SRU-K1-2020-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0732

26 maart 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[DE STICHTING],
gevestigd aan [adres 1] in het [district],
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de Stichting,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

A. [GEDAAGDE SUB A],
gevestigd aan [adres 2] te [woonplaats],
B.[GEDAAGDE SUB B],
wonende aan [adres 3] te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] en waar nodig respectievelijk te noemen: [gedaagde sub A en B],
gedaagden,
gemachtigde van beiden: mr. A.M. Linger, advocaat,

C. MR. GANGARAM PANDAY, VIKASH, notaris,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: de notaris,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

  1. Het verloop van het proces
    In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 21 februari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden], met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie aan de zijde van de notaris’
  • de conclusie van repliek en uitlating productie;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met een productie’
  • de conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagden];
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie aan de zijde van de notaris;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten
    In conventie en in reconventie

2.1 De Stichting is eigenares van het hierna omschreven zakelijk recht:
het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende 26 september 2042, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 15,0130 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van het Verlengde van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. 18 april 2002 met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 23 april 2002, thans bekend als [adres 4] ” (hierna aangeduid als terrein A).

2.2 De Vliegende Eend BV en De Vliegende Eend NV, hierna aangeduid als de schuldenaren,hebben een drietal kredietovereenkomsten met [gedaagde sub A] gesloten op respectievelijk 17 mei 2018, 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 en op 08 april 2019.

2.3 [Naam 1], hierna te noemen [naam 1], is voorzitter van het bestuur van de Stichting. [Naam 2], hierna te noemen [naam 2], is penningmeester tevens secretaris van de Stichting. [Naam 1] is enig directeur en aandeelhouder van de schuldenaren.

2.4 In de overeenkomst d.d. 04 juni 2014 zijn, voor zover voor de beslissing van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
In aanmerking nemende dat:

  • Beide partijen een overeenkomst wensen aan te gaan met het doel om marktleider te worden van kip in Suriname;
  • Partijen ernaar streven om kip te kweken op een wijze dat de kwaliteit en smaak wordt gegarandeerd en waarbij de consument dit product kan kopen tegen een lagere prijs dan thans het geval is op de Surinaamse markt;
  • Dat partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) voor dit streven kapitaal nodig heeft voor langere tijd en tegen aantrekkelijke voorwaarden hetgeen partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) bereid is te verschaffen onder voorwaarden welke in deze overeenkomst zijn beschreven;
  • Dat partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) ernaar streeft om door deze samenwerking een aantrekkelijk product aan te bieden voor haar respectievelijke klanten waardoor zij haar marktpositie duurzaam kan versterken;

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

Artikel 1 – Algemeen
1.1 De considerans maakt integraal onderdeel uit van onderhavige overeenkomst.

1.2 De Krediethypotheek d.d. 18 mei 2018 en 04 juni 2018 welke is afgegeven door [de Stichting] waarbij deze Stichting zich garant heeft gesteld voor alle verplichtingen welke van partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) is aangegaan en tevens voor het bedrag van welke partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) als lening heeft verstrekt aan partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) ter waarde van US$ 2.500.000,00 (…) vormen een deel van onderhavige overeenkomst (bijlage 1).

Artikel 2 – Duur
2.1 Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst door beide partijen en heeft een looptijd van 10 jaren en 9 maanden.

2.2 Indien bij het einde van de termijn gesteld in artikel 2.1 de laatste aflossing en rente nog niet heeft plaatsgevonden, blijft de overeenkomst in stand totdat alle betalingsverplichtingen zijn voldaan, onverminderd de verplichting van partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) (…).

Artikel 3 – Voorwaarden kredietverstrekking
3.1 Het door de partij ter ener aan partij ter andere zijde te verstrekken krediet bedraagt US$ 2.250.000,00 (…)

3.2 De middelen beschreven in het vorig lid zullen worden aangewend om:
a) De bestaande schuld bij de DSB bank, zijnde ca SRD 3.213.470,78 volledig af te betalen;
b) investeringen te plegen om een volledig geïntegreerde pluimvee boerderij op te zetten waarbij het streven erop is gericht de marktleider van o.a. kip te worden in Suriname conform het plan genoemd in bijlage 3;

3.3 Gedurende de eerste 9 maanden van de lening zal alleen rente worden betaald waarbij de rente maandelijks zal worden bijgeschreven op de hoofdsom, e.e.a. conform bijlage 3.
(…)

Artikel 4 – Zekerheden

Tot zekerheid voor het verstrekte krediet worden de volgende zekerheden door partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) aan partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) gegarandeerd en /of gefaciliteerd:
a) Door [de Stichting] aan partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) afgegeven, voor schulden van partij ter andere zijde (lees de schuldenaren), zijnde een eerste krediethypotheek van US$. 2,500,000.= (…) op: het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende zesentwintig september tweeduizend tweeënveertig, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren (15,0130 ha.), gelegen in [het district], ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. achttien april tweeduizend en twee met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. drieëntwintig april tweeduizend en twee, thans bekend als [adres 4](straatregister [nummer]).” Inclusief het nog in grondhuur te verkrijgen gedeelte vermoedelijk groot 7.8 ha waarvoor reeds een bereidsverklaring is ontvangen bekend onder [LAD No] (bijlage 2). Het moment dat partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) beschikt over het recht van grondhuur zal er meteen een eerste krediethypotheek worden gevestigd ten behoeve van partij ter ener (lees [gedaagde sub A]);
(…)

Artikel 5 – Uitwinning zekerheid

De in artikel 4 genoemde dekkingen strekken tot zekerheid voor de door het partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) aan partij ter andere zijde(lees de schuldenaren)verstrekte krediet. Bij een eventuele uitwinning van genoemde zekerheden, zal de opbrengst worden gebruikt om de schuld welke partij ter andere zijde (lees VEBV en VENV) aan partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) is verschuldigd, te betalen.”

2.5 Bij addendum d.d. 06 september 2018 zijn de schuldenaren met [gedaagde sub A] overeengekomen dat de lening wordt uitgebreid tot een bedrag ad US$ 3.000.000,-.
Bij overeenkomst d.d. 08 april 2019 zijn de schuldenaren met [gedaagde sub A] overeengekomen dat [gedaagde sub A] aan hen een kredietbedrag ad € 660.000,- ter leen zal verstrekken met onder andere dezelfde zekerheden die zij in de twee eerder vermelde overeenkomsten van respectievelijk 17 mei 2018 en 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 zijn overeengekomen.

2.6 Op 11 februari 2019 heeft de Stichting aan [gedaagde sub A] onherroepelijk last en volmacht verleend, welke volmacht is verleden en getekend door de bestuurders van de Stichting ([naam 1 en 2]) ten overstaan van de notaris.
In de volmacht is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
De comparanten in hun gemelde hoedanigheden verklaarden ONHERROEPELIJK LAST EN VOLMACHT te verlenen aan de naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A]”, gevestigd te Paramaribo, speciaal om voor en namens hen, comparanten in gemelde hoedanigheden, na te melden onroerend goed, naast de reeds gevestigde hypotheek ten behoeve van de naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A],”, nog te bezwaren te harer behoeve met een krediethypotheek tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen “[DE STICHTING]”, uit welke hoofde ook aan de naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A]”, gevestigd te Paramaribo, voornoemd schuldig mocht zijn of worden tot een maximum bedrag van ACHTHONDERDDUIZEND AMERIKAANSE DOLLAR (USD. 800.000,-) plus rente, kosten, onkosten en provisie, te weten:

het nog te verkrijgen recht van grondhuur TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW op het perceelland, groot zeven hectaren, achtenvijftig aren en tweeëntachtig centiaren, gelegen in het [district] ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.J. Doest BSc. De dato veertien augustus tweeduizend en achttien met de leters CDEF en blijkens de gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi MSc., achter en grenzende aan het perceelland, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren, bekend als [adres 4].

Toe te stemmen in de bedingen bij de artikelen twaalfhonderd zeven, twaalfhonderd veertien en twaalfhonderd acht en dertig van het Surinaams Burgerlijk Wetboek geregeld en verder in als zodanige bedingen en bepalingen als de geldschieters zal verlangen en de gevolmachtigde zal raadzaam achten.

Terzake voormeld alle vereist wordende akten en stukken te doen opmaken, te verlijden en te ondertekenen en in het algemeen alles verder te doen en te verrichten wat tot voormelde einden zal blijken nodig te zijn, alles met de macht van substitutie.”

2.7 De Stichting heeft bij ministeriele beschikking d.d. 04 november 2019 no. D.1179 (toewijzingsbeschikking) het hierna omschreven zakelijk recht in grondhuur verkregen:

“het recht van grondhuur – TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW – vervallende 11 november 2059, op het perceelland, groot 7,5885 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de beëdigde landmeter R.J. Doest d.d. 14 augustus 2019 met de leters CDEF en met het door het MI-GLIS verstrekte Perceels [ID nummer], blijkens de daarop gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi Msc. D.d. 15 februari 2019, goedgekeurd, achter- en grenzende aan het perceelland, groot 15.0130 ha., bekend als [adres 4]”, hierna aangeduid als terrein B.

Op 11 november 2019 is terrein B ten name van de Stichting in het daartoe bestemde register op het kantoor van het Management Instituut GLIS overgeschreven.

2.8 Bij notariële akte d.d. 07 januari 2020 is ten laste van de Vliegende Eend N.V. een hypotheek gevestigd op terrein B ten behoeve van een schuldeiser, hierna aangeduid als hypotheekakte. In de hypotheekakte staat, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende vermeld:

“Heden (…) verscheen voor mij, meester VIKASH GANGARAM-PANDAY, notaris in Suriname, residerende te Paramaribo:
De heer [gedaagde sub B], volgens zijn verklaring hoofddirecteur, geboren )…),
nader te noemen “Partij ter ener”,

EN

In casu handelende voornoemde naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A]”, als gevolmachtigde van:

(…) ten deze handelende:
A. in haar hoedanigheid van voorzitter van de te Paramaribo gevestigde Stichting “[DE STICHTING]” (…)
Nader te noemen “Partij ter andere zijde”,
krachtens een akte van lastgeving de dato elfde februari tweeduizend en negentien ten overstaan van de ondergetekende notaris, verleden en onder mij in minuut berustende.
De comparanten zijn aan mij, notaris, bekend.
Partij ter andere zijde verklaart ten behoeve van partij ter ener bij onderzetting te verbinden en met hypotheek te bezwaren:
(…)
Welke hypotheekstelling geschiedt tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen de naamloze vennootschap “DE VLIEGENDE EEND N.V.” aan partij ter ener voornoemd mochten schuldig zijn of worden uit hoofde van de bestaande toekomstige kredietverhouding tussen partijen, of als trekkers, endossanten of medetekenaren van enig (…) tot een bedrag van ZEVENHONDERDVIJFTIGDUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS (…)”.

2.9 Bij schrijven d.d. 14 januari 2020 zijn respectievelijk de schuldenaren en de Stichting door [gedaagde sub A] aangemaand om het achterstallig openstaand saldo te voldoen. Ter zake heeft [gedaagde sub A] het hierna volgende in het schrijven vermeld:
Met referte aan de overeengekomen tussen [gedaagde sub A], De Vliegende Eend N.V. en De Vliegende Eend B.V., delen wij u mede dat u thans een achterstallig openstaand saldo heeft groot US$ 382.418,88 en EUR 636,709,38.

Wij vragen u uitdrukkelijk en zonder uitstel, uiterlijk 1 week na dagtekening, deze bedragen te voldoen op een van de rekeningnummers hieronder vermeld.”

[Gedaagde sub A] heeft het hiervoor vermeld schrijven bij exploot van een deurwaarder op 21 januari 2020 aan de schuldenaren en de Stichting doen betekenen.

2.10 Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, L. Gangaram Panday, d.d. 31 januari 2020, heeft [gedaagde sub A] haar voornemen tot de openbare verkoop van terrein A en terrein B op donderdag 26 maart 2020, des voormiddag om tien uur,ten kantore van de notaris,mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo aan de Stichting aangezegd. Middels dit exploot heeft [gedaagde sub A] tevens aan de Stichting doen betekenen:

  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 17 mei 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 25 juni 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 07 januari 2020;
  • een brief gericht aan notaris mr. V. Gangaram-Panday d.d. 22 januari 2020, in welke brief vermeld staat de verschuldigde bedragen respectievelijk ad US$ 3.293.629,10 en Euro 637.842,71.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert de Stichting, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

I. de opschorting te gelasten, athans op te schorten de akte van notaris mr. Vikash Gangaram Panday gedateerd 07 januari 2020;
II. de doorhaling te gelasten van de ten kantore van het Management Instituut GLIS ingeschreven akte van de hiervoor genoemde notaris, verleden op 07 januari 2020 in register B deel 1834 onder nummer 6125 ten behoeve van de heer [gedaagde sub A] en ten laste van de Vliegende Eend N.V.;
III. de stopzetting te gelasten van de bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 31 januari 2020 no. 07 aangezegde openbare verkoop van de in dat exploot omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op 26 maart 2020 des voormiddags te 10.00 uur ten kantore van mr. Vikash Gangaram Panday zal plaatsvinden, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 50.000.000,-;
IV. [gedaagde sub A] te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

3.2 In conventie legt de Stichting, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag:

  • de akte van lastgeving d.d. 11 februari 2019 is nietig, omdat een gebrek eraan kleeft. Het gebrek bestaat hierin, dat de akte van lastgeving zou zijn verleend op een toekomstig zakelijk recht waardoor het niet voldoet aan de essentialia van een overeenkomst;
  • de hypotheekakte van 07 januari 2020 is nietig;
  • de Stichting heeft op 23 augustus 2019 een option agreement met [gedaagde sub A] gesloten, waarbij [gedaagde sub A] het bedrijf en terrein A met alle lasten (hypotheek en personeel) zou kopen voor de som van US$ 2.5 miljoen, welke koopsom [gedaagde sub A] uiterlijk eind maart 2020 zou voldoen en waarmede de schuld van de schuldenaren zou worden kwijtgescholden;
  • [gedaagde sub A] heeft haar zorgplicht jegensde Stichting en de schuldenaren niet in acht genomen;
  • ondanks de notaris wist dat er een gebrek aan de akte van lastgeving kleefde, is hij er toch toe overgegaan om het hypotheekrecht op 07 januari 2020 ten behoeve van [gedaagde sub A] te vestigen.

3.3 In conventie hebben [gedaagden] en de notaris verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert de notaris, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te veroordelen om aan de notaris tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag ad USD 1.500,-, vermeerderd met 8% omzetbelasting wegens door hem betaalde kosten voor procesvertegenwoordiging.

3.5 In reconventie legt de notaris aan zijn vordering ten grondslag dat de Stichting hem onrechtmatig in het onderhavige proces heeft betrokken. Als gevolg hiervan lijdt hij schade ad US$ 1.500,-, zijnde de kosten die hij onnodig moest maken voor het inschakelen van een advocaat om hem juridisch bij te staan in de onderhavige zaak. De Stichting dient hem deze kosten te voldoen.

  1. De beoordeling
    In conventie en in reconventie

In conventie

Spoedeisend belang

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, in het bijzonder uit het feit dat de openbare verkoop van zowel terrein A als terrein B op 26 maart 2020 zal plaatsvinden.Daarom is eiseres in het kort geding ontvangen.

Niet- ontvankelijkheidsverweer

4.2 [Gedaagden] voeren als formeel verweer dat de Stichting niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat zij geen contractspartij is bij de kredietovereenkomsten. Om die reden kan de Stichting, aldus het verweer van [gedaagden], niet als procespartij in de onderhavige zaak optreden en is zij dus niet bevoegd om de onderhavige vorderingen tegen hen in te stellen.

De kantonrechter constateert dat de schuldenaren en [gedaagde sub A] partij zijn bij de kredietovereenkomsten van respectievelijk d.d. 17 mei 2018, 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 en 08 april 2019 en dat de Stichting als derde tevens eigenares toestemming heeft verleend om ten behoeve van [gedaagde sub A] een hypotheek op het zakelijk recht van grondhuur op de terreinen A en B te doen vestigen, als zekerheid tot terugbetaling van de schuld door de schuldenaren aan [gedaagde sub A]. De Stichting is dus, zoals [gedaagden] terecht opwerpen, geen partij bij de hiervoor vermelde overeenkomsten. Dit leidt echter naar het oordeel van de kantonrechter niet ertoe dat de Stichting niet bevoegd is om tegen de aangezegde openbare verkoop op te komen. Dit, omdat de Stichting een zakelijke titel op de terreinen heeft en aldus enig belang heeft tot behoud van haar zakelijk recht van grondhuur op deze terreinen, zijnde onroerende goederen.

Voorts werpen [gedaagden] op dat niet de zakelijke zekerheidsrechten in het openbaar zullen worden verkocht, maar de onroerende goederen. Dit verweer van [gedaagden] is niet te volgen, omdat alles wat aard en nagelvast is op de terreinen als onroerend dienen te worden aangemerkt.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de kantonrechter het formeel verweer van [gedaagden].

De onherroepelijke volmacht

4.4 De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van de Stichting dat zij zich op het standpunt stelt dat de volmacht c.q. akte van lastgeving d.d. 11 februari 2019 (hierna gemakshalve als volmacht aangeduid) nietig is, omdat daarin de duur van het nog te verkrijgen zakelijk recht van grondhuur niet is vermeld en het dus niet voldoet aan de essentialia van een overeenkomst.

[Gedaagden] daarentegen stellen zich op het standpunt dat het niet opnemen van de duur van het zakelijk recht niet tot gevolg heeft dat de volmacht nietig of vernietigbaar is, omdat niet vooraf kon worden vastgesteld voor welke duur de Staat conform artikel 14 van de Wet Uitgifte Domeingrond dit zakelijk recht zou verlenen.
De kantonrechter is ter zake dit tussen partijen bestaande geschilpunt het hierna volgende van oordeel. Uit de inhoud van de volmacht, van welke volmacht de inhoud onder 2.6 in dit vonnis is weergeven, blijkt dat de Stichting aan [gedaagde sub A] de bevoegdheid heeft gegeven om “het nog te verkrijgen recht van grondhuur” op terrein B met hypotheek te bezwaren. Dit nog te verkrijgen recht van grondhuur dat als onroerend dient te worden aangemerkt, is volledig en gespecificeerd in de volmacht omschreven. Met name is daarin vermeld de grootte en de ligging van het terrein, welke kenmerken heel essentieel zijn voor de bepaalbaarheid van de zaak c.q. het onroerend goed. De duur waarvoor dit zakelijk recht van grondhuur zal worden verleend acht de kantonrechter niet relevant voor de bepaalbaarheid van de zaak, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat het zakelijk recht van grondhuur op domeingronden voor een bepaalde duur wordt verleend. Bovendien kunnen, zoals [gedaagden] terecht opwerpen, toekomstige zaken op de voet van artikel 1355 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek onderwerp van een overeenkomst uitmaken.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat er geen gebrek kleeft aan de volmacht en deze dus als rechtsgeldig dient te worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de Stichting niet slaagt in haar beroep op nietigheid van de volmacht.

De hypotheekakte d.d. 07 januari 2020

4.5 De kantonrechter begrijpt voorts uit de stellingen van de Stichting dat zij zich op het standpunt stelt dat het zakelijk recht op terrein B een toekomstig goed is en de hypotheek ingevolge artikel 1204 lid 1 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (hierna afgekort BW) dus nietig is.
[Gedaagden] daarentegen betogen, dat het hypotheekrecht dat op 07 januari 2020 op terrein B is gevestigd wel rechtsgeldig is, omdat:

  • de Stichting aan [gedaagde sub A] onherroepelijke volmacht heeft verleend om op het moment dat de Stichting terrein B in grondhuur zou verkrijgen, [gedaagde sub A] dit terrein zou mogen bezwaren met hypotheek;
  • de Stichting eigenares van het zakelijk recht op terrein B was, op het moment toen [gedaagde sub A] gebruik maakte van de volmacht.

De kantonrechter is ter zake dit onderdeel waarover tussen partijen geschil bestaat het hierna volgende van oordeel.
Zoals reeds hiervoor onder 4.4 in dit vonnis is overwogen, dient de onherroepelijke volmacht als rechtsgeldig te worden aangemerkt zodat [gedaagde sub A] de bevoegdheid heeft om namens de Stichting het terrein B met een hypotheek te bezwaren als zekerheid tot betaling van de schulden door de schuldenaren.

Uit de inhoud van het ten processe door de Stichting overgelegde hypothecair uittreksel kan worden afgeleid, dat het zakelijk recht van grondhuur sedert 11 november 2019 op naam van de Stichting staat. Het hypotheekrecht is bij notariële akte d.d. 07 april 2020, dus nadat het zakelijk recht op naam van de Stichting stond, op het bedoelde zakelijk recht gevestigd. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat in casu geen sprake is van een toekomstig onroerend goed, doch van een tegenwoordig of bestaanbaar onroerend goed zodat het beroep van de Stichting op nietigheid van de hypotheekakte faalt.

Zorgplicht

4.6 Zoals reeds hiervoor onder 4.2 is overwogen is de Stichting geen contractspartij bij de kredietovereenkomsten, zodat zij zich niet met succes erop kan beroepen dat [gedaagde sub A] haar zorgplicht jegens de schuldenaren niet in acht heeft genomen. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling.

Conclusie

4.7 Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat zowel de onherroepelijke volmacht d.d. 11 februari 2019 als de hypotheekakte d.d. 07 januari 2020 rechtsgeldig zijn, zodat de in conventie gevorderde voorzieningen onder I en II welke ook gericht zijn tot de notaris als ongegrond zullen worden geweigerd.

Gronden voor openbare verkoop

4.8 Niet in geschil is dat de schuldenaren voor wie de Stichting zich garant heeft gesteld niet hebben voldaan aan hun betalingsverplichting jegens [gedaagde sub A], zodat [gedaagde sub A] wel bevoegd is om tot openbare verkoop van de terreinen over te gaan. In dat licht brengt de kantonrechter de Stichting in herinnering dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder, in casu [gedaagde sub A], bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. Hieruit volgt dat de in conventie gevorderde voorziening onder III zal worden geweigerd.

Proceskosten

4.9 De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

In reconventie

Misbruik van procesrecht

4.10 Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen is de gevorderde voorziening gericht tot de notaris geweigerd. Dit brengt echter niet zonder meer met zich mee dat de Stichting misbruik maakt van procesrecht. Voor de kantonrechter dient als leidraad het arrest van HR 6 april 2012, NJ 2012, 233, waarin de HR heeft overwogen dat van misbruik van procesrecht eerst sprake kan zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende danwel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
De notaris heeft het bovenstaande niet gesteld. Hij heeft enkel en alleen bloot gesteld dat de Stichting hem onterecht in het onderhavige proces heeft betrokken. Derhalve is niet aannemelijk dat de Stichting een onrechtmatige daad jegens de notaris pleegt, zodat de in reconventie gevorderde voorziening zal worden geweigerd.

Proceskosten

4.11 De notaris zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing in kort geding
    In conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:

In conventie

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt de Stichting in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] en de notaris zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

In reconventie

5.3 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.4 Veroordeelt de notaris in de proceskosten die aan de zijde van de Stichting zijn gevallen en tot aan deze uitspraak begroot zijn op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 26 maart 2020 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres]
in [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. I. Asarfi-Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. M. Danning,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 25 april 2014;
Het proces-verbaal van het op 07 november 2014 gehouden verhoor van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 februari 2015 doch nader op heden;

2. De feiten
2.1. [verzoeker] is bij de Staat in dienst getreden en wel bij het Korps Politie Suriname en was in vaste dienst en bekend onder persoonsnummer [nummer 1];

2.2. [verzoeker] is bij beschikking d.d. 31 maart 2014 K.A. [nummer 2] (hierna: de beschikking) ontslag aangezegd als tuchtstraf;

2.3. [verzoeker] is op zondag 2 juni 2013 omstreeks 19.30 uur in verzekering gesteld ter zake het overtreden van art. 3, 3a van de Rijwet, te weten rijden onder invloed van alcohol;

2.4. [verzoeker] had op vrijdag 1 juni 2013 verlof opgenomen voor het weekend en had dus geen dienst ten tijde van het gebeuren;

2.5. Het rijden onder invloed is door het Openbaar Ministerie met een boete afgedaan;

2.6. [verzoeker] heeft de geldboete voldaan en heeft zijn rijbewijs terug gehad;

2.7. Naderhand bleek dat het dienstwapen van [verzoeker] ontbrak en werd [verzoeker] op het Bureau ontboden op 03 juni 2013. Ook zijn vriend genaamd [naam] werd ontboden en beiden werden in verzekering gesteld ter zake de artikelen 370 en 381 van het Wetboek van Strafrecht, omdat de Politie het vermoeden had dat [verzoeker] het wapen gestolen dan wel verduisterd had;

2.8. [verzoeker] is bij de voorgeleiding op het Parket in vrijheid gesteld en de zaak is nimmer verder vervolgd en is aan [verzoeker] ook niet medegedeeld dat hij gedagvaard zal worden;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken, uitvoerbaar bij voorraad:
A. vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking;
B. veroordeling van de Staat tot betaling casuquo doorbetaling van het salaris van [verzoeker] vanaf 31 maart 2014, verhoogd met emolumenten en toelagen en verhogingen totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is;
C. veroordeling van de Staat om [verzoeker] tot de werkplek toe te laten en hem in staat te stellen arbeid te verrichten binnen een week na uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,-voor elke dag dat de Staat weigert aan het vonnis gevolg te geven;
D. veroordeling van de Staat in de kosten van het proces, waaronder ook de proceskosten ad SRD. 2.500,-;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De beschikking is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een deugdelijke motivering van een Overheidsbeslissing, het beginsel van willekeur en in strijd met het handelen door de Overheid met het beginsel van rechtszekerheid en handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen.

3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.2. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Bij de beoordeling van de opgelegde straf aan [verzoeker] heeft de Korpschef ook acht geslagen op het aantal dienstjaren van [verzoeker]. Door het Managementteam heeft er een afweging van belangen plaatsgevonden, wat erin geresulteerd heeft dat [verzoeker] is ontslagen. [verzoeker] is amper twee jaren in dienst en heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol alsmede verlies van zijn dienstwapen. Er is rekening gehouden met de op te leggen tuchtstraf en daarom is de strafzaak tegen [verzoeker] geseponeerd. De Staat had toen al het vermoeden dat de tuchtstraf van ontslag boven het hoofd van [verzoeker] hing. Het gaat in casu om een samenloop van omstandigheden en het feit dat [verzoeker] pas in dienst is.

4.3. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de beschikking, en voorts of dit plichtsverzuim zo ernstig is dat de tuchtstraf van ontslag zou moeten worden opgelegd. In casu staat onomstotelijk vast dat [verzoeker] op 1 juni 2013 met verlof was en dat hij op die dag danig onder invloed van alcohol zijnde, als autobestuurder, heeft deelgenomen aan het verkeer. Daar komt nog bovenop dat zijn auto op een gegeven moment zonder brandstof kwam te zitten waardoor hij niet verder kon rijden en genoodzaakt was om bij een inrit van een woonhuis halt te houden. Hij heeft zich derhalve gewend tot de bewoners aldaar en aangegeven – tot grote verbazing van de bewoners – dat hij daar was als ambtenaar van politie naar aanleiding van een melding, teneinde een burenruzie te onderzoeken. Van een burenruzie bleek namelijk in het geheel geen sprake te zijn. Bij het weggaan stapte [verzoeker] bovendien in de auto van de bewoners in plaats van in zijn eigen voertuig. Het voorgaande wekte bevreemding bij de bewoners die daarop de politie inschakelden. De ter plekke gearriveerde politie nam [verzoeker] mee en hij werd in verzekering gesteld op verdenking van – kort gezegd – dronken rijden. Na het betalen van een geldboete werd hij in vrijheid gesteld en kreeg zijn rijbewijs terug. Naderhand bleek evenwel dat [verzoeker] eveneens zijn dienstwapen was kwijtgeraakt en dat hij daar geen aannemelijke verklaring voor kon geven. Op grond daarvan werd hij ter zake van diefstal casu quo verduistering wederom in verzekering gesteld en naderhand bij de voorgeleiding op het Parket in vrijheid gesteld. Tot zover het feitenrelaas dat vaststaat. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale ”Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen.

4.4. In casu is er geen sprake van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift. Wel is er sprake van het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. Daaronder valt ook gedrag in de privésfeer. Naar het oordeel van het hof dient een ambtenaar van politie zich ook in zijn vrije tijd correct te gedragen. Door dronken achter het stuur van zijn auto plaats te nemen en deel te nemen aan het verkeer en zijn dienstwapen daarbij kwijt te raken, heeft [verzoeker] zich verre van correct gedragen en zich derhalve – naar het oordeel van het hof – schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het hof slaat daarbij acht op het feit dat het gedrag van [verzoeker], gelet op de aard en de ernst daarvan, een uitstraling heeft naar het functioneren van hem als politieambtenaar en het imago van de dienst. Tevens wordt daarbij acht geslagen op zijn rang, de mate van integriteit die deze functie vereist en/of die functie gezichtsbepalend is voor de Overheid. Voor politieambtenaren geldt als uitgangspunt dat hun integriteit boven iedere twijfel verheven moet zijn omdat het ambtenaren betreft die, meer dan de ’gewone’ ambtenaren bekleed zijn met direct openbaar gezag en ter zake verregaande bevoegdheden jegens burgers hebben.

4.5. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen geen ernstig plichtsverzuim op; wel is er sprake van plichtsverzuim in die zin dat [verzoeker] zich in zijn vrije tijd incorrect heeft gedragen hetgeen niet strookt met de betamelijkheid van een politieman. Evenwel betreft het in casu een politieambtenaar die aan het begin van zijn carrière staat en zich voor de eerste keer heeft vergaloppeerd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Het gebruik van alcohol verdisculpeert hem uiteraard niet maar wordt afgezet tegen kwaadaardig handelen door een politieambtenaar die welbewust – na afweging van alle pro’s en contra’s – een weloverwogen keus maakt om over de schreef te gaan aangezien hij tot de slotsom is gekomen dat misdaad loont. De relatief lage rang van [verzoeker] (aspirant agent van politie) maakt dat voor wat betreft het functioneren van hem in de toekomst er – naar de inschattting van het hof – geen onoverkomelijke obstakels zullen zijn en het imago van het Korps Politie Suriname door zijn handelen geen grote deuk heeft gekregen. Daarenboven had [verzoeker] al getransigeerd voor dronken rijden en was er klaarblijkelijk geen vuiltje meer aan de lucht. Toen evenwel bleek dat hij de ware toedracht met betrekking tot het kwijtraken van zijn dienstwapen had trachten te verhullen, is hem dat – terecht overigens – niet in dank afgenomen door de Korpsleiding. Nu [verzoeker] naar het oordeel van het hof oprecht spijt heeft betuigd en daarbij bij zijn verhoor heeft aangegeven de laakbaarheid van zijn handelingen in te zien en te betreuren, komt het hof tot de slotsom dat de opgelegde tuchtmaatregel niet evenredig is aan de aard en omvang van het aan [verzoeker] verwetene. Derhalve dient de beschikking wat dit onderdeel betreft te worden gecorrigeerd.

4.6. In het verlengde hiervan oordeelt het hof dat bij het opleggen van een tuchtmaatregel gekeken moet worden naar de aard van de gedraging afgezet tegen de staat van dienst van [verzoeker].Niet is gebleken dat [verzoeker] eerder een tuchtstraf opgelegd heeft gekregen in de ongeveer twee jaren dat hij in dienst is bij het Korps Politie Suriname. Verder blijkt uit de ten processe | overgelegde dagorders – welker inhoud niet is betwist- dat voor soortgelijke vergrijpen binnen * de dienstuitoefening er andersoortige tuchtmaatregelen dan ontslag aan betrokkenen worden opgelegd. Naar het oordeel van het hof leidt een redelijke en billijke belangenafweging in casu tot de slotsom dat de opgelegde tuchtmaatregel van ontslag disproportioneel is ten opzichte van het gepleegd plichtsverzuim zijdens [verzoeker]. De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde is derhalve komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. Naar het oordeel van het hof dient [verzoeker] de kosten gepaard gaande met verlies van het dienstwapen aan het Korps Politie Suriname te vergoeden en zou een schorsing voor een periode van drie maanden recht doen aan de aard van het door [verzoeker] gepleegd vergrijp. Ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 van de Personeelswet zal het hof zelf de passende tuchtstraf als hiervoor aangegeven bepalen en aangeven dat het vonnis in de plaats treedt van het besluit van de Staat.

4.7. Ten aanzien van de onderdelen van het gevorderde dat betreft betaling salaris casu quo doorbetaling van het salaris alsmede het toelaten tot de werkplek, komt het hof tot de slotsom dat dat niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Immers behelst de opsomming in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet een limitatieve opsomming en gesteld noch gebleken is dat voormelde onderdelen van het gevorderde daaronder gerubriceerd kunnen worden. De mede gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad zal eveneens worden afgewezen nu het Hof rechtdoende in Ambtenarenzaken in eerste en hoogste instantie oordeelt, zodat het het hof ontgaat welk belang [verzoeker] heeft bij toewijzing van dat onderdeel van het gevorderde;

4.8. Gelet op al het voorgaande zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden;

4.9. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

5. De beslissing
Het hof:
5.1. Verklaart nietig de algehele beschikking de dato 31 maart 2014, bekend onder K.A. [nummer 2] van het Ministerie van Justitie en Politie bureau [nummer 3], welke aan [verzoeker] in persoon is uitgereikt en waarbij [verzoeker] is ontslagen.

5.2. Legt aan [verzoeker] de navolgende tuchtstraf op: schorsing voor een periode van drie maanden | met ingang van 4 juni 2013;

5.3. Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 60,– (Zestig Surinaamse Dollars);

5.4. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr.M.V. KuldipSingh, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr.I.S. Asarfi-Lalji, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-19

G.R.No. 14851
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant],
wonende in het [district] ,
appellant,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district] ,
als gemachtigde van [naam],
wonende in [land], geïntimeerde,
gemachtigde: mr. Greg A.T.T. Sitaram, advocaat
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 21 juli 2009 (A.R. No. 08-4488) tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 25 augustus 2009 van de griffier der kantongerechten,
    waarin is vermeld dat appellant tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 december 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 4 april 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 2 mei 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 1 augustus 2014;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 3 oktober 2014;
  • de uitspraak van dit vonnis, aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015, is nader bepaald op heden.

De beoordeling
1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellant daarin kan worden ontvangen.
2. Anders dan appellant meent, staat het een partij die een vorderingsrecht heeft vrij zich in een proces daarover door een ander te doen vertegenwoordigen. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet. Wél moet duidelijk zijn wie de vertegenwoordiger (de formele partij) is en wie de vertegenwoordigde (de materiele partij). Daarover kan in deze zaak geen misverstand bestaan. In het inleidend verzoekschrift zijn de posities van [geïntimeerde] en [naam] duidelijk aangegeven. De klachten hierover van appellant zijn ongegrond.
3. In de toelichting op de tweede grief vermeldt appellant nog: ”Als de kantonrechter beslist dat de vordering onder a van het petitum dient te worden afgewezen, dient hij dat in zijn vonnis te vermelden, hetgeen hij heeft nagelaten.” Inderdaad heeft de kantonrechter met betrekking tot dit vorderingsonderdeel in het dictum van zijn vonnis geen beslissing gegeven. Er had aldaar te dien aanzien moeten worden vermeld: ”Wijst af het meer of anders gevorderde”. In zoverre is de klacht van appellant gegrond. Hij heeft er echter blijk van gegeven goed te begrijpen wat de beslissing in dit opzicht inhield en heeft geen in rechte te respecteren belang bij herstel van de begane vergissing.
4. Op grond van het bovenstaande zal het Hof het bestreden vonnis bevestigen. Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

  • bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 21 juli 2009 bekend onder A.R.No. 08-4488, waarvan beroep;
  • veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. F.F.P. Truideman en mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoekster in de hoofdzaak alsmede in het incident,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB),
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,
verweerder in de hoofdzaak alsmede in het incident,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, wnd. Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 24 juni 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 07 augustus 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 augustus 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 augustus 2015, met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 17 september 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 06 oktober 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 september 2015, met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, ingediend op 27 oktober 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;het procesverbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 18 maart 2016;
  • de incidentele conclusie tot herziening c.q. wijziging van het verzoekschrift, met producties, ingediend d.d. 18 maart 2016;
  • de conclusie van antwoord in het incident, met producties, ingediend d.d. 03 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, ingediend d.d. 05 augustus 2016;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 17 februari 20 I 7.

De vordering, de grondslag daarvan en bet verweer daartegen
In de hoofdzaak
2.1. Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om:
a. haar te ontvangen in haar vordering;nietig te verklaren, althans te vernietigen, de beschikking d.d. 13 mei 2015, Bureau [nummer 1];
b. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;
c. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de voorheen bekleedde functie, te kunnen vervullen zonder
enige hindernis zijdens verweerde;
d. verweerder te gelasten hetsalaris aan verzoekster uit te betalen en daarmee voort te gaan conform beschikking d.d. 24 december 2013, [nummer 2];
e. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat bij in strijd handelt met het hierboven gevorderde;
f. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;
g. één of meer beslissingen te geven zoals het het hof geraden voorkomt.

2.2. Verzoekster heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslag beschikking d.d. 13 mei 2015 berust op onware feiten, niet deugdelijk is gemotiveerd, tot stand is gekomen in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en in strijd is met wet. Tevens stelt verzoekster dat de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming is met het vermeend door haar gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.

2.3. Verweerder heeft bij wege van verweer aangevoerd dat de gewraakte beschikking zal worden ingetrokken en dat verzoekster de intrekkingsbeschikking ten spoedigste tegemoet mag zien.

In het incident
2.4. Verzoekster heeft bij incidentele conclusie verzocht om toe te staan dat het verzoekschrift wordt herzien, in dier voege dat het petitum onder b als volgt wordt gelezen:”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1], d.d. 3 november 2015 [nummer 3] . d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerster te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functie waarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen; ”

2.5. Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij bij exploot d.d. 12 januari 2016 de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen eensluidend als de gewraakte ontslagbeschikking, waarin slechts de ingangsdatum van het ontslag is weggelaten, terwijl zij bij exploot d.d. 14 januari 2016 de beschikking d.d. 23 oktober 2016 heeft ontvangen inhoudende de intrekking van de gewraakte ontslagbeschikking. Tevens heeft verzoekster op 15 maart 2016 ontvangen, de beschikking d.d. 22 februari 2016, waarin de ingangsdatum van het aan haar verleend ontslag is vastgesteld op 13 januari 2016. Verzoekster stelt dat vanwege de gekozen volgorde het aan haar verleend ontslag nimmer heeft opgehouden c.q. heeft voortgeduurd, weshalve zij geen reden heeft om af te zien van de onderhavige vordering, terwijl de handelingen van verweerder blijk geven van het grovelijk in strijd handelen met de goede procesorde, te meer daar partijen voor wat betreft het onderwerpelijke te midden van het rechtsproces zijn.

2.6. Verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord op het incident als verweer aangevoerd dat de beschikking d.d. 13 mei 2015 bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 is ingetrokken, weshalve deze niet meer van kracht is, terwijl de beschikking d.d. 23 oktober 2015 ingevolge artikel 79 lid 2 PW, niet betreft een besluit tot ontslag. Verweerder voert voorts aan dat verzoekster de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen op 12 januari 2016, terwijl de incidentele vordering tot wijziging verzoekschrift is ingediend op 18 maart 2016, en is derhalve niet conform artikel 80 PW binnen een maand na kennisname ingediend. Verweerder concludeert derhalve dat verzoekster conform artikel 80 PW niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele vordering.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak
In het incident
3.1. Het hof stelt voorop dat thans de vraag beantwoord dient te worden of de gevorderde eiswijziging is toegestaan, zonder in dit stadium op de inhoudelijke beoordeling van het gevorderde in te gaan, zodat het hof slechts zal nagaan of er in casu sprake is van een ongeoorloofde eisvermeerdering en/of dat verweerder door de gevorderde eiswijziging in zijn verdediging wordt geschaad en/of dat het proces daardoor onredelijk wordt vertraagd. Het hof overweegt dat de eiswijziging erop neerkomt dat dat behalve de reeds gevorderde nietigverklaring c.q. vernietiging van de beschikking d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1], eveneens worden meegenomen de gedurende het proces aan verzoekster uitgereikte beschikkingen d.d. 3 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016. Naar het oordeel van het hof hebben de naderhand uitgereikte beschikkingen allen betrekking op het eerste besluit tot ontslagverlening aan verzoekster, op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld, c.q. vloeien deze beschikkingen voort uit dat eerste besluit, zodat er geen sprake is van een eisvermeerdering. Evenmin is naar het oordeel van het hof verweerder in zijn verdediging geschaad. Meer nog, verweerder heeft de gelegenheid te baat genomen om bij zijn conclusie van antwoord in het incident alsnog inhoudelijk verweer te voeren op de vordering van verzoekster, hetgeen hij eerder had. Van een onredelijke vertraging van het proces is evenmin sprake, integendeel worden kosten en tijd bespaard door de beschikkingen in het onderhavig proces mee te nemen.

3.2. Gelet op het voren overwogene zal de gevorderde eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder b zal komen te luiden zoals overwogen onder 2.4 van dit vonnis.

In de hoofdzaak
3.3. Nu, de vordering in het incident zal worden toegewezen, zal in de hoofdzaak voort geprocedeerd dienen te worden in de stand waarin het zich bevond voordat de zaak voor vonnis in het incident werd bepaald, weshalve de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen voor voortzetting verhoor van partijen op de datum zoals bepaald in de beslissing.

3.4. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

  1. De beslissing in het incident en in de hoofdzaak
    Het Hof:

In het incident
4.1. Staat toe de gevorderde eiswijziging, in dier voege dat het petitum onder b als volgt zal luiden :”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1] , d.d. 3 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerder te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functiwaarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen;”

In de hoofdzaak
4.2. Bepaalt dat de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen op de terechtzitting van vrijdag 16 maart 2018 voor voortzetting verhoor van partijen.

4.3. Houdt iedere verdere beslissing aan .

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr.S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 november 2017, in tegenwoordigheid van mr.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijenverzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr.M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr.R.Y. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof vanJustitie,
mr.M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2019-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde voorheen : I.D. Kanhai, BSc., advocaat,
thans: mr. M.S.M.D. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-G.eneraal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,verweerder,
gevolmachtigde : mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.
Partijen zullen hierna worden aangeduid met [verzoeker] respectievelijk de Staat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitd.d. 8 augustus 2017;
  • het verweerschrift ontvangen op 14 december 2017;
  • het proces-verbaal van het op 1 juni 2018 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Tussen [verzoeker] en de Staat is er een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van drie jaar met ingang van 2 juli 2014.

2.2 De Staat heeft bij schrijven d.d. 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1] en referentienummer [nummer 2] aan [verzoeker] medegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op grond daarvan de dienstbetrekking wordt beëindigd met ingang van 2 juli 2017.

2.3 De Staat heeft bij schrijven d.d. 7 juli 2017 kenmerk Ag. [nummer 3] en referentienummer OD [nummer 4] aan [verzoeker] medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat de dienstbetrekking met hem,
[verzoeker], wordt gehandhaafd maar dat hij per die datum wordt gedemilitariseerd en tevens wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het Directoraat Nationale Veiligheid (DNV).

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – kort en zakelijk weergegeven – (…) bij vonnis dat het Hof van Justitie rechtdoende in Ambtenaren zaken uitvoerbaar bij voorraad:

  1. nietig zal verklaren althans zal vernietigen de brieven respectievelijk gedateerd 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1], referentienummer [nummer 2] en 7 juli 2017 kenmerk Ag.[nummer 3] en referentienummer OD [nummer 4].
  2. de Staat zal gelasten om de hiervoor vermelde brieven in te trekken en hem hiervan tijdig in kennis te stellen;
  3. de Staat zal gelasten om zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de Wet Rechtspositie Militairen;
  4. de Staat zal gelasten om binnen een week na de uitspraak zijn benoeming c.q. bevordering te formaliseren en hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris;
  5. de Staat zal gelasten om zijn salaris maandelijks normaal uit te betalen met in achtneming van de daarbij van toepassing zijnde wettelijke regelingen;
  6. de Staat zal gelasten om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet Rechtspositie Militairen in acht te nemen, terzake zijn mutering naar een ander ministerie.
  7. de Staat zal gelasten om de bepalingen van de Personeelswet in acht te nemen, terzake het verlenen van verlof;
  8. de Staat zal gelasten om binnen een week na de uitspraak hem schriftelijk in kennis te stellen dat de gedane uitlatingen, als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup niet op waarheid berusten en hij dientengevolge wordt gerehabiliteerd ;
  9. de Staat zal veroordelen om aan hem terug te betalen het bedrag van US$1.000,= vermeerderd met de wettelijke rente;
  10. de Staat zal veroordelen tot betaling van een dwangsom indien die in strijd handelt met het hiervoor omschrevene onder II, III, IV, VI , VII en VIII;
  11. de Staat zal veroordelen om aan hem te betalen een schadevergoeding van SRD 2.500.000,= respectievelijk SRD 7.500,=;

3.2 [verzoeker] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
De Staat handelt in strijd met de wet Rechtspositie Militairen. Hij kan zich niet verenigen met het besluit dat hij wordt gedemilitariseerd omdat dit consequenties zal hebben voor zijn rechtspositie. Er is sprake van discriminatie nu andere militairen zijn gemuteerd doch wel hun status van militair hebben behouden. Met zijn overplaatsing handelt de Staat in strijd met de Personeelswet, aangezien een ambtshalve overplaatsing niet tegen de wil van de betrokken landsdienaar kan geschieden. Aan hem is medegedeeld dat indien hij niet meewerkt aan zijn overplaatsing hij vanaf de maand juli 2017 geen salaris zal ontvangen. Ook dit is in strijd met de Wet. Hij, [verzoeker], bekleedt de rang van korporaal doch de Staat laat na om dit bij beschikking te formaliseren. Ook bij de aanvraag van verlof handelt de Staat in strijd met de wet. Om voor verlof in aanmerking te komen moet hij eerst een bepaald bedrag aan zijn meerdere betalen. Zo heeft hij in totaal een bedrag van US$1.000,= betaald om in aanmerking te komen voor verlof. Tenslotte worden hij en enkele collega’s ervan beschuldigd zich bezig te houden met het beramen van een coup, hetgeen in strijd is met de waarheid . Hij lijdt door deze uitlatingen schade die de Staat dient te vergoeden. Daarnaast dient de Staat te betalen de door hem gemaakte advocaatkosten.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt voor zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 In artikel 79 van de Personeelswet (PW) heeft de wetgever limitatief opgesomd de vorderingen die ter beoordeling aan het Hof als eerste en hoogste instantie kunnen worden voorgelegd.
Het gaat met name om de volgende vorderingen:

a.gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b.vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig,nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c.oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.1.1 Het Hof zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen zoals omschreven hiervoor onder 3.1 onder II tot en met IX, nu deze vorderingen niet vallen onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Het Hof is eveneens niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker] met betrekking tot de veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om hem, [verzoeker], binnen een week na de uitspraak schriftelijk in kennis te stellen dat de gedane uitlatingen, als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berusten en hij dientengevolge wordt gerehabiliteerd. Dit gevorderde valt ook niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Ten aanzien van de vordering van [verzoeker] tot veroordeling van de Staat om aan hem te betalen een schadevergoeding van SRD 2.500.000,= respectievelijk SRD 7.500,= is het Hof ook niet bevoegd om daarvan kennis te nemen, en wel om dezelfde reden als hiervoor vermeld.

Ontvankelijkheid
4.2 Niet is gesteld of gebleken dat de overige door [verzoeker] ingestelde vorderingen niet binnen de bij wet vastgestelde termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is daarin.

Nietigverklaring
4.3 [verzoeker] heeft gevorderd nietig te verklaren althans te vernietigen de brief gedateerd 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1],referentienummer [nummer 4]. Deze brief heeft betrekking op de mededeling van de Staat aan hem dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op grond daarvan de dienstbetrekking wordt beëindigd met ingang van 2 juli 2017. De vordering van [verzoeker] tot nietigverklaring althans vernietiging van deze brief zal worden afgewezen . [verzoeker] heeft immers zelf gesteld dat de Staat bij brief d.d. 7 juli 2017 aan hem heeft medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken. Nu de brief is ingetrokken door de Staat, heeft die geen rechtskracht meer en ontgaat het Hof welk belang [verzoeker] heeft bij de vordering tot nietigverklaring althans vernietiging van deze brief.

4.4 [verzoeker] vordert ook nietigverklaring althans vernietiging van de brief gedateerd 7 juli 2017 kenmerk Ag. [nummer 1] en referentienummer OD [nummer 4].In deze brief heeft de Staat aan [verzoeker] medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat de dienstbetrekking met hem, [verzoeker], wordt gehandhaafd maar dat hij per die datum wordt gedemilitariseerd en tevens wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het directoraat Nationale Veiligheid (DNV).De Staat heeft ten aanzien van deze brief aangevoerd dat zij deze brief heeft herzien bij schrijven d.d. 27 juli 2017. De inhoud van dit schrijven is aan [verzoeker] medegedeeld op 30 augustus 2017 en houdt in dat hij niet meer wordt gedemilitariseerd en dat hij wordt overgeplaatst naar het infanteriebataljon .Ter gehouden verhoor op de terechtzitting van 16 november 2018 heeft de vertegenwoordiger van de Staat, in de persoon van [naam] (hierna [naam]) verklaard dat [verzoeker] nooit is gedemilitariseerd. Volgens [naam] voornoemd was [verzoeker] militair in de rang van korporaal. Hij was overgeplaatst bij de landmacht. Op 1 december 2017 moest betrokkene zich aanmelden voor diensthervatting maar hij heeft zich nimmer aangemeld.[verzoeker] heeft hetgeen de Staat bij wege van verweer heeft aangevoerd en door [naam] alszodanig ter terechtzitting is bevestigd niet althans niet gemotiveerd weersproken, zodat in rechte daarvan wordt uitgegaan.Uitgaande van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat nu de brief d.d. 7 juli 2017 is herzien bij schrijven d.d. 27 juli 2017, [verzoeker] ook geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde nietigverklaring althans vernietiging van de brief van 7 juli 2017.Deze vordering zal eveneens worden afgewezen.

Dwangsom
[verzoeker] vordert veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om:

a.de brieven d.d. 7 mei 2017 en 7 juli 2017 in te trekken en hem hiervan tijdig in kennis stelt. Naar het oordeel van het Hof heeft [verzoeker] een belang meer bij de intrekking van de genoemde brieven en wel om dezelfde redenen als overwogen onder 4.3 en 4.4 hiervoor. De vordering tot betaling van een dwangsom terzake het in gebreke zijn wordt daarom afgewezen.

b.zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de Wet Rechtspositie Militairen. Volgens [verzoeker] bekleedt hij de rang van korporaal doch de Staat laat na om dit bij beschikking te formaliseren. De twijfel van [verzoeker] dat de Staat zijn rechtspositie niet in overeenstemming zou brengen met de realiteit was gegrond op de twee hiervoor genoemde brieven die inmiddels zijn herzien door de Staat. Ter gehouden verhoor van partijen heeft [naam] verklaard dat [verzoeker] de rang had van korporaal, en is niet gebleken dat de Staat daar een ander idee over heeft. Met deze bevestiging heeft het Hof geen redenen om te twijfelen dat de Staat (zolang [verzoeker] de jure in dienst is) zal weigeren om de rechtspositie van [verzoeker] in overeenstemming te brengen met de realiteit. De vordering van [verzoeker] tot betaling van een dwangsom indien de Staat hiermee in gebreke blijft zal daarom worden afgewezen. Bovendien heeft [verzoeker], die vanaf februari 2017 niet meer op de werkplek is verschenen, zelf ter gehouden verhoor van partijen verklaard dat hij thans niet langer in dienst wil zijn van het Ministerie van Defensie, aangezien hij zijn eigen onderneming wenst te starten. De vraag rijst dan ook nog of [verzoeker] nog enig belang heeft bij dit onderdeel van het gevorderde.

c.om binnen een week na de uitspraak zijn benoeming c.q. bevordering te formaliseren en hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris. Het gevorderde met betrekking tot betaling van een dwangsom indien de Staat in gebreke blijft met het formaliseren van zijn benoeming c.q. bevordering, zal worden afgewezen, en wel vanwege dezelfde redenen als overwogen onder 4.5 onder b. Voor wat betreft de veroordeling tot betaling van een dwangsom indien de Staat in gebreke blijft om hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris overweegt het Hof als volgt. Ingevolge artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) kan een dwangsom worden opgelegd indien de veroordeling betreft iets anders dan betaling van een geldsom. Aangezien betaling van het salaris betreft een geldsom kan er, ingevolge artikel 492 BRv, dus geen dwangsom worden opgelegd aan een dergelijke veroordeling. Bovendien is het maar de vraag of [verzoeker] aanspraak maakt op salaris nu hij zelf heeft gesteld ter terechtzitting dat hij sinds februari 2017 niet meer werkt en dat hij vanaf januari 2018 niet wordt betaald. Dat betekent dat [verzoeker] vanaf februari 2017 tot en met december 2017 salaris heeft ontvangen zonder dat hij daarvoor heeft gewerkt. Ook dit onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen.

d.om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet Rechtspositie Militairen in acht te nemen, terzake zijn mutering naar een ander Ministerie. Ook bij dit onderdeel van het gevorderde heeft [verzoeker] geen belang nu hij niet betwist het verweer van de Staat dat zijn mutering naar een ander Ministerie nimmer is geschied.

e.om de bepalingen van de Personeelswet in acht te nemen, terzake het verlenen van verlof.Ten aanzien hiervan heeft [verzoeker] gesteld dat hij eerst een bepaald bedrag moet betalen om voor verlof in aanmerking te komen. Zo heeft hij in totaal een bedrag van US$1.000,= betaald aan zijn meerdere om in aanmerking te komen voor verlof.

4.6 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig .

De beslissing
Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A Charan en mr.I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 1 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.M.D. Sitaram, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. B. Tjin Liep Shie namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-17

G.R.No. 15463

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te Paramaribo,
appellant,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 12 december 2016 bekend onder A.R.No. 15-4600 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 25 januari 2017 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 2 november 2018;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 16 november 2018;
  • het repliekpleidooi gedateerd 7 december 2018;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 4 januari 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is aanvankelijk bepaald op 3 mei 2019 doch bij vervroeging op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De vrouw vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man te weigeren.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 december 2016, bekend onder A.R.No. 15- 4600 nu de vrouw daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De man heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – de echtscheiding tussen partijen met alle wettelijke gevolgen van dien.
De man heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat de partijen reeds langer dan een jaar gescheiden van elkaar wonen, als gevolg waarvan partijen elk een afzonderlijk leven van elkaar hebben opgebouwd.

4.3 De kantonrechter heeft onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling gelast van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.
De kantonrechter heeft daartoe in overweging 4.6 van het vonnis onder meer overwogen:
”De kantonrechter overweegt dat als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist tussen partijen vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. Naar het oordeel van de kantonrechter wonen partijen reeds twee jaren feitelijk gescheiden, terwijl er van enige poging tot verzoening van welke zijde dan ook, niet is gebleken noch heeft gedaagde te kennen gegeven zich te willen verzoenen met eiser, weshalve een beroep op artikel 263 BW ongerechtvaardigd is en in strijd met de strekking van voormeld artikel, nu het duidelijk is dat het gedaagde slechts te doen is om eiser dwars te zitten of om materiële belangen. Het beroep op artikel 263 BW faalt derhalve en zal het door eiser gevorderde als op de wet gegrond worden toegewezen.”

4.4 De vrouw heeft tegen voormeld vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte:

  1. heeft overwogen dat als niet althans niet gemotiveerd betwist vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht;
  2. de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken en een datum voor familieverhoor heeft vastgesteld;
  3. haar heeft veroordeeld om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, onder benoeming van een boedelnotaris en een onzijdige persoon voor elk der partijen.

De vrouw motiveert het voorgaande door aan te voeren dat zij in eerste aanleg gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de door de man gestelde duurzame ontwrichting in die zin dat de duurzame ontwrichting – zo begrijpt de kantonrechter dat – in overwegende mate aan de man te wijten is. De vrouw beroept zich op artikel 263 BW, waarin is bepaald dat de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert. Volgens de vrouw heeft zij bewijsaanbod gedaan en had de kantonrechter niet daaraan voorbij mogen gaan.

4.5 Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar verweer, dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, onvoldoende gemotiveerd. Van de vrouw mocht worden verwacht dat zij feiten en omstandigheden aanvoerde die haar verweer rechtvaardigde. In plaats daarvan heeft zij volstaan met een beroep te doen op artikel 263 BW.
Reeds om deze reden heeft de kantonrechter, naar het oordeel van het Hof, terecht de vrouw geen bewijsopdracht gegeven en de vordering van de man toegewezen zoals vastgelegd in voormelde vonnis.

4.6 Indien de vrouw meent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is omdat hij op enig moment de echtelijke woning heeft verlaten, is het hof van oordeel dat ook deze reden niet rechtvaardigde dat aan de vrouw een bewijsopdracht werd gegeven om het bewijs van haar verweer aan te dragen.
De man heeft immers niet weersproken dat hij de echtelijke woning heeft verlaten, maar hij heeft zowel in eerste aanleg als bij het hof gemotiveerd nader gesteld wat de redenen waren waarom hij daartoe over is gegaan. Zo voert hij aan dat de vrouw in het jaar 2005 of 2006 de echtelijke woning heeft verlaten en achteraf is gebleken dat zij een woning had gehuurd aan de [straat], zijnde een woning van de moeder van een getrouwde man met wie zij, de vrouw dus, een buitenechtelijke relatie had. Daarnaast heeft de vrouw enige tijd geleden geprobeerd de echtelijke woning in brand te steken en wel door een matras binnen de woning te verbranden. Volgens de man is hiervan proces-verbaal opgemaakt door de politie te post Uitvlugt. De man stelt verder dat hij buschauffeur is en dat de vrouw, vrouwelijke passagiers lijflijk heeft aangevallen tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden als buschauffeur. Voorts stelt de man dat de druppel die de emmer heeft doen overlopen is dat de vrouw op enig moment de volgende uitlating heeft gedaan: ” ik werk in het ziekenhuis en weet precies hoe ik je moet vergiftigen, zonder dat er bewijsmateriaal is”. De man gaat verder door te stellen dat de vrouw onbetrouwbaar is en dat zij wel degelijk in staat is – zo begrijpt de kantonrechter dat – haar woorden in daden om te zetten, nu de vrouw ook al van plan was de echtelijke woning in brand te steken.
Tenslotte stelt de man dat er zo vaak ruzie is dat het onmogelijk voor hem is de huwelijksrelatie met de vrouw voort te zetten.
Na deze gemotiveerde uiteenzetting van de man ter onderbouwing van de duurzame ontwrichting, mocht van de vrouw worden verwacht dat zij ook een gemotiveerd verweer hierop voerde. Niet alleen in eerste aanleg maar ook in hoger beroep heeft zij het er echter bij gelaten door de door de man gestelde feiten bloot te ontkennen en aan te geven dat die ”ongefundeerde” beschuldigingen zijn.

4.7 Om redenen als voormeld dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.

  1. De beslissing

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 december 2016 bekend onder A.R.No. 15-4600, onder aanvulling van de gronden.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. l.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Veldkamp namens A.S.N. Adhin, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens mr. E. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-16

G.R.No. 14886

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellante],
wonende in het [district],
appellante,
verder ook aan te duiden als [appellante],
gemachtigde: mr. S. Jangi, advocaat,

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA en
B. BESTUURSLID/LEDEN VAN N.V. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
verder ook aan te duiden als Torarica onderscheidenlijk de bestuursleden,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 juli 2012 tussen [appellante] als eiseres en Torarica en de bestuursleden als gedaagden spreekt de fungerend – president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 30 oktober 2012, inhoudende dat [appellante] op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 24 juli 2012 gewezen tussen [appellante] als eiseres en Torarica en de bestuursleden als gedaagden
  • een pleitnota van 21 maart 2014;
  • een antwoordpleitnota van l augustus 2014;
  • een repliekpleitnota van 17 oktober 2014;
  • een dupliekpleitnota van 20 februari 2015;
  • de uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 5 juni 2015, is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep
Op 24 juli 2012 was [appellante] bijgestaan door haar gemachtigde bij de uitspraak van het beroepen vonnis in eerste aanleg aanwezig terwijl geïntimeerden niet in persoon en ook niet bij gemachtigde waren verschenen. Op 30 oktober 2012 is namens [appellante] door haar advokaat appèl aangetekend tegen voornoemd beroepen vonnis. Gelet op het voorgaande is [appellante] tardief in het aantekenen van appèl tegen voormeld vonnis, nu dit niet is geschied binnen de incasu geldende wettelijke termijn van dertig dagen na de uitspraak, zodat zij niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep. [appellante] zal danook worden verwezen in de kosten vallende in dit appèl.

3. Voor het geval [appellante] tijdig appèl had ingesteld, quod non, wenst het Hof ten overvloede het volgende te overwegen.
3.1 De bestuursleden als zodanig hebben geen rechtspersoonlijkheid en als natuurlijke personen zijn zij niet met voldoende bepaaldheid aangewezen zodat [appellante] in het tegen de bestuursleden ingestelde hoger beroep niet ontvangen zou kunnen worden.

3.2.1 Als enerzijds gesteld,anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.
Op zaterdag 28 november 2009 heeft [appellante] in het door Torarica geëxploiteerde hotel etenswaar, teweten een Caesar salade, tot zich genomen die vanwege Torarica was bereid en aan [appellante] ter nuttiging aangeboden. Nadat [appellante] bij Torarica had gemeld dat zij, door haar aan het nuttigen van deze Caesar salade toegeschreven ziekteverschijnselen vertoonde, heeft de bedrijfsarts [naam] haar op dinsdag l december 2009 bezocht. Hij heeft daarvan een verslag opgemaakt waarin hij onder meer rapporteerde:
”Mijn commentaar.
Vermoedelijk iets genuttigd dat niet goed verdragen is door uw maagdarm. Het is aannemelijk dat de salade de boosdoener is.
Het lichaam probeerde dit kwijt te raken middels de vertoonde klachten. Conclusie.
Waarschijnlijk een lichte voedselvergiftiging.
Lichamelijk onderzoek:
Niet veel significants, dan een beetje maagongerief ”
Torarica heeft [appellante] aangeboden de geleden schade te compenseren met een etentje, waarop [appellante] niet is ingegaan.

3.2.2 Torarica heeft betwist dat [appellante] als gevolg van het nuttigen van de Caesar salade of enig ander voedsel in het hotel lichamelijk ongesteld zou zijn geraakt. [appellante] heeft geen bewijs aangeboden en de kantonrechter heeft haar niet ambtshalve tot bewijs toegelaten .

3.2.3 Ook in hoger beroep heeft [appellante] geen bewijs aangeboden en ook het hof, zou voor het geval [appellante] wel ontvankelijk was geweest in het ingestelde appèl, haar daartoe niet ambtshalve toelaten. Het komt het hof immers hoogst onaannemelijk voor dat thans, bijkans tien jaar na dato, nog voor bewijs vatbaar zou zijn dat [appellante] van het eten van de Caesar salade ziek geworden is en al helemaal niet dat zij er zo ernstige gevolgen van heeft ondervonden dat het aangeboden verzoenende etentje of een daarmee corresponderend geldbedrag (maar daar heeft zij niet om gevraagd) geen adequate compensatie zou zijn geweest. Een en ander leidt ertoe dat ook bij een tijdige instelling van het appèl het bestreden vonnis zou moeten worden bevestigd met verwijzing van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

verwijst [appellante] in de kosten van het hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van Torarica en de bestuursleden gevallen, op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Sitaram namens mr.S.Jangi,gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr.H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-15

G.R. no. 15225

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant in de hoofdzaak en in het incident tevens geїntimeerde in het incidenteel appèl,
hierna aangeduid met ‘ [appellant] ’,
gemachtigde: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde in de hoofdzaak en in het incident tevens appellante in het incidenteel appèl,
hierna aangeduid met ‘ [geïntimeerde] ‘,
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnissen d.d. 10 augustus 2015, 23 mei 2016 en 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211) tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde respectievelijk [appellant] als eiser in het incident en [geïntimeerde] als gedaagde in het incident,
spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop
In de hoofdzaak, in het incident en in het incidenteel appèl:
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 05 september 2016 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormelde vonnissen d.d. 10 augustus 2015, 23 mei 2016 en 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211);
  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [geïntimeerde] op 22 maart 2017 incidenteel hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis d.d. 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211);
  • De memorie van grieven in de hoofdzaak en in het incident zijdens [appellant] ingediend ter griffie der kantongerechten d.d. 05 september 2016;
  • De memorie van antwoord in het principaal appèl alsmede de memorie van grieven in het incidenteel appèl zijdens [geïntimeerde] ingediend ter griffie der kantongerechten d.d. 22 maart 2017;
  • De memorie van antwoord op het incidenteel beroep zijdens [appellant] ingediend ter griffie der kantongerechten d.d. 18 april 2017;
  • De pleitnota de dato 03 november 2017;
  • De antwoordpleitnota in het principaal appèl en pleitnota in het incidenteel appèl de dato 05 januari 2018;
  • De repliekpleitnota in het principaal appèl en antwoordpleitnota in het incidenteel appèl de dato 04 mei 2018;
  • De dupliekpleitnota in het principaal appèl en repliekpleitnota in het incidenteel appèl, onder overlegging van producties, de dato 01 juni 2018;
  • De dupliekpleitnota alsmede uitlating producties in het incidenteel appèl;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 november 2018 doch nader op heden;

De beoordeling
In het incident:
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
[appellant] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter de beschikking de dato 13 maart 2015, bekend onder AR No. 15-0211 in dier voege zal wijzigen ex artikel 703 RV, dat [appellant] wordt ontheven van elke verplichting tot betaling van onderhoud aan [geïntimeerde], zulks met ingang van de dag waarop voormelde beschikking is gegeven, althans met ingang van de dag waarop onderhavige incidentele conclusie is genomen. De kantonrechter heeft bij wege van voorlopige voorziening bij beschikking de dato 13 maart 2015, onder andere, bepaald dat [appellant] met ingang van 31 maart 2015 voorlopig aan [geïntimeerde] ter voorziening in haar levensonderhoud zal verstrekken het bedrag van US$ 500,- (Vijfhonderd Amerikaanse Dollars) per maand, alles totdat de rechter omtrent het onderhoud van [geïntimeerde] uiteindelijk heeft beslist;

1.1.De kantonrechter heeft bij vonnissen van 10 augustus 2015 en 8 augustus 2016 de vordering in het incident afgewezen en [appellant] is daartegen in hoger beroep gekomen, onder aanvoering – kort gezegd – dat [geïntimeerde] is tekort geschoten in haar stelplicht wat haar vordering tot levensonderhoud betreft aangezien zij in haar vordering tot alimentatie met geen woord heeft gerept over het feit dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan [appellant] gelegen heeft, noch de overwegende mate aan schuld heeft gemotiveerd. Het bewijs van de overwegende mate van schuld speelt een cruciale rol bij de aanvraag van alimentatie. Tevens heeft [appellant] bij memorie van grieven om aanvulling van de incidentele conclusie verzocht zowel voor wat betreft het “fundamentum petendi” als het “petitum” daarvan.

1.2 Als grief heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte op 10 augustus 2015 de vordering in het incident heeft afgewezen en de rechtsgronden ex art. 52 BRV niet heeft aangevuld. De kantonrechter had toen reeds moeten vaststellen dat [geïntimeerde] niet aan haar stelplicht had voldaan, aangezien de vordering tot alimentatie op grond van artikel 278 BW berust en [geïntimeerde] niet gesteld heeft dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan [appellant] lag of heeft gelegen, dat zij behoeftig is en ook niet is gesteld dat zij in alle redelijkheid niet in staat is inkomsten te verwerven. In het nieuwe artikel 278 BW is alimentatie afhankelijk van de schuldvraag en de kantonrechter heeft het voorgaande niet beoordeeld.

1.3 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen.

1.4 Het hof zal allereerst de door [appellant] verzochte aanvulling van de incidentele conclusie onder de loupe nemen. Dienaangaande heeft [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd. Nu de incidentele conclusie betreft een wijziging van een voorlopige beschikking, oftewel een voorlopige voorziening gedurende het geding tot echtscheiding, kan er geen niet ontvankelijkheid gevraagd worden van de hoofdvordering, maar zou dat alleen kunnen van de voorlopige beschikking. Dit, omdat er op het moment van het indienen van het incident nog geen beslissing was in de hoofdvordering. Naar het oordeel van het hof betreft het in casu inderdaad een wijziging van een voorlopige beschikking die geldt gedurende de echtscheidingsprocedure. Een aanvulling die in een zaak betreffende levensonderhoud pas in hoger beroep wordt gevorderd door [appellant] is in de visie van het hof niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde, aangezien [geïntimeerde] genoegzaam in de gelegenheid is gesteld haar verweer of haar stellingen naar aanleiding daarvan aan te vullen en, voor zover nodig, te herzien. In casu wordt gevraagd om aanvulling van de eis van [appellant] – althans zo vat het hof dat op – in het incident (dus met betrekking tot de voorlopige beschikking) zowel voor wat betreft het “fundamentum petendi” als het “petitum” daarvan. Nu gesteld noch gebleken is dat door toewijzing daarvan [geïntimeerde] onredelijk in haar belangen wordt geschaad casu quo het geding daardoor onredelijk zou worden vertraagd, zal aan [appellant] terzake daarvan akte worden verleend.

1.5 Ingaande op de aangevoerde grief komt het hof tot de navolgende slotsom. In casu twisten partijen omtrent het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] al dan niet aanspraak maakt op partneralimentatie gedurende de loop van de echtscheidingsprocedure. Deze aanspraak is anders dan [appellant] heeft aangevoerd niet geregeld in artikel 278 BW maar in artikel 700 Rv juncto artikel 266 BW. Gelet op het voorgaande zal aan het niet-ontvankelijkheidsverweer zijdens [appellant] worden voorbij gegaan. Bij vonnis de dato 10 augustus 2015 heeft de kantonrechter de vordering in het incident afgewezen aangezien – kort gezegd – nog niet kon worden vastgesteld aan welke echtgenoot de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten was, doordat partijen nog niet waren afgeconcludeerd in de hoofdzaak . In de visie van het hof is de door [appellant] aangevoerde grief tegen voormeld vonnis gegrond aangezien de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 700 Rv juncto artikel 266 BW de bevoegdheid heeft om, indien hij daartoe gronden vindt, de som te bepalen welke de echtgenoot voorlopig moet verstrekken tot onderhoud van de vrouw. De schuldvraag is dan nog niet aan de orde. Evenwel leidt voormelde gegrondverklaring van de grief in de visie van het hof niet tot vernietiging van het vonnis in het incident zoals in het hierna volgende aan de orde zal worden gesteld. [appellant] heeft voorts niet weersproken datgene wat [geïntimeerde] bij wege van antwoord in het incident heeft aangevoerd en dat er –zakelijk weergegeven- op neer komt dat [appellant] zich vrijwillig bereid verklaard heeft om in het belang van de kinderen in het kader van de voorlopige omgangsregeling de helft van de te maken kosten van de door [geïntimeerde] te huren woning te zullen betalen, hetgeen uiteindelijk werd vastgesteld op US$ 500,- en waartoe [appellant] zich bereid had verklaard. Gelet op al het voorgaande zal het vonnis van de kantonrechter in het incident de dato 10 augustus 2015 worden bevestigd onder verbetering van de motivering als voormeld. Het hof stelt voorts vast dat de vordering in het incident bij voormeld vonnis de dato 10 augustus 2015 is afgewezen en vervolgens wederom is afgewezen bij vonnis de dato 8 augustus 2016. Dezelfde vordering is dus tweemaal in dezelfde instantie afgewezen hetgeen procesrechtelijk niet is toegestaan weshalve de beslissing in het incident in het vonnis de dato 8 augustus 2016 elk rechtsgevolg ontbeert.

1.6 De gedingkosten in het incident in beide instanties zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die gewezen echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

In het incidenteel appèl:
2.1 Het gaat hierbij – zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang – om het volgende. Bij vonnis de dato 8 augustus 2016 heeft de kantonrechter vonnis gewezen en daarbij, onder andere, [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] het bedrag van US$ 500,- per maand te betalen terwijl [geïntimeerde] had gevorderd een bedrag van SRD. 4.800,- per maand ter voorziening in haar levensonderhoud. [geïntimeerde] komt tegen deze beslissing van de kantonrechter op en voert – kort gezegd – aan dat de kantonrechter de alimentatie voor [geïntimeerde] tenminste had moeten stellen op US$ 1500,- en dat door slechts US$ 500,- als alimentatie toe te wijzen [geïntimeerde] achteruit gaat in haar levensstandaard, terwijl de kantonrechter zelf heeft aangegeven dat dat geenszins de bedoeling kan zijn. In het incidenteel appèl vordert [geïntimeerde] derhalve vernietiging van voormeld vonnis van de kantonrechter en, opnieuw rechtdoende, veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van US$ 1500,- ter voorziening in haar levensonderhoud.

2.2.[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd en zakelijk weergegeven aangevoerd dat de toewijzing van de partneralimentatie (althans zo vat het hof dat op) afhankelijk is van het antwoord op de schuldvraag, de behoeftigheid en het vermogen tot zelf verwerving van inkomsten. Nu niet genoegzaam is komen vast te staan dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan [appellant] heeft gelegen (althans zo vat het hof dat op) is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 278 BW en maakt [geïntimeerde] geen aanspraak op levensonderhoud;

Ontvankelijkheid
2.3 Uit de gedingstukken blijkt dat [geïntimeerde] vertegenwoordigd door mr. Rapprecht namens haar gemachtigde en [appellant] bijgestaan door zijn gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg ter terechtzitting aanwezig is geweest. Gelet op het bepaalde in artikel 264 Rv hadden partijen dus de mogelijkheid om binnen dertig dagen, gerekend van de dag der uitspraak, appèl aan te tekenen tegen voormeld vonnis. [geïntimeerde] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsvrouw mr. E. van der Hilst bij schrijven gedateerd 19 september 2016, ingekomen ter griffie op 21 september 2016 appèl aangetekend tegen het eindvonnis van de kantonrechter gedateerd 8 augustus 2016. Vervolgens heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij schrijven gedateerd 16 maart 2017, ingekomen ter griffie op 17 maart 2017, aangegeven dat zij het bij schrijven de dato 19 september 2017 aangetekende appèl tegen het eindvonnis, als het vonnis in het incident d.d. 8 augustus 2016 intrekt. Daarna heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij schrijven gedateerd 21 maart 2017, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, aangegeven dat zij gebruik wenst te maken van het middel van hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 8 augustus 2016. Ten slotte heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het principaal appèl aangegeven dat zij harerzijds in hoger beroep komt tegen voormeld vonnis van de kantonrechter d.d. 8 augustus 2016, bekend onder A.R. No. 15-0211. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] ingevolge het bepaalde in artikel 274 Rv tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis van de kantonrechter, weshalve zij ontvankelijk is daarin.

2.4.Ten aanzien van het incidenteel appèl komt het hof tot de navolgende slotsom. In de visie van het hof is de kern van het geschil het navolgende. [geïntimeerde] is het niet eens met de hoogte van het door de kantonrechter in eerste aanleg toegewezen bedrag aan partneralimentatie en vordert een hoger bedrag terwijl [appellant] het standpunt huldigt dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar stelplicht en primair niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard terwijl zij naderhand bij pleitnota aanvoert dat [geïntimeerde] in eerste aanleg geen partneralimentatie als definitieve voorziening heeft gevorderd weshalve de kantonrechter dat niet had mogen toewijzen.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van het inleidend verzoekschrift zijdens [geïntimeerde] in eerste aanleg en komt tot de slotsom dat het door of namens [appellant] aangevoerd verweer gegrond is. [geïntimeerde] heeft bij wege van definitieve voorzieningen – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken; dat een datum zal worden bepaald voor het voogdijverhoor en dat [appellant] zal worden veroordeeld om met [geïntimeerde] over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Naar het oordeel van het hof blijkt nergens uit dat er partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening is gevorderd door [geïntimeerde] en door desondanks [appellant] tot betaling van partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening te veroordelen is de kantonrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd. Aan het voorgaande doet niet af dat voormeld verweer niet bij memorie van grieven is aangevoerd door [appellant] aangezien Ons rechtssysteem geen imperatieve grievenstelsel kent (zie artikel 271 Rv) en [geïntimeerde] ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om op voormeld verweer te reageren. Daarenboven brengt de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep met zich mee dat het geschil in zijn volle omvang wordt herbeoordeeld door de appèlinstantie.

2.6 Gelet op al het voorgaande zal het incidenteel appèl ongegrond worden verklaard en zullen de proceskosten in het incidenteel appèl worden gecompenseerd tussen partijen, die gewezen echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

In de hoofdzaak:
2.7 [appellant] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
2.7.1 [geïntimeerde] is op 21 december 1991 in het ressort Sur/TH==1991, onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [appellant], ingeschreven onder [nummer] van het huwelijksregister van voormeld ressort.
2.7.2 Uit het huwelijk tussen partijen zijn de navolgende kinderen geboren:
-[naam 1], geboren op 20 januari 1998 op Curaçao (inmiddels meerderjarig);
-[naam 2], geboren op 03 april 1999 op Curaçao (nog minderjarig).
2.7.3 Bij beschikking d.d. 13 maart 2015 in de zaak met A.R.no. 15-0211 is [appellant] bij wege van voorlopige voorziening veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen USD 500,– per maand ter voorziening in haar levensonderhoud totdat de rechter uiteindelijk heeft beslist daarover.
2.7.4 Bij tussenvonnis d.d. 10 augustus 2015 in de onderhavige zaak is de incidentele vordering van [appellant] tot opheffing van de verplichting tot betaling van alimentatie aan [geïntimeerde], afgewezen onder de overweging dat de schuldvraag in onderhavige kwestie nog niet beantwoord kan worden.
2.8. Als grieven tegen het beroepen vonnis heeft [appellant] het navolgende aangevoerd. Ten eerste heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in haar tussenvonnis van 23 mei 2016 [geïntimeerde] heeft toegelaten te bewijzen door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door getuigen, haar stelling dat het huwelijk tussen partijen reeds jaren duurzaam is ontwricht vanwege het dominante jaloerse gedrag van [appellant], zijn alcoholmisbruik en de psychische mishandeling als gevolg daarvan. Ten tweede heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in haar eindvonnis van 08 augustus 2016 in haar verdere beoordeling onder 2.10 heeft overwogen dat het in casu betreft bewijs ten aanzien van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk. Ten derde heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in 2.11 heeft beoordeeld dat de duurzame ontwrichting al bestond nog voor het incident van 24 december 2014, zodat naar het oordeel van de kantonrechter de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in ieder geval niet in overwegende mate aan [geïntimeerde] te wijten is geweest. Ten vierde heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in 2.11 heeft beoordeeld dat voor het overige de schuldvraag niet langer relevant is aangezien beiden wensen te scheiden. In overweging 2.12: “ gelet op hetgeen is overwogen onder 2.11 gaat het beroep van [appellant] op artikel 278 BW niet op, weshalve [geïntimeerde] aanspraak maakt op partneralimentatie. Voorts heeft [appellant] naderhand bij pleitnota in hoger beroep als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [geïntimeerde] geen partneralimentatie als definitieve voorziening heeft gevorderd, weshalve dat niet toegewezen had mogen worden door de kantonrechter (althans zo vat het hof dat op);

2.9 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in hoger beroep en het hof komt daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug;

2.10 In hoger beroep concludeert [appellant] –kort gezegd- tot vernietiging van voormelde vonnissen in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in haar vordering tot alimentatie, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties;

2.11 Het hof zal de zijdens [appellant] aangevoerde grieven tegen het beroepen vonnis – gelet op de onderlinge samenhang – simultaan aan een beoordeling onderwerpen. Het hof heeft kennis genomen van het inleidend verzoekschrift zijdens [geïntimeerde] in eerste aanleg en komt tot de slotsom dat de door of namens [appellant] aangevoerde grieven gegrond zijn gebleken. [geïntimeerde] heeft bij wege van definitieve voorzieningen – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken; dat een datum zal worden bepaald voor het voogdijverhoor en dat [appellant] zal worden veroordeeld om met [geïntimeerde] over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Naar het oordeel van het hof blijkt nergens uit dat er partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening is gevorderd door [geïntimeerde] en door desondanks [appellant] tot betaling van partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening te veroordelen is de kantonrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd. Aan het voorgaande doet niet af dat voormeld verweer niet bij memorie van grieven is aangevoerd door [appellant] aangezien Ons rechtssysteem geen imperatief grievenstelsel kent (zie artikel 271 Rv) en [geïntimeerde] ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om op voormeld verweer te reageren. Daarenboven brengt de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep met zich mee dat het geschil in zijn volle omvang wordt herbeoordeeld door de appèlinstantie.

2.12 Nu voormelde grief slaagt behoeven de overige grieven geen bespreking meer. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat de vonnissen van de kantonrechter in eerste aanleg zullen worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal het hof alsnog doen wat de kantonrechter niet had behoren te doen, namelijk de ongedaanmaking van de verlening van de bewijsopdracht aan [geïntimeerde] gevolgd door de toewijzing van de partneralimentatie. De overige grieven betreffen, onder meer, de niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] vanwege het tekort schieten in haar stelplicht ten aanzien van de partneralimentatie maar na de vaststelling dat er geen partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening is gevorderd, behoeven deze grieven in de visie van het hof geen nadere bespreking.

2.13 Nu voorts tussen partijen in confesso is dat de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en het huwelijk door de inschrijving van het echtscheidingsvonnis is ontbonden en er is voorzien in het gezag van de kinderen, terwijl het kind [naam 1], geboren op 20 januari 1998 op Curaçao inmiddels meerderjarig is geworden, zal het vonnis van de kantonrechter op deze punten worden bevestigd. De proceskosten in beide instanties zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die gewezen echteliden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

3. De beslissing in hoger beroep
Het hof:
In het Incident:
3.1 Verleent aan [appellant] akte van aanvulling zoals verzocht;
3.2 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het incident de dato 10 augustus 2015, onder verbetering van de motivering als voormeld.

In het incidenteel appèl:
3.3 Verklaart het door [geïntimeerde] ingesteld incidenteel appèl ongegrond;

In de hoofdzaak:
3.4 Vernietigt de vonnissen van de Kantonrechter d.d. 23 mei 2016 en 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211), waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:
3.5 Verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in het door haar gevorderde;

In het Incident, in het incidenteel appèl en in de hoofdzaak:
3.6 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;
In het incident, in het incidenteel appèl en in de hoofdzaak:

Aldus gewezen door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf, lid en mr. J.M. Jensen, lid-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 november 2019, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Tjon Jaw Chong, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens advocaat mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-14

G.R.No. 14735

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

1. [appellant 1], wonende te [district],
2. DORSETT HOTELS & RESORT INC, gevestigd te Paramaribo,
3. [appellant 3],
4. [appellant 4],
appellanten,
gezamenlijk verder te noemen: [appellanten] en afzonderlijk als [appellant 1], Dorsett, [appellant 3] en [appellant 4],
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

DE RECHTSPERSOON NAAR ARUBAANS RECHT SURINAME LEISURE COMPANY N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: SLC
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 4 januari 2011 (A.R. No. 013216) tussen [appellanten] als gedaagden en SLC als eiseres spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 10 april 2012 van de griffier der kantongerechten, waaruit blijkt dat [appellanten] tegen genoemd vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de memorie van grieven en pleitnotitie van [appellanten];
  • de antwoordpleitnota van SLC;
  • de repliekpleitnota van [appellanten];
  • de dupliekpleitnota van SLC.

De beoordeling
1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellanten] daarin kunnen worden ontvangen.

2. SLC heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant 1] en Dorsett te veroordelen tot betaling aan haar van twee geldsommen met nevenvorderingen. Aan [appellant 3] en [appellant 4] is bij incidenteel vonnis d.d. 20 april 2004 toegestaan zich in deze zaak aan de zijde van de twee laatstgenoemde partijen te voegen. Een verzoek van [appellant 4] en [appellant 3] om de onderhavige zaak wegens verknochtheid te voegen met een eveneens door SLC tegen hen aanhangig gemaakte zaak (bekend onder A.R. No. 012894) is onbehandeld gebleven. De kantonrechter heeft de vorderingen van SLC toegewezen.

3. [appellanten] hebben tegen het vonnis van de kantonrechter één grief aangevoerd die SLC vervolgens heeft bestreden. In de grief beklagen [appellanten] zich allereerst over de procesgang in eerste aanleg. [appellanten] wijzen erop dat de kantonrechter een (volgend) tussenvonnis heeft gewezen – waarin een comparitie van partijen werd gelast – nog voordat [appellant 3] en [appellant 4] een conclusie van dupliek hadden genomen. Verder voeren [appellanten] aan dat de kantonrechter het verzoek tot voeging wegens verknochtheid geheel onbesproken heeft gelaten. Ten slotte betogen zij dat SLC in de thans voorliggende zaak niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard op dezelfde gronden als is geschied in de zaak A.R.No. 012894.

4. Het door [appellanten]. gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van SLC is door de kantonrechter verworpen in het aan het eindvonnis voorafgegane tussenvonnis d.d. 4 augustus 2008. Ingevolge artikel 269 Rv is het ingestelde beroep mede tegen dit tussenvonnis gericht.

5. Tussen partijen staat vast:
a. Ten tijde van het aanhangig maken van deze zaak waren [appellanten] de zogenaamde B-directeuren van SLC;
b. Artikel 17 van de statuten van SLC houdt in dat zij in rechte wordt vertegenwoordigd door een A- en een B-directeur;
c. [appellanten]. hebben niet aan een A-directeur toestemming gegeven tot of medewerking verleend aan het aanhangig maken van deze zaak. Zij hebben zich daartegen verzet.

6. De kantonrechter heeft het door [appellanten], vanwege de onder 5 vermelde feiten, gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van SLC verworpen omdat, kort gezegd, in de vennootschap een patstelling was ontstaan, waardoor deze al geruime tijd niet goed functioneerde. Artikel 17 mag er daarom, aldus de kanonrechter, niet aan in de weg staan dat de vennootschap een zaak aan de rechter voorlegt.

7. Indien een bestuurder van een vennootschap ingevolge een statutaire bepaling de medewerking nodig heeft van een of meer andere bestuurders om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, maar dezen zich van zodanige medewerking onthouden en de statuten in geen andere oplossing voorzien, kan hij zich in kort geding tot de kantonrechter wenden met het verzoek hem tot zodanig optreden te machtigen. In dat kort geding kan dan, indien daartoe voldoende grond bestaat, een voorlopige voorziening worden gegeven die bedoelde patstelling tussen de bestuurders doorbreekt. Het gaat echter niet aan zonder een dergelijke autorisatie eigenmachtig en in strijd met een statutaire bepaling als bedoeld in rechte op te treden. Dit klemt te meer indien de wederpartijen van de vennootschap haar medebestuurders zijn. Zonder een dergelijke autorisatie kunnen die medebestuurders, zoals zij in deze zaak hebben gedaan, zich naar het oordeel van het Hof met vrucht op bedoelde statutaire bepaling beroepen.

8. Op grond van het vorenstaande zal het Hof met vernietiging van het eindvonnis en het tussenvonnis d.d. 4 augustus 2008 SLC alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Bij bespreking van de overige inhoud van haar grief hebben [appellanten]., gelet op deze beslissing, geen belang.

9. SLC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 augustus 2008 en 4 januari 2011 in de zaak bekend onder A.R.No 013216
en opnieuw rechtdoende:
Verklaart SLC in de ingestelde vorderingen niet-ontvankelijk.
Veroordeelt SLC in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 778,- alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr, R.G. Chatterpal, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. R.G. Chatterpal

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-13

G.R.No. 15097

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna ook te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap SURINAAMSE BROUWERIJ N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder ook te noemen: de Brouwerij,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

Inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven beschikking van 26 november 2015, A.R. no. 15-4569, tussen [appellante] als verzoekster en de Brouwerij als verweerster, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 10 december 2015, inhoudende dat op 10 december 2015 door [appellante] hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 november 2015, gegeven op het verzoekschrift van de Brouwerij, gericht tegen [appellante];
  • een memorie ex artikel 271 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op 16 december 2015 ingediend door [appellante];
  • een memorie van antwoord, op 12 februari 2016 ingediend door de Brouwerij;
  • een pleitnota van [appellante] 20 mei 2016;
  • een antwoord pleitnota van de Brouwerij van 15 juli 2016;
  • een repliek pleitnota van [appellante] van 19 augustus 2016;
  • een dupliek pleitnota van de Brouwerij van 2 december 2016

De ontvankelijkheid in hoger beroep
De beschikking van de kantonrechter waarvan beroep is een beschikking op een verzoek tot ontbonden verklaring van een arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Tegen een dergelijke beschikking staat ingevolge het bepaalde in artikel 1615x lid 4 BW juncto artikel 1615m lid 4 BW in beginsel geen hoger beroep open. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien bij de behandeling en/of beoordeling van het verzoekschrift essentiële vormen zijn verzuimd. Daarvan is sprake als een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. In dat geval zal de voor verzoekschriften gebruikelijke beroepstermijn gelden. [appellante] heeft in grief I van haar memorie gesteld dat van een dergelijk vormverzuim sprake is geweest. Zij kan daarom in haar hoger beroep worden ontvangen, opdat onderzocht kan worden of deze grief terecht is opgeworpen. Slaagt de grief, dan komen ook de andere grieven aan bod. Slaagt de grief echter niet, dan komt het hof niet aan onderzoek van de andere grieven toe.

Beoordeling
1. De kantonrechter heeft in de beschikking waarvan beroep op verzoek van de Brouwerij de arbeidsovereenkomst van [appellante] en de Brouwerij van 1 maart 2012 op verzoek van de Brouwerij met ingang van 27 november 2015 ontbonden verklaard. Hiertegen heeft [appellante] in grief I opgeworpen, dat “essentiële vormen zijn verzuimd, nu de fundamentele rechtsbeginselen van hoor en wederhoor en gelijkheid van processuele middelen (equality of arms) in onderlinge samenhang zijn geschonden, waardoor niet meer van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak kan worden gesproken”.

2. Ter toelichting voert [appellante] aan (zakelijk weergegeven):

  1. Bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift stond [appellante] als een enkel individu tegenover drie personen die de Brouwerij vertegenwoordigden; een van hen was bovendien een extern accountant.
  2. Voormelde drie personen mochten over hun eigen waarnemingen verklaren zonder als getuige te zijn beëdigd.
  3. [appellante] kreeg onvoldoende gelegenheid om op het verzoekschrift te antwoorden.
  4. [appellante] trof productie 11a niet aan bij de door de Brouwerij overgelegde producties. Zij kreeg van de kantonrechter echter niet de gelegenheid om daarvan alsnog kennis te nemen.
  5. [appellante] kreeg van de kantonrechter onvoldoende de kans om haar standpunt kenbaar te maken en de stellingen van de wederpartij tegen te spreken. Zij kon niet los van de door de kantonrechter gestelde vragen haar verweer voeren. De kantonrechter liet wel toe dat zij zich niet slechts mondeling maar ook schriftelijk over de door de Brouwerij overgelegde producties uitliet, maar zij mocht zich daarbij niet over de mondelinge behandeling van de zaak uitlaten en zij kreeg daarvoor te weinig tijd. Op 10 november 2015 zei de kantonrechter dat zij op 12 november 2015 om uiterlijk 11.00 uur (later verlengd tot 12.00 uur) haar schriftelijke reactie kon overleggen, en dat terwijl 11 november een feestdag was (Divali), hetgeen het contact met haar advocaat lastiger maakte .
  6. De kantonrechter heeft ten onrechte zijn oordeel mede gebaseerd op de bewering van de Brouwerij dat verschillende afdelingen in staking zouden gaan als [appellante] zou terugkomen op de werkvloer, terwijl [appellante] onvoldoende de kans heeft gekregen deze bewering tegen te spreken.

3. In de punten 1 en 2 van de hierboven opgesomde bezwaren doet [appellante] een beroep op het beginsel van “equality of arms”. Kennelijk vindt zij, dat zij door het numerieke en kwalitatieve overwicht van de tegenpartij op ontoelaatbare wijze benadeeld werd. Het hof verwerpt dit argument. Reeds doordat zij net als de Brouwerij door een advocaat werd bijgestaan, was de “equality of Arms” voldoende gewaarborgd.

4. Met de punten 3 t/m 5 van de opsomming hierboven wil [appellante] aannemelijk maken dat het beginsel van hoor en wederhoor op ontoelaatbare wijze is geschonden.

5. Punt 4 van de opsomming (het ontbreken van productie 11a bij de door de Brouwerij overgelegde producties) gaat als bezwaar niet op. Deze productie betreft een brief van de Brouwerij aan [appellante] van 28 mei 2015, die zij zelf als productie 6 in het geding heeft gebracht. Dat zij die productie niet ook bij de stukken van de Brouwerij aantrof heeft haar niet benadeeld.

6. Voor de punten 3 en 5, in onderlinge samenhang beschouwd, is van wezenlijk belang dat de kantonrechter weliswaar kennelijk een strakke regie heeft proberen te voeren, maar dat er geen enkele aanwijzing voor is dat hij daarbij de door hem gestelde regels ten nadele van [appellante] anders toepaste voor [appellante] dan voor de Brouwerij. Ook moet in aanmerking worden genomen dat [appellante] een advocaat als gemachtigde had en dat het verzoekschrift met producties haar op 29 oktober 2015 door de deurwaarder is betekend. Zij had dus met haar gemachtigde ruim de gelegenheid om voorafgaand aan het verhoor op 10 november haar verweer voor te bereiden en op schrift te stellen. Zij kreeg bovendien nog uitstel om alsnog commentaar op de door de wederpartij overgelegde producties op schrift te stellen. De conclusie van het hof is daarom dat er geen sprake is van een zodanige schending van het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor, dat er niet meer eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak sprake zou zijn.

7. De kantonrechter heeft zijn beslissing om tot ontbonden verklaring van de arbeidsovereenkomst over te gaan uitvoerig gemotiveerd. Of deze motivering op onderdelen al of niet onjuist is geweest staat hier niet ter beoordeling van het hof. Daarmee zou de uitsluiting van het hoger beroep door de wetgever via een omweg tenietgedaan worden. Ook het bezwaar in punt 6 van de opsomming kan dus [appellante] niet baten.

8. De slotsom is dat grief I faalt en dat het hof niet aan de beoordeling van de overige grieven toekomt. Ook bij ambtshalve toetsing van de beschikking heeft het hof geen beletsels aangetroffen voor de toepassing van het wettelijk voorgeschreven verbod van hoger beroep.

9. [appellante] zal de proceskosten van het hoger beroep dienen te dragen.

In hoger beroep:
Het Hof:

  • Bevestigt de beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 november 2015, A.R.no. 15-4569, waarvan beroep.
  • Veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat S.M. Ramman, BSc. namens advocaat mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Nazir namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld