SRU-HvJ-2011-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende te Paramaribo,
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de staat”,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, beleidsadviseur werkzaam bij het Bureau Landsadvocaat van het Ministerie van Justitie,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • verzoekschrift d.d. 10 september 2009, ter griffie op die datum ontvangen, met producties;
  • verweerschrift d.d. 14 april 2010, met producties;
  • de beschikking van het hof van 27 april 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 juni 2010, welke is verplaatst naar 1 oktober 2010 en is voortgezet op 29 oktober 2010;
  • akte uitlating na gehouden verhoor van partijen zijdens [eiser] d.d. 29 oktober 2010;
  • antwoordakte zijdens de staat d.d. 3 december 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. [eiser] is in 1997 als militair in dienst getreden van de staat.

1.2. Bij brief van de staat d.d. 10 mei 2006 is onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 1 bij het verzoekschrift):

“U werd op 19 augustus 2004 door de Militaire Politie in verzekering gesteld als verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding Wet op Verdovende middelen.
Bij de Krijgsraad-zitting van 22 februari 2005 bent u veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden met aftrek en een geldboete van Srd 2.000,- subsidiair 02(twee) maanden hechtenis.
In de bespreking van de Rehab. Commissie d.d. 17 november 2005 is geadviseerd u bij de Minister van Defensie voor te dragen voor ontslag onder opschortende voorwaarde op grond van artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”.

De Minister heeft beslist dat u wordt ontslagen uit de militaire dienst.
Het een en ander zal middels een beschikking van de Minister worden geformaliseerd.”

1.3. Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 8 september 2006 met nummer 2961/06 is onder meer het volgende vermeld (productie 1 bij het verweerschrift):

“– dat de heer [eiser] voornoemd bij de Krijgsraadzitting van 22 februari 2006 (bedoeld is 2005, toevoeging hof) wegens overtreding Wet op verdovende middelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden met aftrek en een geldboete van SRD.2000,= subsidiair, 02(twee) maanden hechtenis.
– dat hij bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 09 september 2005 in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren, doch in zijn verweerschrift van 12 september 2005 geen steekhoudende argumenten heeft kunnen aanvoeren welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien;
(…)

HEEFT BESLOTEN:

l. Om redenen voormeld, de Korporaal in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij het Korps Militaire Politie, [eiser], geboren op [geboortedatum], ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, uit Staats (militaire) dienst te ontslaan. Dit ontslag gaat in de dag nadat het onderhavige besluit overeenkomstig artikel 3 van de “Wet rechtspositie Militairen”, ter kennis van betrokkene is gebracht.”

1.4. Bij brief van 2 april 2007 heeft de staat onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 3 bij het inleidend verzoekschrift):

“Hierbij deel ik u mede, dat u op 20 augustus 2006 in verzekering werd gesteld door de Militaire Politie als verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschriften en veroordeeld bent op 27 februari 2007 tot een gevangenisstraf van twaalf(12) maanden met aftrek.
Aangezien de veroordeling een grond tot ontslag oplevert, ingevolge artikel 35 lid 4 van de “Wet Rechtspositie Militairen” wordt u in de gelegenheid gesteld zich binnen 5 (vijf) werkdagen na ontvangst van dit schrijven schriftelijk te verantwoorden.”

1.5. Bij brief van 20 april 2007 heeft de staat onder meer het volgende aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld (productie 5 bij het inleidend verzoekschrift):

“Middels deze weg wil ik U meedelen dat abusievelijk een uitnodiging tot verweer d.d. 2 april j.l. is toegezonden aan Uw client.
Gezien het feit dat Uw client bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 08 februari 2006 nr. P.W. 2961/06 reeds ontslagen is, dient deze uitnodiging tot verweer als niet verzonden beschouwd te worden.
Er wordt dan ook geen reactie meer verwacht zijdens Uw client.”

1.6. De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 30 juni 2008 onder meer het volgende aan de staat meegedeeld (productie 6 bij het inleidend verzoekschrift):

“Uw schrijven met bovenvermeld kenmerk d.d. februari 2008 heb ik meerdere keren met cliënt besproken, echter blijft hij volhouden nimmer een ontslagbeschikking te hebben gehad. Hij stelde dat indien hij de beschikking wel had ontvangen hij toch beroep tegen de beslissing zou hebben ingesteld? Deze opstelling van cliënt is begrijpelijk. Immers is niet aangetoond, bijvoorbeeld middels ondertekening voor ontvangst, zoals voorgeschreven is, dat de beschikking aan cliënt is overhandigd.
Het feit dat derhalve niet is aangetoond dat de ontslagbeschikking aan cliënt is uitgereikt, betekent dat, voor zover die beschikking inderdaad is uitgegeven, deze jegens cliënt geen effect kan sorteren.
Cliënt houdt zich, voor alle duidelijkheid, bij deze derhalve nog immer beschikbaar om op elke afroep de bedongen werkzaamheden te verrichten.
Ook wordt het ministerie bij deze verzocht, zonodig gesommeerd, om cliënt binnen 14 dagen na heden het achterstallige loon, inclusief wettelijke verhoging te voldoen, bij gebreke waarvan ik opdracht heb een vordering, strekkende tot betaling van achterstallig loon, in rechte te vorderen.”

2.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair: veroordeling van de staat om [eiser] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van Srd. 1.000,00 per dag althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
subsidiair: veroordeling van de staat om aan [eiser] te betalen het aan hem toekomend loon vanaf augustus 2004 tot aan de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;
zulks met veroordeling van de staat in de kosten van het geding.

2.2. De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

Bevoegdheid

3.1.1. Uit artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen volgt dat de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals neergelegd in de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet (PW), zich mede uitstrekt tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 PW zijn de vorderingen waarover het hof als eerste en enige instantie bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan de primaire vordering van [eiser] worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c PW, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling, namelijk wedertewerkstelling, in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald. Dit betekent dat het hof bevoegd is om van de primaire vordering kennis te nemen.

3.1.2. [eiser] vordert subsidiair betaling van achterstallig salaris vanaf augustus 2004. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b PW wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [eiser] niet betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b PW bevoegd om van de subsidiaire vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

De primaire vordering

3.2. In artikel 80 lid 2 sub c PW is bepaald dat een vordering als de onderhavige primaire vordering niet-ontvankelijk is, indien deze is ingediend meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 PW geacht wordt het besluit te hebben genomen. In artikel 78 lid 2 PW is bepaald dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn, of, zo een tijdsbepaling ontbreekt, binnen drie maanden een verplichte handeling te verrichten. [eiser] is op 19 augustus 2004 in verzekering gesteld en uiteindelijk veroordeeld tot twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek. Aannemelijk is aldus dat hij in augustus 2005 op vrije voeten is gesteld. Aangezien is gesteld noch gebleken dat de staat [eiser] heeft geschorst, was zij, bij gebreke van een ontslagbesluit, welk besluit volgens de staat immers eerst op 8 september 2006 is genomen, in beginsel gehouden hem na zijn vrijlating weer toe te laten tot de werkzaamheden. Nu zij dit achterwege heeft gelaten, lag het op de weg van [eiser] om binnen drie maanden na augustus 2005 een vordering tot wedertewerkstelling in te stellen. Aangezien [eiser] het verzoekschrift eerst op 10 september 2009 heeft ingediend, heeft hij de termijn van drie maanden ruimschoots overschreden, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot wedertewerkstelling.

De subsidiaire vordering

3.3.1. Uit artikel 39 van de Wet rechtspositie militairen volgt dat ter zake het salaris van de militair ambtenaar de artikelen 28 tot en met 35 PW van overeenkomstige toepassing zijn. Op grond van artikel 28 lid 1 PW laatste zinsnede is de staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 79 lid 1 sub b juncto 80 lid 2 sub c PW is de vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het salaris had moeten worden betaald, aldus meer dan drie maanden na de laatste dag van de maand waarin geen salaris is betaald. Aangezien het verzoekschrift op 10 september 2009 is ingediend, is de subsidiaire vordering slechts ontvankelijk voor zover het betreft de maanden vanaf juni 2009. Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.

3.3.2. De staat voert aan dat [eiser] bij besluit van 8 september 2006 is ontslagen, welk besluit hem volgens haar op 30 oktober 2006 door een sergeant van de Militaire Politie is meegedeeld in zijn cel in het Hoofdkwartier van de Militaire Politie, alwaar hij was ingesloten op verdenking van een nieuw strafbaar feit (zie productie 2 bij het inleidend verzoekschrift). [eiser] voert aan dat hij het ontslagbesluit nimmer heeft ontvangen. In artikel 36 lid 2 Wet rechtspositie militairen is bepaald dat het besluit tot ontslag door middel van een afschrift ter kennis van de militaire landsdienaar wordt gebracht. Volgens artikel 3 van die wet kan dit middels overhandiging van het afschrift aan de ambtenaar, door persoonlijke uitreiking van een aangetekende brief dan wel door betekening. In het ontslagbesluit is bepaald dat het ontslag ingaat de dag nadat het besluit overeenkomstig artikel 3 van de Wet Rechtspositie Militairen ter kennis van [eiser] was gebracht. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het ontslagbesluit, teneinde werking te hebben, op rechtsgeldige wijze aan [eiser] moet zijn meegedeeld.

3.3.3. Voor zover in rechte mocht komen vast te staan dat de staat het besluit op rechtsgeldige wijze aan [eiser] heeft meegedeeld, is de staat naar het oordeel van het hof geen salaris c.q. schadevergoeding ter hoogte van het salaris verschuldigd vanaf het moment dat het besluit conform de wet werking heeft gekregen. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiser] tijdig een vordering tot nietigverklaring van het besluit heeft ingesteld, zodat er alsdan in rechte van uit moet worden gegaan dat [eiser] is ontslagen. Aangezien [eiser] de inhoud van de verklaring van de sergeant betwist en volhardt in zijn standpunt dat hij het ontslagbesluit nimmer heeft ontvangen, wordt aan de staat te bewijzen opgedragen dat zij het ontslagbesluit d.d. 8 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht.

3.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof:

draagt de staat op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, bewijs te leveren van haar stelling dat zij het ontslagbesluit d.d. 8 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht;

bepaalt dat het getuigenverhoor wordt gehouden op vrijdag 7 oktober 2011 in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combéweg 2 te Paramaribo;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 juni 2011, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. R.G. Rodrigues

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. Heijmans namens zijn gemachtigde advocaat, mr. Sewcharan en verweerder vertegenwoordigd door mr. de Bies namens de gemachtigden, mr. Campagne en mr. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-K1-2015-19

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 152997
13 juli 2015

Vonnis in de zaak van

DE POLITIEKE ORGANISATIE PERTJAJAH JUHUR, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “Pertjajah Luhur”,

tegen

GEERLINGS-SIMONS, JENNIFER, in haar hoedanigheid van voorzitter van de Nationale Assemblee, kantoorhoudende en wonende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. N. van Dijk, advocaat,
hierna te noemen: ‘De Voorzitter’ .

1. Het proces verloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 7 juli 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de mondelinge conclusie van antwoord, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2015, met producties;
  • de mondelinge conclusies van repliek, met producties en dupliek, en uitlating producties, eveneens aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij deurwaardersexploiten van 25 juni 2015 zijn aan de heren Sapoen, Raymond Soeharto en Chitan, Diepakkoemar, elk in hun hoedanigheid van gekozen volksvertegenwoordiger, overeenkomstig artikel 4 lid 2 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers betekend:

  1. Een brief van 25 juni 2015 van Pertjajah Luhur inhoudende het besluit inzake hun terugroeping als volksvertegenwoordiger, alsook de gronden waarop het besluit is gebaseerd;
  2. Een gewaarmerkt uittreksel van de goedgekeurde notulen d.d. 24 juni 2015 van de rechtsgeldige vergadering waarop het voormelde besluit tot terugroeping door de Partijraad van Pertjajah Luhur is genomen.

2.2 Op 26 juni 2015 zijn aan de voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau per deurwaardersexploiten, overeenkomstig artikel 4 lid 4 van voormelde wet, betekend:

  1. voormelde brieven van 25 juni 2015 van Pertjajah Luhur;
  2. voormelde notulen van de Partijraadsvergadering van Pertjajah Luhur d.d. 24 juni 2015;
  3. afschriften van voormelde deurwaardersexploiten d.d. 25 juni 2015.

2.3 De onder 2.2. genoemde documenten zijn ook aan de Minister van Binnenlandse Zaken betekend bij deurwaardersexploit van 26 juni 2015.

2.4 Voorts zijn de documenten conform artikel 5 van voormelde Wet verzonden naar de President van de Republiek Suriname en de overige in dat artikel genoemde functionarissen en instanties, waaronder de Voorzitter van De Nationale Assemblee.

2.5 Bij schrijven van 3 juli 2015 heeft Pertjajah Luhur aan de Voorzitter het verzoek gedaan de personen R.S. Sapoen en D. Chitan, die zijn teruggeroepen op grond van de hiervoor bedoelde wet, niet langer te beschouwen en te behandelen als Lid van De Nationale Assemblee en de proces-gemachtigde van Pertjajah Luhur per ommegaand doch uiterlijk maandag 6 juli 2015 om 12.00 uur een schriftelijke bevestiging toe te sturen.

2.6 De Voorzitter heeft op het schrijven van 3 juli 2015 van Pertjajah Luhur geen bevestiging gestuurd.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Pertjajah Luhur vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de Voorzitter verbiedt om de in hun hoedanigheid van volksvertegenwoordigers bij deurwaarders exploiten van 25 juni 2015 teruggeroepen personen Sapoen, Raymond Soeharto en Chitan, Diepakkoemar, uit te nodigen voor vergaderingen van De Nationale Assemblee en haar gebiedt om hen de toegang tot het assemblee gebouw te ontzeggen en voorts
  • de Voorzitter veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. De grondslag

Pertjajah Luhur voert als grondslag aan dat zij heeft gemerkt dat de Voorzitter, ondanks de terugroeping, de twee teruggeroepen personen nog steeds behandelt als Lid van De Nationale Assemblee. Hiermee handelt de Voorzitter onrechtmatig omdat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers Pertjajah Luhur het recht toekent om personen terug te roepen waarna zij niet langer beschouwd moeten worden als Lid van Nationale Assemblee. Pertjajah Luhur stelt dat voornoemde personen Sapoen, R.S. en Chitan, D. op grond van de genoemde Wet met ingang van donderdag 25 juni 2015 rechtens geen lid meer zijn van De Nationale Assemblee.

3.3. Het verweer

De Voorzitter heeft de volgende punten als verweer aangevoerd:

  1. Pertjajah Luhur had niet de Voorzitter van De Nationale Assemblee in rechte moeten betrekken, immers kan je niet de voorzitter van een orgaan in rechte betrekken, doch slechts dat orgaan; eigenlijk had Pertjajah Luhur de vordering bedoeld tegen De Nationale Assemblee, maar de rechterlijke macht is niet bevoegd om De Nationale Assemblee te veroordelen vanwege het beginsel van de Trias Politica; om laatstgenoemde reden is de kantonrechter onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;
  2. Het voorgaande brengt voorts met zich mee dat Pertjajah Luhur eigenlijk de Staat Suriname in rechte had moeten betrekken; nu dat niet is gebeurd moet Pertjajah Luhur niet-ontvankelijk verklaard worden;
  3. De brieven van 25 juni 2015 inhoudende de terugroeping van de twee personen hebben geen rechtsgevolg omdat de terugroeping heeft plaatsgevonden voordat de twee personen als lid waren toegelaten bij De Nationale Assemblee; op de 25ste juni 2015 waren zij weliswaar gekozen, doch nog niet als lid toegelaten tot het college; artikel 68 van de Grondwet handelt over het terugroepen van leden van De Nationale Assemblee; de twee bedoelde personen zijn op 30 juni 2015 pas toegelaten als lid van De Nationale Assemblee;
  4. Uit de stukken blijkt dat de Partijraadsvergadering niet conform de Statuten van de Partij bijeen is geroepen; ook blijkt niet wie op de vergadering aanwezig was en of de personen wel de Partijraad uitmaakten; hierdoor kan er niet vanuit gegaan worden dat er een rechtsgeldige vergadering is geweest van een bevoegd orgaan, waardoor het besluit tot terugroeping niet rechtsgeldig is;
  5. De kantonrechter mag niet oordelen over de inrichting van een andere staatsmacht of over de toelating van leden van De Nationale Assemblee; het geschil dat is voorgelegd is geen burgerlijk geschil zoals bedoeld in Rechtsvordering en de kantonrechter is ook op grond hiervan niet bevoegd van de vordering kennis te nemen;
  6. In de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers is de taak van het Centraal Hoofdstembureau opgenomen; dit orgaan heeft een rol te vervullen bij terugroeping en niet De Nationale Assemblee of haar voorzitter; ook om die reden moet Pertjajah Luhur niet ontvankelijk worden verklaard;
  7. Pertjajah Luhur is als combinatie de verkiezingen ingegaan en was nog een combinatie na de verkiezingen; om die reden zou voor de terugroeping artikel 2 lid 2 aan de orde zijn namelijk de terugroeping door de combinatie en niet de terugroeping door de Partij; de combinatie V7 had in casu een terugroeprecht; echter zijn de twee personen niet door V7 teruggeroepen;
  8. De grond die voor de terugroeping is aangevoerd is het verlaten van de fractie; echter was er op 25 juni 2015 nog geen fractie van de Pertjajah Luhur; hierdoor kon de terugroeping niet plaatsvinden op die grond;
  9. Er is geen onrechtmatig handelen gesteld en ook geen schade of causaal verband.

4. De beoordeling

4.1 Pertjajah Luhur heeft op de verweren gereageerd waarbij zij onder andere het volgende naar voren heeft gebracht:

1+2. Dat de Voorzitter van De Nationale Assemblee in rechte moet worden betrokken omdat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers bepaalt dat het lidmaatschap eindigt op het moment dat het exploit aan betrokkenen wordt uitgereikt en dat zij op grond daarvan van de Voorzitter vordert dat zij overeenkomstig handelt. Voorts stelt Pertjajah Luhur dat ingevolge het Orde Reglement van De Nationale Assemblee de voorzitter de bevoegdheid heeft om personen de toegang te weigeren. Het is derhalve juist de voorzitter die in rechte aangesproken moest worden in deze zaak en niet het orgaan;
3. De terugroeping van de twee personen heeft wel rechtsgevolg omdat ook een gekozene, die nog niet is beëdigd tijdens de eerste vergadering van De Nationale Assemblee kan worden teruggeroepen, hetgeen blijkt uit de definitie van een ‘volksvertegenwoordiger’ in de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers;
4. De beslissing tot terugroeping is wel door een bevoegd orgaan genomen; de vergadering was met spoed bijeengeroepen doch dat doet niets af aan het feit dat het een Partijraadsvergadering was die rechtsgeldige besluiten heeft genomen;
5. De Kantonrechter is wel bevoegd om van het geschil kennis te nemen, immers betreft het een vordering op grond van onrechtmatig handelen, waarbij de Voorzitter onrechtmatig handelt door voorbij te gaan aan de terugroeping en daarmee het recht van Pertjajah Luhur tot terugroeping schendt; dit onrechtmatig handelen mag wel worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter ingevolge onze wet;
6. Inderdaad is een taak aan het Centraal Hoofdstembureau toebedeeld bij de terugroeping, doch de Voorzitter van De Nationale Assemblee heeft een taak in het bijeenroepen van een vergadering en het toelaten van personen tot die vergadering en de onderhavige vordering heeft met die taken van de Voorzitter te maken;
7. De V7-combinatie was reeds ontbonden toen de terugroeping plaatsvond; hierdoor was het wel Pertjajah Luhur die de terugroepingsprocdure moest instellen; Pertjajah Luhur heeft die stelling onderbouwd middels overlegging van een beëindigingsovereenkomst d.d. 25 juni 2015;
8. In de memorie van toelichting van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers is een definitie van een fractie gegeven, namelijk: “een samenstelling van leden die gekozen zijn op lijsten boven welke dezelfde naam of aanduiding van een politieke organisatie of combinatie geplaatst is”; hieruit blijkt dat wel sprake is van een fractie, ook voordat de eerste vergadering heeft plaatsgehad;
9. Het betreft een onrechtmatig handelen of nalaten, in die zin dat de Voorzitter handelt in strijd met het recht van Pertjajah Luhur om personen terug te roepen en nalaat de consequenties te verbinden aan de terugroeping.

4.2 De kantonrechter zal de beoordeling aanvangen met het bevoegdheidsverweer en het niet-ontvankelijkheids verweer van de Voorzitter.

Het bevoegdheidsverweer

4.3 De kantonrechter is het eens met Pertjajah Luhur wanneer deze zoals hiervoor aangegeven, stelt dat de kantonrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Pertjajah Luhur tegen de Voorzitter van De Nationale Assemblee.

4.4 De kantonrechter overweegt dat de Voorzitter zich erop beroept dat het betreft een interne kwestie van de Wetgevende macht en dat de Rechterlijke macht daar geen uitspraak over mag doen. Pertjajah Luhur is het daar niet mee eens en verwijst naar de wet.

4.5 De kantonrechter overweegt dat nagegaan moet worden of inderdaad de onafhankelijke rechter niet geaddieerd mag worden indien het betreft een rechtsvraag die betrekking heeft op het terugroepen van een lid van De Nationale Assemblee.

4.6 De kantonrechter overweegt dat in de Grondwet in artikel 10 is neergelegd de regel dat een ieder die van mening is dat zijn rechten en vrijheden worden aangetast, aanspraak maakt op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

4.7 In de wet is geen uitzondering gemaakt voor de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, waardoor een persoon die van mening is dat een van de rechten voortvloeiend uit de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers wordt aangetast, deze aantasting mag voorleggen aan de onafhankelijke rechter.

4.8 Pertjajah Luhur haar reactie op dat verweer is naar het oordeel van de kantonrechter terecht, namelijk dat op grond van artikel 2 van het RIS een vordering uit onrechtmatig handelen of onrechtmatig nalaten altijd aan de kantonrechter mag worden voorgelegd, ongeacht of deze vordering wordt ingesteld tegen een andere burger of tegen de Voorzitter van de Nationale Assemblee.

4.9 De kantonrechter is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat zij wel bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering en verwerpt het verweer terzake.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer

4.10 Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer overweegt de kantonrechter dat, gelijk Pertjajah Luhur stelt, niet uit de vordering blijkt dat Pertjajah Luhur iets vordert van het orgaan De Nationale Assemblee, doch dat uit de vordering blijkt dat Pertjajah Luhur iets vordert van een functionaris die belast is met specifieke taken binnen het orgaan, namelijk de Voorzitter van De Nationale Assemblee. Nu de terugroeping ook aan haar betekend moet worden volgens de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers en de Voorzitter belast is met het beleggen van vergaderingen en het handhaven van de orde op de vergaderingen, en in sommige gevallen genoemd in het Reglement van Orde van De Nationale Assemblee belast is met het niet toelaten van personen tot de vergadering is het niet onjuist dat Pertjajah Luhur meent tegen de Voorzitter de onderhavige vordering in te moeten stellen. Pertjajah Luhur is dan ook ontvankelijk in haar vordering. Dat verweer wordt eveneens verworpen.

Het verweer met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de terugroeping

4.11 De vraag die partijen tevens verdeeld houdt is die of de mogelijkheid bestaat voor een politieke organisatie om een persoon terug te roepen die wel is gekozen doch nog niet is beëdigd op de eerste vergadering van De Nationale Assemblee zoals bedoeld in artikel 66 van de Grondwet. Met name houdt de vraag partijen verdeeld hoe het woord “lidmaatschap” in artikel 68 van de Grondwet moet worden gezien, immers eindigt het lidmaatschap van De Nationale Assemblee door de terugroeping.

4.12 Tijdens de pleidooien hebben partijen onderscheid gemaakt tussen de twee fasen waarin een gekozene na de verkiezing komt te verkeren. De fase waarin een persoon is gekozen doch nog niet is beëdigd als lid van De Nationale Assemblee tijdens de eerste vergadering en de fase waarin deze persoon al is beëdigd als lid van De Nationale Assemblee tijdens de eerste vergadering. In welk van deze fasen is er sprake van “lidmaatschap”. Partijen twisten over de vraag of de terugroeping rechtens mogelijk is in beide fasen. Beide fasen zijn in de onderhavige zaak terug te brengen in de volgende tijdslijn: de verkiezing heeft plaatsgevonden op 25 mei 2015 – op 25 juni 2015 zijn de twee personen teruggeroepen – op 30 juni 2015 heeft de eerste vergadering van de nieuw gekozen Nationale Assemblee plaatsgevonden tijdens welke vergadering de twee personen zijn beëdigd.

4.13 De Voorzitter is van mening dat slechts een beëdigd lid van De Nationale Assemblee kan worden teruggeroepen en dat een “gekozene” die nog niet is beëdigd niet als lid kan worden aangemerkt. Dat de Grondwet in artikel 68 met het woord “lidmaatschap” doelt op de omstandigheid dat de leden “reeds als beëdigd lid zijn toegelaten tot De Nationale Assemblee”. Volgens de zienswijze van de Voorzitter kan pas worden teruggeroepen nadat de beëdiging heeft plaatsgevonden, immers, zo stelt de Voorzitter, geldt voor gekozenen vóór het moment van toelating en beëdiging niet dat hun lidmaatschap van De Nationale Assemblee kan eindigen, immers is er nog geen sprake van lidmaatschap.

Om die reden, zo stelt de Voorzitter, heeft de procedure van terugroeping gedateerd 25 juni 2015 voor de twee personen waar het in het onderhavig kort geding om gaat, geen rechtsgevolgen en in elk geval niet tot gevolg dat hun lidmaatschap is beëindigd. De Voorzitter stelt dat deze personen dan ook rechtsgeldig zijn uitgenodigd voor de eerste vergadering van 30 juni 2015 op welke vergadering zij het ambt hebben aanvaard en de eed hebben afgelegd en zijn toegetreden tot het college. Thans, zo stelt de Voorzitter, is er ten aanzien van hun sprake van lidmaatschap van De Nationale Assemblee.

4.14 Pertjajah Luhir is van mening dat ook “gekozenen” die nog niet zijn beëdigd kunnen worden teruggeroepen en is van mening dat de procedure van terugroeping wel rechtsgevolgen had, namelijk dat hun lidmaatschap is beëindigd en zij niet mogen worden toegelaten in de vergadering als leden van De Nationale Assemblee van de Politieke organisatie Pertjajah Luhur.

4.15 Beide partijen beroepen zich op de Wet:

  • De Voorzitter beroept zich erop dat de Grondwet in artikel 68 regelt: de beëindiging van het lidmaatschap van De Nationale Assemblee. Zij stelt zich op het standpunt dat de term “lidmaatschap” in de Grondwet erop duidt dat slechts bij beëdigde leden sprake is van “lidmaatschap”. Beëdigde leden kunnen worden teruggeroepen en iemand die nog niet is beëdigd en toegelaten kan niet worden teruggeroepen, immers staat de terugroeping als punt c onder de “beëindiging van het lidmaatschap van De Nationale Assemblee”; in artikel 68 doelt de Grondwetgever met de term “lidmaatschap” volgens de zienswijze van de Voorzitter op personen die zijn gekozen en reeds zijn toegelaten en beëdigd tijdens de eerste vergadering.
  • Pertjajah Luhur beroept zich op de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, waarin is geregeld dat kunnen worden teruggeroepen:
    “volksvertegenwoordigers” waarbij “volksvertegenwoordigers” zijn gedefinieerd als: “degenen die na algemene, vrije en geheime verkiezingen op grond van de Kiesregeling worden gekozen casu quo verkozen verklaard om in een volksvertegenwoordigend lichaam een politieke organisatie of combinatie te vertegenwoordigen”. Pertjajah Luhur stelt dat hieruit kan worden begrepen dat ook personen die zijn gekozen, doch nog niet zijn beëdigd tijdens de eerst vergadering kunnen worden teruggeroepen; de woorden “verkozen casu quo verkozen verklaard” duiden hierop stelt Pertjajah Luhur.

4.16 De Voorzitter heeft op de zienswijze van Pertjajah Luhur aangevoerd dat in de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers misschien wel zo een definitie staat, doch dat de definitie waarschijnlijk gebrekkig is. Zij voert aan dat in deze artikel 68 van de Grondwet gevolgd moet worden omdat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers dient ter regeling van terugroeping van volksvertegenwoordigers, zoals bepaald in artikel 68 van de Grondwet, waarbij zij erbij blijft dat ten aanzien van de twee personen nog niet van “lidmaatschap” kon worden gesproken ten tijde van de terugroeping.

4.17 Nu partijen zich beiden op de wet beroepen moet in dit kort geding nagegaan worden welk der zienswijzen als aannemelijk kan worden aangemerkt. Deze beoordeling zal gemaakt worden aan de hand van het wettelijk kader betreffende de volksvertegenwoordiging.

4.18 Het voor deze zaak relevante wettelijk kader rond de volksvertegenwoordiging bestaat onder andere uit de Grondwet, de Kiesregeling en de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers.

4.19 Bij de raadpleging van het kader wordt vooral gelet op het verschil in zienswijzen tussen partijen over de term “Lidmaatschap” bedoeld in artikel 68 van de Grondwet, met name de vraag of de Grondwetgever in artikel 68 met lidmaatschap bedoelde de omstandigheid dat iemand reeds is beëdidgd als lid van De Nationale Assemblee tijdens de eerste vergadering of ook bedoeld heeft iemand die gekozen is maar nog niet tijdens de eerste vergadering is beëdigd.

Uiteindelijk zal de vraag beantwoord moeten worden of het lidmaatschap van beide personen is beëindigd door de betekening van het exploit waarin de terugroeping is vervat of niet. Naar aanleiding van het antwoord op die vraag kan antwoord gegeven worden op de vraag of de Voorzitter onrechtmatig handelt door de twee personen nog als leden van De Nationale Assemblee aan te merken.

4.19.1 De Grondwet

In artikel 68 lid 1 van de Grondwet staat:
“Het lidmaatschap van De Nationale Assemblee eindigt door:
a. overlijden;
b. ontslag op eigen verzoek;
c. terugroeping van het lid op de wijze bij wet te bepalen…”

In Hoofdstuk X zijn de bepalingen opgenomen omtrent de verkiezing en het lidmaatschap:

Artikel 65 luidt:
“Bij het aanvaarden van hun ambt leggen de leden de volgende eed of verklaring en belofte af: …

Artikel 66 luidt:
“Uiterlijk binnen dertig dagen nadat de leden van De Nationale Assemblee zijn gekozen, komt dit orgaan in vergadering bijeen onder voorzitterschap van het oudste lid in jaren…..in deze vergaderingonderzoekt De Nationale Assemblee de geloofsbrieven van haar nieuwe leden….”

Artikel 67 luidt:
“1. Het in het voorgaande artikel genoemde oudste lid legt, voorafgaande aan de vergadering in handen van de President de voorgeschreven eed af, waarna hij de overige vijftig leden beëdigt. Hierna gaat de vergadering over tot het kiezen van een voorzitter en een vice-voorzitter van De Nationale Assemblee, die onmiddellijk hun functies aanvaarden…”

4.19.2 De Kiesregeling

In de Kiesregeling staan de bepalingen die gelden voor het kiezen van personen, het vaststellen van het resultaat van de verkiezing en de procedure die moet worden gevolgd nadat is vastgesteld dat een kandidaat is gekozen en de samenstelling van De Nationale Assemblee.

Over de wijze van samenstelling van De Nationale Assemblee staat in artikel 8 vermeld:
“1. De leden van De Nationale Assemblee worden per district gekozen voor een periode van vijf jaren.
2. Zij treden tegelijk af op het tijdstip dat de nieuw gekozen Nationale Assemblee in functie treedt”.

Ten aanzien van het vaststellen van het resultaat van de verkiezingen is onder andere het volgende bepaald:

Artikel 128:
“onmiddellijk nadat de afschriften van de processen-verbaal van alle hoofdstembureaus zijn ontvangen, gaat het Centraal Hoofdstembureau over tot het verrichten van de werkzaamheden ter vaststelling van de uitslag der verkiezing”.

Artikel 132:
“1. Het Centraal Hoofdstembureau maakt de uitslag der verkiezing zo spoedig mogelijk bekend en bepaalt tevens hoeveel zetels elke politieke organisatie in de volksvertegenwoordigende lichamen heeft behaald. De bekendmaking geschiedt in een zitting van het Centraal Hoofdstembureau….
2. Dag en uur van de zitting worden door de voorzitter tijdig bekend gemaakt”.

Artikel 133:
“1. Nadat alle werkzaamheden zijn beëindigd, wordt daarvan aanstonds proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal worden de uitslag der verkiezing alsmede alle ingebrachte bezwaren vermeld.
2. Het proces-verbaal wordt door alle ter zitting aanwezige leden van het Centraal Hoofdstembureau getekend. Het wordt aan de President en het Onafhankelijk Kiesbureau aangeboden”.

Artikel 135:

“1. De voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen aan het lichaam, waarvoor de verkiezing heeft plaatsgevonden.
2. De gekozene ontvangt onverwijld van de voorzitter een afschrift van het proces-verbaal waaruit zijn verkiezing blijkt. Dit afschrift strekt de gekozene tot geloofsbrief. De uitreiking geschiedt door tussenkomst van de Districts-Commissaris”.

4.19.3 Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers

In de aanhef van de wet staat:
“in overweging genomen hebbende, dat het wenselijk is ter uitvoering van artikel 68 lid 1 aanhef en onder c van de Grondwet en artikel 20 lid 1 aanhef en onder c van de Wet Regionale Organen, regels vast te stellen omtrent de wijze waarop terugroeping van leden van de volksvertegenwoordiging plaatsvindt”.

In artikel 1 onder e is gedefinieerd wie wordt aangemerkt als volksvertegenwoordiger:
“degenen die na algemene, vrije en geheime verkiezingen op grond van de Kiesregeling wordt gekozen casu quo verkozen verklaard om in een volksvertegenwoordigend lichaam een politieke organisatie of combinatie te vertegenwoordigen”.

In artikel 4 is de procedure voor terugroeping opgenomen waarbij in lid 3 is bepaald:
“het eindigen van het lidmaatschap van de betrokken volksvertegenwoordiger, zoals bepaald in artikel 68 lid 1 onder c van de Grondwet.. is een feit bij de betekening van het deurwaardersexploit zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel”.

In artikel 5 is bepaald:

“1. Binnen veertien dagen na de betekening van het in artikel 4 lid 4 bedoelde exploit aan de voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau, komt dit orgaan bijeen om volgens de in de Kiesregeling bepaalde wijze te voorzien in de vacature van het betreffende volksvertegnwoordigende lichaam.
2. Bekendmaking van zijn bevindingen en kennisgevingen doet de voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau volgens de Kiesregeling; artikel 136 van de Kiesregeling is van overeenkomstige toepassing”.

4.20 De kantonrechter overweegt dat, zoals onder 4.19 hierboven reeds is aangegeven, uiteindelijk antwoord gegeven moet worden op de vraag of het lidmaatschap van beide personen is beëindigd door de betekening van het exploit waarin de terugroeping is vervat of niet. Naar aanleiding van het antwoord op die vraag kan antwoord worden gegeven op de vraag of de Voorzittter onrechtmatig handelt door de twee personen nog als leden van De Nationale Assemblee aan te merken.

4.21 De kantonrechter overweegt dat in artikel 8 van de Kiesregeling is bepaald dat de “leden” van De Nationale Assemblee aftreden op het tijdstip dat de nieuw gekozen Assemblee in functie treedt. Artikel 8 van de Kiesregeling in samenhang gelezen met artikel 66 en 67 van de Grondwet wijst erop dat de nieuw gekozen Nationale Assemblee in functie treedt op de dag van de eerste vergadering. Voorts blijkt uit de redactie van artikel 65 en 66 dat de gekozen leden op de dag van de eerste vergadering het ambt van lid van De Nationale Assemblee aanvaarden en, zoals door de Voorzitter in haar conclusie van antwoord is gesteld “tot de Nationale Assemblee toetreden”.

4.22 De kantonrechter overweegt dat het voorgaande in beginsel de zienswijze van de Voorzitter ondersteunt, immers is er volgens de wetsbepalingen pas na de toelating en beëdiging op de eerste vergadering sprake van het in functie zijn, het aanvaarden van het ambt en het toegetreden zijn tot De Nationale Assemblee.

4.23 De kantonrechter overweegt voorts dat ook de formulering van de artikelen 4 en 5 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers de zienswijze van de Voorzitter ondersteunt, immers blijkt uit die artikelen dat het lidmaatschap beëindigt en dat er na de terugroeping sprake is van een vacature in het Volksvertegenwoordigend lichaam. Ook hiervoor zal het Volksvertegenwoordigend lichaam reeds in functie moeten zijn.

4.24 Zowel de redactie van artikel 4 als de redactie van artikel 5 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers duiden er op dat gedoeld wordt op een situatie waarbij er al sprake is van het “in functie zijn” van het Volksvertegenwoordigend lichaam. Dat is pas het geval na de eerste vergadering, immers dan pas is ingevolge artikel 8 van de Kiesregeling en de artikelen 66 en 67 va de Grondwet de nieuw gekozen Nationale Assemblee in functie.

4.25 De kantonrechter overweegt dat in de literatuur ook is ingegaan op het moment dat het lidmaatschap van een volksvertegenwoordiger aanvangt. Zo is in het handboek Constitutioneel Recht (Prof. mr. C.A.J.A. Kortman Kluwer – Deventer 1997 – pagina 210) het volgende vermeld: “Na de vaststelling van de verkiezingsuitslag geeft het centraal stembureau de gekozenen daarvan bij brief (geloofsbrief) kennis. Deze moet binnen tien dagen na de dagtekening van de brief aan de Tweede Kamer meedelen of hij zijn benoeming aanvaardt. Daarmee is hij echter nog geen lid van de Tweede Kamer. Hij moet daar worden toegelaten”.

In het handboek is ook ingegaan op de vraag of het lidmaatschap aanvangt na de toelating of na de beëdiging. Daar zijn volgens het handboek meerdere meningen over; Prof. Kortman is van mening dat met de toelating het lidmaatschap aanvangt.

Nu de procedure omschreven in het handboek nagenoeg dezelfde procedure is die in onze wet is neergelegd voor wat betreft de verschillende stappen, kan de zienswijze neergelegd in het handboek worden gehanteerd in onze praktijk.

De kantonrechter is derhalve van oordeel dat ook uit de literatuur lijkt dat pas van lidmaatschap sprake is wanneer een verkozene tot De Nationale Assemblee is toegelaten tijdens de eerste vergadering.

4.26 De kantonrechter overweegt dat slechts de definitie van “volksvertegenwoordigers” in de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers in de richting zou kunnen wijzen van de zienswijze van Pertjajah Luhur. Immers maakt de definitie melding van personen die gekozen worden casu quo gekozen verklaard zijn en het “gekozen verklaard zijn” duidt op het eerste gezicht op de fase dat het Centraal Hoofdstembureau het resultaat van de verkiezingsuitslag in een proces-verbaal heeft neergelegd en dit proces-verbaal heeft toegezonden aan de gekozene.

4.27 De kantonrechter is echter van oordeel dat de definitie voor wat betreft de mogelijkheid om nog niet toegelaten en beëdigde personen terug te roepen enigszins op zichzelf staat omdat de artikelen 4 en 5 van diezelfde Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, zoals hiervoor gesteld, juist wijzen op een situatie waarbij er al sprake is van het “in functie zijn” van de volksvertegenwoordiger en het lichaam, immers wordt in die artikelen gesproken van de beëindiging van het lidmaatschap en een vacature in het Volksvertegenwoordigend lichaam.

4.28 Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de wetsartikelen van de Grondwet, de Kiesregeling en de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, dat met het woord “Lidmaatschap” in artikel 68 van de Grondwet en artikel 4 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers wordt gedoeld op de situatie waarbij de volksvertegenwoordiger al in functie is doordat hij tot De Nationale Assemblee is toegelaten. In het artikel wordt dan bepaald dat het Lidmaatschap beëindigt na terugroeping.Voorts op een situatie waarbij De Nationale Assemblee al als volksvertegenwoordigend lichaam in functie is getreden waardoor er door terugroeping een vacature zal ontstaan in het lichaam.

4.29 Alhoewel dus uit de definitie van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers de indruk ontstaat dat het de intentie was om ook gekozenen die nog niet zijn beëdigd te kunnen terugroepen is die zienswijze niet aannemelijk geworden omdat in de overige artikelen van die Wet en de artikelen in de Grondwet en de Kiesregeling een redactie te vinden is die erop duidt dat het voor het kunnen beëindigen van het “lidmaatschap” zoals genoemd in de artikelen betreffende de terugroeping, er sprake moet zijn van het toegelaten zijn en het in functie zijn als volksvertegenwoordiger.

4.30 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de definitie voorts dat ondanks de indruk die ontstaat met betrekking tot de intentie, er geen regelingen zijn waarin de gevolgen zijn opgenomen van de terugroeping van een persoon ten aanzien van wie nog geen lidmaatschap bestaat. Het zou leiden tot de consequentie dat een terugroeping als rechtsgeldig zou worden aangemerkt doch dat de gevolgen van die terugroeping niet geregeld zijn en elk gevolg dat een persoon of orgaan aan die terugroeping zou verbinden niet op de wet gestoeld zou zijn.

4.31 De kantonrechter is van oordeel dat derhalve aan de hand van de wettelijke regelingen en de literatuur de zienswijze van de Voorzitter aannemelijk is geworden. Aannemelijk is geworden dat de terugroeping pas had kunnen plaatsvinden nadat de personen in functie waren, waardoor de Voorzitter er terecht vanuit is gegaan dat de terugroeping van 25 juni 2015 geen rechtsgevolgen heeft. Aannemelijk is geworden dat bij de twee personen nog geen sprake was va lidmaatschap op het moment van de terugroeping en er daardoor geen sprake is van beëindiging van het lidmaatschap door de uitreiking van het exploit betreffende de terugroeping. Aannemelijk is voorts geworden dat de Voorzitter niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Pertjajah Luhur door de twee personen als Lid van De Nationale Assemblee aan te merken. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.

4.32 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en Pertjajah Luhur, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

5. De Beslissing

5.1 Wijst af het gevorderde.

5.2 Veroordeelt Pertjajah Luhur in de kosten van dit geding aan de zijde van de Voorzitter gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 13 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. A.C. Johanns

SRU-HvJ-2019-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15010
18 oktober 2019

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant,
hierna te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 3 maart 2009 bekend onder AR no. 05-3950 tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 10 december 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 07 augustus 2015;
  • de pleitnota van antwoord gedateerd 20 november 2015;
  • de pleitnota van repliek met producties gedateerd 18 maart 2016;
  • de pleitnota van dupliek met producties gedateerd 17 juni 2016;
  • de pleitnota tot uitlating producties gedateerd 4 november 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is aanvankelijk bepaald op 07 april 2016 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat [appellant] niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar vordering alsnog toe te wijzen.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 03 maart 2009, bekend onder AR no. 05-3950 nu [appellant] daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven:

  • veroordeling van [geïntimeerde] om met haar over te gaan tot scheiding en deling van het perceelland groot 739,80 m2 gelegen in het [district] aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 12 mei 1964 met de letters ABCD en met het nummer 8 deel uitmakende van het perceel groot 0,8551 ha e.e.a. deel uitmakende van de voormalige [plantage] (hierna te noemen het perceel).
  • benoeming van een notaris en onzijdige personen.

4.3 [appellant] heeft in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij mede-eigenaar is van het perceel.
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, daartoe overwegende dat slechts [geïntimeerde] eigenaar is van het perceel.
[appellant] heeft in hoger beroep tegen het vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat slechts [geïntimeerde] eigenaar is van het perceel. Volgens [appellant] hebben partijen na de koop van het perceel ontdekt dat per abuis niet is vermeld dat het perceel gemeenschappelijk bezit was. Na deze ontdekking hebben partijen een uitdrukkelijke verklaring opgemaakt waarin is aangegeven dat het perceel wel gemeenschappelijk bezit is. [appellant] verwijst hiertoe naar een niet gedateerde verklaring (hierna onderhandse akte) welke door partijen getekend is op 18 mei 1990.
In deze verklaring is – zover van belang – het volgende verwoord:
“Ondergetekenden, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, …….verklaren te zijn overeengekomen alsvolgt:
Dat door partijen gezamenlijk is gekocht het onroerend goed gelegen aan de [plaats] op de kaart van de landmeter Emanuels d.d. 12 mei 1964 bekend als kavel no. 8 een en ander deel uitmakende van de voormalige [plantage] .
Dat deze koop verkoop overeenkomst is aangegaan d.d. 17 juni 1981, met de uitdrukkelijke bedoeling, eerder genoemd onroerend goed, tot gemeenschappelijk bezit van beide echtgenoten gezamenlijk te doen behoren.
Dat door ene omissie zijdens de verkoper de levering van het onroerend goed is geschied op basis van een koop verkoop overeenkomst gedateerd 17 juni 1979, derhalve voor het huwelijk, en partijen deze omissie pas veel later hebben ontdekt.
Dat partijen het erover eens zijn dat de bedoeling bij het aangaan van de koop verkoop overeenkomst op 17 juni 1981 geen andere is geweest, dan het verkrijgen van eerder genoemd onroerend goed in gemeenschappelijk bezit.
Dat gelet op al het voorgaande partijen gezamenlijk de alhier residerende notaris R. Ramautar alwaar eerder genoemde levering is geschied benaderen met het verzoek d.t.k.v. de Advocaat A. John deze akte in dier voege te rectificeren.

Ondergetekenden
[geïntimeerde] [appellant]”.

4.3.1 [geïntimeerde] heeft tegen het voorgaande aangevoerd dat het nimmer de bedoeling is geweest dat het perceel gemeenschapsgoed zou worden. Hij stelt dat de hiervoor genoemde overeenkomst is gesloten onder psychische druk. Volgens [geïntimeerde] was [appellant] tijdens ondertekening van de hiervoor genoemde onderhandse akte vertegenwoordigd door haar raadsman, terwijl hij – die niet juridisch geschoold is – geen enkele juridische bijstand had. Aan hem is toen ten onrechte voorgehouden dat er fouten in de notariële akte zouden zijn gemaakt waardoor hij in het gevang zou kunnen belanden. Uit vrees heeft hij de onderhandse akte ondertekend. [geïntimeerde] betoogt verder dat [appellant] en haar raadsman geestelijk overwicht hadden op hem omdat hij niet juridisch geschoold is.

4.3.2 Het Hof merkt op dat de kantonrechter heeft nagelaten om te oordelen op het uitdrukkelijke beroep van [appellant] op de onderhandse akte, zodat reeds om deze reden het vonnis dient te worden vernietigd.
[geïntimeerde] kan niet serieus worden genomen in zijn verweer. Naast de stellige ontkenning van [appellant] ontgaat het het Hof waarom [geïntimeerde] niet ook juridische bijstand heeft ingeroepen bij de ondertekening van de onderhandse akte. Gesteld noch is gebleken dat hij de mogelijkheid daartoe niet had danwel dat hem die mogelijkheid is ontnomen.
Het hof gaat er dan ook van uit dat hetgeen in de onderhandse akte is opgenomen op waarheid berust. Daaruit kan dus worden geconcludeerd dat partijen de bedoeling hadden dat het perceel gemeenschappelijk bezit werd. De stelling van [appellant] dat zij mede-eigenaar is van het perceel is derhalve in rechte komen vast te staan zodat de oorspronkelijke vordering van [appellant] toewijsbaar is.
Op grond van het voorgaande dient het vonnis van de kantonrechter te worden vernietigd en dient de vordering alsnog te worden toegewezen als in het dictum te melden.

4.4 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.5 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd nu zij echtelieden waren, en wel in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing
Het Hof
5.1 vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 03 maart 2009, bekend onder AR no. 05-3950
en opnieuw rechtdoende:

5.2 veroordeelt [geïntimeerde] om met [appellant] over te gaan tot scheiding en deling van het onder 4.2 hiervoor omschreven perceel.

5.3 Benoemt, indien partijen binnen een maand na de uitspraak omtrent de keuze van een notaris geen overeenstemming hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen worden verricht,
mr. J.R.K. Vishnudatt, residerende te Paramaribo, dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.4 Benoemt voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken tot onzijdig persoon voor:
– [appellant]: mr. E. Esajas, advocaat;
– [geïntimeerde]: mr. G. Leter, advocaat.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Castelen namens advocaat mr. N.U. van Dijk, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als ”[verzoeker]”, gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs’en Volksontwikkeling, zetelende te Paramaribo,verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
het verzoekschrift ter griffie ingediend op 24 mei 2012, met producties;
de beschikking van het Hof van 4 juli 2012 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
het verweerschrift ter griffie ingediend op 16 augustus 2012;
de beschikking van het Hof van 22 oktober 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 2 november 2012;
het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] inhoudend het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling, welk verzoek door het Hof is ingewilligd;
het proces-verbaal van de op 15 februari 2013 gehouden mondelinge behandeling;de pleitnota d.d. 7 juni 2013;
de antwoordpleitnota d.d. 3 oktober 2013, overgelegd op 18 oktober 2013, welke abusievelijk is vernoemd ”conclusie van dupliek”;
de repliekpleitnota d.d. 3 januari 2014;
de dupliekpleitnota d.d. 7 maart 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is als hoofdonderwijzer in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, werkzaam op de Lagere Technische School Nickerie.

2.2 [verzoeker] is te rekenen van 22 januari 2008 in verzekerde bewaring gesteld, omdat hij verdacht werd van het plegen van ontuchtige handelingen.

2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 28 maart 2012, AD [nummer], hierna aangeduid als ”de ontslagbeschikking”, met ingang van 15 mei 2012 I ontslagen uit staatsdienst.

Daartoe is onder meer overwogen:

”dat de heer [verzoeker] meergenoemd, bij vonnis van de kantonrechter in het III6 kanton van 19 maart 2008 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaar en 6 (zes) maanden voorwaardelijk met aftrek en bevel tot gevangen houding;

dat als gevolg van de veroordeling zoals hierboven genoemd het pedagogisch niet verantwoord is de heer [verzoeker] meergenoemd, langer in het onderwijs te handhaven.

(-)

dat aan de heer [verzoeker] meergenoemd, wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid ingevolge artikel 69 lid 2 sub c juncto artikel 71 lid 3 te rekenen van 15 mei 2012 ontslag uit Staatsdienst zal worden verleend.”

1.4 De Staat is in kort geding bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 april 2012 (A.R. no. 115113) veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris naar de schaal waarin hij laatstelijk is ingedeeld, verhoogd met alle emolumenten en verhogingen vanaf 20 juli 2010 totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd.

1.5 De ontslagbeschikking is op 28 april 2012 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:

  1. vernietiging, althans nietigverklaring van de ontslagbeschikking;
  2. de Staat te veroordelen hem te handhaven in zijn functie;
  3. de Staat te veroordelen tot betaling c.q. doorbetaling van zijn salaris totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze is beëindigd, met emolumenten en toelagen en verhogingen;
  4. de Staat te veroordelen in de kosten van het proces, waaronder ook de proceskosten ad SRD 2.500,=.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is, omdat het in strijd is met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten:

  1. het beginsel van hoor en wederhoor;
  2. het motiveringsbeginsel;
  3. het zorgvuldigheidsbeginsel;
  4. het vertrouwensbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

SRU-K1-2015-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 12-3007
21 april 2015

Vonnis inzake:

FLAIR FACILITIES N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde van eiseres: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
hierna te noemen eiseres,

– tegen –

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,gemachtigde van gedaagde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat
hierna te noemen gedaagde,

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 juli 2012 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 16 oktober 2012;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1. De vordering
Eiseres vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Gedaagde te veroordelen om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 99.149,39, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
Gedaagden te veroordelen in de proceskosten.

2.2. De grondslag
Eiseres heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd: Eiseres en gedaagde zijn een overeenkomst van huur en verhuur aangegaan ten aanzien van het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te [district] aan de [straat 1] bekend onder [plaats 1] en het hierachter gelegen en daarachter grenzend erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te [district] bekend onder [plaats 2], voor de duur van drie jaren, ingaande 1 april 2012 tegen een huurprijs van € 2.500,- per maand. Eiseres had met toestemming van gedaagde reeds de beschikking over het pand per 01 maart 2012 en mocht eiseres beginnen met de exploitatie en de renovatie ten behoeve van de bedrijfsvoering. Gedaagde heeft de huurovereenkomst eenzijdig via zijn gemachtigde besloten te beëindigen en heeft eiseres de toegang tot het pand ontzegd. Eiseres heeft hierdoor enorme schade geleden tot een totaal bedrag van SRD 99.149,39. Deze schade bestaat uit de voorbereidingen die eiseres heeft getroffen met betrekking tot de leveranciers, personeel en de gasten die elders een onderkomen moesten zoeken. Gedaagde is dan ook aansprakelijk voor de geleden schade

2.3 Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op hetgeen hij heeft aangevoerd, komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

3. De beoordeling

3.1 Gedaagde voert als verweer dat de dagvaarding nietig is, daar hij noch aan de [straat 2], noch aan de [straat 3] woonachtig is.

3.2 Overwogen wordt dat op grond van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de kantonrechter bevoegd is de exceptie te verwerpen indien de gedaagde op de oproeping verschijnt en de nietigheid van de dagvaarding inroept, indien de gedaagde niet in zijn verdediging is benadeeld en alszo geen belang bij heeft om zich van de nietigheid te bedienen.De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde, gezien het feit dat hij adequaat verweer heeft kunnen voeren, niet in zijn verdediging is benadeeld, waardoor hij geen belang heeft om zich van de nietigheid te bedienen.De kantonrechter gaat aan het verweer van gedaagde, als te zijn ongegrond, dan ook voorbij.

3.3 Gedaagde betwist dat tussen partijen een overeenkomst van huur en verhuur is gesloten betreffende onroerend goed is gesloten voor de duur van drie jaar met ingang van 01 april 2012 tegen de huurprijs van € 2.500,- per maand, aangezien tussen partijen nimmer consensus is bereikt, noch over het object, noch over de prijs.

3.4 De kantonrechter overweegt het navolgende.
Uit de stellingen en weren van partijen is komen vast te staan dat partijen bezig waren met het onderhandelen ten aanzien van het eerdergenoemd onroerend goed. Eiseres is de mening toegedaan dat tussen haar en gedaagde reeds een huurovereenkomst tot stand is gekomen, hetwelk eenzijdig door gedaagde is beëindigd. Voor het tot stand komen van een overeenkomst zijn tenminste twee wilsverklaringen nodig, die op elkaar aansluiten: aanbod en aanvaarding.

3.5 Bij complexe overeenkomsten is het vaak niet eenvoudig aan te geven of tussen partijen reeds een overeenkomst tot stand is gekomen of niet. Bestaat er reeds een overeenkomst, dan brengt het beginsel van de verbindende kracht met zich mee dat men zich aan het overeengekomene niet eenzijdig kan onttrekken; de pre-contractuele fase was al geëindigd. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat met betrekking tot de vraag welke hoedanigheid eiseres de huurovereenkomst zou aangaan en de duur van de huurovereenkomst partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt. Gezien het feit dat ten aanzien van deze twee essentiële punten nog geen overeenstemming tussen partijen was bereikt en het feit dat gedaagde in staat was de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, geeft voldoende blijk dat tussen partijen nog geen huurovereenkomst tot stand was gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter zaten partijen nog in de pre-contractuele fase.

3.6 De pre-contractuele fase is opgedeeld in drie stadia. Het derde stadium van de onderhandelingsfase is bereikt wanneer de wederpartij mocht vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren. Men moet in de gegeven omstandigheden de gerechtvaardigde verwachting hebben gehad dat de onderhandeling tot overeenstemming zou leiden. Tevens is mede van belang in hoeverre de afbrekende partij aan het ontstaan van het vertrouwen heeft bijgedragen. In het derde stadium van de pre-contractuele fase staat het een partij niet langer vrij de onderhandelingen zonder meer af te breken. In dit stadium kan de wederpartij een schadevergoeding vorderen; er is in dergelijke gevallen zelfs plaats voor vergoeding van gederfde winst.

3.7 In casu is komen vast te staan dat eiseres van gedaagde toestemming had om cosmetische wijzigingen aan te brengen en dat hij de sleutels reeds aan eiseres had overhandigd. Voorts werd het pand reeds door eiseres geëxploiteerd. Eiseres stelt dat zij van gedaagde toestemming had om het pand te exploiteren vanaf 01 maart 2012 en dat met de inkomsten van die maand de renovatie aan de binnenzijde van het pand zou worden gepleegd. Deze (laatste) stelling wordt echter door gedaagde betwist.

3.8 Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de kantonrechter dat partijen reeds in het derde stadium van de pre-contractuele fase zaten. Eiseres mocht dus gerechtvaardigd erop vertrouwen dat enigerlei contract uit de onderhandeling zou resulteren.

Gedaagde is thans gehouden de door eiseres geleden schade te vergoeden. Eiseres heeft de door haar geleden schade opgenomen in een 7 pagina’s tellende bijlage. Met gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat niet alle in de bijlage opgenomen schadeposten in causaal verband staan tot het handelen van gedaagde.

De kantonrechter zal zich in casu beperken tot de na te noemen posten:

De uitgaven gedaan met betrekking tot de cosmetische aanpassingen c.q. renovatiewerkzaamheden, welke zij niet in staat waren mee te nemen uit het pand;

De uitgaven gedaan met betrekking tot het elders onderbrengen van de zich in het pand bevindende gasten;

De inkomsten van de reeds gedane reserveringen welke zij als gevolg van het niet voortzetten van de huurovereenkomst zijn misgelopen;

De kantonrechter zal eiseres dan ook in de gelegenheid stellen een overzicht van de uitgaven van bovengenoemde punten over te leggen.

3.9 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing
De kantonrechter:

4.1 Stelt eiseres in de gelegenheid om bij akte ter rolle het overzicht zoals genoemd in 3.8 te overleggen.

4.2 Roept daartoe de zaak af op dinsdag 16 juni 2015 om 08.30.

4.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg en op dinsdag 21 april 2015 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 11-4770
17 maart 2015

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie en gedaagde in reconventie,
gemachtigde van eiser: mr. T.S. Sewdien, advocaat,
hierna te noemen [eiser].

– tegen –

FATUM SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
gemachtigde van gedaagde: mr. S. Mangroelal, advocaat,
hierna te noemen Fatum,

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen in deze zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 05 februari 2013.

1. Het verder verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
  • de conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] heeft met Fatum een verzekeringsovereenkomst onder polisnummer [nummer] gesloten om tegen ontvangst van de daaraan verbonden premie en kosten, uitkering te verlenen met inachtneming van de verzekerde sommen en overeenkomstig de Algemene Voorwaarden.

2.2 De ingangsdatum van de verzekering was 19 juli 2011 en de einddatum 25 augustus 2011. [eiser] is binnen de verzekerde periode naar Nederland vertrokken en werd op 21 juli 2011 ziek, als gevolg waarvan hij tot 07 augustus 2011 was opgenomen op de afdeling Intensive Care van [ziekenhuis].

2.3 Fatum heeft in de polis voornoemd bepaald dat [eiser] geen aanspraak maakt op vergoeding van kosten die het gevolg zijn van kwalen, klachten en/of lichamelijke afwijkingen, alsmede wat daarmee verband houdt of daaruit voortvloeit, waaraan de verzekerde lijdt op of geleden heeft voor de ingangsdatum van deze verzekering.

2.4 Bij vonnis in Kort Geding met A.R. no. 11-4752 werd Fatum veroordeeld om aan [ziekenhuis] ten behoeve van [eiser] te betalen het bedrag van € 33.571,14.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in reconventie

3.1. De vordering in reconventie
Fatum vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van € 33.571,14, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, ingaande heden tot aan de dag der algehele voldoening;
Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De grondslag in reconventie
Fatum heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd
[eiser] leed ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan Diabetes Mellitus type 2 en gebruikte daarvoor een vijftal medicijnen. [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift ten onrechte gesteld dat de medicus met zekerheid zou hebben gesteld dat het in casu ging om virale infectie. De medische adviseur van Fatum, dr. [naam] heeft inderdaad bevestigd dat de ziekte verband hield met zijn bestaande ziekte. De virale infectie is bijkomend en is een gevolg geweest van de bestaande ziekten cardiomegalie zonder bekende cardiale afwijkingen, diabetes Mellitus type 2, restrictieve longfunctie bij duivenmeierslong.Onder druk van het vonnis werden de ziektekosten van [eiser] betaald, doch Fatum kon of mocht niet worden veroordeeld op grond van het voorgaande.De betaling is dus onverschuldigd en mag teruggevorderd worden van [eiser].

3.3 Het verweer in reconventie
[eiser] heeft verweer gevoerd. Op hetgeen hij heeft aangevoerd, komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

4. De beoordeling in reconventie
4.1 [eiser] voert als verweer dat hij vanwege een luchtweginfectie op de intensive care in het ziekenhuis is opgenomen, welke luchtweginfectie heeft doorgewerkt naar zijn hart. [eiser] voert voorts als verweer dat Fatum hem, nadat zij op de hoogte waren gesteld van de medicijnen die hij gebruikte, onmiddellijk op de hoogte hadden moeten stellen dat zij de overeenkomst met hem niet zouden nakomen, vanwege artikel 5 van de polisvoorwaarden.

4.2 De kantonrechter oordeelt – afgezien van het feit of de ziekte verband hield met een bij [eiser] bestaande ziekte – dat een beding naar zijn inhoud onredelijk bezwarend kan zijn (Zie HR Botman – van Haaster).[eiser] heeft zich tot de verzekeringsmaatschappij gewend voor het sluiten van een reisverzekering. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat [eiser] desgevraagd Fatum op de hoogte heeft gesteld van zijn medische toestand. Fatum is de verzekeringsovereenkomst met [eiser] aangegaan zonder enige belemmering en zonder hem expliciet te wijzen op de exoneratieclausule in haar algemene voorwaarden. [eiser] is dus “met een gerust hart” op reis gegaan, in de stellige overtuiging, dat indien hem iets mocht overkomen, Fatum garant zou staan voor de medische kosten; immers dat is ook de reden geweest dat [eiser] een reisverzekering bij Fatum heeft gesloten.

4.3 De kantonrechter acht het in de eerste plaats in strijd met de beginselen van de goede trouw waarmee overeenkomsten uitgevoerd dienen te worden, om een verzekeringsovereenkomst aan te gaan met een derde, die met gezondheidsproblemen kampt, zonder hem erop te wijzen dat de gevolgen van de reeds bestaande kwalen, klachten en of lichamelijke afwijkingen en alles wat daarmee verband houdt of daaruit voortvloeit, uitgesloten zijn van uitkering.

4.4 Ten tweede acht de kantonrechter het exoneratiebeding naar zijn inhoud onredelijk bezwarend. Naar het oordeel van de rechter kan de verzekeringsmaatschappij zich niet exonereren voor kwalen, klachten of lichamelijke afwijkingen die aan de verzekerde bekend of onbekend zijn voor de ingangsdatum van de verzekering. Naar het oordeel van de kantonrechter tracht Fatum met dit beding een onevenredig groot deel van het risico van zich af te wentelen.

4.5 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat Fatum gehouden was de ziektekosten van [eiser] te betalen. Deze zijn dus niet onverschuldigd betaald en zal de vordering tot terugvordering van de gelden dan ook als te zijn ongegrond worden afgewezen.

5. De beslissing in reconventie
De kantonrechter:

5.1 Wijst af de vordering;

5.2 Veroordeelt Fatum in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg en op 17 maart 2015 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-6

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[appelant],
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ’de man’,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ’de vrouw’,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R.No. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 21 juli 2017.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen d. 15 december 2017;
  • De conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde genomen namens de man op 19 januari 2019;
  • De conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde genomen namens de vrouw op 4 mei 2018;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden;
  1. De verdere beoordeling

2.1 Het hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis de dato 21 juli 2017 is overwogen en beslist, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder overweging 2.7 van dit vonnis.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis werd een comparitie gelast tot het inwinnen van inlichtingen met betrekking tot hetgeen in voormeld tussenvonnis onder 8.8 is overwogen. Bij die gehouden comparitie is de vrouw verschenen en heeft de man verstek laten gaan.

2.3 Bij genoemde comparitie gehouden op 15 december 2017 heeft de vrouw, zakelijk weergegeven en voor zover in dit kader hier van belang, aangevoerd, dat:

a. zij niet meer werkt, maar wel ooit heeft gewerkt, (ze heeft acht jaren gewerkt) bij Telesur en wel van 1975 tot augustus 1983;
b. zij in 1982 met de man is getrouwd en dat zij en haar man samen alles hebben opgebouwd; haar man nog steeds bij Staatsolie werkt; hij 60 jaar oud wordt en zij 62 jaar oud is;
c. hij voorheen altijd wat geld stortte voor haar op haar rekening, doch dat hij hiermee stopte in het begin van het jaar 2013;

2.4 Namens de man is door diens raadsman gesteld, dat het bedrijf waar de man werkzaam is een weduwenpensioenregeling heeft waar de vrouw mogelijk aanspraak op zou kunnen maken indien zij niet vóór de man het aardse leven verlaat. Naar het oordeel van het Hof gaat deze stelling niet op. Het gaat er immers juist om dat de vrouw niet als weduwe van de man zou worden aangemerkt en uit dien hoofde geen aanspraak zou kunnen maken op genoemde weduwenpensioenregeling, indien het huwelijk tussen partijen door echtscheiding zou zijn ontbonden en de man daarna zou komen te overlijden terwijl de vrouw nog in leven zou zijn. In deze situatie zou de weduwenpensioenregeling aan de neus van de vrouw voorbijgaan.

2.5 Voorts is door de man opgeworpen dat het beroep op het pensioenverweer niet opgaat, indien:

  1. redelijkerwijs te verwachten is dat de vrouw, bij overlijden van de man vóór haar, zelf voldoende voorzieningen kan treffen en
  2. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegen de mate aan haar te wijten is.

Uit de stellingen en weren van partijen over en weer is het het Hof reeds gebleken dat de duurzame ontwrichting niet aan de man noch aan de vrouw in overwegende mate is toe te rekenen. Als niet weersproken staat vast dat het bestaand vooruitzicht van de vrouw op uitkering van weduwenpensioen aan haar zal teloorgaan of in ernstige mate zal verminderen na echtscheiding indien daaromtrent geen voorzieningen zijdens de man zijn getroffen. Door de man is gesteld dat partijen sedert 2008 niet meer samenwonen en dat de vrouw dus zelf voorzieningen voor haar levensonderhoud heeft getroffen. Dit is door de vrouw weersproken. Zij heeft daartoe – kort gezegd – gesteld afhankelijk te zijn van haar schoonouders en haar zonen.

Voorts is door de man gesteld dat de vrouw de en/of rekening van partijen heeft leeggehaald en dat zij alle onroerende goederen reeds op haar naam heeft. Ook dit is door de vrouw weersproken. De man heeft geen bewijs aangeboden van zijn aangevoerde stellingen en het Hof ziet geen aanleiding om de man ambtshalve bewijs op te dragen.

2.6 De man heeft de door het Hof gelaste comparitie van partijen, die met name diende om informatie van de man te verkrijgen teneinde te komen tot een voorziening als bedoeld in rechtsoverwegingen 8.7 en 8.8 van het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 21 juli 2017, niet benut door aanwezig te zijn en/of met een concreet voorstel onderbouwd met relevante documenten te komen over een te treffen voorziening voor de vrouw. De man heeft op geen enkel moment bereidheid getoond te willen werken naar een voorziening als eerdergenoemd. Ook heeft de man geen inzicht willen verschaffen in zijn financiële positie, wat hij aan pensioen zou krijgen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, wat de hoogte van het weduwepensioen zou kunnen bedragen in het geval de vrouw nog in even zou zijn na zijn overlijden, etc.
De stelling van de man verwoord in de conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde dat het ”het Hof moge behagen zelf de door de appellant te treffen voorziening aan te geven” wordt in dit licht niet serieus genomen en wordt daaraan voorbij gegaan.
Eén en ander heeft tot gevolg dat het gevoerde pensioenverweer slaagt zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden zoals in voormeld tussenvonnis d.d. 21 juli 2017 en hiervoor is aangegeven

2.7 Het hof merkt op dat in het licht van het voorgaande het tussenvonnis d.d. 21 juli 2017 voor wat betreft overweging 8.3 de laatste volzin overbodig is en derhalve dient te worden weggelaten.

2.8 De proceskosten in dit hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd, nu zijn echtelieden zijn.

De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

Bevestigt het tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 mei 2012, bekend onder A.R.No. 11-0274, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van gronden;
Compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. B.G. Beckles en mr. L. Punwasi-Raghoebier.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-6

G.R. no. 15875

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. De politieke vereniging Partij voor Recht en Ontwikkeling, afgekort ‘PRO’, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, hierna (ook) te noemen Pro,
B. De politieke vereniging Seti Sranan Politieke Partij, afgekort ‘SSPP’, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, hierna (ook) te noemen SSPP,
C. De politieke vereniging STREI!, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, hierna (ook) te noemen Strei,
D. De politieke vereniging Alternatief 2020, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, hierna (ook) te noemen A-2020,
appellanten in kort geding, hierna gezamenlijk aangeduid als appellanten,
gemachtigden: mrs. J.M. Nibte, G.R. Sewcharan en A.C.A. Karg, advocaten,

tegen

De Staat Suriname, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
rechtspersoon, zetelend te Paramaribo, hierna aangeduid als de Staat,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen parkette aan de Limesgracht nr. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 12 december 2019 bekend in het Algemeen Register onder no. 19-3863 tussen appellanten als eisers en de Staat als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het schrijven van de advocaten van appellanten gedateerd 20 december 2019
  • ingekomen ter griffie der kantongerechten op 20 december 2019 – waaruit blijkt dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 12 december 2019;
  • de memorie van grieven gedateerd 20 januari 2020;
  • de memorie van antwoord gedateerd 21 februari 2020;
  • ten dage voor het nemen van een pleitnota bepaald heeft advocaat mr. A.C.A. Karg mede namens mrs. G.R. Sewcharan en J.M. Nibte verklaard te persisteren bij de memorie van grieven en heeft om vonniswijzing verzocht;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 12 december 2019. Appellanten waren bij de uitspraak bijgestaan door hun gemachtigde ter terechtzitting verschenen terwijl de Staat vertegenwoordigd door mr. Lo Tam Loi namens zijn gemachtigde ter terechtzitting is verschenen. Nu appellanten op 20 december 2019 hoger beroep hebben ingesteld tegen het beroepen vonnis is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: BRv.) tijdig geschied en zijn zij ontvankelijk in het door hun ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

Appellanten vorderen in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding, in eerste aanleg uitgesproken op 12 december 2019 in de procedure met A.R. No. 19-3863 tussen appellanten als eisers en de Staat als gedaagde en opnieuw rechtdoende appellanten alsnog in hun vorderingen ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de Staat in de kosten in beide instanties.

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

Appellanten hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. De Kiesregeling van 1987 zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1987 no. 70, S.B. 1987 no. 71, S.B. 1987 no. 83, S.B. 1987 no. 84, S.B. 2005 no. 6, bepaalt in artikel 7 onder de kop “POLITIEKE ORGANISATIES”:

“ Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie mede beschouwd een kombinatie van politieke organisaties, welke met het oog op deelname aan algemene, vrije en geheime verkiezingen is gevormd, mits deze kombinatie bestaat uit politieke organisaties die voldoen aan de in het “Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen zijn uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van bedoeld decreet.”

4.2. Na wetswijziging bij S.B. 2019 no. 55 wordt artikel 7 van de Kiesregeling als volgt gelezen:

“ Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie beschouwd een organisatie welke voldoet aan de in het “Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van het eerder genoemde decreet.”

4.3. Onder hoofdstuk VII, De registratie van politieke organisaties en de wijze van kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen”, zijn bij S.B. 2019 no. 54 in artikel 31 wijzigingen aangebracht, onder meer de toevoeging van drie nieuwe leden 5,6 en 7 als volgt:

“5. Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.

  1. De betaalde waarborgsom als bedoeld in lid 5 wordt gerestitueerd binnen dertig dagen:
  2. nadat de uitslag van de verkiezingen bindend is verklaard, en
  3. indien de politieke organisatie tenminste één zetel in één van de volksvertegenwoordigende organen heeft behaald of het totaal aantal door de politieke organisatie behaalde stemmen op kandidaten voor De Nationale Assemblee gelijk is of meer bedraagt dan 1% van het totaal aantal kiesgerechtigden.
  1. De hoogte van de waarborgsom is gelijk aan 1% van het aantal kiesgerechtigden vermenigvuldigd met SRD 25,-.”

4.4. In artikel 61 van de Grondwet (hierna (ook) GW), S.B. 1992 no. 38 is het volgende bepaald:

1. De Nationale Assemblee bestaat uit 51 leden die per district op grond van algemene, vrije en geheime verkiezingen krachtens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging bij grootste gemiddelde en voorkeursstemmen worden gekozen.

  1. Personen, die zich in een district kandidaat hebben gesteld ter verkiezing tot afgevaardigde naar De Nationale Assemblee moeten in het desbetreffende district wonen en hun hoofd- of, werkelijk verblijf aldaar hebben en wel gedurende twee jaren voorafgaand aan de verkiezingen.”

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Er zijn geen grieven aangevoerd betreffende de aanname van het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering zijdens appellanten door de kantonrechter weshalve ook in hoger beroep van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Daarenboven vloeit het spoedeisend belang eveneens voort uit de aard van het gevorderde in samenhang bezien met de datum van de geplande verkiezingen in Suriname, te weten 25 mei 2020.

5.2. Appellanten hebben in eerste aanleg als eisers in kort geding gevorderd dat:

I. De Staat zal worden verboden om artikel I sub B. en sub D. Wet nadere wijziging Kiesregeling (S.B. 2019, No. 55) te hanteren of toe te passen, bij uitvoering van alle rechtshandelingen en feitelijke gedragingen, op enige wijze betrekking hebbende op de algemene, vrije en geheime verkiezingen van leden van volksvertegenwoordigende lichamen in het kalenderjaar 2020, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan.
II. Artikel I sub B. en sub D. van de Wet nadere wijziging Kiesregeling (S.B. 2019, No. 55), althans de werking daarvan, zal worden opgeschort, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan.
III. Alle organen van de Staat, welke bij de verkiezingen betrokken zijn, daaronder in ieder geval begrepen de President van de Republiek Suriname, het Centraal Hoofdstembureau, de Hoofdstembureaus in ieder der districten en het Onafhankelijk Kiesbureau zullen worden veroordeeld om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en gedogen.
IV. Als dwangsom zal worden bepaald, het tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen bedrag van SRD. 10.000.000,– (zegge: tien miljoen Surinaamse Dollars), althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of iedere keer dat de Staat in strijd met de hiervoor verzochte veroordeling(en) zal handelen.

Kosten rechtens.

5.3. Naast voormelde vaststaande feiten hebben appellanten in eerste aanleg aan hun vordering – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – het volgende ten grondslag gelegd:
a. PRO heeft bij brieven d.d. 15 april 2019 de Nationale Assemblee en de President van de Republiek Suriname erop gewezen, dat de wijzigingsvoorstellen waarvoor gestemd is door het aantal assembleeleden als voornoemd, op ongrondwettelijke wijze en met schending van mensenrechten door de Nationale Assemblee zijn aangenomen. Voorts heeft zij voornoemde organen aanbevolen erop toe te zien dat de wetsontwerpen geen kracht van wet verkrijgen. Beide voorstellen zijn in weerwil van de aanbeveling op 23 mei 2019 door de regering kracht van wet toegekend door ondertekening en publicatie. Aanname, publicatie en toekomstige toepassing van voormelde wetswijzigingen, behelzen onrechtmatige, ongrondwettelijke, mensenrechtenschendende gedragingen, welke inbreuken behelzen op de Grondwet, de grondrechten van alle kiezers en kandidaten, maar in het bijzonder voorts onrechtmatige gedragingen behelzen jegens appellanten in het bijzonder.

b. De wetswijzigingen in kwestie zijn in de Nationale Assemblee aangenomen met 29 stemmen vόόr. Beide wetswijzigingen hebben echter betrekking op het ‘kiesrecht’ zoals in artikel 60 juncto 83 lid 3 van de Grondwet bedoeld en vereisen derhalve een meerderheid van tenminste tweederde (2/3) deel van het grondwettelijk aantal leden van de Nationale Assemblee voor het nemen van besluiten daarover. De Grondwet van Suriname vereist een gekwalificeerde meerderheid van tweederde (2/3) deel voor wijzigingen van alles wat op enige wijze het kiesrecht betreft. Nu deze gekwalificeerde meerderheid niet behaald was, hadden de wetswijzigingen niet aangenomen mogen worden en kunnen deze derhalve onmogelijk toegepast worden, nu zij evident in strijd zijn met de Grondwet.

c. Het moment van ingaan van de wijzigingen is eveneens hoogst merkwaardig in constitutionele zin en strijdig met de staatsrechtelijke ordening van Suriname. Het betreft twee verregaande wijzigingen die evident bestaande, goed gefinancierde politieke organisaties met een lange geschiedenis en veel leden, ten gunste komt en nieuwere organisaties, nieuwe politieke partijen belemmert. Dit, op een tijdstip dat voor aankomende verkiezingen ruim acht nieuwe partijen geïntroduceerd zullen worden. Goed constitutioneel gebruik zou een overgangsregeling of later moment van in werking treden rechtvaardigen.

d. De wijziging is een inbreuk in de breedste zin van het woord op het gelijkheidsbeginsel en kan derhalve geen enkele ondersteuning vinden in het recht. Hiernaast is minstens sprake van strijdigheid met het beginsel van rechtszekerheid en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens appellanten is het zgn. combinatieverbod een beperking die wordt opgelegd aan de Surinaamse kiezer en aan de burger, aan de burger als partijlid en aan de politieke vereniging als rechtssubject, en staat haaks op het in artikel 52 Grondwet verwoorde kenmerk van participatie en representatie van het Surinaamse volk, gericht op het handhaven en uitbouwen van een democratisch politiek stelsel en deelname aan wetgeving en bestuur. De introductie van de waarborgsom als vervanging voor, of in aanvulling op de oude 1% regeling, is onconstitutioneel en in strijd met het politiek recht van de burger. De aanname van de wetswijzigingen zonder de daartoe vereiste meerderheid en naar karakter van de beoogde inhoud wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige overheidsdaad. De toepassing van de wetswijzigingen bij de aankomende verkiezing zou gekwalificeerd kunnen worden als een onrechtmatige overheidsdaad.

5.4. Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato donderdag 12 december 2019 heeft de kantonrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd en eisers (appellanten) in de gedingkosten veroordeeld.
Appellanten verzoeken het Hof in hun memorie van grieven om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende appellanten alsnog in hun vorderingen ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de Staat in de kosten in beide instanties. Daartoe hebben appellanten grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen:

Grieven met betrekking tot rechtsoverweging 4.3. van het beroepen vonnis:

5.4.1. In de visie van appellanten heeft de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder rechtsoverweging 4.3.overwogen zoals daarin is vermeld. Deze rechtsoverweging is rechtens onjuist omdat geen bepaling der Grondwet, in het bijzonder niet artikel 80 lid 2 Grondwet aan de Kantonrechter de bevoegdheid ontneemt tot toetsing op enige wijze en de kantonrechter in eerste aanleg had juist de voormelde toetsing behoren te verrichten, met de onvermijdelijke conclusie, dat de wijzigingen ongrondwettelijk waren en derhalve niet voor toepassing geschikt zijn. Artikel 12 van de Wet Algemene Bepalingen der Wetgeving van Suriname, als geciteerd door de Kantonrechter behelst geen toetsingsverbod en is van lagere orde dan artikel 80 lid 2 Grondwet. Verzocht werd aan de Kantonrechter en verzocht wordt thans aan het Hof, niet om de innerlijke waarde (lees: te beoordelen), doch het buiten toepassing laten, vanwege de gebrekkige wijze van totstandkoming en de strijdigheid met ieder verbindende bepalingen van verdragenrecht en bepalingen met in Hoofdstuk V genoemde grondrechten. Het is geenszinsjuridische semantiek en syntactische grammatica’ te noemen, wanneer de bepaling, welke op onschendbaarheid duidt, zijnde artikel 80 lid 2 Grondwet, op de juiste manier wordt gelezen en verwacht mag worden dat deze juist toegepast zal worden. De bepaling luidt: ‘ De wetten zijn onschendbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2’. ‘Semantiek’, oftewel, ‘betekenisleer’, als door de Kantonrechter is verwoord, is niet hoogst noodzakelijk, om de definitie van het woord ‘behoudens’ correct te begrijpen, namelijk: ‘uitgezonderd’. Zulks houdt in dat het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 Grondwet, een uitzondering betreft op de onschendbaarheid. Verzocht is het buiten toepassing laten van enkele wettelijke voorschriften casu quo wettelijke bepalingen wegens niet verenigbaarheid respectievelijk strijdigheid met enerzijds ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten (lees: verdragen) en een in Hoofdstuk V genoemd grondrecht. Van onschendbaarheid of een toetsingsverbod, materieel, dan wel formeel, is derhalve in casu geen sprake, zodat de Kantonrechter gehouden was tot toetsing en daarbij alle aanleiding aanwezig was – en is – voor het toewijzen van het in eerste aanleg gevorderde.

5.4.2. Als tweede grief hebben appellanten aangevoerd dat de kantonrechter met voorgaande overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Meer in het bijzonder, is het rechtens onjuist, dat artikel 80 lid 2 Grondwet – of enige andere bepaling – aan de Kantonrechter – of enig ander rechtsprekend orgaan – de bevoegdheid tot formele toetsing ontneemt. Deze grief richt zich voorts op de nadere onderbouwing, welke de kantonrechter heeft menen te selecteren uit Nederlandse jurisprudentie, welke specifieke arresten voor de Surinaamse rechtsorde niet richtinggevend kunnen zijn. Hoewel het Van den Bergh arrest en het feitenrelaas in casu de aansluiting missen, kunnen onmogelijk aan de door de Kantonrechter geciteerde rechtsoverwegingen daarvan uit dat Nederlandse arrest, conclusies verbonden worden, welke evidente verstoringen van de Surinaamse rechtsorde, aan toetsing door de Kantonrechter, dan wel het Hof, onttrekken.

5.4.3. Het Nederlands toetsingsverbod, redelijk ongeclausuleerd, verschilt hemelsbreed van de Surinaamse, geclausuleerde onschendbaarheidsbepaling.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.4.van het beroepen vonnis:

5.4.4. Appellanten zijn van mening dat met de rechtsoverweging en het gekozen citaat, de Kantonrechter heeft gedwaald ten aanzien van het recht. Appellanten hebben geen verzoek ingediend tot abstracte toetsing. Door de kantonrechter kon derhalve onmogelijk worden overwogen dat van abstracte toetsing sprake was, hoewel de schending van de grondrechten en verdragenrecht, een dusdanig algemeen karakter vertoont, dat ook daar alle aanleiding toe zou zijn geweest.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.5. van het beroepen vonnis:

5.4.5. De slotsom waartoe de Kantonrechter in eerste aanleg kwam is rechtens onjuist omdat, zoals gemotiveerd is aangegeven, niet om een oordeel van de innerlijke waarde en billijkheid van de wetswijzigingen in abstracto is verzocht, maar, in navolging van de memorie van Toelichting zoals geciteerd, dat: ‘toepasselijkheid van de gewraakte bepalingen, slechts voor dat speciale geval ongeoorloofd verklaart, zodat de bepaling zelf verbindend blijft.’

5.4.6. Echter en mogelijk meer rechtstreeks, zou toetsing aan artikel 23 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens (hierna AVRM), zoals artikel 106 Grondwet voorschrijft, onvermijdelijk moeten hebben (het Hof leest: geleid) tot buiten toepassing laten van de wetswijzigingen. De waarborgsom en het combinatieverbod zijn in evidente en flagrante strijd, met de onder die ieder verbindende bepaling van het verdrag genoemde beperkingen op het actief en passief kiesrecht.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.6. van het beroepen vonnis:

5.4.7. Het door de Kantonrechter overwogene is rechtens onjuist. Gebleken is reeds dat een toetsingsverbod als door de Kantonrechter onjuist aangenomen en te ruim opgevat, niet van kracht of bestaand is, in Suriname. Ten aanzien van gebrek aan overgangswet en overgangsmogelijkheid is relevant dat daarin juist strijdigheid met het legaliteitsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel verankerd is. Ten aanzien van de door de Staat in eerste aanleg aangehaalde eerdere wijzigingen in het verleden, betwisten appellanten het ingrijpend karakter van dergelijke wijzigingen. De ingrijpende gevolgen blijken nergens uit en aan het argument wordt geloofwaardigheid ontnomen, juist doordat andere politieke organisaties destijds, klaarblijkelijk gemeend hebben geen grond voor het indienen van rechtsvorderingen aanwezig te achten. Appellanten bestonden destijds niet, doch hun idealen zouden niet toegelaten hebben, dat ongrondwettelijkheid en inbreuken op het legaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, onverstoord onderdeel zouden uitmaken van het kiesrecht, daar waar de Grondwetgever, dit recht van iedere waarborg voorzien, opgenomen heeft in de Grondwet. In de kern ligt besloten dat het incidenteel toestaan van strijdigheid met de Grondwet en constitutionele orde, niet de inhoud of waarborgen ontneemt. Wanneer de periode voor het voldoen aan bepaalde voorwaarden reeds lopend is, aanvangend ruim twee jaar voorafgaand aan de verkiezingen, is wijziging aanbrengen in die voorwaarden een vergaande inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel. Wijzigingen als de onderhavige zijn niets anders dan een naakte machtsconsolidatie door een zittende regeringspartij. Het niet in acht nemen van behoorlijke en billijke normen van overgangsrecht, maakt dat met voorkennis en voorkeur, wetgeving door de regeringspartij en voor de regeringspartij, machtsbehoud, en niet de terughoudendheid zoals vervat in artikel 23 AVRM en artikel 25 BUPO, de basis vormen voor wetgeving. Iets waar de Kantonrechter zich niet aan kan onttrekken door een beroep op een te ruime uitleg van onschendbaarheid van wetgeving.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.8 van het beroepen vonnis:

5.4.8. De overweging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en onjuist begrip van het feitenrelaas. Niet, althans onvoldoende in eerste aanleg betwist, is dat er een aanzienlijk verschil in voorhanden financiële middelen bestaat, ver in het voordeel van de regeringspartij en de enkele politieke organisaties die haar predateren. De waarborgsom is een existentiële, kritieke drempel voor deelname voor de leden van de politieke organisaties, aan de verkiezingen, waar de vordering betrekking op heeft. De meest basale vorm van uiting en beleving van die persoonlijke overtuiging, wordt ontnomen aan de deelnemers aan de verkiezingen, in casu de politieke organisaties, haar leden en de kiezer, door hun kiesrecht voorwaardelijk te maken aan financiële drempels, achteraf beoordeelde slagingskansen met een zwaar punitief karakter en met een verbod op combinatie, van meet af aan een politiek verbindingsmiddel in het Surinaams constitutioneel en politiek bestel.

Grieven met betrekking tot rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis:

5.4.9. In zoverre de kantonrechter met dit onderdeel heeft begrepen, dat thans appellanten als eisers in eerste aanleg zich over artikel 61 lid 2 Grondwet of de vereisten daarvan, meenden te onttrekken of daarover beklaagden, is zulks een onjuiste interpretatie van het door hen gevorderde. Opgemerkt is, dat de vereisten van dat artikel met zich mee brengen, dat een termijn van twee kalenderjaren, aanvangt en invloed heeft op kandidaatstelling. Het gaandeweg die twee jaren, en wel ruim een jaar voor de verkiezingen, nieuwe, verstrekkende financiële eisen en politiek inhoudelijke beperkingen stellen aan deelname en samenwerking, is rechtens onaanvaardbaar.

5.4.10. De Kantonrechter geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, wanneer zij meent, dat verbod op toepassing en een opschorting van de wetswijzigingen wegens de gevolgen voor derden, de vordering onvoldoende toewijsbaar maakt. Ten eerste was de vordering onderwerp van openbare rechtspraak, maar is vanwege het publiekelijk karakter en het belang voor de rechtsstaat, in iedere fase ruime aandacht besteed aan het proces door de media. Aan belanghebbenden bestond gedurende de procedure, welke op de openbare kort geding rol afgeroepen is, ex artikel 216 BRv. de mogelijkheid te vorderen daar tussen te komen. Daarnaast hebben appellanten vooraf 18 politieke organisaties aangeschreven omtrent hun intenties tot procederen en van geen van deze politieke organisaties is enig bericht ontvangen, met de strekking dat zij meenden dat hun belang door toewijzing van een vordering tot opschorting, dan wel buiten toepassing laten van de wetswijzigingen, hun redelijke belangen aangetast werden, quod non. De Kantonrechter is met deze stelling, door geen der procespartijen naar voren gebracht, het partijdebat te buiten gegaan en heeft verzuimd dit deugdelijk dan wel begrijpelijk te motiveren.

5.5. De Staat heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.6. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. Appellanten stellen zich op het standpunt, dat de onderhavige wetswijzigingen zoals hiervoor aangegeven behelzende – kort gezegd – een zgn. combinatieverbod (van aan de verkiezing deelnemende politieke partijen) en de introductie van een waarborgsom, niet met een gewone meerderheid door de Nationale Assemblee mochten worden aangenomen maar dat er daarvoor een gekwalificeerde meerderheid vereist was. Voorts voeren zij aan – kort gezegd – dat voormelde wetswijzigingen in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Appellanten beklagen zich erover dat zij zich – althans zo vat het Hof dat op – beknot voelen in het uitoefenen van hun passief kiesrecht.

5.7. De Staat daarentegen huldigt de opvatting – zakelijk weergegeven – dat ingevolge het bepaalde in artikel 80 Grondwet de wetten onschendbaar zijn en dus niet aan rechterlijke beoordeling onderhevig zijn, behoudens de gevallen genoemd in artikel 106, 137 en 144 lid 2 Grondwet. Van strijdigheid met een grondrecht genoemd in hoofdstuk V van de Grondwet is hier geen sprake dus kan er in casu geen beroep worden gedaan op artikel 137 Grondwet. Artikel 144 lid 2 Grondwet heeft de inhoudelijke toetsing van wetten aan de Grondwet en verdragsbepalingen bij uitstek voorbehouden aan het Constitutioneel Hof, dat echter tot op heden nog niet functioneert. Een dergelijke toetsing door de burgerlijke (bodem)rechter is per definitie uitgesloten. Immers heeft de grondwetgever in de Memorie van Toelichting op de Wet tot nadere wijziging Grondwet S.B. 1992 no. 38 uitdrukkelijk aangegeven dat de constitutionele toetsingsbevoegdheid van dit Hof neergelegd in artikel 144 lid 2 Grondwet “..….. geen formele toetsing inhoudt: niet mag nagegaan worden of ten aanzien van totstandkoming van de wet de daarvoor geldende procedurevoorschriften zijn nageleefd, aangezien deze bevoegdheid alleen aan de Nationale Assemblee is voorbehouden” (einde citaat).

Het door appellanten geopperde argument dat om rechtsgeldig te zijn de betreffende gewijzigde wetten met 2/3 meerderheid in DNA moesten zijn aangenomen gaat dus volgens de Staat niet op. Voor de betreffende wijziging van de Kiesregeling was er dus – aldus de Staat – slechts een gewone meerderheid vereist. Er is op basis van de geldende definitie van het kiesrecht, met name in het Bupo-verdrag, op geen enkele wijze inbreuk gemaakt op of afbreuk gedaan aan het actief en passief kiesrecht. Met de wijzigingen is het kiesrecht – in de visie van de Staat – zoals neergelegd in de Grondwet en de Kiesregeling, niet aangetast.

5.8. Ingaand op de grieven en weren van partijen stelt het Hof voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 GW, wetten onschendbaar zijn behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 GW. Appellanten klagen erover dat de wijze van totstandkoming van de wet van 23 mei 2019, houdende nadere wijziging van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2010 no. 29) gebrekkig en strijdig is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en met in hoofdstuk V genoemde grondrechten.

Voor een goed overzicht van de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 GW zullen deze artikelen hierna worden geciteerd:

Artikel 106:
“Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan”.

Artikel 137:
“Voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten, verklaart hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd”.

Artikel 144 lid 2:
“Het Constitutioneel Hof heeft tot taak:
a. het toetsen van de inhoud van wetten of gedeelten daarvan aan de Grondwet en aan van toepassing zijnde overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties;
b. het beoordelen van de verenigbaarheid van besluiten van overheidsorganen met één of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten”.

5.9. Naar het oordeel van het Hof heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat de Kiesregeling een wet in formele zin is en dat het materiële toetsingsrecht, dit is het onderzoek of de inhoud van de wet verenigbaar is met de Grondwet, aan de kantonrechter niet toekomt. Het Hof voegt hieraan toe, dat dit geldt behoudens de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 80 lid 2 van de Grondwet.

Hetzelfde geldt voor het formele toetsingsrecht, dit betreft de toets of de wijze van totstandkoming van een wet verenigbaar is met de Grondwet. Ook dat toetsingsrecht komt de kantonrechter niet toe. Aangezien de Grondwet van Suriname een memorie van toelichting ontbeert wordt in dit kader aansluiting gezocht bij het met het Surinaams artikel in hoofdlijnen overeenstemmende Grondwetsartikel van Nederland, te weten artikel 120. Blijkens de rechtsliteratuur verbiedt voormeld wetsartikel de rechter de wet in formele zin te toetsen aan de Grondwet (zie: “ Een artikelsgewijs commentaar, de Grondwet, onder redactie van: P.W.C. Akkermans en A.K. Koekoek, tweede druk, pagina’s 1052 e.v.). Het Hof neemt voormelde zienswijze over en maakt die tot de zijne. Op grond van het vorenoverwogene gaan de door appellanten aangevoerde grieven zoals hiervoor aangegeven onder 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.5 niet op en zullen die worden verworpen.

5.10. Thans komt aan de orde de vraag of er in casu sprake is van één van de uitzonderingsgevallen zoals genoemd in artikel 80 lid 2 Grondwet, te weten het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 Grondwet.

5.10.1. Ten aanzien van het bepaalde in artikel 106 Grondwet oordeelt het Hof als volgt.

Artikel 23 van het AVRM luidt (citaat):

Right to Participate in Government

“ 1. Every citizen shall enjoy the following rights and opportunities:
a. to take part in the conduct of public affairs, directly or through freely chosen representatives;
b. to vote and to be elected in genuine periodic elections, which shall be by universal and equal suffrage and by secret ballot that guarantees the free expression of the will of the voters; and
c. to have access, under general conditions of equality, to the public service of his country.

2.The law may regulate the exercise of the rights and opportunities referred to in the preceding paragraph only on the basis of age, nationality, residence, language, education, civil and mental capacity, or sentencing by a competent court in criminal proceedings.”

Artikel 25 van het Bupo-Verdrag luidt (citaat):

Every citizen shall have the right and the opportunity, without any of the distinctions mentioned in article 2 and without unreasonable restrictions:

  • (a) To take part in the conduct of public affairs, directly or through freely chosen representatives;
  • (b) To vote and to be elected at genuine periodic elections which shall be by universal and equal suffrage and shall be held by secret ballot, guaranteeing the free expression of the will of the electors;
  • (c) To have access, on general terms of equality, to public service in his country.

Wel of geen rechtstreekse werking?

Met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 23 van het AVRM en artikel 25 van het Bupo-verdrag is het Hof van oordeel dat deze bepalingen – gelet op de daarin gebezigde bewoordingen – rechtstreekse werking hebben in Suriname en gelden als een ieder verbindende verdragsbepaling. Vervolgens komt aan de orde de toets of het combinatieverbod en de introductie van de waarborgsom in de gewijzigde Kiesregeling in strijd zijn met deze verdragsbepalingen.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 23 AVRM

Uit de doctrine (Zie “The Inter-American Court of Human Rights, Case law and Commentary, Laurence Burgorgue-Larsen and Amaya Ubeda De Torres, translated by Rosalind Greenstein, Oxford University Press, 2013, pagina 589 e.v.) met betrekking tot artikel 23 AVRM, kan – voor zover hier van belang – het volgende worden geciteerd:

“206. Instituting and applying requirements for exercising political rights is not, per se, an undue restriction of political rights. These rights are not absolute and may be subject to limitations. Their regulation should respect the principles of legality, necessity and proportionality in a democratic society. Observance of the principle of legality requires the State to define precisely, by law, the requirements for voters to be able to take part in the elections, and to stipulate clearly the electoral procedures prior to the elections. According to Article 23(2) of the Convention, the law may regulate the exercise of the rights and opportunities referred to in the first paragraph of this Article, only for the reasons established in this second paragraph. The restriction should be established by law, non-discriminatory, based on reasonable criteria, respond to a useful and opportune purpose that makes it necessary to satisfy an urgent public interest, and be proportionate to this purpose. When there are several options to achieve this end, the one that is less restrictive of the protected right and more proportionate to the purpose sought should be chosen.”

Vrij vertaald:

“Het instellen en toepassen van vereisten voor de uitoefening van politieke rechten is op zich geen onrechtmatige beperking van politieke rechten. Deze rechten zijn niet absoluut en kunnen aan beperkingen onderhevig zijn. De regulering daarvan dient de beginselen van legaliteit, noodzakelijkheid en evenredigheid in een democratische samenleving, in acht te nemen. Naleving van het legaliteitsbeginsel vereist van de Staat dat deze bij wet exact de vereisten aangeeft waaraan kiezers moeten voldoen om te kunnen deelnemen aan de verkiezingen, en dat zij de verkiezingsprocedures duidelijk vaststelt vóór de verkiezingen. Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het Verdrag kan de wet de uitoefening van de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde rechten en mogelijkheden alleen om de in deze tweede alinea genoemde redenen reguleren. De beperking moet bij wet worden vastgesteld, mag niet-discriminerend zijn, moet gebaseerd zijn op redelijke criteria, beantwoorden aan een nuttig en opportuun doel dat het noodzakelijk maakt aan een dringend algemeen belang te voldoen, en moet evenredig zijn aan dit doel. Als er verschillende mogelijkheden zijn om dit doel te bereiken, moet worden gekozen voor die welke het beschermde recht minder beperkt en meer in verhouding staat tot het beoogde doel.”

Waar het bepaalde in lid 2 van artikel 23 AVRM, meer in het bijzonder het woordje “only” zou duiden op een limitatieve opsomming van de gevallen waarin de wet de uitoefening van de in lid 1 van artikel 23 AVRM bedoelde rechten en kansen/mogelijkheden zou mogen reguleren/beperken heeft het Inter-Amerikaans Hof voor de rechten van de Mens (hierna IAHRM) in de belangrijke zaak Castańeda Gutmán versus Mexico (IACHR, August 6, 2008, Preliminary Objections, Merits, Reparations and Costs, Castańeda Gutmán v Mexico, Series C no.184, para.159.) beslist – verkort weergegeven – dat dat uitgangspunt niet juist is.

Uit hiervoor aangehaalde boekwerk The Inter-American Court of Human Rights, Case law and Commentary, pagina 602 kan worden geciteerd:

“The applicant had alleged that his right to stand for election had been violated, arguing that Article 23(2) of the Convention provided an exhaustive list of possible restrictions, as can be seen by the use of the word ‘only’. The Court disagreed on this point and said that the States can choose how to regulate the elections, which implied that certain restrictions could be possible, provided they were neither disproportionate nor unreasonable.”

Vrij vertaald:

“Verzoeker had beweerd dat zijn passief kiesrecht was geschonden, waarbij hij aanhaalde dat artikel 23, lid 2, van het verdrag voorzag in een uitputtend overzicht van mogelijke beperkingen, hetgeen blijkt uit het gebruik van het woord “alleen”. Het Hof was het op dit punt oneens en stelde dat Staten kunnen kiezen hoe ze de verkiezingen willen reguleren, hetgeen impliceert dat bepaalde beperkingen mogelijk zouden kunnen zijn, op voorwaarde dat ze niet disproportioneel of onredelijk waren.”

De beperking moet volgens de “General Comments” behorende bij dit artikel bij wet worden vastgesteld, mag niet discriminerend zijn, moet gebaseerd zijn op redelijke criteria, beantwoorden aan een nuttig en opportuun doel dat het noodzakelijk maakt aan een dringend algemeen belang te voldoen, en moet evenredig zijn aan dit doel. Als er verschillende opties zijn om dit doel te bereiken, moet worden gekozen voor die welke het beschermde recht minder beperkt en meer in verhouding staat tot het beoogde doel.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 25 van het Bupo-verdrag

In de “General Comments” (General Comment adopted by the Human Rights Committee under article 40, paragraph 4, of the International Covenant on Civil and Political Rights, addendum, General Comment No.25 (57) behorende bij dit artikel is onder meer het navolgende aangegeven (citaten):

4. Any conditions which apply to the exercise of the rights protected by article 25 should be based on objective and reasonable criteria.”,

“16.Condition relating to nomination dates, fees or deposits should be reasonable and not discriminatory.”

en

“17.The right of persons to stand for election should not be limited unreasonably by requiring candidates to be members of parties or of specific parties. If a candidate is required to have a minimum number of supporters for nomination this requirement should be reasonable and not act as a barrier to candidacy.”

Het Hof neemt de hiervoren weergegeven uiteenzetting hoe artikel 23 AVRM en artikel 25 BUPO-verdrag moeten worden geïnterpreteerd over en zal thans aan de hand van de memorie van toelichting van de gewraakte wetswijziging en met name wat in de memorie van toelichting is gerelateerd bij de artikelsgewijze toelichting omtrent de onderhavige wijziging van de Kiesregeling zoals hiervoor aangegeven onder 4.2. en 4.3 van dit vonnis, nagaan of de gewraakte wetwijziging bovenvermelde toets kan doorstaan.

Ten aanzien van artikel 7 van de (gewijzigde) Kiesregeling is daarbij, onder meer, het volgende aangegeven (citaat):

“ Bij een combinatie van politieke organisaties is niet duidelijk voor de kiezer een keuze te maken op grond van de beginselen van de combinatie of de ideologie van de combinatie. De belangrijkste vraag die bij de kiezer onbeantwoord blijft bij een combinatie, is welke normatieve uitgangspunten ten grondslag liggen aan het toekomstige politiek handelen van de politieke combinatie. Een belangrijke vraag dus om het toekomstig politiek handelen van de politieke combinatie te kunnen veronderstellen. Dit te kunnen bepalen is essentieel voor het kunnen maken van een verantwoorde politieke keuze door de kiezer. Bij de uitoefening van haar bevoegdheden moeten politieke organisaties volgens artikel 53 lid 3 onder d van de Grondwet het navolgende onder meer in acht nemen dat de kiezer in staat gesteld moet worden kennis te kunnen nemen van het beginselprogramma en het verkiezingsprogramma van de politieke organisatie. De bedoeling van de grondwetgever is onder meer dat politieke organisaties zich ten behoeve van de kiezer – het volk – moeten onderscheiden van elkaar waardoor de kiezer in staat wordt gesteld op grond van wat de organisatie eigen is, de beginselen en de ideologie van een organisatie, een verantwoorde keuze te kunnen maken. Het zijn voornamelijk de politieke ideeën waaromheen mensen zich bijvoorbeeld als politieke organisatie groeperen en deze ideeën hebben meestal het karakter van onder meer de beginselen en de ideologie van de organisatie. Een politiek beginsel of ideologie is een aanduiding van het normatieve uitgangspunt dat voor het politiek handelen wordt gekozen. Het moet helder en duidelijk zijn voor de kiezer op welke organisatie de keuze moet vallen bij de verkiezing. Het is onder meer om deze redenen waarom de grondwetgever ervoor gekozen heeft om artikel 53 lid 3d op te nemen in de Grondwet als wegwijzer voor de politieke organisaties, de overheid en het volk – lees de kiezer. Organisaties hebben voor de deelname aan de verkiezingen criteria nodig, dus beginselen en een ideologie, waardoor enerzijds een diagnose kan worden gemaakt van de samenleving zoals deze feitelijk bestaat en anderzijds een programma kan worden samengesteld zoals die samenleving eigenlijk zou moeten zijn.”

Ten aanzien van artikel 31 van de (gewijzigde) Kiesregeling is daarbij, onder meer, het volgende aangegeven (citaat): “ Een waarborgsom wordt als voorwaarde gesteld aan de politieke organisaties die deel willen nemen aan de verkiezingen. De waarborgsom wordt gerestitueerd indien de politieke organisatie tenminste 1 (één) zetel in 1 (één) van de volksvertegenwoordigende organen heeft behaald of het aantal stemmen dat gelijk is aan de 1% van het totaal aantal kiezers…… Het uitgangspunt van de waarborgsom is dat de leden van een politieke organisatie de gestelde bijdrage leveren om deel te kunnen nemen aan de verkiezingen.”

In de visie van het Hof leidt al het voorgaande tot de slotsom dat het combinatieverbod en de introductie van de waarborgsom niet onverenigbaar zijn met het bepaalde in de artikelen 23 AVRM en 25 BUPO-verdrag. De gewraakte wetswijzigingen (mede zoals belicht in de memorie van toelichting) afgezet tegen de artikelen 23 AVRM en 25 BUPO-verdrag zoals uiteengezet in de hiervoor weergegeven comments leiden, naar het oordeel van het Hof, niet tot de conclusie, dat de gewraakte wetswijzigingen discriminatoir, niet-redelijk, niet objectief, niet nuttig, niet opportuun danwel disproportioneel zijn.

Integendeel, de wetgever is bevoegd geweest om die wijzigingen door te voeren en heeft dat conform de legaliteitseis op een legale juiste wijze gedaan. Voor zover deze wijzigingen als opgeworpen barrières worden ervaren door appellanten is dat door hen, in de visie van het Hof, onvoldoende geobjectiveerd.

Al hetgeen appellanten dienaangaande hebben aangevoerd betreffende strijdigheid met het bepaalde in artikel 25 van het BUPO-verdrag en artikel 23 van het AVRM komen op grond van het voorgaande voor verwerping in aanmerking aangezien dat in rechte niet aannemelijk is geworden.

5.10.2. Vervolgens komt het Hof toe aan bespreking van het bepaalde in artikel 137 Grondwet en dat betreft de vraag of er met de aanname van voormeld combinatieverbod en de introductie van de waarborgsom sprake is van strijdigheid met één of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten.

In de visie van het Hof dient het antwoord op voormelde vraag eveneens in ontkennende zin te luiden en zal al hetgeen appellanten hieromtrent als grieven hebben aangevoerd worden verworpen.

Ten aanzien van het beroep van appellanten op schending van het in artikel 8 lid 2 van de Grondwet opgenomen klassieke grondrecht (het zogenoemde discriminatieverbodsartikel), is het Hof van oordeel dat dat geenszins aannemelijk is geworden in rechte. Van enige vorm van discriminatie door aanname van voormelde wijzigingen van de Kiesregeling is niet gebleken aangezien het combinatieverbod en de waarborgsom voor elke politieke organisatie geldt die deelneemt aan de verkiezingen. Van uitzonderingen op die regel is in dit geding gesteld noch gebleken. Dat appellanten menen – als “nieuwkomers” – last en hinder hiervan te ondervinden (althans zo vat het Hof dat op) doordat zij een “achterstand” hebben ten opzichte van de gevestigde politieke organisaties doet aan het voorgaande niet af aangezien dat naar het oordeel van het Hof inherent is aan het “nieuwkomerschap” en geen discriminatie of onredelijke barrière oplevert. Het beschermd belang (“de Schutznorm”) van artikel 23 AVRM is volgens de rechtsliteratuur (zie “The Inter-American System of Human Rights, edited by David Harris and Stephen Livingstone, blz. 283) het garanderen van de authenticiteit van de verkiezingen en die authenticiteit is in de visie van het Hof met de aanname van voormelde wijzigingen van de Kiesregeling op generlei wijze in gedrang gekomen.

5.10.3. Ten slotte komt het Hof toe aan bespreking van het bepaalde in artikel 144 lid 2 van de Grondwet. In voormeld Grondwetsartikellid zijn de taken van het Constitutioneel Hof opgenomen en die zijn in casu geen punt van discussie tussen partijen. Het Hof tekent aan dat ten tijde van het nemen van de beroepen beslissing door de kantonrechter het Constitutioneel Hof (nog) niet bemenst en geïnstalleerd was terwijl het Constitutioneel Hof inmiddels wel bemenst en geïnstalleerd is. Het voorgaande heeft evenwel in de visie van het Hof geen consequenties voor de onderhavige beslissing.

5.11. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de door appellanten aangevoerde grieven zoals hiervoor aangegeven onder 5.4.6 en 5.4.7 gegrond zijn gebleken. De kantonrechter behoorde in de visie van het Hof wel te toetsen of de onderhavige wetswijzigingen al dan niet in strijd waren met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Het Hof heeft hiervoor dus gedaan hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. De uitkomst daarvan loopt evenwel niet synchroon met de prognose die appellanten op het oog hebben gehad. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep – onder verbetering en aanvulling van gronden als hiervoor overwogen – zal worden bevestigd en appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, zullen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5.12. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

6.1. Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van gronden als voormeld, het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding de dato 12 december 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 19-3863, waarvan beroep;

6.2. Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mrs. A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 22 mei 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.C.A. Karg namens de advocaten mr. J.M. Nibte en mr. G.R. Sewcharan gemachtigde van appellanten; en namens mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1146
07 mei 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE 21 PLUS VOOR SURINAME, afgekort 21Su, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Osmiumstraat no. 36 te Paramaribo,
eiseres,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de Regering van Suriname, in het bijzonder het Hoofd van de Regering van Suriname, zijnde de President van de Republiek Suriname en de Minister van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 22 april 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d.23 april 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Eiseres als zedelijk lichaam

2.1 Bij Resolutie d.d. 05 september 2016 zijn de Statuten van eiseres om als zedelijk lichaam te worden erkend door de President van de Republiek Suriname goedgekeurd.

Onafhankelijk Kiesbureau (hierna waar nodig afgekort OKB)

2.2 Artikel 7 van de Wet Politieke Organisaties (S.B. 1987 no. 61, laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 54 ) luidt, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt:

1. Politieke organisaties dienen geregistreerd te zijn in een voor dat doel door het Onafhankelijk Kiesbureau gehouden openbaar register. Deze registratie is éénmalig.

  1. De voorwaarden voor registratie zijn:
  2. overlegging van het bewijs dat in de organisatiestructuren van de politieke organisatie het besluit is genomen om de politieke organisatie ter registratie aan te bieden.
  3. overlegging van de statuten, reglementen of andere documenten, waaruit de ordening van de politieke organisatie kan blijken;
  4. overlegging van het besluit van de President, inhoudende de goedkeuring van de statuten.
  5. Indien blijkt, dat de politieke organisatie de stukken als bedoeld in het vorige lid niet of niet volledig heeft overgelegd, zal het Onafhankelijk Kiesbureau zulks aan de politieke organisatie bij deurwaardersexploit mededelen, met het verzoek om binnen zeven dagen na de mededeling de stukken alsnog over te leggen.
  6. Indien na het verstrijken van de bedoelde termijn de desbetreffende stukken nog niet zijn overgelegd, wordt de registratie geweigerd.
  7. Van de registratie dan wel de weigering van de registratie maakt het Onafhankelijk Kiesbureau een proces-verbaal op volgens een bij staatsbesluit vast te stellen model. Afschrift van dit proces-verbaal wordt bij deurwaarders-exploit aan de politieke organisatie uitgereikt.
  8. Tegen weigering van de registratie is binnen veertien dagen, nadat het besluit tot weigering ter kennis van de politieke organisatie is gebracht, beroep mogelijk bij de President. De President beslist bij een met redenen omkleed besluit binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift.
  9. Het model van het openbaar register en de kosten van registratie worden bij staatsbesluit geregeld.
  10. Politieke organisaties, die zijn geregistreerd in voornoemd openbaar register kunnen op de dag van de kandidaatstelling, met inachtneming van de voorschriften van de Kiesregeling, lijsten van kandidaten indienen ter verkiezing in de volksvertegenwoordigende lichamen.
  11. Politieke organisaties die niet aan twee (2) achtereen volgende algemene, vrije en geheime verkiezingen hebben deelgenomen, moeten zich opnieuw registreren.
  12. Behoudens het bepaalde in lid 1 tweede volzin wordt, bij statutenwijziging of wijziging in het huishoudelijke reglement van de politieke organisatie, de politieke organisatie opnieuw geregistreerd. Bij wijziging in de samenstelling van het bestuur vindt daarvan schriftelijke opgave aan het Onafhankelijk Kiesbureau plaats.

2.3 Op 20 maart 2020 heeft eiseres onder aanbieding van documenten aan OKB het verzoek gedaan om in het openbaar register van OKB te worden ingeschreven.

2.4 Middels een schrijven d.d. 20 maart 2020, welk schrijven per exploot van een deurwaarder op 21 maart 2020 aan eiseres is betekend, heeft OKB aan eiseres kenbaar gemaakt dat de door haar ingediende bescheiden bij het verzoek tot het doen registreren van haar politieke organisatie niet voldoet aan de wettelijk gestelde voorwaarden. Ter zake heeft OKB het volgende in het schrijven vermeld:

Ingevolge artikel 7 lid 2 van de Wet Politieke Organisaties heeft u het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB) op 20 maart 2020 het verzoek gedaan tot de registratie van de politieke organisatie 21 Plus voor Suriname “21 PlusvoSu” in het openbaar register. Artikel 7 lid 2 van de voormelde wet geeft de voorwaarden aan voor de registratie (….)

Met de aanvraag zijn de voornoemde bescheiden van de politieke organisatie ingediend. De bescheiden zijn door de Commissie Wetgeving van het OKB getoetst, als zij voldoen aan de wettelijk gestelde voorwaarden. Na de toetsing is de Commissie tot de volgende conclusie gekomen:

  1. Wijzigingen van de afkorting “21 PlusvoSu” in de statuten naar “21Su”, zal de volledige procedure van statuten wijziging moeten worden afgelegd.
  2. In de statuten is niet opgenomen dat het beginsel programma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend zal worden gemaakt.
  3. In de statuten artikel 4 is ook niet opgenomen dat de gewone leden burgers zijn van Suriname en/of de Surinaamse nationaliteit bezitten.

21 PlusvoSu moet eerst voldoen aan de bovengemeld punten alvorens de registratie in het Openbaar Register gehouden door het OKB kan geschieden.

Bij deze wordt u dan in de gelegenheid gesteld om binnen 7 (zeven) dagen na ontvangst van dit schrijven de gewijzigde statuten van 21 PlusvoSu conform de artikelen 2b, 2 van de Wet Politieke Organisaties, in te dienen bij het secretariaat van het OKB aan de Krakalaan no. 12.

Indien u hieraan niet voldoet, zal het OKB genoodzaakt zijn uw aanvraag bij proces-verbaal te moeten weigeren.”.

2.5 Op 27 maart 2020 heeft eiseres op het schrijven van OKB gereageerd.

2.6 Op 06 april 2020 heeft OKB positief beslist op het verzoek van eiseres om ingeschreven te worden in het openbaar register van OKB, omdat eiseres als politieke organisatie voldoet aan de wettelijke vereisten.
Op 08 april 2020 is het proces-verbaal waarin de hiervoor genomen beslissing is vervat, per exploot van een deurwaarder aan eiseres betekend.

Centraal Hoofdstembureau (hierna waar nodig afgekort CHS)

2.7 In artikel 31 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:

1.Een politieke organisatie kan ten behoeve van de verkiezing van de leden van een volksvertegenwoordigend lichaam aan het Centraal Hoofdstembureau verzoeken haar naam, een aanduiding daarvan of beide als mede desgewenst een partijsymbool in te schrijven in een openbaar register, dat door dit bureau wordt bijgehouden. Daarbij wordt tevens aangegeven een gekozen woonplaats in Suriname.

(…)

  1. De gelegenheid tot aanbieding bestaat van de vierentwintigste tot en met de Negentiende dag vóór de ingevolge artikel 85 lid 1 vastgestelde dag der kandidaatstelling.
    Registratie is mogelijk van des voormiddags 8.00 uur tot des namiddags 15.00 het Centraal Hoofdstembureau.
  2. Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.

2.8 In artikel 35 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende neergelegd:

1 Het Centraal Hoofdstembureau weigert de registratie in de volgende gevallen:

a. indien de aanbieding niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden;
b. indien in het ter registratie aangeboden symbool het wapen of de vlag van Suriname is verwerkt of het symbool in strijd is met de openbare orde of de goede zeden;
c. indien tegen de registratie van een naam, korte aanduiding of symbool een bezwaarschrift is ingediend, dat gegrond is bevonden;
d. indien niet aan de voorwaarden is voldaan die zijn omschreven in het Decreethoudende regels voor politieke organisaties.

(…)

  1. De in een beschikking vastgelegde weigering is met redenen omkleed.

2.9 In artikel 37 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende neergelegd:

1. De politieke organisatie, wier registratie in eerste instantie dan wel in beroep geweigerd is op de in artikel 35 lid 1 onder b en c genoemde gronden of wier bezwaarschrift ongegrond is bevonden kan gedurende drie werkdagen na de dag van ontvangst van de beslissing van het Centraal Hoofdstembureau dan wel die van de President, nog eenmaal een aanbieding, als in artikel 31 lid 1 bedoeld, verrichten.

  1. Het Centraal Hoofdstembureau neemt zo spoedig mogelijk een beslissing, waaromtrent het bepaalde in artikel 35 van toepassing is. De registratie wordt geweigerd in de gevallengenoemd in artikel 35 lid 1 onder a en b en voorts indien het Centraal Hoofdstembureau met inachtneming van de in artikel 33 neergelegde norm van oordeel is, dat redelijkerwijs tot weigering moet worden besloten. Tegen deze beslissing staat generlei voorziening open.

2.10 Op 21 maart 2020 heeft eiseres op grond van artikel 31 lid 1 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) aan CHS het verzoek gedaan tot registratie voor deelname aan de op 25 mei 2020 te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen.

2.11 Bij beschikking d.d. 26 maart 2020 heeft CHS het verzoek van eiseres tot registratie geweigerd, en wel op grond van de hierna in de beschikking vermelde overwegingen:

-dat na onderzoek door het Centraal Hoofdstembureau is gebleken dat de politieke organisatie aangeduid “21 SU” NIET heeft voldaan aan twee van de wettelijke vereisten, zoals vervat in:

  1. artikel 31 lid 5 van de Kiesregeling en juncto artikel 3 van het Besluit Waarborgsom Politieke Organisaties (S.B. 2020 no. 38) zijnde de storting van de waarborgsom ten bedrage van SRD (…) bij de Centrale Bank van Suriname door de politieke organisatie voor deelname aan de Algemene, Vrije en Geheime Verkiezingen op maandag 25 mei 2020; en
  2. artikel 7 van het Decreet Politieke Organisaties, zijnde het overleggen van het bewijs van registratie van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB).

2.12 Op 27 maart 2020 heeft CHS de hiervoor onder 2.11 bedoelde beschikking per exploot van een deurwaarder aan eiseres doen betekenen.

2.13 Eiseres heeft op de voet van artikel 36 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) administratief beroep aangetekend bij de President van de Republiek Suriname tegen de beslissing van CHS. Het beroepschrift van eiseres is gedateerd 30 maart 2020.

2.14 Bij resolutie d.d. 02 april 2020 heeft de President van de Republiek Suriname het beroep van eiseres ongegrond verklaard, en wel op grond van de hierna in de resolutie vermelde overwegingen:

(…)

  1. dat voorts is gebleken, dat de politieke organisatie 21 PLUS voor SURINAME niet heeft voldaan aan de (lees “het”) vereiste in artikel 7 lid 1 Dereet Politieke Organisaties alsmede aan het vereiste zoals gesteld in artikel 31 lid 5 van de Kiesregeling;
  1. Dat gelet op het bovenstaande de politieke organisatie 21 PLUS voor SURINAME niet heeft voldaan aan twee vereisten en dat derhalve hun verzoek ongegrond dient te worden verklaard.

Op 03 april 2020 is de resolutie per exploot van een deurwaarder aan eiseres betekend.

2.15 Ter zake onder andere het door CHS genomen besluit heeft eiseres een vordering in kort geding tegen gedaagde ingesteld, in zaak tussen partijen bekend onder A.R No. 20-1089.
Op 09 april 2020 heeft de kantonrechter in kort geding vonnis in de hiervoor vermelde zaak gewezen en heeft eiseres niet ontvankelijk verklaard in het door haar gevorderde.

2.16 Op 08 april 2020 heeft eiseres een tweede verzoek tot registratie bij CHS ingediend, in welk verzoek zij het volgende heeft vermeld:

Met verwijzing naar uw ongedateerde document onder de vermelding “Bekendmaking van het Centraal Hoofdstembureau”, inhoudende aanwijzingen voor politieke organisaties die zich wensen te registreren ten behoeve van hun deelname aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2020, én mede naar aanleiding van het thans lopende rechtsgeschil ten aanzien van onze door de President van Suriname afgewezen herzieningsverzoek bij beroepschrift ingediend, verzoek ik u alsnog de registratie in het door u bijgehouden openbaar register te voltooien.

Primair, zoals in het rechtsgeschil gevorderd, de in de voorgaande aangehaalde brief van uw organisatie afkomstig, heeft geen rechtsgevolgen vanwege het feit dat u geen rechtsgeldig beroep heeft ter weigering van de registratie. Uw beslissing was uitgevaardigd in strijd met het in rechte vaststaande fatale termijn (zie artikel 34 Kiesregeling, binnen twee dagen na 21 maart 2020) waarbinnen u uw beslissing tot weigering aan ons moest hebben meegedeeld. Ten overvloede, het niet overleggen van een stortingsbewijs van de waarborgsom is niet als weigeringsgrond in de wettelijke bepalingen van de Kiesregeling opgenomen.

Artikel 7 van het Decreet Politieke Organisaties geeft aan 21 Plus voor Suriname het recht tot inschrijving in het openbaar register zoals deze wordt bijgehouden door het Onafhankelijk Kiesbureau. Een registratie in betreffend register verschaft aan 21 Plus voor Suriname het zelfstandig recht tot deelname aan de verkiezingen voor volksvertegenwoordigende lichamen per 25 mei 2020.

Ter aanvulling van de in te leveren bescheiden treft u aan een kopie van het bewijs van registratie in het Onafhankelijk Kiesbureau van d.d. 6 april 2020, per deurwaardersexploit betekend op 8 april 2020.”

2.17 CHS heeft niet beslist op het tweede verzoek. Eiseres heeft hiertegen op 15 april 2020 een klacht tegen CHS bij de Minister van Binnenlandse Zaken en OKB ingediend.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft niet gereageerd op de klacht van eiseres.
Op 17 april 2020 heeft OKB als volgt gereageerd op de klacht van eiseres:
“(…)
Ingevolge artikel 1 lid 1 van de Kiesregeling houdt het OKB toezicht op de algemene verkiezingen en stelt de uitslag bindend vast voor de samenleving. De taken en bevoegdheden van het OKB staan opgenomen in de artikelen 1 en 2 van de Kiesregeling.
Het in behandeling nemen van een klachtschrift van een politieke partij en het nemen van een besluit daarover, behoort NIET tot een wettelijke taak dan wel bevoegdheid van het OKB. Als gevolg hiervan zal het OKB dan ook geen besluit met betrekking tot uw klachtschrift kunnen nemen.

2.18 Politieke organisaties, waaronder eiseres, hadden tot uiterlijk 09 april 2020 de gelegenheid om hun lijsten van kandidaten voor deelname aan de te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezing van volksvertegenwoordigende lichamen van 25 mei 2020 bij CHS in te dienen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

1) gedaagde beveelt zich te onthouden van onwetmatige en onrechtmatige gedragingen die de rechten van eiseres aantasten;
2) de door CHS en gedaagde genomen besluiten aanmerkt als aan nietigheid lijdende besluiten met als gevolg waarvan gedaagde zich niet erop kan beroepen 21Su de registratie in het openbaar register zoals deze wordt bijgehouden door CHS te weigeren;
3) gedaagde beveelt, althans veroordeelt, om binnen 24 uren na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, dat het aan CHS de opdracht verstrekt tot registratie van 21Su in het openbaar register van CHS;
4) gedaagde beveelt dat CHS aan 21Su minimaal vijf werkdagen met ingang van de datum van betekening van het verlangde vonnis de gelegenheid te bieden de lijsten van kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen ter deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020 aan te mogen dragen;
5) gedaagde veroordeelt om voor elke dag, dat zij de bij vonnis gegeven bevelen niet nakomt, aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen een geldbedrag van SRD 10.000.000,-.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, in die zin dat zij vanwege het onwetmatig en onrechtmatig handelen van OKB en CHS niet kan deelnemen aan de verkiezingen. Daartoe stelt zij onder meer het volgende:
a) OKB en CHS zijn geen publiekrechtelijke rechtspersonen en kunnen worden aangemerkt als onmiddellijke c.q middellijke vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en daardoor indirect als rechtsvertegenwoordiger van gedaagde;
b) CHS c.q. gedaagde heeft in strijd gehandeld met artikel 7 lid 8 van de Wet Politieke Organisaties door het niet respecteren c.q. erkennen van het zelfstandig recht van eiseres tot aanbieding van de lijsten van kandidaten ter deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020 van de volksvertegenwoordigende lichamen;
c) het door CHS genomen besluit is nietig, omdat zij niet binnen de bij wet (Algemene Termijnwet 1965) vastgestelde termijn op het verzoek van eiseres heeft beslist;
d) het door de President van de Republiek Suriname genomen besluit is nietig, omdat hij niet binnen de in artikel 36 lid 2 van de Kiesregeling vastgestelde termijn heeft beslist op het beroep van eiseres en heeft hiermee aldus in strijd gehandeld met de volgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur: het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel;
e) de uitspraak van de kantonrechter in kort geding is onrechtmatig, omdat blijk is gegeven van een onjuiste opvatting van het recht. Met name heeft de kantonrechter een leugenachtige verklaring van de President van Suriname als waarheid aangenomen en heeft daardoor de verantwoordelijkheid bij haar oordeelsvorming het belang van de waarheidsvinding te dienen niet volledig consciëntieus nageleefd;
f) CHS heeft geweigerd het tweede verzoek tot registratie in behandeling te nemen en handelt in strijd met artikel 37 leden 1 tot en met 3 van de Kiesregeling. CHS pleegt inbreuk op het recht van 21 Su tot registratie in het door CHS bijgehouden register in verband met de verkiezingen van kandidaten van de volksvertegenwoordigende lichamen;
g) tot op heden heeft de Minister van Binnenlandse Zaken geen besluit genomen op de klacht van eiseres tegen CHS;
h) het standpunt van OKB zoals vervat in haar schrijven d.d. 08 april 2020 is onjuist. OKB is op grond van artikel 2 leden 3 en 4 van de Kiesregeling gehouden een besluit te nemen op de klacht van eiseres.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

De gevorderde voorziening onder 1

4.1 Voor de kantonrechter is het vertrekpunt in elke rechtszaak de vordering en de grondslag daarvan, die duidelijk en concreet geformuleerd moeten zijn. Achterliggende gedachte hiervan is dat de tegenpartij, in casu gedaagde, op deugdelijke wijze verweer moet kunnen voeren. Is de formulering van de vordering niet duidelijk en evenmin concreet geformuleerd dan zal dit onbegrijpelijk zijn en als een obscuur libel kunnen worden aangemerkt. Mocht het hiervoor vermelde geval zich voordoen, dan dient de eisende partij niet ontvankelijk te worden verklaard in het gevorderde.

De kantonrechter constateert dat eiseres in de gevorderde voorziening onder 1 de begrippen “onwetmatige en onrechtmatige gedragingen”’ en “rechten van eiseres”bezigt, welke begrippen als heel ruim dienen te worden aangemerkt. Onder de begrippen “onwetmatige en onrechtmatige gedragingen” kunnen allerlei handelingen en gedragingen vallen, zoals het plegen van inbreuk op een eigendomsrecht, het zonder toestemming betreden van een perceel van een ander, het niet nakomen van betalingsverplichtingen, etc.

Ondanks het feit dat gedaagde heeft opgeworpen dat de gevorderde voorziening onder 1 onvoldoende feitelijk is gespecificeerd, heeft eiseres in haar tweede ronde c.q. bij conclusie van repliek niets hiertegen ingebracht en heeft zich evenmin enige moeite getroost om de gevorderde voorziening onder 1 duidelijk en concreet te formuleren, dan wel te wijzigen. Nu de gevorderde voorziening onder 1 niet duidelijk en evenmin concreet is geformuleerd, zal eiseres ter zake niet ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde voorziening onder 2

4.2 In kort geding kan de kantonrechter slechts beslissingen van condemnatoire aard geven, hetgeen kan inhouden het opleggen van een verbod of gebod aan de tegenpartij als voorlopige voorziening. De kantonrechter constateert dat de gevorderde voorziening onder 2 niets anders behelst dan het nietig verklaren van de door de organen van gedaagde (CHS en de President van de Republiek Suriname) genomen besluiten, welke vordering declaratoir van aard is.

Ondanks het feit dat gedaagde als verweer heeft opgeworpen dat het door eiseres gevorderde een declaratoir karakter draagt, heeft eiseres hiertegenover niets gesteld en heeft zich evenmin enige moeite getroost om het gevorderde onder 2 aan te passen. Nu de gevorderde voorziening onder 2 declaratoir van aard is, zal eiseres ter zake niet ontvankelijk worden verklaard.

De grondslag van de gevorderde voorzieningen onder 1 en 2

4.3 Nu eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in de gevorderde voorzieningen onder 1 en 2, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de stellingen die eiseres aan die gevorderde voorzieningen ten grondslag heeft gelegd en het verweer van gedaagde daarop. Het betreffen in casu de stellingen die – verkort en zakelijk – zijn weergeven onder 3.2 sub b tot en met e in dit vonnis.

De gevorderde voorzieningen onder 3, 4 en 5

4.4 In het kort komen deze voorzieningen op het volgende neer: het veroordelen van gedaagde om CHS op te dragen tot registratie, zonder te voldoen aan de waarborgsom. Dit, omdat:
1) eiseres zich op het standpunt stelt dat het voldoen van de waarborgsom geen voorwaarde is voor de registratie,
2) CHS weigert het tweede door eiseres ingediende verzoek tot registratie voor deelname aan de op 25 mei 2020 te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen in behandeling te nemen, en
3) OKB en het Ministerie van Binnenlandse Zaken – als werkarmen van gedaagde – weigeren een besluit te nemen op de door eiseres ingediende klacht jegens CHS ter zake het bovenstaande.

Gedaagde daarentegen huldigt het standpunt dat de waarborgsom wel een voorwaarde is voor de bedoelde registratie.

Anders dan eiseres is de kantonrechter van oordeel dat de waarborgsom wel een voorwaarde is voor de registratie voor deelname aan de op 25 mei 2020 te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen. Dit leidt de kantonrechter ondubbelzinnig af uit de inhoud van artikel 35 lid 5 van de Kiesregeling zelf en de volgende passage van de artikelsgewijze toelichting op dit artikel op blz. 8 uit de Memorie van Toelichting: “Een waarborgsom wordt als voorwaarde gesteld aan de politieke organisaties die deel willen nemen aan de verkiezingen.” Nu onomstotelijk vaststaat dat eiseres niet heeft voldaan aan de waarborgsom en dus niet voldoet aan de in artikel 35 lid 5 van de Kiesregeling gestelde voorwaarde, komen de gevorderde voorzieningen onder 3,4 en 5 niet voor toewijzing in aanmerking.

Het beroep van eiseres op het feit dat vier andere politieke partijen deze wettelijke bepaling in een lopende hoger beroepszaak ter discussie hebben gesteld bij het Hof van Justitie, doet niet ter zake.

Het verwijt aan het adres OKB en het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat zij weigeren een besluit te nemen op de klacht van eiseres, acht de kantonrechter niet relevant en behoeven dus geen bespreking.

De proceskosten

4.5 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij tevens in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen onder 1 en 2.

5.2 Weigert de gevorderde voorzieningen onder 3, 4 en 5.

5.3 Veroordeelt eiseres in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 07 mei 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1098
30 april 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

STICHTING CENTRE FOR PUBLIC AFFAIRS SURINAME, afgekort Stichting CPAS, gevestigd en kantoorhoudende aan de Powakkastraat no. 4 te Paramaribo,
eiseres,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de Regering van Suriname, in het bijzonder het Hoofd van de Regering van Suriname, zijnde de President van de Republiek Suriname,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 07 april 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 09 april 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Eiseres is een rechtspersoon. Blijkens het uittreksel uit het openbaar stichtingenregister (overgelegd als productie 1 bij conclusie van repliek) stelt eiseres zich ten doel de belangen van alle bewoners van Suriname te behartigen.

2.2 Op 11 maart 2020 heeft de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak van het SARS-Cov-2 virus (bekend als covid-19) tot een pandemie verklaard.

2.3 Met ingang van 15 maart 2020 heeft gedaagde, met het oog op het voorkomen van besmetting van personen met het covid virus, de volgende covid-19 maatregelen getroffen en toegepast:

  • een gedeeltelijk samenscholingsverbod en “lock down”, waarbij het luchtruim en de grenzen van Suriname zijn gesloten;
  • een in acht te nemen social distance door een ieder;
  • het door haar ingediend wetsvoorstel ter zake het afroepen van de burgerlijke uitzonderingstoestand, welk wetsvoorstel na behandeling en aanpassingen in het parlement is aangenomen en afgekondigd.

2.4 Op 25 mei 2020 vinden de algemene, vrije en geheime verkiezingen in Suriname plaats ter vaststelling van volksvertegenwoordigende organen en van de Regering.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. gedaagde beveelt, althans veroordeelt, om binnen 8 uren na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, gegrond op het haar toekomende discretionaire beleidsvrijheid rekening houdend met de uit de fundamentele grondrechten voortvloeiende gebonden bevoegdheid aan De Nationale Assembleé een wetsvoortel te doen toekomen inhoudende bepalingen tot het uitstellen van de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen zoals is voorzien per 25 mei 2020, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- per dag voor het nalaten aan voorgemeld bevel uitvoering te geven;
  2. gedaagde beveelt op basis van de te houden consultaties met parlementaire en buiten parlementaire politieke organisaties een nieuwe datum voor de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen te doen vaststellen;
  3. beveelt dat een nieuwe datum voor de te houden verkiezingen niet later mag plaatsvinden dan 25 augustus 2020.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

a) zij, eiseres, is rechtsvertegenwoordiger van de beschermende belangen van de burgers van Suriname. Zij is op grond van haar statutaire verplichting gerechtigd voor de beschermende belangen van de burgers van Suriname op te komen zodra inbreuken op de fundamentele rechten worden gemaakt; uit dien hoofde is zij ook gerechtigd voor de beschermende belangen van de burgers van Suriname rechtsvorderingen in te stellen zodra gedaagde de discretionaire beleidsvrijheid veronachtzaamd;

b) gedaagde heeft – na het tot pandemie verklaren door de WHO – in strijd met haar grondwettelijke plicht tot het waarborgen van de volksgezondheid en het recht op leven van de burgers niet tijdig adequate maatregelen in verband met covid-19 getroffen ter voorkoming van de aantasting van de hiervoor vermelde fundamentele grondrechten van de burgers, in het bijzonder met betrekking tot de te houden algemene, vrije en geheime verkiezingen; gedaagde moet vanwege haar grondwettelijke plicht aan het parlement een wetsvoorstel aanbieden tot uitstel van de verkiezingen, omdat politieke organisaties vanwege het samenscholingsverbod worden verhinderd om op een Algemene Ledenvergadering een rechtsgeldig bestuursbesluit voor gekozen kandidaten te doen vaststellen en er op de dag van de verkiezingen een samenscholing van groepen zal zijn hetgeen niet in overeenstemming zal zijn met het geldende samenscholingsverbod;

c) op grond van het bovenstaande maakt gedaagde misbruik van de aan haar toekomende discretionaire beleidsvrijheid

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Gedaagde weerspreekt het spoedeisend belang, doch is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde zelf. Met name uit het feit dat de algemene, vrije en geheime verkiezingen op 25 mei 2020 zullen plaatsvinden en het blijven bestaan van mogelijk besmettingsgevaar vanwege covid-19. Om die reden is eiseres in het kort geding ontvangen.

4.2 Gedaagde weerspreekt dat eiseres bevoegd moet worden geacht en er belang bij zou hebben om in het belang van de burgers van Suriname de onderhavige vordering in te stellen. Daartoe voert zij aan dat eiseres verzuimd heeft aan te tonen dat zij maatschappelijk draagvlak heeft onder de burgers en maatschappelijke groeperingen van Suriname waaraan zij de maatschappelijke legitimiteit zou ontlenen om zich als hoeder van de Surinaamse burger op te kunnen werpen. Gedaagde concludeert op grond van het bovenstaande dat eiseres geen enkel aantoonbaar belang heeft bij de onderhavige voorzieningen en daarin dus niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

In reactie op dit verweer, blijft eiseres in haar stellingen volharden dat zij wel enig belang heeft bij de onderhavige vordering en beroept zich in dat verband op de artikelen 16, 14 lid 1 en 2 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten.

Bij conclusie van dupliek blijft gedaagde in het verweer volharden dat eiseres geen aantoonbaar belang heeft bij de onderhavige vordering en niet heeft kunnen aantonen dat zij ter zake maatschappelijk draagvlak heeft onder de burgers. Eiseres heeft, aldus het verdere betoog van gedaagde, op geen enkele wijze aangetoond ruggespraak te hebben gehouden met relevante actoren in de samenleving die direct betrokken zijn bij de algemene verkiezingen van 25 mei 2020, niet met politieke partijen, niet met de leiding van DNA, niet met de regering en niet met maatschappelijke groeperingen. Voorts werpt zij op dat de verdragsbepalingen waar eiseres zich op beroept niets van doen hebben met de onderhavige zaak, omdat eiseres op geen enkele wijze een eerlijke en openbare behandeling van een door haar aanhangig gemaakt rechtsgeding is ontzegd.

4.3 Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is weergeven volgt, dat de kantonrechter eerstens de vraag dient te beantwoorden of eiseres al dan niet bevoegd is om namens de burgers van Suriname en politieke organisaties de onderhavige vordering in te stellen en hiermee dus enig belang te dienen heeft.
Zoals de kantonrechter de stellingen van eiseres begrijpt, acht zij zich op grond van haar statuten bevoegd om namens de burgers van Suriname en de politieke organisaties de onderhavige vordering in te stellen c.q. om namens hen te procederen. De kantonrechter kan eiseres niet volgen in het door haar gestelde, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
Een burger van Suriname is een ingezetene van Suriname en wordt in het rechtsverkeer aangemerkt als te zijn een natuurlijke persoon die rechten en plichten heeft. Een politieke organisatie bestaat uit leden c.q. burgers, bezit veelal rechtspersoonlijkheid en is vanwege haar rechtspersoonlijkheid ook drager van rechten en plichten.
Een van de meest fundamentele rechten van de burgers (natuurlijke personen) op politiek/bestuurlijk vlak is het recht om op de dag van de algemene, vrije en geheime verkiezingen naar de stembus te gaan.
Een van de meest fundamentele rechten van een politieke organisatie met rechtspersoonlijkheid (rechtspersoon) op politiek/bestuurlijk vlak is – voor zover deze voldoet aan de daartoe bij wet gestelde vereisten – het recht om deel te nemen aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen.
Eiseres is een stichting, zijnde een rechtspersoon, en telt ingevolge artikel 1 van de Wet op Stichtingen geen leden. Nu eiseres geen leden kan hebben en hieruit voortvloeiend burgers en politieke organisaties of andere sociaal maatschappelijke groeperingen geen lid van eiseres zouden kunnen zijn, kan eiseres zich naar het oordeel van de kantonrechter onmogelijk de bevoegdheid aanmeten om namens de burgers van Suriname en politieke organisaties te procederen, tenzij de wetgever haar de bevoegdheid daartoe krachtens een wet zou hebben gegeven of elke individuele burger of politieke partij haar de bevoegdheid daartoe middels een volmacht zou hebben gegeven.
Gesteld noch gebleken is dat eiseres op grond van enige wettelijke bepalingen bevoegd is namens de burgers van Suriname en politieke organisaties te procederen c.q. de onderhavige vordering namens de burgers van Suriname en politieke organisaties in te stellen. Evenmin is gesteld of gebleken dat burgers van Suriname eiseres of politieke organisaties aan eiseres volmacht hebben verleend om de onderhavige vordering namens hen in te stellen. Het had volgens de algemene spelregels van het procesrecht op de weg van eiseres gelegen om het door haar gestelde middels feiten en bescheiden aannemelijk te maken. Dit, temeer daar gedaagde de stelling van eiseres voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Zo had eiseres vanwege het gemotiveerd verweer van gedaagde horen te stellen en middels bescheiden moeten onderbouwen: het totaal aantal burgers dat in Suriname woont, het totaal aantal dat daaruit stemgerechtigd is, het totaal aantal politieke organisaties dat gerechtigd is aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen deel te nemen en het totaal aantal burgers en politieke organisaties dat haar volmacht c.q. toestemming heeft verleend om de onderhavige zaak namens hen in te dienen. Dit, omdat de te houden algemene, vrije en geheime verkiezingen alle burgers van Suriname, politieke organisaties en sociaal maatschappelijke groeperingen regardeert. Eiseres heeft ter zake dit onderdeel slechts volstaan met het blijven volharden in haar stelling en het zich beroepen op een drietal verdragsbepalingen, welke verdragsbepalingen naar het oordeel van de kantonrechter en ook zoals gedaagde terecht opwerpt, niets van doen hebben met de onderhavige vordering.
De bedoelde verdragsbepalingen waarop eiseres zich beroept, hebben betrekking op het recht van elke burger om zich tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter te mogen wenden indien hij/zij meent dat haar rechten zijn geschonden. Geenzins blijkt dat eiseres is beperkt om de onderhavige zaak bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter in te dienen.

4.4 Hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat eiseres geen enkel te respecteren belang heeft om de onderhavige vordering namens de burgers van Suriname en de politieke organisatie in te stellen. Hieruit volgt dat gedaagde slaagt in het door haar opgeworpen formeel verweer c.q. niet- ontvankelijkheid verweer, zodat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in de gevorderde voorzieningen.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen zullen buiten beschouwing worden gelaten, omdat die tot geen enkel ander uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.6 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 30 april 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.