot hadden.In de vroege ochtend van de volgende dag brachten zij de buitenboord motor van de beide boten wederom op gang en voerden zij in de richting van [district 2]. Toen wij in de buurt van [gebied 5] aankwamen werd ik door een van hen geroepen. Toen ik opstond zag ik dat wij een andere boot tegemoet voerden.Toen wij de andere boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers in de boot en begonnen zij al de vijf manschappen van de boot met de platte kant van de houwer te mishandelen. De vijf mannen van de boot moesten eveneens op hun buik liggen.Toen ik de boot overnam merkte ik op dat de boot nog steeds op [land 2] wateren bevond maar in de richting van [land] opging. Op een gegeven moment zag ik wederom een vissersboot. Op aangeven van de rovers moest ik de boot tegemoet varen. Toen wij de boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers wederom in de boot en begonnen zij de manschappen van de boot te mishandelen met de platte kant van de houwers die zij bij zich hadden. Een van hen begon de buitenboordmotor te vernietigen.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 5], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 4], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“ Tijdens de eerste confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 9 positief herkend als te zijn een van de daders. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 3]. Ik heb hem zonder enige vorm van twijfels kunnen herkennen aan zijn oogwallen. Zijn oogwallen heeft namelijk een zwarte kleur. Hij is de tweede rover die in onze boot, gewapend met een houwer was gesprongen. Hij zwaaide met de houwer in mijn richting en hield mij voor dat hij mijn hoofd zou afhakken indien ik zou proberen mij te verzetten.

Bij de tweede groep heb ik de manspersoon met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [verdachte]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn lichaamsbouw. Hij is namelijk de langste van de groep. Hij is de eerste dader die in onze boot was gesprongen en ons sommeerde om plat te gaan liggen. Hij heeft mij ook een slag toegebracht met de platte kant van de houwer die hij bij zich had.

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 2], meergenoemd [naam 2].Zoals ik u eerder verklaard heb, ken ik [naam 2] van kleinsaf. Ik kan mij niet in hem vergissen dat hij een van de daders is. Ik heb [naam 2] kunnen herkennen aan zijn stem en zijn ogen. Ik moet u verklaren dat hij de enige was die tijdens de beroving zijn gezicht niet helemaal had bedekt.

Bij de vierde confrontatie heb ik de man met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam]. In mijn eerder afgelegde verklaring had ik verklaard dat ik de vijfde man niet had gezien. Toen ik met hem werd geconfronteerd schoot het mij te boven dat hij degene was die de boot van de rovers bestuurde. Ik heb hem aan zijn t-shirt kunnen herkennen. Tijdens de beroving had hij dezelfde gele oksel mauw t-shirt aan.Tijdens de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 2 positief kunnen herkennen. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 4]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn ogen en wangen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 13], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Wij arriveerden omstreeks 15.00 uur in de omgeving van de schelpritsen voor de kust.Daarna zijn wij dieper de zee opgevaren. Op maandag kwamen we dichtbij de kust en gooiden wij onze visnetten wederom en de volgende dag weer opgehaald. Terwijl wij de netten binnenhaalde, zag ik ongeveer drie kwart kilometer afstand een boot onze richting varen.Nadat de boot in kwestie ons van dichtbij genaderd was, zagen wij plotseling vier mannen te voorschijn komen, die gemaskerd en bewapend waren met houwers en stokken, waarmee zij zwaaiden. Daarnaast werden wij gesommeerd om ons in de visopslagruimte te verzamelen. Daarbij deden zij bedreigende uitlatingen dat als wij zulks zouden weigeren, dat zij ons zouden vermoorden.Een der hijackers vroeg aan [naam 22] om de vissen uit de opslagruimte uit te laden en deze in de opslagruimte van de hijackers in te laden. Terwijl hij bezig was de vissen in te laden werd hij door de hijackers geslagen met de platte zijde van de houwers. Vervolgens stapten de hijackers en de twee arbeiders in de boot en moesten wij op onze beurt in de hijackers boot overstappen. Ook werden de hoeveelheid vissen wederom in de opslagruimte van onze boot geladen. Daarna hebben zij de buitenboormachine onklaar gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 13], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
“ Bij de tweede confrontatie heb ik de man met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 3].

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 5 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [verdachte].

Bij de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 10 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam].”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 12], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2], d.d. 11 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“(…) zag ik een boot in onze richting toe varen. Op dat moment bevonden wij ons nabij de monding van het district [district]. Wij zochten niets erachter en gingen wij door met het binnenhalen van onze buit.Toen de boot ons dicht genaderd had sprongen drie gemaskerde mannen in onze boot. Zij waren allen gewapend met houwers.(…) Op dat moment hadden wij reeds drie kwart van onze netten binnengehaald. Op een gegeven moment kwam een van de rovers naar ons toe en moest ik samen met nog twee mannen in de boot waarmee de rovers waren overstappen. Vervolgens moesten twee mannen die in de boot waarmee de rovers waren in onze boot overstappen.Op dat moment was ik met nog vijf mannen achter gebleven. De vijf mannen en ik keken daarbij met lede ogen hoe de rovers weg voerden. Wij konden geen richting opgaan, aangezien zij de buitenboor motor onklaar hadden gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 12], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“(…) Op hetzelfde moment zag ik vier gemaskerde mannen, elk gewapend met een houwer vanuit de andere boot in ons boot springen. Uit vrees voor mijn leven temeer ik het reeds door had dat ik te maken had met zeepiraten, ben ik in de opslagruimte op mijn buik gaan liggen. De kapitein en de overige vissers van mijn boot zijn op sommatie van de rovers ook in de opslagruimte gaan liggen.(…) Toen zijn [naam 22] en [naam 23] eruit gegaan. Zij moesten in opdracht van de zeepiraten de vis van onze boot overhevelen in de boot van de zeepiraten.(..) In de boot van de zeepiraten trof ik drie andere vissers aan. De drie vissers hadden ons toen verteld dat die vier zeepiraten hun de vooravond ervoor hadden overvallen. Zij hadden ook aangegeven door de zeepiraten mishandeld te zijn geworden.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 12], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 4], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“Bij de eerste confrontatie herkende ik nummer 2 positief. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 3]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn postuur. Hij is namelijk kort en heeft hij een mollige postuur.Hij was degene geweest die mij de opdracht gaf om plat op mijn buik te gaan liggen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 10], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 6], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 10], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2], d.d. 10 juli 2013 bij wie het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik zojuist in de gelegenheid ben gesteld om verschillende verdachten met daartussen de onderhavige zaak aangehouden verdachten afzonderlijk te bezichtigen qua etniciteit/ras middels een spiegelconfrontatie en houdt u mij verder voor dat ik verdachte met het borstnummer 5 heb aangewezen als een van de hijacker. Verder dat hij zich als [naam 4] heeft opgegeven.Ik heb hem positief herkend dat zij een boot waarin mannen al schietend ons naderde, daarbij hadden zij hun masker van hun gezicht weggehaald en in het water gegooid.

U houdt mij voor dat ik bij de tweede keer verdachte met het borstnummer 1 heb aangewezenals een van de hijacker en is hij ten rechte geheten [naam 3].

