SRU-HvJ-2019-29

HET HOF VAN JUSTITI E VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
domicilie kiezende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN FINANCIЁN,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 21 oktober 2015 met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 02 december 2015;
  • de beschikking van het Hof d.d. 09 december 2015, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 07 december 2015 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 14 januari 2016;
  • de beschikking van het Hof d.d. 18 januari 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift m.i.v. 18 januari 2016 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 26 februari 2016 met producties;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 29 februari 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 april 2016;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 01 april 2016 en 15 april 2016;
  • de akte tot overlegging van producties zijdens verzoeker d.d. 18 november 2016;
  • de akte tot uitlating producties zijdens verweerder d.d. 06 januari 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 mei 2017, doch nader op heden.

2. De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. Verzoeker is op 01 oktober 1977 in dienst getreden van de Staat, met name het Ministerie van Openbare Werken en Verkeer en is sedert zijn overplaatsing per 01 oktober 1978 werkzaam op het Ministerie van Financiën.

2.2. Verzoeker is in het jaar 2007 in opdracht van de toenmalige Minister van Financiën, op non actief gesteld, vanwege een tegen hem, verzoeker, gedane klacht.

2.3. Blijkens het schrijven van de directeur van het Ministerie van Financiën, [naam], is uit het onderzoek gebleken dat verzoeker zich niet schuldig heeft gemaakt aan ontoelaatbare handelingen.

2.4. Op 21 november 2012 heeft verzoeker in een schrijven aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen het verzoek gedaan, hem per 01 december 2012 ontslag uit overheidsdienst te willen verlenen, met daaraan gekoppeld een vervroegd pensioen.

2.5. Bij schrijven van de Directeur der Belastingen d.d. 06 december 2012 is het verzoek van verzoeker niet ingewilligd, daar verzoeker een onderbreking van dienst heeft gehad voor de duur van twee en een half jaar, waardoor hij pas in juni 2015 in aanmerking voor vervroegd pensioen zou kunnen komen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

3.1. Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:

  1. De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
  2. De beschikking d.d. 10 september 2015 onder bureau nummer [nummer] nietig te verklaren, althans de datum van het 35-jarig ambtsjubileum van verzoeker te bepalen op 01 december 2012 instede van 25 september 2015;
  3. Verweerder in de kosten van het geding te veroordelen.

Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de beslissing om hem op non-actief te stellen onrechtmatig was, reeds vanwege het feit dat hij, verzoeker, nimmer in de gelegenheid is gesteld zich ter zake te verweren. Voorts is niet gebleken dat verzoeker onrechtmatige handelingen heeft gepleegd.

De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat de vordering van verzoeker niet valt binnen de werking van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet. Het Hof is in de visie van verweerder onbevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof als ambtenarengerecht is slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen, besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.Nu de vordering van verzoeker betreft een besluit tot toekenning gratificatie in verband met zijn 35 – jarig ambtsjubileum, is het Hof onbevoegd kennis te nemen van de door hem ingestelde vordering. Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet is het Hof evenmin bevoegd kennis te nemen van de vordering van eiser tot bepaling van de datum van ingang van het 35 – jarig ambtsjubileum van eiser op 01 december 2012 instede van 25 september 2015.

4.2. Gelet op het voorgaande is het door de verweerder aangevoerd verweer gegrond gebleken, Het Hof zal zich dan ook niet bevoegd verklaren om van de vordering van verzoeker kennis te nemen.

4.3. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof derhalve niet toe.

4.4. Het Hof overweegt ten overvloede dat in casu verweerder door middel van haar organen naar aanleiding van een gedeponeerde klacht een onderzoek heeft ingesteld op de afdeling Vermakelijkheidsbelasting, alwaar verzoeker de scepter zwaaide. Uiteraard was verweerder daartoe bevoegd en was zij ook bevoegd om verzoeker hangende het onderzoek buiten functie te stellen. Evenwel heeft het onderzoek niets bezwarends ten aanzien van verzoeker opgeleverd. Verweerder diende derhalve in de visie van het Hof het daarheen te leiden dat verzoeker conform zijn uitdrukkelijk verzoek in ere hersteld werd.Evenwel heeft verweerder er juist voor gekozen om verzoeker feitelijk te degraderen en andersoortige werkzaamheden op te dragen en uit te laten voeren. In de visie van het Hof maakt verweerder ten onrechte de koppeling met [naam 2] aangezien [naam 2] geen Hoofd van de afdeling Vermakelijkheidsbelasting was maar verzoeker wel. Verweerder dient in de visie van het Hof zorgvuldig om te gaan met de belangen van individuele ambtenaren in onze kleinschalige samenleving. Want als er een onderzoek ingesteld wordt, wordt dat breed uitgemeten in de pers en als het onderzoek niets oplevert zwijgt iedereen in alle talen terwijl de betrokken ambtena(a)r (en) nog steeds aan de schandpaal genageld is (zijn). Niemand – behalve zijn/hun direkte familie – die naar hem/hun omkijk (t) (en). En als betrokkene rehabilitatie eist – zoals in casu het geval is geweest – dan kan daar geen rekening mee worden gehouden. Ergo, betrokkene wordt van Pontius naar Pilatus gestuurd en hij weet uiteindelijk niet meer of hij nou “vis of vlees” is. Het voorgaande is in de visie van het Hof een zeer kwalijke zaak. Zelfs de leiding van het ambtenarenapparaat wringt zich in allerlei bochten om een onrechtvaardige situatie in stand te houden terwijl het Hof bij monde van de Fungerend-President van deze samengestelde behandelende kamer ter gelegenheid van het verhoor van partijen zulks nadrukkelijk aan de vertegenwoordigster van verweerder heeft meegegeven.

5. De beslissing
Het Hof:

5.1. Verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A.M. Essed namens advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens mr. R.Y. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN DEFENSIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo
verweerder,
gemachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat.

1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 28 november 2014;
  • het verweerschrift ontvangen op 8 april 2015;
  • het proces-verbaal van het op 5 juni 2018 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot uitlating met producties aan de zijde van de Staat.
  • ten dage voor uitlating zijdens [verzoeker] m.b.t. het overgelegd strafdossier peremptoir bepaald is er geen conclusie genomen.

1.2. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. Tussen [verzoeker] en de Staat is er een arbeidsovereenkomst gesloten op 20 november 2013.

2.2. Bij schrijven d.d. 31 oktober 2014 kenmerk [nummer] heeft de Staat aan [verzoeker] medegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst wordt beëindigd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken, uitvoerbaar bij voorraad:

I. nietig te verklaren het besluit zoals vervat in het schrijven d.d. 31 oktober 2014 en hem, [verzoeker], te rehabiliteren in de rang waarin hij diende en voorts de Staat te veroordelen om hem zijn salaris door te betalen;
II. hem toe te kennen een schadevergoeding te voldoen door de Staat;
III. [verzoeker] in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid te verrichten;
IV. veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom .

3.2. [verzoeker] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
Bij zijn indiensttreding waren de daartoe verantwoordelijken ermee bekend dat hij een bevlekt verleden had, en is hij desondanks toegelaten tot de Elementaire Algemene Opleiding (hierna de opleiding). Daarmee mocht hij erop vertrouwen dat hij binnen de organisatie mocht dienen als militaire arbeidscontractant. Door op die grond de dienstbetrekking met hem te beëindigen schendt de Staat het bij hem opgewekte vertrouwen Het besluit tot ontslag is ook niet daadkrachtig gemotiveerd. De motivering is onbegrijpelijk en in strijd met de waarheid. Bij het proces tot indiensttreding heeft hij nimmer informatie verzwegen. Anders dan de Staat aangeeft, had hij bij de sollicitatie wel vermeld dat hij eerder met de justitie in aanraking is gekomen. Hij had alleen niet gemotiveerd op welke wijze hij met de politie in aanraking is gekomen. Daarnaast is het door de Staat aan hem verleende ontslag nietig omdat de brief waarin de mededeling van het ontslag aan hem is gedaan niet is ondertekend door het daartoe bevoegde gezag.

3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Anders dan de Staat heeft aangevoerd is het Hof van oordeel dat de vordering van [verzoeker] wel valt binnen het kader van artikel 79 Personeelswet. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Het verweer van de Staat ter zake zal daarom worden verworpen .

Ontvankelijkheid
4.2. Niet is gesteld of gebleken dat de door [verzoeker] ingestelde vordering niet binnen de bij wet vastgestelde termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is, daarin.

4.3. Aan de orde is de vraag of de Staat al dan niet terecht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft beëindigd.De Staat heeft – zover van belang – aangegeven en hetgeen ook als zodanig wordt erkend door [verzoeker], dat de arbeidsovereenkomst met hem is beëindigd omdat op een later moment dan bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst is ontdekt dat [verzoeker] een bevlekt verleden had. De Staat betoogt dat [verzoeker] een keer is veroordeeld door de kantonrechter voor overtreding van de Wet Verdovende Middelen en daarnaast ook betrokken is geweest bij een beroving.Volgens de Staat was deze informatie eerder niet bekend waardoor de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] is aangegaan. Volgens de Staat heeft [verzoeker] deze specifieke informatie verzwegen bij zijn sollicitatie.[verzoeker] reactie hierop is dat hij bij de sollicitatie wel heeft aangegeven dat hij in aanraking is gekomen met de politie, doch dat hij inderdaad geen details daarover heeft gegeven. Hij heeft daarom op het sollicitatieformulier vermeld dat hij dit graag persoonlijk zou willen bespreken.Door niet de volledige en specifieke informatie te hebben gegeven tijdens de sollicitatie, is het Hof van oordeel dat [verzoeker] het risico heeft aanvaard dat bij een latere ontdekking door de Staat, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] alsnog zou worden beëindigd hetgeen in casu ook is gebeurd. Dat [verzoeker] de informatie achteraf toch met derden binnen de organisatie heeft gedeeld doet aan het voorgaande niets af. Immers, is niet gesteld en ook niet gebleken dat die personen te oordelen hadden over de sollicitanten waartoe [verzoeker] behoorde. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd m.b.t. het door de Staat gewekte vertrouwen dat hij binnen de organisatie kon dienen ondanks zijn vermelding in aanraking te zijn geweest met justitie doet aan het voorgaande niet af. Immers blijkt na doorname van het sollicitatieformulier van [verzoeker] dat hij bij de desbetreffende vraag juist heeft aangegeven dat hij niet in aanraking is gekomen met de politie of justitie en dat hij vervolgens heeft aangeven dat het onterecht is geweest en dat hij dit graag persoonlijk zou willen bespreken. Voorzover die verwachtingen zijn ontstaan bij [verzoeker] waren die verwachtingen in de visie van het Hof in elk geval niet gerechtvaardigd aangezien [verzoeker] zich ervan bewust diende te zijn dat hij de Staat in elk geval cruciale informatie had onthouden omtrent zijn persoon.

4.4. Het maakt in deze ook niet uit of [verzoeker] al dan niet mede schuldig was aan de beroving, zoals hij wil doen geloven.Vaststaat dat [verzoeker] wel in verband is gebracht met een beroving en uit dien hoofde was het wel belangrijk om die informatie te vermelden op het sollicitatieformulier.Overigens heeft de Staat een kopie strafdossier met betrekking tot de beroving overgelegd, welker inhoud niet is betwist door [verzoeker]. Uit voormeld dossier blijkt dat [verzoeker] bij proces-verbaal d.d. 20 december 2012 ten overstaan van de agent van politie [verbalisant], een verklaring heeft afgelegd. In deze verklaring heeft hij zijn betrokkenheid bij de beroving aangegeven. Dit proces-verbaal is ook door hem ondertekend. Daarnaast heeft de medeverdachte, [naam], die ook bij proces­verbaal is gehoord uitgebreid verklaard wat het aandeel van [verzoeker] is geweest bij de beroving. Naar het oordeel van het Hof is het vooralsnog dan ook voldoende aannemelijk dat [verzoeker] betrokken is geweest bij de beroving, ondanks zijn ontkenning.

4.5. De stelling van [verzoeker] dat de brief waarin de mededeling van het ontslag aan hem is gedaan, nietig is omdat die niet is ondertekend door het daartoe bevoegde gezag zal worden verworpen. Voormelde brief, die ondertekend is door de directeur namens de minister van Defensie, is slechts een mededeling aan [verzoeker] dat de dienstbetrekking wordt beëindigd. Niet is gesteld en ook niet is gebleken dat de directeur niet bevoegd is om namens de minister een dergelijke mededeling te doen. In het verlengde daarvan is evenmin gesteld noch gebleken dat de formalisering van het besluit zelf niet door het daartoe bevoegde gezag is geschied. Daarenboven is gebleken dat de onderhavige arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ook door dezelfde functionaris namens de minister van Defensie is ondertekend.

4.6. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hem niet de mogelijkheid is geboden om zijn betrokkenheid met de politie mondeling toe te lichten, nu nergens uit blijkt dat de Staat de verplichting daartoe heeft. Bovendien heeft [verzoeker] de mogelijkheid gehad om zich te verweren, hetgeen hij ook heeft gedaan. De stelling van [verzoeker] dat niet de juiste hiërarchische weg is bewandeld bij de aanzegging van het verweer – zo dit juist is – maakt het besluit tot ontslag evenmin onrechtmatig. Het voorgaande geldt mutatis mutandis eveneens t.a.v. al hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd m.b.t. schending van het hoorbeginsel aangezien [verzoeker] wel de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren.

4.7. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat het besluit van de Staat om de dienstbetrekking met [verzoeker] te beëindigen niet onterecht dan wel onrechtmatig is geweest. De vordering van [verzoeker] zal derhalve worden afgewezen .

4.8. Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing
5.1. Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President , mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 maart 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Jhinkoe namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-10

HOF VAN JUSTITIE
dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

In de zaak van

[appellant]
advocaat,
kantoorhoudende te [district],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde]
gemachtigde: mr. J. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Voorzitter van het Advocaten Tuchtcollege (hierna ook ATC genoemd) uitgesproken beslissing van 21 oktober 2019 (no. 19/24) (hierna ook genoemd: de bestreden beslissing) tussen [geïntimeerde] als klager en [appellant] als advocaat tegen wie de klacht is ingediend,

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 no. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42) de navolgende beslissing uit.

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

  • de brief d.d. 21 november 2019 waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing van het ATC, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 22 november 2019 vergezeld van de memorie van grieven;
  • het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 10 december 2019;
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [appellant];
  • de conclusie na verhoor van partijen zijdens [geïntimeerde];

1.2. De uitspraak van de beslissing was aanvankelijk bepaald op 18 februari 2020, doch is nader bepaald op heden.2

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Op 21 oktober 2019, waren partijen niet aanwezig bij de uitspraak van de tuchtbeslissing waarvan beroep. Het afschrift van de bestreden beslissing heeft [appellant] op 25 oktober 2019 van de Secretaris van het ATC ontvangen en zij heeft bij schrijven d.d. 21 november 2019 appel aangetekend tegen genoemde beslissing, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

3. De feiten
Voor de beoordeling van de klacht en dit appel wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.
3.1. [geïntimeerde] heeft juridische bijstand bij [appellant] gezocht voor het opheffen van conservatoir derdenbeslag gelegd door zijn echtgenote. Bij het aanvaarden van de opdracht is door [geïntimeerde] aan [appellant] SRD 5000, – betaald.
3.2. De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 07 maart 2019 bekend onder [nummer] het onder 3.1 vermeld conservatoir derdenbeslag opgeheven.
3.3 [appellant] heeft hierna [geïntimeerde] voorgehouden dat hij haar alsnog honorarium verschuldigd is en heeft hem een declaratie voorgehouden waarbij [geïntimeerde] de bedragen van USD. 68.000, -, SRD. 443.000, – en Euro 8.900, – diende te betalen. [geïntimeerde] ging pertinent niet akkoord met deze declaratie aangezien hij de mening was toegedaan dat hij met de betaling van de SRD.5.000,- hij reeds het verschuldigde honorarium had betaald. Na confrontatie met eerdergenoemde declaratie is er een gehaal en getrek geweest waarna [appellant] het honorarium verlaagde naar SRD.60.000,- en USD.30.000,-. [geïntimeerde] ging hiermee ook niet akkoord en liep weg. [persoon], die samen met [geïntimeerde] ten kantore was verschenen om hem bij te staan, is nagebleven en heeft uit zichzelf (zonder vooroverleg of toestemming van [geïntimeerde]) SRD.50.000,- vanuit zijn eigen bankrekening gelicht en vervolgens dit bedrag betaald aan [appellant]. [appellant] heeft voor deze betaling geen kwitantie verstrekt aan [persoon].
3.4 Op 13 maart 2019 ging [persoon] naar [appellant] aangezien er weer beslag was gelegd op zowel de werkrekeningen van [bedrijf 1] alsook de privé rekeningen van [geïntimeerde]. [appellant] gaf aan [persoon] aan dat er nog een openstaande rekening van SRD.10.000,- en USD.30.000,- was die [geïntimeerde] nog diende te betalen. [appellant] gaf de instructie dat het bedrag van SRD. 10.000,- contant bij haar moest worden betaald terwijl het bedrag van USD.30.000,- op de rekening van [bedrijf 2] bij de [bank 1] (rek.nr. [nummer]) overgemaakt diende te worden.
3.5 [geïntimeerde] heeft geweigerd de bedragen van SRD.10.000,- en USD.30.000,- te betalen. Dit is aanleiding geweest voor [appellant] tot het doen leggen van conservatoir derdenbeslag onder Fernandes Bottling Company N.V., Fernandes Ice Cream N.V., Academisch Ziekenhuis Paramaribo, N.V. Sail en de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. althans haar dochteronderneming Surinaamse Luchtvaart Maatschappij Catering Services ten laste van [geïntimeerde], en [bedrijf 1].

4. De procedure in eerste aanleg
4.1. [geïntimeerde] heeft bij het ATC gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen [appellant] op grond van door haar gepleegde tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen.
4.2. Als grondslag voor de vordering heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij met [appellant] een honorarium van SRD. 5000, – is overeengekomen voor haar werkzaamheden met betrekking tot de opdracht voor het opheffen van het gelegd beslag; dat hij dit bedrag in zijn totaliteit heeft voldaan bij de administratie van kantoor [appellant], waarvoor hij echter geen kwitantie heeft ontvangen; dat [appellant] hem naderhand USD. 68.000, -, SRD. 443.000, – en Euro 8.900, – in rekening heeft gebracht terwijl zij geen meer of ander werk voor hem heeft verricht, en eiste zij betaling hiervan.
Tevens heeft [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag gelegd, dat de door [appellant] gelegde beslagen op zijn banktegoeden, voor het niet betalen van de bedragen die achteraf door haar in rekening zijn gebracht, ertoe hebben geleid dat de contracten die hij met bedrijven had, verbroken zijn waardoor hij geen tot weinig inkomen heeft.
4.3. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] samen met de heer [persoon] bij haar op kantoor is geweest, en heeft aangegeven, dat door zijn echtgenote beslag was gelegd op de bankrekeningen van zijn bedrijf [bedrijf 1] en dat hij dit beslag op kort termijn opgeheven wilde hebben; verder dat ter zake deze opdracht een honorarium van SRD. 5.000, -, SRD. 60.000, – en USD. 30.000, met [geïntimeerde] – is afgesproken; dat het gangbaar tarief voor een zaak betreffende het opheffen van beslag 15% van het belang bedraagt.
4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 21 oktober 2019 met de daarin vermelde gronden, de klacht van [geïntimeerde] gegrond verklaard en [appellant] de tuchtmaatregel van schorsing voor de periode van drie maanden opgelegd met de bepaling dat deze maatregel niet ten uitvoering zal worden gelegd indien [appellant] binnen één week na de uitspraak het bedrag van SRD. 50.000, – teruggeeft aan [geïntimeerde] en binnen 1×24 uur na de uitspraak alle ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen opheft voor zover die nog niet zijn opgeheven.

5. De grieven
[appellant] heeft een zevental grieven aangevoerd tegen de beslissing van het ATC, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1 Niet- ontvankelijkheid van de klager.
Blijkens het schrijven van 26 april 2019 is de klacht ingediend door [geïntimeerde] in persoon. Wanneer gekeken wordt naar de feiten van de zaak is [appellant] opgekomen voor de belangen van [bedrijf 1] en zou de klacht door haar ingediend moeten worden. [geïntimeerde] zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn klacht.

Grief 2 Misbruik van tuchtrecht.

  • De klacht van [geïntimeerde] is gedateerd 26 april 2019, echter heeft [appellant] deze op 27 mei 2019 ontvangen, waaruit moge blijken dat de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) de klacht een maand onder zich heeft gehouden zonder [appellant] daarvan in kennis te stellen.
  • [geïntimeerde] heeft verder expliciet gevraagd om de klacht door te sturen naar het ATC, hetgeen de Deken ingevolge artikel 42 lid 1 Advocatenwet onmiddellijk had behoren te doen doch is zulks niet geschied.
  • Evenmin heeft de Deken ingevolge artikel 41 lid 1 Advocatenwet getracht de klacht in der minne te schikken. Op grond hiervan verdenkt [appellant] de Deken ervan dat zij met behulp van [geïntimeerde] en diens gemachtigde een klacht tegen haar hebben geconstrueerd in het kader van een complot tegen haar.
  • Voorts is er hier sprake van een civielrechtelijk vraagstuk en geen tuchtrechtelijke, hetgeen [geïntimeerde] reeds heeft beaamd door in kortgeding te procederen. De klacht is ingediend nadat de vorderingen in civilibus afgewezen zijn, hetgeen de stelling bevestigt dat er hier sprake is van misbruik van tuchtrecht om zo de beslagen op de rekeningen van [geïntimeerde] opgeheven te krijgen.
  • Ook heeft het ATC niet getracht om de klacht in der minne te schikken. Dit had ingevolge het bepaalde in de artikelen 42 lid 3 jo 40 lid 5 en 41 lid 1 van de Advocatenwet gemoeten.

Grief 3. Geen sprake van onzorgvuldig – en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden.

  • Het ATC heeft onder 4.3 van haar beslissing overwogen, dat voorop gesteld moet worden dat op de advocaten en dus ook op [appellant] de ere-regels van toepassing zijn. Ingevolgde de ere-regels artikel 9 lid 1, is één van de eerste verplichtingen van de advocaat, de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden te betrachten. Een advocaat moet duidelijke afspraken maken over het verschuldigd honorarium. Echter kan niet gesteld worden op grond van artikel 9 lid 1 van de ere-regels, dat de advocaat reeds bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken moet hebben gemaakt. De advocaat is namelijk niet altijd in staat om in de eerste momenten van contact met de cliënt aan te geven wat het honorarium zal zijn voor het verlenen van de nodige rechtsbijstand.
  • Ten onrechte heeft het ATC overwogen dat [appellant], met de erkenning dat zij tekort is geschoten in de vastlegging van de prijsafspraak met [geïntimeerde], heeft toegegeven ook artikel 9 lid 1 van de ere-regels te hebben geschonden. Het niet schriftelijk vastleggen van een prijsafspraak levert in de Surinaamse tuchtrechtspraak voor advocaten geen klachtwaardige handeling op. Voorts heeft [geïntimeerde] de declaratie gezien en daarop in mindering een bedrag van SRD. 50.000, – betaald alsook de betalingsopdracht voor USD. 30.000, – gegeven, die later is teruggedraaid.

Grief 4. Geen afspraken met betrekking tot het honorarium

  • Ten onrechte heeft het ATC onder 4.4. van haar beslissing overwogen, dat:
    “naar het oordeel van het tuchtcollege het niet in rechte is komen vast te staan dat verweerster afspraken had met klager met betrekking tot een honorarium van SRD.5.000, -, SRD.60.000, – en USD.30.000,-. Dit wordt niet alleen ontkend door klager, maar ook door [persoon] die steeds aanwezig was met klager ten tijde van de gesprekken met verweerster. Aannemelijk is verder de stelling van klager, die ook wordt ondersteund door de verklaring van [persoon], die ter zitting is gehoord als getuige, dat verweerster buiten zijn aanwezigheid afspraken met [persoon] heeft gemaakt danwel heeft onderhandeld met [persoon] met betrekking tot het door klager verschuldigde honorarium. Het vaststellen van een honorarium buiten aanwezigheid van klager en hem er ook nog aan houden om dat te voldoen, is in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Daar komt ook nog bij dat verweerster tot twee keer toe heeft nagelaten om kwitanties uit te schrijven van de door haar ontvangen bedragen groot SRD.5.000,- en SRD.50.000, -, welke bedragen betaald zijn respectievelijk door klager en [persoon]. Aan het voorgaande doet niet af het verweer van verweerster dat klager de kwitantie in alle haast niet heeft meegenomen, hetgeen overigens wordt ontkend door klager. Immers is niet gesteld of gebleken dat verweerster op enig moment klager op de hoogte heeft gesteld dat hij zijn kwitantie(s) moet ophalen.”
    Uit de feiten van de zaak is gebleken dat [appellant] heeft ontvangen SRD. 55.900, – (opmerking Hof: kennelijk wordt SRD.55.000,- bedoeld) en dat er voor het bedrag van USD. 30.000, – een aanvang is gemaakt met de betaling. De aanname van het ATC dat de prijsafspraken niet in rechte zijn komen vast te staan zijn derhalve onjuist en onbegrijpelijk. Het komt in de advocatuur met grote regelmaat voor dat prijsafspraken gemaakt worden buiten de cliënt om. Dus ook al zou de prijsafspraak buiten [geïntimeerde] en de N.V. zijn gemaakt, levert dit nog geen klachtwaardig handelen op. Het niet uitschrijven van een kwitantie betekent op zichzelf ook niet automatisch dat [appellant] zich niet heeft gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. De kwitantie kan immers op elk moment gedurende de bijstandsverlening nog worden uitgeschreven en afgegeven.

Grief 5. Geen sprake van schending van artikel 8 van de ere-regels
Het ATC heeft onder 4.4. van haar beslissing overwogen, dat [appellant] conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen ten laste van [geïntimeerde], waardoor hij niet over zijn financiën kan beschikken met als gevolg dat leveranciers de samenwerking met hem hebben stopgezet en hij hierdoor grote schade lijdt. [appellant] had vanwege de werkzaamheden die zij voor [geïntimeerde] heeft verricht gevoelige informatie over de financiële middelen van [geïntimeerde] en wist zij dat hij over de middelen moest beschikken voor de continuering van zijn bedrijf. [appellant] heeft deze informatie gebruikt door derdenbeslag te leggen ten behoeve van zichzelf, wetende dat er een verschil van mening was over de hoogte van het honorarium.

  • Ten onrechte heeft het ATC overwogen dat [appellant] hiermee in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van de ere-regels. Dit artikel is op onderhavige situatie, waarbij er een dispuut is over het honorarium, niet van toepassing. Immers zou toepassing van dit artikel betekenen, dat de advocaat per definitie geen verhaal zou mogen zoeken voor zijn honorarium op bezittingen van gewezen cliënten en dat cliënten per definitie gevrijwaard zouden zijn van het betalen van honoraria. Artikel 8 is volstrekt verkeerd uitgelegd en toegepast door het Tuchtcollege.
  • Voorts gaat het ATC er ten onrechte vanuit dat [appellant] conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen ten laste van [geïntimeerde]. De beslagen in kwestie zijn gelegd ten laste van de N.V.

Grief 6. Onredelijk honorarium

  • Ten onrechte heeft het ATC onder 4.5. van haar beslissing overwogen, dat de door [appellant] genoemde bedragen voor het honorarium onredelijk zijn en dat niet gesteld noch gebleken is, dat de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak het verlangde honorarium rechtvaardigden.
  • Ten onrechte merkt het ATC verder op dat artikel 11a van de ere-regels stelt, dat de declaratie redelijk dient te zijn, in aanmerking nemende de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak en dat het feit dat [appellant] haar honorarium heeft gekoppeld aan het belang in de zaak in strijd is met de bovengenoemde regel. [appellant] merkt op dat er in de advocatuur reeds lange tijd is uitgemaakt dat voor de hoogte van het honorarium, de soort zaak niet bepalend is, maar dat er gebruik wordt gemaakt van een met de cliënt overeengekomen declareergrondslag c.q. –methode. Dit blijkt uit de incasso zaken waarbij de advocaat en de cliënt een percentage van het te innen bedrag overeenkomen als honorarium. Het percentage van 15% is door de kantonrechter in civiele zaken herhaaldelijk toegewezen en wordt dit betaald ongeacht de omvang van de werkzaamheden. De in casu gehanteerde declareermethode komt neer op het principe van scheiding en deling. Door en op verzoek van [geïntimeerde] te geraken tot de opheffing van het beslag, welke in beginsel het karakter van een conservatoir maritaal beslag moest hebben, heeft hij zijn deel in de huwelijksgoederengemeenschap veilig kunnen stellen en mag dat gezien worden in het kader van een scheiding en deling. De door het ATC aangenomen onredelijkheid van het honorarium is dan ook niet c.q. onvoldoende gemotiveerd.

Grief 7. Niet gehandeld in strijd met de integriteit van een advocaat
Het ATC heeft ten onrechte onder 4.6. van haar beslissing overwogen, dat [appellant] een constructie had bedacht dat gelden die betrekking hadden op haar honorarium niet op haar eigen rekening werden gestort, maar op rekening van een importbedrijf, hetgeen niet ethisch is en in strijd met de integriteit van een advocaat. Er is geen sprake van enig klachtwaardig handelen aan de zijde van [appellant]. Het doen betalen van een honorarium door storting daarvan op een andere rekening dan de kantoorrekening van een advocaat, maakt niet dat de advocaat in kwestie klachtwaardig handelt tegenover de cliënt. Het is uiteraard wenselijk dat voor de administratie van het kantoor alle betalingen die betrekking hebben op de dienstverlening van de advocaat op de rekening van diens kantoor worden gedaan of in contanten bij de advocaat. Echter is niet gebleken, dat enige norm de advocaat verbiedt om een betaling voor verleende diensten te doen storten op een andere rekening dan de kantoorrekening.

6. De vordering in hoger beroep
[appellant] concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het ATC d.d. 21 oktober 2019 (no.19/24) waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de klacht als ongegrond te verklaren.

7. Het verweer
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop – voor zover nodig – in de beoordeling zal worden ingegaan.

8. De beoordeling
Primair dient te worden opgemerkt dat advocaten op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, die overigens niet uitputtend zijn vastgesteld, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel. Daarbij zal rekening dienen te worden gehouden met ontwikkelingen binnen de advocatuur, met name met veranderde opvattingen over hetgeen een behoorlijk advocaat al dan niet betaamt. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan.
Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:
8.1. Met betrekking tot grief 1: Niet-ontvankelijkheid klager
8.1.1 [geïntimeerde] voert aan, dat hij de enige directeur is van [bedrijf 1]en derhalve 99% van de aandelen in de N.V. bezit. In het kader hiervan is hij opgekomen voor zijn belangen.
8.1.2 Uit de door [appellant] overgelegde, maar niet aan [geïntimeerde] afgegeven, kwitantie met no. 0799, d.d. 22 februari 2019, blijkt dat deze op naam van [geïntimeerde] staat uitgeschreven. Dit wijst er op dat de opdracht tot het verrichten van enkele diensten is gegeven door [geïntimeerde] in persoon. Uit het door [appellant] overgelegde vonnis van de kantonrechter d.d. 07 maart 2019, [nummer] blijkt ook dat [appellant] de vordering in kortgeding tot opheffing van het gelegd beslag ook namens [geïntimeerde] in persoon heeft ingediend. Het Hof is van oordeel dat [geïntimeerde] daarom in zijn klacht kan worden ontvangen. Grief 1 faalt.

8.2 Met betrekking tot grief 2: Misbruik van tuchtrecht
8.2.1 [geïntimeerde] heeft aangevoerd, dat de verkiezing van de Deken niets met hem te maken heeft en dat hij ook niet daarin betrokken moet worden. Voorts wil [appellant] het doen overkomen dat er geen rekening met haar is gehouden, terwijl zij niet heeft meegewerkt aan het schikkingsvoorstel gedaan bij de kantonrechter.
8.2.2 Het Hof concludeert dat [geïntimeerde] de opdracht tot opheffing van conservatoir beslag heeft gegeven aan [appellant] doch dat hij ontevreden is met haar handelen ter zake het declareren van haar honorarium. [appellant] heeft gesteld dat er sprake is van een complot vanuit de gewezen Deken en de gemachtigde van [geïntimeerde], maar zij heeft hier geen bewijs voor geleverd. Artikel 37 van de Advocatenwet geeft uitdrukkelijk aan op welke gronden een advocaat aan tuchtrechtspraak is onderworpen. Indien [geïntimeerde] de mening is toegedaan dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de in artikel 37 Advocatenwet neergelegde gronden, is hij gerechtigd daartoe een klacht in te dienen conform de in de Advocatenwet aangegeven procedure.
Het Hof kan in zoverre meegaan met [appellant] dat het conflict omtrent de hoogte van het honorarium ook een civielrechtelijk vraagstuk is. Echter is er geen beletsel om ook de tuchtrechter te adiëren in het geval van eventuele misstanden zoals excessieve declaratie.
[appellant] heeft gesteld dat zij niet heeft gereageerd op de oproep van de deken in verband met deze klacht omdat zij de uitspraak van de rechter wilde afwachten. Ten aanzien van de ontevredenheid met betrekking tot de tijd (bijkans een maand) die is gelegen tussen de indiening van de klacht en het haar in kennistellen van die klacht en vervolgens het doorverwijzen daarvan naar het ATC, had [appellant] de bij de wet voorgeschreven procedure kunnen volgen. Artikel 40 lid 11 van de Advocatenwet wijst het forum aan, waar en de wijze waarop klachten tegen de Deken behoren te worden ingediend; van een dergelijk klacht is niet gebleken. Op grond van het voorgaande kan het Hof niet meegaan in de stelling van [appellant] dat er aan de zijde van [geïntimeerde] en of de Deken sprake is van misbruik van het tuchtrecht. De opvatting van [appellant] dat het ATC heeft nagelaten om de klacht in der minne te schikken, hetwelk volgens haar ingevolge de bepalingen in de artikelen 42 lid 3 jo 40 lid 5 jo 41 lid 1 van de Advocatenwet had gemoeten, is feitelijk onjuist. Een dergelijke verplichting rust niet op het ATC. Evenwel heeft het ATC door de tuchtmaatregel die toen is opgelegd wel de opening gecreëerd om zaken recht te trekken en in dier voege de klacht in der minne te schikken. [appellant] heeft echter van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Grief 2 faalt.

8.3. Met betrekking tot grief 3: Geen sprake van onzorgvuldig en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden
8.3.1. [geïntimeerde] voert aan, dat het in casu ging om een zaak betreffende de opheffing van een gelegd beslag. Dit is een vrij eenvoudige zaak, waarbij er geen sprake was van jarenlang procederen en getuigen laten oproepen of een aantal keren compareren. Het gegeven dat [appellant] niet kon vaststellen wat haar uiteindelijk honorarium zou zijn in deze zaak, is voor [geïntimeerde] onvoorstelbaar. [geïntimeerde] voert verder aan dat indien [appellant] meende zo een hoog bedrag in rekening te moeten brengen, zij dit op schrift had moeten stellen.
8.3.2. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is komen vast te staan dat [geïntimeerde] naast de aan [appellant] gegeven opdracht tot opheffing van het beslag gelegd door zijn echtgenote, eveneens de kwestie van zijn echtscheiding heeft besproken. Voorts is komen vast te staan dat [geïntimeerde] aan [appellant] uitdrukkelijk heeft gevraagd slechts het beslag te doen opheffen en ook dat [appellant] zich heeft onttrokken als gemachtigde van [geïntimeerde] voor wat betreft de echtscheiding. Op grond hiervan concludeert het Hof dat de afspraak was dat [appellant] dus effectief, haar diensten zou verlenen ter zake enkel het doen opheffen van het gelegd beslag. Naar het oordeel van het Hof vergen dergelijke werkzaamheden geen ingewikkelde deskundige verrichtingen die [appellant] zouden beletten, direct en concreet de hoogte van het verschuldigd honorarium met [geïntimeerde] te bespreken en overeen te komen. De stelling van [appellant] dat zij bij het aanvaarden van de opdracht in de eerste momenten van het contact niet in staat was duidelijke afspraken omtrent de hoogte van het honorarium voor het verlenen van de nodige rechtsbijstand te maken, wordt geacht te zijn niet aannemelijk. [appellant] had immers na het eerste intakegesprek en na bestudering van de door [geïntimeerde] beschikbaar gestelde stukken het honorarium kunnen voorhouden en daarover een overeenkomst bereiken alvorens verdere stappen te nemen. Aan [geïntimeerde] is niet voorgehouden dat 10 tot 15 % van het belang als honorarium zal gelden. Indien [geïntimeerde] dit had geweten, dan had hij ervoor kunnen kiezen om een andere advocaat aan te trekken om de zaak betreffende het opheffen van het beslag te doen.
[appellant] heeft als gevolg van de niet transparante wijze van communiceren met [geïntimeerde] omtrent het verschuldigde honorarium, gedeclareerd in strijd met de naar de mening van [geïntimeerde] overeengekomen en reeds door hem betaalde honorarium van SRD.5000, -. De aan [appellant] te wijten ondeugdelijke wijze van communiceren welke heeft geleid tot de ten behoeve van haar gelegde beslagen heeft verstrekkende gevolgen gehad voor [geïntimeerde], daar zijn bedrijf enorme financiële schade heeft geleden. Hierdoor heeft [appellant] jegens [geïntimeerde] onzorgvuldig gehandeld.
Artikel 9a van de ere-regels voor advocaten stelt dat één der verplichtingen van de advocaat is de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden te betrachten.
[appellant] heeft bewust een onzuiver beeld geschapen als gevolg waarvan [geïntimeerde] financiële schade heeft geleden. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie dat [appellant] Artikel 9a van de ere-regels heeft overtreden. Grief 3 faalt derhalve.

8.4. Met betrekking tot grief 4: Geen afspraken met betrekking tot het honorarium
8.4.1. [geïntimeerde] voert aan, dat er nimmer uitdrukkelijk aan [appellant] is aangegeven, dat [persoon] zijn zaakwaarnemer is en dat hij de bevoegdheid heeft om zaken namens [geïntimeerde] te doen danwel betalingen te verrichten. Een advocaat kan niet optreden op aangeven van een tussenpersoon, zonder daartoe een uitdrukkelijke machtiging te hebben.
8.4.2. Ondanks het feit dat [persoon] steeds aanwezig was bij de gesprekken met [geïntimeerde] is [appellant] is er ten onrechte vanuit gegaan, dat [persoon] de officiële zaakwaarnemer van [geïntimeerde] was. Het enkel aangeven van [geïntimeerde] bij het verlaten van het kantoor van [appellant], dat [persoon] zijn zaken voor hem zal afwikkelen, ontsloeg [appellant] er niet van om zaken betrekking hebbende op haar honorarium, met [geïntimeerde] te bespreken. Dit geldt te meer vanwege de grote bedragen die door [appellant] in rekening werd gebracht. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is komen vast te staan, dat [persoon] niet de zaakgelastigde was van [geïntimeerde], maar hem slechts bijstond waar nodig daar [geïntimeerde] de Nederlandse taal niet machtig is. Voorts dat [persoon] inderdaad blanco cheques van [geïntimeerde] onder zich had, maar dat hij deze slechts na afstemming met [geïntimeerde] mocht gebruiken teneinde betalingen voor hem te verrichten. [persoon] heeft als getuige in hoger beroep verklaard dat het afgesproken bedrag als honorarium SRD.5000,- bedroeg wat ook was betaald. Echter voelde hij zich verplicht om een deel van de door [appellant] geëiste bedragen te betalen omdat zij bleef aandringen en hij ervan uitging dat hij hoorde te betalen. Voorts omdat hij bovendien degene is geweest die [appellant] in contact heeft gebracht met [geïntimeerde].
Uit het onderzoek van deze klacht in hoger beroep is gebleken dat het ook voor [appellant] duidelijk was dat [geïntimeerde] haar kantoor uit boosheid heeft verlaten omdat hij niet akkoord ging met het door haar gevorderde honorarium, daar dit naar zijn mening niet met haar was afgesproken; voorts dat er daarover een discussie was ontstaan.
Door deze omstandigheden had [appellant] enige terughoudendheid moeten betrachten en afspraken ten aanzien van haar honorarium, met [geïntimeerde] zelf moeten maken en niet met [persoon]. Dit volgt ook uit het bepaalde in artikel 7 lid a derde zin van de ere-regels luidende: “Wordt een zaak door een ander dan de partij zelf (familielid, vriend of kennis) aangebracht, dan zal de advocaat zich steeds moeten overtuigen van de toestemming van de partij zelve”.
Het is, naar het Hof kan concluderen, niet komen vast te staan dat uitdrukkelijk aan [appellant] is gezegd dat [persoon] de zaakgelastigde was van [geïntimeerde].
Ook de artikelen 7a, 7b en 19 van de ere-regels waarborgen, het voorkomen van financieel nadeel van de cliënt ten opzichte van de advocaat als gevolg van onbevoegde vertegenwoordiging. [appellant] heeft deze ere-regels niet in acht genomen terwijl zij dit behoorde te doen. Grief 4 faalt daarom eveneens.

8.5. Met betrekking tot grief 5: Geen sprake van schending van artikel 8 van de ere-regels.
8.5.1. [geïntimeerde] voert aan, dat het niet zo kan zijn dat [appellant] bij elke zaak aangeeft, dat zij haar honorarium mondeling heeft afgesproken en dat deze dan ook op grond hiervan moet worden betaald.
8.5.2. Het Hof concludeert dat [appellant], als gemachtigde van [geïntimeerde], inzage heeft gehad in zijn privé financiële documenten die aan haar zijn toevertrouwd ter staving van de urgentie van de op te heffen beslagen. Artikel 8 van de ere-regels stelt dat een advocaat verplicht is ernstig te zorgen voor de handhaving van zijn beroepsgeheim. Dit heeft betrekking op alles, wat hem vertrouwelijk bekend is geworden in de uitoefening van zijn beroep en zij duurt ook voort na het beëindigen van de zaak. Verder dat de advocaat ten behoeve van zichzelf of enige derde ook geen gebruik mag maken van de gegevens of inlichtingen welke hem in zijn verhouding tot zijn cliënt bekend is geworden. [appellant] heeft, nadat [geïntimeerde] aan haar als advocaat, privacygevoelige stukken heeft afgestaan, op een goed moment ten behoeve van zichzelf, bepaalde percentages van het saldo van banktegoeden die uit die verstrekte stukken zichtbaar waren, als honorarium geëist.
En toen bleek dat [geïntimeerde] zich hiermee niet kon verenigen, heeft zij conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de bedrijven waarmee het bedrijf van [geïntimeerde] samenwerkt. Het Hof komt tot de conclusie dat deze werkwijze van [appellant], een schending van artikel 8 van de ere-regels oplevert. Grief 5 faalt.

8.6. Met betrekking tot grief 6: Onredelijk honorarium
8.6.1. [geïntimeerde] ontkent ten stelligste, dat hij met [appellant] een honorarium van SRD. 60.000, – en USD. 30.000, – is overeengekomen. De door [appellant] gehanteerde procentuele declaratie is van toepassing op geldvorderingen, hetgeen in casu niet het geval is. Het betreft in deze ook geen zaak van scheiding en deling, maar een zaak betreffende een vordering tot het opheffen van een gelegd beslag. [appellant] heeft een declareermethode van [advocatenkantoor] overgelegd en vermeld dat zij hiermee heeft gewerkt teneinde haar honorarium vast te stellen. Echter wordt in dit document ook aangegeven, dat prijsafspraken steeds schriftelijk vastgelegd dienen te zijn, alsook dat de declaratie redelijk dient te zijn. [appellant] heeft hier niet naar gehandeld.
8.6.2 Het Hof vindt het onbegrijpelijk dat [appellant] stelt en daarin volhardt, dat zij haar werkzaamheden ziet in het kader van een scheiding en deling en op grond daarvan haar honorarium heeft vastgesteld terwijl vaststaat dat [geïntimeerde] slechts wilde dat het beslag werd opgeheven. Ook staat vast dat zij zich als advocaat heeft onttrokken van de echtscheidingszaak. [appellant] heeft, eerstens verklaard dat zij bij de aanvang van de opdracht niet direct kon inschatten hoeveel het honorarium zou bedragen om daarna te verklaren dat zij 15% van het belang had afgesproken met [geïntimeerde]. Vervolgens is [appellant] overgegaan betaling van [geïntimeerde] te eisen van andere bedragen zijnde SRD.60.000, – en USD.30.000, -.
Uit het voren overwogene is reeds duidelijk komen vast te staan dat [appellant] geen andere financiële afspraken met [geïntimeerde] had dan het door hem gestelde overeengekomen en betaalde honorarium van SRD.5000,-. Immers een afspraak oftewel een overeenkomst komt tot stand wanneer beide partijen daarmee instemmen, hetgeen in casu niet het geval was. [geïntimeerde] is nimmer akkoord gegaan met andere bedragen dan het door hem betaalde bedrag van SRD.5.000,-. Dat [persoon] eigendunkelijk SRD.50.000,- heeft betaald doet daaraan niet af. Dit is onbevoegd en zonder instemming van [geïntimeerde] geweest.
Naar het oordeel van het Hof zijn de werkzaamheden die [appellant] heeft uitgevoerd, niet evenredig met het door haar in rekening gebrachte honorarium. In dit licht is het volharden in die declaratie door [appellant], ondanks tegenwerping van [geïntimeerde], in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend advocaat betaamt.
De verklaring van [appellant], dat de bankrekeningen waarop beslag is gelegd het belang behelsden welke [geïntimeerde] zou ontvangen uit een scheiding en deling, komt het Hof zeer verregaand en onrealistisch voor, gezien het gegeven, dat het echtscheidingsconvenant welke door [appellant] was opgesteld, al dan niet in opdracht van [geïntimeerde], nimmer ondertekend is. Het belang van [geïntimeerde] uit de echtscheiding zou door de kantonrechter moeten worden bepaald.
Artikel 11a van de ere-regels geeft onder meer aan, dat de declaratie redelijk dient te zijn, in aanmerking nemende de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. In casu komt het, het Hof niet voor, dat de omvang en het gewicht van de zaak de door [appellant] gevraagde honorarium rechtvaardigen. Het Hof gaat mee met het verweer van [geïntimeerde] en stelt dat de door [appellant] opgebrachte declaratie verre van redelijk is in verhouding tot de door haar verrichte werkzaamheden.
Ten overvloede wordt overwogen dat slechts in incassozaken een redelijk percentage, gangbaar is, maximaal 15% van het belang, welke als honorarium mag worden overeengekomen tussen advocaat en cliënt, en dat vaststaat dat in casu van een incassozaak geen sprake is geweest. Grief 6 faalt hierom ook.

8.7. Met betrekking tot grief 7: Niet gehandeld in strijd met de integriteit van een advocaat
8.7.1. [geïntimeerde] voert aan, dat zijn bedrijf rekeningen heeft bij [bank 2] en dat hij aldus geen reden had om [appellant] te vragen naar een rekeningnummer van [bank 1] om enige betaling te kunnen doen.
8.7.2. Vaststaat zoals hiervoor is gebleken, dat het probleem welke [geïntimeerde] opgelost wilde hebben was, het opheffen van het beslag op de rekeningen van zijn bedrijf. Ook [persoon] ging er net als [geïntimeerde] vanuit, dat met het voldoen van de SRD.5.000,- het honorarium van [appellant] volledig was betaald, omdat dit volgens hen was afgesproken. Het niet terstond en ook niet daarna afgeven van kwitanties na – volgens [appellant] – ontvangen deelbetalingen, ondersteunt het bestaan van een bewust door [appellant] gecreëerd onzuiver beeld met betrekking tot haar honorarium. Ook het doen storten van een deel van het in rekening gebrachte honorarium op een bankrekening van een ander bedrijf in stede van een bankrekening van het advocatenkantoor van [appellant], versterkt de conclusie dat [appellant] bewust onzuiver heeft gehandeld. Dit des temeer nu uit het onderzoek in hoger beroep gebleken is dat [appellant], in tegenstelling tot hetgeen zij steeds heeft beweerd, degene is geweest die verlangde dat de betaling moest plaatsvinden op een andere rekening dan die van haar kantoor.
De betaling van de rekening dient ten kantore van de advocaat te geschieden of giraal te worden overgemaakt op de bankrekening van het kantoor van de advocaat en niet op de bankrekening van derden; dit alles mede in het kader van transparantie en de Wet Moneylaundering. Door dit handelen heeft [appellant] in strijd met de integriteit van een advocaat gehandeld. Cliënten behoren de advocaat ten alle tijde te vertrouwen. Grief 7 faalt.

8.8. Het Hof komt op grond van de hierboven besproken grieven tot de conclusie dat [appellant] zeer ernstige misslagen in de praktijkuitoefening heeft begaan en daardoor heeft gehandeld op een wijze dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Zij heeft gehandeld in strijd met de algemene verplichting van advocaten en wel met name de verplichting om het beroep uit te oefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of ander voordeel te laten leiden.
[appellant] heeft door haar zucht naar financieel voordeel, het bedrijf van [geïntimeerde] aanmerkelijke schade toegebracht door [geïntimeerde] een honorarium in rekening te brengen die [geïntimeerde] niet is overgekomen met [appellant], die zeer excessief was tegen de achtergrond van de verrichte werkzaamheden en op de koop toe door verschillende beslagen te leggen als gevolg waarvan het bedrijf verlamd is geraakt en het bedrijf en [geïntimeerde] daardoor behoorlijke schade hebben geleden.
Op grond van het gegeven dat, naar het oordeel van het Hof:
1. er bewust een onzuiver beeld is geschapen, door het zonder redelijk grond bij het aanvaarden van de opdracht niet vooraf vaststellen van het honorarium,
2. het niet (terstond) afgeven van kwitanties na betaling,
3. het ten onrechte ten behoeve van zichzelf gebruikmaken van de door [geïntimeerde] aan haar verstrekte gevoelige financiële informatie,
4. de gebleken wanverhouding tussen declaratie en de verrichte werkzaamheden en
5. het volharden en aandringen tot het voldoen daaraan door [geïntimeerde],
6. alsook het op haar verzoek doen storten van een deel van het geëiste honorarium op de bankrekening van een derde om vervolgens omtrent dit laatste het tegendeel te beweren,
verklaart het Hof de klacht van [geïntimeerde] gegrond en zal het Hof de bestreden beslissing van het ATC d.d. 21 oktober 2019 vernietigen voor wat betreft de opgelegde tuchtmaatregel.
Gelet op dit voren overwogene, de ernst van de misslagen van [appellant] in de praktijkuitoefening en mede in aanmerking genomen hebbende het feit dat aan [appellant] eerder een tuchtmaatregel wegens soortgelijk klachtwaardig handelen is opgelegd, is het Hof met eenparigheid van stemmen van oordeel, dat aan [appellant] thans een zwaardere tuchtmaatregel dient te worden opgelegd te weten van schorsing uit het ambt van advocaat zoals aangegeven in artikel 45 lid 2c van de Advocatenwet, voor de duur van zes maanden welke maatregel passend en geboden wordt geacht.
Gelet op het publieke belang van kennisneming van onderhavige materie zal het Hof tevens beslissen dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

9. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

9.1. Verklaart de klacht van [geïntimeerde] gegrond;

9.2. Vernietigt de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 21 oktober 2019, waarvan beroep voor wat betreft de opgelegde tuchtmaatregel;

En opnieuw rechtdoende:

9.3. Legt aan [appellant] de tuchtstraf van schorsing uit het ambt van advocaat op voor de duur van zes maanden met ingang van de dag waarop het afschrift van deze beslissing van de griffier is ontvangen.

9.4 Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare zitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 25 augustus 2020, in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S.S.S. Wijnhard

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-9

HOF VAN JUSTITIE
dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

In de zaak van

[appellant],
advocaat,
kantoorhoudende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ‘[appellant]’,
gemachtigde: Mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘[geïntimeerde]’,
procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van de door de Voorzitter van het Advocaten Tuchtcollege (hierna “ATC” genoemd) uitgesproken beslissing van 21 oktober 2019 (no. 19/12) (hierna aangeduid als “de bestreden beslissing”) tussen [geïntimeerde] als klaagster en [appellant] als advocaat tegen wie de klacht is ingediend,

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 no. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42) de navolgende beslissing uit.

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

  • de brief d.d. 21 november 2019 ontvangen ter Griffie van het Hof van Justitie d.d. 22 november 2019 alsmede de memorie van grieven, waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing van het ATC;
  • de processen-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 14 januari 2020 en 18 februari 2020;
  • een rolbeschikking waarin het hof heeft beslist dat eenmaal aangevangen tuchtzaken vanwege de strafrechtelijke aard daarvan, met een beslissing op de klacht dienen te worden beëindigd en intrekking daarom niet mogelijk is;
  • de conclusie na gehouden verhoor van partijen zijdens appellant overgelegd d.d. 18 februari 2020;

1.2. De uitspraak van de beslissing was aanvankelijk bepaald op 18 februari 2020, doch is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Op 21 oktober 2019, waren partijen niet aanwezig bij de uitspraak van de tuchtbeslissing waarvan beroep. Het afschrift van de bestreden beslissing heeft [appellant] op 25 oktober 2019 van de Secretaris van het ATC ontvangen en zij heeft bij schrijven d.d. 21 november 2019 appel aangetekend tegen genoemde beslissing, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

3. De feiten
Voor de beoordeling van de klacht en dit appel wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.
3.1. [appellant] heeft in het jaar 2007 van [geïntimeerde] de opdracht ter zake het verlenen van juridische bijstand aangenomen. [geïntimeerde] heeft in dit kader SRD.1.750, -, SRD.600,- en €.4.900, – in kontanten aan [appellant] betaald welke bedragen [appellant] heeft ontvangen.

3.2. Uit een notariële akte d.d. 18 juli 2008, verleden ten overstaan van notaris Derrick Alexander, blijkt dat [geïntimeerde], handelende als enig bestuurslid van [stichting 1], een perceelland groot 998 m2 met al hetgeen daarop staat en gelegen aan [adres] te [district] heeft verkocht en overgedragen aan [stichting 2] waarvan [appellant] het enige bestuurslid is;

4. De procedure in eerste aanleg
4.1. [geïntimeerde] heeft bij het ATC gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen [appellant] op grond van tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen en heeft voorts teruggave van de aan [appellant] betaalde gelden alsook van het overgedragen perceel gevorderd.

4.2. Als grondslag voor de vordering heeft [geïntimeerde] aangevoerd:

  • dat [appellant] tekort is geschoten in haar dienstverlening;
  • dat zij op advies van [appellant] vermogensbestanddelen toebehorende aan haar echtgenoot, met wie zij buiten gemeenschap van goederen was gehuwd, heeft ondergebracht in een stichting, namelijk [stichting 1] en – dat [appellant] vervolgens erop heeft aangedrongen één van de percelen uit de stichting aan haar over te dragen als deel van haar honorarium terwijl er nimmer enig honorarium was overeengekomen tussen haar en [appellant];
  • voorts dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de emotionele situatie waarin [geïntimeerde] verkeerde door haar te misleiden en te manipuleren teneinde het betreffend perceel overgedragen te krijgen.

4.3. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd:

  • dat zij in de periode 2007 tot 2010 juridische bijstand aan [geïntimeerde] heeft verleend. Vanwege de vele zaken die [geïntimeerde] aan haar had voorgelegd was het niet mogelijk vooraf vast te stellen wat het honorarium zou zijn;
  • dat zij nimmer het verzoek heeft gedaan aan [geïntimeerde] om het betreffend perceel aan haar over te dragen. Integendeel werd dit voorstel door [geïntimeerde] zelf gedaan om zo het honorarium deels te kunnen verrekenen;
  • dat zij rekening heeft gehouden met de financiële situatie van [geïntimeerde] en zij daarom het honorarium betreffende haar bijstand met betrekking tot de oprichting van [stichting 1] heeft gemitigeerd naar SRD 20.000, -, waarvan een deel door [geïntimeerde] in contanten is voldaan en een deel verrekend is met de overdracht van het perceel.

4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 21 oktober 2019 met de daarin vermelde gronden, de klacht van [geïntimeerde] gegrond verklaard en [appellant] de tuchtmaatregel van berisping opgelegd.

5. De grieven
[appellant] heeft een zestal grieven aangevoerd tegen de beslissing van het ATC, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1. Niet-ontvankelijkheid van de klager.
Blijkens het schrijven d.d. 04 juni 2018 is de klacht ingediend door [geïntimeerde] in persoon. Niet is gebleken, dat de klacht door [stichting 1] is ingediend, waardoor de klager niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Grief 2. Niet tijdig doorsturen van de klacht door de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten.
De toenmalige Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken) heeft [appellant] aangeschreven teneinde zich te verweren op de door [geïntimeerde] ingediende klacht, hetwelk [appellant] heeft gedaan. Hierna heeft zij mondeling van de toenmalige Deken mogen vernemen, dat de klacht als oneigenlijk c.q. ongegrond of van onvoldoende gewicht is bevonden. Echter heeft [appellant] daarna nimmer iets van de toenmalige Deken ter zake vernomen. Omdat de Deken de klacht niet terstond door heeft gestuurd naar het ATC is hier sprake van rechtsverwerking. Immers heeft de toenmalige Deken zijn rechten verspeeld door de zaak na het verweer te hebben ontvangen, als afgedaan te beschouwen en zich naar [appellant] toe ook zo te uiten.

Grief 3. Verjaring van de klacht.
Er is sprake van verjaring, gezien het feit dat de juridische bijstand die door [appellant] is verleend dateert van de jaren 2007, 2008 en 2009, zijnde tien jaren terug. [geïntimeerde] heeft haar klacht niet tijdig ingediend en dient zij op grond hiervan niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Grief 4. Geen sprake van onzorgvuldig en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden.
Ten onrechte heeft het ATC overwogen, dat een advocaat er zorg voor dient te dragen dat er duidelijke afspraken gemaakt worden met betrekking tot het honorarium. De advocaat is echter niet altijd in staat om in de eerste momenten van het contact met de cliënt, het met de te geven rechtsbijstand gemoeide honorarium vast te stellen. Het komt regelmatig voor, dat het honorarium gedurende de uitvoering van de opdracht of aan het eind van de werkzaamheden, door de advocaat wordt vastgesteld.

Grief 5. Geen onduidelijkheid met betrekking tot de gedeclareerde en ontvangen bedragen.
Ten onrechte heeft het ATC onder 4.3 van haar beslissing aangegeven, dat [appellant] op onduidelijke wijze heeft gecommuniceerd met [geïntimeerde] over de verschuldigde kosten. Dat voorts niet uit het onderzoek is komen vast te staan, dat de afspraken tussen [appellant] en [geïntimeerde] met betrekking tot het honorarium schriftelijk zijn vastgelegd, waardoor er geen duidelijkheid was voor [geïntimeerde] en niet van haar hoefde te worden verwacht dat zij de achteraf gedeclareerde bedragen van [appellant] hoefde te accepteren. [appellant] geeft aan, dat zij expliciet heeft aangegeven welke werkzaamheden zij voor [geïntimeerde] heeft uitgevoerd. De verschuldigde kosten waren in vele zaken niet vooraf bepaalbaar. Het komt voorts vaker voor, dat de advocaat na afronding van de werkzaamheden tot een begroting komt.

Grief 6. Geen sprake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Ten onrechte heeft het ATC overwogen, dat het accepteren van de overdracht van een perceel als verrekening, als deel van het honorarium, in strijd is met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. [appellant] ontkent dat de overdracht van het perceel op instigatie van haar is gedaan. De overdracht van het perceel is op verzoek van [geïntimeerde] gedaan.

6. Vordering in hoger beroep
[appellant] concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het ATC waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de klacht als ongegrond te verklaren en [geïntimeerde] niet-ontvankelijk te verklaren.

7. De beoordeling
Primair dient te worden opgemerkt dat advocaten op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, die overigens niet uitputtend zijn vastgesteld, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel. Daarbij zal rekening dienen te worden gehouden met ontwikkelingen binnen de advocatuur, met name met veranderde opvattingen over hetgeen een behoorlijk advocaat al dan niet betaamt. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan.
Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:
7.1. Met betrekking tot grief 1: niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] omdat zij niet degene is met wie de overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten is gesloten.
Uit de overgelegde stukken en tijdens de behandeling van de klacht in hoger beroep, is niet komen vast te staan dat [appellant] namens [stichting 1] heeft gehandeld. Gebleken is dat de stichting voornoemd op een latere datum is opgericht, dan de datum waarop [appellant] door [geïntimeerde] in de arm is genomen om juridische bijstand te verlenen. Immers het probleem waarmee [geïntimeerde] naar [appellant] was gekomen heeft ertoe geleid dat op voorstel van en onder begeleiding van [appellant] [stichting 1] is opgericht en een aantal goederen in die stichting zijn ondergebracht. Het Hof concludeert, dat [geïntimeerde] en niet [stichting 1] een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten heeft gesloten met [appellant]. Daarnaast heeft [appellant] bij de behandeling van dit appel zelf aangegeven, letterlijk geciteerd: “Vervolgens is [geïntimeerde] met een andere zaak bij mij gekomen, waar het erom ging dat [persoon] over een machtiging scheen te beschikken…………………Daarom het idee om de onroerende goederen onder te brengen in een stichting vermogensbeheer waarbij [geïntimeerde] dan de leiding zou hebben………………..Ik heb alle voorbereidingen voor haar getroffen om te komen tot de oprichting van [stichting 1], om alle onroerende goederen hierin onder te brengen. etc.” Grief 1 faalt derhalve.

7.2. Met betrekking tot grief 2: niet tijdig doorsturen van de klacht door de Deken.
Het Hof gaat voorbij aan de blote stelling van [appellant] dat zij mondeling van de toenmalige Deken heeft mogen vernemen dat de klacht van [geïntimeerde] niet gegrond was en dat zij er derhalve op mocht vertrouwen dat de klacht was afgedaan. Van [appellant] mocht, gelet op haar veronderstelde wets- en rechtskennis alsook jarenlange praktijkervaring, verwacht worden dat zij kon weten en begrijpen, dat – voor zover er een dergelijke mondelinge toezegging gedaan zou zijn – daar geen waarde aan kon worden gehecht. Immers is in de Advocatenwet in artikel 41 lid 4 uitdrukkelijk bepaald dat de Deken, indien die van oordeel is dat de ingediende klacht niet klachtwaardig is, dit schriftelijk aan de klager en de advocaat tegen wie de klacht is ingediend moet mededelen. Van enige rechtsverwerking is geen sprake simpel vanwege het feit dat er geen sprake is van een recht van de Deken om de klacht naar het ATC door te sturen doch gelet op het bepaalde in artikel 41 lid 3 en artikel 42 eerder een plicht om de klacht door te sturen naar het ATC. Grief 2 faalt eveneens.

7.3. Met betrekking tot grief 3: verjaring van de klacht.
7.3.1. [geïntimeerde] heeft als verweer hierop aangevoerd, dat het Advocaten Tuchtcollege in mei 2017 is geïnstalleerd en dat zij in juni 2018 haar klacht bij de Deken heeft gedeponeerd die de klacht vervolgens heeft doorgeleid naar het Tuchtcollege alwaar haar klacht in behandeling is genomen op 14 juni 2019.

7.3.2. Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant], dat de klacht zoals die door [geïntimeerde] is ingediend, verjaard is. Het Advocaten Tuchtcollege is in mei 2017 geïnstalleerd. De toenmalige Deken heeft de klacht op 10 maart 2019 doorgeleid naar het Advocaten Tuchtcollege en deze is in juni 2019 in behandeling genomen, hetwelk binnen redelijk termijn is geschied. Voorts is er geen uitdrukkelijke verjaring termijn aangegeven in de Advocatenwet. Het Hof gaat voorbij aan hetgeen door [appellant] gesteld wordt, namelijk dat [geïntimeerde] haar klacht na 2010 moest hebben ingediend bij het Hof van Justitie. Uit de stukken noch uit de behandeling van de klacht in hoger beroep is gebleken, dat [geïntimeerde] kennis droeg van het feit, dat zij het Hof kon hebben geadieerd om haar klacht in te dienen, temeer daar deze regel geen algemene bekendheid genoot; dit in tegenstelling tot de installatie van het Advocaten Tuchtcollege waaraan wel algemene bekendheid is gegeven. Grief 3 faalt derhalve.

7.4. Met betrekking tot grief 4: geen sprake van onzorgvuldig en niet nauwgezet omgaan in geldelijke aangelegenheden.
7.4.1. [geïntimeerde] stelt, dat [appellant] haar nimmer duidelijk heeft aangegeven, wat de kosten zijn waarop zij zou mogen rekenen in het kader van de juridische bijstand die [appellant] verleende en welke werkzaamheden zij specifiek heeft verricht. De werkzaamheden welke door [appellant] zijn aangegeven als te zijn door haar verricht, worden door [geïntimeerde] betwist.

7.4.2. Tijdens de behandeling van de klacht in hoger beroep is komen vast te staan, dat [appellant] werkzaamheden heeft verricht voor [geïntimeerde], doch dat er tussen partijen een twist bestaat over welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, alsook wat de kosten voor deze werkzaamheden waren.
Ingevolge het bepaalde in artikel 9 lid a van de ere-regelen behoort tot één van de eerste verplichtingen van een advocaat de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid die in geldelijke aangelegenheden in acht dient te worden genomen.
[appellant] heeft tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep aangegeven, dat er uitgezocht moest worden in welke zaken zij werkzaamheden moest verrichten voor [geïntimeerde] en dat zij aan de hand hiervan een declaratie bedrag met haar zou overeenkomen. Verder, dat zij de stukken heeft doorgenomen waarna zij een mondeling traject met [geïntimeerde] heeft uitgestippeld. [appellant] heeft volgens eigen verklaring, hierna bepaalde zaken die spoed hadden gelijk aangepakt en andere zaken op de achtergrond geplaatst. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie, dat [appellant] een concreet beeld had van de werkzaamheden die zij zou moeten verrichten alsook een goede indicatie kon hebben gehad van wat de mogelijke kosten zouden zijn voor elke zaak. [appellant] had naar de mening van het Hof [geïntimeerde] moeten voorzien in een duidelijk overzicht van haar werkzaamheden alsook wat de eventuele kosten hiervoor zouden zijn. [geïntimeerde] had daardoor haar afwegingen kunnen maken om al dan niet akkoord te gaan met de mogelijke kostenraming voor de verschillende zaken en bij het niet bereiken van een akkoord ervoor kunnen kiezen elders rechtsbijstand te betrekken. [geïntimeerde] is hierin in het ongewisse gelaten en aan het einde van de rit “overvallen” met hoge declaraties. Deze wijze van handelen van [appellant] is in elk geval in strijd met artikel 9a van de ere-regelen. Grief 4 gaat derhalve ook onderuit.

7.5 Met betrekking tot grief 5: geen onduidelijkheid met betrekking tot de gedeclareerde en ontvangen bedragen.
7.5.1 [geïntimeerde] stelt, dat [appellant] nimmer uitdrukkelijk heeft aangegeven, wat haar honorarium zal zijn voor het verlenen van rechtsbijstand maar dat zij slechts met tussenpozen aangaf, wat betaald moest worden voor haar diensten en dat zulks door haar werd voldaan.

7.5.2 Vaststaat dat er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt tussen partijen voor wat betreft het honorarium. [appellant] heeft tussentijds bedragen gedeclareerd respectievelijk SRD.1.750, – zijnde het voorschot voor de door [appellant] te verlenen diensten, SRD.600,- en €.4.900, – zijnde de slotdeclaratie. Niet is gebleken voor welke werkzaamheden er door [appellant] is gedeclareerd en op basis waarvan de voornoemde bedragen tot stand zijn gekomen. Het had op de weg van [appellant] gelegen, om conform hetgeen zij aan [geïntimeerde] had voorgehouden, namelijk dat zij een declaratie bedrag met haar overéén zou komen, duidelijk aan te geven voor welke werkzaamheden zij declareerde en hoe die declaratie was opgebouwd.
Artikel 11a van de ere-regelen schrijft voor, dat de declaratie van de advocaat redelijk dient te zijn, in aanmerking nemende de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak.
Nu [appellant] geen uiteenzetting heeft gegeven van de werkzaamheden die zij voor [geïntimeerde] heeft verricht, kan niet eenvoudig getoetst worden als de door haar ingediende declaratie redelijk is ten opzichte van de omstandigheden, omvang en gewicht van de zaak.
[appellant] heeft Artikel 11a van de ere-regelen niet in acht genomen. Ook grief 5 schiet haar doel voorbij.

7.6 Met betrekking tot grief 6: Geen sprake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
7.6.1. [geïntimeerde] voert aan, dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van haar fragiele emotionele staat om één van de percelen behorende tot [stichting 1] overgedragen te krijgen als deelbetaling van haar honorarium welke zij in rekening bracht voor de verleende bijstand bij het oprichten van de voornoemde stichting.

7.6.2. Uit de overgelegde stukken en de behandeling van de klacht in hoger beroep is komen vast te staan, dat [geïntimeerde] advies gevraagd heeft aan [appellant] ten aanzien van de onroerende goederen van thans, wijlen haar echtgenoot. Voorts is komen vast te staan dat [appellant] [geïntimeerde] heeft bijgestaan bij het doen oprichten van [stichting 1], welke is geschied op 22 april 2008. [appellant] heeft voor deze werkzaamheden SRD.20.000,- als honorarium in rekening gebracht. Niet is komen vast te staan, dat dit bedrag vooraf met [geïntimeerde] was afgesproken. Uit de onroerende goederen van [stichting 1], heeft [appellant] een perceel geaccepteerd zijnde verrekening voor een deel (SRD.10.000,-) van het gevraagde honorarium terwijl het ander deel ad SRD.10.000,- contant is betaald. Het Hof laat in het midden of deze wijze van verrekening is geschied, op instigatie van [appellant] of [geïntimeerde] zelf.

7.6.3 Het bewuste perceel groot 998 m2 met al hetgeen daarop staat en gelegen aan [adres] te [district] is overgeschreven op naam van [stichting 2]. [stichting 2] is opgericht op 18 juli 2008 met [appellant] als de enige bestuurder en ingeschreven in het Stichtingenregister op 4 februari 2009. De bestuurswijziging van deze stichting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2010, waarbij [appellant] uit het bestuur van [stichting 2] is getreden.
7.6.4 Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is door [appellant] aangegeven, dat zij geen behoefte had aan een perceel, doch dat zij de stichting heeft opgericht om het perceel te kopen met ‘gesloten beurs’. [appellant] heeft ten aanzien van de door haar toegepaste “verrekening constructie” eerst verwoede pogingen gedaan om het Hof ervan te overtuigen dat zij niet onbetamelijk heeft gehandeld omdat niet zij, maar [stichting 2] de koper is van het perceel en [stichting 1], de verkoper. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie dat [appellant] bewust onzuiver heeft gehandeld. Indien [geïntimeerde] niet over de financiën beschikte om het honorarium van [appellant] te betalen, [geïntimeerde] betwist dit, had zij, [appellant], een betalingsregeling met [geïntimeerde] kunnen treffen. De door [appellant] gehanteerde constructie komt erop neer dat zij betaald is voor haar diensten als advocaat met een perceel dat zij heeft ondergebracht in een stichting die zij speciaal hiervoor heeft opgericht en zij alzo doende de bedoeling heeft gehad zich achter de stichting te verschuilen. Daarbij is [geïntimeerde] behoorlijk benadeeld geworden. Het is een feit van algemene bekendheid (zie de klapper van 2011 van het MI-Glis betreffende de minimale grondwaarde bron: https://miglis.sr/klapperonline/klapper_view.php) dat de minimale grondwaarde van een vierkante meter perceel aan [adres] €.40,- bedroeg. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de waarde van betreffend perceel in 2011 niet (significant)verschilde met de waarde in juli 2008 toen de overdracht van het perceel plaatsvond. De totale minimale klapperwaarde van betrekkelijk perceel bedroeg derhalve indicatief 998 m2 X €.40,- = €.39.920,-. Feit van algemene bekendheid is dat de indicatieve marktkoers van de euro in 2008 SRD.4,- voor €.1,- bedroeg (bron: https://www.cbvs.sr/images/content/publicaties/Wisselkoersen/2018/Gemiddelde_mndkrsn_1994-2018.pdf) hetgeen neerkomt op SRD.159.680,-.
Eén en ander komt erop neer dat [appellant] als tegenprestatie voor een te ontvangen restanthonorarium ad SRD. 10.000,- zich, via een door haar opgerichte stichting, heeft laten betalen met een perceel ter waarde van minimaal SRD.159.680,-. [appellant] heeft toen derhalve excessief ontvangen het bedrag van SRD. 159.680,- minus SRD.10.000,- is SRD.149.680,- in natura, en wel in de vorm van genoemd perceel.
Ingevolge de ere-regelen moet de advocaat het beroep uitoefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of andersoortig voordeel te laten leiden.
Het aannemen van een perceel als betaling voor bewezen diensten, en daarbij de meerwaarde zoals hiervoor weergegeven, alsook het oprichten van een stichting om de overdracht van het perceel te accommoderen is onzuiver, niet acceptabel en in strijd met datgene dat een behoorlijk advocaat betaamt.

7.7. Het Hof komt op grond van de hierboven besproken grieven tot de conclusie dat [appellant] heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat niet betaamt. Zo heeft zij met name in strijd gehandeld met de verplichting om het beroep uit te oefenen in volstrekte onafhankelijkheid en zonder zich daarbij door de zucht naar persoonlijk, financieel, maatschappelijk of ander voordeel te laten leiden. [appellant] heeft door haar zucht naar voordeel, onzuiver gehandeld.
Mede op grond van het gegeven dat, naar de mening van het Hof, [appellant] zonder redelijke grond heeft nagelaten het honorarium met [geïntimeerde] vooraf te bespreken, zij daarnaast bedragen heeft gedeclareerd en ontvangen van [geïntimeerde] zonder haar hieromtrent duidelijkheid te verschaffen en de ontvangst van betaling van het restant honorarium ad. SRD.10.000,- door overdracht van een onroerend goed met een minimale waarde van SRD.169.680,- aan een door haar opgerichte stichting waarbij zij de enige bestuurder was, verklaart het Hof de klacht van [geïntimeerde] gegrond.
Voor wat betreft de op te leggen tuchtmaatregel neemt het Hof mede in overweging dat [appellant] bij de behandeling van onderhavige tuchtzaak heeft erkend verkeerd te hebben gehandeld, dat de maatregel van berisping opgelegd door het ATC passend was en dat zij zal instaan voor de consequenties. Voorts houdt het Hof rekening met het feit dat [appellant] first offender is.
Gelet op al het vorenoverwogene acht het Hof de maatregel van berisping passend en geboden en zal het Hof de beslissing van het ATC d.d. 21 oktober 2019 bevestigen onder aanvulling van gronden.
Voor wat betreft de vordering van [geïntimeerde] dat zij het aan [appellant] overgedragen perceel terugwenst, verwijst het Hof [geïntimeerde] naar de civiele rechter voor de beslechting hiervan. Het Hof dienende als hoger beroepsinstantie van het ATC, is niet de aangewezen instantie om vorderingen tot teruggave van goederen te bewerkstelligen. Deze bevoegdheid is weggelegd voor de civiele rechter.

7.8. Gelet op het publieke belang van kennisneming van onderhavige materie zal het Hof tevens beslissen dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

8. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

8.1. Verklaart de klacht van [geïntimeerde] gegrond.

8.2. Bevestigt de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 21 oktober 2019, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

8.3. Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare zitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 25 augustus 2020, in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S.S.S. Wijnhard

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU–2019-2

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE

no. 19/24

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klager],
klager,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe en mr. H.S. Monorath, advocaten,

tegen

[verweerster],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerster,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 26 april 2019 een klacht met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft de klacht op 24 juni 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het tuchtcollege van vrijdag 12 juli 2019.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt. Op voormelde datum is tevens is gehoord de getuige [naam]

2. De feiten
2.1 Klager is ondernemer en doet met verschillende grote bedrijven zaken.

2.2 Op advies van [naam] (hierna [getuige]) waarmee klager goed bevriend is, heeft klager verweerster benaderd voor juridische bijstand, in een procedure tot opheffing van een conservatoir derdenbeslag bij het gerecht.

2.3 Op 20 februari 2019 heeft klager een bedrag van SRD5.000,= betaald aan verweerster terzake de door verweerster ten behoeve van klager te verrichten diensten. Klager heeft van deze betaling geen kwitantie ontvangen van verweerster.

2.4 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 7 maart 2019 bekend onder [nummer} is het beslag opgeheven. Na de uitspraak heeft klager zich met [getuige] begeven naar het kantoor van verweerster. Uit ontevredenheid heeft klager het kantoor van verweerster verlaten, [getuige] ter plekke achterlatend. [getuige] heeft op die dag op eigen risico (dus zonder afstemming met klager) besloten een bedrag van SRD50.000,= aan verweerster te betalen terzake de door haar verrichte juridische werkzaamheden ten behoeve van klager. [getuige] heeft geen kwitantie van deze betaling ontvangen.

2.5 Op 13 maart 2019 werd wederom derdenbeslag gelegd ten laste van klager. Klager heeft de bescheiden ter zake dit beslag ter hand gesteld aan [getuige], die zonder goedkeuring van klager deze bescheiden heeft gebracht naar verweerster voor advies.
Verweerster heeft daarbij aangegeven, dat eerst het saldobedrag in de zaak bekend onder [nummer],moest worden voldaan. [getuige] heeft hierop wederom op eigen risico een bedrag van US$30.000,= van klager’s rekening doen overmaken naar een rekening van [bedrijf] bij de [bank] ten behoeve van verweerster.

2.6 Nadat klager hiervan op de hoogte werd gesteld door [getuige] heeft hij de overmaking ten behoeve van verweerster, gecanceld.

2.7 Verweerster heeft hierna, conservatoir derden beslag doen leggen op alle tegoeden van klager bij derden-bedrijven met wie klager zaken doet.

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW).
Klager stelt daartoe dat hij met verweerster een honorarium van SRD5.000,= was overeengekomen. Toen hij zich na de uitspraak met [getuige] begaf naar het kantoor van verweerster, kreeg hij aldaar van laatstgenoemde te horen dat hij nog een saldo bedrag aan haar moest voldoen terzake haar honorarium. Het ging om een saldo van US$68.000,=, SRD443.000,= en €8.900,=. Hij verzette zich hiertegen omdat hij nimmer deze bedragen met verweerster was overeengekomen. Uit boosheid is hij weggelopen, [getuige] achterlatend met verweerster. Naderhand begreep hij van [getuige] dat die met verweerster heeft onderhandeld over het saldo honorarium waarbij deze is aangepast tot een bedrag van SRD60.000,= en US$30.000,=. Dit alles is gebeurd buiten zijn aanwezigheid en zonder zijn toestemming. Van [getuige] begreep hij dat die SRD50.000,= uit diens eigen middelen aan verweerster had betaald. Van deze betaling heeft [getuige] geen kwitantie ontvangen van verweerster. Ondanks het feit dat dit zonder zijn, klager’s, toestemming is gebeurd, heeft hij toch besloten het bedrag van SRD50.000,= terug te betalen aan [getuige].
Toen er wederom conservatoir derden beslag werd gelegd op zijn rekeningen, heeft hij de stukken terzake afgestaan aan [getuige]. Laatstgenoemde is zonder zijn medeweten en toestemming wederom naar verweerster geweest, die hem voorhield dat eerst het saldohonorarium van SRD10.000,= en US$30.000,= diende te worden betaald voordat zij aan die zaak zou werken. Om deze reden heeft [getuige] US$30.000,= van klager’s rekening doen overmaken op een rekening van [bedrijf] bij [bank] ten behoeve verweerster. Deze wijze van betaling is geschied op verzoek van verweerster. Volgens klager was hij het totaal niet eens met de betaling, en heeft hij daarom de overmaking ongedaan gemaakt. Als reactie hierop heeft verweerster conservatoir derden beslag gelegd op al zijn tegoeden bij derden. Deze derden zijn bedrijven waarmee klager jaren zaken doet. Het gevolg hiervan was dat zijn werkkapitaal in gedrang kwam en dat hij zijn leveranciers niet kon betalen. Volgens klager hebben enkele leveranciers om voormelde reden de samenwerking met hem stopgezet. Hij, klager, lijdt enorme schade door de handelingen van verweerster.

3.2 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klager.

4.2 Verweerster voert zakelijk weergegeven het volgende verweer.

Zij heeft vanaf het moment dat klager en [getuige] haar hebben benaderd voor juridische bijstand bij de vordering tot opheffing van het beslag aan klager voorgehouden dat het honorarium bedraagt SRD60.000,= en US$30.000,=. Zij heeft klager ook voorgehouden dat hij vrij was om naar een andere advocaat te gaan indien hij zich niet kon terugvinden in het door haar gevraagde honorarium. Klager ging akkoord en gaf aan niet naar een andere advocaat te zullen gaan omdat hij het honorarium redelijk vond. Verweerster geeft toe tekort te zijn geschoten in het schriftelijk vastleggen van de overeenkomst. Zij heeft haar honorarium gekoppeld aan het belang.

4.3 Voorop gesteld wordt dat op de advocaten, en dus ook op verweerster, van toepassing is de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen).
Ingevolge de Ere-regelen is een der eerste verplichtingen van de advocaat, de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden. Een advocaat moet ervoor zorgen dat hij bij het aanvaarden van een opdracht duidelijke afspraken maakt over het verschuldigde honorarium. Verweerster erkent tekort te zijn geschoten in het vastleggen van de overeenkomst met klager, dus ook met betrekking tot het verschuldigde honorarium. Verweerster heeft dus onzorgvuldig gehandeld jegens klager.

4.4 Naar het oordeel van het tuchtcollege is het niet in rechte komen vast te staan dat verweerster afspraken had met betrekking tot een honorarium van en SRD5.000,= en SRD60.000,= en US$30.000,= – zoals zij heeft aangevoerd – met klager heeft gemaakt. Dit wordt immers niet alleen ontkend door klager, maar ook door [getuige] die steeds aanwezig was met klager ten tijde van gesprekken met verweerster. Aannemelijk is verder de stelling van klager, die ook wordt ondersteund door de verklaring van [getuige] die ter zitting is gehoord als getuige, dat verweerster buiten zijn aanwezigheid, afspraken met [getuige] heeft gemaakt danwel heeft onderhandeld met [getuige] met betrekking tot het door klager verschuldigde honorarium.

Het vaststellen van een honorarium buiten aanwezigheid van klager en klager ook nog eraan houden om dit te voldoen, is naar het oordeel van het tuchtcollege in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Daar komt ook nog bij dat verweerster tot twee keren toe heeft nagelaten om kwitanties uit te schrijven van de door haar ontvangen bedragen groot SRD5.000,= en SRD50.000,= welke bedragen respectievelijk betaald zijn door klager en [getuige]. Aan het voorgaande doet niet af het verweer van verweerster dat klager de kwitantie in alle haast niet heeft meegenomen, hetgeen overigens wordt ontkend door klager. Immers is niet gesteld of gebleken dat verweerster op enig moment klager op de hoogte heeft gesteld dat hij zijn kwitantie(s) moet ophalen.

Het tuchtcollege neemt verder ook mee dat verweerster conservatoir derdenbeslag heeft doen leggen ten laste van klager waardoor klager niet over zijn financiën kan beschikken met als gevolg dat leveranciers de samenwerking met klager hebben stopgezet, en klager grote schade lijdt. Vanwege de werkzaamheden die verweerster heeft verricht ten behoeve van klager, had verweerster gevoelige informatie van het [bedrijf] van klager en wist zij hoe belangrijk het was dat hij over zijn financiële middelen kon beschikken voor de voortzetting van zijn [bedrijf]. Verweerster heeft deze informatie gebruikt door derden beslag te leggen ten laste van klager en ten behoeve van haarzelf, wetende dat er een verschil van mening was tussen klager en haar over de hoogte van het honorarium. Het betaamt een behoorlijke advocaat niet om ten behoeve van zichzelf of van enige derde gebruik te maken van de gegevens of inlichtingen, welke hem in zijn verhouding tot zijn cliënt bekend zijn geworden. Dit handelen van verweerster is in strijd met hoofdstuk IV onder 8 van de Ere-regelen.

4.5 Ten aanzien van de hoogte van het door verweerster opgegeven honorarium overweegt het tuchtcollege als volgt. Zoals eerder overwogen betrof de vordering waarin verweerster juridische bijstand verleende aan klager, de opheffing van een conservatoir derden beslag. Naar het tuchtcollege begrijpt beroept klager zich erop dat initieel een honorarium van SRD5.000,= was overeengekomen met verweerster doch na de uitspraak heeft verweerster aangegeven dat het saldo honorarium bedroeg US$68.000,=, SRD443.000,= en €8.900,=. Verweerster daarentegen heeft aangevoerd dat zij reeds vanaf de aanvang heeft afgesproken dat haar honorarium bedraagt SRD60.000,= en US$30.000,=.
Het tuchtcollege laat in midden of de door klager genoemde bedragen wel of niet door verweerster zijn opgegeven. Het tuchtcollege is echter van oordeel dat ook de door verweerster genoemde bedragen voor het honorarium onredelijk zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. In casu betrof het de opheffing van een door de echtgenote van klager, die met klager verwikkeld was in een echtscheidingsproces, gelegde conservatoir beslag. Verweerster heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak het door haar verlangde honorarium rechtvaardigde.
Ingevolge hoofdstuk IV onder 11a van de Ere-regelen, dient de declaratie redelijk te zijn, in aanmerking genomen de omstandigheden, de omvang en het gewicht van de zaak. Het verweer van verweerster dat zij haar honorarium heeft gekoppeld aan het belang in de zaak is dus in strijd met het hiervoor omschreven artikel van de Ere-regelen.

4.6 Op grond van al het voorgaande acht het tuchtcollege de klacht dan ook gegrond. Het tuchtcollege acht de handelingen van verweerster zo ernstig dat niet met een andere maatregel kan worden volstaan dan een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van haar praktijk voor de duur van 3 maanden. Het tuchtcollege overweegt dat de hiervoor genoemde maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd indien verweerster binnen een week na de uitspraak het bedrag van SRD50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar) teruggeeft aan klager, en voorts alle ten laste van klager en ten behoeve van verweerster gelegde beslagen opheft binnen 1 x 24 uur (voor zover die nog niet zijn opgeheven).Het tuchtcollege neemt verder ook mee dat aan verweerster eerder ook een tuchtmaatregel is opgelegd, en wel in de zaak bekend onder nummer 19/12. Niet op de laatste plaats neemt het college ook mee dat verweerster een constructie heeft bedacht dat de gelden die betrekking hadden op haar honorarium niet op haar eigen rekening werden gestort maar op een rekening van een importbedrijf [bedrijf]. Naar het oordeel van het tuchtcollege is dit niet ethisch. Het is in strijd met de integriteit van een advocaat, om het honorarium te doen overmaken op een bedriijfrekening op naam van een importbedrijf. Het verweer van verweerster dat zij op verzoek van klager danwel [getuige], deze rekening heeft opgegeven om de betaling te vergemakkelijken, hetgeen overigens ook wordt ontkend door klager en [getuige], doet aan het voorgaande niets af.

4.5 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:

5.1 verklaart de klacht tegen verweerster gegrond.

5.2 legt aan verweerster de maatregel van schorsing op voor een periode van drie (3) maanden.

5.3 bepaalt dat de hiervoor vermelde maatregel van schorsing niet zal worden ten uitvoer gelegd, onder de voorwaarde dat verweerster:

  • binnen een week na de uitspraak het bedrag van SRD50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar) teruggeeft aan klager en voorts
  • alle ten laste van klager en ten behoeve van verweerster gelegde beslagen opheft binnen 1 x 24 uur na de uitspraak (voor zover die nog niet zijn opgeheven).

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, voorzitter, mr. S. Sheombar en J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
S. Sheombar
J.R. Wouter

SRU–2019-1

HET ADVOCATEN TUCHTCOLLEGE

no. 19/12

Beslissing van het Advocaten Tuchtcollege

naar aanleiding van de klacht van:

[klaagster],
klaagster,
procederend in persoon,

tegen

[verweerster],
advocaat tegen wie de klacht is ingediend,
verweerster,
procederend in persoon.

De voorzitter spreekt met betrekking tot deze klacht, in naam van de Republiek, de navolgende beslissing uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Klaagster heeft op 04 juni 2018 een klacht met bijbehorende producties ingediend bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten (hierna: de Deken).

1.2 De Deken heeft de klacht op 04 maart 2019 ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: het tuchtcollege).

1.3 De klacht is behandeld ter zitting van het tuchtcollege van vrijdag 14 juni 2019.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

2. De feiten
2.1 In het jaar 2007 heeft verweerster juridische bijstand verleend aan klaagster.

2.2 Klaagster heeft drie kwitanties overgelegd waaruit blijkt dat verweerster de navolgende bedragen van haar heeft ontvangen:

  • kwitantie d.d. 06 juli 2007, een bedrag van SRD 1750,=;
  • kwitantie d.d. 18 juli 2007, een bedrag van SRD 600,=;
  • kwitantie d.d. 08 januari 2009, een bedrag van € 4.900,=.

2.3 Bij notariële akte d.d. 18 juli 2008, verleden ten kantore van notaris D. Alexander, heeft klaagster, handelende als enig bestuurslid van [stichting 1] het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 998 m2, gelegen aan [adres] te [district], verkocht en overgedragen aan verweerster, handelende als enig bestuurslid van [stichting 2].

3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 Advocatenwet (AW). Klaagster stelt daartoe dat de dienstverlening van verweerster veel te wensen overliet. Volgens klaagster heeft verweerster haar misleid en gemanipuleerd. Geen enkele vordering waarin verweerster haar heeft bijgestaan zijn in haar voordeel beslecht.
Voorts stelt klaagster dat verweerster haar heeft geadviseerd om alle vermogensbestanddelen welke in eigendom toebehoorden aan haar echtgenoot [naam], met wie klaagster buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, onder te brengen in [stichting 1]. Vervolgens stelt klaagster dat verweerster bij haar erop heeft aangedrongen dat één der percelen van [stichting 1] wordt overgedragen aan haar, verweerster, aangezien klaagster haar nog een deel van het honorarium verschuldigd was, terwijl volgens klaagster het honorarium nimmer was overeengekomen tussen hen. Volgens klaagster heeft verweerster misbruik gemaakt van de emotionele situatie waarin zij zich bevond en heeft zij via de notaris het perceel door middel van overschrijving verkregen. Klaagster vindt dat de waarde van het perceel, de werkzaamheden die verweerster voor haar heeft verricht, overtreft en dat verweerster nimmer het verzoek mocht doen aan klaagster om overdracht van een perceel aan haar in plaats van betaling. Volgens klaagster heeft zij verweerster nog driemaal betaald maar ze heeft van haar geen kwitanties ontvangen.
Klaagster stelt dat verweerster tekort geschoten is in haar dienstverlening jegens haar. Klaagster stelt verder de gelden die zij aan verweerster heeft betaald terug te willen alsook het perceel.

3.3 Verweerster heeft verweer gevoerd, waarop zover nodig in de beoordeling zal worden teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster verwijtbaar is ter zake enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoorde te betrachten jegens klaagster.

4.2 Verweerster voert zakelijk weergegeven het volgende verweer.
In de periode 2007 tot 2010 heeft zij juridische bijstand verleend aan klaagster, waarbij zij in het kader van voornoemde werkzaamheden de onder 2.2 omschreven bedragen heeft ontvangen van klaagster. Verweerster ontkent bedragen te hebben ontvangen van klaagster waarvoor zij geen kwitanties aan haar heeft verstrekt. Verweerster ontkent ook dat zij aan klaagster het verzoek heeft gedaan inzake de overdracht van het perceel aan haar.
Volgens verweerster verkeerde klaagster in financiele problemen, waardoor zij het honorarium niet kon voldoen. Zij, klaagster, deed toen zelf het verzoek aan verweerster om een perceel bij [stichting 1] te kopen en het honorarium deels met de koopsom te verrekenen. Volgens verweerster vertegenwoordigen de werkzaamheden die zij ten behoeve van klaagster heeft verricht een belang van bijkans €500.000,=. Zij meent dat een honorarium percentage van 10%-15% van dat bedrag niet onredelijk is. Verweerster voert verder aan dat zij rekening heeft gehouden met de situatie van klaagster en haar honorarium heeft beperkt tot SRD20.000,=. Een deel van het honorarium is als koopsom verrekend en het ander deel is door klaagster in contanten voldaan. Uit de notariële akte d.d. 18 juli 2008 blijkt dat zij, verweerster, het perceel voor SRD10.000,= heeft aangekocht. Verweerster voert tenslotte aan dat zij geen behoefte had aan het perceel en heeft [stichting 2] die het beheer had over het perceel dit overgedragen middels bestuurswijziging.

4.3 Voorop gesteld wordt dat op de advocaten, en dus ook op verweerster, van toepassing is de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname (hierna de Ere-regelen).
Ingevolge de Ere-regelen is een der eerste verplichtingen van de advocaat, de uiterste nauwgezetheid en zorgvuldigheid in geldelijke aangelegenheden. Een advocaat moet ervoor zorgen dat hij bij het aanvaarden van een opdracht duidelijke afspraken maakt over het verschuldigde honorarium. Het tuchtcollege is van oordeel dat verweerster op onduidelijke wijze met klaagster heeft gecommuniceerd over de verschuldigde kosten.
Uit het onderzoek is niet gebleken dat de afspraken tussen klaagster en verweerster met betrekking tot het verschuldigde honorarium, schriftelijk zijn vastgelegd. Klaagster heeft dit in ieder geval ontkend en verweerster heeft ook geen stukken overgelegd waaruit het voorgaande mocht blijken. Hierdoor was er geen duidelijkheid voor klaagster over het honorarium, en van klaagster hoefde niet te worden verwacht dat zij de achteraf door verweerster gedeclareerde bedragen accepteerde.
Verweerster heeft dus onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster. Het vervolgens accepteren van de overdracht van een perceel als “verrekening” van (een deel van) het honorarium is naar het oordeel van het tuchtcollege in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt ongeacht of dit een aanbod was van klaagster. Dit laatste wordt overigens ontkend door klaagster. Klaagster heeft immers gesteld dat deze overdracht is geweest op verzoek van verweerster.
Op grond van het voorgaande acht het tuchtcollege de klacht dan ook gegrond. Het tuchtcollege acht de maatregel van berisping passend.

4.4 Met betrekking tot de teruggave van de betaalde bedragen en het perceel aan klaagster is het tuchtcollege van oordeel dat klaagster daartoe desgewenst een civiele vordering aanhangig dient te maken, nu dit verzoek zich niet leent voor behandeling in de onderhavige procedure.

4.5 Door klaagster zijn er geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de dienstverlening van verweerster veel te wensen overliet, en evenmin dat verweerster haar heeft misleid en gemanipuleerd. Het tuchtcollege gaat dan ook voorbij aan deze stellingen van klaagster.

4.6 Het Tuchtcollege acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken.

5. De beslissing
Het Advocaten Tuchtcollege:

5.1 verklaart de klacht tegen verweerster gegrond.

5.2 legt aan verweerster de maatregel van berisping op.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, voorzitter, mr. S. Sheombar en J.R. Wouter, leden, en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 21 oktober 2019 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de secretaris, M.S. Wesenhagen.

De secretaris,
Mr. M.S. Wesenhagen

De voorzitter,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

De leden,
S. Sheombar
J.R. Wouter

 

 

SRU-HvJ-2019-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district], verzoekster,
gemachtigde: mr. G. van der San, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van de Republiek Suriname,
domicilie hebbende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 04 januari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift door de Staat is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 april 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • de processen-verbaal van de op 05 januari 2018 en 06 april 2018 gehouden verhoren van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018 doch nader op heden;

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is op 01 april 2011 in overheidsdienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 (één) jaar. Zij is bij indiensttreding tewerkgesteld als juridisch medewerker op de Griffie der Kantongerechten (Civiele Zaken) van de hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie, zijnde een orgaan van de Staat. De arbeidsovereenkomst is hierna steeds stilzwijgend verlengd;

2.2.verzoeker] heeft middels haar aan de directeur van Buitenlandse Zaken gericht schrijven d.d. 21 oktober 2013 een verzoek gedaan tot overplaatsing van het Ministerie van Justitie en Politie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een ander orgaan van de Staat. In reactie op voornoemd schrijven heeft [verzoeker] een schrijven d.d. 06 oktober 2014 ontvangen van de directeur van Buitenlandse Zaken waarin haar wordt medegedeeld dat haar verzoek in welwillende overweging is genomen en dat zij zich vooruitlopend op de ter beschikking stelling op 15 oktober 2014 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan aanmelden. Kort hierna wordt er namens de directeur van Justitie en Politie een schrijven d.d. 13 oktober 2014 verstuurd naar de directeur van Buitenlandse Zaken, met een cc naar [verzoeker]. In dit schrijven deelt eerstgenoemde directeur, laatstgenoemde directeur mee dat er van de zijde van het Ministerie van Justitie en Politie geen bezwaren bestaan dat [verzoeker] met ingang van 15 oktober 2014 wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiernaast wordt ook meegedeeld dat de concept overplaatsingsbeschikking ten name van [verzoeker], de directeur van Buitenlandse Zaken wordt toegezonden na bevestiging dat [verzoeker] haar diensten heeft aangevangen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. [verzoeker] vangt op 15 oktober 2014 aan met haar werkzaamheden op laatstgenoemd Ministerie;

2.3.Op 20 maart 2015 ontvangt [verzoeker] een aan haar gericht schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 waarin, onder verwijzing naar zijn schrijven d.d. 11 maart 2015 aan de Minister van Justitie en Politie, aan haar wordt meegedeeld dat wordt afgezien van haar overplaatsing. Hiernaast wordt aan haar gevraagd contact op te nemen met het Ministerie van Justitie en Politie casu quo instructies af te wachten. Derhalve wordt afgezien van de overplaatsing van [verzoeker] en betrokkene wordt per 15 maart 2015 wederom ter beschikking gesteld van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.4. Bij haar schrijven d.d. 23 maart 2015 reageert [verzoeker] op het schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 en vraagt de Minister om haar te ontvangen voor een persoonlijk onderhoud eventueel in gezelschap van de relevante functionarissen, opdat het een en ander kan worden toegelicht casu quo uitgepraat. Op dit schrijven ontvangt [verzoeker] in december 2016 een reactie;

2.5.Bij het schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 30 april 2015, wordt [verzoeker] gevraagd zich schriftelijk te verweren naar aanleiding van het feit dat zij zich niet zou hebben aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie nadat zij was terugverwezen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop informeert [verzoeker] de directeur middels haar schrijven d.d. 06 mei 2015 dat zij met betrekking tot onderhavige kwestie, in communicatie is met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waardoor zij zich niet heeft kunnen aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Hierna ontvangt [verzoeker] een ander schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 26 mei 2015, inhoudende dat zij zich moet aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Op 02 juni 2015 heeft [verzoeker] een gesprek met het wnd. Hoofden een medewerker van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie. Op 03 juni 2015 richt [verzoeker] een schrijven aan de directeur van Justitie en Politie waarin zij haar, onder andere, informeert over de gang van zaken en het gesprek van 02 juni 2015 met functionarissen van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.6. Enkele maanden later ontvangt [verzoeker] een schrijven vanwege de directeur van Justitie en Politie d.d. 22 maart 2016, onder meer, inhoudende dat hetgeen [verzoeker] heeft aangegeven bezijdens de waarheid is en zij zich tot 22 maart 2016 nimmer voor de dienst heeft aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie en dat als gevolg daarvan besloten is de met haar aangegane arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat haar salaris per eind maart 2016 wordt stopgezet. Enkele maanden hierna wordt voornoemd schrijven opgevolgd door de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 10 juni 2016, Bureau [nummer] [nummer 2] middels welke is besloten/bepaald dat de tussen de Staat en Blankendal aangegane arbeidsovereenkomst is opgezegd en dat [verzoeker] vanaf 15 maart 2015 (het hof begrijpt: 2016) geen aanspraak maakt op salaris of enige andere vergoeding, wegens het zonder gegronde redenen niet vervullen van haar ambtsverplichtingen. Dit besluit is middels exploot van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 01 november 2016, nummer: 182 betekend aan Blankendal;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1.[verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – primair dat de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d.10 juni 2016, Bureau [nummer] [nummer 2] nietig zal worden verklaard met daaraan gekoppelde nevenvorderingen, waaronder (door) betaling van haar maandelijkse loon. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag. Subsidiair vordert [verzoeker] nietigverklaring van voormelde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en vergoeding van de door [verzoeker] geleden schade bestaande uit loonderving, zijnde het achterstallig loon te rekenen vanaf 15 maart 2015 tot en met 31 december 2016 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars. Kosten rechtens;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven en in zoverre voor de beslissing van belang – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is het niet eens met de opzegging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en de stopzetting van de doorbetaling van haar loon. Voornoemd(e) besluit(en) volgens eerdergenoemde beschikking van de directeur van Binnenlandse Zaken berust(en) op overwegingen die zijn gebaseerd op onjuiste informatie casu quo niet op waarheid. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat de dienstbetrekking met haar met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en daarbij de in artikel 2 onder a van de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid

4.1.Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu de vordering betreft nietigverklaring van een besluit van de Staat. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde;

Ontvankelijk
4.2. De Staat heeft als preliminair verweer aangevoerd – kort gezegd – dat [verzoeker] tardief is met het instellen van de onderhavige vordering en derhalve niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Immers is het ontslagbesluit op 1 november 2016 per deurwaardersexploot onder nummer 182 aan [verzoeker] betekend en heeft zij onderhavige vordering pas op 04 januari 2017 ingediend. [verzoeker] heeft het voorgaande erkend maar heeft gevraagd om rekening te houden met de belangen van haar die in geding zijn. Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel.Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet dienen dergelijke vorderingen uiterlijk binnen een maand nadat het besluit ter kennis van belanghebbende is gebracht, te worden ingediend. In casu is onderhavige vordering ruim twee maanden nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht ingediend, weshalve [verzoeker] tardief is met het instellen van onderhavige vordering;

4.3. De consequentie van het voorgaande is dat [verzoeker] niet – ontvankelijk zal worden verklaard in de ingestelde vordering. Immers zijn de in de wet opgenomen termijnen van openbare orde en leidt een redelijke en billijke belangenafweging niet tot een ander oordeel. [verzoeker] geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal in de gedingkosten worden veroordeeld aan de zijde van de Staat gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5.De beslissing
Het Hof:

5.1. Verstaat dat [verzoeker] kosteloos procedeert;

5.2. Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in de ingestelde vordering;

5.3. Veroordeelt [verzoeker] in de gedingkosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr.A.M. Nooitmeer­Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van w.g.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Matawlie namens advocaat mr.G. van der San, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens advocaat mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. l.S. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 06 januari 2017;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 20 februari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 27 februari 2017 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift d.d. 07 april 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 10 april 2017, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 10 april 2017 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 23 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • het proces-verbaal van het op 05 januari 2018 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging stukken zijdens de Staat de dato 16 maart 2018;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] de dato 18 mei 2018;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 02 november 2018 doch nader op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] is bij de Staat in dienst getreden en wel bij het Korps Politie Suriname en was in vaste dienst en bekend onder persoonsnummer [nummer];

2.2. [verzoeker] is op 27 april 2015 buiten functie gesteld omdat (blijkens beschikking) er een vermoeden bestond dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van één of meerdere winkeliers, dan wel het aannemen van giften en beloften casu quo plichtsverzuim;

2.3. Voormelde buitenfunctiestelling is vervolgens bij beschikking de dato 07 mei 2015 met een week verlengd en is [verzoeker] bij voormelde beschikking eveneens geschorst in zijn ambt met ingang van 12 mei 2015;

1.4. [verzoeker] heeft een kort geding ingediend bekend in het A.R. onder no. 16-1228 en de zaak stond voor vonnis op 04 mei 2017;

1.5. [verzoeker] is bij beschikking d.d. 17 november 2016 K.A. [nummer 2] ontslag aangezegd als tuchtstraf;

1.6. [verzoeker] heeft voormelde ontslagbeschikking op 09 december 2016 ontvangen;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:
A. zal worden vernietigd althans nietig zal warden verklaard de algehele beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 november 2016 K.A. [nummer 2] Bureau [nummer 3] waarbij [verzoeker] is ontslagen;
B. de betaling casu quo doorbetaling van het loon van [verzoeker] zal worden gelast;
C. zal worden bepaald dat [verzoeker] tot de werkplek toegelaten wordt onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000,- per dag;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking omdat deze in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een deugdelijke motivering van een Overheidsbeslissing, het beginsel van willekeur en handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan het vermoeden genoemd in de ontslagbeschikking en het betreft een ongegronde beschuldiging. Na zijn schorsing heeft [verzoeker] niets meer van de Staat vernomen terwijl hij op zijn beurt steeds heeft geïnformeerd naar een opheffing van de schorsing en naar het resultaat van het strafrechterlijk onderzoek, doch het leek alsof men geen oor voor hem had. Hij kreeg nergens afdoend antwoord. Ingevolge het bepaalde in artikel 66 lid 2 onder a van de Personeelswet (hierna: PW) kan een ambtenaar geschorst worden indien er een strafrechterlijk onderzoek wegens verdenking van een opzettelijk begaan misdrijf dan wel van een in verband met de dienst begaan misdrijf tegen hem is ingesteld. Hij stelt dat hij niets meer heeft vernomen van het onderzoek casu quo enig onderzoek, na de buitenfunctiestelling in het jaar 2015. Ingevolge het bepaalde in artikel 68 lid 3 PW eindigt de schorsing uiterlijk op de dag waarop de schorsing drie maanden heeft geduurd. In dit geval duurt de schorsing langer dan 10 maanden. Er is ook geen strafrechterlijk onderzoek tegen hem ingesteld, hij is nimmer gedagvaard en is ook niet veroordeeld. De ontslagbeslissing is genomen op grond van valse en ondeugdelijke gronden en de Staat heeft zeer onzorgvuldig naar hem toe gehandeld. Eveneens heeft de Staat aan hem de kans ontnomen om zijn onschuld te bewijzen door de zaak niet gerechtelijk voor te brengen. Hij stelt dat hij onschuldig is en zijn onschuld gaarne in een strafzaak had willen bewijzen maar die kans is hem ontnomen. Hij heeft zich nimmer aan plichtsverzuim schuldig gemaakt en heeft ook nimmer een tuchtstraf gehad. Zijn belangen zijn totaal niet in aanmerking genomen bij het nemen van zijn ontslagbeslissing;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd en heeft een conclusie tot overlegging stukken genomen. Het hof komt

  • voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft tot – onder andere – vernietiging dan wel nietigverklaring van een besluit van een overheidsorgaan;

Ontvankelijkheid
4.2. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.3. Waar gaat het in dit geding om? [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;

4.4. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. Er zijn sterke vermoedens dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan de verwijten die aan zijn adres worden gemaakt. Het ingesteld onderzoek heeft voldoende aanknopingspunten opgeleverd voor aanname dat hetgeen de aangeefster heeft aangegeven op waarheid berust (althans zo vat het hof dat op). De verklaring van de aangeefster in samenhang bezien met de verklaring van Huisraad levert wel een redelijk vermoeden van schuld op ten aanzien van [verzoeker]. De handelingen van [verzoeker] leveren wel ernstig plichtsverzuim op en rechtvaardigen de sanctie van ontslag;

4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale ” Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof in deze context – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet gedragen zoals een functionaris van het Korps Politie Suriname betaamt. In casu maakte [verzoeker] deel uit van een gemengde patrouille afkomstig uit [land] en [land 2] belast met controle in het [gebied] gedurende de periode 30 maart – 03 april 2015. Volgens verklaring van de aangeefster zou [verzoeker] haar hebben afgeperst. Naar het oordeel van het hof is het voorgaande onvoldoende aannemelijk geworden uit het ingesteld onderzoek. [verzoeker] ontkent de beschuldiging in alle toonaarden en daartegenover staat de verklaring van de aangeefster. De verklaring van Huisraad waar de Staat zich op beroept als ondersteuning voor de verklaring van de aangeefster biedt in de visie van het hof geen ondersteuning voor het relaas van de aangeefster doordat de verklaring van voornoemde Huisraad wordt ontkracht door hetgeen [naam] bij zijn verhoor de dato 13 mei 2015 ten overstaan van agent van politie eerste klasse, [verbalisant], heeft aangegeven. Daar heeft voornoemde [naam] op een daartoe strekkende vraag van de verbalisant namelijk het volgende aangegeven (citaat) ”lk heb niet gezien dat agent [verzoeker] alcoholische dranken heeft ontvangen van winkeliers in het [gebied]….. Hebt U aan collega Huisraad verteld, dat agent [verzoeker] tijdens de patrouille, winkels te [gebied 2] had aangedaan en goederen zou hebben genomen zonder te betalen? Nee.- Deze informatie berust niet op waarheid.- lk heb agent Huisraad nimmer zo iets verteld.” (einde citaat). In de visie van het hof is met het voorgaande de grondslag voor de litigieuze ontslagverlening weg komen te vallen aangezien de Staat niet alleen oog dient te hebben voor bezwarende zaken maar ook ontlastende zaken in ogenschouw dient te nemen. In de visie van het hof dient de Minister van Justitie en Politie in de ijver om de zogenaamde ”rotte appels” uit het Korps Politie Suriname te verwijderen er wel voor te waken dat er lichtvaardig te werk wordt gegaan en het spreekwoordelijke kind met het badwater wordt weg gegooid;

4.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift door [verzoeker]. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een deugdelijke motivering van een Overheidsbeslissing, het beginsel (het hof begrijpt: verbod) van willekeur, het handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Immers had het op de weg van de Staat gelegen om de door haar geuite ernstige vermoedens nader te concretiseren casu quo te adstrueren, hetgeen zij heeft nagelaten. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde toelating tot de werkplek kan niet worden gerubriceerd onder het bepaalde in artikel 79 lid 1 PW weshalve dat onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen. De mede gevorderde (door) betaling van loon vat het hof op als een vergoeding van schade ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 onder b van de Pw, weshalve dat onderdeel van het gevorderde eveneens voor toewijzing in aanmerking komt;

4.7. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Vernietigt de algehele beschikking van het Ministerie van Justitie en Politie K.A. [nummer 2] de dato 17 november 2016 Bureau [nummer 3] waarbij [verzoeker] is ontslagen;

5.2. Gelast de betaling van het achterstallig loon en doorbetaling van het loon van [verzoeker] door de Staat;

5.3. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Jhinkoe namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen- Relyveld

SRU-HvJ-2019-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 03 november 2016 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verweerschrift dat op 12 december 2016 is overgelegd met een productie;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 20 september 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 03 november 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 november 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 19 januari 2018 en de door verzoeker overgelegde producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verweerder, overgelegd op 02 februari 2018;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 15 februari 2019, doch nader is bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Verzoeker is in dienst van het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (TCT) in de functie van Chef Taxiwezen op de afdeling Openbaar Vervoer van voormelde Ministerie.

1.2 Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname Bureau [nummer], [nummer 2], is verzoeker te rekenen van 01 december 2010, vanwege ontstentenis van de Coordinator Controle Dienst, belast geworden met de waarneming van voornoemde functie, onder toekenning van een waarnemingstoelage.

1.3 Bij schrijven d.d. 25 augustus 2016 heeft de directeur van het Ministerie van TCT aan verzoeker medegedeeld dat vanwege de departementsleiding is besloten hem te rekenen van 01 september 2016 te ontlasten van zijn werkzaamheden als chef van de Controle Dienst Openbaar Vervoer en dat hij conform de beschikking d.d. 20 januari 2011 buro [nummer 3] per diezelfde datum zal worden ingezet als chef Taxiwezen.

1.4 Bij schrijven d.d. 20 september 2016 van de procesgemachtigde van verzoeker gericht aan de directeur van TCT, is namens verzoeker verzocht om het besluit d.d. 25 augustus 2016 [nummer 4] te doen corrigeren.

1.5 Bij schrijven d.d. 12 oktober 2016 van de procesgemachtigde van verweerder gericht aan verzoeker, is namens verweerder negatief beslist op voormeld verzoek van verzoeker.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. te vernietigen, althans nietig te verklaren het schrijven d.d. 25 augustus 2016 [nummer3];
b. (1) verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, zodat verzoeker kan worden voorzien van een definitieve benoeming in de functie van Chef Controle Dienst bij de Dienst Openbaar Vervoer en (2) voorts verweerder te veroordelen om met inachtneming van de resolutie van 25 juli 2011 [nummer 2] het salaris van verzoeker door te betalen totdat verzoeker in de functie op rechtmatige wijze is benoemd c.q. op rechtmatige wijze is beëindigd.

2.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (Pw) en te rekenen van 01 december 2010 werd benoemd tot Chef Taxiwezen ingedeeld in schaal 8A. Verzoeker stelt dat hij bij resolutie d.d. 25 juli 2011 [nummer 2] te rekenen van 01 december 2010 werd belast met de waarneming van de functie van Coördinator Controle Dienst, in welke functie hij langer dan een jaar heeft waargenomen en ingevolge de Pw voorzien moest worden in een definitieve benoeming c.q. bevordering in die functie.Verzoeker stelt dat de directeur van TCT, die niet het bevoegde zag daartoe is, heeft gemeend hem bij schrijven d.d. 25 augustus 2016 [nummer 4] te ontlasten van de werkzaamheden als Chef Controle Dienst Openbaar Vervoer, terwijl de Pw geen ontlasting van de waarneming kent, doch beëindiging. Verzoeker is bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 20 september 2016 opgekomen tegen voormeld besluit. Volgens verzoeker dient de brief van de directeur vernietigd te worden, omdat zij niet het bevoegde gezag is ten aanzien van hem en legt ter adstructie het vonnis van het Hof van Justitie in de zaak van [naam] contra de Staat Suriname ten processe over. Tenslotte voert verzoeker aan dat de functie definitief is opengevallen nu de heer [naam 2], de Coördinator Controle Dienst, deze functie al langer dan 5 jaren niet meer uitoefent, omdat hij inmiddels is ontslagen c.q. reeds is gepensioneerd. Ter adstructie legt verzoeker ten processe over de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 05 augustus 2014.

2.3 Verweerder heeft als formeel verweer aangevoerd dat aan verzoeker per brief van 25 augustus 2016 het besluit kenbaar is gemaakt en hij pas bij rekest van 02 november 2016 is opgekomen tegen dit besluit bij het Hof, terwijl dit krachtens artikel 80 Pw binnen een maand diende te geschieden, weshalve verzoeker niet ontvangen dient te worden in de onderhavige vordering.Verweerder heeft inhoudelijk verweer gevoerd erop neerkomende dat het in casu niet betreft een definitief opengevallen functie, aangezien de betrekking van de formeel in die functie benoemde ambtenaar niet is beëindigd, terwijl verzoeker ingevolge artikel 22 lid 5 Pw niet voldoet aan de eisen voor benoembaarheid. Voorts voert verweerder aan dat de brief voornoemd, geen besluit van de directeur van TCT betreft, doch slechts een mededeling betreft dat een dergelijk besluit is genomen door de departemenstleiding onder leiding van de Minister, die ingevolge artikel 3 Pw het bevoegde gezag is ten aanzien van de aanstelling, benoeming, schorsing en ontslag van ambtenaren voor zover het zijn/haar departement betreft.

3. De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b.tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

2. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping,is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.

Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.Rechtens staat tussen partijen vast dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Pw en is de Pw van toepassing op verzoeker.Onder a van het petitum wordt gevorderd de nietigverklaring c.q. vernietiging van het besluit waarbij verzoeker is ontlast uit zijn waarnemingsfunctie. Aangezien verzoeker als gevolg van voornoemd besluit niet meer in aanmerking zal komen voor de waarnemingstoelage verbonden aan de functie waarin hij waarneemt, heeft het besluit waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, betrekking op het salaris van verzoeker en is het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub a bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder a van het petitum.Onder b van het petitum wordt gevorderd om (1) verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, zodat verzoeker kan worden voorzien van een definitieve benoeming in de functie van Chef Controle Dienst. Ingevolge artikel 79 lid 1 sub c kan het voorgaande naar het oordeel van het Hof niet gevorderd worden zonder een dwangsom daaraan te verbinden, weshalve het Hof onbevoegd is om van het gevorderde onder b (1) kennis te nemen.Met betrekking tot het gevorderde onder b (2) van het petitum, met name verweerder te veroordelen om met inachtneming van de resolutie van 25 juli 2011 [nummer 2] het salaris van verzoeker door te betalen totdat verzoeker in de functie op rechtmatige wijze is benoemd c.q. op rechtmatige wijze is beëindigd, begrijpt het Hof dat verzoeker als gevolg van het besluit van verweerder d.d. 25 augustus 2016 schade heeft geleden als gevolg van het feit dat verweerder hem na 25 augustus 2016 niet meer het salaris conform resolutie d.d. 25 juli 2011 [nummer 2] heeft betaald, zijnde het salaris conform voornoemde resolutie. Ingevolge artikel 79 lid 1 sub b acht het Hof zich derhalve bevoegd om van het gevorderde onder b (2) van het petitum kennis te nemen.Op grond van het voren overwogene acht het Hof zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder b (1) van het petitum.

3.3 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn vorderingen onder a en b (2) van het petitum, overweegt het Hof dat het formeel verweer van verweerder opgaat voor wat betreft de vordering van verzoeker onder a en b (2), nu verzoeker zijn vordering bij het Hof vòòr 25 september 2016 had moeten indienen ingevolge artikel 80 lid 1 en 2 Pw.Met betrekking tot het schrijven d.d. 20 september 2016 gericht aan de directeur van TCT, overweegt het Hof dat deze handeling van verzoeker kan worden aangemerkt als bezwaar, nu verzoeker tegen voormeld besluit is opgekomen bij dezelfde instantie die het besluit heeft genomen. Aangezien bezwaar niet wettelijk is geregeld, wordt deze termijn niet meegenomen bij artikel 80 Pw. Voorts overweegt het Hof dat verzoeker ten aanzien van het onder b (2) gevorderde tijdens het gehouden verhoor van partijen heeft verklaard dat hij wordt uitbetaald met behoud van de waarnemingstoelagen en dat hij niet uit de waarnemingsfunctie is weggehaald doch gewoon is ontlast uit die functie. Op grond van het voren overwogene heeft verzoeker geen belang bij het door hem gevorderde onder b (2) van het petitum en zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De beslissing
Het Hof

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder b (1) van het petitum.

4.2 Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering onder a en b (2) van het petitum.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 03 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens de advocaten mr. F.F.P. Truideman en mr. D.S. Kraag, gemachtigden van partijen, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 01 april 2016 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 25 mei 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift is verlengd met zes weken ingaande 25 mei 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 juli 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift is verlengd met zes weken ingaande 06 juli 2016;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 februari 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 03 maart 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 maart 2017;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 07 juli 2017;
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens verweerder, overgelegd op 07 juli 2017, met producties;
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens verweerder, overgelegd op 03 augustus 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, overgelegd op 20 oktober 2017, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens verweerder, overgelegd op 17 november 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 20 april 2017, doch nader bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Blijkens beschikking d.d. 21 januari 2013 is verzoekster in vaste dienst werkzaam bij het Directoraat Algemene Zaken en is te rekenen van 01 juli 2012 ingepast in de functie van Tekstverwerker op de afdeling Handelingen.

1.2 Bij schrijven d.d. 16 oktober 2013, no. 080/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster opgeroepen om zo spoedig mogelijk de attesten over de periode 2 t/m 5 augustus 2013 en van 10 september t/m 16 oktober 2013 over te leggen en is zij tevens aan herinnerd aan de afspraak voor herkeuring bij de Geneeskundige Commissie op 30 oktober 2013 om 12.00 uur.

1.3 Bij schrijven d.d. 05 november 2013, no. 088/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster opgeroepen voor aanmelding, omdat zij vanaf 17 oktober 2013, de dag waarop de attesten geldig t/m 19 oktober 2013 zijn gestuurd, de leiding van de DNA niets meer van haar heeft vernomen. Bij verzuim zal de stopzetting van het salaris plaatsvinden.

1.4 Bij schrijven d.d. 15 november 2013, [nummer]/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster wederom opgeroepen voor aanmelding, omdat er niets van haar is vernomen op de oproep van 05 november 2013. Indien er van de gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, zal worden aangenomen dat er geen prijs wordt gesteld op continuering van het dienstverband en zullen daaraan de nodige consequenties worden verbonden.

1.5 Bij schrijven d.d. 19 januari 2014, [nummer 2]/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is verzoekster uitgenodigd voor 14 januari 2014.

1.6 Bij schrijven d.d. 14 februari 2014, [nummer 3]/geh, afkomstig van de substituut-griffier van de DNA, is aan verzoekster medegedeeld dat zij in verband met haar langdurig ziekteverzuim voor een herkeuring wordt gestuurd naar de Geneeskundige Commissie op 19 februari 2014.

1.7 Bij schrijven d.d. 20 februari 2014 heeft de Geneeskundige Commissie aan de DNA medegedeeld dat verzoekster ter herkeuring is opgeroepen voor 07 augustus 2013,30 oktober 2013 en 19 februari 2013, doch nimmer is verschenen.

1.8 Bij schrijven d.d. 17 juni 2014, [nummer 4]/geh, afkomstig van de griffier van de DNA, is aan verzoekster onder meer medegedeeld dat uit de administratie van personeelszaken is gebleken dat verzoekster op 27 mei en van 29 t/m 30 mei 2014 afwezig was zonder bericht; van 4 juni t/m 13 juni 2014 ziek was, doch geen attesten heeft aangetoond, terwijl is gebleken dat verzoekster elke dag laat aanwezig is op het werk.

1.9 Bij schrijven d.d. 29 april 2014,[nummer 5]/geh, afkomstig van de griffier van de DNA,is aan verzoekster het navolgende medegedeeld:
“(…) Ondanks de herhaalde mondelinge en schriftelijke waarschuwingen van de navolgende data;
16 oktober 2013 [nummer 6]/Geh.,
05 november 2013 [nummer 7]/Geh.,
15 november 2013 [nummer]/Geh.,
19 januari 2014 [nummer 2]/Geh.
En van 17 juni 2014 [nummer 4]/Geh., heeft u nagelaten gehoor te geven aan de opdrachten dezerzijds.Wederom blijkt uit de administratie van de Afdeling HRM bij DNA, dat u op regelmatige basis niet meldt bij afwezigheid en ook geen attesten overlegt waardoor u zich schuldig maakt aan ernstig plichtsverzuim. Bij aanvang van dit jaar is reeds meer dan 1/3 deel van uw verlofdagen in mindering gebracht als gevolg van het feit dat u afwezig was zonder enig bericht en vanwege teveel ziekte dagen. U heeft thans geen tegoeden aan verlof meer.Bijgaand treft u aan een overzicht van Onwettig Afwezige dagen. Het betreft 42 dagen, in de periode 16/2 tot en met heden. Deze dagen dienen, indien het ziekte betreft, met een doktersattest te worden gedekt. Voornoemd indisciplinair gedrag en vertoond plichtsverzuim, kunnen niet langer worden getolereerd, derhalve dient u zich binnen 2 werkdagen na dagtekening, conform art. 63 PW, schriftelijk te verweren.”

1.10 Blijkens overzicht van de afdeling HRM van de DNA/g.c., d.d. 28 april 2015, had verzoekster in het jaar 2013, 277 ziektedagen; in het jaar 2014, 156 ziektedagen en 83 keren geen attest overgelegd; in de periode januari 2015 t/m 28 april 2015, 16 ziektedagen, waarvan 3 zonder attest, 12 dagen afwezig zonder bericht en 42 dagen onwettig afwezig.

1.11 Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken, Bureau no. 9901/15, is besloten om verzoekster ingevolge artikel 69 lid 2 Pw wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst te verlenen en wel met onmiddellijke ingang conform artikel 71 lid 6 Pw, met bepaling dat verzoekster ingevolge artikel 28 lid 3 Pw te rekenen van 12 mei 2015 geen aanspraak maakt op salaris.

1.12 In voormelde beschikking is, zakelijk weergegeven, het navolgende overwogen:

  • dat verzoekster vanaf 16 februari 2015 systematisch zonder kennisgeving van het werk is weggebleven;
  • dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om zich te verweren;
  • dat een dergelijk gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert;
  • dat verzoekster vanaf haar indiensttreding een dergelijk gedrag vertoont en ondanks mondelinge en schriftelijke waarschuwing geen gehoor heeft gegeven;
  • dat verzoekster zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden gesteld voor ziekte en frequent zonder afmelding absent is geweest en heeft zij meermalen bij ziekte geen attesten overgelegd.

1.13 Een afschrift van voormelde beschikking is op 15 juni 2015 aan de DNA afgegeven.

1.14 Verzoekster heeft vanaf juni 2015 geen salaris ontvangen.

1.15 Bij schrijven d.d. 24 februari 2016 heeft verzoekster verweerder doen verzoeken om haar in de gelegenheid te stellen om haar werkzaamheden te hervatten.

2.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a.verweerder te gelasten om binnen een week na dit uit te spreken vonnis, aan verzoekster kenbaar te maken vanaf welke datum zij haar werkzaamheden mag hervatten en haar aldus in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op normale wijze voort te zetten zonder dat zij daarin gehinderd wordt;
b.Verweerder te gelasten om het salaris van verzoekster vanaf 25 februari 2016 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de dag van indiening tot aan de algehele kwijting;
c.Verweerder te veroordelen om verzoekster in het genot te stellen van alle emolumenten die zij zou hebben genoten indien zij gedurende de periode van 25 juni 2015 tot 24 februari 2016 haar werkzaamheden normaal had kunnen uitvoeren;
d.Verweerder te veroordelen om bij wege van schadevergoeding aan verzoekster te betalen het salaris vanaf 25 juni 2015 tot 24 februari 2016, thans begroot op SRD 13.296,-;
e.Verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag of keer dat verweerder in strijd handelt met het onder a en c gevorderde;
f.Verweerder te veroordelen in de kosten van het geding, alsook de kosten van vastrecht ad SRD 30,-, de deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij vanaf januari 2015 vanwege ernstige medische problemen, vaker niet aan het werk is verschenen, doch dat deze dagen consequent werden verantwoord middels een door de behandelende arts afgegeven attest, welke attesten zij haar zus had gevraagd om af te geven bij PZ vanwege de situatie waarin zij verkeerde. Verzoekster stelt dat zij eind april 2015 vanwege een telefoontje van haar chef erachter is gekomen dat haar zus de attesten nooit heeft afgegeven. Voorts stelt verzoekster dat haar moeder op een bepaald moment naar de afdeling waar zij te werk was gesteld, belde om door te geven dat verzoekster ter verpleging in het ziekenhuis was opgenomen, waarop haar moeder te horen kreeg dat verzoekster zich niet meer hoefde aan te melden omdat zij zou zijn ontslagen en dat als gevolg daarvan haar salaris ook is stop gezet. Volgens verzoekster is zij op grond van voornoemde mededeling, na het verstrijken van de termijn van haar laatste attest, te weten 25 juni 2015, niet meer aan het werk verschenen, omdat zij er vanuit is gegaan dat zij was ontslagen, terwijl zij zich daarbij niet realiseerde dat dit niet de juiste procedure was. Verzoekster stelt dat zij enkele dagen geleden door een kennis erop werd geattendeerd dat het aangezegd ontslag in strijd was met de Personeelswet (Pw), nu dit mondeling was gedaan en nota bene door een onbevoegde. Volgens verzoekster heeft zij bij schrijven d.d. 24 februari 2016 aan verweerder kenbaar gemaakt dat zij haar diensten aanbiedt en dat zij bereid is haar werkzaamheden te hervatten, doch heeft zij tot op heden geen reactie ontvangen daarop. Volgens verzoekster zit zij wegens het onrechtmatig handelen van verweerder al langer dan acht maanden thuis en kan zij niet deelnemen aan het arbeidsproces, als gevolg waarvan zij inkomsten derft en derhalve schade lijdt, waarvoor verweerder aansprakelijk is.

2.3 Verweerder heeft geen verweer gevoerd.

3.De beoordeling van het geschil
3.1Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
  4. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
  5. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  6. tot verlaging van rang;
  7. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  8. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  9. tot schorsing of ontslag.

Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Ten aanzien van de vordering onder a van het petitum om verweerder te gelasten aan verzoekster kenbaar te maken vanaf wanneer zij haar werkzaamheden mag hervatten, overweegt het Hof dat aan deze veroordeling onder f van het petitum een dwangsom is verbonden. Naar het oordeel van het Hof betreft het besluit tot hervatting van de werkzaamheden, niet een handeling van verweerder in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, zodat het Hof zich niet bevoegd acht hiervan kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder b en c van het petitum om verweerder te gelasten om verzoekster haar salaris vanaf 25 februari 2016 alsook de daarbij horende emolumenten te betalen, begrijpt het Hof dat verzoekster door het besluit van verweerder om haar salaris stop te zetten, schade heeft geleden in de zin van gederfde inkomsten. Het Hof acht zich daarom ingevolge artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd van de vordering onder b en c van het petitum kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder d van het petitum om verweerder te veroordelen om aan verzoekster op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding te betalen.Op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw acht het Hof zich bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder e van het petitum om verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het handelen in strijd met a en c, acht het Hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering onder f van het petitum om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding en de buitengerechtelijke kosten, acht het Hof zich niet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen, nu dit niet in de Pw is geregeld.Op grond van het voren overwogene acht het Hof zich bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder b, c, d en e van het petitum.

3.3 Het hof overweegt dat verzoekster in ieder geval vanaf 25 juni 2015 moet hebben begrepen dat zij was ontslagen, omdat zij na de gedane mededeling haar salaris toen ook niet meer ontving, weshalve zij ingevolge artikel lid 1b Pw niet-ontvankelijk is in haar vordering onder b voor wat betreft het salaris tot 01 maart 2016, nu zij de onderhavige vordering pas op 01 april 2016 heeft ingediend. Als gevolg hiervan is verzoekster niet-ontvankelijk in haar onder vordering onder b en c voor wat betreft het salaris met emolumenten tot 01 maart 2016. Met betrekking tot het salaris en emolumenten vanaf 01 maart 2016 is verzoekster wel ontvankelijk in haar vordering.

3.4 Het hof overweegt dat verzoekster aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar, omdat de mondelinge ontslagaanzegging in strijd is met de Pw, terwijl deze ook nog door een daartoe niet-bevoegde is gedaan.Verzoekster heeft tijdens het gehouden verhoor van partijen voor zover van belang verklaard dat zij, nadat haar ziekteverlof was verstreken, zich niet meer op het werk had aangemeld omdat men haar de laatste keer had gezegd dat ze met ontslag was en dat ze steeds heeft zitten wachten op haar ontslagbrief, nadat zij had begrepen had dat ze niet mondeling kon worden ontslagen. Verzoekster verklaarde dat ze in januari 2015 medische problemen kreeg die tot juni 2015 hebben geduurd en dat zij nooit persoonlijk heeft gebeld naar het werk. Verzoekster verklaarde voorts dat zij behalve de laatste oproep voor medische herkeuring, geen enkel schrijven van verweerder heeft gehad, dus ook niet de verweeraanzeggingen van verweerder.Verweerder heeft daarbij voor zover van belang verklaard dat verzoekster haar onwettige afwezigheid en ziekteverzuim vanaf 2013 begonnen was en in 2015 de maat voor hem vol was, terwijl er een aantal momenten van verweer zijn geweest voor verzoekster. Verweerder verwijst naar de door hem overgelegde producties terzake.

3.5 Naar het oordeel van het Hof staat op grond van de door verweerder overgelegde presentiestaten en -overzichten vast dat verzoekster vanaf 2013 veelvuldig ziek is geweest en hiervan niet altijd melding heeft gedaan c.q. heeft laten doen, alsook heel vaak ook geen doktersattest daartoe heeft doen toekomen aan verweerder ingevolge de geldende regels ex artikel 54 lid 2 Pw. Alleen al in de periode januari 2015 t/m april 2015, is verzoekster 12 dagen afwezig geweest zonder bericht, terwijl zij geen doktersattest heeft overgelegd voor 42 ziekedagen. Al het voorgaande is overigens niet betwist door verzoekster. Overigens geeft verzoekster toe dat zij nimmer heeft gebeld om ziek te melden, terwijl zij enkele keren met haar zus is meegereden naar de DNA om attesten af te geven, doch zelf niet is uitgestapt.Naar het oordeel van het Hof is het zeer frappant dat verzoekster van alle brieven van verweerder, slechts die brief heeft ontvangen op grond waarvan zij naderhand toch naar de Geneeskundige Commissie is geweest en waarvoor zij voor ontvangst heeft afgetekend, terwijl alle brieven op hetzelfde adres zijn geadresseerd. Het Hof overweegt dat verzoekster door haar onverantwoordelijke gedragingen als voren omschreven zelf de mededeling van ontslag, die zij overigens al had moeten zien aankomen, in de hand heeft gewerkt. Naar het oordeel van het Hof heeft verzoekster het niet nauw genomen met haar verplichtingen jegens verweerder, terwijl zij zich, conform de haar gegeven instructie, niet heeft aangemeld voor werk nadat de Geneeskundige Commissie haar arbeidsgeschikt had verklaard. Voorts overweegt het hof dat verzoekster gehouden was om zich na haar ziekte persoonlijk aan het werk te melden om zich ervan te vergewissen dat zij daadwerkelijk was ontslagen, vermits verzoekster geen ontslagbrief had ontvangen en al die tijd daarop heeft zitten wachten. Hoe serieus moet verzoekster worden genomen in haar aanbod om het werk te mogen hervatten? Op grond van het voorgaande overweegt het Hof dat verweerder gerechtigd is om verzoekster op grond van artikel 69 lid 2 sub k ontslag aan te zeggen.

3.6 Met betrekking tot de mondelinge ontslagaanzegging overweegt het hof dat die inderdaad niet rechtsgeldig is, terwijl niet gebleken is dat deze aanzegging door de directe meerdere of een leidinggevende van de DNA afkomstig was, zodat verzoekster naar het oordeel van het hof er onterecht van uit is gegaan dat zij was ontslagen en nagelaten heeft om deze informatie te verifiëren. Vanwege de informatie van haar moeder dat zij niet mondeling kon worden ontslagen, had het op de weg van verzoekster gelegen om zich na haar ziekte persoonlijk aan te melden voor hervatting van haar werkzaamheden. Nu zij zulks heeft nagelaten, kan verzoekster naar het oordeel van het hof niet aan verweerder tegenwerpen onrechtmatig jegens haar te hebben gehandeld, daar zij zelf debet is daaraan.

Ten aanzien van de ontslagbeschikking, overweegt het hof dat niet is komen vast te staan dat deze eerder aan verzoekster was afgegeven. Deze beschikking is evenwel ter terechtzitting aan verzoekster c.q. via haar procesgemachtigde aan haar overhandigd conform artikel 5 lid 2 Pw, zodat het ontslag van verzoekster sindsdien is ingegaan.Voor wat betreft het niet betalen van salaris en emolumenten vanaf 01 maart 2016, overweegt het hof dat zulks niet aan verweerder kan worden tegengeworpen, nu zulks aan verzoekster zelf te wijten is geweest. Verzoekster heeft geen arbeid verricht, terwijl zij afwezig was zonder berichtgeving en heeft zij derhalve geen recht op betaling van salaris.Het onder b en c gevorderde voor wat betreft het salaris en emolumenten vanaf 01 maart 2016, alsmede het onder d en e gevorderde zal gelet op het voren overwogene als ongegrond worden afgewezen.

4.De beslissing
Het Hof

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het onder a en f gevorderde.

4.2 Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar vordering onder b en c voor wat betreft het salaris met emolumenten tot 01 maart 2016.

4.3 Wijst af het overig door verzoekster gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. R.M. Praag, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door w.g. S.S.S. Wijnhard

mr.D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C.Berenstein,Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens mr. M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld