SRU-K1-2020-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0363

26 maart 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. DE VLIEGENDE EEND B.V.
B. DE VLIEGENDE EEND N.V.,
C. [DE STICHTING],
allen kantoorhoudende aan [adres 1] in het [district],eisers,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[GEDAAGDE],
gevestigd aan [adres 2] te [plaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 januari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • conclusie tot aanvulling c.q. wijziging van de eis d.d. 13 februari 2020;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 13 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Eiseres sub C is eigenares van het hierna omschreven zakelijk recht:
het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende 26 september 2042, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 15,0130 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. 18 april 2002 met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 23 april 2002, thans bekend als [adres 3] (hierna aangeduid als terrein A).

2.2 Eisers sub A en sub B hebben op respectievelijk 17 mei 2018, 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 en op 08 april 2019 een drietal overeenkomsten met gedaagde gesloten.

2.3 [Naam 1], hierna te noemen [naam 1], is voorzitter van het bestuur van eiseres sub C. [Naam 2], hierna te noemen [naam 2], is penningmeester tevens secretaris van eiseres sub C. [Naam 1] is enig directeur en aandeelhouder van eisers sub A en sub B.

2.4 In de overeenkomst d.d. 04 juni 2014 zijn, voor zover voor de beslissing van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
In aanmerking nemende dat:

  • Beide partijen een overeenkomst wensen aan te gaan met het doel om marktleider te worden van kip in Suriname;
  • Partijen ernaar streven om kip te kweken op een wijze dat de kwaliteit en smaak wordt gegarandeerd en waarbij de consument dit product kan kopen tegen een lagere prijs dan thans het geval is op de Surinaamse markt;
  • Dat partij ter andere zijde voor dit streven kapitaal nodig heeft voor langere tijd en tegen aantrekkelijke voorwaarden hetgeen partij ter ener bereid is te verschaffen onder voorwaarden welke in deze overeenkomst zijn beschreven;
  • Dat partij ter ener ernaar streeft om door deze samenwerking een aantrekkelijk product aan te bieden voor haar respectievelijke klanten waardoor zij haar marktpositie duurzaam kan versterken;

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

Artikel 1 – Algemeen

1.1 De considerans maakt integraal onderdeel uit van onderhavige overeenkomst.

1.2 De Krediethypotheek d.d. 18 mei 2018 en 04 juni 2018 welke is afgegeven door [de Stichting] waarbij deze Stichting zich garant heeft gesteld voor alle verplichtingen welke van partij ter andere zijde is aangegaan en tevens voor het bedrag van welke partij ter ener als lening heeft verstrekt aan partij ter andere zijde ter waarde van US$ 2.500.000,00 (…) vormen een deel van onderhavige overeenkomst (bijlage 1).

Artikel 2 – Duur

2.1 Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst door beide partijen en heeft een looptijd van 10 jaren en 9 maanden.

2.2 Indien bij het einde van de termijn gesteld in artikel 2.1 de laatste aflossing en rente nog niet heeft plaatsgevonden, blijft de overeenkomst in stand totdat alle betalingsverplichtingen zijn voldaan, onverminderd de verplichting van partij ter andere zijde om alle verplichtingen conform voorwaarden en aflossingsschema vervat in bijlage 3, welke een integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst, te voldoen;

Artikel 3 – Voorwaarden kredietverstrekking

3.1 Het door de partij ter ener aan partij ter andere zijde te verstrekken krediet bedraagt US$ 2.250.000,00 (…)

3.2 De middelen beschreven in het vorig lid zullen worden aangewend om:
a) De bestaande schuld bij de DSB bank, zijnde ca SRD 3.213.470,78 volledig af te betalen;
b) investeringen te plegen om een volledig geïntegreerde pluimvee boerderij op te zetten waarbij het streven erop is gericht de marktleider van o.a. kip te worden in Suriname conform het plan genoemd in bijlage 3;

3.3 Gedurende de eerste 9 maanden van de lening zal alleen rente worden betaald waarbij de rente maandelijks zal worden bijgeschreven op de hoofdsom, e.e.a. conform bijlage 3.

3.4 Het rentepercentage is gedurende eerste 9 maanden 3% (…).

3.5 Het rentepercentage na de eerste periode van 9 maanden bedraagt 1 maand libor plus 3.75% hetgeen neerkomt op 5.75% (…) per jaar en de rente en/of rente en aflossing zal maandelijks door partij ter andere zijde aan partij ter ener worden betaald op de 28ste van iedere maand middels automatische girobetaling bij de Republic Bank op rekeningnummer (…) conform het aflossingsschema genoemd in bijlage 2.

3.6 09 maanden na datum van deze overeenkomst en wel op 1 Maart 2019 zal de eerste aflossing van kapitaal plaatsvinden, hetgeen samen met rente is vervat in bijlage 3;

3.7 Indien aflossingen van renten en/of kapitaal en rente later dan de datum vervat in bijlage 2 plaatsvinden, zal partij ter andere zijde een boete rente moeten betalen van 8 procent’s jaars en zal het bedrag meteen opeisbaar zijn, tenzij partijen anders overeenkomen;

3.8 Bedragen welke door een libor aanpassing later plaatsvinden, zullen niet als late betaling worden aangemerkt zolang de betaling plaatsvindt binnen 14 dagen na facturering door partij ter ener;

3.9 Naast de rentecompensatie genoemd in dit artikel bovenstaand, zal partij ter andere zijde aan partij ter ener een royalty betalen van SRD 0,40 (…) per kilo geslachte kip. Dit tarief is vastgesteld op basis van de bankkoers van SRD 7.53 voor USD 1 Indien de koers zich gedurende deze overeenkomst wijzigt, zal de royalty navenant worden aangepast.

3.10 Partij ter ener heeft recht op 20% (…) van alle geproduceerde kilo’s kip tegen een gereduceerde prijs van SRD 19.00 kilo. Partij ter ener zal op een door haar te bepalen methode een of meerdere campagnes opzetten ten behoeve van haar cliënten, waardoor zij een voordeel kunnen verkrijgen van SRD 3.00 (DRIE SURINAAMSE GULDEN) per kilo kip. De SRD 3.00 zal worden aangepast aan de koers van 1 US$ is SRD 7.53.

Artikel 4 – Zekerheden

Tot zekerheid voor het verstrekte krediet worden de volgende zekerheden door partij ter andere zijde aan partij ter ener gegarandeerd en /of gefaciliteerd:
a) Door [de Stichting] aan partij ter ener afgegeven, voor schulden van partij ter andere zijde, zijnde een eerste krediethypotheek van US$. 2,500,000.= (…) op: het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende zesentwintig september tweeduizend tweeënveertig, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren (15,0130 ha.), gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. achttien april tweeduizend en twee met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. drieëntwintig april tweeduizend en twee, thans bekend als [adres 3] (straatregister [nummer]).” Inclusief het nog in grondhuur te verkrijgen gedeelte vermoedelijk groot 7.8 ha waarvoor reeds een bereidsverklaring is ontvangen bekend onder [LAD No] (bijlage 2). Het moment dat partij ter ander zijde beschikt over het recht van grondhuur zal er meteen een eerste krediethypotheek worden gevestigd ten behoeve van partij ter ener;
b) Fiduciaire eigendomsoverdracht van de voorraden gelegen aan de [adres 1], op het terrein voornoemd sub 1, waarvan iedere kwartaal een inventaris zal worden verstrekt door partij ter andere zijde aan partij ter ener;
c) Dat partij ter andere zijde een risicoverzekering ter waarde van EURO. 500,000.00 (…) ten name van [naam 1] cedeert aan partij ter ener als begunstigde.
d) Dat partij ter andere zijde de brandverzekering cedeert aan partij ter ener en haar als begunstigde aanwijst, waarbij de opstallen worden verzekerd voor een bedrag van US$ 2,000,000.00 (TWEE MILJOEN US DOLLARS). De brandverzekering (marktconform) zal lopen via het agentschap van partij ter ener, waarbij partij ter andere zijde het bedrag tenminste 14 dagen voor vervaldatum zal voldoen.

Artikel 5 – Uitwinning zekerheid

De in artikel 4 genoemde dekkingen strekken tot zekerheid voor de door het partij ter ener aan partij ter andere zijde verstrekte krediet. Bij een eventuele uitwinning van genoemde zekerheden, zal de opbrengst worden gebruikt om de schuld welke partij ter andere zijde aan partij ter ener is verschuldigd, te betalen.”

2.5 In de hiervoor onder 2.3 vermelde overeenkomst d.d. 04 juni 2018 is “partij ter ener”: gedaagde en “partij ter andere zijde”: eisers sub A en sub B.

2.6 Bij addendum d.d. 06 september 2018 zijn eisers sub A en sub B met gedaagde overeengekomen dat de lening wordt uitgebreid tot een bedrag ad US$ 3.000.000,-.

Bij overeenkomst d.d. 08 april 2019 zijn eisers sub A en sub B met gedaagde overeengekomen dat de NV aan hen een kredietbedrag ad € 660.000,- ter leen zal verstrekken met onder andere dezelfde zekerheden die zij in de eerder hiervoor vermelde overeenkomsten zijn overeengekomen.

2.7 Op 11 februari 2019 heeft eiseres sub C aan gedaagde onherroepelijk last en volmacht verleend, welke volmacht is verleden en getekend door haar bestuurders ten overstaan van de notaris.

In de volmacht is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

De comparanten in hun gemelde hoedanigheden verklaarden ONHERROEPELIJK LAST EN VOLMACHT te verlenen aan de naamloze vennootschap [GEDAAGDE], gevestigd te Paramaribo, speciaal om voor en namens hen, comparanten in gemelde hoedanigheden, na te melden onroerend goed, naast de reeds gevestigde hypotheek ten behoeve van de naamloze vennootschap [GEDAAGDE], nog te bezwaren te harer behoeve met een krediethypotheek tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen [DE STICHTING], uit welke hoofde ook aan de naamloze vennootschap [GEDAAGDE], gevestigd te Paramaribo, voornoemd schuldig mocht zijn of worden tot een maximum bedrag van ACHTHONDERDDUIZEND AMERIKAANSE DOLLAR (USD. 800.000,-) plus rente, kosten, onkosten en provisie, te weten:

het nog te verkrijgen recht van grondhuur TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW op het perceelland, groot zeven hectaren, achtenvijftig aren en tweeëntachtig centiaren, gelegen in het [district] ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.J. Doest BSc. De dato veertien augustus tweeduizend en achttien met de leters CDEF en blijkens de gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi MSc., achter en grenzende aan het perceelland, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren, bekend als [adres 3].

Toe te stemmen in de bedingen bij de artikelen twaalfhonderd zeven, twaalfhonderd veertien en twaalfhonderd acht en dertig van het Surinaams Burgerlijk Wetboek geregeld en verder in als zodanige bedingen en bepalingen als de geldschieters zal verlangen en de gevolmachtigde zal raadzaam achten.

Terzake voormeld alle vereist wordende akten en stukken te doen opmaken, te verlijden en te ondertekenen en in het algemeen alles verder te doen en te verrichten wat tot voormelde einden zal blijken nodig te zijn, alles met de macht van substitutie.”

2.8 Op 08 april 2019 hebben eisers sub A en sub B met gedaagde een “Samenwerkingsovereenkomst Kippie-project” gesloten, en partijen zijn overeengekomen dat elke afzonderlijke kredietovereenkomst deel uitmaakt van de samenwerkingsovereenkomst en wordt mede beheerst door de principes van deze overeenkomst.

2.9 Op 05 September 2019 hebben eisers en gedaagde een option agreement gesloten.

2.10 Eiseres sub C heeft bij ministeriele beschikking d.d. 04 november 2019 no. D.1179 (toewijzingsbeschikking) het hierna omschreven zakelijk recht in grondhuur verkregen:

“het recht van grondhuur – TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW – vervallende 11 november 2059, op het perceelland, groot 7,5885 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de beëdigde landmeter R.J. Doest d.d. 14 augustus 2019 met de leters CDEF en met het door het MI-GLIS verstrekte [Perceels ID nummer], blijkens de daarop gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi Msc. D.d. 15 februari 2019, goedgekeurd, achter- en grenzende aan het perceelland, groot 15.0130 ha., bekend als [adres 3], hierna aangeduid als terrein B.

Op 11 november 2019 is terrein B ten name van eiseres sub C in het daartoe bestemde register op het kantoor van het Management Instituut GLIS overgeschreven.

2.11 Bij notariële akte d.d. 07 januari 2020 is ten laste van eisers sub A en sub B een hypotheek gevestigd op terrein B ten behoeve van een schuldeiser, hierna aangeduid als hypotheekakte, en wel op basis van een kredietovereenkomst die partijen hebben gesloten. In de hypotheekakte staat, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende vermeld:

“Heden (…) verscheen voor mij, meester VIKASH GANGARAM-PANDAY, notaris in Suriname, residerende te Paramaribo:

De heer [NAAM 3], volgens zijn verklaring hoofddirecteur, geboren )…),
nader te noemen “Partij ter ener”,

EN

In casu handelende voornoemde naamloze vennootschap [GEDAAGDE], als gevolmachtigde van:
(…) ten deze handelende:
A. in haar hoedanigheid van voorzitter van de te Paramaribo gevestigde Stichting
[DE STICHTING] (…)
Nader te noemen “Partij ter andere zijde”,
krachtens een akte van lastgeving de dato elfde februari tweeduizend en negentien ten overstaan van de ondergetekende notaris, verleden en onder mij in minuut berustende.
De comparanten zijn aan mij, notaris, bekend.
Partij ter andere zijde verklaart ten behoeve van partij ter ener bij onderzetting te verbinden en met hypotheek te bezwaren:
(…)
Welke hypotheekstelling geschiedt tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen de naamloze vennootschap “DE VLIEGENDE EEND N.V.” aan partij ter ener voornoemd mochten schuldig zijn of worden uit hoofde van de bestaande toekomstige kredietverhouding tussen partijen, of als trekkers, endossanten of medetekenaren van enig (…) tot een bedrag van ZEVENHONDERDVIJFTIGDUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS (…)”.

2.12 Bij schrijven d.d. 14 januari 2020 zijn eisers door gedaagde aangemaand om hun achterstallig openstaand saldo te voldoen. Ter zake heeft gedaagde het hierna volgende in het schrijven vermeld:
Met referte aan de overeengekomen tussen [gedaagde], De Vliegende Eend N.V. en De Vliegende Eend B.V., delen wij u mede dat u thans een achterstallig openstaand saldo heeft groot US$ 382.418,88 en EUR 636,709,38. Wij vragen u uitdrukkelijk en zonder uitstel, uiterlijk 1 week na dagtekening, deze bedragen te voldoen op een van de rekeningnummers hieronder vermeld.”

Gedaagde heeft het hiervoor vermeld schrijven bij exploot van een deurwaarder op 21 januari 2020 aan eisers doen betekenen.

2.13 Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, L. Gangaram Panday, d.d. 31 januari 2020, heeft gedaagde haar voornemen tot de openbare verkoop van terrein A en terrein B op donderdag 26 maart 2020, des voormiddag om tien uur,ten kantore van de notaris, mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo aan de Stichting aangezegd. Middels dit exploot heeft gedaagde tevens aan eisers doen betekenen:

  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 17 mei 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 25 juni 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 07 januari 2020;
  • een brief gericht aan notaris mr. V. Gangaram-Panday d.d. 22 januari 2020, in welke brief vermeld staat de verschuldigde bedragen respectievelijk ad US$ 3.293.629,10 en Euro 637.842,71.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen na wijziging van eis, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
I. de stopzetting te gelasten van de bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 31 januari 2020 no. 07 aangezegde openbare verkoop van de in dat exploot omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op 26 maart 2020 des voormiddags te 10.00 uur ten kantore van mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo zal plaatsvinden, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 50.000.000,-;
II. gedaagde te verbieden opnieuw over te gaan tot het treffen van executoriale maatregelen, inhoudende de openbare veiling (lees verkoop) van de onroerende goederen van eiseres sub C, totdat in een door eisers in te stellen bodemprocedure over de voldoening van het volledig investeringskapitaal c.q. nakoming van de samenwerkingsovereenkomst zal zijn beslist;
III. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers de som van US$ 15.000,- te voldoen, zijnde de management fee over de maanden november 2019 tot en met januari 2020 en voorts tot betaling van US$ 5.000,- per maand, totdat partijen een rechtsgeldig besluit hebben genomen over de koopovereenkomst;
IV. gedaagde te veroordelen om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers de som van US$ 1.000.000,- te voldoen;
V. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers de som van US$ 3.416,40 te voldoen, zijnde de advocaatkosten inclusief 8% OB;
VI. gedaagde te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

3.2 Eisers leggen tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering ten grondslag:

  • gedaagde maakt misbruik van omstandigheden;
  • gedaagde pleegt wanprestatie jegens hen;
  • gedaagde pleegt een onrechtmatige daad jegens hen;
  • de aanzegging van de openbare verkoop is niet geschied volgens de plaatselijke gebruiken ingevolge artikel 1207 lid 2 BW juncto artikel 1239 BW.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Bij conclusie tot aanvulling c.q. wijziging van de eis d.d. 13 februari 2020 hebben eisers wijziging van eis gevorderd. Nu deze wijziging van eis voor de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting aan gedaagde is betekend en gedaagde hierdoor niet in haar verweer is geschaad, zal de gevorderde wijziging van eis worden toegestaan zoals dit reeds onder 3.1 in dit vonnis is verwerkt.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, in het bijzonder uit het feit dat de openbare verkoop op 26 maart 2020 zal plaatsvinden. Daarom zijn eisers in het kort geding ontvangen.

4.3 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek is de hypotheekhouder bevoegd om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen dan wel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat. Slechts wanneer uit feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zou zijn dat gedaagde van deze bevoegdheid tot parate executie misbruik maakt, zou hierover anders geoordeeld kunnen worden.

4.4 Voldoende aannemelijk is dat eisers sub A en sub B niet hebben voldaan aan hun betalingsverplichting jegens gedaagde, zodat gedaagde bevoegd is gebruik te maken van de aan haar toekomende bevoegdheid om tot openbare verkoop van de terreinen A en B over te gaan. Echter acht de kantonrechter de overeenkomsten die partijen met elkaar hebben gesloten – van welke overeenkomsten een deel van de inhoud onder 2.4 en 2.8 in dit vonnis is weergeven – en de omstandigheden waaronder deze overeenkomsten zijn gesloten onredelijk bezwarend voor eisers, met als gevolg dat eisers thans zijn blootgesteld aan onredelijk bezwarende gevolgen van deze overeenkomsten. Met name dreigen eisers thans hun bedrijven c.q. onroerende goederen en al de daarin gepleegde investeringen kwijt te raken. Daar gedaagde reeds de inschatting kon hebben gemaakt dat eisers niet binnen afzienbare tijd zouden kunnen voldoen aan hun aflossingsverplichtingen en de overeenkomsten als onredelijk bezwarend voor eisers worden geacht, maakt gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter misbruik van haar recht van parate executie hetgeen grond oplevert om de aangezegde openbare verkoop stop te zetten. Hieruit volgt dat de gevorderde voorziening onder I zal worden toegewezen.

4.5 Het gevorderde onder II komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat gedaagde uit hoofde van de kredietovereenkomsten mag overgaan tot executie indien eisers niet kunnen voldoen aan hun betalingsverplichtingen jegens gedaagde.

4.6 Ten aanzien van de gevorderde voorzieningen onder III, IV en V die een geldvordering behelzen, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een diepgaand onderzoek vereist. Dit, vanwege de weerspreking van gedaagde dat zij een investeringskapitaal en een management fee aan eisers verschuldigd is en het blijven volharden van partijen in hun stellingen en weren ter zake. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts dan plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing in de weg staat.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zullen partijen dit onderdeel verder in bodemprocedure dienen te beslechten. Hieruit volgt dat de gevorderde voorzieningen onder III, IV en V zullen worden geweigerd.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige kort geding zaak zullen leiden.

4.8 Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 250,- en de kosten voor oproep van gedaagde per exploot van een deurwaarder ad SRD 355,-.

  1. De beslissing in kort geding

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Staat toe de wijziging van eis zoals gevorderd bij conclusie tot aanvulling c.q. wijzing van de eis en zoals verwerkt onder 3.1 in dit vonnis.

5.2 Gelast de stopzetting van de bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 31 januari 2020 no. 07 aangezegde openbare verkoop van de in dat exploot omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op 26 maart 2020 des voormiddags te 10.00 uur ten kantore van mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo zal plaatsvinden, zulks onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van
SRD 50.000.000,- (Vijftig Miljoen Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 605,- (Zeshonderd en Vijf Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 26 maart 2020 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-36

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 165309
18 november 2016

Vonnis in de zaak van

SURINAME CABLE & COMMUNICATION NETWORK NV,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M. G. A. Vos, advocaat,
hierna te noemen: “SCCN”,

tegen

APINTIE NV,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. F. W. M. Thijm, advocaat,
hierna te noemen: “Apintie”.

1.Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 2 november 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met productie,
  • de conclusie van dupliek.

1.2.De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1. La Liga Nacional de Footbol Professional is de rechtmatige eigenaar van de door haar georganiseerde Eerste Divisie van de Spaanse voetbal competitie in Spanje, de Primaira Division meer bekend als La Liga.

2.2. Bij overeenkomst van 30 september 2016 heeft de International Media Content LTD, hierna te noemen IMC, aan SCCN verleend de uitzendrechten van alle wedstrijden gespeeld in het kader van het seizoen 2016/2017.

2.3. Bij schrijven van 26 september 2016 afkomstig van IMC aan SCCN heeft de managing Director van IMC aan SCCN bevestigd dat zij aan niemand anders dan SCCN en ESPN een licentie hebben afgestaan.

2.4. Bij email bericht van 30 september 2016 heeft SCCN aan een aantal televisie- en radiostations, waaronder Apintie, te kennen gegeven dat zij de televisie uitzendrechten bezit van La Liga seizoen 2016/2017. Als bijlage heeft SCCN bijgesloten de “IMC rights confirmation letter”.

2.5. Bij email bericht van 5 oktober 2016 afkomstig van mevrouw [naam] van SportsMax Limited gericht aan Apintie wordt onder de aandacht van Apintie gebracht dat mevrouw [naam] IMC vertegenwoordigt en in dat kader aan Apintie te kennen geeft dat IMC sublicenties heeft verstrekt aan SCCN en ESPN alleen. In dat bericht wordt Apintie verzocht om de rechten van de sublicensees SCCN en ESPN te respecteren.

2.6. Bij email bericht van 11 oktober 2016 heeft Apintie aan mevrouw [naam] teruggeschreven dat het bericht van haar voor hun verwarrend is. Apintie stelt daarin dat zij eerst een schrijven hebben ontvangen welke van IMC zou zijn. Echter wordt nu een emailbericht ontvangen van SportsMax Limited. Apintie voert voorts aan in dat schrijven dat is geprobeerd om met de directeur van IMC in contact te treden, doch dat dat niet is gelukt. Apintie geeft aan dat zij een brief van IMC wensen en dat zij geen brieven kunnen accepteren zonder officieel brievenhoofd of contact informatie.

2.7. Mevrouw [naam] heeft bij emailbericht van 17 oktober 2016 gereageerd op het schrijven van Apintie waarbij zij uiteen heeft gezet dat SportsMax Ltd een dochteronderneming is van IMC. Dat IMC de rechten heeft verleend aan SCCN en ESPN alleen en dat er geen andere gerechtigden zijn voor Suriname. Zij vraagt in dat bericht aan Apintie om de rechten van IMC en SCCN te respecteren, bij gebreke waarvan er gerechtelijke stappen zullen worden ondernomen.

2.8. Op 29 oktober 2016 is bij exploit van deurwaarder S. W. Niekoop LLB, met nummer 1574, aan Apintie betekend het schrijven d.d 28 oktober 2016 afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN waarin zij onder de aandacht van Apintie brengt dat deze ondanks de brieven van SCCN, IMC en mevrouw [naam], toch wedstrijden van La Liga uitzendt. De raadsvrouwe heeft in dat schrijven Apintie aangemaand om onmiddellijk te stoppen met het uitzenden, bij gebreke waarvan juridische stappen tegen Apintie zullen worden ondernomen.

2.9. Op 29 oktober 2016 is een tweede brief, gedateerd 29 oktober 2016, afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN aan Apintie betekend waarin wordt aangehaald dat Apintie, ondanks het schrijven van 28 oktober toch op 29 oktober weer wedstrijden heeft uitgezonden. Ook in dit schrijven maant zij Apintie aan om de uitzendrechten van SCCN te respecteren.

2.10. Aan deze aanmaningen heeft Apintie geen gevolg gegeven.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1. De vordering
SCCN vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Apintie verbiedt om de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf, uit te zenden;
  • Apintie verbiedt de samenvattingen (highlights) van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging, achteraf uit te zenden;
  • Apintie verbiedt programma’s van de sportchannels SportsMax/SportsMax2 seizoen 2016/2017 of van enige andere omroeporganisatie, waartoe alleen SCCN is gerechtigd, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf, uit te zenden;
  • Apintie veroordeelt het vonnis te gehengen en te gedogen op verbeurte van een dwangsom en voorts
  • Apintie veroordeelt in de proceskosten.

3.2.De grondslag
SCCN heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat IMC de exclusieve bezitter is van de commerciele rechten van de Spanish First Division Football League, beter bekend als La Liga, inclusief de uitzendrechten op de televisiebeelden en of satelietbeelden van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld in het kader van de La Liga Competitie. IMC heeft deze rechten voor de periode 2015 tot 2020 verkregen van de Liga Nacional de Futbol Profesional. IMC is voor het Caribisch gebied de enige die op wettige wijze aan omroeporganisaties c.q. broadcasters de bevoegdheid kan geven om de betreffende beelden uit te zenden. SCCN heeft op 26 september 2016 een overeenkomst met IMC gesloten uit hoofde waarvan SCCN de exclusieve uitzendrechten heeft verworven op het uitzenden van de La Liga Competition 2016/2017 voor onder andere televisie in Suriname. Tot het programma van de La Liga behoren de voetbalwedstrijden, de highlights van de wedstrijden en alle andere evenementen terzake de La Liga Competition. SCCN heeft aan al haar concurrenten, inclusief Apintie, per mail van 30 september 2016 medegedeeld dat zij de exclusieve rechten heeft verworven voor het uitzenden van de La Liga Competitie van 2016/2017. Ondanks dit schrijven zendt Apintie toch de wedstrijden uit. Hiermee schendt zij de exclusieve uitzendrechten van SCCN en handelt zij onrechtmatig. Alsgevolg van dit onrechtmatig handelen lijdt SCCN schade, immers is SCCN om de kosten voor de verwerving van de exclusieve uitzendrechten terug te kunnen verdienen, afhankelijk van bedrijven die de uitzendingen middels advertenties wensen te sponsoren. Door de beelden ook uit te zenden en onrechtmatig ook sponsers op de toch al kleine Surinaamse markt te werven beconcurreert Apintie SCCN op een onrechtmatige wijze en zal SCCN niet in staat zijn voldoende sponsoring voor de activiteiten te vergaren. Hierdoor zal zij verlies lijden.

4.Het verweer
Apintie heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5.De Beoordeling
5.1. Apintie heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. Dat zij, Apintie, betwist dat IMC de bezitter is van de exclusieve commerciele rechten van La Liga; dat SCCN dat op geen enkele wijze heeft aangetoond;
  2. Dat IMC geen exclusieve rechten aan SCCN heeft overgedragen nu uit de overeenkomst blijkt dat er sprake is van non-exclusieve rechten;
  3. Dat, zolang niet blijkt dat La Liga het IMC de exclusieve rechten heeft verleend, niet ervan kan worden uitgegaan dat IMC rechten aan SCCN zou kunnen hebben verleend;
  4. Dat uit door Apintie overgelegde producties blijkt dat eerder ook door media brieven zijn gestuurd waarin wordt beweerd dat exclusieve rechten zijn verleend voor een competitie, doch dat later bleek dat de rechten door de eigenaar van de rechten aan een ander medium waren verleend;
  5. Op grond van het voorgaande is niet aannemelijk dat Apintie zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen.

5.2. SCCN heeft op het verweer gereageerd waarbij zij onder andere het volgende stelde:

  1. Dat Apintie in eerdere zaken wel genoegen heeft genomen met een brief van IMC op het IMC brievenhoofd afkomstig van dezelfde directeur en thans ten onrechte vraagt dat IMC moet aantonen dat zij de rechten bezit;
  2. Dat IMC niet in dit geding is waardoor IMC niet kan worden opgedragen om iets aan te tonen;
  3. Dat op de website van IMC Sportsmax alle informatie is te vinden waaruit blijkt dat IMC de rechten bezit;
  4. Dat de documenten van IMC in onderlinge samenhang bekeken met de press-release van SportsMax en de emails van SportsMax en de overeenkomst voldoende bewijs opleveren dat IMC de rechten bezit;
  5. Dat Apintie zelf geen enkel document overlegt waaruit het tegendeel zou blijken, doch slechts bloot alle documenten betwist.

5.3. Apintie heeft op het repliek van SCCN gereageerd waarbij zij onder andere bleef bij haar verweer dat niet blijkt dat IMC de rechten heeft verkregen van La Liga en dat uit de overeenkomst blijkt dat SCCN de niet-exclusieve rechten zou hebben verkregen, waardoor zij zich niet op exclusieve rechten kan beroepen.

5.4. De kantonrechter overweegt dat de vraag die thans beantwoord moet worden die is of Apintie onrechtmatig jegens SCCN handelt door het uitzenden van de wedstrijden. Daarbij moet nagegaan worden of SCCN zodanige uitzendrechten heeft verkregen dat zij van Apintie kan eisen dat deze het uitzenden van de wedstrijden nalaat.

5.5. De kantonrechter overweegt dat SCCN heeft overgelegd een licentie overeenkomst met IMC, een de press-release van SportsMax, emails van SportsMax, een bevestigingsbrief van IMC en voorts heeft verwezen naar de website van SportsMax. Apintie heeft de documenten betwist en heeft op de verwijzing naar de website van SportsMax niet gereageerd.

5.6. De kantonrechter overweegt dat kennis is genomen van de documenten en van de website waarnaar verwezen wordt, www.sportsmax.tv. Op de website is het artikel gepubliceerd getiteld “Digicel SportsMax signs five year broadcast deal for La Liga”, in welk artikel de feiten genoemd in de documenten ook staan vermeld, met name dat IMC de rechten heeft gekocht tot 2020 en dat IMC de exclusieve uitzendrechten heeft voor het Caribisch gebiedt waaronder Suriname.

5.7. De kantonrechter overweegt dat, gelijk SCCN stelt, indien de overeenkomst met IMC, het bevestigingsschrijven van IMC, de press-release van SportsMax, de emails van SportsMax waarin het verband tussen IMC en SportsMax wordt uitgelegd en de website van SportsMax, in onderlinge samenhang worden beschouwd, het aannemelijk wordt dat IMC van La Liga de uitzendrechten heeft verkregen voor het Caribisch gebied tot 2020 en ten aanzien van deze uitzendrechten alleen met SCCN en ESPN licentie overeenkomsten heeft ondertekend. Dat slechts SCCN en ESPN gerechtigd zijn om de wedstrijden uit te zenden is aannemelijk geworden door het schrijven van IMC van 26 september 2016 maar ook door de emailberichten van SportsMax aan Apintie.

5.8. De kantonrechter overweegt dat gelijk SCCN stelt, zij derhalve voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitzendrechten in Suriname alleen aan haar zijn verleend en verder aan geen ander waardoor SCCN van Apintie kan eisen dat deze de rechten van SCCN respecteert.

5.9.De kantonrechter overweegt dat aan het desbetreffende verweer van Apintie voorbij gegaan moet worden omdat het feit dat in de overeenkomst het woord non-exclusive staat niets afdoet aan het feit dat IMC stelt dat zij de uitzendrechten enkel en alleen aan SCCN en ESPN heeft verleend. IMC heeft daarmee bevestigd dat, zolang zij de rechten niet tevens aan een ander heeft verleend, IMC en SCCN van derden mogen vorderen dat zij de rechten respecteren en niet schenden, hetgeen ook is gedaan in de emailberichten van SportsMax en de brieven van SCCN.

5.10. Ook moet aan het verweer van Apintie, dat nergens een document is overgelegd waaruit de overdracht van de rechten van La Liga aan IMC blijkt, voorbij gegaan worden, nu deze overdracht uit de door SCCN overgelegde documenten en de genoemde website voldoende blijkt en Apintie geen enkel document heeft overgelegd welke een weerlegging inhoudt van hetgeen in de mails, de overeenkomst en de press-release staat en op de website staat vermeld. Het verweer van Apintie is daardoor niet voldoende om de aannemelijkheid van de feiten zoals door SCCN gesteld, te weerleggen.

5.11. De kantonrechter is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat de grondslag van het gevorderde aannemelijk is geworden, namelijk dat Apintie onrechtmatig handelt jegens SCCN door de wedstrijden of programmas uit te zenden en zal het gevorderde toewijzen en Apintie, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6.De beslissing
6.1 Verbiedt Apintie om de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks, hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden;

6.2 Verbiedt Apintie de samenvattingen of highligts van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraing of achteraf uit te zenden;

6.3 Verbiedt Apintie programma’s van de sportkanalen SportsMax en SportsMax2 met betrekking tot het La Liga seizoen 2016/2017 of van enige andere omroeporganisatie, waartoe alleen SCCN is gerechtigd, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden;

6.4 Veroordeelt Apintie om, indien zij nalaat of weigert de verboden genoemd onder 6.1, 6.2 en 6.3 van dit vonnis na te leven, aan SCCN een dwangsom te betalen van SRD.50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) per keer, het maximum van SRD.5.000.000,= (vijfmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor elke keer dat zij ondanks het verbod toch een wedstrijd of een programma bedoeld in de verboden uitzendt;

6.5 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6 Veroordeelt Apintie in de kosten van dit geding aan de zijde van SCCN gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.303,= (driehonderd en drie Surinaamse dollar).

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 21 november 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-29

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-0464
31 oktober 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[EISER SUB A]
wonend aan [adres 1] te [woonplaats],
[EISER SUB B],
wonend aan [adres 2] te [woonplaats],
[EISER SUB C],
wonend aan de [adres 3] te [woonplaats],
[EISER SUB D],
wonend aan [adres 4] te [woonplaats],
[EISER SUB E],
wonend aan [adres 5] te [woonplaats],
[EISER SUB F],
wonend aan [adres 5] te [woonplaats],
[EISER SUB G],
wonend aan [adres 6] te [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

A. [GEDAAGDE SUB A],
wonend aan [adres 7] te [woonplaats],
B. DE STAAT SURINAME m.n. de DISTRICTSCOMMISSARISSEN VAN PARAMARIBO ZUID-WEST EN PARAMARIBO NOORD-OOST,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. Ch. Algoe, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. H. Matawlie, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 januari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 1 maart 2018;
  • de conclusies van antwoord met een productie zijdens gedaagde sub A;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusies van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1 Op 29 augustus 2014 verkreeg gedaagde sub A het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 1,1345 ha gelegen in het district Paramaribo aan de [weg] bekend als [nummer] door overschrijving in de openbare registers van een afschrift van een akte van openbare verkoop op 26 augustus 2014.

2.2 De Districtscommissaris van het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West heeft op 12 december 2017 vergunning verleend aan [naam], voor het houden van een openbare vermakelijkheid “TONEELSTUK” op zondag 17 december 2017 van 18.00 uur tot 24.00 uur aan [adres 8] in het [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • gedaagde sub A gelast onmiddellijk te stoppen met het veroorzaken van geluidhinder en de geluidhinder gestopt te houden jegens eisers;
  • gedaagde sub B gelast de aan gedaagde sub A verleende vergunning onmiddellijk in te trekken en niet opnieuw te verlenen;
  • gedaagden veroordeelt om dit vonnis te gehengen en gedogen op straffe van een dwangsom ad SRD 200.000, – per keer of dag dat gedaagden in strijd handelen met het in deze te wijzen vonnis
  • gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 Eisers hebben – kort gezegd – aan hun vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde sub A door het exploiteren of door het geven van gelegenheid tot het exploiteren van diverse activiteiten op [het perceel] zodanige geluidhinder veroorzaakt dat hij eisers materiële en immateriële schade toebrengt. Gedaagde sub A handelt niet in het algemeen belang en trekt zich het belang van eisers niet aan. Ook heeft gedaagde sub A geen vergunning van gedaagde sub B verkregen om geluidhinder te veroorzaken. Gedaagde sub B heeft het hoor beginsel geschonden door eisers niet te horen alvorens tot het verlenen van de vergunning over te gaan. Gedaagden handelen onrechtmatig jegens eisers en schenden hun eigendoms- en burenrecht.

3.3 Gedaagden voeren verweer, waarop hierna, voor zover van belang wordt teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eisers zullen in het kort geding worden ontvangen.

De vordering tegen gedaagde sub A

4.2 Gedaagde sub A stelt dat inderdaad activiteiten op [het perceel] worden ontplooid, maar niet door hem. Daarbij voert hij het verweer dat op zijn naam geen vergunningen zijn verleend voor het houden van activiteiten als door eisers gesteld. Voorts stelt gedaagde sub A dat hij zich als persoon niet bemoeit met activiteiten die ontplooid worden op [het perceel], maar dat de organisator die de locatie huurt zelf een eigen vergunning aanvraagt bij het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West. Hiervoor onder 2.2 is een dergelijke vergunning – die tussen partijen niet weersproken is – als door gedaagde sub A bedoeld, aangehaald.

4.3 Eisers stellen met overlegging van producties 12, 13, 14 en 15 dat de activiteiten hebben plaatsgevonden in de maanden maart, april, mei, juli en augustus 2018. Nu gedaagde sub A bedoelde producties niet heeft weersproken, staat tussen partijen vast dat in voornoemde maanden op de verschillende data openbare vermakelijkheden zijn gehouden. Voorts hebben eisers getekende verklaringen van twaalf personen, wonend aan de [weg] of [straat] in het proces gebracht met onder meer als inhoud:

“Verklaart hierbij geluidshinder en last te ondervinden van de muziek, afgeschoten vuurwerk, personen en instrumenten, voortgebracht tijdens aktiviteiten op het terrein van de heer [gedaagde sub A], gelegen aan [adres 8] in het [distrikt]. De geluidshinder vindt in de regel plaats in de vooravond en nacht vooral des woensdag en weekends.”

De twaalf verklaringen heeft gedaagde sub A onweersproken gelaten, wat leidt tot de aannemelijkheid dat bedoelde bewoners van de [weg] en [straat] geluidhinder hebben ervaren als gevolg van de openbare vermakelijkheden die georganiseerd zijn op [het perceel].

4.4 Eisers stellen voorts dat gedaagde sub A als zakelijk gerechtigde, grondhuurder, van [het perceel] verantwoordelijk en aansprakelijk is voor elke activiteit die daarop wordt ondernomen, ook voor de geluidhinder veroorzakende activiteiten die hij zonder vergunning organiseert.

4.5 Uit artikel 2 jo artikel 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid vloeit voort dat een zakelijke titel op een stuk domeingrond onder uit de wet voortvloeiende beperkingen en aan nader bij of krachtens decreet vast te stellen voorwaarden kan worden verkregen. Daarbij is de verkrijger van domeingrond in grondhuur verplicht de grond te benutten in overeenstemming met het doel waarvoor zij is uitgegeven. Verandering van bestemming, zonder voorafgaande toestemming van de Staat, is niet toegestaan. Aan gedaagde sub A is het recht van grondhuur verleend met het doel de tuinbouw uit te oefenen. Gedaagde sub A heeft daarbij het vrije genot van het stuk domeingrond, evenwel, ex artikel 14 van het Decreet Uitgifte Domeingrond onder gehouden is om deze grond overeenkomstig de door de Staat daaraan bij de vestiging gegeven bestemming en bepalingen te benutten. Daarin past niet het door gedaagde sub A gestelde dat hij de locatie verhuurt aan organisatoren van evenementen. Dat de organisator van een evenement zelf een vergunning aanvraagt, maakt zulks niet anders. Immers, gedaagde sub A heeft niet weersproken dat zulks met zijn instemming plaatsvindt, integendeel, gedaagde sub A stelt dat sprake is van verhuur aan de organisatoren. Voorts overweegt de kantonrechter dat bij voornoemde wet in artikel 19 lid 2 is bepaald dat zonder uitdrukkelijke toestemming vanwege de Staat het recht van grondhuur niet kan worden bestemd voor andere doeleinden dan waarvoor deze werd afgestaan. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde sub A met toestemming van de Minister in plaats van voor de tuinbouw het recht van grondhuur mag aanwenden voor verhuur aan organisatoren of voor het doen organiseren van openbare vermakelijkheden. Het belang van voornoemde wetsbepalingen blijkt onder meer uit artikel 29 onder d van het Decreet Uitgifte Domeingrond waarin is geregeld dat het recht van grondhuur geheel of gedeeltelijk verloren gaat door vervallenverklaring wegens het niet nakomen van verplichtingen. Verder uitgewerkt staat deze bepaling in artikel 32 lid 1 van voornoemde wet: De grondhuurder kan door de Minister met betrekking tot de grond in zijn geheel of tot een bepaald gedeelte daarvan van zijn recht vervallen worden verklaard indien hij de bepalingen en voorwaarden, van algemene of van bijzondere aard, aan het recht of de uitoefening daarvan verbonden, naar het oordeel van de Minister niet of niet naar behoren naleeft. Op grond van de hier aangehaalde wettelijke bepalingen voor houders van het zakelijk recht van grondhuur op domeingrond snijdt het verweer van gedaagde sub A dan ook geen hout.

De vordering tegen gedaagde sub B

4.6 Gedaagde sub B is het met eisers eens dat voor bepaling van schadelijk of hinderlijk geluid de norm is 70 t/m 80 decibel hinderlijk en boven 80 decibel schadelijk (productie 17), zoals door de Arbeidsinspectie gehanteerd. Hoewel gedaagde sub B stelt dat in Suriname geen geluidlimieten zijn gesteld, heeft het orgaan van gedaagde sub B (het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West) vergunning (hiervoor onder 2.2) verleend onder voorwaarde dat: “de geluidproductie niet boven 110 decibel mag zijn.” |
Dat het vergunning verlenend orgaan daarbij rekening heeft gehouden met de afstanden tussen [het perceel] en de omliggende woningen blijkt niet uit de overgelegde vergunning. Onbegrijpelijk is dat de Districtscommissaris als orgaan van gedaagde sub B een norm tot 110 decibel toestaat. De kantonrechter volgt gedaagde sub B dan ook niet wanneer hij stelt dat eisers niet door metingen hebben aangetoond dat de norm van 60 decibel is overschreden, daarbij geheel eraan voorbijgaand dat het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West vergunning heeft verleend voor een overschrijding tot 110 decibel.

4.7 De hiervoor omschreven gang van zaken staat in schril contrast met taak van gedaagde sub B om de gezondheidskundige richtlijnen gericht op bescherming van de gezondheid tegen negatieve effecten van omgevingslawaai na te leven. Eisers hebben gesteld dat zij als gevolg van de herhaalde en overmatige geluidoverlast onvoldoende slapen, dat met name schoolgaande kinderen en studenten hieronder lijden en senior burgers getraumatiseerd zijn geraakt. Uit het verweer van gedaagde sub B komt naar voren dat hij er kennelijk geen acht op slaat dat de staat Suriname als lidstaat van de World Health Organization (WHO) en Pan American Health Organization (PAHO) gehouden is aan richtlijnen van deze organisaties, zoals terecht gemotiveerd aangehaald door eisers. Hieraan voegt de kantonrechter in dit licht nog toe dat de WHO haar gezondheidskundige richtlijnen heeft herzien naar aanleiding van haar onderzoek naar de relatie tussen de blootstelling aan omgevingsgeluid en effecten als hinder, effecten op de slaap, en/of de kans op het krijgen van hypertensie en coronaire hartziekten zoals een hartinfarct, en cognitieve effecten bij kinderen. Ook is de relatie met andere (vaak nieuwe) gezondheidseffecten onderzocht, zoals de kans op het krijgen van een beroerte, of de mogelijke effecten van omgevingsgeluid op het metabole systeem (bijvoorbeeld de kans op het krijgen van diabetes en obesitas), zie “Gezondheidskundige richtlijnen voor omgevingsgeluid/ Environmental Noise Guidelines for the European Region”, oktober 2018.

4.8 Op grond van voorgaande hebben eisers een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding. De kantonrechter ziet aanleiding het gevorderde als hierna volgt toe te wijzen. Aan een bespreking van overige standpunten van partijen wordt niet toegekomen, nu zulks niet tot een andere uitkomst zal leiden.

4.9 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Gelast gedaagde sub A met onmiddellijke ingang te stoppen met en gestopt te houden het veroorzaken of het doen veroorzaken van geluidhinder door het exploiteren van diverse activiteiten of het geven van gelegenheid, middelen en inlichtingen aan derden tot het exploiteren van diverse activiteiten op [het perceel] aan de [weg], waarbij muziek, zowel live door individuele personen en/of muziekgroepen als anderszins ten gehore wordt gebracht, zoals in het verzoekschrift, bepaaldelijk sub 3, 3.1 en 4 omschreven jegens eisers.

5.2 Verbiedt gedaagde sub B vergunningen te verlenen die geluidhinder veroorzaken zoals in het verzoekschrift, bepaaldelijk bij sub 3, 3.1 en 4 omschreven, op [het perceel] aan [weg].

5.3 Veroordeelt gedaagden sub A en B ieder afzonderlijk tot het betalen van een dwangsom ad SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse Dollar) voor iedere keer of dag dat zij in strijd handelen met de beslissingen onder 5.1 en 5.2. tot een maximum van SRD. 1.000.000., – (een miljoen Surinaamse Dollar).

5.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagden sub A en B in de kosten van het geding aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 480, – (vierhonderdtachtig Surinaamse Dollar).

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 31 oktober 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 14-2351
02 maart 2019

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie, hierna aangeduid met “[eiser]”,
gemachtigde: mr. C. Baal, advocaat, voorheen mr. D. A. Kromowetjono, advocaat (overleden),

tegen

STICHTING NATUURVOEDING, handelend onder de naam Michi,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, hierna aangeduid met “Michi”,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat.

1.Het verloop van het geding in conventie en in reconventie

1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 27 mei 2014 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie met één bijlage;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;
  • de mondelinge rolbeschikking d.d. 09 januari 2018 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de op 08 februari 2018 gehouden comparitie van partijen;
  • de door Michi op 15 februari 2018 ingediende productie: “Toedracht van diefstal en medeplichtigheid aan diefstal en tevens verduistering van product, door respectievelijk de heren [naam ] en [eiser], op dinsdag 24 september 2013, bij het bedrijf MICHI, Michilaan 5”;
  • de conclusie na gehouden comparitie van partijen en uitlating productie d.d. 13 juni 2018 zijdens [eiser], met één productie;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen d.d. 13 juni 2018 zijdens Michi, met één productie;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 07 januari 2019 zijdens [eiser];
  • de conclusie tot uitlating overgelegde productie’s d.d. 07 januari 2019 zijdens Michi.

1.2.De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1. In mei 2010 treedt [eiser] bij schriftelijke overeenkomst voor bepaalde tijd – 3 maanden – in dienst van Michi in de functie van bijrijder-chauffeur-medewerker, voor het brutoloon ad SRD 1.107,50 op basis van een zesdaagse werkweek.

2.2.De overeenkomst tussen partijen wordt na expiratie van de bepaalde tijd, regulier voortgezet, steeds voor de duur van drie maanden.

2.3.Met ingang van 02 september 2013 wordt (weer) een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten voor de duur van drie maanden.

2.4. Michi c.q. de directeur van Michi, verstrekt een lening aan [eiser] voor de aankoop van een voertuig, een Toyota van het merk Opa. Partijen komen overeen dat maandelijks inhoudingen zullen worden gepleegd op het loon van [eiser].

2.5.Op 25 september 2013 wordt [eiser] vanwege dringende reden op staande voet ontslagen door Michi.

2.6.De Ontslagcommissie tekent op 08 oktober 2013 bezwaar aan tegen het door Michi verleende ontslag wegens dringende redenen.

2.7.[eiser] meldt zich bij Michi aan voor het verrichten van de bedongen arbeid. Michi stelt [eiser] niet in de gelegenheid aan te vangen met zijn werkzaamheden.

2.8. Michi wordt opgeroepen door de Dienst Arbeidsinspectie teneinde terzake gehoord te worden. Op 17 oktober 2013 deelt de direkteur van Michi telefonisch aan de functionaris bij wie de zaak in behandeling is mede, dat geen gehoor zal worden gegeven aan de oproep, aangezien Michi zich niet kan verenigen met het bezwaar dat door de Ontslagcommissie is aangetekend tegen het ontslag van [eiser].

3. De vordering, de grondslag en het verweer

in conventie
3.1.[eiser] vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. hem toestemming te verlenen kosteloos te mogen procederen;
b. Michi te gelasten tot doorbetaling van het achterstallige loon welke voorlopig begroot is op SRD 8.860,– tot dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is beëindigd;
c. Michi te veroordelen tot het betalen van de verhoging wegens te late uitbetaling van het loon welke voorlopig is vastgesteld op SRD 23,46;
d. uitbetaling aan hem van het loon over de maand september 2013, zijnde SRD 1.107,50;
e. het onder b,c, en d gevorderde te vermeerderen met de wettelijke rente van 6% per jaar gerekend vanaf de indiening tot aan die der algehele voldoening;
f. Michi te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.[eiser] stelt dat het aan hem verleende ontslag zeer onterecht is en ernstige financiële consequenties voor hem heeft aangezien hij thans niet meer verzekerd is van een maandelijks inkomen. [eiser] betoogt dat Michi niet beschikt over een ontslagvergunning zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, met het gevolg dat de dienstbetrekking tussen partijen niet rechtsgeldig is beëindigd en dus nog in tact is. [eiser] stelt op grond van de wet en het recht belang te hebben om de onderhavige vordering tegen Michi in te stellen.

3.3. Michi voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie
3.4. Michi vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de arbeidsovereenkomst tussen partijen als ontbonden te verklaren, althans te ontbinden;
  2. [eiser] te veroordelen tot betaling van de schadeloosstelling ad SRD 13.291,87, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar gerekend vanaf de indiening tot aan die der algehele voldoening;
  3. [eiser] te veroordelen tot afgifte van het voertuig van het merk Toyota model Opa, met het [nummer 1] en het [nummer 2], binnen één etmaal na vonniswijzing en wel in de staat zoals hij het voertuig van Michi heeft ontvangen, op verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,– per dag of iedere keer dat [eiser] nalatig blijft te voldoen aan hetgeen waartoe hij hiervoren is veroordeeld.

3.5. Michi stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is beëindigd op 01 december 2013, daar de looptijd van het arbeidscontract vanaf die datum is verlopen. Michi is voorts van oordeel dat de directeur c.q. Michi een Toyota merk Opa in bruikleen aan [eiser] heeft afgestaan en dat, nu er geen vertrouwensrelatie meer tussen partijen bestaat, [eiser] gehouden is om het voertuig aan de directeur c.q. Michi af te staan, hetgeen [eiser] weigert te doen. Michi stelt voorts dat door de handelingen van [eiser], zij schade lijdt die conform artikel 1615o en artikel 1615r van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW), gevorderd wordt in de vorm van een wettelijke schadeloosstelling. De dienstbetrekking is door [eiser] 2¼ maand eerder beëindigd, weshalve de schade van Michi gelijk is aan het loon over die periode, zijnde 2¼ x SRD 1.107,50 = SRD 2.491,87. Michi is van oordeel dat de schadevergoeding voorts behelst de bij artikel 1613p lid 7 BW vastgestelde bestanddelen te weten het gebruik van het vervoermiddel. Michi betoogt dat het vervoermiddel dat aan [eiser] in bruikleen is afgestaan, een waarde heeft van SRD 10.800,–. De schade die Michi derhalve lijdt bedraagt in totaal derhalve SRD 13.291,87. Michi stelt dat zij door de handelingen van [eiser] als werkgever, de mogelijkheid heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vorderen.

3.6.[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

In conventie
4.1.[eiser] heeft het vereiste certificaat van onvermogen [nummer 3] d.d. 5-11-2013, hetwelk afkomstig is van de daartoe bevoegde instantie, overgelegd. Derhalve zal hem worden vergund om kosteloos te procederen.

4.2. Michi is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd (3 maanden) die met [eiser] op 02 september 2013 is aangegaan van rechtswege is beëindigd op 1 december 2013, daar de looptijd per die datum zou zijn verlopen. Op 25 september 2013 wordt [eiser] wegens dringende reden op staande voet ontslagen en wordt geen ontslagvergunning aangevraagd en wordt ook geen melding van de beëindiging van de dienstbetrekking gedaan aan de terzake bevoegde autoriteiten. De kantonrechter maakt op dat Michi blijkbaar de mening is toegedaan dat [eiser] zich (nog) in zijn proeftijd bevindt, en dat elk der partijen gerechtigd is de dienstbetrekking onmiddellijk te doen eindigen. De kantonrechter begrijpt dat Michi gebruik makend hiervan, de dienstbetrekking met [eiser] heeft beëindigd.De kantonrechter zal allereerst de arbeidsrelatie tussen partijen aan een nadere beschouwing onderwerpen.

4.3.[eiser] is in mei 2010 in dienst getreden van Michi middels een schriftelijke overeenkomst voor een bepaalde tijd (3 maanden). De arbeidsovereenkomst wordt regulier verlengd steeds voor een periode van 3 maanden. Een eenvoudige calculatie wijst uit dat op 02 september 2013 Michi de 14e arbeidsovereenkomst met [eiser] moet zijn aangegaan. Het is de kantonrechter niet gebleken dat de functie c.q. de werkzaamheden van [eiser] gedurende de arbeidsrelatie tussen partijen, op dusdanige wijze zijn gewijzigd dat sprake zou kunnen zijn van de bekleding van een nieuwe functie.Door voormelde handelwijze van Michi, nl. het aanbieden van kortlopende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd en die jaren achtereen te verlengen, zonder dat een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd (een vaste dienstbetrekking) wordt aangegaan, worden de belangen van [eiser], naar het oordeel van de kantonrechter, op ernstige wijze geweld aangedaan. De kantonrechter ontkomt niet aan de indruk dat een werkgever die zich van degelijke ‘draaideurconstructies’ – bij de voordeur eruit en bij de achterdeur erin – bedient aldus handelt om te ontkomen aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de arbeidswetgeving, met name de dwingendrechtelijke wetsbepalingen ter bescherming van de werknemer tegen onder andere ontslag.Mede met het oog op de internationale ontwikkelingen terzake de rechten van werknemers moeten dergelijke ‘draaideurconstructies’ niet in het belang worden geacht van werknemers en kan deze praktijk in alle redelijkheid en billijkheid, niet wordt gesanctioneerd.

4.4. Gelet op de feiten en omstandigheden in het onderhavige geding, met name het gegeven dat Michi als werkgever 14 kortlopende arbeidsovereenkomsten met [eiser] is aangegaan, komt het de kantonrechter niet redelijk en billijk voor dat Michi ten detrimente van [eiser], hierdoor de mogelijkheid wordt geboden om de dwingendrechtelijke ontslagbepalingen in de arbeidswetgeving te ontlopen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aan [eiser] de bescherming dient te worden toegekend alszou hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan met Michi.

Dientengevolge is de kantonrechter van oordeel dat alle terzake geldende bepalingen voor arbeidsovereenkomsten aangegaan voor onbepaalde tijd, zoals opgenomen in de Surinaamse arbeidswetgeving, toepasselijk zijn op de arbeidsrelatie tussen Michi en [eiser]. Deze bepalingen dienden dan ook door Michi in acht te worden genomen.De kantonrechter tekent aan dat de wetgever bij Wet van 25 oktober 2018 (S.B. 2018, no. 93) in het kader van de bescherming van de rechten van werknemers, aan de hierboven gekenschetste praktijk van ‘draaideurconstructies’ een einde wenste te brengen door de afkondiging van de Wet Omzetting arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd.

4.5. De kantonrechter is van oordeel dat Michi gehouden was een ontslagvergunning aan te vragen bij de daartoe bevoegde autoriteiten c.q. bij het op staande voet ontslaan van [eiser] vanwege dringende reden, dit ontslag te melden aan de bevoegde autoriteit van het ministerie van Arbeid. Nu Michi zulks heeft nagelaten, moet geconcludeerd worden dat de dienstbetrekking van [eiser] niet overeenkomstig de wet is beëindigd en derhalve nog intact is.

4.6. Zowel de werkgever als de werknemer zijn gehouden zich te conformeren aan de bepalingen in de arbeidswetgeving. In casu heeft Michi haar werknemer [eiser] wegens dringende reden ontslagen. De Ontslagcommissie heeft, nadat [eiser] zich tot het ministerie van Arbeid heeft gewend, bezwaar aangetekend tegen voormeld ontslag wegens dringende reden. Indien Michi niet eens is met het bezwaar dat is aangetekend en de dienstbetrekking toch wenst te beëindigen, dient zij de in de wet aangegeven procedure te volgen teneinde haar doel te bewerkstelligen. De kantonrechter maakt op dat Michi dit niet heeft gedaan.

4.7. De kantonrechter stelt vast dat [eiser], daags nadat door de Ontslagcommissie bezwaar is aangetekend tegen het aan hem verleende ontslag, zich bij Michi heeft aangemeld voor het verrichten van de bedongen arbeid. Michi stelde als voorwaarde dat [eiser] het voertuig Toyota van het merk merk Opa, dat [eiser] in bruikleen van Michi zou hebben ontvangen, eerst moest inleveren alvorens zijn werkzaamheden te kunnen aanvangen. De kantonrechter maakt uit het proces-verbaal van de op 08 februari 2018 gehouden comparitie van partijen op dat Michi c.q. de directeur van Michi een lening heeft verstrekt aan [eiser] voor het aanschaffen van voormeld voertuig. De directeur van Michi verklaart: “….Ik heb voor eiser een voertuig van het merk Toyota, model Opa gekocht, en heb hem hiervoor SRD 10.800,– geleend,…….”. De aflossing van deze lening vond plaats middels inhoudingen op het loon van [eiser]. De directeur van Michi verklaart voorts: “…Na de laatste aflossing had [eiser] een saldo van SRD 2.458,30…”.[eiser] bezat krachtens deze leningsovereenkomst de plicht tot het maandelijks aflossen van de lening. Uit de tussen partijen gemaakte afspraken kan niet worden opgemaakt dat partijen de betaling van enige rente zijn overeengekomen. De bedoeling van partijen is naar het oordeel van de kantonrechter wel duidelijk. Middels een lening verstrekt door Michi c.q. de directeur van Michi, is het voertuig gekocht en geleverd aan [eiser]. De leensom diende [eiser] middels inhoudingen op zijn salaris af te lossen. Aangenomen moet worden dat [eiser] de eigenaar is van dit roerend goed, nu het bij roerende goederen bezit als volkomen titel geldt. Michi heeft geen documenten overgelegd waarin kan worden opgemaakt dat een ander dan [eiser], die zich als bezitter legitimeert, het eigendomsrecht van het voertuig bezit. De registratie van het voertuig in de registers van het Kops Politie Suriname ten name van deze of gene, is geen bewijs van het eigendomsrecht terzake bedoeld roerend goed.

4.8.Het bevreemdt de kantonrechter dan ook dat Michi meent te moeten stellen dat er sprake is van een leen – of gebruiksovereenkomst terzake het voertuig en dat dit voertuig eerst bij haar moet worden ingeleverd alvorens [eiser] zijn werkzaamheden kan aanvangen. Michi heeft niet aangetoond dat zij de eigenaar is van het voertuig en evenmin dat zij een overeenkomst tot leen – en of gebruik is aangegaan met [eiser] terzake het voertuig in kwestie. Michi heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet het recht om eerst afgifte van bedoeld voertuig te eisen voordat [eiser] zijn werkzaamheden kan aanvangen. Het bevreemdt de kantonrechter voorts ook dat Michi van oordeel is dat [eiser] gehouden is tot betaling van rente over het ter leen verstrekte bedrag, aangezien geen documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt terzake een rentevergoeding. [eiser] ontkent uitdrukkelijk dat partijen afspraken hebben gemaakt terzake enige vergoeding van rente over het aan hem ter leen verstrekte bedrag. De opmerking van de directeur van Michi dat het gebruikelijk is dat hij in dit soort situaties wel rente in rekening brengt, is door de kantonrechter voor kennisgeving aangehoord en zal worden gepasseerd. Michi als gerenommeerde onderneming dient in dit soort zaken een professionelere aanpak van zaken te hanteren.De kantonrechter concludeert uit het voorgaande dat Michi, [eiser], met de niet op de wet c.q. het recht gebaseerde eis tot afgifte van het voertuig, heeft weerhouden de bedongen arbeid te verrichten. Michi stelt dat [eiser] het kennelijk niet eens was met de voorwaarde om het voertuig af te staan alvorens hij met zijn werkzaamheden kon aanvangen en dat [eiser] wellicht daarom niet meer aan het werk is verschenen. Michi stelt dat zij uit het voorgaande de conclusie mocht trekken dat [eiser] niet meer voornemens was de dienstbetrekking te herstellen. Een onterecht getrokken conclusie die volledig voor rekening van Michi komt. Als werkgever diende Michi conform de arbeidswetgeving te handelen indien een werknemer zich niet aanmeldt voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

4.9. Michi stelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen inmiddels op 1 december 2013 van rechtswege is beëindigd en dat zij niet gehouden is tot het doen van betalingen aan [eiser], omdat [eiser] geen grond heeft om loon en verhoging wegens te late uitbetaling te vorderen. Michi stelt dat zij primair geen loon aan [eiser] verschuldigd is vanwege de verwijtbare gedragingen van [eiser] en het feit dat de niet uitbetaling van loon niet aan Michi als werkgever is toe te schrijven. De tegenstrijdigheid van de door Michi gepresenteerde argumenten terzijde, concludeert de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is beëindigd en dat het Michi is die een niet op de wet gestoelde voorwaarde heeft gesteld aan [eiser] alvorens hij zijn werkzaamheden mocht aanvangen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter evident dat het Michi is die [eiser] ervan heeft weerhouden de bedongen arbeid te verrichten. Op grond van al hetgeen hierboven is overwogen concludeert de kantonrechter dat de vordering van [eiser], zoals hierna beslist, zal worden toegewezen.

4.10. De kantonrechter constateert dat [eiser] betaling van achterstallig loon vordert tot dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd. De kantonrechter heeft echter niet kunnen opmaken dat [eiser] ook na 27 mei 2014 uitdrukkelijk zijn diensten tot het verrichten van de bedongen arbeid heeft aangeboden aan Michi. Althans is zulks niet gesteld en is zulks de kantonrechter ook niet gebleken. De kantonrechter zal Michi in goede justitie gelasten tot doorbetaling van het loon aan [eiser] tot 01 augustus 2014.De kantonrechter gaat ervan uit dat de bereidheid van [eiser] om de bedongen arbeid te verrichten, nog gedurende twee maanden na indiening van het verzoekschrift heeft bestaan.

4.11. Michi zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

4.12.Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

In reconventie
4.13. Onder referte aan het in conventie overwogene terzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, concludeert de kantonrechter dat, door het bezwaar dat door de Ontslagcommissie is aangetekend op het ontslag wegens dringende reden, de arbeidsrelatie tussen partijen nimmer is beëindigd.

4.14. Michi vordert de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden te verklaren, althans te ontbinden. De kantonrechter kan geen declaratoir geven alszou de arbeidsovereenkomst tussen partijen zijn ontbonden aangezien deze, zoals hierboven is aangegeven, geldend is.De kantonrechter is van oordeel dat Michi geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan de kantonrechter tot het oordeel zou moeten komen dat er (gewichtige) redenen aanwezig zijn om de arbeidsrelatie tussen partijen, nadat de Ontslagcommissie bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag wegens dringende reden, toch te ontbinden. De kantonrechter constateert evenwel dat [eiser] na 27 mei 2014 niet heeft aangegeven bereid te zijn de bedongen arbeid te verrichten; althans is zulks niet gesteld en is zulks de kantonrechter ook niet gebleken. De kantonrechter maakt hieruit op dat [eiser] niet langer bereid is de bedongen arbeid voor Michi te verrichten. De kantonrechter gaat er, zoals hierboven in conventie is overwogen, vanuit dat de bereidheid van [eiser] om de bedongen arbeid te verrichten, nog gedurende twee maanden na indiening van het verzoekschrift heeft bestaan. De kantonrechter zal in goede justitie bepaald, de arbeidsovereenkomst tussen partijen, per 01 augustus 2014 ontbinden.

4.15.Michi vordert een schadeloosstelling ad SRD 13.291,87 op gronden die de kantonrechter in het geheel niet duidelijk zijn. Het verwijzen naar artikel 1615o lid 2 BW als grondslag voor het instellen van deze schadevorderingsactie tegen [eiser], komt de kantonrechter niet juist voor. Bedoeld artikel zou mogelijk aan [eiser] enige soelaas kunnen bieden, aangezien het Michi is die [eiser] wegens dringende reden heeft ontslagen en bedoeld ontslag door de Ontslagcommissie als zijnde op onjuiste gronden verleend, bezwaarlijk is geacht. Echter kan naar het oordeel van de kantonrechter ook geen gebruik worden gemaakt van dit artikel, omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen NIET door de kantonrechter is ontbonden; de arbeidsrelatie tussen partijen stond alsdan recht overeind. De onduidelijkheid van de stellingen van Michi blijkt onder meer eveneens uit het volgende. Het is Michi die stelt dat [eiser] vroegtijdig (2¼ maand) de dienstbetrekking zou hebben beëindigd en dat [eiser] daardoor schadeplichtig is ex artikel 1615r BW en wel overeenkomstig een bedrag gelijk aan 2¼ maand loon. Echter is het Michi die [eiser] wegens dringende reden op staande voet heeft ontslagen en heeft weerhouden de bedongen arbeid te verrichten.

4.16.De kantonrechter maakt op dat in de door Michi gevorderde schadevergoeding gelden zijn verdisconteerd die betrekking hebben op de leensom alsook vermeende loon in natura die aan [eiser] zou zijn toegevallen. De kantonrechter heeft bij de beoordeling in conventie reeds aangegeven dat Michi ten onrechte de mening is toegedaan dat het litigieus voertuig in bruikleen zou zijn afgestaan aan [eiser].

Indien Michi van oordeel is dat [eiser] zijn verplichtingen voortvloeiende uit de leningsovereenkomst niet nakomt, dan dient Michi de juiste procedure in te zetten teneinde [eiser] tot nakoming van zijn aflossingsverplichting te dwingen. Het fabriceren van een leen c.q. gebruiksovereenkomst is niet de juridisch juiste procedure en heeft eerder weg van een bestraffing van [eiser] door Michi, hetgeen door de kantonrechter wordt afgekeurd. Het aldus door Michi gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking.

4.17. Michi zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5.De beslissing

In conventie
De kantonrechter:

5.1.Staat [eiser] toe kosteloos te procederen.

5.2.Gelast Michi tot doorbetaling van het loon ad SRD 1.107,46 (éénduizend éénhonderd en zeven vijftig/honderd Surinaamse dollar) per maand vanaf oktober 2013 tot 01 augustus 2014, zijnde het bedrag ad SRD 11.074,46 (elfduizend vierenzeventig zesenveertig/honderd Surinaamse dollar).

5.3.Veroordeelt Michi tot het betalen van de verhoging wegens te late uitbetaling van het loon; vastgesteld op SRD 23,46 (drieëntwintig zesenveertig/honderd Surinaamse dollar).

5.4. Veroordeelt Michi tot betaling van het loon over de maand september 2013 zijnde SRD 1.107,50 (éénduizend éénhonderd en zeven vijftig/honderd Surinaamse dollar).

5.5.Bepaalt dat de onder 5.2., 5.3. en 5.4. genoemde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar gerekend vanaf 27 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.6.Verklaart hetgeen is beslist onder 5.2. tot en met 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In reconventie
5.8.Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingaande 01 augustus 2014.

5.9.Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en in reconventie
5.10.Veroordeelt Michi in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op SRD 193,– (éénhonderd drie en negentig Surinaamse dollar). Aangezien [eiser] is toegestaan kosteloos te procederen zullen deze kosten niet aan Michi in rekening worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 02 maart 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 12-4791
13 augustus 2019
DB

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district 1],
eiser,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- en BOSBEHEER,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, zetelende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

 

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 november 2012 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties;
  • de conclusie van repliek met een productie;
  • de conclusie van dupliek en uitlating productie;
  • de rolbeschikking d.d. 04 augustus 2015 gegeven, waarbij partijen zijn gelast om producties over te leggen;
  • de conclusies tot overlegging producties met producties zijdens partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Blijkens de beschikking van de toenmalige Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, d.d. 10 april 1991, [nummer 1], verkreeg [naam 1] (de vader van eiser) het recht van grondhuur op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 1].
2.2 Blijkens de beschikking van de toenmalige Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, d.d. 26 juni 2005, [nummer 2], verkreeg [naam 2] het recht van grondhuur op het perceelland, groot 2679,24 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 2].
2.3 Blijkens aanvraagstrookje d.d. 15 juli 2010, heeft eiser bij verzoekschrift van 29 juni 2010, bekend onder [nummer 3] een aanvraag bij gedaagde ingediend ter verkrijging van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw op een stuk perceelland gelegen in het [district 2].
2.4 Op voormelde aanvraag van eiser zijn door het Hoofd van de Dienst Grondinspectie bij schrijven van 28 januari 2011 en door de Districtscommissaris van het [district 2] bij schrijven van 15 november 2011 positieve adviezen uitgebracht.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. gedaagde te veroordelen om binnen een maand na het vonnis tot verlening van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw (tuinbouw) met betrekking tot de aanvraag van hem d.d. 15 juli 2010 en bekend onder [nummer 3], middels afgifte van de toewijzingsbeschikking op het perceelland vermoedelijk groot 2,0413 ha, gelegen aan [adres 2] in het [district 2], onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – per dag voor iedere dag dat gedaagde mocht weigeren aan voormelde veroordeling te voldoen;
  2. gedaagde te verbieden het door hem aangevraagde perceelland aan derden in grondhuur af te staan, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – per dag, voor iedere dag dat gedaagde mocht weigeren aan de veroordeling te voldoen;
  3. gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat hij bij verzoekschrift van 29 juni 2010 het recht van grondhuur op het perceelland, vermoedelijk groot 2,0413 ha, gelegen aan [adres 2] in het [district 2] , heeft aangevraagd. Dit perceelland was bij beschikking [nummer 1], voorzien van [nummer 4]in grondhuur afgestaan aan wijlen zijn vader [naam 1], die het heeft bewerkt, omrasterd, ingepolderd en beplant. Hij heeft de werkzaamheden van zijn vader voortgezet, zodat hij ingevolge artikel 3 van het Decreet Beginselen Grondbeleid de meest gerede persoon is die het perceelland verkrijgt. Ondanks positieve adviezen over zijn aanvraag heeft gedaagde tot op heden geen beslissing genomen over zijn aanvraag. Ook niet, nadat hij bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 03 augustus 2012 gedaagde heeft verzocht om zijn aanvraag af te handelen. Hoewel hij aan alle wettelijke eisen voldoet, heeft gedaagde een deel van het door hem aangevraagde perceelland aan een derde en wel aan een zekere [naam 2] afgestaan. Hierdoor handelt gedaagde in strijd met artikel 6 lid 4 van het decreet uitgifte domeingrond en onrechtmatig jegens hem.

3.3 Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1 Eiser verzoekt bij conclusie van repliek akte wijziging c.q. aanvulling van het petitum waarbij hij zijn vordering wenst aan te vullen met een subsidiaire vordering. Nu die subsidiaire vordering betreft het doen vernietigen van een toewijzingsbeschikking verleend aan een derde die niet betrokken is in de onderhavige zaak en zich dus ook niet zal kunnen verweren, zal het verzoek van eiser tot aanvulling van zijn petitum worden verworpen.

4.2 De conclusie van gedaagde strekt tot het afwijzen van de vordering, in ieder geval de door eiser gevraagde voorzieningen te weigeren en hem te veroordelen in de kosten van het geding. Daartoe betoogt gedaagde dat uit het verzoekschrift van eiser d.d. 29 juni 2010 blijkt dat hij het recht van grondhuur heeft aangevraagd op het perceelland, vermoedelijk groot 0,4 ha, gelegen in het [district 2], deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2] en niet het perceelland welke hij in sustenu 1 van zijn inleidend verzoekschrift heeft omschreven. Het boven omschreven perceelland behoorde op het moment van de aanvraag van zowel de vader van eiser als eiser zelf, niet meer tot het vrije domein van hem. Bij beschikking d.d. 26 juni 2005 [nummer 2] is aan [naam 2] het recht van grondhuur verleend op het perceelland, groot 2679,24 m2, aangeduid met het nummer 33, gelegen ten zuiden van de [weg]in het [district 2] , deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2], thans bekend als [adres 2 variant]. Hetgeen eiser stelt dat aan zijn vader bij beschikking no. [nummer 1] voorzien van [nummer 4] het litigieus perceelland in grondhuur is afgestaan, is in strijd met de waarheid. Bij voormelde beschikking is het recht van grondhuur verleend aan de vader van eiser op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 1]. Uit het bovenstaande kan worden vastgesteld dat in tegenstelling tot hetgeen is opgenomen in het rapport van de Dienst Grondinspectie d.d. 28 januari 2011 en het rapport van de Districtscommissaris d.d. 15 november 2011, het litigieus perceelland niet meer behoorde tot het vrije domein van gedaagde ten tijde van de aanvraag van eiser. Uit onderzoek is gebleken dat er een verzoekschrift is waarop de datum 29 juni 2010 is aangegeven met een figuratieve kaart van 05 maart 2012 ten name van eiser. Gedaagde kan dit verzoek niet in behandeling nemen, omdat de aanvraag niet correspondeert met de figuratieve kaart, aldus gedaagde.

4.3 De kantonrechter constateert dat partijen in hun conclusie verwijzen naar producties die zij echter niet hebben overgelegd. Nadat partijen bij rolbeschikking daartoe zijn gelast, heeft eiser een afschrift van het vonnis d.d. 06 mei 2008 gewezen in de zaak bekend onder A.R. no. 02-0404 als productie overgelegd, waarop de kantonrechter als niet terzake doende niet verder zal ingaan. Gedaagde heeft afschriften van drie figuratieve kaarten en twee beschikkingen overgelegd, die zijn betoog ondersteunen.

4.4 Zo blijkt uit de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart, opgemaakt d.d. 06 juli 2010 dat eiser het recht van grondhuur van het perceelland, vermoedelijk groot 0,4 ha, gelegen in het [district 2], deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2], ten noorden van de [weg 2], aangeduid door de figuur met de letters ABCDEFG heeft aangevraagd. Daarnaast blijkt uit de door gedaagde overgelegde kaart d.d. 13 april 2005 over het perceelland, groot 2679,24 m2, aangeduid met de letters ABCDEFGHI en het nummer 33, gelegen ten zuiden van de [weg] in het [district 2], deel uitmakende van het perceel groot 11,3986 ha, bekend als [adres 2], dat die kaart door de landmeter ten verzoeke van [naam 2] is opgemeten en vervaardigd ter voldoening aan het bepaalde in punt II-I van de beschikking d.d. 15 oktober 2004, no, [nummer 5]. Eveneens blijkt uit de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart d.d. 22 februari 1991 dat aan de vader van eiser het recht van grondhuur was verleend op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 1].

4.5 Eiser voert aan dat de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart en het verzoekschrift waarin een oppervlakte van 0,4 ha is aangegeven, is gemanipuleerd. Verder beticht eiser de door gedaagde overgelegde producties van valsheid. Allereerst overweegt de kantonrechter dat, anders dan eiser aanvoert, gedaagde geen verzoekschrift als productie heeft overgelegd. Voorts heeft eiser nagelaten aan te geven hoe en op welke wijze de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart d.d. 06 juli 2010 (productie 1) is gemanipuleerd. Immers, het gaat in casu om een figuratieve kaart die niet door gedaagde, maar door een landmeter is opgemaakt. Derhalve wordt aan dit verweer van eiser voorbijgegaan.

4.6 De kantonrechter overweegt voorts dat na de gemotiveerde uiteenzetting bij antwoord van gedaagde het op de weg van eiser had gelegen daarop bij repliek nader in te gaan. Eiser zou ten minste het door hem bij gedaagde ingediend verzoekschrift d.d. 29 juni 2010 en de daarbij behorende (volgens eiser de niet gemanipuleerde) figuratieve kaart behorende bij zijn verzoek, in het geding kunnen hebben gebracht, waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. Nu eiser dat niet heeft gedaan, zijn de bij dupliek nader toegelichte stellingen van gedaagde als door eiser onvoldoende gemotiveerd weersproken, komen vast te staan. Zo is tussen partijen in rechte komen vast te staan dat:

  • eiser het recht van grondhuur heeft aangevraagd op het perceelland, groot 0,4 ha gelegen aan [adres 2];
  • aan de vader van eiser het recht van grondhuur was afgestaan op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen aan [adres 1] ;
  • aan [naam 2] het recht van grondhuur is verleend op het perceelland, groot 2679,24 m2, gelegen ten zuiden van de Groenhart[weg], deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2] , thans bekend als [adres 2 variant].

Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het in casu drie verschillende percelen, terwijl gesteld noch gebleken is dat eiser zijn verzoek binnen 18 maanden na het overlijden van zijn vader, heeft ingediend.

4.7 Op grond van het voren overwogene is de kantonrechter van oordeel dat het door eiser gestelde dat het recht van grondhuur op het door hem aangevraagd perceel, groot 2,0413 ha, aan zijn vader zou zijn verleend, niet is komen vast te staan. De grondslag van de vordering is hierdoor niet komen vast te staan.

Derhalve is de vordering als te zijn ongegrond en niet bewezen niet voor toewijzing vatbaar. De vordering zal dan ook worden afgewezen en zal eiser als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

4.8 Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat het door eiser gevorderde sowieso niet toewijsbaar is, omdat de kantonrechter gedaagde niet kan veroordelen om het recht van grondhuur op een stuk grond aan iemand af te staan. Hoogstens kan de kantonrechter gedaagde veroordelen om een beslissing te nemen ten aanzien van het door hem ingediend verzoek.

  1. De beslissing

De kantonrechter
5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 13 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2017-37

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wondende in het [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R. no. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis uit:

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 19 juli 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met productie, overgelegd op 20 maart 2015;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 03 juli 2015;
  • de repliekpleitnota, overgelegd op 02 oktober 2015;
  • de dupliekpleitnota met productie, overgelegd op 04 december 2015
  • de conclusie tot uitlating productie, overgelegd op 15 januari 2016.

1.1 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 08 mei 1982 te Paramaribo in het ressort Par/BH in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.
2.3 Bij vonnis van 28 mei 2012 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton de vordering tot echtscheiding en scheiding en deling zijdens de man, afgewezen.
2.4 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 28 mei 2012, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan gemachtigden van partijen verstrekt per griffiersbrief d.d. 17 juli 2012. Nu de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 18 juli 2012, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 19 juli 2012, appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:

a. tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
b. de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet;
c. kosten rechtens.

5.De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen alsvolgt worden opgesomd:

I. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen, hierop neerkomende, dat de ziens wijze van de man, dat hij niet hoeft te onderbouwen op grond waarvan hij aanvoert dat het huwelijk duurzaam is ontwricht tenzij gedaagde dat tegenspreekt, voorbij gaat aan het feit dat de tegenpartij het recht heeft van meet af aan te weten waartegen zij verweer dient te voeren en dat door die zienswijze van de man de kantonrechter de ruimte wordt ontnomen om aan de hand van stellingen en weren van partijen te beoordelen of er wel of niet sprake is van duurzame ontwrichting, ondanks mogelijke ontkenning van de vrouw.

II. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de man heeft volstaan met slechts te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat hij daardoor onvoldoende heeft gesteld en dat zijn vordering daardoor dient te worden afgewezen aangezien de man in de conclusie van repliek de gestelde duurzame ontwrichting toch nog heeft onderbouwd, doch is de kantonrechter daaraan voorbijgegaan.

6. De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg, toe te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden en doet voorts een uitdrukkelijk beroep op de artikelen 263 en 264 SBW.

8. De beoordeling
8.1 De vrouw heeft op de grief gereageerd en daarbij aangevoerd dat de man de plank volledig misslaat door ervan uit te gaan dat hij niet gehouden is aan zijn stelplicht bij diens vordering en dat hij door simpelweg een blote stellingname/grondslag – dat het huwelijk duurzaam ontwricht is – een echtscheiding kan effectueren. Hierdoor heeft zij zich niet kunnen verweren omdat zij van meet af aan ten processe niet weet wat de feiten zijn die de veronderstelde duurzame ontwrichting dragen. Zij stelt voorop dat zij ontkent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan haar schuld te wijten is en dat de man zijn vordering moet motiveren, nu zij met klem ontkent dat er sprake is van duurzame ontwrichting die in overwegende mate aan haar schuld te wijten is.

8.2 Het Hof overweegt dat de door de man aangevoerde grieven slagen. Immers geldt volgens wet, vaste jurisprudentie en doctrine het volgende. Dient een echtgenoot tegen de ander een verzoek tot echtscheiding in, dan behoeft hij in het verzoekschrift, voor zover het gaat om de ontbinding van het huwelijk, slechts te stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Als de andere echtgenoot de gestelde duurzame ontwrichting erkent, refereert aan het oordeel van de rechter danwel niet weerspreekt en dus geen verweer voert, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen. De duurzame ontwrichting staat dan vast. De lijdelijkheid van de rechter leidt ertoe dat de rechter in deze gevallen niet ambtshalve mag onderzoeken of de tussen partijen vaststaande toestand inderdaad aanwezig is. Voert de andere echtgenoot het verweer dat het huwelijk niet – of niet duurzaam – is ontwricht, dan zal de eiser concreet moeten aangeven en bewijzen waaruit de (duurzame) ontwrichting bestaat. Gelet hierop slaagt grief I.

8.3 In casu heeft de vrouw de echtscheidingsgrond niet betwist, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof komt hierop naderhand terug. In eerste aanleg heeft de man aan zijn vordering duurzame ontwrichting van het huwelijk ten grondslag gelegd. Voorts heeft hij bij conclusie van repliek gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning heeft verlaten en niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Bij conclusie van repliek in hoger beroep heeft de man verder gesteld dat de vrouw schuld heeft aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. Het hof overweegt dat nu de man voldoende onderbouwing aan de door hem gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gegeven ook grief II slaagt.
Dit heeft tot gevolg dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en als na te melden zal worden beslist.

8.4 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en in hoger beroep de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet heeft ontkend, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans langer dan 3 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat.

8.5 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek in zowel eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is omdat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan overspel. De vrouw doet hiermee een uitdrukkelijk beroep op artikel 263 SBW.

8.6 Het Hof overweegt dat het enkel aangaan van een buitenechtelijke relatie en het verlaten van de echtelijke woning door de man, niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan zijn schuld te wijten is geweest, aangezien de man duidelijke redenen heeft aangevoerd waarom hij de echtelijke woning verlaten heeft.
Met name is door de man aangevoerd dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning verlaten heeft en voorts dat hij niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Voorts heeft de man aangegeven dat de vrouw schuld heeft gehad aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. De man heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de vrouw slechts heeft volstaan door aan te voeren dat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan. Hiermee heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de schuld van de man is te wijten en zal het verweer van de vrouw ter zake worden verworpen.

8.7 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en hoger beroep een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op het pensioenverweer ingevolge artikel 264 SBW. In artikel 264 lid 1 SBW is bepaald dat indien als gevolg van de gevorderde echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de ene echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, zou teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen de vordering verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat daaromtrent een voorziening is getroffen.

8.8 Het Hof constateert voorts dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd tegen het onder punt 8.7 gesteld pensioenverweer van de vrouw. Gelet op het in 8.7 en 8.8.overwogene acht het Hof termen aanwezig een comparitie te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen. Partijen dienen ter comparitie, voor zover nodig met medeneming en overlegging van relevante documenten, hun respectieve standpunten met betrekking tot het gevoerde pensioenverweer te onderbouwen zodat eventueel een voorziening ter zake kan worden getroffen.

8.9 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen ambtshalve om in persoon, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 13 oktober 2017 des voormiddags te 09:00 uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het in 8.8 overwogene;
Bepaalt dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van het Hof van Justitie;
Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

SRU-HvJ-2017-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker]
wonende in [district],
verzoeker, hierna ook aangeduid als ‘[verzoeker]’,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

  • Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift d.d. 2 september 2013, ter griffie ingekomen op 3 september 2013 (met een productie);
  • het verweerschrift d.d. 27 november 2013, ter griffie ingekomen op 28 november 2013 (met vijf producties);
  • de beschikking van het Hof van 3 januari 2014 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 7 februari 2014;
  • het proces-verbaal van de op 7 februari 2014 gehouden mondelinge behandeling;
  • de akte van rectificatie, overgelegd op 7 februari 2014;
  • de pleitnota overgelegd op 7 maart 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 2 mei 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 4 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 15 juli 2014.
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] werd wegens het plegen van ernstig plichtsverzuim bij beschikking van de Korpschef van het Korps Politie Suriname [naam 1] d.d. 1 februari 2013 ingaande even vermelde datum buiten functie gesteld en op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet geschorst in zijn ambt;

2.2. [verzoeker] is door tussenkomst van de politiearts op dinsdag 28 januari 2013 onderworpen aan een urine- en drugstest;

2.3. Blijkens het medisch resultaat van het Medisch Diagnostisch Laboratorium voor Artsen en Specialisten medilab is [verzoeker] positief bevonden op het gebruik van Marihuana

2.4. [verzoeker] was bij beschikking d.d. 18 oktober 2012, voorzien van het K.A.[nummer 1] en Bureau [nummer 2] de tuchtstraffen van [nummer 1] en Bureau [nummer 2] de tuchtstraffen van één maand schorsing en van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van 1 jaar;

2.5.[verzoeker] heeft in zijn mondeling verweer op het gehouden Korpsrapport d.d. 14 maart 2013 aangegeven dat hij inderdaad marihuana heeft gekocht bij een onbekende manspersoon; dat dit de eerste keer is geweest dat hij marihuana heeft gerookt en dat hij de marihuana had gerookt uit nieuwsgierigheid op de werking daarvan;

2.6.In een brief d.d. 15 februari 2013, met als onderwerp verweer en gericht aan de Korpschef [naam] heeft [verzoeker] onder meer aangegeven dat hij slechts een keer heeft geproefd hoe de drugs “Jammi” proeft en dat hij geen regelmatige drugsgebruiker is;

2.7.[verzoeker] is bij beschikking met bekend onder bureau [nummer 3] , KA [nummer 4], hierna ook de “ontslagbeschikking” genoemd, de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst aangezegd.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1.[verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) nietigverklaring van de ontslagbeschikking en rehabilitatie in de rang waarin hij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest;
b) dat verweerder het vonnis binnen een (1) week na betekening of binnen een door het hof vast te stellen termijn uitvoert onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag waarop verweerder in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis;
c) Kosten rechtens.

3.2.[verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking niet krachtens artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest in persoon aan hem is verstrekt, maar is verstrekt aan zijn broer op 13 mei 2013.

3.3.[verzoeker] stelt ook dat het schenden van artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest niet in zijn nadeel kan werken voor wat betreft het berekenen van de termijn zoals genoemd in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, aangezien hij pas op 08 augustus 2013 bekend is geworden met de inhoud van de ontslagbeschikking.

3.4.[verzoeker] stelt verder dat hij op basis van een gerucht is onderworpen aan een drugstest en dat hij niet geconfronteerd is met de resultaten hiervan. Verweerder heeft hiermee niet alleen het motiveringsbeginsel geschonden, maar ook het zorgvuldigheids-, gelijkheid- en fair play beginsel zijnde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering waarop voor zover nodig bij de beoordeling zal worden ingegaan.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [verzoeker].

Ontvankelijkheid
5.1. Geconstateerd wordt dat [verzoeker] opkomt tegen het besluit van de Minister van Justitie en Politie om hem te ontslaan uit Staatsdienst. Volgens artikel 80 lid 1 sub a van de Personeelswet jo. artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest is een vordering ingediend een maand nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht, danwel hij geacht kan worden van het besluit kennis te hebben genomen, niet ontvankelijk.

5.2. Alszijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist mag als vaststaand worden aangenomen dat de ontslagbeschikking op 13 mei 2013 aan een broer van [verzoeker] is uitgereikt.

5.3.[verzoeker] stelt dat de ontslagbeschikking niet conform het bepaalde in artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest aan hem in persoon is uitgereikt en dat hij de ontslagbeschikking pas op 8 augustus 2013 onder ogen heeft gehad, weshalve ervan uit moet worden gegaan dat verzoeker pas op laatstgenoemde datum bekend is geworden met de inhoud van de genoemde ontslagbeschikking.

5.4.Verweerder stelt hierop dat [verzoeker] kennis heeft genomen van de ontslagbeschikking op 14 mei 2013 daar [verzoeker], naar zeggen van verweerder, op 14 mei 2013 heeft gebeld naar de afdeling Interne Tuchtzaken en daarbij te woord werd gestaan door onder-inspekteur [naam 2], bij wie [verzoeker] tijdens het gevoerde gesprek expliciet de vraag betreffende de ingangsdatum van zijn ontslag aan de orde heeft gesteld.Verweerder stelt voorts dat daar [verzoeker] zijn vordering heeft ingesteld op 3 september 2013 hij derhalve op grond van het bepaalde in artikel 47 lid 4 onder a van het Politiehandvest [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dient [verzoeker] niet te worden ontvangen in zijn vordering danwel dient het verzoek (de vordering) te worden afgewezen alszijnde ongegrond en onbewezen.

5.5. Ter gelegenheid van het verhoor van partijen heeft [verzoeker] ontkend op 14 mei 2013 kennis te hebben genomen van de ontslagbeschikking en contact te hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken.

5.6.Uit de stellingname van partijen over en weer staat vast dat verweerder de ontslagbeschikking niet ingevolge het bepaalde in artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest in persoon aan [verzoeker] heeft uitgereikt.Gelet op het gevoerde ontvankelijkheids verweer van verweerder en nu [verzoeker] heeft ontkend op 14 mei 2013 bekend te zijn geweest met het besluit neergelegd in de ontslagbeschikking danwel kennis te hebben genomen van genoemd besluit zal verweerder in de gelegenheid worden gesteld middels aan te dragen feiten en omstandigheden te bewijzen dat [verzoeker] geacht wordt op 14 mei 2013 kennis te hebben gehad van het besluit neergelegd in de ontslagbeschikking.

5.7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing
Het Hof:
En alvorens verder te beslissen:

Stelt verweerder in de gelegenheid, draagt hem voorzover nodig daartoe op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het horen van getuigen, te bewijzen dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het besluit neergelegd in de ontslagbeschikking.

Bepaalt dat het getuigenverhoor ter fine van het voorgaande wordt gehouden op vrijdag 3 maart 2017 om 12.00 uur des middags in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combéweg 2 te Paramaribo ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig hierbij wordt benoemd, mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van dit Hof;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan,Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-12

A-938

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde: mr. G. van der San, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van de Republiek Suriname,
domicilie hebbende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als verzoekster respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d. 04 januari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift door de Staat is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 april 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • de processen-verbaal van de op 05 januari 2018 en 06 april 2018 gehouden verhoren van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018 doch nader op heden;

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [Verzoekster] is op 01 april 2011 in overheidsdienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 (één) jaar. Zij is bij indiensttreding tewerkgesteld als juridisch medewerker op de Griffie der Kantongerechten (Civiele Zaken) van de hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie, zijnde een orgaan van de Staat. De arbeidsovereenkomst is hierna steeds stilzwijgend verlengd;

2.2. Verzoekster heeft middels haar aan de directeur van Buitenlandse Zaken gericht schrijven d.d. 21 oktober 2013 een verzoek gedaan tot overplaatsing van het Ministerie van Justitie en Politie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een ander orgaan van de Staat. In reactie op voornoemd schrijven heeft verzoekster een schrijven d.d. 06 oktober 2014 ontvangen van de directeur van Buitenlandse Zaken waarin haar wordt medegedeeld dat haar verzoek in welwillende overweging is genomen en dat zij zich vooruitlopend op de ter beschikking stelling op 15 oktober 2014 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan aanmelden. Kort hierna wordt er namens de directeur van Justitie en Politie een schrijven d.d. 13 oktober 2014 verstuurd naar de directeur van Buitenlandse Zaken, met een cc naar verzoekster. In dit schrijven deelt eerstgenoemde directeur, laatstgenoemde directeur mee dat er van de zijde van het Ministerie van Justitie en Politie geen bezwaren bestaan dat verzoekster met ingang van 15 oktober 2014 wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiernaast wordt ook meegedeeld dat de concept overplaatsingsbeschikking ten name van verzoekster, de directeur van Buitenlandse Zaken wordt toegezonden na bevestiging dat verzoekster haar diensten heeft aangevangen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. verzoekster vangt op 15 oktober 2014 aan met haar werkzaamheden op laatstgenoemd Ministerie;

2.3. Op 20 maart 2015 ontvangt verzoekster een aan haar gericht schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 waarin, onder verwijzing naar zijn schrijven d.d. 11 maart 2015 aan de Minister van Justitie en Politie, aan haar wordt meegedeeld dat wordt afgezien van haar overplaatsing. Hiernaast wordt aan haar gevraagd contact op te nemen met het Ministerie van Justitie en Politie casu quo instructies af te wachten. Derhalve wordt afgezien van de overplaatsing van verzoekster en betrokkene wordt per 15 maart 2015 wederom ter beschikking gesteld van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.4. Bij haar schrijven d.d. 23 maart 2015 reageert verzoekster op het schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 en vraagt de Minister om haar te ontvangen voor een persoonlijk onderhoud eventueel in gezelschap van de relevante functionarissen, opdat het een en ander kan worden toegelicht casu quo uitgepraat. Op dit schrijven ontvangt verzoekster in december 2016 een reactie;

2.5. Bij het schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 30 april 2015, wordt verzoekster gevraagd zich schriftelijk te verweren naar aanleiding van het feit dat zij zich niet zou hebben aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie nadat zij was terugverwezen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop informeert verzoekster de directeur middels haar schrijven d.d. 06 mei 2015 dat zij met betrekking tot onderhavige kwestie, in communicatie is met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waardoor zij zich niet heeft kunnen aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Hierna ontvangt verzoekster een ander schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 26 mei 2015, inhoudende dat zij zich moet aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Op 02 juni 2015 heeft verzoekster een gesprek met het wnd. Hoofd en een medewerker van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie. Op 03 juni 2015 richt verzoekster een schrijven aan de directeur van Justitie en Politie waarin zij haar, onder andere, informeert over de gang van zaken en het gesprek van 02 juni 2015 met functionarissen van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.6. Enkele maanden later ontvangt verzoekster een schrijven vanwege de directeur van Justitie en Politie d.d. 22 maart 2016, onder meer, inhoudende dat hetgeen verzoekster heeft aangegeven bezijdens de waarheid is en zij zich tot 22 maart 2016 nimmer voor de dienst heeft aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie en dat als gevolg daarvan besloten is de met haar aangegane arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat haar salaris per eind maart 2016 wordt stopgezet. Enkele maanden hierna wordt voornoemd schrijven opgevolgd door de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 10 juni 2016, Bureau [nummer 1] middels welke is besloten/bepaald dat de tussen de Staat en verzoekster aangegane arbeidsovereenkomst is opgezegd en dat verzoekster vanaf 15 maart 2015 (het hof begrijpt: 2016) geen aanspraak maakt op salaris of enige andere vergoeding, wegens het zonder gegronde redenen niet vervullen van haar ambtsverplichtingen. Dit besluit is middels exploot van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 01 november 2016, [nummer 2] betekend aan verzoekster;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Verzoekster vordert – zakelijk weergegeven – primair dat de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d.10 juni 2016, Bureau [nummer 1] nietig zal worden verklaard met daaraan gekoppelde nevenvorderingen, waaronder (door) betaling van haar maandelijkse loon. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag. Subsidiair vordert verzoekster nietigverklaring van voormelde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en vergoeding van de door verzoekster geleden schade bestaande uit loonderving, zijnde het achterstallig loon te rekenen vanaf 15 maart 2015 tot en met 31 december 2016 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars. Kosten rechtens;

3.2. Verzoekster heeft – zakelijk weergegeven en in zoverre voor de beslissing van belang – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is het niet eens met de opzegging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en de stopzetting van de doorbetaling van haar loon. Voornoemd(e) besluit(en) volgens eerdergenoemde beschikking van de directeur van Binnenlandse Zaken berust(en) op overwegingen die zijn gebaseerd op onjuiste informatie casu quo niet op waarheid. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat de dienstbetrekking met haar met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en daarbij de in artikel 2 onder a van de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu de vordering betreft nietigverklaring van een besluit van de Staat. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde;

Ontvankelijkheid

4.2. De Staat heeft als preliminair verweer aangevoerd – kort gezegd – dat verzoekster tardief is met het instellen van de onderhavige vordering en derhalve niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Immers is het ontslagbesluit op 1 november 2016 per deurwaardersexploot onder nummer 182 aan verzoekster betekend en heeft zij onderhavige vordering pas op 04 januari 2017 ingediend. Verzoekster heeft het voorgaande erkend maar heeft gevraagd om rekening te houden met de belangen van haar die in geding zijn. Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel.

Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet dienen dergelijke vorderingen uiterlijk binnen een maand nadat het besluit ter kennis van belanghebbende is gebracht, te worden ingediend. In casu is onderhavige vordering ruim twee maanden nadat het besluit ter kennis van verzoekster is gebracht ingediend, weshalve Verzoekster tardief is met het instellen van onderhavige vordering;

4.3. De consequentie van het voorgaande is dat verzoekster niet – ontvankelijk zal worden verklaard in de ingestelde vordering. Immers zijn de in de wet opgenomen termijnen van openbare orde en leidt een redelijke en billijke belangenafweging niet tot een ander oordeel. Verzoekster geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal in de gedingkosten worden veroordeeld aan de zijde van de Staat gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5. De beslissing

Het Hof:
5.1. Verstaat dat verzoekster kosteloos procedeert;
5.2. Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in de ingestelde vordering;
5.3. Veroordeelt verzoekster in de gedingkosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer­Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger

w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Matawlie namens advocaat mr. G. van der San, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens advocaat mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2012-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende in [district], hierna aangeduid als ”[eiser]”
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
hierna aangeduid als ”de Staat,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend resident in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van het Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 03 maart 2011, ter griffie ontvangen op 04 maart 2011, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 27 mei 2011;
  • de beschikking van het Hof van Justitie van 14 juli 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 21 oktober 2011, doch is uitgesteld naar 16 december 2011;
  • het proces-verbaal d.d. 16 december 2011, betreffende het verhoor van partijen;
  • pleitnota d.d. 6 januari 2012.

Ten dage bepaald voor het nemen van een antwoordpleitnota heeft mr. van der San verklaart niet te zullen antwoorden en heeft hij vervolgens vonnis gevraagd. Het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 mei 1992 is [eiser] met ingang van 08 mei 1992 buiten functie gesteld, krachtens welke beschikking de bezoldiging van [eiser] vanaf de maand juni 1992 werd ingehouden. In de beschikking wordt [eiser] ervan verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

1.2. Op 31 januari 2001 heeft [eiser] een schriftelijk verzoek tot diensthervatting aan de Staat gericht.

1.3. In reactie op het verzoek van [eiser], als hiervoor vermeld onder 1.2, heeft de Staat op 29 mei 2001 [eiser] schriftelijk in gebreke gesteld en aangezegd zich te verweren. In die schriftelijke ingebrekestelling staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer verwoord:
“ …..
Uit een schrijven van het Hoofd van de afdeling Personeelszaken van het Korps Politie Suriname, mevr. [naam], Hoofd-lnspecteur, de dato 14 mei 2001, gericht aan mij, blijkt het volgende:
Dat U na juni 1992 tot heden nimmer heeft aangemeld voor diensthervatting (ongeveer 10 jaren niet gewerkt), nadat aan U de dato 3 juni 1992 door de toenmalige wnd. Korpschef de tuchtstraf van terugstelling in rang voor de duur van 2 jaren werd opgelegd.
Het feit dat U bijkans tien (10) jaren niet heeft gewerkt voor het Korps Politie Suriname levert ernstig plichtsverzuim op.
Hierbij wordt U dan ook voor het bovenstaande ingebreke gesteld en ingevolge artikel 44 van het Politie Handvest binnen 7 dagen na ontvangst van dit schrijven in de gelegenheid gesteld zich te verweren. Uw verweerschrift dient U in te leveren bij het Hoofd Personeelszaken, Duisburglaan no. 43 te Paramaribo.”

2.1. In het inleidend verzoekschrift heeft [eiser] gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om binnen één week na de uitspraak, dan wel binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn, de maandelijkse bezoldiging met emolumenten en toelagen vanaf juni 1992 aan hem, [eiser], uit te keren en hiermee voort te gaan totdat het dienstverband tussen hem en de Staat op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd op straffe van een dwangsom van SRD. 1.000,– voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft hieraan te voldoen.

2.2. De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.1.1. [eiser] voert aan dat de buiten functiestelling en blokkering van zijn salaris in strijd met artikel 39 lid 1 van het Politiehandvest door een daartoe onbevoegde is geschied. Met name diende de buiten functiestelling door de korpschef of de commandant van de afdeling te worden opgelegd en niet door het hoofd van de afdeling Personeelszaken. Voorts voert hij in zijn pleitnota aan dat de ministeriële beschikking betreffende de buiten functiestelling rechtsgevolg ontbeert, omdat het niet op de formele wijze aan hem is uitgereikt of betekend en hij dus nimmer formeel hiervan op de hoogte is gesteld.

3.1.2. De Staat werpt als formeel verweer op dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Daartoe voert hij de volgende gronden aan:
Het Hof als ambtenarengerecht is bevoegd te oordelen over vorderingen zoals gesteld in artikel 79 e.v. van de Personeelswet (Pw). [eiser] heeft niet exact aangegeven welk besluit ten aanzien van hem in aanmerking komt voor nietigverklaring. De Staat gaat ervan uit dat [eiser] in de onderhavige zaak een voorziening vraagt in verband met een tegen hem genomen besluit op zijn laatst in het jaar 2001.

3.1.3. Uit de inhoud van het inleidend verzoekschrift en de vordering leidt het Hof af dat [eiser] de ministeriële beschikking van 27 mei 1992 bestrijdt en hij, [eiser] het oog heeft op een vordering tot schadevergoeding met daaraan gekoppeld een dwangsom zoals neergelegd in artikel 79 lid 1 onder b en c PW.
Om die reden zal het door de Staat formeel opgeworpen verweer worden verworpen.

3.1.4. Naar het oordeel van het Hof gaat de stelling van [eiser] dat hij nimmer formeel in kennis van de bedoelde ministeriële beschikking in kennis is gesteld, niet op. Dit, omdat hij zelf op pag. 7 onder Ad. 4 in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat die beschikking op 27 mei 1992 aan hem werd uitgereikt. In dat licht stelt het Hof voorop dat deze vorm van kennisneming of uitreiken van de beschikking valt onder het bepaalde in artikel 80 lid 2 onder b PW, zodat het Hof ervan dient uit te gaan dat [eiser] sedert de hiervoor vermelde datum kennis droeg van de ministeriële beschikking en uiterlijk 27 juni 1992 de onderhavige vordering diende in te stellen. [eiser] heeft de onderhavige vordering op 04 maart 2011 ingediend, hetgeen het Hof tot de slotsom brengt dat hij tardief is en niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

3.2. Voor het geval dat [eiser] wel ontvankelijk in zijn vordering was geweest overweegt het Hof – ten overvloede – het volgende. Als materieel verweer werpt de Staat op dat [eiser] op grond van artikel 1614BW juncto artikel 28 lid 3 PW, zijnde het beginsel van ”no work no pay”, geen recht heeft op loon. Daartoe voert de Staat aan dat [eiser] vanaf juni 1992 geen werkzaamheden heeft verricht en zich evenmin heeft aangemeld voor hervatting van zijn werkzaamheden. Op dit gemotiveerd verweer is [eiser] niet ingegaan, zodat er dan ook vanuit dient te worden uitgegaan dat [eiser] vanaf juni 1992 tot heden geen arbeid heeft verricht en dus geen recht heeft op uitbetaling van het salaris zoals door hem gevorderd.

De beslissing
Het Hof:
Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. F.M.S. Ishaak en mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-11

G.R.No. 15123

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant] ,
wonende in het [district],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelend te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 13-4372) tussen appellant als eiser in kort geding in eerste aanleg en geïntimeerde als gedaagde in kort geding in eerste aanleg,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis op 16 maart 2018.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de processen-verbaal d.d. 06 april 2018, 01 juni 2018 en 06 juli 2018 van de gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging bescheiden zijdens geïntimeerde, met producties overgelegd ter griffie van het Hof op 03 augustus 2018;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties zijdens appellant, overgelegd ter griffie van het Hof op 19 oktober 2018;
  • de rechtsdag voor de uitspraak die aanvankelijk was bepaald op 15 februari 2019, doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in hoger genoemd tussenvonnis is overwogen.

2.2. De bij voormeld tussenvonnis gelaste comparitie van partijen is gehouden en vervolgens voor gesloten verklaard. Daarbij is appellant in persoon verschenen terwijl geïntimeerde slechts door haar advocaat vertegenwoordigd werd. Ondanks verleend uitstel zijn er geen vertegenwoordigers van geïntimeerde ter comparitie komen opdagen waardoor de verlangde inlichtingen niet konden worden ingewonnen en evenmin de mogelijkheden van een minnelijke regeling konden worden beproefd.

2.3 Appellant heeft als grief I aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, daarbij voorbij gaand aan de door appellant overgelegde bescheiden, dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over een HBO-diploma, terwijl appellant zulks nimmer had beweerd. Appellant heeft gesteld dat hij een HBO-denkniveau heeft, hetgeen blijkt uit de door hem overgelegde producties en wordt zulks door geïntimeerde erkend. Appellant stelt dat de door geïntimeerde opgegeven vereisten geen wettelijke vereisten zijn, terwijl hij, appellant, over de vereiste kwaliteiten beschikt, blijkende zulks uit zijn staat van dienst. Ter adstructie legt appellant over een werkgeversverklaring door geïntimeerde afgegeven d.d. 14 mei 2015, waarin geïntimeerde zelf aangeeft dat appellant functioneert als stafmedewerker HBO (lees: op HBO niveau). Appellant voert aan dat zelfs het Hoofd Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg geen HBO- diploma bezit. Ter adstructie wordt een personeelsbestand met daarbij behorende opleidingsniveau overgelegd. Appellant beroept zich uitdrukkelijk op het gelijkheidsbeginsel.
2.3.1 Geïntimeerde heeft hiertegen aangevoerd dat het Fiso-systeem dat bij resolutie van 28 februari 2009, [ nummer 1] houdende vaststelling van de bezoldigingsreeks per beroepsgroep (S.B. 2009 no. 29) is ingegaan, als functievereisten casu quo wettelijke eisen van benoembaarheid stelt: opleiding: HBO maatschappelijk werk. Aangezien appellant niet beschikt over een HBO-diploma Maatschappelijk werk, voldoet appellant niet aan de wettelijke eisen van benoembaarheid en is een HBO-denkniveau hiervoor onvoldoende. Volgens geïntimeerde mag appellant beschikken over ruime ervaring of staat van dienst, doch beschikt hij daarmee nog niet over alle vereisten genoemd in de resolutie. Op grond hiervan concludeert geïntimeerde dat appellant niet stilzwijgend is benoemd in de functie van Onderhoofd Dienst Algemeen Maatschappelijke Zorg.
Volgens geïntimeerde geeft het door appellant overgelegde personeelsbestand een vertekend beeld, omdat ambtenaren die reeds te werk waren gesteld op de Dienst voornoemd en niet over een HBO-diploma beschikten, ingevolge de rechtszekerheid in hun bestaande functie zijn gebleven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat derhalve niet op.
2.3.2 Bij conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, heeft geïntimeerde onder overlegging van de functiebeschrijving van de functie Onderhoofd Algemeen Maatschappelijk Zorg, aangevoerd dat de gestelde eisen voor benoeming in de functie zijn: een afgeronde HBO-opleidings- richting maatschappelijk werk, minimaal 2 jaar ervaring in een soortgelijke functie, management vaardigheden, integer en flexibel creatief. Gelet op de opleidingsvereisten voldoet appellant volgens geïntimeerde niet daaraan.
2.3.3 Appellant voert hiertegen aan dat het door geïntimeerde overgelegde bescheid nog steeds niet valt onder wettelijke vereisten voor benoembaarheid, terwijl het dateert van 17 november 2014 en dus niet van toepassing is op appellant, daar hij geacht wordt benoemd te zijn in de functie van Onderhoofd vanaf 21 juli 2010.

2.4 Appellant heeft als grief II aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte het verweer van geïntimeerde als zou het beroep op de artikelen 22 lid 5 PW niet opgaan, gegrond heeft geacht, terwijl geïntimeerde nimmer heeft kunnen aantonen welke wettelijke vereisten er zouden bestaan ten aanzien van de benoembaarheid van appellant in de functie en geïntimeerde zelf aangeeft dat appellant zijn taken als waarnemend hoofd altijd naar behoren heeft uitgevoerd. Volgens appellant zijn de wettelijke vereisten waarop geïntimeerde zich beroept, in strijd met de redelijkheid en billijkheid, getuige de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 05 augustus 2014 [nummer 2].
2.4.1 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat hij ten bewijze van de benoembaarheidsvereisten niet alleen heeft verwezen naar de resolutie van 28 februari 2009, doch ook een document gewaarmerkt als productie 1 in het geding heeft gebracht, terwijl een enkele waarneming niet automatisch betekent dat hij over alle wettelijke vereisten beschikt en daarom in de functie is benoemd. Volgens geïntimeerde is appellant niet in het bezit van een HBO­opleiding Maatschappelijk Werk en beschikt ook niet over alle specifieke vaardigheden, zodat hij niet voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet.
Voorts voert geïntimeerde aan dat genoemde functie reeds enkele jaren is ingevuld.
Geïntimeerde voert aan dat appellant wel een waarnemingstoelage heeft ontvangen.
2.4.2 Appellant persisteert erbij dat er geen wettelijke vereisten voor voornoemde functie zijn vastgesteld, ook niet in de resolutie die slechts de bezoldigingsreeks behorende bij een functie aangeeft. Appellant ontkent een waarnemingstoelage te hebben ontvangen, hetgeen hij in eerste aanleg middels overlegging van een salarisslip heeft aangetoond. Dat genoemde functie reeds is ingevuld, doet niet af aan hetgeen wordt gevorderd.
2.4.3 Geïntimeerde persisteert dat appellant op grond van de resolutie niet in aanmerking is gekomen voor de benoeming, omdat hij niet over een HBO-diploma beschikt. Volgens geïntimeerde zijn de vereisten misschien niet expliciet opgesomd, doch blijken deze uit de staat functiebenoeming bezoldigingsreeks alsmede uit de artikelen in het besluit zelf. Geïntimeerde persisteert dat appellant wel een waarnemingstoelage heeft ontvangen.
Bij conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen heeft geïntimeerde onder overlegging van de beschikking d.d. 05 augustus 2014 [nummer 2] S.B. 2014 no. 92, aangevoerd dat de daarin bedoelde team van deskundigen die de test zou moeten afnemen, niet formeel is geïnstalleerd of benoemd, terwijl er nog geen ambtenaren op grond van voornoemde beschikking zijn benoemd.
2.4.4 Het Hof overweegt dat appellant oorspronkelijk heeft gevorderd om geïntimeerde te veroordelen hem te voorzien van een beschikking c.q. resolutie, inhoudende diens benoeming tot Onderhoofd Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg (AMZ) van het directoraat Algemeen Maatschappelijk Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting met dienovereenkomstige aanpassing van zijn salaris en emolumenten te rekenen van 21 juli 2009. Appellant heeft zijn vordering nader uitgelegd, waarbij appellant uitdrukkelijk stelt dat hij niet vordert om benoemd te worden in bedoelde functie, omdat hij ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet wordt geacht stilzwijgend benoemd te zijn in die functie vanaf 21 juli 2010.

2.5 Gelet op de nauwe samenhang tussen beide grieven, zal het Hof deze hieronder gezamenlijk bespreken.
Het Hof overweegt dat als niet weersproken in eerste aanleg het spoedeisend belang van appellant bij zijn vordering, aannemelijk is geworden, daarbij stellende dat hij belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, vanwege het feit dat het hem bekend is dat geïntimeerde doende is een derde te benoemen in de functie van Onderhoofd AMZ.
Naar het oordeel van het Hof duurt voornoemde omstandigheid nog voort, zodat appellant nog steeds belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, weshalve het spoedeisend belang van appellant nog steeds overeind staat.

2.6 Het Hof overweegt voorts ten aanzien van het standpunt van geïntimeerde in eerste aanleg als zou appellant zijn vordering moeten indienen bij het hof als ambtenarenrechter, dat nu appellant in eerste aanleg heeft gevorderd dat geïntimeerde hem voorziet van een beschikking c.q. resolutie inhoudende diens benoeming tot Onderhoofd Dienst AMZ met dienovereenkomstige aanpassing van zijn salaris en emolumenten te rekenen van 21 juli 2009 onder verbeurte van een dwangsom, het gevorderde naar het oordeel van het Hof geen betrekking heeft op een beslissing zoals opgesomd in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, zodat het Hof als ambtenarenrechter onbevoegd zou zijn om van de onderhavige vordering kennis te nemen.

2.7 Met betrekking tot de bevoegdheid van de kortgedingrechter om een definitieve beslissing in casu te geven, overweegt het Hof dat door de deformalisering van het kort geding de kortgedingrechter wel een definitieve beslissing kan geven indien naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een dergelijke beslissing ook zou zijn gevolgd in een bodemprocedure.

2.8 Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat appellant die ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, geen HBO-diploma Maatschappelijk werk bezit. Eveneens staat tussen partijen vast dat appellant vanaf 21 juli 2009 heeft waargenomen in de functie van Onderhoofd Dienst AMZ, terwijI niet gebleken is dat het gaat om een niet ­definitief opengevallen functie. Als niet betwist staat tussen partijen vast dat appellant wel in staat is op HBO-niveau te functioneren. Tevens staat vast dat de functiebeschrijving voor bedoelde functie op 17 november 2014 is geformaliseerd, hoewel die reeds op 29 januari 2010 was opgesteld, terwijl aannemelijk is geworden dat zelfs het huidige Hoofd Dienst AMZ geen HBO-diploma heeft. Op grond hiervan overweegt het Hof dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen de toepassing van genoemde functiebeschrijving c.q. vereisten voor benoembaarheid op appellant met terugwerkende kracht. Immers, geïntimeerde heeft zelf aangevoerd dat derden die niet in het bezit waren van een HBO-diploma, op grond van de rechtszekerheid in hun functies zijn gelaten. Voorts overweegt het Hof·dat hoewel geïntimeerde heeft aangevoerd dat reeds is voorzien in de functie voornoemd, zulks niet afdoet aan het door appellant gevorderde, omdat zijn vordering betreft de periode van zijn waarneming tot aan de benoeming van een ander in die functie. Aangezien geïntimeerde niet aannemelijk heeft kunnen maken dat appellant gedurende de periode dat hij heeft waargenomen een waarnemingstoelage heeft ontvangen, wordt het ervoor gehouden dat appellant over voornoemde periode geen waarnemingstoelage heeft ontvangen.
Met betrekking tot het beroep van geïntimeerde op de resolutie van 28 februari 2009, [nummer 1] ten aanzien van de wettelijke vereisten voor benoembaarheid in bedoelde functie, overweegt het Hof dat uit voornoemde resolutie zulks op geen enkele manier is gebleken, zodat het beroep faalt.

2.9 Op grond van het voren overwogene overweegt het Hof dat beide grieven opgaan, in dier voege dat appellant nimmer heeft gesteld dat hij over een HBO-diploma beschikt, terwijl dit vereiste niet-aannemelijk is geworden. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve vernietigd worden. Nu vaststaat dat appellant vanaf 21 juli 2009 langer dan een jaar in een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en aannemelijk is geworden dat hij ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid in de waargenomen functie, zal de gevraagde voorziening alsnog worden toegestaan, in dier voege dat geïntimeerde zal worden veroordeeld om binnen twee (2) maanden na betekening van dit vonnis aan appellant af te geven een beschikking c.q. resolutie inhoudende de vaststelling van diens benoeming ingaande 22 juli 2010 in de functie van Onderhoofd van de Dienst AMZ van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris met daarbij behorende emolumenten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000 (een duizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat geïntimeerde in gebreke blijft hieraan te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal worden gemaximeerd op het bedrag van SRD 250.000,- (tweehonderdvijftigduizend Surinaamse Dollar).
Aangezien er geen waarnemingstoelage is gevorderd over de periode van de waarneming gedurende een jaar, zal hieraan voorbij worden gegaan.

2.10 Geïntimeerde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van appellant in beide instanties gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

3. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof

3.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding met A.R.No. 13-4372 gewezen tussen partijen op 26 november 2015, waarvan beroep.

OPNIEUW RECHTDOENDE

3.2 Veroordeelt geïntimeerde om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis aan appellant af te geven een beschikking casu quo resolutie inhoudende diens benoeming ingaande 22 juli 2010 in de functie van Onderhoofd van de Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg van het directoraat Algemeen Maatschappelijk Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris met daarbij behorende emolumenten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- (een duizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat geïntimeerde in gebreke blijft hieraan te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal worden gemaximeerd op het bedrag van SRD 250.000,- (tweehonderdvijftigduizend Surinaamse Dollar).

3.3 Veroordeelt geïntimeerde in de gedingkosten in beide instanties en tot aan deze uitspraak begroot op:
– in eerste aanleg SRD 420,– (vierhonderd en twintig Surinaamse Dollar);
– in hoger beroep SRD 275,– (tweehonderd vijf en zeventig Surinaamse Dollar).

3.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 april 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld