SRU-K1-2020-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-5664
02 maart 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: J. E. Febis, deurwaarder,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
procederend in persoon.

Dit vonnis bouwt voort op het door de kantonrechter gewezen tussenvonnis, d.d. 5 februari 2018.

1. Het verdere verloop van de procedure
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of – handelingen:

  • de op 13 april 2018 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces – verbaal;
  • de rolbeschikking d.d. 11 december 2018 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • de niet – gehouden comparitie van partijen;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling
2.1 Uit hoofde van de tussen partijen bestaande huurkoopovereenkomst, rustte op gedaagde de verplichting tot nakoming van de overeengekomen termijnbetalingen. Gedaagde heeft bij het aangaan van de overeenkomst een aanbetaling verricht van SRD 5.650,-. Het saldo diende hij in drie maandelijkse termijnen van elk SRD 1.150,- te voldoen. Gedaagde heeft zich niet gehouden aan de overeengekomen termijnbetalingen, doch heeft op verschillende momenten betalingen verricht. Zoals door gedaagde gesteld en door de gemachtigde van eiser op de comparitiezitting d.d. 13 april 2018 is erkend, heeft gedaagde het totaal bedrag van SRD 7. 100,- aan eiser voldaan, terwijl de overeengekomen koopsom SRD 9.100,- bedraagt.

2.2 Eiser stelt onder punt 5 van zijn inleidend rekest, dat hij gedaagde bij schrijven, d.d. 10 december 2015, heeft gesommeerd tot betaling van de saldo koopsom, vermeerderd met de rente, echter zonder beoogd resultaat, terwijl gedaagde sindsdien het voertuig verborgen houdt. Voormeld schrijven is ten processe overgelegd en houdt, zover van belang, het volgende in:

De restantkoopsom ad Srd 5.001,= is tot op heden door U – ondanks herhaalde aanmaningen in der minne- niet voldaan, hetgeen wanprestatie oplevert, terwijl de requirant tot de terugname van genoemd voertuig bevoegd is.

Ik nodig u dan uit om binnen Twee dagen na heden, meerbedoelde voertuig aan requirante af te geven, op straffe van jegens U te treffen rechtsmaatregelen en in rekening te brengen kosten ad Srd. 750,–.”

2.3 Ex artikel 1561q BW kan de verkoper zich pas op zijn recht tot ontbinding van de overeenkomst beroepen als hij de koper in gebreke heeft gesteld, en deze nalatig blijft. De kantonrechter overweegt dat uit de inhoud van het schrijven, zoals vermeld onder 2.2, niet kan worden afgeleid dat gedaagde door eiser in gebreke is gesteld, omdat gedaagde, naar het oordeel van de kantonrechter niet in de gelegenheid is gesteld om binnen een redelijk termijn alsnog aan zijn verplichtingen jegens eiser te voldoen. In het schrijven wordt de wanprestatie van gedaagde vastgesteld en wordt hij bevolen om binnen twee dagen na dato het voertuig aan eiser af te geven. Voorts zij opgemerkt dat voormeld schrijven, zoals door gedaagde is aangevoerd en door eiser niet is betwist, via de post aan gedaagde is verzonden en door hem op 05 januari 2016 is ontvangen. Op de dag waarop bedoeld schrijven is ontvangen, namelijk 05 januari 2016, is bij exploit no.4 van J. E. Febis, deurwaarder bij het Hof van Justitie het omschreven voertuig teruggenomen. De kantonrechter acht de in het schrijven genoemde termijn van twee dagen op grond van hetgeen uit het voorgaande blijkt, onredelijk.

2.4 Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat gedaagde niet in verzuim is en eiser geen ontbinding van de overeenkomst kan vorderen, weshalve de vordering zal worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, zoals in het dictum vermeld.

3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1 wijst de vordering af;
3.2 veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. P. Rudge LL.M. en in het openbaar uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter terechtzitting te Paramaribo van 02 maart 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
ge(vol)machtigde: voorheen I.D. Kanhai, BSc., advocaat, thans drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Defensie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Rathipal,

spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen juncto artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 08 augustus 2017;
  • de beschikking van het hof van 17 september 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 02 november 2018;
  • het schrijven van advocaat I.D. Kanhai, BSc., d.d. 02 november 2018 waarbij hij zich als gemachtigde van [verzoeker] onttrekt aan de zaak;
  • de griffiersbrief d.d. 09 januari 2019 waarbij [verzoeker] in kennis wordt gesteld van voormelde onttrekking en van de nieuwe datum waarop het verhoor van partijen zal worden gehouden, zijnde 01 maart 2019;
  • het proces-verbaal van het op 01 maart 2019 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen zijdens de Staat, met producties;
  • de akte uitlatingen n.a.v. uitlatingen en producties zijdens [verzoeker].

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is op 20 november 2013 een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie jaren aangegaan met het Ministerie van Defensie, welke arbeidsovereenkomst na verlenging expireert op 20 november 2019.

2.2 Bij memo d.d. 25 juli 2017 heeft de onderdirecteur Personeel en Algemeen van Defensie aan de chef-staf van het Nationaal Leger bericht dat de minister van Defensie (hierna: de minister) het besluit heeft genomen om [verzoeker] en twee andere korporaals te plaatsen bij de Landmacht (Infanterie Bataljon).

2.3 De voormalige procesgemachtigde van [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 juli 2017 onder meer het volgende aan de minister bericht:
“(…)

Resumerend

  • Dat cliënt recht heeft op een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf zijn datum van indiensttreding, zijnde 20 november 2013;
  • Dat cliënt op basis van diverse wettelijke regelingen niet tegen zijn wil kan worden overgeplaatst. Het hoeft geen betoog dat met deze overplaatsing geen rekening is gehouden met de persoonlijke belangen van cliënt en dat tevens zijn rechtspositie vanwege de overplaatsing wordt aangetast;
  • Dat zijn bevordering tot Korporaal wordt geformaliseerd;
  • Dat cliënt recht heeft op het verkrijgen van een werkgeversverklaring;
  • Dat cliënt alle recht heeft om zijn niet genoten verlofdagen op te nemen, zonder daarvoor iemand enige betaling verschuldigd te zijn;
  • Dat zijn naam en eer gezuiverd dienen te worden, omdat hij nooit het idee heeft gehad en nog minder een poging heeft ondernomen om een aanslag te plegen tegen de hoogste militaire gezagsdrager, het Staatshoofd enof de Regering van de Republiek Suriname.

Op grond van al het bovenstaande wordt bij deze een beroep op u gedaan, om het daarheen te leiden, zodat de rechtspositie van cliënt niet wordt aangetast. Dat aan cliënt binnen een week na ontvangst van dit schrijven wordt kenbaar gemaakt wat zijn huidige rechtspositie is en dat daarbij alle hoger aangehaalde zaken conform wet en recht worden rechtgetrokken.

Indien u nalaat om binnen de gestelde termijn aan het hoger aangehaalde gevolg te geven, zullen wij genoodzaakt zijn om namens cliënt een rechtsvordering tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Defensie in te stellen en worden gevorderd, dat cliënt schadeloos wordt gesteld voor alle schade die hij heeft geleden en nog lijdt vanwege het hoger omschreven onwettelijk en onrechtmatig handelen.(…)”

2.4 Het in 2.3 vermeld schrijven d.d. 27 juli 2017 is bij exploot d.d. 02 augustus 2017, [nummer 1], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R. Sontono, aan de minister betekend.

2.5 [verzoeker] is bij beschikking van de minister d.d. 24 april 2018 (hierna: de ontslagbeschikking) ingevolge artikel 35 leden 2 en 5 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) wegens plichtsverzuim ontslag uit Staats(militaire)dienst verleend.

2.6 Een afschrift van de ontslagbeschikking is bij exploot d.d. 02 mei 2018, [nummer 2], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Tran van Can-Doesburg, aan [verzoeker] betekend middels afgifte daarvan aan een huisgenote, tevens tante van hem.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden:

I. gelast om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met onder andere de bepalingen van artikel 13 lid 3 juncto artikel 14 WRM en wel in dier voege dat hij in aanmerking komt voor een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen vanaf de datum van zijn indiensttreding;

II. gelast om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis zijn bevordering c.q. benoeming tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig bij te stellen;

III. gelast om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van mutatie in acht te nemen;

IV. gelast om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van het verlenen van verlof in acht te nemen;

V. gelast erop toe te zien dat hij niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring;

VI. gelast om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis schriftelijk aan hem te kennen te geven dat de door de Staat gedane uitlating als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berust en hem dientengevolge te rehabiliteren;

VII. veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat in strijd wordt gehandeld met het gevorderde onder I tot en met VI;

VIII. veroordeeld om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 2.500.000,-, zijnde vergoeding van de schade die hij heeft geleden wegens de onterechte beschuldigingen aan zijn adres en de gevolgen die dit voor hem en zijn gezin heeft;

IX. veroordeeld om binnen 1 week na uitspraak van het vonnis bij wege van schadevergoeding aan hem te betalen het bedrag van SRD 7.500,-, zijnde de advocaatkosten die hij noodzakelijkerwijs moest betalen ter bescherming en handhaving van zijn rechten.[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten alsmede dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is militaire arbeidscontractant. Krachtens artikel 11 lid 1 WRM gaat aan de aanstelling van een militaire ambtenaar een geneeskundig onderzoek vooraf. [verzoeker] heeft reeds bij aanvang van zijn dienstbetrekking een geneeskundig onderzoek ondergaan. Aangezien [verzoeker] op basis van de resultaten van dit onderzoek mocht deelnemen aan de Elementaire Algemene Opleiding en hij deze opleiding met goed gevolg heeft afgerond, kan geconcludeerd worden dat hij medisch gezien geschikt is voor aanstelling tot militaire ambtenaar. Hoewel [verzoeker] daar recht op heeft, is hij tot op heden niet voorzien van een tijdelijke dan wel vaste aanstelling als militaire ambtenaar. Artikel 13 lid 3 WRM bepaalt uitdrukkelijk hoe gehandeld dient te worden, indien blijkt dat van Staatswege een arbeidsovereenkomst is gesloten in een ander geval dan is voorzien in artikel 9 lid 1 WRM. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 14 WRM is het vanzelfsprekend dat [verzoeker] recht heeft op een aanstelling in vaste dienst. Voorts kan [verzoeker] zich niet verenigen met zijn mutatie naar het dienstonderdeel Infanterie. Met deze mutatie handelt de Staat in strijd met artikel 20 lid 2 juncto artikel 8 lid 2 van de Personeelswet (Pw), krachtens welke artikelen een ambtshalve mutatie niet tegen de wil van de betrokken landsdienaar kan geschieden. Met deze mutatie heeft de Staat ook het bepaalde in artikel 2 WRM veronachtzaamd. Verder heeft de Staat nagelaten om de benoeming (het hof begrijpt: bevordering) van [verzoeker] tot korporaal te formaliseren en het salaris van [verzoeker] dienovereenkomstig aan te passen. Voorts handelt de Staat onrechtmatig jegens [verzoeker] doordat de administratie meerdere keren heeft geweigerd hem een werkgeversverklaring te verstrekken, als gevolg waarvan hij schade ondervindt. De Staat handelt tevens onrechtmatig jegens [verzoeker] door verlofaanvragen, afhankelijk van de duur van het verlof, slechts dan goed te keuren, indien vooraf een bepaald bedrag wordt betaald. Hoewel [verzoeker] het bestaan van deze situatie meerdere keren aan de Staat heeft voorgehouden, is hierin geen verandering gekomen. De Staat handelt ten slotte ook onrechtmatig jegens [verzoeker] door hem – samen met vier van zijn collega’s – valselijk te beschuldigen van het beramen van een coup. [verzoeker] kan deze zware beschuldiging niet zomaar naast zich neerleggen, gezien de consequenties daarvan op zijn functioneren binnen de organisatie. [verzoeker] en zijn gezin hebben als gevolg van deze valse beschuldiging schade geleden en lijden nog schade, voor welke schade de Staat aansprakelijk kan worden gesteld. Bij de berekening van de omvang van de schade, begroot op SRD 2.500.000,-, is met het volgende rekening gehouden:

  • Voor het geval [verzoeker], als gevolg van de beschuldiging, de schande die en het gevaar dat daaraan kleeft, mocht besluiten om niet meer in overheidsdienst te blijven, moet hij met voormeld bedrag in staat zijn een eigen bedrijf op te starten om zodoende in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien.
  • Indien [verzoeker], in het uiterste geval, mocht besluiten om samen met zijn gezin zijn heil in het buitenland te zoeken, moet hij daarin kunnen voorzien.Voorts is het redelijk en billijk dat de Staat, bij wege van schadevergoeding, de door [verzoeker] gemaakte advocaatkosten ad SRD 7.500,- vergoedt, nu deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het onrechtmatig handelen van de Staat. Laatstgenoemde heeft niet binnen de termijn gesteld in het schrijven van [verzoeker] d.d. 27 juli 2017 (zie 2.3) op dit schrijven gereageerd.

3.3 De Staat heeft geen verweerschrift ingediend, maar wel ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen alsmede bij conclusie tot uitlating na verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 De Staat heeft, naar het hof begrijpt, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], omdat in artikel 79 Pw limitatief is omschreven hetgeen bij het hof gevorderd kan worden en het gevorderde niet valt onder de werking van deze bepaling.

4.1.2 Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat [verzoeker] militaire arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 WRM, welke wet dan ook op hem van toepassing is. Ingevolge artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. Blijkens artikel 83 Pw zijn de bepalingen van hoofdstuk 6 – hieronder vallen artikelen 78 tot en met 82 Pw (de rechtsmiddelen) – van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten, zoals [verzoeker], en op vorderingen betreffende arbeidsovereenkomsten, welke door het land zijn gesloten. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;

c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.3 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde, worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw, namelijk een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het verder achterwege laten om, kort gezegd:
a.[verzoeker] te voorzien van een aanstelling in vaste dienst en wel te rekenen van de datum van zijn indiensttreding;
b.de bevordering van [verzoeker] tot korporaal te formaliseren en zijn salaris dienovereenkomstig aan te passen;
c.de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van mutatie in acht te nemen;
d.de bepalingen van de Personeelswet en de Wet rechtspositie militairen ter zake van het verlenen van verlof in acht te nemen;
e.erop toe te zien dat [verzoeker] niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde.Het in 3.1 onder VI (in combinatie met VII) gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.Naar het oordeel van het hof kan het in 3.1 onder VIII gevorderde niet worden beschouwd als een vordering tot vergoeding van schade ex artikel 79 lid 1 sub b Pw, nu onder een verrichte handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde in de zin van deze bepaling niet kan worden verstaan de gestelde vermeende uitlating van de Staat jegens [verzoeker]. Het hof zal zich derhalve eveneens onbevoegd verklaren om van dit deel van de vordering kennis te nemen.Het in 3.1 onder IX gevorderde kan daarentegen wel worden aangemerkt als een vordering tot vergoeding van schade ex artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat het hof bevoegd is daarvan kennis te nemen.Uit het voorgaande volgt dat het onbevoegdheidsverweer van de Staat doel treft ten aanzien van het in 3.1 onder VI en VIII gevorderde en faalt ten aanzien van het in 3.1 onder I tot en met V, VII en IX gevorderde.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw is een vordering tot het opleggen van een dwangsom ex artikel 79 lid 1 sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan, in casu de minister, mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.

Het in 2.3 vermeld schrijven d.d. 27 juli 2017 behelst het verzoek van [verzoeker] aan de minister om de daarin aangehaalde zaken in orde te maken. Voormeld schrijven is op 02 augustus 2017 aan de minister betekend. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister nimmer op dit schrijven heeft gereageerd. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw is er ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, zijnde 08 augustus 2017, geen sprake geweest van een daadwerkelijk genomen dan wel fictief besluit zijdens de minister op het verzoek van [verzoeker], zodat [verzoeker] prematuur is met de ingestelde vordering tot het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling. [verzoeker] zal derhalve niet-ontvankelijk verklaard worden in het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde. Hieruit volgt dat [verzoeker] eveneens niet-ontvankelijk verklaard zal worden in het in 3.1 onder IX gevorderde, te weten vergoeding van schade ter hoogte van de gestelde advocaatkosten, welke schade zou zijn voortgevloeid uit een verrichte of nagelaten handeling.

4.3.1 Het hof overweegt ten overvloede dat, ook in geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn het in 3.1 onder I tot en met V, VII en IX gevorderde, dit niet zou kunnen worden toegewezen en wel om de volgende redenen.

4.3.2 De Staat heeft bij conclusie tot uitlating na verhoor van partijen betwist dat de bevordering van [verzoeker] tot korporaal niet is geformaliseerd en dat zijn salaris niet dienovereenkomstig is aangepast. De Staat heeft in dit kader aangevoerd dat [verzoeker] bij mutatieformulier d.d. 29 december 2016 formeel is bevorderd tot korporaal, dat het salaris van [verzoeker] met terugwerkende kracht te rekenen van de dag van de titulaire bevordering tot korporaal, zijnde 01 maart 2016, is aangepast, dat de aanpassing van het salaris aan de rang van korporaal per januari 2017 is geschied en dat [verzoeker] zijn salaris met terugwerkende kracht in de maand januari 2017 heeft ontvangen. Ter onderbouwing van het voorgaande heeft de Staat in fotokopie overgelegd: een ‘MUTATIEFORMULIER EN KENNISGEVING T.A.V. BEVORDERING VAN ARBEIDSCONTRACTANT PERSONEEL VAN HET MINISTERIE VAN DEFENSIE’ ten name van [verzoeker] d.d. 29 december 2016, een overzicht van het verloop van de bezoldiging van [verzoeker] te rekenen van 20 november 2013 tot en met 01 januari 2017 en een salarisopgave ten name van [verzoeker] over de maand januari 2017. [verzoeker] heeft bij akte, naar het hof begrijpt, betoogd dat de Staat miskent dat het gaat om de formele benoeming, welke benoeming is uitgebleven. Het hof volgt [verzoeker] niet in dit betoog, aangezien hetgeen de Staat hierboven heeft aangevoerd wordt ondersteund door de eveneens hierboven genoemde producties die door de Staat zijn overgelegd. Dit leidt tot de slotsom dat de Staat de formalisatie van de bevordering van [verzoeker] tot korporaal en de aanpassing van zijn salaris aan deze rang niet achterwege heeft gelaten.Aan [verzoeker] is in de loop van dit geding wegens plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst verleend. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen verklaard de ontslagbeschikking te hebben ontvangen. Het hof constateert dat [verzoeker] niet bij nadere (incidentele) conclusie aanvulling van het petitum van het verzoekschrift heeft verzocht, in die zin dat mede wordt gevorderd de nietigverklaring van het ontslagbesluit. Uit het gehouden verhoor van partijen heeft het hof evenmin begrepen dat [verzoeker] is opgekomen tegen het ontslag. Nu [verzoeker] niet is opgekomen tegen het aan hem verleend ontslag en het ontslagbesluit derhalve niet meer kan worden aangetast, kan de Staat reeds hierom hem niet meer voorzien van een aanstelling in vaste dienst noch het bij de Personeelswet dan wel de Wet rechtspositie militairen bepaalde ter zake van mutatie en verlof jegens hem in acht nemen en evenmin erop toezien dat hij niet wordt gehinderd in het verkrijgen van een werkgeversverklaring.Nu de door [verzoeker] bedoelde handelingen, hetzij niet door de Staat zijn nagelaten, hetzij niet door de Staat kunnen worden verricht, is er geen grond voor het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van deze handelingen, zodat het in 3.1 onder I tot en met V en VII gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen.

4.3.3 Uit het voorgaande volgt dat het hof niet eraan is toegekomen inhoudelijk te beoordelen of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker] door in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde de bedoelde handelingen na te laten, zodat de in 3.1 onder IX, bij wege van schadevergoeding ex artikel 79 lid 1 sub b Pw, gevorderde advocaatkosten eveneens als ongegrond zouden worden afgewezen.

4.4 De gevorderde veroordeling in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.5 [verzoeker] heeft tevens gevorderd dat het hof één of meer beslissingen geeft die het geraden voorkomt. Dit gevorderde is onduidelijk en zal daarom worden afgewezen.

4.6 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder VI en VIII gevorderde.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 onder I tot en met V, VII en IX gevorderde.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 01 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens

drs. A. Biharie, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door

dhr. S. Sewgobind, LL.M namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 juli 2017;
  • het verweerschrift d.d. 31 juli 2017;
  • de beschikking van het hof van 26 juni 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 03 augustus 2018;
  • de processen-verbaal van het op 03 augustus 2018 gehouden verhoor van partijen en de op 01 februari 2019 gehouden voortzetting daarvan.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 juni 2019, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is in vaste dienst geweest bij de Dienst der Domeinen van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer in de functie van medewerker Grondregistratie/Archief.

2.2 Het perceelland, vermeld in de hieronder in 2.4 genoemde beschikking, (hierna: het perceelland) was in 1965 in huur uitgegeven aan [naam 1] (hierna: [naam 1]). Als gevolg van diens overlijden in 1986 is het perceelland vervallen tot het vrije domein.

2.3 [naam 2], zoon van [naam 1], heeft het perceelland bij schrijven van 28 april 2014 in grondhuur aangevraagd. [verzoeker] heeft het perceelland eveneens in 2014 in grondhuur aangevraagd.

2.4 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 11 april 2017 [nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking) is aan [verzoeker] ingevolge artikel 69 lid 2 sub c en lid 4 sub c van de Personeelswet (Pw) ontslag uit Staatsdienst verleend. Daartoe is onder meer overwogen:“- dat de heer [verzoeker] (…) bij schrijven van de Directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer van 16 maart 2017 [nummer 2], is aangeschreven zich te verweren met betrekking tot het volgende:

  • dat hij bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer van 27 maart 2015 [nummer 3] in grondhuur heeft verkregen ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van veertig jaren, het perceelland groot 1,9716 ha, gelegen in [district], aan de [weg] en bekend als Serie D [nummer 4] van de gronden [gebied 1] en [gebied 2];
  • dat na onderzoek blijkt, dat bedoeld perceelland bij beschikking van 27 december 1965 [nummer 5], voor de uitoefening van de landbouw, in huur was afgestaan aan de heer [naam 1] die op 06 september 1986 is overleden;
  • dat bij schrijven van 28 april 2014 de heer [naam 2], zoon van de heer [naam 1] het verzoek doet, bedoeld perceelland, dat door hem wordt onderhouden en bewerkt, aan hem in grondhuur te willen afstaan voor het uitoefenen van de tuinbouw en veeteelt;
  • dat aangezien de heer [verzoeker], toen de aanvraag werd ingediend, werkzaam was op de Dependance [district] en uit hoofde van zijn functie van Medewerker Grondregistratie/Archief op de hoogte was van bovenvermelde informatie en het perceelland heeft aangevraagd en verkregen.
  • dat de heer [verzoeker] zich bij schrijven van 16 maart 2017 heeft verweerd en het volgende heeft aangegeven:
  • dat het perceelland, groot 1.9716 ha, gelegen in [district] aan de [weg] en bekend als Serie D [nummer 4] van de gronden [gebied 1] en [gebied 2] in huur en ter uitoefening van de landbouw was uitgegeven bij beschikking d.d. 27 december 1965 [nummer 5] aan de heer [naam 1], die op 6 december 1986 is overleden;
  • dat zoals bekend huur eindigt bij de dood;
  • dat hij het eerder aangehaald perceeland onder LaD [nummer 6] heeft aangevraagd;
  • dat zijn aanvraag is verlopen zoals elke aanvraag;
  • dat hij verder wil aangeven dat hij in de periode van november 2014 tot en met januari 2016 werkzaam was op de Dependance RGB te [gebied 3] en dat het archief op de Dependance [gebied 4] was gevestigd en dat op de Dependance [gebied 3] er alleen stukken werden opgemaakt die verkregen waren van Dependance [gebied 4];
  • dat het geenszins zijn bedoeling was iemand te kort te doen of te dwarsbomen en dat er toen nog geen aanvraag was ingediend op het eerder aangehaald perceelland.
  • dat het verweer van betrokkene niet steekhoudend wordt bevonden omdat:
  • de heer [verzoeker] werkzaam is bij de Dienst der Domeinen in de functie van Medewerker Grondregistratie/Archief en het doel van zijn functie is het mede beschikbaar hebben van alle gegevens met betrekking tot uitgegeven domeingronden en als enkele der hoofdtaken heeft het registreren van beschikkingen van alle onder persoonlijke titel (huur en gebruik) en zakelijke titel (erfpacht en grondhuur) uitgegeven domeingrond (…);
  • betrokkene, gezien zijn werkervaring van ruim 5 jaren in de functie van Medewerker Grondregistratie/Archief en zoals hij zelf in zijn verweerbrief aangeeft, dat hij in de periode van november 2014 tot en met januari 2016 werkzaam was op de Dependance [gebied 3] en stukken opmaakte en hiervoor grondrechtelijk onderzoek verrichtte op zowel de Dependance [gebied 4] als op het hoofdkantoor van de Dienst der Domeinen, wordt geacht dat hij deskundig is met betrekking tot Gronduitgifte;
  • betrokkene uit hoofde van zijn functie de beschikking heeft over de informatie met betrekking tot de status van domeingronden;
  • betrokkene op grond van de door zijn functie verkregen informatie en zijn deskundigheid, misbruik heeft gemaakt van zijn positie en ten eigen bate heeft gehandeld door het perceelland aan te vragen;
  • betrokkene verder in zijn verweer vermeld dat het geenszins de bedoeling was iemand te kort te doen of te dwarsbomen en dat toen hij het perceelland aanvroeg er nog geen aanvraag op bedoeld perceelland was ingediend;
  • de zoon van de voormalige titelhouder bij schrijven van 28 april 2014 het perceelland heeft aangevraagd en de heer [verzoeker] pas op 15 september 2014 zijn aanvraag heeft ingediend, de datum op zijn verzoekschrift heeft geantidateerd en de datum van 9 april heeft vermeld en hierdoor de dienst op een dwaalspoor heeft gebracht;
  • het perceelland door de zoon van de voormalige titelhouder wordt bewoond, bewerkt en onderhouden en dat de heer [verzoeker] vanwege zij deskundigheid dient te weten dat in beginsel rechten op domeingrond toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken (S.B. 1982 No. 10);
  • van betrokkene als ambtenaar bij de Dienst der Domeinen bij uitstek, verwacht wordt, de burger te beschermen en informeren over hun rechten;
  • betrokkene het desbetreffende perceelland nota bene aan derden heeft doorverkocht en er op 8 maart 2017 een hypotheek op het perceelland is gevestigd.
  • dat betrokkene door zijn handelen het imago van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer c.q. de Staat ernstig heeft geschaad;
  • dat betrokkene als landsdienaar verplicht is de aan zijn functie (…) verbonden werkzaamheden naar beste weten en kunnen te verrichten, de bevoegdelijk aan hem gegeven opdrachten, welke op de dienst betrekking hebben, stipt en loyaal uit te voeren en zich ook overigens steeds zo te gedragen als een goed en getrouw landsdienaar betaamt en hij voorts verplicht is zich te gedragen overeenkomstig de voorschriften, bij of krachtens staatsbesluit vastgesteld voor ’s Lands dienst in het algemeen of voor het onderdeel waartoe hij behoort (artikel 36 van de ‘Personeelswet’);
  • dat naar aanleiding van het voorgaande, er onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid zijn om betrokkene langer in Staatsdienst te handhaven en hij met in achtneming van artikel 69 lid 2 sub c en lid 4 sub c van de ‘Personeelswet’, uit Staatsdienst dient te worden ontslagen.”

2.5 De ontslagbeschikking is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname G.O. Niekoop d.d. 21 april 2017 [nummer 7] aan [verzoeker] betekend.

2.6 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 04 mei 2017 op grond van artikel 78 lid 1 Pw bij de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) beklag gedaan tegen het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot zijn ontslag uit Staatdienst, waarbij de President is verzocht dit besluit terug te draaien, althans [verzoeker] te herstellen in zijn functie van medewerker Grondregistratie/Archief. Voormeld klaagschrift is bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname R. Sontono d.d. 08 mei 2017 [nummer 8] aan de President betekend. Een beslissing van de President op het beklag is uitgebleven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert dat bij vonnis het op 11 april 2017 aan hem verleend ontslag uit Staatsdienst zal worden teruggedraaid c.q. vernietigd, althans dat hij zal worden hersteld in zijn functie van medewerker Grondregistratie/Archief.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met het aan hem verleend ontslag. Hij heeft conform het Decreet Uitgifte Domeingrond het perceelland aangevraagd. Het is frappant dat de Staat aan de ene kant deze aanvraag honoreert en hem aan de andere kant ontslag verleent wegens misbruik van zijn functie en deskundigheid. Van een dergelijk misbruik is geen sprake. Het is aan de Staat gelegen om een uitputtend onderzoek te doen, alvorens op een gedane grondaanvraag te beslissen. Er kan niet gezegd worden dat [verzoeker] de Staat heeft weten te beïnvloeden dan wel te manipuleren om zijn aanvraag gehonoreerd te krijgen. [verzoeker] heeft volgens voormeld decreet gehandeld en op geen enkel moment een derde benadeeld. Indien de Staat fouten heeft gemaakt bij zijn onderzoek ter zake van de aanvraag van [verzoeker], dan kunnen deze niet in de schoenen van [verzoeker] worden geschoven.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub e Pw is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 Pw. De vordering van [verzoeker] strekt tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatsdienst is verleend. Het hof is dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] sinds 21 april 2017 kennis heeft genomen van het ontslagbesluit en dat hij zijn vordering op 12 juli 2017 – derhalve langer dan een maand na kennisname van dit besluit – bij het hof heeft ingesteld.

4.2.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 3 Pw vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 Pw, daaronder mede begrepen de onderhavige vordering, voorts niet ontvankelijk zijn:
a.indien overeenkomstig artikel 78 Pw beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, dan wel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd;
b.indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat de beslissing op het gedane beklag ter kennis van de klager is gebracht, dan wel dat hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Op grond van artikel 78 lid 4 Pw heeft de klager recht op een beslissing binnen drie maanden. Hieruit volgt dat het hoger gezag indien het niet binnen drie maanden op een ingesteld beklag heeft beslist, geacht wordt een fictief besluit te hebben genomen en wel een negatief besluit. Vaststaat dat de ontslagbeschikking op 21 april 2017 aan [verzoeker] is betekend, dat [verzoeker] op 08 mei 2017 in beklag is gegaan bij de President en dat [verzoeker] op 12 juli 2017 de vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit bij het hof heeft ingesteld. [verzoeker] zou, nu hij voormelde vordering reeds op 12 juli 2017 bij het hof heeft ingesteld – nog geen drie maanden nadat hij op 08 mei 2017 tegen de ontslagbeschikking in beklag is gegaan bij de President – en hij derhalve de beslissing van de President op zijn beklag niet heeft afgewacht, bij strikte toepassing van artikel 80 lid 3 sub a Pw niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn vordering. Het hof overweegt dienaangaande echter als volgt. Het doel van het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie als bedoeld in artikel 78 Pw is om de belanghebbende uitsluitsel te verschaffen omtrent een te zijnen aanzien genomen besluit door een lager overheidsorgaan. Het is het hof bekend dat dit rechtsmiddel niet werkt, in die zin dat een beslissing van de President op een bij hem ingesteld beklag regelmatig pleegt uit te blijven. In dit licht kan van [verzoeker] in alle redelijkheid niet worden verwacht de (fictieve) beslissing van de President op het beklag af te wachten. Het hof acht [verzoeker] daarom ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. Het verweer van de Staat wordt verworpen.

4.3.1 Het hof stelt voorop dat ook [verzoeker] het recht heeft om een perceel in grondhuur aan te vragen. De ontslagbeschikking in zijn totaliteit bezien, wordt [verzoeker] verweten dat hij bij het aanvragen van het perceelland misbruik heeft gemaakt van zijn functie, in die zin dat hij, na uit hoofde van zijn functie kennis te hebben genomen van een door een zoon van [naam 1] schriftelijk gedane aanvraag gedateerd 28 april 2014, het perceelland op zijn beurt vervolgens op 15 september 2014 in grondhuur heeft aangevraagd en daarbij zijn schriftelijke aanvraag heeft geantidateerd door daarop de datum van 09 april (het hof begrijpt: 09 april 2014) te vermelden.

4.3.2 [verzoeker] heeft ter gelegenheid van de gehouden voortzetting van het verhoor van partijen verklaard niet te weten of de datum van zijn aanvraag is aangepast en zich niet te kunnen heugen wanneer hij de aanvraag heeft ingediend. Dit heeft evenwel niet als een betwisting in rechte te gelden, zodat als onweersproken in rechte tussen partijen is komen vast te staan dat [verzoeker] zijn aanvraag op 15 september 2014 – derhalve na de aanvraag van de zoon van [naam 1] gedateerd 28 april 2014 – heeft ingediend en deze heeft geantidateerd door daarop de datum van 09 april 2014 te vermelden. Als onweersproken is tevens in rechte tussen partijen komen vast te staan dat [verzoeker], ten tijde van de indiening van de aanvraag door de zoon van [naam 1], werkzaam was op de Dependance [district]. Voorts is als onweersproken in rechte tussen partijen komen vast te staan dat de afdeling waar [verzoeker] werkzaam was grondaanvragen van [district] – dit is het district waar het perceelland gelegen is – in behandeling nam en onderzoek daarover moest doen en dat [verzoeker] daardoor inzage had in de stukken die werden ingediend. Het hof acht derhalve ongeloofwaardig de verklaring van [verzoeker] dat hij geen kennis droeg van de eerdere aanvraag van de zoon van [naam 1] en dat hij zijn informatie heeft geput uit een overzicht van vrije percelen. Uit het voorgaande volgt dat de Staat [verzoeker] terecht misbruik van zijn functie heeft verweten. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt dit misbruik het ontslag van [verzoeker] wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, nu hij door zijn handelwijze blijk heeft gegeven van een zodanige gezindheid, dat hij redelijkerwijs niet geacht kan worden voldoende waarborgen voor een getrouwe plichtsbetrachting te bieden. De omstandigheid dat de Staat bij zijn onderzoek naar de aanvraag van [verzoeker] mogelijk steken heeft laten vallen, maakt dit niet anders. Daarbij komt dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken in rechte tussen partijen is komen vast te staan dat [verzoeker] het perceelland heeft doorverkocht en dat daarop ten gunste van derden een hypotheek van € 40.000,- is gevestigd. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als ambtenaar bij de Dienst der Domeinen wordt gehandhaafd.

4.4 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde als ongegrond dient te worden afgewezen.

4.5De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

Wijst de vordering af.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Ministerie van OWC), afdeling Bureau Speciaal Onderwijs, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Danning, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 06 juli 2018 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 30 juli 2018, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift is verlengd met zes weken ingaande 25 juli 2018;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 05 september 2018, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken ingaande 05 september 2018;
  • het verweerschrift ingediend door verweerder op 16 oktober 2018;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 januari 2019, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 15 februari 2019;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 februari 2019;
  • de conclusie tot wijziging van eis zijdens verzoekster, overgelegd op 15 februari 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en wijziging van eis en uitlating producties, met producties zijdens verweerder, overgelegd op 01 maart 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, overgelegd op 15 maart 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verweerder, overgelegd op 17 mei 2019;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is bepaald op heden.

1. De feiten
1.1 Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw) en is reeds 37 jaren in dienst van het Ministerie van OWC.

1.2 Verzoekster is 16 jaren als schoolleider geplaatst op de aan [school] toebehorende bijzondere school [school].

1.3 Op 16 augustus 2017, kort nadat er een gesprek was geweest met verzoekster over de financiele administratie, heeft het waarnemend hoofd van de afdeling Bureau Speciaal Onderwijs, mw. [naam], zonder voorafgegane melding of reden, aan verzoekster medegedeeld dat zij wordt gemuteerd naar een andere school.

1.4 Op 18 augustus 2017 werd verzoekster telefonisch door mw. [naam] voornoemd opgedragen om de gehele financiele administratie over de periode 2010-2017 vóór 10 uur op dezelfde dag aan haar af te staan.

1.5 In reactie op het voorgaande heeft verzoekster op dezelfde dag van 18 augustus 2017 schriftelijk aan mw. [naam] medegedeeld dat zij daartoe fysiek niet in staat is, omdat een deel van de opgevraagde administratie zich reeds bij mw. [naam] bevond, terwijl verzoekster dat deel nodig had om de administratie compleet te maken, welk schrijven persoonlijk is afgegeven door verzoekster aan mw. [naam]. Daarnaast moest zij bij de overige teamleiders informatie opvragen, hetgeen niet op zo een kort termijn kon. Mevrouw [naam] heeft niet gereageerd op dit schrijven van verzoekster.

1.6 Per schrijven d.d. 23 augustus 2017, [nummer], ontvangen door verzoekster op 28 augustus 2017, heeft mw. [naam] aan verzoekster medegedeeld dat zij verstek heeft laten gaan en ook niet heeft afgemeld om de financiele stukken op 18 augustus 2017 af te geven, weshalve zij ernstig in gebreke wordt gesteld vanwege plichtsverzuim c.q. indisciplinair gedrag en wordt zij aangemaand om zich binnen drie dagen na ontvangst te verweren.

1.7 In reactie op voormeld schrijven heeft verzoekster op 28 augustus 2017 per schrijven van haar procesgemachtigde gereageerd en verwezen naar de brief van verzoekster die op 18 augustus 2017 persoonlijk ter hand werd gesteld aan mw. [naam] , één en ander zoals omschreven onder overweging 1.4. Verzoekster heeft tevens bezwaar aangetekend tegen de voorgenomen mutatie bij de Directeur van het Ministerie van OWC.

1.8 Bij schrijven d.d. 25 september 2017, [nummer 2], werd verzoekster door mw. [naam] voornoemd gesommeerd om binnen drie dagen na ontvangst van het schrijven, de sleutels van de school waar verzoekster leiding aan gaf, aan haar af te geven; verzoekster werd daarbij verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan plichtsverzuim c.q. indisciplinair gedrag, waarvoor zij in gebreke werd gesteld; voorts werd ter informatie medegedeeld dat het Bureau Speciaal Onderwijs het verworven recht, ontleend aan de bevoegdheid gegeven door de Minister van OWC, heeft om leerkrachten die binnen haar supervisie vallen, te muteren.

1.9 Verzoekster heeft op 28 september 2017 ontvangen een mutatieformulier ondertekend door mw. [naam], [nummer 3], 2017/2018, gedateerd 15 augustus 2017, waaruit blijkt dat verzoekster voor het schooljaar 2017/2018 met ingang van 01 oktober 2017 wordt overgeplaatst van VSO [school] school te [district] naar de [school 2] te [district] als schoolleider.

1.10 Per schrijven d.d. 29 september 2017, [nummer 4], heeft mw. [naam] aan verzoekster medegedeeld dat op basis van onduidelijkheden in de financiele stukken die aan haar zijn overhandigd in de maand augustus, aan de directeur is gevraagd om via Interne Controle een onderzoek te doen instellen en is verzoekster blijkens ingebrekestellingen [nummer], [nummer 5] en [nummer 6] in de gelegenheid gesteld zich te verweren, van de mogelijkheid waarvan verzoekster geen gebruik heeft gemaakt, weshalve zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, op grond waarvan zij conform artikel 23 lid 1 van de PW per 01 oktober 2017 buiten functie wordt gesteld.

1.11 Op 06 oktober 2017 heeft verzoekster aangifte gedaan tegen mw. [naam], ene [naam 2] en [naam 3], terzake het openbreken van de schoolkas.

1.12 Blijkens verklaring van de hulpofficier van Justitie, de inpecteur van politie derde klasse, [naam 4], is van het bedrag van SRD 19.000,-, het bedrag van SRD 14.987,55 van mw. [naam] ontvangen, welk bedrag aan verzoekster in bijzijn van de vertegenwoordiger van haar procesgemachtigde is overhandigd.

1.13 Bij schrijven d.d. 30 januari 2018, [nummer 7], heeft mw. [naam] aan verzoekster medegedeeld dat haar buitenfunctiestelling per 01 februari 2018 is opgeheven en wordt verzoekster in de gelegenheid gesteld invulling te geven aan de functie van schoolleider op S.O. [school 2], met welke werkzaamheden zij officieel op maandag 05 februari 2018 kan aanvangen.

1.14 Bij schrijven van de procesgemachtigde van verzoekster d.d. 02 februari 2018, heeft verzoekster aan mw. [naam] doen mededelen dat zij haar werkzaamheden nog niet zal kunnen hervatten omdat het besluit terzake haar mutatie wordt aangevochten bij de kortgedingrechter en er nog geen beslissing is gekomen in de zaak.

1.15 Bij schrijven d.d. 01 juni 2018 heeft verzoekster via haar procesgemachtigde bezwaar aangetekend tegen het besluit van verweerder tot stopzetting van haar salaris.

1.16 Op 18 juni 2018 is door verzoekster ontvangen een namens het hoofd van het Bureau Speciaal Onderwijs ondertekend en ingevuld formulier, gedateerd 09 mei 2018, waaruit blijkt dat verzoekster per 09 mei 2018 met ontslag is vanwege onwettig verzuim.

1.17 Verzoekster heeft bij schrijven d.d. 25 juni 2018 bezwaar aangetekend tegen voornoemd besluit tot ontslag.

1.18 Verzoekster heeft als producties overgelegd enkele ziekte attesten, waaruit blijkt dat verzoekster niet in staat werd geacht te werken door respectievelijk de internist [naam 5] en de psychiater [naam 6], vanaf 01 februari 2018 t/m 31 juli 2018.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
2.1 Verzoekster vordert oorspronkelijk, zakelijk weergegeven, om:

Primair:
I.nietig te verklaren het besluit tot mutatie van verzoekster;
II.te vernietigen het besluit tot inhouding van het salaris;
III.verweerder te veroordelen het maandelijks salaris aan verzoekster te betalen vanaf 01 juni 2018 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

Subsidiair:
I.verweerder op grond van artikel 79 lid 1c PW een dwangsom van SRD 100.000,- per dag op te leggen voor elke dag dat zij het besluit tot mutatie van verzoekster voortzet;
II.te vernietigen het besluit tot inhouding van het salaris;
III.verweerder te veroordelen het maandelijks salaris aan verzoekster te betalen vanaf 01 juni 2018 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zij in haar 37 dienstjaren nimmer een negatieve beoordeling of een ingebrekstelling voor onjuist verrichte werkzaamheden heeft gehad. Verzoekster stelt dat er geen enkele reden is opgegeven voor het voornemen haar te muteren, terwijl de mutatie is geschied 1 maand voor aanvang van het nieuwe schooljaar in tegenstelling tot de gebruikelijke procedure met een redelijke termijn vooraf en met valide redenen omkleedt, die vooraf schriftelijk kenbaar zijn gemaakt aan de te muteren schoolleider. Bovendien is de mutatie gebeurd drie jaren voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zodat zij in de drie jaren leerlingen en het personeel alsook de omstandigheden op de nieuwe school, zich niet eigen zal kunnen maken. Volgens verzoekster zijn de redenen voor de mutatie totaal onduidelijk en geheel in strijd met artikel 20 van de PW. Het handelen van verweerder is volgens verzoekster in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, met name het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook is het hoorbeginsel geschonden, aangezien verzoekster zich niet kunnen verweren tegen de gronden voor haar mutatie, omdat deze niet eerder kenbaar waren gemaakt. Ook het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag is door verweerder geschonden, omdat de feiten waar verweerder zich op beroept, niet bestaan, althans is uit het ingesteld onderzoek niet gebleken dat er iets hapert aan de door haar gevoerde financiele administratie. Voorts is het beginsel van zuiverheid van oogmerk geschonden, omdat mw. [naam] verzoekster zonder opgaaf van redenen, aldus naar willekeur heeft doen muteren en het besluit tot mutatie reeds op 15 augustus 2017 was genomen, waarna er getracht werd een grondslag voor de mutatie te creëren, terwijl mw. [naam] , zonder toestemming van [school], de school is binnengestormd op 06 oktober 2017, de schoolkas heeft opengebroken en de gelden daaruit heeft gehaald. Ten slotte stelt verzoekster dat zonder voorafgaande mededeling haar salaris per 01 juni 2018 is stopgezet.Verzoekster stelt zich op het standpunt dat, hoewel het besluit tot mutatie geen besluit is in de zin van artikel 79 lid 2 jo lid 1a van de PW, zij van oordeel is dat het onbehoorlijk gedrag van verweerder zo klemmend is in casu, dat dit besluit niet in stand kan blijven op grond de redelijkheid en billijkheid.

2.3 Verweerder heeft verweer gevoerd erop neerkomende dat het hof zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen kennis te nemen, omdat het gevorderde niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 van de PW.

3. Het incident
3.1 Bij incidentele conclusie tot wijziging/aanvulling van eis, vordert verzoekster om het petitum te wijzigen en aan te vullen in dier voege dat het petitum als volgt wordt gelezen:

Primair:
I. het besluit tot ontslag nietig te verklaren;
II. het besluit tot inhouding van het salaris te vernietigen;
III. verweerder te veroordelen aan verzoekster te betalen het maandelijks salaris vanaf mei 2018 tot aan de rechtsgeldige beeindiging van de arbeidsrelatie;
IV. verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het besluit tot ontslag, gelijk aan de wettelijke rente van 6 % rente per jaar vanaf de dag van rechstingang tot aan die der algehele voldoening en wel op het aan verzoekster maandelijks toekomend salaris vanaf mei 2018 tot aan de rechtsgeldige beeindiging van de arbeidsrelatie;
V. het besluit tot mutatie van verzoekster nietig te verklaren;
VI. verweerder een dwangsom op te leggen van SRD 100.000,- per dag op grond van artikel 79 lid 1c van de PW, voor elke dag dat hij het besluit tot ontslag voortzet;
I(VII) verweerder een dwangsom op te leggen van SRD 100.000,- per dag op grond van artikel 79 lid 1c van de PW, voor elke dag dat hij het besluit tot inhouding van het salaris voortzet;
II(VIII) verweerder een dwangsom op te leggen van SRD 100.000,- per dag op grond van artikel 79 lid 1c van de PW, voor elke dag dat hij het besluit tot mutatie voortzet.

3.2 Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zich na de indiening van het onderhavige verzoekschrift omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan zij het verzoekschrift wenst aan te vullen en het petitum wenst te wijzigen c.q. aan te vullen.Verzoekster stelt dat zij op 18 juni 2018 een schrijven van verweerder heeft ontvangen waaruit blijkt dat aan haar per 09 mei 2018 ontslag wordt verleend vanwege onwettig verzuim, terwijl verzoekster een geldige reden had opgegeven voor haar afwezigheid. Verzoekster heeft hiertegen geprotesteerd, doch zonder reactie. Volgens verzoekster is het ontslag in strijd met artikel 3 lid 1 van de PW, nu dit besluit is genomen door het hoofd van het Bureau Speciaal Onderwijs dat daartoe niet bevoegd is, terwijl het besluit terugwerkt naar mei 2018 en niet voldoende gemotiveerd is.

3.3 Verweerder heeft ten aanzien van de gevorderde wijziging aangevoerd dat de besluiten zoals gewijzigd onder I, II en V geen besluit zijn in de zin van de PW, terwijl het gevorderde onder III niet toewijsbaar is, omdat verzoekster pertinent geweigerd heeft haar werkzaamheden te verrichten. Met betrekking tot het gevorderde onder IV voert verweerder aan dat hem geen onrechtmatig handelen verweten kan worden, zodat er geen sprake kan zijn van schadevergoeding. Ten aanzien van de gevorderde dwangsommen voert verweerder aan dat deze niet kunnen worden toegewezen zonder een hoofdveroordeling.

4. De beoordeling van het incident en van het geschil
4.1 Niet gesteld of gebleken is dat de vordering door verzoekster tardief is ingesteld, zodat het Hof verzoekster daarin zal ontvangen.

Het incident
4.2 Het Hof overweegt dat de aanvulling c.q. wijziging van het verzoekschrift en het petitum voortvloeien uit de reeds eerder in het verzoekschrift gestelde feiten en omstandigheden.Verweerder is in gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de incidentele vordering en heeft zich daartegen niet verzet. Op grond van het voren overwogene is het Hof van oordeel dat verzochte wijziging c.q. aanvulling van het verzoekschrift en het petitum zal worden toegestaan, in dier voege dat het primair gevorderde van het petitum zal worden gelezen zoals vermeld onder 3.1 van dit vonnis en onder vernummering van de laaste twee onderdelen van het petitum als VII en VIII instede van I en II, aangezien het in casu om een kennelijke verschrijving gaat.

Het geschil
4.3 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de PW oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a.tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c.tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

2.Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b.tot verlaging van rang;
c.betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d.waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e.tot schorsing of ontslag.
Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

4.4 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de artikel 79 van de Personeelswet genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren. Rechtens staat tussen partijen vast dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de PW en is de PW van toepassing op verzoeker.

4.5 Ten aanzien van de vorderingen betrekking hebbende op het besluit tot mutatie overweegt het Hof, dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van besluiten tot mutatie op grond van artikel 79 lid lid 4 juncto artikel 20 leden 1 en 2 van de PW. Het Hof begrijpt in casu uit het gehouden verhoor van partijen, met name de niet-weersproken verklaring van verzoekster, dat niet de mutatie op zich het probleem is, doch het feit dat, hoewel het formeel zou gaan om een horizontale mutatie, er in casu sprake is van een verlaging van rang met mogelijk nadelige gevolgen voor het salaris van verzoekster. Dit omdat op het mutatieformulier is aangegeven dat verzoekster als schoolleider wordt gemuteerd, hetgeen overigens door verweerder tijdens het verhoor is bevestigd, doch werd verzoekster op de nieuwe school niet als schoolleider ingezet, maar als gewone leerkracht met behoud van haar salaris als schoolleider. Het Hof begrijpt derhalve dat met het besluit tot mutatie in het petitum wordt bedoeld het besluit om verzoekster in te zetten als leerkracht met behoud van het salaris van schoolleider in plaats van als schoolleider, in welke functie zij reeds langer dan zestien jaren heeft gediend. Nu, een dergelijk besluit naar het oordeel van het Hof feitelijk een verlaging van rang inhoudt welke in de toekomst nadelige gevolgen zal hebben voor het salaris van verzoekster, acht het Hof zich terzake de vorderingen onder V, VI en VIII van het primair gevorderde en onder I van het subsidiair gevorderde, wel bevoegd kennis te nemen op grond van artikel 79 lid 1 en lid 2 sub a en b van de PW. Het Hof acht zich eveneens bevoegd om kennis te nemen van het overig door verzoekster gevorderde op grond van artikel 79 leden 1 en 2 van de PW.

4.6 Ten aanzien van de gevorderde nietigverklaring van het besluit tot ontslag van verzoekster, overweegt het Hof dat, zoals terecht gesteld door verzoekster, dit ontslag niet door het daartoe bevoegde gezag is verleend, zodat dit ontslag nietig is. Voor wat betreft het standpunt van verweerder als zou verzoekster onwettig afwezig zijn vanaf 01 februari 2018, overweegt het Hof dat de niet betwiste ziekte-attesten de afwezigheid van verzoekster dekken. Dat deze attesten op een later tijdstip zijn afgegeven, doet naar het oordeel van het Hof daaraan niet af. Van een andere reden voor het ontslag of inhouding van het salaris is niet gebleken of gesteld. Het voren overwogene brengt met zich dat verzoekster recht heeft op doorbetaling van haar salaris met emolumenten verbonden aan de functie van schoolleider zoals gevorderd. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding als gevolg van het ontslag dan wel stopzetting van het salaris, overweegt het Hof dat het willekeurig handelen van verweerder op grond van voornoemde feiten is komen vast te staan en heeft verzoekster vanaf mei 2018 haar salaris moeten ontberen, met alle gevolgen van dien voor verzoekster. De door verzoekster als gevolg daarvan geleden schade door de schuld van verweerder staat dan ook als niet betwist vast. Verweerder zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde schadevergoeding. Het primair gevorderde onder I, II, III en IV is op grond van het voren overwogene voor toewijzing vatbaar.

4.7 Ten aanzien van het besluit tot de feitelijke verlaging van de rang van verzoekster van schoolleider naar leerkracht, zoals bedoeld en begrepen onder V en VIII van het petitum, overweegt het Hof dat niet gesteld of gebleken is dat er hiervoor een valide reden is. Het Hof overweegt voorts dat uit het door het CLAD ingesteld onderzoek geen onregelmatigheden zijn geconstateerd ten aanzien van verzoekster. Hoewel verweerder tijdens het verhoor erop heeft gestaan over evaluatierapporten met betrekking tot klachten over het functioneren van verzoekster te beschikken, zijn deze niet ten processe overgelegd, zodat de stelling van verzoekster, dat zij nimmer is aangesproken over haar functioneren, in rechte is komen vast te staan. Feit is evenwel dat verzoekster langer dan zestien jaar heeft gefunctioneerd als schoolleider zonder een negatieve beoordeling en reeds 37 jaren in dienst is van verweerder. Het Hof acht het, op grond van het voren overwogene, geraden, dat verweerder wordt veroordeeld om verzoekster feitelijk in te zetten als schoolleider op een in Paramaribo gelegen school onder verbeurte van een dwangsom, die zal worden gemaximeerd op SRD 100.000,-.

4.8 Ten aanzien van de gevorderde dwangsommen met betrekking tot de voortzetting van de inhouding van het salaris alsook de voortzetting van het besluit tot ontslag, overweegt het Hof dat, nu deze besluiten nietig zijn en dus nimmer hebben bestaan, er geen grondslag is voor de hierbij gevorderde dwangsom, zodat deze zal worden afgewezen.

5. De beslissing
Het Hof

5.1 Verklaart nietig het besluit van verweerder tot ontslag van verzoekster.

5.2 Verklaart nietig het besluit van verweerder tot inhouding c.q. stopzetting van het maandelijks salaris van verzoekster.

5.3 Veroordeelt verweerder om aan verzoeker te betalen het aan haar toekomend maandelijks salaris vanaf 01 mei 2018.

5.4 Veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade die voor verzoekster is voortgevloeid uit het besluit tot ontslag, zijnde de wettelijke rente over het maandelijks salaris van verzoekster ad 6 % jaar vanaf 01 mei 2018 tot aan de algehele voldoening.

5.5 Verklaart nietig het besluit van verweerder tot de feitelijke verlaging van de rang van verzoekster van schoolleider naar leerkracht.

5.6 Veroordeelt verweerder om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis verzoekster feitelijk in te zetten als schoolleider op een in [district] gelegen school, op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- (éénduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat verweerder in strijd handelt met of nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd op SRD 100.000,- (éénhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.7 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan
Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr.E.F. van der Hilst, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0732

26 maart 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[DE STICHTING],
gevestigd aan [adres 1] in het [district],
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de Stichting,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

A. [GEDAAGDE SUB A],
gevestigd aan [adres 2] te [woonplaats],
B.[GEDAAGDE SUB B],
wonende aan [adres 3] te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] en waar nodig respectievelijk te noemen: [gedaagde sub A en B],
gedaagden,
gemachtigde van beiden: mr. A.M. Linger, advocaat,

C. MR. GANGARAM PANDAY, VIKASH, notaris,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: de notaris,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

  1. Het verloop van het proces
    In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 21 februari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden], met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie aan de zijde van de notaris’
  • de conclusie van repliek en uitlating productie;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met een productie’
  • de conclusie van dupliek aan de zijde van [gedaagden];
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie aan de zijde van de notaris;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten
    In conventie en in reconventie

2.1 De Stichting is eigenares van het hierna omschreven zakelijk recht:
het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende 26 september 2042, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 15,0130 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van het Verlengde van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. 18 april 2002 met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 23 april 2002, thans bekend als [adres 4] ” (hierna aangeduid als terrein A).

2.2 De Vliegende Eend BV en De Vliegende Eend NV, hierna aangeduid als de schuldenaren,hebben een drietal kredietovereenkomsten met [gedaagde sub A] gesloten op respectievelijk 17 mei 2018, 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 en op 08 april 2019.

2.3 [Naam 1], hierna te noemen [naam 1], is voorzitter van het bestuur van de Stichting. [Naam 2], hierna te noemen [naam 2], is penningmeester tevens secretaris van de Stichting. [Naam 1] is enig directeur en aandeelhouder van de schuldenaren.

2.4 In de overeenkomst d.d. 04 juni 2014 zijn, voor zover voor de beslissing van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
In aanmerking nemende dat:

  • Beide partijen een overeenkomst wensen aan te gaan met het doel om marktleider te worden van kip in Suriname;
  • Partijen ernaar streven om kip te kweken op een wijze dat de kwaliteit en smaak wordt gegarandeerd en waarbij de consument dit product kan kopen tegen een lagere prijs dan thans het geval is op de Surinaamse markt;
  • Dat partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) voor dit streven kapitaal nodig heeft voor langere tijd en tegen aantrekkelijke voorwaarden hetgeen partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) bereid is te verschaffen onder voorwaarden welke in deze overeenkomst zijn beschreven;
  • Dat partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) ernaar streeft om door deze samenwerking een aantrekkelijk product aan te bieden voor haar respectievelijke klanten waardoor zij haar marktpositie duurzaam kan versterken;

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

Artikel 1 – Algemeen
1.1 De considerans maakt integraal onderdeel uit van onderhavige overeenkomst.

1.2 De Krediethypotheek d.d. 18 mei 2018 en 04 juni 2018 welke is afgegeven door [de Stichting] waarbij deze Stichting zich garant heeft gesteld voor alle verplichtingen welke van partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) is aangegaan en tevens voor het bedrag van welke partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) als lening heeft verstrekt aan partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) ter waarde van US$ 2.500.000,00 (…) vormen een deel van onderhavige overeenkomst (bijlage 1).

Artikel 2 – Duur
2.1 Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst door beide partijen en heeft een looptijd van 10 jaren en 9 maanden.

2.2 Indien bij het einde van de termijn gesteld in artikel 2.1 de laatste aflossing en rente nog niet heeft plaatsgevonden, blijft de overeenkomst in stand totdat alle betalingsverplichtingen zijn voldaan, onverminderd de verplichting van partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) (…).

Artikel 3 – Voorwaarden kredietverstrekking
3.1 Het door de partij ter ener aan partij ter andere zijde te verstrekken krediet bedraagt US$ 2.250.000,00 (…)

3.2 De middelen beschreven in het vorig lid zullen worden aangewend om:
a) De bestaande schuld bij de DSB bank, zijnde ca SRD 3.213.470,78 volledig af te betalen;
b) investeringen te plegen om een volledig geïntegreerde pluimvee boerderij op te zetten waarbij het streven erop is gericht de marktleider van o.a. kip te worden in Suriname conform het plan genoemd in bijlage 3;

3.3 Gedurende de eerste 9 maanden van de lening zal alleen rente worden betaald waarbij de rente maandelijks zal worden bijgeschreven op de hoofdsom, e.e.a. conform bijlage 3.
(…)

Artikel 4 – Zekerheden

Tot zekerheid voor het verstrekte krediet worden de volgende zekerheden door partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) aan partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) gegarandeerd en /of gefaciliteerd:
a) Door [de Stichting] aan partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) afgegeven, voor schulden van partij ter andere zijde (lees de schuldenaren), zijnde een eerste krediethypotheek van US$. 2,500,000.= (…) op: het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende zesentwintig september tweeduizend tweeënveertig, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren (15,0130 ha.), gelegen in [het district], ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. achttien april tweeduizend en twee met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. drieëntwintig april tweeduizend en twee, thans bekend als [adres 4](straatregister [nummer]).” Inclusief het nog in grondhuur te verkrijgen gedeelte vermoedelijk groot 7.8 ha waarvoor reeds een bereidsverklaring is ontvangen bekend onder [LAD No] (bijlage 2). Het moment dat partij ter andere zijde (lees de schuldenaren) beschikt over het recht van grondhuur zal er meteen een eerste krediethypotheek worden gevestigd ten behoeve van partij ter ener (lees [gedaagde sub A]);
(…)

Artikel 5 – Uitwinning zekerheid

De in artikel 4 genoemde dekkingen strekken tot zekerheid voor de door het partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) aan partij ter andere zijde(lees de schuldenaren)verstrekte krediet. Bij een eventuele uitwinning van genoemde zekerheden, zal de opbrengst worden gebruikt om de schuld welke partij ter andere zijde (lees VEBV en VENV) aan partij ter ener (lees [gedaagde sub A]) is verschuldigd, te betalen.”

2.5 Bij addendum d.d. 06 september 2018 zijn de schuldenaren met [gedaagde sub A] overeengekomen dat de lening wordt uitgebreid tot een bedrag ad US$ 3.000.000,-.
Bij overeenkomst d.d. 08 april 2019 zijn de schuldenaren met [gedaagde sub A] overeengekomen dat [gedaagde sub A] aan hen een kredietbedrag ad € 660.000,- ter leen zal verstrekken met onder andere dezelfde zekerheden die zij in de twee eerder vermelde overeenkomsten van respectievelijk 17 mei 2018 en 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 zijn overeengekomen.

2.6 Op 11 februari 2019 heeft de Stichting aan [gedaagde sub A] onherroepelijk last en volmacht verleend, welke volmacht is verleden en getekend door de bestuurders van de Stichting ([naam 1 en 2]) ten overstaan van de notaris.
In de volmacht is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende opgenomen:
“(…)
De comparanten in hun gemelde hoedanigheden verklaarden ONHERROEPELIJK LAST EN VOLMACHT te verlenen aan de naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A]”, gevestigd te Paramaribo, speciaal om voor en namens hen, comparanten in gemelde hoedanigheden, na te melden onroerend goed, naast de reeds gevestigde hypotheek ten behoeve van de naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A],”, nog te bezwaren te harer behoeve met een krediethypotheek tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen “[DE STICHTING]”, uit welke hoofde ook aan de naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A]”, gevestigd te Paramaribo, voornoemd schuldig mocht zijn of worden tot een maximum bedrag van ACHTHONDERDDUIZEND AMERIKAANSE DOLLAR (USD. 800.000,-) plus rente, kosten, onkosten en provisie, te weten:

het nog te verkrijgen recht van grondhuur TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW op het perceelland, groot zeven hectaren, achtenvijftig aren en tweeëntachtig centiaren, gelegen in het [district] ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.J. Doest BSc. De dato veertien augustus tweeduizend en achttien met de leters CDEF en blijkens de gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi MSc., achter en grenzende aan het perceelland, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren, bekend als [adres 4].

Toe te stemmen in de bedingen bij de artikelen twaalfhonderd zeven, twaalfhonderd veertien en twaalfhonderd acht en dertig van het Surinaams Burgerlijk Wetboek geregeld en verder in als zodanige bedingen en bepalingen als de geldschieters zal verlangen en de gevolmachtigde zal raadzaam achten.

Terzake voormeld alle vereist wordende akten en stukken te doen opmaken, te verlijden en te ondertekenen en in het algemeen alles verder te doen en te verrichten wat tot voormelde einden zal blijken nodig te zijn, alles met de macht van substitutie.”

2.7 De Stichting heeft bij ministeriele beschikking d.d. 04 november 2019 no. D.1179 (toewijzingsbeschikking) het hierna omschreven zakelijk recht in grondhuur verkregen:

“het recht van grondhuur – TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW – vervallende 11 november 2059, op het perceelland, groot 7,5885 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de beëdigde landmeter R.J. Doest d.d. 14 augustus 2019 met de leters CDEF en met het door het MI-GLIS verstrekte Perceels [ID nummer], blijkens de daarop gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi Msc. D.d. 15 februari 2019, goedgekeurd, achter- en grenzende aan het perceelland, groot 15.0130 ha., bekend als [adres 4]”, hierna aangeduid als terrein B.

Op 11 november 2019 is terrein B ten name van de Stichting in het daartoe bestemde register op het kantoor van het Management Instituut GLIS overgeschreven.

2.8 Bij notariële akte d.d. 07 januari 2020 is ten laste van de Vliegende Eend N.V. een hypotheek gevestigd op terrein B ten behoeve van een schuldeiser, hierna aangeduid als hypotheekakte. In de hypotheekakte staat, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende vermeld:

“Heden (…) verscheen voor mij, meester VIKASH GANGARAM-PANDAY, notaris in Suriname, residerende te Paramaribo:
De heer [gedaagde sub B], volgens zijn verklaring hoofddirecteur, geboren )…),
nader te noemen “Partij ter ener”,

EN

In casu handelende voornoemde naamloze vennootschap “[GEDAAGDE SUB A]”, als gevolmachtigde van:

(…) ten deze handelende:
A. in haar hoedanigheid van voorzitter van de te Paramaribo gevestigde Stichting “[DE STICHTING]” (…)
Nader te noemen “Partij ter andere zijde”,
krachtens een akte van lastgeving de dato elfde februari tweeduizend en negentien ten overstaan van de ondergetekende notaris, verleden en onder mij in minuut berustende.
De comparanten zijn aan mij, notaris, bekend.
Partij ter andere zijde verklaart ten behoeve van partij ter ener bij onderzetting te verbinden en met hypotheek te bezwaren:
(…)
Welke hypotheekstelling geschiedt tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen de naamloze vennootschap “DE VLIEGENDE EEND N.V.” aan partij ter ener voornoemd mochten schuldig zijn of worden uit hoofde van de bestaande toekomstige kredietverhouding tussen partijen, of als trekkers, endossanten of medetekenaren van enig (…) tot een bedrag van ZEVENHONDERDVIJFTIGDUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS (…)”.

2.9 Bij schrijven d.d. 14 januari 2020 zijn respectievelijk de schuldenaren en de Stichting door [gedaagde sub A] aangemaand om het achterstallig openstaand saldo te voldoen. Ter zake heeft [gedaagde sub A] het hierna volgende in het schrijven vermeld:
Met referte aan de overeengekomen tussen [gedaagde sub A], De Vliegende Eend N.V. en De Vliegende Eend B.V., delen wij u mede dat u thans een achterstallig openstaand saldo heeft groot US$ 382.418,88 en EUR 636,709,38.

Wij vragen u uitdrukkelijk en zonder uitstel, uiterlijk 1 week na dagtekening, deze bedragen te voldoen op een van de rekeningnummers hieronder vermeld.”

[Gedaagde sub A] heeft het hiervoor vermeld schrijven bij exploot van een deurwaarder op 21 januari 2020 aan de schuldenaren en de Stichting doen betekenen.

2.10 Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, L. Gangaram Panday, d.d. 31 januari 2020, heeft [gedaagde sub A] haar voornemen tot de openbare verkoop van terrein A en terrein B op donderdag 26 maart 2020, des voormiddag om tien uur,ten kantore van de notaris,mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo aan de Stichting aangezegd. Middels dit exploot heeft [gedaagde sub A] tevens aan de Stichting doen betekenen:

  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 17 mei 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 25 juni 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 07 januari 2020;
  • een brief gericht aan notaris mr. V. Gangaram-Panday d.d. 22 januari 2020, in welke brief vermeld staat de verschuldigde bedragen respectievelijk ad US$ 3.293.629,10 en Euro 637.842,71.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert de Stichting, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

I. de opschorting te gelasten, athans op te schorten de akte van notaris mr. Vikash Gangaram Panday gedateerd 07 januari 2020;
II. de doorhaling te gelasten van de ten kantore van het Management Instituut GLIS ingeschreven akte van de hiervoor genoemde notaris, verleden op 07 januari 2020 in register B deel 1834 onder nummer 6125 ten behoeve van de heer [gedaagde sub A] en ten laste van de Vliegende Eend N.V.;
III. de stopzetting te gelasten van de bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 31 januari 2020 no. 07 aangezegde openbare verkoop van de in dat exploot omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op 26 maart 2020 des voormiddags te 10.00 uur ten kantore van mr. Vikash Gangaram Panday zal plaatsvinden, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 50.000.000,-;
IV. [gedaagde sub A] te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

3.2 In conventie legt de Stichting, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag:

  • de akte van lastgeving d.d. 11 februari 2019 is nietig, omdat een gebrek eraan kleeft. Het gebrek bestaat hierin, dat de akte van lastgeving zou zijn verleend op een toekomstig zakelijk recht waardoor het niet voldoet aan de essentialia van een overeenkomst;
  • de hypotheekakte van 07 januari 2020 is nietig;
  • de Stichting heeft op 23 augustus 2019 een option agreement met [gedaagde sub A] gesloten, waarbij [gedaagde sub A] het bedrijf en terrein A met alle lasten (hypotheek en personeel) zou kopen voor de som van US$ 2.5 miljoen, welke koopsom [gedaagde sub A] uiterlijk eind maart 2020 zou voldoen en waarmede de schuld van de schuldenaren zou worden kwijtgescholden;
  • [gedaagde sub A] heeft haar zorgplicht jegensde Stichting en de schuldenaren niet in acht genomen;
  • ondanks de notaris wist dat er een gebrek aan de akte van lastgeving kleefde, is hij er toch toe overgegaan om het hypotheekrecht op 07 januari 2020 ten behoeve van [gedaagde sub A] te vestigen.

3.3 In conventie hebben [gedaagden] en de notaris verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert de notaris, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te veroordelen om aan de notaris tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag ad USD 1.500,-, vermeerderd met 8% omzetbelasting wegens door hem betaalde kosten voor procesvertegenwoordiging.

3.5 In reconventie legt de notaris aan zijn vordering ten grondslag dat de Stichting hem onrechtmatig in het onderhavige proces heeft betrokken. Als gevolg hiervan lijdt hij schade ad US$ 1.500,-, zijnde de kosten die hij onnodig moest maken voor het inschakelen van een advocaat om hem juridisch bij te staan in de onderhavige zaak. De Stichting dient hem deze kosten te voldoen.

  1. De beoordeling
    In conventie en in reconventie

In conventie

Spoedeisend belang

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, in het bijzonder uit het feit dat de openbare verkoop van zowel terrein A als terrein B op 26 maart 2020 zal plaatsvinden.Daarom is eiseres in het kort geding ontvangen.

Niet- ontvankelijkheidsverweer

4.2 [Gedaagden] voeren als formeel verweer dat de Stichting niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat zij geen contractspartij is bij de kredietovereenkomsten. Om die reden kan de Stichting, aldus het verweer van [gedaagden], niet als procespartij in de onderhavige zaak optreden en is zij dus niet bevoegd om de onderhavige vorderingen tegen hen in te stellen.

De kantonrechter constateert dat de schuldenaren en [gedaagde sub A] partij zijn bij de kredietovereenkomsten van respectievelijk d.d. 17 mei 2018, 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 en 08 april 2019 en dat de Stichting als derde tevens eigenares toestemming heeft verleend om ten behoeve van [gedaagde sub A] een hypotheek op het zakelijk recht van grondhuur op de terreinen A en B te doen vestigen, als zekerheid tot terugbetaling van de schuld door de schuldenaren aan [gedaagde sub A]. De Stichting is dus, zoals [gedaagden] terecht opwerpen, geen partij bij de hiervoor vermelde overeenkomsten. Dit leidt echter naar het oordeel van de kantonrechter niet ertoe dat de Stichting niet bevoegd is om tegen de aangezegde openbare verkoop op te komen. Dit, omdat de Stichting een zakelijke titel op de terreinen heeft en aldus enig belang heeft tot behoud van haar zakelijk recht van grondhuur op deze terreinen, zijnde onroerende goederen.

Voorts werpen [gedaagden] op dat niet de zakelijke zekerheidsrechten in het openbaar zullen worden verkocht, maar de onroerende goederen. Dit verweer van [gedaagden] is niet te volgen, omdat alles wat aard en nagelvast is op de terreinen als onroerend dienen te worden aangemerkt.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de kantonrechter het formeel verweer van [gedaagden].

De onherroepelijke volmacht

4.4 De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van de Stichting dat zij zich op het standpunt stelt dat de volmacht c.q. akte van lastgeving d.d. 11 februari 2019 (hierna gemakshalve als volmacht aangeduid) nietig is, omdat daarin de duur van het nog te verkrijgen zakelijk recht van grondhuur niet is vermeld en het dus niet voldoet aan de essentialia van een overeenkomst.

[Gedaagden] daarentegen stellen zich op het standpunt dat het niet opnemen van de duur van het zakelijk recht niet tot gevolg heeft dat de volmacht nietig of vernietigbaar is, omdat niet vooraf kon worden vastgesteld voor welke duur de Staat conform artikel 14 van de Wet Uitgifte Domeingrond dit zakelijk recht zou verlenen.
De kantonrechter is ter zake dit tussen partijen bestaande geschilpunt het hierna volgende van oordeel. Uit de inhoud van de volmacht, van welke volmacht de inhoud onder 2.6 in dit vonnis is weergeven, blijkt dat de Stichting aan [gedaagde sub A] de bevoegdheid heeft gegeven om “het nog te verkrijgen recht van grondhuur” op terrein B met hypotheek te bezwaren. Dit nog te verkrijgen recht van grondhuur dat als onroerend dient te worden aangemerkt, is volledig en gespecificeerd in de volmacht omschreven. Met name is daarin vermeld de grootte en de ligging van het terrein, welke kenmerken heel essentieel zijn voor de bepaalbaarheid van de zaak c.q. het onroerend goed. De duur waarvoor dit zakelijk recht van grondhuur zal worden verleend acht de kantonrechter niet relevant voor de bepaalbaarheid van de zaak, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat het zakelijk recht van grondhuur op domeingronden voor een bepaalde duur wordt verleend. Bovendien kunnen, zoals [gedaagden] terecht opwerpen, toekomstige zaken op de voet van artikel 1355 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek onderwerp van een overeenkomst uitmaken.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat er geen gebrek kleeft aan de volmacht en deze dus als rechtsgeldig dient te worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de Stichting niet slaagt in haar beroep op nietigheid van de volmacht.

De hypotheekakte d.d. 07 januari 2020

4.5 De kantonrechter begrijpt voorts uit de stellingen van de Stichting dat zij zich op het standpunt stelt dat het zakelijk recht op terrein B een toekomstig goed is en de hypotheek ingevolge artikel 1204 lid 1 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (hierna afgekort BW) dus nietig is.
[Gedaagden] daarentegen betogen, dat het hypotheekrecht dat op 07 januari 2020 op terrein B is gevestigd wel rechtsgeldig is, omdat:

  • de Stichting aan [gedaagde sub A] onherroepelijke volmacht heeft verleend om op het moment dat de Stichting terrein B in grondhuur zou verkrijgen, [gedaagde sub A] dit terrein zou mogen bezwaren met hypotheek;
  • de Stichting eigenares van het zakelijk recht op terrein B was, op het moment toen [gedaagde sub A] gebruik maakte van de volmacht.

De kantonrechter is ter zake dit onderdeel waarover tussen partijen geschil bestaat het hierna volgende van oordeel.
Zoals reeds hiervoor onder 4.4 in dit vonnis is overwogen, dient de onherroepelijke volmacht als rechtsgeldig te worden aangemerkt zodat [gedaagde sub A] de bevoegdheid heeft om namens de Stichting het terrein B met een hypotheek te bezwaren als zekerheid tot betaling van de schulden door de schuldenaren.

Uit de inhoud van het ten processe door de Stichting overgelegde hypothecair uittreksel kan worden afgeleid, dat het zakelijk recht van grondhuur sedert 11 november 2019 op naam van de Stichting staat. Het hypotheekrecht is bij notariële akte d.d. 07 april 2020, dus nadat het zakelijk recht op naam van de Stichting stond, op het bedoelde zakelijk recht gevestigd. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de voorlopige slotsom dat in casu geen sprake is van een toekomstig onroerend goed, doch van een tegenwoordig of bestaanbaar onroerend goed zodat het beroep van de Stichting op nietigheid van de hypotheekakte faalt.

Zorgplicht

4.6 Zoals reeds hiervoor onder 4.2 is overwogen is de Stichting geen contractspartij bij de kredietovereenkomsten, zodat zij zich niet met succes erop kan beroepen dat [gedaagde sub A] haar zorgplicht jegens de schuldenaren niet in acht heeft genomen. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling.

Conclusie

4.7 Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat zowel de onherroepelijke volmacht d.d. 11 februari 2019 als de hypotheekakte d.d. 07 januari 2020 rechtsgeldig zijn, zodat de in conventie gevorderde voorzieningen onder I en II welke ook gericht zijn tot de notaris als ongegrond zullen worden geweigerd.

Gronden voor openbare verkoop

4.8 Niet in geschil is dat de schuldenaren voor wie de Stichting zich garant heeft gesteld niet hebben voldaan aan hun betalingsverplichting jegens [gedaagde sub A], zodat [gedaagde sub A] wel bevoegd is om tot openbare verkoop van de terreinen over te gaan. In dat licht brengt de kantonrechter de Stichting in herinnering dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder, in casu [gedaagde sub A], bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. Hieruit volgt dat de in conventie gevorderde voorziening onder III zal worden geweigerd.

Proceskosten

4.9 De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

In reconventie

Misbruik van procesrecht

4.10 Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen is de gevorderde voorziening gericht tot de notaris geweigerd. Dit brengt echter niet zonder meer met zich mee dat de Stichting misbruik maakt van procesrecht. Voor de kantonrechter dient als leidraad het arrest van HR 6 april 2012, NJ 2012, 233, waarin de HR heeft overwogen dat van misbruik van procesrecht eerst sprake kan zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende danwel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
De notaris heeft het bovenstaande niet gesteld. Hij heeft enkel en alleen bloot gesteld dat de Stichting hem onterecht in het onderhavige proces heeft betrokken. Derhalve is niet aannemelijk dat de Stichting een onrechtmatige daad jegens de notaris pleegt, zodat de in reconventie gevorderde voorziening zal worden geweigerd.

Proceskosten

4.11 De notaris zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing in kort geding
    In conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:

In conventie

5.1 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt de Stichting in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] en de notaris zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

In reconventie

5.3 Weigert de gevorderde voorzieningen.

5.4 Veroordeelt de notaris in de proceskosten die aan de zijde van de Stichting zijn gevallen en tot aan deze uitspraak begroot zijn op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 26 maart 2020 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2015-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende aan [adres]
in [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. I. Asarfi-Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. M. Danning,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
Het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 25 april 2014;
Het proces-verbaal van het op 07 november 2014 gehouden verhoor van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 februari 2015 doch nader op heden;

2. De feiten
2.1. [verzoeker] is bij de Staat in dienst getreden en wel bij het Korps Politie Suriname en was in vaste dienst en bekend onder persoonsnummer [nummer 1];

2.2. [verzoeker] is bij beschikking d.d. 31 maart 2014 K.A. [nummer 2] (hierna: de beschikking) ontslag aangezegd als tuchtstraf;

2.3. [verzoeker] is op zondag 2 juni 2013 omstreeks 19.30 uur in verzekering gesteld ter zake het overtreden van art. 3, 3a van de Rijwet, te weten rijden onder invloed van alcohol;

2.4. [verzoeker] had op vrijdag 1 juni 2013 verlof opgenomen voor het weekend en had dus geen dienst ten tijde van het gebeuren;

2.5. Het rijden onder invloed is door het Openbaar Ministerie met een boete afgedaan;

2.6. [verzoeker] heeft de geldboete voldaan en heeft zijn rijbewijs terug gehad;

2.7. Naderhand bleek dat het dienstwapen van [verzoeker] ontbrak en werd [verzoeker] op het Bureau ontboden op 03 juni 2013. Ook zijn vriend genaamd [naam] werd ontboden en beiden werden in verzekering gesteld ter zake de artikelen 370 en 381 van het Wetboek van Strafrecht, omdat de Politie het vermoeden had dat [verzoeker] het wapen gestolen dan wel verduisterd had;

2.8. [verzoeker] is bij de voorgeleiding op het Parket in vrijheid gesteld en de zaak is nimmer verder vervolgd en is aan [verzoeker] ook niet medegedeeld dat hij gedagvaard zal worden;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken, uitvoerbaar bij voorraad:
A. vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking;
B. veroordeling van de Staat tot betaling casuquo doorbetaling van het salaris van [verzoeker] vanaf 31 maart 2014, verhoogd met emolumenten en toelagen en verhogingen totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is;
C. veroordeling van de Staat om [verzoeker] tot de werkplek toe te laten en hem in staat te stellen arbeid te verrichten binnen een week na uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,-voor elke dag dat de Staat weigert aan het vonnis gevolg te geven;
D. veroordeling van de Staat in de kosten van het proces, waaronder ook de proceskosten ad SRD. 2.500,-;

3.2. [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De beschikking is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een deugdelijke motivering van een Overheidsbeslissing, het beginsel van willekeur en in strijd met het handelen door de Overheid met het beginsel van rechtszekerheid en handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen.

3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.2. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Bij de beoordeling van de opgelegde straf aan [verzoeker] heeft de Korpschef ook acht geslagen op het aantal dienstjaren van [verzoeker]. Door het Managementteam heeft er een afweging van belangen plaatsgevonden, wat erin geresulteerd heeft dat [verzoeker] is ontslagen. [verzoeker] is amper twee jaren in dienst en heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol alsmede verlies van zijn dienstwapen. Er is rekening gehouden met de op te leggen tuchtstraf en daarom is de strafzaak tegen [verzoeker] geseponeerd. De Staat had toen al het vermoeden dat de tuchtstraf van ontslag boven het hoofd van [verzoeker] hing. Het gaat in casu om een samenloop van omstandigheden en het feit dat [verzoeker] pas in dienst is.

4.3. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de beschikking, en voorts of dit plichtsverzuim zo ernstig is dat de tuchtstraf van ontslag zou moeten worden opgelegd. In casu staat onomstotelijk vast dat [verzoeker] op 1 juni 2013 met verlof was en dat hij op die dag danig onder invloed van alcohol zijnde, als autobestuurder, heeft deelgenomen aan het verkeer. Daar komt nog bovenop dat zijn auto op een gegeven moment zonder brandstof kwam te zitten waardoor hij niet verder kon rijden en genoodzaakt was om bij een inrit van een woonhuis halt te houden. Hij heeft zich derhalve gewend tot de bewoners aldaar en aangegeven – tot grote verbazing van de bewoners – dat hij daar was als ambtenaar van politie naar aanleiding van een melding, teneinde een burenruzie te onderzoeken. Van een burenruzie bleek namelijk in het geheel geen sprake te zijn. Bij het weggaan stapte [verzoeker] bovendien in de auto van de bewoners in plaats van in zijn eigen voertuig. Het voorgaande wekte bevreemding bij de bewoners die daarop de politie inschakelden. De ter plekke gearriveerde politie nam [verzoeker] mee en hij werd in verzekering gesteld op verdenking van – kort gezegd – dronken rijden. Na het betalen van een geldboete werd hij in vrijheid gesteld en kreeg zijn rijbewijs terug. Naderhand bleek evenwel dat [verzoeker] eveneens zijn dienstwapen was kwijtgeraakt en dat hij daar geen aannemelijke verklaring voor kon geven. Op grond daarvan werd hij ter zake van diefstal casu quo verduistering wederom in verzekering gesteld en naderhand bij de voorgeleiding op het Parket in vrijheid gesteld. Tot zover het feitenrelaas dat vaststaat. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] plichtsverzuim op. Plichtsverzuim betekent volgens van Dale ”Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen.

4.4. In casu is er geen sprake van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift. Wel is er sprake van het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. Daaronder valt ook gedrag in de privésfeer. Naar het oordeel van het hof dient een ambtenaar van politie zich ook in zijn vrije tijd correct te gedragen. Door dronken achter het stuur van zijn auto plaats te nemen en deel te nemen aan het verkeer en zijn dienstwapen daarbij kwijt te raken, heeft [verzoeker] zich verre van correct gedragen en zich derhalve – naar het oordeel van het hof – schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Het hof slaat daarbij acht op het feit dat het gedrag van [verzoeker], gelet op de aard en de ernst daarvan, een uitstraling heeft naar het functioneren van hem als politieambtenaar en het imago van de dienst. Tevens wordt daarbij acht geslagen op zijn rang, de mate van integriteit die deze functie vereist en/of die functie gezichtsbepalend is voor de Overheid. Voor politieambtenaren geldt als uitgangspunt dat hun integriteit boven iedere twijfel verheven moet zijn omdat het ambtenaren betreft die, meer dan de ’gewone’ ambtenaren bekleed zijn met direct openbaar gezag en ter zake verregaande bevoegdheden jegens burgers hebben.

4.5. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen geen ernstig plichtsverzuim op; wel is er sprake van plichtsverzuim in die zin dat [verzoeker] zich in zijn vrije tijd incorrect heeft gedragen hetgeen niet strookt met de betamelijkheid van een politieman. Evenwel betreft het in casu een politieambtenaar die aan het begin van zijn carrière staat en zich voor de eerste keer heeft vergaloppeerd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Het gebruik van alcohol verdisculpeert hem uiteraard niet maar wordt afgezet tegen kwaadaardig handelen door een politieambtenaar die welbewust – na afweging van alle pro’s en contra’s – een weloverwogen keus maakt om over de schreef te gaan aangezien hij tot de slotsom is gekomen dat misdaad loont. De relatief lage rang van [verzoeker] (aspirant agent van politie) maakt dat voor wat betreft het functioneren van hem in de toekomst er – naar de inschattting van het hof – geen onoverkomelijke obstakels zullen zijn en het imago van het Korps Politie Suriname door zijn handelen geen grote deuk heeft gekregen. Daarenboven had [verzoeker] al getransigeerd voor dronken rijden en was er klaarblijkelijk geen vuiltje meer aan de lucht. Toen evenwel bleek dat hij de ware toedracht met betrekking tot het kwijtraken van zijn dienstwapen had trachten te verhullen, is hem dat – terecht overigens – niet in dank afgenomen door de Korpsleiding. Nu [verzoeker] naar het oordeel van het hof oprecht spijt heeft betuigd en daarbij bij zijn verhoor heeft aangegeven de laakbaarheid van zijn handelingen in te zien en te betreuren, komt het hof tot de slotsom dat de opgelegde tuchtmaatregel niet evenredig is aan de aard en omvang van het aan [verzoeker] verwetene. Derhalve dient de beschikking wat dit onderdeel betreft te worden gecorrigeerd.

4.6. In het verlengde hiervan oordeelt het hof dat bij het opleggen van een tuchtmaatregel gekeken moet worden naar de aard van de gedraging afgezet tegen de staat van dienst van [verzoeker].Niet is gebleken dat [verzoeker] eerder een tuchtstraf opgelegd heeft gekregen in de ongeveer twee jaren dat hij in dienst is bij het Korps Politie Suriname. Verder blijkt uit de ten processe | overgelegde dagorders – welker inhoud niet is betwist- dat voor soortgelijke vergrijpen binnen * de dienstuitoefening er andersoortige tuchtmaatregelen dan ontslag aan betrokkenen worden opgelegd. Naar het oordeel van het hof leidt een redelijke en billijke belangenafweging in casu tot de slotsom dat de opgelegde tuchtmaatregel van ontslag disproportioneel is ten opzichte van het gepleegd plichtsverzuim zijdens [verzoeker]. De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde is derhalve komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. Naar het oordeel van het hof dient [verzoeker] de kosten gepaard gaande met verlies van het dienstwapen aan het Korps Politie Suriname te vergoeden en zou een schorsing voor een periode van drie maanden recht doen aan de aard van het door [verzoeker] gepleegd vergrijp. Ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 van de Personeelswet zal het hof zelf de passende tuchtstraf als hiervoor aangegeven bepalen en aangeven dat het vonnis in de plaats treedt van het besluit van de Staat.

4.7. Ten aanzien van de onderdelen van het gevorderde dat betreft betaling salaris casu quo doorbetaling van het salaris alsmede het toelaten tot de werkplek, komt het hof tot de slotsom dat dat niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Immers behelst de opsomming in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet een limitatieve opsomming en gesteld noch gebleken is dat voormelde onderdelen van het gevorderde daaronder gerubriceerd kunnen worden. De mede gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad zal eveneens worden afgewezen nu het Hof rechtdoende in Ambtenarenzaken in eerste en hoogste instantie oordeelt, zodat het het hof ontgaat welk belang [verzoeker] heeft bij toewijzing van dat onderdeel van het gevorderde;

4.8. Gelet op al het voorgaande zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden;

4.9. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

5. De beslissing
Het hof:
5.1. Verklaart nietig de algehele beschikking de dato 31 maart 2014, bekend onder K.A. [nummer 2] van het Ministerie van Justitie en Politie bureau [nummer 3], welke aan [verzoeker] in persoon is uitgereikt en waarbij [verzoeker] is ontslagen.

5.2. Legt aan [verzoeker] de navolgende tuchtstraf op: schorsing voor een periode van drie maanden | met ingang van 4 juni 2013;

5.3. Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 60,– (Zestig Surinaamse Dollars);

5.4. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr.M.V. KuldipSingh, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 maart 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr.I.S. Asarfi-Lalji, gemachtigde van verzoeker, en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-19

G.R.No. 14851
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant],
wonende in het [district] ,
appellant,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district] ,
als gemachtigde van [naam],
wonende in [land], geïntimeerde,
gemachtigde: mr. Greg A.T.T. Sitaram, advocaat
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 21 juli 2009 (A.R. No. 08-4488) tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 25 augustus 2009 van de griffier der kantongerechten,
    waarin is vermeld dat appellant tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 december 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 4 april 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 2 mei 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 1 augustus 2014;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 3 oktober 2014;
  • de uitspraak van dit vonnis, aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015, is nader bepaald op heden.

De beoordeling
1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellant daarin kan worden ontvangen.
2. Anders dan appellant meent, staat het een partij die een vorderingsrecht heeft vrij zich in een proces daarover door een ander te doen vertegenwoordigen. Er is geen rechtsregel die zich daartegen verzet. Wél moet duidelijk zijn wie de vertegenwoordiger (de formele partij) is en wie de vertegenwoordigde (de materiele partij). Daarover kan in deze zaak geen misverstand bestaan. In het inleidend verzoekschrift zijn de posities van [geïntimeerde] en [naam] duidelijk aangegeven. De klachten hierover van appellant zijn ongegrond.
3. In de toelichting op de tweede grief vermeldt appellant nog: ”Als de kantonrechter beslist dat de vordering onder a van het petitum dient te worden afgewezen, dient hij dat in zijn vonnis te vermelden, hetgeen hij heeft nagelaten.” Inderdaad heeft de kantonrechter met betrekking tot dit vorderingsonderdeel in het dictum van zijn vonnis geen beslissing gegeven. Er had aldaar te dien aanzien moeten worden vermeld: ”Wijst af het meer of anders gevorderde”. In zoverre is de klacht van appellant gegrond. Hij heeft er echter blijk van gegeven goed te begrijpen wat de beslissing in dit opzicht inhield en heeft geen in rechte te respecteren belang bij herstel van de begane vergissing.
4. Op grond van het bovenstaande zal het Hof het bestreden vonnis bevestigen. Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

  • bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 21 juli 2009 bekend onder A.R.No. 08-4488, waarvan beroep;
  • veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. F.F.P. Truideman en mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoekster in de hoofdzaak alsmede in het incident,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB),
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,
verweerder in de hoofdzaak alsmede in het incident,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, wnd. Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift met producties dat op 24 juni 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 07 augustus 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 augustus 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 augustus 2015, met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 17 september 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 06 oktober 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 september 2015, met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift, ingediend op 27 oktober 2015;
  • de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;het procesverbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 18 maart 2016;
  • de incidentele conclusie tot herziening c.q. wijziging van het verzoekschrift, met producties, ingediend d.d. 18 maart 2016;
  • de conclusie van antwoord in het incident, met producties, ingediend d.d. 03 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, ingediend d.d. 05 augustus 2016;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 17 februari 20 I 7.

De vordering, de grondslag daarvan en bet verweer daartegen
In de hoofdzaak
2.1. Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om:
a. haar te ontvangen in haar vordering;nietig te verklaren, althans te vernietigen, de beschikking d.d. 13 mei 2015, Bureau [nummer 1];
b. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;
c. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de voorheen bekleedde functie, te kunnen vervullen zonder
enige hindernis zijdens verweerde;
d. verweerder te gelasten hetsalaris aan verzoekster uit te betalen en daarmee voort te gaan conform beschikking d.d. 24 december 2013, [nummer 2];
e. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat bij in strijd handelt met het hierboven gevorderde;
f. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;
g. één of meer beslissingen te geven zoals het het hof geraden voorkomt.

2.2. Verzoekster heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslag beschikking d.d. 13 mei 2015 berust op onware feiten, niet deugdelijk is gemotiveerd, tot stand is gekomen in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en in strijd is met wet. Tevens stelt verzoekster dat de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming is met het vermeend door haar gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.

2.3. Verweerder heeft bij wege van verweer aangevoerd dat de gewraakte beschikking zal worden ingetrokken en dat verzoekster de intrekkingsbeschikking ten spoedigste tegemoet mag zien.

In het incident
2.4. Verzoekster heeft bij incidentele conclusie verzocht om toe te staan dat het verzoekschrift wordt herzien, in dier voege dat het petitum onder b als volgt wordt gelezen:”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1], d.d. 3 november 2015 [nummer 3] . d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerster te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functie waarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen; ”

2.5. Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij bij exploot d.d. 12 januari 2016 de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen eensluidend als de gewraakte ontslagbeschikking, waarin slechts de ingangsdatum van het ontslag is weggelaten, terwijl zij bij exploot d.d. 14 januari 2016 de beschikking d.d. 23 oktober 2016 heeft ontvangen inhoudende de intrekking van de gewraakte ontslagbeschikking. Tevens heeft verzoekster op 15 maart 2016 ontvangen, de beschikking d.d. 22 februari 2016, waarin de ingangsdatum van het aan haar verleend ontslag is vastgesteld op 13 januari 2016. Verzoekster stelt dat vanwege de gekozen volgorde het aan haar verleend ontslag nimmer heeft opgehouden c.q. heeft voortgeduurd, weshalve zij geen reden heeft om af te zien van de onderhavige vordering, terwijl de handelingen van verweerder blijk geven van het grovelijk in strijd handelen met de goede procesorde, te meer daar partijen voor wat betreft het onderwerpelijke te midden van het rechtsproces zijn.

2.6. Verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord op het incident als verweer aangevoerd dat de beschikking d.d. 13 mei 2015 bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 is ingetrokken, weshalve deze niet meer van kracht is, terwijl de beschikking d.d. 23 oktober 2015 ingevolge artikel 79 lid 2 PW, niet betreft een besluit tot ontslag. Verweerder voert voorts aan dat verzoekster de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen op 12 januari 2016, terwijl de incidentele vordering tot wijziging verzoekschrift is ingediend op 18 maart 2016, en is derhalve niet conform artikel 80 PW binnen een maand na kennisname ingediend. Verweerder concludeert derhalve dat verzoekster conform artikel 80 PW niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele vordering.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak
In het incident
3.1. Het hof stelt voorop dat thans de vraag beantwoord dient te worden of de gevorderde eiswijziging is toegestaan, zonder in dit stadium op de inhoudelijke beoordeling van het gevorderde in te gaan, zodat het hof slechts zal nagaan of er in casu sprake is van een ongeoorloofde eisvermeerdering en/of dat verweerder door de gevorderde eiswijziging in zijn verdediging wordt geschaad en/of dat het proces daardoor onredelijk wordt vertraagd. Het hof overweegt dat de eiswijziging erop neerkomt dat dat behalve de reeds gevorderde nietigverklaring c.q. vernietiging van de beschikking d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1], eveneens worden meegenomen de gedurende het proces aan verzoekster uitgereikte beschikkingen d.d. 3 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016. Naar het oordeel van het hof hebben de naderhand uitgereikte beschikkingen allen betrekking op het eerste besluit tot ontslagverlening aan verzoekster, op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld, c.q. vloeien deze beschikkingen voort uit dat eerste besluit, zodat er geen sprake is van een eisvermeerdering. Evenmin is naar het oordeel van het hof verweerder in zijn verdediging geschaad. Meer nog, verweerder heeft de gelegenheid te baat genomen om bij zijn conclusie van antwoord in het incident alsnog inhoudelijk verweer te voeren op de vordering van verzoekster, hetgeen hij eerder had. Van een onredelijke vertraging van het proces is evenmin sprake, integendeel worden kosten en tijd bespaard door de beschikkingen in het onderhavig proces mee te nemen.

3.2. Gelet op het voren overwogene zal de gevorderde eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder b zal komen te luiden zoals overwogen onder 2.4 van dit vonnis.

In de hoofdzaak
3.3. Nu, de vordering in het incident zal worden toegewezen, zal in de hoofdzaak voort geprocedeerd dienen te worden in de stand waarin het zich bevond voordat de zaak voor vonnis in het incident werd bepaald, weshalve de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen voor voortzetting verhoor van partijen op de datum zoals bepaald in de beslissing.

3.4. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

  1. De beslissing in het incident en in de hoofdzaak
    Het Hof:

In het incident
4.1. Staat toe de gevorderde eiswijziging, in dier voege dat het petitum onder b als volgt zal luiden :”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau [nummer 1] , d.d. 3 november 2015 [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerder te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functiwaarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen;”

In de hoofdzaak
4.2. Bepaalt dat de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen op de terechtzitting van vrijdag 16 maart 2018 voor voortzetting verhoor van partijen.

4.3. Houdt iedere verdere beslissing aan .

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr.S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 november 2017, in tegenwoordigheid van mr.S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijenverzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr.M.A. Guman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr.R.Y. Gravenbeek, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof vanJustitie,
mr.M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2019-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde voorheen : I.D. Kanhai, BSc., advocaat,
thans: mr. M.S.M.D. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-G.eneraal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,verweerder,
gevolmachtigde : mr. R. Jhinkoe, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.
Partijen zullen hierna worden aangeduid met [verzoeker] respectievelijk de Staat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitd.d. 8 augustus 2017;
  • het verweerschrift ontvangen op 14 december 2017;
  • het proces-verbaal van het op 1 juni 2018 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Tussen [verzoeker] en de Staat is er een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van drie jaar met ingang van 2 juli 2014.

2.2 De Staat heeft bij schrijven d.d. 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1] en referentienummer [nummer 2] aan [verzoeker] medegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op grond daarvan de dienstbetrekking wordt beëindigd met ingang van 2 juli 2017.

2.3 De Staat heeft bij schrijven d.d. 7 juli 2017 kenmerk Ag. [nummer 3] en referentienummer OD [nummer 4] aan [verzoeker] medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat de dienstbetrekking met hem,
[verzoeker], wordt gehandhaafd maar dat hij per die datum wordt gedemilitariseerd en tevens wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het Directoraat Nationale Veiligheid (DNV).

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – kort en zakelijk weergegeven – (…) bij vonnis dat het Hof van Justitie rechtdoende in Ambtenaren zaken uitvoerbaar bij voorraad:

  1. nietig zal verklaren althans zal vernietigen de brieven respectievelijk gedateerd 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1], referentienummer [nummer 2] en 7 juli 2017 kenmerk Ag.[nummer 3] en referentienummer OD [nummer 4].
  2. de Staat zal gelasten om de hiervoor vermelde brieven in te trekken en hem hiervan tijdig in kennis te stellen;
  3. de Staat zal gelasten om zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de Wet Rechtspositie Militairen;
  4. de Staat zal gelasten om binnen een week na de uitspraak zijn benoeming c.q. bevordering te formaliseren en hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris;
  5. de Staat zal gelasten om zijn salaris maandelijks normaal uit te betalen met in achtneming van de daarbij van toepassing zijnde wettelijke regelingen;
  6. de Staat zal gelasten om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet Rechtspositie Militairen in acht te nemen, terzake zijn mutering naar een ander ministerie.
  7. de Staat zal gelasten om de bepalingen van de Personeelswet in acht te nemen, terzake het verlenen van verlof;
  8. de Staat zal gelasten om binnen een week na de uitspraak hem schriftelijk in kennis te stellen dat de gedane uitlatingen, als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup niet op waarheid berusten en hij dientengevolge wordt gerehabiliteerd ;
  9. de Staat zal veroordelen om aan hem terug te betalen het bedrag van US$1.000,= vermeerderd met de wettelijke rente;
  10. de Staat zal veroordelen tot betaling van een dwangsom indien die in strijd handelt met het hiervoor omschrevene onder II, III, IV, VI , VII en VIII;
  11. de Staat zal veroordelen om aan hem te betalen een schadevergoeding van SRD 2.500.000,= respectievelijk SRD 7.500,=;

3.2 [verzoeker] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
De Staat handelt in strijd met de wet Rechtspositie Militairen. Hij kan zich niet verenigen met het besluit dat hij wordt gedemilitariseerd omdat dit consequenties zal hebben voor zijn rechtspositie. Er is sprake van discriminatie nu andere militairen zijn gemuteerd doch wel hun status van militair hebben behouden. Met zijn overplaatsing handelt de Staat in strijd met de Personeelswet, aangezien een ambtshalve overplaatsing niet tegen de wil van de betrokken landsdienaar kan geschieden. Aan hem is medegedeeld dat indien hij niet meewerkt aan zijn overplaatsing hij vanaf de maand juli 2017 geen salaris zal ontvangen. Ook dit is in strijd met de Wet. Hij, [verzoeker], bekleedt de rang van korporaal doch de Staat laat na om dit bij beschikking te formaliseren. Ook bij de aanvraag van verlof handelt de Staat in strijd met de wet. Om voor verlof in aanmerking te komen moet hij eerst een bepaald bedrag aan zijn meerdere betalen. Zo heeft hij in totaal een bedrag van US$1.000,= betaald om in aanmerking te komen voor verlof. Tenslotte worden hij en enkele collega’s ervan beschuldigd zich bezig te houden met het beramen van een coup, hetgeen in strijd is met de waarheid . Hij lijdt door deze uitlatingen schade die de Staat dient te vergoeden. Daarnaast dient de Staat te betalen de door hem gemaakte advocaatkosten.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt voor zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1 In artikel 79 van de Personeelswet (PW) heeft de wetgever limitatief opgesomd de vorderingen die ter beoordeling aan het Hof als eerste en hoogste instantie kunnen worden voorgelegd.
Het gaat met name om de volgende vorderingen:

a.gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b.vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig,nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c.oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.1.1 Het Hof zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen zoals omschreven hiervoor onder 3.1 onder II tot en met IX, nu deze vorderingen niet vallen onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Het Hof is eveneens niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker] met betrekking tot de veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om hem, [verzoeker], binnen een week na de uitspraak schriftelijk in kennis te stellen dat de gedane uitlatingen, als zouden hij en zijn collega’s bezig zijn met het beramen van een coup, niet op waarheid berusten en hij dientengevolge wordt gerehabiliteerd. Dit gevorderde valt ook niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Ten aanzien van de vordering van [verzoeker] tot veroordeling van de Staat om aan hem te betalen een schadevergoeding van SRD 2.500.000,= respectievelijk SRD 7.500,= is het Hof ook niet bevoegd om daarvan kennis te nemen, en wel om dezelfde reden als hiervoor vermeld.

Ontvankelijkheid
4.2 Niet is gesteld of gebleken dat de overige door [verzoeker] ingestelde vorderingen niet binnen de bij wet vastgestelde termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is daarin.

Nietigverklaring
4.3 [verzoeker] heeft gevorderd nietig te verklaren althans te vernietigen de brief gedateerd 7 mei 2017 kenmerk Ag. [nummer 1],referentienummer [nummer 4]. Deze brief heeft betrekking op de mededeling van de Staat aan hem dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op grond daarvan de dienstbetrekking wordt beëindigd met ingang van 2 juli 2017. De vordering van [verzoeker] tot nietigverklaring althans vernietiging van deze brief zal worden afgewezen . [verzoeker] heeft immers zelf gesteld dat de Staat bij brief d.d. 7 juli 2017 aan hem heeft medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken. Nu de brief is ingetrokken door de Staat, heeft die geen rechtskracht meer en ontgaat het Hof welk belang [verzoeker] heeft bij de vordering tot nietigverklaring althans vernietiging van deze brief.

4.4 [verzoeker] vordert ook nietigverklaring althans vernietiging van de brief gedateerd 7 juli 2017 kenmerk Ag. [nummer 1] en referentienummer OD [nummer 4].In deze brief heeft de Staat aan [verzoeker] medegedeeld dat de brief van 7 mei 2017 wordt ingetrokken, met dien verstande dat de dienstbetrekking met hem, [verzoeker], wordt gehandhaafd maar dat hij per die datum wordt gedemilitariseerd en tevens wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van het directoraat Nationale Veiligheid (DNV).De Staat heeft ten aanzien van deze brief aangevoerd dat zij deze brief heeft herzien bij schrijven d.d. 27 juli 2017. De inhoud van dit schrijven is aan [verzoeker] medegedeeld op 30 augustus 2017 en houdt in dat hij niet meer wordt gedemilitariseerd en dat hij wordt overgeplaatst naar het infanteriebataljon .Ter gehouden verhoor op de terechtzitting van 16 november 2018 heeft de vertegenwoordiger van de Staat, in de persoon van [naam] (hierna [naam]) verklaard dat [verzoeker] nooit is gedemilitariseerd. Volgens [naam] voornoemd was [verzoeker] militair in de rang van korporaal. Hij was overgeplaatst bij de landmacht. Op 1 december 2017 moest betrokkene zich aanmelden voor diensthervatting maar hij heeft zich nimmer aangemeld.[verzoeker] heeft hetgeen de Staat bij wege van verweer heeft aangevoerd en door [naam] alszodanig ter terechtzitting is bevestigd niet althans niet gemotiveerd weersproken, zodat in rechte daarvan wordt uitgegaan.Uitgaande van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat nu de brief d.d. 7 juli 2017 is herzien bij schrijven d.d. 27 juli 2017, [verzoeker] ook geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde nietigverklaring althans vernietiging van de brief van 7 juli 2017.Deze vordering zal eveneens worden afgewezen.

Dwangsom
[verzoeker] vordert veroordeling van de Staat tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om:

a.de brieven d.d. 7 mei 2017 en 7 juli 2017 in te trekken en hem hiervan tijdig in kennis stelt. Naar het oordeel van het Hof heeft [verzoeker] een belang meer bij de intrekking van de genoemde brieven en wel om dezelfde redenen als overwogen onder 4.3 en 4.4 hiervoor. De vordering tot betaling van een dwangsom terzake het in gebreke zijn wordt daarom afgewezen.

b.zijn rechtspositie in overeenstemming te brengen met de Wet Rechtspositie Militairen. Volgens [verzoeker] bekleedt hij de rang van korporaal doch de Staat laat na om dit bij beschikking te formaliseren. De twijfel van [verzoeker] dat de Staat zijn rechtspositie niet in overeenstemming zou brengen met de realiteit was gegrond op de twee hiervoor genoemde brieven die inmiddels zijn herzien door de Staat. Ter gehouden verhoor van partijen heeft [naam] verklaard dat [verzoeker] de rang had van korporaal, en is niet gebleken dat de Staat daar een ander idee over heeft. Met deze bevestiging heeft het Hof geen redenen om te twijfelen dat de Staat (zolang [verzoeker] de jure in dienst is) zal weigeren om de rechtspositie van [verzoeker] in overeenstemming te brengen met de realiteit. De vordering van [verzoeker] tot betaling van een dwangsom indien de Staat hiermee in gebreke blijft zal daarom worden afgewezen. Bovendien heeft [verzoeker], die vanaf februari 2017 niet meer op de werkplek is verschenen, zelf ter gehouden verhoor van partijen verklaard dat hij thans niet langer in dienst wil zijn van het Ministerie van Defensie, aangezien hij zijn eigen onderneming wenst te starten. De vraag rijst dan ook nog of [verzoeker] nog enig belang heeft bij dit onderdeel van het gevorderde.

c.om binnen een week na de uitspraak zijn benoeming c.q. bevordering te formaliseren en hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris. Het gevorderde met betrekking tot betaling van een dwangsom indien de Staat in gebreke blijft met het formaliseren van zijn benoeming c.q. bevordering, zal worden afgewezen, en wel vanwege dezelfde redenen als overwogen onder 4.5 onder b. Voor wat betreft de veroordeling tot betaling van een dwangsom indien de Staat in gebreke blijft om hem in aanmerking te doen komen voor het daarbij behorende salaris overweegt het Hof als volgt. Ingevolge artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) kan een dwangsom worden opgelegd indien de veroordeling betreft iets anders dan betaling van een geldsom. Aangezien betaling van het salaris betreft een geldsom kan er, ingevolge artikel 492 BRv, dus geen dwangsom worden opgelegd aan een dergelijke veroordeling. Bovendien is het maar de vraag of [verzoeker] aanspraak maakt op salaris nu hij zelf heeft gesteld ter terechtzitting dat hij sinds februari 2017 niet meer werkt en dat hij vanaf januari 2018 niet wordt betaald. Dat betekent dat [verzoeker] vanaf februari 2017 tot en met december 2017 salaris heeft ontvangen zonder dat hij daarvoor heeft gewerkt. Ook dit onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen.

d.om de bepalingen van de Personeelswet en de Wet Rechtspositie Militairen in acht te nemen, terzake zijn mutering naar een ander Ministerie. Ook bij dit onderdeel van het gevorderde heeft [verzoeker] geen belang nu hij niet betwist het verweer van de Staat dat zijn mutering naar een ander Ministerie nimmer is geschied.

e.om de bepalingen van de Personeelswet in acht te nemen, terzake het verlenen van verlof.Ten aanzien hiervan heeft [verzoeker] gesteld dat hij eerst een bepaald bedrag moet betalen om voor verlof in aanmerking te komen. Zo heeft hij in totaal een bedrag van US$1.000,= betaald aan zijn meerdere om in aanmerking te komen voor verlof.

4.6 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig .

De beslissing
Wijst de vordering van [verzoeker] af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A Charan en mr.I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 1 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.M.D. Sitaram, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. B. Tjin Liep Shie namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-17

G.R.No. 15463

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te Paramaribo,
appellant,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 12 december 2016 bekend onder A.R.No. 15-4600 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 25 januari 2017 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 2 november 2018;
  • het antwoordpleidooi gedateerd 16 november 2018;
  • het repliekpleidooi gedateerd 7 december 2018;
  • het dupliekpleidooi gedateerd 4 januari 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is aanvankelijk bepaald op 3 mei 2019 doch bij vervroeging op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De vrouw vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man te weigeren.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 december 2016, bekend onder A.R.No. 15- 4600 nu de vrouw daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 De man heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – de echtscheiding tussen partijen met alle wettelijke gevolgen van dien.
De man heeft als grondslag hiervoor aangevoerd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat de partijen reeds langer dan een jaar gescheiden van elkaar wonen, als gevolg waarvan partijen elk een afzonderlijk leven van elkaar hebben opgebouwd.

4.3 De kantonrechter heeft onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling gelast van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.
De kantonrechter heeft daartoe in overweging 4.6 van het vonnis onder meer overwogen:
”De kantonrechter overweegt dat als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist tussen partijen vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. Naar het oordeel van de kantonrechter wonen partijen reeds twee jaren feitelijk gescheiden, terwijl er van enige poging tot verzoening van welke zijde dan ook, niet is gebleken noch heeft gedaagde te kennen gegeven zich te willen verzoenen met eiser, weshalve een beroep op artikel 263 BW ongerechtvaardigd is en in strijd met de strekking van voormeld artikel, nu het duidelijk is dat het gedaagde slechts te doen is om eiser dwars te zitten of om materiële belangen. Het beroep op artikel 263 BW faalt derhalve en zal het door eiser gevorderde als op de wet gegrond worden toegewezen.”

4.4 De vrouw heeft tegen voormeld vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte:

  1. heeft overwogen dat als niet althans niet gemotiveerd betwist vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht;
  2. de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken en een datum voor familieverhoor heeft vastgesteld;
  3. haar heeft veroordeeld om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, onder benoeming van een boedelnotaris en een onzijdige persoon voor elk der partijen.

De vrouw motiveert het voorgaande door aan te voeren dat zij in eerste aanleg gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de door de man gestelde duurzame ontwrichting in die zin dat de duurzame ontwrichting – zo begrijpt de kantonrechter dat – in overwegende mate aan de man te wijten is. De vrouw beroept zich op artikel 263 BW, waarin is bepaald dat de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot, die vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert. Volgens de vrouw heeft zij bewijsaanbod gedaan en had de kantonrechter niet daaraan voorbij mogen gaan.

4.5 Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar verweer, dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is, onvoldoende gemotiveerd. Van de vrouw mocht worden verwacht dat zij feiten en omstandigheden aanvoerde die haar verweer rechtvaardigde. In plaats daarvan heeft zij volstaan met een beroep te doen op artikel 263 BW.
Reeds om deze reden heeft de kantonrechter, naar het oordeel van het Hof, terecht de vrouw geen bewijsopdracht gegeven en de vordering van de man toegewezen zoals vastgelegd in voormelde vonnis.

4.6 Indien de vrouw meent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man te wijten is omdat hij op enig moment de echtelijke woning heeft verlaten, is het hof van oordeel dat ook deze reden niet rechtvaardigde dat aan de vrouw een bewijsopdracht werd gegeven om het bewijs van haar verweer aan te dragen.
De man heeft immers niet weersproken dat hij de echtelijke woning heeft verlaten, maar hij heeft zowel in eerste aanleg als bij het hof gemotiveerd nader gesteld wat de redenen waren waarom hij daartoe over is gegaan. Zo voert hij aan dat de vrouw in het jaar 2005 of 2006 de echtelijke woning heeft verlaten en achteraf is gebleken dat zij een woning had gehuurd aan de [straat], zijnde een woning van de moeder van een getrouwde man met wie zij, de vrouw dus, een buitenechtelijke relatie had. Daarnaast heeft de vrouw enige tijd geleden geprobeerd de echtelijke woning in brand te steken en wel door een matras binnen de woning te verbranden. Volgens de man is hiervan proces-verbaal opgemaakt door de politie te post Uitvlugt. De man stelt verder dat hij buschauffeur is en dat de vrouw, vrouwelijke passagiers lijflijk heeft aangevallen tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden als buschauffeur. Voorts stelt de man dat de druppel die de emmer heeft doen overlopen is dat de vrouw op enig moment de volgende uitlating heeft gedaan: ” ik werk in het ziekenhuis en weet precies hoe ik je moet vergiftigen, zonder dat er bewijsmateriaal is”. De man gaat verder door te stellen dat de vrouw onbetrouwbaar is en dat zij wel degelijk in staat is – zo begrijpt de kantonrechter dat – haar woorden in daden om te zetten, nu de vrouw ook al van plan was de echtelijke woning in brand te steken.
Tenslotte stelt de man dat er zo vaak ruzie is dat het onmogelijk voor hem is de huwelijksrelatie met de vrouw voort te zetten.
Na deze gemotiveerde uiteenzetting van de man ter onderbouwing van de duurzame ontwrichting, mocht van de vrouw worden verwacht dat zij ook een gemotiveerd verweer hierop voerde. Niet alleen in eerste aanleg maar ook in hoger beroep heeft zij het er echter bij gelaten door de door de man gestelde feiten bloot te ontkennen en aan te geven dat die ”ongefundeerde” beschuldigingen zijn.

4.7 Om redenen als voormeld dient het vonnis van de kantonrechter als hiervoor vermeld te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden.

  1. De beslissing

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 december 2016 bekend onder A.R.No. 15-4600, onder aanvulling van de gronden.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. l.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Veldkamp namens A.S.N. Adhin, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens mr. E. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld