SRU-HvJ-2019-16

G.R.No. 14886

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellante],
wonende in het [district],
appellante,
verder ook aan te duiden als [appellante],
gemachtigde: mr. S. Jangi, advocaat,

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA en
B. BESTUURSLID/LEDEN VAN N.V. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
verder ook aan te duiden als Torarica onderscheidenlijk de bestuursleden,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 juli 2012 tussen [appellante] als eiseres en Torarica en de bestuursleden als gedaagden spreekt de fungerend – president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 30 oktober 2012, inhoudende dat [appellante] op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 24 juli 2012 gewezen tussen [appellante] als eiseres en Torarica en de bestuursleden als gedaagden
  • een pleitnota van 21 maart 2014;
  • een antwoordpleitnota van l augustus 2014;
  • een repliekpleitnota van 17 oktober 2014;
  • een dupliekpleitnota van 20 februari 2015;
  • de uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 5 juni 2015, is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep
Op 24 juli 2012 was [appellante] bijgestaan door haar gemachtigde bij de uitspraak van het beroepen vonnis in eerste aanleg aanwezig terwijl geïntimeerden niet in persoon en ook niet bij gemachtigde waren verschenen. Op 30 oktober 2012 is namens [appellante] door haar advokaat appèl aangetekend tegen voornoemd beroepen vonnis. Gelet op het voorgaande is [appellante] tardief in het aantekenen van appèl tegen voormeld vonnis, nu dit niet is geschied binnen de incasu geldende wettelijke termijn van dertig dagen na de uitspraak, zodat zij niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep. [appellante] zal danook worden verwezen in de kosten vallende in dit appèl.

3. Voor het geval [appellante] tijdig appèl had ingesteld, quod non, wenst het Hof ten overvloede het volgende te overwegen.
3.1 De bestuursleden als zodanig hebben geen rechtspersoonlijkheid en als natuurlijke personen zijn zij niet met voldoende bepaaldheid aangewezen zodat [appellante] in het tegen de bestuursleden ingestelde hoger beroep niet ontvangen zou kunnen worden.

3.2.1 Als enerzijds gesteld,anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.
Op zaterdag 28 november 2009 heeft [appellante] in het door Torarica geëxploiteerde hotel etenswaar, teweten een Caesar salade, tot zich genomen die vanwege Torarica was bereid en aan [appellante] ter nuttiging aangeboden. Nadat [appellante] bij Torarica had gemeld dat zij, door haar aan het nuttigen van deze Caesar salade toegeschreven ziekteverschijnselen vertoonde, heeft de bedrijfsarts [naam] haar op dinsdag l december 2009 bezocht. Hij heeft daarvan een verslag opgemaakt waarin hij onder meer rapporteerde:
”Mijn commentaar.
Vermoedelijk iets genuttigd dat niet goed verdragen is door uw maagdarm. Het is aannemelijk dat de salade de boosdoener is.
Het lichaam probeerde dit kwijt te raken middels de vertoonde klachten. Conclusie.
Waarschijnlijk een lichte voedselvergiftiging.
Lichamelijk onderzoek:
Niet veel significants, dan een beetje maagongerief ”
Torarica heeft [appellante] aangeboden de geleden schade te compenseren met een etentje, waarop [appellante] niet is ingegaan.

3.2.2 Torarica heeft betwist dat [appellante] als gevolg van het nuttigen van de Caesar salade of enig ander voedsel in het hotel lichamelijk ongesteld zou zijn geraakt. [appellante] heeft geen bewijs aangeboden en de kantonrechter heeft haar niet ambtshalve tot bewijs toegelaten .

3.2.3 Ook in hoger beroep heeft [appellante] geen bewijs aangeboden en ook het hof, zou voor het geval [appellante] wel ontvankelijk was geweest in het ingestelde appèl, haar daartoe niet ambtshalve toelaten. Het komt het hof immers hoogst onaannemelijk voor dat thans, bijkans tien jaar na dato, nog voor bewijs vatbaar zou zijn dat [appellante] van het eten van de Caesar salade ziek geworden is en al helemaal niet dat zij er zo ernstige gevolgen van heeft ondervonden dat het aangeboden verzoenende etentje of een daarmee corresponderend geldbedrag (maar daar heeft zij niet om gevraagd) geen adequate compensatie zou zijn geweest. Een en ander leidt ertoe dat ook bij een tijdige instelling van het appèl het bestreden vonnis zou moeten worden bevestigd met verwijzing van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

verwijst [appellante] in de kosten van het hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van Torarica en de bestuursleden gevallen, op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S.Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 november 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Sitaram namens mr.S.Jangi,gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr.H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-15

G.R. no. 15225

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant in de hoofdzaak en in het incident tevens geїntimeerde in het incidenteel appèl,
hierna aangeduid met ‘ [appellant] ’,
gemachtigde: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde in de hoofdzaak en in het incident tevens appellante in het incidenteel appèl,
hierna aangeduid met ‘ [geïntimeerde] ‘,
gemachtigde: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnissen d.d. 10 augustus 2015, 23 mei 2016 en 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211) tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde respectievelijk [appellant] als eiser in het incident en [geïntimeerde] als gedaagde in het incident,
spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop
In de hoofdzaak, in het incident en in het incidenteel appèl:
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 05 september 2016 hoger beroep heeft ingesteld tegen voormelde vonnissen d.d. 10 augustus 2015, 23 mei 2016 en 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211);
  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [geïntimeerde] op 22 maart 2017 incidenteel hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis d.d. 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211);
  • De memorie van grieven in de hoofdzaak en in het incident zijdens [appellant] ingediend ter griffie der kantongerechten d.d. 05 september 2016;
  • De memorie van antwoord in het principaal appèl alsmede de memorie van grieven in het incidenteel appèl zijdens [geïntimeerde] ingediend ter griffie der kantongerechten d.d. 22 maart 2017;
  • De memorie van antwoord op het incidenteel beroep zijdens [appellant] ingediend ter griffie der kantongerechten d.d. 18 april 2017;
  • De pleitnota de dato 03 november 2017;
  • De antwoordpleitnota in het principaal appèl en pleitnota in het incidenteel appèl de dato 05 januari 2018;
  • De repliekpleitnota in het principaal appèl en antwoordpleitnota in het incidenteel appèl de dato 04 mei 2018;
  • De dupliekpleitnota in het principaal appèl en repliekpleitnota in het incidenteel appèl, onder overlegging van producties, de dato 01 juni 2018;
  • De dupliekpleitnota alsmede uitlating producties in het incidenteel appèl;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 november 2018 doch nader op heden;

De beoordeling
In het incident:
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
[appellant] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter de beschikking de dato 13 maart 2015, bekend onder AR No. 15-0211 in dier voege zal wijzigen ex artikel 703 RV, dat [appellant] wordt ontheven van elke verplichting tot betaling van onderhoud aan [geïntimeerde], zulks met ingang van de dag waarop voormelde beschikking is gegeven, althans met ingang van de dag waarop onderhavige incidentele conclusie is genomen. De kantonrechter heeft bij wege van voorlopige voorziening bij beschikking de dato 13 maart 2015, onder andere, bepaald dat [appellant] met ingang van 31 maart 2015 voorlopig aan [geïntimeerde] ter voorziening in haar levensonderhoud zal verstrekken het bedrag van US$ 500,- (Vijfhonderd Amerikaanse Dollars) per maand, alles totdat de rechter omtrent het onderhoud van [geïntimeerde] uiteindelijk heeft beslist;

1.1.De kantonrechter heeft bij vonnissen van 10 augustus 2015 en 8 augustus 2016 de vordering in het incident afgewezen en [appellant] is daartegen in hoger beroep gekomen, onder aanvoering – kort gezegd – dat [geïntimeerde] is tekort geschoten in haar stelplicht wat haar vordering tot levensonderhoud betreft aangezien zij in haar vordering tot alimentatie met geen woord heeft gerept over het feit dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan [appellant] gelegen heeft, noch de overwegende mate aan schuld heeft gemotiveerd. Het bewijs van de overwegende mate van schuld speelt een cruciale rol bij de aanvraag van alimentatie. Tevens heeft [appellant] bij memorie van grieven om aanvulling van de incidentele conclusie verzocht zowel voor wat betreft het “fundamentum petendi” als het “petitum” daarvan.

1.2 Als grief heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte op 10 augustus 2015 de vordering in het incident heeft afgewezen en de rechtsgronden ex art. 52 BRV niet heeft aangevuld. De kantonrechter had toen reeds moeten vaststellen dat [geïntimeerde] niet aan haar stelplicht had voldaan, aangezien de vordering tot alimentatie op grond van artikel 278 BW berust en [geïntimeerde] niet gesteld heeft dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan [appellant] lag of heeft gelegen, dat zij behoeftig is en ook niet is gesteld dat zij in alle redelijkheid niet in staat is inkomsten te verwerven. In het nieuwe artikel 278 BW is alimentatie afhankelijk van de schuldvraag en de kantonrechter heeft het voorgaande niet beoordeeld.

1.3 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen.

1.4 Het hof zal allereerst de door [appellant] verzochte aanvulling van de incidentele conclusie onder de loupe nemen. Dienaangaande heeft [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd. Nu de incidentele conclusie betreft een wijziging van een voorlopige beschikking, oftewel een voorlopige voorziening gedurende het geding tot echtscheiding, kan er geen niet ontvankelijkheid gevraagd worden van de hoofdvordering, maar zou dat alleen kunnen van de voorlopige beschikking. Dit, omdat er op het moment van het indienen van het incident nog geen beslissing was in de hoofdvordering. Naar het oordeel van het hof betreft het in casu inderdaad een wijziging van een voorlopige beschikking die geldt gedurende de echtscheidingsprocedure. Een aanvulling die in een zaak betreffende levensonderhoud pas in hoger beroep wordt gevorderd door [appellant] is in de visie van het hof niet in strijd met de beginselen van een goede procesorde, aangezien [geïntimeerde] genoegzaam in de gelegenheid is gesteld haar verweer of haar stellingen naar aanleiding daarvan aan te vullen en, voor zover nodig, te herzien. In casu wordt gevraagd om aanvulling van de eis van [appellant] – althans zo vat het hof dat op – in het incident (dus met betrekking tot de voorlopige beschikking) zowel voor wat betreft het “fundamentum petendi” als het “petitum” daarvan. Nu gesteld noch gebleken is dat door toewijzing daarvan [geïntimeerde] onredelijk in haar belangen wordt geschaad casu quo het geding daardoor onredelijk zou worden vertraagd, zal aan [appellant] terzake daarvan akte worden verleend.

1.5 Ingaande op de aangevoerde grief komt het hof tot de navolgende slotsom. In casu twisten partijen omtrent het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] al dan niet aanspraak maakt op partneralimentatie gedurende de loop van de echtscheidingsprocedure. Deze aanspraak is anders dan [appellant] heeft aangevoerd niet geregeld in artikel 278 BW maar in artikel 700 Rv juncto artikel 266 BW. Gelet op het voorgaande zal aan het niet-ontvankelijkheidsverweer zijdens [appellant] worden voorbij gegaan. Bij vonnis de dato 10 augustus 2015 heeft de kantonrechter de vordering in het incident afgewezen aangezien – kort gezegd – nog niet kon worden vastgesteld aan welke echtgenoot de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten was, doordat partijen nog niet waren afgeconcludeerd in de hoofdzaak . In de visie van het hof is de door [appellant] aangevoerde grief tegen voormeld vonnis gegrond aangezien de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 700 Rv juncto artikel 266 BW de bevoegdheid heeft om, indien hij daartoe gronden vindt, de som te bepalen welke de echtgenoot voorlopig moet verstrekken tot onderhoud van de vrouw. De schuldvraag is dan nog niet aan de orde. Evenwel leidt voormelde gegrondverklaring van de grief in de visie van het hof niet tot vernietiging van het vonnis in het incident zoals in het hierna volgende aan de orde zal worden gesteld. [appellant] heeft voorts niet weersproken datgene wat [geïntimeerde] bij wege van antwoord in het incident heeft aangevoerd en dat er –zakelijk weergegeven- op neer komt dat [appellant] zich vrijwillig bereid verklaard heeft om in het belang van de kinderen in het kader van de voorlopige omgangsregeling de helft van de te maken kosten van de door [geïntimeerde] te huren woning te zullen betalen, hetgeen uiteindelijk werd vastgesteld op US$ 500,- en waartoe [appellant] zich bereid had verklaard. Gelet op al het voorgaande zal het vonnis van de kantonrechter in het incident de dato 10 augustus 2015 worden bevestigd onder verbetering van de motivering als voormeld. Het hof stelt voorts vast dat de vordering in het incident bij voormeld vonnis de dato 10 augustus 2015 is afgewezen en vervolgens wederom is afgewezen bij vonnis de dato 8 augustus 2016. Dezelfde vordering is dus tweemaal in dezelfde instantie afgewezen hetgeen procesrechtelijk niet is toegestaan weshalve de beslissing in het incident in het vonnis de dato 8 augustus 2016 elk rechtsgevolg ontbeert.

1.6 De gedingkosten in het incident in beide instanties zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die gewezen echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

In het incidenteel appèl:
2.1 Het gaat hierbij – zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang – om het volgende. Bij vonnis de dato 8 augustus 2016 heeft de kantonrechter vonnis gewezen en daarbij, onder andere, [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] het bedrag van US$ 500,- per maand te betalen terwijl [geïntimeerde] had gevorderd een bedrag van SRD. 4.800,- per maand ter voorziening in haar levensonderhoud. [geïntimeerde] komt tegen deze beslissing van de kantonrechter op en voert – kort gezegd – aan dat de kantonrechter de alimentatie voor [geïntimeerde] tenminste had moeten stellen op US$ 1500,- en dat door slechts US$ 500,- als alimentatie toe te wijzen [geïntimeerde] achteruit gaat in haar levensstandaard, terwijl de kantonrechter zelf heeft aangegeven dat dat geenszins de bedoeling kan zijn. In het incidenteel appèl vordert [geïntimeerde] derhalve vernietiging van voormeld vonnis van de kantonrechter en, opnieuw rechtdoende, veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen het bedrag van US$ 1500,- ter voorziening in haar levensonderhoud.

2.2.[appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd en zakelijk weergegeven aangevoerd dat de toewijzing van de partneralimentatie (althans zo vat het hof dat op) afhankelijk is van het antwoord op de schuldvraag, de behoeftigheid en het vermogen tot zelf verwerving van inkomsten. Nu niet genoegzaam is komen vast te staan dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan [appellant] heeft gelegen (althans zo vat het hof dat op) is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 278 BW en maakt [geïntimeerde] geen aanspraak op levensonderhoud;

Ontvankelijkheid
2.3 Uit de gedingstukken blijkt dat [geïntimeerde] vertegenwoordigd door mr. Rapprecht namens haar gemachtigde en [appellant] bijgestaan door zijn gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg ter terechtzitting aanwezig is geweest. Gelet op het bepaalde in artikel 264 Rv hadden partijen dus de mogelijkheid om binnen dertig dagen, gerekend van de dag der uitspraak, appèl aan te tekenen tegen voormeld vonnis. [geïntimeerde] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsvrouw mr. E. van der Hilst bij schrijven gedateerd 19 september 2016, ingekomen ter griffie op 21 september 2016 appèl aangetekend tegen het eindvonnis van de kantonrechter gedateerd 8 augustus 2016. Vervolgens heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij schrijven gedateerd 16 maart 2017, ingekomen ter griffie op 17 maart 2017, aangegeven dat zij het bij schrijven de dato 19 september 2017 aangetekende appèl tegen het eindvonnis, als het vonnis in het incident d.d. 8 augustus 2016 intrekt. Daarna heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij schrijven gedateerd 21 maart 2017, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, aangegeven dat zij gebruik wenst te maken van het middel van hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 8 augustus 2016. Ten slotte heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het principaal appèl aangegeven dat zij harerzijds in hoger beroep komt tegen voormeld vonnis van de kantonrechter d.d. 8 augustus 2016, bekend onder A.R. No. 15-0211. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] ingevolge het bepaalde in artikel 274 Rv tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis van de kantonrechter, weshalve zij ontvankelijk is daarin.

2.4.Ten aanzien van het incidenteel appèl komt het hof tot de navolgende slotsom. In de visie van het hof is de kern van het geschil het navolgende. [geïntimeerde] is het niet eens met de hoogte van het door de kantonrechter in eerste aanleg toegewezen bedrag aan partneralimentatie en vordert een hoger bedrag terwijl [appellant] het standpunt huldigt dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar stelplicht en primair niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard terwijl zij naderhand bij pleitnota aanvoert dat [geïntimeerde] in eerste aanleg geen partneralimentatie als definitieve voorziening heeft gevorderd weshalve de kantonrechter dat niet had mogen toewijzen.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van het inleidend verzoekschrift zijdens [geïntimeerde] in eerste aanleg en komt tot de slotsom dat het door of namens [appellant] aangevoerd verweer gegrond is. [geïntimeerde] heeft bij wege van definitieve voorzieningen – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken; dat een datum zal worden bepaald voor het voogdijverhoor en dat [appellant] zal worden veroordeeld om met [geïntimeerde] over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Naar het oordeel van het hof blijkt nergens uit dat er partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening is gevorderd door [geïntimeerde] en door desondanks [appellant] tot betaling van partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening te veroordelen is de kantonrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd. Aan het voorgaande doet niet af dat voormeld verweer niet bij memorie van grieven is aangevoerd door [appellant] aangezien Ons rechtssysteem geen imperatieve grievenstelsel kent (zie artikel 271 Rv) en [geïntimeerde] ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om op voormeld verweer te reageren. Daarenboven brengt de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep met zich mee dat het geschil in zijn volle omvang wordt herbeoordeeld door de appèlinstantie.

2.6 Gelet op al het voorgaande zal het incidenteel appèl ongegrond worden verklaard en zullen de proceskosten in het incidenteel appèl worden gecompenseerd tussen partijen, die gewezen echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

In de hoofdzaak:
2.7 [appellant] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
2.7.1 [geïntimeerde] is op 21 december 1991 in het ressort Sur/TH==1991, onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [appellant], ingeschreven onder [nummer] van het huwelijksregister van voormeld ressort.
2.7.2 Uit het huwelijk tussen partijen zijn de navolgende kinderen geboren:
-[naam 1], geboren op 20 januari 1998 op Curaçao (inmiddels meerderjarig);
-[naam 2], geboren op 03 april 1999 op Curaçao (nog minderjarig).
2.7.3 Bij beschikking d.d. 13 maart 2015 in de zaak met A.R.no. 15-0211 is [appellant] bij wege van voorlopige voorziening veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen USD 500,– per maand ter voorziening in haar levensonderhoud totdat de rechter uiteindelijk heeft beslist daarover.
2.7.4 Bij tussenvonnis d.d. 10 augustus 2015 in de onderhavige zaak is de incidentele vordering van [appellant] tot opheffing van de verplichting tot betaling van alimentatie aan [geïntimeerde], afgewezen onder de overweging dat de schuldvraag in onderhavige kwestie nog niet beantwoord kan worden.
2.8. Als grieven tegen het beroepen vonnis heeft [appellant] het navolgende aangevoerd. Ten eerste heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in haar tussenvonnis van 23 mei 2016 [geïntimeerde] heeft toegelaten te bewijzen door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door getuigen, haar stelling dat het huwelijk tussen partijen reeds jaren duurzaam is ontwricht vanwege het dominante jaloerse gedrag van [appellant], zijn alcoholmisbruik en de psychische mishandeling als gevolg daarvan. Ten tweede heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in haar eindvonnis van 08 augustus 2016 in haar verdere beoordeling onder 2.10 heeft overwogen dat het in casu betreft bewijs ten aanzien van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk. Ten derde heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in 2.11 heeft beoordeeld dat de duurzame ontwrichting al bestond nog voor het incident van 24 december 2014, zodat naar het oordeel van de kantonrechter de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in ieder geval niet in overwegende mate aan [geïntimeerde] te wijten is geweest. Ten vierde heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in 2.11 heeft beoordeeld dat voor het overige de schuldvraag niet langer relevant is aangezien beiden wensen te scheiden. In overweging 2.12: “ gelet op hetgeen is overwogen onder 2.11 gaat het beroep van [appellant] op artikel 278 BW niet op, weshalve [geïntimeerde] aanspraak maakt op partneralimentatie. Voorts heeft [appellant] naderhand bij pleitnota in hoger beroep als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [geïntimeerde] geen partneralimentatie als definitieve voorziening heeft gevorderd, weshalve dat niet toegewezen had mogen worden door de kantonrechter (althans zo vat het hof dat op);

2.9 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in hoger beroep en het hof komt daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug;

2.10 In hoger beroep concludeert [appellant] –kort gezegd- tot vernietiging van voormelde vonnissen in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in haar vordering tot alimentatie, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties;

2.11 Het hof zal de zijdens [appellant] aangevoerde grieven tegen het beroepen vonnis – gelet op de onderlinge samenhang – simultaan aan een beoordeling onderwerpen. Het hof heeft kennis genomen van het inleidend verzoekschrift zijdens [geïntimeerde] in eerste aanleg en komt tot de slotsom dat de door of namens [appellant] aangevoerde grieven gegrond zijn gebleken. [geïntimeerde] heeft bij wege van definitieve voorzieningen – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de echtscheiding tussen partijen zal worden uitgesproken; dat een datum zal worden bepaald voor het voogdijverhoor en dat [appellant] zal worden veroordeeld om met [geïntimeerde] over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Naar het oordeel van het hof blijkt nergens uit dat er partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening is gevorderd door [geïntimeerde] en door desondanks [appellant] tot betaling van partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening te veroordelen is de kantonrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd. Aan het voorgaande doet niet af dat voormeld verweer niet bij memorie van grieven is aangevoerd door [appellant] aangezien Ons rechtssysteem geen imperatief grievenstelsel kent (zie artikel 271 Rv) en [geïntimeerde] ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om op voormeld verweer te reageren. Daarenboven brengt de devolutieve werking van het rechtsmiddel van hoger beroep met zich mee dat het geschil in zijn volle omvang wordt herbeoordeeld door de appèlinstantie.

2.12 Nu voormelde grief slaagt behoeven de overige grieven geen bespreking meer. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat de vonnissen van de kantonrechter in eerste aanleg zullen worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal het hof alsnog doen wat de kantonrechter niet had behoren te doen, namelijk de ongedaanmaking van de verlening van de bewijsopdracht aan [geïntimeerde] gevolgd door de toewijzing van de partneralimentatie. De overige grieven betreffen, onder meer, de niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] vanwege het tekort schieten in haar stelplicht ten aanzien van de partneralimentatie maar na de vaststelling dat er geen partneralimentatie bij wege van definitieve voorziening is gevorderd, behoeven deze grieven in de visie van het hof geen nadere bespreking.

2.13 Nu voorts tussen partijen in confesso is dat de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken en het huwelijk door de inschrijving van het echtscheidingsvonnis is ontbonden en er is voorzien in het gezag van de kinderen, terwijl het kind [naam 1], geboren op 20 januari 1998 op Curaçao inmiddels meerderjarig is geworden, zal het vonnis van de kantonrechter op deze punten worden bevestigd. De proceskosten in beide instanties zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die gewezen echteliden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

3. De beslissing in hoger beroep
Het hof:
In het Incident:
3.1 Verleent aan [appellant] akte van aanvulling zoals verzocht;
3.2 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het incident de dato 10 augustus 2015, onder verbetering van de motivering als voormeld.

In het incidenteel appèl:
3.3 Verklaart het door [geïntimeerde] ingesteld incidenteel appèl ongegrond;

In de hoofdzaak:
3.4 Vernietigt de vonnissen van de Kantonrechter d.d. 23 mei 2016 en 08 augustus 2016 (A.R.NO. 15-0211), waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:
3.5 Verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in het door haar gevorderde;

In het Incident, in het incidenteel appèl en in de hoofdzaak:
3.6 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;
In het incident, in het incidenteel appèl en in de hoofdzaak:

Aldus gewezen door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf, lid en mr. J.M. Jensen, lid-plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 november 2019, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Tjon Jaw Chong, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens advocaat mr. E.F. van der Hilst, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-14

G.R.No. 14735

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

1. [appellant 1], wonende te [district],
2. DORSETT HOTELS & RESORT INC, gevestigd te Paramaribo,
3. [appellant 3],
4. [appellant 4],
appellanten,
gezamenlijk verder te noemen: [appellanten] en afzonderlijk als [appellant 1], Dorsett, [appellant 3] en [appellant 4],
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

DE RECHTSPERSOON NAAR ARUBAANS RECHT SURINAME LEISURE COMPANY N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: SLC
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 4 januari 2011 (A.R. No. 013216) tussen [appellanten] als gedaagden en SLC als eiseres spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 10 april 2012 van de griffier der kantongerechten, waaruit blijkt dat [appellanten] tegen genoemd vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de memorie van grieven en pleitnotitie van [appellanten];
  • de antwoordpleitnota van SLC;
  • de repliekpleitnota van [appellanten];
  • de dupliekpleitnota van SLC.

De beoordeling
1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellanten] daarin kunnen worden ontvangen.

2. SLC heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant 1] en Dorsett te veroordelen tot betaling aan haar van twee geldsommen met nevenvorderingen. Aan [appellant 3] en [appellant 4] is bij incidenteel vonnis d.d. 20 april 2004 toegestaan zich in deze zaak aan de zijde van de twee laatstgenoemde partijen te voegen. Een verzoek van [appellant 4] en [appellant 3] om de onderhavige zaak wegens verknochtheid te voegen met een eveneens door SLC tegen hen aanhangig gemaakte zaak (bekend onder A.R. No. 012894) is onbehandeld gebleven. De kantonrechter heeft de vorderingen van SLC toegewezen.

3. [appellanten] hebben tegen het vonnis van de kantonrechter één grief aangevoerd die SLC vervolgens heeft bestreden. In de grief beklagen [appellanten] zich allereerst over de procesgang in eerste aanleg. [appellanten] wijzen erop dat de kantonrechter een (volgend) tussenvonnis heeft gewezen – waarin een comparitie van partijen werd gelast – nog voordat [appellant 3] en [appellant 4] een conclusie van dupliek hadden genomen. Verder voeren [appellanten] aan dat de kantonrechter het verzoek tot voeging wegens verknochtheid geheel onbesproken heeft gelaten. Ten slotte betogen zij dat SLC in de thans voorliggende zaak niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard op dezelfde gronden als is geschied in de zaak A.R.No. 012894.

4. Het door [appellanten]. gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van SLC is door de kantonrechter verworpen in het aan het eindvonnis voorafgegane tussenvonnis d.d. 4 augustus 2008. Ingevolge artikel 269 Rv is het ingestelde beroep mede tegen dit tussenvonnis gericht.

5. Tussen partijen staat vast:
a. Ten tijde van het aanhangig maken van deze zaak waren [appellanten] de zogenaamde B-directeuren van SLC;
b. Artikel 17 van de statuten van SLC houdt in dat zij in rechte wordt vertegenwoordigd door een A- en een B-directeur;
c. [appellanten]. hebben niet aan een A-directeur toestemming gegeven tot of medewerking verleend aan het aanhangig maken van deze zaak. Zij hebben zich daartegen verzet.

6. De kantonrechter heeft het door [appellanten], vanwege de onder 5 vermelde feiten, gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van SLC verworpen omdat, kort gezegd, in de vennootschap een patstelling was ontstaan, waardoor deze al geruime tijd niet goed functioneerde. Artikel 17 mag er daarom, aldus de kanonrechter, niet aan in de weg staan dat de vennootschap een zaak aan de rechter voorlegt.

7. Indien een bestuurder van een vennootschap ingevolge een statutaire bepaling de medewerking nodig heeft van een of meer andere bestuurders om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, maar dezen zich van zodanige medewerking onthouden en de statuten in geen andere oplossing voorzien, kan hij zich in kort geding tot de kantonrechter wenden met het verzoek hem tot zodanig optreden te machtigen. In dat kort geding kan dan, indien daartoe voldoende grond bestaat, een voorlopige voorziening worden gegeven die bedoelde patstelling tussen de bestuurders doorbreekt. Het gaat echter niet aan zonder een dergelijke autorisatie eigenmachtig en in strijd met een statutaire bepaling als bedoeld in rechte op te treden. Dit klemt te meer indien de wederpartijen van de vennootschap haar medebestuurders zijn. Zonder een dergelijke autorisatie kunnen die medebestuurders, zoals zij in deze zaak hebben gedaan, zich naar het oordeel van het Hof met vrucht op bedoelde statutaire bepaling beroepen.

8. Op grond van het vorenstaande zal het Hof met vernietiging van het eindvonnis en het tussenvonnis d.d. 4 augustus 2008 SLC alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Bij bespreking van de overige inhoud van haar grief hebben [appellanten]., gelet op deze beslissing, geen belang.

9. SLC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 4 augustus 2008 en 4 januari 2011 in de zaak bekend onder A.R.No 013216
en opnieuw rechtdoende:
Verklaart SLC in de ingestelde vorderingen niet-ontvankelijk.
Veroordeelt SLC in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 778,- alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr, R.G. Chatterpal, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. R.G. Chatterpal

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-13

G.R.No. 15097

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
hierna ook te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap SURINAAMSE BROUWERIJ N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder ook te noemen: de Brouwerij,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

Inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven beschikking van 26 november 2015, A.R. no. 15-4569, tussen [appellante] als verzoekster en de Brouwerij als verweerster, spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 10 december 2015, inhoudende dat op 10 december 2015 door [appellante] hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 november 2015, gegeven op het verzoekschrift van de Brouwerij, gericht tegen [appellante];
  • een memorie ex artikel 271 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op 16 december 2015 ingediend door [appellante];
  • een memorie van antwoord, op 12 februari 2016 ingediend door de Brouwerij;
  • een pleitnota van [appellante] 20 mei 2016;
  • een antwoord pleitnota van de Brouwerij van 15 juli 2016;
  • een repliek pleitnota van [appellante] van 19 augustus 2016;
  • een dupliek pleitnota van de Brouwerij van 2 december 2016

De ontvankelijkheid in hoger beroep
De beschikking van de kantonrechter waarvan beroep is een beschikking op een verzoek tot ontbonden verklaring van een arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. Tegen een dergelijke beschikking staat ingevolge het bepaalde in artikel 1615x lid 4 BW juncto artikel 1615m lid 4 BW in beginsel geen hoger beroep open. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien bij de behandeling en/of beoordeling van het verzoekschrift essentiële vormen zijn verzuimd. Daarvan is sprake als een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. In dat geval zal de voor verzoekschriften gebruikelijke beroepstermijn gelden. [appellante] heeft in grief I van haar memorie gesteld dat van een dergelijk vormverzuim sprake is geweest. Zij kan daarom in haar hoger beroep worden ontvangen, opdat onderzocht kan worden of deze grief terecht is opgeworpen. Slaagt de grief, dan komen ook de andere grieven aan bod. Slaagt de grief echter niet, dan komt het hof niet aan onderzoek van de andere grieven toe.

Beoordeling
1. De kantonrechter heeft in de beschikking waarvan beroep op verzoek van de Brouwerij de arbeidsovereenkomst van [appellante] en de Brouwerij van 1 maart 2012 op verzoek van de Brouwerij met ingang van 27 november 2015 ontbonden verklaard. Hiertegen heeft [appellante] in grief I opgeworpen, dat “essentiële vormen zijn verzuimd, nu de fundamentele rechtsbeginselen van hoor en wederhoor en gelijkheid van processuele middelen (equality of arms) in onderlinge samenhang zijn geschonden, waardoor niet meer van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak kan worden gesproken”.

2. Ter toelichting voert [appellante] aan (zakelijk weergegeven):

  1. Bij de mondelinge behandeling van het verzoekschrift stond [appellante] als een enkel individu tegenover drie personen die de Brouwerij vertegenwoordigden; een van hen was bovendien een extern accountant.
  2. Voormelde drie personen mochten over hun eigen waarnemingen verklaren zonder als getuige te zijn beëdigd.
  3. [appellante] kreeg onvoldoende gelegenheid om op het verzoekschrift te antwoorden.
  4. [appellante] trof productie 11a niet aan bij de door de Brouwerij overgelegde producties. Zij kreeg van de kantonrechter echter niet de gelegenheid om daarvan alsnog kennis te nemen.
  5. [appellante] kreeg van de kantonrechter onvoldoende de kans om haar standpunt kenbaar te maken en de stellingen van de wederpartij tegen te spreken. Zij kon niet los van de door de kantonrechter gestelde vragen haar verweer voeren. De kantonrechter liet wel toe dat zij zich niet slechts mondeling maar ook schriftelijk over de door de Brouwerij overgelegde producties uitliet, maar zij mocht zich daarbij niet over de mondelinge behandeling van de zaak uitlaten en zij kreeg daarvoor te weinig tijd. Op 10 november 2015 zei de kantonrechter dat zij op 12 november 2015 om uiterlijk 11.00 uur (later verlengd tot 12.00 uur) haar schriftelijke reactie kon overleggen, en dat terwijl 11 november een feestdag was (Divali), hetgeen het contact met haar advocaat lastiger maakte .
  6. De kantonrechter heeft ten onrechte zijn oordeel mede gebaseerd op de bewering van de Brouwerij dat verschillende afdelingen in staking zouden gaan als [appellante] zou terugkomen op de werkvloer, terwijl [appellante] onvoldoende de kans heeft gekregen deze bewering tegen te spreken.

3. In de punten 1 en 2 van de hierboven opgesomde bezwaren doet [appellante] een beroep op het beginsel van “equality of arms”. Kennelijk vindt zij, dat zij door het numerieke en kwalitatieve overwicht van de tegenpartij op ontoelaatbare wijze benadeeld werd. Het hof verwerpt dit argument. Reeds doordat zij net als de Brouwerij door een advocaat werd bijgestaan, was de “equality of Arms” voldoende gewaarborgd.

4. Met de punten 3 t/m 5 van de opsomming hierboven wil [appellante] aannemelijk maken dat het beginsel van hoor en wederhoor op ontoelaatbare wijze is geschonden.

5. Punt 4 van de opsomming (het ontbreken van productie 11a bij de door de Brouwerij overgelegde producties) gaat als bezwaar niet op. Deze productie betreft een brief van de Brouwerij aan [appellante] van 28 mei 2015, die zij zelf als productie 6 in het geding heeft gebracht. Dat zij die productie niet ook bij de stukken van de Brouwerij aantrof heeft haar niet benadeeld.

6. Voor de punten 3 en 5, in onderlinge samenhang beschouwd, is van wezenlijk belang dat de kantonrechter weliswaar kennelijk een strakke regie heeft proberen te voeren, maar dat er geen enkele aanwijzing voor is dat hij daarbij de door hem gestelde regels ten nadele van [appellante] anders toepaste voor [appellante] dan voor de Brouwerij. Ook moet in aanmerking worden genomen dat [appellante] een advocaat als gemachtigde had en dat het verzoekschrift met producties haar op 29 oktober 2015 door de deurwaarder is betekend. Zij had dus met haar gemachtigde ruim de gelegenheid om voorafgaand aan het verhoor op 10 november haar verweer voor te bereiden en op schrift te stellen. Zij kreeg bovendien nog uitstel om alsnog commentaar op de door de wederpartij overgelegde producties op schrift te stellen. De conclusie van het hof is daarom dat er geen sprake is van een zodanige schending van het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor, dat er niet meer eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak sprake zou zijn.

7. De kantonrechter heeft zijn beslissing om tot ontbonden verklaring van de arbeidsovereenkomst over te gaan uitvoerig gemotiveerd. Of deze motivering op onderdelen al of niet onjuist is geweest staat hier niet ter beoordeling van het hof. Daarmee zou de uitsluiting van het hoger beroep door de wetgever via een omweg tenietgedaan worden. Ook het bezwaar in punt 6 van de opsomming kan dus [appellante] niet baten.

8. De slotsom is dat grief I faalt en dat het hof niet aan de beoordeling van de overige grieven toekomt. Ook bij ambtshalve toetsing van de beschikking heeft het hof geen beletsels aangetroffen voor de toepassing van het wettelijk voorgeschreven verbod van hoger beroep.

9. [appellante] zal de proceskosten van het hoger beroep dienen te dragen.

In hoger beroep:
Het Hof:

  • Bevestigt de beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 november 2015, A.R.no. 15-4569, waarvan beroep.
  • Veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 december 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat S.M. Ramman, BSc. namens advocaat mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Nazir namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-0363

26 maart 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. DE VLIEGENDE EEND B.V.
B. DE VLIEGENDE EEND N.V.,
C. [DE STICHTING],
allen kantoorhoudende aan [adres 1] in het [district],eisers,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[GEDAAGDE],
gevestigd aan [adres 2] te [plaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 januari 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • conclusie tot aanvulling c.q. wijziging van de eis d.d. 13 februari 2020;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 13 februari 2020;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Eiseres sub C is eigenares van het hierna omschreven zakelijk recht:
het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende 26 september 2042, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 15,0130 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. 18 april 2002 met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 23 april 2002, thans bekend als [adres 3] (hierna aangeduid als terrein A).

2.2 Eisers sub A en sub B hebben op respectievelijk 17 mei 2018, 04 juni 2018 met addendum d.d. 06 september 2018 en op 08 april 2019 een drietal overeenkomsten met gedaagde gesloten.

2.3 [Naam 1], hierna te noemen [naam 1], is voorzitter van het bestuur van eiseres sub C. [Naam 2], hierna te noemen [naam 2], is penningmeester tevens secretaris van eiseres sub C. [Naam 1] is enig directeur en aandeelhouder van eisers sub A en sub B.

2.4 In de overeenkomst d.d. 04 juni 2014 zijn, voor zover voor de beslissing van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
In aanmerking nemende dat:

  • Beide partijen een overeenkomst wensen aan te gaan met het doel om marktleider te worden van kip in Suriname;
  • Partijen ernaar streven om kip te kweken op een wijze dat de kwaliteit en smaak wordt gegarandeerd en waarbij de consument dit product kan kopen tegen een lagere prijs dan thans het geval is op de Surinaamse markt;
  • Dat partij ter andere zijde voor dit streven kapitaal nodig heeft voor langere tijd en tegen aantrekkelijke voorwaarden hetgeen partij ter ener bereid is te verschaffen onder voorwaarden welke in deze overeenkomst zijn beschreven;
  • Dat partij ter ener ernaar streeft om door deze samenwerking een aantrekkelijk product aan te bieden voor haar respectievelijke klanten waardoor zij haar marktpositie duurzaam kan versterken;

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

Artikel 1 – Algemeen

1.1 De considerans maakt integraal onderdeel uit van onderhavige overeenkomst.

1.2 De Krediethypotheek d.d. 18 mei 2018 en 04 juni 2018 welke is afgegeven door [de Stichting] waarbij deze Stichting zich garant heeft gesteld voor alle verplichtingen welke van partij ter andere zijde is aangegaan en tevens voor het bedrag van welke partij ter ener als lening heeft verstrekt aan partij ter andere zijde ter waarde van US$ 2.500.000,00 (…) vormen een deel van onderhavige overeenkomst (bijlage 1).

Artikel 2 – Duur

2.1 Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst door beide partijen en heeft een looptijd van 10 jaren en 9 maanden.

2.2 Indien bij het einde van de termijn gesteld in artikel 2.1 de laatste aflossing en rente nog niet heeft plaatsgevonden, blijft de overeenkomst in stand totdat alle betalingsverplichtingen zijn voldaan, onverminderd de verplichting van partij ter andere zijde om alle verplichtingen conform voorwaarden en aflossingsschema vervat in bijlage 3, welke een integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst, te voldoen;

Artikel 3 – Voorwaarden kredietverstrekking

3.1 Het door de partij ter ener aan partij ter andere zijde te verstrekken krediet bedraagt US$ 2.250.000,00 (…)

3.2 De middelen beschreven in het vorig lid zullen worden aangewend om:
a) De bestaande schuld bij de DSB bank, zijnde ca SRD 3.213.470,78 volledig af te betalen;
b) investeringen te plegen om een volledig geïntegreerde pluimvee boerderij op te zetten waarbij het streven erop is gericht de marktleider van o.a. kip te worden in Suriname conform het plan genoemd in bijlage 3;

3.3 Gedurende de eerste 9 maanden van de lening zal alleen rente worden betaald waarbij de rente maandelijks zal worden bijgeschreven op de hoofdsom, e.e.a. conform bijlage 3.

3.4 Het rentepercentage is gedurende eerste 9 maanden 3% (…).

3.5 Het rentepercentage na de eerste periode van 9 maanden bedraagt 1 maand libor plus 3.75% hetgeen neerkomt op 5.75% (…) per jaar en de rente en/of rente en aflossing zal maandelijks door partij ter andere zijde aan partij ter ener worden betaald op de 28ste van iedere maand middels automatische girobetaling bij de Republic Bank op rekeningnummer (…) conform het aflossingsschema genoemd in bijlage 2.

3.6 09 maanden na datum van deze overeenkomst en wel op 1 Maart 2019 zal de eerste aflossing van kapitaal plaatsvinden, hetgeen samen met rente is vervat in bijlage 3;

3.7 Indien aflossingen van renten en/of kapitaal en rente later dan de datum vervat in bijlage 2 plaatsvinden, zal partij ter andere zijde een boete rente moeten betalen van 8 procent’s jaars en zal het bedrag meteen opeisbaar zijn, tenzij partijen anders overeenkomen;

3.8 Bedragen welke door een libor aanpassing later plaatsvinden, zullen niet als late betaling worden aangemerkt zolang de betaling plaatsvindt binnen 14 dagen na facturering door partij ter ener;

3.9 Naast de rentecompensatie genoemd in dit artikel bovenstaand, zal partij ter andere zijde aan partij ter ener een royalty betalen van SRD 0,40 (…) per kilo geslachte kip. Dit tarief is vastgesteld op basis van de bankkoers van SRD 7.53 voor USD 1 Indien de koers zich gedurende deze overeenkomst wijzigt, zal de royalty navenant worden aangepast.

3.10 Partij ter ener heeft recht op 20% (…) van alle geproduceerde kilo’s kip tegen een gereduceerde prijs van SRD 19.00 kilo. Partij ter ener zal op een door haar te bepalen methode een of meerdere campagnes opzetten ten behoeve van haar cliënten, waardoor zij een voordeel kunnen verkrijgen van SRD 3.00 (DRIE SURINAAMSE GULDEN) per kilo kip. De SRD 3.00 zal worden aangepast aan de koers van 1 US$ is SRD 7.53.

Artikel 4 – Zekerheden

Tot zekerheid voor het verstrekte krediet worden de volgende zekerheden door partij ter andere zijde aan partij ter ener gegarandeerd en /of gefaciliteerd:
a) Door [de Stichting] aan partij ter ener afgegeven, voor schulden van partij ter andere zijde, zijnde een eerste krediethypotheek van US$. 2,500,000.= (…) op: het recht van grondhuur – ter uitoefening van de landbouw – vervallende zesentwintig september tweeduizend tweeënveertig, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren (15,0130 ha.), gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs. d.d. achttien april tweeduizend en twee met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekeningen van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. drieëntwintig april tweeduizend en twee, thans bekend als [adres 3] (straatregister [nummer]).” Inclusief het nog in grondhuur te verkrijgen gedeelte vermoedelijk groot 7.8 ha waarvoor reeds een bereidsverklaring is ontvangen bekend onder [LAD No] (bijlage 2). Het moment dat partij ter ander zijde beschikt over het recht van grondhuur zal er meteen een eerste krediethypotheek worden gevestigd ten behoeve van partij ter ener;
b) Fiduciaire eigendomsoverdracht van de voorraden gelegen aan de [adres 1], op het terrein voornoemd sub 1, waarvan iedere kwartaal een inventaris zal worden verstrekt door partij ter andere zijde aan partij ter ener;
c) Dat partij ter andere zijde een risicoverzekering ter waarde van EURO. 500,000.00 (…) ten name van [naam 1] cedeert aan partij ter ener als begunstigde.
d) Dat partij ter andere zijde de brandverzekering cedeert aan partij ter ener en haar als begunstigde aanwijst, waarbij de opstallen worden verzekerd voor een bedrag van US$ 2,000,000.00 (TWEE MILJOEN US DOLLARS). De brandverzekering (marktconform) zal lopen via het agentschap van partij ter ener, waarbij partij ter andere zijde het bedrag tenminste 14 dagen voor vervaldatum zal voldoen.

Artikel 5 – Uitwinning zekerheid

De in artikel 4 genoemde dekkingen strekken tot zekerheid voor de door het partij ter ener aan partij ter andere zijde verstrekte krediet. Bij een eventuele uitwinning van genoemde zekerheden, zal de opbrengst worden gebruikt om de schuld welke partij ter andere zijde aan partij ter ener is verschuldigd, te betalen.”

2.5 In de hiervoor onder 2.3 vermelde overeenkomst d.d. 04 juni 2018 is “partij ter ener”: gedaagde en “partij ter andere zijde”: eisers sub A en sub B.

2.6 Bij addendum d.d. 06 september 2018 zijn eisers sub A en sub B met gedaagde overeengekomen dat de lening wordt uitgebreid tot een bedrag ad US$ 3.000.000,-.

Bij overeenkomst d.d. 08 april 2019 zijn eisers sub A en sub B met gedaagde overeengekomen dat de NV aan hen een kredietbedrag ad € 660.000,- ter leen zal verstrekken met onder andere dezelfde zekerheden die zij in de eerder hiervoor vermelde overeenkomsten zijn overeengekomen.

2.7 Op 11 februari 2019 heeft eiseres sub C aan gedaagde onherroepelijk last en volmacht verleend, welke volmacht is verleden en getekend door haar bestuurders ten overstaan van de notaris.

In de volmacht is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

De comparanten in hun gemelde hoedanigheden verklaarden ONHERROEPELIJK LAST EN VOLMACHT te verlenen aan de naamloze vennootschap [GEDAAGDE], gevestigd te Paramaribo, speciaal om voor en namens hen, comparanten in gemelde hoedanigheden, na te melden onroerend goed, naast de reeds gevestigde hypotheek ten behoeve van de naamloze vennootschap [GEDAAGDE], nog te bezwaren te harer behoeve met een krediethypotheek tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen [DE STICHTING], uit welke hoofde ook aan de naamloze vennootschap [GEDAAGDE], gevestigd te Paramaribo, voornoemd schuldig mocht zijn of worden tot een maximum bedrag van ACHTHONDERDDUIZEND AMERIKAANSE DOLLAR (USD. 800.000,-) plus rente, kosten, onkosten en provisie, te weten:

het nog te verkrijgen recht van grondhuur TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW op het perceelland, groot zeven hectaren, achtenvijftig aren en tweeëntachtig centiaren, gelegen in het [district] ten zuiden van de [weg], nader aangeduid op de overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.J. Doest BSc. De dato veertien augustus tweeduizend en achttien met de leters CDEF en blijkens de gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi MSc., achter en grenzende aan het perceelland, groot vijftien hectaren, een are en dertig centiaren, bekend als [adres 3].

Toe te stemmen in de bedingen bij de artikelen twaalfhonderd zeven, twaalfhonderd veertien en twaalfhonderd acht en dertig van het Surinaams Burgerlijk Wetboek geregeld en verder in als zodanige bedingen en bepalingen als de geldschieters zal verlangen en de gevolmachtigde zal raadzaam achten.

Terzake voormeld alle vereist wordende akten en stukken te doen opmaken, te verlijden en te ondertekenen en in het algemeen alles verder te doen en te verrichten wat tot voormelde einden zal blijken nodig te zijn, alles met de macht van substitutie.”

2.8 Op 08 april 2019 hebben eisers sub A en sub B met gedaagde een “Samenwerkingsovereenkomst Kippie-project” gesloten, en partijen zijn overeengekomen dat elke afzonderlijke kredietovereenkomst deel uitmaakt van de samenwerkingsovereenkomst en wordt mede beheerst door de principes van deze overeenkomst.

2.9 Op 05 September 2019 hebben eisers en gedaagde een option agreement gesloten.

2.10 Eiseres sub C heeft bij ministeriele beschikking d.d. 04 november 2019 no. D.1179 (toewijzingsbeschikking) het hierna omschreven zakelijk recht in grondhuur verkregen:

“het recht van grondhuur – TER UITOEFENING VAN DE LANDBOUW – vervallende 11 november 2059, op het perceelland, groot 7,5885 ha., gelegen in het [district], ten zuiden van de [weg] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de beëdigde landmeter R.J. Doest d.d. 14 augustus 2019 met de leters CDEF en met het door het MI-GLIS verstrekte [Perceels ID nummer], blijkens de daarop gestelde aantekening van de GLIS-landmeter F.M. Sanrawi Msc. D.d. 15 februari 2019, goedgekeurd, achter- en grenzende aan het perceelland, groot 15.0130 ha., bekend als [adres 3], hierna aangeduid als terrein B.

Op 11 november 2019 is terrein B ten name van eiseres sub C in het daartoe bestemde register op het kantoor van het Management Instituut GLIS overgeschreven.

2.11 Bij notariële akte d.d. 07 januari 2020 is ten laste van eisers sub A en sub B een hypotheek gevestigd op terrein B ten behoeve van een schuldeiser, hierna aangeduid als hypotheekakte, en wel op basis van een kredietovereenkomst die partijen hebben gesloten. In de hypotheekakte staat, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende vermeld:

“Heden (…) verscheen voor mij, meester VIKASH GANGARAM-PANDAY, notaris in Suriname, residerende te Paramaribo:

De heer [NAAM 3], volgens zijn verklaring hoofddirecteur, geboren )…),
nader te noemen “Partij ter ener”,

EN

In casu handelende voornoemde naamloze vennootschap [GEDAAGDE], als gevolmachtigde van:
(…) ten deze handelende:
A. in haar hoedanigheid van voorzitter van de te Paramaribo gevestigde Stichting
[DE STICHTING] (…)
Nader te noemen “Partij ter andere zijde”,
krachtens een akte van lastgeving de dato elfde februari tweeduizend en negentien ten overstaan van de ondergetekende notaris, verleden en onder mij in minuut berustende.
De comparanten zijn aan mij, notaris, bekend.
Partij ter andere zijde verklaart ten behoeve van partij ter ener bij onderzetting te verbinden en met hypotheek te bezwaren:
(…)
Welke hypotheekstelling geschiedt tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen de naamloze vennootschap “DE VLIEGENDE EEND N.V.” aan partij ter ener voornoemd mochten schuldig zijn of worden uit hoofde van de bestaande toekomstige kredietverhouding tussen partijen, of als trekkers, endossanten of medetekenaren van enig (…) tot een bedrag van ZEVENHONDERDVIJFTIGDUIZEND AMERIKAANSE DOLLARS (…)”.

2.12 Bij schrijven d.d. 14 januari 2020 zijn eisers door gedaagde aangemaand om hun achterstallig openstaand saldo te voldoen. Ter zake heeft gedaagde het hierna volgende in het schrijven vermeld:
Met referte aan de overeengekomen tussen [gedaagde], De Vliegende Eend N.V. en De Vliegende Eend B.V., delen wij u mede dat u thans een achterstallig openstaand saldo heeft groot US$ 382.418,88 en EUR 636,709,38. Wij vragen u uitdrukkelijk en zonder uitstel, uiterlijk 1 week na dagtekening, deze bedragen te voldoen op een van de rekeningnummers hieronder vermeld.”

Gedaagde heeft het hiervoor vermeld schrijven bij exploot van een deurwaarder op 21 januari 2020 aan eisers doen betekenen.

2.13 Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, L. Gangaram Panday, d.d. 31 januari 2020, heeft gedaagde haar voornemen tot de openbare verkoop van terrein A en terrein B op donderdag 26 maart 2020, des voormiddag om tien uur,ten kantore van de notaris, mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo aan de Stichting aangezegd. Middels dit exploot heeft gedaagde tevens aan eisers doen betekenen:

  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 17 mei 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 25 juni 2018;
  • de eerste grosse akte krediethypotheek d.d. 07 januari 2020;
  • een brief gericht aan notaris mr. V. Gangaram-Panday d.d. 22 januari 2020, in welke brief vermeld staat de verschuldigde bedragen respectievelijk ad US$ 3.293.629,10 en Euro 637.842,71.
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen na wijziging van eis, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
I. de stopzetting te gelasten van de bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 31 januari 2020 no. 07 aangezegde openbare verkoop van de in dat exploot omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op 26 maart 2020 des voormiddags te 10.00 uur ten kantore van mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo zal plaatsvinden, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 50.000.000,-;
II. gedaagde te verbieden opnieuw over te gaan tot het treffen van executoriale maatregelen, inhoudende de openbare veiling (lees verkoop) van de onroerende goederen van eiseres sub C, totdat in een door eisers in te stellen bodemprocedure over de voldoening van het volledig investeringskapitaal c.q. nakoming van de samenwerkingsovereenkomst zal zijn beslist;
III. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers de som van US$ 15.000,- te voldoen, zijnde de management fee over de maanden november 2019 tot en met januari 2020 en voorts tot betaling van US$ 5.000,- per maand, totdat partijen een rechtsgeldig besluit hebben genomen over de koopovereenkomst;
IV. gedaagde te veroordelen om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers de som van US$ 1.000.000,- te voldoen;
V. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers de som van US$ 3.416,40 te voldoen, zijnde de advocaatkosten inclusief 8% OB;
VI. gedaagde te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

3.2 Eisers leggen tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering ten grondslag:

  • gedaagde maakt misbruik van omstandigheden;
  • gedaagde pleegt wanprestatie jegens hen;
  • gedaagde pleegt een onrechtmatige daad jegens hen;
  • de aanzegging van de openbare verkoop is niet geschied volgens de plaatselijke gebruiken ingevolge artikel 1207 lid 2 BW juncto artikel 1239 BW.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Bij conclusie tot aanvulling c.q. wijziging van de eis d.d. 13 februari 2020 hebben eisers wijziging van eis gevorderd. Nu deze wijziging van eis voor de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting aan gedaagde is betekend en gedaagde hierdoor niet in haar verweer is geschaad, zal de gevorderde wijziging van eis worden toegestaan zoals dit reeds onder 3.1 in dit vonnis is verwerkt.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, in het bijzonder uit het feit dat de openbare verkoop op 26 maart 2020 zal plaatsvinden. Daarom zijn eisers in het kort geding ontvangen.

4.3 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek is de hypotheekhouder bevoegd om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen dan wel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat. Slechts wanneer uit feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zou zijn dat gedaagde van deze bevoegdheid tot parate executie misbruik maakt, zou hierover anders geoordeeld kunnen worden.

4.4 Voldoende aannemelijk is dat eisers sub A en sub B niet hebben voldaan aan hun betalingsverplichting jegens gedaagde, zodat gedaagde bevoegd is gebruik te maken van de aan haar toekomende bevoegdheid om tot openbare verkoop van de terreinen A en B over te gaan. Echter acht de kantonrechter de overeenkomsten die partijen met elkaar hebben gesloten – van welke overeenkomsten een deel van de inhoud onder 2.4 en 2.8 in dit vonnis is weergeven – en de omstandigheden waaronder deze overeenkomsten zijn gesloten onredelijk bezwarend voor eisers, met als gevolg dat eisers thans zijn blootgesteld aan onredelijk bezwarende gevolgen van deze overeenkomsten. Met name dreigen eisers thans hun bedrijven c.q. onroerende goederen en al de daarin gepleegde investeringen kwijt te raken. Daar gedaagde reeds de inschatting kon hebben gemaakt dat eisers niet binnen afzienbare tijd zouden kunnen voldoen aan hun aflossingsverplichtingen en de overeenkomsten als onredelijk bezwarend voor eisers worden geacht, maakt gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter misbruik van haar recht van parate executie hetgeen grond oplevert om de aangezegde openbare verkoop stop te zetten. Hieruit volgt dat de gevorderde voorziening onder I zal worden toegewezen.

4.5 Het gevorderde onder II komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat gedaagde uit hoofde van de kredietovereenkomsten mag overgaan tot executie indien eisers niet kunnen voldoen aan hun betalingsverplichtingen jegens gedaagde.

4.6 Ten aanzien van de gevorderde voorzieningen onder III, IV en V die een geldvordering behelzen, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter een diepgaand onderzoek vereist. Dit, vanwege de weerspreking van gedaagde dat zij een investeringskapitaal en een management fee aan eisers verschuldigd is en het blijven volharden van partijen in hun stellingen en weren ter zake. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts dan plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing in de weg staat.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zullen partijen dit onderdeel verder in bodemprocedure dienen te beslechten. Hieruit volgt dat de gevorderde voorzieningen onder III, IV en V zullen worden geweigerd.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige kort geding zaak zullen leiden.

4.8 Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 250,- en de kosten voor oproep van gedaagde per exploot van een deurwaarder ad SRD 355,-.

  1. De beslissing in kort geding

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Staat toe de wijziging van eis zoals gevorderd bij conclusie tot aanvulling c.q. wijzing van de eis en zoals verwerkt onder 3.1 in dit vonnis.

5.2 Gelast de stopzetting van de bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 31 januari 2020 no. 07 aangezegde openbare verkoop van de in dat exploot omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op 26 maart 2020 des voormiddags te 10.00 uur ten kantore van mr. Vikash Gangaram Panday, of diens plaatsvervanger, aan de Julianastraat no. 21 te Paramaribo zal plaatsvinden, zulks onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van
SRD 50.000.000,- (Vijftig Miljoen Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 605,- (Zeshonderd en Vijf Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 26 maart 2020 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-36

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 165309
18 november 2016

Vonnis in de zaak van

SURINAME CABLE & COMMUNICATION NETWORK NV,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M. G. A. Vos, advocaat,
hierna te noemen: “SCCN”,

tegen

APINTIE NV,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. F. W. M. Thijm, advocaat,
hierna te noemen: “Apintie”.

1.Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 2 november 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met productie,
  • de conclusie van dupliek.

1.2.De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1. La Liga Nacional de Footbol Professional is de rechtmatige eigenaar van de door haar georganiseerde Eerste Divisie van de Spaanse voetbal competitie in Spanje, de Primaira Division meer bekend als La Liga.

2.2. Bij overeenkomst van 30 september 2016 heeft de International Media Content LTD, hierna te noemen IMC, aan SCCN verleend de uitzendrechten van alle wedstrijden gespeeld in het kader van het seizoen 2016/2017.

2.3. Bij schrijven van 26 september 2016 afkomstig van IMC aan SCCN heeft de managing Director van IMC aan SCCN bevestigd dat zij aan niemand anders dan SCCN en ESPN een licentie hebben afgestaan.

2.4. Bij email bericht van 30 september 2016 heeft SCCN aan een aantal televisie- en radiostations, waaronder Apintie, te kennen gegeven dat zij de televisie uitzendrechten bezit van La Liga seizoen 2016/2017. Als bijlage heeft SCCN bijgesloten de “IMC rights confirmation letter”.

2.5. Bij email bericht van 5 oktober 2016 afkomstig van mevrouw [naam] van SportsMax Limited gericht aan Apintie wordt onder de aandacht van Apintie gebracht dat mevrouw [naam] IMC vertegenwoordigt en in dat kader aan Apintie te kennen geeft dat IMC sublicenties heeft verstrekt aan SCCN en ESPN alleen. In dat bericht wordt Apintie verzocht om de rechten van de sublicensees SCCN en ESPN te respecteren.

2.6. Bij email bericht van 11 oktober 2016 heeft Apintie aan mevrouw [naam] teruggeschreven dat het bericht van haar voor hun verwarrend is. Apintie stelt daarin dat zij eerst een schrijven hebben ontvangen welke van IMC zou zijn. Echter wordt nu een emailbericht ontvangen van SportsMax Limited. Apintie voert voorts aan in dat schrijven dat is geprobeerd om met de directeur van IMC in contact te treden, doch dat dat niet is gelukt. Apintie geeft aan dat zij een brief van IMC wensen en dat zij geen brieven kunnen accepteren zonder officieel brievenhoofd of contact informatie.

2.7. Mevrouw [naam] heeft bij emailbericht van 17 oktober 2016 gereageerd op het schrijven van Apintie waarbij zij uiteen heeft gezet dat SportsMax Ltd een dochteronderneming is van IMC. Dat IMC de rechten heeft verleend aan SCCN en ESPN alleen en dat er geen andere gerechtigden zijn voor Suriname. Zij vraagt in dat bericht aan Apintie om de rechten van IMC en SCCN te respecteren, bij gebreke waarvan er gerechtelijke stappen zullen worden ondernomen.

2.8. Op 29 oktober 2016 is bij exploit van deurwaarder S. W. Niekoop LLB, met nummer 1574, aan Apintie betekend het schrijven d.d 28 oktober 2016 afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN waarin zij onder de aandacht van Apintie brengt dat deze ondanks de brieven van SCCN, IMC en mevrouw [naam], toch wedstrijden van La Liga uitzendt. De raadsvrouwe heeft in dat schrijven Apintie aangemaand om onmiddellijk te stoppen met het uitzenden, bij gebreke waarvan juridische stappen tegen Apintie zullen worden ondernomen.

2.9. Op 29 oktober 2016 is een tweede brief, gedateerd 29 oktober 2016, afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN aan Apintie betekend waarin wordt aangehaald dat Apintie, ondanks het schrijven van 28 oktober toch op 29 oktober weer wedstrijden heeft uitgezonden. Ook in dit schrijven maant zij Apintie aan om de uitzendrechten van SCCN te respecteren.

2.10. Aan deze aanmaningen heeft Apintie geen gevolg gegeven.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1. De vordering
SCCN vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Apintie verbiedt om de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf, uit te zenden;
  • Apintie verbiedt de samenvattingen (highlights) van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging, achteraf uit te zenden;
  • Apintie verbiedt programma’s van de sportchannels SportsMax/SportsMax2 seizoen 2016/2017 of van enige andere omroeporganisatie, waartoe alleen SCCN is gerechtigd, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf, uit te zenden;
  • Apintie veroordeelt het vonnis te gehengen en te gedogen op verbeurte van een dwangsom en voorts
  • Apintie veroordeelt in de proceskosten.

3.2.De grondslag
SCCN heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat IMC de exclusieve bezitter is van de commerciele rechten van de Spanish First Division Football League, beter bekend als La Liga, inclusief de uitzendrechten op de televisiebeelden en of satelietbeelden van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld in het kader van de La Liga Competitie. IMC heeft deze rechten voor de periode 2015 tot 2020 verkregen van de Liga Nacional de Futbol Profesional. IMC is voor het Caribisch gebied de enige die op wettige wijze aan omroeporganisaties c.q. broadcasters de bevoegdheid kan geven om de betreffende beelden uit te zenden. SCCN heeft op 26 september 2016 een overeenkomst met IMC gesloten uit hoofde waarvan SCCN de exclusieve uitzendrechten heeft verworven op het uitzenden van de La Liga Competition 2016/2017 voor onder andere televisie in Suriname. Tot het programma van de La Liga behoren de voetbalwedstrijden, de highlights van de wedstrijden en alle andere evenementen terzake de La Liga Competition. SCCN heeft aan al haar concurrenten, inclusief Apintie, per mail van 30 september 2016 medegedeeld dat zij de exclusieve rechten heeft verworven voor het uitzenden van de La Liga Competitie van 2016/2017. Ondanks dit schrijven zendt Apintie toch de wedstrijden uit. Hiermee schendt zij de exclusieve uitzendrechten van SCCN en handelt zij onrechtmatig. Alsgevolg van dit onrechtmatig handelen lijdt SCCN schade, immers is SCCN om de kosten voor de verwerving van de exclusieve uitzendrechten terug te kunnen verdienen, afhankelijk van bedrijven die de uitzendingen middels advertenties wensen te sponsoren. Door de beelden ook uit te zenden en onrechtmatig ook sponsers op de toch al kleine Surinaamse markt te werven beconcurreert Apintie SCCN op een onrechtmatige wijze en zal SCCN niet in staat zijn voldoende sponsoring voor de activiteiten te vergaren. Hierdoor zal zij verlies lijden.

4.Het verweer
Apintie heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5.De Beoordeling
5.1. Apintie heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. Dat zij, Apintie, betwist dat IMC de bezitter is van de exclusieve commerciele rechten van La Liga; dat SCCN dat op geen enkele wijze heeft aangetoond;
  2. Dat IMC geen exclusieve rechten aan SCCN heeft overgedragen nu uit de overeenkomst blijkt dat er sprake is van non-exclusieve rechten;
  3. Dat, zolang niet blijkt dat La Liga het IMC de exclusieve rechten heeft verleend, niet ervan kan worden uitgegaan dat IMC rechten aan SCCN zou kunnen hebben verleend;
  4. Dat uit door Apintie overgelegde producties blijkt dat eerder ook door media brieven zijn gestuurd waarin wordt beweerd dat exclusieve rechten zijn verleend voor een competitie, doch dat later bleek dat de rechten door de eigenaar van de rechten aan een ander medium waren verleend;
  5. Op grond van het voorgaande is niet aannemelijk dat Apintie zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen.

5.2. SCCN heeft op het verweer gereageerd waarbij zij onder andere het volgende stelde:

  1. Dat Apintie in eerdere zaken wel genoegen heeft genomen met een brief van IMC op het IMC brievenhoofd afkomstig van dezelfde directeur en thans ten onrechte vraagt dat IMC moet aantonen dat zij de rechten bezit;
  2. Dat IMC niet in dit geding is waardoor IMC niet kan worden opgedragen om iets aan te tonen;
  3. Dat op de website van IMC Sportsmax alle informatie is te vinden waaruit blijkt dat IMC de rechten bezit;
  4. Dat de documenten van IMC in onderlinge samenhang bekeken met de press-release van SportsMax en de emails van SportsMax en de overeenkomst voldoende bewijs opleveren dat IMC de rechten bezit;
  5. Dat Apintie zelf geen enkel document overlegt waaruit het tegendeel zou blijken, doch slechts bloot alle documenten betwist.

5.3. Apintie heeft op het repliek van SCCN gereageerd waarbij zij onder andere bleef bij haar verweer dat niet blijkt dat IMC de rechten heeft verkregen van La Liga en dat uit de overeenkomst blijkt dat SCCN de niet-exclusieve rechten zou hebben verkregen, waardoor zij zich niet op exclusieve rechten kan beroepen.

5.4. De kantonrechter overweegt dat de vraag die thans beantwoord moet worden die is of Apintie onrechtmatig jegens SCCN handelt door het uitzenden van de wedstrijden. Daarbij moet nagegaan worden of SCCN zodanige uitzendrechten heeft verkregen dat zij van Apintie kan eisen dat deze het uitzenden van de wedstrijden nalaat.

5.5. De kantonrechter overweegt dat SCCN heeft overgelegd een licentie overeenkomst met IMC, een de press-release van SportsMax, emails van SportsMax, een bevestigingsbrief van IMC en voorts heeft verwezen naar de website van SportsMax. Apintie heeft de documenten betwist en heeft op de verwijzing naar de website van SportsMax niet gereageerd.

5.6. De kantonrechter overweegt dat kennis is genomen van de documenten en van de website waarnaar verwezen wordt, www.sportsmax.tv. Op de website is het artikel gepubliceerd getiteld “Digicel SportsMax signs five year broadcast deal for La Liga”, in welk artikel de feiten genoemd in de documenten ook staan vermeld, met name dat IMC de rechten heeft gekocht tot 2020 en dat IMC de exclusieve uitzendrechten heeft voor het Caribisch gebiedt waaronder Suriname.

5.7. De kantonrechter overweegt dat, gelijk SCCN stelt, indien de overeenkomst met IMC, het bevestigingsschrijven van IMC, de press-release van SportsMax, de emails van SportsMax waarin het verband tussen IMC en SportsMax wordt uitgelegd en de website van SportsMax, in onderlinge samenhang worden beschouwd, het aannemelijk wordt dat IMC van La Liga de uitzendrechten heeft verkregen voor het Caribisch gebied tot 2020 en ten aanzien van deze uitzendrechten alleen met SCCN en ESPN licentie overeenkomsten heeft ondertekend. Dat slechts SCCN en ESPN gerechtigd zijn om de wedstrijden uit te zenden is aannemelijk geworden door het schrijven van IMC van 26 september 2016 maar ook door de emailberichten van SportsMax aan Apintie.

5.8. De kantonrechter overweegt dat gelijk SCCN stelt, zij derhalve voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitzendrechten in Suriname alleen aan haar zijn verleend en verder aan geen ander waardoor SCCN van Apintie kan eisen dat deze de rechten van SCCN respecteert.

5.9.De kantonrechter overweegt dat aan het desbetreffende verweer van Apintie voorbij gegaan moet worden omdat het feit dat in de overeenkomst het woord non-exclusive staat niets afdoet aan het feit dat IMC stelt dat zij de uitzendrechten enkel en alleen aan SCCN en ESPN heeft verleend. IMC heeft daarmee bevestigd dat, zolang zij de rechten niet tevens aan een ander heeft verleend, IMC en SCCN van derden mogen vorderen dat zij de rechten respecteren en niet schenden, hetgeen ook is gedaan in de emailberichten van SportsMax en de brieven van SCCN.

5.10. Ook moet aan het verweer van Apintie, dat nergens een document is overgelegd waaruit de overdracht van de rechten van La Liga aan IMC blijkt, voorbij gegaan worden, nu deze overdracht uit de door SCCN overgelegde documenten en de genoemde website voldoende blijkt en Apintie geen enkel document heeft overgelegd welke een weerlegging inhoudt van hetgeen in de mails, de overeenkomst en de press-release staat en op de website staat vermeld. Het verweer van Apintie is daardoor niet voldoende om de aannemelijkheid van de feiten zoals door SCCN gesteld, te weerleggen.

5.11. De kantonrechter is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat de grondslag van het gevorderde aannemelijk is geworden, namelijk dat Apintie onrechtmatig handelt jegens SCCN door de wedstrijden of programmas uit te zenden en zal het gevorderde toewijzen en Apintie, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6.De beslissing
6.1 Verbiedt Apintie om de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks, hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden;

6.2 Verbiedt Apintie de samenvattingen of highligts van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraing of achteraf uit te zenden;

6.3 Verbiedt Apintie programma’s van de sportkanalen SportsMax en SportsMax2 met betrekking tot het La Liga seizoen 2016/2017 of van enige andere omroeporganisatie, waartoe alleen SCCN is gerechtigd, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden;

6.4 Veroordeelt Apintie om, indien zij nalaat of weigert de verboden genoemd onder 6.1, 6.2 en 6.3 van dit vonnis na te leven, aan SCCN een dwangsom te betalen van SRD.50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) per keer, het maximum van SRD.5.000.000,= (vijfmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor elke keer dat zij ondanks het verbod toch een wedstrijd of een programma bedoeld in de verboden uitzendt;

6.5 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.6 Veroordeelt Apintie in de kosten van dit geding aan de zijde van SCCN gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.303,= (driehonderd en drie Surinaamse dollar).

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 21 november 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-29

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-0464
31 oktober 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[EISER SUB A]
wonend aan [adres 1] te [woonplaats],
[EISER SUB B],
wonend aan [adres 2] te [woonplaats],
[EISER SUB C],
wonend aan de [adres 3] te [woonplaats],
[EISER SUB D],
wonend aan [adres 4] te [woonplaats],
[EISER SUB E],
wonend aan [adres 5] te [woonplaats],
[EISER SUB F],
wonend aan [adres 5] te [woonplaats],
[EISER SUB G],
wonend aan [adres 6] te [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

A. [GEDAAGDE SUB A],
wonend aan [adres 7] te [woonplaats],
B. DE STAAT SURINAME m.n. de DISTRICTSCOMMISSARISSEN VAN PARAMARIBO ZUID-WEST EN PARAMARIBO NOORD-OOST,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. Ch. Algoe, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. H. Matawlie, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 januari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 1 maart 2018;
  • de conclusies van antwoord met een productie zijdens gedaagde sub A;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusies van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast.

2.1 Op 29 augustus 2014 verkreeg gedaagde sub A het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 1,1345 ha gelegen in het district Paramaribo aan de [weg] bekend als [nummer] door overschrijving in de openbare registers van een afschrift van een akte van openbare verkoop op 26 augustus 2014.

2.2 De Districtscommissaris van het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West heeft op 12 december 2017 vergunning verleend aan [naam], voor het houden van een openbare vermakelijkheid “TONEELSTUK” op zondag 17 december 2017 van 18.00 uur tot 24.00 uur aan [adres 8] in het [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • gedaagde sub A gelast onmiddellijk te stoppen met het veroorzaken van geluidhinder en de geluidhinder gestopt te houden jegens eisers;
  • gedaagde sub B gelast de aan gedaagde sub A verleende vergunning onmiddellijk in te trekken en niet opnieuw te verlenen;
  • gedaagden veroordeelt om dit vonnis te gehengen en gedogen op straffe van een dwangsom ad SRD 200.000, – per keer of dag dat gedaagden in strijd handelen met het in deze te wijzen vonnis
  • gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 Eisers hebben – kort gezegd – aan hun vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde sub A door het exploiteren of door het geven van gelegenheid tot het exploiteren van diverse activiteiten op [het perceel] zodanige geluidhinder veroorzaakt dat hij eisers materiële en immateriële schade toebrengt. Gedaagde sub A handelt niet in het algemeen belang en trekt zich het belang van eisers niet aan. Ook heeft gedaagde sub A geen vergunning van gedaagde sub B verkregen om geluidhinder te veroorzaken. Gedaagde sub B heeft het hoor beginsel geschonden door eisers niet te horen alvorens tot het verlenen van de vergunning over te gaan. Gedaagden handelen onrechtmatig jegens eisers en schenden hun eigendoms- en burenrecht.

3.3 Gedaagden voeren verweer, waarop hierna, voor zover van belang wordt teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eisers zullen in het kort geding worden ontvangen.

De vordering tegen gedaagde sub A

4.2 Gedaagde sub A stelt dat inderdaad activiteiten op [het perceel] worden ontplooid, maar niet door hem. Daarbij voert hij het verweer dat op zijn naam geen vergunningen zijn verleend voor het houden van activiteiten als door eisers gesteld. Voorts stelt gedaagde sub A dat hij zich als persoon niet bemoeit met activiteiten die ontplooid worden op [het perceel], maar dat de organisator die de locatie huurt zelf een eigen vergunning aanvraagt bij het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West. Hiervoor onder 2.2 is een dergelijke vergunning – die tussen partijen niet weersproken is – als door gedaagde sub A bedoeld, aangehaald.

4.3 Eisers stellen met overlegging van producties 12, 13, 14 en 15 dat de activiteiten hebben plaatsgevonden in de maanden maart, april, mei, juli en augustus 2018. Nu gedaagde sub A bedoelde producties niet heeft weersproken, staat tussen partijen vast dat in voornoemde maanden op de verschillende data openbare vermakelijkheden zijn gehouden. Voorts hebben eisers getekende verklaringen van twaalf personen, wonend aan de [weg] of [straat] in het proces gebracht met onder meer als inhoud:

“Verklaart hierbij geluidshinder en last te ondervinden van de muziek, afgeschoten vuurwerk, personen en instrumenten, voortgebracht tijdens aktiviteiten op het terrein van de heer [gedaagde sub A], gelegen aan [adres 8] in het [distrikt]. De geluidshinder vindt in de regel plaats in de vooravond en nacht vooral des woensdag en weekends.”

De twaalf verklaringen heeft gedaagde sub A onweersproken gelaten, wat leidt tot de aannemelijkheid dat bedoelde bewoners van de [weg] en [straat] geluidhinder hebben ervaren als gevolg van de openbare vermakelijkheden die georganiseerd zijn op [het perceel].

4.4 Eisers stellen voorts dat gedaagde sub A als zakelijk gerechtigde, grondhuurder, van [het perceel] verantwoordelijk en aansprakelijk is voor elke activiteit die daarop wordt ondernomen, ook voor de geluidhinder veroorzakende activiteiten die hij zonder vergunning organiseert.

4.5 Uit artikel 2 jo artikel 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid vloeit voort dat een zakelijke titel op een stuk domeingrond onder uit de wet voortvloeiende beperkingen en aan nader bij of krachtens decreet vast te stellen voorwaarden kan worden verkregen. Daarbij is de verkrijger van domeingrond in grondhuur verplicht de grond te benutten in overeenstemming met het doel waarvoor zij is uitgegeven. Verandering van bestemming, zonder voorafgaande toestemming van de Staat, is niet toegestaan. Aan gedaagde sub A is het recht van grondhuur verleend met het doel de tuinbouw uit te oefenen. Gedaagde sub A heeft daarbij het vrije genot van het stuk domeingrond, evenwel, ex artikel 14 van het Decreet Uitgifte Domeingrond onder gehouden is om deze grond overeenkomstig de door de Staat daaraan bij de vestiging gegeven bestemming en bepalingen te benutten. Daarin past niet het door gedaagde sub A gestelde dat hij de locatie verhuurt aan organisatoren van evenementen. Dat de organisator van een evenement zelf een vergunning aanvraagt, maakt zulks niet anders. Immers, gedaagde sub A heeft niet weersproken dat zulks met zijn instemming plaatsvindt, integendeel, gedaagde sub A stelt dat sprake is van verhuur aan de organisatoren. Voorts overweegt de kantonrechter dat bij voornoemde wet in artikel 19 lid 2 is bepaald dat zonder uitdrukkelijke toestemming vanwege de Staat het recht van grondhuur niet kan worden bestemd voor andere doeleinden dan waarvoor deze werd afgestaan. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde sub A met toestemming van de Minister in plaats van voor de tuinbouw het recht van grondhuur mag aanwenden voor verhuur aan organisatoren of voor het doen organiseren van openbare vermakelijkheden. Het belang van voornoemde wetsbepalingen blijkt onder meer uit artikel 29 onder d van het Decreet Uitgifte Domeingrond waarin is geregeld dat het recht van grondhuur geheel of gedeeltelijk verloren gaat door vervallenverklaring wegens het niet nakomen van verplichtingen. Verder uitgewerkt staat deze bepaling in artikel 32 lid 1 van voornoemde wet: De grondhuurder kan door de Minister met betrekking tot de grond in zijn geheel of tot een bepaald gedeelte daarvan van zijn recht vervallen worden verklaard indien hij de bepalingen en voorwaarden, van algemene of van bijzondere aard, aan het recht of de uitoefening daarvan verbonden, naar het oordeel van de Minister niet of niet naar behoren naleeft. Op grond van de hier aangehaalde wettelijke bepalingen voor houders van het zakelijk recht van grondhuur op domeingrond snijdt het verweer van gedaagde sub A dan ook geen hout.

De vordering tegen gedaagde sub B

4.6 Gedaagde sub B is het met eisers eens dat voor bepaling van schadelijk of hinderlijk geluid de norm is 70 t/m 80 decibel hinderlijk en boven 80 decibel schadelijk (productie 17), zoals door de Arbeidsinspectie gehanteerd. Hoewel gedaagde sub B stelt dat in Suriname geen geluidlimieten zijn gesteld, heeft het orgaan van gedaagde sub B (het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West) vergunning (hiervoor onder 2.2) verleend onder voorwaarde dat: “de geluidproductie niet boven 110 decibel mag zijn.” |
Dat het vergunning verlenend orgaan daarbij rekening heeft gehouden met de afstanden tussen [het perceel] en de omliggende woningen blijkt niet uit de overgelegde vergunning. Onbegrijpelijk is dat de Districtscommissaris als orgaan van gedaagde sub B een norm tot 110 decibel toestaat. De kantonrechter volgt gedaagde sub B dan ook niet wanneer hij stelt dat eisers niet door metingen hebben aangetoond dat de norm van 60 decibel is overschreden, daarbij geheel eraan voorbijgaand dat het Districtscommissariaat Paramaribo, Bestuursressort Zuid-West vergunning heeft verleend voor een overschrijding tot 110 decibel.

4.7 De hiervoor omschreven gang van zaken staat in schril contrast met taak van gedaagde sub B om de gezondheidskundige richtlijnen gericht op bescherming van de gezondheid tegen negatieve effecten van omgevingslawaai na te leven. Eisers hebben gesteld dat zij als gevolg van de herhaalde en overmatige geluidoverlast onvoldoende slapen, dat met name schoolgaande kinderen en studenten hieronder lijden en senior burgers getraumatiseerd zijn geraakt. Uit het verweer van gedaagde sub B komt naar voren dat hij er kennelijk geen acht op slaat dat de staat Suriname als lidstaat van de World Health Organization (WHO) en Pan American Health Organization (PAHO) gehouden is aan richtlijnen van deze organisaties, zoals terecht gemotiveerd aangehaald door eisers. Hieraan voegt de kantonrechter in dit licht nog toe dat de WHO haar gezondheidskundige richtlijnen heeft herzien naar aanleiding van haar onderzoek naar de relatie tussen de blootstelling aan omgevingsgeluid en effecten als hinder, effecten op de slaap, en/of de kans op het krijgen van hypertensie en coronaire hartziekten zoals een hartinfarct, en cognitieve effecten bij kinderen. Ook is de relatie met andere (vaak nieuwe) gezondheidseffecten onderzocht, zoals de kans op het krijgen van een beroerte, of de mogelijke effecten van omgevingsgeluid op het metabole systeem (bijvoorbeeld de kans op het krijgen van diabetes en obesitas), zie “Gezondheidskundige richtlijnen voor omgevingsgeluid/ Environmental Noise Guidelines for the European Region”, oktober 2018.

4.8 Op grond van voorgaande hebben eisers een spoedeisend belang bij een voorziening in kort geding. De kantonrechter ziet aanleiding het gevorderde als hierna volgt toe te wijzen. Aan een bespreking van overige standpunten van partijen wordt niet toegekomen, nu zulks niet tot een andere uitkomst zal leiden.

4.9 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Gelast gedaagde sub A met onmiddellijke ingang te stoppen met en gestopt te houden het veroorzaken of het doen veroorzaken van geluidhinder door het exploiteren van diverse activiteiten of het geven van gelegenheid, middelen en inlichtingen aan derden tot het exploiteren van diverse activiteiten op [het perceel] aan de [weg], waarbij muziek, zowel live door individuele personen en/of muziekgroepen als anderszins ten gehore wordt gebracht, zoals in het verzoekschrift, bepaaldelijk sub 3, 3.1 en 4 omschreven jegens eisers.

5.2 Verbiedt gedaagde sub B vergunningen te verlenen die geluidhinder veroorzaken zoals in het verzoekschrift, bepaaldelijk bij sub 3, 3.1 en 4 omschreven, op [het perceel] aan [weg].

5.3 Veroordeelt gedaagden sub A en B ieder afzonderlijk tot het betalen van een dwangsom ad SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse Dollar) voor iedere keer of dag dat zij in strijd handelen met de beslissingen onder 5.1 en 5.2. tot een maximum van SRD. 1.000.000., – (een miljoen Surinaamse Dollar).

5.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagden sub A en B in de kosten van het geding aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 480, – (vierhonderdtachtig Surinaamse Dollar).

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 31 oktober 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 14-2351
02 maart 2019

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie, hierna aangeduid met “[eiser]”,
gemachtigde: mr. C. Baal, advocaat, voorheen mr. D. A. Kromowetjono, advocaat (overleden),

tegen

STICHTING NATUURVOEDING, handelend onder de naam Michi,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, hierna aangeduid met “Michi”,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat.

1.Het verloop van het geding in conventie en in reconventie

1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 27 mei 2014 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie met één bijlage;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;
  • de mondelinge rolbeschikking d.d. 09 januari 2018 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de op 08 februari 2018 gehouden comparitie van partijen;
  • de door Michi op 15 februari 2018 ingediende productie: “Toedracht van diefstal en medeplichtigheid aan diefstal en tevens verduistering van product, door respectievelijk de heren [naam ] en [eiser], op dinsdag 24 september 2013, bij het bedrijf MICHI, Michilaan 5”;
  • de conclusie na gehouden comparitie van partijen en uitlating productie d.d. 13 juni 2018 zijdens [eiser], met één productie;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen d.d. 13 juni 2018 zijdens Michi, met één productie;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 07 januari 2019 zijdens [eiser];
  • de conclusie tot uitlating overgelegde productie’s d.d. 07 januari 2019 zijdens Michi.

1.2.De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1. In mei 2010 treedt [eiser] bij schriftelijke overeenkomst voor bepaalde tijd – 3 maanden – in dienst van Michi in de functie van bijrijder-chauffeur-medewerker, voor het brutoloon ad SRD 1.107,50 op basis van een zesdaagse werkweek.

2.2.De overeenkomst tussen partijen wordt na expiratie van de bepaalde tijd, regulier voortgezet, steeds voor de duur van drie maanden.

2.3.Met ingang van 02 september 2013 wordt (weer) een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten voor de duur van drie maanden.

2.4. Michi c.q. de directeur van Michi, verstrekt een lening aan [eiser] voor de aankoop van een voertuig, een Toyota van het merk Opa. Partijen komen overeen dat maandelijks inhoudingen zullen worden gepleegd op het loon van [eiser].

2.5.Op 25 september 2013 wordt [eiser] vanwege dringende reden op staande voet ontslagen door Michi.

2.6.De Ontslagcommissie tekent op 08 oktober 2013 bezwaar aan tegen het door Michi verleende ontslag wegens dringende redenen.

2.7.[eiser] meldt zich bij Michi aan voor het verrichten van de bedongen arbeid. Michi stelt [eiser] niet in de gelegenheid aan te vangen met zijn werkzaamheden.

2.8. Michi wordt opgeroepen door de Dienst Arbeidsinspectie teneinde terzake gehoord te worden. Op 17 oktober 2013 deelt de direkteur van Michi telefonisch aan de functionaris bij wie de zaak in behandeling is mede, dat geen gehoor zal worden gegeven aan de oproep, aangezien Michi zich niet kan verenigen met het bezwaar dat door de Ontslagcommissie is aangetekend tegen het ontslag van [eiser].

3. De vordering, de grondslag en het verweer

in conventie
3.1.[eiser] vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. hem toestemming te verlenen kosteloos te mogen procederen;
b. Michi te gelasten tot doorbetaling van het achterstallige loon welke voorlopig begroot is op SRD 8.860,– tot dat de dienstbetrekking rechtsgeldig is beëindigd;
c. Michi te veroordelen tot het betalen van de verhoging wegens te late uitbetaling van het loon welke voorlopig is vastgesteld op SRD 23,46;
d. uitbetaling aan hem van het loon over de maand september 2013, zijnde SRD 1.107,50;
e. het onder b,c, en d gevorderde te vermeerderen met de wettelijke rente van 6% per jaar gerekend vanaf de indiening tot aan die der algehele voldoening;
f. Michi te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.[eiser] stelt dat het aan hem verleende ontslag zeer onterecht is en ernstige financiële consequenties voor hem heeft aangezien hij thans niet meer verzekerd is van een maandelijks inkomen. [eiser] betoogt dat Michi niet beschikt over een ontslagvergunning zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, met het gevolg dat de dienstbetrekking tussen partijen niet rechtsgeldig is beëindigd en dus nog in tact is. [eiser] stelt op grond van de wet en het recht belang te hebben om de onderhavige vordering tegen Michi in te stellen.

3.3. Michi voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie
3.4. Michi vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de arbeidsovereenkomst tussen partijen als ontbonden te verklaren, althans te ontbinden;
  2. [eiser] te veroordelen tot betaling van de schadeloosstelling ad SRD 13.291,87, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar gerekend vanaf de indiening tot aan die der algehele voldoening;
  3. [eiser] te veroordelen tot afgifte van het voertuig van het merk Toyota model Opa, met het [nummer 1] en het [nummer 2], binnen één etmaal na vonniswijzing en wel in de staat zoals hij het voertuig van Michi heeft ontvangen, op verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,– per dag of iedere keer dat [eiser] nalatig blijft te voldoen aan hetgeen waartoe hij hiervoren is veroordeeld.

3.5. Michi stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is beëindigd op 01 december 2013, daar de looptijd van het arbeidscontract vanaf die datum is verlopen. Michi is voorts van oordeel dat de directeur c.q. Michi een Toyota merk Opa in bruikleen aan [eiser] heeft afgestaan en dat, nu er geen vertrouwensrelatie meer tussen partijen bestaat, [eiser] gehouden is om het voertuig aan de directeur c.q. Michi af te staan, hetgeen [eiser] weigert te doen. Michi stelt voorts dat door de handelingen van [eiser], zij schade lijdt die conform artikel 1615o en artikel 1615r van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW), gevorderd wordt in de vorm van een wettelijke schadeloosstelling. De dienstbetrekking is door [eiser] 2¼ maand eerder beëindigd, weshalve de schade van Michi gelijk is aan het loon over die periode, zijnde 2¼ x SRD 1.107,50 = SRD 2.491,87. Michi is van oordeel dat de schadevergoeding voorts behelst de bij artikel 1613p lid 7 BW vastgestelde bestanddelen te weten het gebruik van het vervoermiddel. Michi betoogt dat het vervoermiddel dat aan [eiser] in bruikleen is afgestaan, een waarde heeft van SRD 10.800,–. De schade die Michi derhalve lijdt bedraagt in totaal derhalve SRD 13.291,87. Michi stelt dat zij door de handelingen van [eiser] als werkgever, de mogelijkheid heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vorderen.

3.6.[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

In conventie
4.1.[eiser] heeft het vereiste certificaat van onvermogen [nummer 3] d.d. 5-11-2013, hetwelk afkomstig is van de daartoe bevoegde instantie, overgelegd. Derhalve zal hem worden vergund om kosteloos te procederen.

4.2. Michi is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd (3 maanden) die met [eiser] op 02 september 2013 is aangegaan van rechtswege is beëindigd op 1 december 2013, daar de looptijd per die datum zou zijn verlopen. Op 25 september 2013 wordt [eiser] wegens dringende reden op staande voet ontslagen en wordt geen ontslagvergunning aangevraagd en wordt ook geen melding van de beëindiging van de dienstbetrekking gedaan aan de terzake bevoegde autoriteiten. De kantonrechter maakt op dat Michi blijkbaar de mening is toegedaan dat [eiser] zich (nog) in zijn proeftijd bevindt, en dat elk der partijen gerechtigd is de dienstbetrekking onmiddellijk te doen eindigen. De kantonrechter begrijpt dat Michi gebruik makend hiervan, de dienstbetrekking met [eiser] heeft beëindigd.De kantonrechter zal allereerst de arbeidsrelatie tussen partijen aan een nadere beschouwing onderwerpen.

4.3.[eiser] is in mei 2010 in dienst getreden van Michi middels een schriftelijke overeenkomst voor een bepaalde tijd (3 maanden). De arbeidsovereenkomst wordt regulier verlengd steeds voor een periode van 3 maanden. Een eenvoudige calculatie wijst uit dat op 02 september 2013 Michi de 14e arbeidsovereenkomst met [eiser] moet zijn aangegaan. Het is de kantonrechter niet gebleken dat de functie c.q. de werkzaamheden van [eiser] gedurende de arbeidsrelatie tussen partijen, op dusdanige wijze zijn gewijzigd dat sprake zou kunnen zijn van de bekleding van een nieuwe functie.Door voormelde handelwijze van Michi, nl. het aanbieden van kortlopende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd en die jaren achtereen te verlengen, zonder dat een arbeidsovereenkomst voor een onbepaalde tijd (een vaste dienstbetrekking) wordt aangegaan, worden de belangen van [eiser], naar het oordeel van de kantonrechter, op ernstige wijze geweld aangedaan. De kantonrechter ontkomt niet aan de indruk dat een werkgever die zich van degelijke ‘draaideurconstructies’ – bij de voordeur eruit en bij de achterdeur erin – bedient aldus handelt om te ontkomen aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de arbeidswetgeving, met name de dwingendrechtelijke wetsbepalingen ter bescherming van de werknemer tegen onder andere ontslag.Mede met het oog op de internationale ontwikkelingen terzake de rechten van werknemers moeten dergelijke ‘draaideurconstructies’ niet in het belang worden geacht van werknemers en kan deze praktijk in alle redelijkheid en billijkheid, niet wordt gesanctioneerd.

4.4. Gelet op de feiten en omstandigheden in het onderhavige geding, met name het gegeven dat Michi als werkgever 14 kortlopende arbeidsovereenkomsten met [eiser] is aangegaan, komt het de kantonrechter niet redelijk en billijk voor dat Michi ten detrimente van [eiser], hierdoor de mogelijkheid wordt geboden om de dwingendrechtelijke ontslagbepalingen in de arbeidswetgeving te ontlopen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aan [eiser] de bescherming dient te worden toegekend alszou hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan met Michi.

Dientengevolge is de kantonrechter van oordeel dat alle terzake geldende bepalingen voor arbeidsovereenkomsten aangegaan voor onbepaalde tijd, zoals opgenomen in de Surinaamse arbeidswetgeving, toepasselijk zijn op de arbeidsrelatie tussen Michi en [eiser]. Deze bepalingen dienden dan ook door Michi in acht te worden genomen.De kantonrechter tekent aan dat de wetgever bij Wet van 25 oktober 2018 (S.B. 2018, no. 93) in het kader van de bescherming van de rechten van werknemers, aan de hierboven gekenschetste praktijk van ‘draaideurconstructies’ een einde wenste te brengen door de afkondiging van de Wet Omzetting arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd.

4.5. De kantonrechter is van oordeel dat Michi gehouden was een ontslagvergunning aan te vragen bij de daartoe bevoegde autoriteiten c.q. bij het op staande voet ontslaan van [eiser] vanwege dringende reden, dit ontslag te melden aan de bevoegde autoriteit van het ministerie van Arbeid. Nu Michi zulks heeft nagelaten, moet geconcludeerd worden dat de dienstbetrekking van [eiser] niet overeenkomstig de wet is beëindigd en derhalve nog intact is.

4.6. Zowel de werkgever als de werknemer zijn gehouden zich te conformeren aan de bepalingen in de arbeidswetgeving. In casu heeft Michi haar werknemer [eiser] wegens dringende reden ontslagen. De Ontslagcommissie heeft, nadat [eiser] zich tot het ministerie van Arbeid heeft gewend, bezwaar aangetekend tegen voormeld ontslag wegens dringende reden. Indien Michi niet eens is met het bezwaar dat is aangetekend en de dienstbetrekking toch wenst te beëindigen, dient zij de in de wet aangegeven procedure te volgen teneinde haar doel te bewerkstelligen. De kantonrechter maakt op dat Michi dit niet heeft gedaan.

4.7. De kantonrechter stelt vast dat [eiser], daags nadat door de Ontslagcommissie bezwaar is aangetekend tegen het aan hem verleende ontslag, zich bij Michi heeft aangemeld voor het verrichten van de bedongen arbeid. Michi stelde als voorwaarde dat [eiser] het voertuig Toyota van het merk merk Opa, dat [eiser] in bruikleen van Michi zou hebben ontvangen, eerst moest inleveren alvorens zijn werkzaamheden te kunnen aanvangen. De kantonrechter maakt uit het proces-verbaal van de op 08 februari 2018 gehouden comparitie van partijen op dat Michi c.q. de directeur van Michi een lening heeft verstrekt aan [eiser] voor het aanschaffen van voormeld voertuig. De directeur van Michi verklaart: “….Ik heb voor eiser een voertuig van het merk Toyota, model Opa gekocht, en heb hem hiervoor SRD 10.800,– geleend,…….”. De aflossing van deze lening vond plaats middels inhoudingen op het loon van [eiser]. De directeur van Michi verklaart voorts: “…Na de laatste aflossing had [eiser] een saldo van SRD 2.458,30…”.[eiser] bezat krachtens deze leningsovereenkomst de plicht tot het maandelijks aflossen van de lening. Uit de tussen partijen gemaakte afspraken kan niet worden opgemaakt dat partijen de betaling van enige rente zijn overeengekomen. De bedoeling van partijen is naar het oordeel van de kantonrechter wel duidelijk. Middels een lening verstrekt door Michi c.q. de directeur van Michi, is het voertuig gekocht en geleverd aan [eiser]. De leensom diende [eiser] middels inhoudingen op zijn salaris af te lossen. Aangenomen moet worden dat [eiser] de eigenaar is van dit roerend goed, nu het bij roerende goederen bezit als volkomen titel geldt. Michi heeft geen documenten overgelegd waarin kan worden opgemaakt dat een ander dan [eiser], die zich als bezitter legitimeert, het eigendomsrecht van het voertuig bezit. De registratie van het voertuig in de registers van het Kops Politie Suriname ten name van deze of gene, is geen bewijs van het eigendomsrecht terzake bedoeld roerend goed.

4.8.Het bevreemdt de kantonrechter dan ook dat Michi meent te moeten stellen dat er sprake is van een leen – of gebruiksovereenkomst terzake het voertuig en dat dit voertuig eerst bij haar moet worden ingeleverd alvorens [eiser] zijn werkzaamheden kan aanvangen. Michi heeft niet aangetoond dat zij de eigenaar is van het voertuig en evenmin dat zij een overeenkomst tot leen – en of gebruik is aangegaan met [eiser] terzake het voertuig in kwestie. Michi heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet het recht om eerst afgifte van bedoeld voertuig te eisen voordat [eiser] zijn werkzaamheden kan aanvangen. Het bevreemdt de kantonrechter voorts ook dat Michi van oordeel is dat [eiser] gehouden is tot betaling van rente over het ter leen verstrekte bedrag, aangezien geen documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt terzake een rentevergoeding. [eiser] ontkent uitdrukkelijk dat partijen afspraken hebben gemaakt terzake enige vergoeding van rente over het aan hem ter leen verstrekte bedrag. De opmerking van de directeur van Michi dat het gebruikelijk is dat hij in dit soort situaties wel rente in rekening brengt, is door de kantonrechter voor kennisgeving aangehoord en zal worden gepasseerd. Michi als gerenommeerde onderneming dient in dit soort zaken een professionelere aanpak van zaken te hanteren.De kantonrechter concludeert uit het voorgaande dat Michi, [eiser], met de niet op de wet c.q. het recht gebaseerde eis tot afgifte van het voertuig, heeft weerhouden de bedongen arbeid te verrichten. Michi stelt dat [eiser] het kennelijk niet eens was met de voorwaarde om het voertuig af te staan alvorens hij met zijn werkzaamheden kon aanvangen en dat [eiser] wellicht daarom niet meer aan het werk is verschenen. Michi stelt dat zij uit het voorgaande de conclusie mocht trekken dat [eiser] niet meer voornemens was de dienstbetrekking te herstellen. Een onterecht getrokken conclusie die volledig voor rekening van Michi komt. Als werkgever diende Michi conform de arbeidswetgeving te handelen indien een werknemer zich niet aanmeldt voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

4.9. Michi stelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen inmiddels op 1 december 2013 van rechtswege is beëindigd en dat zij niet gehouden is tot het doen van betalingen aan [eiser], omdat [eiser] geen grond heeft om loon en verhoging wegens te late uitbetaling te vorderen. Michi stelt dat zij primair geen loon aan [eiser] verschuldigd is vanwege de verwijtbare gedragingen van [eiser] en het feit dat de niet uitbetaling van loon niet aan Michi als werkgever is toe te schrijven. De tegenstrijdigheid van de door Michi gepresenteerde argumenten terzijde, concludeert de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is beëindigd en dat het Michi is die een niet op de wet gestoelde voorwaarde heeft gesteld aan [eiser] alvorens hij zijn werkzaamheden mocht aanvangen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter evident dat het Michi is die [eiser] ervan heeft weerhouden de bedongen arbeid te verrichten. Op grond van al hetgeen hierboven is overwogen concludeert de kantonrechter dat de vordering van [eiser], zoals hierna beslist, zal worden toegewezen.

4.10. De kantonrechter constateert dat [eiser] betaling van achterstallig loon vordert tot dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd. De kantonrechter heeft echter niet kunnen opmaken dat [eiser] ook na 27 mei 2014 uitdrukkelijk zijn diensten tot het verrichten van de bedongen arbeid heeft aangeboden aan Michi. Althans is zulks niet gesteld en is zulks de kantonrechter ook niet gebleken. De kantonrechter zal Michi in goede justitie gelasten tot doorbetaling van het loon aan [eiser] tot 01 augustus 2014.De kantonrechter gaat ervan uit dat de bereidheid van [eiser] om de bedongen arbeid te verrichten, nog gedurende twee maanden na indiening van het verzoekschrift heeft bestaan.

4.11. Michi zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

4.12.Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

In reconventie
4.13. Onder referte aan het in conventie overwogene terzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, concludeert de kantonrechter dat, door het bezwaar dat door de Ontslagcommissie is aangetekend op het ontslag wegens dringende reden, de arbeidsrelatie tussen partijen nimmer is beëindigd.

4.14. Michi vordert de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden te verklaren, althans te ontbinden. De kantonrechter kan geen declaratoir geven alszou de arbeidsovereenkomst tussen partijen zijn ontbonden aangezien deze, zoals hierboven is aangegeven, geldend is.De kantonrechter is van oordeel dat Michi geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan de kantonrechter tot het oordeel zou moeten komen dat er (gewichtige) redenen aanwezig zijn om de arbeidsrelatie tussen partijen, nadat de Ontslagcommissie bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag wegens dringende reden, toch te ontbinden. De kantonrechter constateert evenwel dat [eiser] na 27 mei 2014 niet heeft aangegeven bereid te zijn de bedongen arbeid te verrichten; althans is zulks niet gesteld en is zulks de kantonrechter ook niet gebleken. De kantonrechter maakt hieruit op dat [eiser] niet langer bereid is de bedongen arbeid voor Michi te verrichten. De kantonrechter gaat er, zoals hierboven in conventie is overwogen, vanuit dat de bereidheid van [eiser] om de bedongen arbeid te verrichten, nog gedurende twee maanden na indiening van het verzoekschrift heeft bestaan. De kantonrechter zal in goede justitie bepaald, de arbeidsovereenkomst tussen partijen, per 01 augustus 2014 ontbinden.

4.15.Michi vordert een schadeloosstelling ad SRD 13.291,87 op gronden die de kantonrechter in het geheel niet duidelijk zijn. Het verwijzen naar artikel 1615o lid 2 BW als grondslag voor het instellen van deze schadevorderingsactie tegen [eiser], komt de kantonrechter niet juist voor. Bedoeld artikel zou mogelijk aan [eiser] enige soelaas kunnen bieden, aangezien het Michi is die [eiser] wegens dringende reden heeft ontslagen en bedoeld ontslag door de Ontslagcommissie als zijnde op onjuiste gronden verleend, bezwaarlijk is geacht. Echter kan naar het oordeel van de kantonrechter ook geen gebruik worden gemaakt van dit artikel, omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen NIET door de kantonrechter is ontbonden; de arbeidsrelatie tussen partijen stond alsdan recht overeind. De onduidelijkheid van de stellingen van Michi blijkt onder meer eveneens uit het volgende. Het is Michi die stelt dat [eiser] vroegtijdig (2¼ maand) de dienstbetrekking zou hebben beëindigd en dat [eiser] daardoor schadeplichtig is ex artikel 1615r BW en wel overeenkomstig een bedrag gelijk aan 2¼ maand loon. Echter is het Michi die [eiser] wegens dringende reden op staande voet heeft ontslagen en heeft weerhouden de bedongen arbeid te verrichten.

4.16.De kantonrechter maakt op dat in de door Michi gevorderde schadevergoeding gelden zijn verdisconteerd die betrekking hebben op de leensom alsook vermeende loon in natura die aan [eiser] zou zijn toegevallen. De kantonrechter heeft bij de beoordeling in conventie reeds aangegeven dat Michi ten onrechte de mening is toegedaan dat het litigieus voertuig in bruikleen zou zijn afgestaan aan [eiser].

Indien Michi van oordeel is dat [eiser] zijn verplichtingen voortvloeiende uit de leningsovereenkomst niet nakomt, dan dient Michi de juiste procedure in te zetten teneinde [eiser] tot nakoming van zijn aflossingsverplichting te dwingen. Het fabriceren van een leen c.q. gebruiksovereenkomst is niet de juridisch juiste procedure en heeft eerder weg van een bestraffing van [eiser] door Michi, hetgeen door de kantonrechter wordt afgekeurd. Het aldus door Michi gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking.

4.17. Michi zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld zoals bepaald in de beslissing.

5.De beslissing

In conventie
De kantonrechter:

5.1.Staat [eiser] toe kosteloos te procederen.

5.2.Gelast Michi tot doorbetaling van het loon ad SRD 1.107,46 (éénduizend éénhonderd en zeven vijftig/honderd Surinaamse dollar) per maand vanaf oktober 2013 tot 01 augustus 2014, zijnde het bedrag ad SRD 11.074,46 (elfduizend vierenzeventig zesenveertig/honderd Surinaamse dollar).

5.3.Veroordeelt Michi tot het betalen van de verhoging wegens te late uitbetaling van het loon; vastgesteld op SRD 23,46 (drieëntwintig zesenveertig/honderd Surinaamse dollar).

5.4. Veroordeelt Michi tot betaling van het loon over de maand september 2013 zijnde SRD 1.107,50 (éénduizend éénhonderd en zeven vijftig/honderd Surinaamse dollar).

5.5.Bepaalt dat de onder 5.2., 5.3. en 5.4. genoemde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar gerekend vanaf 27 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.6.Verklaart hetgeen is beslist onder 5.2. tot en met 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

In reconventie
5.8.Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingaande 01 augustus 2014.

5.9.Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en in reconventie
5.10.Veroordeelt Michi in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op SRD 193,– (éénhonderd drie en negentig Surinaamse dollar). Aangezien [eiser] is toegestaan kosteloos te procederen zullen deze kosten niet aan Michi in rekening worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 02 maart 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 12-4791
13 augustus 2019
DB

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district 1],
eiser,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- en BOSBEHEER,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, zetelende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

 

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 november 2012 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties;
  • de conclusie van repliek met een productie;
  • de conclusie van dupliek en uitlating productie;
  • de rolbeschikking d.d. 04 augustus 2015 gegeven, waarbij partijen zijn gelast om producties over te leggen;
  • de conclusies tot overlegging producties met producties zijdens partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Blijkens de beschikking van de toenmalige Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, d.d. 10 april 1991, [nummer 1], verkreeg [naam 1] (de vader van eiser) het recht van grondhuur op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 1].
2.2 Blijkens de beschikking van de toenmalige Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, d.d. 26 juni 2005, [nummer 2], verkreeg [naam 2] het recht van grondhuur op het perceelland, groot 2679,24 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 2].
2.3 Blijkens aanvraagstrookje d.d. 15 juli 2010, heeft eiser bij verzoekschrift van 29 juni 2010, bekend onder [nummer 3] een aanvraag bij gedaagde ingediend ter verkrijging van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw op een stuk perceelland gelegen in het [district 2].
2.4 Op voormelde aanvraag van eiser zijn door het Hoofd van de Dienst Grondinspectie bij schrijven van 28 januari 2011 en door de Districtscommissaris van het [district 2] bij schrijven van 15 november 2011 positieve adviezen uitgebracht.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Eiser vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. gedaagde te veroordelen om binnen een maand na het vonnis tot verlening van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw (tuinbouw) met betrekking tot de aanvraag van hem d.d. 15 juli 2010 en bekend onder [nummer 3], middels afgifte van de toewijzingsbeschikking op het perceelland vermoedelijk groot 2,0413 ha, gelegen aan [adres 2] in het [district 2], onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – per dag voor iedere dag dat gedaagde mocht weigeren aan voormelde veroordeling te voldoen;
  2. gedaagde te verbieden het door hem aangevraagde perceelland aan derden in grondhuur af te staan, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – per dag, voor iedere dag dat gedaagde mocht weigeren aan de veroordeling te voldoen;
  3. gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eiser legt, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag dat hij bij verzoekschrift van 29 juni 2010 het recht van grondhuur op het perceelland, vermoedelijk groot 2,0413 ha, gelegen aan [adres 2] in het [district 2] , heeft aangevraagd. Dit perceelland was bij beschikking [nummer 1], voorzien van [nummer 4]in grondhuur afgestaan aan wijlen zijn vader [naam 1], die het heeft bewerkt, omrasterd, ingepolderd en beplant. Hij heeft de werkzaamheden van zijn vader voortgezet, zodat hij ingevolge artikel 3 van het Decreet Beginselen Grondbeleid de meest gerede persoon is die het perceelland verkrijgt. Ondanks positieve adviezen over zijn aanvraag heeft gedaagde tot op heden geen beslissing genomen over zijn aanvraag. Ook niet, nadat hij bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 03 augustus 2012 gedaagde heeft verzocht om zijn aanvraag af te handelen. Hoewel hij aan alle wettelijke eisen voldoet, heeft gedaagde een deel van het door hem aangevraagde perceelland aan een derde en wel aan een zekere [naam 2] afgestaan. Hierdoor handelt gedaagde in strijd met artikel 6 lid 4 van het decreet uitgifte domeingrond en onrechtmatig jegens hem.

3.3 Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1 Eiser verzoekt bij conclusie van repliek akte wijziging c.q. aanvulling van het petitum waarbij hij zijn vordering wenst aan te vullen met een subsidiaire vordering. Nu die subsidiaire vordering betreft het doen vernietigen van een toewijzingsbeschikking verleend aan een derde die niet betrokken is in de onderhavige zaak en zich dus ook niet zal kunnen verweren, zal het verzoek van eiser tot aanvulling van zijn petitum worden verworpen.

4.2 De conclusie van gedaagde strekt tot het afwijzen van de vordering, in ieder geval de door eiser gevraagde voorzieningen te weigeren en hem te veroordelen in de kosten van het geding. Daartoe betoogt gedaagde dat uit het verzoekschrift van eiser d.d. 29 juni 2010 blijkt dat hij het recht van grondhuur heeft aangevraagd op het perceelland, vermoedelijk groot 0,4 ha, gelegen in het [district 2], deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2] en niet het perceelland welke hij in sustenu 1 van zijn inleidend verzoekschrift heeft omschreven. Het boven omschreven perceelland behoorde op het moment van de aanvraag van zowel de vader van eiser als eiser zelf, niet meer tot het vrije domein van hem. Bij beschikking d.d. 26 juni 2005 [nummer 2] is aan [naam 2] het recht van grondhuur verleend op het perceelland, groot 2679,24 m2, aangeduid met het nummer 33, gelegen ten zuiden van de [weg]in het [district 2] , deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2], thans bekend als [adres 2 variant]. Hetgeen eiser stelt dat aan zijn vader bij beschikking no. [nummer 1] voorzien van [nummer 4] het litigieus perceelland in grondhuur is afgestaan, is in strijd met de waarheid. Bij voormelde beschikking is het recht van grondhuur verleend aan de vader van eiser op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 1]. Uit het bovenstaande kan worden vastgesteld dat in tegenstelling tot hetgeen is opgenomen in het rapport van de Dienst Grondinspectie d.d. 28 januari 2011 en het rapport van de Districtscommissaris d.d. 15 november 2011, het litigieus perceelland niet meer behoorde tot het vrije domein van gedaagde ten tijde van de aanvraag van eiser. Uit onderzoek is gebleken dat er een verzoekschrift is waarop de datum 29 juni 2010 is aangegeven met een figuratieve kaart van 05 maart 2012 ten name van eiser. Gedaagde kan dit verzoek niet in behandeling nemen, omdat de aanvraag niet correspondeert met de figuratieve kaart, aldus gedaagde.

4.3 De kantonrechter constateert dat partijen in hun conclusie verwijzen naar producties die zij echter niet hebben overgelegd. Nadat partijen bij rolbeschikking daartoe zijn gelast, heeft eiser een afschrift van het vonnis d.d. 06 mei 2008 gewezen in de zaak bekend onder A.R. no. 02-0404 als productie overgelegd, waarop de kantonrechter als niet terzake doende niet verder zal ingaan. Gedaagde heeft afschriften van drie figuratieve kaarten en twee beschikkingen overgelegd, die zijn betoog ondersteunen.

4.4 Zo blijkt uit de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart, opgemaakt d.d. 06 juli 2010 dat eiser het recht van grondhuur van het perceelland, vermoedelijk groot 0,4 ha, gelegen in het [district 2], deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2], ten noorden van de [weg 2], aangeduid door de figuur met de letters ABCDEFG heeft aangevraagd. Daarnaast blijkt uit de door gedaagde overgelegde kaart d.d. 13 april 2005 over het perceelland, groot 2679,24 m2, aangeduid met de letters ABCDEFGHI en het nummer 33, gelegen ten zuiden van de [weg] in het [district 2], deel uitmakende van het perceel groot 11,3986 ha, bekend als [adres 2], dat die kaart door de landmeter ten verzoeke van [naam 2] is opgemeten en vervaardigd ter voldoening aan het bepaalde in punt II-I van de beschikking d.d. 15 oktober 2004, no, [nummer 5]. Eveneens blijkt uit de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart d.d. 22 februari 1991 dat aan de vader van eiser het recht van grondhuur was verleend op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen in het [district 2] aan [adres 1].

4.5 Eiser voert aan dat de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart en het verzoekschrift waarin een oppervlakte van 0,4 ha is aangegeven, is gemanipuleerd. Verder beticht eiser de door gedaagde overgelegde producties van valsheid. Allereerst overweegt de kantonrechter dat, anders dan eiser aanvoert, gedaagde geen verzoekschrift als productie heeft overgelegd. Voorts heeft eiser nagelaten aan te geven hoe en op welke wijze de door gedaagde overgelegde figuratieve kaart d.d. 06 juli 2010 (productie 1) is gemanipuleerd. Immers, het gaat in casu om een figuratieve kaart die niet door gedaagde, maar door een landmeter is opgemaakt. Derhalve wordt aan dit verweer van eiser voorbijgegaan.

4.6 De kantonrechter overweegt voorts dat na de gemotiveerde uiteenzetting bij antwoord van gedaagde het op de weg van eiser had gelegen daarop bij repliek nader in te gaan. Eiser zou ten minste het door hem bij gedaagde ingediend verzoekschrift d.d. 29 juni 2010 en de daarbij behorende (volgens eiser de niet gemanipuleerde) figuratieve kaart behorende bij zijn verzoek, in het geding kunnen hebben gebracht, waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. Nu eiser dat niet heeft gedaan, zijn de bij dupliek nader toegelichte stellingen van gedaagde als door eiser onvoldoende gemotiveerd weersproken, komen vast te staan. Zo is tussen partijen in rechte komen vast te staan dat:

  • eiser het recht van grondhuur heeft aangevraagd op het perceelland, groot 0,4 ha gelegen aan [adres 2];
  • aan de vader van eiser het recht van grondhuur was afgestaan op het perceelland, groot 2412 m2, gelegen aan [adres 1] ;
  • aan [naam 2] het recht van grondhuur is verleend op het perceelland, groot 2679,24 m2, gelegen ten zuiden van de Groenhart[weg], deel uitmakende van het perceelland bekend als [adres 2] , thans bekend als [adres 2 variant].

Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het in casu drie verschillende percelen, terwijl gesteld noch gebleken is dat eiser zijn verzoek binnen 18 maanden na het overlijden van zijn vader, heeft ingediend.

4.7 Op grond van het voren overwogene is de kantonrechter van oordeel dat het door eiser gestelde dat het recht van grondhuur op het door hem aangevraagd perceel, groot 2,0413 ha, aan zijn vader zou zijn verleend, niet is komen vast te staan. De grondslag van de vordering is hierdoor niet komen vast te staan.

Derhalve is de vordering als te zijn ongegrond en niet bewezen niet voor toewijzing vatbaar. De vordering zal dan ook worden afgewezen en zal eiser als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

4.8 Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat het door eiser gevorderde sowieso niet toewijsbaar is, omdat de kantonrechter gedaagde niet kan veroordelen om het recht van grondhuur op een stuk grond aan iemand af te staan. Hoogstens kan de kantonrechter gedaagde veroordelen om een beslissing te nemen ten aanzien van het door hem ingediend verzoek.

  1. De beslissing

De kantonrechter
5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 13 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2017-37

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wondende in het [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R. no. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis uit:

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 19 juli 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met productie, overgelegd op 20 maart 2015;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 03 juli 2015;
  • de repliekpleitnota, overgelegd op 02 oktober 2015;
  • de dupliekpleitnota met productie, overgelegd op 04 december 2015
  • de conclusie tot uitlating productie, overgelegd op 15 januari 2016.

1.1 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 08 mei 1982 te Paramaribo in het ressort Par/BH in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.
2.3 Bij vonnis van 28 mei 2012 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton de vordering tot echtscheiding en scheiding en deling zijdens de man, afgewezen.
2.4 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 28 mei 2012, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan gemachtigden van partijen verstrekt per griffiersbrief d.d. 17 juli 2012. Nu de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 18 juli 2012, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 19 juli 2012, appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:

a. tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
b. de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet;
c. kosten rechtens.

5.De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen alsvolgt worden opgesomd:

I. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen, hierop neerkomende, dat de ziens wijze van de man, dat hij niet hoeft te onderbouwen op grond waarvan hij aanvoert dat het huwelijk duurzaam is ontwricht tenzij gedaagde dat tegenspreekt, voorbij gaat aan het feit dat de tegenpartij het recht heeft van meet af aan te weten waartegen zij verweer dient te voeren en dat door die zienswijze van de man de kantonrechter de ruimte wordt ontnomen om aan de hand van stellingen en weren van partijen te beoordelen of er wel of niet sprake is van duurzame ontwrichting, ondanks mogelijke ontkenning van de vrouw.

II. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de man heeft volstaan met slechts te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat hij daardoor onvoldoende heeft gesteld en dat zijn vordering daardoor dient te worden afgewezen aangezien de man in de conclusie van repliek de gestelde duurzame ontwrichting toch nog heeft onderbouwd, doch is de kantonrechter daaraan voorbijgegaan.

6. De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg, toe te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden en doet voorts een uitdrukkelijk beroep op de artikelen 263 en 264 SBW.

8. De beoordeling
8.1 De vrouw heeft op de grief gereageerd en daarbij aangevoerd dat de man de plank volledig misslaat door ervan uit te gaan dat hij niet gehouden is aan zijn stelplicht bij diens vordering en dat hij door simpelweg een blote stellingname/grondslag – dat het huwelijk duurzaam ontwricht is – een echtscheiding kan effectueren. Hierdoor heeft zij zich niet kunnen verweren omdat zij van meet af aan ten processe niet weet wat de feiten zijn die de veronderstelde duurzame ontwrichting dragen. Zij stelt voorop dat zij ontkent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan haar schuld te wijten is en dat de man zijn vordering moet motiveren, nu zij met klem ontkent dat er sprake is van duurzame ontwrichting die in overwegende mate aan haar schuld te wijten is.

8.2 Het Hof overweegt dat de door de man aangevoerde grieven slagen. Immers geldt volgens wet, vaste jurisprudentie en doctrine het volgende. Dient een echtgenoot tegen de ander een verzoek tot echtscheiding in, dan behoeft hij in het verzoekschrift, voor zover het gaat om de ontbinding van het huwelijk, slechts te stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Als de andere echtgenoot de gestelde duurzame ontwrichting erkent, refereert aan het oordeel van de rechter danwel niet weerspreekt en dus geen verweer voert, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen. De duurzame ontwrichting staat dan vast. De lijdelijkheid van de rechter leidt ertoe dat de rechter in deze gevallen niet ambtshalve mag onderzoeken of de tussen partijen vaststaande toestand inderdaad aanwezig is. Voert de andere echtgenoot het verweer dat het huwelijk niet – of niet duurzaam – is ontwricht, dan zal de eiser concreet moeten aangeven en bewijzen waaruit de (duurzame) ontwrichting bestaat. Gelet hierop slaagt grief I.

8.3 In casu heeft de vrouw de echtscheidingsgrond niet betwist, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof komt hierop naderhand terug. In eerste aanleg heeft de man aan zijn vordering duurzame ontwrichting van het huwelijk ten grondslag gelegd. Voorts heeft hij bij conclusie van repliek gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning heeft verlaten en niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Bij conclusie van repliek in hoger beroep heeft de man verder gesteld dat de vrouw schuld heeft aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. Het hof overweegt dat nu de man voldoende onderbouwing aan de door hem gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gegeven ook grief II slaagt.
Dit heeft tot gevolg dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en als na te melden zal worden beslist.

8.4 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en in hoger beroep de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet heeft ontkend, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans langer dan 3 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat.

8.5 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek in zowel eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is omdat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan overspel. De vrouw doet hiermee een uitdrukkelijk beroep op artikel 263 SBW.

8.6 Het Hof overweegt dat het enkel aangaan van een buitenechtelijke relatie en het verlaten van de echtelijke woning door de man, niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan zijn schuld te wijten is geweest, aangezien de man duidelijke redenen heeft aangevoerd waarom hij de echtelijke woning verlaten heeft.
Met name is door de man aangevoerd dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning verlaten heeft en voorts dat hij niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Voorts heeft de man aangegeven dat de vrouw schuld heeft gehad aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. De man heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de vrouw slechts heeft volstaan door aan te voeren dat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan. Hiermee heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de schuld van de man is te wijten en zal het verweer van de vrouw ter zake worden verworpen.

8.7 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en hoger beroep een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op het pensioenverweer ingevolge artikel 264 SBW. In artikel 264 lid 1 SBW is bepaald dat indien als gevolg van de gevorderde echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de ene echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, zou teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen de vordering verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat daaromtrent een voorziening is getroffen.

8.8 Het Hof constateert voorts dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd tegen het onder punt 8.7 gesteld pensioenverweer van de vrouw. Gelet op het in 8.7 en 8.8.overwogene acht het Hof termen aanwezig een comparitie te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen. Partijen dienen ter comparitie, voor zover nodig met medeneming en overlegging van relevante documenten, hun respectieve standpunten met betrekking tot het gevoerde pensioenverweer te onderbouwen zodat eventueel een voorziening ter zake kan worden getroffen.

8.9 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen ambtshalve om in persoon, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 13 oktober 2017 des voormiddags te 09:00 uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het in 8.8 overwogene;
Bepaalt dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van het Hof van Justitie;
Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.