SRU-K3-2014-3

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03823
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 04 augustus 2014
Tegenspraak
Raadslieden: mr. L. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

VONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte], alias “[verdachte]”,
geboren op [geboorte datum] in [land],
wonende aan [adres] in [land].
van beroep [beroep],
thans gevangen gehouden

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2013, 18 december 2013, 29 januari 2014, 17 februari 2014, 07 maart 2014, 28 maart 2014, 19 mei 2014, 30 mei 201420 juni 2014, 30 juni 2014, 31 juli 2014 en 04 augustus 2014.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

I. hij op of omstreeks 08 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:Tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4], althans alleen, opzettelijk [naam 5], en/of [naam 6] en/of ene [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9], en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerder personen wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij/zij verdachte(n) met dat opzet

  • zich begeven naar de plaats(en) waar die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen zich bevonden en/of (vervolgens)
  • bewapend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) en/of (vervolgens) overgestapt in het/de vaartuig(en) waarop die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans een of meerdere personen die zich bevonden en/of (vervolgens)
  • dreigend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout althans een of meer scherpe en/of een puntige en/of hard(e) voorwerp(en) te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14], althans en of meerdere personen met een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen toegebracht op het lichaam en/of (vervolgens)
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en/of beroofd gehouden en/of (aldus) voor voo[verdachte]oemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de kantonrechter
De verdediging blijft zich erop beroepen dat de kantonrechter onbevoegd is van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Voor wat betreft dit verweer verwijst de kantonrechter naar al de overwegingen van het ter zake op 28 maart 2014 gewezen tussenvonnis in welk tussenvonnis de kantonrechter het verweer heeft verworpen. De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van dit tussenvonnis.Met het verwerpen van het verweer acht de kantonrechter zich bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III bewezen verklaarde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 5], e.a. betreffende diefstal middels geweldpleging, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant], d.d. 08 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:“Nadat zij drie keren vis hadden gevangen, verplaatsten zij zich naar het gebied, dat bekend staat als “[gebied]”, nabij de monding van de [rivier]. Naar zijn zeggen was het op dat moment omstreeks 19.00 uur en was het al iets donkerder dan de schemering. Voorts dat hij luttele minuten daa[verdachte]a een rood/grijs/groengelakte [naam]-vissersboot, naar hun richting zag komen. Die boot herkende hij als te zijn van “[naam 15]”, die in [land] woont.Volgens zijn verdere verklaring zag hij dat er vijf mannen aan boord van de boot waren, waarbij één als kapitein fungeerde. Verder verklaarde hij dat, nadat die boot die van hun dichtbij was genaderd, hij gezien had dat vier mannen, gewapend met houwers, gelijk op zijn boot begonnen te slaan, alsook hun begonnen uit te schelden. Eveneens verklaart hij dat al de mannen hun gezichten hadden bedekt, althans dat zij gemaskerd waren. Voorts dat zij door die rovers geslagen werden met de platte zijde van de houwers en dat zij in de cabine moesten gaan liggen. Verder werd, volgens zijn verklaring, hun gehele visvangst door de rovers, uit de ijsbox gehaald en in de ander boot geladen, waarna hun kapitein in zijn eentje met hun boot wegvoer.Volgens zijn verdere verklaring hebben de rovers hedenochtend een ander [naam]-vissersboot beroofd met gebruikmaking van hun(slachtoffers) boot. Hij verklaarde dat hij bij die actie, onder dwang, de boot moest varen.(..) Hij verklaarde dat de buitenboordmotor van zijn boot vervolgens door de rovers werd vernield, waarna zij met achterlating van zijn boot, vandaar richting [land] vertrokken.”

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 16] gehuwd [naam 17], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie, [verbalisant 2], d.d. 09 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:“zij had bericht verkregen dat een van de vissersboten namelijk de ene met het opschrift [naam boot 2] door een aantal zee piraten dan wel rovers gekaapt was geworden en dat daarnaast de piraten van de vijf, – twee van de bemanningsleden hebben gegijzeld en de 3 anderen in hulpeloze toestand hebben achtergelaten in een kapotte boot waarvan de machine kapot was geslagen.
(…)
Naar aanleiding van de melding begaf ik mij hierna omstreeks 11.00 uur in opdracht van het hoofd van de recherche [district 2], (…) per politieboot via de [rivier 2] naar de opgegeven locatie voor het instellen van een onderzoek. Vanuit de aanmeer steiger van de heer [naam 8] aan de [rivier 2] werd in een tijd van ongeveer 2 uren gevaren naar de richting van de schelprits voor de kust van [district] maar hebben wij ter plaatse niets aangetroffen. Terwijl wij ons nog op de locatie bevonden werd op ander moment via mobiel informatie van de melder voornoemd verkregen, dat de bedoelde kapers door vermoedelijk door de door haar in [land] gemobiliseerde familie en kennissen op de rivier beschoten zijn geworden en thans richting [district 2] voerden.
(…)
Nadat wij vervolgens naar de richting van de boten waren gevaren werd mij door een man die zich voorstelde als [naam 18] mede gedeeld dat hij na de melding van de melder voornoemd samen met anderen de vijf kapers op zee had weten aan te houden en voorts een aantal gegijzelden heeft bevrijd.De aangehouden mannen en gegijzelden die zich allen in 1 van de boten bevonden werden hierna aan mij samen met een tweede boot overgedragen waarna [naam 18] met zijn bemanning in de 3e boot wegvoer.De boot waarin de kapers en gegijzelden zich bevonden betrof een blauw/geel/wit/rood houten boot met het opschrift [naam boot 2] en bleken zowel de verdachte als gegijzelden allen van [land] komaf te zijn. De tweede boot betreft eveneens een groen/grijs/rood houten vissersboot met het opschrift [naam boot 3].Bij de verdere ondervraging hebben de slachtoffers [naam] en [naam 8] afzonderlijk van elkaar verklaard dat hun boot op maandagavond nabij de kust van de [rivier] door de verdachten is gekaapt waarbij zij hun hebben mishanded en daarbij hun lading vis en andere goederen hebben weggenomen. De slachtoffers [naam 19] en [naam 20] hebben verklaard dat hun boot op dinsdagmorgen nabij de schelprits te [district] door de verdachten is gekaapt waarna zij eveneens zijn mishandeld en daarna 2 van hun zijn gegijzeld en meegenomen oor de kapers terwijl de overige 3 in een kapotte boot waarvan de motor was stuk geslagen aldaar in hulpeloze toestand werden achtergelaten.”

De verklaring van de verdachte i.v.m de rechtmatigheidtoetsing, afgelegd bij de Rechter-commissaris d.d. 17 juli 2013, waarbij hij het volgende heeft verklaard:“ Ik geef toe een beroving op zee te hebben gepleegd met anderen. We hebben twee boten beroofd.”

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 mei 2014, op welke terechtzitting hij bekent de beroving op zee te hebben gepleegd.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [verdachte], alias “[verdachte]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 3], d.d. 12 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Bij de monding aangekomen wees ik naar oostelijke richting toe waar wij heen moesten. Van daaruit voeren wij voor de [land 2] kust naar de plaats welke onder de visser bekend staat als “[gebied 2]”. Dit moet de plek zijn waar de tweede beroving had plaatsgevonden. Deze plaats ligt voor het kustgebied tussen [district 2] en [district]. Daar aangekomen wees ik de twee Walaba palen aan die uitstaken boven het waterspiegel.(…) Vervolgens heb ik de bootkapitein laten varen naar de plek waar de eerste beroving had plaatsgevonden die meer naar oostelijk richting gelegen is. Dat gebied ligt ook voor de kust van [district] en wel in de omgeving die bekend staat als “[gebied 3]”. De benaming komt door de twee hoge metalen masten die langs de kust van [district] te zien zijn. Na een poos te hebben gevaren naar noordelijke richting heb ik de bootkapitein stil laten houden en wees de geschatte plek aan waar de eerste beroving had plaatsgevonden.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, [naam 2] “[naam 2]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 4], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Ik geef toe dat ik samen me de vier anderen, op afgelopen maandag 08 juli en dinsdag 09 juli dezes drie vissersboten op zee heb beroofd.”

Het nader verhoor van de verdachte, [naam 4], neergelegd in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van majoor van politie, [verbalisant 5] d.d. 18 juli 2014, tijdens welk verhoor de verdachte het volgende heeft verklaard:“Ik was gewapend met een houwer en heb slechts 2 van de slachtoffers daarmede geslagen. Ik heb hen met de platte zijde van de houwer slagen toegebracht op hun bil.
(…)
Het betrof 2 vissers van de eerste boot die wij tegen 18.30 uur van maandag 08 juli 2013 hebben overvallen en 2 van de boot die wij op dinsdag 09 juli 2013 omstreeks 08.00 uur hebben overvallen.
(…)
De 4 vissers waren onder dwang van [verdachte] met ons meegegaan naar de tweede boot om de vissers te mishandelen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, [naam 3] “[naam 3]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerst klasse, [verbalisant], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
“(…) Terwijl wij verder voeren, vroeg ik wederom aan de anderen om de drijfnetten uit te zetten. Daarop antwoordde [verdachte] dat de drijfnetten niet meer uitgezet zouden worden, maar dat wij andere vissersboten zouden beroven. Op gegeven moment stemde ik toe, daar ik de mening was toegedaan dat ik alleen tegenover de ander vier stond.
(…) Nadat wij ongeveer drie uren hadden gevaren, zagen wij een blauwgelakte [naam]-vissersboot ongeveer ter hoogte van de monding van de [rivier], alwaar twee palen staan. Die plek staat meer bekend als “[gebied 3]”. Wij besloten om die boot te overvallen. Wij bedekten onze gezichten met onze T-shirts, tot onder onze ogen en trokken wij onze T-shirts, die wij aanhadden over ons hoofd. [verdachte] had een rode pet opgedaan.
(…) Gelijk nadat wij die boot dichtbij waren genaderd, zei [naam 8] aan de bemanningsleden dat zij in de cabine moesten gaan. Daarbij schold hij hun ook uit en sprong hij in die boot, waar hij met zijn houwer de bemanningsleden enkele slagen toebracht. Vervolgens sprongen [naam 3] en ik, gevolgd door [verdachte] in die boot. Wij allen scholden de bemanningsleden uit en sommeerden hun om in de cabine te gaan. Bij die gelegenheid bracht ik kapitein [naam 21] ook een slag toe met de platte zijde van de houwer, waarmee ik gewapend was.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [naam] meergenoemd “[verdachte]” of “[verdachte]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 6] d.d. 13 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Nadat ik mij goed had georiënteerd, had ik de politie twee palen in zee aangewezen waar ik de tweede beroving heb gepleegd.(…) Onder de vissers staat het bekend onder de naam “[gebied 2]”.(…) Ik heb aangegeven dat er verder gevaren moest worden naar de richting van de [rivier]. Vervolgens heb ik de plek aangewezen waar ik de eerste beroving heb gepleegd. Ik heb het kunnen herkenen omdat er vanuit de zee twee telefoonmasten te zien zijn die zich op het land bevinden. Ik moet u gelijk voorhouden, dat het gebied vanwege de twee masten onder vissers als “[gebied 3]” bekend staat. Daar heb ik de boot van “[naam boot 4]” beroofd.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 5], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 09 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“In de nacht van 08 juli 2013 werden wij overvallen door zeepiraten danwel rovers.Nadat wij onze netten hadden opgehaald voerden wij in de richting van de monding van het district [district] met de bedoeling om in dat gebied te vissen. Dat gebied is bij de vissers bekend als “[gebied]”. (…) Toen de boot ons dicht genaderd had zag ik dat vier van de mannen een houwer bij zich hadden en daarmee heel hard op onze boot sloegen. De vier mannen hadden hun gezichten gedeeltelijk bedekt met een stuk lap.Tewijl ik op mijn buik lag, werd ik door een van hen met een eind hout mishandeld. Ogenblikken daarna gaven zij de opdracht aan een van mijn manschappen om de buiten boordmotor van onze boot op gang te brengen. Hierna voerden zij in de richting van [gebied 4]. Ik moet u verklaren dat hun boot eveneens achter ons voerde. Toen zij in de buurt van [gebied 4] aankwamen haalden zij onze vangst uit onze boot en laadden de vangst in hun boot. Behalve onze vangst namen zij ook een vat benzine en etenswaren die wij in onze boot hadden.In de vroege ochtend van de volgende dag brachten zij de buitenboord motor van de beide boten wederom op gang en voerden zij in de richting van [district 2]. Toen wij in de buurt van [gebied 5] aankwamen werd ik door een van hen geroepen. Toen ik opstond zag ik dat wij een andere boot tegemoet voerden.Toen wij de andere boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers in de boot en begonnen zij al de vijf manschappen van de boot met de platte kant van de houwer te mishandelen. De vijf mannen van de boot moesten eveneens op hun buik liggen.Toen ik de boot overnam merkte ik op dat de boot nog steeds op [land 2] wateren bevond maar in de richting van [land] opging. Op een gegeven moment zag ik wederom een vissersboot. Op aangeven van de rovers moest ik de boot tegemoet varen. Toen wij de boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers wederom in de boot en begonnen zij de manschappen van de boot te mishandelen met de platte kant van de houwers die zij bij zich hadden.Een van hen begon de buitenboordmotor te vernietigen.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 5], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“ Tijdens de eerste confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 9 positief herkend als te zijn een van de daders. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 2]. Ik heb hem zonder enige vorm van twijfels kunnen herkennen aan zijn oogwallen. Zijn oogwallen heeft namelijk een zwarte kleur. Hij is de tweede rover die in onze boot, gewapend met een houwer was gesprongen. Hij zwaaide met de houwer in mijn richting en hield mij voor dat hij mijn hoofd zou afhakken indien ik zou proberen mij te verzetten.

Bij de tweede groep heb ik de manspersoon met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 22]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn lichaamsbouw. Hij is namelijk de langste van de groep. Hij is de eerste dader die in onze boot was gesprongen en ons sommeerde om plat te gaan liggen. Hij heeft mij ook een slag toegebracht met de platte kant van de houwer die hij bij zich had.

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam], meergenoemd [verdachte].Zoals ik u eerder verklaard heb, ken ik [verdachte] van kleinsaf. Ik kan mij niet in hem vergissen dat hij een van de daders is. Ik heb [verdachte] kunnen herkennen aan zijn stem en zijn ogen. Ik moet u verklaren dat hij de enige was die tijdens de beroving zijn gezicht niet helemaal had bedekt.

Bij de vierde confrontatie heb ik de man met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [verdachte]. In mijn eerder afgelegde verklaring had ik verklaard dat ik de vijfde man niet had gezien. Toen ik met hem werd geconfronteerd schoot het mij te boven dat hij degene was die de boot van de rovers bestuurde. Ik heb hem aan zijn t-shirt kunnen herkennen. Tijdens de beroving had hij dezelfde gele oksel mauw t-shirt aan.

Tijdens de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 2 positief kunnen herkennen. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 4]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn ogen en wangen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [verdachte 8], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verdachte 2], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Wij arriveerden omstreeks 15.00 uur in de omgeving van de schelpritsen voor de kust. Daarna zijn wij dieper de zee opgevaren. Op maandag kwamen we dichtbij de kust en gooiden wij onze visnetten wederom en de volgende dag weer opgehaald. Terwijl wij de netten binnenhaalde, zag ik ongeveer drie kwart kilometer afstand een boot onze richting varen.Nadat de boot in kwestie ons van dichtbij genaderd was, zagen wij plotseling vier mannen te voorschijn komen, die gemaskerd en bewapend waren met houwers en stokken, waarmee zij zwaaiden. Daarnaast werden wij gesommeerd om ons in de visopslagruimte te verzamelen. Daarbij deden zij bedreigende uitlatingen dat als wij zulks zouden weigeren, dat zij ons zouden vermoorden.Een der hijackers vroeg aan [naam 23] om de vissen uit de opslagruimte uit te laden en deze in de opslagruimte van de hijackers in te laden. Terwijl hij bezig was de vissen in te laden werd hij door de hijackers geslagen met de platte zijde van de houwers. Vervolgens stapten de hijackers en de twee arbeiders in de boot en moesten wij op onze beurt in de hijackers boot overstappen. Ook werden de hoeveelheid vissen wederom in de opslagruimte van onze boot geladen. Daarna hebben zij de buitenboormachine onklaar gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 13], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verdachte 2], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“ Bij de tweede confrontatie heb ik de man met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 2].

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 5 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 3].

Bij de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 10 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [verdachte].”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 12], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verdachte 2],d.d. 11 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“(…) zag ik een boot in onze richting toe varen. Op dat moment bevonden wij ons nabij de monding van het district [district]. Wij zochten niets erachter en gingen wij door met het binnenhalen van onze buit. Toen de boot ons dicht genaderd had sprongen drie gemaskerde mannen in onze boot. Zij waren allen gewapend met houwers.(…) Op dat moment hadden wij reeds drie kwart van onze netten binnengehaald. Op een gegeven moment kwam een van de rovers naar ons toe en moest ik samen met nog twee mannen in de boot waarmee de rovers waren overstappen. Vervolgens moesten twee mannen die in de boot waarmee de rovers waren in onze boot overstappen. Op dat moment was ik met nog vijf mannen achter gebleven. De vijf mannen en ik keken daarbij met lede ogen hoe de rovers weg voerden. Wij konden geen richting opgaan, aangezien zij de buitenboor motor onklaar hadden gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 24], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 8],d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“(…) Op hetzelfde moment zag ik vier gemaskerde mannen, elk gewapend met een houwer vanuit de andere boot in ons boot springen. Uit vrees voor mijn leven temeer ik het reeds door had dat ik te maken had met zeepiraten, ben ik in de opslagruimte op mijn buik gaan liggen. De kapitein en de overige vissers van mijn boot zijn op sommatie van de rovers ook in de opslagruimte gaan liggen.(…) Toen zijn [naam 23] en [naam 24] eruit gegaan. Zij moesten in opdracht van de zeepiraten de vis van onze boot overhevelen in de boot van de zeepiraten.(..) In de boot van de zeepiraten trof ik drie andere vissers aan. De drie vissers hadden ons toen verteld dat die vier zeepiraten hun de vooravond ervoor hadden overvallen. Zij hadden ook aangegeven door de zeepiraten mishandeld te zijn geworden.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 24], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“Bij de eerste confrontatie herkende ik nummer 2 positief. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 2]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn [gebied 2] uur. Hij is namelijk kort en heeft hij een mollige [gebied 2] uur.Hij was degene geweest die mij de opdracht gaf om plat op mijn buik te gaan liggen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 20], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 9], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 20], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verdachte 2], d.d. 10 juli 2013 bij wie het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik zojuist in de gelegenheid ben gesteld om verschillende verdachten met daartussen de onderhavige zaak aangehouden verdachten afzonderlijk te bezichtigen qua etniciteit/ras middels een spiegelconfrontatie en houdt u mij verder voor dat ik verdachte met het borstnummer 5 heb aangewezen als een van de hijacker. Verder dat hij zich als [naam 4] heeft opgegeven.Ik heb hem positief herkend dat zij een boot waarin mannen al schietend ons naderde, daarbij hadden zij hun masker van hun gezicht weggehaald en in het water gegooid.

U houdt mij voor dat ik bij de tweede keer verdachte met het borstnummer 1 heb aangewezen als een van de hijacker en is hij ten rechte geheten [naam 2].

Verder houdt u mij gelijk voor dat ik de laatste verdachte met het borstnummer 01 had aangewezen. Hij is ten rechte geheten [verdachte]. Ik moet u verklaren dat hij de kapitein is van de hijackers boot. Ik heb hem positief herkend, omdat hij geen masker op had bij het besturen van de boot.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 8], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 8], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik als eerst de manspersoon met het bordnummer 4 heb herkend en heb aangewezen als een van de zeerovers. U houdt mij voor dat die manspersoon zich heeft opgegeven als [naam 2]. Hij is de rover die ik in mijn eerste verklaring had beschreven als de hindoestaanse manspersoon met de baard. Hij is de manspersoon met de zesde vinger aan zijn linkerhand.Hij was degene geweest die met de platte zijde van de houwer de meeste van de slachtoffers sloeg. Hij is degene die de touw van de anker had doorgesneden om weg te varen toen de politie ons tegemoet kwamen. Ik heb onder meer door de herkenningsteken, in deze de zesde vinger aan zijn linkerhand, positief kunnen herkennen.(…) U houdt mij voor dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 5 heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn geheten [naam 3]. [naam 3] had ik in mijn eerder afgelegde verklaring aangegeven als een van de manspersonen die trekken heeft van een indiaan. Hij is een van de rovers geweest die ook gewapend was met een houwer en daarmee de slachtoffers mishandelde. [naam 3] is degene geweest die bij de overval van de tweede boot de visnet had doorgesneden.(…) U houdt mij voor dat ik daarna de manspersoon met het bordnummer 8 heb herkend en heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn genaamd, [verdachte].Hij is degene die men kort nadat wij bevrijd werden van onze belagers door de politie, in de direkte omgeving werd aangehouden in een vissersboot.(…) Aan mij wordt voorgehouden dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 2, die [naam], is genaamd heb aangewezen. Ik heb hem gelijk kunnen herkennen omdat ik zijn gezicht goed heb onthouden. Een belangrijk herkenningsteken is de gouden tand die hij heeft. Hij is de leider van de groep rovers. Hij was degene die opdrachten gaf aan de overige drie rovers. Hij had mij en de kapitein, [naam 21] onder bedreiging opdrachten doen uitvoeren. Wij werden door hem bedreigd met de dood indien wij zijn opdrachten niet zouden uitvoeren.(…) U houdt mij voor dat ik als laatst de manspersoon met het bordnummer 3 heb aangewezen als een van de rovers en deelt u mij mede dat hij zich heeft opgegeven als te zijn, [naam 4]. Hij is de langste van het viertal. Hij heeft ook de met de houwer slagen toegebracht aan verschillende slachtoffers”

Het rapport van de MAS d.d. 15 augustus 2013.

7.1 Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

I. hij omstreeks 08 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het district [district],tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, en 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 9], gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 9], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, in de territoriale wateren van [land], voor het district [district],: tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 10] en [naam 11] en/of [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2013 en 09 juli 2013, in de territoriale wateren van [land], voor het district [district],:tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2] en [naam 3] en [naam 4], opzettelijk [naam 5], en [naam 6] en ene [naam 7] en [naam 8] en [naam 9], en [naam 10] en [naam 20] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij verdachten met dat opzet

  • zich begeven naar de plaatsen waar die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], zich bevonden en vervolgens
  • bewapend met een of meer houwers en een eindhout, en vervolgens overgestapt in het vaartuig waarop die [naam 10] en [naam 20] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], en vervolgens
  • dreigend met een of meer houwers en een eindhout te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en vervolgens opzettelijk gewelddadig die [naam 10] en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14], met een of meer scherpe en harde voorwerpen een of meer slagen toegebracht op het lichaam en vervolgens
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden en aldus voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie
Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven:

  • ten aanzien van feiten I en II: diefstal middels geweldpleging, meermalen gepleegd.
  • ten aanzien van feit III: wederrechtelijke vrijheidsberoving

9.De strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachte zijn strafbaarheid opheft.

10. De strafmotivering
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 mei 2014 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder I, II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaren, met aftrek.De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft zich, samen met de vier medeverdachten, schuldig gemaakt aan beroving van twee visvaartuigen op de [land 2] wateren. De verdachte en de medeverdachten zijn met een boot de [land 2] wateren, en wel dichtbij de kust van het district [district], opgegaan met de intentie om vissersboten te beroven. Hiertoe hebben zij de slachtoffers bedreigd met een houwer en een stok, en hebben zij er niet voor geschroomd de slachtoffers van hun vrijheid te beroven, waarbij zij de motor van de boot hebben vernield. Het is slechts een gelukkig toeval geweest dat de weersomstandigheden op dat moment van dien aard waren dat er geen hevige winden waren en de vissersboot met slachtoffers niet is omgekanteld, of slachtoffers gewond zijn geraakt of verdronken in het water en de slachtoffers zijn gered door burgers die de informatie van deze beroving op zee hadden ontvangen.De vissers/slachtoffers, die zich in het kader van de uitoefening van hun beroep als visser op de [land 2] wateren bevonden, hebben gedurende deze handelingen van verdachte en zijn medeverdachten kennelijk angstige momenten beleefd. Het wordt de verdachte en zijn medeverdachten zwaar aangerekend dat zij slechts oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich niet hebben bekommerd om de angst, schade en overlast die zij aan de slachtoffers hebben toegebracht.Het is een feit van algemeen bekendheid dat het aantal gevallen van zeeroof de afgelopen periode is toegenomen. In de territoriale wateren van zowel [land 2] als [land] wordt overwegend aan visvangst gedaan, zodat de bedreiging van de veiligheid van vissersvaartuigen die in deze gebieden aan visvangst doen, regionale economische gevolgen heeft. Beroving op zee is dan ook een ernstig feit, waartegen krachtig dient te worden opgetreden.De ernst van het feit gebiedt oplegging van gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Bij het bepalen van de op te leggen straf is voorts het volgende in aanmerking genomen:

  • de slachtoffers die, ondanks een rechtshulpverzoek, niet meer te achterhalen zijn en aldus niet ter terechtzitting gehoord konden worden waardoor hun verklaring afgelegd bij de politie niet ter terechtzitting getoetst kon worden en de kantonrechter genoodzaakt was die verhoren als voorgelezen te beschouwen. Door het niet ter terechtzitting kunnen horen van de slachtoffers kon niet worden waargenomen of de slachtoffers al dan niet letsels hebben opgelopen daar er geen geneeskundige verklaringen ten name van de slachtoffers zijn aangetroffen in het strafdossier;
  • volgens de staat van inlichtingen is verdachte first offender (nimmer veroordeeld ter zake enig strafbare feit). De verdachte is afkomstig uit [land]. Het is algemeen bekend dat veel vissers afkomstig uit [land] aan visvangst doen in de territoriale wateren van de Republiek [land 2] en dat dat hun bron van inkomsten is;
  • hoewel het niet mogelijk is gebleken om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te verifiëren, wil de kantonrechter aannemen dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte schrijnend zijn. De verdachte heeft verklaard dat al zijn familieleden in [land] wonen en hij de kostwinner in de familie is. Vanwege het feit dat zijn vader alcoholist is doet hij allerlei kleine werkjes om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en om zijn moeder te helpen.Bovengeschetste omstandigheden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter echter niet een rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond en ziet de kantonrechter op grond van die feiten en omstandigheden aanleiding de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen ten opzichte van de eis van de vervolging.Alles overziend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

11. Toepasselijke wetsartikelen
Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen 9, 11, 44, 342 en 372 Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De kantonrechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 7 (ZEVEN) jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt zijn gevangenhouding.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 04 augustus 2014.

De griffier,de kantonrechter,

mw. L. de Rooy
mr. S.M.M. Chu

SRU-K1-2020-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1077
13 augustus 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

1. DE VERENIGING SURINAAMS BEDRIJFSLEVEN (VSB),
kantoorhoudend aan de Prins Hendrikstraat 18 te Paramaribo,
2.DE ASSOCIATIE VAN SURINAAMSE FABRIKANTEN (ASFA),
kantoorhoudend aan de Jaggernath Lachmonstraat 187 te Paramaribo,
3.DE SURINAAMSE VERENIGING VAN ASSURANTIE MAATSCHAPPIJEN (SURVAM),
kantoorhoudend aan de Heerenstraat 48-50 te Paramaribo,
eisers,
gemachtigden: mr. R.G.M. Tjon A Joe en mr. M.T.M. Watchman, advocaten,

tegen

DE REPUBLIEK SURINAME, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis in deze zaak gewezen en uitgesproken op 05 mei 2020.

  1. Het verder verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • de rolbeschikking van 05 mei 2020 waarbij is gelast dat eiseres sub 1 de vereiste stukken ter onderbouwing dat zij rechtspersoon is, overlegt;
  • de conclusie tot overlegging van processtukken;
  • de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 In zijn formeel verweer concludeert gedaagde tot niet ontvankelijkheid van onder anderen eiseres sub 1 die zich volgens gedaagde als rechtspersoon duidt, maar de daartoe strekkende stukken niet in het geding brengt. Eiseres sub 1 legt bij akte over, na daartoe door de kantonrechter te zijn gelast, de Resolutie van 23 maart 2010 houdende de erkenning van de vereniging “Vereniging Surinaams Bedrijfsleven” afgekort “V.S.B.” met de daaraan gehechte gewijzigde statuten, en het Advertentieblad van de Republiek Suriname van 20 januari 2012 no. 06. Voornoemde stukken bieden voldoende onderbouwing dat eiseres sub 1 aan de vereisten ex artikel 1667 BW heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt dat aldus geen reden is voor niet-ontvankelijkheid van eiseres sub 1 en verwerpt dit verweer.

2.2 Ten aanzien van de eisers sub 2 en sub 3 voert gedaagde aan dat niet zij maar VSB een concreet belang bij de onderhavige vordering stelt en concludeert tot niet ontvankelijkheid van eisers sub 2 en sub 3. De kantonrechter overweegt dat gedaagde kennelijk over het hoofd ziet dat eisers in de aanhef van hun verzoekschrift stellen zich verder gezamenlijk te zullen aanduiden als “VSB” of “eisers” wat ook uit de verdere tekst van het verzoekschrift blijkt. Het verweer van gedaagde kan aldus niet tot de niet-ontvankelijkheid van eisers sub 2 en sub 3 leiden en wordt dan ook gepasseerd.

2.3 Op het door gedaagde gevoerd formeel verweer dat aan de kantonrechter de bevoegdheid van een inhoudelijke toetsing van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren, hierna afgekort WCVT, aan de Grondwet niet toekomt, komt de kantonrechter hierna terug.

2.4 Eisers stellen zich op het standpunt dat de artikelen 3 leden 5 en 6 WCVT tegenstrijdig zijn met artikel 3 leden 1 en 2 WCVT, omdat volgens de eerstgenoemde leden van het artikel geen afspraak kan worden gemaakt om voor goederen of diensten girale vreemde valuta betalingen te ontvangen, terwijl in de laatstgenoemde leden van hetzelfde artikel die afspraken wel mogelijk zijn. Volgens eisers is daardoor artikel 10 lid 3 onkenbaar, omdat onduidelijk is of ook afspraken inzake vreemde valutabetalingen in reeds bestaande overeenkomsten moeten worden omgezet, indien zij tevens de mogelijkheid bieden tot girale betalingen in vreemde valuta of kunnen worden aangepast in een overeenkomst die daarin voorziet. Daarom is handhaving van met name artikel 9 WCVT volgens eisers in strijd met het legaliteitsbeginsel en hoofdstuk 5, specifiek artikelen 10 en 11 GW. Aan de kantonrechter komt om die redenen in dit concreet geval toetsing toe op de voet van artikel 137 GW. Die toetsing moet volgens eisers raken aan al dan niet gewaarborgde rechtsbescherming in de WCVT, omdat in die Wet sprake is van tegenstrijdige en onduidelijke bepalingen in de artikelen 3, 5 en 10 lid 3 WCVT, terwijl daarop bij overtreding straffen zijn gesteld in de artikelen 7 lid 4, 9 lid 1 en artikel 10 WCVT.

2.5 Gedaagde ziet geen strijd met het legaliteitsbeginsel, omdat in artikel 9 WCVT is aangegeven welke feiten strafbaar zijn gesteld. Voorts gaat gedaagde in op artikel 3 lid 1, stellende dat het een ieder, behalve degenen die bij of krachtens wet daartoe bevoegd zijn, verboden is om transacties in contanten in een andere dan de Surinaamse munteenheid te plegen. Artikel 3 leden 5 en 6 betreffen volgens gedaagde de prijsaanduiding van goederen in vreemde valuta en artikel 10 lid 3 WCVT verwijst naar artikel 3 lid 2 van deze wet. Aldus luidt de conclusie van gedaagde dat geen sprake is van tegenstrijdigheid tussen voornoemde artikelen in de WCVT. Het artikel 7 lid 4 WCVT regelt de bevoegdheid tot inbeslagname van alle in verband met de overtreding betrokken valuta. In dit verband voert gedaagde nog aan dat het voorschrijven van strafbepalingen door het van toepassing verklaren van de Wet economische delicten de bepaling in artikel 7 lid 4 WCVT niet ongeoorloofd noch in strijd met artikel 9 lid 1 WCVT doet zijn. Dat deze regeling de rechtszekerheid in gevaar brengt is volgens gedaagde onjuist. Van schending van hoofdstuk V GW en artikel 131 lid 2 GW, is daarom geen sprake.

2.6 Kern in het voorgaande is de vraag of genoemde artikelen van WCVT onduidelijk en tegenstrijdig zijn waardoor sprake is van schending van het legaliteitsbeginsel. Daaraan geven partijen elk een eigen uitleg. De kantonrechter ziet hierin aanleiding gebruik te maken van de haar toekomende interpretatievrijheid ex artikel 52 Rv, door een niet door partijen gesteld feit aan haar beslissing ten grondslag te leggen binnen de grenzen van het partijdebat [J.J. Vriesendorp, RM Themis, 1979; NJ 1949, 371; NJ 1987, 584]. Immers, beantwoording van de vraag of in de WCVT de rechtsbescherming voldoende gewaarborgd is, brengt met zich dat de verwijzing in artikel 9 lid 1 WCVT naar S.B. 1986 no. 2 als de van toepassing zijnde wet voor de strafbepalingen niet a priori buiten beschouwing gelaten kan worden.

2.6.1 Artikel 9 lid 1 WCVT betreffende straf- en bestuursmaatregelen bepaalt dat op overtreding van artikel 2 leden 2 en 3, artikel 3 leden 1, 2, 4, 5 en 6 en de artikelen 4 en 5 de “Wet Economische Delicten, (S.B. 1986 no. 2)” van toepassing is. Evenwel is genoemde wet gewijzigd, zoals hierna volgt.

2.6.2 In het Decreet van 9 januari 1986 No. 2 met als citeertitel “Decreet economische delicten” zijn verbeteringen aangebracht bij “Verbeterblad op het Staatsblad 1986 No. 2 E-56 van 9 januari 1986, houdende de vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en berechting van economische delicten”; bij Wet van 9 juni 1989 No. 42 houdende wijziging van het “Decreet Economische Delicten” (S.B. 1986 No.2) zijn wijzigingen aangebracht waaronder vervanging van het woord “decreet” door “wet”; bij Wet van 18 september 1992 no. 80, houdende voorzieningen met betrekking tot het bosbeheer, alsmede de bosexploitatie en de primaire houtverwerkingssector (Wet Bosbeheer); bij Wet van 5 september 2002 No. 67 houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. no. 35) en het Wetboek van Strafvordering (S.B. 1977 no. 94, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1989 no. 100) en de Wet Economische Delicten (S.B. 1986 no. 2, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1992 no. 80) met onder meer het doel de Wet Economische Delicten aan het Wetboek van Strafrecht zoals dat gewijzigd is, aan te passen. Het opschrift van de wet luidt thans: Wet van 9 januari 1986, houdende vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervol­ging en berechting van economische delicten (Wet economische delicten) (S.B. 1986 no. 2), gelijk zij luidt na de daarin aange­brachte wijzi­ging bij S.B. 1989 no. 42, S.B. 1992 no. 80, S.B. 2002 no. 67.

2.6.3 De Wet kan volgens artikel 36 ook worden aangehaald als ”Wet econo­mische delicten”. In de WCVT is anders dan deze citeertitel verwezen naar de “Wet Economische Delicten (S.B. 1986 no.2)” wat – gegeven de daarna gevolgde verbeteringen en wijzigingen van die wet – een beperking van de wet tot het S.B. 1986 no. 2 met zich brengt. Aan die duiding ontbreekt immers de toevoeging “gelijk zij luidt na de daarin aange­brachte wijzi­ging bij S.B. 1989 no. 42, S.B. 1992 no. 80, S.B. 2002 no. 67.” In de Memorie van Toelichting bij de WCVT wordt niet nader ingegaan op artikel 9 lid 1, zodat de bedoeling van de wetgever ten aanzien van deze verwijzing niet kenbaar is gemaakt.

2.6.4 Naar het oordeel van de kantonrechter mag niet worden uitgesloten dat afwijking van de citeertitel in de mate waarin zulks thans het geval is, aanleiding geeft tot de veronderstelling dat de wetgever niet dezelfde wet heeft bedoeld zoals die na de aangebrachte wijzigingen luidt. Bovendien is het eveneens niet wenselijk dat, acht slaand op de grondslag van de vordering in de onderhavige zaak – met name het ontbreken van rechtszekerheid door onduidelijkheden en tegenstrijdigheden van artikelen in de WCVT – rekening gehouden dient te worden met een mogelijk van toepassing zijnde conflictregel, kennelijk de lex posterior. Norm moet zijn dat de geschreven wet haar zelfstandige taak als kenbron van recht zo goed mogelijk vervult.

2.6.5 De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het regime van artikel 9 lid 1 WCVT dat de strafmaatregelen regelt, niet van toepassing zal kunnen zijn nu uit het voorgaande blijkt dat onvolledig en daardoor abusief is verwezen naar de Wet. Voorts is uit het oogpunt van rechtszekerheid en doelmatigheid een correcte verwijzing van belang voor de wettelijk vereiste grondslag voor een strafbepaling. Zonder die correcte verwijzing ontbeert de WCVT de grondslag voor de in deze wet gekozen strenge strafbepalingen, die gekoppeld zijn met het strafregiem in de Wet economische delicten, zie de Memorie van Toelichting blad 14 en 15 bij S.B. 2002 no. 67. Voorts ontvalt als gevolg hiervan ook aan artikel 7 lid 4 en artikel 9 leden 3 en 4 WCVT de vereiste wettelijke grondslag voor inbeslagneming van vreemde valuta, waarop eveneens artikel 9 lid 1 van toepassing is verklaard.

2.6.6 Geconcludeerd wordt dat het geval van ontbrekende strafmaatregelen op dwingende verbodsbepalingen dat zich thans op grond van al het voorgaande in de WCVT voordoet, geen waarborg doet ontstaan dat een ieder bij aantasting van zijn rechten en vrij­heden aanspraak heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Artikel 137 GW vindt hier dan ook toepassing. Het komt de kantonrechter voor dat het ex artikel 137 GW ongeoorloofd verklaren van de bestreden artikelen in de WCVT toewijzing van het meer subsidiair gevorderde mogelijk maakt.

2.7 Het voorgaande brengt met zich dat aan een beoordeling van overige standpunten van partijen niet wordt toegekomen.

2.8 De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Immers, de dwangsom als dwangmiddel tot het nakomen van de veroordeling verliest zijn zin door het ongeoorloofd verklaren van de bestreden artikelen.

2.9 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

3.1 Verklaart de toepassing door gedaagde van artikel 3 leden 1, 2, 5 en 6, artikel 5 lid 4, artikel 7 leden 2, 3 en 4, artikel 9 en artikel 10 van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren ongeoorloofd.

3.2 Verbiedt gedaagde om artikel 3 leden 1, 2, 5 en 6, artikel 5 lid 4, artikel 7 leden 2, 3 en 4, artikel 9 en artikel 10 van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren toe te passen, er toe strekkende dat gedaagde zich – totdat de betrokken artikelen in een bodemprocedure verbindend dan wel onverbindend worden beoordeeld – heeft te onthouden van gedragingen die op die artikelen zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging.

3.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van het geding aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 416, – (vierhonderd en zestien Surinaamse Dollar).

3.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op dinsdag 13 augustus 2020 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K3-2014-2

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03822
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 28 maart 2014
Tegenspraak
Raadslieden: mr. L. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

TUSSENVONNIS
van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [geboorte datum] in [land],
wonende aan [adres] in [land].
van beroep [beroep],
thans gevangen gehouden.

Bevoegdheid van de kantonrechter

De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting van respectievelijk 20 november 2013 en 18 december 2013, dan wel gelijk nadat de vervolgingsambtenaar de strafzaak heeft voorgedragen, als preliminair verweer opgeworpen dat de kantonrechter onbevoegd is van de onderhavige strafzaak kennis te nemen.Ter adstructie van hun betoog hebben zij aangevoerd dat – kort weergegeven – de aan de verdachte verweten strafbare feiten zich hebben voorgedaan op [land] wateren oftewel [land] grondgebied en niet op [land 2] grondgebied.

In dat licht hebben de raadslieden ten aanzien van het rapport van de MAS en de wijze van vaststelling van de plaatsen waar de strafbare feiten zijn gepleegd de nodige kritische kanttekeningen geplaatst.Daartoe hebben zij aangevoerd dat de vaststelling van de coördinaten door de opsporingsambtenaren van de locaties alwaar de vermoedelijke delicten zijn gepleegd – welke coördinaten op grond van de aanwijzingen van de verdachte zelf en medeverdachte [naam] middels een GPS systeem zijn vastgesteld – slordig en niet juist is geweest.Volgens het betoog van de raadslieden is die vaststelling niet juist, omdat de verdachte en medeverdachte [naam], zijnde de kapitein van de vissersboot, bij het doen van de aanwijzingen niet werden bijgestaan door een tolk in een voor hun verstaanbare taal. Hierdoor hebben de opsporingsambtenaren hen verkeerd begrepen bij het doen van de aanwijzingen.De aanwijzingen die de verdachte en hiervoor genoemde medeverdachte, aldus de raadslieden, hebben gedaan betreffen de plaatsen waar de vissers te werk gaan in [land 2] en niet de plaatsen waar de vermoedelijke strafbare feiten zijn gepleegd.Rekening houdend met het verdedigingsbelang van de verdachte heeft de kantonrechter naar aanleiding van dit verweer de opsporingsambtenaren, die met de verdachte en de hiervoor genoemde medeverdachte op de boot zijn geweest voor het doen van de aanwijzingen van de locaties, en de directeur van de MAS ter terechtzitting gehoord, en overweegt de kantonrechter met betrekking tot het door de raadslieden opgeworpen preliminair verweer, zoals hiervoor uiteengezet als volgt:Uit de verklaring van de getuigen, welke getuigen ter terechtzitting zijn gehoord, is aan het licht gekomen op welke wijze de vaststelling van de locaties plaatsvindt. Namelijk, dat de MAS niet op de rivier gaat met de opsporingsambtenaren, omdat de opsporingsambtenaren zijn getraind om de coördinaten middels een GPS vast teleggen en die coördinaten naar de MAS worden opgestuurd, waarna de MAS op grond van die coördinaten vaststelt in welk grondgebied de plaats zich bevindt. Voorts is aan het licht gekomen dat de verdachte en medeverdachte [naam] bij het doen van de aanwijzingen niet konden worden bijgestaan door een tolk, omdat geen enkele tolk bereid was op de rivier te gaan.Ondanks er geen tolk was, is de kantonrechter ervan overtuigd dat de verdachte en medeverdachte bij het doen van de aanwijzingen de opsporingsambtenaren hebben begrepen, en zij niet de plaatsen waar de vissers te werk gaan hebben aangewezen dan zij nu verklaren, en wel op grond van:

  • de verklaring van de getuigen 1) [getuige], 2) [getuige 2] 3) [getuige 3], 4) [getuige 4] en 5) [getuige 5] ter terechtzitting.Deze getuigen hebben verklaard dat zij als opsporingsambtenaren op 12 juli 2013 in de Engelse taal met de verdachte hebben gecommuniceerd bij het doen van de aanwijzingen door hem en de medeverdachte en deze hen wel hebben begrepen;
  • de verklaring van de getuige [getuige 5] ter terechtzitting d.d. 07 maart 2014, inhoudende dat hij gelijk na terugkeer, danwel nadat de verdachte en medeverdachte [naam] de aanwijzingen hadden gedaan, een verhoor terzake van de verdachte zelf op
    13 juli 2013 bij proces-verbaal heeft afgenomen, waarbij de verdachte tijdens dit verhoor werd bijgestaan door een tolk;
  • de verklaring van de verdachte zelf ter terechtzitting d.d. 07 maart 2014, dat hij de verklaringen bij de politie in alle vrijheid heeft afgelegd en zijn verhoor bij de agent van politie, [naam 2] d.d. 13 juli 2013 betreffende de aanwijzingen die hij op 12 juli 2013 heeft gedaan;
  • het verhoor van de slachtoffers [slachtoffer], 2) [slachtoffer 2], 3) [slachtoffer 3],
    4) [slachtoffer 4], 5) [slachtoffer 5], 6) [slachtoffer 6] en 7) [slachtoffer 7] welke slachtoffers allemaal ook vissers zijn en wiens verhoren bij processen-verbaal met bijstand van een tolk in een voor hun verstaanbare taal hebben plaatsgevonden. Uit hun verhoor bij de politie valt ondubbelzinnig af te leiden dat de vermoedelijke strafbare feiten zijn gepleegd op [land 2] wateren;
  • van het feit dat de verdachte in het kader van de rechtmatigheidtoetsing en bewaring bij de rechter-commissaris is voorgeleid, en hij dit verweer nimmer bij de rechter-commissaris heeft opgeworpen.Dit, terwijl hij tijdens zijn voorgeleiding in het kader van het verzoek tot de bewaring, wel werd bijgestaan door zijn raadslieden en een tolk in de Engelse taal.

Zoals de feiten er nu voor liggen is de kantonrechter ervan overtuigd dat de aan de verdachte verweten strafbare feiten op [land 2] wateren danwel op [land 2] grondgebied zijn gepleegd.Hieruit vloeit voort dat de kantonrechter zich wel bevoegd acht van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte kennis te nemen.Derhalve verwerpt de kantonrechter het door de raadslieden opgeworpen preliminair verweer en zal thans overgaan tot de (verdere) behandeling van deze strafzaak.

DE BESLISSING:
De kantonrechter beslist als volgt:

  • verklaart zich bevoegd van de onderhavige zaak kennis te nemen;
  • gaat onmiddellijk over tot de verdere behandeling van de onderhavige zaak.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw.L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 maart 2014.

De Griffier,De Kantonrechter,

mw. L.J. De Rooy
mr. S.M.M. Chu

 

SRU-K3-2014-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON
Parketnummer: 1-9-03822
Vonnisnummer:
Datum uitspraak: 04 augustus 2014
Tegenspraak
Raadslieden: mr. L.C.H. Doerga en mr. F.F.P. Truideman.

VONNIS

van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Nickerie, in zaak van de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte], alias “[verdachte]”,
geboren op [geboorte datum] in [land],
wonende aan [adres] in [land].
van beroep [beroep],

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van:
20 november 2013, 18 december 2013, 29 januari 2014, 17 februari 2014, 07 maart 2014,28 maart 2014, 19 mei 2014,30 mei 2014, 20 juni 2014, 30 juni 2014, 31 juli 2014 en 04 augustus 2014.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

I. hij op of omstreeks 08 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

Tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2], [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 6], en/of [naam 7] en/of ene [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 6], en/of [naam 7] en/of ene [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2], [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5], althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en/of 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en/of een vat brandstof en/of een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14] en/of [naam 15], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13]en/of [naam 14]en/of [naam 15], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwer(s), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) te kennen heeft/hebben gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en/of (vervolgens)
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwer(s) en/of eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen heeft/hebben toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, althans in het jaar 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor [district], in ieder geval in een gebied dat gerekend wordt tot grondgebied van de Republiek [land 2]:

tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam 2], [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5], althans alleen, opzettelijk [naam 6], en/of [naam 7] en/of ene [naam 8] en/of [naam 9]en/of [naam 10], en/of [naam 11] en/of [naam 12]en/of [naam 13]en/of [naam 14]en/of [naam 15],althans een of meerder personen wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft(hebben) hij/zij verdachte(n) met dat opzet

  • zich begeven naar de plaats(en) waar die [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14] en/of [naam 15], althans een of meerdere personen zich bevonden en/of (vervolgens)
  • bewapend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout, althans een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) en/of (vervolgens) overgestapt in het/de vaartuig(en) waarop die [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14] en/of [naam 15], althans een of meerdere personen die zich bevonden en/of (vervolgens)
  • dreigend met een of meer houwer(s) en/of een eindhout althans een of meer scherpe en/of een puntige en/of hard(e) voorwerp(en) te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en/of (vervolgens)
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig die [naam 11] en/of [naam 12] en/of [naam 13] en/of [naam 14]en/of [naam 15], althans en of meerdere personen met een of meer scherpe en/of puntige en/of harde voorwerp(en) een of meer slagen toegebracht op het lichaam en/of (vervolgens)
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en/of beroofd gehouden en/of (aldus) voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de kantonrechter verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de kantonrechter
De verdediging blijft zich erop beroepen dat de kantonrechter onbevoegd is van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten kennis te nemen. Voor wat betreft dit verweer verwijst de kantonrechter naar al de overwegingen van het terzake op 28 maart 2014 gewezen tussenvonnis in welk tussenvonnis de kantonrechter het verweer heeft verworpen. De kantonrechter blijft volharden bij de inhoud van dit tussenvonnis.Met het verwerpen van het verweer acht de kantonrechter zich bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de vervolging in de weg staan.

6. Schorsing der vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsmiddelen
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III bewezen verklaarde heeft begaan, en wel op grond van de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 6], e.a. betreffende diefstal middels geweldpleging, welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant],d.d. 08 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:
“Nadat zij drie keren vis hadden gevangen, verplaatsten zij zich naar het gebied, dat bekend staat als “[gebied]”, nabij de monding van de [rivier]. Naar zijn zeggen was het op dat moment omstreeks 19.00 uur en was het al iets donkerder dan de schemering. Voorts dat hij luttele minuten daarna een rood/grijs/groengelakte [naam]-vissersboot, naar hun richting zag komen. Die boot herkende hij als te zijn van “[naam 16]”, die in [land] woont.Volgens zijn verdere verklaring zag hij dat er vijf mannen aan boord van de boot waren, waarbij één als kapitein fungeerde. Verder verklaarde hij dat, nadat die boot die van hun dichtbij was genaderd, hij gezien had dat vier mannen, gewapend met houwers, gelijk op zijn boot begonnen te slaan, alsook hun begonnen uit te schelden. Eveneens verklaart hij dat al de mannen hun gezichten hadden bedekt, althans dat zij gemaskerd waren. Voorts dat zij door die rovers geslagen werden met de platte zijde van de houwers en dat zij in de cabine moesten gaan liggen. Verder werd, volgens zijn verklaring, hun gehele visvangst door de rovers, uit de ijsbox gehaald en in de ander boot geladen, waarna hun kapitein in zijn eentje met hun boot wegvoer.Volgens zijn verdere verklaring hebben de rovers hedenochtend een ander [naam]-vissersboot beroofd met gebruikmaking van hun(slachtoffers) boot. Hij verklaarde dat hij bij die actie, onder dwang, de boot moest varen.(..) Hij verklaarde dat de buitenboordmotor van zijn boot vervolgens door de rovers werd vernield, waarna zij met achterlating van zijn boot, vandaar richting [land] vertrokken.”

Het proces-verbaal betreffende de aangifte gedaan door [naam 17] gehuwd [naam 17], welk proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt door de agent van politie, [verbalisant 2], d.d. 09 juli 2013. Daarin heeft de verbalisant het volgende opgenomen:
“zij had bericht verkregen dat een van de vissersboten namelijk de ene met het opschrift [naam boot 2] door een aantal zee piraten dan wel rovers gekaapt was geworden en dat daarnaast de piraten van de vijf, – twee van de bemanningsleden hebben gegijzeld en de 3 anderen in hulpeloze toestand hebben achtergelaten in een kapotte boot waarvan de machine kapot was geslagen.
(…)
Naar aanleiding van de melding begaf ik mij hierna omstreeks 11.00 uur in opdracht van het hoofd van de recherche [district 2], (…) per politieboot via de [rivier 2] naar de opgegeven locatie voor het instellen van een onderzoek. Vanuit de aanmeer steiger van de heer [naam 4] aan de [rivier 2] werd in een tijd van ongeveer 2 uren gevaren naar de richting van de schelprits voor de kust van [district] maar hebben wij ter plaatse niets aangetroffen. Terwijl wij ons nog op de locatie bevonden werd op ander moment via mobiel informatie van de melder voornoemd verkregen, dat de bedoelde kapers door vermoedelijk door de door haar in [land] gemobiliseerde familie en kennissen op de rivier beschoten zijn geworden en thans richting [district 2] voerden.
(…)
Nadat wij vervolgens naar de richting van de boten waren gevaren werd mij door een man die zich voorstelde als [naam 18] mede gedeeld dat hij na de melding van de melder voornoemd samen met anderen de vijf kapers op zee had weten aan te houden en voorts een aantal gegijzelden heeft bevrijd.De aangehouden mannen en gegijzelden die zich allen in 1 van de boten bevonden werden hierna aan mij samen met een tweede boot overgedragen waarna [naam 18] met zijn bemanning in de 3e boot wegvoer.De boot waarin de kapers en gegijzelden zich bevonden betrof een blauw/geel/wit/rood houten boot met het opschrift [naam boot 2] en bleken zowel de verdachte als gegijzelden allen van [land] komaf te zijn. De tweede boot betreft eveneens een groen/grijs/rood houten vissersboot met het opschrift [naam boot 3].Bij de verdere ondervraging hebben de slachtoffers [naam 2] en [naam] afzonderlijk van elkaar verklaard dat hun boot op maandagavond nabij de kust van de [rivier] door de verdachten is gekaapt waarbij zij hun hebben mishanded en daarbij hun lading vis en andere goederen hebben weggenomen.De slachtoffers [naam 11] en [naam 12] hebben verklaard dat hun boot op dinsdagmorgen nabij de schelprits te [district] door de verdachten is gekaapt waarna zij eveneens zijn mishandeld en daarna 2 van hun zijn gegijzeld en meegenomen oor de kapers terwijl de overige 3 in een kapotte boot waarvan de motor was stuk geslagen aldaar in hulpeloze toestand werden achtergelaten.”

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 19 mei 2014, op welke terechtzitting hij bekent de beroving op zee te hebben gepleegd.

De verklaring van de verdachte i.v.m rechtmatigheidtoetsing, afgelegd bij de Rechter-commissaris d.d. 17 juli 2013, waarbij hij het volgende heeft verklaard:“ Ik heb onder dwang van de kapitein de beroving gepleegd.”

Het proces-verbaal betreffende voorgeleiding na aanhouding gevolgd door de inverzekeringstelling d.d. 10 juli 2013, ambtsedig opgemaakt door de hulpofficier van justitie, [verbalisant 3], bij wie de verdachte het volgende heeft verklaard:“Ik geef toe dat ik in vereniging twee boten heb beroofd.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [verdachte] meergenoemd “[verdachte]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 4], d.d. 13 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
“Nadat ik mij goed had georiënteerd, had ik de politie twee palen in zee aangewezen waar ik de tweede beroving heb gepleegd.
(…) Onder de vissers staat het bekend onder de naam “[gebied 3]”.(…) Ik heb aangegeven dat er verder gevaren moest worden naar de richting van de [rivier]. Vervolgens heb ik de plek aangewezen waar ik de eerste beroving heb gepleegd. Ik heb het kunnen herkenen omdat er vanuit de zee twee telefoonmasten te zien zijn die zich op het land bevinden. Ik moet u gelijk voorhouden, dat het gebied vanwege de twee masten onder vissers als “[gebied 2]” bekend staat. Daar heb ik de boot van “[naam boot 4]” beroofd.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, [naam 2], [naam 3] “[naam 3]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Ik geef toe dat ik samen me de vier anderen, op afgelopen maandag 08 juli en dinsdag 09 juli dezes drie vissersboten op zee heb beroofd.”

Het nader verhoor van de verdachte, [naam 5], neergelegd in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van majoor van politie, [verbalisant 5] d.d. 18 juli 2013, tijdens welk verhoor de verdachte het volgende heeft verklaard:“Ik was gewapend met een houwer en heb slechts 2 van de slachtoffers daarmede geslagen. Ik heb hen met de platte zijde van de houwer slagen toegebracht op hun bil.
(…)
Het betrof 2 vissers van de eerste boot die wij tegen 18.30 uur van maandag 08 juli 2013 hebben overvallen en 2 van de boot die wij op dinsdag 09 juli 2013 omstreeks 08.00 uur hebben overvallen.
(…)
De 4 vissers waren onder dwang van [verdachte] met ons meegegaan naar de tweede boot om de vissers te mishandelen.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van de verdachte, [naam], alias “[verdachte], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 6], d.d. 12 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Bij de monding aangekomen wees ik naar oostelijke richting toe waar wij heen moesten. Van daaruit voeren wij voor de [land 2] kust naar de plaats welke onder de visser bekend staat als “[gebied 3]”. Dit moet de plek zijn waar de tweede beroving had plaatsgevonden. Deze plaats ligt voor het kustgebied tussen [district 2] en [district]. Daar aangekomen wees ik de twee Walaba palen aan die uitstaken boven het waterspiegel.(…) Vervolgens heb ik de bootkapitein laten varen naar de plek waar de eerste beroving had plaatsgevonden die meer naar oostelijk richting gelegen is. Dat gebied ligt ook voor de kust van [district] en wel in de omgeving die bekend staat als “[gebied 2]”. De benaming komt door de twee hoge metalen masten die langs de kust van [district] te zien zijn. Na een poos te hebben gevaren naar noordelijke richting heb ik de bootkapitein stil laten houden en wees de geschatte plek aan waar de eerste beroving had plaatsgevonden.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte, [naam 4] “[naam 4]”, ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerst klasse, [verbalisant], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“(…) Terwijl wij verder voeren, vroeg ik wederom aan de anderen om de drijfnetten uit te zetten. Daarop antwoordde [verdachte]. dat de drijfnetten niet meer uitgezet zouden worden, maar dat wij andere vissersboten zouden beroven. Op gegeven moment stemde ik toe, daar ik de mening was toegedaan dat ik alleen tegenover de ander vier stond.(…) Nadat wij ongeveer drie uren hadden gevaren, zagen wij een blauwgelakte SK-vissersboot ongeveer ter hoogte van de monding van de [rivier], alwaar twee palen staan. Die plek staat meer bekend als “[gebied 2]”. Wij besloten om die boot te overvallen. Wij bedekten onze gezichten met onze T-shirts, tot onder onze ogen en trokken wij onze T-shirts, die wij aanhadden over ons hoofd. [verdachte] had een rode pet opgedaan.(…) Gelijk nadat wij die boot dichtbij waren genaderd, zei [naam 4] aan de bemanningsleden dat zij in de cabine moesten gaan. Daarbij schold hij hun ook uit en sprong hij in die boot, waarna hij met zijn houwer de bemanningsleden enkele slagen toebracht. Vervolgens sprongen [naam 3] en ik, gevolgd door [verdachte] in die boot. Wij allen scholden de bemanningsleden uit en sommeerden hun om in de cabine te gaan. Bij die gelegenheid bracht ik kapitein [naam 19] ook een slag toe met de platte zijde van de houwer, waarmee ik gewapend was.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 6], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 09 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“In de nacht van 08 juli 2013 werden wij overvallen door zeepiraten danwel rovers.Nadat wij onze netten hadden opgehaald voerden wij in de richting van de monding van het [district] met de bedoeling om in dat gebied te vissen. Dat gebied is bij de vissers bekend als “[gebied]”. (…) Toen de boot ons dicht genaderd had zag ik dat vier van de mannen een houwer bij zich hadden en daarmee heel hard op onze boot sloegen. De vier mannen hadden hun gezichten gedeeltelijk bedekt met een stuk lap.Tewijl ik op mijn buik lag, werd ik door een van hen met een eind hout mishandeld. Ogenblikken daarna gaven zij de opdracht aan een van mijn manschappen om de buiten boordmotor van onze boot op gang te brengen. Hierna voerden zij in de richting van [gebied 4]. Ik moet u verklaren dat hun boot eveneens achter ons voerde. Toen zij in de buurt van [gebied 4] aankwamen haalden zij onze vangst uit onze boot en laadden de vangst in hun boot. Behalve onze vangst namen zij ook een vat benzine en etenswaren die wij in onze boot hadden.In de vroege ochtend van de volgende dag brachten zij de buitenboord motor van de beide boten wederom op gang en voerden zij in de richting van [district 2]. Toen wij in de buurt van [gebied 5] aankwamen werd ik door een van hen geroepen. Toen ik opstond zag ik dat wij een andere boot tegemoet voerden.Toen wij de andere boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers in de boot en begonnen zij al de vijf manschappen van de boot met de platte kant van de houwer te mishandelen. De vijf mannen van de boot moesten eveneens op hun buik liggen.Toen ik de boot overnam merkte ik op dat de boot nog steeds op [land 2] wateren bevond maar in de richting van [land] opging. Op een gegeven moment zag ik wederom een vissersboot. Op aangeven van de rovers moest ik de boot tegemoet varen. Toen wij de boot dicht genaderd hadden sprongen de vier rovers wederom in de boot en begonnen zij de manschappen van de boot te mishandelen met de platte kant van de houwers die zij bij zich hadden. Een van hen begon de buitenboordmotor te vernietigen.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 6], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard: “ Tijdens de eerste confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 1 positief herkend als te zijn een van de daders. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 2], [naam 3]. Ik heb hem zonder enige vorm van twijfels kunnen herkennen aan zijn oogwallen. Zijn oogwallen heeft namelijk een zwarte kleur. Hij is de tweede rover die in onze boot, gewapend met een houwer was gesprongen. Hij zwaaide met de houwer in mijn richting en hield mij voor dat hij mijn hoofd zou afhakken indien ik zou proberen mij te verzetten.

Bij de tweede groep heb ik de manspersoon met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 3]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn lichaamsbouw. Hij is namelijk de langste van de groep. Hij is de eerste dader die in onze boot was gesprongen en ons sommeerde om plat te gaan liggen. Hij heeft mij ook een slag toegebracht met de platte kant van de houwer die hij bij zich had.

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [verdachte] meergenoemd [verdachte].Zoals ik u eerder verklaard heb, ken ik [verdachte] van kleinsaf. Ik kan mij niet in hem vergissen dat hij een van de daders is. Ik heb [verdachte] kunnen herkennen aan zijn stem en zijn ogen. Ik moet u verklaren dat hij de enige was die tijdens de beroving zijn gezicht niet helemaal had bedekt.

Bij de vierde confrontatie heb ik de man met nummer 2 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam]. In mijn eerder afgelegde verklaring had ik verklaard dat ik de vijfde man niet had gezien. Toen ik met hem werd geconfronteerd schoot het mij te boven dat hij degene was die de boot van de rovers bestuurde. Ik heb hem aan zijn t-shirt kunnen herkennen. Tijdens de beroving had hij dezelfde gele oksel mauw t-shirt aan.

Tijdens de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 2 positief kunnen herkennen. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 5]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn ogen en wangen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 6], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“Wij arriveerden omstreeks 15.00 uur in de omgeving van de schelpritsen voor de kust. Daarna zijn wij dieper de zee opgevaren. Op maandag kwamen we dichtbij de kust en gooiden wij onze visnetten wederom en de volgende dag weer opgehaald. Terwijl wij de netten binnenhaalde, zag ik ongeveer drie kwart kilometer afstand een boot onze richting varen.Nadat de boot in kwestie ons van dichtbij genaderd was, zagen wij plotseling vier mannen te voorschijn komen, die gemaskerd en bewapend waren met houwers en stokken, waarmee zij zwaaiden. Daarnaast werden wij gesommeerd om ons in de visopslagruimte te verzamelen. Daarbij deden zij bedreigende uitlatingen dat als wij zulks zouden weigeren, dat zij ons zouden vermoorden.Een der hijackers vroeg aan [naam 20] om de vissen uit de opslagruimte uit te laden en deze in de opslagruimte van de hijackers in te laden. Terwijl hij bezig was de vissen in te laden werd hij door de hijackers geslagen met de platte zijde van de houwers.Vervolgens stapten de hijackers en de twee arbeiders in de boot en moesten wij op onze beurt in de hijackers boot overstappen. Ook werden de hoeveelheid vissen wederom in de opslagruimte van onze boot geladen. Daarna hebben zij de buitenboormachine onklaar gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 6], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:“ Bij de tweede confrontatie heb ik de man met nummer 3 positief herkend. Van u verneem ik thans dat hij ten rechte is geheten [naam 2], [naam 3].

Bij de derde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 5 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 4].

Bij de vijfde confrontatie heb ik de manspersoon met nummer 10 positief herkend. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam].”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 13], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7],d.d. 11 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“(…) zag ik een boot in onze richting toe varen. Op dat moment bevonden wij ons nabij de monding van het [district]. Wij zochten niets erachter en gingen wij door met het binnenhalen van onze buit. Toen de boot ons dicht genaderd had sprongen drie gemaskerde mannen in onze boot. Zij waren allen gewapend met houwers.
(…) Op dat moment hadden wij reeds drie kwart van onze netten binnengehaald. Op een gegeven moment kwam een van de rovers naar ons toe en moest ik samen met nog twee mannen in de boot waarmee de rovers waren overstappen. Vervolgens moesten twee mannen die in de boot waarmee de rovers waren in onze boot overstappen.Op dat moment was ik met nog vijf mannen achter gebleven. De vijf mannen en ik keken daarbij met lede ogen hoe de rovers weg voerden. Wij konden geen richting opgaan, aangezien zij de buitenboor motor onklaar hadden gemaakt.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 21] , ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5],d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“(…) Op hetzelfde moment zag ik vier gemaskerde mannen, elk gewapend met een houwer vanuit de andere boot in ons boot springen. Uit vrees voor mijn leven temeer ik het reeds door had dat ik te maken had met zeepiraten, ben ik in de opslagruimte op mijn buik gaan liggen. De kapitein en de overige vissers van mijn boot zijn op sommatie van de rovers ook in de opslagruimte gaan liggen.(…) Toen zijn [naam 20] en [naam 22] eruit gegaan. Zij moesten in opdracht van de zeepiraten de vis van onze boot overhevelen in de boot van de zeepiraten.(..) In de boot van de zeepiraten trof ik drie andere vissers aan. De drie vissers hadden ons toen verteld dat die vier zeepiraten hun de vooravond ervoor hadden overvallen. Zij hadden ook aangegeven door de zeepiraten mishandeld te zijn geworden.”

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 21] , ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“Bij de eerste confrontatie herkende ik [nummer 2] positief. Van u verneem ik dat hij ten rechte is geheten [naam 2], [naam 3]. Ik heb hem kunnen herkennen aan zijn [gebied 3] uur. Hij is namelijk kort en heeft hij een mollige [gebied 3] uur.Hij was degene geweest die mij de opdracht gaf om plat op mijn buik te gaan liggen.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 22], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 8], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 22], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 7], d.d. 10 juli 2013 bij wie het slachtoffer het volgende heeft verklaard:“U houdt mij voor dat ik zojuist in de gelegenheid ben gesteld om verschillende verdachten met daartussen de onderhavige zaak aangehouden verdachten afzonderlijk te bezichtigen qua etniciteit/ras middels een spiegelconfrontatie en houdt u mij verder voor dat ik verdachte met het borstnummer 5 heb aangewezen als een van de hijacker. Verder dat hij zich als [naam 5] heeft opgegeven.Ik heb hem positief herkend dat zij een boot waarin mannen al schietend ons naderde, daarbij hadden zij hun masker van hun gezicht weggehaald en in het water gegooid.

U houdt mij voor dat ik bij de tweede keer verdachte met het borstnummer 1 heb aangewezen als een van de hijacker en is hij ten rechte geheten [naam 2], [naam 3].

Verder houdt u mij gelijk voor dat ik de laatste verdachte met het borstnummer 01 had aangewezen. Hij is ten rechte geheten [naam]. Ik moet u verklaren dat hij de kapitein is van de hijackers boot. Ik heb hem positief herkend, omdat hij geen masker op had bij het besturen van de boot.”

Het proces-verbaal betreffende het verhoor van het slachtoffer, [naam 2], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5], d.d. 09 juli 2013.

Het proces-verbaal betreffende het nader verhoor van het slachtoffer, [naam 2], ambtsedig opgemaakt door de agent van politie eerste klasse, [verbalisant 5], d.d. 10 juli 2013, bij welk verhoor hij het volgende heeft verklaard:
“U houdt mij voor dat ik als eerst de manspersoon met het bordnummer 4 heb herkend en heb aangewezen als een van de zeerovers. U houdt mij voor dat die manspersoon zich heeft opgegeven als [naam 2], [naam 3]. Hij is de rover die ik in mijn eerste verklaring had beschreven als de hindoestaanse manspersoon met de baard. Hij is de manspersoon met de zesde vinger aan zijn linkerhand.Hij was degene geweest die met de platte zijde van de houwer de meeste van de slachtoffers sloeg. Hij is degene die de touw van de anker had doorgesneden om weg te varen toen de politie ons tegemoet kwamen. Ik heb onder meer door de herkenningsteken, in deze de zesde vinger aan zijn linkerhand, positief kunnen herkennen.(…) U houdt mij voor dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 5 heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn geheten [naam 4]. [naam 3] had ik in mijn eerder afgelegde verklaring aangegeven als een van de manspersonen die trekken heeft van een indiaan. Hij is een van de rovers geweest die ook gewapend was met een houwer en daarmee de slachtoffers mishandelde. [naam 3] is degene geweest die bij de overval van de tweede boot de visnet had doorgesneden.
(…) U houdt mij voor dat ik daarna de manspersoon met het bordnummer 8 heb herkend en heb aangewezen en deelt u mij mede dat hij heeft opgegeven te zijn genaamd, [naam].
Hij is degene die men kort nadat wij bevrijd werden van onze belagers door de politie, in de direkte omgeving werd aangehouden in een vissersboot.(…)Aan mij wordt voorgehouden dat ik vervolgens de manspersoon met het bordnummer 2, die [verdachte] is genaamd heb aangewezen. Ik heb hem gelijk kunnen herkennen omdat ik zijn gezicht goed heb onthouden. Een belangrijk herkenningsteken is de gouden tand die hij heeft. Hij is de leider van de groep rovers. Hij was degene die opdrachten gaf aan de overige drie rovers. Hij had mij en de kapitein, [naam 19] onder bedreiging opdrachten doen uitvoeren. Wij werden door hem bedreigd met de dood indien wij zijn opdrachten niet zouden uitvoeren.
(…) U houdt mij voor dat ik als laatst de manspersoon met het bordnummer 3 heb aangewezen als een van de rovers en deelt u mij mede dat hij zich heeft opgegeven als te zijn, [naam 5]. Hij is de langste van het viertal. Hij heeft ook de met de houwer slagen toegebracht aan verschillende slachtoffers”

Het rapport van de MAS d.d. 15 augustus 2013.

7.1 Bewezenverklaring
Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

I. hij omstreeks 08 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het [district],tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en [naam 5], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, en 153 (honderd drie en vijftig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 6], en [naam 7] en ene [naam 8] en [naam 9] en [naam 10], gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 6], en [naam 7] en ene [naam 8] en [naam 9] en [naam 10], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

II. hij op of omstreeks 09 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het [district],:

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en [naam 5], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (vissers)boot, althans een vaartuig en 26 (zes en twintig) stuks vissen, althans een ander hoeveelheid en een vat brandstof en een of meer levensmiddelen, in ieder geval een of meer goederen toebehorende aan [naam 11] en [naam 23] en/of [naam 13] en [naam 14] en [naam 15], althans een of meerdere personen, gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders die [naam 11] en [naam 23] en [naam 13] en [naam 14] en [naam 15], althans een of meerdere personen:

  • dreigend met een of meer houwers, te kennen heeft gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • heeft gesommeerd om plat te gaan liggen op de vloer van het vaartuig (boot) en vervolgens
  • opzettelijk gewelddadig, met die houwers en eindhout, een of meer slagen heeft toegebracht op het lichaam.

III. hij op of omstreeks 08 juli 2014 en 09 juli 2013, in de territoriale wateren van [land 2], voor het [district],:

tezamen en in vereniging met [naam] en [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en [naam 5], opzettelijk [naam 6], en [naam 7] en ene [naam 8] en [naam 9] en [naam 10], en [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14] en [naam 15], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben zij verdachten met dat opzet

  • zich begeven naar de plaatsen waar die [naam 11] en [naam 23] en [naam 13] en [naam 14] en [naam 15], zich bevonden en vervolgens
  • bewapend met een of meer houwers en een eindhout, en vervolgens overgestapt in het vaartuig waarop die [naam 11] en [naam 12] en [naam 13] en [naam 14] en [naam 15], en vervolgens
  • dreigend met een of meer houwers en een eindhout te kennen gegeven hun hoofd te zullen afhakken indien zij niet zouden meewerken en vervolgens
  • voornoemden aangemaand om plat te gaan liggen en vervolgens opzettelijk gewelddadig die [naam 11] en [naam 23] en [naam 13] en [naam 14] en [naam 15], met een of meer scherpe en harde voorwerpen een of meer slagen toegebracht op het lichaam en vervolgens
  • voornoemden enige tijd van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden en aldus voor voornoemden een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan zij zich niet konden onttrekken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de kantonrechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de kwalificatie
Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert op de navolgende misdrijven:

  • ten aanzien van feiten I en II: diefstal middels geweldpleging, meermalen gepleegd.
  • ten aanzien van feit III: wederrechtelijke vrijheidsberoving

9. De strafbaarheid van verdachte
De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachte zijn strafbaarheid opheft.

10. De strafmotivering
De vervolging heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 mei 2014 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder I, II en III ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaren, met aftrek.De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft zich, samen met de vier medeverdachten, schuldig gemaakt aan beroving van twee visvaartuigen op de [land 2] wateren. De verdachte en de medeverdachten zijn met een boot de [land 2] wateren, en wel dichtbij de kust van het [district], opgegaan met de intentie om vissersboten te beroven. Hiertoe hebben zij de slachtoffers bedreigd met een houwer en een stok, en hebben zij er niet voor geschroomd de slachtoffers van hun vrijheid te beroven, waarbij zij de motor van de boot hebben vernield. Het is slechts een gelukkig toeval geweest dat de weersomstandigheden op dat moment van dien aard waren dat er geen hevige winden waren en de vissersboot met slachtoffers niet is omgekanteld, of slachtoffers gewond zijn geraakt of verdronken in het water en de slachtoffers zijn gered door burgers die de informatie van deze beroving op zee hadden ontvangen.De vissers/slachtoffers, die zich in het kader van de uitoefening van hun beroep als visser op de [land 2] wateren bevonden, hebben gedurende deze handelingen van verdachte en zijn medeverdachten kennelijk angstige momenten beleefd. Het wordt de verdachte en zijn medeverdachten zwaar aangerekend dat zij slechts oog hebben gehad voor hun eigen financieel gewin en zich niet hebben bekommerd om de angst, schade en overlast die zij aan de slachtoffers hebben toegebracht.Het is een feit van algemeen bekendheid dat het aantal gevallen van zeeroof de afgelopen periode is toegenomen. In de territoriale wateren van zowel [land 2] als [land] wordt overwegend aan visvangst gedaan, zodat de bedreiging van de veiligheid van vissersvaartuigen die in deze gebieden aan visvangst doen, regionale economische gevolgen heeft. Beroving op zee is dan ook een ernstig feit, waartegen krachtig dient te worden opgetreden.De ernst van het feit gebiedt oplegging van gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.Bij het bepalen van de op te leggen straf is voorts het volgende in aanmerking genomen:

  • de slachtoffers die, ondanks een rechtshulpverzoek, niet meer te achterhalen zijn en aldus niet ter terechtzitting gehoord konden worden waardoor hun verklaring afgelegd bij de politie niet ter terechtzitting getoetst kon worden en de kantonrechter genoodzaakt was die verhoren als voorgelezen te beschouwen. Door het niet ter terechtzitting kunnen horen van de slachtoffers kon niet worden waargenomen of de slachtoffers al dan niet letsels hebben opgelopen daar er geen geneeskundige verklaringen ten name van de slachtoffers zijn aangetroffen in het strafdossier;
  • volgens de staat van inlichtingen is verdachte first offender (nimmer veroordeeld terzake enig strafbare feit). De verdachte is afkomstig uit [land]. Het is algemeen bekend dat veel vissers afkomstig uit [land] aan visvangst doen in de territoriale wateren van de Republiek [land 2] en dat dat hun bron van inkomsten is;
  • hoewel het niet mogelijk is gebleken om de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te verifiëren, wil de kantonrechter aannemen dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte schrijnend zijn.Bovengeschetste omstandigheden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter echter niet een rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond en ziet de kantonrechter op grond van die feiten en omstandigheden aanleiding de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen ten opzichte van de eis van de vervolging.Alles overziend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

11. Toepasselijke wetsartikelen
Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen 9, 11, 44, 342 en 372 Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De kantonrechter:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder I, II en III ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezen verklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 7(ZEVEN) jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt zijn gevangenhouding.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het derde kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mw. L.J. De Rooy, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 04 augustus 2014.

De griffier,De kantonrechter,

mw. L. de Rooy
mr. S.M.M. Chu

SRU-K1-2020-23

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3386
06 januari 2020

Vonnis in de zaak van:

1.[eiser 1],
2.[eiser 2],
3.[eiser 3],
allen wonende te [district],
eisers,
gemachtigde: J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 08 augustus 2018 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • het tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen gedaagde verleend verstek;
  • het schrijven d.d. 04 januari 2019 van de gemachtigde van gedaagde, dat het verstek wordt gezuiverd;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 Bij overeenkomst d.d. 05 oktober 2016 hebben eisers sub 1 en sub 2 en [naam 1], in hun hoedanigheid van respectievelijk, voorzitter, ondervoorzitter en penningmeester van de Stichting Ramsham, aan gedaagde verhuurd de bedrijfsruimte zijnde:

“…het gedeelte groot ongeveer drie en twintig vierkante meters (± 23 m2) van het winkelpand staande en gelegen op het perceelland, groot vierhonderd negen en negentig, acht en dertig/honderdste vierkante meters (499,38 m2), met al hetgeen daarop staat, aangeduid op de kaart van de landmeter, F. Emanuels, de dato 12 mei 1961 met de letters G P Q R en bekend als nummer 38…”. Plaatselijk staat bedoelde bedrijfsruimte bij partijen bekend als [adres] [nummer] in het [district] (beneden).

2.2 De huurovereenkomst is aangegaan op 05 oktober 2016 voor de duur van 2 jaar en een maandelijkse huur ad € 150,–.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 juli 2018 heeft gedaagde aan de Stichting Ramsham, ter attentie van [eiser 2]in zijn hoedanigheid van voorzitter van voormelde stichting, te kennen gegeven dat hij ingevolge artikel 8 van de huurovereenkomst, de overeenkomst wenst te verlengen met twee (2) jaar onder dezelfde voorwaarden.

2.4 Het onder 2.3. vermeld schrijven d.d. 17 juli 2018 is bij exploit no. [no.1] van N.M. Linger, deurwaarder bij het Hof van Justitie, op 18 juli 2018 aan de stichting Ramsham, door tussenkomst van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, betekend, nadat het enig bestuurslid van de genoemde rechtspersoon geweigerd heeft bedoeld schrijven in ontvangst te nemen.

2.5 Bij exploit no. [no. 2] van J.E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie, is op 01 augustus 2018 een schrijven met als onderwerp: “…opzegging huur en sommatie tot onmiddellijke ontruiming” aan gedaagde betekend.

2.6 De bedrijfsruimte wordt door gedaagde gebruikt voor zijn bedrijfsactiviteiten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1.Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– gedaagde te veroordelen om binnen 1 (één) week na 05 oktober 2018, de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [adres][nummer] te [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alles en allen, welke zich van zijnentwege aldaar bevinden, e.e.a. met behulp van de Sterke Arm.

– gedaagde te veroordelen om aan eisers te vergoeden, de reeds gemaakte kosten onder meer de deurwaarderskosten, groot SRD 2.500,–.

3.2 Eisers stellen dat zij de huurovereenkomst met gedaagde bij herhaling hebben opgezegd en gedaagde tevens hebben aangemaand de bedrijfsruimte te ontruimen. Gedaagde heeft gesteld de bedrijfsruimte niet te zullen ontruimen.

3.3 Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.De kantonrechter stelt vast dat blijkens de schriftelijke de huurovereenkomst d.d. 05 oktober 2016, de stichting Ramsham aan gedaagde heeft verhuurd de bedrijfsruimte zoals hierboven onder 2.1. is omschreven. De stichting is bij deze overeenkomst vertegenwoordigd door:

a.[eiser 1]handelend in zijn hoedanigheid van voorzitter van de stichting Ramsham en als schriftelijk gevolmachtigde van [naam 2], in haar hoedanigheid van bestuurslid van de stichting Ramsham;
b.[eiser 2], handelend in zijn hoedanigheid van ondervoorzitter van de stichting Ramsham en als schriftelijk gevolmachtigde van [naam 3], in zijn hoedanigheid van secretaris van de stichting Ramsham;
c.[naam 1], handelend in haar hoedanigheid van penningmeester van de stichting Ramsham.

4.2 Een stichting is als rechtspersoon, drager van rechten en plichten en kan zelfstandig deelnemen aan een rechtsproces, als eisende of als verwerende partij. Aangezien een stichting een onpersoonlijke entiteit is, dient deze bij het uitvoeren van diens rechten en plichten, vertegenwoordigd te worden. De bestuurders die in de statuten van de stichting zijn aangesteld om de stichting en buiten rechte te vertegenwoordigen zijn rechtsbevoegd om aldus namens de stichting op te treden. De handelingen die de bestuurders namens de stichting verrichten zijn (rechts)handelingen van de stichting en niet van de individuele personen die bij die gelegenheid het bestuur van de rechtspersoon bemensen.

In het schrijven dat per deurwaarders exploit no. [no. 2] van J.E. Febis op 01 augustus 2018 aan gedaagde is betekend wordt melding gemaakt dat “de familie [eisers]….” de gemachtigde zou hebben benaderd om de huur op te zeggen en te sommeren “…tot onmiddellijke ontruiming”. In dit schrijven is voorts verwezen naar voormelde huurovereenkomst d.d. 05 oktober 2016, zijnde aangegaan tussen de stichting Ramsham en gedaagde, en is laatstgenoemde aangezegd de ruimte per 05 oktober 2018 te ontruimen.

In voormeld schrijven is tevens vermeld: “Laatstelijk is de huurovereenkomst aan u opgezegd,…”, echter zijn geen producties overgelegd teneinde vast te stellen of en door wie de opzegging van de huurovereenkomst van 05 oktober 2016 heeft plaatsgevonden.

De kantonrechter stelt vast dat de vordering tot ontruiming van gedaagde, door eisers in persoon is ingesteld en niet door de stichting Ramsham.

Op grond van het voren overwogene zullen eisers niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

4.3 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1. verklaart eisers niet ontvankelijk;

5.2. veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 06 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 18-4701

03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: P.S. Olensky, deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname,

tegen

AMBASSADOR HOTEL EN CASINO,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat.

1 Het verloop van het proces

Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 12 november 2018 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Op 07 oktober 2018 wint gedaagde het bedrag ad SRD 6.800,– in het casino dat door gedaagde wordt uitgebaat.

2.2. De politiefunctionarissen die op 07 oktober 2018 zijn ingeschakeld en ter plaatse in het casino zijn verschenen, hebben na onderzoek geconcludeerd dat er geen fraude heeft plaatsgevonden.

2.3. Bij schrijven d.d. 7 october 2018 is op briefhoofd van gedaagde het volgende verklaard:

“ Hierbij verklaart Casino Ambassador ([naam] de manager) Dat de heer [eiser] [geboortedatum][district], srd 6800 verschuldigd is”. De verklaring is getekend door [naam], manager van gedaagde en eiser.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen:
a. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag ad SRD 6.800,–, zijnde het gewonnen bedrag d.d. 07 oktober 2018;
b.tot betaling van de incassokosten ad 15% zijnde SRD 1.020,–, alles vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van indiening;
c. in de kosten van het geding.

3.2.Eiser stelt dat door te weigeren tot uitbetaling van het gewonnen bedrag over te gaan, gedaagde ernstige wanprestatie jegens hem pleegt.

3.3.Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Gedaagde heeft onder meer gesteld dat uit videobeelden van het casino blijkt dat eiser aan een tafel speelde en dat de dealer hem zodanige kaarten verstrekte dat hij won. De dealer en eiser waren alleen aan die tafel en kan het niet toevallig zijn dat eiser kaarten toebedeeld kreeg van de dealer die voor de verzoeker voordelig waren, aldus gedaagde. Gedaagde is van oordeel dat eiser op frauduleuze wijze is bevoordeeld door de dealer.De kantonrechter stelt vast dat gedaagde meermalen heeft gesteld dat er videobeelden zijn waaruit op te maken valt dat eiser op frauduleuze zou hebben gewonnen. Deze videobeelden zijn door de politiefunctionarissen die ter plaatse een onderzoek hebben ingesteld, bekeken en hebben niet geleid tot een bevestiging van de stelling van gedaagde als zouden frauduleuze handelingen ten grondslag hebben gelegen aan het door eiser gewonnen bedrag. De kantonrechter merkt voorts op dat gedaagde heeft verzaakt videobeelden dan wel ander bewijsmateriaal ten processe in te brengen waaruit kan worden opgemaakt dat eiser op frauduleuze wijze op 07 oktober 2018 het bedrag ad SRD 6.800,– heeft gewonnen. Nu gedaagde het door haar gestelde niet heeft kunnen bewijzen, zal zij worden veroordeeld tot uitbetaling van het bedrag dat door gedaagde is gewonnen.

4.2. Eiser vordert de veroordeling van gedaagde tot betaling van de incassokosten, echter zijn partijen geen overeenkomst terzake met elkaar aangegaan, weshalve het aldus gevorderde niet zal worden toegewezen.

4.3.Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1. veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag ad SRD 6.800,– (zesduizend achthonderd Surinaamse dollar), vermeerderd met de wettelijke rente af 6% per jaar vanaf 12 november 2018 tot aan de algehele voldoening;

5.2. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 325,– (driehonderd vijf en twintig Surinaamse dollar);

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge, LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 03 februari 2020, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

 

SRU-K1-2020-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-5664
02 maart 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: J. E. Febis, deurwaarder,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
procederend in persoon.

Dit vonnis bouwt voort op het door de kantonrechter gewezen tussenvonnis, d.d. 5 februari 2018.

1. Het verdere verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • de op 13 april 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces – verbaal;
  • de rolbeschikking d.d. 11 december 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • de niet – gehouden comparitie van partijen;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling
2.1 Uit hoofde van de tussen partijen bestaande huurkoopovereenkomst, rustte op gedaagde de verplichting tot nakoming van de overeengekomen termijnbetalingen. Gedaagde heeft bij het aangaan van de overeenkomst een aanbetaling verricht van SRD 5.650,-. Het saldo diende hij in drie maandelijkse termijnen van elk SRD 1.150,- te voldoen. Gedaagde heeft zich niet gehouden aan de overeengekomen termijnbetalingen, doch heeft op verschillende momenten betalingen verricht. Zoals door gedaagde gesteld en door de gemachtigde van eiser op de comparitiezitting d.d. 13 april 2018 is erkend, heeft gedaagde het totaal bedrag van SRD 7. 100,- aan eiser voldaan, terwijl de overeengekomen koopsom SRD 9.100,- bedraagt.

2.2 Eiser stelt onder punt 5 van zijn inleidend rekest, dat hij gedaagde bij schrijven, d.d. 10 december 2015, heeft gesommeerd tot betaling van de saldo koopsom, vermeerderd met de rente, echter zonder beoogd resultaat, terwijl gedaagde sindsdien het voertuig verborgen houdt. Voormeld schrijven is ten processe overgelegd en houdt, zover van belang, het volgende in:

De restantkoopsom ad Srd 5.001,= is tot op heden door U – ondanks herhaalde aanmaningen in der minne- niet voldaan, hetgeen wanprestatie oplevert, terwijl de requirant tot de terugname van genoemd voertuig bevoegd is.

Ik nodig u dan uit om binnen Twee dagen na heden, meerbedoelde voertuig aan requirante af te geven, op straffe van jegens U te treffen rechtsmaatregelen en in rekening te brengen kosten ad Srd. 750,–.”

2.3 Ex artikel 1561q BW kan de verkoper zich pas op zijn recht tot ontbinding van de overeenkomst beroepen als hij de koper in gebreke heeft gesteld, en deze nalatig blijft. De kantonrechter overweegt dat uit de inhoud van het schrijven, zoals vermeld onder 2.2, niet kan worden afgeleid dat gedaagde door eiser in gebreke is gesteld, omdat gedaagde, naar het oordeel van de kantonrechter niet in de gelegenheid is gesteld om binnen een redelijk termijn alsnog aan zijn verplichtingen jegens eiser te voldoen. In het schrijven wordt de wanprestatie van gedaagde vastgesteld en wordt hij bevolen om binnen twee dagen na dato het voertuig aan eiser af te geven. Voorts zij opgemerkt dat voormeld schrijven, zoals door gedaagde is aangevoerd en door eiser niet is betwist, via de post aan gedaagde is verzonden en door hem op 05 januari 2016 is ontvangen. Op de dag waarop bedoeld schrijven is ontvangen, namelijk 05 januari 2016, is bij exploit no.4 van J. E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie het omschreven voertuig teruggenomen. De kantonrechter acht de in het schrijven genoemde termijn van twee dagen op grond van hetgeen uit het voorgaande blijkt, onredelijk.

2.4 Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat gedaagde niet in verzuim is en eiser geen ontbinding van de overeenkomst kan vorderen, weshalve de vordering zal worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, zoals in het dictum vermeld.

3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1 wijst de vordering af;
3.2 veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. P. Rudge LL.M. en in het openbaar uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter terechtzitting te Paramaribo van 02 maart 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
ge(vol)machtigde: voorheen I.D. Kanhai, BSc., advocaat, thans drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Defensie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Rathipal,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 08 augustus 2017;
  • de beschikking van het hof van 17 september 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 02 november 2018;
  • het schrijven van advocaat I.D. Kanhai, BSc., d.d. 02 november 2018 waarbij hij zich als gemachtigde van [verzoeker] onttrekt aan de zaak;
  • de griffiersbrief d.d. 09 januari 2019 waarbij [verzoeker] in kennis wordt gesteld van voormelde onttrekking en van de nieuwe datum waarop het verhoor van partijen zal worden gehouden, zijnde 01 maart 2019;
  • het proces-verbaal van het op 01 maart 2019 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen zijdens de Staat, met producties;
  • de akte uitlatingen n.a.v. uitlatingen en producties zijdens [verzoeker].

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is op 20 november 2013 een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie jaren aangegaan met het Ministerie van Defensie, welke arbeidsovereenkomst na verlenging expireert op 20 november 2019.

2.2 Bij memo d.d. 25 juli 2017 heeft de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie aan de chef-staf van het Nationaal Leger bericht dat de minister van Defensie (hierna: de minister) het besluit heeft genomen om [verzoeker] en twee andere korporaals te plaatsen bij de Landmacht (Infanterie Bataljon).

2.3 De voormalige procesgemachtigde van [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 juli 2017 onder meer het volgende aan de minister bericht:
“(…)

Resumerend

  • Dat cliënt recht heeft op een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf zijn datum van indiensttreding, zijnde 20 november 2013;
  • Dat cliënt op basis van diverse wettelijke regelingen niet tegen zijn wil kan worden overgeplaatst. Het hoeft geen betoog dat met deze overplaatsing geen rekening is gehouden met de persoonlijke belangen van cliënt en dat tevens zijn rechtspositie vanwege de overplaatsing wordt aangetast;
  • Dat zijn bevordering tot Korporaal wordt geformaliseerd;
  • Dat cliënt recht heeft op het verkrijgen van een werkgeversverklaring;
  • Dat cliënt alle recht heeft om zijn niet genoten verlofdagen op te nemen, zonder daarvoor iemand enige betaling verschuldigd te zijn;
  • Dat zijn naam en eer gezuiverd dienen te worden, omdat hij nooit het idee heeft gehad en nog minder een poging heeft ondernomen om een aanslag te plegen tegen de hoogste militaire gezagsdrager, het Staatshoofd enof de Regering van de Republiek Suriname.

Op grond van al het bovenstaande wordt bij deze een beroep op u gedaan, om het daarheen te leiden, zodat de rechtspositie van cliënt niet wordt aangetast. Dat aan cliënt binnen een week na ontvangst van dit schrijven wordt kenbaar gemaakt wat zijn huidige rechtspositie is en dat daarbij alle hoger aangehaalde zaken conform wet en recht worden rechtgetrokken.

Indien u nalaat om binnen de gestelde termijn aan het hoger aangehaalde gevolg te geven, zullen wij genoodzaakt zijn om namens cliënt een rechtsvordering tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Defensie in te stellen en worden gevorderd, dat cliënt schadeloos wordt gesteld voor alle schade die hij heeft geleden en nog lijdt vanwege het hoger omschreven onwettelijk en onrechtmatig handelen.(…)”

2.4 Het in 2.3 vermeld schrijven d.d. 27 juli 2017 is bij exploot d.d. 02 augustus 2017, [nummer 1], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R. Sontono, aan de minister betekend.

2.5 [verzoeker] is bij beschikking van de minister d.d. 24 april 2018 (hierna: de ontslagbeschikking) ingevolge artikel 35 leden 2 en 5 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) wegens plichtsverzuim ontslag uit Staats(militaire)dienst verleend.

2.6 Een afschrift van de ontslagbeschikking is bij exploot d.d. 02 mei 2018, [nummer 2], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Tran van Can-Doesburg, aan [verzoeker] betekend middels afgifte daarvan aan een huisgenote, tevens tante van hem.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden:

I. gelast om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met onder andere de bepalingen van artikel 13 lid 3 juncto artikel 14 WRM en wel in dier voege dat hij in aanmerking komt voor een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf de datum van zijn indiensttreding;

II. gelast om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis zijn bevordering c.q. benoeming tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig bij te stellen;

III. gelast om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van mutatie in acht te nemen;

IV. gelast om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van het verlenen van verlof in acht te nemen;

V. gelast erop toe te zien dat hij niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring;

VI. gelast om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis schriftelijk aan hem te kennen te geven dat de door de Staat gedane uitlating als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berust en hem dientengevolge te rehabiliteren;

VII. veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat in strijd wordt gehandeld met het gevorderde onder I tot en met VI;

VIII. veroordeeld om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 2.500.000,-, zijnde vergoeding van de schade die hij heeft geleden wegens de onterechte beschuldigingen aan zijn adres en de gevolgen die dit voor hem en zijn gezin heeft;

IX. veroordeeld om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 7.500,-, zijnde de advocaatkosten die hij noodzakelijkerwijs moest betalen ter bescherming en handhaving van zijn rechten.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten alsmede dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is militaire arbeidscontractant. Krachtens artikel 11 lid 1 WRM gaat aan de aanstelling van een militaire ambtenaar een geneeskundig onderzoek vooraf. [verzoeker] heeft reeds bij aanvang van zijn dienstbetrekking een geneeskundig onderzoek ondergaan. Aangezien [verzoeker] op basis van de resultaten van dit onderzoek mocht deelnemen aan de Elementaire Algemene Opleiding en hij deze opleiding met goed gevolg heeft afgerond, kan geconcludeerd worden dat hij medisch gezien geschikt is voor aanstelling tot militaire ambtenaar. Hoewel [verzoeker] daar recht op heeft, is hij tot op heden niet voorzien van een tijdelijke dan wel vaste aanstelling als militaire ambtenaar. Artikel 13 lid 3 WRM bepaalt uitdrukkelijk hoe gehandeld dient te worden, indien blijkt dat van Staatswege een arbeidsovereenkomst is gesloten in een ander geval dan is voorzien in artikel 9 lid 1 WRM. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 14 WRM is het vanzelfsprekend dat [verzoeker] recht heeft op een aanstelling in vaste dienst. Voorts kan [verzoeker] zich niet verenigen met zijn mutatie naar het dienstonderdeel Infanterie. Met deze mutatie handelt de Staat in strijd met artikel 20 lid 2 juncto artikel 8 lid 2 van de Personeelswet (Pw), krachtens welke artikelen een ambtshalve mutatie niet tegen de wil van de betrokken landsdienaar kan geschieden. Met deze mutatie heeft de Staat ook het bepaalde in artikel 2 WRM veronachtzaamd. Verder heeft de Staat nagelaten om de benoeming (het hof begrijpt: bevordering) van [verzoeker] tot korporaal te formaliseren en het salaris van [verzoeker] dienovereenkomstig aan te passen. Voorts handelt de Staat onrechtmatig jegens [verzoeker] doordat de administratie meerdere keren heeft geweigerd hem een werkgeversverklaring te verstrekken, als gevolg waarvan hij schade ondervindt. De Staat handelt tevens onrechtmatig jegens [verzoeker] door verlofaanvragen, afhankelijk van de duur van het verlof, slechts dan goed te keuren, indien vooraf een bepaald bedrag wordt betaald. Hoewel [verzoeker] het bestaan van deze situatie meerdere keren aan de Staat heeft voorgehouden, is hierin geen verandering gekomen. De Staat handelt ten slotte ook onrechtmatig jegens [verzoeker] door hem – samen met vier van zijn collega’s – valselijk te beschuldigen van het beramen van een coup. [verzoeker] kan deze zware beschuldiging niet zomaar naast zich neerleggen, gezien de consequenties daarvan op zijn functioneren binnen de organisatie. [verzoeker] en zijn gezin hebben als gevolg van deze valse beschuldiging schade geleden en lijden nog schade, voor welke schade de Staat aansprakelijk kan worden gesteld. Bij de berekening van de omvang van de schade, begroot op SRD 2.500.000,-, is met het volgende rekening gehouden:

  • Voor het geval [verzoeker], als gevolg van de beschuldiging, de schande die en het gevaar dat daaraan kleeft, mocht besluiten om niet meer in overheidsdienst te blijven, moet hij met voormeld bedrag in staat zijn een eigen bedrijf op te starten om zodoende in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien.
  • Indien [verzoeker], in het uiterste geval, mocht besluiten om samen met zijn gezin zijn heil in het buitenland te zoeken, moet hij daarin kunnen voorzien.Voorts is het redelijk en billijk dat de Staat, bij wege van schadevergoeding, de door [verzoeker] gemaakte advocaatkosten ad SRD 7.500,- vergoedt, nu deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatig handelen van de Staat. Laatstgenoemde heeft niet binnen de termijn gesteld in het schrijven van [verzoeker] d.d. 27 juli 2017 (zie 2.3) op dit schrijven gereageerd.

3.3 De Staat heeft geen verweerschrift ingediend, maar wel ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen alsmede bij conclusie tot uitlating na verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 De Staat heeft, naar het hof begrijpt, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], omdat in artikel 79 Pw limitatief is omschreven hetgeen bij het hof gevorderd kan worden en het gevorderde niet valt onder de werking van deze bepaling.

4.1.2 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] militaire arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 WRM, welke wet dan ook op hem van toepassing is. Ingevolge artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. Blijkens artikel 83 Pw zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 – hieronder vallen artikelen 78 tot en met 82 Pw (de rechtsmiddelen) – van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten, zoals [verzoeker], en op vorderingen betreffende arbeidsovereenkomsten, welke door het land zijn gesloten. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.3 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde, worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, namelijk een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het verder achterwege laten om, kort gezegd:
a.[verzoeker] te voorzien van een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen van de datum van zijn indiensttreding;
b.de bevordering van [verzoeker] tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen;
c.de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van mutatie in acht te nemen;
d.de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van het verlenen van verlof in acht te nemen;
e.erop toe te zien dat [verzoeker] niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde.Het in 3.1 onder VI (in combinatie met VII) gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder VIII gevorderde niet worden beschouwd als een vordering tot vergoeding van schade ex artikel 79 lid 1 sub b Pw, nu onder een verrichte handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde in de zin van deze bepaling niet kan worden verstaan de gestelde vermeende uitlating van de Staat jegens [verzoeker]. Het hof zal zich derhalve eveneens onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.Het in 3.1 onder IX gevorderde kan daarentegen wel worden aangemerkt als een vordering tot vergoeding van schade ex artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat het hof bevoegd is daarvan kennis te nemen.Uit het voorgaande volgt dat het onbevoegdheidsverweer van de Staat doel treft ten aanzien van het in 3.1 onder VI en VIII gevorderde en faalt ten aanzien van het in 3.1 onder I tot en met V, VII en IX gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering tot het opleggen van een dwangsom ex artikel 79 lid 1 sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan, in casu de minister, mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.

Het in 2.3 vermeld schrijven d.d. 27 juli 2017 behelst het verzoek van [verzoeker] aan de minister om de daarin aangehaalde zaken in orde te maken. Voormeld schrijven is op 02 augustus 2017 aan de minister betekend. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister nimmer op dit schrijven heeft gereageerd. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw is er ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, zijnde 08 augustus 2017, geen sprake geweest van een daadwerkelijk genomen dan wel fictief besluit zijdens de minister op het verzoek van [verzoeker], zodat [verzoeker] prematuur is met de ingestelde vordering tot het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling. [verzoeker] zal derhalve niet-ontvankelijk verklaard worden in het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde. Hieruit volgt dat [verzoeker] eveneens niet-ontvankelijk verklaard zal worden in het in 3.1 onder IX gevorderde, te weten vergoeding van schade ter hoogte van de gestelde advocaatkosten, welke schade zou zijn voortgevloeid uit een verrichte of nagelaten handeling.

4.3.1 Het hof overweegt ten overvloede dat, ook in geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn het in 3.1 onder I tot en met V, VII en IX gevorderde, dit niet zou kunnen worden toegewezen en wel om de volgende redenen.

4.3.2 De Staat heeft bij conclusie tot uitlating na verhoor van partijen betwist dat de bevordering van [verzoeker] tot korporaal niet is geformaliseerd en dat zijn salaris niet dienovereenkomstig is aangepast. De Staat heeft in dit kader aangevoerd dat [verzoeker] bij mutatieformulier d.d. 29 december 2016 formeel is bevorderd tot korporaal, dat het salaris van [verzoeker] met terugwerkende kracht te rekenen van de dag van de titulaire bevordering tot korporaal, zijnde 01 maart 2016, is aangepast, dat de aanpassing van het salaris aan de rang van korporaal per januari 2017 is geschied en dat [verzoeker] zijn salaris met terugwerkende kracht in de maand januari 2017 heeft ontvangen. Ter onderbouwing van het voorgaande heeft de Staat in fotokopie overgelegd: een ‘MUTATIEFORMULIER EN KENNISGEVING T.A.V. BEVORDERING VAN ARBEIDSCONTRACTANT PERSONEEL VAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE’ ten name van [verzoeker] d.d. 29 december 2016, een overzicht van het verloop van de bezoldiging van [verzoeker] te rekenen van 20 november 2013 tot en met 01 januari 2017 en een salarisopgave ten name van [verzoeker] over de maand januari 2017. [verzoeker] heeft bij akte, naar het hof begrijpt, betoogd dat de Staat miskent dat het gaat om de formele benoeming, welke benoeming is uitgebleven. Het hof volgt [verzoeker] niet in dit betoog, aangezien hetgeen de Staat hierboven heeft aangevoerd wordt ondersteund door de eveneens hierboven genoemde producties die door de Staat zijn overgelegd. Dit leidt tot de slotsom dat de Staat de formalisatie van de bevordering van [verzoeker] tot korporaal en de aanpassing van zijn salaris aan deze rang niet achterwege heeft gelaten.Aan [verzoeker] is in de loop van dit geding wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst verleend. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard de ontslagbeschikking te hebben ontvangen. Het hof constateert dat [verzoeker] niet bij nadere (incidentele) conclusie aanvulling van het petitum van het verzoekschrift heeft verzocht, in die zin dat mede wordt gevorderd de nietigverklaring van het ontslagbesluit. Uit het gehouden verhoor van partijen heeft het hof evenmin begrepen dat [verzoeker] is opgekomen tegen het ontslag. Nu [verzoeker] niet is opgekomen tegen het aan hem verleend ontslag en het ontslagbesluit derhalve niet meer kan worden aangetast, kan de Staat reeds hierom hem niet meer voorzien van een aanstelling in vaste dienst noch het bij de Personeelswet dan wel de Wet rechtspositie militairen bepaalde ter zake van mutatie en verlof jegens hem in acht nemen en evenmin erop toezien dat hij niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring.Nu de door [verzoeker] bedoelde handelingen, hetzij niet door de Staat zijn nagelaten, hetzij niet door de Staat kunnen worden verricht, is er geen grond voor het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van deze handelingen, zodat het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen.

4.3.3 Uit het voorgaande volgt dat het hof niet eraan is toegekomen inhoudelijk te beoordelen of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker] door in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde de bedoelde handelingen na te laten, zodat de in 3.1 onder IX, bij wege van schadevergoeding ex artikel 79 lid 1 sub b Pw, gevorderde advocaatkosten eveneens als ongegrond zouden worden afgewezen.

4.4 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.5 [verzoeker] heeft tevens gevorderd dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt. Dit gevorderde is onduidelijk en zal daarom worden afgewezen.

4.6 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder VI en VIII gevorderde.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 onder I tot en met V, VII en IX gevorderde.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 01 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens

drs. A. Biharie, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door

dhr. S. Sewgobind, LL.M namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 juli 2017;
  • het verweerschrift d.d. 31 juli 2017;
  • de beschikking van het hof van 26 juni 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 03 augustus 2018;
  • de processen-verbaal van het op 03 augustus 2018 gehouden verhoor van partijen en de op 01 februari 2019 gehouden voortzetting daarvan.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 juni 2019, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst geweest bij de Dienst der Domeinen van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer in de functie van medewerker Grondregistratie/Archief.

2.2 Het perceelland, vermeld in de hieronder in 2.4 genoemde beschikking, (hierna: het perceelland) was in 1965 in huur uitgegeven aan [naam 1] (hierna: [naam 1]). Als gevolg van diens overlijden in 1986 is het perceelland vervallen tot het vrije domein.

2.3 [naam 2], zoon van [naam 1], heeft het perceelland bij schrijven van 28 april 2014 in grondhuur aangevraagd. [verzoeker] heeft het perceelland eveneens in 2014 in grondhuur aangevraagd.

2.4 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 11 april 2017 [nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] ingevolge artikel 69 lid 2 sub c en lid 4 sub c van de Personeelswet (Pw) ontslag uit Staatsdienst verleend. Daartoe is onder meer overwogen:“- dat de heer [verzoeker] (…) bij schrijven van de Directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer van 16 maart 2017 [nummer 2], is aangeschreven zich te verweren met betrekking tot het volgende:

  • dat hij bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer van 27 maart 2015 [nummer 3] in grondhuur heeft verkregen ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van veertig jaren, het perceelland groot 1,9716 ha, gelegen in [district], aan de [weg] en bekend als Serie D [nummer 4] van de gronden [gebied 1] en [gebied 2];
  • dat na onderzoek blijkt, dat bedoeld perceelland bij beschikking van 27 december 1965 [nummer 5], voor de uitoefening van de landbouw, in huur was afgestaan aan de heer [naam 1] die op 06 september 1986 is overleden;
  • dat bij schrijven van 28 april 2014 de heer [naam 2], zoon van de heer [naam 1] het verzoek doet, bedoeld perceelland, dat door hem wordt onderhouden en bewerkt, aan hem in grondhuur te willen afstaan voor het uitoefenen van de tuinbouw en veeteelt;
  • dat aangezien de heer [verzoeker], toen de aanvraag werd ingediend, werkzaam was op de Dependance [district] en uit hoofde van zijn functie van Medewerker Grondregistratie/Archief op de hoogte was van bovenvermelde informatie en het perceelland heeft aangevraagd en verkregen.
  • dat de heer [verzoeker] zich bij schrijven van 16 maart 2017 heeft verweerd en het volgende heeft aangegeven:
  • dat het perceelland, groot 1.9716 ha, gelegen in [district] aan de [weg] en bekend als Serie D [nummer 4] van de gronden [gebied 1] en [gebied 2] in huur en ter uitoefening van de landbouw was uitgegeven bij beschikking d.d. 27 december 1965 [nummer 5] aan de heer [naam 1], die op 6 december 1986 is overleden;
  • dat zoals bekend huur eindigt bij de dood;
  • dat hij het eerder aangehaald perceeland onder LaD [nummer 6] heeft aangevraagd;
  • dat zijn aanvraag is verlopen zoals elke aanvraag;
  • dat hij verder wil aangeven dat hij in de periode van november 2014 tot en met januari 2016 werkzaam was op de Dependance RGB te [gebied 3] en dat het archief op de Dependance [gebied 4] was gevestigd en dat op de Dependance [gebied 3] er alleen stukken werden opgemaakt die verkregen waren van Dependance [gebied 4];
  • dat het geenszins zijn bedoeling was iemand te kort te doen of te dwarsbomen en dat er toen nog geen aanvraag was ingediend op het eerder aangehaald perceelland.
  • dat het verweer van betrokkene niet steekhoudend wordt bevonden omdat:
  • de heer [verzoeker] werkzaam is bij de Dienst der Domeinen in de functie van Medewerker Grondregistratie/Archief en het doel van zijn functie is het mede beschikbaar hebben van alle gegevens met betrekking tot uitgegeven domeingronden en als enkele der hoofdtaken heeft het registreren van beschikkingen van alle onder persoonlijke titel (huur en gebruik) en zakelijke titel (erfpacht en grondhuur) uitgegeven domeingrond (…);
  • betrokkene, gezien zijn werkervaring van ruim 5 jaren in de functie van Medewerker Grondregistratie/Archief en zoals hij zelf in zijn verweerbrief aangeeft, dat hij in de periode van november 2014 tot en met januari 2016 werkzaam was op de Dependance [gebied 3] en stukken opmaakte en hiervoor grondrechtelijk onderzoek verrichtte op zowel de Dependance [gebied 4] als op het hoofdkantoor van de Dienst der Domeinen, wordt geacht dat hij deskundig is met betrekking tot Gronduitgifte;
  • betrokkene uit hoofde van zijn functie de beschikking heeft over de informatie met betrekking tot de status van domeingronden;
  • betrokkene op grond van de door zijn functie verkregen informatie en zijn deskundigheid, misbruik heeft gemaakt van zijn positie en ten eigen bate heeft gehandeld door het perceelland aan te vragen;
  • betrokkene verder in zijn verweer vermeld dat het geenszins de bedoeling was iemand te kort te doen of te dwarsbomen en dat toen hij het perceelland aanvroeg er nog geen aanvraag op bedoeld perceelland was ingediend;
  • de zoon van de voormalige titelhouder bij schrijven van 28 april 2014 het perceelland heeft aangevraagd en de heer [verzoeker] pas op 15 september 2014 zijn aanvraag heeft ingediend, de datum op zijn verzoekschrift heeft geantidateerd en de datum van 9 april heeft vermeld en hierdoor de dienst op een dwaalspoor heeft gebracht;
  • het perceelland door de zoon van de voormalige titelhouder wordt bewoond, bewerkt en onderhouden en dat de heer [verzoeker] vanwege zij deskundigheid dient te weten dat in beginsel rechten op domeingrond toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken (S.B. 1982 No. 10);
  • van betrokkene als ambtenaar bij de Dienst der Domeinen bij uitstek, verwacht wordt, de burger te beschermen en informeren over hun rechten;
  • betrokkene het desbetreffende perceelland nota bene aan derden heeft doorverkocht en er op 8 maart 2017 een hypotheek op het perceelland is gevestigd.
  • dat betrokkene door zijn handelen het imago van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer c.q. de Staat ernstig heeft geschaad;
  • dat betrokkene als landsdienaar verplicht is de aan zijn functie (…) verbonden werkzaamheden naar beste weten en kunnen te verrichten, de bevoegdelijk aan hem gegeven opdrachten, welke op de dienst betrekking hebben, stipt en loyaal uit te voeren en zich ook overigens steeds zo te gedragen als een goed en getrouw landsdienaar betaamt en hij voorts verplicht is zich te gedragen overeenkomstig de voorschriften, bij of krachtens staatsbesluit vastgesteld voor ’s Lands dienst in het algemeen of voor het onderdeel waartoe hij behoort (artikel 36 van de ‘Personeelswet’);
  • dat naar aanleiding van het voorgaande, er onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid zijn om betrokkene langer in Staatsdienst te handhaven en hij met in achtneming van artikel 69 lid 2 sub c en lid 4 sub c van de ‘Personeelswet’, uit Staatsdienst dient te worden ontslagen.”

2.5 De ontslagbeschikking is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname G.O. Niekoop d.d. 21 april 2017 [nummer 7] aan [verzoeker] betekend.

2.6 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 04 mei 2017 op grond van artikel 78 lid 1 Pw bij de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) beklag gedaan tegen het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot zijn ontslag uit Staatdienst, waarbij de President is verzocht dit besluit terug te draaien, althans [verzoeker] te herstellen in zijn functie van medewerker Grondregistratie/Archief. Voormeld klaagschrift is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname R. Sontono d.d. 08 mei 2017 [nummer 8] aan de President betekend. Een beslissing van de President op het beklag is uitgebleven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert dat bij vonnis het op 11 april 2017 aan hem verleend ontslag uit Staatsdienst zal worden teruggedraaid c.q. vernietigd, althans dat hij zal worden hersteld in zijn functie van medewerker Grondregistratie/Archief.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het aan hem verleend ontslag. Hij heeft conform het Decreet Uitgifte Domeingrond het perceelland aangevraagd. Het is frappant dat de Staat aan de ene kant deze aanvraag honoreert en hem aan de andere kant ontslag verleent wegens misbruik van zijn functie en deskundigheid. Van een dergelijk misbruik is geen sprake. Het is aan de Staat gelegen om een uitputtend onderzoek te doen, alvorens op een gedane grondaanvraag te beslissen. Er kan niet gezegd worden dat [verzoeker] de Staat heeft weten te beïnvloeden dan wel te manipuleren om zijn aanvraag gehonoreerd te krijgen. [verzoeker] heeft volgens voormeld decreet gehandeld en op geen enkel moment een derde benadeeld. Indien de Staat fouten heeft gemaakt bij zijn onderzoek ter zake van de aanvraag van [verzoeker], dan kunnen deze niet in de schoenen van [verzoeker] worden geschoven.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub e Pw is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 Pw. De vordering van [verzoeker] strekt tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatsdienst is verleend. Het hof is dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] sinds 21 april 2017 kennis heeft genomen van het ontslagbesluit en dat hij zijn vordering op 12 juli 2017 – derhalve langer dan een maand na kennisname van dit besluit – bij het hof heeft ingesteld.

4.2.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 3 Pw vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 Pw, daaronder mede begrepen de onderhavige vordering, voorts niet ontvankelijk zijn:
a.indien overeenkomstig artikel 78 Pw beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, dan wel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd;
b.indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat de beslissing op het gedane beklag ter kennis van de klager is gebracht, dan wel dat hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Op grond van artikel 78 lid 4 Pw heeft de klager recht op een beslissing binnen drie maanden. Hieruit volgt dat het hoger gezag indien het niet binnen drie maanden op een ingesteld beklag heeft beslist, geacht wordt een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. Vaststaat dat de ontslagbeschikking op 21 april 2017 aan [verzoeker] is betekend, dat [verzoeker] op 08 mei 2017 in beklag is gegaan bij de President en dat [verzoeker] op 12 juli 2017 de vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit bij het hof heeft ingesteld. [verzoeker] zou, nu hij voormelde vordering reeds op 12 juli 2017 bij het hof heeft ingesteld – nog geen drie maanden nadat hij op 08 mei 2017 tegen de ontslagbeschikking in beklag is gegaan bij de President – en hij derhalve de beslissing van de President op zijn beklag niet heeft afgewacht, bij strikte toepassing van artikel 80 lid 3 sub a Pw niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn vordering. Het hof overweegt dienaangaande echter als volgt. Het doel van het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie als bedoeld in artikel 78 Pw is om de belanghebbende uitsluitsel te verschaffen omtrent een te zijnen aanzien genomen besluit door een lager overheidsorgaan. Het is het hof bekend dat dit rechtsmiddel niet werkt, in die zin dat een beslissing van de President op een bij hem ingesteld beklag regelmatig pleegt uit te blijven. In dit licht kan van [verzoeker] in alle redelijkheid niet worden verwacht de (fictieve) beslissing van de President op het beklag af te wachten. Het hof acht [verzoeker] daarom ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. Het verweer van de Staat wordt verworpen.

4.3.1 Het hof stelt voorop dat ook [verzoeker] het recht heeft om een perceel in grondhuur aan te vragen. De ontslagbeschikking in zijn totaliteit bezien, wordt [verzoeker] verweten dat hij bij het aanvragen van het perceelland misbruik heeft gemaakt van zijn functie, in die zin dat hij, na uit hoofde van zijn functie kennis te hebben genomen van een door een zoon van [naam 1] schriftelijk gedane aanvraag gedateerd 28 april 2014, het perceelland op zijn beurt vervolgens op 15 september 2014 in grondhuur heeft aangevraagd en daarbij zijn schriftelijke aanvraag heeft geantidateerd door daarop de datum van 09 april (het hof begrijpt: 09 april 2014) te vermelden.

4.3.2 [verzoeker] heeft ter gelegenheid van de gehouden voortzetting van het verhoor van partijen verklaard niet te weten of de datum van zijn aanvraag is aangepast en zich niet te kunnen heugen wanneer hij de aanvraag heeft ingediend. Dit heeft evenwel niet als een betwisting in rechte te gelden, zodat als onweersproken in rechte tussen partijen is komen vast te staan dat [verzoeker] zijn aanvraag op 15 september 2014 – derhalve na de aanvraag van de zoon van [naam 1] gedateerd 28 april 2014 – heeft ingediend en deze heeft geantidateerd door daarop de datum van 09 april 2014 te vermelden. Als onweersproken is tevens in rechte tussen partijen komen vast te staan dat [verzoeker], ten tijde van de indiening van de aanvraag door de zoon van [naam 1], werkzaam was op de Dependance [district]. Voorts is als onweersproken in rechte tussen partijen komen vast te staan dat de afdeling waar [verzoeker] werkzaam was grondaanvragen van [district] – dit is het district waar het perceelland gelegen is – in behandeling nam en onderzoek daarover moest doen en dat [verzoeker] daardoor inzage had in de stukken die werden ingediend. Het hof acht derhalve ongeloofwaardig de verklaring van [verzoeker] dat hij geen kennis droeg van de eerdere aanvraag van de zoon van [naam 1] en dat hij zijn informatie heeft geput uit een overzicht van vrije percelen. Uit het voorgaande volgt dat de Staat [verzoeker] terecht misbruik van zijn functie heeft verweten. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit misbruik het ontslag van [verzoeker] wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, nu hij door zijn handelwijze blijk heeft gegeven van een zodanige gezindheid, dat hij redelijkerwijs niet geacht kan worden voldoende waarborgen voor een getrouwe plichtsbetrachting te bieden. De omstandigheid dat de Staat bij zijn onderzoek naar de aanvraag van [verzoeker] mogelijk steken heeft laten vallen, maakt dit niet anders. Daarbij komt dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken in rechte tussen partijen is komen vast te staan dat [verzoeker] het perceelland heeft doorverkocht en dat daarop ten gunste van derden een hypotheek van € 40.000,- is gevestigd. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als ambtenaar bij de Dienst der Domeinen wordt gehandhaafd.

4.4 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde als ongegrond dient te worden afgewezen.

4.5De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

Wijst de vordering af.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Ministerie van OWC), afdeling Bureau Speciaal Onderwijs, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 06 juli 2018 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 30 juli 2018, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift is verlengd met zes weken ingaande 25 juli 2018;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 05 september 2018, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken ingaande 05 september 2018;
  • het verweerschrift ingediend door verweerder op 16 oktober 2018;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 januari 2019, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 15 februari 2019;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 februari 2019;
  • de conclusie tot wijziging van eis zijdens verzoekster, overgelegd op 15 februari 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en wijziging van eis en uitlating producties, met producties zijdens verweerder, overgelegd op 01 maart 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, overgelegd op 15 maart 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verweerder, overgelegd op 17 mei 2019;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw) en is reeds 37 jaren in dienst van het Ministerie van OWC.

1.2 Verzoekster is 16 jaren als schoolleider geplaatst op de aan [school] toebehorende bijzondere school [school].

1.3 Op 16 augustus 2017, kort nadat er een gesprek was geweest met verzoekster over de financiele administratie, heeft het waarnemend hoofd van de afdeling Bureau Speciaal Onderwijs, mw. [naam], zonder voorafgegane melding of reden, aan verzoekster medegedeeld dat zij wordt gemuteerd naar een andere school.

1.4 Op 18 augustus 2017 werd verzoekster telefonisch door mw. [naam] voornoemd opgedragen om de gehele financiele administratie over de periode 2010-2017 vóór 10 uur op dezelfde dag aan haar af te staan.

1.5 In reactie op het voorgaande heeft verzoekster op dezelfde dag van 18 augustus 2017 schriftelijk aan mw. [naam] medegedeeld dat zij daartoe fysiek niet in staat is, omdat een deel van de opgevraagde administratie zich reeds bij mw. [naam] bevond, terwijl verzoekster dat deel nodig had om de administratie compleet te maken, welk schrijven persoonlijk is afgegeven door verzoekster aan mw. [naam]. Daarnaast moest zij bij de overige teamleiders informatie opvragen, hetgeen niet op zo een kort termijn kon. Mevrouw [naam] heeft niet gereageerd op dit schrijven van verzoekster.

1.6 Per schrijven d.d. 23 augustus 2017, [nummer], ontvangen door verzoekster op 28 augustus 2017, heeft mw. [naam] aan verzoekster medegedeeld dat zij verstek heeft laten gaan en ook niet heeft afgemeld om de financiele stukken op 18 augustus 2017 af te geven, weshalve zij ernstig in gebreke wordt gesteld vanwege plichtsverzuim c.q. indisciplinair gedrag en wordt zij aangemaand om zich binnen drie dagen na ontvangst te verweren.

1.7 In reactie op voormeld schrijven heeft verzoekster op 28 augustus 2017 per schrijven van haar procesgemachtigde gereageerd en verwezen naar de brief van verzoekster die op 18 augustus 2017 persoonlijk ter hand werd gesteld aan mw. [naam] , één en ander zoals omschreven onder overweging 1.4. Verzoekster heeft tevens bezwaar aangetekend tegen de voorgenomen mutatie bij de Directeur van het Ministerie van OWC.

1.8 Bij schrijven d.d. 25 september 2017, [nummer 2], werd verzoekster door mw. [naam] voornoemd gesommeerd om binnen drie dagen na ontvangst van het schrijven, de sleutels van de school waar verzoekster leiding aan gaf, aan haar af te geven; verzoekster werd daarbij verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim c.q. indisciplinair gedrag, waarvoor zij in gebreke werd gesteld; voorts werd ter informatie medegedeeld dat het Bureau Speciaal Onderwijs het verworven recht, ontleend aan de bevoegdheid gegeven door de Minister van OWC, heeft om leerkrachten die binnen haar supervisie vallen, te muteren.

1.9 Verzoekster heeft op 28 september 2017 ontvangen een mutatieformulier ondertekend door mw. [naam], [nummer 3], 2017/2018, gedateerd 15 augustus 2017, waaruit blijkt dat verzoekster voor het schooljaar 2017/2018 met ingang van 01 oktober 2017 wordt overgeplaatst van VSO [school] school te [district] naar de [school 2] te [district] als schoolleider.

1.10 Per schrijven d.d. 29 september 2017, [nummer 4], heeft mw. [naam] aan verzoekster medegedeeld dat op basis van onduidelijkheden in de financiele stukken die aan haar zijn overhandigd in de maand augustus, aan de directeur is gevraagd om via Interne Controle een onderzoek te doen instellen en is verzoekster blijkens ingebrekestellingen [nummer], [nummer 5] en [nummer 6] in de gelegenheid gesteld zich te verweren, van de mogelijkheid waarvan verzoekster geen gebruik heeft gemaakt, weshalve zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, op grond waarvan zij conform artikel 23 lid 1 van de PW per 01 oktober 2017 buiten functie wordt gesteld.

1.11 Op 06 oktober 2017 heeft verzoekster aangifte gedaan tegen mw. [naam], ene [naam 2] en [naam 3], terzake het openbreken van de schoolkas.

1.12 Blijkens verklaring van de hulpofficier van Justitie, de inpecteur van politie derde klasse, [naam 4], is van het bedrag van SRD 19.000,-, het bedrag van SRD 14.987,55 van mw. [naam] ontvangen, welk bedrag aan verzoekster in bijzijn van de vertegenwoordiger van haar procesgemachtigde is overhandigd.

1.13 Bij schrijven d.d. 30 januari 2018, [nummer 7], heeft mw. [naam] aan verzoekster medegedeeld dat haar buitenfunctiestelling per 01 februari 2018 is opgeheven en wordt verzoekster in de gelegenheid gesteld invulling te geven aan de functie van schoolleider op S.O. [school 2], met welke werkzaamheden zij officieel op maandag 05 februari 2018 kan aanvangen.

1.14 Bij schrijven van de procesgemachtigde van verzoekster d.d. 02 februari 2018, heeft verzoekster aan mw. [naam] doen mededelen dat zij haar werkzaamheden nog niet zal kunnen hervatten omdat het besluit terzake haar mutatie wordt aangevochten bij de kortgedingrechter en er nog geen beslissing is gekomen in de zaak.

1.15 Bij schrijven d.d. 01 juni 2018 heeft verzoekster via haar procesgemachtigde bezwaar aangetekend tegen het besluit van verweerder tot stopzetting van haar salaris.

1.16 Op 18 juni 2018 is door verzoekster ontvangen een namens het hoofd van het Bureau Speciaal Onderwijs ondertekend en ingevuld formulier, gedateerd 09 mei 2018, waaruit blijkt dat verzoekster per 09 mei 2018 met ontslag is vanwege onwettig verzuim.

1.17 Verzoekster heeft bij schrijven d.d. 25 juni 2018 bezwaar aangetekend tegen voornoemd besluit tot ontslag.

1.18 Verzoekster heeft als producties overgelegd enkele ziekte attesten, waaruit blijkt dat verzoekster niet in staat werd geacht te werken door respectievelijk de internist [naam 5] en de psychiater [naam 6], vanaf 01 februari 2018 t/m 31 juli 2018.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1 Verzoekster vordert oorspronkelijk, zakelijk weergegeven, om:

Primair:
I.nietig te verklaren het besluit tot mutatie van verzoekster;
II.te vernietigen het besluit tot inhouding van het salaris;
III.verweerder te veroordelen het maandelijks salaris aan verzoekster te betalen vanaf 01 juni 2018 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

Subsidiair:
I.verweerder op grond van artikel 79 lid 1c PW een dwangsom van SRD 100.000,- per dag op te leggen voor elke dag dat zij het besluit tot mutatie van verzoekster voortzet;
II.te vernietigen het besluit tot inhouding van het salaris;
III.verweerder te veroordelen het maandelijks salaris aan verzoekster te betalen vanaf 01 juni 2018 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij in haar 37 dienstjaren nimmer een negatieve beoordeling of een ingebrekstelling voor onjuist verrichte werkzaamheden heeft gehad. Verzoekster stelt dat er geen enkele reden is opgegeven voor het voornemen haar te muteren, terwijl de mutatie is geschied 1 maand voor aanvang van het nieuwe schooljaar in tegenstelling tot de gebruikelijke procedure met een redelijke termijn vooraf en met valide redenen omkleedt, die vooraf schriftelijk kenbaar zijn gemaakt aan de te muteren schoolleider. Bovendien is de mutatie gebeurd drie jaren voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zodat zij in de drie jaren leerlingen en het personeel alsook de omstandigheden op de nieuwe school, zich niet eigen zal kunnen maken. Volgens verzoekster zijn de redenen voor de mutatie totaal onduidelijk en geheel in strijd met artikel 20 van de PW. Het handelen van verweerder is volgens verzoekster in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, met name het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook is het hoorbeginsel geschonden, aangezien verzoekster zich niet kunnen verweren tegen de gronden voor haar mutatie, omdat deze niet eerder kenbaar waren gemaakt. Ook het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag is door verweerder geschonden, omdat de feiten waar verweerder zich op beroept, niet bestaan, althans is uit het ingesteld onderzoek niet gebleken dat er iets hapert aan de door haar gevoerde financiele administratie. Voorts is het beginsel van zuiverheid van oogmerk geschonden, omdat mw. [naam] verzoekster zonder opgaaf van redenen, aldus naar willekeur heeft doen muteren en het besluit tot mutatie reeds op 15 augustus 2017 was genomen, waarna er getracht werd een grondslag voor de mutatie te creëren, terwijl mw. [naam] , zonder toestemming van [school], de school is binnengestormd op 06 oktober 2017, de schoolkas heeft opengebroken en de gelden daaruit heeft gehaald. Ten slotte stelt verzoekster dat zonder voorafgaande mededeling haar salaris per 01 juni 2018 is stopgezet.Verzoekster stelt zich op het standpunt dat, hoewel het besluit tot mutatie geen besluit is in de zin van artikel 79 lid 2 jo lid 1a van de PW, zij van oordeel is dat het onbehoorlijk gedrag van verweerder zo klemmend is in casu, dat dit besluit niet in stand kan blijven op grond de redelijkheid en billijkheid.

2.3 Verweerder heeft verweer gevoerd erop neerkomende dat het hof zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen kennis te nemen, omdat het gevorderde niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 van de PW.

3. Het incident
3.1 Bij incidentele conclusie tot wijziging/aanvulling van eis, vordert verzoekster om het petitum te wijzigen en aan te vullen in dier voege dat het petitum als volgt wordt gelezen:

Primair:
I. het besluit tot ontslag nietig te verklaren;
II. het besluit tot inhouding van het salaris te vernietigen;
III. verweerder te veroordelen aan verzoekster te betalen het maandelijks salaris vanaf mei 2018 tot aan de rechtsgeldige beeindiging van de arbeidsrelatie;
IV. verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het besluit tot ontslag, gelijk aan de wettelijke rente van 6 % rente per jaar vanaf de dag van rechstingang tot aan die der algehele voldoening en wel op het aan verzoekster maandelijks toekomend salaris vanaf mei 2018 tot aan de rechtsgeldige beeindiging van de arbeidsrelatie;
V. het besluit tot mutatie van verzoekster nietig te verklaren;
VI. verweerder een dwangsom op te leggen van SRD 100.000,- per dag op grond van artikel 79 lid 1c van de PW, voor elke dag dat hij het besluit tot ontslag voortzet;
I(VII) verweerder een dwangsom op te leggen van SRD 100.000,- per dag op grond van artikel 79 lid 1c van de PW, voor elke dag dat hij het besluit tot inhouding van het salaris voortzet;
II(VIII) verweerder een dwangsom op te leggen van SRD 100.000,- per dag op grond van artikel 79 lid 1c van de PW, voor elke dag dat hij het besluit tot mutatie voortzet.

3.2 Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zich na de indiening van het onderhavige verzoekschrift omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan zij het verzoekschrift wenst aan te vullen en het petitum wenst te wijzigen c.q. aan te vullen.Verzoekster stelt dat zij op 18 juni 2018 een schrijven van verweerder heeft ontvangen waaruit blijkt dat aan haar per 09 mei 2018 ontslag wordt verleend vanwege onwettig verzuim, terwijl verzoekster een geldige reden had opgegeven voor haar afwezigheid. Verzoekster heeft hiertegen geprotesteerd, doch zonder reactie. Volgens verzoekster is het ontslag in strijd met artikel 3 lid 1 van de PW, nu dit besluit is genomen door het hoofd van het Bureau Speciaal Onderwijs dat daartoe niet bevoegd is, terwijl het besluit terugwerkt naar mei 2018 en niet voldoende gemotiveerd is.

3.3 Verweerder heeft ten aanzien van de gevorderde wijziging aangevoerd dat de besluiten zoals gewijzigd onder I, II en V geen besluit zijn in de zin van de PW, terwijl het gevorderde onder III niet toewijsbaar is, omdat verzoekster pertinent geweigerd heeft haar werkzaamheden te verrichten. Met betrekking tot het gevorderde onder IV voert verweerder aan dat hem geen onrechtmatig handelen verweten kan worden, zodat er geen sprake kan zijn van schadevergoeding. Ten aanzien van de gevorderde dwangsommen voert verweerder aan dat deze niet kunnen worden toegewezen zonder een hoofdveroordeling.

4. De beoordeling van het incident en van het geschil
4.1 Niet gesteld of gebleken is dat de vordering door verzoekster tardief is ingesteld, zodat het Hof verzoekster daarin zal ontvangen.

Het incident
4.2 Het Hof overweegt dat de aanvulling c.q. wijziging van het verzoekschrift en het petitum voortvloeien uit de reeds eerder in het verzoekschrift gestelde feiten en omstandigheden.Verweerder is in gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de incidentele vordering en heeft zich daartegen niet verzet. Op grond van het voren overwogene is het Hof van oordeel dat verzochte wijziging c.q. aanvulling van het verzoekschrift en het petitum zal worden toegestaan, in dier voege dat het primair gevorderde van het petitum zal worden gelezen zoals vermeld onder 3.1 van dit vonnis en onder vernummering van de laaste twee onderdelen van het petitum als VII en VIII instede van I en II, aangezien het in casu om een kennelijke verschrijving gaat.

Het geschil
4.3 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de PW oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c.tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

2.Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

4.4 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren. Rechtens staat tussen partijen vast dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de PW en is de PW van toepassing op verzoeker.

4.5 Ten aanzien van de vorderingen betrekking hebbende op het besluit tot mutatie overweegt het Hof, dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van besluiten tot mutatie op grond van artikel 79 lid lid 4 juncto artikel 20 leden 1 en 2 van de PW. Het Hof begrijpt in casu uit het gehouden verhoor van partijen, met name de niet-weersproken verklaring van verzoekster, dat niet de mutatie op zich het probleem is, doch het feit dat, hoewel het formeel zou gaan om een horizontale mutatie, er in casu sprake is van een verlaging van rang met mogelijk nadelige gevolgen voor het salaris van verzoekster. Dit omdat op het mutatieformulier is aangegeven dat verzoekster als schoolleider wordt gemuteerd, hetgeen overigens door verweerder tijdens het verhoor is bevestigd, doch werd verzoekster op de nieuwe school niet als schoolleider ingezet, maar als gewone leerkracht met behoud van haar salaris als schoolleider. Het Hof begrijpt derhalve dat met het besluit tot mutatie in het petitum wordt bedoeld het besluit om verzoekster in te zetten als leerkracht met behoud van het salaris van schoolleider in plaats van als schoolleider, in welke functie zij reeds langer dan zestien jaren heeft gediend. Nu, een dergelijk besluit naar het oordeel van het Hof feitelijk een verlaging van rang inhoudt welke in de toekomst nadelige gevolgen zal hebben voor het salaris van verzoekster, acht het Hof zich terzake de vorderingen onder V, VI en VIII van het primair gevorderde en onder I van het subsidiair gevorderde, wel bevoegd kennis te nemen op grond van artikel 79 lid 1 en lid 2 sub a en b van de PW. Het Hof acht zich eveneens bevoegd om kennis te nemen van het overig door verzoekster gevorderde op grond van artikel 79 leden 1 en 2 van de PW.

4.6 Ten aanzien van de gevorderde nietigverklaring van het besluit tot ontslag van verzoekster, overweegt het Hof dat, zoals terecht gesteld door verzoekster, dit ontslag niet door het daartoe bevoegde gezag is verleend, zodat dit ontslag nietig is. Voor wat betreft het standpunt van verweerder als zou verzoekster onwettig afwezig zijn vanaf 01 februari 2018, overweegt het Hof dat de niet betwiste ziekte-attesten de afwezigheid van verzoekster dekken. Dat deze attesten op een later tijdstip zijn afgegeven, doet naar het oordeel van het Hof daaraan niet af. Van een andere reden voor het ontslag of inhouding van het salaris is niet gebleken of gesteld. Het voren overwogene brengt met zich dat verzoekster recht heeft op doorbetaling van haar salaris met emolumenten verbonden aan de functie van schoolleider zoals gevorderd. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding als gevolg van het ontslag dan wel stopzetting van het salaris, overweegt het Hof dat het willekeurig handelen van verweerder op grond van voornoemde feiten is komen vast te staan en heeft verzoekster vanaf mei 2018 haar salaris moeten ontberen, met alle gevolgen van dien voor verzoekster. De door verzoekster als gevolg daarvan geleden schade door de schuld van verweerder staat dan ook als niet betwist vast. Verweerder zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Het primair gevorderde onder I, II, III en IV is op grond van het voren overwogene voor toewijzing vatbaar.

4.7 Ten aanzien van het besluit tot de feitelijke verlaging van de rang van verzoekster van schoolleider naar leerkracht, zoals bedoeld en begrepen onder V en VIII van het petitum, overweegt het Hof dat niet gesteld of gebleken is dat er hiervoor een valide reden is. Het Hof overweegt voorts dat uit het door het CLAD ingesteld onderzoek geen onregelmatigheden zijn geconstateerd ten aanzien van verzoekster. Hoewel verweerder tijdens het verhoor erop heeft gestaan over evaluatierapporten met betrekking tot klachten over het functioneren van verzoekster te beschikken, zijn deze niet ten processe overgelegd, zodat de stelling van verzoekster, dat zij nimmer is aangesproken over haar functioneren, in rechte is komen vast te staan. Feit is evenwel dat verzoekster langer dan zestien jaar heeft gefunctioneerd als schoolleider zonder een negatieve beoordeling en reeds 37 jaren in dienst is van verweerder. Het Hof acht het, op grond van het voren overwogene, geraden, dat verweerder wordt veroordeeld om verzoekster feitelijk in te zetten als schoolleider op een in Paramaribo gelegen school onder verbeurte van een dwangsom, die zal worden gemaximeerd op SRD 100.000,-.

4.8 Ten aanzien van de gevorderde dwangsommen met betrekking tot de voortzetting van de inhouding van het salaris alsook de voortzetting van het besluit tot ontslag, overweegt het Hof dat, nu deze besluiten nietig zijn en dus nimmer hebben bestaan, er geen grondslag is voor de hierbij gevorderde dwangsom, zodat deze zal worden afgewezen.

5. De beslissing
Het Hof

5.1 Verklaart nietig het besluit van verweerder tot ontslag van verzoekster.

5.2 Verklaart nietig het besluit van verweerder tot inhouding c.q. stopzetting van het maandelijks salaris van verzoekster.

5.3 Veroordeelt verweerder om aan verzoeker te betalen het aan haar toekomend maandelijks salaris vanaf 01 mei 2018.

5.4 Veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade die voor verzoekster is voortgevloeid uit het besluit tot ontslag, zijnde de wettelijke rente over het maandelijks salaris van verzoekster ad 6 % jaar vanaf 01 mei 2018 tot aan de algehele voldoening.

5.5 Verklaart nietig het besluit van verweerder tot de feitelijke verlaging van de rang van verzoekster van schoolleider naar leerkracht.

5.6 Veroordeelt verweerder om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis verzoekster feitelijk in te zetten als schoolleider op een in [district] gelegen school, op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- (éénduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat verweerder in strijd handelt met of nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd op SRD 100.000,- (éénhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.7 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan
Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr.E.F. van der Hilst, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld