SRU-HvJ-2012-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

A-698

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te Paramaribo,
verzoeker,
gemachtigde voorheen: mr. L.C.A. Latour,
thans: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Justitie en Politie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.A.J. Hupsel, advocaat,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.

Partijen zullen hierna worden aangeduid met [verzoeker] respectievelijk de Staat.

 

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie dd. 8 maart 2010;
  • het verweerschrift met producties;
  • het proces-verbaal van het op 4 maart 2011 gehouden verhoor van [verzoeker];
  • de conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van verzoeker zijdens de Staat;
  • de mondelinge conclusie tot uitlating zijdens verzoeker.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet. Hij is te werk gesteld bij de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het ministerie van Justitie en Politie (hierna Juspol), in de functie van Adjunct Hoofd Penitentiaire Ambtenaar.

2.2 Bij beschikking gedateerd 18 december 2009 van het ministerie van Juspol, j.no. 7651/09 heeft [verzoeker] een tuchtstraf opgelegd gekregen. De tuchtstraf houdt in een schorsing voor de duur van twee weken met stilstand van inkomsten gedurende de schorsingsperiode.

2.3 In de genoemde beschikking is als reden voor de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf opgenomen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het nuttigen van alcohol binnen de inrichting.

2.4 [verzoeker] is op 10 februari 2010 in kennis gesteld van voornoemde beschikking.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenaren zaken, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. vernietiging althans nietigverklaring van het besluit om aan hem een tuchtstraf van schorsing op te leggen;
  2. veroordeling van de Staat om de aan hem opgelegde tuchtstraf te herzien met terugstorting van de ingehouden inkomsten, onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 [verzoeker] ontkent zich te hebben schuldig gemaakt aan het nuttigen van alcohol binnen de inrichting. Volgens hem heeft de Staat gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

  1. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1 Nu [verzoeker] op 10 februari 2010 in kennis is gesteld van de beschikking, en het verzoekschrift is ingediend op 8 maart 2010, constateert het Hof dat hij binnen de bij wet vastgestelde in beroep is gekomen tegen de beschikking. [verzoeker] is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2 De Staat heeft aangevoerd dat uit onderzoek gebleken is dat [verzoeker] zich op 17 februari 2009, zijnde 1 dag voor zijn verjaardag, in groepsverband heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank binnen de inrichting gedurende diensttijd. Volgens de Staat zou [verzoeker] geld ter beschikking hebben gesteld om soft en Red Label te kopen. In het kader daarvan is er een onderzoek geweest en de penitentiair ambtenaar [naam 1], heeft een informatierapport opgesteld. Daarnaast hebben enkele penitentiaire ambtenaren zich terzake moeten verweren. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de Staat een afschrift van het door [naam 1] opgemaakte informatierapport gedateerd 23 februari 2009 en enkele verweerschriften van penitentiaire ambtenaren overgelegd.

4.3 Het Hof citeert- zover van belang- uit de volgende door de Staat overgelegde documenten:

  • het informatierapport gedateerd 23 februari 2009, afkomstig van de penitentiair ambtenaar [naam 1]:

“….Op dinsdag 17 februari had ik de dienst voortgezet in de middagdienst en werd ingedeeld in de Postwacht. Omstreeks 14.40 werd er geld verzameld door mij en enkele andere PA’s met de bedoeling om voeding te kopen. …..Nadat de voeding was gekocht, hebben wij het genuttigd, waarna [naam 2] naar de winkel aan de overkant van de inrichting ging om een grote soft te kopen. De soft werd door hem gebracht naar de CK (controle kamer) samen met iets gewikkeld in krantenpapier. ….Intussen kwamen de navolgende PA’s in de C.K.: H.P.A. [naam 3], P.A. [naam 4], A.H.P.A. [verzoeker], H.P.A. [naam 2] was reeds daar. Ik zat in de Postwacht en had toen nog niet het geringste vermoeden dat er alcohol was gekocht en dat dat hoogstwaarschijnlijk in krantenpapier was gewikkeld. Pas nadat ik aangeboden werd om wat te gebruiken vanwege het feit dat A.H.P.A. [verzoeker] de volgende dag jarig zou worden, wist ik dat het om alcohol ging en heb ik na lang aandringen een shot vermengd met soft (cola) geschonken en ben weer op mijn post gekomen. Daarna (omstreeks na 45 minuten) ging ik in de CK wederom om wat cola in te schenken en zag ik nu een fles alcohol, ditmaal driekwart gevuld op tafel staan. ….. Ik realiseerde mij dat vermoedelijk het om een andere fles ging, omdat de fles waaruit ik had geschonken bijna leeg was.………”.

  • het verweerschrift afkomstig van [naam 3], gedateerd 19 februari 2009:

“…Op 17 februari in de middagdienst zijnde zag ik collega’s in de controle kamer iets aan het gebruiken, en vroeg wat er gaande is, horende bij monde dat de adj. Hfd. P.A. [verzoeker] jarig was. Er werd mij een shot aangeboden en nadien nog twee…..”.

  • het verweerschrift afkomstig van [naam 2], gedateerd 24 februari 2009:

“…. Naar aanleiding van uw schrijven de dato 23 februari 2009…. Moge ik u mededelen dat ik op dinsdag 17 februari omstreeks 16.00 uur wat rijst zat te eten in de controlekamer. Ik hoorde vanuit de postwacht dat adjunct hoofd P.A. [verzoeker] de volgende dag jarig zou worden en dat hij hierop wat drank zou aanschaffen. Er werd whisky en frisdrank en wat versnaperingen aangeboden. Ik nuttigde ook twee tot drie shots whisky. Ik moge u ook mededelen dat er twee tot drie flessen whisky en drank werden gedronken…..”.

4.3.1 Zoals eerder overwogen ontkent [verzoeker] zich te hebben schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholische drank in de inrichting. Als gevolg van deze ontkenning, zou de Staat, ingevolge de regels van het bewijsrecht, het bewijs van zijn verweer in rechte moeten bijbrengen. Evenwel is het Hof van oordeel dat, gelet op de inhoud van het door de Staat overgelegde informatierapport en verweerschriften zoals hiervoor omschreven in onderlinge samenhang gezien en gelezen, voorshands bewezen wordt geacht dat de Staat het van haar verlangde bewijs heeft bijgebracht. Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker] tegenbewijs mag leveren. Met name zal [verzoeker] moeten bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting op die bewuste dag van 17 februari 2009. [verzoeker] zal in de gelegenheid worden gesteld om het van hem verlangde tegenbewijs te leveren, en wel zoals in het dictum te melden.

4.4 Voor het overige zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

  1. De beslissing

5.1 Stelt [verzoeker] in de gelegenheid om door alle middelen rechtens, meer speciaal middels getuigen te bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting en wel ter terechtzitting van vrijdag, 4 januari 2013 om 12.00 uur des middags.

5.2 Benoemt tot Rechter-Commissaris, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran.

5.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.G.W. Karamat-Ali, Leden-Plaatsvervanger

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. L.H.R. Roger en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. A.W. van der San namens zijn gemachtigde, mr. R.A.J. Hupsel, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 18-1225
03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende in [district],
eiser,
gemachtigde, mr. J.S. Tamsiran, advocaat,

tegen

TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (TELESUR),
rechtspersoon sui generis,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde, mr. N. U. van Dijk, advocaat.

1 Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 20 maart 2018 bij de Griffier der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating producties, met één productie;
  • de conclusie tot uitlating productie.

1.2.De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Eiser is op 1 augustus 2004 bij schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden van gedaagde als stafmedewerker Service Assurance.

2.2. Eiser is in de periode midden mei 2017 tot en met 23 juli 2017 onwettig van het werk weggebleven.

2.3. Bij schrijven d.d. 25 juli 2017 is eiser door gedaagde aangezegd zich te verweren; hetgeen eiser heeft gedaan bij verweerschrift d.d. 26 juli 2017.

2.4. Bij schrijven d.d. 04 augustus 2017 wordt eiser de disciplinaire maatregel van schorsing opgelegd. Eiser wordt voor 10 werkdagen geschorst ingaande 07 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017, zonder behoud van salaris.

2.5. Eiser is op 04 augustus 2017 zonder voorafgaande kennisgeving wederom niet aanwezig aan het werk en wordt het onder 2.4. bedoeld schrijven per deurwaardersexploit op 05 augustus 2017 aan eiser betekend.

2.6. Bij schrijven d.d. 04 augustus 2017 stelt gedaagde vast dat eiser op 04 augustus 2017 wederom zonder kennisgeving afwezig is. Het gedrag van eiser wordt als ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd en eiser wordt aangezegd zich op uiterlijk maandag 07 augustus 2017 schriftelijk te verweren.

2.7. Het in 2.6. bedoeld schrijven wordt per deurwaardersexploit op 05 augustus 2017 aan eiser betekend.

2.8. Eiser verweert zich bij schrijven d.d. 07 augustus 2017.

2.9. Bij schrijven d.d. 10 augustus 2017 wordt eiser door gedaagde op non actief gesteld.Dit schrijven is per deurwaardersexploit op 14 augustus 2017 aan eiser betekend.

2.10. Bij schrijven d.d. 08 augustus 2017, hetwelk op 17 augustus 2017 door de Ontslagcommissie is ontvangen, wordt door gedaagde het verzoek gedaan vergunning te verlenen tot het ontslaan van eiser. De redenen voor de aanvraag van de ontslagvergunning zijn: ernstig plichtsverzuim en dienstweigering.

2.11. Bij beschikking d.d. 14 september 2017 verleent de minister van Arbeid vergunning tot het beëindigen van de dienstbetrekking met eiser, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de toepasselijke CAO-bepalingen.

2.12. Bij schrijven d.d. 18 september 2017 deelt gedaagde eiser mede dat met in achtneming van de relevante bepalingen van de CAO, de dienstbetrekking met eiser per 31 januari 2018 wordt beëindigd.

3 De vordering

3.1. Eiser vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde te veroordelen om naar redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding c.q. ontslagvergoeding aan eiser toe te kennen van tenminste 5 jaren of een in goede justitie vast te stellen redelijke periode, waarbij het loon met alle bijbehorende emolumenten aan eiser wordt doorbetaald;
II. gedaagde te veroordelen om de niet door verzoeker opgenomen 67 verlofdagen over de in het jaar 2017 en voorgaande jaren gewerkte periode naar rato van het loon per dag af te kopen, met toevoeging van de wettelijke interessen;
III. gedaagde te veroordelen om aan eiser, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad SRD 4.870,– voor de door eiser gemaakte juridische en buitengerechtelijke kosten;
IV. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eiser stelt dat het éénzijdig beëindigen van de dienstbetrekking door gedaagde, zeer onrechtmatig en kennelijk onredelijk geacht zal kunnen worden, welke vorderingen leveren tot schadevergoeding krachtens artikel 1615s Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.3. Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Eiser legt ten grondslag aan zijn vordering artikel 1615s lid 2 onder sub b van het BW.Artikel 1615s lid 2 BW luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;

b. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

Uit hetgeen door eiser is gesteld maakt de kantonrechter op dat gedaagde wordt verweten dat zij de dienstbetrekking, ondanks de verkregen ontslagvergunning, op kennelijk onredelijke gronden heeft beëindigd, door in strijd te handelen met het gestelde onder artikel 1615s lid 2 onder sub b BW. Eiser is van oordeel dat gelet op de duur van de dienstbetrekking, de ten behoeve van eiser getroffen voorzieningen, de gevolgen van het beëindigen van de dienstbetrekking in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde. De kantonrechter zal zich dan ook toeleggen op hetgeen door eiser is gesteld en nagaan of het ontslag van eiser voldoet aan het gestelde in artikel 1615s lid 2 onder sub b BW, de dienstbetrekking met eiser heeft beëindigd. Indien zulks het geval is zal het ontslag als kennelijk onredelijk moeten worden aangemerkt.

4.2. Eiser is ontslag aangezegd op 18 september 2017, waarna de dienstbetrekking op grond van de bepalingen van de CAO per 31 januari 2018 is beëindigd. De kantonrechter stelt vast dat de dienstbetrekking bijkans 13½ jaar heeft geduurd. De voor eiser getroffen voorzieningen zijn die vastgelegd in de CAO waarbij een opzegtermijn van 4 maanden in acht moet worden genomen, hetgeen in casu heeft plaatsgevonden, hetgeen de kantonrechter niet onbillijk voorkomt.

4.3. Thans moet worden nagegaan of de gevolgen van de beëindiging voor eiser in onevenredige verhouding staan tot de belangen van de werkgever.
Eiser stelt onder meer dat:

  • hij groot financieel nadeel lijdt ten gevolge van het ontslag;
  • de financiële nazorg van eiser ontbreekt;
  • de mogelijkheden van hem om als 41 jarige een andere baan te vinden beperkt zijn, gelet op de huidige economische crisis situatie en zijn kansen op de arbeidsmarkt.

De kantonrechter begrijpt dat eiser betoogt dat de gevolgen van zijn ontslag in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het ontslag.

4.4. De kantonrechter is van oordeel dat in casu gedaagde niet gehouden is tot enige financiële nazorg voor de ontslagen eiser. Het ontslag van eiser is blijkens de door partijen overgelegde producties een gevolg van onwettige afwezigheid zijdens eiser, eenmaal zelf gedurende een periode van bijkans 3 maanden, en van dienstweigering. In dit kader kan een mogelijk financieel nadeel dat eiser als gevolg van het ontslag lijdt, niet op conto van gedaagde worden geschreven. Het ontslag is niet uit de lucht komen vallen en eiser had, gelet op zijn handelen, zulks moeten zien aankomen c.q. zelfcorrigerend moeten optreden.

De kantonrechter maakt op dat eiser zeer ontevreden is geweest met het benoemingsbeleid binnen het bedrijf van gedaagde en dat zijn handelen – met name zijn afwezigheid van de werkplek – mede hierdoor is ingegeven. Eiser had als stafmedewerker binnen het bedrijf van gedaagde een andere keuze kunnen maken, door zich tot de vakorganisatie binnen het bedrijf te wenden voor advies c.q. ondersteuning. Aan de door eiser gedane keuze – wegblijven van de werkplek – zijn consequenties verbonden. Die consequenties behoorde eiser, gelet op zijn kennis, kunde en opleiding, wel te kunnen inschatten.

4.5. Eiser heeft getuige de achter zijn naam gestelde titulaturen een hoog opgeleid technisch niveau.Blijkens de overgelegde schrifturen zijn enkele van deze opleidingen mede op kosten van gedaagde afgerond, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter het verwijt van eiser loochenstraft alszou gedaagde geen goed werkgever zijn. Gelet op zijn bijzondere expertise en ervaring, komt het de kantonrechter voor dat eiser op de arbeidsmarkt nationaal en regionaal wel degelijk emplooi zal kunnen vinden. De leeftijd van 41 jaar wordt niet als obstakel ervaren, gelet op de specifieke opleiding, kunde en ervaring van eiser. Het is de kantonrechter niet gebleken dat afwijzend zou zijn gereageerd op eventuele sollicitatieverzoeken van eiser.

4.6. Gedaagde heeft onder meer gesteld dat eiser geweigerd heeft zijn leidinggevende aldus te accepteren en is eiser kort hierna op eigen verzoek door gedaagde horizontaal overgeplaatst.Echter ontstonden ook op de nieuwe afdeling botsingen met eiser. Gedaagde stelt voorts dat het vertrouwen in eiser onherstelbaar is geschonden vanwege een aaneenschakeling van handelingen zijdens eiser, waaronder laatstelijk een onjuiste weergave gegeven aan de Ontslagcommissie terzake een interne beoordeling van eiser. Gedaagde heeft er belang bij om eiser niet langer te handhaven binnen haar bedrijf.

4.7. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor eiser niet in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het handhaven van het gegeven ontslag. Eiser heeft eigenhandig bijgedragen dat deze ultieme sanctiemaatregel jegens hem moest worden uitgevaardigd, nu zoals door de Ontslagcommissie wordt geconcludeerd: “….in redelijkheid niet van hem [lees gedaagde] kan worden verwacht dat hij de dienstbetrekking met betrokkene [lees eiser] laat voortduren”. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat niet gesproken kan worden van een kennelijk onredelijk ontslag zijdens gedaagde. Het verzoek van eiser zal derhalve worden afgewezen.

4.8. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1. wijst de vordering van eiser af;

5.2. veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo d.d. 03 februari 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-5473
07 oktober 2019

Vonnis in de zaak van:
[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gevolmachtigde: mr. M.R. Roethof,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTEGRA PORT SERVICES N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.R.J. Ilahibaks, advocaat,

1.Het verloop van het proces
1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • Het inleidend verzoekschrift dat op 18 december 2017 bij de Griffie der Kantongerechten is;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. Uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1.Eiser is als ‘Assistant Foreman’ in dienst van gedaagde en verkrijgt toestemming om vacantieverlof op te nemen, alsook twee weken verlof buiten bezwaar en wel in de periode 11 juli 2017 tot en met 15 augustus 2017. Eiser diende zijn werkzaamheden bij gedaagde op 16 augustus 2017 aan te vangen.

2.2.Bij schrijven d.d. 17 augustus 2017 bericht gedaagde eiser:

Op woensdag 16 augustus 2017 zou u uw werkzaamheden hervatten na een periode van genoten verlof vanaf dinsdag 11 juli 2017 t/m dinsdag 15 augustus 2017. Conform de werkprocedure met betrekking tot de inroostering probeert de Labor Planner u telefonisch te bereiken, doch zonder resultaat. U blijkt onbereikbaar te zijn.U wordt bij deze opgeroepen zich persoonlijk aan te melden op het hoofdkantoor op vrijdag 18 augustus 2017 om 08.00 uur ter verantwoording van uw afwezigheid c.q. hervatting van uw werkzaamheden.
Dit schrijven is per exploit no. 1402 d.d. 17 augustus 2017 van S.W. Niekoop LL.B., deurwaarder bij het Hof van Justitie, aan [naam], huisgenote en partner van eiser, betekend.

2.3.Bij schrijven d.d. 21 augustus 2017 is eiser door gedaagde wegens dringende reden ontslagen. In voormeld schrijven is onder meer opgenomen: “Aan onze schriftelijke oproep d.d. 17 augustus 2017 om u aan te melden op 18 augustus 2017 heeft u geen gehoor gegeven. Aangezien u vanaf woensdag 16 augustus 2017 niet bereikbaar bent en geen enkel bericht van verhindering heeft doorgestuurd, zijn wij genoodzaakt om u op heden, maandag 21 augustus 2017, met onmiddellijke ingang te moeten ontslaan wegens dringende reden”.
Dit schrijven is per exploit no. 1419 d.d. 21 augustus 2017 van S.W. Niekoop LL.B., deurwaarder bij het Hof van Justitie, aan [naam], huisgenote en partner van eiser, betekend.

2.4.Het besluit van gedaagde – ontslag wegens dringende reden van eiser – is per schrijven d.d. 21 augustus 2017 gemeld aan de waarnemend Inspecteur Generaal van de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Arbeid.

2.5.Bij beschikking [nummer] d.d. 31 augustus 2017 heeft de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Arbeid, besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser.

2.6.Bij schrijven d.d. 13 oktober 2017 heeft eiser gedaagde medegedeeld bezwaren te hebben tegen het aan hem verleende ontslag wegens dringende reden en dat hij zich gereed houdt om de bedongen arbeid te verrichten.

3.De vordering, de grondslag en het verweer
3.1.Eiser vordert zakelijk weergegeven om gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat het ontslag van eiser op 21 augustus 2017 door gedaagde kennelijk onredelijk is geschied;
  2. gedaagde te veroordelen om binnen drie dagen na het vonnis, overeenkomstig artikel 1615t B.W., de dienstbetrekking met eiser te herstellen;
  3. subsidiair gedaagde ingevolge artikel 1615s B.W. te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, naar billijkheid vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de eventuele tenuitvoerlegging van het gevorderde, verschuldigd zal worden;
  5. de veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2.Eiser is van oordeel dat het aan hem verleende ontslag, binnen vijf dagen, op onredelijke gronden is geschied nu hij wegens overmacht niet in staat was zijn werkzaamheden te hervatten. Eiser ontkent met klem onwettig van zijn werk afwezig te zijn geweest.

3.3.Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling
4.1.Eiser is van oordeel dat het aan hem verleende ontslag wegens dringende reden per 21 augustus 2017, kennelijk onredelijk is geweest. In het verzoekschrift verwijst eiser naar artikel 1615s B.W. lid 2 onder sub a en sub b. Artikel 1615s lid 2 onder sub a en sub b luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  1. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  2. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

De kantonrechter maakt uit de brieven van gedaagde aan eiser gedateerd 17 augustus 2017 en 21 augustus 2017 op, dat gedaagde als redenen voor het ontslag, onwettige afwezigheid c.q. onwettig verzuim van eiser, aanvoert.

4.2.Met betrekking tot de aanvang van zijn werkzaamheden c.q. de datum van zijn indiensttreding, is de kantonrechter van oordeel dat eiser onvoldoende is ingegaan op de gemotiveerde betwisting van gedaagde, weshalve niet is komen vast te staan dat eiser vanaf 2006 bij gedaagde werkzaam is.

4.3.De kantonrechter maakt uit de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op dat eiser betoogt dat de gevolgen van zijn ontslag in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij de beëindiging. Aan de kantonrechter wordt gevraagd een belangenafweging te verrichten, met enerzijds de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor eiser en aan de andere kant het belang van gedaagde bij de beëindiging van de dienstbetrekking.

4.4.In het kader van het afwegen van de gevolgen van het ontslag voor eiser en het belang van gedaagde bij het verleende ontslag, constateert de kantonrechter het volgende. Eiser heeft zich na expiratie van zijn vacantieverlof, zonder enige kennisgeving, niet aangemeld op 16 augustus 2017 voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Het schrijven gedateerd 17 augustus 2017 aan eiser om zich op 18 augustus 2017 persoonlijk op de werkplek aan te melden, is door zijn huisgenote en partner in ontvangst genomen. Er is geen contact opgenomen met de werkgever. Op 21 augustus 2017 is eiser door gedaagde wegens dringende reden ontslagen. Dit besluit is onverwijld op het woonadres van eiser betekend en aan zijn huisgenote en partner overhandigd. Ook nu blijkt niet dat eiser directe en/of concrete stappen heeft ondernomen naar de werkgever toe. Uit de beschikking d.d. 31 augustus 2017 [nummer] van het ministerie van Arbeid, maakt de kantonrechter op dat eiser door de dienst Arbeidsinspectie is opgeroepen om terzake het ontslag wegens dringende reden gehoord te worden.Eiser is zonder enige kennisgeving niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Toen eiser gedaagde op 13 oktober 2017 informeerde dat hij protest aantekent tegen zijn ontslag en bereid is de bedongen arbeid te verrichten, was de alsdan 2 maanden vacante functie van eiser, bereids ingevuld door gedaagde.De kantonrechter acht het niet onbegrijpelijk dat gedaagde in het belang van de voortgang van de werkzaamheden binnen haar bedrijf, de vacante functie van eiser heeft moeten invullen. Eiser stelt zelf dat hij in de functie van voorman werkzaam was bij gedaagde onder andere bij het laden en lossen van zeeschepen, het handhaven van orde en het zorgen voor de veiligheid van stuwadoors en andere personen die onder zijn leiding werkzaam waren. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat de werkgever er alle belang bij had om deze functie, voor een vlotte voortgang van de hierboven genoemde werkzaamheden binnen haar bedrijf, op korte termijn te doen invullen.

4.5.In haar conclusie van dupliek stelt gedaagde dat zij eiser wegens dringende reden heeft ontslagen vanwege het onwettig verzuim en niet omdat hij als verdachte zou zijn aangemerkt en aangehouden in Nederland. Gedaagde stelt dat pas nadat eiser was ontslagen zij – gedaagde – door de partner van eiser geïnformeerd is geworden dat hij in aanraking is gekomen met de justitiële autoriteiten in Nederland en is aangehouden. De kantonrechter neemt aan dat er geen specifieke voorzieningen zijn getroffen door gedaagde als werkgever, ten behoeve van eiser als werknemer.

4.6.Gedaagde betoogt dat zij op grond van het onwettig verzuim van eiser gerechtigd was tot ontslag over te gaan en dat zij aan alle wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter merkt op dat het voldoen aan alle wettelijke vereisten bij het beëindigen van een dienstbetrekking, niet afdoet dat bedoelde beëindiging ingevolge artikel 1615s toch kennelijk onredelijk kan worden geoordeeld door de kantonrechter. De kantonrechter zou tot dit oordeel kunnen komen indien de gevolgen van het ontslag voor eiser in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij het ontslag.De kantonrechter merkt op dat eiser de gevolgen van het ontslag d.d. 21 augustus 2017 niet als zodanig naar voren heeft gebracht waardoor de kantonrechter niet in de gelegenheid is om na te gaan of deze gevolgen in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij het beëindigen van de dienstbetrekking.

4.7.Eiser is op 15 augustus 2017 op de luchthaven Schiphol in Nederland aangehouden vanwege het feit dat hij € 20.000,– in contanten in zijn bezit had en dit bedrag het land wenste uit te voeren naar Suriname, naar wordt aangenomen zonder de vereiste uitvoerdocumenten.Eiser heeft aangegeven dat dit bedrag hem rechtmatig toekomt vanwege de verkoop van goud c.q. gouden sieraden. Gelet op deze bijverdiensten van eiser concludeert de kantonrechter dat de gevolgen van het verleende ontslag voor eiser, naar het oordeel van de kantonrechter, niet van een dusdanige aard zijn c.q. zullen zijn geweest, dat geconcludeerd moet worden dat de gevolgen van het ontslag zoals door eiser gesteld, in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag. Eiser heeft blijkbaar de mogelijkheid terug te vallen op royale inkomsten die zijn andere werkzaamheden hem opleveren.

4.8.De kantonrechter concludeert uit al het voorgaande dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor hem in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag. De kantonrechter oordeelt derhalve dat er geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag zijdens gedaagde, weshalve de vordering van eiser zal worden afgewezen.

4.9.De kantonrechter ziet af van het bespreken van andere stellingen en weren van partijen, nu deze als niet relevant worden geoordeeld.

5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1. wijst af het door eiser gevorderde.

5.2. veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge, LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 07 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2020-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-2987
14 januari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser, hierna aangeduid met “[eiser]”,
gemachtigde, mr. C. P. Baal, advocaat,

tegen

STICHTING ELSJE FINCK SANICHAR COLLEGE CENTRALE OPLEIDING VOOR VERPLEEGKUNDIGEN EN BEOEFENAREN EN AANVERWANTE BEROEPEN (STICHTING EFS COLLEGE COVAB),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde, hierna aangeduid met “stichting Covab”,
gemachtigde, mr. S. Mangroelal, advocaat, voorheen mr. R. Djokarto, gevolmachtigde.

1. Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 05 juli 2017 door [eiser] bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met bijlagen;
  • de conclusie van repliek en uitlating producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1. [eiser] is op 1 maart 1988 in dienst getreden van stichting Covab.

2.2. Bij schrijven d.d. 1 maart 2017 wordt [eiser] door de stichting Covab op non actief gesteld.

2.3. Bij beschikking d.d. 19 mei 2017 verleent de minister van Arbeid, op verzoek van de stichting Covab, vergunning ter beëindiging van de dienstbetrekking met [eiser].

2.4. Bij schrijven d.d. 26 mei 2017 zegt de stichting Covab de arbeidsovereenkomst met [eiser] op en deelt hem mede dat conform de bepalingen van de CAO een opzegtermijn van 6 maanden in acht wordt genomen. Zijn laatste werkdag is 26 november 2017.

3 De vordering
3.1. [eiser] vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  1. voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking op kennelijk onredelijke gronden is geëindigd;
  2. voor recht te verklaren dat de ontslagbeschikking van 19 mei 2017 nietig is, dan wel vernietigbaar is;
  3. gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na betekening van het vonnis,dan wel door UEA in goede justitia vast te stellen termijn, de dienstbetrekking met verzoeker te herstellen, met betaling van het salaris en de bijbehorende emolumenten;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten van hetgeding.

Subsidiair:

  1. voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking op kennelijk onredelijke gronden is geëindigd;
  2. voor recht te verklaren dat de ontslagbeschikking van 19 mei 2017 nietig is, dan wel vernietigbaar is;
  3. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen wegens schadevergoeding een som geld ineens, gelijk aan het bedrag welke [eiser] in 35 maanden zou hebben verdiend;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.[eiser] stelt, dat bij de besluitvorming voor het wel of niet toekennen van de ontslagvergunning, niet de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen. [eiser] is van oordeel dat de verleende vergunning kennelijk onredelijk is en dat hij zich hier niet in kan terugvinden. [eiser] stelt dat op basis van de toetsingscriteria voor kennelijk onredelijk ontslag, zoals die genoemd zijn in de wet en de jurisprudentie, bedoelde ontslagvergunning kennelijk onredelijk is.

3.3. Stichting Covab voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1. [eiser] stelt van oordeel te zijn dat bij de besluitvorming voor het wel of niet toekennen van de ontslagvergunning, niet de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen. [eiser] blijft in gebreke aan te geven wie niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen: het ministerie van Arbeid c.q. de stichting Covab? Vanwege de vermeende onzorgvuldigheid echter, is [eiser] van oordeel dat de verleende vergunning kennelijk onredelijk is. De kantonrechter neemt aan dat [eiser] betoogt dat nu de ontslagvergunning gegeven door het ministerie van Arbeid, zijns inziens kennelijk onredelijk is verleend, het door de stichting Covab verleende ontslag, ook kennelijk onredelijk is.

4.2.[eiser] stelt voorts dat de wet en de jurisprudentie de criteria aangeven wanneer er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. [eiser] betoogt dat om het kennelijk onredelijk ontslag te kunnen toetsen, onder meer gekeken moet worden naar het volgende:

  1. de voor de werknemer getroffen voorzieningen;
  2. de voor de werknemer bestaandemogelijkheden om passend werk te vinden;
  3. de gevolgen van debeëindigingvoor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging.

4.3. Artikel 1615s lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna B.W.) luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  1. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  2. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

De kantonrechter is van oordeel dat de overige in dit artikel genoemde toetsingsgronden voor het beoordelen of een ontslag door de werkgever kennelijk onredelijk is verleend, in het onderhavige geding niet toepasselijk zijn; evenmin zijn deze toetsingsgronden aldus door [eiser] aangedragen.

Zonder opgave van reden
4.4. De kantonrechter constateert dat blijkens de ontslagvergunning van het ministerie van Arbeid, de stichting Covab als reden voor het beëindigen van de dienstbetrekking met [eiser] heeft opgegeven:

  • dat [eiser] in ernstige mate de bekwaamheid mist tot arbeid;
  • poging tot diefstal;
  • geschonden vertrouwen;
  • hardnekkige weigering te voldoen aan redelijke opdrachten.

In casu kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat de stichting Covab zonder opgave van reden de dienstbetrekking met [eiser] heeft beëindigd.

4.5. Uit de beschikking van het ministerie van Arbeid maakt de kantonrechter op dat [eiser] ten overstaan van de Ontslagcommissie het door de stichting Covab gestelde niet heeft weersproken, doch heeft aangegeven dat hij de laatste keren is gevraagd om zware waterflessen naar boven te sjouwen op de trap, hetgeen hij heeft geweigerd. Uit de conclusies en producties die tussen partijen zijn gewisseld, maakt de kantonrechter op dat de gronden voor het beëindigen van de dienstbetrekking door de stichting Covab, zeer extensief en gedocumenteerd zijn aangedragen. [eiser] heeft als verweer gevoerd dat indien en voorzover hij zo slecht gefunctioneerd had in de afgelopen 29 jaren durende dienstbetrekking, de werkgever – stichting Covab – hem reeds alsdan zou hebben ontslagen. De diverse brieven, rapporten, aanmaningen, etc. die de stichting Covab heeft overgelegd zijn niet door [eiser] betwist. Betoogd wordt dat deze documenten een éénzijdig beeld van [eiser] geven en dat zij niet tegen hem gebruikt mogen worden.Uit het voorgaande maakt de kantonrechter op dat niet gesteld kan worden dat de stichting Covab onder opgave van een voorgewende of valse reden ertoe is overgegaan om de dienstbetrekking met [eiser] te beëindigen.

Voor de werknemer getroffen voorziening
4.6. Conform de bepalingen van de CAO heeft de stichting Covab de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd, met inachtneming van een periode van 6 maanden. Deze voorziening is van collectieve aard en van toepassing op de ontslagen werknemer – [eiser]-

Belangenafweging
4.7. [eiser] is vanaf 1 maart 1988 in dienst van de stichting Covab en was inderdaad ruim 29 jaren in dienst toen hij werd ontslagen. De kantonrechter maakt uit de ingediende schrifturen op dat [eiser] is ontslagen nadat diverse disciplinaire maatregelen jegens hem zijn getroffen. De stichting Covab stelt aldus te hebben gehandeld in de hoop dat enige verandering zou optreden in de werkhouding van [eiser]. De kantonrechter maakt op dat de directeur van stichting Covab, [eiser] op 14 augustus 1989 alsvolgt heeft aangeschreven:
“Hoewel u bekend bent met de regels binnen onze Stichting, worden deze voortdurend door u genegeerd. Zo willen wij u erop attenderen dat uw gedrag in de laatste tijd op z’n zachts, vreemd en zeer onmaatschappelijk is en door ons niet getolereerd kan worden. Een korte illustratie van uw vreemd gedrag zou misschien tot correctie kunnen bijdragen:

  • steevast weigeren leiding te aanvaarden
  • niet aan – en afmelden bij uw directe chef
  • de opgedragen taken niet naar behoren uitvoeren, waarbij gesteld dient te worden dat uw functioneren duidelijk te wensen overlaat. Ook schijnt u er een gewoonte van te maken onmiddellijk na een ziekteperiode verlof op te eisen. Op grond van het bovengestelde waarschuwen wij u zeer ernstig en wijzen u erop dat u zich dient te corrigeren. Indien zulks niet gebeurd zullen de consequenties die daaruit voortvloeien geheel voor uw rekening zijn”.

4.8.Na deze officiële schriftelijke waarschuwing tot correctie van zijn werkhouding c.q. zijn gedrag,amper 17 maanden na de indiensttreding van [eiser], zijn diverse brieven en rapporten opgemaakt terzake zijn functioneren en zijn diverse disciplinaire maatregelen jegens hem getroffen. De stichting Covab noemt onder andere:

  • geen betaling van salaris van niet gewerkte dag
  • in gebrekestelling wegens plichtverzuim
  • mondelinge en schriftelijke reprimandes
  • overplaatsing naar een andere afdeling
  • functiewijziging van chef Technische Dienst naar Medewerker Technische Dienst

De stichting Covab stelt dat uit rapportages die zijn opgemaakt is komen vast te staan dat [eiser] door zijn gedrag en attitude de werksfeer binnen de organisatie dusdanig vertroebelde, waardoor samenwerken met hem onmogelijk werd gemaakt. In teamverband werken wordt aangehaald als een cruciaal vereist voor het goed functioneren van het bedrijf van de stichting Covab. Dit laatste, in team verband werken, was aldus de stichting Covab niet langer mogelijk met [eiser] binnen haar organisatie. [eiser] heeft het bestaan van de rapporten en de disciplinaire maatregelen niet betwist. [eiser] heeft evenmin de producties van valsheid beticht, weshalve de inhoud dezer tussen partijen vast staat.

4.9. [eiser] heeft als verweer gevoerd dat hij niet na 29 jaren kan worden ontslagen voor deze door de stichting Covab aangehaalde zaken, stellende dat als hij inderdaad zo slecht zou hebben gefunctioneerd hij dan eerder zou zijn ontslagen. [eiser] is dan ook van oordeel dat voorbij moet worden gegaan aan de rapporten en disciplinaire maatregelen die jegens hem zijn getroffen. De stichting Covab heeft [eiser] gedurende lange tijd de mogelijkheid geboden om corrigerend op te treden, omdat zij blijkbaar vertrouwen stelde in hem om terzake zijn werkhouding en gedrag corrigerend te kunnen en te willen optreden. Thans wordt de stichting verweten dat zij hem niet na zoveel jaren had mogen ontslaan, omdat zijn functioneren toen dan toch niet zo ontslagwaardig is geweest; immers dan zou hij reeds eerder zijn ontslagen. Dit verweer van [eiser] acht de kantonrechter misplaatst. De ‘bekende druppel’ die de emmer heeft doen overlopen betreft een recent voorval op 23 februari 2017, waarbij [eiser] tijdens diensttijd en in werkkleding op heterdaad zou zijn betrapt op het zich onrechtmatig willen toe-eigenen van een koperen buis uit een bouwmaterialenzaak. De kantonrechter stelt vast dat menig andere werkgever [eiser], gegeven zijn lange negatieve ‘staat van dienst’, bij lange na niet zoveel ruimte zou hebben geboden om zijn werkhouding te corrigeren. Deze werknemers-vriendelijke c.q. coulante houding, wordt thans, naar het oordeel van de kantonrechter, de stichting Covab ten onrechte voor de voeten geworpen.

4.10. Aan de kantonrechter wordt gevraagd een belangenafweging te verrichten, met enerzijds de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor [eiser] en aan de andere kant het belang van de stichting Covab bij de beëindiging van de dienstbetrekking. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het lijvig dossier dat de stichting Covab heeft overgelegd terzake het functioneren van [eiser], geconcludeerd moet worden dat [eiser] eigenhandig heeft zorggedragen dat de ultieme sanctie van ontslag tegen hem is uitgevaardigd. Dat [eiser] hierdoor als 51 jarige een minder gunstige positie op de arbeidsmarkt inneemt, is volledig aan zijn eigen handelen te wijten. De stichting Covab heeft gesteld dat door de laatste handeling van [eiser] – poging tot diefstal – het vertrouwen in hem op dusdanige wijze is geschaad dat de arbeidsrelatie niet gecontinueerd kan worden. De Ontslagcommissie heeft geoordeeld dat op grond van al hetgeen de stichting Covab naar voren heeft gebracht, voldoende aannemelijk is gemaakt dat het vertrouwen in de werknemer [eiser] is geschonden en dat in alle redelijkheid niet van de stichting Covab kan worden verwacht dat de dienstbetrekking met hem wordt voortgezet. Het vertrouwen in [eiser] is in ernstige mate geschaad en werken in teamverband binnen de organisatie van de stichting Covab blijkt niet meer mogelijk te zijn. Het belang van de stichting Covab voor het ontslaan van [eiser] wordt, afgezet tegen het belang van [eiser], niet als onevenredig geoordeeld. Temeer daar [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter eigenhandig heeft bijgedragen aan zijn ontslag. De gevolgen van dit ontslag komen dan ook volledig voor zijn eigen rekening.De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet heeft aangetoond dat er van enige onzorgvuldigheid sprake is bij de totstandkoming van de ontslagvergunning. Evenmin heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter aangetoond dat het door de stichting Covab verleende ontslag, getoetst aan de wettelijke criteria, kennelijk onredelijk is. De kantonrechter is, gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, van oordeel dat nu het door de stichting Covab verleende ontslag niet kennelijk onredelijk is, het verzoek van [eiser] moet worden afgewezen en zal aldus beslissen.

4.11.[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1. wijst de vordering van [eiser] af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de stichting Covab, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo d.d. 14 januari 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-15

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 18-4533
06 januari 2020

Vonnis in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. S.M.D. Sitaram, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub a],
wonende te [district]
niet verschenen,
B. DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Binnenlandse Zaken,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
gevolmachtigde: mr. J.M. Foort, jurist op het ministerie van Binnenlandse Zaken, verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,
gedaagden.

1 Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 30 oktober 2018 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • het tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen gedaagde sub A verleend verstek;
  • de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub B.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Verzoekster is op 02 november 2004 te [district] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde sub A. Bij vonnis van de Kantonrechter in het eerste Kanton d.d. 11 april 2016, in de zaak bekend onder A.R. no. 15-4607, is de echtscheiding uitgesproken tussen verzoekster en gedaagde sub A. Het echtscheidingsvonnis is ingeschreven op 26 augustus 2016 in de registers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, hierna C.B.B.

2.2.Op 14 mei 2015 is te [district] uit verzoekster geboren, het nog in leven zijnde minderjarig kind: [naam].

2.3.[naam] is tijdens het echtscheidingsproces tussen verzoekster en gedaagde sub A geboren en bezat tijdens de geboorte de status van wettig kind van gedaagde sub A. Gedaagde sub A is echter niet de verwekker van voornoemd minderjarig kind.

2.4. Bij vonnis d.d. 27 november 2017 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton, de door gedaagde sub A ingediende vordering tot ontkenning van de wettigheid, bekend onder A.R. no. 17-2224, toegewezen en is de ontkenning van de wettigheid van het minderjarig kind [naam], geldig verklaard. Dit vonnis is vanaf 16 juni 2018 niet meer vatbaar voor hoger beroep.

2.5. Ingevolge artikel 324a van het Burgerlijk Wetboek, hierna B.W., dient gedaagde sub A het vonnis d.d. 27 november 2017, waarbij de ontkenning van de wettigheid terzake het in 2.2. genoemd minderjarig kind is toegewezen, in te schrijven in de lopende registers van geboorten bij het C.B.B. ressorterend onder gedaagde sub B.

2.6. Gedaagde sub A weigert over te gaan tot het doen inschrijven van voormeld vonnis d.d. 27 november 2017, in de registers van geboorten bij het C.B.B.

2.7. Verzoekster heeft geprobeerd eerder vermeld vonnis van 27 november 2017 zelf te doen inschrijven in de registers van geboorten bij het C.B.B. Gedaagde sub B heeft deze inschrijving van voormeld vonnis door verzoekster, geweigerd.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Verzoekster vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. verzoekster te machtigen om dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende
    partij, althans toestemming te verlenen dat verzoekster het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 november 2017 bekend onder A.R. no. 17-2224, ter inschrijving aanbiedt bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo;
  2. gedaagde sub B te veroordelen om met in achtneming van de bepaling van het Kinderrechtenverdrag, bij aanbieding van het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 november 2017 bekend onder A.R. no. 17-2224 door verzoekster, dit vonnis te doen inschrijven in de registers van de Burgerlijke Stand te Paramaribo;
  3. gedaagde sub A te veroordelen het te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen;
  4. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Verzoekster stelt dat gedaagde sub A niet voornemens is het vonnis van 27 november 2017 te doen inschrijven in de lopende registers van geboorten van C.B.B. dan tegen betaling. Voorts stelt verzoekster dat door de weigering van gedaagde sub B om verzoekster in de gelegenheid te stellen bedoeld vonnis zelf te doen inschrijven, het belang van het minderjarig kind: [naam], wordt geschaad.

3.3. Verzoekster stelt dat ingevolge artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag de belangen van het minderjarig kind de eerste overweging vormen voor onder andere rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Verzoekster betoogt dat in casu, het belang van het kind [naam] gelegen is in de noodzaak tot een spoedige inschrijving van het vonnis van 27 november 2017 in de lopende registers van het C.B.B. De huidige situatie is dat aan de ene kant de minderjarige in de registers van gedaagde sub B geregistreerd staat als een wettig kind van gedaagde sub A terwijl aan de andere kant een vonnis is gewezen waarbij de wettigheid is ontkend. Derhalve dient in het belang van het minderjarig kind voornoemd, het vonnis terzake de ontkenning van de wettigheid van voornoemd minderjarig kind, te worden ingeschreven in de lopende registers van het C.B.B.

3.4. Gedaagde sub B voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Bij conclusie van repliek vraagt verzoekster rectificatie omdat in het inleidend verzoekschrift instede van het ministerie van Binnenlandse zaken, het Centraal Bureau voor Burgerzaken in rechte is opgeroepen. Verzoekster stelt dat gedaagden niet worden benadeeld indien de akte van rectificatie aan haar wordt verleend. Gedaagde sub A is ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen en heeft zodoende zich zelf de mogelijkheid ontnomen terzake verweer te voeren. Gedaagde sub B heeft zich ten aanzien van het verzoek tot rectificatie, gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde B, zijnde de Staat Suriname, in het onderhavige geding in rechte is opgeroepen, dit vanwege de weigering door het C.B.B. tot het doen inschrijven van het door verzoekster aangeboden vonnis van 27 november 2017. Aangezien het C.B.B. onder het ministerie van Binnenlandse Zaken ressorteert, diende voormeld ministerie te worden vermeld in het verzoekschrift en niet het C.B.B. Aangezien de juiste procespartij – de Staat Suriname – in het geding is gebracht, kan deze omissie processueel als rechtens minder relevant worden aangemerkt. Nu gedaagden niet in hun belangen zijn geschaad, zal de rectificatie worden toegestaan.

4.2. Verzoekster stelt dat artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag luidt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Op grond van deze bepaling in het Kinderrechtenverdrag acht verzoekster het noodzakelijk dat wordt afgeweken van artikel 324a B.W. zodat los van gedaagde sub A, ook aan verzoekster de mogelijkheid wordt geboden bedoeld vonnis, waarbij de ontkenning van de wettigheid aan gedaagde sub A is toegewezen, ter inschrijving in de lopende registers van het C.B.B., aan te bieden. Artikel 4 van dit verdrag stelt onder meer: “De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen om de in dit verdrag erkende rechten te verwezenlijken”. Artikel 5 van dit verdrag stelt onder meer: “De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind”.

Uit het voorgaande blijkt dat op de Staat de plicht rust om alle passende wettelijke maatregelen te treffen zodat de in dit verdrag erkende rechten worden verwezenlijkt. De Staat is eveneens gehouden de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van ouders bij het implementeren van de rechten van kinderen zoals vastgelegd in dit verdrag, te eerbiedigen c.q. de mogelijkheid te bieden opdat ouders de hen toekomende verantwoordelijkheden, rechten en plichten ten behoeve van hun kinderen, kunnen uitoefenen.

4.3. Gedaagde sub B heeft verweer gevoerd onder meer stellende dat zij niet zonder meer voorbij kan gaan aan de strikte regels van de wet, in casu doelend op artikel 324a B.W. Krachtens dit artikel is gedaagde sub B van oordeel dat uitsluitend gedaagde sub A de inschrijving van het vonnis waarbij de ontkenning van de wettigheid aan hem is toegewezen, dient te verrichten. Gedaagde sub B stelt op grond van deze wettelijke bepaling geweigerd te hebben dat verzoekster meernoemd vonnis van 27 november 2017, in de lopende registers van geboorten, inschrijft.

4.4. De kantonrechter stelt vast dat in dit geding een rechterlijke autoriteit een vonnis heeft gewezen waarbij het verzoek tot ontkenning van de wettigheid van een minderjarige, geldig is verklaard. Dit verzoek is gedaan door de gedaagde sub A die niet de verwekker is van het minderjarig kind. Artikel 324a B.W. geeft aan degeen wien een vordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind is toegewezen, de mogelijkheid om het vonnis, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, te doen inschrijven in de lopende registers van geboorten van de plaats waar de geboorte is ingeschreven. Op basis van een tekstuele interpretatie van artikel 324a B.W. stelt gedaagde sub B dat de inschrijving uitsluitend voorbehouden is aan de persoon aan wie de vordering tot ontkenning van de wettigheid is toegewezen, in casu dus aan gedaagde sub A. Op basis van deze interpretatie door gedaagde sub B stelt de kantonrechter vast dat de wet niet voorziet in de situatie waarbij gedaagde sub A weigert de inschrijving van bedoeld vonnis te doen. De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor voor de minderjarige een situatie ontstaat waarbij zij in de registers de status van wettig kind van gedaagde sub A heeft, hetgeen in strijd is met de werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt geadstrueerd door een vonnis gewezen door een rechterlijke autoriteit in Suriname. Deze situatie is ongewenst en wordt niet in het belang van de minderjarige geacht.

4.5. De kantonrechter constateert dat in diverse nationale wetgevingsproducten in zowel het civiele recht als het strafrecht, het belang van de minderjarige een belangrijke zo niet de belangrijkste richtsnoer is, hetgeen volledig in overeenstemming is met internationale wetgeving waar Suriname zich aan gecommitteerd heeft. De in het geding zijnde situatie is niet in het belang van de minderjarige nu haar status niet in overeenstemming met de werkelijkheid kan worden gebracht. Aangetekend wordt dat naast de vele nadelige gevolgen voor de minderjarige voortvloeiende uit deze situatie, de minderjarige, door de status van wettig kind van gedaagde sub A, die niet de verwekker is, niet de status van wettig kind van de biologische vader kan verkrijgen en dus ook geen familierechtelijke betrekkingen met de biologische vader kan aangaan.

4.6. De kantonrechter is van oordeel dat bij een tekstuele interpretatie van artikel 324a B.W., zoals door gedaagde sub B wordt betoogd, sprake is van een hiaat in de wetgeving, nu aan slechts één partij de mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis wordt geboden. De ongewenste situatie waarbij de belangen van de minderjarige worden geschaad, duurt voort wanneer de partij aan wie het vonnis terzake de ontkenning van de wettigheid is toegewezen, niet alleen weigert het vonnis te doen inschrijven, zoals in het onderhavige geval, doch ook wanneer deze partij in de onmogelijkheid zou komen te verkeren om de inschrijving conform artikel 324a B.W., te doen verrichten. Het komt de rechter voor dat in het belang van de minderjarige, naast de persoon aan wie het verzoek tot ontkenning van de wettigheid is toegewezen ex artikel 324a B.W., ook aan andere belanghebbende partijen, de mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis in de lopende registers van geboorten, moet worden toebedeeld. De kantonrechter waakt er voor om op de stoel van de wetgever plaats te nemen, doch is evenwel de mening toegedaan dat in het belang van de minderjarige moet worden voorzien in de mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis van 27 november 2017, nu gedaagde sub A weigert zulks te doen.

4.7.In het vonnis d.d. 21 februari 2012 in de zaak bekend onder A.R. no. 07-2614 [namen procespartijen], heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld:
“4.3. Nu gedaagde sub B weigert een vordering tot ontkenning van de wettigheid in te stellen en de wet deze mogelijkheid niet aan eiseres sub A als moeder van de minderjarige of aan de minderjarige zelf toekent, concludeert de kantonrechter dat artikel 304 BW een zodanige leemte vertoont dat daardoor de rechten van het kind op vaststelling van zijn afstamming en zijn juiste identiteit worden geschonden alsmede aantasting plaatsvindt van het recht van eisers en de minderjarige op eerbiediging van hun gezin, aangezien het, volgens de huidige wetgeving, onmogelijk is geworden dat er familierechtelijke betrekkingen worden gevestigd tussen de minderjarige en zijn verwekker, met wie de moeder en het kind in een ‘family’ samenleven (vide: J. de Boer, SJB december No. 3, pg. 36)”. De interpretatie van gedaagde sub B van artikel 324a B.W. leidt naar het oordeel van de kantonrechter indachtig hetgeen in het vonnis van 21 februari 2012 is overwogen, tot een situatie waarbij de belangen van het minderjarig kind worden geschonden, hetgeen in strijd is met het primaat van nationale en internationale wetgeving in het kader van de bescherming van de rechten van kinderen. Aan verzoekster, de moeder van het in 2.2. genoemd minderjarig kind, zal dan ook toestemming worden verleend het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 november 2017, aan te bieden aan gedaagde sub B voor inschrijving in de lopende registers van geboorten van de plaats waar de geboorte van genoemd minderjarig kind, is ingeschreven. Gedaagde sub B zal worden gelast de inschrijving van bedoeld vonnis te verrichten.

4.8. Gedaagde sub A die weigert het vonnis van de kantonrechter van 27 november 2017 in te schrijven, zal worden veroordeeld de inschrijving te gehengen en te gedogen.

4.9. Gedaagde sub A zal als de principale veroorzaker van dit geding worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1. staat de gevraagde rectificatie toe;

5.2. verleent toestemming aan verzoekster om het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 november 2017, in de zaak bekend onder A.R. no. 17-2224, aan te bieden aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo ter inschrijving in het lopende register van geboorten, van de plaats van geboorte van de minderjarige: [naam];

5.3. gelast gedaagde sub B bij aanbieding van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 november 2017, in de zaak bekend onder A.R. no. 17-2224, dit vonnis in te schrijven in het lopende register van geboorten van de plaats van geboorte van de minderjarige: [naam];

5.4. veroordeelt gedaagde sub A de inschrijving als bedoeld onder 5.3. te gehengen en te gedogen;

5.5. verklaart hetgeen is beslist onder 5.2., 5.3. en 5.4., uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. veroordeelt gedaagde sub A in de proceskosten aan de zijde van verzoekster gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500,– (vijfhonderd Surinaamse dollars);

5.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 06 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2017-35

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde]
wondende in het [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R. no. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis uit:

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 19 juli 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met productie, overgelegd op 20 maart 2015;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 03 juli 2015;
  • de repliekpleitnota, overgelegd op 02 oktober 2015;
  • de dupliekpleitnota met productie, overgelegd op 04 december 2015
  • de conclusie tot uitlating productie, overgelegd op 15 januari 2016.

1.1 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 08 mei 1982 te Paramaribo in het ressort Par/BH in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.
2.3 Bij vonnis van 28 mei 2012 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton de vordering tot echtscheiding en scheiding en deling zijdens de man, afgewezen.
2.4 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 28 mei 2012, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan gemachtigden van partijen verstrekt per griffiersbrief d.d. 17 juli 2012. Nu de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 18 juli 2012, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 19 juli 2012, appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:

a .tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
b .de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet;
c. kosten rechtens.

5.De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen alsvolgt worden opgesomd:

I. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen, hierop neerkomende, dat de ziens wijze van de man, dat hij niet hoeft te onderbouwen op grond waarvan hij aanvoert dat het huwelijk duurzaam is ontwricht tenzij gedaagde dat tegenspreekt, voorbij gaat aan het feit dat de tegenpartij het recht heeft van meet af aan te weten waartegen zij verweer dient te voeren en dat door die zienswijze van de man de kantonrechter de ruimte wordt ontnomen om aan de hand van stellingen en weren van partijen te beoordelen of er wel of niet sprake is van duurzame ontwrichting, ondanks mogelijke ontkenning van de vrouw.
II. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de man heeft volstaan met slechts te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat hij daardoor onvoldoende heeft gesteld en dat zijn vordering daardoor dient te worden afgewezen aangezien de man in de conclusie van repliek de gestelde duurzame ontwrichting toch nog heeft onderbouwd, doch is de kantonrechter daaraan voorbijgegaan.

6. De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg, toe te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden en doet voorts een uitdrukkelijk beroep op de artikelen 263 en 264 SBW.

8. De beoordeling
8.1 De vrouw heeft op de grief gereageerd en daarbij aangevoerd dat de man de plank volledig misslaat door ervan uit te gaan dat hij niet gehouden is aan zijn stelplicht bij diens vordering en dat hij door simpelweg een blote stellingname/grondslag – dat het huwelijk duurzaam ontwricht is – een echtscheiding kan effectueren. Hierdoor heeft zij zich niet kunnen verweren omdat zij van meet af aan ten processe niet weet wat de feiten zijn die de veronderstelde duurzame ontwrichting dragen. Zij stelt voorop dat zij ontkent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan haar schuld te wijten is en dat de man zijn vordering moet motiveren, nu zij met klem ontkent dat er sprake is van duurzame ontwrichting die in overwegende mate aan haar schuld te wijten is.

8.2 Het Hof overweegt dat de door de man aangevoerde grieven slagen. Immers geldt volgens wet, vaste jurisprudentie en doctrine het volgende. Dient een echtgenoot tegen de ander een verzoek tot echtscheiding in, dan behoeft hij in het verzoekschrift, voor zover het gaat om de ontbinding van het huwelijk, slechts te stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Als de andere echtgenoot de gestelde duurzame ontwrichting erkent, refereert aan het oordeel van de rechter danwel niet weerspreekt en dus geen verweer voert, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen. De duurzame ontwrichting staat dan vast. De lijdelijkheid van de rechter leidt ertoe dat de rechter in deze gevallen niet ambtshalve mag onderzoeken of de tussen partijen vaststaande toestand inderdaad aanwezig is. Voert de andere echtgenoot het verweer dat het huwelijk niet – of niet duurzaam – is ontwricht, dan zal de eiser concreet moeten aangeven en bewijzen waaruit de (duurzame) ontwrichting bestaat. Gelet hierop slaagt grief I.

8.3 In casu heeft de vrouw de echtscheidingsgrond niet betwist, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof komt hierop naderhand terug. In eerste aanleg heeft de man aan zijn vordering duurzame ontwrichting van het huwelijk ten grondslag gelegd. Voorts heeft hij bij conclusie van repliek gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning heeft verlaten en niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Bij conclusie van repliek in hoger beroep heeft de man verder gesteld dat de vrouw schuld heeft aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. Het hof overweegt dat nu de man voldoende onderbouwing aan de door hem gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gegeven ook grief II slaagt.
Dit heeft tot gevolg dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en als na te melden zal worden beslist.

8.4 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en in hoger beroep de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet heeft ontkend, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans langer dan 3 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat.

8.5 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek in zowel eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is omdat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan overspel. De vrouw doet hiermee een uitdrukkelijk beroep op artikel 263 SBW.

8.6 Het Hof overweegt dat het enkel aangaan van een buitenechtelijke relatie en het verlaten van de echtelijke woning door de man, niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan zijn schuld te wijten is geweest, aangezien de man duidelijke redenen heeft aangevoerd waarom hij de echtelijke woning verlaten heeft.
Met name is door de man aangevoerd dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning verlaten heeft en voorts dat hij niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Voorts heeft de man aangegeven dat de vrouw schuld heeft gehad aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. De man heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de vrouw slechts heeft volstaan door aan te voeren dat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan. Hiermee heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de schuld van de man is te wijten en zal het verweer van de vrouw ter zake worden verworpen.

8.7 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en hoger beroep een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op het pensioenverweer ingevolge artikel 264 SBW. In artikel 264 lid 1 SBW is bepaald dat indien als gevolg van de gevorderde echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de ene echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, zou teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen de vordering verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat daaromtrent een voorziening is getroffen.

8.8 Het Hof constateert voorts dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd tegen het onder punt 8.7 gesteld pensioenverweer van de vrouw. Gelet op het in 8.7 en 8.8.overwogene acht het Hof termen aanwezig een comparitie te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen. Partijen dienen ter comparitie, voor zover nodig met medeneming en overlegging van relevante documenten, hun respectieve standpunten met betrekking tot het gevoerde pensioenverweer te onderbouwen zodat eventueel een voorziening ter zake kan worden getroffen.

8.9 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:
9.1 Alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen ambtshalve om in persoon, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 13 oktober 2017 des voormiddags te 09:00 uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het in 8.8 overwogene;

Bepaalt dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van het Hof van Justitie;

Houdt iedere verdere beslissing aan;
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

SRU-K1-2020-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1484
26 juni 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. VAN TRIKT, ROBERT GRAY,
B. [eiser sub B],
beiden wonende te Paramaribo,
thans in voorlopige hechtenis respectievelijk in het cellenhuis
te Richelieu en in de penitentiaire inrichting Santo Boma,
eisers,
gemachtigde sub A: I.D. Kanhai Bsc. en mr. J. Kraag, advocaten,
gemachtigde sub B: I.D. Kanhai Bsc. en mr. B. Pick, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. C. Klein, Hoofd Officier van Justitie.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 15 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eisers zijn respectievelijk op 2 en 10 februari 2020 aangehouden en in verzekering gesteld.

2.2 Na de inverzekeringstelling en het verhoor van eisers gedurende het opsporingsonderzoek, zijn er van hen een aantal verhoren afgenomen, waarna door de vervolgingsambtenaar een Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO) is gevorderd, dat intussen is afgelopen en zijn de stukken in handen van de vervolgingsambtenaar gesteld.

2.3 Op 08 mei 2020 heeft de Rechter-Commissaris (RC) de bewaring van eisers verlengd voorde duur van dertig dagen respectievelijk ingaande 10 mei en 16 mei 2020, derhalve eindigende op respectievelijk 10 juni en 14 juni 2020.

2.4 De vervolgingsambtenaar heeft eisers op 21 mei 2020 gedagvaard teneinde zich te verantwoorden bij de Kantonrechter in het Tweede Kanton voor de strafbare feiten zoals vermeld in de dagvaarding.

2.5 Tegen voormelde dagvaarding hebben eisers ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bezwaar aangetekend.

2.6 Bij beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 08 juni 2020 is de vordering van eisers afgewezen en de gevangenhouding van hen bevolen.

2.7 Tegen de onder 2.6 vermelde beschikkingen hebben eisers hoger beroep aangetekend, welk hoger beroep op 19 juni 2020 bij het Hof van Justitie is behandeld.
Op het appelverzoekschrift van eisers heeft het Hof beslist dat de beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton worden bevestigd onder verbetering van de gronden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1 Eisers vorderen, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om hen binnen één uur na de uitspraak lijfelijk in vrijheid te stellen, met een dwangsom alsmede om gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen naast voormelde vaststaande feiten aan hun vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton ondeugdelijk zijn, omdat de Kantonrechter in het Tweede Kanton:

  • de vorderingen heeft afgewezen, terwijl ex artikel 230 lid 1 Sv de kantonrechter slechts de bevoegdheid geeft om het bezwaar gegrond of ongegrond te verklaren;
  • de gevangenhouding van hen heeft bevolen, zonder dat zij zijn gehoord of daartoe zijn opgeroepen;
  • nadrukkelijk artikel 243 lid 3 Sv heeft genegeerd nu de dagvaarding in haar geheel is vervallen en de kantonrechter de rol van de vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen doen behandelen op een nader door haar te bepalen terechtzitting;
  • ten onrechte heeft aangenomen dat de Centrale Bank van Suriname een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is;
  • ten onrechte heeft aangenomen dat aan de Staat Suriname of een Staatsinstelling nadeel zou zijn gebracht;
  • op basis van een aantal getuigenverklaringen ten onrechte heeft aangenomen dat ernstige bezwaren tegen hen zijn gerezen;
  • de vraag of de dagvaarding lichtvaardig is, ongemotiveerd heeft verworpen.

Verder stellen eisers dat nu zij appèl hebben aangetekend tegen de beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton en de dagvaarding is vervallen totdat in hoger beroep een beslissing is gegeven, zij onrechtmatig van hun vrijheid zijn beroofd.

3.3 Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Uit de stellingen van eisers is het spoedeisend belang in voldoende mate aannemelijk geworden.

4.2 Gedaagde voert als meest verstrekkend verweer aan dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, althans is de kantonrechter in kortgeding niet bevoegd om kennis te nemen van enkele onderdelen van de vordering, omdat hiervoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat en het ter discussie stellen van de juistheid van de rechterlijke beslissing in kortgeding onverenigbaar is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken.

4.3 Ten aanzien van de bevoegdheid van de kantonrechter in kortgeding wordt het volgende overwogen. Het stelsel van strafrechtelijke rechtsmiddelen is een gesloten stelsel, hetgeen betekent dat een strafrechtelijke beslissingen alleen kan worden aangevochten als de strafwet daartoe de mogelijkheden biedt. Hieruit volgt dat de juistheid van een dergelijke beslissing niet in een civiele procedure kan worden aangevochten. Echter heeft, voor wat betreft de rol van de kantonrechter in kortgeding als restrechter, te gelden dat de aanwijzing van de strafrechter als bevoegde rechter of van een speciale strafrechtelijke rechtsgang, de kantonrechter in kortgeding niet onbevoegd maakt. Een partij dient in een vordering in kortgeding niet-ontvankelijk te worden verklaard wanneer de aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. Hiertoe wordt vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin de eiser een met het kortgeding vergelijkbaar resultaat kan bereiken. Derhalve wordt het verweer van gedaagde dat de kantonrechter in kortgeding niet bevoegd om kennis te nemen van enkele onderdelen van de vordering dan ook wel verworpen.

4.4 Nu het strafprocesrecht in een speciale regeling voorziet wat betreft het toetsen van de inhoud van de beschikkingen tot onder meer onbevoegd verklaring of verwijzing naar de terechtzitting, welke regeling is vastgelegd in artikel 232 Sv en voldoende waarborgen voor een snelle rechtsgang biedt en daarmee ook een vergelijkbaar resultaat als in kortgeding kan worden bereikt, zullen eisers derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Het is immers in strijd met het systeem van het strafprocesrecht om de vrijheidsbeneming van personen te laten toetsen bij de kortgedingrechter, terwijl het strafprocesrecht tal van mogelijkheden daartoe biedt.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen zullen niet aan een bespreking worden onderworpen nu deze niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

4.6 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna te vermelden.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering;

5.2 veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. I. Sonai, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kortgeding, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 26 juni 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-8

Beslissing

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer

Beslissing van 19 juni 2020

Op het hoger beroep ingediend door:

VAN TRIKT, ROBERT-GRAY,
geboren op [datum] in Nederland,
accountant en docent van beroep,
wonende aan [adres] te [woonplaats],
appellant,
advocaten: mr. J. Kraag en I.D. Kanhai, BSc.,

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 08 juni 2020, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1. De advocaten van appellant hebben op 11 juni 2020 digitaal een beroepschrift ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;

1.2. Vermeld zij dat het beroepschrift aanvankelijk niet digitaal was doorgestuurd door de verdediging maar slechts de bijlagen digitaal ter griffie waren binnengekomen. Toen dit naderhand bemerkt werd is de verdediging alsnog in de gelegenheid gesteld om het beroepschrift digitaal in te zenden;

1.3. Dit beroepschrift met bijlagen is door de griffie van het Hof digitaal doorgestuurd naar de vervolging waarna de Vervolgingsambtenaar digitaal heeft gereageerd op 18 juni 2020;

1.4. Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen.

1.5. Vermeldenswaard is dat ten tijde van het digitaal indienen van het beroepschrift door appellant (11 juni 2020) de verscherpte overheidsmaatregelen in het kader van het Covid-19 virus reeds waren ingegaan en het Hof in navolging daarvan de behandeling van, onder andere, raadkamerprocedures noodgedwongen en in het belang van de algemene volksgezondheid, anders dan op de tot dat moment gebruikelijke wijze had ingericht. De daartoe strekkende mededeling was door tussenkomst van de administratie van de Griffie van het Hof kenbaar gemaakt op de website van het Hof. De specifieke procedure in de onderhavige zaak is door de griffier per e-mail kenbaar gemaakt aan de procespartijen. In het belang van de algemene volksgezondheid is besloten om – bij wege van hoge uitzondering – tijdelijk af te zien van het telefonisch horen van de verdachte, gelet op de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s voor alle daarbij betrokken actoren. De procedure zelf is ook ingekort en heeft zich beperkt tot het digitaal ingediende beroepschrift met bijlagen gevolgd door een reactie per e-mail van de Vervolgingsambtenaar waarna er een beslissing is gevolgd. De gebruikelijke tweede beurten zijn komen te vervallen hetgeen ook per e-mail aan de procespartijen is medegedeeld door de griffier. Afdrukken van de e-mails inhoudende voorgaande mededelingen afkomstig van de griffier en gericht aan procespartijen bevinden zich in het onderhavige raadkamerdossier;

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep –samengevat- de navolgende grieven aangevoerd:

2.1. De rechter heeft het systeem van ons Wetboek van Strafvordering in zijn geheel veronachtzaamd door de vordering af te wijzen. Artikel 243 Sv verwijst nadrukkelijk naar de artikelen 230 tot en met 232 van het WvSv, en wel met name artikel 230 lid 6 Sv geeft aan de rechter slechts de bevoegdheid om het bezwaar gegrond of ongegrond te verklaren. Afwijzen van het gevorderde is geen bevoegdheid van de Kantonrechter. Bovendien wordt de gevangenhouding van de appellant, toen klager, bevolen. De bevoegdheid om dit bevel te geven mist de Kantonrechter ten ene male en wel om het volgende. In artikel 231 Sv wordt gewag gemaakt van artikel 55 Sv dat aan de rechter-commissaris een bepaalde bevoegdheid geeft en niet aan de Kantonrechter. Indien en voor zover de Kantonrechter meent deze bevoegdheid te moeten ontlenen aan artikel 58 Sv, dan nog heeft de Kantonrechter de dwingende bepaling van dit artikel genegeerd. Ter adstructie van het negeren het volgende. Het bevel mag en kan worden gegeven doch niet nadat hij deze heeft gehoord of heeft opgeroepen om te worden gehoord. Appellant is nimmer opgeroepen om gehoord te worden over de gevangenhouding en blijkt zulks ook niet uit de beschikking, immers verwoordt de Kantonrechter op pagina 1 van de beschikking onder “gelet” dat het bezwaarschrift wordt behandeld en dat de appellant op grond van het bezwaarschrift is gehoord en niet op de gevangenhouding;

2.2. Ten onrechte heeft de Kantonrechter onder het “kopje” beschikkende de dagvaarding in zijn geheel opgenomen en de appellant verwezen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. De Kantonrechter heeft nadrukkelijk lid 3 van artikel 243 Sv genegeerd, immers de dagvaarding is van rechtswege in haar geheel vervallen. De Kantonrechter heeft heel nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar overgenomen en een vervallen dagvaarding willen behandelen op een door haar te bepalen terechtzitting. Een bevoegdheid die zij in haar geheel mist;

2.3. De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de Centrale Bank een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. De Centrale Bank van Suriname is noch een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke organisatie die banden onderhoudt met andere Centrale Banken. De Centrale Bank van Suriname is een sui generis met verantwoordelijkheden onafhankelijk van de Staat. De Centrale Bank opereert dus onafhankelijk van de Staat en heeft weliswaar de Staat als cliënt, doch zulks betekent niet dat het een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. Bovendien kan de overheid op geen enkele wijze een bepaalde mate van invloed aanwenden op de bedrijfsvoering van welke Centrale Bank dan ook op de wereld. De Centrale Bank is dan ook geen staatsinstelling zoals de Kantonrechter zulks ten onrechte meent;

2.4. Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat aan de Staat of een Staatsinstelling nadeel zou zijn toegebracht. Uit de vele getuigenverhoren in de zaak van appellant blijkt niet van enig nadeel. Ten bewijze hiervan het volgende. Uit de getuigenverklaring van met name Hr. G. Hoefdraad is gebleken dat de projecten die zijn aangegaan met Clairfield Benelux allemaal innovatieve projecten zijn en ten gunste zijn voor het land. Het bezwaar van eerder genoemde getuige was dat hij de bedragen als vergoeding voor de projecten niet kende hetgeen volgens de statuten van de Centrale Bank van Suriname ook geen verplichting is. Immers het is de Governor die de Centrale Bank in en buiten rechte vertegenwoordigd;

2.5. De Kantonrechter heeft een aantal getuigenverklaringen gelezen en zijn er volgens haar uit de getuigenverklaringen ernstige bezwaren gerezen. Uit de ingebrekestelling van Clairfield aan de Centrale Bank van Suriname blijkt duidelijk dat er werkzaamheden zijn verricht en dat die werkzaamheden ook ten nutte van de Centrale Bank zijn. Dat er geen prestatie tegenover de betalingen aanwezig is, is onjuist. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van benadeling, integendeel blijkt uit een voice note van de Minister van Financiën, de Hr. G. Hoefdraad, dat de Centrale Bank door moest gaan met de uitvoering van de projecten en dat die projecten in het voordeel van Suriname zijn;

2.6. De vraag of de dagvaarding lichtvaardig is heeft de Kantonrechter ongemotiveerd verworpen. Een persoon dagvaarden brengt met zich mee dat aan hem en/of haar een aantal feiten worden verweten die niet bewezen kunnen worden en/of het bewijs niet aanwezig is, is lichtvaardig dagvaarden. In de praktijk zijn zulke gevallen bekend waarbij te lichtvaardig en slechts op grond van assumpties zoals in onderhavig geval die niet juist bleken en/of blijken te zijn wordt gedagvaard (U denke maar o.a. aan de zaken E.B.S. en [procespartij 1]);

3. De reactie van de Vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het navolgend standpunt gesteld:

Ten aanzien van grief 1:
3.1. Uit artikel 230 lid 6 Sv wordt niet gehaald dat de beslissing van de Kantonrechter een gegrondverklaring zou moeten zijn in stede van afwijzing zulks in tegenstelling tot de gelijknamige Nederlandse bepaling. In de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 6 augustus 2012 inzake beroep ex artikel 243 jo 375 en 376 Sv ten name van [procespartij 2] is het Hof wel tot de bevinding gekomen dat het door klager gevorderde bij de Kantonrechter niet kon worden afgewezen daar de Kantonrechter dit bezwaar niet kan af- of toewijzen, maar slechts gegrond of ongegrond kan verklaren. De Vervolging vraagt thans dan ook om op grond van die beslissing de beschikking van de kantonrechter op dit punt te verbeteren in dier voege dat het bezwaar van appellanten ongegrond zal worden verklaard. Anders dan appellanten stellen dat de Kantonrechter de bevoegdheid mist om de gevangenhouding van appellant te bevelen, is de vervolging van mening dat de Kantonrechter wel de bevoegdheid heeft, dit op grond van artikel 58 Sv die als volgt luidt: “ De Kantonrechter beslist op de terechtzitting of, in geval van een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging of tegen de dagvaarding, bij de behandeling daarvan in raadkamer zo spoedig mogelijk over de vrijheidsbeneming van de verdachte, tegen wie hetzij een bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan, hetzij een bevel tot bewaring, tot gevangenneming of tot verlenging van bewaring of gevangenneming van kracht is.”
Ten aanzien van het verweer van appellant dat hij voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding niet is gehoord en/of opgeroepen geeft de vervolging aan dat vanwege de coronavirus pandemie die ook Suriname in zijn greep heeft, de rechterlijke macht veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, waardoor verdachten thans niet lijfelijk worden gehoord. Op niet naleving van deze regel heeft de wetgever geen sancties verbonden. De verdachte is naar de mening van de Vervolging hierdoor ook niet in zijn belang geschaad, daar hij bij de behandeling van het bezwaarschrift vertegenwoordigd was door zijn raadslieden;

Ten aanzien van grief 2:
3.2. Naar de mening van de Vervolging is dit geen onjuiste beslissing, daar de Kantonrechter de verplichting heeft om de zaak naar de terechtzitting te verwijzen terzake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dit op grond van artikel 230 lid 6 Sv die alsvolgt luidt: “In alle andere gevallen verwijst hij de verdachte ter zake van een in de beschikking bepaald omschreven feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging betrekking had, naar de terechtzitting.” In casu betreft het geen kennisgeving van verdere vervolging doch een dagvaarding. Gelet op hetgeen gesteld is in artikel 243 lid 2 Sv zou thans gelezen kunnen worden een feit waarop de dagvaarding betrekking had. Het is vervolgens de taak van de Vervolging op grond van artikel 233 lid 1 Sv om appellanten weer te dagvaarden voor de terechtzitting en wel op een nader te bepalen datum en tijdstip;

Ten aanzien van grief 3:
3.3. De Vervolging is van mening dat de Centrale Bank wel een publiekrechtelijke organisatie casu quo staatsinstelling is. Dit op grond van het volgende: 1. Artikel 20 van de Bankwet van 1956 luidt als volgt: “ De Bank belast zich kosteloos met de werkzaamheden van Staatskassier en treedt op als bankier van de Staat in alle plaatsen waar zij gevestigd is, of agentschappen zal openen. Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan de Minister en rekenplichtig aan de rekenkamer van Suriname.”2. Artikel 1 e Anti-Corruptiewet luidt als volgt: “ Onder staatsinstelling wordt begrepen een al dan niet door de overheid bij of krachtens wet ingesteld(e) al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, instelling, orgaan of bedrijf; 2. een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, instelling, orgaan of bedrijf, waarin door of vanwege de overheid in een bepaalde mate invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering of de leiding daarvan, doordat de overheid (mede-) aandeelhouder is, dan wel door het verlenen van financiële, materiële, personele of technische ondersteuning. Uit dit artikel valt te destilleren dat De Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is. Voorts geven art. 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet het volgende aan: 1g: publieke functionaris: ieder(e) persoon, autoriteit of orgaan belast met een publieke functie. 1f onder 2: publieke functie: ‘een persoon te werk gesteld bij een staatsinstelling’ m.n. de CBvS. Hieruit valt te destilleren dat een Governor van De Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is;

Ten aanzien van de grieven 4 en 5:
3.4. Appellant heeft slechts de verklaring van G. Hoefdraad die tevens medeverdachte is in de zaak gebruikt om te concluderen dat er geen nadeel is toegebracht en/of geen ernstige bezwaren zijn. Voorts merkt de Vervolging op dat deze verweren die zijn aangevoerd niet het karakter hebben voor een summiere toetsing maar verweren waarvan toetsing –naar het oordeel van de Vervolging- in de gewone procedure (onderzoek ter terechtzitting) dienen plaats te vinden. In casu is slechts van belang als er voldoende aanwijzing van schuld is. Naar de mening van de Vervolging is die er wel en verwijst zij in dat kader naar de verklaringen van de personen van [getuige 1] (directeur CB), [getuige 2] en [getuige 3], afgelegd bij de politie. Voorts verwijst de vervolging naar de verklaring van [getuige 3] afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, het transactieschema in het dossier met betrekking tot de internationale overmakingen alsmede de verklaring van de voormalige Governor van de Centrale Bank, Gersie, afgelegd bij de politie. De Vervolging benadrukt eveneens dat nu uit het politie dossier niet is gebleken dat er openbare aanbestedingen zijn gehouden en dat er verzuimd is juridisch advies in te winnen, de CBvS nu ernstig financieel is benadeeld. De overeenkomsten zijn nimmer ter inzage gelegd van de juridische afdeling van de CBvS. Het houden van openbare aanbestedingen en het inwinnen van juridisch advies zijn waarborgen voor transparantie en beginselen van deugdelijk bestuur;

Ten aanzien van grief 6:
3.5. De Vervolging is van mening dat de Kantonrechter, op de vraag of de dagvaarding lichtvaardig is, wel heeft gemotiveerd. Ook heeft zij gemotiveerd op de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter, later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan appellant ten laste gelegde feiten zal komen;
Op grond van het bovenstaande heeft de Vervolging gevraagd om het verzoek van appellant ongegrond te verklaren en de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 8 juni 2020 te bevestigen, met uitzondering van het gedeelte waar staat afwijzing van het bezwaarschrift en thans te lezen ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

4. De gewraakte beschikking
De kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – zowel de aangevoerde bezwaren tegen de dagvaarding als het verzoek tot buitenvervolgingstelling van de appellant (toen klager) afgewezen, appellant (toen klager) naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting verwezen terzake van de hem in de dagvaarding ten laste gelegde feiten en de gevangenhouding van appellant (toen klager) bevolen.

5. De beoordeling
5.1. Appellant is ingevolge het bepaalde in artikel 232 van het Wetboek van Strafvordering tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van de gewraakte beschikking , weshalve hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

5.2. In casu is aan de orde het hoger beroep van een afwijzende beschikking van een Kantonrechter ten aanzien van bezwaren die zijn ingebracht door appellant tegen een dagvaarding. Appellant heeft een zestal grieven aangevoerd tegen de gewraakte beschikking en het Hof zal die achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief is het Hof van oordeel dat die grief gegrond is maar niet leidt tot vernietiging van de gewraakte beschikking. Immers is het evident dat het een puur terminologische kwestie betreft waarbij het voor een ieder duidelijk is dat met afwijzen een ongegrondverklaring wordt bedoeld door de Kantonrechter. Het dictum van de gewraakte beschikking zal derhalve met inachtneming van het voorgaande in zoverre worden verbeterd dat in stede van: “Wijst af het gevorderde” zal worden gelezen: “ Verklaart het bezwaar van klager ongegrond ”. De wetgever heeft het voorgaande niet expliciet in de wet opgenomen maar ingevolge vaste jurisprudentie van het Hof zal het Hof in navolging daarvan dienovereenkomstig beslissen. Voorts is aan de orde gesteld de vraag of de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de gevangenhouding van de appellant (toen klager) te bevelen. Evenals de vervolging is het Hof van oordeel dat de Kantonrechter die bevoegdheid toekomt en dat die bevoegdheid is gegrondvest op het bepaalde in artikel 58 Sv. Ten aanzien van het niet horen van de appellant in het kader van het gegeven bevel van gevangenhouding door de Kantonrechter wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 1.5. is aangegeven en waaruit blijkt dat in het kader van de Covid-19 maatregelen van overheidswege er sprake is van een uitzonderingstoestand waardoor bij hoge uitzondering tijdelijk is afgezien van het horen van verdachten. Derhalve zal het Hof geen consequentie verbinden aan het niet horen van de appellant (toen klager) door de Kantonrechter alvorens diens gevangenhouding te bevelen bij de gewraakte beschikking;

5.3. De tweede grief betreft de vraag of de Kantonrechter bevoegd is om de dagvaarding onder het kopje “beschikkende” in zijn geheel op te nemen en de appellant te verwijzen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting en of de Kantonrechter daardoor nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een nader door haar te bepalen terechtzitting. Het eerste onderdeel van de grief beoordelend komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 230 lid 6 Sv de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de zaak naar een nader te bepalen terechtzitting te verwijzen ter zake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dat onderdeel van de grief is derhalve ongegrond gebleken. Het ander onderdeel van de grief dat aangeeft dat de Kantonrechter door aldus te handelen nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een terechtzitting, ondergaat mutatis mutandis hetzelfde lot. Inderdaad is op grond van het bepaalde in artikel 243 lid 3 Sv de (oorspronkelijke) dagvaarding van rechtswege in haar geheel vervallen. Maar het Hof begrijpt uit de overweging van de Kantonrechter niet dat zij de vervallen dagvaarding nieuw leven heeft willen inblazen; immers is het vanzelfsprekend dat appellant (toen klager) ingevolge het bepaalde in artikel 233 lid 1 Sv (opnieuw) gedagvaard zal worden voor de nadere door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. Ingevolge het bepaalde in artikel 238 lid 4 Sv is het de Kantonrechter die de zaak appointeert en door het bepaaldelijk omschrijven van de beschuldiging in de gewraakte beschikking –zoals de wetgever in artikel 230 lid 6 Sv heeft voorgeschreven- heeft de Kantonrechter voldaan aan een wettelijk voorschrift en is geenszins op de stoel van de Vervolgingsambtenaar gaan zitten. Gelet op het voorgaande is voormeld onderdeel van de aangevoerde grief eveneens ongegrond gebleken;

5.4. Thans zal het Hof overgaan tot beoordeling van de derde grief van appellant zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. Dienaangaande komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 20 van de Bankwet van 1956 en artikel 1 e van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang moet worden bezien, vooralsnog wel te destilleren valt dat de Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is en getuigt het oordeel van de Kantonrechter dienaangaande in de gewraakte beschikking niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts blijkt in het verlengde hiervan uit het bepaalde in artikel 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang wordt bezien, dat een Governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is. Ook deze vaststelling van de Kantonrechter getuigt in de visie van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. De derde grief van appellant zal op grond van al het voorgaande worden verworpen;

5.5. De vierde en vijfde grief van appellant – zoals hiervoor weergegeven onder 2.4 en 2.5 – besprekend komt het Hof tot de slotsom dat het nader onderzoek op de terechtzitting klaarheid zal dienen te brengen of er al dan niet financieel nadeel is toegebracht casu quo financieel voordeel is genoten door appellant. Hetgeen thans in de visie van het Hof vaststaat is dat -op grond van een aantal verklaringen afgelegd bij de politie en/of ten overstaan van de rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek– er wel ernstige bezwaren ten aanzien van appellant overeind staan die nopen tot nader onderzoek op de terechtzitting. Met het voorgaande wordt de zesde grief eveneens geacht te zijn besproken en verworpen. Dezerzijds wordt vastgesteld dat er in de visie van het Hof geenszins sprake is van een lichtvaardige dagvaarding waarbij appellant op ontoereikende gronden in het openbaar dient terecht te staan. De daartoe strekkende overweging van de Kantonrechter is in de visie van het Hof voldoende gemotiveerd en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Immers betreft de onderhavige toets slechts de haalbaarheidstoets en de toets van lichtvaardige vervolging waarbij er geen ruimte is voor bewijsperikelen. Evenals de Kantonrechter is het Hof van oordeel dat voormelde toets de balans niet in de richting van appellant doet uitslaan;

5.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven tegen de gewraakte beschikking geen stand houden en dienen te worden verworpen. Nu het Hof ambtshalve geen andere gronden zijn gebleken die tot vernietiging van de gewraakte beschikking aanleiding zouden geven zal de beslissing van de Kantonrechter worden bevestigd, onder verbetering van gronden zoals hiervoor onder 5.2. aangegeven.

6. Beslissing in hoger beroep
Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 8 juni 2020, onder verbetering van gronden als hiervoor onder 5.2. aangegeven;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 19 juni 2020 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Singh, waarnemend Substituut-Griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh
w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g . J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-7

Beslissing

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Meervoudige strafkamer

Beslissing van 19 juni 2020

Op het hoger beroep ingediend door:

[appelant],
geboren op [datum] te [district],
accountant van beroep,
wonende aan [adres] te [woonplaats],
appellant,
advocaten: I.D. Kanhai, BSc. en mr. B.A.H. Pick,

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 08 juni 2020, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1. De advocaten van appellant hebben op 11 juni 2020 digitaal een beroepschrift ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;

1.2. Dit beroepschrift met bijlagen is door de griffie van het Hof digitaal doorgestuurd naar de vervolging waarna de Vervolgingsambtenaar digitaal heeft gereageerd op 18 juni 2020;

1.3. Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen.

1.4. Vermeldenswaard is dat ten tijde van het digitaal indienen van het beroepschrift door appellant (11 juni 2020) de verscherpte overheidsmaatregelen in het kader van het Covid-19 virus reeds waren ingegaan en het Hof in navolging daarvan de behandeling van, onder andere, raadkamerprocedures noodgedwongen en in het belang van de algemene volksgezondheid, anders dan op de tot dat moment gebruikelijke wijze heeft ingericht. De daartoe strekkende mededeling was door tussenkomst van de administratie van de Griffie van het Hof kenbaar gemaakt op de website van het Hof. De specifieke procedure is in de onderhavige zaak door de griffier kenbaar gemaakt worden aan de procespartijen. In het belang van de algemene volksgezondheid is besloten om – bij wege van hoge uitzondering – tijdelijk af te zien van het telefonisch horen van de verdachte, gelet op de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s voor alle daarbij betrokken actoren. De procedure zelf is ook ingekort en heeft zich beperkt tot het digitaal ingediende beroepschrift met bijlagen gevolgd door een reactie per e-mail van de Vervolgingsambtenaar waarna er een beslissing is gevolgd. De gebruikelijke tweede beurten zijn komen te vervallen hetgeen ook digitaal aan de procespartijen is medegedeeld door de griffier. Afdrukken van de e-mails inhoudende voorgaande mededelingen afkomstig van de griffier en gericht aan procespartijen bevinden zich in het onderhavige raadkamerdossier;

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep –samengevat- de navolgende grieven aangevoerd:
2.1. De rechter heeft het systeem van ons Wetboek van Strafvordering in zijn geheel veronachtzaamd door de vordering af te wijzen. Artikel 243 Sv verwijst nadrukkelijk naar de artikelen 230 tot en met 232 van het WvSv, en wel met name artikel 230 lid 6 Sv geeft aan de rechter slechts de bevoegdheid om het bezwaar gegrond of ongegrond te verklaren. Afwijzen van het gevorderde is geen bevoegdheid van de Kantonrechter. Bovendien wordt de gevangenhouding van de appellant, toen klager, bevolen. De bevoegdheid om dit bevel te geven mist de Kantonrechter ten ene male en wel om het volgende. In artikel 231 Sv wordt gewag gemaakt van artikel 55 Sv dat aan de rechter-commissaris een bepaalde bevoegdheid geeft en niet aan de Kantonrechter. Indien en voor zover de Kantonrechter meent deze bevoegdheid te moeten ontlenen aan artikel 58 Sv, dan nog heeft de Kantonrechter de dwingende bepaling van dit artikel genegeerd. Ter adstructie van het negeren het volgende. Het bevel mag en kan worden gegeven doch niet nadat hij deze heeft gehoord of heeft opgeroepen om te worden gehoord. Appellant is nimmer opgeroepen om gehoord te worden over de gevangenhouding en blijkt zulks ook niet uit de beschikking, immers verwoordt de Kantonrechter op pagina 1 van de beschikking onder “gelet” dat het bezwaarschrift wordt behandeld en dat de appellant op grond van het bezwaarschrift is gehoord en niet op de gevangenhouding;

2.2. Ten onrechte heeft de Kantonrechter onder het “kopje” beschikkende de dagvaarding in zijn geheel opgenomen en de appellant verwezen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. De Kantonrechter heeft nadrukkelijk lid 3 van artikel 243 Sv genegeerd, immers de dagvaarding is van rechtswege in haar geheel vervallen. De Kantonrechter heeft heel nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar overgenomen en een vervallen dagvaarding willen behandelen op een door haar te bepalen terechtzitting. Een bevoegdheid die zij in haar geheel mist;

2.3. De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de Centrale Bank een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. De Centrale Bank van Suriname is noch een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke organisatie die banden onderhoudt met andere Centrale Banken. De Centrale Bank van Suriname is een sui generis met verantwoordelijkheden onafhankelijk van de Staat. De Centrale Bank opereert dus onafhankelijk van de Staat en heft weliswaar de Staat als cliënt, doch zulks betekent niet dat het een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. Bovendien kan de overheid op geen enkele wijze een bepaalde mate van invloed aanwenden op de bedrijfsvoering van welke Centrale Bank dan ook op de wereld. De Centrale Bank is dan ook geen staatsinstelling zoals de Kantonrechter zulks ten onrechte meent;

2.4. Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat aan de Staat of een Staatsinstelling nadeel zou zijn toegebracht. Uit de vele getuigenverhoren in de zaak van appellant blijkt niet van enig nadeel. Ten bewijze hiervan het volgende. Uit de getuigenverklaring van met name Hr. G. Hoefdraad is gebleken dat de projecten die zijn aangegaan met Clairfield Benelux allemaal innovatieve projecten zijn en ten gunste zijn voor het land. Het bezwaar van eerder genoemde getuige was dat hij de bedragen als vergoeding voor de projecten niet kende hetgeen volgens de statuten van de Centrale Bank van Suriname ook geen verplichting is. Immers het is de Governor die de Centrale Bank in en buiten rechte vertegenwoordigd;

2.5. De Kantonrechter heeft een aantal getuigenverklaringen gelezen en zijn er volgens haar uit de getuigenverklaringen ernstige bezwaren gerezen. Uit de ingebrekestelling van Clairfield aan de Centrale Bank van Suriname blijkt duidelijk dat er werkzaamheden zijn verricht en dat die werkzaamheden ook ten nutte van de Centrale Bank zijn. Dat er geen prestatie tegenover de betalingen aanwezig is, is onjuist. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van benadeling, integendeel blijkt uit een voice note van de Minister van Financiën, de Hr. G. Hoefdraad, dat de Centrale Bank door moest gaan met de uitvoering van de projecten en dat die projecten in het voordeel van Suriname zijn;

2.6. De Kantonrechter heeft de vijf overeenkomsten van Orion en de Centrale Bank van Suriname een kwalificatie gegeven dat onjuist is. Orion Assurance is als bedrijf vijf overeenkomsten aangegaan waarvan twee overeenkomsten door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] beide directeuren van de Centrale Bank als marktconform en noodzakelijk zijn geacht voor de Bank. De drie andere overeenkomsten betreffen de wapenkamer alwaar er geen procedureregels bestonden en de begeleiding van een stagiaire welke begeleiding gepaard is gegaan met veel tijd. Het betreft een overeenkomst van US$ 2.500,- (Tweeduizend en Vijfhonderd Amerikaanse Dollars);

2.7. De vraag of de dagvaarding lichtvaardig is heeft de Kantonrechter ongemotiveerd verworpen. Een persoon dagvaarden brengt met zich mee dat aan hem en/of haar een aantal feiten worden verweten die niet bewezen kunnen worden en/of het bewijs niet aanwezig is, is lichtvaardig dagvaarden. In de praktijk zijn zulke gevallen bekend waarbij te lichtvaardig en slechts op grond van assumpties zoals in onderhavig geval die niet juist bleken en/of blijken te zijn wordt gedagvaard (U denke maar o.a. aan de zaken E.B.S. en [procespartij 1 ]);

3. De reactie van de Vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het navolgend standpunt gesteld:

Ten aanzien van grief 1:
3.1. Uit artikel 230 lid 6 Sv wordt niet gehaald dat de beslissing van de Kantonrechter een gegrondverklaring zou moeten zijn in stede van afwijzing zulks in tegenstelling tot de gelijknamige Nederlandse bepaling. In de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 6 augustus 2012 inzake beroep ex artikel 243 jo 375 en 376 Sv ten name van [procespartij 2] is het Hof wel tot de bevinding gekomen dat het door klager gevorderde bij de Kantonrechter niet kon worden afgewezen daar de Kantonrechter dit bezwaar niet kan af- of toewijzen, maar slechts gegrond of ongegrond kan verklaren. De Vervolging vraagt thans dan ook om op grond van die beslissing de beschikking van de Kantonrechter op dit punt te verbeteren in dier voege dat het bezwaar van appellanten ongegrond zal worden verklaard. Anders dan appellanten stellen dat de Kantonrechter de bevoegdheid mist om de gevangenhouding van appellant te bevelen, is de vervolging van mening dat de Kantonrechter wel de bevoegdheid heeft, dit op grond van artikel 58 Sv die als volgt luidt: “ De Kantonrechter beslist op de terechtzitting of, in geval van een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging of tegen de dagvaarding, bij de behandeling daarvan in raadkamer zo spoedig mogelijk over de vrijheidsbeneming van de verdachte, tegen wie hetzij een bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan, hetzij een bevel tot bewaring, tot gevangenneming of tot verlenging van bewaring of gevangenneming van kracht is.”
Ten aanzien van het verweer van appellant dat hij voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding niet is gehoord en/of opgeroepen geeft de vervolging aan dat vanwege de coronavirus pandemie die ook Suriname in zijn greep heeft, de rechterlijke macht veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, waardoor verdachten thans niet lijfelijk worden gehoord. Op niet naleving van deze regel heeft de wetgever geen sancties verbonden. De verdachte is naar de mening van de Vervolging hierdoor ook niet in zijn belang geschaad, daar hij bij de behandeling van het bezwaarschrift vertegenwoordigd was door zijn raadslieden;

Ten aanzien van grief 2:
3.2. Naar de mening van de Vervolging is dit geen onjuiste beslissing, daar de Kantonrechter de verplichting heeft om de zaak naar de terechtzitting te verwijzen terzake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dit op grond van artikel 230 lid 6 Sv die als volgt luidt: “In alle andere gevallen verwijst hij de verdachte ter zake van een in de beschikking bepaald omschreven feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging betrekking had, naar de terechtzitting.” In casu betreft het geen kennisgeving van verdere vervolging doch een dagvaarding. Gelet op hetgeen gesteld is in artikel 243 lid 2 Sv zou thans gelezen kunnen worden een feit waarop de dagvaarding betrekking had. Het is vervolgens de taak van de Vervolging op grond van artikel 233 lid 1 Sv om appellanten weer te dagvaarden voor de terechtzitting en wel op een nader te bepalen datum en tijdstip;

Ten aanzien van grief 3:
3.3. De Vervolging is van mening dat de Centrale Bank wel een publiekrechtelijke organisatie casu quo staatsinstelling is. Dit op grond van het volgende: 1. Artikel 20 van de Bankwet van 1956 luidt als volgt: “ De Bank belast zich kosteloos met de werkzaamheden van Staatskassier en treedt op als bankier van de Staat in alle plaatsen waar zij gevestigd is, of agentschappen zal openen. Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan de Minister en rekenplichtig aan de rekenkamer van Suriname.”2. Artikel 1 e Anti-Corruptiewet luidt als volgt: “ Onder staatsinstelling wordt begrepen een al dan niet door de overheid bij of krachtens wet ingesteld(e) al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, instelling, orgaan of bedrijf; 2. een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, instelling, orgaan of bedrijf, waarin door of vanwege de overheid in een bepaalde mate invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering of de leiding daarvan, doordat de overheid (mede-) aandeelhouder is, dan wel door het verlenen van financiële, materiële, personele of technische ondersteuning. Uit dit artikel valt te destilleren dat De Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is. Voorts geven art. 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet het volgende aan: 1g: publieke functionaris: ieder(e) persoon, autoriteit of orgaan belast met een publieke functie. 1f onder 2: publieke functie: ‘een persoon te werk gesteld bij een staatsinstelling’ m.n. de CbvS. Hieruit valt te destilleren dat een Governor van De Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is;

Ten aanzien van de grieven 4 en 5:
3.4. Appellant heeft slechts de verklaring van G. Hoefdraad die tevens medeverdachte is in de zaak gebruikt om te concluderen dat er geen nadeel is toegebracht en/of geen ernstige bezwaren zijn. Voorts merkt de Vervolging op dat deze verweren die zijn aangevoerd niet het karakter hebben voor een summiere toetsing maar verweren waarvan toetsing –naar het oordeel van de Vervolging- in de gewone procedure (onderzoek ter terechtzitting) dienen plaats te vinden. In casu is slechts van belang als er voldoende aanwijzing van schuld is. Naar de mening van de Vervolging is die er wel en verwijst zij in dat kader naar de verklaringen van de personen van [getuige 1] (directeur CB), [getuige 3] en [getuige 4], afgelegd bij de politie. Voorts verwijst de vervolging naar de verklaring van [getuige 5] afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, het transactieschema in het dossier met betrekking tot de internationale overmakingen alsmede de verklaring van de voormalige Governor van de Centrale Bank, Gersie, afgelegd bij de politie. De Vervolging benadrukt eveneens dat nu uit het politiedossier niet is gebleken dat er openbare aanbestedingen zijn gehouden en dat er verzuimd is juridisch advies in te winnen, de CBvS nu ernstig financieel is benadeeld. De overeenkomsten zijn nimmer ter inzage gelegd van de juridische afdeling van de CBvS. Het houden van openbare aanbestedingen en het inwinnen van juridisch advies zijn waarborgen voor transparantie en beginselen van deugdelijk bestuur;

Ten aanzien van grief 6:
3.5. De Vervolging geeft aan dat de financiële voordelen voortvloeiende uit de overeenkomsten tussen CBvS en Orion wordt opgemerkt als te zijn overeenkomsten met financiële voordelen t.a.v. ORION, daar er gebleken is dat er wel geldbedragen zijn betaald aan ORION en/of verdachte [appellant]. De vervolging stelt voorts dat voor wat betreft de verdachte [appellant] hem zowel medeplegen als medeplichtigheid aan een kwaliteitsdelict kan worden opgelegd. Er is ook sprake van een kwaliteitsdelict wanneer een van hen niet de kwaliteit bezit. In casu was [appellant] geen publieke functionaris/Governor, slechts de verdachte van Trikt had die functie/kwaliteit. Maar volgens Tekst en Commentaar (Cleiren e.a. 5de druk, pagina 335;360 en 361) wordt er gesteld dat bij een kwaliteitsdelict het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist is. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft niet zelf in het bezit te zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft;

Ten aanzien van grief 7:
3.6. De Vervolging is van mening dat de Kantonrechter, op de vraag of de dagvaarding lichtvaardig is, wel heeft gemotiveerd. Ook heeft zij gemotiveerd op de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter, later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan appellant ten laste gelegde feiten zal komen;
Op grond van het bovenstaande heeft de Vervolging gevraagd om het verzoek van appellant ongegrond te verklaren en de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 8 juni 2020 te bevestigen, met uitzondering van het gedeelte waar staat afwijzing van het bezwaarschrift en thans te lezen ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

4. De gewraakte beschikking
De kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – zowel de aangevoerde bezwaren tegen de dagvaarding als het verzoek tot buitenvervolgingstelling van de appellant (toen klager) afgewezen, appellant (toen klager) naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting verwezen terzake van de hem in de dagvaarding ten laste gelegde feiten en de gevangenhouding van appellant (toen klager) bevolen.

5. De beoordeling
5.1. Appellant is ingevolge het bepaalde in artikel 232 van het Wetboek van Strafvordering tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van de gewraakte beschikking , weshalve hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

5.2. In casu is aan de orde het hoger beroep van een afwijzende beschikking van een Kantonrechter ten aanzien van bezwaren die zijn ingebracht door appellant tegen een dagvaarding. Daarbij is appellant voorts verwezen naar een nader te bepalen terechtzitting en is zijn gevangenhouding gelast. Appellant heeft een zevental grieven aangevoerd tegen de gewraakte beschikking en het Hof zal die achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief is het Hof van oordeel dat die grief gegrond is maar niet leidt tot vernietiging van de gewraakte beschikking. Immers is het evident dat het een puur terminologische kwestie betreft waarbij het voor een ieder duidelijk is dat met afwijzen een ongegrondverklaring wordt bedoeld door de Kantonrechter. Het dictum van de gewraakte beschikking zal derhalve met inachtneming van het voorgaande in zoverre worden verbeterd dat in stede van: “Wijst af het gevorderde” zal worden gelezen: “ Verklaart het bezwaar van klager ongegrond ”. De wetgever heeft het voorgaande niet expliciet in de wet opgenomen maar ingevolge vaste jurisprudentie van het Hof zal het Hof in navolging daarvan dienovereenkomstig beslissen. Voorts is aan de orde gesteld de vraag of de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de gevangenhouding van de appellant (toen klager) te bevelen. Evenals de vervolging is het Hof van oordeel dat de Kantonrechter die bevoegdheid toekomt en dat die bevoegdheid is gegrondvest op het bepaalde in artikel 58 Sv. Ten aanzien van het niet horen van de appellant in het kader van het gegeven bevel van gevangenhouding door de Kantonrechter wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 1.5. is aangegeven en waaruit blijkt dat in het kader van de Covid-19 maatregelen van overheidswege er sprake is van een uitzonderingstoestand waardoor tijdelijk is afgezien van het horen van verdachten. Derhalve zal het Hof geen consequentie verbinden aan het niet horen van de appellant (toen klager) door de Kantonrechter bij de behandeling van het bezwaarschrift in eerste aanleg;

5.3. De tweede grief betreft de vraag of de Kantonrechter bevoegd is om de dagvaarding onder het kopje “beschikkende” in zijn geheel op te nemen en de appellant te verwijzen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting en of de Kantonrechter daardoor nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een nader door haar te bepalen terechtzitting. Het eerste onderdeel van de grief beoordelend komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 230 lid 6 Sv de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de zaak naar een nader te bepalen terechtzitting te verwijzen ter zake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dat onderdeel van de grief is derhalve ongegrond gebleken. Het ander onderdeel van de grief dat aangeeft dat de Kantonrechter door aldus te handelen nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een terechtzitting, ondergaat mutatis mutandis hetzelfde lot. Inderdaad is op grond van het bepaalde in artikel 243 lid 3 Sv de (oorspronkelijke) dagvaarding van rechtswege in haar geheel vervallen. Maar het Hof begrijpt uit de overweging van de Kantonrechter niet dat zij de vervallen dagvaarding nieuw leven heeft willen inblazen; immers is het vanzelfsprekend dat appellant (toen klager) ingevolge het bepaalde in artikel 233 lid 1 Sv (opnieuw) gedagvaard zal worden voor de nadere door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. Ingevolge het bepaalde in artikel 238 lid 4 Sv is het de Kantonrechter die de zaak appointeert en door het bepaaldelijk omschrijven van de beschuldiging in de beschikking –zoals de wetgever in artikel 230 lid 6 Sv heeft voorgeschreven- heeft de Kantonrechter voldaan aan een wettelijk voorschrift en is geenszins op de stoel van de Vervolgingsambtenaar gaan zitten. Gelet op het voorgaande is voormeld onderdeel van de aangevoerde grief eveneens ongegrond gebleken;

5.4. Thans zal het Hof overgaan tot beoordeling van de derde grief van appellant zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. Dienaangaande komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 20 van de Bankwet van 1956 en artikel 1 e van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang moet worden bezien, wel te destilleren valt dat de Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is en getuigt het oordeel van de Kantonrechter dienaangaande in de gewraakte beschikking niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts blijkt in het verlengde hiervan uit het bepaalde in artikel 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang wordt bezien, dat een Governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is. Ook deze vaststelling van de Kantonrechter getuigt in de visie van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. De derde grief van appellant zal op grond van al het voorgaande worden verworpen;

5.5. De vierde en vijfde grief van appellant – zoals hiervoor weergegeven onder 2.4 en 2.5 – besprekend komt het Hof tot de slotsom dat het nader onderzoek op de terechtzitting klaarheid zal dienen te brengen of er al dan niet financieel nadeel is toegebracht casu quo financieel voordeel is genoten door appellant. Hetgeen thans in de visie van het Hof vaststaat is dat -op grond van een aantal verklaringen afgelegd bij de politie en/of ten overstaan van de rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek– er wel ernstige bezwaren ten aanzien van appellant overeind staan die nopen tot nader onderzoek op de terechtzitting. Met het voorgaande wordt de zesde grief eveneens geacht te zijn besproken en verworpen.

5.6. De zesde grief van appellant beoordelend – zoals hiervoor onder 2.6. weergegeven – komt het Hof tot de navolgende slotsom. Deze grief betreft een door de Kantonrechter gegeven kwalificatie aan een vijftal overeenkomsten. Mede naar aanleiding van de door de Vervolgingsambtenaar geciteerde getuigenverklaringen tijdens het voorbereidend onderzoek van [getuige 2], Gersie (ex-Governor), [getuige 5] (ex-regeringscommissaris) en [getuige 2] komt het Hof tot de slotsom dat de door de Kantonrechter gegeven kwalificatie aan voormelde overeenkomsten vooralsnog niet van elke grond ontbloot is. Nu de onderhavige toets een haalbaarheidstoets betreft zal uiteindelijk het onderzoek op de terechtzitting moeten worden afgewacht teneinde het een en ander nader te onderzoeken en vast te stellen. De consequentie van het voorgaande is dat voormelde grief eveneens voor verwerping in aanmerking komt;

5.7. Ten slotte komt het Hof toe aan bespreking van de zevende grief van appellant. In tegenstelling tot appellant heeft de Kantonrechter in de visie van het Hof in de gewraakte beschikking deugdelijk gemotiveerd waarom zij niet tot de slotsom komt dat de dagvaarding van verdachte lichtvaardig is. Zij heeft daartoe aangegeven dat zij na bestudering van het dossier en met name na bestudering van een achttal door haar in de gewraakte beschikking genoemde getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot deze slotsom is gekomen. Voorts heeft zij aangegeven dat uit de processtukken blijkt dat appellant (toen klager) vanwege zijn voortdurend overleg met Robert-Gray van Trikt over (te plegen) transacties, op de hoogte was van de handelingen van zijn sparringspartner en dat appellant (toen klager) ook diensten heeft verleend om Robert-Gray van Trikt te ondersteunen in handelingen, die uiteindelijk ertoe hebben geleid dat er ernstige verdenkingen tegen appellant (toen klager) bestaan als gevolg waarvan het openbaar ministerie hem heeft gedagvaard. De daartoe strekkende grief van appellant is op grond van het voorgaande ten onrechte aangevoerd en zal derhalve worden verworpen;

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven tegen de gewraakte beschikking geen stand houden en dienen te worden verworpen. Nu het Hof ambtshalve geen andere gronden zijn gebleken die tot vernietiging van de gewraakte beschikking aanleiding zouden geven zal de beslissing van de Kantonrechter worden bevestigd, onder verbetering van gronden zoals hiervoor onder 5.2. aangegeven.

6. Beslissing in hoger beroep

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 8 juni 2020, onder verbetering van gronden als hiervoor onder 5.2. aangegeven;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 19 juni 2020 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Singh, waarnemend Substituut-Griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh
w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g . J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2019-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant] ,
wonende in het [district 1],
appellant in conventie en reconventie, hierna ook te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district 2],
geïntimeerde in conventie en reconventie, hierna ook te noemen [geïntimeerde],
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 13 mei 2014 (A.R.No. 063335) tussen [appellant] als eiser in conventie/gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/ eiser in reconventie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, bij vervroeging het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • de verklaring d.d. 20 mei 2014 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • een pleitnota van 16 januari 2015 met een aantal producties;
  • een antwoordnota van 20 maart 2015;
  • een replieknota van 15 mei 2015 en
  • een dupliekpleitnota van 7 augustus 2015.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis aanvankelijk bepaald op 6 november 2015 is nader bepaald op heden.

De vaststaande feiten
In conventie en reconventie:
1. Tussen partijen staat het navolgende vast:

a) In een overeenkomst van 5 januari 2002 met als titel ‘ SCHULDBEKENTENIS’ staan als ondergetekenden vermeld: ‘[geïntimeerde]’ en ‘[appellant]’. [geïntimeerde] verklaart in deze overeenkomst dat hij aan [appellant] verschuldigd is een bedrag van honderdzestigduizend Nederlandse gulden (Nlg 160.000,–) en dat hij zich verbindt de geleende som met 5% rente per jaar af te lossen. De looptijd van de lening bedraagt één jaar, te rekenen vanaf 5 januari 2002. De terugbetaling heeft niet plaatsgevonden.
b) Onder het kopje ‘Geschillen’ staat in de schuldbekentenis vermeld: ‘Alle geschillen, die op enigerlei wijze verband houden met de lening waarop deze schuldbekentenis betrekking heeft worden uitsluitend beslecht door een bevoegde rechter in het Arrondissement aangewezen door de Schuldeiser.’ En voorts: ‘Deze overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht.’
c) [appellant] heeft terzake conservatoir beslag doen leggen op aan [geïntimeerde] toebehorende in Suriname gelegen percelen.

De stellingen en verweren in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter
In conventie en reconventie
2. [appellant] voert aan dat de in de overeenkomst genoemde [geïntimeerde] dezelfde persoon is als [geïntimeerde], dat deze weigert het bedrag van Nlg 160.000,– terug te betalen en dat hij daarom de betaling in rechte opvordert met rente en kosten en vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.

3. [geïntimeerde] ontkent dat hij dezelfde persoon is als genoemde [geïntimeerde] en ontkent dat hij de schuldbekentenis heeft ondertekend.

4. Bij tussenvonnis van 26 januari 2010 heeft de kantonrechter [appellant] toegelaten om met alle middelen rechtens, te bewijzen dat [geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft ondertekend en dat [geïntimeerde] daardoor het genoemde bedrag aan [appellant] verschuldigd is.

5. Nadat in enquête 4 getuigen zijn gehoord en 3 gelegaliseerde schriftelijke verklaringen zijn overgelegd, en in contra-enquête eveneens 4 getuigen zijn gehoord, komt de kantonrechter tot de conclusie dat het bewijs niet geleverd is, waarna zij in conventie de vorderingen heeft afgewezen en in reconventie de gevorderde opheffing van de beslagen heeft toegewezen.

Beoordeling van het geschil
In conventie en reconventie
6.[appellant] heeft 7 grieven aangedragen, waarop hierna wordt ingegaan, en geconcludeerd tot de vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en reconventie en tot het toewijzen van de oorspronkelijke vorderingen en tot afwijzing van de vordering in reconventie. [geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van de vordering in hoger beroep en bevestiging van het bestreden vonnis.

7. [geïntimeerde] voert allereerst aan dat [appellant] te vroeg, immers binnen de in artikel 264 Rv lid 1 genoemde termijn van 8 dagen, in hoger beroep is gekomen. Dit verweer wordt verworpen. De regeling opgenomen in genoemd artikel, bedoeld om onberaden appellen te voorkomen, diende ter bescherming van de appellant en kan redelijkerwijs niet in zijn nadeel worden uitgelegd. De regeling van artikel 264 lid 1 Rv. is daarom ook weggelaten in het voorgestelde ontwerp van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dezelfde lijn is het sinds 2011 vaste rechtspraak van dit hof dat het niet billijk wordt geacht dat een partij, die niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest en die het rechtsmiddel van hoger beroep heeft ingesteld voordat het vonnis bij griffiersbrief (ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 jo 264 lid 3 Rv.) aan die partij is meegedeeld, daardoor niet – ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

8. [geïntimeerde] voert vervolgens aan dat de kantonrechter niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen, nu de onderhavige overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Ook dit verweer is tevergeefs voorgedragen. Ook als partijen overeenkomen dat Nederlands recht van toepassing is wil dat nog niet zeggen dat de kantonrechter in Suriname niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Het betreft hier immers een rechtskeuze en geen keuze voor een bevoegde rechter. Overigens blijkt uit de overeenkomst dat [appellant] de bevoegde rechter mag aanwijzen, woont [geïntimeerde] in Paramaribo en is bij een opheffing van een beslag de bevoegde rechter de rechter in wiens kanton het onroerend goed is gelegen. De kantonrechter in het eerst kanton is derhalve zondermeer bevoegd van de vordering kennis te nemen.

9. Alle grieven betogen, telkens net iets anders geformuleerd, hetzelfde, namelijk dat het bewijs wel geleverd is en dat de kantonrechter ten onrechte tot een andersluidend oordeel is gekomen. Daar voegt [appellant] nog aan toe dat de kantonrechter er geen blijk van heeft gegeven dat zij kennis heeft genomen van de drie bij enquête overgelegde, schriftelijke verklaringen. De grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling. Op het verweer wordt zonodig bij de behandeling van de grieven ingegaan.

10. Uit het dossier van de eerste aanleg blijkt dat [appellant] tijdens de gehouden enquête de drie door hem bedoelde, schriftelijke, getuigenverklaringen heeft overgelegd. In de beschrijving van het procesverloop in het bestreden vonnis staat dit niet vermeld. Ook uit de beoordeling van de vraag of het bewijs is geleverd wordt in het bestreden vonnis niet op de inhoud van deze verklaringen ingegaan. Het Hof houdt het er daarom voor dat deze verklaringen door de kantonrechter niet zijn meegenomen bij de beoordeling.

11. Tegen het tussenvonnis van de kantonrechter is niet opgekomen in Hoger Beroep. Het Hof kan zich hier ook in vinden, zodat in hoger beroep wordt uitgegaan van de in dat vonnis gegeven bewijsopdracht, zoals deze hiervoor is vermeld onder 4. Het Hof zal in zijn beoordeling van het antwoord op de vraag of het bewijs al dan niet is geleverd, dat [geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft getekend en dat hij hierdoor het genoemde bedrag aan [appellant] verschuldigd is, de genoemde schriftelijke verklaringen meenemen in zijn oordeel.

12. Het betreffen drie in Nederland afgelegde, door een notaris gelegaliseerde, verklaringen door respectievelijk [naam 1], neef van [appellant], [naam 2] , broer van [appellant], en [naam 3], ex-vrouw van [appellant]. Beide partijen, neven van elkaar, zijn hen goed bekend. Alle drie de getuigen schetsen dezelfde achtergrond voor de vordering als [appellant] al in de stukken heeft gedaan: Een zestal personen, waaronder de getuige [naam 1], [appellant] en [geïntimeerde], wilden gezamenlijk een stuk grond kopen voor Nlg 600.000,–, welke grond gelegen was in Suriname. Omdat de meesten de Nederlandse nationaliteit hadden spraken ze af dat een Stichting zou worden opgericht, die de naam zou krijgen Awdhani Gawni, (verder de Stichting) welke Stichting de grond zou kopen. [appellant] heeft in de loop van het jaar 2000 in gedeelten een bedrag van in totaal Nlg 160.000,– bij de bank opgenomen. Hij heeft vervolgens in totaal Nlg 150.000,– aan de verkoper van de percelen, [naam 4], overhandigd en Nlg 10.000,– aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft de Stichting opgericht en de grond in naam van die Stichting aangekocht. Maar anders dan afgesproken heeft hij een aantal van genoemde zes personen, waaronder [appellant] en [naam 1], buiten het bestuur van de Stichting gelaten. Hij weigert om [appellant] zijn geld terug te betalen. In 2001 verklaart [geïntimeerde] zich na lang aandringen toch bereid om terzake een schuldbekentenis te tekenen. De getuige [naam 1] heeft de in 1a genoemde schuldbekentenis opgesteld en uiteindelijk is deze in aanwezigheid van alle drie getuigen door [geïntimeerde] op 5 januari 2002 ondertekend. [geïntimeerde] legitimeerde zich bij die gelegenheid met zijn rijbewijs, dat in fotokopie aan de schuldbekentenis is gehecht.

13. Het Hof acht [appellant] geslaagd in zijn bewijsopdracht, daarbij mede in ogenschouw nemend de in eerste aanleg overgelegde bankafschriften waaruit blijkt dat in totaal een bedrag van Nlg 160.000,– bij de bank is opgenomen door [appellant]. Daarbij overweegt het Hof het volgende: de hiervoor genoemde getuigen, van wie de handtekening is gelegaliseerd door een notaris in Den Haag, verklaren alle drie aanwezig te zijn geweest bij de ondertekening van de schuldbekentenis. Deels waren zij er ook bij toen het geld werd opgenomen en werd doorbetaald aan de verkoper en aan [geïntimeerde]. Zij onderschrijven dus alle drie de stellingen van [appellant]. Dat doen ze in een, in onderling verband en samenhang bezien overtuigend en logisch klinkend verhaal, waarbij veel feiten worden vermeld. De inhoud van de verklaringen van de andere, gehoorde, getuigen is hiermee niet in strijd. Daartegenover blijft [geïntimeerde] zich verweren met zeer algemene opmerkingen, waarbij hij op geen enkele wijze op de concrete gestelde feiten, zoals de oprichting van de Stichting, het buiten het bestuur van de Stichting houden van bepaalde personen, waaronder [appellant] en het aankopen van de grond, ingaat. Hij geeft ook niet aan waar de Stichting dan wel het geld voor de aankoop van de grond vandaan heeft gehaald, terwijl dit, gelet op de inhoud van de verklaringen wel op zijn weg had gelegen.

14. Wel voert hij aan dat in 2002 niet meer met Nederlandse guldens werd betaald, maar dit verweer gaat niet op omdat de stelling nu juist is dat de bedragen reeds in 2000, dus vóór de invoering van de Euro, zijn betaald. Het betreffen hier drie verklaringen die op schrift zijn gesteld. Het zijn dus onderhandse verklaringen, zoals [geïntimeerde] ook aanvoert, maar anders dan hij kennelijk meent is het Hof vrij om op basis van deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, te concluderen, dat het bewijs is geleverd. [geïntimeerde] voert ook aan dat het in de overeenkomst opgenomen nummer niet overeenstemt met zijn paspoort, maar dat is ook niet aangevoerd. [appellant] heeft gesteld en de getuigen hebben dit onderschreven, dat [geïntimeerde] zich heeft gelegitimeerd met een rijbewijs, waarvan ook een kopie is overgelegd, waarvan het nummer wel correspondeert met het in de schuldbekentenis opgenomen nummer. Dit wordt dan weer onvoldoende tegengesproken door [geïntimeerde]. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

15. Nu ook overigens geen reden is om aan de juistheid van de overgelegde verklaringen te twijfelen (de getuigen zijn weliswaar familie van [appellant], maar ook van [geïntimeerde]) komt het Hof zoals hiervoor al is vermeld tot de conclusie, dat het bewijs is geleverd en dat [geïntimeerde] moet worden veroordeeld de genoemde Nlg 160.000,– ( derhalve € 72.604,83) te betalen vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 5 januari 2002. Het in algemene termen gesteld en weinig concrete bewijsaanbod zijdens [geïntimeerde] wordt gepasseerd. Dat betekent dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. De vordering in conventie is in na te melden zin toewijsbaar en de reconventionele vordering tot opheffing van het beslag dient te worden afgewezen. De gevorderde kosten van de ingebrekestelling
(SRD 237,50) zijn eveneens toewijsbaar. De gevorderde incassokosten, die ingevolge artikel 1.4 van de hiervoor genoemde schuldbekentenis voor rekening komen voor [geïntimeerde], komen het Hof bovenmatig voor en zullen worden gematigd en vastgesteld op 15% van de hoofdsom, te weten € 10.800,–.

16. [geïntimeerde] dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in beide instanties te voldoen.

De beslissing
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

In conventie
1. Veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 72.604,83 (tweeënzeventigduizendenzeshonderdvier euro en drieëntachtig eurocenten), vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 5 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. Verklaart van waarde het bij exploit van deurwaarder M. Sitaram van 14 augustus 2006 onder no. 527 gelegd conservatoir beslag op de daarin genoemde onroerende goederen;

3. Veroordeelt [geïntimeerde] voorts om ter vergoeding van de kosten van ingebrekestelling en de buitengerechtelijke incassokosten aan [appellant] te betalen SRD 237,50 (tweehonderdzevenendertig Surinaamse dollars en vijftig cent) en € 10.800,–(tienduizendachthonderd euro);

In reconventie
4. Wijst de vordering af.

Voorts in conventie en reconventie
5. Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op SRD.787,50.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat
mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.