Verder houdt u mij gelijk voor dat ik de laatste verdachte met het borstnummer 01 had aangewezen. Hij is ten rechte geheten [naam]. Ik moet u verklaren dat hij de kapitein is van de hijackers boot. Ik heb hem positief herkend, omdat hij geen masker op had bij het besturen van de boot.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 3], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 3], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik als eerst de manspersoon met het bordnummer 4 heb herkend en heb aangewezen als een van de zeerovers. U houdt mij voor dat die manspersoon zich heeft opgegeven als [naam 3]. Hij is de rover die ik in mijn eerste verklaring had beschreven als de hindoestaanse manspersoon met de baard. Hij is de manspersoon met de zesde vinger aan zijn linkerhand.Hij was degene geweest die met de platte zijde van de houwer de meeste van de slachtoffers sloeg. Hij is degene die de touw van de anker had doorgesneden om weg te varen toen de politie ons tegemoet kwamen. Ik heb onder meer door de herkenningsteken, in deze de zesde vinger aan zijn linkerhand, positief kunnen herkennen.(…) U houdt mij voor dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 5 heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn geheten [verdachte]. [verdachte] had ik in mijn eerder afgelegde verklaring aangegeven als een van de manspersonen die trekken heeft van een indiaan. Hij is een van de rovers geweest die ook gewapend was met een houwer en daarmee de slachtoffers mishandelde. [verdachte] is degene geweest die bij de overval van de tweede boot de visnet had doorgesneden.(…) U houdt mij voor dat ik daarna de manspersoon met het bordnummer 8 heb herkend en heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn genaamd, [naam]. Hij is degene die men kort nadat wij bevrijd werden van onze belagers door de politie, in de direkte omgeving werd aangehouden in een vissersboot.(…)Aan mij wordt voorgehouden dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 2, die [naam 2] is genaamd heb aangewezen. Ik heb hem gelijk kunnen herkennen omdat ik zijn gezicht goed heb onthouden. Een belangrijk herkenningsteken is de gouden tand die hij heeft. Hij is de leider van de groep rovers. Hij was degene die opdrachten gaf aan de overige drie rovers. Hij had mij en de kapitein, [naam 21] onder bedreiging opdrachten doen uitvoeren. Wij werden door hem bedreigd met de dood indien wij zijn opdrachten niet zouden uitvoeren.(…) U houdt mij voor dat ik als laatst de manspersoon met het bordnummer 3 heb aangewezen als een van de rovers en deelt u mij mede dat hij zich heeft opgegeven als te zijn, [naam 4]. Hij is de langste van het viertal. Hij heeft ook de met de houwer slagen toegebracht aan verschillende slachtoffers”

Het rapport van de MAS d.d. 15 augustus 2013.

7.1 Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

I. hij omstreeks 08 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2],

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, en 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 15], gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 15], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en [naam 11] en/of [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], opzettelijk [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 15], en [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij verdachten met dat opzet

  • zich begeven naar de plaatsen waar die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], zich bevonden en vervolgens
  • bewapend met een of meer houwers en een eindhout, en vervolgens overgestapt in het vaartuig waarop die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], en vervolgens
  • dreigend met een of meer houwers en een eindhout te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en vervolgens opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], met een of meer scherpe en harde voorwerpen een of meer slagen toegebracht op het lichaam en vervolgens
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden en aldus voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie
Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven:

  • ten aanzien van feiten I en II: diefstal middels geweldpleging, meermalen gepleegd.
  • ten aanzien van feit III: wederrechtelijke vrijheidsberoving

9. De strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachte zijn strafbaarheid opheft.

10. De strafmotivering
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 mei 2014 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder I, II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaren, met aftrek De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft zich, samen met de vier medeverdachten, schuldig gemaakt aan beroving van twee visvaartuigen op de [land 2] wateren. De verdachte en de medeverdachten zijn met een boot de [land 2] wateren, en wel dichtbij de kust van het district [district], opgegaan met de intentie om vissersboten te beroven. Hiertoe hebben zij de slachtoffers bedreigd met een houwer en stokken. Daarbij hebben zij er niet voor geschroomd de slachtoffers van hun vrijheid te beroven, waarbij zij tevens de motor van de boot hebben vernield. Het is slechts een gelukkig toeval geweest dat de weersomstandigheden op dat moment van dien aard waren dat er geen hevige winden waren en de vissersboot met slachtoffers niet is omgekanteld, of slachtoffers gewond zijn geraakt of verdronken in het water en de slachtoffers zijn gered door burgers die de informatie van deze beroving op zee hadden ontvangen.De vissers/slachtoffers, die zich in het kader van de uitoefening van hun beroep als visser op de [land 2] wateren bevonden, hebben gedurende deze handelingen van verdachte en zijn medeverdachten kennelijk angstige momenten beleefd. Het wordt de verdachte en zijn medeverdachten zwaar aangerekend dat zij slechts oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich niet hebben bekommerd om de angst, schade en overlast die zij aan de slachtoffers hebben toegebracht.Het is een feit van algemeen bekendheid dat het aantal gevallen van zeeroof de afgelopen periode is toegenomen. In de territoriale wateren van zowel [land 2] als [land] wordt overwegend aan visvangst gedaan, zodat de bedreiging van de veiligheid van vissersvaartuigen die in deze gebeiden aan visvangst doen, regionale economische gevolgen heeft. Beroving op zee is dan ook een ernstig feit, waartegen krachtig dient te worden opgetreden.De ernst van het feit gebiedt oplegging van gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Bij het bepalen van de op te leggen straf is voorts het volgende in aanmerking genomen:

  • de slachtoffers die, ondanks een rechtshulpverzoek, niet meer te achterhalen zijn en aldus niet ter terechtzitting gehoord konden worden waardoor hun verklaring afgelegd bij de politie niet ter terechtzitting getoetst kon worden en de kantonrechter genoodzaakt was die verhoren als voorgelezen te beschouwen. Door het niet ter terechtzitting kunnen horen van de slachtoffers kon niet worden waargenomen of de slachtoffers al dan niet letsels hebben opgelopen daar er geen geneeskundige verklaringen ten name van de slachtoffers zijn aangetroffen in het strafdossier;
  • Volgens de staat van inlichtingen first offender (nimmer veroordeeld terzake enig strafbare feit);
  • hoewel het niet mogelijk is gebleken om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te verifiëren, wil de kantonrechter aannemen dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte schrijnend zijn. De verdachte heeft verklaard dat al zijn familieleden in [land] wonen en hij geen bezoek krijgt. Bovengeschetste omstandighedenkunnen naar het oordeel van de kantonrechter echter niet een rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond en ziet de kantonrechter op grond van die feiten en omstandigheden aanleiding de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen ten opzichte van de eis van de vervolging. Alles overziend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

10. Toepasselijke wetsartikelen
Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen 9, 11, 44, 342 en 372 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De kantonrechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 7 (Zeven) jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt zijn gevangenhouding.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 04 augustus 2014.

De Griffier,De Kantonrechter,

mw.L.J. De Rooy
mr. S.M.M. Chu

SRU-K3-2014-5

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03826
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 04 augustus 2014
Tegenspraak
Raadslieden: mr. L.C.H. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

VONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [geboorte datum] in [land],
wonende aan [adres] in [land].
van beroep [beroep],
thans gevangen gehouden

1.Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van: 20 november 2013, 18 december 2013, 29 januari 2014, 17 februari 2014, 07 maart 2014, 28 maart 2014, 19 mei 2014, 30 mei 2014, 20 juni 2014, 30 juni 2014, 31 juli 2014 en 04 augustus 2014.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

I. hij op of omstreeks 08 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

Tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zousen meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervoglens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers) en/of eindhout, althans een of meer schepe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zousen meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervoglens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer9s) en/of eindhout, althans een of meer schepe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, opzettelijk [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14],althans een of meerder personen wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft(hebben) hij/zij verdachte(n) met dat opzet

  • zich begeven naar de plaats(en) waar die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen zich bevonden en/of (vervolgens)
  • bewapend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) en/of (vervolgens) overgestapt in het/de vaartuig(en) waarop die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen die zich bevonden en/of (vervolgens)
  • dreigend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout althans een of meer scherpe en/of een puntige en/of hard(e) voorwerp(en) te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans en of meerdere personen met een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen toegebracht op het lichaam en/of (vervolgens)
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en/of beroofd gehouden en/of (aldus) voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de kantonrechter
De verdediging blijft zich erop beroepen dat de kantonrechter onbevoegd is van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Voor wat betreft dit verweer verwijst de kantonrechter naar al de overwegingen van het terzake op 28 maart 2014 gewezen tussenvonnis in welk tussenvonnis de kantonrechter het verweer heeft verworpen. De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van dit tussenvonnis.Met het verwerpen van het verweer acht de kantonrechter zich bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III bewezen verklaarde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit I:
Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 15] gehuwd [naam 16], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie. De aangeefster deed aangifte dat één van haar vissersboten, die was uitgevaren om voor de kust van [district] visvangst te doen, door rovers was gekaapt en dat 2 van de 5 bemanningsleden waren gegijzeld en dat de 3 anderen in hulpeloze toestand waren achtergelaten in de boot, waarvan de machine was kapotgeslagen.De politie ging op onderzoek uit en werd er via een mobiel informatie ontvangen dat de vermoedelijke kapers richting [district 2] voeren, omdat zij door familieleden van de ontvoerden waren beschoten.Na intensieve opsporing werden op zee, in de [land 2] wateren, 3 boten gelokaliseerd. Een manspersoon stelde zich voor als [naam 17] en deelde de opsporingsambtenaren mede dat hij na de melding de 5 kapers heeft weten aan te houden en een aantal gegijzelden heeft bevrijd. De boot waarin de kapers en de gegijzelden zich bevonden betrof een wit/geel/rood/blauwe houten boot met opschrift “[naam boot]”. De 2de boot betrof eveneens een houten boot met opschrift “[naam boot 2]”.Bij de overdracht van de kapers, vertoonde de verdachte een schotverwonding aan zijn rechterarm. In de laadruimte van beide boten werd er een lading vis aangetroffen.

De verklaring van de verdachte zelf, afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 mei 2014, op welke terechtzitting hij bekent de beroving op zee te hebben gepleegd. Met name heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard:“Ik beken op 8 juli 2013 een beroving op zee te hebben gepleegd. Het was de eerste keer dat ik met de vissers ben gaan werken op zee. Ik blijf bij mijn verklaring, welke ik bij de politie heb afgelegd op 18 juli 2013. Ik weet niet exact wie met het plan is gekomen, omdat ik op dat moment sliep. Op 8 juli 2013 in de middaguren vond de eerste beroving plaats. Mijn taak was om een houwer vast te houden. De andere vissers hebben de beroving uitgevoerd.

Ik heb één van de slachtoffers op aanwijzing van de kapitein, met die houwer geslagen, omdat die niet wilde luisteren. Alles is zo aan toegegaan zoals ik dat aan de politie heb gezegd.Na de tweede boot te hebben beroofd, bevonden de slachtoffers zich samen met ons op de boot. Wij hebben de machine van de boot niet beschadigd. Tijdens de beroving had ik een T-shirt over mijn gezicht getrokken. De overige verdachten hadden ook hun gezicht bedekt. Toen de mensen die ons gearresteerd hebben op ons afkwamen, hebben wij de bedekking van het gezicht gehaald.De kapitein ([naam 18]) was bij de eerste beroving aanwezig en gaf hij de instructies. Bij de tweede beroving gaf “[naam 2]” ([naam 2]) de instructies. “

Het verhoor van de verdachte neergelegd in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van majoor van politie, [verbalisant] d.d. 18 juli 2014, tijdens welk verhoor de verdachte het volgende heeft verklaard. Hij was gewapend met een houwer tijdens de beroving. Er waren drie houwers, die later in de rivier zijn gegooid, kort voor hun aanhouding. Ook het eindhout waarmee zij de vissers hebben mishandeld tijdens de beroving is in de rivier gegooid. Hij heeft meegeholpen met het overhevelen van de visvangst en gasoline vanuit de boot van de slachtoffers naar de boot waarin zij voeren, terwijl de slachtoffers op dat moment van de overheveling onder dwang door [naam 2] werden gehouden.

Slachtoffers zeeroof zaak vermeld in pv d.d. 10 juli 2013 van agent van politie, [verbalisant 2], betreffende het resultaat van de gehouden keuze confrontatie d.m.v een confrontatiespiegel:

I [naam 19] alias “[naam 19]” heeft de volgende verdachten positief herkend: 1) [naam 20], zijnde de verdachte die hij kent van [adres 2] en werkt voor ene “[naam 20]”; 2) [naam 3], zijnde de verdachte die een stok in zijn hand hield. Met die stok sloeg de verdachte initimiderend op de ijsbox en deed ook bedreigende uitlating de slachtoffers hun nek te zullen kappen en hun overboord te gooien; 3) [naam 2], zijnde de verdachte die opdrachten gaf aan de overige verdachten. Hij heeft hem herkend aan zijn gouden tand en vreemde (krachtige) ogen; 4) [naam], zijnde de verdachte die een der slachtoffers sloeg met de platte zijde van een houwer.

III [naam 21] alias “[naam 21]” heeft de volgende verdachten positief herkend:1) [naam 20]. Hij herkende hem vanwege zijn postuur en lengte.

IV [naam 22] alias “[naam 22]” heeft de volgende verdachten positief herkend: 1) [verdachte], als te zijn de verdachte die hem slagen had toegebracht met de platte zijde van een houwer. Hij herkende hem aan zijn flauwe ogen; 2) [naam 20]. Nadat hij tijdens zijn aanhouding ontmaskerd werd had hij zijn gezicht gezien; 3) [naam 3], zijnde de verdachte die een stok in zijn hand hield. Met die stok sloeg de verdachte initimiderend op de ijsbox en deed ook bedreigende uitlating de slachtoffers hun nek te zullen kappen en hun overboord te gooien; 4) [naam 2], zijnde de verdachte die tijdens de beroving sloeg met een houwer op de ijsbox; 5) [naam], zijnde de verdachte die de boot voer met de gestolen vissen.

V [naam 14] alias “[naam 14]” heeft de volgende verdachten herkend: 1) [verdachte], als te zijn de verdachte die het meest bedreigdende uitlatingen deed; 2) [naam 20]. Hij herkende hem omdat hij zijn masker weghaalde toen hij door de politie werd aangehouden; 3) [naam 3], zijnde de verdachte die het slachtoffer [naam 23] met de platte zijde van de houwer sloeg. Hij had dezelfde groene trui aan; 4) [naam 2], zijnde de verdachte die opdrachten gaf aan de overige verdachten; 5)[naam], zijnde de kapitein van de verdachte boot.

VI [naam 23] alias “[naam 23]” heeft de volgende verdachten positief herkend: 1) [verdachte], als te zijn de verdachte die het meest bedreigende uitlatingen deed. Hij herkende hem ook aan zijn diepe oogkas en de oogwallen donker van kleur; 2) [naam 20]. Hij herkende hem omdat hij zijn masker weghaalde toen hij door de politie werd aangehouden. De verdachte had een houwer in zijn hand en deed bedreigende uitlatingen hen te zullen kappen en daarna overboard te gooien; 3) [naam 3], zijnde de verdachte die als eerste in hun boot kwam en hem bedreigde dat hij zijn hoofd zou afhakken; 4)[naam 2], zijnde de verdachte die hij kent van [land] als “[naam 2]”; 5)[naam], zijnde de kapitein van de verdachte boot.

VII [naam 4] alias “[naam 4]” heeft de volgende verdachten positief herkend:1) [verdachte], als te zijn de verdachte die de meest bedreigende uitlatingen deed. Hij herkende hem aan zijn oogkas en flauwe ogen; 2) [naam 20]. Hij herkende hem omdat hij zijn masker weghaalde toen hij door de politie werd aangehouden; 3) [naam 3], zijnde de verdachte die voor zijn arrestatie intimiderend met een houwer op een ijsbox sloeg en bedreigende uitlatingen deed; 4) [naam 2], zijnde de verdachte die opdrachten gaf aan de overige verdachten; 5) [naam], zijnde de verdachte die de verdachte boot voer.

[naam 24]
Feit 08 juli 2013: beroving [naam 3]-vissersboot “[naam 24]” van de eigenaar [naam 25] (“[naam 25]”) Verklaring van [naam 25] (‘[naam 25]”) bij pv d.d. 10 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 3]), blz 149:Zijn boot [naam 24] vertrok op 4 juli 2013 vanuit [land] omstreeks 13.00u met 5 bemanningsleden (kapitein [naam 26] en arbeiders). OP 9 juli 2013 belde [naam 27] hem op dat zijn boot met bemanningsleden op 8 juli 2013 beroofd is geworden.Verklaring van het slachtoffer [naam 23] (alias “[naam 23]”) bij pv d.d. 09 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 4]), blz 110: Nadat zij hun netten hadden opgehaald voeren zij in de richting van de monding van het district [district] met de bedoeling om in dat gebied te vissen. Dat gebied staat bij de vissers bekend als “[gebied]”. In dat gebied aangekomen wierpen zij hun netten in het water. Zij zagen een boot naar hun richting voeren en de boot was bij hem bekend als de boot van [naam 20]. Toen de boot hen dichtbij was genaderd zag hij vier manspersonen die hun gezicht gedeeltelijk hadden bedekt met een houwer en zij sleogen hard op de de boot [naam 24]. [naam 23] en zijn arbeiders werden gesommeerd plat te gaa ligen. Terwijl hij op zijn buik lag werd hij door van de rovers met een eind hout mishandeld. Een van zijn manschappen kreeg de opdracht de motor van de boot te starten en zij voeren achterna gezeten dor de andere boot richting [gebied 2]. In [gebied 2] aangekomen laadden zij de vangst van [naam 24] in hun boot. Zij name nook etenswaren en een vatbenize mee. De volgende ochtend brachten de rovers de motor van [naam 28] weer op gang en voeren richting [district 2]. Toen zij in de buurt van [gebied 3] waren, kreeg [naam 26] de opdracht om het roer over te nemen en moest hij de boot voeren naar een andere boot. Toen hij de andere boot genaderd was sprongen de vier rovers in de andere boot. De rovers begonnen ald e 5 manschappen van de boot met de platte kant van de houwer te mishandelen. De vangst van die boot werd overgeladen in [naam 24]. [naam 26] moest weer het roer overnemen. Toen hij dat deed merkte hij dat hij zich nog steeds op [land 2] wateren bevond. Hij moest in opdracht van de 4 roers een andere boot tegemoet varen. De rovers zijn op [land 2] wateren aangehouden en overgedragen aan de [land 2] politie.

Verklaring van het slachtoffer [naam 3] (alias “[naam 3]”) bij pv d.d. 09 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 5]), blz 117:

Zij hadden hun netten uitgegooid in de omgeveng van de [rivier]. Zij werden op hun boot overvallen door 4 manspersonen die gemaskerd waren. Hij, [naam 3] werd op zijn rug getrapt en werd gesommeerd de buitenboordmotor te starten. Hij werd met de platte kant van een houwer geslagen. De rover met de gouden tand gaf de opdrachten.

[naam boot 3]
Feit 09 juli 2013: beroving [naam]-vissersboot “[naam boot 3]” van de eigenares [naam 15], gehuwd [naam 16]

Verklaring van [naam 15], bij pv d.d. 12 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 3]), blz 159:Is werkzaam bij de Visserijdienst LVV. Haar man [naam 16] is eigenaar van de vissersboot “[naam boot]”.Tussen Dinsdagochtend 09 juli 2013 belde [naam 27] (alias “[naam 27]”) naar het toestel van [naam 16] met de mededeling dat tussen 7.00 u – 8.00u van die ochtend rovers met de boot [naam boot] ervandoor zijn gegaan en zij 2 van hun bemanningsleden hebben meegenomen. De 3 andere bemanningsleden hadden de rovers in een andere vissersboot overgeheveld, van welke vissersboot de buitenboordmotor defect was [naam 27] had [naam 15] medegedeeld dat de 3 arbeiders in de omgeving van de schelpbank, voor de kust van [district] zijn achtergelaten. Hij vroeg [naam 15] de [land 2] politie in te schakelen, hetgeen zij ook gelijk deed. Omstreeks 12.30u begaf [naam 15] zich naar het politiebureau [district 2] en belde [naam 27] waarij hij de onderinspecteur [naam 29] sprak.

Verklaring van [naam 23] (alias “[naam 23]”) bij pv d.d. 11 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 4]), blz 156:Het vissersvaartuig “[naam 23]” behoort toe aan een manspersoon die in [land] woont meergenoemd “[naam 20]”.Dit vaartuig heeft als registratienummer van LVV [naam boot 4], welke vergunning staat op naam van [naam 23]. De visvergunning heeft hij in het jaar 2012 aan [naam 20] afgegeven, onder voorwaarde dat zodra [naam 20] op zee gaat hij verplicht is ijs bij hem te kopen en zijn visvangst aan hem te verkopen.

Verklaring van [naam 14] (alias “[naam 27]” en [naam 27]) bij pv d.d. 10 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 5]), blz 152:Hij is al 3 jaren werkzaam voor [naam 15] en woont in [land]. Hij coordineert de werkzaamheden vanuit [land] en [naam 15] vanuit [land 2]. Op 05 juli 2013 verliet de boot [naam boot 3] de aanmeersteiger in [land] met 5 bemanningsleden (de kapiten [naam 20], de 4 arbeiders [naam 22], [naam 21], [naam 12] en [naam 30]).Op 9 juli 2013 werd hij omstreeks 11.30 door een arbeider van het visserijcentrum gebeld dat een van zijn vissersboten voor de kust van [district] door zeepiraten werd overvallen. Voorts dat 3 van zijn arbeiders in een andere boot werden overgeplaatst en de buitenboormotor werd gesaboteerd. De rovers voeren richting de [rivier]. Hij heeft “[naam 31]” die belast is met de coordinatie rondom visserij en tegengaan piraterij, ingeschakeld en voeren zij samen op zee om de rovers op te sporen. [naam 31] name en jachtgeweer mee en omstreeks 14.00u verlieten zij de [land] over en voeren met de de [rivier] richting zee. Na een uur varen zagen zij een vissersboot waarin vissers bezig waren met hun visnet. Niet ver van die boot zag [naam 21] 2 boten, die naast elkaar dobberden. Een van de boten heeft hij gelijk herkend als [naam boot]. Terwijl zij de richting de boot voeren, voer de boot [naam boot 3] weg. Zij zetten de achtervolging in en [naam 32] loste waarschuwingsschoten in de lucht. Toen zij de boot na het lossen van de waarschuwingsschoten naderden zagen zij 8 bemanningsleden. Daartussen bevond zich kapitein [naam 20] van een andere vissersboot, [naam 21] en [naam 31]. Op aanwijzign van [naam 21] ziijn de 4 rovers in beeld gebracht. De 4 rovers werden door [naam 21] en zijn arbeiders vastgebonden. Zij zagen nog een andere vissersboot in de omgeving en daarin bevond zich slechts 1 bemanningslid. Deze werd ook aangehouden en overgedragen aan [land 2] politie. De [land 2] Politie is [naam 21] tegemoet gedkomen nabij de monding van de [district 2] rivier.

Verklaring van het slachtoffer [naam 20] (alias “[naam 20]”) bij pv d.d. 10 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 2]]), blz 143:Is de kapitien van [naam boot 3]. Op de boot waren de andere bemanningsleden [naam 21], [naam 12], [naam 21] en [naam 33]. Ze hadden hun visnetten in de omgeving van de schelpritsen voor de kust uitgegooid. Terwijl zij hun netten binnenhaalden zagen zij ongeveer 3 kwrt kilometer afstand een boot hun richting varen. Toen de boot hen van dichtbij was genoaderd, kwamen plotseling 4 mannen tevoorschijn, die gemaskerd en gewapend waren met houwers en stokken. Zij zwaaiden met de houwers en stokken. [naam 22] moets de vissen uit de opslagruimte van de hijackers inladen. Terwijl hij inlaadde werd hij door de hijackers met de platte zijder van de houwers geslagen. De hijackers zijn hierna terug in hun boot gestapt en voeren weg. Na een half uur kwamen de hijackers terug. [naam 21] had zijn telefoon in een geheime hoek in de boeg bewaard. Arbeiders van [naam 20] werden gesommeerd ind e boot van de hijackers te stappen en hoeveelheid vissen die zich nog in de netten bevonden werden door de rovers meegenomen. De rovers hebben de buitenboord machine van de vissersboot onklaarbaar gemaakt.De hijackers hebben meegenomen: 3 vaten benzine, hoeveelheid vissoorten, levensmiddelen, een buitenboordmachine van het merk [kentekennummer] blauw/grijs gelakt, 4 tassen met kledingstukken, visnetten en het anker van de boot.

Verklaring van het slachtoffer [naam 12] (alias “[naam 12]”) bij pv d.d. 11 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 2]), blz 138:Zij waren bezig hun buit binnen te halen en zagen een boot in hun richting toe varen. Op dat moment bevonden zij zich nabij de monding van het district [district]. Toen de boot hen dicht genaderd was sprongen 3 gemaskerde mannen in hun boot. Zij waren allen gewapend met houwers. Zij werden gesommeerd om zich naar de opslagruimte te begeven. Hij hoorde hoe de rovers met hun buit vandoor gingen. Zij vertrokken, maar na een half uur keerden zij terug. [naam 12] moet met nog 2 mannen in de boot van de rovers overstappen en moesten 2 mannen vanuit de boot van de rovers in de boot van [naam 21] stappen. De rovers voeren weg met [naam 24].

Verklaring van het slachtoffer [naam 21] (alias “[naam 21]”) bij pv d.d. 10 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 5]), blz 133:Zij wierpen hun visnetten uit dichtbij de plaats die bij de vissers bekend staat als “[gebied 4]”. Het is ongeveerd 10 km verwijderd van de kust van [district]. Terwijl zij bezig waren hun visnetten uit het water te halen, zagen zij een ander vissersboot in hun richting varen. [naam 21] herkende die vissersboot als de boot van [naam boot 4]. Toen de boot hun dichtbij was genaderd sprongen 4 gemaskerde mannen op hun boot. [naam 21] heeft zich gelijk begeven naar de opslagruimte en is op zijn buik gaan liggen. [naam 21] en de overige bemanningsleden werden ook gesommeerd om zich naar de opslagruimte te begeven. [naam 21] en [naam 30] zijn door de rovers gesommeerd uit de opslagruimte te komen en die moesten de visvangst inladen in de boot van de rovers. De rovers voeren weg, maar kwamen na een kwartier terug. De rovers stapten over ind e boot [naam boot 3] en hevelden de vissen vanuit hun boot over in [naam boot 3]. [naam 20], en [naam 12] moeste in de boot van de piraten gaan. In de boot van de rovers troffen [naam 21] en [naam 20] nog 3 andere vissers aan. Die vertelden dat de rovers hen in de vooravond hadden overvallen. De zeepiraten hadden de buitenboordmotor van de boot [naam 24] beschadigd, waardoor de slachtoffers niet konden wegvoeren. Een van de vissers die in het bezit was van een telefoong belde naar [naam 21] om hem te verwittingen van de beroving. Zij konden de boot nog herstellen en voern nadien richting [land].

Verklaring van het slachtoffer [naam 23] (alias “[naam 23]”) bij pv d.d. 09 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 4]), blz 125:
Geeft een hele uiteenzetting wat de rovers hebben gedaan.

Verklaring van het slachtoffer [naam 14] (alias “[naam 14]”) bij pv d.d. 09 juli 2013 (opgemaakt door agent van politie, [verbalisant 3]), blz 104:
Zij voeren naar de richting van [district], alwaar zij hun visnetten hebben uitgezet. Hij zag een boot naar hun richting voeren, terwijl zij bezig waren hun visnetten weg te halen uit het water. De boot herkende hij als die van [naam boot 4]. In de boot zag hij 5 bemanningsleden.[naam 26] die voor [naam boot 4] werkt was de kapitein op de boot. Hij zag dat 4 manspersonen gemaskerd waren en met houwers in hun boot overstapten. [naam 26] en [naam 27] hebben hem verteld dat zij de avond ervoor door deze rovers beroofd waren.

7.4 Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1 De strafbaarheid
Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:
ten aanzien van feiten I en II: diefstal middels geweld, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit III: wederrechtelijke vrijheidsberoving

9. De strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De strafmotivering
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 mei 2014 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder I, II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaren, met aftrek.De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte is samen met en vier medeverdachten met een boot de Surinaamse wateren, en wel dichtbij de kust van het district [district], opgegaan met de intentie om vissersboten te beroven. Daarbij heeft hij tezamen met de anderen de slachtoffers bedreigd met een houwer en stokken, en heeft er zelfs niet voor geschroomd om tezamen met de anderen de slachtoffers van hun vrijheid te beroven, waarbij zij de motor van de boot hebben vernield. Het is slechts een gelukkig toeval geweest dat de weersomstandigheden op dat moment van dien aard waren dat er geen hevige winden waren en de vissersboot met slachtoffers niet is omgekanteld, of slachtoffers gewond zijn geraakt of verdronken in het water en de slachtoffers zijn gered door burgers die de informatie van deze beroving op de rivier hadden ontvangen.De vissers/slachtoffers, die zich in het kader van de uitoefening van hun beroep als visser op de Surinaamse wateren bevonden, hebben gedurende deze handelingen van verdachte en zijn medeverdachten kennelijk angstige momenten beleefd. Het wordt de verdachte en zijn medeverdachten zwaar aangerekend dat zij slechts oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich niet hebben bekommerd om de angst, schade en overlast die zij aan de slachtoffers hebben toegebracht.Het is een feit van algemeen bekendheid dat het aantal gevallen van zeeroof de afgelopen periode is toegenomen. In de territoriale wateren van zowel [land 2] als [land] wordt overwegend aan visvangst gedaan, zodat de bedreiging van de veiligheid van vissersvaartuigen die in deze gebieden aan visvangst doen, regionale economische gevolgen heeft. Beroving op de rivier is dan ook een ernstig feit, waartegen krachtig dient te worden opgetreden. De ernst van het feit gebied oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.Bij het bepalen van de op te leggen straf is voorts het volgende in aanmerking genomen:

  • de slachtoffers die, ondanks een rechtshulpverzoek, niet meer te achterhalen zijn en aldus niet ter terechtzitting gehoord konden worden. Hierdoor kon de kantonrechter hun verklaring die zij bij de politie hebben afgelegd niet toetsen en was de kantonrechter genoodzaakt die verhoren als voorgelezen te beschouwen;
  • verdachte was ten tijde van het begaan van de aan hem ten laste gelegde feiten minderjarig;
  • volgens de staat van inlichtingen is hij first offender (nimmer veroordeeld terzake enig strafbare feit);
  • verdachte is afkomstig uit [land]. Het is algemeen bekend dat veel vissers afkomstig uit [land] aan visvangst doen in de territoriale wateren van de Republiek [land 2] en dat dat hun bron van inkomsten is;
  • hoewel het niet mogelijk is gebleken om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te verifiëren, wil de kantonrechter aannemen dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte schrijnend zijn. De verdachte heeft verklaard dat al zijn familieleden in [land] wonen en hij de kostwinner in de familie is. Vanwege het feit dat zijn vader alcoholist is doet hij allerlei kleine werkjes om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en om zijn moeder te helpen.Bovengeschetste omstandigheden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter echter niet een rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond en ziet de kantonrechter op grond van die feiten en omstandigheden aanleiding de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen ten opzichte van de eis van de vervolging.Alles overziend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

10. Toepasselijke wetsartikelen
Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen 372 en 342 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De kantonrechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 4 (Vier) jaren en 6 (Zes) maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt zijn gevangenhouding.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 04 augustus 2014.

De Griffier,De Kantonrechter,

mw.L.J. De Rooy
mr. S.M.M. Chu

SRU-K3-2014-4

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03824
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 04 augustus 2014
Tegenspraak
Raadslieden: mr. L. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

VONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte], alias “[verdachte]”,
geboren op [geboorte datum] in [land],
van beroep [beroep],
[adres] in [land],
thans gevangen gehouden,

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2013, 18 december 2013, 29 januari 2014, 17 februari 2014, 07 maart 2014, 28 maart 2014, 19 mei 2014, 30 mei 201420 juni 2014, 30 juni 2014, 31 juli 2014 en 04 augustus 2014.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

I. hij op of omstreeks 08 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

Tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zousen meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, opzettelijk [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerder personen wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij/zij verdachte(n) met dat opzet

  • zich begeven naar de plaats(en) waar die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen zich bevonden en/of (vervolgens)
  • bewapend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) en/of (vervolgens) overgestapt in het/de vaartuig(en) waarop die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen die zich bevonden en/of (vervolgens)
  • dreigend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout althans een of meer scherpe en/of een puntige en/of hard(e) voorwerp(en) te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans en of meerdere personen met een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen toegebracht op het lichaam en/of (vervolgens)
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en/of beroofd gehouden en/of (aldus) voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de kantonrechter
De verdediging blijft zich erop beroepen dat de kantonrechter onbevoegd is van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Voor wat betreft dit verweer verwijst de kantonrechter naar al de overwegingen van het terzake op 28 maart 2014 gewezen tussenvonnis in welk tussenvonnis de kantonrechter het verweer heeft verworpen. De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van dit tussenvonnis.Met het verwerpen van het verweer acht de kantonrechter zich bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III bewezen verklaarde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 5], e.a. betreffende diefstal middels geweldpleging, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant], d.d. 08 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:“Nadat zij drie keren vis hadden gevangen, verplaatsten zij zich naar het gebied, dat bekend staat als “[gebied] ”, nabij de monding van de [rivier]. Naar zijn zeggen was het op dat moment omstreeks 19.00 uur en was het al iets donkerder dan de schemering. Voorts dat hij luttele minuten daarna een rood/grijs/groengelakte [naam]-vissersboot, naar hun richting zag komen. Die boot herkende hij als te zijn van “[naam 15]”, die in [land] woont.Volgens zijn verdere verklaring zag hij dat er vijf mannen aan boord van de boot waren, waarbij één als kapitein fungeerde. Verder verklaarde hij dat, nadat die boot die van hun dichtbij was genaderd, hij gezien had dat vier mannen, gewapend met houwers, gelijk op zijn boot begonnen te slaan, alsook hun begonnen uit te schelden.Eveneens verklaart hij dat al de mannen hun gezichten hadden bedekt, althans dat zij gemaskerd waren.Voorts dat zij door die rovers geslagen werden met de platte zijde van de houwers en dat zij in de cabine moesten gaan liggen.Verder werd, volgens zijn verklaring, hun gehele visvangst door de rovers, uit de ijsbox gehaald en in de ander boot geladen, waarna hun kapitein in zijn eentje met hun boot wegvoer.Volgens zijn verdere verklaring hebben de rovers hedenochtend een ander [naam]-vissersboot beroofd met gebruikmaking van hun(slachtoffers) boot. Hij verklaarde dat hij bij die actie, onder dwang, de boot moest varen.(..) Hij verklaarde dat de buitenboordmotor van zijn boot vervolgens door de rovers werd vernield, waarna zij met achterlating van zijn boot, vandaar richting [land] vertrokken.”

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 16] gehuwd [naam 17], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie, [verbalisant 2], d.d. 09 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:“zij had bericht verkregen dat een van de vissersboten namelijk de ene met het opschrift [naam boot 2] door een aantal zee piraten dan wel rovers gekaapt was geworden en dat daarnaast de piraten van de vijf, – twee van de bemanningsleden hebben gegijzeld en de 3 anderen in hulpeloze toestand hebben achtergelaten in een kapotte boot waarvan de machine kapot was geslagen.
(…)
Naar aanleiding van de melding begaf ik mij hierna omstreeks 11.00 uur in opdracht van het hoofd van de recherche [district 2], (…) per politieboot via de [rivier 2] naar de opgegeven locatie voor het instellen van een onderzoek. Vanuit de aanmeer steiger van de heer [naam 4] aan de [rivier 2] werd in een tijd van ongeveer 2 uren gevaren naar de richting van de schelprits voor de kust van [district] maar hebben wij ter plaatse niets aangetroffen. Terwijl wij ons nog op de locatie bevonden werd op ander moment via mobiel informatie van de melder voornoemd verkregen, dat de bedoelde kapers door vermoedelijk door de door haar in [land] gemobiliseerde familie en kennissen op de rivier beschoten zijn geworden en thans richting [district 2] voerden.
(…)
Nadat wij vervolgens naar de richting van de boten waren gevaren werd mij door een man die zich voorstelde als [naam 18] mede gedeeld dat hij na de melding van de melder voornoemd samen met anderen de vijf kapers op zee had weten aan te houden en voorts een aantal gegijzelden heeft bevrijd. De aangehouden mannen en gegijzelden die zich allen in 1 van de boten bevonden werden hierna aan mij samen met een tweede boot overgedragen waarna [naam 18] met zijn bemanning in de 3e boot wegvoer.De boot waarin de kapers en gegijzelden zich bevonden betrof een blauw/geel/wit/rood houten boot met het opschrift [naam boot 2] en bleken zowel de verdachte als gegijzelden allen van [land] komaf te zijn. De tweede boot betreft eveneens een groen/grijs/rood houten vissersboot met het opschrift [naam boot 3].Bij de verdere ondervraging hebben de slachtoffers [naam 2] en [naam 3] afzonderlijk van elkaar verklaard dat hun boot op maandagavond nabij de kust van de [rivier] door de verdachten is gekaapt waarbij zij hun hebben mishanded en daarbij hun lading vis en andere goederen hebben weggenomen.De slachtoffers [naam 19] en [naam 20] hebben verklaard dat hun boot op dinsdagmorgen nabij de schelprits te [district] door de verdachten is gekaapt waarna zij eveneens zijn mishandeld en daarna 2 van hun zijn gegijzeld en meegenomen oor de kapers terwijl de overige 3 in een kapotte boot waarvan de motor was stuk geslagen aldaar in hulpeloze toestand werden achtergelaten.”

Het proces-verbaal betreffende voorgeleiding na aanhouding gevolgd door de inverzekeringstelling d.d. 10 juli 2013, ambtsedig opgemaakt door de hulpofficier van justitie, [verbalisant 3], bij wie de verdachte het volgende heeft verklaard:“Ik geef toe in vereniging twee boten te hebben beroofd.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, [verdachte] “[verdachte]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 4], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Ik geef toe dat ik samen me de vier anderen, op afgelopen maandag 08 juli en dinsdag 09 juli dezes drie vissersboten op zee heb beroofd.”

De verklaring van de verdachte [verdachte], afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 mei 2014, op welke terechtzitting hij bekent de beroving op zee te hebben gepleegd. Met name heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard:“Ik beken het feit te hebben gepleegd. Het is niet goed om mensen te beroven, maar ik had geen andere keus. Ik heb het niet onder dwang gedaan.Ik had een stuk hout in mijn hand. Ik had het hout naast mijn ijsbox gezet. Ik heb niets met de slachtoffers gedaan.”

Het nader verhoor van de verdachte, [naam 4], neergelegd in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van majoor van politie, [verbalisant 5] d.d. 18 juli 2013, tijdens welk verhoor de verdachte het volgende heeft verklaard:“Ik was gewapend met een houwer en heb slechts 2 van de slachtoffers daarmede geslagen. Ik heb hen met de platte zijde van de houwer slagen toegebracht op hun bil.
(…)
Het betrof 2 vissers van de eerste boot die wij tegen 18.30 uur van maandag 08 juli 2013 hebben overvallen en 2 van de boot die wij op dinsdag 09 juli 2013 omstreeks 08.00 uur hebben overvallen.
(…)
De 4 vissers waren onder dwang van [naam 2] met ons meegegaan naar de tweede boot om de vissers te mishandelen.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [naam], alias “[naam]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 6], d.d. 12 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Bij de monding aangekomen wees ik naar oostelijke richting toe waar wij heen moesten. Van daaruit voeren wij voor de [land 2] kust naar de plaats welke onder de visser bekend staat als “[gebied 2]”. Dit moet de plek zijn waar de tweede beroving had plaatsgevonden. Deze plaats ligt voor het kustgebied tussen [district 2] en [district]. Daar aangekomen wees ik de twee Walaba palen aan die uitstaken boven het waterspiegel.
(…) Vervolgens heb ik de bootkapitein laten varen naar de plek waar de eerste beroving had plaatsgevonden die meer naar oostelijk richting gelegen is. Dat gebied ligt ook voor de kust van [district] en wel in de omgeving die bekend staat als “[gebied 3]”. De benaming komt door de twee hoge metalen masten die langs de kust van [district] te zien zijn. Na een poos te hebben gevaren naar noordelijke richting heb ik de bootkapitein stil laten houden en wees de geschatte plek aan waar de eerste beroving had plaatsgevonden.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, [naam 3] “[naam 3]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerst klasse, [verbalisant], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
“(…) Terwijl wij verder voeren, vroeg ik wederom aan de anderen om de drijfnetten uit te zetten. Daarop antwoordde [naam]. dat de drijfnetten niet meer uitgezet zouden worden, maar dat wij andere vissersboten zouden beroven. Op gegeven moment stemde ik toe, daar ik de mening was toegedaan dat ik alleen tegenover de ander vier stond.
(…) Nadat wij ongeveer drie uren hadden gevaren, zagen wij een blauwgelakte [naam]-vissersboot ongeveer ter hoogte van de monding van de [rivier], alwaar twee palen staan. Die plek staat meer bekend als “[gebied 3]”. Wij besloten om die boot te overvallen. Wij bedekten onze gezichten met onze T-shirts, tot onder onze ogen en trokken wij onze T-shirts, die wij aanhadden over ons hoofd. [naam 2] had een rode pet opgedaan.
(…) Gelijk nadat wij die boot dichtbij waren genaderd, zei [naam 4] aan de bemanningsleden dat zij in de cabine moesten gaan. Daarbij schold hij hun ook uit en sprong hij in die boot, waarna hij met zijn houwer de bemanningsleden enkele slagen toebracht.Vervolgens sprongen [verdachte] en ik, gevolgd door [naam 2] in die boot. Wij allen scholden de bemanningsleden uit en sommeerden hun om in de cabine te gaan. Bij die gelegenheid bracht ik kapitein [naam 21] ook een slag toe met de platte zijde van de houwer, waarmee ik gewapend was.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [naam 2] meergenoemd “[naam]” of “[naam 2]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 13 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Nadat ik mij goed had georiënteerd, had ik de politie twee palen in zee aangewezen waar ik de tweede beroving heb gepleegd.(…) Onder de vissers staat het bekend onder de naam “[gebied 2]”.(…) Ik heb aangegeven dat er verder gevaren moest worden naar de richting van de [rivier]. Vervolgens heb ik de plek aangewezen waar ik de eerste beroving heb gepleegd. Ik heb het kunnen herkenen omdat er vanuit de zee twee telefoonmasten te zien zijn die zich op het land bevinden. Ik moet u gelijk voorhouden, dat het gebied vanwege de twee masten onder vissers als “[gebied 3]” bekend staat. Daar heb ik de boot van “[naam boot 4]” beroofd.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 5] , ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 8], d.d. 09 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“In de nacht van 08 juli 2013 werden wij overvallen door zeepiraten danwel rovers.Nadat wij onze netten hadden opgehaald voerden wij in de richting van de monding van het district [district] met de bedoeling om in dat gebied te vissen. Dat gebied is bij de vissers bekend als “[gebied] ”.(…) Toen de boot ons dicht genaderd had zag ik dat vier van de mannen een houwer bij zich hadden en daarmee heel hard op onze boot sloegen. De vier mannen hadden hun gezichten gedeeltelijk bedekt met een stuk lap.Tewijl ik op mijn buik lag, werd ik door een van hen met een eind hout mishandeld. Ogenblikken daarna gaven zij de opdracht aan een van mijn manschappen om de buiten boordmotor van onze boot op gang te brengen. Hierna voerden zij in de richting van [gebied 4]. Ik moet u verklaren dat hun boot eveneens achter ons voerde. Toen zij in de buurt van [gebied 4] aankwamen haalden zij onze vangst uit onze boot en laadden de vangst in hun boot. Behalve onze vangst namen zij ook een vat benzine en etenswaren die wij in onze boot hadden.In de vroege ochtend van de volgende dag brachten zij de buitenboord motor van de beide boten wederom op gang en voerden zij in de richting van [district 2]. Toen wij in de buurt van [gebied 5] aankwamen werd ik door een van hen geroepen. Toen ik opstond zag ik dat wij een andere boot tegemoet voerden.Toen wij de andere boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers in de boot en begonnen zij al de vijf manschappen van de boot met de platte kant van de houwer te mishandelen. De vijf mannen van de boot moesten eveneens op hun buik liggen.Toen ik de boot overnam merkte ik op dat de boot nog steeds op [land 2] wateren bevond maar in de richting van [land] opging. Op een gegeven moment zag ik wederom een vissersboot. Op aangeven van de rovers moest ik de boot tegemoet varen. Toen wij de boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers wederom in de boot en begonnen zij de manschappen van de boot te mishandelen met de platte kant van de houwers die zij bij zich hadden. Een van hen begon de buitenboordmotor te vernietigen.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 5], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 8], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“ Tijdens de eerste confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 9 positief herkend als te zijn een van de daders. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 3]. Ik heb hem zonder enige vorm van twijfels kunnen herkennen aan zijn oogwallen. Zijn oogwallen heeft namelijk een zwarte kleur. Hij is de tweede rover die in onze boot, gewapend met een houwer was gesprongen. Hij zwaaide met de houwer in mijn richting en hield mij voor dat hij mijn hoofd zou afhakken indien ik zou proberen mij te verzetten.

Bij de tweede groep heb ik de manspersoon met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 3]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn lichaamsbouw. Hij is namelijk de langste van de groep. Hij is de eerste dader die in onze boot was gesprongen en ons sommeerde om plat te gaan liggen. Hij heeft mij ook een slag toegebracht met de platte kant van de houwer die hij bij zich had.

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 2], meergenoemd [naam 2].Zoals ik u eerder verklaard heb, ken ik [naam 2] van kleinsaf. Ik kan mij niet in hem vergissen dat hij een van de daders is. Ik heb [naam 2] kunnen herkennen aan zijn stem en zijn ogen. Ik moet u verklaren dat hij de enige was die tijdens de beroving zijn gezicht niet helemaal had bedekt.

Bij de vierde confrontatie heb ik de man met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam] . In mijn eerder afgelegde verklaring had ik verklaard dat ik de vijfde man niet had gezien. Toen ik met hem werd geconfronteerd schoot het mij te boven dat hij degene was die de boot van de rovers bestuurde. Ik heb hem aan zijn t-shirt kunnen herkennen. Tijdens de beroving had hij dezelfde gele oksel mauw t-shirt aan.

Tijdens de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 2 positief kunnen herkennen. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 4] . Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn ogen en wangen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 5], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2] d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Wij arriveerden omstreeks 15.00 uur in de omgeving van de schelpritsen voor de kust.Daarna zijn wij dieper de zee opgevaren. Op maandag kwamen we dichtbij de kust en gooiden wij onze visnetten wederom en de volgende dag weer opgehaald. Terwijl wij de netten binnenhaalde, zag ik ongeveer drie kwart kilometer afstand een boot onze richting varen.Nadat de boot in kwestie ons van dichtbij genaderd was, zagen wij plotseling vier mannen te voorschijn komen, die gemaskerd en bewapend waren met houwers en stokken, waarmee zij zwaaiden. Daarnaast werden wij gesommeerd om ons in de visopslagruimte te verzamelen. Daarbij deden zij bedreigende uitlatingen dat als wij zulks zouden weigeren, dat zij ons zouden vermoorden.Een der hijackers vroeg aan [naam 23] om de vissen uit de opslagruimte uit te laden en deze in de opslagruimte van de hijackers in te laden. Terwijl hij bezig was de vissen in te laden werd hij door de hijackers geslagen met de platte zijde van de houwers.Vervolgens stapten de hijackers en de twee arbeiders in de boot en moesten wij op onze beurt in de hijackers boot overstappen. Ook werden de hoeveelheid vissen wederom in de opslagruimte van onze boot geladen. Daarna hebben zij de buitenboormachine onklaar gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 13], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“ Bij de tweede confrontatie heb ik de man met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 3].

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 5 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 3] .

Bij de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 10 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam] .”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 12], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2],d.d. 11 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:
“(…) zag ik een boot in onze richting toe varen. Op dat moment bevonden wij ons nabij de monding van het district [district]. Wij zochten niets erachter en gingen wij door met het binnenhalen van onze buit. Toen de boot ons dicht genaderd had sprongen drie gemaskerde mannen in onze boot. Zij waren allen gewapend met houwers.
(…) Op dat moment hadden wij reeds drie kwart van onze netten binnengehaald. Op een gegeven moment kwam een van de rovers naar ons toe en moest ik samen met nog twee mannen in de boot waarmee de rovers waren overstappen. Vervolgens moesten twee mannen die in de boot waarmee de rovers waren in onze boot overstappen.Op dat moment was ik met nog vijf mannen achter gebleven. De vijf mannen en ik keken daarbij met lede ogen hoe de rovers weg voerden. Wij konden geen richting opgaan, aangezien zij de buitenboor motor onklaar hadden gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 11], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 9],d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:
“(…) Op hetzelfde moment zag ik vier gemaskerde mannen, elk gewapend met een houwer vanuit de andere boot in ons boot springen. Uit vrees voor mijn leven temeer ik het reeds door had dat ik te maken had met zeepiraten, ben ik in de opslagruimte op mijn buik gaan liggen. De kapitein en de overige vissers van mijn boot zijn op sommatie van de rovers ook in de opslagruimte gaan liggen.
(…) Toen zijn [naam 23] en [naam 24] eruit gegaan. Zij moesten in opdracht van de zeepiraten de vis van onze boot overhevelen in de boot van de zeepiraten.
(..) In de boot van de zeepiraten trof ik drie andere vissers aan. De drie vissers hadden ons toen verteld dat die vier zeepiraten hun de vooravond ervoor hadden overvallen. Zij hadden ook aangegeven door de zeepiraten mishandeld te zijn geworden.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 11], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 8], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“Bij de eerste confrontatie herkende ik nummer 2 positief. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 4]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn [gebied 2] uur. Hij is namelijk kort en heeft hij een mollige [gebied 2] uur.Hij was degene geweest die mij de opdracht gaf om plat op mijn buik te gaan liggen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 10], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 10], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 10], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 2], d.d. 10 juli 2013 bij wie het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik zojuist in de gelegenheid ben gesteld om verschillende verdachten met daartussen de onderhavige zaak aangehouden verdachten afzonderlijk te bezichtigen qua etniciteit/ras middels een spiegelconfrontatie en houdt u mij verder voor dat ik verdachte met het borstnummer 5 heb aangewezen als een van de hijacker. Verder dat hij zich als [naam 4] heeft opgegeven.Ik heb hem positief herkend dat zij een boot waarin mannen al schietend ons naderde, daarbij hadden zij hun masker van hun gezicht weggehaald en in het water gegooid.

U houdt mij voor dat ik bij de tweede keer verdachte met het borstnummer 1 heb aangewezen als een van de hijacker en is hij ten rechte geheten [naam 3].

Verder houdt u mij gelijk voor dat ik de laatste verdachte met het borstnummer 01 had aangewezen. Hij is ten rechte geheten [naam] . Ik moet u verklaren dat hij de kapitein is van de hijackers boot. Ik heb hem positief herkend, omdat hij geen masker op had bij het besturen van de boot.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 6], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 9], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 6], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 9], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik als eerst de manspersoon met het bordnummer 4 heb herkend en heb aangewezen als een van de zeerovers.U houdt mij voor dat die manspersoon zich heeft opgegeven als [naam 3].Hij is de rover die ik in mijn eerste verklaring had beschreven als de hindoestaanse manspersoon met de baard.Hij is de manspersoon met de zesde vinger aan zijn linkerhand.Hij was degene geweest die met de platte zijde van de houwer de meeste van de slachtoffers sloeg.Hij is degene die de touw van de anker had doorgesneden om weg te varen toen de politie ons tegemoet kwamen.Ik heb onder meer door de herkenningsteken, in deze de zesde vinger aan zijn linkerhand, positief kunnen herkennen.
(…) U houdt mij voor dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 5 heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn geheten [naam 3] .had ik in mijn eerder afgelegde verklaring aangegeven als een van de manspersonen die trekken heeft van een indiaan.Hij is een van de rovers geweest die ook gewapend was met een houwer en daarmee de slachtoffers mishandelde.[naam 3] is degene geweest die bij de overval van de tweede boot de visnet had doorgesneden.
(…) U houdt mij voor dat ik daarna de manspersoon met het bordnummer 8 heb herkend en heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn genaamd, [naam].Hij is degene die men kort nadat wij bevrijd werden van onze belagers door de politie, in de direkte omgeving werd aangehouden in een vissersboot.
(…)Aan mij wordt voorgehouden dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 2, die [naam 2] is genaamd heb aangewezen. Ik heb hem gelijk kunnen herkennen omdat ik zijn gezicht goed heb onthouden. Een belangrijk herkenningsteken is de gouden tand die hij heeft. Hij is de leider van de groep rovers. Hij was degene die opdrachten gaf aan de overige drie rovers. Hij had mij en de kapitein, [naam 21] onder bedreiging opdrachten doen uitvoeren. Wij werden door hem bedreigd met de dood indien wij zijn opdrachten niet zouden uitvoeren.
(…) U houdt mij voor dat ik als laatst de manspersoon met het bordnummer 3 heb aangewezen als een van de rovers en deelt u mij mede dat hij zich heeft opgegeven als te zijn, [naam 4] . Hij is de langste van het viertal. Hij heeft ook de met de houwer slagen toegebracht aan verschillende slachtoffers”

Het rapport van de MAS d.d. 15 augustus 2013.

7.1 Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

I. hij omstreeks 08 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district],

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, en 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 9], gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 9], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district],:

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en [naam 11] en/of [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district],:

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], opzettelijk [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 9], en [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij verdachten met dat opzet

  • zich begeven naar de plaatsen waar die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], zich bevonden en vervolgens
  • bewapend met een of meer houwers en een eindhout, en vervolgens overgestapt in het vaartuig waarop die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], en vervolgens
  • dreigend met een of meer houwers en een eindhout te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en vervolgens opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], met een of meer scherpe en harde voorwerpen een of meer slagen toegebracht op het lichaam en vervolgens
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden en aldus voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie
Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven:

  • ten aanzien van feiten I en II: diefstal middels geweldpleging, meermalen gepleegd.
  • Ten aanzien van feit III: wederrechtelijke vrijheidsberoving

9. De strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De strafmotivering
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 mei 2014 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder I, II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaren, met aftrek.De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft zich, samen met de vier medeverdachten, schuldig gemaakt aan beroving van twee visvaartuigen op de [land 2] wateren. De verdachte en de medeverdachten zijn met een boot de [land 2] wateren, en wel dichtbij de kust van het district [district], opgegaan met de intentie om vissersboten te beroven. Hiertoe hebben zij de slachtoffers bedreigd met een houwer en een stok, en hebben zij er niet voor geschroomd de slachtoffers van hun vrijheid te beroven, waarbij zij de motor van de boot hebben vernield. Het is slechts een gelukkig toeval geweest dat de weersomstandigheden op dat moment van dien aard waren dat er geen hevige winden waren en de vissersboot met slachtoffers niet is omgekanteld, of slachtoffers gewond zijn geraakt of verdronken in het water en de slachtoffers zijn gered door burgers die de informatie van deze beroving op zee hadden ontvangen.De vissers/slachtoffers, die zich in het kader van de uitoefening van hun beroep als visser op de [land 2] wateren bevonden, hebben gedurende deze handelingen van verdachte en zijn medeverdachten kennelijk angstige momenten beleefd. Het wordt de verdachte en zijn medeverdachten zwaar aangerekend dat zij slechts oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich niet hebben bekommerd om de angst, schade en overlast die zij aan de slachtoffers hebben toegebracht.Het is een feit van algemeen bekendheid dat het aantal gevallen van zeeroof de afgelopen periode is toegenomen. In de territoriale wateren van zowel [land 2] als [land] wordt overwegend aan visvangst gedaan, zodat de bedreiging van de veiligheid van vissersvaartuigen die in deze gebeiden aan visvangst doen, regionale economische gevolgen heeft.Beroving op zee is dan ook een ernstig feit, waartegen krachtig dient te worden opgetreden.De ernst van het feit gebiedt oplegging van gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.Bij het bepalen van de op te leggen straf is voorts het volgende in aanmerking genomen:

  • de slachtoffers die, ondanks een rechtshulpverzoek, niet meer te achterhalen zijn en aldus niet ter terechtzitting gehoord konden worden waardoor hun verklaring afgelegd bij de politie niet ter terechtzitting getoetst kon worden en de kantonrechter genoodzaakt was die verhoren als voorgelezen te beschouwen. Door het niet ter terechtzitting kunnen horen van de slachtoffers kon niet worden waargenomen of de slachtoffers al dan niet letsels hebben opgelopen daar er geen geneeskundige verklaringen ten name van de slachtoffers zijn aangetroffen in het strafdossier;
  • volgens de staat van inlichtingen is verdachte first offender (nimmer veroordeeld terzake enig strafbare feit).De verdachte is afkomstig uit [land].Het is algemeen bekend dat veel vissers afkomstig uit [land] aan visvangst doen in de territoriale wateren van de Republiek [land 2] en dat dat hun bron van inkomsten is;
  • hoewel het niet mogelijk is gebleken om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te verifiëren, wil de kantonrechter aannemen dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte schrijnend zijn.Bovengeschetste omstandigheden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter echter niet een rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten.Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond en ziet de kantonrechter op grond van die feiten en omstandigheden aanleiding de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen ten opzichte van de eis van de vervolging.Alles overziend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

11. Toepasselijke wetsartikelen
Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen 9, 11, 44, 342 en 372 Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De kantonrechter:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 7(ZEVEN) jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt zijn gevangenhouding.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw.L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 04 augustus 2014.

De griffier, De kantonrechter,

mw. L. de Rooy
mr. S.M.M. Chu