SRU-HvJ-2019-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 21 maart 2014;
  • het verweerschrift, met producties, ingediend op 31 juli 2014;
  • de beschikking van het hof van 07 oktober 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 november 2014, welk verhoor is verplaatst naar 21 november 2014;
  • het proces-verbaal van het op 21 november 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie van antwoord met betrekking tot het schikkingsvoorstel zijdens de Staat, met een productie, overgelegd op 19 december 2014;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoeker] d.d. 17 april 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 augustus 2015, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 20 augustus 2004, Justitie [nummer], K.A. [nummer 2], is [verzoeker], tezamen met 24 andere politierekruten, te rekenen van 01 juli 2004 in vaste dienst aangesteld bij het Korps Politie Suriname (hierna: KPS) in de rang van hulpagent van politie 1e klasse.

2.2 [verzoeker] heeft samen met zijn lichtingsgenoten deelgenomen aan de Elementaire Politie Opleiding (hierna: EPO), teneinde bij succesvolle afronding daarvan te kunnen worden bevorderd in de naast hogere rang, te weten die van aspirant agent van politie. [verzoeker] heeft de EPO niet met succes afgerond en is dientengevolge niet voorgedragen voor vorenbedoelde bevordering.

2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Stads Politie Commandant, de Commissaris van Politie,[naam], d.d. 14 juli 2006 te rekenen van dezelfde datum buiten functie gesteld.

2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 juli 2006, Justitie [nummer 3], K.A. [nummer 4], is voormelde buitenfunctiestelling van [verzoeker] te rekenen van 21 juli 2006 ingevolge artikel 39 lid 3 sub c van het Politiehandvest verlengd met een week en is [verzoeker] met ingang van 28 juli 2006 ingevolge artikel 66 lid 2 sub b van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.

2.5 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, Justitie [nummer 5], K.A. [nummer 6], is besloten aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim op te leggen de tuchtstraffen van aanhouding van de bevordering voor de duur van een jaar en voorwaardelijk ontslag.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. de Staat zal worden veroordeeld binnen een maand na betekening van het vonnis het besluit te nemen [verzoeker] te bevorderen van hulp agent van politie (lees kennelijk: hulpagent van politie 1e klasse) naar aspirant agent van politie;
B. de Staat zal worden veroordeeld binnen een maand na betekening van het vonnis het besluit te nemen [verzoeker] te bevorderen van aspirant agent van politie naar agent van politie 2e klasse;
C. de Staat zal worden veroordeeld binnen een maand na betekening van het vonnis het besluit te nemen [verzoeker] te bevorderen van agent van politie 1e klasse (lees kennelijk: agent van politie 2e klasse) naar agent van politie 1e klasse en wel te rekenen van 07 januari 2009;
D. de Staat zal worden veroordeeld aan [verzoeker] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag groot SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat de Staat in gebreke mocht blijven te voldoen aan het veroordeelde in sub A, B en C.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Bij raadpleging van de door het KPS bijgehouden ranglijst over het dienstjaar 2013 (hierna: de ranglijst) heeft [verzoeker] geconstateerd dat twee van zijn collega’s, te weten [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 2] en [naam 3]) die net als hem, [verzoeker], aan de EPO hebben deelgenomen en deze opleiding evenmin succesvol hebben afgerond, tussen 2004 en 2009 meerdere keren zijn bevorderd en uiteindelijk te rekenen van 07 januari 2009 dienen in de rang van agent van politie 1e klasse. [verzoeker] heeft zijn bezwaren tegen voormelde gang van zaken kenbaar gemaakt aan de korpschef van het KPS, doch vervolgens daaromtrent niets meer van de korpsleiding vernomen. Voor zover het bevorderingsbeleid van de Staat is gestoeld op succesvolle deelname aan de ter zake aangeboden opleidingen, kan de Staat niet zonder meer daarvan afwijken, althans dient de Staat erop toe te zien dat het bevorderen van ambtenaren van politie in afwijking van voormeld beleid is ontbloot van willekeur. Door het besluit te nemen slechts twee ambtenaren van politie uit de groep van de niet voor de EPO geslaagden te bevorderen, heeft de Staat gehandeld naar willekeur en in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten: het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het motiverings-, het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. De Staat heeft de bevorderingen van [naam 2] en [naam 3] kennelijk doen stoelen op artikel 24 lid 1 Pw. [verzoeker] heeft in gelijke mate de geschiktheid, bekwaamheid en betrouwbaarheid getoond en derhalve die ervaring opgedaan om op grond van voormelde bepaling eveneens in aanmerking te komen voor de bevordering, terwijl de Staat tot op heden heeft nagelaten om ten aanzien van [verzoeker] dezelfde gronden te doen gelden. De Staat weigert aldus een besluit te nemen ter zake van de bevordering van [verzoeker], hetgeen onrechtmatig is jegens [verzoeker].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat [verzoeker] alsnog zou bevorderen tot aspirant agent van politie. [verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen, zich op het standpunt stellende dat hij niet alleen voor bevordering tot aspirant agent van politie in aanmerking komt, maar ook voor de overige door hem gevorderde bevorderingen en het schikkingsvoorstel deze bevorderingen dan ook mede diende te omvatten. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2 Het hof constateert ten aanzien van het petitum, hierboven in 3.1 weergegeven, dat er geen subsidiaire vordering is ingesteld. Aan de aanduiding ‘Primair’ ter zake van het in 3.1 onder A tot en met D gevorderde, zal daarom worden voorbijgegaan.

Bevoegdheid
4.3 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie is in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan het door [verzoeker] gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald, namelijk een besluit tot bevordering van [verzoeker]. Dit betekent dat het hof bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.4.1 In artikel 80 lid 2 sub c Pw is bepaald dat een vordering als de onderhavige niet-ontvankelijk is, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. In artikel 78 lid 2 sub a Pw is bepaald dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn, of, zo een tijdsbepaling ontbreekt, binnen drie maanden, een verplichte handeling te verrichten. Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat de Staat op grond van het gelijkheidsbeginsel verplicht was om naast zijn lichtingsgenoten [naam 2] en [naam 3] ook hem, [verzoeker], te bevorderen (onder meer) tot aspirant agent van politie, maar de Staat dit heeft nagelaten.

4.4.2 Uit hetgeen [verzoeker] onweersproken heeft gesteld, begrijpt het hof dat hij pas na raadpleging van de ranglijst kennis droeg van de bevordering(en) van zijn lichtingsgenoten [naam 2] en [naam 3]. Daarvan uitgaande kon [verzoeker] niet eerder dan na het raadplegen van de ranglijst, de onderhavige vordering bij het hof hebben ingesteld. In dit licht is het voor de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag van belang wanneer [verzoeker] de ranglijst heeft geraadpleegd, welke actie(s) hij daarna heeft ondernomen en wanneer zulks is geschied. Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt slechts dat hij schriftelijk zijn bezwaren tegen de gang van zaken rond de bevordering van [naam 2] en [naam 3] bij de korpschef heeft geuit en daarna ter zake daarvan een gesprek met de korpschef heeft gehad, maar niet wanneer hij de ranglijst heeft geraadpleegd, wanneer hij vorenbedoeld schrijven heeft gericht aan de korpschef en evenmin wanneer het gesprek met laatstgenoemde heeft plaatsgevonden, terwijl het een en ander ook niet anderszins is gebleken. Naar het oordeel van het hof bevat het door [verzoeker] gestelde onvoldoende aanknopingspunten om de ontvankelijkheidsvraag te kunnen beantwoorden en heeft [verzoeker] derhalve niet aan zijn stelplicht voldaan. Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.

4.5 Het hof overweegt ten overvloede dat ook in geval Alibaks wel ontvankelijk zou zijn in zijn vordering, deze niet zou kunnen worden toegewezen en wel om de volgende redenen.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel
4.6.1 Het hof zal eerst ingaan op de gevorderde veroordeling van de Staat tot bevordering van [verzoeker] tot aspirant agent van politie. [verzoeker] heeft, zich beroepende op het gelijkheidsbeginsel, betoogd dat hij, net als zijn lichtingsgenoten [naam 2] en [naam 3], diende te worden bevorderd tot aspirant agent van politie. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft [verzoeker] enkel gesteld dat, nu [naam 2] en [naam 3] evenmin als hij de EPO succesvol hebben afgerond, sprake is van gelijke gevallen, die gelijk moeten worden behandeld.Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn betoog dat er sprake is van gelijke gevallen. Vaststaat dat aan [verzoeker] de tuchtstraffen van – naar het hof begrijpt – onthouding van bevordering ingevolge artikel 40 lid 1 onder f van het Politiehandvest voor de duur van een jaar en voorwaardelijk ontslag zijn opgelegd. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat op het functioneren van [naam 2] en [naam 3] als politieambtenaren, anders dan bij [verzoeker], niets was aan te merken. Het hof concludeert hieruit dat er geen sprake is van gelijke gevallen, zodat evenmin sprake kan zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel door de Staat. Daarbij komt dat uit [verzoeker]’ eigen, door de Staat niet weersproken, stellingen blijkt, dat, anders dan [naam 2] en [naam 3], de rest van zijn lichtingsgenoten die de EPO evenmin succesvol hebben afgerond, ook niet zijn bevorderd tot aspirant agent van politie. Ook hieruit volgt dat niet met vrucht een beroep kan worden gedaan op het gelijkheidsbeginsel. [verzoeker] heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel nopen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het motiverings- en het rechtszekerheidsbeginsel
4.6.2 Het hof gaat voorbij aan het beroep van [verzoeker] op de overige vermelde beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vorenbedoelde beginselen kunnen van belang zijn bij een vordering ex artikel 79 lid 1 sub a Pw tot nietigverklaring van een door een bestuursorgaan genomen besluit. In dit geding is van een dergelijke vordering echter geen sprake. De onderhavige vordering betreft een veroordeling van de Staat om een besluit te nemen tot bevordering van [verzoeker], onder verbeurte van een dwangsom, en toetsing aan voormelde beginselen van behoorlijk bestuur is daarbij niet aan de orde.

4.6.3 [verzoeker] stelt dat de Staat hem, door hem niet bij de bevordering van [naam 2] en [naam 3] te betrekken, onevenredig in zijn belang heeft getroffen, aangezien hij daardoor niet geplaatst kon worden in een hogere salarisschaal en hem daarmee, gelet op de reeds gediende en de nog te dienen dienstjaren, de mogelijkheid is ontnomen om een gunstige pensioengrondslag te bewerkstelligen. [verzoeker] beklaagt zich erover dat hij als enige van zijn lichting nooit is bevorderd en nog steeds dient in de rang van hulpagent van politie 1ste klasse.Het hof geeft [verzoeker] hieromtrent mee dat hij de hand in eigen boezem moet steken. Gesteld noch gebleken is dat hij niet in de mogelijkheid verkeerde om door deelname aan de vereiste opleidingen te voldoen aan de vereisten voor benoeming in de naast hogere rang. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] zijn deelname in 2010 aan een verkorte EPO wegens gezondheidsredenen heeft gestaakt.

4.6.4 Uit hetgeen hierboven in 4.6.1 en 4.6.2 is overwogen, volgt dat het gevorderde in 3.1 onder A zou worden afgewezen. Het gevorderde in 3.1 onder B, C en D zou als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder A eveneens worden afgewezen.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Denz namens advocaat mr. M. Dubois, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. H.A. Wekker, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 29 januari 2016 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d.10 maart 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 14 maart 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 maart 2016 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d.22 april 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 22 april 2016, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 april 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, overgelegd op 03 juni 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 09 juni 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 februari 2017;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens verzoeker, overgelegd op 25 april 2017, met producties;
  • de conclusie tot overlegging stukken zijdens verweerder, overgelegd op 19 mei 2017;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde stukken zijdens verzoeker, overgelegd op op 16 juni 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 05 januari 2017.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
1.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om:
a. nietig te verklaren althans te vernietigen de beschikking van verweerder d.d.26 februari 2013, kenmerk La B P/O [nummer], waarbij is besloten tot inhouding van het salaris van verzoeker;
b. verweerder te veroordelen om onmiddellijk na dit uit te spreken vonnis, alle reeds door verweerder ingehouden gelden terug te storten op de rekening van verzoeker onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

1.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij ingevolge artikel 20 lid 2 van de Dienstorder no. 34 van de Instructie Vuurwapen Douane d.d.14 september 1972, een verklaring van de politie heeft doen toekomen aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, verweerder, waarin gewag wordt gemaakt van de diefstal van zijn dienstvuurwapen op 24 december 2011. Tevens heeft verzoeker zijn rapport over de diefstal van zijn dienstvuurwapen op 14 december 2012 bij verweerder ingeleverd. Ondanks bezwaar ingediend bij schrijven d.d.06 februari 2013 tegen het besluit van verweerder vervat in het schrijven d.d.08 januari 2013, waarin in strijd met de artikelen 30 en 63 lid 2 van de Personeelswet is besloten dat verzoeker de prijs van een ander vuurwapen ad USD 1.200,- zal moeten betalen en dat verzoeker zal worden berispt voor zijn gedrag, heeft verweerder bij beschikking d.d. 26 februari 2013, kenmerk La B P/O [nummer], het besluit genomen om tot uitvoering van haar besluit d.d. 08 januari 2013 over te gaan, middels inhouding op het loon in 16 maandelijkse termijnen van SRD 250,- en 01 van SRD 20,-, aanvangende per ultimo maart 2013. Verzoeker stelt dat hij tegen voormelde beschikking per schrijven d.d. 02 april 2013 zijn beklag heeft gedaan bij de President van de Republiek Suriname en heeft hij vanwege het spoedeisend belang op 12 juli 2013 in een kort geding procedure gevorderd om de gewraakte beschikking te schorsen op grond van het feit dat de inhoudingen zwaar drukken op het reeds krappe inkomen van verzoeker. Volgens verzoeker kan het feit dat de uitspraak in de kort geding zaak buiten zijn schuld om, pas op 24 december 2015 heeft plaatsgevonden, waarbij verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn vordering, hem niet worden toegerekend, nu het vaste rechtspraak is dat ook indien bij een geschil met de overheid een administratieve procedure is voorgeschreven, de rechter in kort geding bevoegd is tot het bevelen van een voorlopige voorziening, indien die administratieve procedure een uitspraak op korte termijn niet mogelijk maakt. Volgens verzoeker is er aldus sprake van overmacht. Verzoeker stelt ten slotte dat vanwege het feit dat hij geen reactie heeft ontvangen van de President van de Republiek, hij zowel op grond van artikel 80 lid 2c en lid 4 Pw, de onderhavige vordering alsnog kan indienen.

1.3 Verweerder heeft verweer gevoerd erop neerkomende dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat hij tardief is ingevolge artikel 78 lid 2b en artikel 80 lid 2c Pw, aangezien hij opkomt tegen de beschikking d.d. 26 februari 2013 en is de onderhavige vordering bij het hof ingediend op 29 januari 2016, terwijl er van een situatie van overmacht niet is gebleken en de gestelde feiten en omstandigheden rechtens niet als overmacht kunnen worden gehonoreerd.

De beoordeling van het geschil
2.1 Het hof overweegt dat, nu verzoeker de gewraakte beschikking van verweerder op 26 februari 2013 heeft ontvangen, hij zijn beklag ingevolge artikel 78 lid 1 Pw had dienen in te stellen binnen een maand nadat het besluit hem ter kennis was gebracht, dus uiterlijk 28 maart 2013. Nu, het beklag pas bij schrijven van 02 april 2013 is gedaan, is verzoeker tardief in zijn beklag, weshalve artikel 80 lid 3 Pw in casu niet van toepassing is. Het hof overweegt voorts dat verzoeker de vordering tot nietigverklaring van voornoemd besluit ingevolge artikel 79 lid 1 Pw, bij het hof had dienen in te stellen binnen 30 dagen daarna en wel op uiterlijk 28 maart 2013. Nu, verzoeker de vordering pas op 29 januari 2016 heeft ingediend, is verzoeker naar het oordeel van het hof ingevolge artikel 80 lid 1b en lid 2b PW niet-ontvankelijk in zijn vordering. Met betrekking tot het beroep op overmacht, overweegt het hof dat het afwachten van een beslissing in kort geding onder geen beding overmacht oplevert, nu het een bewuste keus van verzoeker is geweest om een kort geding zaak in te dienen in stede van een vordering bij het ambtenarengerecht. Het beroep op overmacht wordt derhalve verworpen. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

2.2 Verzoeker zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen.

3. De beslissing
Het Hof:

3.1 Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

3.2 Veroordeelt verzoeker in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr.I.S.Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid–Plaatsvervanger en door de Fungerend–President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr.M.Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Defensie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 22 november 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014;
  • de beschikking van het hof van 03 juli 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is als sergeant eerste klasse in vaste dienst geweest bij het Ministerie van Defensie.

2.2 [verzoeker] is in 1990 door de Krijgsraad veroordeeld ter zake van een gepleegd strafbaar feit. Hij heeft van 22 februari 1990 tot en met 25 augustus 1992 in detentie gezeten en is op 26 augustus 1992 in vrijheid gesteld.

2.3 [verzoeker] heeft zich twee weken na zijn invrijheidstelling aangemeld bij de dienst teneinde zijn werkzaamheden te hervatten en wel bij de grootmajoor [naam], sergeant-majoor [naam 2] en toenmalige sergeant [naam 3]. Verdere instructies bleven uit.

2.4 In 2008 heeft [verzoeker] zich opnieuw aangemeld en hierover is contact geweest met de heer [naam 4], de sergeant-majoor van [naam 4] en mevrouw [naam 6] van de afdeling Personeelszaken. Aan [verzoeker] is meegedeeld dat er een sociaal rapport zou worden opgemaakt en dat zijn plaatsing zou volgen, maar verdere instructies omtrent zijn wedertewerkstelling bleven wederom uit.

2.5 [verzoeker] heeft zich bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 08 mei 2012, gericht aan de directeur van Defensie, voor de derde keer bereid verklaard zijn werkzaamheden te hervatten.

2.6 Bij schrijven van de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie d.d. 16 mei 2013 is [verzoeker] onder meer het volgende meegedeeld:
“Na bekomen informatie van de G-1, is gebleken dat u vanaf mei 1990 ongeoorloofd afwezig bent van uw dienstonderdeel. Uw 23-jarige afwezigheid van uw dienstonderdeel, doet vermoeden dat er hier sprake is van plichtsverzuim. U wordt in de gelegenheid gesteld om u schriftelijk binnen 5 (vijf) werkdagen na ontvangst van deze uitnodiging tot verweer, hieromtrent te verantwoorden.”

2.7 Bij verweerschrift d.d. 21 mei 2013, gericht aan de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie, heeft [verzoeker] zich als volgt verweerd:“Weledelgestrenge vrouwe, Op uw schrijven d.d. 16 mei jl. met kenmerk [nummer], dat ik heb ontvangen op 17 mei 2013, reageer ik als volgt. U stelt in het schrijven dat ik mij moet verweren terzake plichtsverzuim met name voor mijn afwezigheid in de periode van 1990 tot op heden.Ten aanzien hiervan geef ik u aan dat ik van rechtswege was geschorst in de periode 1990-1992 vanwege detentie. Na deze periode heb ik mij terstond aangemeld om mijn diensten te hervatten bij de leiding van het Ministerie van Defensie maar is mijn plaatsing niet gevolgd. Mijn aanmelding is persoonlijk geweest bij grootmajoor [naam] en sergeant-majoor [naam 2] en de toenmalige sergeant [naam 3].In 2008 heb ik mij opnieuw aangemeld bij het Ministerie van Defensie. Aan degene die mijn belangen toentertijd behartigde, mevrouw [naam 6], is hierover contact geweest met de onderdirecteur van het ministerie de heer [naam 4], sergeant-majoor van [naam 5] en mevrouw [naam 6] van personeelszaken. Er is mij toen medegedeeld dat er een sociaal-rapport zou worden opgemaakt waarop mijn plaatsing zou volgen. Hierna heb ik echter niets meer vernomen.Ik heb nooit eerder een verweeraanzegging ontvangen ter zake ongeoorloofde afwezigheid en is ook niet gebleken dat mijn dienstbetrekking is beëindigd of dat er een andere reden is waarom mijn feitelijke tewerkstelling wordt aangehouden. Dat ik steeds bereid ben gebleven om de bedongen diensten te verrichten blijkt uit het schrijven d.d. 8 mei 2012 afkomstig van mijn gemachtigde gericht aan de heer [naam 7] (…). Het is mij tot op de dag van vandaag nimmer voorgehouden waarom mijn feitelijke tewerkstelling is uitgebleven. Door het hierboven gestelde kan nimmer worden gesteld dat ik ongeoorloofd afwezig ben geweest. Indien nodig ben ik beschikbaar om mijn verweer mondeling toe te lichten. Voor het overige wijs ik ook nog op het feit dat tegen de Staat een vordering is ingesteld om mijn feitelijke tewerkstelling te doen plaatsvinden. Bij het verhoor van partijen terzake dat op 17 mei jl. zou plaatsvinden, is er om een uitstel verzocht zijdens de Staat.”

2.8 In reactie op voormeld verweerschrift heeft de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie bij schrijven d.d. 08 juli 2013 onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:“In uw verweerschrift geeft u aan dat u zich na uw detentieperiode persoonlijk hebt aangemeld bij enkele functionarissen binnen de defensieorganisatie. Bij navraag hebben de voornoemde functionarissen aangegeven dat ze toen niet in de positie verkeerden om enig actie ten aanzien van uw wederplaatsing te treffen. Verder zou, volgens uw verweerschrift, u zich in 2008 wederom hebben gemeld bij de u bekende functionarissen, waarbij men u zou hebben medegedeeld dat er een sociaalrapport zou worden opgemaakt en plaatsing zou plaatsvinden. Navraag bij de betrokken functionarissen heeft uitgewezen dat u verwezen bent naar de Rehabilitatiecommissie, welke de enige instantie is die zich buigt over zulke aangelegenheden, waar u zich echter nooit heeft aangemeld. In de periode was u al 16 jaren ongeoorloofd afwezig van uw dienstonderdeel, het zou dus niet opportuun zijn om een sociaalrapport te laten opmaken voor iemand die voor zo’n lange periode ongeoorloofd is weggebleven van het werk. In uw verweerschrift geeft u ook aan dat u steeds bereid bent geweest om de bedongen diensten te verrichten hetgeen zou moeten blijken uit een schrijven van u van 08 mei 2012, gericht aan de heer [naam 7]. We spreken dan al van een periode van 20 jaren, waarna u meent dat er nog steeds een plaats voor u open is gehouden om opnieuw werkzaamheden te verrichten. Het lijkt mij dat van geen enkele werkgever verwacht kan worden dat hij eerder bij hem tewerkgestelden opnieuw accommodeert na 20 jaren. Dat de administratieve afhandeling van het e.e.a. eerder is uitgebleven, is te wijten aan het feit dat in het jaar 1990 er een brand heeft gewoed in Fort Zeelandia, waarbij de administratieve documenten van betrokkene, die ondergebracht was bij de Militaire Politie in vlammen is opgegaan. Bewust van uw eigen verantwoordelijkheid zou u zich na de periode toen u geen reactie opmerkte zijdens het ministerie van Defensie ook hebben kunnen richten tot het ministerie, maar die actie uwerzijds is uitgebleven. Door de lange periode die u weggebleven bent heeft u o.i. aangetoond geen belangstelling te hebben voor de dienst en u heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Op grond van bovenstaande is besloten u bij de minister voor te dragen om het dienstverband met u te beëindigen ingevolge art 35 lid 2 van de ‘Wet Rechtspositie Militairen’. Het een en ander zal middels een beschikking van de minister worden geformaliseerd.”

2.9 Bij beschikking van de minister van Defensie d.d. 22 oktober 2013, Bureau [nummer 2], [nummer 3] (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) ontslag uit (militaire) Staatsdienst verleend, onder de bepaling dat hij ingevolge artikel 39 WRM juncto artikel 28 lid 3 van de Personeelswet (Pw) en artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding over de periode waarin hij zijn ambtsverplichtingen niet heeft vervuld en wel te rekenen van mei 1990 tot en met de datum van ingang van het ontslag. In de ontslagbeschikking is het volgende overwogen:

  • “dat de sergeant der eerste klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij de toenmalige Informatiedienst, de heer [verzoeker]
    (…) na een afwezigheid van bijkans 23 jaar bij schrijven van 08 mei 2012 en 17 juli 2012 de bereidheid aangeeft te willen arbeiden;
  • dat betrokkene vanaf mei 1990 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel;
  • dat naderhand is gebleken dat de Sergeant der eerste klasse vanwege het plegen van een strafbaar feit, veroordeeld was en in detentie verkeerde (periode 1990-1992) hetgeen geresulteerd heeft in plichtsverzuim ten opzichte van zijn werkgever;
  • dat na de detentieperiode hij zich niet conform de voorgeschreven procedure heeft aangemeld bij de afdeling Rehabilitatie van het Ministerie van Defensie;
  • dat naar aanleiding van eerder genoemde schrijven van de heer [verzoeker] van 8 mei 2012 en 17 juli 2012 een onderzoek is ingesteld;
  • dat uit dit onderzoek gebleken is dat bij de brand in het MP-gebouw in Fort Zeelandia in 1990 de administratie van de Militaire Politie in vlammen is opgegaan waaronder ook de gegevens van betrokkene; hetgeen ertoe geleid heeft dat hij buiten het zicht gebleven is van de administratie van het Ministerie van Defensie;
  • dat eerder genoemd onderzoek vervolgens geresulteerd heeft in een schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 16 mei 2013 aan betrokkene om zich terzake schriftelijk te verweren;
  • dat [verzoeker] in zijn verweerschrift van 21 mei 2013, geen steekhoudende argumenten naar voren heeft gebracht, die aanleiding zouden kunnen zijn om zijn verzoek om te arbeiden na drieëntwintig (23) jaren te honoreren;
  • dat integendeel is gebleken dat hij, als onderofficier die zich, bewust zou moeten zijn van zijn verantwoordelijkheden, toen niet volgens de voorgeschreven procedure actie heeft ondernomen naar de daarvoor aangewezen instantie n.l. de afdeling Rehabilitatie op het Ministerie van Defensie;
  • dat het voorgaande aangeeft dat de door hem aangegeven bereidwilligheid om te arbeiden niet gestaafd wordt door het tijdig ondernemen van de juiste formele acties, te meer gezien de langdurige periode van afwezigheid;
  • dat gezien de lange periode van wegblijven er geen aanleiding is zijn verzoek om te arbeiden te honoreren en er sprake is van langdurig plichtsverzuim;
  • dat in het voorgaande, ingevolge artikel 35 lid 2 van de ‘Wet Rechtspositie Militairen’ grond voor ontslag oplevert en er derhalve alle aanleiding bestaat om betrokkene uit Staatsdienst (militaire dienst) te ontslaan.;”

2.10 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 24 oktober 2013 ontvangen. Het ontslag is ingegaan op 25 oktober 2013.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. het ontslagbesluit nietig zal worden verklaard;
II. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] uit te keren het salaris behorende bij de functie van sergeant eerste klasse vanaf september 1992 tot heden, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente;

Subsidiair:
III. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] uit te keren het salaris behorende bij de functie van sergeant eerste klasse vanaf september 1992 tot aan 24 oktober 2013, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente;[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met het ontslagbesluit en de gronden waarop dit berust. Bij het geven van de ontslagbeschikking is in strijd gehandeld met één of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag en het beginsel van de juiste informatie en wel om de volgende redenen. De overweging in de ontslagbeschikking dat de veroordeling van [verzoeker] vanwege een gepleegd strafbaar feit heeft geresulteerd in plichtsverzuim is onjuist, omdat hij ingevolge de Personeelswet gedurende de periode van detentie van rechtswege was geschorst en deze schorsing is geëindigd met ingang van de dag waarop hij in vrijheid is gesteld. [verzoeker] heeft zich in 1992 na zijn invrijheidstelling, daarna opnieuw in 2008 en vervolgens weer in 2012 bij het in 2.5 genoemd schrijven aangemeld om zijn diensten te hervatten. De overweging in de ontslagbeschikking dat [verzoeker] zich niet conform de voorgeschreven procedure heeft aangemeld bij de afdeling Rehabilitatie is onbegrijpelijk. [verzoeker] is nimmer verwezen naar deze afdeling. Het gestelde ongeoorloofd verzuim kan hierdoor geen stand houden. Dit kan ook worden afgeleid uit het feit dat [verzoeker] niet is vervolgd wegens het zich onttrekken aan de dienstplicht, hetgeen een misdrijf is (artikel 72 e.v. van het Wetboek van Militair Strafrecht). Op grond van het voorgaande kan ook geen stand houden het in de ontslagbeschikking vervatte besluit dat [verzoeker] geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding. Bovendien mag een besluit ingevolge artikel 6 Pw geen terugwerkende kracht hebben, voor zover nadelig voor de belanghebbende. Uit het voorgaande volgt dat het ontslag op onjuiste gronden is verleend en strijdig is met de wet en derhalve geen stand kan houden.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het hof stelt voorop dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift niet heeft gesteld tegen wie hij de vordering instelt, doch dat uit zijn stellingen wordt begrepen dat hij de vordering instelt tegen de Staat Suriname, met name de minister van Defensie. De Staat heeft blijkens zijn verweerschrift het verzoekschrift in dezelfde zin begrepen. Het hof zal het verzoekschrift dan ook verbeterd lezen, met dien verstande dat de vordering is ingesteld tegen de Staat Suriname, met name het ministerie – en niet de minister – van Defensie, een en ander zoals reeds tot uitdrukking is gebracht in de kop van dit vonnis.De primaire vordering

Bevoegdheid
4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] militaire ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 lid 1 WRM. Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van artikel 79 Pw is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 primair onder I gevorderde, te weten de vordering tot nietigverklaring van het besluit waarbij een militaire ambtenaar ontslag uit Staatdienst is verleend.

4.2.2 [verzoeker] vordert tevens betaling van achterstallig salaris vanaf september 1992 tot 22 november 2013. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift aldus uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 primair onder II gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.3.1 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 Pw is een vordering tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 24 oktober 2013 ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 22 november 2013 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatsdienst is verleend.

4.3.2 Ten aanzien van het in 3.1 primair onder II gevorderde overweegt het hof als volgt. Volgens artikel 39 WRM zijn ter zake van de salarissen, emolumenten en andere vergoedingen van militaire landsdienaren, de artikelen 28 tot en met 35 Pw van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen. [verzoeker] heeft niet duidelijk gesteld wanneer hij voor het laatst zijn salaris heeft ontvangen, terwijl de Staat daarover evenmin iets heeft aangevoerd. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard tot 1990 te zijn uitbetaald en daarna niet meer. Vaststaat dat hij vanaf 22 februari 1990 tot en met 25 augustus 1992 in detentie heeft gezeten. Geconstateerd wordt dat [verzoeker] achterstallig salaris vordert vanaf september 1992, zodat het ervoor wordt gehouden dat hij meent aanspraak te maken op salaris vanaf die maand. Bij de beantwoording van de ontvankelijkheidsvraag zal derhalve daarvan worden uitgegaan. Nu [verzoeker] de vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld op 22 november 2013, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van de maand september 1992 het besluit te hebben genomen om het salaris van [verzoeker] niet meer te betalen, is hij tardief in het gevorderde zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.4 Thans zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. Blijkens de ontslagbeschikking wordt aan [verzoeker], kort gezegd, verweten zich aan plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt, daarin bestaande dat hij strafrechtelijk is veroordeeld en dientengevolge in detentie heeft gezeten alsmede dat hij vanaf zijn invrijheidstelling in 1992 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel. Op grond daarvan is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 WRM ontslag verleend.

4.5 Het hof overweegt ten aanzien van het gestelde plichtsverzuim dat zou bestaan in de strafrechtelijke veroordeling en de daaropvolgende detentie van [verzoeker] als volgt.De Staat heeft in dit kader verwezen naar artikel 61 lid 2 sub b Pw, welk artikel bepaalt dat een landsdienaar mede geacht wordt zich aan plichtsverzuim te hebben schuldig gemaakt, indien hij in de loop van zijn dienstverband bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot vrijheidsstraf ter zake van een buiten verband met de dienst opzettelijk begaan misdrijf.Vooropgesteld wordt dat blijkens artikel 35 lid 5 WRM onder plichtsverzuim mede wordt verstaan wangedrag in de dienst dan wel buiten de dienst, voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling van de militaire ambtenaar of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt. Daarbij is bepaald dat artikel 61, leden 2, 3, 5 en 6 Pw van overeenkomstige toepassing zijn.Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] dan wel de Staat in beroep is gegaan tegen het vonnis waarbij [verzoeker] strafrechtelijk is veroordeeld, zodat het ervoor wordt gehouden dat dit veroordelend vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. [verzoeker] heeft niet weersproken dat in casu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 61 lid 2 sub b Pw, zodat zijn stelling dat van plichtsverzuim geen sprake is, wordt verworpen. Het hof tekent daarbij aan dat [verzoeker] in de gelegenheid is gesteld zich te verweren ter zake van de ongeoorloofde afwezigheid van zijn dienstonderdeel vanaf mei 1990, van welke gelegenheid [verzoeker] ook gebruik heeft gemaakt door zich schriftelijk te verweren.

4.6 Het hof overweegt ten aanzien van het gestelde plichtsverzuim dat daarin zou bestaan dat [verzoeker] vanaf zijn invrijheidstelling in 1992 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel, als volgt. [verzoeker] heeft zich kort na zijn invrijheidstelling op 26 augustus 1992 aangemeld bij de dienst teneinde zijn werkzaamheden te hervatten. Hij is echter nimmer daartoe opgeroepen. De comparitiegevolmachtigde van de Staat heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] zich na zijn vrijlating had moeten aanmelden bij kolonel [naam 7], hoofd Personeelswezen, of bij zijn directe commandant bij de militaire politie, die dan op basis van de bevindingen zou beslissen of hij gehandhaafd kon worden of niet. [verzoeker] heeft niet weersproken dat hij heeft nagelaten zich aan te melden bij een van de hiervoor genoemde personen, zodat in rechte hiervan wordt uitgegaan. Daarnaast heeft [verzoeker], toen hij geen nadere instructies kreeg omtrent het hervatten van zijn werkzaamheden, zich pas in 2008 – derhalve na 16 jaren – weer aangemeld bij de dienst en daarna vervolgens pas weer in 2012. Op [verzoeker] rustte een eigen verantwoordelijkheid om, toen instructies omtrent zijn wedertewerkstelling uitbleven, daarover tijdig navraag te doen bij de dienst. [verzoeker] heeft geen verklaring gegeven voor het tijdsverloop van 16 jaren tussen de eerste en de tweede aanmelding. Gesteld noch gebleken is dat aan [verzoeker] niet kan worden toegerekend het nalaten om zich na zijn invrijheidstelling voor de hervatting van zijn werkzaamheden aan te melden bij de juiste functionaris en het tijdsverloop van 16 jaren tussen de eerste en de tweede aanmelding. Naar het oordeel van het hof heeft de minister terecht geoordeeld dat [verzoeker] vanaf zijn invrijheidstelling in 1992 ongeoorloofd afwezig is geweest van zijn dienstonderdeel en zich derhalve aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt en dat dit plichtsverzuim zodanig ernstig is dat het ontslag van [verzoeker] gerechtvaardigd is. Met het voorgaande wordt de stelling van [verzoeker] dat van ongeoorloofd verzuim geen sprake kan zijn omdat hij niet is vervolgd wegens het zich onttrekken aan de dienstplicht, wat overigens daarvan zij, verworpen.

4.7 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat in strijd met het bepaalde in artikel 6 Pw terugwerkende kracht is toegekend aan de in de ontslagbeschikking opgenomen bepaling dat hij ingevolge artikel 39 WRM juncto artikel 28 lid 3 Pw en artikel 1614b BW geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding over de periode waarin hij zijn ambtsverplichtingen niet heeft vervuld en wel te rekenen van mei 1990 tot en met de datum van ingang van het ontslag. Het hof volgt [verzoeker] niet in dit betoog, aangezien vorenbedoelde bepaling niet is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 6 Pw en daarenboven van terugwerkende kracht in de zin van voormeld artikel geen sprake is.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat van strijd met de wet of met enig door [verzoeker] genoemd algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is, zodat er geen grond is voor nietigverklaring van het ontslagbesluit. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 primair onder I gevorderde zal worden afgewezen.

4.9 Nu de primaire vordering niet kan worden toegewezen, zal het hof overgaan tot de beoordeling van de subsidiaire vordering.

De subsidiaire vordering

Bevoegdheid
4.10 [verzoeker] vordert in 3.1 subsidiair onder III betaling van achterstallig salaris, naar het hof begrijpt, vanaf september 1992 tot en met 24 oktober 2013. Het hof is op dezelfde gronden als in 4.2.2 vermeld, bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.11 Uit hetgeen in 4.3.2 ter zake van het in 3.1 primair onder II gevorderde is overwogen, volgt dat [verzoeker] ook in het in 3.1 subsidiair onder III gevorderde tardief is en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.12 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet valt binnen de limitatieve opsomming van hetgeen mag worden gevorderd ingevolge het bepaalde in artikel 79 Pw.

4.13 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 primair onder II gevorderde.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 subsidiair onder III gevorderde.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. C.P. Baal namens mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name A. het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
B. het Ministerie van Buitenlandse zaken,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 09 mei 2014;
  • het verweerschrift ingediend op 16 september 2014;
  • de beschikking van het hof van 14 november 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 05 december 2014, welk verhoor is verplaatst naar 15 mei 2015;
  • de processen-verbaal van het op 15 mei 2015 gehouden verhoor van partijen en de op 03 juli 2015 gehouden voortzetting daarvan;
  • de pleitnota d.d. 07 augustus 2015;
  • de antwoordpleitnota d.d. 06 november 2015;
  • de repliekpleitnota d.d. 04 december 2015;
  • de dupliekpleitnota d.d. 15 januari 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 april 2016, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] is op basis van een arbeidsovereenkomst te rekenen van 01 juni 2003 in overheidsdienst getreden en tewerkgesteld als coördinator van het secretariaat van de Staatsraad bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken (Directoraat Algemene Zaken). Het dienstverband is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.2 Bij resolutie [nummer] is [verzoekster] te rekenen van 01 oktober 2006 overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.3 De Raad van Ministers heeft bij missive d.d. 28 december 2006 [nummer 2]/RvM (hierna: de missive) goedgekeurd dat [verzoekster] – volgens de missive in vaste dienst werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken – wordt voorgedragen voor benoeming in consulaire rang van consul-generaal (schaal 21) te rekenen van 15 december 2006 en dat zij te rekenen van dezelfde datum wordt gedetacheerd naar het Consulaat-Generaal van de Republiek Suriname in Amsterdam, Nederland.

2.4 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 17 september 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken bericht:“Geachte Minister,Hierbij vraag ik uw aandacht voor het volgende.Mevrouw Drs. [verzoekster], heeft mijn hulp ingeroepen voor de kwestie van haar vaste aanstelling bij de Centrale Overheid i.c. het Ministerie van Buitenlandse zaken. Zoals aan mij is medegedeeld heeft de Raad van Ministers in zijn vergadering van 28 december 2006 [nummer 2]/RvM goedgekeurd dat Mevr. [verzoekster], in vaste dienst werkzaam op het ministerie van Buitenlandse zaken wordt voorgedragen voor benoeming in de Consulaire rang van Consul Generaal (schaal 21) (…).Van Mevr. [naam] van uw ministerie heb ik begrepen, dat de vaste aanstelling van mijn cliënte problemen oplevert, omdat zij bij indiensttreding de leeftijd van 35 jaren reeds had bereikt en al zodoende niet kan worden voorzien van een vaste aanstelling. Afgezien van het feit dat dit standpunt juist is of niet wordt opgemerkt dat Mevr. [verzoekster] sedert het jaar 2009 pensioen premie heeft gestort (…).Nu de Raad van Ministers haar definitieve benoeming en bevordering heeft goedgekeurd en gelet op haar pensioenstorting, verzoek ik u beleefd doch dringend te willen bevorderen dat de concept resolutie die reeds is opgemaakt betreffende haar vaste aanstelling en benoeming tot Consul Generaal op korte termijn kan worden geeffectueerd. In afwachting van uw spoedige berichten.”

2.5 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft ter zake van het in 2.4 vermeld schrijven d.d. 17 september 2013, twee herinneringsschrijven d.d. 14 oktober 2013 en 26 november 2013 gericht aan de minister van Buitenlandse Zaken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om:
a. die handelingen te verrichten, zodat zij in het bezit kan worden gebracht van een vaste aanstelling;
b. haar te benoemen in de functie van consul-generaal overeenkomstig de missive van 28 december 2006 (schaal 21);
c. haar te voorzien van de bezoldiging en overige emolumenten verbonden aan de rang van consul-generaal;
d. aan haar een dwangsom te betalen van SRD 10.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster] is bij de in 2.1 genoemde arbeidsovereenkomst te rekenen van 01 juni 2013 (lees: 01 juni 2003) in dienst getreden van de Staat in de rang van coördinator van het secretariaat van de Staatsraad bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De Staat heeft nagelaten [verzoekster] te benoemen tot consul-generaal en derhalve slechts gedeeltelijk uitvoering gegeven aan de missive. Bij het in 2.4 vermeld schrijven d.d. 17 september 2013 heeft [verzoekster] de Staat op deze nalatigheid gewezen en gevraagd om haar aanstelling in vaste dienst en haar benoeming tot consul-generaal op korte termijn te effectueren. De verdere uitvoering van de missive in vorenbedoelde zin door de Staat is echter uitgebleven, ook na het in 2.5 vermeld herinneringsschrijven van [verzoekster] gericht aan de Staat. Laatstgenoemde maakt met zijn nalatigheid ernstige inbreuk op de rechtspositie van [verzoekster] en op haar financieel vermogen. [verzoekster] heeft een gerechtvaardigd belang bij de vordering, te meer zij vanaf het jaar 2007 pensioenpremie heeft betaald.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.1 De Staat heeft, naar het hof begrijpt, als formeel verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoekster], omdat, kort gezegd:

  1. in artikel 79 van de Personeelswet (Pw) limitatief zijn opgesomd de vorderingen waarover het hof bevoegd is te oordelen en het door [verzoekster] gevorderde niet daartoe behoort;
  2. [verzoekster] geen ambtenaar is maar arbeidscontractant, waardoor de rechtsrelatie tussen [verzoekster] en de Staat wordt beheerst door het contractenrecht en de Personeelswet slechts aanvullende werking heeft.

4.1.2 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat [verzoekster] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 Pw. Hieraan doet niet af dat [verzoekster] in het verzoekschrift spreekt van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. In de kop van de door [verzoekster], als productie bij het verzoekschrift, in fotokopie overgelegde arbeidsovereenkomst staat vermeld: “ARBEIDSOVEREENKOMST INGEVOLGE ARTIKEL 15 LID 1 VAN DE PERSONEELSWET”. Blijkens artikel 83 Pw zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 – hieronder vallen artikelen 78 tot en met 82 Pw (de rechtsmiddelen) – van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten – zoals [verzoekster] – en op vorderingen betreffende arbeidsovereenkomsten, welke door het land zijn gesloten.In artikel 79 Pw zijn de vorderingen waarover het hof in eerste en hoogste aanleg bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan het door [verzoekster] gevorderde worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald, in casu het nalaten om [verzoekster] te voorzien van een vaste aanstelling, haar te benoemen in de functie van consul-generaal overeenkomstig de missive en haar te voorzien van de bezoldiging en overige emolumenten verbonden aan de rang van consul-generaal. Gelet op het voorgaande is het hof bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde. Het verweer van de Staat faalt.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft tevens als formeel verweer aangevoerd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De Staat heeft in dit kader, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 17 september 2013 de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om haar positie als consul-generaal vast te stellen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat [verzoekster] ten aanzien van dit verzoek recht heeft op een beslissing van de minister binnen zes maanden. Nu voormeld verzoek is gedaan op 17 december 2013, heeft [verzoekster] nog vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden de vordering op 09 mei 2014 bij het hof ingesteld.

4.2.2 Het hof stelt voorop dat de Staat bij zijn betoog dat [verzoekster] haar vordering bij het hof heeft ingesteld nog vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden waarbinnen de minister diende te beslissen op het in 2.4 bedoeld verzoek van [verzoekster], kennelijk abusievelijk is uitgegaan van een schrijven d.d. 17 december 2013 in stede van het schrijven van [verzoekster] d.d. 17 september 2013. Op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering als de onderhavige niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek. Hieruit volgt dat de minister, nu hij binnen voormelde termijn niet uitdrukkelijk heeft beslist op het bij het schrijven van [verzoekster] d.d. 17 september 2013 gedane verzoek om haar aanstelling in vaste dienst en haar benoeming tot consul-generaal te effectueren, geacht wordt op 17 maart 2014 een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. [verzoekster] heeft de onderhavige vordering op 09 mei 2014 bij het hof ingesteld, zodat niet juist is het betoog van de Staat dat de vordering is ingesteld vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden waarbinnen de minister diende te beslissen op het verzoek van [verzoekster], wat overigens zij van de daaraan verbonden consequentie van niet-ontvankelijkheid in de visie van de Staat. Nu de onderhavige vordering bij het hof is ingesteld op 09 mei 2014, derhalve binnen drie maanden na 17 maart 2014, is [verzoekster] op grond van artikel 80 lid 2 sub c Pw daarin ontvankelijk. Ook dit verweer van de Staat faalt.

4.3 Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering. De comparitiegevolmachtigde van de Staat heeft ter gelegenheid van de gehouden voortzetting van het verhoor van partijen onweersproken verklaard dat [verzoekster] wel is benoemd in de functie van consul-generaal, zodat dit in rechte tussen partijen is komen vast te staan. Het hof concludeert hieruit dat de Staat vorenbedoelde benoeming van [verzoekster] niet achterwege heeft gelaten. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken gesteld dat zij reeds met pensioen is. Het hof overweegt dat, nu [verzoekster] niet meer in dienst van de Staat is, de Staat reeds hierom haar niet kan voorzien van een vaste aanstelling noch van de bezoldiging en emolumenten behorende bij de functie van consul-generaal. Daaraan doet niet af dat [verzoekster] in [land] werkzaam is geweest in de functie van consul-generaal en dat zij, volgens haar, niet de volledige bezoldiging en emolumenten behorende bij die functie heeft ontvangen.Overigens heeft de missive blijkens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer van het hof slechts interne werking en bezit deze tegenover [verzoekster] geen enkele rechtskracht zolang de desbetreffende resolutie niet door het daartoe bevoegde gezag is opgemaakt en goedgekeurd.Nu de door [verzoekster] gestelde handelingen, hetzij niet door de Staat zijn nagelaten, hetzij niet door de Staat kunnen worden verricht, is er geen grond voor het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van deze handelingen, zodat de vordering zal worden afgewezen. Ten overvloede wordt overwogen dat indien [verzoekster] meent schade te hebben geleden als gevolg van enig nalaten van de Staat in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zij een vordering tot vergoeding van deze schade had moeten instellen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

4.4 De gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 01 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door dhr. S. Sewgobind, LL.M namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. V.V.C. Piqué, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 17 juli 2014;
  • het verweerschrift d.d. 21 november 2014;
  • de beschikking van het hof van 20 april 2015 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015, welk verhoor is verplaatst naar 05 juni 2015;
  • de processen-verbaal van het op 05 juni 2015 gehouden verhoor van partijen en de op 03 juli 2015 gehouden voortzetting daarvan;
  • de schriftelijke uitlating zijdens de Staat d.d. 06 november 2015, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en uitlating productie zijdens [verzoekster] d.d. 04 december 2015;
  • de schriftelijke uitlating zijdens de Staat d.d. 05 februari 2016, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde productie zijdens [verzoekster] d.d. 06 mei 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoekster] – in de desbetreffende arbeidsovereenkomst aangeduid als: [naam] – is te rekenen van 01 september 2008 als arbeidscontractant in dienst getreden van het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer in de functie van juridisch medewerkster op het Hypotheekkantoor.

2.2 Vervolgens is [verzoekster] gedurende de periode van 16 november 2009 tot en met 14 mei 2013 werkzaam geweest op het Bureau Intellectuele Eigendom van het ministerie van Justitie en Politie.

2.3 [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 22 juli 2010, gericht aan de directeur van Justitie en Politie, het verzoek gedaan haar in vaste dienst aan te stellen.

2.4 [verzoekster] heeft gedurende de periode dat zij werkzaam was op het Bureau Intellectuele Eigendom drie keren waargenomen de functie van hoofd van dit bureau. [verzoekster] heeft diverse keren schriftelijk geïnformeerd naar haar aanstelling in vaste dienst en de betaling van de toelage ter zake van vorenbedoelde waarneming.

2.5 Bij schrijven d.d. 14 mei 2013, [nummer], heeft de directeur van Justitie en Politie onder meer aan [verzoekster] meegedeeld dat zij, [verzoekster], te rekenen van 15 mei 2013 tewerk wordt gesteld op het Bureau Rechtszorg van de Hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden en haar verzocht zich op dezelfde datum voor de dienst aan te melden bij het waarnemend hoofd van voormeld bureau.

2.6 Bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 02 maart 2015, [nummer 2], is [verzoekster] te rekenen van 01 oktober 2011 voorzien van een aanstelling in vaste dienst.

2.7 Bij schrijven d.d. 15 oktober 2015 heeft mevr. [naam 2], beleidsadviseur Personeelsaangelegenheden van het ministerie van Justitie en Politie, onder meer aan de directeur van dit ministerie gerapporteerd dat:

  • het raadsvoorstel betreffende de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoekster], welk raadsvoorstel op 02 maart 2015 is aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken, thans nog in behandeling is bij de Raad voor Personeelsaangelegenheden;
  • het ministerie van Binnenlandse Zaken voor de formele afhandeling, inclusief de administratieve uitvoering, maximaal twee maanden respijt heeft gevraagd.

2.8 De minister van Binnenlandse Zaken heeft bij schrijven d.d. 04 februari 2016, BIZA [nummer 3], het volgende aan de minister van Justitie en Politie bericht:“Aan: De Minister van Justitie en Politie.
Betreft: Toekenning waarnemingstoelage aan mevr. mr. [verzoekster]
Onder verwijzing naar uw voorstel d.d. van 2 februari 2015 [nummer 4], deel ik U mede dat mijnerzijds geen bezwaar bestaat aan (…) mevr. mr. [verzoekster], die de functie van Hoofd Bureau Intelectuele Eigendom gedurende de na volgende periode heeft waargenomen een waarnemingstoelage toe te kennen t.w.:

  • 6 september 2010 t/m 17 december 2010;
  • 1 augustus 2011 t/m 4 november 2011;
  • 24 december 2012 t/m 15 maart 2015.

Aan betrokkene zal krachtens de thans geldende regeling een waarnemingstoelage worden toegekend.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert na vermindering van eis, zakelijk weergegeven, dat de Staat bij vonnis zal worden veroordeeld om haar binnen een maand na betekening van het vonnis in aanmerking te doen komen voor de toelage, met eventuele emolumenten, voor de waarneming als hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom gedurende de drie navolgende perioden, namelijk van 04 september 2010 tot en met 19 december 2010, van 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en van 24 december 2012 tot en met 15 maart 2013, ten bedrage van SRD 10.221,85, althans het bedrag dat na deugdelijk onderzoek op rechtmatige wijze is vastgesteld door de Staat, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor elke dag of keer dat de Staat in strijd handelt met deze veroordeling. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster] heeft drie keren waargenomen als hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom en wel van 04 september 2010 tot en met 19 december 2010, van 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en van 24 december 2012 tot en met 15 maart 2013. [verzoekster] komt voor de waarneming over voormelde perioden conform artikel 22 lid 4 van de Personeelswet (Pw) in aanmerking voor een waarnemingstoelage. Ondanks de diverse brieven gericht aan en de toezeggingen van de bevoegde instanties, is de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoekster] achterwege gebleven. De waarnemingstoelage bedraagt in totaal SRD 10.221,85. Door het achterwege laten van de toekenning van de waarnemingstoelage aan [verzoekster], op welke toelage [verzoekster] aanspraak maakt, handelt de Staat in strijd met artikel 22 lid 4 Pw alsmede met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel en derhalve onrechtmatig jegens [verzoekster].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Vaststaat dat [verzoekster] gedurende dit geding bij de in 2.6 vermelde beschikking d.d. 02 maart 2015 van een aanstelling in vaste dienst is voorzien. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen ingetrokken de aanvankelijk door haar gevorderde veroordeling van de Staat om haar van een aanstelling in vaste dienst te voorzien, onder verbeurte van een dwangsom. De Staat heeft zich niet verzet tegen de intrekking, zodat de vordering wordt geacht te zijn ingetrokken.

4.2.1 De op grond van het voorgaande verminderde eis van [verzoekster] is weergegeven in 3.1. Het gevorderde strekt tot betaling van een waarnemingstoelage, onder verbeurte van een dwangsom.

4.2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 4 Pw voor de waarneming van de functie van hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage. De Staat heeft in fotokopie overgelegd het in 2.8 vermeld schrijven van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 04 februari 2016 (productie bij de schriftelijke uitlating d.d. 05 februari 2016), waaruit blijkt dat laatstgenoemde geen bezwaar heeft om aan [verzoekster] toe te kennen een waarnemingstoelage voor de waarneming van de functie van hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom over de perioden: 06 september 2010 tot en met 17 december 2010, 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en 24 december 2012 tot en met 15 maart 2015 (lees kennelijk: 15 maart 2013). De Staat heeft niet weersproken de door [verzoekster] gevorderde waarnemingstoelage ad SRD 10.221,85, zoals berekend over de perioden van 04 september 2010 tot en met 19 december 2010, 01 augustus 2011 tot en met 04 november 2011 en 24 december 2012 tot en met 15 maart 2013 en gespecificeerd in het door [verzoekster] overgelegde overzicht (productie no. 9 bij het verzoekschrift). Gelet op het voorgaande zal de vordering – voor zover de waarnemingstoelage niet reeds aan [verzoekster] is betaald – worden toegewezen als in het dictum te melden.

4.3 Nu het gevorderde strekt tot de betaling van een waarnemingstoelage en de Staat dit gevorderde niet bestrijdt, zal in dit specifieke geval de medegevorderde dwangsom worden afgewezen.

4.4 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verstaat dat de vordering tot veroordeling van de Staat om [verzoekster] van een aanstelling in vaste dienst te voorzien, onder verbeurte van een dwangsom, is ingetrokken.

5.2 Veroordeelt de Staat – voor zover de betaling van de na te noemen waarnemingstoelage aan [verzoekster] nog niet is geschied – om aan [verzoekster] te betalen een waarnemingstoelage voor de waarneming van de functie van hoofd van het Bureau Intellectuele Eigendom ten bedrage van SRD 10.221,85 (tienduizend tweehonderdeneenentwintig 85/100 Surinaamse dollar).

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 01 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. V.V.C. Pique, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door dhr. S. Sewgobind, LL.M namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in het bijzonder het Ministerie van Openbare Werken, thans het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: voorheen mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat, thans mr. N.U. van Dijk, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2014;
  • het verweerschrift en uitlating producties d.d. 07 november 2014, met producties;
  • de beschikking van het hof van 20 april 2015 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 mei 2015, welk verhoor is verplaatst naar 19 juni 2015;
  • het proces-verbaal van het op 19 juni 2015 gehouden verhoor van partijen;
  • het schrijven van mr. dr. J. van Dijk-Silos d.d. 02 oktober 2015, waarbij zij zich als gemachtigde van de Staat onttrekt aan de zaak en het schrijven van mr. N.U. van Dijk van dezelfde datum, waarbij zij zich stelt voor de Staat;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen zijdens de Staat d.d. 15 januari 2016;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens [verzoeker] d.d. 15 april 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 17 juni 2016.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 januari 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst bij het Ministerie van Openbare Werken, laatstelijk in de functie van onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken. [verzoeker] is tevens parlementariër.

2.2 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 25 oktober 2010, Bureau [nummer], [nummer 2] (hierna: de ontheffingsresolutie), is [verzoeker] met toepassing van artikel 23 lid 5 van de Personeelswet (Pw) te rekenen van 20 september 2010 ontheven uit de functie van onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken en per dezelfde datum ter beschikking gesteld van de minister van Openbare Werken (hierna: de minister), met behoud van zijn bezoldiging en met gelijktijdige omzetting van de representatietoelage in een overgangstoelage.

2.3 [verzoeker] is bij verzoekschrift d.d. 22 februari 2011 bij het hof opgekomen tegen vorenbedoeld ontheffingsbesluit.

2.4 De directeur Civieltechnische Werken van Openbare Werken (hierna: de directeur) heeft bij schrijven d.d. 28 juli 2011, 17 augustus 2011, 23 september 2011, 14 oktober 2011 en 17 oktober 2011 [verzoeker] opgeroepen dan wel gesommeerd om zich aan te melden voor hervatting van de dienst.

2.5 Bij schrijven d.d. 20 oktober 2011 heeft de directeur onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: bespreking inzake uw functie als ambtenaar
Geachte heer [verzoeker],
Middels deze bevestig ik, het met u gevoerde gesprek op woensdag 19 oktober 2011 te mijner kantore op het Ministerie van Openbare Werken.
Hierbij heb ik u duidelijk geïnstrueerd, in uw hoedanigheid van ambtenaar, informatie betreffende het Ministerie van Openbare Werken niet naar buiten te laten gaan c.q. niet te bespreken en ook niet bespreekbaar te maken zonder mijn nadrukkelijke goedkeuring.
Het confidentialiteits beginsel is bij u, als ambtenaar op het Ministerie, onverkort van toepassing. Andere door ons besproken onderwerpen zullen na uitwerking eveneens schriftelijk worden vastgelegd.Wij hopen dat u zich, zoals afgesproken, aan deze gedragscode zal houden en verblijven.”

2.6 De minister heeft middels schrijven d.d. 28 januari 2013 aan [verzoeker] aangeboden een exemplaar van een werkomschrijving en afspraken betreffende het functioneren van [verzoeker] op het ministerie, met het verzoek dit te ondertekenen en te retourneren. Daarbij is [verzoeker] tevens aangezegd om zich op 29 januari 2013 aan te melden bij de directeur om de omschreven werkzaamheden te kunnen starten.Voormelde werkomschrijving en afspraken luiden als volgt:

“WERKOMSCHRIJVING

  1. .Adviseert gevraagd en ongevraagd, de departementsleiding inzake de diverse beleidsgebieden van het Ministerie van Openbare werken.
  2. Brengt advies uit m.b.t. diverse rapporten.
  3. Ondersteunt c.q. adviseert de departementsleiding t.a.v. diverse vraagstukken het Ministerie regarederende [sic] zowel nationaal als internationaal.
  4. Volgt de instructies verkregen vanwege de departementsleiding m.b.t. de ondersteuning aan het beleid van het Ministerie.
  5. Stelt alles in het werk om de werksfeer op Openbare Werken te helpen bevorderen.

AFSPRAKEN M.B.T. HET FUNCTIONEREN.

  1. U tekent de presentie in op het secretariaat van de Directeur van het Directoraat Civiel Technische Werken van Openbare Werken tot uiterlijk 7.15 van maandag tot en met vrijdag en u tekent van maandag tot en met donderdag uit uiterlijk 15.00 uur. Op de vrijdag tekent u 14.30 uur uit. (Het e.e.a. conform de dienstvoorschriften voor landsdienaren (Rondzendbrief van 15 mei 2003 [nummer 3]).
  2. Op de dagen dat u D.N.A. vergaderingen moet bijwonen, bent u vrijgesteld van dienst. Vermeld dient te worden dat u op de dagen dat u D.N.A. vergaderingen moet bijwonen, voor 8.00 uur s’morgens, dit telefonisch doorgeeft aan het secretariaat van de Directeur van het Directoraat Civiel Technische Werken op telefoonnummer: [nummer].”

2.7 Bij schrijven d.d. 28 augustus 2013, [nummer 4], heeft de minister [verzoeker] onder meer meegedeeld dat hij, [verzoeker], blijkens zijn personeelsdossier op verschillende data in het jaar 2011 door de departementsleiding is aangezegd de dienst te hervatten, doch dat hij zulks tot op heden heeft nagelaten. [verzoeker] is vervolgens aangezegd om zich op 30 augustus 2013 om 07.00 uur aan te melden bij de minister voor hervatting van de dienst en meegedeeld dat bij die gelegenheid met hem zal worden besproken de werkzaamheden waarmee hij zal worden belast en de wijze van uitvoering van deze werkzaamheden.

2.8 Op 30 augustus 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de minister en [verzoeker].

2.9 Bij schrijven d.d. 02 september 2013, [nummer 5], heeft de minister onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: Hervatting werkzaamheden op het Ministerie van Openbare Werken
Heer [verzoeker],
Met verwijzing naar mijn eerder schrijven gedateerd 28 augustus 2013, kenmerk [nummer 4] en het onderhoud welke ik met u had op 30 augustus jl. moge het volgende gelden:
(…)
Aangezien het ministerie grote behoefte heeft aan deskundig kader, wordt u per onmiddellijk belast met het adviseren van de minister omtrent te treffen maatregelen nodig voor het optimaliseren van het functioneren van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, alsook het mede begeleiden en monitoren van de in dit kader uit te voeren activiteiten en het hieromtrent rapporteren naar de minister.In verband met het voorgaande, zult u een werkplek toegewezen krijgen op het ministerie. Vanwege uw rol bij het begeleiden van het transformatieproces op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, wordt het noodzakelijk geacht dat u dagelijks aanwezig bent op de werkplek. Rekening houdend met het door u t/m 27 september 2013 aangevraagd verlof, wordt u middels deze aangezegd zich op de eerstvolgende werkdag na afloop van het verlof, om 07.00 uur aan te melden bij de minister voor nadere instructies.”

2.10 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2013 onder meer het volgende aan de minister meegedeeld:
“Betreft: uw schrijven d.d. 2 september 2013,

Geachte Minister,
Zoals u uit de bijlagen behorende bij mijn brief d.d. 29 augustus 2013 en mijn brief van 29 januari 2013 heeft kunnen vernemen alsook van hetgeen ik eerder mondeling aan de orde heb gesteld, ben ik bereid mijn plichten als ambtenaar te vervullen.
(…)
Een ander zeer belangrijk punt, dat door mij aan de orde is gesteld, is dat mijn nieuwe taken vooraf duidelijk moeten zijn. Dus voordat aan de uitoefening van de werkzaamheden in een andere functie wordt begonnen.U stelt in uw brief d.d. 2 september 2013 dat ik belast zal worden met het adviseren van de minister omtrent te treffen maatregelen nodig voor het optimaliseren van het functioneren van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, alsook het mede begeleiden en monitoren van de in dit kader uit te voeren activiteiten en het hieromtrent rapporteren naar de minister.Ik functioneerde vóór de ontheffing in functie van onderdirecteur Administratieve Diensten, derhalve behoef ik uit dien hoofde geen werk uit te voeren op een lager nivo [sic].U zou mij, zo begrijp ik, willen inzetten als interne ‘adviseur’. Naar ik begrijp wenst u geadviseerd te worden over hoe het functioneren van het personeel op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht te upgraden. Deze werkzaamheden vallen duidelijk niet onder de functie van onderdirecteur Administratieve Diensten. Ik wil daarom eerst duidelijkheid hebben over de aanduiding van de functie (functiebenaming) waaronder de door u gewenste advieswerkzaamheden worden gebracht, alsmede de formatie plaats binnen het Ministerie.
(…) Ik wil niet dat ik in een onzekere situatie terechtkom. Ik heb er namelijk, zoals u ook weet, niet zelf voor gekozen om in deze situatie te zijn. De ontheffing, die onterecht is, heeft buiten mij om plaatsgehad. Ik ben daarom van mening dat behalve vastlegging van mijn nieuwe taken ook vastgelegd dient te zijn dat ik op geen enkel onderdeel in [sic] ook in geen enkel opzicht afstand doe van de rechten die ik ontleen aan mijn functie als onderdirecteur Administratieve Diensten. Immers indien het Hof van Justitie de ontheffing vernietigt, moet ik in staat zijn wederom invulling aan die functie te geven. Een ander, maar niet minder belangrijk aspect, is mijn lidmaatschap van De Nationale Assemblee. Zoals u weet, ben ik gekozen en geïnstalleerd als volksvertegenwoordiger. In het parlementaire werk in Suriname is het altijd zo geweest dat parlementariërs met behoud van hun baan in de gelegenheid worden gesteld hun taken voortvloeiende uit hun lidmaatschap van het Parlement uit te oefenen. Deze benadering is gebaseerd op enerzijds het algemeen bekende feit dat de schadeloosstelling die parlementariërs ontvangen hun dagelijke kosten van levensonderhoud niet dekken en anderzijds op het feit dat indien de zittingsperiode van de parlementariër in kwestie erop zit hij niet zonder baan komt te zitten. Ik ben van mening dat ook mij een dergelijke bejegening toekomt. Er dienen derhalve duidelijke werkafspraken vooraf te worden gemaakt en die moeten ook bij anderen bekend zijn. Ik ben bereid daarover dan ook afspraken met u te maken.U bent zelf ook parlementariër geweest. Zoals u weet, kan die taak alleen naar behoren worden vervuld als ook effectief invulling gegeven kan worden aan het DNA-lidmaatschap en de daaraan verbonden verplichtingen en verantwoordelijkheden. Ik moet dus de vergaderingen kunnen bijwonen, alsook de andere bijeenkomsten welke aan deze functie verbonden zijn. Ook moet ik mij kunnen voorbereiden op deze bijeenkomsten en de nodige onderzoeken kunnen verrichten en contacten onderhouden.Ik verneem derhalve gaarne uw reactie op het voorgaande en dank u voor uw bereidwilligheid en begrip in dezen.”

2.11 Bij schrijven d.d. 11 oktober 2013, [nummer 6], heeft de minister onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Betreft: Verduidelijking omtrent aanvang werkzaamheden op het Ministerie van Openbare Werken
Heer [verzoeker],
Uw schrijven gedateerd 27 september 2013, heb ik in goede orde ontvangen. Uit de verschillende stellingen en argumenten welke u in genoemd schrijven poneert en aandraagt, destilleer ik in hoofdzaak het volgende:

  1. U wenst formalisatie van de taken waarmee u belast zult worden
  2. Tevens wenst u dat wordt vastgelegd dat u in geen enkel opzicht afstand doet van de rechten welke u meent te ontlenen aan de door u in het verleden bekleedde functie van Onder-Directeur Administratie van het Ministerie van Openbare werken
  3. U meent financieel niet rond te kunnen komen van de schadeloosstelling welke toegekend wordt aan parlementariërs, en heeft derhalve belang bij de instandhouding van de ambtenarenstatus en de daarbij behorende bezoldiging
  4. U wenst duidelijke afspraken ten aanzien van het combineren van uw lidmaatschap van De Nationale Assemblee en uw werkzaamheden als ambtenaar bij het Ministerie van Openbare Werken

Ten aanzien van het vorengaande, deel ik u het volgende mede:
Per resolutie gedateerd 25 oktober 2010, bureau [nummer], [nummer 2] bent u ontheven uit de functie van Onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken, en ter beschikking gesteld van de Minister van Openbare Werken. Aangezien u zich niet kunt verenigen met dit besluit heeft u ter zake de onafhankelijke rechter geadieerd, hetwelk uw goed recht is.Totdat anders is beslist door de rechter, blijft het regeringsbesluit echter in stand, en bent u ter beschikking van de Minister van Openbare Werken. Dit houdt in dat u op aangeven van de minister belast kunt worden met taken welke in overeenstemming zijn met uw opleidings- en ervaringsniveau. Indien u van mening bent dat het adviseren van de minister ten aanzien van beleidsvraagstukken van een lager niveau is dan het functioneren als onderdirecteur van het ministerie, dan is dat uw interpretatie en voor uw rekening.Verder acht ik het overbodig om vast te doen leggen dat u geen afstand doet van rechten welke u meent te ontlenen aan een functie die u in het verleden bekleedde. Ik veronderstel dat u bekend bent met het gegeven dat indien een onherroepelijke rechterlijke uitspraak u mocht herstellen in die functie, de rechten en plichten verbonden aan die functie, daarmee herleven.
(…)
Ten aanzien van het combineren van uw taken als lid van De Nationale Assemblee en die van ambtenaar op het Ministerie van Openbare Werken, geef ik u mee dat dezerzijds de medewerking zal worden verleend voor uw participatie aan de door de Griffier van de Nationale Assemblee uitgeschreven huishoudelijke en openbare vergaderingen, alsook de door de Griffier uitgeschreven vergaderingen van vaste commissies in welke u zitting heeft.Ik verwacht dat alle onzekerheden en onduidelijkheden welke bij u mochten hebben bestaan ten aanzien van uw functioneren op het ministerie, middels deze uiteenzetting zijn weggenomen. Derhalve wordt u – met verwijzing naar mijn eerdere brieven aan u – respectievelijk gedateerd 28 augustus 2013, kenmerk [nummer 4] en 2 september 2013, kenmerk [nummer 7] – middels deze nogmaals aangezegd zich zonder uitstel aan te melden bij de Minister van Openbare Werken voor hervatting van de werkzaamheden, en wel op de eerste werkdag volgend op de dagtekening van dit schrijven.Indien geen gehoor wordt gegeven aan deze aanzegging, zal het ministerie genoodzaakt zijn een tuchtrechtelijke procedure in te zetten.”

2.12 Bij schrijven d.d. 16 oktober 2013 heeft [verzoeker] onder meer het volgende aan de minister meegedeeld:
“Betreft: uw schrijven d.d. 11 oktober 2013
Geachte minister,
Ik heb met veel interesse kennis genomen van uw zienswijze over de wijze waarop u mij tegemoet wenst te komen met betrekking tot mijn wettelijke verplichtingen uit hoofde van mijn lidmaatschap van De Nationale Assemblee.
(…)
Deze kwestie verdient naar mening de nodige aandacht te krijgen opdat het geheel werkbaar blijft (overigens niet alleen voor mij maar ook voor andere parlementariërs in overheidsdienst). U kunt zich voorstellen dat ik niet in een positie wil komen waarbij ik mijn taken als parlementariër zou moeten verzaken.De invulling van de taken als parlementariër zijn zoals u weet niet beperkt tot het bijwonen van uitgeschreven huishoudelijke-, openbare- en commissievergaderingen.Mij is gebleken dat het doen van onderzoek, het voorbereiden van besprekingen en vergaderingen en het hebben van overleg met andere parlementariërs en deskundigen ook veel arbeidstijd in beslag neemt. Wil ik serieus inhoud geven aan mijn lidmaatschap van DNA dan is de beschikking over deze arbeidstijd onontbeerlijk. Ik zou u daarom, nu u mij klaarblijkelijk niet wenst tegemoet te komen in deze arbeidstijd en gelet op het feit dat mijn lidmaatschap over ruim anderhalf jaar al ten einde zal zijn, het voorstel willen doen om mij met behoud van salaris vrij te stellen van dienst.Ik zou graag een bespreking met u willen hebben over dit voorstel.Ik wil voor de volledigheid van de gelegenheid gebruik maken om te reageren op de overige inhoud van uw brief. De behoefte aan vastlegging van het standpunt dat ik geen afstand doe van mijn rechten is volgens mij gebruikelijk wanneer partijen een schikking treffen. Ook is het volgens mij op grond van de Personeelswet voorgeschreven dat de door de ambtenaar uit te voeren taken, immers zijn die gekoppeld aan een bevoegdheid, vooraf dienen te zijn omschreven. De functie dient volgens mij ook een grondslag te hebben in de op basis van de Personeelswet tot stand gekomen regelingen en/of besluiten. Ik heb met mijn stellingen hierover dus niet willen beweren dat het verrichten van werkzaamheden in het kader van het adviseren van de minister ten aanzien van beleidsvraagstukken van lager niveau zijn dan die verbonden aan de functie van onderdirecteur Administratieve Diensten. Ik wens slechts duidelijkheid vooraf. Volgens mij is het voor beide partijen wenselijk om vóóraf aan die duidelijkheid te werken.
(…)
Ik neem aan dat u begrip kunt opbrengen voor het feit dat ik als werknemer slechts duidelijkheid aan het vragen ben over de door mij te verrichten werkzaamheden, mijn functieaanduiding c.q. functiebenaming en mijn rechtspositie als ambtenaar en als parlementariër en dat u niet op grond hiervan tuchtrechtelijke maatregelen jegens mij treft.Ik wil bij dezen voor alle duidelijkheid tot slot nog benadrukken dat ik nog immer bereid ben mijn diensten als ambtenaar aan de overheid te verlenen. Ik stel overigens voor om, zolang op het hier vorenvermelde verzoek nog niet is beslist, duidelijke afspraken te maken over de wijze van afmelding in geval van andere verplichtingen, ziekte, verlof ect. van mijn zijde.”

2.13 [verzoeker] is bij schrijven van de minister d.d. 23 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld zich te verweren, hetgeen hij ook heeft gedaan bij schrijven d.d. 28 oktober 2013.

2.14 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 20 mei 2014, Bureau [nummer 8], [nummer 9] (hierna: de schorsingsresolutie), is [verzoeker] geschorst voor een periode van 1 (één) maand met stilstand van het door hem uit staatskas genoten salaris. Daartoe is als volgt overwogen: “dat de heer drs. [verzoeker] (…) die bij resolutie d.d. 25 oktober 2010 bureau [nummer], res. [nummer 10] ontheven is uit de functie van Onderdirecteur Administratie van het Directoraat Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken en ter beschikking is gesteld van de Minister van Openbare Werken vanaf augustus 2013 diverse malen is aangezegd dan wel aangeschreven om zich te melden voor hervatting van de dienst;dat de heer Drs. [verzoeker] voornoemd tegen deze aanzeggingen c.q. aanschrijvingen onder andere heeft aangevoerd dat:
a.hij in de gelegenheid dient te worden gesteld zijn taken, voortvloeiende uit het lidmaatschap van De Nationale Assemblee, uit te voeren;
b.er vooraf duidelijkheid dient te zijn over zijn functiebenaming en formatieplaats binnen het Ministerie; c.er uitdrukkelijk dient te worden vastgelegd, dat hij in geen enkel opzicht afstand doet van de rechten die hij meent te ontlenen aan de functie van Onderdirecteur Administratie;
hoewel in reactie op de stellingen van de heer Drs. [verzoeker] meergenoemd, de standpunten van het Ministerie daaromtrent schriftelijk uiteen gezet en betrokkene tevens bij herhaling is aangezegd dan wel aangeschreven de dienst te hervatten, heeft hij zulks nagelaten;dat een dergelijk [sic] handeling ernstig plichtsverzuim oplevert en niet getolereerd kan worden;dat betrokkene per schrijven van de Minister van Openbare Werken d.d. 23 oktober 2013, kenmerk [nummer 11] in de gelegenheid is gesteld zich terzake schriftelijk te verweren en zulks ook heeft gedaan per schrijven d.d. 28 oktober 2013;

In zijn verweer stelt betrokkene onder andere:

  1. dat het onjuist is dat hij geen gevolg heeft gegeven aan aanzeggingen om zich te melden voor hervatting van de dienst, daar hij zich juist iedere keer heeft gemeld;
  2. dat zijn functie en werkzaamheden hem sinds zijn ontheffing niet bekend zijn, en dat hij hieromtrent steeds om duidelijkheid heeft gevraagd.

Dat het verweer echter niet steekhoudend is bevonden, aangezien:

  1. betrokkene zich weliswaar heeft gemeld voor een bespreking met de Minister op 30 augustus 2013, waarvoor hij uitgenodigd is geworden, doch hij zich nimmer heeft gemeld voor diensthervatting;
  2. de werkzaamheden waarmee hij belast zou worden, hem kenbaar zijn gemaakt per schrijven d.d. 2 september 2013, kenmerk [nummer 7].

Dat de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is begaan, de ernst en de gevolgen daarvan het opleggen van de te melden tuchtstraf van schorsing in artikel 61 lid 1 aanhef onder h van de aangehaalde ‘Personeelswet’, rechtvaardigt.”

2.15 De schorsingsresolutie is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Gangaram Panday, d.d. 16 juli 2014 no. 219, aan [verzoeker] betekend.

2.16 Bij schrijven van de minister d.d. 25 juli 2014, [nummer 12], is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk te verweren ter zake van – volgens dit schrijven – zijn nalaten om zich, ondanks herhaalde aanzeggingen daartoe, aan te melden voor het verrichten van werkzaamheden alsmede zijn negatieve publieke uitlatingen over het beleid van de regering, dan wel het gevoerde beleid op het ministerie, dan wel de persoon van de minister.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard. Tevens is gevorderd het in de schorsingsresolutie vervatte schorsingsbesluit nietig te verklaren en de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het schorsingsbesluit, de gevolgen ervan en de gronden waarop het berust en wel om de volgende redenen. De schorsing is op onjuiste feiten gebaseerd. Het schorsingsbesluit is gebaseerd op de in 2.2 genoemde ontheffingsresolutie. [verzoeker] is bij verzoekschrift van 22 februari 2011 bij het hof opgekomen tegen de ontheffingsresolutie. Zolang het hof niet heeft beslist over de rechtmatigheid van de ontheffingsresolutie, kan deze op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet tegen [verzoeker] worden gebruikt als grondslag voor het schorsingsbesluit. Verder heeft [verzoeker] zich niet aan plichtsverzuim schuldig gemaakt. Immers heeft [verzoeker] zich wel voor diensthervatting gemeld en is hem nimmer, ondanks herhaalde verzoeken, duidelijkheid verschaft over zijn functie, zijn functieomschrijving en de daarbij behorende taken. Voorts is de maatregel van schorsing met inhouding van het salaris heel ingrijpend voor [verzoeker] en zijn gezin en voor het functioneren van [verzoeker] als parlementariër. De Staat wil met het schorsingsbesluit zijn politieke macht demonstreren door [verzoeker] functioneren als parlementariër te bemoeilijken. Het schorsingsbesluit is, nu met de belangen van [verzoeker] geen rekening is gehouden, dan ook in strijd met het beginsel van een redelijke belangenafweging. Ook de vereiste zorgvuldigheid is ver te zoeken. Op grond van het voorgaande is het bestreden schorsingsbesluit onwettig en komt het derhalve in aanmerking voor algehele nietigverklaring.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. De vorderingen waarvan het hof als ambtenarenrechter bevoegd is kennis te nemen, zijn limitatief opgesomd in artikel 79 Pw. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring. De vordering van [verzoeker] strekt tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem de tuchtstraf van schorsing voor een maand met stilstand van salaris is opgelegd. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een ambtenaar een tuchtstraf van schorsing is opgelegd, als waarvan in dit geding sprake is, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De schorsingsresolutie is op 16 juli 2014 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 14 augustus 2014 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde.

4.3 De Staat betwist dat de schorsing op onjuiste feiten is gebaseerd. De Staat voert in dit kader aan dat het schorsingsbesluit niet is gestoeld op de ontheffingsresolutie, maar op hetgeen zich na de ontheffing van [verzoeker] heeft voorgedaan. [verzoeker] heeft zich, ondanks daartoe te zijn aangezegd, nimmer aangemeld voor hervatting van de dienst, aldus de Staat.

4.4 Blijkens de schorsingsresolutie wordt [verzoeker], kort gezegd, verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim, daarin bestaande dat hij, ondanks vanaf augustus 2013 diverse malen te zijn aangezegd dan wel aangeschreven om zich te melden voor hervatting van de dienst, heeft nagelaten de dienst te hervatten.Geen der partijen heeft de verweeraanzegging d.d. 23 oktober 2013 overgelegd noch iets gesteld dan wel aangevoerd over de periode waarover [verzoeker] zich ter zake van plichtsverzuim diende te verweren. Het hof houdt het derhalve, gelet op de dagtekening van de verweeraanzegging en de inhoud van de schorsingsresolutie, ervoor dat het aan [verzoeker] verweten gedrag de periode van augustus 2013 tot en met 22 oktober 2013 betreft en het hof zal zijn beoordeling omtrent het vermeende plichtsverzuim dan ook tot deze periode beperken.

4.5.1 Het hof zal zich eerst buigen over de vraag of [verzoeker] zich heeft gedragen zoals bedoeld in de schorsingsresolutie, nu [verzoeker] dit ontkent.

4.5.2 De minister heeft [verzoeker] bij schrijven d.d. 28 augustus 2013 aangezegd zich op 30 augustus 2013 bij hem aan te melden voor hervatting van de dienst. De minister heeft, na op 30 augustus 2013 een gesprek te hebben gehad met [verzoeker] over diens wedertewerkstelling op het ministerie, laatstgenoemde bij schrijven d.d. 02 september 2013 meegedeeld welke de werkzaamheden zijn waarmee hij zal worden belast en hem aangezegd zich op de eerste werkdag na afloop van zijn verlof – dit is 30 september 2013 – aan te melden voor nadere instructies (zie 2.9). De minister heeft [verzoeker] vervolgens bij schrijven d.d. 11 oktober 2013 onder meer wederom aangezegd zich aan te melden voor hervatting van de werkzaamheden en wel op 14 oktober 2013 en voorts [verzoeker] meegedeeld dat, indien hij geen gehoor geeft aan deze aanzegging, het ministerie genoodzaakt zal zijn een tuchtrechtelijke procedure tegen hem in te zetten (zie 2.11).

4.5.3 [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onder meer het volgende verklaard:“Op uw vraag of ik mij heb aangemeld op mijn eerste werkdag na mijn verlof in september 2013 bij de minister, kan ik aangeven dat ik mij heb aangemeld om het werk te hervatten, maar dat het probleem met betrekking tot de onduidelijkheid van mijn taken er nog steeds was. Vandaar dat ik gevraagd heb aan de minister om eerst ontvangen te worden om de afspraken die mondeling op 30 augustus 2013 gemaakt zijn ten aanzien van mijn functioneren, de functie en mijn taakomschrijving en ook mijn functioneren als volksvertegenwoordiger te bespreken. Aangezien de minister niet aanwezig was heb ik een schrijven achtergelaten. Op uw vraag als ik mij heb aangemeld bij de minister nadat ik het schrijven van 11 oktober 2013 heb ontvangen kan ik aangeven dat ik direkt een schrijven heb gestuurd omdat het nog steeds niet duidelijk was welke functie en werkzaamheden ik moest uitvoeren.”

4.5.4 Een redelijke lezing van het schrijven van [verzoeker] d.d. 27 september 2013 en d.d. 16 oktober 2013 (zie 2.10 en 2.12) – in reactie op de aanzeggingen van de minister d.d. 02 september 2013 en d.d. 11 oktober 2013 – leidt naar het oordeel van het hof tot geen andere conclusie dan dat [verzoeker] over de door hem aangehaalde zaken in bedoeld schrijven eerst duidelijkheid wilde hebben, alvorens een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden. In zijn schrijven d.d. 27 september 2013 geeft [verzoeker] onder meer aan dat voor hem van belang is dat zijn nieuwe taken vooraf, dus voordat aan de uitoefening van de werkzaamheden in een andere functie wordt begonnen, duidelijk moeten zijn. Tevens maakt [verzoeker] in zijn schrijven d.d. 16 oktober 2013 onder meer gewag ervan dat hij slechts duidelijkheid vraagt omtrent de door hem te verrichten werkzaamheden, zijn functieaanduiding en zijn rechtspositie als ambtenaar tevens parlementariër en dat zulks geen grond oplevert voor het treffen van tuchtrechtelijke maatregelen jegens hem.

4.5.5 Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat [verzoeker], hoewel daartoe aangezegd, zich in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 niet heeft aangemeld om een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat hij zich wel heeft aangemeld voor hervatting van de dienst.

4.6 Thans is aan de orde de vraag of de in 4.5.5 als vaststaand aangenomen gedraging zijdens [verzoeker] (ernstig) plichtsverzuim oplevert. Het hof stelt voorop dat een werkgever die een werknemer uit zijn functie ontheft en hem vervolgens oproept om zich aan te melden voor de dienst, als goed werkgever ervoor dient zorg te dragen dat duidelijk is met welke werkzaamheden de werknemer bij zijn wedertewerkstelling zal worden belast.In de onderhavige zaak heeft de minister bij schrijven d.d. 02 september 2013 aan [verzoeker] kenbaar gemaakt met welke werkzaamheden hij zou worden belast, alsmede dat hij een werkplek op het ministerie krijgt toegewezen (zie 2.9). Naar het oordeel van het hof zijn vorenbedoelde werkzaamheden voldoende duidelijk omschreven en kon [verzoeker], vooral gelet op het feit dat hij zijn salaris als ambtenaar elke maand krijgt uitbetaald, in alle redelijkheid niet voorbijgaan aan de aanzegging van de minister om zich op 30 september 2013 voor nadere instructies aan te melden. Hieraan doet niet af dat aan [veroeker] naar eigen zeggen nog geen volledige duidelijkheid was verschaft omtrent onder meer de functieaanduiding, de formatieplaats en de afspraken omtrent de tegemoetkoming van het ministerie aan [verzoeker] ter zake van het verrichten van zijn werkzaamheden als parlementariër. In 4.9 gaat het hof nader op dit laatste in. Duidelijkheid over voormelde zaken kon immers ook na aanvang van de nieuwe werkzaamheden aan [verzoeker] worden verschaft. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] met zijn nalaten om zich, hoewel daartoe aangezegd, in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 aan te melden teneinde een aanvang te maken met zijn nieuwe werkzaamheden, zich niet gedragen als het een goed en getrouw landsdienaar betaamt, één en ander zoals bepaald in artikel 36 Pw. [verzoeker] heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, welk plichtsverzuim in de schorsingsresolutie terecht als ernstig is aangemerkt.Het hof verwerpt, met inachtneming van het in 4.5.5 overwogene, derhalve de stelling van [verzoeker] dat het schorsingsbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.

4.7 Vervolgens moet worden beantwoord de vraag of in casu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. Naar het oordeel van het hof begreep [verzoeker] althans had hij kunnen begrijpen dat hij, in afwachting van de door hem gewenste duidelijkheid omtrent de zaken genoemd in 4.6, wel aan het werk diende te verschijnen, nu de aanzegging van de minister d.d. 02 september 2013 en d.d. 11 oktober 2013 niet voor andere uitleg vatbaar is. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim aan [verzoeker] kan worden toegerekend.

4.8 Het hof acht de aan [verzoeker] opgelegd tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand met inhouding van salaris niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het door [verzoeker] gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Hiermee wordt de vraag of het plichtsverzuim de opgelegde tuchtstraf rechtvaardigt, bevestigend beantwoord.

4.9 Het hof merkt op dat de ambtenaar die besluit zich verkiesbaar te stellen als lid van De Nationale Assemblée, erop bedacht dient te zijn dat een eventuele verkiezing tot lid van dit college hem niet ontslaat van zijn verplichtingen als ambtenaar noch dat zulks voor de werkgever enige verplichting meebrengt om hem te accommoderen in zijn werkzaamheden als parlementariër.De kennelijke stelling van [verzoeker] dat het ministerie hem zodanig tegemoet moet komen dat hij niet alleen in de gelegenheid wordt gesteld om de door de griffier van De Nationale Assemblée uitgeschreven openbare en huishoudelijke vergaderingen alsmede de vergaderingen van de vaste commissies waarin hij zitting heeft, bij te wonen, maar ook dat hij daarnaast in de gelegenheid wordt gesteld om tijdens kantooruren andere, naar zijn zeggen, aan het ambt van parlementariër verbonden werkzaamheden te verrichten, vindt dan ook in geen enkele (wettelijke) bepaling steun.De visie van [verzoeker] brengt mee dat de ambtenaar die tevens parlementariër is, zelf kan bepalen wanneer zijn werkzaamheden als parlementariër toelaten dat hij zijn verplichtingen als ambtenaar vervult, terwijl hij maandelijks wel zijn vol salaris als ambtenaar opstrijkt. Deze visie is naar het oordeel van het hof onjuist.In dit kader siert het [verzoeker] allerminst dat hij bij schrijven d.d. 16 oktober 2013 de minister het voorstel heeft gedaan om hem met behoud van zijn salaris als ambtenaar vrij te stellen van dienst, zodat hij naar eigen zeggen niet in een positie komt te verkeren waarbij hij zijn taken als parlementariër zou moeten verzaken.

4.10 Een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, kan ingevolge het bepaalde in artikel 79 leden 1 tot en met 3 Pw nietig worden verklaard wegens strijd met een wettelijk voorschrift, wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dan wel op de grond dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan.

4.11 Voor zover [verzoeker] betoogt dat het schorsingsbesluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor nietigverklaring in aanmerking komt, omdat het hof nog niet heeft beslist over de rechtmatigheid van het besluit tot de ontheffing van [verzoeker], zoals bedoeld in 2.2, volgt het hof [verzoeker] niet daarin. Immers, het schorsingsbesluit heeft als grondslag het aan [verzoeker] verweten plichtsverzuim, welk plichtsverzuim in rechte is komen vast te staan. De Staat heeft bovendien terecht aangevoerd dat zolang het ontheffingsbesluit niet nietig is verklaard, het in stand blijft. Naar het oordeel van het hof is strijd met het rechtszekerheidsbeginsel hier niet aan de orde.

4.12 Naar het hof begrijpt, betoogt [verzoeker] dat het schorsingsbesluit tot doel had het bemoeilijken van zijn functioneren als parlementariër, vanwege zijn kritische houding jegens de regering. Voor zover [verzoeker] hiermee erop doelt dat de President van zijn bevoegdheid tot het opleggen aan [verzoeker] van de in de schorsingsresolutie vermelde tuchtstraf, anders gebruik heeft gemaakt dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, volgt het hof [verzoeker] niet in voormeld betoog. Immers, hierboven is reeds overwogen dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim – kort gezegd het onwettig afwezig zijn van de dienst in de periode van 30 september 2013 tot en met 22 oktober 2013 – en dat hem daarvoor vorenbedoelde tuchtstraf is opgelegd.

4.13 Zoals hierboven in 4.8 reeds is overwogen acht het hof de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf niet onevenredig aan de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Naar het oordeel van het hof is met de belangen van [verzoeker] voldoende rekening gehouden en is van enige onzorgvuldigheid bij het nemen van het schorsingsbesluit geen sprake.

4.14 Uit het voorgaande volgt dat geen van de in 4.10 genoemde gronden voor nietigverklaring van het schorsingsbesluit aanwezig is, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.15 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.16 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] ontvankelijk in zijn vordering.

5.2 Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 06 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. G.R. Sewcharan namens advocaat mr. C.P. Baal en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. N.U. van Dijk,gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
dienende als beroepsinstantie van het Medisch Tuchtcollege

In de zaak van

[appellant], chirurg,
wonende aan [adres] te [district],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: thans mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

1. [stichting 1],
gevestigd aan [adres] te [district],
hierna aangeduid als “[stichting 1]”,
2. [stichting 2],
gevestigd aan [adres] te [district],
hierna aangeduid als “[stichting 2]”,
3. [geïntimeerde], huisarts
wonende aan [adres] te [district],
hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
geïntimeerden, hierna gezamenlijk aangeduid als “de Stichting c.s.”,
procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van de door het Medisch Tuchtcollege uitgesproken beslissing van
13 januari 2019 tussen de Stichting c.s. als klagers en [appellant] als degene over wie geklaagd is, spreekt de Fungerend President, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het aan de Secretaris van het Medisch Tuchtcollege gericht schrijven van de griffier van het Hof van Justitie waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld;
– het beroepschrift en de aanvulling daarop, beide overgelegd op 13 februari 2017, met producties;
– het schriftelijk antwoord op het beroepschrift (inclusief aanvulling) overgelegd op
13 februari 2019, met producties;
– de processen-verbaal van het op 22 november 2018, 16 januari 2019, 13 februari 2019 en 13 maart 2019 in raadkamer verhandelde.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2 Ingevolge artikel 62 van de Wet Medisch Tuchtrecht 1944 kan van eindbeslissingen door het Medisch Tuchtcollege genomen, schriftelijk beroep worden ingesteld binnen een maand gerekend van de dag van de uitspraak of, indien degene die in beroep komt bij de uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop de eindbeslissing hem is medegedeeld.
Het Hof constateert dat op de beslissing van het Medisch Tuchtcollege van 13 januari 2017 niet is aangetekend of [appellant] ter terechtzitting is verschenen op de dag van de uitspraak. Uit de inhoud van het procesdossier blijkt evenmin wanneer de eindbeslissing van het Medisch Tuchtcollege aan [appellant] is gezonden.
Nu hierop geen verweer is gevoerd, houdt het Hof het ervoor dat [appellant] het beroepschrift tijdig heeft overgelegd, zodat hij daarin ontvankelijk wordt geacht.

De feiten
3.1 [stichting 1] en [stichting 2] hebben met [rechtspersoon] – hierna aangeduid als “[werkgever]” – overeenkomsten gesloten betreffende de geneeskundige zorg voor rechthebbenden vanuit [werkgever]. [geïntimeerde], enig bestuurder van [stichting 1] en [stichting 2], heeft daarbij opgetreden als vertegenwoordiger van [stichting 1] en [stichting 2]. [geïntimeerde] is tevens als bedrijfsarts werkzaam bij [werkgever].

3.2 Een werknemer van [werkgever], de heer [naam], hierna aangeduid als “de patiënt”, is op [overlijdensdatum] in het Academisch Ziekenhuis te Paramaribo overleden.

3.3 [leidinggevende] van [werkgever] heeft in een aan [appellant] gericht schrijven
d.d. 30 januari 2013, Ref.No. SP-024/13, informatie opgevraagd over de gezondheidstoestand van de patiënt. In het betreffend schrijven is onder meer vermeld:
“Op dinsdag 22 januari jl. werd in de avonduren [patiënt], medewerker van [werkgever], in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo opgenomen, om vervolgens de volgende dag geopereerd te worden in verband met een opgelopen maagperforatie.

Zijn situatie was naar verluidt van dien aard, dat er op zondag 27 en dinsdag 29 januari wederom operatief ingegrepen moest worden.

De situatie van deze medewerker baart mij ernstig zorgen, waarbij dezerzijds vragen rijzen over de reden waarom zijn gezondheidstoestand zo heeft kunnen verslechteren. Teneinde een onderzoek ter zake te kunnen instellen zou ik gaarne geïnformeerd willen worden over de toestand van betrokkene, toen hij bij u voor zijn eerste consult binnenkwam.”

3.4 [appellant] heeft op 4 februari 1913 (het Hof begrijpt: 2013) een schrijven aan [leidinggevende] van [werkgever] gericht met de volgende inhoud:
Naar aanleiding van uw brief dd 30-01-1913 met ref.no. SP-024/13 betreffende [patiënt], deel ik u het volgende mede.
Uit een familie gesprek (echtgenote en kinderen) blijkt dat [patiënt], reeds jaren klachten heeft van zijn maag zonder ooit door een specialist te zijn geconsulteerd.

Op 8/1/13 kreeg hij toenemende klachten van pijn in de maagstreek.

Op 14/1/13 waren de klachten verergerd met braken en ernstig ziek zijn.

Op 22/1/13 werd hij verwezen naar de SEH. Wij zagen een doodzieke man in een zorgwekkende en alarmerende toestand. Toen de diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was gesteld moest patiënt eerst gestabiliseerd worden alvorens geopereerd te worden.

Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik te weeg heeft gebracht. Patiënt is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden.”

3.5 Bij schrijven van 5 februari 2013 heeft [leidinggevende] van [werkgever] aan [geïntimeerde] te kennen gegeven dat:
“Uit een verklaring van Chirurg [appellant] is gebleken dat bij opname bij de Spoedeisende Hulp bij de heer [patiënt], als diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was vastgesteld. Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik te weeg heeft gebracht. [patiënt] is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden.

Uit de informatie verkregen van de Chirurg blijkt, dat de maag perforatie geruime tijd moet hebben bestaan, en de vraag rijst hoe dat kon gebeuren omdat [patiënt], vaker bij u op de Poli is geweest met dezelfde klachten. Dit verwijst naar een zekere nalatigheid.
Ten slotte kan ik u mede delen dat er meerdere klachten door de medewerkers van [werkgever], over uw behandeling, tijdens hun consult aan mij is gerapporteerd en dat die op eigen kosten wel naar een specialist zijn geweest.

Op grond van het bovenstaande, wens ik de overeenkomsten die [werkgever]met u als bedrijfsarts en als subhoofd Medische Dienst heeft, per heden met in achtneming van de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden op te zeggen.

3.6 In een ongedateerd schrijven van [naam 1], radioloog, gesteld op briefhoofd van [kliniek], is ten aanzien van de patiënt het volgende vermeld:
“Onderzoeken: Echo Abdomen
Onderzoeksdatum: 22/01/2013
Normale galblaas. De galwegen zijn niet verwijd.
Normaal aspect van de lever, nieren, pancreas en milt.
Geen para-aortale lymfadenopathie.
Er is een geringe dilitatie van de maag.
De wand van de duodenum is verdikt.

Advies:
Gastroscopie.

Conclusie:
Verdikte wand van de bulbus en het duodenum.
DD; Ulcus, ontsteking.”

3.7 [naam 2], medisch-directeur AZP heeft in een schrijven gericht aan [geïntimeerde] d.d. 2 september 2014 onder meer verklaard:
“Naar aanleiding van uw verzoek om informatie over de toedracht voorafgaand aan de opname van wijlen [patiënt],(…) is het volgende uit zijn dossier gebleken:
* [patiënt], meldde zich op 22 januari 2013 om 20.28 uur aan op de SEH, met een verwijsbrief van u voor de MDL-arts, labresultaten van 21 en 22 januari 2013 en het
resultaat van het echo-onderzoek van 2 januari 2013. (…)
* op 23 januari 2013 om 6.20 uur vroeg de internist met spoed X-thorax en X-abdomenaan en een intercollegiaal consult van de chirurg op verdenking van een geperforeerd
ulcus duodeni.
* Op verdenking van een gastrointestinal perforatie werd de patiënt om 8.39 uur opgenomen.”

3.8 [naam 2] heeft op 25 april 2014 een email aan [geïntimeerde] met informatie omtrent de patiënt gezonden. Aan deze email is gehecht een document genaamd Chronologie case [patiënt]. In dat document is onder meer vermeld:
“SEH
22-jan-2013 2015 uur:
Hoofdklacht: pijn in de bovenbuik, braken
P 95, RR 100/80, T 36,7
Niet ABC instabiel, geen high-risk situatie. Urgentiecode 3

A. 4 dagen geleden stekende pijn rechter bovenbuik in aanvallen. Braken na elke voeding. Nu buikpijn, brandend, continu en over gehele buik. Maagpap helpt niet. Ingestuurd door huisarts.
Def: 4 dagen niet afgegaan
Mic: urine donker

O: pijnlijk uitziende man, bleek
Cor/pulm: gb
Abd: soepel, matig darmgeruis, actief spierverzet (+), diffuus drukpijn (+)(…)

23-jan-2013 6.20 uur:
(…) Intercollegiaal consult chirurg
Cave geperforeerd UD.
(…)
Opname 8.39 uur i.v.m. G.I. perforatie (…)

A/ co-assistent 15 uur: conform SEH; (…)
D/ GI-perforatie
(…)
Operatie (1) 23 –jan-2013 ivm acute buik; GI perforatie (…)”

De procedure in eerste aanleg
4.1 De Stichting c.s. heeft bij schrijven van hun procesgemachtigde d.d. 13 mei 2014 een klacht ex artikel 10 van de Wet Medisch Tuchtrecht 1944 ingediend tegen [appellant] in zijn hoedanigheid van arts c.q. geneesheer en chirurg.

4.2 De Stichting c.s. heeft ter onderbouwing van de klacht gesteld dat [appellant] opzettelijk verkeerde informatie heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever], als gevolg waarvan laatstgenoemde de overeenkomsten met [stichting 1] en [stichting 2] heeft opgezegd en de goede naam en eer van [geïntimeerde] als huisarts en bedrijfsarts in ernstige mate schade heeft geleden en nog lijdt.
Gesteld is verder dat [appellant] het voor de artsen geldend beroepsgeheim heeft geschonden; [appellant] heeft voorafgaand aan het verstrekken van de informatie op geen enkele wijze contact gelegd met [geïntimeerde], zijnde de huisarts en verwijzende arts van de patiënt.
Voorts is gesteld dat daarenboven [appellant] informatie die medisch van aard is, heeft gedeeld met een derde die helemaal geen medische achtergrond of medische deskundigheid heeft, waarbij die derde de verstrekte medische informatie verkeerd heeft begrepen en aangewend. De Stichting c.s. heeft gesteld dat de hiervoor aangehaalde negatieve gevolgen derhalve een rechtstreeks gevolg zijn van het handelen van [appellant].
Daarnaast is gesteld dat [appellant] zich een bevoegdheid heeft aangemeten die hem in de gegeven omstandigheden van het geval niet toekwam: [appellant] heeft gemeend een oordeel te mogen geven over het medisch handelen van [geïntimeerde].
De Stichting c.s. heeft geconcludeerd dat [appellant] zich niet heeft gedragen zoals het een goed medicus betaamt.
[geïntimeerde] heeft ook gesteld dat [appellant] het vertrouwen in de stand der geneesheren opzettelijk heeft ondermijnd, aangezien [appellant] in zijn hoedanigheid van arts opzettelijk verkeerde medische informatie heeft verstrekt aan een derde, zonder de informatie eerst bij [geïntimeerde], als huisarts van de patiënt, te verifiëren c.q. met hem in overleg te treden.
Door alzo te handelen heeft [appellant] het voor de artsen geldend beroepsgeheim geschonden.
In de schriftelijke verklaring d.d. 28 november 2016 is zijdens [geïntimeerde] geconcretiseerd dat [appellant] het beroepsgeheim heeft geschonden omdat hij in het schrijven van 4 februari 2013 confidentiële medische informatie heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever] en hij telefonisch informatie omtrent de patiënt heeft verstrekt aan het Hoofd van de beveiliging van [werkgever].
In voornoemde verklaring is tevens gesteld dat de door [appellant] bij brief van
4 februari 2013 verstrekte informatie niet op waarheid berust op grond van het volgende:
a. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] de patiënt op 8 en 14 januari in consult heeft
gezien. [geïntimeerde] was op 8 januari 2013 in het buitenland en op 14 januari
2013 nog met verlof;
b. [appellant] heeft de patiënt niet in de SEH gezien, zulks is ten onrechte in het
betreffend schrijven vermeld;
c. [appellant] doet voorkomen alsof op 22 januari 2013 de diagnose “waarschijnlijk maagperforatie” zou zijn gesteld; uit het rapport van [radioloog], de bevindingen van de triage verpleegkundige en de SEH arts blijkt dat op 22 januari 2013 een dergelijke diagnose niet is gesteld.

4.3 Het Medisch Tuchtcollege heeft in haar beslissing van vrijdag 13 januari 2017 de klacht gegrond verklaard en [appellant] schuldig verklaard aan schending van zijn beroepsgeheim, onder oplegging van de maatregel van waarschuwing.
Het Medisch Tuchtcollege heeft daartoe onder meer overwogen dat niet is komen vast te staan dat de nabestaanden van de patiënt toestemming aan [appellant] hebben verleend om de medische informatie te verstrekken aan een derde, omdat het indienen van een klacht door de nabestaanden bij het Medisch Tuchtcollege met daarin een passage omtrent het verlenen van toestemming aan [appellant] voornoemd, niet automatisch betekent dat er reeds eerder daartoe toestemming aan [appellant] is verleend om medisch informatie omtrent de patiënt te delen met derden. Nabestaanden kunnen immers, aldus het Medisch Tuchtcollege, de arts niet van zijn geheimhoudingsverplichting ontslaan.
Het Medisch Tuchtcollege heeft verder overwogen dat bij de behandeling van de klacht niet aannemelijk is geworden dat er door of vanwege de nabestaanden van de patiënt toestemming zou zijn verstrekt aan [appellant] om medische informatie omtrent de patiënt te delen met derden, casu quo dat zich een situatie zou hebben voorgedaan die een uitzondering op de regel zou rechtvaardigen.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat hij de informatie ten aanzien van de patiënt heeft verstrekt na voorafgaande toestemming van de patiënt toen die nog in leven was en van de nabestaanden c.q. de familie van de patiënt nadat die overleden was.
[appellant] heeft verklaard dat hij de informatie heeft verstrekt aangezien hij zelf enkele constateringen heeft gedaan bij de patiënt welke duiden op een mogelijke grove nalatigheid aan de zijde van [geïntimeerde].
In de aanvulling van het beroepschrift is gesteld dat het Medisch Tuchtcollege allereerst diende te beantwoorden de vraag of de Stichting c.s. als een tot klagen bevoegd persoon in de zin van artikel 10 lid 1 van de Wet Medisch Tuchtrecht 1944 en artikel 22 van het Reglement Medisch Tuchtrecht en oplossing geschillen kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van [appellant] diende de Stichting c.s. niet ontvankelijk te worden verklaard in hun klacht.
[appellant] heeft tevens als grief opgeworpen dat het Medisch Tuchtcollege heeft verzuimd na te gaan of de klacht wel valt onder de Medische Tuchtwet en de daarin gestelde bepalingen.

5.2 De Stichting c.s. heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
Ontvankelijkheid van de Stichting c.s.
6.1 [appellant] heeft gesteld dat de klachtbevoegdheid toekomt aan de patiënt en niet aan een collega-arts.
Het Hof constateert dat ingevolge artikel 10 van de Wet Medisch Tuchtrecht een ruimere kring bevoegd is tot indiening van een klacht bij het Medisch Tuchtcollege:
a. een, ter beoordeling van het College, rechtstreeks belanghebbende;
b. het bestuur van een lichaam bij hetwelk de geneesheer in dienst of voor het verlenen
van geneeskundige hulp ingeschreven is;
c. de Geneeskundig-Inspecteur.

Ter beantwoording ligt de vraag wie als een rechtstreeks belanghebbende klager kan worden aangemerkt en dus bevoegd is een klacht in te dienen.
In de eerste plaats is de patiënt zelf daartoe geroepen, indien hij zich bezwaard voelt. Hij is “rechtstreeks belanghebbende”. Onder deze term kunnen ook andere personen begrepen zijn. Onder belang mag worden verstaan het gevolg van een feitelijk gebeuren dat de klager rechtstreeks heeft getroffen.
In beginsel valt de enkele mogelijkheid dat een medicus de weerslag ondervindt van de ondermijning van het vertrouwen in zijn stand, welke ondermijning het gevolg is van een handeling van een collega tegenover een derde, daaronder niet en kan die medicus derhalve niet op die grond tot klagen bevoegd zijn. Daarnaast overweegt het Hof dat ook indien een belang hier aanwezig zou worden geacht het zeker niet een rechtstreeks belang betreft. Zijn belang bij een behoorlijk gedrag van een collega is immers niet groter dan dat van een “bestuur” bij het gedrag van een ingeschreven medicus. Juist omdat het bestuur veelal een zijdelings belang zal hebben, heeft de wet het uitdrukkelijk tot klagen bevoegd gemaakt, in tegenstelling tot de collega-klager.
Als uitzondering op bovenvermelde beginsel kan in casu wel sprake zijn van een rechtstreeks getroffen belang van de Stichting c.s. door het vermeend handelen van [appellant]. Immers zijn door [werkgever] de overeenkomsten met [stichting 1] en [stichting 2] opgezegd naar aanleiding van de gewraakte informatieverstrekking door [appellant] aan [werkgever].

6.2. Het Hof constateert dat ter terechtzitting is verklaard dat [stichting 2] de bedrijfsarts is (het Hof begrijpt: bedrijfsartsen ter beschikking stelt) en dat [stichting 1] er is voor het management gedeelte zoals onder andere declaraties en bonnen nagaan. Tegen deze achtergrond ontgaat het het Hof welk belang [stichting 1] heeft bij de klacht tegen [appellant]. Nu zulks niet nader is onderbouwd, zal [stichting 1] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Schending van het beroepsgeheim
6.3. De Stichting c.s. heeft ter adstructie van zijn standpunt dat de nabestaanden van de patiënt geen toestemming hebben verleend aan [appellant] om medische informatie betreffende de patiënt te delen, overgelegd een schrijven d.d. 19 november 2018 waarin de weduwe en twee dochters te kennen hebben gegeven dat zij nimmer aan [appellant] toestemming hebben verleend om medische informatie van de patiënt te verstrekken aan de toenmalige [leidinggevende] van [werkgever]. Gesteld is dat het daartoe door de nabestaanden ondertekend document deel uitmaakt van het dossier van de patiënt.

6.4. Het Hof constateert dat de patiënt ten tijde van het schriftelijk verzoek van [leidinggevende] van [werkgever] om informatie op 30 januari 2013, nog in leven was.
Voorts wordt geconstateerd dat niet deugdelijk gemotiveerd is weersproken dat [appellant] toestemming van de patiënt heeft verkregen om de medische informatie te verstrekken aan [leidinggevende] van [werkgever]. Daartegenover is zijdens de Stichting c.s. verklaard dat dit onlogisch, onwaarschijnlijk en zeer waarschijnlijk een leugen is omdat de toestand van de patiënt volgens [appellant] ernstig zou zijn toen hij binnen kwam. De Stichting c.s. spreekt zichzelf hierin tegen door te stellen dat de patiënt lopend naar de SEH is gekomen en zijn situatie dus niet urgent was. Deze stellingname is derhalve niet geschikt om als een deugdelijk gemotiveerde betwisting te kunnen gelden.
Daarenboven wordt overwogen dat het beroepsgeheim ertoe strekt te waarborgen dat privé informatie van patiënten die zij aan de hulpverleners hebben verstrekt, niet zonder hun toestemming wordt verstrekt aan derden of voor andere doeleinden wordt gebruikt. Het beroepsgeheim strekt er niet toe bescherming te bieden aan medische zorgverleners. Het beroepsgeheim draagt verder niet in zich dat specialisten voorafgaand aan het verstrekken van medische informatie over patiënten, de huisarts van de patiënt dienen te consulteren. Het Hof merkt op dat het feit dat [appellant] ook via het hoofd van de beveiliging van [werkgever], aan laatstgenoemde de gevraagde informatie heeft doen toekomen, geen schoonheidsprijs verdient.
Naar dezerzijds oordeel treft het beroep zijdens [geïntimeerde] en [stichting 2] op schending van het beroepsgeheim derhalve geen doel.

Opzettelijke verstrekking van onjuiste informatie
6.5. Het Hof constateert dat in het schrijven zijdens [appellant] d.d. 4 februari 2013 er geen melding van is gemaakt dat [geïntimeerde] de patiënt op 8 en 14 januari 2013 in consult heeft gezien, zodat aan dit standpunt van [geïntimeerde] en [stichting 2] wordt voorbij gegaan.

6.6. In het schrijven d.d. 4 februari 2013 is de volgende alinea vervat:
“Op 22/1/13 werd hij verwezen naar de SEH. Wij zagen een doodzieke man in een zorgwekkende en alarmerende toestand. Toen de diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was gesteld moest de patiënt eerst gestabiliseerd worden alvorens geopereerd te worden.”
Naar het oordeel van het Hof blijkt uit dit citaat niet dat [appellant] daarbij stelt dat hij de patiënt op 22 januari 2013 op de SEH heeft gezien, noch dat op 22 januari 2013 de diagnose is gesteld dat er zeer waarschijnlijk sprake was van een maagperforatie. Overigens blijkt uit het zijdens [geïntimeerde] en [stichting 2] overgelegd chronologisch overzicht van de behandeling op de SEH dat aldaar op 23 januari 2013 om 6.20 uur is aangetekend “intercollegiaal consult chirurg
Cave geperforeerd UD (…)
Opname 8.39 uur i.v.m. G.I. perforatie”.
Hier blijkt uit dat op de SEH vrij kort na de aankomst de diagnose is gesteld dat sprake was van een perforatie.
Het door [geïntimeerde] en [stichting 2] ter zake ingenomen standpunt is derhalve naar dezerzijds oordeel niet terecht.

6.7. Het Hof concludeert uit het verhandelde dat [appellant] van het door hem ten aanzien van de patiënt gedane constateringen melding heeft gemaakt.
[geïntimeerde] en [stichting 2] dienen, indien zij menen dat [appellant] onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen en zij als gevolg daarvan schade hebben geleden, een daarop gebaseerde vordering niet in te dienen bij het Medisch Tuchtcollege, maar bij de gewone rechter. Het Hof kan [geïntimeerde] en [stichting 2], gelet op al het hiervoor overwogene, niet volgen in hun standpunt dat [appellant] hierdoor handelingen heeft gepleegd die het vertrouwen in de stand der geneesheren ondermijnen.
Het door het Medisch Tuchtcollege op 13 januari 2017 in deze genomen besluit kan derhalve niet in stand blijven en zal worden vernietigd, waarna de klacht ongegrond zal worden verklaard.

6.8. De overige standpunten van partijen zullen niet besproken worden, aangezien die niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

6.9. De Stichting c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
1. Vernietigt de eindbeslissing van het Medisch Tuchtcollege de dato 13 januari 2017 in de procedure tussen [stichting 1], [stichting 2] en [geïntimeerde] als klagers en
[appellant] als degene over wie geklaagd wordt;

En opnieuw recht doende:
1. Verklaart [stichting 1] niet ontvankelijk;

2. Verklaart de klacht voor zover ingesteld door [stichting 2] en [geïntimeerde] jegens [appellant] ongegrond;

3. Veroordeelt de Stichting c.s. in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. S.S.S. Wijnhard, lid, en mr. J.M. Jensen, lid-plaatsvervanger, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van dinsdag 25 augustus 2020 in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan
w.g. S.S.S. Wijnhard
w.g. J.M. Jensen

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-MTC-2017-1

Beslissing van het Medisch Tuchtcollege inzake van:

A. [Stichting 1], gevestigd aan [adres] te [district],
B. [Stichting 2], gevestigd aan [adres] te [district], en
C. [Klager], wonende aan [adres] te [district], te dezen handelende in persoon, in zijn hoedanigheid van huisarts c.q. bedrijfsarts en als statutair vertegenwoordiger van klaagsters A en B, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
klagers,

tegen

[naam] chirurg, wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S.R. Ramrattansing, advocaat,
de persoon over wie geklaagd is,

Het Medisch Tuchtcollege, hierna te noemen het College, zitting houdende in het gebouw van de Griffie der Kantongerechten aan de Grote Combeweg no. 2 te Paramaribo;
Gezien de op 14 mei 2014 door de klagers ingediende klacht tegen [chirurg], het proces-verbaal van het gehouden voorlopig onderzoek d.d. 11 juni 2014 naar aanleiding van bovenvermelde klacht;

Ten aanzien van de feiten:

De klacht van de klagers houdt, zakelijk weergegeven, in dat klagers het College verzoeken de klacht gegrond te verklaren en de beklaagde een maatregel c.q. maatregelen op te leggen die het College in goede justitie geboden acht. Klagers beroepen zich op – kort gezegd – schending van het voor artsen geldende beroepsgeheim. De klagers hebben hun klacht bij het gehouden voorlopig onderzoek mondeling toegelicht terwijl de persoon over wie geklaagd is ondanks behoorlijke oproep daartoe niet is verschenen.

Ten aanzien van het recht:

Uit hetgeen de klagers en de persoon over wie geklaagd is naar voren hebben gebracht in het klaagschrift en de mondelinge toelichting daarop respectievelijk ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klacht, stelt het College het navolgende vast.

Bij schrijven d.d. 5 februari 2013 afkomstig van [persoon], [leidinggevende] van [werkgever], is aan klagers de mededeling gedaan dat hij, [leidinggevende] van [werkgever van patiënt], medische informatie heeft ontvangen van [chirurg]. In het schrijven stelt [leidinggevende] van [werkgever] het navolgende: “ Uit een verklaring van [chirurg] is gebleken dat bij opname bij de Spoedeisende Hulp bij [patiënt] als diagnose “ zeer waarschijnlijk maagperforatie “ was vastgesteld. Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik te weeg heeft gebracht. [patiënt] is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden. Uit de informatie verkregen van de Chirurg blijkt dat de maagperforatie geruime tijd moet hebben bestaan, en de vraag rijst hoe dat kon gebeuren omdat [patiënt] vaker bij u op de Poli is geweest met dezelfde klachten. Dit verwijst naar een zekere nalatigheid. “

Blijkens het schrijven van de directeur van het Ministerie van Volksgezondheid is er op de SEH van het AZP helemaal geen “zeer waarschijnlijk maagperforatie” vastgesteld.

In de visie van de klagers heeft degene over wie geklaagd wordt zich vanwege uiteenlopende argumenten niet gedragen zoals het een goed medicus betaamt.

De persoon over wie geklaagd wordt bestrijdt voormelde zienswijze van de klagers onder aanvoering dat – verkort weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – hij met de uitdrukkelijke toestemming van de nabestaanden c.q. familieleden van de patiӫnt medische informatie heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever]. Zulks blijkt uitdrukkelijk uit de hierbij in fotokopie overgelegde klachtbrief d.d. 19 december 2014 afkomstig van de familie van [patiënt], waarmee door hen een klacht is ingediend bij het Medisch Tuchtcollege tegen [klager] terzake grove nalatigheid gedurende de medische behandeling van [patiënt]. Hiermee heeft beklaagde het wettig en overtuigend bewijs geleverd dat hij nimmer het medisch beroepsgeheim heeft geschonden.

Naar het oordeel van het College is de centrale vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de persoon over wie geklaagd wordt, [chirurg], al dan niet zijn beroepsgeheim heeft geschonden door informatie over [patiënt] aan [leidinggevende] van [werkgever] te verstrekken. Al hetgeen voorts is aangevoerd omtrent de wijze van behandeling van [patiënt] casu quo het al dan niet nalatig zijn geweest van [klager] voornoemd casu quo het al dan niet in strijd met de waarheid zaken te hebben aangehaald door [chirurg] voornoemd zijn in casu naar het oordeel van het College niet relevant gebleken. Het College zal derhalve voorbij gaan aan al hetgeen partijen dienaangaande hebben aangevoerd. Het geding zal in het onderhavig geval worden toegespitst op al dan niet schending van het beroepsgeheim door [chirurg] voornoemd aangezien klagers stellen daardoor schade te hebben geleden.

Het College stelt vast dat het beroepsgeheim de plicht is om te zwijgen over feiten en gegevens van derden die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen. Het wordt ook wel zwijgplicht genoemd. Het gaat daarbij vooral om vrije beroepen. Het beroepsgeheim geldt niet als de betrokkene toestemming geeft om aan derden inlichtingen te verstrekken. In dit geding is betrokkene helaas komen te overlijden en in beginsel kunnen nabestaanden de arts niet van zijn geheimhoudingsverplichting ontslaan. Aangezien er uitzonderingen op deze regel mogelijk zijn zal het College in het hierna volgende nagaan of er in casu sprake is geweest van een situatie die een uitzondering rechtvaardigt.

Uitgaande van het voorgaande blijkt in dit concreet aan het College voorgelegd geval tussen partijen in confesso te zijn dat [chirurg] voornoemd medische informatie ten aanzien van [patiënt] heeft verstrekt aan [leidinggevende] van [werkgever] in zijn schrijven gedateerd 4-2-1913 (het College begrijpt: 4-2-2013). Volgens voornoemde chirurg had hij daartoe toestemming van de nabestaanden van voormelde patiӫnt maar naar het oordeel van het College is het voorgaande niet komen vast te staan. Immers betekent het indienen van een klacht door de nabestaanden bij het Medisch Tuchtcollege met daarin een passage omtrent het verlenen van toestemming aan [chirurg] voornoemd niet automatisch dat er reeds eerder toestemming is verstrekt door de nabestaanden aan de chirurg om medische informatie omtrent de overleden patiӫnt te delen met derden. Immers kunnen nabestaanden – zoals hiervoor reeds overwogen – de arts niet van zijn geheimhoudingsverplichting ontslaan. Die redenering loopt naar het oordeel van het College mank. Bij de behandeling van deze klacht is het voorts niet anderszins aannemelijk geworden dat er door of vanwege de nabestaanden van [patiënt] toestemming zou zijn verstrekt aan [chirurg] voornoemd teneinde medische informatie omtrent voornoemde patiӫnt te delen met derden casu quo dat zich een situatie zou hebben voorgedaan die een uitzondering op de regel zou rechtvaardigen. Het verweer van [chirurg] voornoemd dat hij de familie van [patiënt] in het kader van transparantie heeft geїnformeerd omtrent de nalatigheid van [klager] voornoemd doet aan het voorgaande niet af aangezien in de visie van het College thans de vraag aan de orde is of [leidinggevende] van [werkgever] al dan niet terecht door [chirurg] voornoemd is geїnformeerd en/of het voorgaande een uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel van het beroepsgeheim. Die situatie zou bij de behandeling van een eventuele klacht van de nabestaanden bij het College nader uitgediept dienen te worden waarbij [chirurg] voornoemd als eventuele getuige-deskundige gehoord zou kunnen worden. Het voorgaande is evenwel vooralsnog niet aan de orde gesteld.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de klacht gegrond is. Het College acht de maatregel van een waarschuwing onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

Beslissende:

Verklaart de klacht gegrond.

Verklaart de persoon over wie geklaagd is, [chirurg], schuldig aan schending van zijn beroepsgeheim.

Legt hem terzake de maatregel op van waarschuwing.

Aldus gegeven op heden, vrijdag 13 januari 2017 door: mr. A. Charan, Voorzitter, Dr. W. Jap Tjoen San en Drs. A. Bueno de Mesquita-Voigt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. E. van Genderen-Relyveld, secretaris.

SRU–2020-4

SRU-HvJ-2019-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, Substituut-Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 21 oktober 2015, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 30 november 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 04 december 2015, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 07 december 2015 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 07 januari 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 07 januari 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 25 januari 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 24 februari 2016 met producties;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 16 maart 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 06 mei 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 06 mei 2016;
  • de akte tot overlegging van producties zijdens verzoeker d.d. 04 november 2016;
  • de akte tot uitlating producties zijdens verweerder d.d. 02 december 2016;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 mei 2017 doch nader op heden.

2. De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. Verzoeker is in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname, tot aan zijn degradatie in de functie van agent van politie 1ste klasse.

2.2. Verzoeker was belast met het onderzoek van de zaak waarin de heer [naam], directeur van Global N.V., tegen een medewerker van zijn bedrijf aangifte heeft gedaan.

2.3. Verzoeker werd ervan verdacht in zijn hoedanigheid van onderzoeksambtenaar, de verdachte in de zaak voornoemd te hebben gedwongen een schuldbekentenis te ondertekenen ten gunste van [naam] voornoemd. Verzoeker werd eveneens ervan verdacht een voertuig als beloning te hebben ontvangen voor zijn bewezen diensten.

2.4. Verzoeker is in verzekering gesteld op 10 december 2013 op verdenking van overtreding van de artikelen 427 en 429 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, gevolgd door zijn buitenfunctiestelling d.d. 11 december 2013.

2.5. Verzoeker is bij beschikking van 07 januari 2014 de tuchtmaatregel van schorsing opgelegd, te rekenen van 10 december 2013.

2.6. Bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 21 mei 2014 is verzoeker vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

2.7. Bij schrijven van verweerder d.d. 14 juli 2014 met als onderwerp ingebrekestelling en gelegenheid tot verweer, is verzoeker in de gelegenheid gesteld zich binnen zeven dagen na ontvangst van het schrijven, schriftelijk te verweren. Verzoeker heeft zich op 18 juli 2014 schriftelijk verweerd.

2.8. Verzoeker is bij beschikking d.d. 19 juni 2015 een tuchtstraf van degradatie van de rang van agent van politie 1ste klasse tot agent van politie 2e klasse opgelegd, voor de duur van een jaar, ingaande de dag volgende op die waarop het besluit ter kennis van hem is gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
3.1. Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
A. De beschikking, althans het besluit d.d. 19 juni 2015 met het K.A. [nummer], waarbij verzoeker de tuchtstraf van degradatie is opgelegd en zijn schorsing is opgeheven, nietig te verklaren;
B. Verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De grondslag
Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij het niet eens is met het door verweerder genomen besluit, daar dit besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu verzoeker integraal is vrijgesproken in de strafzaak. De strafbare feiten zijn immers niet vast komen te staan.Bovendien is de tuchtstraf ruim een jaar na het gestelde plichtsverzuim aan verzoeker opgelegd en is hiermee elke redelijke termijn waarbinnen beslist zou moeten worden over het gestelde plichtsverzuim, overtreden.De beschikking is tevens in strijd met de beginselen van evenredigheid en proportionaliteit. Verzoeker is reeds zestien jaar in dienst van het korps en nooit eerder in opspraak geraakt. De uit dit besluit voortvloeiende gevolgen voor verzoeker zijn ook disproportioneel.

3.3. Het verweer
De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.Verweerder heeft als formeel verweer aangevoerd, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering, daar hij – blijkens het ontvangstbewijs – de gewraakte beschikking op 17 september 2015 in ontvangst heeft genomen. Het verzoekschrift is ter griffie van het Hof ingediend op 21 oktober 2015, hetgeen betekent dat verzoeker de termijn voor het indienen van het verzoekschrift heeft overschreden.

4. De beoordeling van het geschil
4.1. Het Hof als ambtenarengerecht is slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.Nu de vordering van verzoeker onder I betreft een besluit tot verlaging van zijn rang, is het Hof bevoegd kennis te nemen van de door hem ingestelde vordering.

4.2. Met betrekking tot de vordering tot nietigverklaring van het besluit vervat in de beschikking d.d. 19 juni 2015 met nummer K.A. [nummer], overweegt het Hof, dat als enerzijds gesteld en anderzijds bevestigd, mede blijkende uit de door verweerder overgelegde producties is komen vast te staan dat de gewraakte beschikking op 17 september 2015 aan verzoeker is betekend.Ingevolge artikel 80 lid 1b van de Personeelswet is de vordering zoals bedoeld in artikel 79 van eerder genoemde wet niet ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht, dan wel de handeling geacht kan worden te zijner kennis te zijn gekomen. Aangezien de onderhavige vordering op 21 oktober 2015 is ingesteld, is het Hof van oordeel dat de vordering van verzoeker tardief is ingesteld en zal hij dientengevolge ook niet-ontvankelijk worden verklaard daarin.

4.3. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5. De beslissing
Het Hof:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019,in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A.M. Essed namens mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld