SRU-HvJ-2019-41

A-865

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 22 september 2014;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 03 november 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 05 november 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 05 november 2014 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 15 december 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 02 januari 2015, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 17 december 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 23 februari 2015, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 20 maart 2015;
  • het proces-verbaal van het op 20 maart 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota en conclusie tot overlegging relevante stukken zijdens [verzoeker] de dato 20 november 2015;
  • de antwoordpleitnota en conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat de dato 15 januari 2016;
  • de repliekpleitnota de dato 05 februari 2016;
  • bij wege van mondelinge dupliekpleidooi is geconcludeerd tot persistit zijdens de Staat;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 juni 2016 doch nader op heden;

  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is inspekteur van Politie 3e klasse in het Korps Politie Suriname;

2.2 Op 3 augustus 2011 vond er een schietpartij plaats tussen [verzoeker] en een derde;

2.3 Op maandag 7 januari 2013 ontving [verzoeker] een ingebrekestelling inhoudende dat hij zich moest verweren ter zake een schietincident d.d. 30 augustus 2011 omstreeks 00.30 uur;

2.4 [verzoeker] heeft zich bij verweerschrift d.d. 9 januari 2013 verweerd ter zake en bij schrijven d.d. 22 juli 2013 heeft de Korpschef hem bericht dat hij negatief is beoordeeld op grond van de te verbeteren punten fysieke vaardigheidstest en relatie met hogere leidinggevenden;

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft jegens hem;

  2. de Staat zal worden gelast hem te benoemen in de naast hogere rang ingaande 13 januari 2013;

Subsidiair:

  1. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft jegens he0;

  2. de Staat zal worden gelast er zorg voor te dragen dat [verzoeker] zijn plaats op de ranglijst, plaats no. 14, terug krijgt;

  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Tijdens het gesprek met de Korpschef heeft de Korpschef nog aan [verzoeker] mede gedeeld dat hij hem een tuchtstraf van 1 (één) jaar onthouding van de bevordering oplegt zonder rekening te houden met de uitspraak van de rechter, welke uitspraak is een voorwaardelijke straf van vier maanden, waartegen [verzoeker] in beroep is gegaan bij het Hof;

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd en het Hof zal – voorzover nodig – in het hierna volgende daarop ingaan;

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 De Staat heeft preliminair als verweer bij het verhoor van partijen aangevoerd – kort gezegd – dat het Hof zich onbevoegd dient te verklaren om van de vordering kennis te nemen omdat deze niet valt onder de werking van de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) . Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel. [verzoeker] vraagt in deze zaak zowel primair als subsidiair een declaratoire beslissing met daaraan gekoppeld een benoeming in een naast hogere rang alsmede behoud van zijn plaats op de ranglijst. Het gevorderde valt naar het oordeel van het Hof niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW weshalve het Hof zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van het gevorderde;

4.2 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof derhalve niet toe;

  1. De beslissing

Het Hof:

  • Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 03 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. S. Marica, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens
mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-4463
25 augustus 2020
G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.
B. DE STAAT SURINAME, m.n. de Ontslagcommissie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 09 september 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met een productie zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres;
• de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 14 december 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 20 december 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 11 januari 2019 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens eiseres ten aanzien van gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens eiseres ten aanzien van gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusies tot uitlating producties zijdens eiseres;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub B is gelast om producties ten processe over te leggen;
• de mondelinge conclusie tot overlegging producties zijdens gedaagde sub B, die te kennen heeft gegeven dat de rolbeschikking kennelijk is gestoeld op een omissie, waarbij de kantonrechter heeft bedoeld gedaagde sub A in stede van gedaagde sub B;
• de rolbeschikking d.d. 02 oktober 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub A in de gelegenheid is gesteld om producties ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiseres.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Eiseres was in dienst van gedaagde sub A in de periode van december 1985 tot en met november 1999. Bij arbeidsovereenkomst is eiseres op 16 maart 2006 weder in dienst getreden van gedaagde sub A, eerst in de functie van Hoofd Personeelszaken en Organisatie, en vanaf 13 juli 2016 in de functie van Manager Human Resources and Organizational Development. Deze arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde tijd verlengd. Het laatst genoten loon van eiseres bedroeg SRD 15.063,98.

2.2. Bij schrijven gedateerd 08 november 2015, betekend op 09 november 2015 aan eiseres per exploot no. [nummer 1], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Burgzorg, afkomstig van de waarnemend directeur van gedaagde sub A, is eiseres in kennis gesteld van het navolgende. In het kader van eiseres haar werkuitvoering, met name bij bestedingen aan consultants voor verrichte werkzaamheden, heeft zij zich schuldig gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen. Het vermoeden bestaat dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en mogelijk aan haar verwijtbare feiten. Het vorenstaande is aanleiding geweest om eiseres ingaande 09 november 2015 tot nader order op non-actief te stellen. Zij mocht gedurende de periode van haar non-actiefstelling gebouwen en terreinen van gedaagde sub A, met uit zondering van de Telesur-poli, niet betreden.

2.3. Bij schrijven gedateerd 10 november 2015, heeft eiseres aan gedaagde sub A te kennen gegeven dat zij de beschuldiging vervat in de brief d.d. 08 november 2015 ontkent en dat zij over hetgeen terzake niet is gehoord door gedaagde sub A. Voorts heeft zij de brief geconcludeerd met het beschikbaar stellen van zichzelf om haar werkzaamheden te hervatten. Deze brief is bij exploot no. [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D. Toekimin, op 10 november 2015 betekend aan [naam], assistente van de Chief Financial Officer van gedaagde sub A.

2.4. Bij schrijven gedateerd 11 januari 2016, heeft eiseres via haar procesgemachtigde wederom te kennen gegeven dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verwijten van gedaagde sub A en heeft zij verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om haar werk te hervatten. Voorts heeft zij haar grieven geuit ten aanzien van het verstrijken van twee maanden, en dat zij desondanks niet in kennis is gesteld van het door gedaagde sub A verrichte onderzoek en evenmin is gehoord hierbij. Ook heeft zij haar pijnpunt, ten aanzien van de salarisverhoging waarop zij aanspraak maakt, doch niet ontvangt, kenbaar gemaakt.

2.5. Blijkens het schrijven gedateerd 12 februari 2016, die aan eiseres in persoon is betekend per exploot gedateerd 12 februari 2016, no.[nummer 3], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, heeft de waarnemend directeur van gedaagde sub A aangegeven wat de aan eiseres ten laste gelegde feiten zijn.

2.6. Op 16 februari 2016 heeft eiseres verweer gevoerd, waarbij zij is ingegaan op hetgeen is vervat in de brief gedateerd 12 februari 2016.

2.7. Bij schrijven gedateerd 17 februari 2016, dat per exploot d.d. 17 februari 2016, no. [nummer 4], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiseres, heeft gedaagde sub A, met onderbouwing aangegeven dat het verweer van eiseres niet steekhoudend is bevonden.

2.8. Bij beschikking gedateerd 01 maart 2016 afkomstig van Arbeidsinspectie van Het Ministerie van Arbeid, heeft gedaagde sub A gepersisteerd bij hetgeen zij vermeld heeft in haar schrijven gedateerd 17 februari 2016. Eiseres heeft zich bij de Arbeidsinspectie verweerd door te persisteren bij hetgeen zij bij schrijven gedateerd 16 februari 2016 heeft verklaard.
Voorts heeft zij aangegeven dat zij met betrekking tot de tweede suppletie autorisatie voortdurend over het concept suppletievoorstel in overleg is geweest met de Directeur die in verband met de voortzetting van het project hieraan zijn goedkeuring had gegeven, doch dat zij nog vóór het indienen van betreffend voorstel werd ontslagen, nadat zij gedurende enkele maanden op non-actief was gesteld. Zij heeft ook aangegeven dat zij de hoogte van het overschreden bedrag zoals omschreven in de derde overweging noch kan bevestigen noch kan ontkennen, vermits het door gedaagde sub A opgegeven schadebedrag door laatstgenoemde niet is onderbouwd en voorts, dat zij is aangezegd zich te verweren, zonder dat zij is geconfronteerd met het resultaat van het intern onderzoek dan wel met enig onderliggend stuk, waardoor zij niet afdoende in de gelegenheid is gesteld zich terzake op deugdelijke wijze te verweren.

2.9. In voormelde beschikking afkomstig van de Arbeidsinspectie staat voorts dat beide partijen in verband met de ontslagaanvraag zaken hebben toegelicht en onderbouwd middels het overleggen van diverse bescheiden. Arbeidsinspectie is tot het oordeel gekomen dat niet, althans niet voldoende is komen vast te staan dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen welke een ontslag als het onderhavige redelijkerwijs zouden kunnen rechtvaardigen. Er is gelet op het vorenstaande bezwaar tegen het ontslag wegens dringende reden van eiseres aangetekend.

2.10. Bij schrijven gedateerd 01 maart 2016, dat per exploot d.d. 01 maart 2016, no. [nummer 5], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, aan eiseres is betekend, heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet om tot opheffing van de non-actiefstelling over te gaan en zal deze maatregel derhalve blijven handhaven.

2.11. In de verklaring gedateerd 15 maart 2016 heeft D. Currie, als toenmalige directeur van gedaagde sub A verklaard, dat eiseres na goedkeuring van en in opdracht van de voltallige directie, na verkregen autorisatie van de RvC, het FPO project heeft uitgevoerd. De directie en de RvC zijn regelmatig tijdens vergaderingen, die allen zijn genotuleerd, geïnformeerd en geconsulteerd over de voortgang van het project. Het verwijt dat eiseres het budget zou hebben overschreden is dus niet correct omdat dit met toestemming en medeweten van de directie is geweest. Alle diensten zijn overigens geleverd.

2.12. In de ontslagbeschikking gedateerd 31 maart 2016, is opgenomen dat gedaagde sub A het navolgende heeft gesteld naar aanleiding van de reactie van eiseres:
• dat autorisatie achteraf op grond van het Decreet C-38 wel mogelijk is, maar niet gebruikelijk, en dat de betalingen achteraf hebben kunnen plaatsvinden omdat autorisatie achteraf ook mogelijk is en er beroep is gedaan op de Financiële Administratie om de betalingen en de voortgang van het project, gegeven de urgentie en het belang van het project, niet te vertragen;
• dat de strijdigheid met procedure regels zeer ernstig is en er op grond daarvan dient te worden opgetreden tegen een medewerker;
• dat het bedrijf door het nalaten van eiseres, namelijk het niet tijdig voorbereiden van een autorisatie aanvraag, voor het bedrag van voorlopig begroot op USD 575.000,- is benadeeld, doordat dit bedrag is uitgegeven zonder dat het gebudgetteerd en of geautoriseerd is;
• dat gedaagde sub A nog steeds wordt geconfronteerd met nog niet betaalde rekeningen en door eiseres gemaakte afspraken, die nergens zijn vastgelegd en betrekking hebben op het FPO project, waar zij Project Manager van was;
• dat de door eiseres vermelde sessies allen betrekking hadden op het inhoudelijke, met name de wijziging van de organisatiestructuur, en nimmer op de financiële verantwoording;
• dat de verklaring van de gewezen directeur tegenstrijdig is, aangezien hij aangeeft dat na goedkeuring en opdracht van de voltallige directie en na verkregen autorisatie van de RvC he project is uitgevoerd, doch dat hij verzuimt te vermelden dat de betreffende autorisaties het bedrag van USD 1.000.000, betrof;
• dat alhoewel de gewezen directeur in zijn verklaring aangeeft dat het overschrijden van het budget met toestemming en medeweten van de directie is geweest, de directeur geen goedkeuring kan geven voor verplichtingen groter dan USD 20.000,- zonder goedkeuring van de RvC;
• dat eiseres bekend is ermee dat het presteren voor betaling, terwijl er geen goedgekeurde autorisatie tegenover staat, tot een bedrag van voorlopig begroot op USD 575.000,-, in strijd is met de procedure regels en zeer ernstig is omdat de door eiseres gemaakte afspraken nergens zijn vastgelegd (niet in een door partijen ondertekende overeenkomst);
• dat ondanks op 05 maart 2015 de genoemde functionaris, eiseres erop had gewezen dat het budget al met USD 152.000,- was overschreden, zij langer dan zes maanden door is gegaan met het presteren voor betaling, waarbij zij niet ervoor geschroomd heeft de Financiële Administratie onder druk te zetten om tot betaling over te gaan, terwijl ze haar omissie met betrekking tot het opstellen van een autorisatieaanvraag niet corrigeerde.

2.13. In de ontslagbeschikking staat dat de Ontslagcommissie, het navolgende heeft aangegeven:
• dat het de Ontslagcommissie is gebleken dat in het door het bedrijf verrichte onderzoek alle aangehaalde activiteiten en de daarbij getrokken conclusies onderbouwd zijn met relevante nota’s en andere onderliggende stukken;
• dat het de Ontslagcommissie uit de overgelegde documenten en afgelegde verklaringen tevens is gebleken dat bestaande procedures binnen gedaagde sub A niet althans niet genoegzaam zijn nageleefd, hetgeen financiële consequenties heeft gehad voor het bedrijf;
• dat gelet op het voorgaande, de door gedaagde sub A overgelegde documenten, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie in casu van oordeel is dat gedaagde sub A het gestelde met betrekking tot het geschonden vertrouwen voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met eiseres te laten voortduren.
De Ontslagcommissie heeft op grond van het vorenstaande besloten om vergunning te verlenen aan gedaagde sub A ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiseres, met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

2.14. Bij brief gedateerd 31 maart 2016, die per exploot d.d. 31 maart 2016, no. [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiseres, is zij namens de waarnemend directeur, door de Coördinator Technische Zaken, ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 3 weken per jaar, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 10 jaren, aan eiseres een uitkering toekomt gelijk aan haar loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 31 maart 2016 tot en met 27 oktober 2016.

2.15. Bij brief gedateerd 06 april 2016 heeft eiseres via haar gemachtigde aangegeven dat het aangezegde ontslag, ingevolge artikel 8 Decreet C-38 nietig is, nu de Coördinator Technische Zaken geen directeur of onderdirecteur is en slechts de directie van gedaagde sub A belast is met de aanzegging van het ontslag aan personeelsleden. Voorts is aangegeven dat eiseres oneens is met het aangezegd ontslag en zich dan ook beschikbaar stelt om de werkzaamheden te hervatten. Voorts gaat eiseres niet akkoord er mee dat haar loon en bijbehorende emolumenten in één keer wordt uitbetaald als een uitkering. Volgens haar dient er maandelijks uitbetaling van haar loon en bijbehorende emolumenten plaats te vinden, totdat het dienstverband is geëindigd.

2.16. Nadat partijen over en weer waren gehoord door de Ontslagcommissie van gedaagde sub B heeft laatstgenoemde nadere informatie doen opvragen bij gedaagde sub A, waarvan de inhoud onbekend was bij eiseres en is zij daaromtrent evenmin nader gehoord.

2.17. Bij brief gedateerd 08 april 2016, die per exploot d.d. 08 april 2016, no. [nummer 7], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiseres, is zij namens de waarnemend directeur, ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat, rekening houdend met een opzegtermijn van drie weken per jaar, bij een onafgebroken dienstverband van
10 jaren, aan eiseres een uitkering toekomt gelijk aan haar loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 08 april 2016 tot en met 04 november 2016.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiseres volledig te herstellen en haar in de gelegenheid zal stellen haar werkzaamheden in haar laatste functie onbelemmerd en ongestoord uit te voeren;
b. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiseres te betalen, haar loon en emolumenten, te rekenen vanaf 01 december 2016 tot aan de datum waarop de dienstbetrekking wordt hersteld, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding.

Subsidiair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 1.727.369,-, zijnde de door eiseres geleden en te lijden schade als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
en
b. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 1.727.369,-, zijnde de door eiseres geleden en te lijden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiseres ernstig in haar rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2. Eiseres legt, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag dat haar ontslag ingevolge artikel 1615s lid 2 sub a en b BW kennelijk onredelijk is. Gedaagde sub A heeft in strijd gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap. Ook is het ontslagbesluit door gedaagde sub B in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiseres draagt voorts ook geen kennis van het onderzoeksrapport dat gedaagde sub A ten grondslag heeft gelegd aan haar ontslagaanvraag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
De door gedaagde sub A opgegeven ontslagreden
4.1. Gedaagde sub A heeft als ontslagreden aangevoerd dat eiseres, in het kader van haar werkuitvoering, met name bij bestedingen aan consultants voor verrichte werkzaamheden, zich schuldig heeft gemaakt aan benadeling van gedaagde sub A door ongeautoriseerd te presteren voor betalingen. Gedaagde sub A heeft haar standpunt als navolgt uiteengezet.

4.1.1. Uit een intern onderzoek dat is verricht naar onregelmatigheden binnen gedaagde sub A, is onder andere gebleken dat eiseres met ingang van 15 maart 2013 was aangesteld als Project Manager van de Projectgroep: Ontwikkelen van een future-proof organisatiestructuur voor gedaagde sub A. In deze hoedanigheid is eiseres verantwoordelijk geweest voor het opstellen van de voorstellen voor autorisaties die betrekking hadden op voormeld project. Eiseres heeft echter nagelaten om bij de tweede overschrijding van het vastgestelde betalingsmaximum, een suppletie autorisatie aan te vragen.

4.1.2. Eiseres was ook belast met het presteren voor betaling van de uitgaven die in het kader van dit project werden gedaan. Na overschrijding van de eerste autorisatie heeft een medewerker werkzaam op de boekhoudingafdeling, eiseres per e-mail bericht van 05 maart 2015 erop geattendeerd dat het geautoriseerde bedrag met USD 152.000,- is overschreden en gevraagd naar een suppletie autorisatie. Eiseres heeft als Project Manager de aanvullende autorisatie achteraf opgemaakt. Hierna is eiseres langer dan zes maanden doorgegaan met het ongeautoriseerd presteren voor betaling van uitgaven in het kader van vermeld project. De overschrijding is voorlopig becijferd op USD 575.409.01.

4.1.3. Er is met [adviesbureau] een offerte getekend voor een bedrag van
USD 339.558,-. Eiseres heeft gepresteerd voor betaling aan [adviesbureau], een bedrag dat becijferd is op USD 1.537.680,72. Eiseres is nonchalant en nalatig geweest ten aanzien van het monitoren van de uitgaven van vermeld project en heeft zij zich niet gehouden aan de geldende comptabele procedures, waardoor zij het bedrijf ernstige financiële schade heeft berokkend.

Het verweer van eiseres
4.2. Eiseres heeft verweer gevoerd tegen voormelde ontslagredenen en de door gedaagde sub A gegeven onderbouwing. Haar verweer komt neer op het volgende.

4.2.1. Alle handelingen die eiseres heeft verricht, hebben vanuit haar rol en overeenkomstig de daaraan gerelateerde bevoegdheden plaatsgevonden conform de taken van het projectteam FPO. Eiseres rapporteerde aan de structuurgroep FPO, waarin de voltallige directie zitting had.
Alle bestedingen die tijdens dit project hebben plaatsgevonden zijn verricht op basis van vooraf met de directie/stuurgroep afgestemde planningen. Ter illustratie moge dienen dat behalve de rapportage tijdens reguliere directie vergaderingen er ook specifieke meetings met de stuurgroep/directie zijn geweest ter bespreking van de voortgang van het FPO. Overigens is de directie zeer frequent door eiseres betrokken bij de voortgang en verwezen kan worden naar mailberichten die zijn verzonden naar de directie. Hiertoe is er een bijlage overgelegd, waarin de mailcorrespondenties met betrekking tot het FPO project ten behoeve van de directie staat weergegeven.
Alle betalingen zijn conform de geldende administratief organisatorische procedure verricht.

4.2.2. Op diverse momenten zijn er ook presentaties ten behoeve van de RvC verzorgd over de status en planning. Deze rapportage aan de RvC zal ook zijn vastgelegd in de notulen van de RvC vergadering, echter heeft eiseres niet de beschikking daarover.

4.2.3. De werkwijze is steeds geweest dat de maandelijks ontvangen facturen na controle door de
Projectleiding werden gepresteerd voor geleverde diensten en vervolgens doorgestuurd voor verdere afhandeling naar het onderdirectoraat Financieel Economische Zaken, toen onder leiding van [naam 2], alwaar er standaard drie controle momenten plaatsvinden voor uitbetaling, te weten bij de bedrijfsonderdelen Boekhouding, Financiële Administratie en Financieel Beheer.
Gedaagde sub A heeft melding gemaakt dat eiseres geattendeerd zou zijn op overschrijding van het geautoriseerd bedrag. De melding is echter geweest, nadat eiseres heeft gevraagd om een overzicht van de uitgaven in het kader van FPO. Dus bij aanlevering van het door eiseres opgevraagd overzicht, is door de medewerker de overschrijding gemeld.
Op basis daarvan is er gerapporteerd aan de directie en is er groen licht gegeven het nodige voor te bereiden en onverkort door te gaan met het project. Overigens is het verkrijgen van een autorisatie van de Raad van Commissarissen een vereiste voor de directeur van gedaagde sub A.

4.2.4. Het gaat in deze om een project dat sedert 2013 is aangevangen en waar zowel de volledige directie als de volledige RvC vooraf over zijn geïnformeerd en aan welk project ook goedkeuring is verleend. Ten overvloede vermeldt eiseres dat gedurende de gehele voortgang van het project, voortgangsrapportages aan alle organen zijn verstrekt.

4.2.5. Aan de zijde van de diverse onderdelen van het Financieel directoraat onder leiding van [naam 2], zijn er steken gevallen daar die conform de procedures en regels niet tot betaling moesten zijn overgegaan zonder autorisatie vooraf. Overigens is in de oprichtingswet C-38 autorisatie achteraf ook mogelijk.

4.2.6. De aan eiseres verweten nonchalance en nalatigheid in deze betreft dus niet alleen haar. Eiseres heeft in elk geval op basis van de geldende richtlijnen de facturen gepresteerd en voor verdere afhandeling doorgestuurd naar de daartoe aangewezen en verantwoordelijke instantie.

4.2.7. Dat eiseres het bedrijf ernstige financiële schade zou hebben berokkend, spreekt zij tegen. Er heeft geen enkele betaling plaatsgevonden binnen het FPO waar tegenover er geen prestatie is geleverd door de consultants, dus van financiële benadeling kan er geenszins sprake zijn. De resultaten/tegenprestatie voor de gedane uitgaven zijn beschikbaar en bekend bij de voltallige directie en zijn zelfs grotendeels geïmplementeerd. Alle handelingen die tijdens het project zijn uitgevoerd zijn pas na goedkeuring van de voltallige directie, zijnde tevens de stuurgroep, uitgevoerd.

4.2.8. Eiseres benadrukt voorts dat zij haar werk altijd naar eer en geweten heeft verricht. Zij merkt voorts op dat gedurende haar hele loopbaan zij zich nimmer schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbare handelingen. Zij is ook altijd goed beoordeeld.

Ten aanzien van het gestelde kennelijk onredelijk ontslag
4.3. De kantonrechter definieert het kennelijk onredelijk ontslag als volgt: een ontslag van een werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever. De kantonrechter zal voor de vaststelling of er al dan niet sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, de door eiseres en gedaagde sub A gestelde feiten en omstandigheden toetsen aan hetgeen is bepaald onder artikel 1615s lid 2 sub a en b BW en voormelde definitie van het kennelijk onredelijk ontslag.

4.4. De kantonrechter is van oordeel dat er wel sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Dit oordeel wordt in de navolgende rechtsoverwegingen toegelicht.

Terzake het bepaalde onder artikel 10 lid 2 van de Wet C-38
4.4.1. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 de goedkeuring van een rechtshandeling betreffende het aangaan van verbintenissen, waarvan het geldelijk belang een bepaald bedrag, in casu SRD 20.000,- te boven gaat, ook achteraf gegeven kan worden door de RvC. In dit artikel staat het achteraf verlenen van goedkeuring als optie vervat, doch is er hierover geen nadere toelichting gegeven of de goedkeuring achteraf uitsluitend kan geschieden onder bepaalde voorwaarden en welke voorwaarden deze zijn. Gedaagde sub A heeft gesteld dat de achteraf gegeven goedkeuring ongebruikelijk is, doch heeft zij nagelaten om aan te voeren in welke gevallen het wel gebruikelijk zou zijn. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub A, niet enkel kan volstaan met voormelde stelling. In tegendeel is tijdens de comparitie van partijen verklaard door een RvC-lid dat de autorisaties heel vaak achteraf gebeurden.

4.4.2. Gedaagde sub A heeft ook niet aangevoerd, waaruit zou moeten blijken dat in onderhavig geval er geen goedkeuring achteraf zou worden verleend door de RvC. Ingevolge artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 is gedaagde sub A, niet gebonden aan rechtshandelingen voor zover de RvC geen machtiging heeft gegeven aan het bestuur. Gelet hierop overweegt de kantonrechter dat gedaagde sub A hoogstens een vordering had op het bestuur dan wel eiseres, voor zover gedaagde sub A van oordeel was dat de RvC geen goedkeuring had gegeven voor de rechtshandeling gesloten tussen [adviesbureau] en zichzelf door vertegenwoordiging van het bestuur. Nu gesteld noch gebleken is dat voormelde rechtshandeling op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 is betwist, is de kantonrechter van oordeel dat de rechtshandeling ondertussen door gedaagde sub A is bevestigd door de goedkeuring die achteraf is verleend door de RvC conform artikel 10 lid 2 van de Wet C-38.

Het rapport van de Centrale Landsaccountant Dienst (Het CLAD-rapport)
4.4.3. In het CLAD-rapport is onder meer vastgesteld dat voor het bewaken van een overschrijding er sprake is van een drietal controlestappen en een gedeelde verantwoordelijkheid van verschillende functionarissen, namelijk:
• de eerste controlestap is de beoordeling door eiseres, die in de hoedanigheid van projectleider bij de prestatie van betaling moest nagaan of conform de overeenkomst is geleverd. Het controlespoor hiervan is de blokstempel, waarin eiseres verklaart dat de levering heeft plaatsgevonden en voor goedkeuring parafeert.
• de tweede controlestap wordt verricht door het hoofd van de afdeling Boekhouding en het hoofd van de afdeling Financiële Administratie. Bij de tweede controlestap wordt nagegaan of de factuur is gepresteerd door de bevoegde functionaris, in dit geval de projectleider, en of er een goedgekeurd budget c.q. autorisatie aanwezig is. Indien akkoord bevonden, paraferen de eerder genoemde functionarissen in een blokstempel.
• de derde beoordeling vindt plaats door het hoofd van de afdeling Financieel Beheer. Deze persoon dient na te gaan of er voldoende kredietruimte bestaat alvorens fiat te verlenen voor de betaling. Indien akkoord bevonden parafeert de desbetreffende persoon in dezelfde blokstempel van de tweede controlestap.
Conclusie: Gebleken is dat geen enkele beheersingsmaatregel, namelijk die ten behoeve van het bewaken van de overschrijding van de door de RvC verleende autorisatie, heeft gewerkt.

4.4.4. De kantonrechter overweegt dat gelet op het vorenstaande, niet valt in te zien waarom de overige controlepersonen niet hebben gewezen op het ontbreken van de suppletie-goedkeuring door de RvC. Immers staat in het CLAD-rapport vermeld dat de afdeling Financiële Administratie belast is met de controle op de aanwezigheid van een goedgekeurd budget c.q. autorisatie. De enkele stelling dat er door eiseres en vanuit de directie werd aangegeven dat alles in orde gemaakt zou worden en dat zij haast hadden bij de afwikkeling van de betaling, neemt de controleplicht van de overige afdelingen niet af. Vooral nu de heer [naam 2] die toentertijd het hoofd was van de afdeling Financiële Administratie, thans directeur van gedaagde sub A, eiseres verwijt van verzaken van haar controleplicht. Indien de suppletie-aanvraag niet geschiedde binnen korte termijn en voornamelijk het hoofd van de afdeling financiële Administratie, die erop moest toezien dat de suppletie-aanvragen niet ontbraken en hij merkte dat er sprake was van overschrijding zonder een suppletie-aanvraag, hij de keuze had uit blokkering van het uitbetalingsproces of dit zelf door te geven aan zowel de directie als de RvC. Gesteld noch gebleken is dat zulks is geschied, zodat de kantonrechter van oordeel is dat het verantwoordelijk stellen van enkel eiseres voor de overschrijding van het budget, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

De functie van eiseres
4.4.5. Het feit dat eiseres niet was belast met de controle op de aanwezigheid van een goedgekeurd budget c.q. autorisatie en ook niet belast was met de feitelijke uitbetaling, draagt bij tot de conclusie vervat onder r.o. 4.4.4.
Uit het CLAD-rapport blijkt dat eiseres belast was met de controle of er conform de overeenkomst is geleverd.

Het verloop van het Future Proofing Organisatie project (FPO)
4.4.6. Eiseres heeft voorts ter comparitie verklaard dat de stuurgroep, de uitvoering door haar als project manager, ondersteunde en ook goedkeurde. Het FPO project is in april 2013 aangevangen. Hierbij is er een autorisatie-aanvraag gedaan voor het bedrag ad
USD 442.000,-. De aangevraagde autorisatie is door de RvC conform artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 verleend, op de voorwaarde dat de Raad alsnog zal beschikken over de afzonderlijke offertes, bestelopdrachten c.q. overeenkomsten. Initieel is heel duidelijk aangegeven hoe het project eruit zou zien, de fasering en alles wat erbij komt. Op een gegeven moment is aangegeven dat de consultant tot een bepaalde fase zou uitvoeren. De eerste suppletie-aanvraag na de autorisatie strekte, naar de kantonrechter begrijpt hiertoe en werd op 19 februari 2014 aangevraagd voor het bedrag ad USD 600.250,-. Deze suppletie-aanvraag werd door de RvC goedgekeurd onder dezelfde door hen gestelde voorwaarde bij de autorisatie-aanvraag. Uit het door gedaagde sub A overlegde, blijkt dat de laatste uitgave op 20 oktober 2015 is gedaan en dat het totaal bedrag dat aan [adviesbureau] is uitbetaald, bedraagt USD 1.496.057,56. Eiseres heeft voorts ter comparitie gesteld dat de tweede suppletie-aanvraag, wel was voorbereid doch was de afhandeling hiervan achterwege gebleven, vanwege de hectische periode en spoed die er was om het project zo snel als mogelijk af te ronden. De spoed werd verklaard door het feit dat het bedrijf klaargezet moest worden om de concurrentie strijd aan te gaan. De tweede suppletie-aanvraag zou ertoe strekken om de implementatie-fase door de consultant te dekken. Immers was bij de begroting nog niet vastgesteld dat ook de implementatie-fase zou worden uitbesteed aan de consultant. Ook is zij niet eraan toegekomen om de voorbereiding van de tweede suppletie-aanvraag af te ronden, omdat zij twee sterfgevallen in de nabije familie had en hierdoor moest afreizen naar Nederland. Toen zij van haar verlofperiode terugkwam, is zij meteen op non-actief gesteld.

4.4.7. In het kader van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat eiseres een rechtsgeldige reden heeft gegeven waarom zij de afwikkeling van de tweede suppletie-aanvraag niet heeft kunnen bewerkstelligen. Hiertegen is er geen weerleggend betoog gevoerd door gedaagden. Daarbij komt nog dat niet valt in te zien, waarom uitsluitend eiseres belast zou moeten worden met de suppletie-aanvraag. Immers is reeds in het CLAD-rapport vastgesteld dat de bewaking van overschrijding van het budget een gedeelde verantwoordelijkheid betreft. Zoals reeds is overwogen onder r.o. 4.4.4. is de kantonrechter van oordeel dat in het belang van het bedrijf, ook anderen konden wijzen op de nog niet ingediende suppletie-aanvraag en de nog niet verkregen toestemming van de RvC.

4.4.8. De kantonrechter overweegt voorts dat de stelling van eiseres dat zij in opdracht en met goedkeuring van de directie handelde, wordt ondersteund met de door haar onder 2.11 van dit vonnis, overgelegde verklaring zijdens de gewezen directeur van gedaagde sub A. Deze verklaring draagt bij tot het oordeel van de kantonrechter, gelet op het feit dat degene die de verklaring heeft afgelegd, de directeur was in wiens opdracht eiseres heeft gehandeld. De enkele stelling, dat de gewezen directeur ook verweten wordt van de onrechtmatige handelingen, die mede hebben geleid tot zijn ontslag en het nader onderzoek naar eiseres, is voor de kantonrechter juist reden om de verklaring mee te nemen bij zijn oordeel. Immers staat vast dat er omtrent de overlapping van hetgeen gedaagde sub A zowel eiseres als de gewezen directeur verwijt, een verklaring is afgelegd door laatstgenoemde. Gedaagde sub A heeft voorts nagelaten om verklaringen van andere directieleden ten processe over te leggen, waaruit het tegendeel van hetgeen is opgenomen in de verklaring van de gewezen directeur moet blijken. Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de stelling van eiseres, dat zij het FPO project heeft uitgevoerd conform het door de directie bepaalde en conform de goedkeuring van de RvC.

Terzake de overeenkomsten die niet terug te vinden zijn
4.4.9. Gedaagde sub A heeft aangevoerd dat de afspraken tussen eiseres en de consultant niet terug te vinden zijn, terwijl er betalingen zijn verricht.
Hiertegenover heeft eiseres gesteld dat er een contract was, waarin de werkzaamheden van de consultant uitvoerig waren vastgelegd. Eiseres heeft voorts aangegeven dat alles wat buiten het contract werd gedaan via de stuurgroep (bevattende de voltallige directie) ging. Er werden regelmatig presentaties en rapportages gedaan. Ook is er van de implementatie-fase een heel uitgebreid schema gemaakt over de aanpak en de fasering. De uitgaven zijn op basis daarvan gedaan.

4.4.10. De kantonrechter overweegt dat indien de overeenkomsten uit hoofde waarvan er betalingen werden verricht niet waren gevonden, gedaagde sub A eiseres hieromtrent had moet vragen alvorens haar op non-actief te stellen. Vooral vanwege het feit dat deze overeenkomst een deel van de grondslag vormen voor de op non-actiefstelling en later het ontslag van eiseres. Eiseres zou tenminste hierover gehoord moeten worden, alvorens gedaagde sub A tot een definitief besluit kwam over de non-actiefstelling en het ontslag. Het nagaan of er was nagekomen alvorens er tot betaling werd overgegaan, was namelijk haar taak als projectmanager. Om te kunnen bepalen of eiseres haar taak goed had gekweten, zouden de overeenkomsten gesloten met [adviesbureau] aan onderzoek moeten worden onderworpen. Er kan niet volstaan worden met de enkele vaststelling dat de overeenkomsten niet zijn gevonden. De kantonrechter overweegt dat op gedaagde sub A, als werkgever een verzwaarde stelplicht rust, uit hoofde waarvan zij aan eiseres had moeten vragen naar de desbetreffende overeenkomsten of de [adviesbureau], met wie de overeenkomsten waren gesloten. De kantonrechter vermag niet in te zien dat er is gepresteerd voor betalingen, terwijl er een onderliggend contract ontbreekt. Nu gedaagde sub A zulks heeft nagelaten, zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de stelling van eiseres dat er is uitbetaald voor prestaties die wel geleverd zijn. Het feit dat het verwijt dat gedaagde sub A aan eiseres maakt, betreft het akkoord dat is gegeven voor betalingen aan [adviesbureau] die het totaal geautoriseerde bedrag overschrijden, en niet dat eiseres heeft geaccordeerd zonder dat de daadwerkelijke prestaties waren geleverd door [adviesbureau], draagt bij tot voormeld oordeel.

4.4.11. Voor zover gedaagde sub A heeft bedoeld te stellen dat er tussen eiseres en [adviesbureau] enige verhouding bestaat, overweegt de kantonrechter dat zij hieraan voorbij zal gaan, nu deze stelling niet onderbouwd is met terzake doende feiten en omstandigheden. Daarbij komt nog dat gedaagde sub A, de stelling van eiseres dat zij geen invloed had op de betrekking van [adviesbureau] bij het project, niet heeft weersproken. Gedaagde sub A heeft evenmin weersproken dat, [adviesbureau] niet voor het eerst is benaderd voor een project van gedaagde sub A.

Het Sociaal plan
4.4.12. De kantonrechter overweegt dat het voormalig Hoofd van de afdeling Interne Controle, ter comparitie heeft verklaard dat er in het Intern Rapport ook een onderdeel was opgenomen dat te maken had met het Sociaal Plan. De kantonrechter overweegt dat nu het Sociaal plan niet is vervat in de ontslagredenen, een overweging hieromtrent achterwege kan blijven. Te meer, nu partijen hierover niet hebben uitgeweid in hun argumentatie.

4.4.13. Uit de door gedaagde sub A overgelegde jaarcijfers (de jaarrekeningen van 2014 en 2015 en het financieel rapport over het jaar 2016) blijkt weliswaar dat gedaagde sub A in het jaar 2014 een nettowinst van SRD 7.048,772 heeft behaald, waarbij in vergelijking met het jaar 2013 een nettowinst van SRD 20.529,528 was behaald, zodat er gelet hierop sprake is van een noemenswaardige achteruitgang. De kantonrechter is echter van oordeel dat het vorenoverwogene onder 4.4 met zich meebrengt dat eiseres, als personeelslid niet enkel aansprakelijk gehouden kan worden voor deze achteruitgang, terwijl een onderbouwde uitleg over de redenen van de achteruitgang ontbreekt.

4.5. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de ontslaggrond dat eiseres haar plichten welke uit de arbeidsovereenkomst en haar functie van manager van het FPO project voortvloeien grovelijk heeft veronachtzaamd, door zich niet te houden aan de geldende comptabele procedures van het bedrijf, alsook dat zij nonchalant en nalatig is geweest met betrekking tot het monitoren van de uitgaven van he FPO project, waardoor zij gedaagde sub A met haar handelingen opzettelijk heeft benadeeld, niet valide is, althans is zulks niet komen vast te staan.
De kantonrechter overweegt dat het ontslag gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer en ook niet berust op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst. Een normale en redelijke werkgever zou niet tot ontslag overgaan, rekening houdende met de feiten dat eiseres vóór dit geval nog nooit is verweten van enige laakbare handeling en dat eiseres bijkans 25 jaren, in dienst is geweest van gedaagde sub A.
Het beroep op artikel 1615s lid 2 sub a BW slaagt, zodat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.6. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 3 BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het opdragen van de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen of in de plaats hiervan het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub A niet te veroordelen het dienstverband met eiseres te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiseres en gedaagde sub A vanaf de non-actiefstelling van eiseres tot aan het onderhavig rechtsproces, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub A reeds zal hebben voorzien in de vacature van de functie die eiseres bekleedde. Dit deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van gedaagde sub B
4.7. Eiseres heeft gesteld dat het besluit van gedaagde sub B in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gedaagde sub B heeft het standpunt van eiseres betwist.

Het beginsel van hoor- en wederhoor
4.8. Overwogen wordt dat partijen op basis van voormeld beginsel in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich op een adequate wijze uit te laten over hetgeen door de wederpartij wordt gesteld, tot op het moment dat er geen nieuwe informatie wordt gegeven. Rekening houdend met de termijn van 30 dagen vervat in artikel 6 lid 3 van Besluit Ontslagcommissie (SB 1986, no.29), zou de nader ingebrachte standpunten, als tardief buiten de beoordeling gelaten moeten worden, voor zover deze niet van dien aard zijn dat er een heroverweging teweeg wordt gebracht. Indien er sprake is van het laatstgenoemde, dient de wederpartij zich hieromtrent uit te laten.
De kantonrechter gaat ervan uit dat alle standpunten vervat in de ontslagbeschikking, meegenomen zijn in de beoordeling van gedaagde sub B, zodat de aangevoerde ontslaggronden wel opgaan.

4.8.1. Ten eerste gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van gedaagde sub B, dat zij gedaagde sub A slechts bij rolbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld om zich schriftelijk uit te laten over het één en ander en dat zulks niet gelijkgesteld kan worden aan het wederhoren van gedaagde sub A, zoals eiseres betoogt. De kantonrechter overweegt dat feit is dat gedaagde sub A, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot tweemaal toe de kans heeft gehad om zich uit te laten ten aanzien van het geschil. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom gedaagde sub A zich voor een tweede keer diende uit te laten over het geschil. Het standpunt van gedaagde sub B dat er sprake was van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de partijen, is geen reden voor het wederhoren van een partij. Immers zullen er in elk geval strijdigheden zijn in de verklaringen van partijen, hetgeen namelijk de reden is dat de ene partij zich wendt tot een onafhankelijke derde, in casu gedaagde sub B, om een oplossing te brengen in hetgeen waarover partijen het oneens zijn. Het wederhoren van een partij, zonder dat de wederpartij zich omtrent het aangevoerde heeft uitgelaten, brengt voorshands mee dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

4.8.2. In de ontslagbeschikking staat als nadere toelichting een nieuw punt vervat, namelijk dat de door eiseres gemaakte afspraken nergens zijn vastgelegd, en dat dit bijdraagt aan de ernst van het verwijtbaar handelen door eiseres. Eiseres heeft zich over dit punt niet kunnen uitlaten.
De kantonrechter overweegt voorts dat hetgeen nader is toegelicht in de ontslagbeschikking onder 2.12 van dit vonnis, waarin vermeld staat dat eiseres de Financiële Administratie onder druk heeft gezet, een versterkte nuancering is van hetgeen is vermeld onder 2.12 van dit vonnis, waarin vermeld staat dat eiseres aan de Financiële Administratie had medegedeeld dat het FPO project niet vertraagd mocht worden. De kantonrechter is van oordeel dat eiseres zich ook om deze versterkte nuancering, diende uit te laten. Het ‘onder druk zetten’ is namelijk ook een verwijt, waartegen eiseres zich had moeten verdedigen.
Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat eiseres ook in de gelegenheid gesteld diende te worden om zich uit te laten over de stellingen van gedaagde sub A, dat het ongebruikelijk is dat de goedkeuring van de RvC achteraf geschied en de uitlating van gedaagde sub A over de door eiseres overgelegde verklaring afkomstig van haar gewezen directeur.

4.8.3. De kantonrechter overweegt voorts dat zowel aan eiseres als aan gedaagde sub A, het recht om stukken in te dienen en het recht op inzage in de ingediende stukken, toekomt. Voor de vereenvoudiging van het voeren van verweer had het op de weg van gedaagde sub B gelegen om de door partijen ingediende stukken, ter inzage te geven aan de wederpartij, niettegenstaande de stelling dat deze niet door partijen worden opgevraagd. Dit heeft gedaagde sub B nagelaten.

4.8.4. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

Het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval
4.9. De kantonrechter overweegt dat het beginsel van zorgvuldige voorbereiding met zich meebrengt dat gedaagde sub B aan het nemen van een besluit, een onderzoek doet naar alle factoren, welke voor een antwoord op een- in verband met de gerezen ontslagaanvraag en mede in het licht van de toepasselijke regeling- relevante vraag van belang zijn.

4.9.1. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B, haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en wel gelet op het navolgende. Eiseres heeft een belangrijk verweer gevoerd, namelijk dat conform een wettelijke bepaling (artikel 10 lid 2 van de Wet C-38) er wel sprake kan zijn van goedkeuring achteraf verleend door de RvC. Nu zulks in onderhavig geval reeds aan orde was, lag het op de weg van gedaagde sub B om nader hierop in te gaan. Hetgeen ook is gebeurd, maar naar het oordeel van de kantonrechter is hierop niet uitvoerig ingegaan, om het genomen besluit door gedaagde sub B te rechtvaardigen.
Een tweede punt waarop niet voldoende is ingegaan door gedaagde sub B, betreft de functieomschrijving van eiseres en de door haar aangewezen personen in het kader van controle op de overschrijding van het budget.

4.9.2. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de motivering door gedaagde sub B vervat in de ontslagbeschikking betreffende de ontslagaanvragen met betrekking tot de anderen die eveneens door gedaagde sub A zijn ontslagen en hiervan een rechtsproces aanhangig is gemaakt, bekend onder de zaken met als A.R.no. 16-4461 en 16-4462, waarvan een rolvoeging is gelast bij onderhavige zaak, grotendeels woordelijk identiek zijn aan elkaar. Dit doet de kantonrechter voorkomen alsof er geen sprake is geweest van een individuele beslissing en dat de zaken globaal zijn afgedaan aan de hand van de algemeen gestelde verwijtbare handelingen. Het vorenstaande duidt ook aan op een motiveringsgebrek zijdens gedaagde sub B.

4.9.3. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel onderzoek en beslissing van het individuele geval is geschonden.

Het motiveringsbeginsel
4.10. De kantonrechter overweegt dat er op gedaagde sub B een motiveringsplicht rust, die draagkrachtig is en een deugdelijke feitelijke grondslag moet bevatten. Deze motiveringsplicht strekt ertoe, met name ingeval de bezwaren ongegrond worden verklaard, dat eiseres, die tegen de ontslagaanvraag bezwaar heeft, uit de beslissing moet kunnen opmaken waarom aan de aangevoerde bezwaren niet is tegemoetgekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B niet heeft aangegeven op welke wijze gedaagde sub A, de essentiële punten die eiseres heeft aangehaald heeft weerlegd en hoe de belangen van partijen tegen elkaar zijn afgewogen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan volgen hoe gedaagde sub B is gekomen tot haar besluit om de ontslagaanvraag toe te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden.
Nu gedaagde sub B de voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, is de kantonrechter van oordeel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens
eiseres en derhalve nimmer tot het besluit van ontslag had moeten komen, weshalve de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden
vergoed door hem de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden vergoed door hem.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.11. Uit de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding, leidt de kantonrechter af dat eiseres uitgegaan is van:
• 45 maanden brutosalaris en daarover berekende emolumenten omvattende: het salaris, bijdrage aan pensioen, verlies van medische voorzieningen voor twee personen, verlies gekoppeld aan privileges, dienstaansluitingen, verlies van vervoerstoelagen, verlies representatiekosten, verlies van vrij impulsen nationaal verkeer.
• 112,5 vakantiedagen, vakantietoelagen, verlies van gratificatie, verlies van dekking paramedische kostenvergoeding, verlies vergoeding voor extra prestatie en inzet, verlies jubileum in 2020 in verband met 30 jaar in dienst en daarbij behorende uitkering van drie maanden salaris, verlies voorzieningen voor gepensioneerden, verlies elke salariscorrectie vanwege de cao en tegemoetkoming vanwege koersstijgingen en of daarmee samenhangend.
In totaal vordert eiseres het bedrag ad SRD 1.727.368,71 aan schadevergoeding.

4.12. De kantonrechter overweegt dat eiseres geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de toewijzing van de door haar gevorderde schadevergoeding ad SRD 1.727.368,71. rechtvaardigen.
Echter overweegt de kantonrechter op grond van de wet en in lijn met de uitspraak van de uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 oktober 2018, NJ 2018/465), dat gelet op het kennelijk onredelijk ontslag, hij van oordeel is dat op grond van de eisen van goed werkgeverschap, die gedaagde sub A niet in acht heeft genomen, en gelet op de redelijkheid en billijkheid, eiseres aanspraak heeft op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.13. De kantonrechter overweegt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding, het uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat het bij de begroting van de billijke vergoeding aankomt op alle omstandigheden van het geval. In onderhavig geval acht de kantonrechter de mate van benadeling tegenover de belangen die daardoor worden geschaad, van belang ter vaststelling van de vergoeding. De navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang:

Aan de zijde van eiseres
• de duur van de dienstbetrekking van de werknemer. Als onweersproken staat vast dat eiseres 24,5 jaren in dienst was van gedaagde sub A, met een onderbreking.
• de kwaliteit van de werknemer gedurende de dienstjaren. Als onweersproken staat eveneens vast dat eiseres tot op 09 november 2015 nooit is verweten van enige laakbare handeling.
• leeftijd van de werknemer: gelet op de geboortedatum van eiseres, vermeld in de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst, had zij bij haar ontslag een leeftijd van 56 jaar.

Aan de zijde van gedaagde sub A
• het ontbreken van duidelijkheid over de werkloosheid van de werknemer, na de ontslag door de werkgever. Nu eiseres de schadevordering heeft ingesteld, lag het op de weg van haar om concreet aan te geven dat zij na het ontslag werkloos was. De kantonrechter kan hiervan niet zondermeer uitgaan;
• de uitgekeerde vergoeding aan eiseres, rekening houdende met een opzeggingstermijn van zes maanden.

4.14. De kantonrechter zal hierbij ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiseres heeft 24,5 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiseres reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad SRD 15.063,98. Factor C wordt vastgesteld op 0,75. De schadevergoeding komt derhalve neer op 24,5x2x15.063,98×0.75= SRD 553.601,27.
De kantonrechter is van oordeel dat nu geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid conform artikel 1303 BW, deze is namelijk niet bedongen noch vloeit het voort uit de wet, de proportionele aansprakelijkheid van toepassing is op onderhavig geval. Overwogen wordt dat de door gedaagde sub B gepleegde onrechtmatige daad, namelijk het schenden van de onder r.o. 4.7, 4.8 en 4.9 vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het verlengde ligt van de door gedaagde sub A gepleegde onrechtmatige daad, door verlenen van het kennelijk onredelijk verslag aan eiseres. Immers zou de één niet zonder de ander bestaan. Zie hierin het causaal verband van beide onrechtmatige daden en de door eiseres geleden schade. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zowel gedaagde sub A als sub B voor een even groot deel aansprakelijk zijn jegens eiseres. Dit leidt tot de slotsom dat zowel gedaagde sub A als gedaagde sub B elk aansprakelijk zijn voor het bedrag SRD 276.800,63.

4.15. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Veroordeelt gedaagde sub A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 276.800,63 (tweehonderdzesenzeventigduizend achthonderd en drieënzestighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiseres geleden als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.2. Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 276.800,63 (tweehonderdzesenzeventigduizend achthonderd en drieënzestighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiseres geleden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiseres in haar rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 628,- (zeshonderd achtentwintig Surinaamse dollar).

5.5. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2020-29

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-4462
25 augustus 2020
G.S.
Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.
B. DE STAAT SURINAME, m.n. de Ontslagcommissie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 09 september 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser;
• de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 14 december 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 20 december 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 11 januari 2019 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusies tot uitlating producties zijdens eiser;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub B is gelast om producties ten processe over te leggen;
• de mondelinge conclusie tot overlegging producties zijdens gedaagde sub B, die te kennen heeft gegeven dat de rolbeschikking kennelijk is gestoeld op een omissie, waarbij de kantonrechter heeft bedoeld gedaagde sub A in stede van gedaagde sub B;
• de rolbeschikking d.d. 02 oktober 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub A in de gelegenheid is gesteld om producties ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Bij arbeidsovereenkomst gedateerd 27 december 1982, is de dienstbetrekking tussen eiser en gedaagde sub A op 13 december 1982 aangevangen. Eiser is als Medewerker Planning in dienst genomen.

2.2. Eiser heeft tot 13 juli 2016 in de functie van Afdelingshoofd Telesur Verzorgingsgebieden gediend.

2.3. In de salarisspecificatie over de maand april 2016 staat dat eiser het bedrag ad
SRD 10.551,82 heeft ontvangen.

2.4. Bij schrijven gedateerd 08 november 2015, en betekend op 09 november 2015 aan eiser per exploot no. [nummer 1], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Burgzorg, afkomstig van de waarnemend directeur van gedaagde sub A, is eiser in kennis gesteld van het navolgende. In het kader van eiser zijn werkuitvoering, met name bij de aanschaf van telecommunicatie-apparatuur, heeft hij zich schuldig gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen. Het vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en mogelijk aan hem verwijtbare feiten. Het vorenstaande is aanleiding geweest om eiser ingaande 09 november 2015 tot nader order op non-actief te stellen. Hij mocht gedurende de periode van zijn non-actiefstelling gebouwen en terreinen van gedaagde sub A, met uit zondering van de Telesur-poli, niet betreden.

2.5. Bij schrijven gedateerd 10 november 2015, heeft eiser aan gedaagde sub A te kennen gegeven dat hij de beschuldiging vervat in de brief d.d. 08 november 2015, ontkent en dat hij over hetgeen terzake niet is gehoord door gedaagde sub A. Voorts heeft hij de brief geconcludeerd met het beschikbaar stellen van zichzelf om zijn werkzaamheden te hervatten. Deze brief is bij exploot no. [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie,
D. Toekimin, op 10 november 2015 betekend aan [naam 1], assistente van de Chief Financial Officer van gedaagde sub A.

2.6. Bij schrijven gedateerd 11 januari 2016 heeft eiser via zijn procesgemachtigde wederom te kennen gegeven dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verwijten van gedaagde sub A en heeft hij verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om zijn werk te hervatten. Voorts heeft hij zijn grieven geuit ten aanzien van het verstrijken van twee maanden, en dat hij desondanks niet in kennis is gesteld van het door gedaagde sub A verrichte onderzoek en is hij evenmin gehoord hierbij. Ook heeft hij zijn pijnpunt, ten aanzien van de salarisverhoging waarop hij aanspraak maakt, doch niet ontvangt, kenbaar gemaakt.

2.7. Bij schrijven gedateerd 02 februari 2016, dat aan eiser in persoon is betekend per exploot gedateerd 03 februari 2016, no.[nummer 3], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, heeft de waarnemend directeur van gedaagde sub A de verwijten aan eiser onderbouwd.

2.8. Op 04 februari 2016 heeft eiser verweer gevoerd, waarbij hij is ingegaan op de verwijten vervat in de brief gedateerd 02 februari 2016.

2.9. Bij schrijven gedateerd 05 februari 2016, dat per exploot d.d. 05 februari 2016, no.[nummer 4], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, is betekend, heeft gedaagde sub A aangegeven dat het verweer van eiser niet steekhoudend is bevonden. Als toelichting op voormeld besluit is aangegeven dat:
a. Eiser heeft aangegeven dat de levertijden zo kort mogelijk gehouden moesten worden (maximaal 10 dagen vanaf de bestelling), maar dat blijkt niet uitgaande van de ontvangsten in het magazijn (16 oktober 2015) en de factuurdatum (27 augustus 2015). Verder heeft eiser aangegeven dat een ander voordeel was dat gedaagde sub A niet direct hoefde te betalen (risicovermindering), doch staat op de factuur [bedrijf] REF: GEN-20150827-001 d.d. 08/27/2015, betreffende de door eiser bestelde MIFI apparaten, duidelijk als betalingsvoorwaarde: “Pre-Payment Required 100%. Dit betekent dat gedaagde sub A 100% vooruit moest betalen.
b. De door eiser gemaakte calculatie waarbij hij een winst uitrekent van USD 133.000,- is volstrekt onjuist, aangezien hij hierbij alleen de kosten van de modem meerekent. Voor het leveren van de MIFI dienst, zijn er ook kosten verbonden aan onderhoud van het netwerk, afschrijvingen, personeels-en marketingkosten. Door het randapparatuur duurder in te kopen heeft eiser juist de winstgevendheid van de dienst en het bedrijf negatief beïnvloed. In tegenstelling tot wat eiser stelt dat de investering in de MIFI apparaten reeds terug is verdiend, zij opgemerkt dat er pas sprake is van winst als van de opbrengsten alle gemaakte kosten worden afgetrokken.
c. Verder heeft de MIFI een negatieve impact gehad op de customer experience van het mobiel internet, waardoor het aantal klachten voor trage mobiel internet drastisch is toegenomen. Dit ondoordacht handelen heeft gedaagde sub A extra in de kosten gejaagd om licentie kosten te betalen aan [bedrijf 2], initieel USD 4.200.000,- na onderhandeling ruim
USD 1.500.000,-.
d. In 2015 zijn er door tussenkomst van eiser MIFI apparaten besteld. In plaats van rechtstreeks bij de leverancier [bedrijf 2] in te kopen, heeft eiser herhaaldelijk via de tussenpersoon [naam 3], opererende onder de bedrijfsnaam [bedrijf], ingekocht, terwijl gedaagde
sub A reeds jaren rechtstreeks goede zaken doet met [bedrijf 2]. Het verlies dat hierdoor door gedaagde sub A is geleden, is voorlopig becijferd op circa USD 58.955,-. Er is hier dus duidelijk sprake van overfacturering.
Met vorenstaande handelingen heeft eiser grovelijk de plichten, veronachtzaamd welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt. Eiser heeft gedaagde sub A ernstig financieel benadeeld. Als gevolg van het voorgaande is het gestelde vertrouwen ernstig geschonden. Van gedaagde sub A kan ook niet redelijkerwijs worden verwacht dat zij de dienstbetrekking zal laten voortduren. Aan eiser is gelet op het vorenstaande ontslag aangezegd.

2.10. Bij beschikking gedateerd 18 februari 2016 afkomstig van de Arbeidsinspectie, afdeling van het Ministerie van Arbeid, heeft gedaagde sub A volhard in de door haar opgegeven ontslaggronden. Voorts heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij het verweer in het kader van de opgegeven redenen, niet steekhoudend heeft bevonden.
Eiser heeft zich bij de Arbeidsinspectie verweerd door aan te geven:
• dat hij daadwerkelijk de apparaten heeft aangekocht, doch dat deze handeling niet op eigen initiatief, maar in opdracht van de toenmalige directie heeft plaatsgevonden;
• dat de bestellingen van en de betalingen voor de apparaten met goedkeuring van de toenmalige RvC en de directie zijn geschied, en dat deze verklaring door de werkgever niet is weerlegd;
• dat hij in verband met het verwijt aan zijn adres niet afdoende in de gelegenheid is gesteld zich terzake op deugdelijke wijze te verweren, vermits het door de werkgever opgegeven schadebedrag door laatstgenoemde niet is onderbouwd en dat hij voorts is aangezegd zich te verweren, zonder dat hij is geconfronteerd met het resultaat van het intern gepleegd onderzoek, dan wel met enig onderliggend stuk.

2.11. In voormelde beschikking afkomstig van de Arbeidsinspectie staat voorts dat beide partijen in verband met de ontslagaanvraag zaken hebben toegelicht en onderbouwd middels het overleggen van diverse bescheiden. Arbeidsinspectie is tot het oordeel gekomen dat niet, althans niet voldoende is komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen welke een ontslag als het onderhavige redelijkerwijs zouden kunnen rechtvaardigen. Er is gelet op het vorenstaande bezwaar tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser aangetekend.

2.12. Bij schrijven gedateerd 19 februari 2016, dat per exploot d.d. 19 februari 2016, no. [nummer 5], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet om tot opheffing van de non-actiefstelling over te gaan en zal deze maatregel derhalve blijven handhaven.

2.13. In de verklaring gedateerd 15 maart 2016, heeft [naam 2], als toenmalige directeur van gedaagde sub A, verklaard dat eiser na goedkeuring van en in opdracht van de directie, na verkregen autorisatie van de RvC, de MIFI apparaten en HAUS toestellen in het kader van de snelle uitbreiding van het aantal breedbandaansluitingen en de vervanging van slecht functionerende toestellen op het netwerk bij [bedrijf] heeft besteld. Een en ander hield allemaal verband met de toen actuele concurrentiedruk. De financiële afhandeling en inklaring heeft plaatsgevonden door de verantwoordelijk afdelingen (inkoop en financiële administratie).

2.14. In de ontslagbeschikking gedateerd 31 maart 2016, staat dat gedaagde sub A het navolgende heeft aan gegeven naar aanleiding van de reactie van eiser:
• de veroorzaakte vertraging in het netwerk door het gebruik van de MIFI-apparaten blijkt uit de netwerkstatistieken, waarin technisch is onderbouwd met netwerk verkeerscijfers dat het MIFI-verkeer is toegenomen van 0% naar 21 % van het totaal mobiel internetverkeer, met als gevolg dat ongeveer 42000 mobiel internetgebruikers een verslechterd mobiel internetverkeer hebben ondervonden, daar alle mobiel internetnetwerklicenties zijn overschreden door de ondoordachte introductie van MIFI;
• dat de levertijd van [bedrijf] 19 tot 50 dagen is geweest, waardoor er niet kan worden gesteld dat [bedrijf] sneller levert dan [bedrijf 2];
• dat de groei van 0 naar 21% op het netwerkverkeer als gevolg van het gebruik van de MIFI-apparaten zich zodanig heeft gemanifesteerd dat alle netwerklicenties voor mobiel internet overschreden zijn, met als gevolg dat de netwerkleverancier [bedrijf 2] gedaagde sub A een boetebedrag van ruim USD 4.100.000,- voorlegde voor over-verbruik van alle licenties;
• dat indien MIFI niet was ingevoerd de boven aangehaalde kosten niet zouden zijn gemaakt en zou het bedrijfsresultaat en de cashflow niet negatief zijn beïnvloed;
• dat de verklaring van de gewezen directeur niet als bewijs kan worden aangemerkt, aangezien de oud directeur deel is van de onrechtmatige handelingen, die mede hebben geleid tot zijn ontslag en het nader onderzoek naar eiser;
• dat de rol van de afdelingen Inkoop en Financiële Administratie totaal niets te maken heeft met het benadelen van het bedrijf;
• dat ongeacht welke strategieën ook hebben gegolden bij de bedrijfsvoering, men nimmer kan en mag voorbijgaan aan comptabele regels en voorschriften en dat uit onderzoek is gebleken dat zulks wel degelijk is gebeurd.

2.15. In de ontslagbeschikking staat dat de Ontslagcommissie, het navolgende heeft aangegeven:
• dat het de Ontslagcommissie is gebleken dat in het door het bedrijf verrichte onderzoek alle aangehaalde activiteiten en de daarbij getrokken conclusies onderbouwd zijn met relevante nota’s en andere onderliggende stukken;
• dat het de Ontslagcommissie uit de door de gedaagde sub A overgelegde documenten tevens is gebleken dat het door eiser gevoerd verweer, met betrekking tot de aanschaf van de apparaten bij [bedrijf] in plaats van [bedrijf 2], niet valide is;
• dat het de ontslagcommissie uit de overgelegde stukken ook is gebleken dat bestaande procedures binnen gedaagde sub A niet althans niet genoegzaam zijn nageleefd, hetgeen financiële consequenties heeft gehad voor het bedrijf;
• dat gelet op het voorgaande, de door gedaagde sub A overgelegde documenten, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie in casu van oordeel is dat gedaagde sub A het gestelde met betrekking tot het geschonden vertrouwen voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met eiser te laten voortduren.
De Ontslagcommissie heeft op grond van het vorenstaande besloten om vergunning te verlenen aan gedaagde sub A ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

2.16. Bij brief gedateerd 31 maart 2016, die per exploot d.d. 01 april 2016, no. [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, is hem namens de waarnemend directeur, door de Coördinator Technische Zaken ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 31 maart 2016 tot en met 30 maart 2017.

2.17. Nadat partijen over en weer waren gehoord door de Ontslagcommissie van gedaagde sub B heeft laatstgenoemde nadere informatie doen opvragen bij gedaagde sub A, waarvan de inhoud onbekend was bij eiser en is hij daaromtrent evenmin nader gehoord.

2.18. Bij brief gedateerd 06 april 2016 heeft eiser via zijn gemachtigde aangegeven dat het aangezegde ontslag, ingevolge artikel 8 Decreet C-38 nietig is, nu de Coördinator Technische Zaken geen directeur of onderdirecteur is en slechts de directie van gedaagde sub A belast is met de aanzegging van het ontslag aan personeelsleden. Ook is gedaagde sub A erop gewezen, dat ingevolge artikel 1615i BW, de dienstbetrekking eindigt op 31 mei 2017 in stede van 30 maart 2017, uitgaande van de aanzegging op 01 april 2016.

2.19. Bij brief gedateerd 08 april 2016, die per exploot d.d. 08 april 2016, no. [nummer 7], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, is hij namens de waarnemend directeur, zijn ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 08 april 2016 tot en met 31 mei 2017.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser volledig te herstellen en hem in de gelegenheid zal stellen zijn werkzaamheden in zijn laatste functie onbelemmerd en ongestoord uit te voeren;
b. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser te betalen, zijn loon en emolumenten, te rekenen vanaf 01 juni 2017 tot aan de datum waarop de dienstbetrekking wordt hersteld, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding.

Subsidiair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 697.437,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
en
b. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 697.437,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Ontslagcommissie verleende ontslagvergunning, waardoor eiser ernstig in zijn rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2. Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat zijn ontslag ingevolge artikel 1615s lid 2 sub a en b BW kennelijk onredelijk is. Gedaagde sub A heeft in strijd gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap. Ook is het ontslagbesluit van gedaagde sub B in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiser draagt voorts ook geen kennis van het onderzoeksrapport dat gedaagde sub A ten grondslag heeft gelegd aan haar ontslagaanvraag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
De opgegeven ontslaggronden door gedaagde sub A
4.1. Gedaagde sub A heeft gesteld dat eiser in het kader van zijn werkuitvoering, met name bij de aanschaf van telecommunicatie-apparatuur, zich schuldig gemaakt aan ontoelaatbare handelingen en ernstige aan hem verwijtbare feiten. Deze stelling is als volgt onderbouwd door gedaagde sub A.

4.1.1. Uit een intern onderzoek dat is verricht naar onregelmatigheden binnen gedaagde sub A, is onder andere gebleken dat in 2015 er door tussenkomst van eiser MIFI apparaten zijn besteld. Het was zeer opvallend dat ervoor gekozen is, om niet rechtstreeks bij de leverancier [bedrijf 2] in te kopen, maar via de tussenpersoon [naam 3], opererende onder de bedrijfsnaam [bedrijf], terwijl gedaagde sub A reeds jaren goede zaken doet met [bedrijf 2]. Het verlies dat hierdoor geleden is door gedaagde sub A, is becijferd op ca. USD 58.955,-. Er is hier dus duidelijk sprake van overfacturering.

4.1.2. Een nader onderzoek van [bedrijf] heeft tevens uitgewezen dat [bedrijf] een op papier gecreëerd bedrijf is, kennelijk met het doel om onder die naam diensten te verlenen aan gedaagde sub A. Eiser onderhield vanaf het jaar 2007 namens gedaagde sub A contact met [naam 3] toen hij in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van [bedrijf 3] fungeerde. Het gebruik maken van een bedrijf dat slechts op papier bestaat, waarbij er voor gedaagde sub A zeer nadelige transacties worden gepleegd, wordt gekwalificeerd als het bewust benadelen van gedaagde sub A.

4.1.3. Eiser heeft voorts zonder de nodige zorgvuldigheid, die een werknemer in ieder geval op zijn niveau betaamt, in acht te nemen, herhaaldelijk via [bedrijf], welk bedrijf aan gedaagde sub A verbonden was, MIFI apparaten aangekocht, terwijl gedaagde sub A over een inkoopafdeling beschikt.

4.1.4. Alhoewel dezelfde apparaten bij [bedrijf 2] goedkoper zijn en de afdeling Inkoop hem daarop heeft geattendeerd, is eiser toch door is gegaan met het aankopen van de duurdere apparaten via [bedrijf].

4.1.5. Ondanks de technische achtergrond van eiser, heeft hij genoemde apparaten niet eerst laten testen op hun werking, maar heeft hij deze ongeconditioneerd verkocht aan klanten van gedaagde sub A, met als gevolg dat de MIFI-apparaten een negatieve impact hebben gehad op de customer experience van het mobiel internet, waardoor het aantal klachten voor trage mobiel internet drastisch is toegenomen.

Het verweer van eiser tegen de ontslaggronden van gedaagde sub A
4.2. Eiser heeft uitvoerig verweer gevoerd tegen de stellingen van gedaagde sub A. Het verweer komt neer op het navolgende.

4.2.1. Aanschaf MIFI apparatuur bij [bedrijf]:
In 2015 is er MIFI apparatuur aangeschaft via [bedrijf] (directeur/eigenaar [naam 3]) i.p.v. [bedrijf 2].

Voorwaarden voor-en bij aanschaf van alle hardware en of apparatuur
• Aanschaf heeft altijd plaatsgevonden in opdracht van de directie.
• Bestellingen en betalingen hebben altijd plaatsgevonden met goedkeuring van de RvC (goedgekeurde autorisaties) en directie.
• Fysieke betaling heeft plaatsgevonden in opdracht van de Financieel directeur.
• Levering van bestelling is altijd inclusief vracht, afhandeling en assurantie af magazijn Telesur Tweede rijweg.

4.2.2. De redenen voor aanschaf van MIFI’s algemeen
[naam 3], directeur eigenaar van [bedrijf], is in 2010 door de voormalig Technisch directeur [naam 4], bij gedaagde sub A binnengebracht als consultant. Vanaf toen heeft [naam 3] gefunctioneerd als Technisch en Financieel adviseur op verschillende gebieden (Rapporten zijn gedaagde sub A bekend) binnen gedaagde sub A. Alle technische en eventueel financiële besluiten op technisch vlak moesten via de consultant geschieden.

In de periode 2014-2015 heeft eiser geconcludeerd dat er een behoorlijke achterstand was ontstaan in aanvragen voor ADSL aansluitingen (dit vanwege de trage aansluitsnelheid en/of tekort aan koper in gebieden). Daarnaast waren de concurrenten van gedaagde sub A altijd voor om die potentiële klanten af te romen van gedaagde sub A. Er werd met de ervaringen toen opgedaan, met USB dongles gepoogd invulling te geven aan het schrijnend tekort aan breedband aansluitingen. Echter werd al gauw duidelijk dat de dongles voor een zeer beperkte groep interessant was. Alleen gebruikers met een PC konden hiervan gebruik maken. Immers moest de dongle in een PC gestopt worden om deze te laten functioneren. Uit het toenmalig marktonderzoek bleek dat de grootste groep klanten behoefte had aan een andere breedband oplossing. Aangezien niet alle klanten beschikten over een PC en eigenlijk met hun smartphone een breedband verbinding wilden, moest worden uitgekeken naar een andere oplossing.
Samen met de consultant ([naam 3]) werd naar alternatieven gekeken. Er werd toen voorgesteld een MIFI device uit te proberen. Deze MIFI had alleen een 3G mogelijkheid. Na een test periode werden deze MIFI’s (5 voor test) goed bevonden. Ook zijn deze MIFI’s getest door de PUOM groep.

4.2.3. Waarom de MIFI’s zijn aangeschaft bij [bedrijf]
• Door de slechte ervaring die gedaagde sub A toen had met [bedrijf 2] wat betreft consumer equipment o.a. MSAN modem die niet functioneerde op hun eigen Huawei MSAN apparatuur geïnstalleerd ter vervanging van de Ercisson EDA apparatuur. Ook een aantal [bedrijf 2] cellulairs voldoen niet in het netwerk van gedaagde sub A. Dit is ook voorgehouden aan gedaagde sub A door de PUOM groep.
• Van eminent belang bij de bestelling waren de levertijden, deze moesten zo kort mogelijk gehouden worden, max 10 dagen vanaf bestelling. [bedrijf 2] kon dat niet, recentelijk ook weer bewezen toen in oktober 2015 een bestelling van CPE equipment werd geplaatst en pas tegen januari/februari 2016 werd geleverd.
• Daarnaast was een minimale afname van 2000 per model verplicht gesteld door [bedrijf 2]. De commerciële groep wist toen nog niet hoe de verkoop van deze equipment zou verlopen.
• [bedrijf] heeft 100% prepayment gedaan. De directie van gedaagde sub A heeft toen besloten om bij wijze van proef 500 MIFI’s te bestellen. Deze bezending was binnen 5 dagen in Suriname en binnen 3 dagen geïnstalleerd en was de vraag hiernaar niet te stuiten, zo enthousiast reageerden de klanten.
• [bedrijf] is een formeel, in de USA, geregistreerd bedrijf en gedaagde sub A heeft dus al jaren zaken met dit bedrijf gedaan, steeds naar tevredenheid van de toenmalige directie van gedaagde sub A. Dit vanwege de goede ervaringen met [bedrijf]. Afspraken met betrekking tot levering, levertijden en garantie zijn altijd nagekomen bij voorgaande bestellingen.
• Andere bedrijven vinden gedaagde sub A vanwege slecht betalingsgedrag onbetrouwbaar en willen geen zaken doen met gedaagde sub A.

4.2.4. Vervolgtraject aanschaf
Tijdens het MIFI project werden een aantal voorstellen en pointers door klanten en technici van gedaagde sub A meegenomen en werd de aanschaf aangepast en wel als volgt:
• Alle klanten, indien bij hoge uitzondering, in de toekomst te voorzien van vaste MIFI (CPE) aansluitingen.
• Klanten die een LAN nodig hebben voor een camera security systeem of soortgelijk, ook uit te rusten met CPE equipment (eventueel vervanging van bestaande MIFI).
• Vanwege de veel grotere aantallen, de bestelling elders te plaatsen (voorstel [bedrijf 2]).
o Door eiser is toen opnieuw contact gemaakt met de sales representative van [bedrijf 2] (voornaam). Hierbij is toen een offerte opgevraagd met levertijden en is een bestelling van 2000 CPE units met de mogelijkheden 3G en LTE700-1800Mhz besteld bij [bedrijf 2]. Deze bestelling was tot op de datum van zijn non-actiefstelling reeds geleverd, maar de inzet is niet bekend bij eiser.
• Eiser heeft ontkend dat het gebruik van de MIFI-apparaten, een vertraging heeft veroorzaakt in het netwerk en heeft aangegeven dat deze apparaten vooraf wel zijn getest en goed zijn bevonden.

4.2.5. Kostenprijscalculatie MIFI
Er zijn in totaal 3800 MIFI’s besteld waarvan 300 voor het binnenland project. Van deze 3800 (3G-HSPA, LTE 700-1800). De rest is 3G-HSPA only.
Totaal unitprijs USD 421.227,-
Assurantie, vracht en afhandelingkosten USD 36.726,-
Generaal totaal USD 458.953,-
In de brief is aangegeven dat USD 58.955,- extra is uitgegeven. Dit is een bewering van gedaagde zonder enige onderbouwing of bewijsstuk zijdens gedaagde sub A, zodat eiser vindt dat hij in zijn verweer wordt geschaad.
Om de vergelijking reëel te kunnen maken is daarom een uitleg gegeven omtrent de periode waarbij de apparaten zijn aangeschaft.
Hetgeen eiser verweten wordt, is voor hem niet begrijpelijk aangezien:
• Nergens formeel is aangegeven dat er bij [bedrijf 2] besteld moet worden.
• Het is geen vreemd verschijnsel om apparatuur en/of hardware ondanks duurder toch te bestellen. Zie openbare aanbesteding van GSM waarbij Huawei een stuk duurder was dan Alcatel-Lucent, maar toch is gekozen voor Huawei.
• De investering reeds is terugverdiend. Zie de hierbij gemaakte kostencalculatie.
Ingezet tot heden: 3200 devices
Aanschaf USD 459.000,-
Gemm. Aantal klanten met 3 jarig contract (2000)
2000X SRD 104,- (X 6 maanden in gebruik) USD372.537,31
1000X SRD 131,- (X 5 maanden in gebruik) USD 195.522,39
200X SRD 131,- (X 5 maanden in gebruik) USD 23.462,69
Totaal USD 591.522,3
Gedaagde sub A winst USD 133.000,-
De koers die is gehanteerd is SRD 3,35 voor USD 1,-

4.2.6. Conclusie
• Gedaagde sub A heeft aangegeven dat er USD 58.955,- extra is uitgegeven (overfacturering). Uit eiser zijn calculaties blijkt dat voornoemd bedrag reeds meer dan 2X is terugverdiend (nogmaals: dit is worstcase scenario).
• Had eiser dit niet gedaan of later gedaan, was de kans groot deze klanten te verliezen en de inkomsten mis te lopen.
• Over de periode van nog twee jaar zullen de inkomsten (inclusief verlaging van de tarieven en rekening houdend met koers verschillen SRD5.0) zijn: 3800 X 75 X 24 maanden
USD 1.368.000,- (MIL). Hierbij vermeerderd met vorig jaar, totaal USD 2.000.000,- (afgerond).
Reden waarom ondergetekende contact heeft met [naam 3]:
Ondergetekende heeft vanaf [naam 3] bij [bedrijf 3] als Sales manager was aangesteld (2007), uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid als project manager bij toenmalig IGP contact gehad met eerder genoemde. Aangezien eiser niet alleen belast was met de uitvoer, maar ook de offerten en bestellingen moest voorbereiden, is dit contact gebleven. Ook nadat [bedrijf 3] failliet werd verklaard en [naam 3] via de toenmalige Technisch directeur [naam 4] als consultant voor gedaagde sub A werd aangetrokken, bleef het contact ongewijzigd. Voormalig IGP (tegenwoordig B&I) functioneerde onder [naam 4] en moesten alle technische zaken (Transmissie, Centrales etc.) via deze consultant worden afgehandeld. Eiser moest dus het contact blijven onderhouden. Als projectmanager en/of leidinggevende is het immers belangrijk een goed netwerk van deskundigen te onderhouden.
Zoals hierboven is aangegeven, heeft eiser de opdrachten van de directie uitgevoerd. Hij heeft zich dus op geen enkele wijze schuldig gemaakt aan enig ontoelaatbare handeling, zodat de beschuldiging van gedaagde sub A aan eiser, alsof hij haar bewust zou hebben benadeeld, onterecht is.
• Eiser heeft gesteld dat hij zijn werkzaamheden altijd naar behoren en naar eer en geweten heeft uitgevoerd, reden waarom er ook nooit een maatregel tegen hem is getroffen;

Ten aanzien van het gestelde kennelijk onredelijk ontslag
4.3. De kantonrechter definieert het kennelijk onredelijk ontslag als volgt: een ontslag van een werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever.
De kantonrechter zal voor de vaststelling of er al dan niet sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, de door eiser en gedaagde sub A gestelde feiten en omstandigheden toetsen aan hetgeen is bepaald onder artikel 1615s lid 2 sub a en b BW en voormelde gehanteerde definitie van het kennelijk onredelijk ontslag.

Terzake de overfacturering
4.4. De kantonrechter is van oordeel dat eiser uitvoerig en afdoend verweer heeft gevoerd tegen de redenen die kort samengevat erop neerkomen:
4.4.1. dat hij de opdrachten van de gewezen directieleden, waaronder de toenmalige directeur van gedaagde sub A heeft opgevolgd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij de desbetreffende verklaring ten processe overgelegd, waarvan de inhoud is vermeld onder 2.13 van dit vonnis.
4.4.2. dat de door hem gedane inkopen, in tegenstelling tot hetgeen gedaagde sub A aangeeft voordelig is geweest voor gedaagde sub A.

4.5. Ter comparitie is het navolgende gebleken. De inkoopprocedure vangt aan met een aanvraag door de betreffende afdeling. Met de aanvraag kunnen soms offertes worden meegestuurd door de afdeling die de aanvraag deed. Indien er geen offertes worden opgestuurd, moet de Afdeling Inkoop een offerte zoeken bij verschillende leveranciers. Op basis hiervan wordt een vergelijking gemaakt door de Afdeling Inkoop en wordt de bestelling geplaatst bij de leverancier. Ten slotte komen de goederen binnen, na de inklaring en worden zij opgeslagen in het magazijn. In onderhavig geval, zijn de MIFI apparaten niet via voormelde procedure ingekocht.
Er zijn twee soorten autorisaties die verkregen moeten worden in onderhavig geval, namelijk:
• een autorisatie afkomstig van de directeur of de onderdirecteur, ten aanzien van bestellingen buiten de normale procedure;
• en een autorisatie van de RvC indien het betalingsbudget een bepaald bedrag overschrijdt.
Het voormalig hoofd van de Afdeling Inkoop heeft namens gedaagde sub A verklaard dat hij niet weet of eiser geautoriseerd is door de directie, maar dat hij bij het onderzoek heeft geconstateerd dat er niet voor elke factuur een autorisatie van de RvC is gegeven.
Eiser heeft ter comparitie voorts verklaard dat hij formeel is belast met de aanvraag van offerte en aan de hand hiervan heeft hij de bestellingsopdracht gedaan. De directie is echter uiteindelijk belast met het ondertekenen van een bestelling of inklaring. De betaling aan de leverancier verloopt formeel via de boekhouding. Voorts heeft eiser verklaard dat er aan alle formaliteiten gevolg is gegeven.
Eiser heeft ook nog aangegeven dat hij pas op de dag van de comparitie, voor het eerst wist dat er autorisaties van de RvC ontbraken. Dat is hem nooit kenbaar gemaakt en in de opgegeven ontslagredenen is er hiervan ook nooit melding gemaakt.

Ten aanzien van de autorisatie van de directie
4.5.1. De kantonrechter overweegt dat de stelling van eiser dat hij de autorisatie van de directie had om de door hem gedane inkopen te doen, wordt ondersteund door de verklaring van de gewezen directeur. Deze verklaring draagt bij tot het oordeel van de kantonrechter, gelet op het feit dat degene die de verklaring heeft afgelegd, de directeur was in wiens opdracht eiser heeft gehandeld. De enkele stelling, dat de gewezen directeur ook verweten wordt van de onrechtmatige handelingen, die mede hebben geleid tot zijn ontslag en het nader onderzoek naar eiser, is voor de kantonrechter juist reden om de verklaring mee te nemen bij haar oordeel. Immers staat vast dat er omtrent de overlapping van hetgeen gedaagde
sub A zowel eiser als de gewezen directeur verwijt, een verklaring is afgelegd door laatstgenoemde. Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de stelling van eiser, dat hij de autorisatie van de directie had om de door hem gedane inkopen te doen.

4.5.2. De kantonrechter overweegt dat de stellingen van de gemachtigde van gedaagde sub A ter comparitie, dat voor het comptabel maken van het proces, de omzeiling van de standaardprocedure moet worden doorgegeven aan de Afdeling Inkoop en dat het afdelingshoofd, de persoon is die de autorisatie-aanvraag voorbereid en allemaal meestuurt, niet is onderbouwd met stukken waarin die stellingen staan opgenomen. Er is ook niet aangetoond hoe eiser op de hoogte hiervan zou moeten zijn. Voorts strookt deze stelling niet met het rapport van de Centrale Landsaccountant Dienst (CLAD- rapport), waarin staat vermeld dat gedaagde sub B niet beschikt over formele procedure beschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedingsprocedure en overige procedures. De kantonrechter kan derhalve niet uitgaan van de juistheid van de informatie gegeven door de gemachtigde van gedaagde sub A.

Ten aanzien van de autorisatie van de RvC
4.5.3. De kantonrechter overweegt dat nergens uit blijkt dat eiser heeft geweten dat er een autorisatie van de RvC ontbrak. Daarenboven wordt overwogen dat niet valt in te zien, waarom een personeelslid de verantwoording zou hebben om erop toe te zien dat de autorisatie afkomstig van de RvC niet ontbrak. Het vorenstaande is de taak van de directie, tenzij anders is bepaald door de organisatie. Uit artikel 8 lid 8 van de Wet C-38, waarin is bepaald dat het overig personeel van gedaagde sub A door de directeur wordt aangesteld, geschorst en ontslagen, leidt de kantonrechter af dat de directeur de gezaghebbende is over het overig personeel. De kantonrechter is van oordeel dat eiser als personeelslid onder het gezag van de directie en meer in het bijzonder de directeur viel. Eiser kon derhalve gerechtvaardigd ervan uitgaan dat er uitvoering gegeven moest worden aan de opdrachten van de directeur. Reden te meer nu deze omkleed waren met aanvaardbare redenen, die uitvoerig door eiser zijn gemotiveerd onder r.o. 4.2.

4.5.4. De kantonrechter overweegt dat gedaagde sub B haar stelling, dat eiser de genoemde apparaten niet eerst heeft laten testen op hun werking en dat hij deze ongeconditioneerd heeft verkocht aan klanten van gedaagde sub A, niet heeft onderbouwd met terzake doende feitelijkheden, terwijl eiser gemotiveerd verweer heeft gevoerd terzake. Deze stelling is derhalve niet in rechte komen vast te staan.

4.6. Gelet op het vorenstaande, had eiser noch de bevoegdheid noch reden om de opdracht afkomstig van de directeur te weigeren. Dit leidt tot het oordeel dat de ontslaggrond dat eiser gedaagde sub A met zijn handelingen opzettelijk heeft benadeeld, niet valide is. Het beroep op artikel 1615s lid 2 sub a BW slaagt, zodat er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook op basis van de andere onderbouwingen van voormelde ontslaggrond, er ook sprake is van kennelijk onredelijk ontslag.

Ten aanzien van de e-mailwisseling tussen eiser en Hoofd van de Afdeling Inkoop
4.7. De kantonrechter overweegt dat uit de e-mailberichten tussen eiser en het (gewezen) hoofd van de Afdeling Inkoop, [naam 5], de intentie van eiser duidelijk naar voren komt. Zoals eiser reeds heeft onderbouwd in r.o. 4.2., heeft hij dezelfde uitleg aan [naam 5] gegeven, toen laatstgenoemde melding maakte van de goedkopere prijzen die [bedrijf 2] bood.
De uitleg van eiser leidt tot de conclusie dat, in tegenstelling tot hetgeen gedaagde sub A betoogt, eiser gericht was op het behalen van voordeel ten behoeve van gedaagde sub A.

Ten aanzien van de MIFI Device User Impact
e. De kantonrechter overweegt dat uit het overgelegde document MIFI Device User Impact, de stelling van gedaagde sub A, dat de MIFI een negatieve impact gehad op de customer experience van het mobiel internet, waardoor het aantal klachten voor trage mobiel internet drastisch is toegenomen, niet wordt ondersteund. Een zelfgemaakte powerpoint presentatie, met bevindingen zonder de grondslag of bron aan te geven, draagt niet bij tot de vaststelling van de door gedaagde sub A geponeerde stelling. Gedaagde sub A had desnoods met een user poll, de bevindingen van haar klanten ten aanzien van de MIFI apparatuur moeten vaststellen. Voor de kantonrechter is onduidelijk hoe de powerpoint presentatie, een indicatie van de customer experience moet vaststellen. Immers is er geen uitvoerig onafhankelijk onderzoek gedaan naar de bevindingen van de klanten van gedaagde sub A over de MIFI apparaten.
Ook de stelling van gedaagde sub A, dat het handelen van eiser haar in extra kosten heeft gejaagd om licentie kosten te betalen aan [BEDRIJF 2], initieel USD 4.200.000,- na onderhandeling ruim USD 1.500.000,-, gaat niet op. Er is geen ondersteunend materiaal ter verificatie van deze stelling overgelegd.

Ten aanzien van de gestelde benadeling van gedaagde sub A
4.8. Na het intern rapport van gedaagde sub A op naam van eiser te hebben doorgenomen, overweegt de kantonrechter het navolgende. Het intern rapport bestaat uit de door gedaagde sub A gestelde ontslaggronden, facturen van [bedrijf], een document over het adres van [bedrijf], een door gedaagde samengestelde prijsvergelijking tussen het aanbod van [bedrijf 2] en van [bedrijf] en een overzicht betreffende de consultancy fees betaald aan [bedrijf].

4.8.1. Uit de overgelegde documenten blijkt niet op welke wijze eiser onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens gedaagde sub A. Immers blijkt niet dat eiser opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de betalingen aan [bedrijf]. Evenmin blijkt dat eiser de feitelijke betalingen heeft verricht. Eiser heeft gesteld dat op de facturen de handtekeningen van
[naam 6] en [naam 2], zijnde de gewezen onderdirecteur en de directeur van gedaagde sub A, staan. Deze stelling is niet weersproken door gedaagde sub A, zodat deze stelling rechtens vaststaat tussen partijen.

4.8.2. De kantonrechter merkt op dat op alle facturen van [bedrijf] als adres staat vermeld: 1830 radius drive Hollywood fl 33020, Unit no. 1123, terwijl in het document, dat gedaagde sub A heeft overgelegd ter ondersteuning van haar stelling dat [bedrijf] niet bestaat, als adres staat vermeld: 315 NW 153RD AVE PEMBROKE PINES, FL 33028. Nu er geen nadere toelichting is gegeven door gedaagde sub A hieromtrent, zal de kantonrechter voorbijgaan aan deze stelling van gedaagde sub A.
De kantonrechter merkt op dat uit de facturen met de kenmerknummers: GEN-20150511-001 en GEN-20150722-001 blijkt, dat het volledig bedrag betaald dient te worden binnen
15 dagen. Uit deze facturen blijkt ook dat de levering van de bestellingen respectievelijk op 18 mei 2015 en 06 augustus 2015 heeft plaatsgehad. Uitgaande van de factuurdatum van
11 mei 2015 en 22 juli 2015, worden de stellingen van eiser ten aanzien van de snelle levering binnen 5 tot 15 dagen en de mogelijkheid op betaling achteraf, bekrachtigd.
Uit de factuur met als kenmerknummer GEN-20150827-001, blijkt dat er een 100% vooruitbetaling is vereist. Ook blijkt dat de goederen op 10 oktober 2015 zijn ontvangen. De kantonrechter overweegt dat er onvoldoende facturen zijn overgelegd, uit hoofde waarvan bepaald kan worden dat de stellingen van eiser niet opgaan. Immers worden de stellingen van eiser door twee facturen bekrachtigd, terwijl er als weerleging van de stelling, slechts één factuur is overgelegd. Daarbij komt nog dat in het kader van een vergelijking met de bestelling rechtstreeks via [bedrijf 2], de desbetreffende facturen niet zijn overgelegd. Dit, ondanks gedaagde sub A meent dat er in het verleden veelvuldig zaken werd gedaan met [bedrijf 2].

4.8.3. De kantonrechter overweegt ten aanzien van het overzicht van de consultant fees, dat nergens uit blijkt dat de betalingen aan of de aanstelling van [naam 3] dan wel [bedrijf], op initiatief van eiser is gedaan. Dit leidt ertoe dat hij hiervoor ook niet aansprakelijk gesteld kan worden.

4.8.4. Voor wat betreft het overzicht betreffende de prijsvergelijking tussen de prijzen van [bedrijf] en [bedrijf 2], overweegt de kantonrechter dat gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser, die neerkomt op het ontbreken van onderbouwend bewijs, het overzicht buiten beoordeling gelaten moet worden. Immers staat nergens vast waarop de eenheidsprijs van [bedrijf 2] is gebaseerd. Er is namelijk geen factuur afkomstig van [bedrijf 2] overgelegd, op basis waarvan de vergelijking gemaakt zou kunnen worden. Met dit overzicht wordt de door eiser gemaakte calculatie vervat onder r.o. 4.2.5 niet weerlegd.

4.8.5. Uit de door gedaagde sub A overgelegde jaarcijfers (de jaarrekeningen van 2014 en 2015 en het financieel rapport over het jaar 2016), blijkt dat hoewel gedaagde sub A in het jaar 2014 met een noemenswaardige achteruitgang in haar nettowinst is getroffen (van
SRD 20.529,528 naar SRD 7.048,772), het bedrijf in 2015, met een nettowinst van
SRD 22.384,- winstgevend was. Vooropgesteld dient te worden dat eiser niet aansprakelijk gesteld kan worden door de gedaagde sub A geleden verliezen. Eiser is immers zoals reeds is vastgesteld in dit vonnis, slechts een werkarm van de directie. Voorts is er geen onderbouwing gegeven van de redenen die ten grondslag liggen aan de achteruitgang.
De kantonrechter is voorts van oordeel dat de stelling van eiser dat er op lang termijn, voordeel geboekt zou worden door gedaagde sub A, enigszins door de vooruitgang in 2015 tot uiting komt.

4.9. De kantonrechter is gelet op het voren overwogene van oordeel dat het handelen van eiser, op zich, niet kan worden gekwalificeerd als te zijn onrechtmatig dan wel ernstig verwijtbaar jegens gedaagde sub A. Immers is gebleken dat het handelen van eiser steeds gericht was op het behalen van voordeel voor gedaagde sub A.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.10. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 3 BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen of het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub A niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub A vanaf de non-actiefstelling van eiser tot aan het rechtsproces, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub A reeds zal hebben voorzien in de vacature van de functie die eiser bekleedde. Dit deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van gedaagde sub B
4.11. Eiser heeft gesteld dat het besluit van gedaagde sub B in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gedaagde sub B heeft het standpunt van eiser betwist.

Het beginsel van hoor- en wederhoor
4.12. Overwogen wordt dat partijen op basis van voormeld beginsel in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich op een adequate wijze uit te laten over hetgeen door de wederpartij wordt gesteld, tot op het moment dat er geen nieuwe informatie wordt gegeven. Rekening houdend met de termijn van 30 dagen vervat in artikel 6 lid 3 van Besluit Ontslagcommissie (SB 1986, no.29), zou de nader ingebrachte standpunten, als tardief buiten de beoordeling gelaten moeten worden, voor zover deze niet van dien aard zijn dat er een heroverweging teweeg wordt gebracht.
De kantonrechter gaat ervan uit dat de standpunten vervat in de ontslagbeschikking, meegenomen zijn in de beoordeling van gedaagde sub B, dat de aangevoerde ontslaggronden wel opgaan.

4.12.1. Ten eerste gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van gedaagde sub B, dat hij gedaagde sub A slechts bij rolbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld om schriftelijk uit te laten over het één en ander en dat zulks niet gelijkgesteld kan worden aan het wederhoren van gedaagde sub A, zoals eiser betoogt. De kantonrechter overweegt dat feit is dat gedaagde sub A, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot tweemaal toe de kans heeft gehad om zich uit te laten ten aanzien van het geschil. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom gedaagde sub A voor een tweede keer gehoord diende te worden. Het standpunt van gedaagde sub B dat er sprake was van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de partijen, is geen reden voor het wederhoren van een partij. Immers zullen er in elk geval strijdigheden zijn in de verklaringen van partijen, hetgeen namelijk de reden is dat de ene partij zich heeft gewend tot een onafhankelijke derde, in casu gedaagde sub B, om een oplossing te brengen in hetgeen waarover partijen het oneens zijn. Het wederhoren van een partij, zonder dat de wederpartij zich omtrent het aangevoerde heeft uitgelaten, brengt voorshands mee dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

4.12.2. In de ontslagbeschikking staat als nadere toelichting een nieuw punt vervat, namelijk hetgeen onder 2.14 eerste punt van dit vonnis is genoemd met betrekking tot de veroorzaakte vertraging in het netwerk.
De kantonrechter overweegt voorts dat hetgeen nader is toegelicht in de ontslagbeschikking onder 2.14 derde punt, waarin een boetebedrag is genoemd, waarvan gesteld wordt dat dit bedrag door gedaagde sub A betaald moest worden, een concretisering is van hetgeen reeds door gedaagde sub A was verklaard ten aanzien van het handelen van eiser dat haar in extra kosten heeft gejaagd om licentie kosten te betalen aan [BEDRIJF 2]. De kantonrechter is van oordeel dat eiser zich ook om deze concretisering, diende uit te laten.
Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat eiser ook in de gelegenheid gesteld diende te worden om zich uit te laten over de uitlating van gedaagde sub A over de door eiser overgelegde verklaring afkomstig van haar gewezen directeur.

4.12.3. De kantonrechter overweegt voorts dat aan zowel eiser als aan gedaagde sub A, het recht om stukken in te dienen en het recht op inzage in de ingediende stukken, toekomt. Voor de vereenvoudiging van het voeren van verweer had het op de weg van gedaagde sub B gelegen om de door partijen ingediende stukken, ter inzage te geven aan de wederpartij, niettegenstaande dat deze niet door partijen worden opgevraagd. Dit heeft gedaagde sub B nagelaten.

4.12.4. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

Het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval
4.13. De kantonrechter overweegt dat het beginsel van zorgvuldige voorbereiding met zich meebrengt dat gedaagde sub B aan het nemen van een besluit een onderzoek doet voorafgaan naar alle factoren, welke voor een antwoord op een- in verband met de gerezen ontslagaanvraag en mede in het licht van de toepasselijke regeling- relevante vraag van belang zijn.

4.13.1. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B, zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt en wel gelet op het navolgende. Eiser heeft een belangrijk verweer gevoerd, namelijk dat hij in opdracht van de directie heeft gehandeld. Dit punt diende nader onderzocht te worden door gedaagde sub B, niet tegenstaande het feit dat er nog een rechtsmiddel openstaat voor eiser. Ook diende gevraagd te worden naar documenten waaruit het standpunt van gedaagde sub A blijkt met betrekking tot de prijzen van de apparaten, levertijd en voorwaarden rechtstreeks vanuit [bedrijf 2].

4.13.2. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de motivering door gedaagde sub B vervat in de ontslagbeschikking betreffende de ontslagaanvragen met betrekking tot de anderen die eveneens door gedaagde sub A zijn ontslagen en hiervan een rechtsproces aanhangig is gemaakt, bekend onder de zaken met als A.R.no. 16-4461 en 16-4463, waarvan een rolvoeging is gelast bij onderhavige zaak, voor het grootste deel woordelijk identiek zijn aan elkaar. Dit doet de kantonrechter voorkomen alsof er geen sprake is geweest van een individuele beslissing en dat de zaken globaal zijn afgedaan aan de hand van de algemene gestelde verwijtbare handelingen. Het vorenstaande duidt ook aan op een motiveringsgebrek zijdens gedaagde sub B.

4.13.3. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel onderzoek en beslissing van het individuele geval is geschonden.

Het motiveringsbeginsel
4.14. De kantonrechter overweegt dat er op gedaagde sub B een motiveringsplicht rust, die draagkrachtig is en een deugdelijke feitelijke grondslag moet bevatten. Deze motiveringsplicht strekt ertoe, met name ingeval de bezwaren ongegrond worden verklaard, dat eiser, die tegen de ontslagaanvraag bezwaar heeft uit de beslissing moet kunnen opmaken, waarom aan de aangevoerde bezwaren niet is tegemoetgekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B niet heeft aangegeven op welke wijze gedaagde sub A, de essentiële punten die eiser heeft aangehaald, heeft weerlegd en hoe de belangen van partijen tegen elkaar zijn afgewogen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan volgen hoe gedaagde sub B is gekomen tot haar besluit om de ontslagaanvraag toe te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden.

Nu gedaagde sub B voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, is de kantonrechter van oordeel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres en derhalve nimmer tot het besluit van ontslag had moeten komen, weshalve de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden vergoed door hem de schade die zijdens eiseres voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te worden vergoed door hem.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.15. Uit de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding, leidt de kantonrechter af dat eiser uitgegaan is van:
• 31 maanden brutosalaris en daarover berekende emolumenten omvattende: het salaris, bijdrage aan pensioen, verlies van medische voorzieningen voor twee personen, verlies gekoppeld aan privileges, dienstaansluitingen, verlies van vervoerstoelagen, verlies representatiekosten
• 77 vakantiedagen, verlies van gratificatie, verlies van dekking paramedische kostenvergoeding, verlies vergoeding voor extra prestatie en inzet, verlies elke salariscorrectie vanwege de cao en tegemoetkoming vanwege koersstijgingen en of daarmee samenhangend
In totaal vordert eiser het bedrag ad SRD 697.437,- aan schadevergoeding.

4.16. De kantonrechter overweegt dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de toewijzing van de door hem gevorderde schadevergoeding ad SRD 697.437,- rechtvaardigen. Immers heeft hij niet concreet gesteld dat hij werkloos was gedurende de periode vanaf
01 juni 2017 tot op heden. Daarenboven overweegt de kantonrechter dat gedaagde sub A een opzeggingstermijn van 12 maanden heeft gehanteerd, waarbij gedurende deze periode, zijn loon, de daarbij behorende emolumenten tevens de ouderdomspensioen is uitgekeerd aan eiser. De kantonrechter overweegt dat het vorenstaande de conclusie met zich meebrengt, dat deze uitkering voldoende is voor de transitie van de ene baan naar een andere.
Echter overweegt de kantonrechter op grond van de wet en in lijn met de uitspraak van de uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 oktober 2018, NJ 2018/465), dat gelet op het kennelijk onredelijk ontslag, zij wel van oordeel is dat op grond van de eisen van goed werkgeverschap, die gedaagde sub A niet in acht heeft genomen, en gelet op de redelijkheid en billijkheid, eiser aanspraak maakt op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.17. De kantonrechter overweegt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding, het uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat het bij de begroting van de billijke vergoeding aankomt op alle omstandigheden van het geval. In onderhavig geval acht de kantonrechter de mate van benadeling tegenover de belangen die daardoor worden geschaad, van belang ter vaststelling van de vergoeding. De navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang:
Aan de zijde van eiser
• de duur van de dienstbetrekking van de werknemer. Als onweersproken staat vast dat eiser bijkans 34,5 jaren in dienst was van gedaagde sub A.
• de kwaliteit van de werknemer gedurende de dienstjaren. Als onweersproken staat eveneens vast dat eiser tot op 09 november 2015 nooit is verweten van enige laakbare handeling.
• leeftijd van de werknemer: gelet op de geboortedatum van eiser, vermeld in de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst, had hij bij zijn ontslag een leeftijd van 57 jaar.

Aan de zijde van gedaagde sub A
• het ontbreken van duidelijkheid over de werkloosheid van de werknemer, na de ontslag door de werkgever. Nu eiser de schadevordering heeft ingesteld, lag het op de weg van hem om concreet aan te geven dat hij na het ontslag werkloos was. De kantonrechter kan hiervan niet zondermeer uitgaan;
• de uitgekeerde vergoeding aan eiser, rekening houdende met een opzeggingstermijn van 12 maanden.

4.18. De kantonrechter zal hierbij ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 34,5 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad SRD 10.551,82
Gelet op het vorenstaande acht de kantonrechter een schadevergoeding van 34,5x2xSRD 10.551,82×0.75= SRD 546.056,69.

4.19. ‬De kantonrechter is van oordeel dat nu geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid conform artikel 1303 BW, deze is namelijk niet bedongen noch vloeit het voort uit de wet, de proportionele aansprakelijkheid van toepassing is op onderhavig geval. Overwogen wordt dat de door gedaagde sub B gepleegde onrechtmatige daad, namelijk het schenden van de onder r.o. 4.11 tot en met 4.15 vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het verlengde ligt van het door gedaagde sub A gepleegde onrechtmatige daad, door verlenen van het kennelijk onredelijk verslag aan eiser. Immers zou de één niet zonder de ander bestaan. Zie hierin het causaal verband van beide onrechtmatige daden en de door eiser geleden schade. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zowel gedaagde sub A als sub B voor een even groot deel aansprakelijk zijn jegens eiser. Dit leidt tot de slotsom dat zowel gedaagde sub A als gedaagde sub B elk aansprakelijk is voor het bedrag vanSRD 273.028,35.

4.20. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Veroordeelt gedaagde sub A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 273.028,35 (tweehonderddrieënzeventigduizend achtentwintig en vijfendertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiser geleden als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.2. Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 273.028,35 (tweehonderddrieënzeventigduizend achtentwintig en vijfendertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiser geleden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiser in zijn rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 628,- (zeshonderd achtentwintig Surinaamse dollar).

5.5. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-4461
25 augustus 2020
G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiser]
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.
B. DE STAAT SURINAME, m.n. de Ontslagcommissie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 09 september 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser;
• de rolbeschikking d.d. 14 augustus 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 14 december 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 20 december 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 11 januari 2019 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens eiser ten aanzien van gedaagde sub B;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub B;
• de conclusies tot uitlating producties zijdens eiser;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub B is gelast om producties ten processe over te leggen;
• de mondelinge conclusie tot overlegging producties zijdens gedaagde sub B, die te kennen heeft gegeven dat de rolbeschikking kennelijk is gestoeld op een omissie, waarbij de kantonrechter heeft bedoeld gedaagde sub A in stede van gedaagde sub B;
• de rolbeschikking d.d. 02 oktober 2019 gegeven, waarbij gedaagde sub A in de gelegenheid is gesteld om producties ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagde sub A;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Bij arbeidsovereenkomst gedateerd 10 november 1986, is de dienstbetrekking tussen eiser en gedaagde sub A op 01 november 1986 aangevangen. Eiser is als Informatie Analist in dienst genomen.

2.2. In de brief gedateerd 10 april 2015, waarop het brievenhoofd van gedaagde sub A staat, heeft [naam 1], onder andere melding gemaakt van de nieuwe functie van eiser als Manager Asset Management.

2.3. In de salarisspecificatie over de maand juli 2015 staat dat eiser het bedrag ad SRD 17.659,73 heeft ontvangen.

2.4. Bij schrijven gedateerd 08 november 2015 en betekend op 09 november 2015 aan eiser per exploot no. [nummer 1] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Burgzorg, afkomstig van de waarnemend directeur van gedaagde sub A, is eiser in kennis gesteld van het navolgende. In het kader van eiser zijn werkuitvoering, met name bij bestedingen ten behoeve van de aanschaf van computer hardware en software, heeft hij zich schuldig gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen. Het vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige en mogelijk aan hem verwijtbare feiten. Het vorenstaande is aanleiding zijn geweest om eiser ingaande 09 november 2015 tot nader order op non-actief te stellen. Hij mocht gedurende de periode van zijn non-actiefstelling gebouwen en terreinen van gedaagde
sub A, met uit zondering van de Telesur-poli, niet betreden.

2.5. Bij schrijven gedateerd 10 november 2015, heeft eiser aan gedaagde sub A te kennen gegeven dat hij de beschuldiging vervat in de brief d.d. 08 november 2015, ontkent en dat hij over hetgeen terzake niet is gehoord door gedaagde sub A. Voorts heeft hij de brief geconcludeerd met het beschikbaar stellen van zichzelf om zijn werkzaamheden te hervatten. Deze brief is bij exploot no. [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie,
D. Toekimin, op 10 november 2015, betekend aan [naam 2], assistente van de Chief Financial Officer van gedaagde sub A.

2.6. Bij schrijven gedateerd 11 januari 2016 heeft eiser via zijn gemachtigde wederom te kennen gegeven dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verwijten van gedaagde sub A en heeft hij verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om zijn werk te hervatten. Voorts heeft hij zijn grieven geuit ten aanzien van het verstrijken van twee maanden, en dat hij desondanks niet in kennis is gesteld van het door gedaagde sub A verrichte onderzoek en evenmin is gehoord hierbij. Ook heeft hij zijn pijnpunt, ten aanzien van de salarisverhoging waarop hij aanspraak maakt, doch niet ontvangt, kenbaar gemaakt.

2.7. Bij schrijven gedateerd 02 februari 2016, aan eiser in persoon betekend per exploot gedateerd 02 februari 2016, no. [nummer 3], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, heeft de waarnemend directeur van gedaagde sub A de ontslagredenen nader toegelicht.

2.8. Op 04 februari 2016 heeft eiser verweer gevoerd, waarbij hij uitvoerig is ingegaan op de voormelde punten vervat in de brief gedateerd 02 februari 2016.

2.9. Bij schrijven gedateerd 05 februari 2016, dat per exploot d.d. 06 februari 2016, no. [nummer 4], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, J.E. Kolf, is betekend, heeft gedaagde sub A met een nadere toelichting aangegeven dat het verweer van eiser niet steekhoudend is bevonden.

2.10. Bij beschikking gedateerd 18 februari 2016, afkomstig van Arbeidsinspectie van Het Ministerie van Arbeid, heeft gedaagde sub A gepersisteerd bij de door haar aangegeven ontslaggronden. Eiser heeft zich bij de Arbeidsinspectie verweerd. Hij heeft ook aangegeven dat door gedaagde sub A op 05 februari 2016, melding is gedaan bij de Arbeidsinspectie van een in de toekomst aan eiser te verlenen ontslag, vermits het onderhavig ontslag pas op
06 februari 2016 aan eiser is medegedeeld hetgeen impliceert dat in onderhavig geval niet overeenkomstig het gestelde in artikel 1615o van het Burgerlijke Wetboek (BW) en artikel 3 lid 2 van de Wet Ontslagvergunning is gehandeld.

2.11. In voormelde beschikking afkomstig van de Arbeidsinspectie staat voorts dat beide partijen in verband met de ontslagaanvraag zaken hebben toegelicht en onderbouwd middels het overleggen van diverse bescheiden. Arbeidsinspectie is tot het oordeel gekomen dat niet, althans niet voldoende is komen vast te staan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen welke een ontslag als het onderhavige redelijkerwijs zouden kunnen rechtvaardigen. Ook is komen vast te staan dat in het onderhavig geval niet is gehandeld conform het bepaalde in artikel 1615o BW, met betrekking tot het vereiste van onverwijlde mededeling. Er is gelet op het vorenstaande bezwaar tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser aangetekend.

2.12. Bij het schrijven gedateerd 19 februari 2015, dat per exploot d.d. 19 februari 2016, no. [nummer 5], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, heeft gedaagde sub A aangegeven dat zij vooralsnog geen reden ziet om tot opheffing van de
non-actiefstelling over te gaan en zal deze maatregel derhalve blijven handhaven.

2.13. In de verklaring gedateerd 15 maart 2016, heeft [naam 1], als toenmalige directeur van gedaagde sub A, verklaard dat eiser na goedkeuring van en in opdracht van de Directie, na verkregen autorisatie van de RvC, diverse projecten heeft uitgevoerd. Hem wordt daarom ten onrechte, de ontoelaatbare handelingen vervat in de brief gedateerd 05 februari 2016, verweten. De kwestie van de licentie is door de Directie middels juridische ondersteuning overgenomen. Eiser is vanwege de implementatie van de FPO hiermee niet belast, zodat hem ten onrechte verwijten terzake worden gemaakt.

2.14. In de ontslagbeschikking staat dat gedaagde sub A het navolgende heeft aangegeven naar aanleiding van de reactie van eiser:
• dat uit de toelichting op de autorisatieaanvraag is gebleken dat er ten aanzien van de 14 aan te schaffen printers er geen bestemmingsplan is aangegeven en dat als dat er was, net als voor de overige aangeschafte printers bij die autorisatie, er geen behoefte zou zijn geweest deze vanaf december 2014 tot na 19 augustus 2015 op te slaan in het magazijn;
• dat op instigatie van eiser ten behoeve van het bedrijf 14 netwerkprinters zijn aangeschaft, naar zijn zeggen met een bestemmingsplan, en dat betrokkene als verantwoordelijke leidinggevende erop zou moeten toezien dat de printers op grond van het bestemmingsplan, op de juiste bestemming werden geïnstalleerd;
• dat deze 14 printers niet in het magazijn zijn aangetroffen;
• dat er in casu een boete is betaald met betrekking tot het over-verbruik van licenties, aangezien het bedrag in geval van een aantal daadwerkelijk gebruikte licenties ongeveer USD 800.000,- zou zijn en niet het bedrag zoals eerder aangegeven;
• dat het gebruik van licenties niet wordt gemonitord door het buitenlands bedrijf INOVA, aangezien INOVA een licensed Microsoft partner is die de belangen behartigt van Microsoft en deze er dus baat bij zou hebben als meer licenties worden verkocht en een hogere boete wordt betaald;
• dat eiser als Manager van MIS, onder wiens leiding het contract met Microsoft is gesloten via INOVA en het over-verbruik Microsoft licenties is ontstaan, niet zijn verantwoordelijkheid heeft opgepakt en pro-actief heeft meegeholpen met de onderhandelingen voor het omlaag brengen van de ‘settlement fee’;
• dat eiser bij het ontvangen van de settlement letter van Microsoft deze heeft doorgestuurd met het commentaar ‘gaarne afhandelen’;
• dat eiser genoeg ruimte had om een bijdrage te leveren bij het oplossen van deze zaak, omdat hij steeds per e-mail werd betrokken, ook na 20 april 2015, aangezien Microsoft eiser kende als vertegenwoordiger van het bedrijf;
• dat de verklaring van de oud directeur niet kan worden meegenomen, aangezien hij zichzelf schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige handelingen, die geleid hebben tot zijn ontslag;
• dat eiser geen maatregelen heeft getroffen om de aangehaalde boete te voorkomen, terwijl hij tot en met 20 april 2015, hiervoor de verantwoordelijke leidinggevende was en dat de overtreding vanaf 06 september 2013 heeft plaatsgevonden toen eiser nog hoofd MIS was.

2.15. In de ontslagbeschikking staat dat de Ontslagcommissie, het navolgende heeft aangegeven:

• dat het de Ontslagcommissie is gebleken dat in het door het bedrijf verrichte onderzoek alle aangehaalde activiteiten en de daarbij getrokken conclusies onderbouwd zijn met relevante nota’s en andere onderliggende stukken;
• dat het de Ontslagcommissie uit de door de gedaagde sub A overgelegde autorisatie-aanvraag en de daarbij behorende memo, welke door eiser is opgemaakt, tevens is gebleken dat er voor de 14 aan te schaffen netwerkprinters geen bestemmingsplan aanwezig was, terwijl eiser het tegendeel heeft beweerd;
• dat het de ontslagcommissie uit de overgelegde stukken ook is gebleken dat bestaande procedures binnen gedaagde sub A niet, althans niet genoegzaam zijn nageleefd, hetgeen financiële consequenties heeft gehad voor het bedrijf;
• dat gelet op het voorgaande, de door gedaagde sub A overgelegde documenten, de afgelegde verklaringen en de omstandigheden van het geval, de Ontslagcommissie in casu van oordeel is dat gedaagde sub A het gestelde met betrekking tot het geschonden vertrouwen voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht om de dienstbetrekking met eiser te laten voortduren.
De Ontslagcommissie heeft op grond van het vorenstaande besloten om vergunning te verlenen aan gedaagde sub A ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

2.16. Bij brief gedateerd 31 maart 2016, die per exploot d.d. 31 maart 2016, no. [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger, is betekend aan eiser, is namens de waarnemend directeur, door de Coördinator Technische Zaken zijn ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 31 maart 2016 tot en met 30 maart 2017.

2.17. Bij brief gedateerd 06 april 2016, heeft eiser via zijn procesgemachtigde aangegeven dat het aangezegde ontslag, ingevolge artikel 8 Decreet C-38 nietig is, nu de Coördinator Technische Zaken geen directeur of onderdirecteur is en slechts de directie van gedaagde sub A belast is met de aanzegging van het ontslag aan personeelsleden. Voorts is aangegeven dat eiser oneens is met het aangezegd ontslag en zich dan ook beschikbaar stelt om de werkzaamheden te hervatten. Voorts gaat eiser niet akkoord er mee dat zijn loon en bijbehorende emolumenten in één keer wordt uitbetaald als een uitkering. Volgens hem dient er maandelijks uitbetaling van zijn loon en bijbehorende emolumenten plaats te vinden, totdat het dienstverband is geëindigd.

2.18. Bij brief gedateerd 08 april 2016, die per exploot d.d. 08 april 2016, no. [nummer 7], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, N.M. Linger is betekend aan eiser, is hij namens de waarnemend directeur, ontslag aangezegd. Hierbij is aangegeven dat rekening houdend met een opzegtermijn van 12 maanden, bij een onafgebroken dienstverband van langer dan 11 jaren, aan eiser een uitkering toekomt gelijk aan zijn loon met de bijbehorende emolumenten, over de periode 08 april 2016 tot en met 31 mei 2017.

2.19. Nadat partijen over en weer waren gehoord door de Ontslagcommissie van gedaagde sub B heeft laatstgenoemde nadere informatie doen opvragen bij gedaagde sub A, waarvan de inhoud onbekend was bij eiser en is hij daaromtrent evenmin nader gehoord.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser volledig te herstellen en hem in de gelegenheid zal stellen zijn werkzaamheden in zijn laatste functie onbelemmerd en ongestoord uit te voeren;
b. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser te betalen, zijn loon en emolumenten, te rekenen vanaf 01 juni 2017 tot aan de datum waarop de dienstbetrekking wordt hersteld, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding.

Subsidiair
a. gedaagde sub A zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 2.218.996,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
en
b. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het schadevergoedingsbedrag van SRD 2.218.996,-, zijnde de door eiser geleden en te lijden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Ontslagcommissie verleende ontslagvergunning, waardoor eiser ernstig in zijn rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf de dag van indiening van de vordering tot aan die der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde sub A in de kosten van het geding;
des dat één betalende de ander zal zijn bevrijd.

3.2. Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat zijn ontslag ingevolge artikel 1615s lid 2 sub a en b BW kennelijk onredelijk is. Ook is het ontslagbesluit in strijd met de beginselen van goed werkgeverschap, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiser draagt namelijk geen kennis van het onderzoeksrapport dat gedaagde ten grondslag legt aan zijn ontslagaanvraag. De Ontslagcommissie wordt verweten van vooringenomenheid vanwege de betrokkenheid van de Raad van Ministers, die goedkeuring heeft verleend aan het ontslag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
De door gedaagde sub A opgegeven ontslaggronden
4.1. Gedaagde sub A heeft als ontslagreden gegeven dat eiser in het kader van zijn werkuitvoering, met name bij bestedingen ten behoeve van de aanschaf van computer hardware en software, zich schuldig heeft gemaakt aan vermeend ontoelaatbare handelingen en ernstige en mogelijk aan hem verwijtbare feiten. De ontslaggronden zijn als volgt nader toegelicht. Uit een intern onderzoek welke is verricht naar onregelmatigheden binnen gedaagde sub A, is onder andere gebleken dat:

4.1.1. Voordat de FPO structuur werd geïmplementeerd, de afdeling Management Informatie Systemen (MIS)- waarvan eiser hoofd is geweest- verantwoordelijk is geweest voor de aanschaf en het beheer van computer hardware en software van gedaagde sub A. De aanzet tot het inkopen van de apparatuur ten behoeve van gedaagde sub A geschiedde door eiser buiten het gezichtsveld van de afdeling inkoop. De voorstellen voor autorisaties werden door eiser opgesteld. De selectie van de leveranciers was volledig aan eiser overgelaten. Gebleken is dat er doorgaans geen offertes werden opgevraagd door eiser, en dat de toewijzing van orders en opdrachten naar willekeur geschiedde. Gebleken is dat het overgrote deel van de opdrachten en aankopen werden gedaan bij [bedrijf], zonder in acht name van de algemeen geldende procedures.

4.1.2. In de periode 2014-2015 bedroegen de totale bestedingen in verband met aankopen bij [bedrijf], USD 1.401.886,55. Eveneens is gebleken dat er een familierelatie bestaat tussen eiser en de eigenaar van [bedrijf].

4.1.3. Eiser heeft op 13 oktober 2014, middels een bestelbon 19 stuks multifunctionele netwerkprinters aangekocht bij [bedrijf], waarbij hij heeft aangegeven dat deze zouden worden ingezet ter vervanging van bestaande printers die naar zijn zeggen minder functioneel zouden zijn, om zodoende kosten te besparen. Op 15 december 2014 heeft een medewerker van MIS bij het bedrijfsonderdeel Voorraadbeheer gevraagd om 14 van deze multifunctionele netwerkprinters op te laten slaan tot en met januari 2015. Echter blijkt dat in ieder geval tot en met 19 augustus 2015 er in het magazijn op het complex van gedaagde sub A, deze printers onbenut hebben gestaan. Er bestond dus geen dringende noodzaak voor deze aanschaf. Gedaagde sub A heeft ook hierdoor enorme financiële schade geleden.

4.1.4. De personeelsvereniging van gedaagde sub A heeft onder de voorzitterschap van eiser, bij het organiseren van verschillende activiteiten, gebruik gemaakt van de diensten van steeds dezelfde bedrijven, o.a. bij de jaarafsluitingen en de family day, zonder de vigerende richtlijnen van het opvragen van meerdere offertes te hanteren.

4.1.5. Volgens zeggen van een bestuurslid van de Personeelsvereniging is er een aanzienlijk bedrag aan contant geld onbeheerd in eiser zijn werkruimte, waarvan de herkomst en het doel niet duidelijk is, aangetroffen. Dit geeft ook eiser zijn nonchalante houding met betrekking tot gelden en/of eigendommen van gedaagde sub A aan.

4.1.6. Ondanks een MIS medewerker in een e-mailbericht van 26 mei 2014 heeft gewaarschuwd voor oververbruik van de Microsoft licenties, heeft eiser als leidinggevende verzuimd dit te monitoren. Per e-mailbericht van 30 maart 2015 gericht aan eiser, heeft Microsoft aangekondigd een audit te zullen verrichten. Bij de audit uitgevoerd door Deloitte is het oververbruik vastgesteld. De settlement letter is op 22 juni 2015 naar eiser via e-mail verzonden, welk bericht eiser achteloos heeft door verstuurd met de opdracht: Gaarne verder afhandelen. Eiser is ook geïnformeerd over het terugbrengen van het oververbruik, doch heeft hij geen interesse getoond. Vanwege eiser zijn nalatigheid met betrekking tot het monitoren van het verbruik door gedaagde sub A van de Microsoft licenties, welke door het bedrijfsonderdeel MIS onder zijn leiding moest geschieden, heeft gedaagde sub A in het jaar 2015 een boete van ongeveer USD 1.516.253,89 opgelegd gekregen. Er is namelijk geruime tijd sprake geweest van oververbruik. Na intensief onderhandelen, hebben eiser zijn collega’s kunnen bewerkstelligen dat de boete enigszins naar beneden toe is bijgesteld naar
USD 785.940,88. Deze boete is slechts ontstaan, omdat eiser zich niet correct van zijn taken heeft gekweten. Daarnaast heeft eiser geen enkele actie ondernomen om deze schade enigszins te minimaliseren. Gedaagde sub A heeft door eiser zijn toedoen ook hierdoor bijzonder veel schade geleden. Specifiek is de eenmalige uitkering in de maand oktober 2015, zoals overeengekomen met de vakbond aan het totale personeel, negatief beïnvloed.

4.1.7. Er zijn mondelinge overeenkomsten met diverse bedrijven gesloten door MIS voor het leveren van diensten aan gedaagde sub A, waarbij er geen schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden. Het is onduidelijk wat de behoefte c.q. noodzaak voor het sluiten van deze overeenkomsten was voor gedaagde sub A. Voor deze diensten dient gedaagde echter wel maandelijks betalingen te verrichten. Het is gebleken dat eiser niet alleen buiten zijn bevoegdheden is getreden, doch ook het belang van gedaagde sub A naast zich heeft neergelegd.

4.1.8. De uitkomst van het onderzoek wijst uit dat eiser de gangbare inkoopprocedures heeft overtreden en dat hij zelfs de inkoopafdeling oversloeg en de op hem rustende verantwoordelijkheid verzaakte. Eiser heeft het belang van gedaagde sub A structureel naast zich neergelegd. Er zijn tevens overduidelijke indicaties dat nepotisme daarbij een grote rol heeft gespeeld. Zonder minstens drie offertes op te vragen heeft hij grotere aantallen van onder andere netwerkprinters en personal computers dan nodig ingekocht, die hij achteloos in het magazijn liet staan, waardoor eiser gedaagde sub A financieel heeft benadeeld. Tevens heeft het bedrijf, vanwege de nalatigheid om het verbruik van de Microsoft licentie te monitoren, enorme financiële schade geleden.

4.1.9. Met vorenstaande handelingen heeft eiser grovelijk de plichten, veronachtzaamd welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt. Als gevolg van het voorgaande is het gestelde vertrouwen ernstig geschonden. Van gedaagde sub A kan ook niet redelijkerwijs worden verwacht dat zij de dienstbetrekking zal laten voortduren.

4.2. Eiser heeft tegen de ontslaggronden verweer gevoerd. Zijn verweer komt samengevat neer op het volgende.
4.2.1. Eiser was tot 20 april 2015 hoofd van de betreffende afdeling en vanaf april 2015 was hij vrijgemaakt om voorbereidingen te treffen voor de functie Manager Asset Management, in welke functie hij op 16 juli 2015 is aangesteld.

4.2.2. Eiser is niet belast met inkoopprocedures en heeft hij deze ook niet overschreden. De inkoopafdeling is evenmin overgeslagen. De afdeling MIS is uitsluitend verantwoordelijk voor het beheer van hardware en software van het bedrijf en niet voor de aankopen en financiële afhandeling van computer hardware en software. De inkopen vallen onder de verantwoordelijkheid van de inkoopafdeling. De aanschaf van de 19 netwerkprinters zijn geheel overeenkomstig de in het bedrijf geldende inkoopprocedures geschied en de toenmalige RvC en de Directie hebben hieraan ook hun goedkeuring gegeven.

4.2.3. Eiser heeft ten stelligste de beschuldigingen ontkend, dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan nepotisme. De afdeling Inkoop bepaalde of er gebruik zou worden gemaakt van de door de afdeling MIS opgestuurde offerte en, of er andere offertes werden aangevraagd.
Eiser heeft wel offertes opgevraagd, doch was het niet zijn bevoegdheid om de orders toe te wijzen en dat heeft hij ook nooit gedaan.

4.2.4. Eiser heeft aangegeven dat het niet waar is dat de personeelsvereniging onder zijn voorzitterschap zich niet heeft gehouden aan de vigerende regels van het opvragen van meerdere offertes. Jaarlijks werd er een commissie ingesteld door de directeur om jaarafsluitingen en de family day te organiseren.

4.2.5. Eiser heeft voorts ontkend nalatig te zijn met betrekking tot het monitoren van het verbruik door gedaagde sub A van de Microsoft Licenties, alsmede dat door zijn toedoen de eenmalige uitkering aan het personeel in oktober 2015, negatief is beïnvloed. Eiser had geen inzage in de resultaten van de audit, welke is uitgevoerd met betrekking tot het gebruik van de licenties, aangezien hij geen hoofd meer was van de afdeling MIS vanaf 20 april 2015.
Het monitoren van het gebruik van licenties geschiedde mede via het bedrijf INOVA.
Voorts heeft eiser gesteld dat gedaagde sub A geen boete heeft betaald, maar het verschil in aantal daadwerkelijk gebruikte licenties.

4.2.6. De conclusie dat eiser grotere aantallen netwerkprinters en pc’s heeft laten kopen dan nodig waren. Het is bezijden de waarheid dat eiser onnodig en achteloos printers en pc’s in het magazijn heeft laten staan. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om de printers en pc’s te laten plaatsen op locatie, maar de afdeling is er nog en hij had niet anders verwacht dan dat de printers en pc’s alsnog door de afdelingen zouden worden geplaatst. Onder eiser zijn leiding waren reeds zes tot negen van de eerdergenoemde printers ingezet en conform het bij de toenmalige Directeur bekende plan zouden de overige printers uiterlijk in juni 2015, moeten worden gebruikt. Eiser was echter sinds 20 april 2015, onder verwijzing naar de bedrijfspublicatie d.d. 10 april 2015, niet langer belast met de leiding van de daarvoor verantwoordelijke afdeling, waardoor hem noch het niet verder inzetten van de netwerkprinters, noch het oververbruik van de licenties zoals genoemd in de tweede overweging, kunnen worden verweten.

4.2.7. Eiser heeft geen gelden onbeheerd achtergelaten. De gelden waren veilig opgeborgen en hadden een bestemming. Door zijn non-actiefstelling kon hij deze kwestie niet meer afhandelen.

4.2.8. Eiser heeft ontkend mondelinge overeenkomsten te hebben gesloten, tenzij deze in opdracht van de directeur zijn gesloten.

Ten aanzien van het gestelde kennelijk onredelijk ontslag
4.3. De kantonrechter definieert het kennelijk onredelijk ontslag als volgt: een ontslag van een werknemer, dat gebaseerd is op redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werknemer of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, of de dienst en waartoe nooit beslist zou zijn door een normale en redelijke werkgever.
De kantonrechter zal voor de vaststelling of er al dan geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag, de door eiser en gedaagde sub A gestelde feiten en omstandigheden toetsen aan hetgeen is bepaald onder artikel 1615s lid 2 sub a en b BW en voormelde gehanteerde definitie van het kennelijk onredelijk ontslag.

Terzake de overschrijding van de licenties
4.4. De kantonrechter is van oordeel dat eiser uitvoerig en afdoend verweer heeft gevoerd tegen de redenen die kort samengevat neerkomen op: de door eiser gedane inkopen en zijn organisatiebeleid op basis van het nepotisme en de strijdigheid hiervan aan de bestaande inkoopprocedures van gedaagde sub A, de onnodige inkoop van 19 netwerkprinters en het onbeheerd achterlaten van geld in zijn werkruimte. Gedaagde sub A heeft de stellingen van eiser namelijk niet gemotiveerd weersproken.

4.5. Ter comparitie is gebleken dat er in het jaar 2015 een audit is geweest door Microsoft. Alhoewel deze audit in 2015 is uitgevoerd, besloeg het de periode vanaf september 2013 tot de uitvoering van de audit. Uit de resultaten bleek dat er sprake was van oververbruik van de licenties van Microsoft, zonder dat er hiervoor een verruiming aan Microsoft was aangevraagd. Dit leidde ertoe dat aan gedaagde sub A een boete van USD 1.516.253,89 is opgelegd. Deze boete is na onderhandelingen gematigd tot USD 785.940,88, hetgeen op
08 september 2015 is betaald door gedaagde sub A.

4.5.1. Eiser heeft betwist dat hij nalatig is geweest met betrekking tot het monitoren van het verbruik door het bedrijf van de Microsoft licenties. Hiertoe heeft hij gesteld dat hij alle maatregelen had getroffen, die oververbruik zouden kunnen voorkomen. Uit plichtsbesef had hij namelijk de Afdeling Onderzoek en Beleidsformulering (OBF), onder leiding van [persoon 1] ingeschakeld, die zich ook met licentiebeheer bezighield. Eiser heeft tevens een tool, zijnde de applicatie BMC, ingezet om de licenties te meten. Dit ter bewerkstelliging dat gedaagde sub A altijd voor het juiste aantal licentiekosten betaalde aan de leveranciers. Deze tool was echter nog niet volledig geïmplementeerd, zodat het oververbruik toch kon ontstaan. Ter verklaring van het oververbruik heeft eiser aangegeven dat verschillen zouden kunnen zijn ontstaan door:
5. oneigenlijk gebruik van licenties door de helpdesk van Beheer, Beveiliging Infrastructuur (BBI) en sub afdeling van de ICT afdeling;
6. de Microsoft Portal, waartoe BBI toegang had, waar de licenties gedownload moeten worden, heeft geen restricties indien de licenties worden gebruikt die niet voorkomen in de overeenkomst;
7. licenties die zijn gebruikt voor test en migratie doeleinden. Door een complicatie bij een migratie van servers waren licenties dubbel geactiveerd.

4.5.2. De kantonrechter overweegt dat het vorenstaande niet slaagt en wel vanwege hetgeen vermeld staan in de door gedaagde overgelegde memo met betrekking tot de settlement. In de memo staat onder “lessons learned” het navolgende:
1. Een realistische inschatting maken van de benodigde licenties en tijdige planning en afhandeling van renewals.
2. Goede afspraken maken met systeem beheerders.
3. Toegang tot de portal beperken tot enkele personen die de verantwoordelijkheid kunnen dragen.
4. Erop toezien dat de afspraken worden nageleefd.
5. Regelmatige controle door een implementatie van een bedrijfsbrede asset management tool.
6. Microsoft licenties is een aparte specialiteit met elk jaar diverse veranderingen. Het is aan te bevelen om hulp van een consultant in te huren hiervoor. Het bedrag voor consultancy is minder dan het risico voor settlement en de kosten om zelf kennis op te doen.

De kantonrechter overweegt dat eiser als hoofd van de Afdeling MIS, weliswaar erop had moeten toezien dat hij kennis droeg van hetgeen onder zich op zijn afdeling afspeelde. De kantonrechter is van oordeel dat eiser als actieve en verantwoordelijke afdelingshoofd kennis zou moeten dragen van de inhoud van de e-mail die door [persoon 1] aan [persoon 2] op 26 mei 2014 was verstuurd. Vooral nu eiser ter comparitie heeft erkend dat [persoon 1] en [persoon 2] beide onder hem vielen. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat eiser terzake geen verwijt treft, na zijn gemotiveerde betwisting.

4.5.3. Eiser heeft voorts betwist dat gedaagde sub A een boete heeft betaald. Volgens eiser is er slechts bijbetaald voor de teveel verbruikte licenties. Hiervoor heeft de Directie namelijk goedkeuring van de RvC verkregen en zodoende is de zaak afgehandeld.

4.5.4. De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde e-mailberichten blijkt dat er over en weer onderhandelingen zijn geweest tussen gedaagde sub A en Microsoft, waarbij er sprake is geweest van “settlement” en “consessions”, neerkomende op schikkingen en toegevingen. De kantonrechter, vermag niet in te zien waarom er onderhandelingen gevoerd zou worden, als er vaststaat dat er sprake is van oververbruik en dat gedaagde sub A slechts moet bijbetalen voor hetgeen teveel is gebruikt. Het vorenstaande tezamen met het e-mailbericht gedateerd 26 mei 2014, waarin –voor zover van belang- staat:
“Microsoft vereist dat bedrijven nu een overzicht geven van hun omgeving vanwaaruit zei kunnen zien als we ons houden aan de hoeveelheid licenties die we afnemen. Van INOVA heb ik begrepen dat we het kunnen weigeren, maar als ze dat zien kunnen ze elk moment langskomen en de SAM eisen. Als er dan zaken worden vernomen die niet kloppen worden we beboet.
Met de SAM kunnen zaken gecovered worden met INOVA. Het gaat om een Asset scan, ik denk Laptops, PC’s en servers voor Microsoft app installaties.”, leidt tot de conclusie dat een overschrijding van licenties wel degelijk kunnen leiden tot een boete, doch is niet komen vast te staan dat er daadwerkelijk boete is betaald of slechts voor oververbruik.

4.5.5. Eiser heeft ook gesteld dat de audit van Microsoft in mei 2015 is uitgevoerd, terwijl hij reeds in april 2015 naar een andere afdeling is overgeplaatst.

4.5.6. De kantonrechter overweegt dat eiser bij het inleidend rekest heeft aangegeven dat hij tot en met 12 juli 2016, naar de kantonrechter begrijpt 12 juli 2015, als hoofd werkzaam was op de afdeling MIS en dat hij vanaf 13 juli 2015 is aangesteld als Manager Asset Management. Dit brengt de kantonrechter tot de conclusie dat tijdens het uitvoeren van de audit, eiser niet meer belast was met de werkzaamheden op de afdeling MIS. Immers, [persoon 1] en [persoon2 ] waren belast met de operaties op de afdeling.

4.5.7. Eiser heeft ook aangegeven dat het probleem uiteindelijk door de directie is opgelost, middels een autorisatie van de RvC om het verschuldigd bedrag aan Microsoft uit te betalen. Het uiteindelijk betaalde bedrag was iets meer dan voorheen, doch kan er in casu geen sprake zijn ernstige benadeling.

4.5.8. Eiser heeft tevens een beroep gedaan de door de Minister van TCT verleende décharge in de jaren 2014 en 2015 gedaan en dat er in deze jaren winsten zijn geboekt door gedaagde
sub A.

4.5.9. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 15 lid 7 van de Wet C-38 die van toepassing is op gedaagde sub A, décharge wordt verleend aan het bestuur, met name de directeur en onderdirecteur. De verleende décharge raken de personeelsleden niet en heeft evenmin invloed op een ontslagbesluit, indien er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Het feit dat gedaagde sub A winsten heeft geboekt, ontdoet een nalatig handelen van eiser niet, noch neemt het een financiële benadeling, veroorzaakt door een nalatig handelen van eiser weg.

Artikel 1615s lid 2 sub a BW
4.6. Gelet op het overwogene onder r.o. 4.3., is de kantonrechter van oordeel dat eiser niet heeft verzaakt in zijn verplichtingen als Afdelingshoofd van MIS. Dit leidt ertoe dat de ontslaggrond terzake de nalatigheid van eiser met betrekking tot het monitoren van het verbruik door gedaagde sub A van de Microsoft licenties, welke door de afdeling MIS onder leiding van hem moest geschieden, niet valide is. Een beroep op artikel 1615s lid 2 sub a BW slaagt derhalve.

4.7. Ook terzake de aankoop van de printers heeft eiser zulks gemotiveerd weersproken, terwijl er volgens het CLAD-rapport geen bestaande procedures zijn binnen het bedrijf. De ondergeschikten [persoon 1] en [persoon 2], die tijdens de comparitie van partijen nadere informatie zouden verstrekken, zijn ondanks toezegging van gedaagde sub A, niet verschenen. De vertegenwoordigers van gedaagde sub A die wel aanwezig waren, konden of mochten geen verklaringen afleggen.

Artikel 1615s lid 2 sub b BW
4.8. Indien er ingevolge artikel 1615s lid 2 sub b BW een belangenafweging gemaakt moet worden tussen de voor eiser getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden en het belang van gedaagde sub A bij de opzegging, overweegt de kantonrechter het navolgende.
Een daadwerkelijke benadeling door toedoen van eiser is niet komen vast te staan.

4.9. Gelet op het overwogene onder r.o. 4.4., 4.5. en 4.6. is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, nu de opgegeven gronden niet zijn komen vast te staan.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.10 Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 3 BW, wordt de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen of in de plaats hiervan het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub A niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Ook de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub A vanaf de non-actiefstelling van eiser tot het voeren van het rechtsproces is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub A reeds zal hebben voorzien in de vacature van de functie die eiser bekleedde. Dit deel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van gedaagde sub B
4.11 Eiser heeft gesteld dat het besluit van gedaagde sub B in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Gedaagde sub B heeft het standpunt van eiser betwist.

Het beginsel van hoor- en wederhoor
4.12 Overwogen wordt dat partijen op basis van voormeld beginsel in de gelegenheid gesteld moeten worden om zich op een adequate wijze uit te laten over hetgeen door de wederpartij wordt gesteld, tot op het moment dat er geen nieuwe informatie wordt gegeven. Rekening houdend met de termijn van 30 dagen vervat in artikel 6 lid 3 van Besluit Ontslagcommissie (SB 1986, no.29), zou de nader ingebrachte standpunten, als tardief buiten de beoordeling gelaten moeten worden, voor zover deze niet van dien aard zijn dat er een heroverweging teweeg wordt gebracht. Indien er sprake is van het laatstgenoemde, dient de wederpartij zich hieromtrent uit te laten.
De kantonrechter gaat ervan uit dat alle standpunten vervat in de ontslagbeschikking, meegenomen zijn in de beoordeling van gedaagde sub B, zodat de aangevoerde ontslaggronden wel opgaan.

4.12.1 Ten eerste gaat de kantonrechter voorbij aan het standpunt van gedaagde sub B, dat zij gedaagde sub A slechts bij rolbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld om zich schriftelijk uit te laten over het een en ander en dat zulks niet gelijkgesteld kan worden aan het wederhoren van gedaagde sub A, zoals eiseres betoogt. De kantonrechter overweegt dat feit is dat gedaagde sub A, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, tot tweemaal toe de kans heeft gehad om zich uit te laten ten aanzien van het geschil. De kantonrechter vermag niet in te zien waarom gedaagde sub A zich voor een tweede keer diende uit te laten over het geschil. Het standpunt van gedaagde sub B dat er sprake was van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de partijen, is geen reden voor het wederhoren van een partij. Immers zal er in elk geval strijdigheden zijn in de verklaringen van partijen, hetgeen namelijk de reden is dat de ene partij zich wendt tot een onafhankelijke derde, in casu gedaagde sub B, om een oplossing te brengen in hetgeen waarover partijen het oneens zijn. Het wederhoren van een partij, zonder dat de wederpartij zich omtrent het aangevoerde heeft uitgelaten, brengt voorshands mee dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

4.12.2 In de ontslagbeschikking staat als nadere toelichting een nieuw punt vervat, namelijk dat de door eiser gemaakte afspraken nergens zijn vastgelegd, en dat dit bijdraagt aan de ernst van
het verwijtbaar handelen door eiser. Eiser heeft zich over dit punt niet kunnen uitlaten.
De kantonrechter overweegt voorts dat hetgeen nader is toegelicht in de ontslagbeschikking onder 2.14 van dit vonnis, met name dat de 14 printers niet in het magazijn zijn aangetroffen en dat er in casu een boete is betaald met betrekking tot het over-verbruik van licenties, waaraan eiser geen medewerking heeft verleend, eiser niet in de gelegenheid is geweest om zich hierover uit te laten.

4.12.3 De kantonrechter overweegt voorts dat zowel aan eiser als gedaagde sub A, het recht om stukken in te dienen en het recht op inzage in de ingediende stukken, toekomen. Voor de
vereenvoudiging van het voeren van het verweer had het op de weg van gedaagde sub B gelegen om de door partijen ingediende stukken, ter inzage te geven aan de wederpartij,
niettegenstaande de stelling dat deze niet door partijen worden opgevraagd. Dit heeft gedaagde sub B nagelaten.

4.12.4 Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel van hoor- en
wederhoor is geschonden.

Het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval
4.13 De kantonrechter overweegt dat het beginsel van zorgvuldige voorbereiding met zich meebrengt dat gedaagde sub B aan het nemen van en besluit een onderzoek doet
voorafgaan naar alle factoren, welke voor een antwoord op een- in verband met de gerezen ontslagaanvraag en mede in het licht van de toepasselijke regeling- relevante vraag van
belang zijn.

4.13.1 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B, haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en wel gelet op het navolgende. Eiser heeft gemotiveerd en gedetailleerd verweer gevoerd.
Nu zulks in onderhavig geval reeds aan de orde was, lag het op de weg van gedaagde sub B om nader hierop in te gaan. Hetgeen ook is gebeurd, maar naar het oordeel van de
kantonrechter is hierop niet uitvoerig ingegaan, om het genomen besluit door gedaagde sub B te rechtvaardigen.
Een tweede punt waarop niet voldoende is ingegaan door gedaagde sub B, betreft de het feit dat eiser was overgeplaatst naar een andere afdeling, terwijl de heren [persoon 1] en [persoon 2] die op de afdeling waren achtergebleven, belast waren met de uitvoering en monitoring van zaken.

4.13.2 De kantonrechter is voorts van oordeel dat de motivering door gedaagde sub B vervat in de ontslagbeschikking betreffende de ontslagaanvragen met betrekking tot de anderen die
eveneens door gedaagde sub A zijn ontslagen en hiervan een rechtsproces aanhangig is gemaakt, bekend onder de zaken met als A.R.no. 16-4461 en 16-4462, waarvan een
rolvoeging is gelast met onderhavige zaak, grotendeels woordelijk identiek zijn aan elkaar. Dit doet de kantonrechter voorkomen alsof er geen sprake is geweest van een individuele
beslissing en dat de zaken globaal zijn afgedaan aan de hand van de algemene gestelde verwijtbare handelingen. Het vorenstaande duidt ook aan op een motiveringsgebrek zijdens
gedaagde sub B.

4.13.4 Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het beginsel onderzoek en beslissing van het individuele geval is geschonden.

Het motiveringsbeginsel
4.14 De kantonrechter overweegt dat er op gedaagde sub B een motiveringsplicht rust, die draagkrachtig is en een deugdelijke feitelijke grondslag moet bevatten. Deze
motiveringsplicht strekt ertoe, met name ingeval de bezwaren ongegrond worden verklaard, dat eiser, die tegen de ontslagaanvraag bezwaar heeft, uit de beslissing moet kunnen
opmaken waarom aan de aangevoerde bezwaren niet is tegemoetgekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde sub B niet heeft aangegeven op welke wijze gedaagde sub A, de essentiële punten die eiser heeft aangehaald heeft weerlegd en hoe de belangen van partijen tegen elkaar zijn afgewogen. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter niet kan volgen hoe gedaagde sub B is gekomen tot haar besluit om de ontslagaanvraag toe te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden.

4.15 Nu gedaagde sub B de voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde sub B onrechtmatig heeft
gehandeld jegens eiser en derhalve nimmer tot het besluit van ontslag had moeten komen, weshalve de schade die zijdens eiser voortvloeit uit het besluit van gedaagde sub B, dient te
worden vergoed door hem.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.16 Uit de onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding, leidt de kantonrechter af dat
eiser uitgegaan is van een schadevergoedingsbedrag van SRD 2.218.996,-

4.17 De kantonrechter overweegt dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de toewijzing van de door hem gevorderde schadevergoeding ad SRD 2.218.996 rechtvaardigen.
Echter overweegt de kantonrechter op grond van de wet en in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad (HR 26 oktober 2018, NJ 2018/465), dat gelet op het kennelijk onredelijk ontslag, zij wel van oordeel is dat op grond van de eisen van goed werkgeverschap, die gedaagde sub A niet in acht heeft genomen, en gelet op de redelijkheid en billijkheid, eiser aanspraak heeft op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.18 De kantonrechter overweegt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding, het uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat het bij de begroting van de billijke vergoeding aankomt op alle omstandigheden van het geval. In onderhavig geval acht de kantonrechter de mate van benadeling tegenover de belangen die daardoor worden geschaad, van belang ter vaststelling van de vergoeding. De navolgende feiten en omstandigheden zijn hierbij van belang:
Aan de zijde van eiser
– de duur van de dienstbetrekking van de werknemer. Als onweersproken staat vast dat eiser 30,5 jaren in dienst was van gedaagde sub A.
– de kwaliteit van de werknemer gedurende de dienstjaren. Als onweersproken staat eveneens vast dat eiser tot op 09 november 2015 nooit is verweten van enige laakbare handeling.
– leeftijd van de werknemer: gelet op de geboortedatum van eiser, vermeld in de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst, had hij bij zijn ontslag een leeftijd van 55 jaar.

Aan de zijde van gedaagde sub A
– het ontbreken van duidelijkheid over de werkloosheid van de werknemer, na de ontslag door de werkgever. Nu eiser de schadevordering heeft ingesteld, lag het op de weg van hem om concreet aan te geven dat zij na het ontslag werkloos was. De kantonrechter kan hiervan niet zondermeer uitgaan;
– de uitgekeerde vergoeding aan eiser, rekening houdende met een opzeggingstermijn van 12 maanden.

4.19 De kantonrechter zal hierbij ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 30,5 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad
SRD 17.659,73. Factor C wordt vastgesteld op 0,75. De schadevergoeding komt derhalve neer op 30,5x2xSRD 17.659,73×0.75= SRD 807.932,65.
De kantonrechter is van oordeel dat nu geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid conform artikel 1303 BW, deze is namelijk niet bedongen noch vloeit het voort uit de wet, de proportionele aansprakelijkheid van toepassing is op onderhavig geval. Overwogen wordt dat de door gedaagde sub B gepleegde onrechtmatige daad, namelijk het schenden van de vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het verlengde ligt van de door gedaagde sub A gepleegde onrechtmatige daad, door verlenen van het kennelijk onredelijk verslag aan eiser. Immers zou de één niet zonder de ander bestaan. Zie hierin het causaal verband van beide onrechtmatige daden en de door eiser geleden schade. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat zowel gedaagde sub A als sub B voor een evengroot deel aansprakelijk zijn jegens eiseres. Dit leidt tot de slotsom dat zowel gedaagde sub A als gedaagde sub B elk aansprakelijk zijn voor het bedrag van SRD 403.966,32.

4.20 Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Veroordeelt gedaagde sub A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 403.966,32 (vierhonderddrieduizend negenhonderd zesenzestig en tweeëndertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiser geleden als gevolg van het kennelijk onredelijk doen eindigen van de dienstbetrekking met gedaagde sub A, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD 403.966,32 (vierhonderddrieduizend negenhonderd zesenzestig en tweeëndertighonderdste Surinaamse dollar), zijnde de door eiseres geleden schade als gevolg van de in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door gedaagde sub B verleende ontslagvergunning, waardoor eiser in haar rechten is aangetast, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % ’s jaars vanaf 09 september 2016 tot aan die der algehele voldoening.

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 628,- (zeshonderd achtentwintig Surinaamse dollar).

5.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-3279
25 augustus 2020
G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigden: mr. J. Kraag en mr. M.G.A. Vos, advocaten,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, m.n. de Minister van Arbeid en de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,
B. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 juni 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis en de conclusie tot overlegging CLAD-rapport, met een productie;
• de rolbeschikking d.d. 08 november 2016 gegeven, waarbij een nadere rechtsdag is bepaald voor gedaagde sub B;
• de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties;
• de conclusies van repliek en uitlating producties;
• de conclusie van dupliek;
• de rolbeschikking d.d. 12 december 2017 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
• de op 23 februari 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de op 14 maart 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
• de conclusie tot overlegging producties met producties, zijdens gedaagden;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens gedaagden;
• de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties, zijdens eiser;
• de rolbeschikking d.d. 13 november 2018 gegeven, waarbij een rolvoeging is gelast van de onderhavige zaak bij de zaken met als A.R.no.’s 16-4461, 16-4462, 16-4463;
• de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagden, althans gedaagde
• sub B in de gelegenheid zijn/is gesteld om haar jaarrekeningen over 2016 en 2016 ten processe over te leggen;
• de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagden;
• de conclusie tot uitlating producties, zijdens eiser.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Gedaagde sub B is bij Decreet van 24 december 1980, houdende instelling van het Telecommunicatiebedrijf Suriname (Telesur) opgericht. Voormeld decreet is naderhand tot wet verheven en staat bekend als Wet C-38.

2.2. De Minister van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna te noemen: de minister van TCT) heeft krachtens artikel 8 lid 3 Wet C-38, de bevoegdheid om de directeur te benoemen en te ontslaan.

2.3. De Raad van Commissarissen (hierna RvC) is krachtens artikel 12 Wet C-38, belast met het toezicht op het bestuur en beheer van de directeur.

2.4. Op 01 januari 1987 is eiser, als hoofd van de afdeling Interne Controle, in dienst getreden van gedaagde sub B. Hierna was hij op 01 juni 1991 belast met de leiding van het onderdirectoraat Financiële en Economische Zaken. Vervolgens is eiser in november 1994 benoemd tot onderdirecteur. Op 1 juli 2005 is hij belast geworden met de waarneming in de functie van directeur, waarna hij met ingang van 02 mei 2006 is benoemd in de functie van directeur van gedaagde sub B.

2.5. Eiser en gedaagde sub B hebben een arbeidsovereenkomst gedateerd 17 april 2008 gesloten, ten aanzien van de aanstelling van eiser als directeur van gedaagde sub B.

2.6. Op 22 oktober 2015 heeft eiser overleg gehad met de nieuwe Minister van TCT, waarbij hem is medegedeeld dat alle nieuwe investeringen zullen worden aangehouden en dat er op
04 november 2015 een vergadering zal worden gehouden.

2.7. Op 28 oktober 2015 is er bij gedaagde sub B een nieuwe RvC benoemd.

2.8. Bij schrijven van de nieuwe RvC van gedaagde sub B gedateerd 04 november 2015, is de Minister van TCT ervan in kennis gesteld, dat na een grondige bestudering van en onderzoek naar de gang van zaken binnen gedaagde sub B, de RvC is gestuit op ernstige administratieve onvolkomenheden binnen de bedrijfsvoering van gedaagde sub B. De geconstateerde onregelmatigheden zijn als volgt opgesomd:
a. de instructie van de overheid inzake het niet langer in vreemde valuta uitbetalen van consultants is totaal genegeerd. Er is vastgesteld dat in de afgelopen twee jaren ruim één miljoen Amerikaanse dollar is betaald aan buitenlandse en lokale consultants. Er wordt gevreesd dat nader onderzoek zal uitwijzen dat dit bedrag hoger ligt;
b. lokale aannemers worden in vreemde valuta betaald en sommigen worden zelfs nog op buitenlandse rekeningen betaald;
c. de financiële reserves van het bedrijf zijn de afgelopen twee jaar sterk verslechterd. Het boekjaar 2014 vertoond voorlopig een dieptepunt met een winst van SRD 7.000.000,- ten opzichte van 20.000.000,- in 2013. Ondanks aandringen vanuit de overheid is er geen grootschalige kostenbesparing doorgevoerd in de bedrijfsvoering;
d. er is zonder de vereiste autorisatie meer geld uitgegeven aan projecten;
e. de verlaging van internettarieven voor de consument, zoals is geïnstrueerd door de overheid, is niet ingevoerd;
f. het verzoek van de overheid om betalingen in RMB te doen, wordt genegeerd. Bovendien worden aankopen in China niet rechtstreeks gedaan, maar via tussenpersonen/- organisaties in Trinidad of Miami, hetgeen kostenverhogend werkt;
g. zonder overleg is het project Digitale Televisie ten behoeve van het binnenland stopgezet;
h. de verdere ontsluiting van het binnenland is ook zonder overleg stopgezet.
Tot slot heeft het onderzoek uitgewezen dat eiser als hoofdverantwoordelijke verantwoordelijk moet worden gesteld voor de geconstateerde onregelmatigheden.

2.9. Op 06 november 2015, is eiser door de Minister van TCT in gebreke gesteld terzake de onregelmatigheden die geconstateerd zijn door de RvC en genoemd zijn in de brief gedateerd 04 november 2015. Aan eiser is aangegeven dat als gevolg van voormelde brief van de RvC, de Minister van TCT genoodzaakt is om hem te schorsen en wel op grond van de bepalingen vervat in de Wet C-38. De Minister van TCT heeft bij de ingebrekestelling voorts aangegeven dat eiser zich binnen drie dagen dient te verdedigen en als de verdediging als niet steekhoudend wordt beschouwd, de Minister van TCT genoodzaakt zal zijn om de ontslag procedure van eiser in te zetten.

2.10. Bij schrijven gedateerd 09 november 2015 afkomstig van de RvC en gericht aan de Minister van TCT, is melding gemaakt van het navolgende punten:
• Na de opgelegde schorsing aan eiser, is in een spoed RvC vergadering op 06 november 2015, besloten om [persoon] aan te wijzen als waarnemend Algemeen Directeur.
• In de spoed RvC vergadering is eveneens gevraagd naar een aanvulling op de rapportage van administratieve onvolkomenheden. Na bestudering van de rapportage heeft de RvC besloten om de Minister van TCT te verzoeken om per onmiddellijke ingang [naam 2], onderdirecteur Commerciële Zaken, te doen schorsen.

2.11. Bij verweerschrift gedateerd 10 november 2015 afkomstig van de gemachtigde van eiser, mr. J. Kraag, is namens eiser verweer gevoerd tegen het schorsingsbesluit van de Minister van TCT.

2.12. Op 12 november 2015 is aan de heer [naam], die door de waarnemend directeur is aangesteld als waarnemend Manager Corporate Audit, opdracht gegeven om een intern onderzoek in te stellen.
2.13. Op 17 november 2015 heeft [waarnemend manager corporate audit] het Rapport inzake onderzoek naar onverantwoorde bestedingen van middelen bij gedaagde sub B opgesteld, waarbij is geconcludeerd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden en opzettelijke benadeling van gedaagde sub B.

2.14. Op 19 november 2015 is eiser per brief in kennis gesteld dat zijn verweer niet steekhoudend is bevonden, omdat eiser niet heeft kunnen aangeven dat het falen van de directie, hem niet verweten kan of mag worden. Voorts is ook de onderbouwing van de RvC terzake hun oordeel over het verweer van eiser, als volgt toegelicht:
a. er hebben een aantal serieuze en ernstige onvolkomenheden en misstanden in de afgelopen jaren plaatsgevonden onder de leiding van eiser.
b. bij nader onderzoek blijkt dat er betalingen zijn gedaan aan ontvangers, zoals Genovus, waarvan de rechtmatigheid vraagtekens oproept;
c. eiser behoorde te weten dat de gestelde uitgavenplafonds werden overschreden, welke handeling ook aan hem mogen worden verweten;
d. de directeur blijft aansprakelijk voor zijn eigen falen of handelen in strijd met de bedrijfsbepalingen- en regelingen, ook als dit naar eiser zijn zeggen niet opzettelijk gebeurt;
e. eiser is niet deugdelijk ingegaan op de stelling dat de directie aankopen in China niet rechtstreeks deed, maar via tussenpersonen hetgeen ongerechtvaardigd kostenverhogend heeft gewerkt;
f. in de jaarverslagen heeft de directie mogelijk zaken verzwegen dan wel niet alle stukken en/of informatie doorgespeeld aan de RvC. Décharge zou dus op basis van onvolledige informatie verleend kunnen zijn. Als gevolg hiervan kan de directie, met eiser als vertegenwoordiger, nog steeds aansprakelijk gesteld worden voor de tekortkomingen van de voorgaande jaren.
g. eiser doet voorkomen alsof het schorsingsbesluit zijn eer en goede naam heeft aangetast en dat het besluit niet voldoet aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Dit wordt ten stelligste ontkend. Er is geen formeel bericht terzake de schorsing door de Minister, gedaagde sub B of de RvC bekend gemaakt.

2.15. Voorts is in dezelfde brief van 19 november 2015 aan eiser medegedeeld dat op grond van het advies en de feitelijkheden alsook het resultaat van het intern onderzoek, de Minister van TCT het besluit heeft genomen om ingaande 19 november 2015, de ontslagprocedure tegen eiser in te stellen.

2.16. Bij beschikking van gedaagde sub A d.d. 24 december 2015, is aangegeven dat er bezwaar is tegen het wegens dringende redenen verleend ontslag aan eiser.

2.17. Naar aanleiding van op de 01 december 2015 aangevraagde ontslagvergunning, is bij beschikking gedateerd 30 december 2015, door de Minister van Arbeid vergunning verleend ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst.

2.18. Bij brief gedateerd 30 december 2015, is eiser door de Minister van TCT medegedeeld dat de vergunning tot aanzegging van het ontslag is verleend en reeds op gemelde datum is geëffectueerd, met in achtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

2.19. Op verzoek van eiser, heeft gedaagde sub B het onderzoeksrapport van [waarnemend Manager Corporate Audit], op 11 december 2015 naar eiser verzonden.

2.20. In het Rapport van feitelijke bevindingen inzake het interne rapport afkomstig van de Centrale Landsaccountantsdienst (hierna aangeduid als: het CLAD rapport), d.d. 14 september 2016, heeft de Centrale Landsaccountantsdienst in opdracht van de Minister van Financiën, onderzoek verricht bij gedaagde sub B over de periode 1 januari 2012 tot en met 14 september 2016 op basis van een negental kwesties, welke als onderwerp zijn opgenomen in het interne rapport.

2.21. In de samenvatting van het CLAD rapport staan de navolgende feitelijke constateringen aangeven:
a. gedaagde sub B beschikt niet over formele procedure beschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedingsprocedure en overige procedures (zoals het gebruik van een bedrijfscredit card). Hierdoor kon er geen vaststelling worden gemaakt of personen hun bevoegdheden hebben overschreden in voornoemd opgesomde activiteiten/kwesties. Het gaat in de meeste gevallen om een gedeelde verantwoordelijkheid. Echter kan wel gesteld worden dat de directeur de eindverantwoordelijke is;
b. bij de besluiten die genomen zijn in voornoemde kwesties zijn er zakelijke en commerciële overwegingen kenbaar gemaakt door de voormalige directeur en de voormalige commercieel directeur. Echter hebben diverse functionarissen ook gewezen op de goedkopere prijzen en hebben zij de invalshoek vanuit de inkoopfunctie benadrukt;
c. In het geval van de fraude van [persoon 2] is door het interne onderzoek van gedaagde sub B aangetoond dat hij bewust het bedrijf heeft benadeeld en dat wellicht zijdens de (voormalige)directie hierop niet adequaat is gereageerd;
d. In het geval van de generatoren die zich bij [naam 2] bevinden, is aangegeven dat de geldende procedure niet is gevolgd door [naam 2] en evenmin door andere functionarissen. Er is ook geen informatie bekomen waaruit blijkt dat de generatoren die zich bij de [naam 2] bevinden aanvankelijk als schroot werden aangemerkt of buitengebruik waren gesteld. Verder is ook niet aangetoond dat er voor de generatoren is betaald.
Als nadere toelichting op punt c, is aangegeven dat op grond van de opgesomde feitelijke bevindingen in de kwestie [persoon2], kan worden vastgesteld dat het uiteindelijk bepaalde schadebedrag (de afdeling Corporate Audit stelde een onderzoek in en de eerste bevindingen werden op 10 december 2013 gerapporteerd), nooit heeft geleid tot daadwerkelijke invordering, noch door de voormalige directie, noch door de na november 2015 aangestelde directie(s).

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de beschikking van de Minister van Arbeid tot ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer], nietig zal verklaren, althans zal vernietigen, althans het besluit c.q. de ontslagvergunning van gedaagde sub A, althans namens hem van de Minister van Arbeid, vervat in de beschikking van 30 december 2015, nietig zal verklaren althans zal vernietigen;
B. het besluit van gedaagden, met name van de Minister van Transport Communicatie en Toerisme, althans van gedaagde sub B, tot ontslag van eiser de dato 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen, althans het besluit van gedaagde sub B tot ontslag van eiser, vervat in de brief van 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen;
C. gedaagde sub B zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
D. gedaagde sub B zal gelasten eiser in de gelegenheid te stellen, zijn werkzaamheden met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
E. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting met ingang van 30 juni 2016, zijn salaris ad USD 12.000,- per maand, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse courant door te betalen, vermeerderd met de boeterente ad 50% ex artikel 1614q BW, althans met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de algehele voldoening;
F. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen
het bedrag van USD 696.000,-, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant,
vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de
algehele voldoening;
G. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat het aan hem verleend ontslag kennelijk onredelijk is, omdat er gebruik is gemaakt van valse ontslaggronden. Volgens hem is het intern rapport, dat als basis is gebruikt voor de aanvraag van de ontslagvergunning, in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor. Ook is het rapport in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel opgemaakt, daar er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser en het rapport binnen een korte termijn van één week is opgesteld. Voorts beticht hij het rapport van vooringenomenheid c.q. partijdigheid, nu de samensteller van het rapport door eiser was ontheven uit zijn functie. Volgens eiser betreft het rapport geen onderzoek, doch een vaststelling, immers is het uitgangspunt van gedaagde sub B geweest dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan administratieve onvolkomenheden en/of onregelmatigheden. Ook strookt de inhoud van het intern rapport niet met de inhoud van het CLAD rapport.
De ontslagcommissie heeft het beginsel van hoor-en wederhoor ook geschonden, daar eiser slechts één keer is gehoord, terwijl gedaagde sub B is twee keren is gehoord. Eiser heeft gelet hierop niet de gelegenheid gehad om te reageren op de door gedaagde sub B overgelegde tussentijdse rapporten. Daarenboven heeft er ook geen belangenafweging plaatsgevonden bij het oordeel tot toewijzing van de ontslagaanvraag.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer
4.1. Gedaagden hebben als formeel verweer opgeworpen dat eiser zich niet heeft bediend van de mogelijkheid die artikel 8 lid 7 Wet C-38 hem biedt, waarbij hij binnen 30 dagen na kennisname van het ontslag, tegen het ontslagbesluit in beroep zou kunnen gaan bij de President van de Republiek Suriname.
In lijn met hetgeen eiser heeft gesteld, overweegt de kantonrechter dat artikel 8 lid 7 Wet
C-38, de rechtsgang naar de kantonrechter niet uitsluit. Buitendien blijkt dat de termijn van 30 dagen reeds is verlopen, zodat er geen speciale bestuursrechtelijke voorziening openstaat voor eiser. De kantonrechter is ingevolge artikel 1 van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke macht, bevoegd kennis te nemen van alle twistgedingen over burgerlijke rechten, waaronder dus ook arbeidsrechtelijke geschillen zoals het onderhavig geschil. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het formeel verweer dient te worden verworpen.

4.2. De kantonrechter stelt voorts vast dat de Minister van Arbeid op de juiste wijze is aangeduid, zodat het verweer betreffende de naam van het Ministerie van Arbeid evenmin opgaat. Hiervoor wordt ook verwezen naar de aanhef van de beschikking van gedaagde sub A.

4.3. Ten aanzien van de wijziging van het petitum
Artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), geeft eiser de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerde¬ren. De kantonrechter overweegt dat het onderwerp van onderhavig geschil, het ontslag van eiser, betreft. De kantonrechter is van oordeel dat de gevraagde wijziging van eis, namelijk:
• de aanvulling van: “het besluit van gedaagde” met “het besluit van gedaagden, met name van de minister van Transport, Communicatie en Toerisme”;
• en het integreren van het primair en subsidiair gevorderde,
geen verandering dan wel vermeerdering van het onderwerp betreft. De gevorderde wijziging van eis ligt derhalve binnen de grenzen van artikel 109 Rv.
Daarnaast levert de wijziging van eis, geen strijd op met de eisen van een goede procesorde, nu de wijziging niet van dien aard is dat gedaagden daarmee zijn belemmerd in het voeren van verweer. Voorts wordt overwogen dat onderhavig geding ook niet is vertraagd door de eiswijziging. Het voren overwogene leidt ertoe dat de eiswijziging zal worden toegestaan. Het petitum is bereids met de verzochte wijziging in overeenstemming gebracht.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de ontslagvergunning
4.4. De kantonrechter overweegt dat de Wet Ontslagvergunning geen rechtsmiddel kent tegen de krachtens deze wet gegeven ministeriële beschikking. Voorts wordt overwogen dat de wetgever kennelijk niet heeft gewild dat de besluiten van de Minister van Arbeid, die als een eindbeslissing beschouwd kunnen worden, door de onafhankelijke kantonrechter getoetst worden. Er zijn namelijk geen toetsingsmogelijkheden vervat in de Wet Ontslagvergunning. De Minister van Arbeid heeft ingevolge de Wet Ontslagvergunning een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan de Minister in meer of mindere mate beleidsvrijheid wordt toegekend om in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen. Uitsluitend de bestuursrechter is bevoegd om het besluit van de Minister te vernietigen en ook slechts op formele en procedurele gronden. Nu deze rechtsinstantie ontbreekt in Suriname en er desondanks moet worden voorzien in de rechtsbescherming van de justitiabelen, is de kantonrechter op grond van artikel 158 lid 2 van de Grondwet van Suriname, bevoegd om de onrechtmatigheid van elke finale en afdwingbare handeling van organen van de overheidsadministratie te beoordelen. Deze beoordeling is echter een marginale toetsing met betrekking tot de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, doch heeft niet de vernietiging dan wel de nietigverklaring van het genomen besluit door de overheidsadministratie als rechtsgevolg, maar slechts de veroordeling tot het vergoeden van de schade die is voortvloeit uit het genomen besluit. Bovendien wordt vastgesteld dat de rechtspositie van eiser als werknemer uitsluitend wordt beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met gedaagde sub B, zijnde de werkgever. De bevoegdheid van de Minister van Arbeid is gestoeld op de beoordeling van de ontslagredenen vervat in de ontslagaanvraag. De enkele beoordeling van de ontslagredenen raakt de rechtspositie van de werknemer niet, zodat een gerechtelijke actie van eiser tegen een beschikking van de minister van Arbeid is uitgesloten. Het onderliggende geschil waarover de kantonrechter zich moet uitlaten, betreft de door gedaagde sub B opgegeven ontslagredenen en niet de beoordeling hiervan door gedaagde sub A. Eiser zal ten aanzien van de vordering onder A van het petitum derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring v/d brief d.d. 30 december 2015
4.5. Als gevolg van hetgeen onder r.o. 4.4. is overwogen, kan de brief gedateerd 30 december 2015, waarin staat dat eiser is ontslagen, evenmin worden vernietigd dan wel nietig worden verklaard. De door de Minister van Arbeid verleende ontslagvergunning vormt namelijk de grondslag van de brief gedateerd 30 december 2015. Eiser zal derhalve eveneens ten aanzien van dit deel van de vordering, sub B van het petitum, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De toetsing of het ontslag onredelijk is
4.6. De kantonrechter is wel bevoegdheid om te toetsen of het ontslag van eiser ingevolge artikel 1615s lid 2 BW kennelijk onredelijk is. De stellingen en weren omtrent de door gedaagde opgegeven ontslaggronden zullen hierna worden weergeven en beoordeeld.

De door gedaagde sub B opgegeven ontslaggronden
4.7. Volgens gedaagde sub B heeft eiser misbruik van zijn bevoegdheden gemaakt. Er is op structurele wijze door hem verzuimd om een goed intern beheerssysteem te bewerkstelligen, om de controle en monitoring te doen van activiteiten met grote financiële risico’s.
Gedaagde sub A heeft de navolgende rechtshandelingen van eiser aangegeven, waarbij hem het voorgaande wordt verweten.

4.7.1. Het besluit van de directeur en de coördinator Commerciële Zaken van gedaagde sub B om per juni 2012 haar belkaarten, die op dat moment alleen besteld werden bij en gedrukt werden door het bedrijf Tele-Pak Inc., gevestigd te New York, USA, tegen hogere kosten te bestellen bij en te laten drukken door [bedrijf 1], gevestigd aan [adres] te [district].

4.7.2. De overeenkomst met en de bijkomstigheden in relatie tot [bedrijf 2], waarbij gedaagde sub B tegen alle gebruiken in, volledig de huur betaalt van de twee locaties van [bedrijf 2], terwijl slechts 10% van de beschikbare fysieke ruimte gebruikt wordt om producten van gedaagde sub B te verkopen.

4.7.3. De opzet en de financiële activiteiten bij Telesur Multimedia Innovation Laboratory, waarbij er onder andere in strijd is gehandeld met de gunningsprocedure, de inkoopprocedure, de voorraadprocedure en de procedure met betrekking tot het gebruik van creditcards.

4.7.4. De aankoop van zend/transmissie apparatuur door gedaagde sub B bij het bedrijf Divitel, gevestigd te Willemstad, Curaçao, ten behoeve van [bedrijf 3], waarbij er slechts één offerte is aangetroffen, terwijl indien de aankoop door gedaagde sub B bij DB Electronica had plaatsgevonden, een bedrijf waarmee er reeds goede relaties bestaan, dit een extra besparing voor gedaagde sub B zou opleveren.

4.7.5. Het tegen de inkoopprocedure in, aankopen van mobiele telefoontoestellen, mifi devices en andere apparatuur via [bedrijf 4], waarbij gedaagde sub B meer betaald heeft dan wanneer de toestellen rechtstreeks bij WGI Wireless waren aangeschaft. Aangezien de aankopen buiten de inkoopprocedure om werden voortgezet en er steeds bij dezelfde tussenpersoon werd ingekocht, wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake kan zijn geweest van een incident, omdat ondanks bezwaren deze activiteiten werden voortgezet.

4.7.6. Het inhuren van [adviesbureau] voor het FPO traject binnen gedaagde sub B, waarbij er geen andere offertes zijn aangetroffen en waarbij een bedrag boven het geautoriseerd bedrag is uitgegeven.

4.7.7. Fraude gepleegd door [persoon 2], ex-medewerker bij [mediabedrijf], waarbij door eiser het besluit is genomen dat er geen aangifte zou worden gedaan bij de justitiële autoriteiten, maar dat [persoon 2] de gelegenheid zou krijgen vanaf oktober 2014 de geleden schade
(SRD 794.053,55) te vergoeden. Tot heden heeft er echter geen aflossing plaatsgevonden en zijn er vanuit gedaagde sub B nog geen maatregelen getroffen om terugbetaling te bewerkstelligen.

4.7.8. De ontwikkelingen in relatie tot Telesur Mobiel Nederland (TMN), waarbij over de afgelopen jaren een verlies is geleden (ongeveer US 14.156.884), terwijl de indruk werd gewekt alsof het project winstgevend was. Opmerkelijk hierbij was dat slechts de resultatenrekening werd gepresenteerd, waardoor het vermogen van TMN uit beeld bleef.

Het verweer van eiser tegen de ontslaggronden
4.8. Eiser heeft tegen de opgeworpen ontslaggronden verweer gevoerd. Het verweer komt op het navolgende neer.

4.8.1. Het onderzoek dat de grondslag vormt van het verleende ontslag, is niet deugdelijk en objectief verricht. De onderzoeker is eerder door eiser ontheven en bij het aantreden van de nieuwe RvC/directie is hij in ere hersteld. Het intern rapport heeft hierdoor elke schijn van objectiviteit verloren. Uit de inleiding van het intern rapport blijkt niet concreet wat de onderzoeksopdracht is. Voorafgaand aan het onderzoek is er sprake van een conclusie en van vooringenomenheid.

4.8.2. Nu onverantwoorde besteding van middelen door gedaagde sub B het onderwerp van onderzoek is, diende eiser schriftelijk geïnformeerd te worden over het te verrichten onderzoek en zou hij hierbij ook betrokken moeten worden. Dit is echter niet gebeurd, zodat gedaagde sub B in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld.

4.8.3. De Minister van TCT dan wel de Raad van Ministers, althans de regering, heeft krachtens artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, aan eiser als directeur décharge verleend over al de jaren van zijn directeurschap, in concreto over de boekjaren 2009-2014. Eiser kan daarom niet alsnog verantwoordelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in die periode.
Volgens vaste en constante jurisprudentie heeft décharge, ontslag van aansprakelijkheid tot gevolg en strekt het over het handelen of nalaten van een bestuurder ingeval de algemene vergadering bekend was met een dergelijk handelen of nalaten.

4.8.4. Alle betalingen en/of rechtshandelingen die door gedaagde sub B worden gekwalificeerd als administratieve onregelmatigheden/onvolkomenheden, zijn verwerkt in de boekhouding c.q. jaarrekening, waaronder de balans en winst- en verliesrekening.

4.8.5. De onderzoeker heeft geen rekening gehouden met marketing argumenten. Ook is er geen rekening gehouden met het feit dat de implementatie van de activiteiten c.q. projecten, waarvan onregelmatigheden worden verweten, altijd een collectief besluit is geweest en dat de RvC voorafgaande goedkeuring heeft gegeven en naderhand décharge heeft verleend.

4.8.6. Eiser is door de jaren heen, zoals de doctrine als voorwaarde stelt, nooit aangesproken dat hij tekort is geschoten in het verrichten van zijn werkzaamheden en/of handelen, noch is hem door de RvC noch door de Minister ooit enig verwijt gemaakt dat hij buiten zijn beslissingsbevoegdheid is getreden. Het achteraf verwijten te maken over zijn handelingen, waarvoor décharge was verleend, kan minstens als onbehoorlijk worden gekwalificeerd.

4.8.7. Uit het voorgaande is volgens eiser komen vast te staan dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt en dat zijn handelingen niet van zodanige gewicht zijn dat het een grond oplevert tot ontslag.

4.9. Tegen deze standpunten van eiser heeft gedaagde sub B het navolgende aangevoerd.
Gedaagde heeft betwist dat eiser geen inzage heeft gehad in de tussentijdse rapporten. Aan eiser is op 05 en 10 november 2015 de gelegenheid geboden om gehoord te worden. Bij schrijven van de Minister van TCT, d.d. 06 november 2015, waarbij aan eiser de ruimte is geboden om zich schriftelijk te verweren, is het toen beschikbare tussentijds rapport als bijlage verzonden.
Eiser is in zijn verdediging erg puntsgewijs en nauwgezet ingegaan op de punten in boven aangehaald schrijven, alsook op de punten in de tussentijdse onderzoeksrapporten.
Vanwege de ernst van de onregelmatigheden, althans de wanprestatie voor het bedrijf en de Staat Suriname, is er geen ‘verbetertraject’ dat als optie kon worden voorgesteld, aangezien het vertrouwen in eiser reeds dusdanig was geschonden dat voortzetting van de dienstbetrekking uiteindelijk geen optie meer was.
Gedaagde sub B heeft terzake de verleende décharge aangegeven dat uit de tussentijdse rapporten is gebleken dat eiser de RvC en de Minister toen heeft misleid, dan wel informatie heeft verzwegen voor hun en dat de doctrine en jurisprudentie aangeven dat een bestuurder aan wie kwijting is verleend, hierop geen beroep kan doen in geval van misleiding of verzwijging of misbruik van vertrouwen.

Het verwijt van onbehoorlijk bestuur
4.10. De kantonrechter overweegt dat de hoofdregel van behoorlijk bestuur is dat de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voorts wordt overwogen dat het bij onbehoorlijk bestuur gaat om gedragingen die als “schuldige verwaarlozing van de bestuurstaak” kunnen worden aangemerkt. Het is geenszins de bedoeling om de bestuurders een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van het bestuursbeleid van belang zijn. Voor onbehoorlijke taakvervulling is méér nodig, in het bijzonder, dat er onverantwoordelijk is gehandeld met de wetenschap — objectief te bepalen — dat de rechtspersoon daarvan de dupe zouden kunnen worden. Een zodanige taakvervulling is gelijk te stellen met misbruik van bevoegdheid.

4.11. Naar aanleiding van het vorenstaande acht de kantonrechter de door gedaagde sub B verweten handelingen aan eiser, an sich niet tot behorende tot onbehoorlijk bestuur. Immers, eiser heeft in zijn verweer gemotiveerd aangegeven waarom hij gekozen heeft om op zodanige wijze te handelen. Eiser zijn verweer tegen hetgeen hem verweten wordt, komt zoals het CLAD samengevat heeft weergeven in haar rapport, neer op “handelingen die gepleegd zijn uit zakelijke en commerciële overwegingen”. Bovendien werd eiser door de regering onder druk gezet om bepaalde activiteiten met spoed te implementeren met het oog op de naderende verkiezingen. De kantonrechter overweegt dat gelet op de uitvoerige motivering vervat in het verweerschrift gedateerd 24 december 2015, het op de weg van gedaagde sub B lag om het standpunt van eiser dat het door hem gevoerde beleid niet tot schade heeft geleid, te weerleggen.

4.12. De kantonrechter acht voor de weerlegging van het standpunt van eiser, het intern rapport opgesteld door gedaagde sub B niet voldoende. Het intern rapport is namelijk opgebouwd uit autorisatie-aanvragen, facturen, nota’s, offertes, financiële overzichten, verklaringen van personen werkzaam binnen gedaagde sub B en wisseling van e-mail berichten. Gedaagde sub B had echter middels een vergelijking van de twee perspectieven namelijk de zakelijke en commerciële invalshoek enerzijds en de invalshoek inkoopfunctie anderzijds, duidelijk en inzichtelijk moeten maken waarom er enkel en alleen gekozen moest worden voor de invalshoek van de inkoopfunctie, ter behartiging van de belangen van de rechtspersoon. Ook zou moeten blijken dat eiser ondanks het vorenstaande, eigendunkelijk de zakelijke en commerciële invalshoek heeft gekozen, zodat gedaagde sub B hierdoor benadeeld is geworden. Gedaagde sub B heeft zulks nagelaten, zodat de kantonrechter niet zondermeer kan uitgaan van de juistheid van haar standpunt, dat zij is benadeeld door de handelingen van eiser en diens team. Ook heeft gedaagde sub B nagelaten om een verklaring van een terzake deskundigen over te leggen, waaruit het voordeel van de invalshoek van de inkoopfunctie overduidelijk zou moeten blijken. Evenmin is de benadeling onderbouwd.

Misbruik van bevoegdheid door eiser
4.13. De kantonrechter overweegt dat blijkens het CLAD rapport, gedaagde sub B niet beschikt over formele procedurebeschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbesteding- en overige procedures, zodat niet vastgesteld kon worden of er sprake was van overschrijding van bevoegdheden. De kantonrechter kan deze stelling volgen, nu uit artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 blijkt dat bekrachtiging van rechtshandelingen vervat in lid 1 van dat artikel kan plaatsvinden door goedkeuring achteraf van de RvC. Voor het geval dat gedaagde sub B heeft beoogd te stellen dat er wel procedurebeschrijvingen zijn, die niet gevolgd zijn door eiser, hebben zij nagelaten om aan te geven wat deze procedurebeschrijvingen zijn. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter zal uitgaan van de juistheid van voormelde stelling vervat in het CLAD rapport.

De conform artikel 15 lid 7 van de Wet C-38 verleende décharge
4.14. Décharge wordt omschreven als het verlenen van kwijting aan een bestuurder voor het gevoerde beleid. Décharge heeft het ontslag van aansprakelijkheid van de bestuurder voor al zijn handelen tot gevolg. In lijn met de uitspraak van de Hoge Raad, bekend onder HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308, overweegt de kantonrechter dat het rechtsgevolg van de verleende décharge ook geldend is wanneer de bestuurder de onderneming bewust en opzettelijk schade heeft berokkend. Echter brengt het feit dat de vennootschap de bestuurder décharge heeft verleend, niet zondermeer met zich mee dat de bestuurder niet meer intern aansprakelijk is voor de door de vennootschap geleden schade.
Overwogen wordt dat de décharge slechts toeziet op het gevoerde beleid van de bestuurder, zoals blijkt uit de jaarrekening. De décharge is ook geldend ten aanzien van de expliciete door het bestuur gegeven toelichting voor feiten ten tijde van de verleende décharge. De kantonrechter volgt de Hoge Raad ook in zijn overweging dat “décharge zich niet uitstrekt tot hetgeen de aandeelhouders redelijkerwijs konden weten dan wel tot hetgeen waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, bedacht konden zijn”, vervat in de uitspraak bekend onder HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360.

4.15. Als gesteld en niet weersproken staat rechtens vast dat de Minister van TCT, in overeenstemming met artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, décharge heeft verleend aan het bestuur onder leiding van eiser over de jaren 2009-2014. Tijdens de comparitie van partijen heeft de gevolmachtigde van gedaagde sub B verklaard dat er eveneens décharge is verleend over het jaar 2015.
Gelet op hetgeen onder r.o. 4.14. staat vermeld, is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van gedaagde sub B lag om te onderbouwen ten aanzien waarvan de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of welke informatie door eiser is verzwegen, teneinde een décharge te verkrijgen. Indien gedaagde sub B heeft bedoeld dat handelingen van eiser zijn verzwegen, had hij dit moeten aantonen door aan te geven dat deze handelingen niet zijn meegenomen in de jaarrekening van de desbetreffende jaren. In het door gedaagde
sub B overgelegde tussentijds rapport gedateerd 09 november 2015, zijn er acht punten met bijlagen opgenomen, waarvan zes punten zijn vervat in de ontslagvergunning. Uit het tussentijds rapport, valt ook niet concreet af te leiden welke informatie verzwegen zou zijn voor gedaagde sub B.
Gedaagde sub B heeft haar stelling dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie niet kunnen concretiseren, zodat de kantonrechter voorbij zal gaan aan de stelling dat de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of dat eiser enige informatie voor de RvC en/of de Minister heeft verzwegen in de door hem opgemaakte jaarrekeningen.
Eiser heeft voorts ter comparitie verklaard dat hij altijd een presentatie gaf over nieuwe projecten, teneinde een autorisatie van de RvC te krijgen. Deze stelling is door een raadslid in de RvC bekrachtigd. Voormelde lid heeft namelijk verklaard dat er veel presentaties door de directie werden gegeven om goedkeuring te krijgen en dat er vaak achteraf goedkeuring werd verleend door de RvC.
Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter ervan uitgaan dat er over de jaren 2009-2015, door de minister van TCT, décharge is verleend aan het bestuur onder leiding van eiser, zonder dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie door eiser.

De gestelde benadeling van gedaagde sub B
4.16. De kantonrechter overweegt dat uit het jaarverslag van het jaar 2015, waarin eiser leiding gaf aan het bestuur, blijkt dat gedaagde sub B winsten heeft geboekt. Deze vaststelling wordt eveneens door de vertegenwoordiger van gedaagde sub B ter comparitie erkend. De stelling van de gemachtigde dat indien de jaarrekening in 2015 positief is, dit niet zondermeer met zich meebrengt dat gedaagde sub B geen schade heeft geleden, kan niet worden gevolgd. Immers heeft gedaagde sub B nagelaten om de gestelde schade te concretiseren. Zoals reeds door de kantonrechter is overwogen onder r.o. 4.12, heeft gedaagde sub B niet middels een door de accountant vastgestelde berekening en verklaring, aangegeven wat de jaarrekening had moeten zijn met het door gedaagde sub B wenselijk geachte beleid. Het feit dat uit de door de accountant opgestelde report on the financial statements van gedaagde sub B, blijkt dat er in 2016, het jaar van het bestuur zonder leiding door eiser, verliezen zijn geleden in vergelijking met de jaren 2012 tot en met 2015 van het bestuur onder leiding van eiser, draagt bij tot de conclusie dat gedaagde sub B geen als zodanige schade heeft geleden onder het bestuur van eiser. Zelfs als er rekening wordt gehouden met de inflatie, overweegt de kantonrechter dat uit de toelichting van de accountant blijkt dat: de omzet van de aangeboden diensten is verminderd en er is een toename van verkoop-en afzetkosten. Voorts is gebleken van een vermindering in de kosten. Een vermindering in de financiële inkomsten is toegeschreven aan de devaluatie van het courant SRD.

4.17. Ten aanzien van de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, overweegt de kantonrechter het navolgende. De management letters zijn richtlijnen aan het bestuur om een gerichte gang van zaken binnen de vennootschap te bewerkstelligen. De mate van prioriteit terzake de posten kan invloed uitoefenen op de resultaten van de jaarrekeningen.
De kantonrechter acht voornamelijk de beoordeling van de “financial reporting & analyses” door de accountant essentieel om een conclusie te trekken over het door eiser gevoerde beleid. Uit de management letter 2014 en het concept management letter 2015 blijkt het volgende.
• De periodieke analyses en aansluitingen werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld.
• De verbandlegging internationaal verkeer werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• De bewaking begroting werden in beide jaren met een high prioriteit beoordeeld.
• De cashmanagement werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• Verbanden standen registers werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld

In het concept management letter 2015 zijn de navolgende posten bijgekomen.
– Inkomstenbelasting en afwikkeling carriers die respectievelijk met een medium en high prioriteit werden beoordeeld.
Uit het vorenstaande valt te concluderen dat het beleid van eiser op een aantal punten matig was en kon worden verscherpt en dat de mate van dringendheid op twee posten hoog waren.

4.18. De kantonrechter overweegt dat terzake een oordeel over benadeling van gedaagde sub B door het beleid van eiser, zij voornamelijk de post periodieke analyses en aansluitingen noodzakelijk acht. Uit de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, blijkt dat periodieke analyses en aansluitingen inhoudt: dat er onvoldoende afstemmingen en analyses plaatsvinden ten aanzien van de financiële rekeningen. De afstemmingen en analyses worden veelal aan het eind van het boekjaar uitgevoerd, waardoor eventuele verschillen of onduidelijkheden niet tijdig worden ontdekt en verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het uitzoekwerk veelal tijdrovend is. Het risico dat daaraan wordt verbonden is dat tussentijdse, interne cijfers, onjuistheden vertonen.
Het vorenstaande werd als matig beoordeeld door de accountant, hetgeen aangeeft dat eiser als hoofdverantwoordelijk wel aandacht aan deze post moest schenken, doch behoorde het niet tot de allerhoogste prioriteit.

4.19. Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat gelet op hetgeen is vastgesteld in het CLAD rapport vermeld onder 2.21 sub c en d van dit vonnis, gedaagde sub B enigszins wel is benadeeld, doch is gedaagde sub B ook na het ontslag van eiser, niet overgegaan tot inning van de gelden bij [persoon 2]. De kantonrechter is van oordeel dat de ernst van deze benadeling niet van dien aard is, dat zulks een besluit tot ontslag van eiser rechtvaardigt.

De bevoegdheden van de RvC
4.20. De kantonrechter overweegt dat voor het deugdelijk functioneren van een vennootschap, een wisselwerking met de nodige checks and balances vereist is tussen de drie organen, namelijk de aandeelhouders, de RvC en het bestuur. Deze wisselwerking is eveneens in de Wet C-38 uitgedrukt, doch blijkt dat de naleving hiervan is uitgebleven, indien de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van gedaagde sub B, dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer.

4.21. Op grond van artikel 9 lid 2 van de Wet C-38, dient de RvC het directie-reglement, op basis waarvan de directie de verdeling van hun taken en hun werkwijze regelt, goed te keuren. Ingevolge artikel 12 lid 1 van de Wet C-38, is de RvC belast met toezicht op het bestuur en beheer van de directeur. Lid 4 van voormeld artikel geeft de RvC het recht tot inzage van de boeken en bescheiden van het bedrijf en het opnemen van de kas. En op grond van lid 5 kan de RvC zich voor rekening van het bedrijf doen bijstaan door één of meer door hem aan te wijzen deskundigen. Blijkens artikel 15 dient de RvC de balans en de winst- en verliesrekening met de toelichting te onderzoeken en moet zich daarbij doen bijstaan door een register-accountant. De raad dient hieromtrent een pre-advies aan de Minister uit te brengen.

4.22. Overwogen wordt dat op grond van het vorenstaande, het de taak van de RvC is om er op toe te zien dat het bestuur de noodzakelijke informatie verstrekte en verantwoording aflegde terzake hun beleid, waaronder de gedane inkopen, de gesloten overeenkomsten, de uitvoeringen van projecten en dat de boekhoudplicht nagekomen werd. De RvC had zich door het bestuur over het vorenstaande moeten laten inlichten en zich door een deskundige hieromtrent laten adviseren en had zo nodig moeten ingrijpen. Met een actieve houding van de RvC, waren de gestelde misstanden eerder ontdekt en kon hierop, in het belang van de vennootschap, met een adequate maatregel ingegrepen worden.

4.23. De kantonrechter overweegt voorts– in afwijking op wat gedaagde sub B heeft aangevoerd – dat het achteraf toetsen van het bestuur onvoldoende is om te kunnen concluderen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer in strijd met de Wet
C-38. De gestelde misstanden onder het beleid van eiser, dienen niet uitsluitend voor rekening van eiser te komen. De RvC diende, gelet op hun bevoegdheden vermeld onder artikel 12 van de Wet C-38, zich eveneens op een behoorlijke wijze van haar controlerende en toezichthoudende taak te hebben gekweten. De RvC had zich kortom actiever moeten opstellen en is tekort geschoten in haar taken.

4.24. De kantonrechter kan de stelling van het raadslid van de RvC ter comparitie, dat de link tussen de specifieke autorisatie en de jaarrekening niet te controleren valt door de RvC en dat de RvC niet heeft gefaald niet volgen. Hetzelfde raadslid heeft namelijk, direct na voormelde verklaring, op de vraag: op grond waarvan er is vastgesteld dat autorisaties achteraf werden ingediend, aangegeven dat zulks aan het licht is gekomen doordat er stukken van de afgelopen drie jaren zijn opgevraagd en bestudeerd. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het antwoord van het raadslid, duidelijk valt te concluderen dat er wel degelijk controle kon worden uitgeoefend door de RvC ten aanzien van het door het bestuur gevoerde beleid en de gepresenteerde jaarrekeningen. Ook valt niet in te zien waarom de Minister van TCT décharge over het jaar 2015 zou verlenen, wanneer er gesteld wordt dat de overschrijding van de autorisatie ten aanzien van de Future Proof organisatie in het jaar 2015 is geconstateerd. De handelingen van de RvC en de minister van TCT stroken niet met de verwijten die ze aan eiser maken.

4.25. De kantonrechter overweegt dat het feit dat er aan eiser décharge is verleend met betrekking tot zijn beleid gedurende de jaren 2009-2015, tot de conclusie leidt dat er binnen gedaagde sub B sprake is van een tolerante dan wel passieve houding zijdens de RvC. De verklaringen ter comparitie van het raadslid in de RvC, onder andere dat de RvC geen invloed had op de autorisatie en dat eiser heeft aangegeven dat de president-commissaris zijn goedkeuring moest geven en niet de leden van de RvC, dragen bij tot voormeld oordeel. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het bestuur onder leiding van eiser, gedurende 2009 tot en met het aantreden van de nieuwe RvC, ooit is verweten van het voeren van onbehoorlijk bestuur.
Voor de kantonrechter is het dan ook niet vreemd dat deze houding van de RvC, heeft geleid tot een bestuur met een grote mate van beleidsvrijheid.

4.26. Tegen de achtergrond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om uitsluitend eiser, verantwoordelijk te houden voor de gestelde misstanden en daarbij ook nog, zonder voorafgaande waarschuwing of kans tot herstel van de gemaakte fouten, de ingrijpende maatregel van ontslag te koppelen. De kantonrechter overweegt dat gelet op de feiten en omstandigheden, gedaagde sub B het ontslag als ultimum remedium had moeten gebruiken. Naar het oordeel van de kantonrechter hadden gedaagden tenminste op het CLAD-rapport, zijnde een onafhankelijk en objectief onderzoek, moeten wachten, nu is komen vast te staan dat [waarnemend Manager Corporate Audit]de specifieke opdracht had gehad om de handelingen van eiser en nog 4 bij name genoemde stafleden van gedaagde sub B te onderzoeken. De nieuwe RvC heeft niet of nauwelijks overleg gehad met eiser, nog minder hem de gelegenheid geboden om alle gevraagde informatie binnen een redelijke termijn te verzamelen. Ook heeft er geen goede belangen afweging plaatsgehad gelet op het aantal dienstjaren van eiser bij gedaagde sub B.

4.27. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet valt in te zien, waarom de personen die zijn gehoord bij het opstellen van het intern rapport en de RvC leden die het kennelijk oneens waren met het beleid van het bestuur, de door hen geconstateerde misstanden dan wel wanbeleid, niet eerder ter kennis hebben gebracht van de RvC dan wel de Minister van TCT, de organen die conform de Wet C-38 bevoegd zijn om tegen wanbeleid op te treden.

De conclusie
4.28. Nu niet rechtens vaststaat dat eiser:
• zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur;
• gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid,
mede gelet op:
• de passieve houdingen van de RvC en de Staat die een grote mate van beleidsvrijheid zijdens eiser bewerkstelligden,
• de duur van de dienstbetrekking van eiser;
• en de voor eiser getroffen voorzieningen, het na het ontslag ontvangen van zes maanden loon, is de kantonrechter van oordeel dat ingevolge artikel 1615s lid 2 sub b BW, het ontslag van eiser kennelijk onredelijk is.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.29. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde of het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub B niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub B vanaf de schorsing van eiser tot aan het onderhavig geding, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub B reeds heeft voorzien in de vacature van directeur. Dit deel van de vordering, sub D van het petitum, zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.30. Voorop dient te worden gesteld dat eiser de door hem gevorderde schadevergoeding duidelijk heeft onderbouwd en wel als volgt. Gelet op zijn functie en het aantal dienstjaren, heeft hij een schadevergoeding van drie maanden brutoloon per dienstjaar gevorderd. Hij heeft voorts gesteld dat bij de hantering van de drie maanden ook rekening is gehouden met de aan het salaris toegekende emolumenten, die eveneens verloren zijn gegaan. Uit het door eiser overgelegde schrijven van de RvC, blijkt dat zijn laatst toegekende brutoloon met emolumenten USD 12.000,- bedraagt. Eiser zijn berekening luidt als volgt: 58 maanden X USD 12.000,-= USD 696.000,-
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het door eiser overgelegde schrijven afkomstig van de RvC, de blote betwisting van gedaagde sub B betreffende het loon van eiser niet opgaat.

4.31. Uit hoofde van artikel 1615s BW is de kantonrechter bevoegd om de gevorderde vergoeding te matigen als deze haar gelet op de omstandigheden onbillijk voorkomt. Uit de keuzemogelijkheid die artikelen 1615s en1615t BW de werknemer bieden, volgt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding op grond van artikel 1615s BW mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als gedaagde sub B niet tot ontslag van eiser zou zijn overgegaan. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen.
De kantonrechter zal echter ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 30 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad
US$ 12.000,-.

4.32. Vanwege de verzwaarde motiveringsplicht van de werkgever, is de kantonrechter ervan uitgegaan dat niet rechtens vaststaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur of gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid. De kantonrechter overweegt echter dat op grond van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de vaststelling van het kennelijk onredelijk ontslag, niet uitgesloten kan worden dat eiser wel enige mate nalatigheid kan worden verweten. Immers, kan van een goede bestuur worden verwacht dat hij steeds in overleg is met de RvC over de besluiten die de vennootschap raken. Voorts diende erop worden toegezien dat er checks en balances in place waren voor adequate monitoring teneinde misstanden te voorkomen. De passieve houding van de RvC hoeft in beginsel niet te leiden tot een beleidsvrijheid zonder beperkingen.
De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat factor C vastgesteld zal worden op 0,75.
De schadevergoeding komt aldus op 30x2xUS$ 12.000,-x0.75= US$ 540.000,-

4.33. Gedaagde sub B zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren dan wel de vernietiging van de beschikking althans het besluit van de Minister van Arbeid tot het verlenen van de ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer].

5.2. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren dan wel de vernietiging van het besluit van de Minister van TCT althans gedaagde sub B tot het verlenen van ontslag aan eiser, vervat in de brief van 30 december 2015.

5.3. Veroordeelt gedaagde sub B om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van USD 540.000,- (vijfhonderdveertigduizend Noord-Amerikaanse dollar), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf 29 juni 2016 tot aan de algehele voldoening.

5.4. Verklaart hetgeen is beslist onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. Veroordeelt gedaagde sub B in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 230,- (tweehonderd en dertig Surinaamse dollar).

5.6. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 16-3278

25 augustus 2020

G.S.

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [district],

eiser,

gemachtigden: mr. J. Kraag en mr. M.G.A. Vos, advocaten,

tegen

1. DE STAAT SURINAME, m.n. de Minister van Arbeid en de Minister van Transport, Communicatie en Toerisme, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens parkette te Paramaribo,

2. HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (afgekort TELESUR),

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1.Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 juni 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis en de conclusie tot overlegging CLAD-rapport, met een productie;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties, met producties;
  • de conclusies van repliek en uitlating producties;
  • de conclusie van dupliek;
  • de rolbeschikking d.d. 12 december 2017 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • de op 23 februari 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
  • de op 14 maart 2018 voortgezette comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
  • de conclusie tot overlegging producties met producties, zijdens gedaagden;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, zijdens gedaagden;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties, zijdens eiser;
  • de rolbeschikking d.d. 13 november 2018 gegeven, waarbij een rolvoeging is gelast van de onderhavige zaak bij de zaken met als A.R.no.’s 16-4461, 16-4462, 16-4463;
  • de rolbeschikking d.d. 22 augustus 2019 gegeven, waarbij gedaagden, althans gedaagde sub B in de gelegenheid zijn/is gesteld om haar jaarrekeningen over 2016 en 2016 ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging producties, met producties zijdens gedaagden;
  • de conclusie tot uitlating producties, zijdens eiser.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde sub B is bij Decreet van 24 december 1980, houdende instelling van het Telecommunicatiebedrijf Suriname (Telesur) opgericht. Voormeld decreet is naderhand tot wet verheven en staat bekend als Wet C-38.

2.2 De Minister van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna te noemen: de Minister van TCT) heeft krachtens artikel 8 lid 3 Wet C-38, de bevoegdheid om de onderdirecteur te benoemen en te ontslaan.

2.3 De Raad van Commissarissen (hierna RvC) is krachtens artikel 12 Wet C-38, belast met het toezicht op het bestuur en beheer van de directeur.

2.4 Op 01 juni 1996 is eiser in dienst getreden van gedaagde sub B. Hierna is hij met ingang van 01 januari 2015 benoemd in de functie van onderdirecteur Commerciële Zaken.

2.5 Op 22 oktober 2015 heeft de directeur van gedaagde sub B overleg gehad met de nieuwe Minister van TCT, waarbij hem is medegedeeld dat alle nieuwe investeringen zullen worden aangehouden en dat er op 04 november 2015 een vergadering zal worden gehouden.

2.6 Op 28 oktober 2015 is er bij gedaagde sub B een nieuwe RvC benoemd.

2.7 Bij schrijven gedateerd 09 november 2015 afkomstig van de RvC en gericht aan de Minister van TCT, is melding gemaakt van het navolgende punten:

  • Na de opgelegde schorsing aan de directeur van gedaagde sub B, is in een spoed RvC vergadering op 06 november 2015, besloten om [persoon] aan te wijzen als waarnemend Algemeen Directeur.
  • In de spoed RvC vergadering is eveneens gevraagd naar een aanvulling op de rapportage van administratieve onvolkomenheden. Na bestudering van de rapportage heeft de RvC besloten om de Minister van TCT te verzoeken om per onmiddellijke ingang eiser, onderdirecteur Commerciële Zaken, te doen schorsen.

2. 8 Bij schrijven van de nieuwe RvC van gedaagde sub B gedateerd 09 november 2015, is de Minister van TCT ervan in kennis gesteld, dat na een grondige bestudering van en onderzoek naar de gang van zaken binnen gedaagde sub B, de RvC is gestuit op ernstige administratieve onvolkomenheden binnen de bedrijfsvoering van gedaagde sub B. De geconstateerde onregelmatigheden zijn als volgt opgesomd:

a. inkopen buiten de geldende procedures om;
b. kosten buitenlandse jurist;
c. verlies geleden door handelen onderdirecteur Commerciële Zaken;
d. ongeautoriseerde overbestedingen op het Project Future Proof Organisatie;
Het vorenstaande vormt de reden, waarom de RvC, de Minister van TCT verzoekt om eiser te schorsen.

2.9 Op 12 november 2015 is eiser door de minister van TCT in gebreke gesteld terzake de onregelmatigheden die geconstateerd zijn door de RvC en genoemd zijn in de brief gedateerd 04 november 2015. Aan eiser is aangegeven dat als gevolg van voormelde brief afkomstig van de RvC, de Minister van TCT genoodzaakt is om hem te schorsen en wel op grond van de bepalingen vervat in de Wet C-38. De Minister van TCT heeft bij de ingebrekestelling voorts aangegeven dat eiser zich binnen drie dagen dient te verdedigen en als de verdediging als niet steekhoudend wordt beschouwd, de Minister van TCT genoodzaakt zal zijn om de ontslag procedure van eiser in te zetten.

2.10 Bij verweerschrift gedateerd 17 november 2015, afkomstig van de gemachtigde van eiser, mr. J. Kraag, is namens eiser verweer gevoerd tegen het schorsingsbesluit van de Minister van TCT.

2.11 Op 12 november 2015 is aan [naam], die door de waarnemend directeur is aangesteld als waarnemend Manager Corporate Audit, opdracht gegeven om een intern onderzoek in te stellen.

2.12 Op 17 november 2015 heeft [waarnemend manager corporate audit] het Rapport inzake onderzoek naar onverantwoorde bestedingen van middelen bij gedaagde sub B opgesteld, waarbij is geconcludeerd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden en opzettelijke benadeling van gedaagde sub B.

2.13 Op 26 november 2015 is eiser per brief in kennis gesteld dat zijn verweer niet steekhoudend is bevonden, omdat eiser niet heeft kunnen aangeven dat het falen van de directie, hem niet verweten kan of mag worden.

2.14 Voorts is in dezelfde brief van 26 november 2015 aan eiser medegedeeld dat op grond van het advies en de feitelijkheden alsook het resultaat van het intern onderzoek, de minister van TCT het besluit heeft genomen om ingaande 26 november 2015, de ontslag procedure tegen eiser in te stellen.

2.15 Bij beschikking van gedaagde sub A d.d. 24 december 2015, is aangegeven dat er bezwaar is tegen het wegens dringende redenen verleend ontslag aan eiser.

2.16 Naar aanleiding van op de 01 december 2015 aangevraagde ontslagvergunning, is bij beschikking gedateerd 30 december 2015, door de Minister van Arbeid vergunning verleend ter beëindiging van de dienstbetrekking met eiser, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst.

2.17 Bij brief gedateerd 30 december 2015 is eiser door de Minister van TCT medegedeeld dat de vergunning tot aanzegging van het ontslag is verleend en reeds op gemelde datum is geëffectueerd, met in achtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

2.18 Op verzoek van eiser, heeft gedaagde sub B het onderzoeksrapport van [waarnemend manager corporate audit], op 11 december 2015 naar eiser verzonden.

2.19 Blijkens het Rapport van feitelijke bevindingen inzake het interne rapport afkomstig van de Centrale Landsaccountantsdienst (hierna aangeduid als: het CLAD rapport), heeft de Centrale Landsaccountantsdienst in opdracht van de minister van Financiën, onderzoek verricht bij gedaagde sub B over de periode 1 januari 2012 tot en met 14 september 2016 op basis van een negental kwesties, welke als onderwerp zijn opgenomen in het interne rapport.

2.20 In de samenvatting van het CLAD rapport staan de navolgende feitelijke constateringen aangeven:

a. gedaagde sub B beschikt niet over formele procedure beschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedings- en overige procedures (zoals het gebruik van een bedrijfscredit card). Hierdoor kon er geen vaststelling worden gemaakt of personen hun bevoegdheden hebben overschreden in voornoemd opgesomde activiteiten/kwesties. Het gaat in de meeste gevallen om een gedeelde verantwoordelijkheid. Echter kan wel gesteld worden dat de directeur de eindverantwoordelijke is.
b. bij de besluiten die genomen zijn in voornoemde kwesties zijn er zakelijke en commerciële overwegingen kenbaar gemaakt door de voormalige directeur en de voormalige commercieel directeur. Echter hebben diverse functionarissen ook gewezen op de goedkopere prijzen en hebben de invalshoek vanuit de inkoopfunctie benadrukt.
c. In het geval van de generatoren die zich bij [eiser] bevinden is aangegeven dat de geldende procedure niet is gevolgd door [eiser] en evenmin door andere functionarissen. Er is ook geen informatie bekomen waaruit blijkt dat de generatoren die zich bij [eiser] bevinden aanvankelijk als schroot werden aangemerkt of buitengebruik waren gesteld. Verder is ook niet aangetoond dat voor de generatoren is betaald.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de beschikking van de Minister van Arbeid tot ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer], nietig zal verklaren althans zal vernietigen, althans het besluit c.q. de ontslagvergunning van gedaagde sub A, althans namens hem van de Minister van Arbeid, vervat in de beschikking van 30 december 2015, nietig zal verklaren althans zal vernietigen;
B. het besluit van gedaagden, met name van de Minister van Transport Communicatie en Toerisme, althans van gedaagde sub B, tot ontslag van eiser de dato 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen, althans het besluit van gedaagde sub B tot ontslag van eiser, vervat in de brief van 30 december 2015, nietig zal verklaren, althans zal vernietigen;
C. gedaagde sub B zal veroordelen om de dienstbetrekking met eiser met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
D. gedaagde sub B zal gelasten eiser in de gelegenheid te stellen, zijn werkzaamheden met ingang van 30 juni 2016 te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde sub B in gebreke blijft gevolg te geven aan het te wijzen vonnis;
E. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting met ingang van 30 juni 2016, zijn salaris ad SRD 20.000,- per maand, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse courant door te betalen, vermeerderd met de boeterente ad 50% ex artikel 1614q BW, althans met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de algehele voldoening;
F. gedaagde sub B zal veroordelen om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen
het bedrag van SRD 1.200.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf
de dag der indiening tot aan de algehele voldoening;
G. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat het aan hem verleend ontslag kennelijk onredelijk is, omdat er gebruik is gemaakt van valse ontslaggronden. Volgens hem is het intern rapport, dat als basis is gebruikt voor de aanvraag van een ontslagvergunning, in strijd met het beginsel van hoor-en wederhoor. Ook is het rapport in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel opgemaakt, daar er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eiser en het rapport binnen een korte termijn van één week is opgesteld. Voorts beticht hij het rapport van vooringenomenheid c.q. partijdigheid, nu de samensteller van het rapport door de directeur van gedaagde sub B was ontheven uit zijn functie. Volgens eiser betreft het rapport geen onderzoek, doch een vaststelling, immers is het uitgangspunt van gedaagde sub B geweest dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan administratieve onvolkomenheden en/of onregelmatigheden. Ook strookt de inhoud van het intern rapport niet met de inhoud van het CLAD rapport.
De ontslagcommissie heeft het beginsel van hoor-en wederhoor ook geschonden, daar eiser slechts één keer is gehoord en gedaagde sub B is twee keren gehoord. Eiser heeft gelet hierop niet de gelegenheid gehad om te reageren op de door gedaagde sub B overgelegde tussentijdse rapporten. Daarenboven heeft er ook geen belangenafweging plaatsgevonden bij het oordeel tot toewijzing van de ontslagaanvraag.

3.3 Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer

4.1 Gedaagden hebben als formeel verweer opgeworpen dat eiser zich niet heeft bediend van de mogelijkheid dat artikel 8 lid 7 Wet C-38 hem biedt, waarbij hij binnen 30 dagen na kennisname van het ontslag, tegen het ontslagbesluit in beroep zou kunnen gaan bij de President van de Republiek Suriname.
In lijn met hetgeen eiser heeft gesteld, overweegt de kantonrechter dat artikel 8 lid 7 Wet C-38, de rechtsgang naar de kantonrechter niet uitsluit. Buitendien blijkt dat de termijn van 30 dagen reeds is verlopen, zodat er geen speciale bestuursrechtelijke voorziening openstaat voor eiser.
De kantonrechter is ingevolge artikel 1 van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke Macht, bevoegd kennis te nemen van alle twistgedingen over burgerlijke rechten, waaronder dus ook arbeidsrechtelijke geschillen zoals het onderhavig geschil. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het formeel verweer dient te worden verworpen.

4.2 De kantonrechter stelt voorts vast dat de Minister van Arbeid op de juiste wijze is aangeduid, zodat het verweer betreffende de naam van het Ministerie van Arbeid evenmin opgaat. Hiervoor wordt ook verwezen naar de aanhef van de beschikking van gedaagde sub A.

Ten aanzien van de wijziging van het petitum

Artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), geeft de eiser de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerde­ren. De kantonrechter overweegt dat het onderwerp van onderhavig geschil, het ontslag van eiser, betreft. De kantonrechter is van oordeel dat de gevraagde wijziging van eis, namelijk:

  • de aanvulling van: “het besluit van gedaagde” met “het besluit van gedaagden, met name van de minister van Transport Communicatie en Toerisme”;
  • en het integreren van het primair en subsidiair gevorderde,geen verandering dan wel vermeerdering van het onderwerp betreft. De gevorderde wijziging van eis ligt derhalve binnen de grenzen van artikel 109 Rv.
    Daarnaast levert de wijziging van eis, geen strijd op met de eisen van een goede procesorde, nu de wijziging niet van dien aard is dat gedaagden daarmee zijn belemmerd in het voeren van verweer. Voorts wordt overwogen dat onderhavig geding ook niet is vertraagd door de eiswijziging. Het voren overwogene leidt ertoe dat de eiswijziging zal worden toegestaan. Het petitum is bereids met de verzochte wijziging in overeenstemming gebracht.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring van de ontslagvergunning

4.4 De kantonrechter overweegt dat de Wet Ontslagvergunning geen rechtsmiddel kent tegen de krachtens deze wet gegeven ministeriële beschikking. Voorts wordt overwogen dat de wetgever kennelijk niet heeft gewild dat de besluiten van de Minister van Arbeid die als een eindbeslissing beschouwd kunnen worden, door de onafhankelijke kantonrechter getoetst worden. Er zijn namelijk geen toetsingsmogelijkheden vervat in de Wet Ontslagvergunning. De Minister van Arbeid heeft ingevolge de Wet Ontslagvergunning een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan de Minister in meer of mindere mate beleidsvrijheid wordt toegekend om in concrete gevallen eigen inzicht een besluit te nemen. Uitsluitend de bestuursrechter is bevoegd om een besluit van de Minister te vernietigen en dan ook slechts op formele en procedurele gronden. Nu deze rechtsinstantie ontbreekt in Suriname en er desondanks moet worden voorzien in de rechtsbescherming van de justitiabelen, is de kantonrechter op grond van artikel 158 lid 2 van de Grondwet van Suriname, bevoegd om de onrechtmatigheid van elke finale en afdwingbare handeling van organen van de overheidsadministratie te beoordelen. Deze beoordeling is echter een marginale toetsing met betrekking tot de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, doch heeft niet de vernietiging dan wel de nietigverklaring van het genomen besluit door de overheidsadministratie als rechtsgevolg, doch slechts de veroordeling tot het vergoeden van de schade die voortvloeit uit het genomen besluit.
Bovendien wordt vastgesteld dat de rechtspositie van eiser als werknemer uitsluitend wordt beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met gedaagde sub B, zijnde de werkgever. De bevoegdheid van de Minister van Arbeid is gestoeld op de beoordeling van de ontslagredenen vervat in de ontslagaanvraag. De enkele beoordeling van de ontslagredenen raakt de rechtspositie van de werknemer niet, zodat een gerechtelijke actie van eiser tegen een Beschikking van de minister van Arbeid is uitgesloten. Het onderliggende geschil waarover de kantonrechter zich moet uitlaten, betreft de door gedaagde sub B opgegeven ontslagredenen en niet de beoordeling hiervan door gedaagde sub A. Eiser zal ten aanzien van de vordering onder A van het petitum derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

Terzake de vordering tot vernietiging c.q. nietigverklaring v/d brief d.d. 30 december 2015
4.5. Als gevolg van hetgeen onder r.o. 4.4. is overwogen, kan de brief gedateerd 30 december 2015, waarin staat dat eiser is ontslagen, evenmin worden vernietigd dan wel nietig worden verklaard. De door de Minister van Arbeid verleende ontslagvergunning vormt namelijk de grondslag van de brief gedateerd 30 december 2015. Eiser zal derhalve eveneens ten aanzien van dit deel van de vordering, sub B van het petitum, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De toetsing of het ontslag onredelijk is
4.6. De kantonrechter is wel bevoegd om te toetsen of het ontslag van eiser ingevolge artikel 1615s lid 2 BW kennelijk onredelijk is. De stellingen en weren omtrent de door gedaagde opgegeven ontslaggronden zullen hierna worden weergeven en beoordeeld.

De door gedaagde sub B opgegeven ontslaggronden
4.7. Gedaagde sub B heeft de navolgende verwijten gemaakt aan eiser. Er hebben een aantal serieuze en ernstige onvolkomenheden en misstanden in de afgelopen jaren plaatsgevonden onder de leiding van de directeur, waarop eiser als mede leidinggevende ook controle had moeten uitoefenen. Door de navolgende handelingen en besluiten van eiser, heeft hij gedaagde sub B ernstig nadeel geleden.

4.7.1. Het besluit van de directeur en de coördinator Commerciële Zaken van gedaagde sub B om per juni 2012 haar belkaarten, die op dat moment alleen besteld werden bij en gedrukt werden door het bedrijf Tele-Pak Inc., gevestigd te New York, USA, tegen hogere kosten te bestellen bij en te laten drukken door [bedrijf 1], gevestigd aan [adres] te [district].

4.7.2. De overeenkomst met en de bijkomstigheden in relatie tot [bedrijf 2], waarbij gedaagde sub B tegen alle gebruiken in, volledig de huur betaalt van de twee locaties van [bedrijf 2], terwijl slechts 10% van de beschikbare fysieke ruimte gebruikt wordt om producten van gedaagde sub B te verkopen.

4.7.3. De opzet en de financiële activiteiten bij Telesur Multimedia Innovation Laboratory, waarbij er onder andere in strijd is gehandeld met de gunningsprocedure, de inkoopprocedure, de voorraadprocedure en de procedure met betrekking tot het gebruik van creditcards.

4.7.4. De aankoop door gedaagde sub B van zend/transmissie apparatuur bij het bedrijf Divitel, gevestigd te Willemstad Curaçao, ten behoeve van [bedrijf 3], waarbij er slechts één offerte is aangetroffen, terwijl indien de aankoop door gedaagde sub B bij DB Electronica had plaatsgevonden, een bedrijf waarmee er reeds goede relaties bestaan, dit een extra besparing voor gedaagde sub B zou opleveren.

4.7.5. Het tegen de inkoopprocedure in, aankopen van mobiele telefoontoestellen, mifi devices en andere apparatuur via [bedrijf 4], waarbij gedaagde sub B meer betaald heeft dan wanneer de toestellen rechtstreeks bij WGI Wireless waren aangeschaft. Aangezien de aankopen buiten de inkoopprocedure om werden voortgezet en er steeds bij dezelfde tussenpersoon werd ingekocht, wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake kan zijn geweest van een incident, omdat ondanks bezwaren deze activiteiten werden voortgezet.

4.7.6. Het inhuren van [adviesbureau] voor het FPO traject binnen gedaagde sub B, waarbij er geen andere offertes zijn aangetroffen en waarbij een bedrag boven het geautoriseerd bedrag is uitgegeven.

4.7.7. De onrechtmatige installatie van twee van gedaagde sub B afkomstige Wilson generatoren bij de privé woningen van de coördinator Commerciële Zaken, waarbij eiser gewoon de opdracht heeft gegeven om de in goede technische staat verkerende generatoren bij zijn privé woning te laten installeren. Dit is een duidelijk geval van misbruik maken van bevoegdheid als directielid en een benadeling van gedaagde sub B.

4.7.8. De ontwikkelingen in relatie tot Telesur Mobiel Nederland (TMN), waarbij over de afgelopen jaren een verlies is geleden (ongeveer US 14.156.884), terwijl de indruk werd gewekt alsof het project winstgevend was. Opmerkelijk hierbij was dat slechts de resultatenrekening werd gepresenteerd, waardoor het vermogen van TMN uit beeld bleef.

4.7.9. Gedaagde sub B heeft tevens aangegeven dat de conclusie wordt getrokken dat in alle genoemde gevallen er sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden door eiser en dat er op structurele wijze door hem werd verzuimd om te bewerkstelligen dat er een goed intern beheersysteem in place was om de controle en monitoring te doen van activiteiten met grote financiële risico’s.

Het verweer van eiser tegen de ontslaggronden
4.8. Eiser heeft verweer gevoerd tegen de ontslaggronden die gedaagde sub B heeft opgeworpen. Dit verweer komt neer op het navolgende.

4.8.1. Het onderzoek dat de grondslag vormt van het verleende ontslag is niet deugdelijk en objectief verricht. De onderzoeker is namelijk door de directeur van gedaagde sub B eerder ontheven en bij het aantreden van de nieuwe RvC/directie, is hij in ere hersteld, waardoor het intern rapport elke schijn van objectiviteit heeft verloren.

4.8.2. Uit de inleiding van het interne rapport blijkt niet concreet wat de onderzoeksopdracht is, en voorafgaand het onderzoek is er sprake van een conclusie en van vooringenomenheid.

4.8.3. Nu onverantwoorde besteding van middelen van gedaagde sub B het onderwerp van onderzoek is, diende eiser schriftelijk geïnformeerd te worden over het te verrichten onderzoek en diende hij daarbij betrokken te worden, hetgeen niet is gebeurd. Gedaagde sub B heeft hierdoor in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor gehandeld.

4.8.4. De Minister van TCT dan wel de Raad van Ministers, althans de regering, heeft krachtens artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, zowel eiser als directeur, décharge verleend over al de jaren van zijn mede-directeurschap, in concreto over de boekjaren 2009-2014. Eiser kan gelet hierop niet verantwoordelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in die periode.
Volgens vaste en constante jurisprudentie heeft décharge, ontslag van aansprakelijkheid tot gevolg. Een décharge omvat het handelen of nalaten van een bestuurder, ingeval de algemene vergadering bekend was met een dergelijk handelen of nalaten.

4.8.5. De betreffende generatoren waren reeds afgeschreven door gedaagde sub B en zouden worden afgestoten. Eiser heeft ze op eigen kosten gebruiksklaar gemaakt.

4.8.6. Alle betalingen en/of rechtshandelingen die door gedaagde sub B worden gekwalificeerd als administratieve onregelmatigheden/onvolkomenheden, zijn verwerkt in de boekhouding c.q. jaarrekening, waaronder de balans en winst- en verliesrekening.

4.8.7. De onderzoeker heeft geen rekening gehouden met de marketing argumenten en het feit dat de implementatie van de activiteiten c.q. projecten, waarvan onregelmatigheden worden verweten, altijd een collectief besluit is geweest. De RvC heeft voorafgaande goedkeuring gegeven en naderhand décharge verleend.

4.8.8. Eiser is door de jaren heen, zoals de doctrine als voorwaarde stelt, nooit aangesproken dat hij tekort is geschoten in het verrichten van zijn werkzaamheden en/of handelen, noch is hem door de RvC noch door de Minister ooit enig verwijt gemaakt dat hij buiten zijn beslissingsbevoegdheid is getreden. Het is onbehoorlijk om eiser achteraf verwijten te maken over zijn handelingen, waarvoor reeds décharge was verleend.

4.8.9. Uit het voorgaande is komen vast te staan dat aan eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Zijn handelingen zijn niet van zodanig gewicht dat het een grond oplevert tot ontslag.

4.9. Gedaagde sub B heeft tegen het gevoerd verweer door eiser, het navolgende aangegeven.
Zij heeft betwist dat eiser geen inzage heeft gehad in de tussentijdse rapporten. Aan eiser is op 05 en 10 november 2015, de gelegenheid geboden om gehoord te worden. Bij het schrijven van de Minister van TCT, d.d. 06 november 2015, is aan eiser de ruimte geboden om zich schriftelijk te verweren. Het toen beschikbare tussentijds rapport is als bijlage verzonden.
Eiser is in zijn verdediging erg puntsgewijs en nauwgezet ingegaan op de punten in het boven aangehaald schrijven, alsook op de punten in de tussentijdse onderzoeksrapporten.
Vanwege de ernst van de onregelmatigheden, althans de wanprestatie voor het bedrijf en de Staat Suriname, is er geen ‘verbetertraject’ dat als optie kon worden voorgesteld, aangezien het vertrouwen in eiser reeds dusdanig was geschonden dat voortzetting van de dienstbetrekking uiteindelijk geen optie meer was.
Gedaagde sub B heeft terzake de verleende décharge aangegeven dat uit de tussentijdse rapporten is gebleken dat eiser de RvC en de Minister toen heeft misleid, dan wel informatie heeft verzwegen voor hun. In de doctrine en jurisprudentie staat aangeven dat een bestuurder aan wie kwijting is verleend, hierop geen beroep kan doen in geval van misleiding of verzwijging of misbruik van vertrouwen.

Het verwijt van onbehoorlijk bestuur
4.10. De kantonrechter overweegt dat de hoofdregel van behoorlijk bestuur is dat de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voorts wordt overwogen dat bij onbehoorlijk bestuur het gaat om gedragingen die als “schuldige verwaarlozing van de bestuurstaak” kunnen worden aangemerkt. Het is geenszins de bedoeling om de bestuurders een verwijt te maken van fouten, misrekeningen of achteraf beschouwd onjuiste beoordelingen van feiten en omstandigheden die voor het bepalen van het bestuursbeleid van belang zijn. Voor onbehoorlijke taakvervulling is méér nodig, in het bijzonder dat er onverantwoordelijk is gehandeld met de wetenschap — objectief te bepalen — dat de rechtspersoon daarvan de dupe zouden kunnen worden. Een zodanige taakvervulling is gelijk te stellen met misbruik van bevoegdheid.

4.11. Naar aanleiding van het vorenstaande acht de kantonrechter de door gedaagde sub B verweten handelingen aan eiser, an sich niet behorende tot onbehoorlijk bestuur. Immers, eiser heeft in zijn verweer gemotiveerd aangegeven waarom hij gekozen heeft om de handelingen vermeld onder r.o 4.7. Eiser zijn verweer tegen hetgeen hem verweten wordt, komt zoals het CLAD samengevat heeft weergeven in haar rapport neer op “handelingen die gepleegd zijn uit zakelijke en commerciële overwegingen”. De kantonrechter overweegt dat gelet op de uitvoerige motivering vervat in het verweerschrift gedateerd 24 december 2015, het op de weg van gedaagde sub B lag om het standpunt van eiser dat het door hem gevoerde beleid niet tot schade heeft geleid, te weerleggen.

4.12. De kantonrechter acht voor de weerlegging van het standpunt van eiser, het intern rapport opgesteld door gedaagde sub B niet voldoende. Het intern rapport is namelijk opgebouwd uit autorisatie-aanvragen, facturen, nota’s, offertes, financiële overzichten, verklaringen van personen werkzaam binnen gedaagde sub B en wisseling van e-mail berichten. Gedaagde sub B had echter middels een vergelijking van de twee perspectieven namelijk de zakelijke en commerciële invalshoek enerzijds en de invalshoek inkoopfunctie anderzijds, duidelijk en inzichtelijk moeten maken waarom er enkel en alleen gekozen moest worden voor de invalshoek van de inkoopfunctie, ter behartiging van de belangen van de rechtspersoon. Ook zou moeten blijken dat eiser ondanks het vorenstaande, eigendunkelijk de zakelijke en commerciële invalshoek heeft gekozen, zodat gedaagde sub B hierdoor benadeeld is geworden. Gedaagde sub B heeft zulks nagelaten, zodat de kantonrechter niet zondermeer kan uitgaan van de juistheid van haar standpunt, dat zij is benadeeld door de handelingen van eiser en diens team. Ook heeft gedaagde sub B nagelaten om een verklaring van een terzake deskundige over te leggen, waaruit het voordeel van de invalshoek van de inkoopfunctie overduidelijk zou moeten blijken.

Misbruik van bevoegdheid door eiser
4.13. De kantonrechter overweegt dat blijkens het CLAD rapport, gedaagde sub B niet beschikt over formele procedurebeschrijvingen met betrekking tot de inkopen, de aanbestedingsprocedure en overige procedures, zodat niet vastgesteld kon worden of er sprake is van overschrijding van bevoegdheden. De kantonrechter kan deze stelling volgen, nu uit artikel 10 lid 2 van de Wet C-38 blijkt dat bekrachtiging van rechtshandelingen vervat in lid 1 van dat artikel, kan plaatsvinden door goedkeuring achteraf van de RvC. Voor het geval dat gedaagde sub B heeft beoogd te stellen dat er wel procedurebeschrijvingen zijn, die niet gevolgd zijn door eiser, hebben zij nagelaten om aan te geven wat deze procedurebeschrijvingen zijn. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter zal uitgaan van de juistheid van voormelde stelling vervat in het CLAD rapport.

De conform artikel 15 lid 7 van de Wet C-38 verleende décharge
4.14. Décharge wordt omschreven als het verlenen van kwijting aan een bestuurder voor het gevoerde beleid. Décharge heeft het ontslag van aansprakelijkheid van de bestuurder voor al zijn handelen tot gevolg. In lijn met de uitspraak van de Hoge Raad, bekend onder HR
20 oktober 1989, NJ 1990, 308, overweegt de kantonrechter dat het rechtsgevolg van de verleende décharge ook geldend is wanneer de bestuurder de onderneming bewust en opzettelijk schade heeft berokkend. Echter brengt het feit dat de vennootschap de bestuurder décharge heeft verleend, niet zondermeer met zich mee dat de bestuurder niet meer intern aansprakelijk is voor de door de vennootschap geleden schade.
Overwogen wordt dat de décharge slechts toeziet op het gevoerde beleid van de bestuurder, zoals blijkt uit de jaarrekening. De décharge is ook geldend ten aanzien van de expliciete door het bestuur gegeven toelichting voor feiten ten tijde van de verleende décharge. De kantonrechter volgt de Hoge Raad ook in zijn overweging dat “décharge zich niet uitstrekt tot hetgeen de aandeelhouders redelijkerwijs konden weten dan wel tot hetgeen waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, bedacht konden zijn”, vervat in de uitspraak bekend onder HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360.

4.15. Als gesteld en niet weersproken staat rechtens vast dat de Minister van TCT, in overeenstemming met artikel 15 lid 7 van de Wet C-38, décharge heeft verleend aan het bestuur waarin eiser mede leidinggevende was over de jaren 2009-2014. Tijdens de comparitie van partijen heeft de gevolmachtigde van gedaagde sub B verklaard dat er eveneens décharge is verleend over het jaar 2015. Nu hetgeen is bepaald onder r.o. 4.14 is gebaseerd op décharge van het bestuur, overweegt de kantonrechter dat nu de onderdirecteur, deel uitmaakt van het bestuur, de verleende décharge ook betrekking heeft op hem.
Gelet op hetgeen onder r.o. 4.14. staat vermeld, is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van gedaagde sub B lag om te onderbouwen ten aanzien waarvan de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of welke informatie door eiser is verzwegen, teneinde een décharge te verkrijgen. Indien gedaagde sub B heeft bedoeld dat de handelingen onder 2.12 sub a tot en met f en h van dit vonnis vermeld, zijn verzwegen, had hij dit moeten aantonen door aan te geven dat deze handelingen niet zijn meegenomen in de jaarrekening van de desbetreffende jaren. In het door gedaagde sub B overgelegde tussentijds rapport gedateerd 09 november 2015, zijn er acht punten met bijlagen opgenomen, waarvan zes punten zijn vervat in de ontslagvergunning. Uit het tussentijds rapport, valt ook niet concreet af te leiden welke informatie verzwegen zou zijn voor gedaagde sub B.
Gedaagde sub B heeft haar stelling dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie niet kunnen concretiseren, zodat de kantonrechter voorbij zal gaan aan de stelling dat de Minister is misleid tot het verlenen van décharge of dat eiser enige informatie aan de RvC en de Minister heeft verzwegen in door hem opgemaakte jaarrekeningen.
De gewezen directeur van gedaagde sub B heeft voorts ter comparitie verklaard dat het bestuur onder zijn beleid, waaronder eiser, altijd een presentatie gaf over nieuwe projecten, teneinde een autorisatie van de RvC te krijgen. Deze stelling is door een raadslid in de RvC bekrachtigd. Voormeld lid heeft namelijk verklaard dat er veel presentaties door de directie werden gegeven om goedkeuring te krijgen en dat er vaak achteraf goedkeuring werd verleend door de RvC.
Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter ervan uitgaan dat er over de jaren 2009-2015, door de minister van TCT, décharge is verleend aan het bestuur mede onder leiding van eiser, zonder dat er sprake is van misleiding dan wel verzwijging van informatie door eiser.

De gestelde benadeling van gedaagde sub B
4.16. De kantonrechter overweegt dat uit het jaarverslag van het jaar 2015, waarin eiser mede leiding gaf aan het bestuur, blijkt dat gedaagde sub B winsten heeft geboekt. Deze vaststelling wordt eveneens door de vertegenwoordiger van gedaagde sub B ter comparitie erkend. De stelling van de gemachtigde dat, indien de jaarrekening in 2015 positief is, dit niet zondermeer met zich meebrengt dat gedaagde sub B geen schade heeft geleden, kan niet worden gevolgd. Immers, gedaagde sub B heeft nagelaten om de gestelde schade te concretiseren. Zoals reeds door de kantonrechter is overwogen onder r.o. 4.12, heeft gedaagde sub B niet middels een door de accountant vastgestelde berekening en verklaring, aangegeven wat de jaarrekening zou moeten zijn met het door gedaagde sub B wenselijk geachte beleid. Het feit dat uit de door de accountant opgestelde report on the financial statements van gedaagde sub B, blijkt dat er in 2016, het jaar van het bestuur zonder leiding door eiser, verliezen zijn geleden in vergelijking met de jaren 2012 tot en met 2015 van het bestuur onder leiding van eiser, draagt bij tot de conclusie dat gedaagde sub B geen als zodanige schade heeft geleden onder het mede bestuur van eiser. Zelfs als er rekening wordt gehouden met de inflatie, overweegt de kantonrechter dat uit de toelichting van de accountant blijkt dat: de omzet van de aangeboden diensten is verminderd en een toename van verkoop-en afzetkosten. Voorts is gebleken van een vermindering in de kosten. Een vermindering in de financiële inkomsten is toegeschreven aan de devaluatie van het courant SRD.

4.17. Ten aanzien van de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, overweegt de kantonrechter het navolgende. De management letters zijn richtlijnen aan het bestuur om een gerichte gang van zaken binnen de vennootschap te bewerkstelligen. De mate van prioriteit terzake de posten kan invloed uitoefenen op de resultaten van de jaarrekeningen.
De kantonrechter acht voornamelijk de beoordeling van de “financial reporting & analyses” door de accountant essentieel om een conclusie te trekken over het door eiser mede gevoerde beleid. Uit de management letter 2014 en het concept management letter 2015 blijkt het volgende.
• De periodieke analyses en aansluitingen werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld.
• De verbandlegging internationaal verkeer werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• De bewaking begroting werden in beide jaren met een high prioriteit beoordeeld.
• De cashmanagement werden in beide jaren met een low prioriteit beoordeeld.
• Verbanden standen registers werden in beide jaren met een medium prioriteit beoordeeld

In het concept management letter 2015 zijn de navolgende posten bijgekomen.
– Inkomstenbelasting en afwikkeling carriers die respectievelijk met een medium en high prioriteit werden beoordeeld.
Uit het vorenstaande valt te concluderen dat het beleid van het bestuur, waarin eiser mede leidinggevende was, op een aantal punten matig was en kon worden verscherpt en dat de mate van dringendheid op twee posten hoog waren.

4.18. De kantonrechter overweegt dat terzake een oordeel over benadeling van gedaagde sub B door het mede gevoerde beleid van eiser, zij voornamelijk de post periodieke analyses en aansluitingen noodzakelijk acht bij de beoordeling. Uit de overgelegde management letter 2014 en concept management letter 2015, blijkt dat periodieke analyses en aansluitingen inhoudt dat er onvoldoende afstemmingen en analyses plaatsvinden ten aanzien van de financiële rekeningen. De afstemmingen en analyses worden veelal aan het eind van het boekjaar uitgevoerd, waardoor eventuele verschillen of onduidelijkheden niet tijdig worden ontdekt en verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het uitzoekwerk veelal tijdrovend is. Het risico dat daaraan wordt verbonden is dat tussentijdse, interne cijfers onjuistheden vertonen.
Het vorenstaande werd als matig beoordeeld door de accountant, hetgeen aangeeft dat eiser als mede verantwoordelijke wel aandacht aan deze post moest schenken, doch behoorde het niet tot de allerhoogste prioriteit.

4.19. Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat gelet op hetgeen is vastgesteld in het CLAD rapport vermeld onder 2.20 sub c van dit vonnis, gedaagde sub B kan zijn benadeeld door het mede gevoerde beleid van eiser. De stelling van eiser dat het afgeschreven generatoren betrof die zouden worden afgestoten en dat hij met zijn eigen financiële middelen de generatoren in werkende staat heeft gebracht, strookt niet met hetgeen is vastgesteld in het CLAD rapport. De kantonrechter is echter van oordeel dat de ernst van de benadeling niet van dien aard is, dat zulks een besluit tot ontslag van eiser rechtvaardigt.

De bevoegdheden van de RvC
4.20. De kantonrechter overweegt dat voor het deugdelijk functioneren van een vennootschap, een wisselwerking met de nodige checks and balances vereist is tussen de drie organen, namelijk de aandeelhouders, de RvC en het bestuur. Deze wisselwerking is eveneens in de Wet C-38 uitgedrukt, doch blijkt dat de naleving hiervan is uitgebleven indien de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de stelling van gedaagde sub B, dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer.

4.21. Op grond van artikel 9 lid 2 van de Wet C-38, dient de RvC het directie-reglement, op basis waarvan de directie de verdeling van hun taken en hun werkwijze regelt, goed te keuren. Ingevolge artikel 12 lid 1 van de Wet C-38, is de RvC belast met toezicht op het bestuur en beheer van de directeur. Lid 4 van voormelde artikel geeft de RvC het recht tot inzage van de boeken en bescheiden van het bedrijf en het opnemen van de kas. En op grond van lid 5 kan de RvC zich voor rekening van het bedrijf doen bijstaan door één of meer door hem aan te wijzen deskundigen. Blijkens artikel 15 dient de RvC de balans en de winst- en verliesrekening met de toelichting te onderzoeken en moet zich daarbij doen bijstaan door een register-accountant. De raad dient hieromtrent een pre-advies aan de Minister uit te brengen.

4.22. Overwogen wordt dat op grond van het vorenstaande, het de taak van de RvC is om er op toe te zien dat het bestuur de noodzakelijke informatie verstrekte en verantwoording aflegde terzake hun beleid, waaronder de gedane inkopen, de gesloten overeenkomsten, de uitvoeringen van projecten en dat de boekhoudplicht nagekomen werd. De RvC had zich door het bestuur over het vorenstaande moeten laten inlichten en zich door een deskundige hieromtrent laten adviseren en had zo nodig moeten ingrijpen. Met een actieve houding van de RvC, waren de gestelde misstanden eerder ontdekt en kon hierop, in het belang van de vennootschap, met een adequate maatregel ingegrepen worden.

4.23. De kantonrechter overweegt voorts– in afwijking op wat gedaagde sub B heeft aangevoerd – dat het achteraf toetsen van het bestuur onvoldoende is om te kunnen concluderen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid dan wel wanbeheer in strijd met de Wet
C-38. De gestelde misstanden onder het medebeleid van eiser, dienen niet uitsluitend voor rekening van eiser te komen. De RvC diende, gelet op hun bevoegdheden vermeld onder artikel 12 van de Wet C-38, zich eveneens op een behoorlijke wijze van haar controlerende en toezichthoudende taak te hebben gekweten. De RvC had zich kortom actiever moeten opstellen.

4.24. De kantonrechter kan de stelling van het raadslid van de RvC ter comparitie, dat de link tussen de specifieke autorisatie en de jaarrekening niet te controleren valt door de RvC en dat de RvC niet heeft gefaald, niet volgen. Hetzelfde raadslid heeft namelijk, direct na voormelde verklaring, op de vraag: op grond waarvan er is vastgesteld dat autorisaties achteraf werden ingediend, aangegeven dat zulks aan het licht is gekomen doordat er stukken van de afgelopen drie jaren zijn opgevraagd en bestudeerd. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het antwoord van het raadslid, duidelijk valt te concluderen dat er wel degelijk controle kon worden uitgeoefend door de RvC ten aanzien van het door het bestuur gevoerde beleid en de gepresenteerde jaarrekeningen. Ook valt niet in te zien waarom de Minister van TCT décharge over het jaar 2015 zou verlenen, wanneer er gesteld wordt dat de overschrijding van de autorisatie ten aanzien van de Future Proof organisatie in het jaar 2015 is geconstateerd. De handelingen van de RvC en de Minister van TCT stroken niet met de verwijten die ze aan eiser maken.

4.25. De kantonrechter overweegt dat het feit dat er aan eiser décharge is verleend met betrekking tot zijn mede gevoerd beleid gedurende de jaren 2009- 2015, tot de conclusie leidt dat er binnen gedaagde sub B sprake is van een tolerante dan wel passieve houding zijdens de RvC. De verklaringen ter comparitie van het raadslid in de RvC, onder andere dat de RvC geen invloed had op de autorisatie en dat eiser heeft aangegeven dat de president-commissaris zijn goedkeuring moest geven en niet de leden van de RvC, dragen bij tot voormeld oordeel. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het bestuur mede onder leiding van eiser, gedurende 2009 tot en met het aantreden van de nieuwe RvC, ooit is verweten van het voeren van onbehoorlijk bestuur.
Voor de kantonrechter is het dan ook niet vreemd dat deze houding van de RvC, heeft geleid tot een bestuur met een grote mate van beleidsvrijheid.

4.26. Tegen de achtergrond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om uitsluitend eiser, verantwoordelijk te houden voor de gestelde misstanden en daarbij ook nog, zonder voorafgaande waarschuwing of kans tot herstel van de gemaakte fouten, de ingrijpende maatregel van ontslag te koppelen. De kantonrechter overweegt dat gelet op de feiten en omstandigheden, gedaagde sub B het ontslag als ultimum remedium had moeten gebruiken. Naar het oordeel van de kantonrechter hadden gedaagden tenminste op het CLAD-rapport, zijnde een onafhankelijk en objectief onderzoek, moeten wachten, nu is komen vast te staan dat [waarnemend manager corporate audit] de specifieke opdracht had gehad om de handelingen van eiser en nog 4 bij name genoemde stafleden van gedaagde sub B te onderzoeken. De nieuwe RvC heeft niet of nauwelijks overleg gehad met eiser, nog minder hem de gelegenheid geboden om alle gevraagde informatie binnen een redelijke termijn te verzamelen. Ook heeft er geen goede belangen overweging plaatsgehad, gelet op het aantal dienstjaren van eiser bij gedaagde sub B.

4.27. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet valt in te zien, waarom de personen die zijn gehoord bij het opstellen van het intern rapport en de RvC leden, die het kennelijk oneens waren met het beleid van het bestuur, de door hen geconstateerde misstanden dan wel wanbeleid, niet eerder ter kennis hebben gebracht van de RvC dan wel de Minister van TCT, de organen die conform de Wet C-38 bevoegd waren om tegen het wanbeleid op te treden.

De conclusie
4.28. Nu niet rechtens vaststaat dat eiser:
• zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur;
• gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid,
mede gelet op:
• de passieve houdingen van de RvC en de Staat die een grote mate van beleidsvrijheid zijdens eiser bewerkstelligden,
• de duur van de dienstbetrekking van eiser;
• en de voor eiser getroffen voorzieningen, het na het ontslag ontvangen van zes maanden loon, is de kantonrechter van oordeel dat ingevolge artikel 1615s lid 2 sub b BW, het ontslag van eiser kennelijk onredelijk is.

Ten aanzien van de vordering tot herstel van de dienstbetrekking
4.29. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t BW, wordt aan de kantonrechter de mogelijkheid geboden tussen het toekennen van een billijke vergoeding aan de benadeelde of het opdragen aan de werkgever om de arbeidsrelatie te herstellen.
De kantonrechter ziet in het tijdsverloop een reden om gedaagde sub B niet te veroordelen het dienstverband met eiser te herstellen. Immers, de opgelopen spanningen tussen eiser en gedaagde sub B vanaf de schorsing van eiser tot aan het onderhavig proces, is voor de kantonrechter reden om de dienstbetrekking tussen partijen niet te herstellen. Naar het oordeel van de kantonrechter zou het herstel van de dienstbetrekking tussen partijen niet doeltreffend zijn, nu gedaagde sub B reeds heeft voorzien in de vacature van de onderdirecteur. Dit deel van de vordering, sub D van het petitum, zal derhalve worden afgewezen.

Ten aanzien van de vaststelling van de vergoeding
4.30. Voorop dient te worden gesteld dat eiser de door hem gevorderde schadevergoeding duidelijk heeft onderbouwd en wel als navolgt. Gelet op zijn functie en aantal dienstjaren, heeft hij een schadevergoeding van drie maanden brutoloon per dienstjaar gevorderd. Hij heeft voorts gesteld dat bij de hantering van de drie maanden ook rekening is gehouden met de aan het salaris toegekende emolumenten, die eveneens verloren zijn gegaan. Uit de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst, blijkt dat zijn laatst toegekende brutoloon met emolumenten SRD 20.000,- bedraagt. Eiser zijn berekening luidt als volgt: 60 maanden X SRD 20.000,- = SRD 1.200.000,-.
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst, de blote betwisting van gedaagde sub B betreffende het loon van eiser niet opgaat.

4.31. Uit hoofde van artikel 1615s BW is de kantonrechter bevoegd om de gevorderde vergoeding te matigen als deze haar gelet op de omstandigheden onbillijk voorkomt. Uit de keuzemogelijkheid die artikelen 1615s en1615t BW de werknemer bieden, volgt dat bij het vaststellen van de billijke vergoeding op grond van artikel 1615s BW, mede kan worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als gedaagde sub B niet tot ontslag van eiser zou zijn overgegaan. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. De kantonrechter zal evenwel ondersteuning zoeken bij de zogenoemde kantonrechtersformule die wordt gebruikt bij ontslag, waarbij factor A voorschrijft dat elk dienstjaar boven 55 jaar, 2x meetelt; factor B, zijnde het vaste bruto maandsalaris; factor C variërend tussen 0 en 1, naarmate de risicosfeer van het ontslag aan de werkgever te wijten is geweest. Eiser heeft 20 dienstjaren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat eiser reeds 55 jaar oud is. Factor A wordt aldus vastgesteld op 2. Factor B is het Bruto salaris ad
SRD 20.000,-.

4.32. Vanwege de verzwaarde motiveringsplicht van de werkgever, is de kantonrechter ervan uitgegaan dat niet rechtens vaststaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur of gedaagde sub B (ernstig) heeft benadeeld met zijn beleid. De kantonrechter overweegt echter dat op grond van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de vaststelling van het kennelijk onredelijk ontslag, niet uitgesloten kan worden dat eiser enige mate van nalatigheid kan worden verweten. Immers kan van een goede bestuurder worden verwacht dat hij steeds in overleg is met de RvC over de besluiten die de vennootschap raken. Voorts diende erop worden toegezien dat er checks en balances in place waren voor adequate monitoring teneinde misstanden te voorkomen. De passieve houding van de RvC hoeft in beginsel niet te leiden tot een beleidsvrijheid zonder beperkingen. De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat factor C vastgesteld kan worden op 0,75.

4.33. De schadevergoeding komt aldus op 20x2xSRD 20.000,-x0.75= SRD 600.000,-

4.34. Gedaagde sub B zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren, dan wel de vernietiging van de beschikking, althans het besluit van de Minister van Arbeid tot het verlenen van de ontslagvergunning de dato 30 december 2015 no. [nummer].

5.2. Verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het nietig verklaren, dan wel de vernietiging van het besluit van de Minister van TCT, althans gedaagde sub B tot het verlenen van ontslag aan eiser, vervat in de brief van 30 december 2015.

5.3. Veroordeelt gedaagde sub B om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van SRD 600.000,- (zeshonderdduizend Surinaamse dollar), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf 29 juni 2016 tot aan de algehele voldoening.

5.4. Verklaart hetgeen is beslist onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. Veroordeelt gedaagde sub B in de proceskosten aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 230,- (tweehonderd dertig Surinaamse dollar).

5.6. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 25 augustus 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
hierna te noemen [verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde voorheen: mr. L.C.A. Latour, advocaat,
thans: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Justitie en Politie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
hierna te noemen de Staat,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.A.J. Hupsel, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaten.

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen en uitgesproken op 2 november 2012.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het tussenvonnis d.d. 2 november 2012, waarbij [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting;
  • ten dage voor enquête zijdens [verzoeker] bepaald heeft deze geen voortgang gevonden en is vervolgens voor gesloten verklaard;
  • de conclusie na niet gehouden enquête met productie zijdens [verzoeker];
  • de conclusie na niet gehouden enquête zijdens de Staat.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof neemt over en volhardt in al hetgeen in het tussenvonnis d.d. 2 november 2012 is overwogen en beslist.

2.2 Bij tussenvonnis d.d. 2 november 2012, is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting.

2.3 [verzoeker] heeft geen getuigen doen horen als gevolg waarvan de enquête voor gesloten is verklaard.

2.4 [verzoeker] heeft bij nadere conclusie een door notaris R.B. Manna gelegaliseerde schriftelijke getuigenverklaring, getekend door [getuige 1], doen overleggen. Deze [getuige 1] is blijkens verklaringen aangetroffen in het procesdossier, door twee collegae Penitentiaire Ambtenaren, namelijk [getuige 2] en [getuige 3] genoemd als een van de personen die ook op het feestje was van [verzoeker] op 17 februari 2009 en die zich eveneens tegoed heeft gedaan aan alcoholhoudende drank in de inrichting. [verzoeker] heeft zelfs verklaard dat hij op aandringen van [getuige 4] een borrel heeft gepakt.

2.5 De Staat heeft haar verweer onderbouwd met uitgebreide verklaringen zoals die te lezen zijn in het overgelegde informatierapport van 23 februari 2009 en waarin is verklaard dat op 17 februari 2009, alcoholhoudende drank is genuttigd in de inrichting tijdens kantooruren in verband met een verjaardagsfeestje van [verzoeker] en voorts dat laatstgenoemde tezamen met verschillende met name genoemde collega’s zich hieraan hebben tegoed gedaan.

2.6 [verzoeker] heeft nagelaten om hierop gemotiveerd te reageren. De summiere schriftelijke verklaring van [getuige 1] waarvan de betrouwbaarheid notabene door de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3], en [verzoeker] zelf in twijfel wordt getrokken, kan daarom in de visie van het Hof niet als toereikend worden aangemerkt. [verzoeker] is derhalve niet geslaagd in het door hem te leveren bewijs zoals overwogen in het tussenvonnis en wordt het in deze procedure ervoor gehouden dat hij in groepsverband alcohol heeft genuttigd binnen de inrichting tijdens kantooruren. Dit levert naar het oordeel van het Hof plichtsverzuim op. Hiermee is de grondslag van de vordering op de helling komen te staan en dient het door [verzoeker] gevorderde te worden afgewezen.

3. De beslissing

Het Hof:

3.1 Wijst de vorderingen van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fugerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. L.H.R. Rogers, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. R.A.J. Hupsel, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. [verzoekster], advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
ge(vol)machtigden: kapitein mr. J.J. de Bies, beleidsmedewerker op het ministerie van Defensie en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat, en mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 20 mei 2010;
  • het verweerschrift ingediend op 25 augustus 2010;
  • de beschikking van het hof van 07 december 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 februari 2011;
  • de conclusie tot uitlating schikking zijdens [verzoekster] d.d. 20 mei 2011, met een productie;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 05 augustus 2011, waaruit blijkt dat mr. van der San zich namens de Staat mondeling heeft uitgelaten, daarbij aanvoerende dat er een termijn was gegeven om een schikking te treffen en dat de zaak bij de Raad van Ministers ligt;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoekster] d.d. 21 oktober 2011;
  • de conclusie tot beraad intrekking zijdens [verzoekster] d.d. 16 maart 2012, met een productie;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 18 mei 2012, waaruit blijkt dat mr. van der San namens de Staat mondeling heeft gepersisteerd (lees kennelijk: bij zijn mondelinge uitlating van 05 augustus 2011);
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoekster] d.d. 15 juni 2012;
  • de conclusie tot uitlating schikking zijdens de Staat d.d. 19 oktober 2012, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoekster] d.d. 02 november 2012;
  • de pleitnota zijdens [verzoekster] d.d. 07 december 2012, met een productie;
  • de pleitnotitie d.d. 15 februari 2013 zijdens de Staat;
  • de conclusie tot uitlating over de pleitnotitie d.d. 15 maart 2013 zijdens [verzoekster], met een productie;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 05 april 2013, waaruit blijkt dat zowel de Staat als [verzoekster] mondeling heeft gepersisteerd en vonnis heeft gevraagd.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoekster] is in vaste dienst van het ministerie van Defensie in de rang van kapitein en tewerkgesteld op het Centraal Kantoor.

2.2 Bij schrijven van 30 juni 2004 heeft de directeur van Defensie aan de staf en afdelingshoofden van dit ministerie, onder meer, bekendgemaakt dat te rekenen van 01 juli 2004 van kracht is de mutatie van [verzoekster], chef Begrotingszaken, naar de functie van hoofd Financieel-Comptabele Afdeling van het ministerie van Defensie. Laatstgenoemde functie, thans de functie van hoofd Begrotings- en Financiële Zaken, is gewaardeerd in de functiegroep 11, gelijk aan de rang van majoor.

2.3 [verzoekster] heeft zich bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 31 augustus 2009 gericht tot de President van de Republiek Suriname (hierna: de President). In dit schrijven is onder meer het volgende opgenomen:

“Bij bekendmaking van de Directeur van het Ministerie van Defensie d.d. 30 juni 2004 is kapitein [verzoekster], te rekenen van 01 juli 2009, belast met de waarneming van de funktie van Hoofd Financiele- en Comptabele zaken thans geheten Begrotings- en Financiele zaken (BvFZ). (…)
Deze funktie is thans gewaardeerd in de funktiegroep 11, gelijk aan de rang van majoor.
Mijn cliente [verzoekster] neemt langer dan 1 jaar waar in de genoemde funktie en dient volgens de Personeelswet c.q. de Militaire Rechtspositie regeling (…) bevorderd te worden tot majoor belast met de funktie van Hoofd van de Afdeling Begrotings- en Financiele zaken.
Onlangs heeft mijn cliente de vertraging in de (…) bevordering onder de aandacht van de minister gebracht, waarop tot nu toe geen reaktie is ontvangen (…).
Aangezien de President het bevoegde gezag is ten aanzien van kapitein [verzoekster] en niet de Minister, wordt e.e.a. onder uw aandacht gebracht, met het verzoek te willen bevorderen, dat kapitein [verzoekster] (…) te rekenen vanaf 1 juli 2005 bevorderd wordt tot majoor.”

2.4 Ofschoon de President bij schrijven d.d. 14 september 2009 [verzoekster] heeft bericht dat hij het schrijven d.d. 31 augustus 2009 heeft ontvangen en dat het verzoek van [verzoekster] in behandeling is genomen, is enig bericht ter zake tot de dag van vandaag uitgebleven.

2.5 Bij schrijven d.d. 17 mei 2011, [kenmerk], is namens de directeur van Defensie in reactie op een schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] d.d. 21 maart 2011, aan vorenbedoelde procesgemachtigde onder meer het volgende meegedeeld:

“In reactie op uw schrijven betreffende bevordering van Kapitein [verzoekster] naar Majoor kan ik u het volgende doorgeven:

  • Kapitein [verzoekster] is voorgedragen bij de RvM trv 1 januari 2008 bevorderd te worden tot de rang van Majoor.

  • Trv 3 mei 2011 is Kapitein [verzoekster] voorgedragen voor waarneming in de functie van Onderdirecteur Materieel Logistiek en Financiën.

Hopende dat uw cliënt zich terug kan vinden in de voorgestelde schikking.”

2.6 De directeur van Defensie heeft bij schrijven d.d. 18 oktober 2012, [ref. no.], onder meer het volgende aan de procesgemachtigde van de Staat, mr. van der San, meegedeeld:

“Te rekenen van 01 juli 2004 werd kapitein [verzoekster] aangesteld in de functie van hoofd Financieel Comptabele Afdeling (thans geheten hoofd Begroting en Financiele Zaken) van het Ministerie van Defensie. Het beleid was erop gericht om de kapitein voornoemd op basis van de bekendmaking van 30 juni 2004, na een inwerkperiode van 1 jaar en een positieve beoordeling, voor te dragen voor bevordering tot majoor. Dit voornemen is echter niet gerealiseerd wat geresulteerd heeft in een rechtszaak. Met de bedoeling het bestaande conflict op te lossen, heeft het Ministerie van Defensie op 07 mei 2011 een raadsvoorstel ingediend, gewijzigd exemplaar d.d. 20 juli 2011, voor bevordering van kapitein [verzoekster] tot majoor, te rekenen van 01 januari 2008. Hierbij is met betrokkene een schikking getroffen om de rechtszaak in te trekken en zij te rekenen van 01 januari 2008 voor bevordering wordt voorgedragen instede van 01 juli 2005.

Genoemde kapitein heeft zich bereid verklaard de vordering tegen de Staat Suriname in te trekken, na ontvangst van de missive inzake haar bevordering tot majoor, te rekenen van 01 januari 2008, instede van 01 juli 2005.
Bij de behandeling van het genoemde raadsvoorstel in de Onderraad voor Personele Aangelegenheden heeft de voorzitter van deze raad besloten om het rechterlijk vonnis in deze zaak af te wachten.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoekster] vordert, na vermindering van eis, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om haar te rekenen van 01 januari 2008 te bevorderen in de rang van majoor bij het Nationaal Leger, onder toekenning van een salaris van SRD 1.636,- per maand met de daaraan verbonden periodieke verhogingen en emolumenten, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Bij het onder 2.2 genoemd schrijven van de directeur van Defensie is [verzoekster] te rekenen van 01 juli 2004 belast met de waarneming van de functie van hoofd Financiële en Comptabele Zaken, thans geheten Begrotings- en Financiële Zaken. Deze functie is gewaardeerd in de functiegroep 11, gelijk aan de rang van majoor. [verzoekster] neemt reeds langer dan 1 jaar waar in deze functie. Zij komt volgens de ter zake geldende wettelijke regeling dan ook in aanmerking voor een waarnemingstoelage te rekenen van 01 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 en bevordering tot majoor bij het Nationaal Leger belast met de functie van hoofd Begrotings- en Financiële Zaken te rekenen van 01 juli 2005.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoekster], inhoudende dat [verzoekster] zal worden bevorderd tot majoor te rekenen van 01 januari 2008. Naar het hof begrijpt zijn partijen overeengekomen dat [verzoekster] na ontvangst van de resolutie waarin haar bevordering in voormelde zin is vervat, de zaak zou intrekken.

4.1.2 [verzoekster] is akkoord gegaan met het voorstel van de Staat om haar te bevorderen tot majoor te rekenen van 01 januari 2008 in stede van 01 juli 2005. [verzoekster] heeft bij pleitnota gesteld dat de Staat inmiddels de waarnemingstoelage aan haar heeft uitgekeerd en dat zij dientengevolge het daartoe strekkende deel van haar vordering intrekt.

4.1.3 De op grond van het voorgaande verminderde eis van [verzoekster] is weergegeven onder 3.1. [verzoekster] heeft uitdrukkelijk gehandhaafd de veroordeling van de Staat om haar te bevorderen tot majoor onder toekenning van het daarbij behorend salaris, op straffe van een dwangsom, naar zeggen van [verzoekster], omdat de Staat dit zelf heeft voorgesteld. Naar het hof begrijpt doelt [verzoekster] hiermee op de passage “Bij de behandeling van het genoemde raadsvoorstel in de Onderraad voor Personele Aangelegenheden heeft de voorzitter van deze raad besloten om het rechterlijk vonnis in deze zaak af te wachten”, zoals opgenomen in het door de Staat, als productie bij zijn conclusie tot uitlating schikking d.d. 19 oktober 2012, overgelegd schrijven van de directeur van Defensie d.d. 18 oktober 2012, [ref. no.] (zie 2.6).

4.1.4 Het hof constateert dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de bevordering van [verzoekster] tot majoor te rekenen van 01 januari 2008. Hiermee zou de Staat voldoen aan het door [verzoekster] gevorderde. Gesteld noch gebleken is dat de Staat van het overeengekomene is teruggekomen. Blijkens de passage vermeld onder 4.1.3 wacht de Staat echter het vonnis van het hof in deze zaak af. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de Staat zich naar het oordeel van het hof niet (langer) verzet tegen de vordering van [verzoekster], zal deze worden toegewezen.

4.2 Het hof acht termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te mitigeren en maximeren zoals in het dictum te melden.

4.3 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.4 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Veroordeelt de Staat om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis [verzoekster] te bevorderen tot de rang van majoor bij het Nationaal Leger te rekenen van 01 januari 2008, onder toekenning van een salaris van SRD 1.636,- (eenduizend zeshonderdenzesendertig Surinaamse dollar) per maand, met de daaraan verbonden periodieke verhogingen en emolumenten.

5.2 Veroordeelt de Staat om ten titel van dwangsom aan [verzoekster] te betalen de som van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan de onder 5.1 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. J.J. de Bies, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker],
gemachtigde: mr. S. Dulam, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 10 februari 2012;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 07 mei 2012;
  • de beschikking van het hof van 04 juli 2012 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 augustus 2012, welk verhoor is verplaatst naar 20 juli 2012;
  • het proces-verbaal van het op 20 juli 2012 gehouden verhoor van partijen;
  • de producties overgelegd door de Staat op 15 oktober 2012;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 02 november 2012;
  • de pleitnota d.d. 07 december 2012, met producties;
  • de antwoordpleitnota met producties overgelegd op 01 februari 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 01 maart 2013, met producties;
  • de dupliekpleitnota d.d. 05 april 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2013, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is als hoofdbeveiligingsambtenaar 2e klasse in vaste dienst geweest bij de Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname (hierna: BBS) van het Ministerie van Justitie en Politie.

2.2 [verzoeker] is op 12 januari 2010 betrokken geraakt bij een aanrijding, waarbij hij een linker bovenbeen- en een halswervelfractuur heeft opgelopen.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 11 januari 2012, Bureau [no. 1], BBS [no.2] (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst verleend. Daartoe is overwogen:

dat uit de overgelegde stukken is gebleken, dat (…) [verzoeker] (…) zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige plichtsverzuim in de zin van de Personeelswet doordat hij zonder toestemming van het bevoegd gezag en/of bericht van verhindering onwettig van de navolgende diensten is weggebleven, te weten: de ochtenddiensten van vrijdag 01 april 2011, maandag 04 april 2011, donderdag 07 april 2011, vrijdag 08 april 2011, dinsdag 12 april 2011, woensdag 13 april 2011, donderdag 14 april 2011, vrijdag 15 april 2011, dinsdag 19 april 2011, donderdag 21 april 2011, dinsdag 26 april 2011, woensdag 27 april 2011, donderdag 28 april 2011, vrijdag 29 april 2011, woensdag 04 mei 2011, dinsdag 10 mei 2011, vrijdag 13 mei 2011, woensdag 18 mei 2011, woensdag 25 mei 2011, donderdag 26 mei 2011, vrijdag 27 mei 2011, woensdag 01 juni 2011, donderdag 02 juni 2011, vrijdag 03 juni 2011, maandag 06 juni 2011, dinsdag 07 juni 2011, vrijdag 10 juni 2011, vrijdag 17 juni 2011, donderdag 23 juni 2011, vrijdag 24 juni 2011, woensdag 06 juli 2011, donderdag 07 juli 2011, vrijdag 08 juli 2011, vrijdag 15 juli 2011, donderdag 21 juli 2011, vrijdag 29 juli 2011, maandag 01 augustus 2011, donderdag 04 augustus 2011, vrijdag 12 augustus 2011, donderdag 25 augustus 2011, donderdag 01 september 2011, vrijdag 02 september 2011, woensdag 07 september 2011, donderdag 15 september 2011, vrijdag 16 september 2011, vrijdag 23 september 2011, maandag 26 september 2011, vrijdag 30 september 2011, dinsdag 04 oktober 2011, woensdag 05 oktober 2011, donderdag 06 oktober 2011, vrijdag 07 oktober 2011, dinsdag 18 oktober 2011, vrijdag 21 oktober 2011, dinsdag 25 oktober 2011, donderdag 27 oktober 2011, vrijdag 28 oktober 2011, woensdag 02 november 2011, vrijdag 04 november 2011, woensdag 09 november 2011, maandag 14 november 2011, dinsdag 15 november 2011, donderdag 17 november 2011, vrijdag 18 november 2011, maandag 21 november 2011, dinsdag 22 november 2011, woensdag 23 november 2011, donderdag 24 november 2011, maandag 28 november 2011, dinsdag 29 november 2011, donderdag 01 december 2011, maandag 05 december 2011, dinsdag 06 december 2011, woensdag 07 december 2011, donderdag 08 december 2011, vrijdag 09 december 2011, dinsdag 13 december 2011, vrijdag 16 december 2011, maandag 19 december 2011, dinsdag 20 december 2011, dinsdag 27 december 2011 alsmede woensdag 28 december 2011;

dat deze handelingen niet in een gedisciplineerde Dienst getolereerd kunnen worden en als plichtsverzuim worden aangemerkt;

dat betrokkene middels herhaaldelijke schriftelijke oproepingen daartoe in de gelegenheid is gesteld zich terzake te verweren op de reguliere gehouden strafrapporten, doch liet hij zondermeer verstek gaan, waardoor aan de bepaalde hoorplicht is voldaan;

dat gelet op de ernst van deze aangelegenheid, het nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.”

2.4 De ontslagbeschikking is op 23 januari 2012 aan [verzoeker] uitgereikt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit nietig zal worden verklaard en voorts de Staat zal worden gelast die handelingen te verrichten, opdat aan [verzoeker] tegen behoorlijke kwijting wordt uitbetaald zijn salaris verhoogd met de hem toekomende emolumenten, na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet met het aan hem verleend ontslag verenigen, omdat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. [verzoeker] was op alle in de ontslagbeschikking genoemde dagen, waarop hij volgens de Staat onwettig van zijn dienst is weggebleven, wegens ziekte verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten. Dit blijkt uit de door hem overgelegde attesten van de huisarts. Deze attesten zijn steeds tijdig ingeleverd bij de wachtdienst van de BBS aan de Henck Arronstraat no. 8. [verzoeker] is weliswaar twee keren per brief opgeroepen om zich te verweren op de strafrapporten, maar hij kon vanwege zijn ziekte niet aanwezig zijn op de betreffende dagen. [verzoeker] is na zijn ziekte wel geweest om zich te verweren op de strafrapporten, maar hij heeft van de Staat daartoe geen gelegenheid gekregen. De Staat heeft hierdoor artikel 63 lid 2 van de Personeelswet (Pw) niet in acht genomen en derhalve het hoorbeginsel geschonden. De Staat heeft ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. De Staat heeft [verzoeker] ontslagen zonder rekening ermee te houden dat [verzoeker] nog 85 verlofdagen tegoed heeft. Om voormelde redenen kan het ontslagbesluit niet in stand blijven en dient het te worden vernietigd.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Blijkens artikel 8 lid 1 van het Besluit Instructie Beveiligings- en Bijstandsdienst Suriname geschieden de aanstelling, bevordering, schorsing en het ontslag van de beveiligings-ambtenaren overeenkomstig de regels van de Personeelswet. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], gewezen beveiligingsambtenaar, tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatdienst is verleend.

4.1.2 Het hof is op grond van artikel 79 lid 5 Pw niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde. Naar het hof begrijpt vordert [verzoeker] tevens betaling van achterstallig salaris. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zodanig uit te leggen dat [verzoeker] niet betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2.1 Uit artikel 80 lid 1 sub b Pw blijkt dat vorderingen tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 23 januari 2012 ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 10 februari 2012 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is hij ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit tot zijn ontslag uit Staatsdienst.

4.2.2 Op grond van artikel 28 lid 1, laatste volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 79 lid 1 sub b juncto artikel 80 lid 2 sub c Pw is de vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het salaris had moeten worden betaald, aldus meer dan drie maanden na de laatste dag van de maand waarin geen salaris is betaald. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken gesteld dat hij vanaf februari 2012 geen salaris meer heeft ontvangen, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Nu het verzoekschrift op 10 februari 2012 is ingediend, is [verzoeker] ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.

4.3 [verzoeker] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven en wel om de volgende redenen. Er is er geen grond voor zijn ontslag, nu hij de attesten over alle in de ontslagbeschikking genoemde ziektedagen tijdig heeft ingediend en derhalve van onwettige afwezigheid geen sprake is. Voorts heeft de Staat bij het nemen van het ontslagbesluit het hoorbeginsel geschonden, aangezien hij niet de gelegenheid heeft gehad zich te verweren. De Staat heeft ook in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het hof zal als eerst overgaan tot bespreking van het beroep van [verzoeker] op schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Strijd met het beginsel van hoor en wederhoor

4.4.1 De Staat heeft betwist dat van schending van het beginsel van hoor en wederhoor sprake is. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] heeft erkend dat hij tot tweemaal toe schriftelijk is opgeroepen om zich te verweren op de strafrapporten en dat niet is gebleken dat [verzoeker] op welke wijze dan ook getracht heeft gebruik te maken van zijn recht op wederhoor. De Staat stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] zich niet in persoon hoefde te verweren, maar dat hij dit ook schriftelijk kon doen. De gevolmachtigde van de Staat, R. Ommel (hierna: Ommel), heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] is opgeroepen om inzage te nemen in de tegen hem opgemaakte rapporten ter zake van zijn niet-verschijnen op het werk, maar dat hij geen gehoor heeft gegeven aan deze oproepen. Ommel heeft tevens verklaard dat vervolgens een verweeraanzegging aan [verzoeker] is overhandigd. De Staat heeft bij antwoordpleitnota aangevoerd dat [verzoeker] drie keren is opgeroepen om zich te verweren, maar dat [verzoeker] geen enkele keer is verschenen en dat [verzoeker] tevens schriftelijk is aangemaand om zich uit te laten ter zake van het onwettig verzuim. Volgens de Staat is het beginsel van hoor en wederhoor wel in acht genomen.

4.4.2 Het beroep van [verzoeker] op schending van het beginsel van hoor en wederhoor slaagt. De Staat heeft niet weersproken de stelling van [verzoeker] dat hij wegens ziekte niet is verschenen op de dagen waarop hij is opgeroepen om inzage te nemen in de tegen hem opgemaakte strafrapporten. De Staat heeft ook niet weersproken dat [verzoeker] zich na zijn ziekte bij hem, de Staat, heeft gemeld om de strafrapporten alsnog in te zien en dat [verzoeker] de gelegenheid daartoe niet is geboden. De Staat heeft evenmin weersproken dat Ommel [verzoeker] wederom zou oproepen om inzage te nemen in de strafrapporten, maar dat deze oproep zijdens Ommel is uitgebleven, zoals door [verzoeker] bij repliekpleitnota is gesteld.

Naar het oordeel van het hof had de Staat [verzoeker], die wegens ziekte niet op eerdere oproepen was verschenen, alsnog in de gelegenheid moeten stellen om inzage te nemen in de tegen hem opgemaakte strafrapporten. Door [verzoeker] deze gelegenheid niet te bieden, heeft de Staat [verzoeker] een gelegenheid ontnomen om verweer te voeren ter zake van hetgeen hem werd verweten. Hieraan doet niet af dat door de Staat is aangevoerd dat [verzoeker] tijdens zijn ziekte niet in persoon hoefde te verschijnen, maar zich wel schriftelijk kon verweren. Dit laatste kan van iemand die wegens ziekte niet in staat was om in persoon te verschijnen, naar het oordeel van het hof, immers niet in redelijkheid worden verwacht.

4.4.3 De Staat heeft verder aangevoerd dat [verzoeker] vervolgens een schriftelijke verweeraanzegging (productie IV bij de antwoordpleitnota) heeft ontvangen, maar dit is door [verzoeker] betwist.

Het hof constateert dat voormelde productie een niet gedateerde verweeraanzegging ten name van [verzoeker] betreft en wel ter zake van de verzuimdagen over de periode april tot en met juli 2011. De Staat heeft in reactie op de betwisting door [verzoeker] niet aangegeven wanneer [verzoeker] deze verweeraanzegging, volgens de Staat, wel zou hebben ontvangen, noch heeft de Staat daartoe een bewijsaanbod gedaan. Het hof ziet geen reden om de Staat ambtshalve bewijs dienaangaande op te dragen. Het hof merkt overigens op dat voormelde verweeraanzegging niet tevens de verzuimdagen over de periode van augustus tot en met december 2011 betreft, terwijl de verzuimdagen over deze periode wel in de ontslagbeschikking zijn opgenomen. Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] niet in de gelegenheid is gesteld om zich te verweren, zodat de Staat het beginsel van hoor en wederhoor dat ten aanzien van het opleggen van een tuchtstraf is neergelegd in artikel 63 lid 2 Pw, niet in acht heeft genomen.

4.5 Reeds uit hetgeen in 4.4.2 en 4.4.3 is overwogen volgt dat het ontslagbesluit niet in stand kan blijven en derhalve nietig zal worden verklaard. Hierdoor kunnen onbesproken blijven de overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 4.3. Nu het ontslagbesluit nietig zal worden verklaard, betekent dit dat het dienstverband met [verzoeker] voortduurt. Aangezien vaststaat dat [verzoeker] vanaf februari 2012 geen salaris heeft ontvangen, ligt de gevorderde schadevergoeding, bestaande uit het achterstallige salaris vanaf februari 2012, voor toewijzing gereed.

4.6 De mede gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen verdere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart nietig het besluit tot ontslag van [verzoeker] uit Staatsdienst, vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 11 januari 2012, Bureau [no. 1], BBS [no.2].

5.2 Veroordeelt de Staat tot betaling aan [verzoeker] bij wege van schadevergoeding, bestaande uit het achterstallige salaris verhoogd met alle emolumenten en na aftrek van de gebruikelijke aftrekposten, vanaf 01 februari 2012 totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens mr. S. Dulam, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] in [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis op 03 november 2017.

Het verdere procesverloop
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het tussenvonnis d.d. 03 november 2017 gewezen, waarbij onder meer de voortzetting van het verhoor van partijen is bepaald voor 16 maart 2018;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 20 juli 2018 en de door verweerder overgelegde productie;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 07 december 2018, doch nader werd bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw) en is ingaande 01 juli 2010 in dienst getreden van het Ministerie van ROGB, laatstelijk gefunctioneerd hebbende als medewerkster Balie en Administratie Domeinen zoals bepaald bij beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer].

1.2 Op 29 mei 2015 heeft verzoekster ontvangen de beschikking d.d. 13 mei 2015 [nummer 2] , waarbij is besloten verzoekster wegens plichtsverzuim te rekenen van 01 mei 2015 ontslag te verlenen.

1.3 Op 12 januari 2016 heeft verzoekster ontvangen de beschikking d.d. 03 november 2015 [nummer 3], waarbij is bepaald dat het aan verzoekster verleend ontslag wordt verleend met ingang van de dag volgende op die waarop het ontslag ter harer kennis is gebracht. Op grond hiervan is het ontslag ingegaan op 13 januari 2016, hetgeen is vastgelegd in de beschikking d.d. 22 februari 2016 [nummer 4].

1.4 Op 14 januari 2016 heeft verzoekster ontvangen de beschikking d.d. 23 oktober 2015 [nummer 3], waarbij is besloten om de beschikking d.d. 13 mei 2015 [nummer 2] in te trekken.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven na wijziging van eis, om:
a. verzoekster te ontvangen in haar vordering;
b. te vernietigen, althans nietig te verklaren de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 2], d.d. 03 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 3] en d.d. 22 februari 2016 [nummer 4];
c. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;
d. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die zij voorheen heeft bekleed, te kunnen vervullen zonder enige hinder;
e. verweerder te gelasten het salaris aan verzoekster, zoals door haar verdiend conform het bepaalde bij beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer], uit te betalen en daarmede voort te gaan;
f. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd handelt met het hierboven gevorderde;
g. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;
h. één of meer beslissingen te geven zoals het het Hof geraden voorkomt.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij is ontslagen wegens plichtsverzuim, omdat zij een medewerker van het departement van het ministerie van het [district 2], naar aanleiding van diens telefonische mededeling om stukken te ontvangen, erop heeft gewezen dat die eerst contact diende op te nemen met haar afdelingschef om zich ervan te vergewissen of zij, verzoekster, de stukken in ontvangst mocht nemen, hetgeen niet ongebruikelijk is bij binnengekomen stukken van grote omvang. Verzoekster stelt dat zij op 17 maart 2015 breedvoerig mondeling verweer heeft gevoerd ten overstaan van de Directeur van het Ministerie, in bijzijn van de Onderdirecteur Grondzaken en de Onderdirecteur Administratieve Diensten. Verzoekster stelt dat zij zonder opgaaf van redenen per schrijven d.d. 18 maart 2015 is gemuteerd naar de Afdeling Bosonderzoek van de Dienst `s Lands Bosbeheer van het Ministerie, terwijl zij in strijd met artikel 63 lid 2 w bij schrijven d.d. 18 maart 2015 op grond van plichtsverzuim in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren. Het schriftelijk verweer van verzoekster d.d. 19 maart 2015 werd niet steekhoudend bevonden, terwijl verweerder voorbij is gegaan aan de door verzoekster bij schrijven d.d. 27 april 2015 gegeven toelichting op haar schriftelijk verweer. Verzoekster stelt dat zij op 29 mei 2015 de beschikking d.d. 13 mei 2015 [nummer 2] heeft ontvangen, waarbij zij is ontslagen wegens plichtsverzuim per ingaande 01 mei 2015. Volgens verzoekster is voornoemde beschikking in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en met de wet, terwijl de beschikking berust op onware feiten en niet deugdelijk is gemotiveerd;tevens is de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming met het vermeend door haar gepleegde plichtsverzuim.

2.3 Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend maar bij het verhoor en nader verhoor van partijen alsmede in de gewisselde gedingstukken verweer gevoerd waarop het Hof – voorzover nodig – in de beoordeling van het geschil terug komt.

3. De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

  1. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
    a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
    b. tot verlaging van rang;
    c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
    d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping,is opgelegd;
    e. tot schorsing of ontslag.
    Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.Rechtens staat tussen partijen vast dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Pw en is de Pw van toepassing op verzoeker.Onder a van het petitum wordt gevorderd verzoekster te ontvangen in haar vordering,waarvan het Hof bevoegd is om kennis te nemen. Onder b wordt gevorderd de nietigverklaring c.q. vernietiging van de daarin genoemde beschikkingen althans de in de beschikking vervatte besluiten, waarvan het Hof op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw bevoegd is om kennis te nemen. Onder c wordt gevorderd om verzoekster te rehabiliteren in haar oude rang, het Hof acht zich bevoegd om hiervan kennis te nemen op grond van artikel 79 lid 1 sub a jo sub c. Onder d van het petitum wordt gevorderd om verzoekster in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid te verrichten.Naar het oordeel van het Hof houdt deze vordering geen besluit in de zin van artikel 79 lid 2 Pw, weshalve het Hof zich niet bevoegd acht om hiervan kennis te nemen. Van het gevorderde onder e (doorbetaling salaris) en f (dwangsom), acht het Hof zich bevoegd om daar kennis van te nemen op grond van respectievelijk artikel 79 lid 1 sub a en sub c Pw.Het Hof acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder g. Op grond van het voren overwogene acht het Hof zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder d en g van het petitum.

3.3 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoeker in haar vorderingen, overweegt het Hof dat verzoekster haar vordering heeft ingesteld op 24 juni 2015, terwijl zij kennis heeft genomen van de oorspronkelijke beschikking d.d. 13 mei 2015 op 29 mei 2015, weshalve zij op grond van artikel 80 lid 1 Pw ontvangen kan worden in haar vordering onder b, nu de overige beschikkingen gedurende het onderhavige geding aan verzoekster zijn verstrekt en deel uit zijn gaan maken van het onderhavig geding, zodat daarvoor geen aparte termijnen in acht dienen te worden genomen. Naar het oordeel van het Hof is het gevorderde onder c, e en f een sequeel van het gevorderde onder b, zodat verzoekster daarin eveneens kan worden ontvangen.

3.4 Ten aanzien van de beschikking d.d. 13 mei 2015, overweegt het Hof dat deze bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 reeds is ingetrokken, zodat verzoekster naar het oordeel van het Hof geen belang meer heeft bij de nietigverklaring daarvan en zal dat onderdeel van het gevorderde daarom worden afgewezen. Ten aanzien van de beschikking d.d. 23 oktober 2015, overweegt het Hof dat deze een besluit inhoudt tot intrekking van de ontslagbeschikking d.d. 13 mei 2015. Het Hof heeft geen aanleiding gevonden om deze beschikking nietig te verklaren, weshalve het terzake gevorderde als ongegrond zal worden afgewezen. Ten aanzien van de beschikking d.d. 03 november 2015, die op 12 januari 2016 door verzoekster is ontvangen, overweegt het Hof dat verzoekster hierbij (opnieuw) is ontslagen en is de ontslagdatum vastgesteld bij beschikking d.d. 22 februari 2016.

3.5 Het Hof overweegt dat verzoekster zich op het standpunt stelt dat het aan haar verleende ontslag onterecht is omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten niet waar zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en verwijst ter adstructie naar de door hem overgelegde schriftelijke rapportages van onder meer het Hoofd van de Afdeling Bali/Agenda, [naam] d.d. 17 maart 2015; de Chef-Gronduitgifte van het [district 2], [naam 2] d.d. 27 maart 2015; de heer [naam 3] van het dependance te [district 2] d.d. 27 maart 2015.Naar het Hof uit voornoemde rapportages, met name uit die van [naam 2] begrijpt heeft [naam 2] opzettelijk de toewijzingsbeschikking ten name van verzoekster achtergehouden op 16 januari 2015, reden waarom verzoekster zich op het standpunt heeft gesteld en dit ook kenbaar heeft gemaakt aan de dependance te [district 2], dat zij zich voortaan zakelijk zal opstellen tegenover hen en geen extra moeite voor hen zal doen als voorheen, weshalve zij eerst het hoofd van de Balie dienden te contacten enniet rechtstreeks stukken voor verzoekster konden brengen, omdat men haar niet kon vertellen waarom haar stukken waren achtergehouden. Uit de rapportages van de dependance te [district 2] blijkt dat het kantoor van verweerder aldaar zich rancuneus had opgesteld jegens verzoekster op grond van het bij hen gerezen vermoeden ten aanzien van verzoekster. Naar het oordeel van het Hof zijn bedoelde verklaringen niet deugdelijk en zullen verder buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van de verklaring van [naam] over het weigerachtig gedrag van verzoekster, overweegt het Hof dat niet is gebleken dat verzoekster door haar of een ander is aangesproken daarop, terwijl evenmin blijkt van een terzake getroffen maatregel tegen verzoekster. Voorts overweegt het Hof dat nergens uit is gebleken dat verzoekster heeft geweigerd om de stukken in ontvangst te nemen; verzoekster heeft slechts mede gedeeld dat de dependance eerst het afdelingshoofd moet contacten.

3.6 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het Hof dat het door verweerder gestelde plichtsverzuim niet is komen vast te staan, terwijl de tuchtmaatregel voor een dergelijke gedraging naar het oordeel van het Hof disproportioneel moet worden geacht, aangezien verzoekster blijkens haar bevorderingen wel goed heeft gefunctioneerd. Het door verweerder verleend ontslag is derhalve onrechtmatig. De ontslagbeschikking d.d. 03 november 2015 [nummer 3], alsook de vaststellingsbeschikking van de ingangsdatum van het ontslag d.d. 22 februari 2016 [nummer 4] als een sequeel van het verleende ontslag, zal derhalve nietig worden verklaard.

3.7 Nu het aan verzoekster verleend ontslag nietig zal worden verklaard, heeft verzoekster recht op doorbetaling van haar salaris met emolumenten conform het vastgestelde bij beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer] en dient zij te worden gerehabiliteerd in de rang die zij had vóór het ontslag. Het Hof ziet aanleiding om aan de veroordeling onder c een dwangsom op te leggen ad SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling, tot een maximum van SRD 100.000,-. Gelet op het voren overwogene zal het door verzoekster gevorderde onder b voor wat betreft de beschikkingen d.d. 03 november 2015 [nummer 3] en 22 februari 2016 [nummer 4], worden toegewezen zoals geformuleerd in de beslissing. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4.De beslissing
Het Hof

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder d en g van het petitum.

4.2 Verklaart nietig de beschikkingen d.d. 03 november 2015 [nummer 3] en 22 februari 2016 [nummer 4].

4.3 Veroordeelt verweerder om aan verzoekster te betalen en daarmede door te gaan, het salaris met emolumenten conform de beschikking d.d. 24 december 2013 [nummer] en wel vanaf het tijdstip dat dit was stopgezet.

4.4 Gelast verweerder om verzoekster binnen een week na deze uitspraak te rehabiliteren in de rang waarin zij had gediend vòòr zij werd ontslagen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat verweerder nalaat hieraan te voldoen, met dien verstaande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

4.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld