SRU-K1-2020-11

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 201183
15 mei 2020

Vonnis in de zaak van

A. PLET, MARLEEN, wonende aan [adres] te [woonplaats],
B. MARENGO, JACINTHA, wonende aan [adres] te [woonplaats],
C. SAMUEL, JOHN, wonende aan [adres] te [woonplaats],
D. DE POLITIEKE ORGANISATIE DE NIEUWE WIND, gevestigd en kantoorhoudende aan het Molenpad 19 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. J.J. Pinas, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gedaagde in kort geding.

  1. Het proces verloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 4 mei 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 De politieke organisatie De Nieuwe Wind heeft haar kandidatenlijsten ingediend bij het hoofdstembureau van kiesdistrict VII, Marowijne, in verband met de verkiezingen welke gehouden zullen worden op 25 mei 2020.

2.2 Het hoofdstembureau heeft aan de politieke organisatie te kennen gegeven dat de kandidatenlijsten ongeldig zijn.

2.3 Tegen het besluit van het hoofdstembureau is bij de President van de Republiek Suriname administratief beroep ex artikel 52 aangetekend middels een beroepschrift d.d. 20 april 2020. Het beroepschrift is ondertekend door de eisers sub A, B en C.

2.4 Bij resolutie van 27 april 2020 met no. 373/RP is het beroep ongegrond verklaard.

2.5 Bij exploit van 27 april 2020 is de resolutie betekend aan een bestuurslid van de politieke organisatie.

2.6 Eisers hebben aan de President van de Republiek Suriname een schrijven gestuurd, gedateerd 29 april 2020, waarin zij op de President een dringend beroep doen om terstond de resolutie in te trekken en mededeling te doen aan betrokkenen en aan het hoofdstembureau van de geldigheid van de kandidatenlijsten van de politieke organisatie.

2.7 Aan voormeld verzoek is geen gevolg gegeven.

  1. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de kandidatenlijsten geldig verklaart met alle wettelijke gevolgen van dien;
  • gedaagde veroordeelt om binnen een uur na uitspraak de kandidatenlijsten en kandidaten van de Nieuwe Wind te handhaven c.q. toe te voegen voor deelname aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2020 op straffe van een dwangsom en voorts
  • gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eisers voeren als grondslag het volgende aan:

  1. dat de eisers sub A, B en C de ondertekenaars zijn van de ingediende kandidatenlijsten en van het beroepschrift; dat zij tot 29 april 2020 geen besluit hebben ontvangen van de President van de Republiek Suriname op het door hen ingesteld administratief beroep; nu zij binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht dagen geen besluit hebben ontvangen dient ervan uitgegaan te worden dat het beroep is geslaagd; het ontbreken van het besluit dient in het voordeel van eisers te worden uitgelegd;
  2. dat eisers sub A, B en C op 29 april 2020 kennis hebben gekregen van de resolutie van de President waarin het besluit is vervat op het ingesteld administratief beroep;
  3. dat de in de resolutie opgenomen overweging in strijd is met de goedertrouw en de beginselen van behoorlijk bestuur omdat het hoofdstembureau de ongeldig verklaarde lijsten vergezeld van de notulen van de vergadering, waarin daartoe is besloten, zo spoedig mogelijk naar de President had moeten zenden; in de resolutie is echter overwogen dat de President de in het beroep gestelde ondertekening van de lijsten niet aannemelijk acht omdat door de politieke organisatie bij het beroepschrift de lijsten niet zijn toegevoegd; het was het hoofdstembureau dat de lijsten spoedig naar de President had moeten zenden; ook had de President de documenten moeten opvragen indachtig artikel 82 van de Kiesregeling;
  4. aan gedaagde is op grond van het voorgaande een sommatie gestuurd om alsnog de lijsten geldig te verklaren; door daar geen gevolg aan te geven handelt gedaagde onrechtmatig jegens eisers.
  1. Het verweer

Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

  1. De Beoordeling

5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat de procedure voor wat betreft de kandidatenlijsten in verband met de algemene verkiezingen voor volksvertegenwoordigers een gesloten administratieve procedure is met eigen bezwaar- en beroepsmogelijkheden; de kantonrechter geldt niet als beroepsinstantie; waar de kantonrechter beroepsinstantie is maakt de kiesregeling daar melding van; om die reden moeten eisers niet-ontvankelijk verklaard worden;
  2. dat de President wel binnen de termijn van acht dagen heeft beslist en het besluit tijdig op 27 april 2020 heeft betekend aan eiseres sub D, de politieke organisatie; nu het beroepschrift is ingediend op het brievenhoofd van de politieke organsatie, en mede namens de politieke organisatie, mocht de President volstaan met het besluit te betekenen aan de politieke organisatie;
  3. dat de lijsten door het hoofdstembureau wel zijn gezonden naar de President; het zijn eisers die bij hun beroepschrift geen verificatoren hebben meegezonden waaruit zou blijken dat het hoofdstembureau een verkeerde conclusie heeft getrokken; de lijsten die door het hoofdstembureau zijn doorgestuurd voldeden niet aan de vereisten;
  4. dat gedaagde wel heeft gereageerd op de sommatie gestuurd door eisers en wel bij schrijven van 5 mei 2020.

5.2 Eisers hebben bij repliek aangevoerd dat zij erbij blijven dat de resolutie niet tijdig aan de eisers sub A, B en C is medegedeeld. Zij blijven verder bij hun vordering.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de eerste vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of er sprake is van onrechtmatig handelen zijdens gedaagde door de resolutie op 27 april 2020 slechts aan de eiseres sub D te doen betekenen en niet ook aan de eisers sub A, B en C. De tweede vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of de gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door te overwegen dat de politieke organisatie geen lijsten heeft overgelegd terwijl het hoofdstembureau de lijsten aan de President had moeten toezenden.

5.4 De kantonrechter overweegt voor wat betreft de eerste vraag alsvolgt: Uit de wetstekst betreffende het administratief beroep in de Kiesregeling (artikel 52, artikel 68 en artikel 83) blijkt dat de beslissing aan de appellant of aan appellanten moet worden toegezonden. Eisers stellen zich op het standpunt dat om die reden het besluit expliciet aan de eisers sub A, B en C had moeten worden toegezonden. Nu dat niet is gedaan, zo stellen zij, moet ervan uitgegaan worden dat er geen besluit is genomen.

5.5 De gedaagde heeft aangevoerd dat op het beroepschrift binnen de wettelijke termijn is beslist. Ook stelt gedaagde dat in de wet geen termijn is opgenomen waarbinnen het besluit ter kennisname van de appellant of appellanten moet worden gebracht. Nu in het beroepschrift slechts het adres van de politieke organisatie stond moet ervan uitgegaan worden dat de ondertekenaars ten kantore van de politieke organisatie, namens wie zij handelden, domicilie hebben gekozen. De gedaagde heeft derhalve niet onrechtmatig gehandeld door het besluit op 27 april 2020 te betekenen aan de politieke organisatie. Eisers hebben ook gesteld dat zij na die betekening kennis hebben gekregen van het besluit.

5.6 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde stelt, niet aannemelijk wordt dat gedaagde met de hiervoor genoemde procedure onrechtmatig heeft gehandeld dan wel in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het voornaamste doel van de bepaling dat het besluit moet worden betekend is dat de belanghebbende kennis neemt van het besluit. Gelijk gedaagde stelt blijkt niet uit het beroepschrift dat er andere adressen in stonden dan het adres van de politieke organisatie waar het om gaat. Dat de gedaagde het besluit doet betekenen op het adres dat in het beroepschrift staat is dan ook niet onbegrijpelijk. De kantonrechter acht hierdoor dat deel van de grondslag niet aannemelijk.

5.7 De kantonrechter overweegt voor wat betreft de tweede vraag alsvolgt:

5.8 Eisers voeren als grondslag aan dat het het hoofdstembureau is dat de ongeldig verklaarde lijsten had moeten opsturen. Zij voeren aan dat het om die reden in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wanneer in het besluit is opgenomen dat de ondertekening van de lijsten niet aannemelijk is gemaakt omdat door de politieke organisatie geen afschrift van de lijsten is toegevoegd.

5.9 De gedaagde voert hierop aan dat het hoofdstembureau wel de ongeldig verklaarde lijsten heeft opgestuurd. Om die reden heeft de gedaagde wel de juiste procedure gevolgd. De passage in het besluit met betrekking tot het meesturen van de lijsten met het beroepschrift heeft hiermee te maken dat de politieke organisatie documenten had moeten meesturen waaruit zou blijken dat de constatering van het hoofdstembureau niet juist was.

5.10 De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat door de gedaagde wel de juiste procedure is gevolgd, immers, aannemelijk is dat het hoofdstembureau conform de wet de lijsten heeft toegezonden aan de President. De grondslag van het gevorderde is dan ook niet aannemelijk geworden waardoor de voorzieningen zullen worden geweigerd.

5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

  1. De beslissing

6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
dienende als gerecht in tuchtzaken tegen notarissen

BESCHIKKING IN HET INCIDENT

In de zaak van:

GROND-BOUW- HANDEL EN AGENTSCHAPPEN MAATSCHAPPIJ N.V. afgekort GROBOHAMA N.V.,
kantoorhoudende aan de J.A. Pengelstraat no. 137 te Paramaribo,
klaagster,
gevolmachtigde: [gevolmachtigde]

tegen

[beklaagde], notaris,
kantoorhoudende aan [adres] te Paramaribo,
beklaagde,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

Geeft het Hof van Justitie (hierna: het Hof) belast met de behandeling van tuchtklachten tegen notarissen op de voet van het bepaalde in artikel 44 van de Wet Notarisambt, (geldende tekst G.B. 1963 no. 39, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2006 no. 28), (hierna: WNA) de navolgende beschikking.

  1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • het klachtschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof op 20 oktober 2017;
  • het proces-verbaal van het verhoor van de gevolmachtigde van klaagster d.d. 24 november 2017;
  • het schriftelijk verweer van de beklaagde d.d. 25 oktober 2018;
  • de beschikking van het Hof d.d. 21 februari 2019 inhoudende de aanwijzing van de leden van de onderzoekskamer te weten mrs. D.D. Sewratan, A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran om de klacht te onderzoeken op de tuchtzitting;
  • de processen-verbaal van de behandeling ter tuchtzittingen gehouden op 16 mei 2019, 20 juni 2019, 11 juli 2019 en 17 oktober 2019;
  • het schrijven van de Procureur-Generaal d.d. 21 november 2019 met betrekking tot het incident;
  • het proces-verbaal van de mondelinge toelichting van het incident d.d. 05 december 2019;
  • de conclusie van antwoord in het incident d.d. 09 januari 2020 van de zijde van de beklaagde;
  • de conclusie van antwoord in het incident d.d. 16 januari 2020 van de zijde van klaagster;

1.2 De datum van de beschikking in het incident is bepaald op heden.

  1. De beoordeling in het incident

2.1 Het opgeworpen incident door de Procureur-Generaal richt zich op het navolgende:
In artikel 109 van de wet van 01 oktober 2019, houdende regels met betrekking tot de uitoefening van het notarisambt (hierna: Wet Notarisambt 2019), is onder andere bepaald dat de WNA bij de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 wordt ingetrokken. Ingevolge het bepaalde in artikel 54 lid 4 van de Wet Notarisambt 2019 wordt de tuchtrechtspraak voor de notarissen en kandidaat-notarissen in eerste aanleg opgedragen aan het Tuchtcollege voor het notariaat, en in hoger beroep aan het Hof. In artikel 108 lid 4 van de Wet Notarisambt 2019 (bij de overgangs- en slotbepalingen) is bepaald dat klachten met betrekking tot notarissen en kandidaat-notarissen die bij de inwerkingtreding van deze wet reeds zijn ingesteld bij het Hof, doch waarvan de behandeling door het Hof nog niet heeft plaatsgevonden, met inachtneming van artikel 64, door het Hof kunnen worden overgebracht naar het Tuchtcollege.

2.2 De Procureur-Generaal heeft aangevoerd dat in de Wet Notarisambt 2019 geen voorzieningen zijn getroffen omtrent de bevoegdheid van de Procureur-Generaal inzake de tuchtzaken die reeds in behandeling zijn bij het Hof. Op grond van het voorgaande heeft de Procureur-Generaal geconcludeerd tot aanhouding van de verdere behandeling van de onderhavige zaak totdat de wetgever de nodige voorzieningen heeft getroffen in de vorm van “reparatiewetgeving”.

2.3 De gemachtigde van beklaagde heeft geconcludeerd tot het overnemen van het besluit van de Procureur-Generaal.
De gemachtigde van klaagster heeft geconcludeerd dat het Hof het incident verwerpt en de zaak afhandelt conform de WNA.

2.4 In de visie van het Hof kan de wetgever niets anders bedoeld hebben dan, dat klachten die reeds in behandeling waren bij het Hof op basis van de WNA ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 op de voet van de WNA dienen te worden afgehandeld. Het voorgaande leidt het Hof, onder andere, af uit het woord “kunnen” in artikel 108 lid 4 van de Wet Notarisambt 2019 zoals hiervoor vermeld. Daaruit destilleert het Hof dat de wetgever niet imperatief heeft voorgeschreven dat de ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 reeds ingediende maar nog niet in behandeling genomen klachten naar het Tuchtcollege dienen te worden doorgestuurd. Het Hof leest in voormelde wetsbepaling de facultatieve mogelijkheid dat het Hof deze klachten eventueel ook zelf zou kunnen afhandelen op basis van de WNA. Meer reden voor deze uitleg vindt het Hof in de grondwettelijke bepaling neergelegd in het roemruchte artikel 131 lid 3 luidende: “Elke inmenging inzake de opsporing en de vervolging en in zaken bij de rechter aanhangig, is verboden.” Aangezien deze grondwettelijke bepaling ook geldt voor zaken bij de notariële tuchtrechter aanhangig, gaat het Hof ervan uit dat de wetgever nimmer de bedoeling kan hebben gehad om reeds bij het Hof aanhangige tuchtzaken in de wielen te rijden door wetgeving te maken die daartoe zou leiden.

Terzake afhandeling door het Hof van reeds in behandeling zijnde zaken ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe notariswet (en dus de intrekking van de WNA), komt de vraag op, op grond van welke regeling deze afhandeling dient te geschieden. Helaas biedt de Memorie van Toelichting op de Wet Notarisambt 2019 geen soelaas hieromtrent en is het aannemelijk dat het in casu gaat om een – zoals de Procureur-Generaal dat heeft aangegeven – omissie van de zijde van de wetgever. De redenering dat door de intrekking van de WNA bij de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 geen fundament meer is om de reeds in behandeling zijnde klachten op de voet van de WNA af te handelen en dat gewacht zou moeten worden op “reparatiewetgeving” gaat in de visie van het Hof mank. Het Hof stelt vast dat de WNA is ingetrokken, dat de Wet Notarisambt 2019 in werking is getreden, dat de in de laatstgenoemde wet voorkomende overgangsbepalingen geen houvast bieden ten aanzien van reeds in behandeling zijnde tuchtklachten bij het Hof en dat er in casu derhalve sprake is van een lacune in de wet.

2.5 De vraag die dan aan de orde komt is hoe in die lacune dient te worden voorzien. Dient dat aan de wetgever te worden overgelaten of kan de rechter casu quo het gerecht zelf in die lacune voorzien? In de visie van het Hof ligt het op de weg van de rechter casu quo het gerecht om in die lacune te voorzien. Daarbij spelen praktische overwegingen – zoals in casu het herstellen van een “abuis” – alsmede overwegingen van redelijkheid een belangrijke rol. In dergelijke gevallen dient de oplossing te worden aanvaard die past in het Surinaamse stelsel van de wet en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen. Daarenboven kan ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de Wet Algemene Bepalingen de rechter die weigert recht te spreken onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wettelijke regelingen uit hoofde van rechtsweigering vervolgd worden.

2.6 Gelet op al het voorgaande is de slotsom gerechtvaardigd dat het praktisch en ook redelijk is dat in het kader van de grondwettelijk opgedragen taak van het Hof de reeds in behandeling zijnde tuchtklachten dienen te worden behandeld en afgehandeld conform in de WNA neergelegde procedure. De tuchtprocedure heeft conform de WNA eveneens strafvorderlijke aspecten met daarin een duidelijke rol voor de Procureur-Generaal. De WNA heeft in de visie van het Hof onverkorte gelding ten aanzien van reeds in behandeling zijnde tuchtklachten bij het Hof. De actieradius van de Wet Notarisambt 2019 strekt zich naar het oordeel van het Hof derhalve niet uit tot reeds in behandeling genomen tuchtklachten tegen (kandidaat-) notarissen. Het is in de visie van het Hof derhalve in strijd met de redelijkheid en billijkheid alsmede met de rechtszekerheid om – conform het voorstel van de Procureur-Generaal – te wachten op een aanvulling van de Wet Notarisambt 2019 aangezien de realiteit heeft geleerd dat een dergelijke aanvulling van de wet nogal lang op zich kan laten wachten. Dat laatste is in casu totaal onacceptabel aangezien ook tuchtklachten tegen notarissen binnen redelijke termijn dienen te worden behandeld en afgehandeld.

2.7. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot het oordeel dat het door de Procureur-Generaal opgeworpen incident dient te worden verworpen en de behandeling van de tuchtklacht dient te worden hervat en voortgezet in de stand waarin het zich bevond vόόr het incident, te weten repliek zijdens de Procureur-Generaal. Met voorgaande vaststelling wordt hetgeen de gemachtigde van beklaagde ter ondersteuning van het door de Procureur-Generaal opgeworpen incident heeft aangevoerd eveneens geacht te zijn besproken en verworpen.

3. BESCHIKKENDE:

Het Hof :
En alvorens verder te beslissen:

3.1. Verwerpt het door de Procureur-Generaal opgeworpen incident.

3.2. Bepaalt dat de behandeling van de tuchtklacht dient te worden hervat en voortgezet in de stand waarin het zich bevond vόόr het incident, te weten repliek zijdens de Procureur-Generaal.

3.3. Bepaalt dat de zaak daartoe zal worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van donderdag 28 mei 2020 des voormiddags om 11.00 uur.

3.4. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, waarnemend President, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, Vice-President, mr. D.D. Sewratan, mr. A. Charan, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, mr. S.M.M. Chu, mr. M.C. Mettendaf, mr. S.S.S. Wijnhard, mr. R.G. Chatterpal, mr. M.V. Kuldip Singh, mr. D.G.W. Karamat Ali, mr. G.L. de Miranda, mr. R.M. Praag en mr. S. Punwasi, allen Leden van het Hof van Justitie, en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op donderdag 30 april 2020, in tegenwoordigheid van C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier

SRU-K1-2020-10

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 201180
18 mei 2020

Vonnis in de zaak van

 

CAIRO, RODNEY ALEXANDER, domicilie kiezende aan [adres] te [woonplaats], ten kantore van zijn raadsman,
gemachtigde: mr. V.S. Balradj, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

SLOOTEN, KENNETH, wonende aan [adres] te [woonplaats],
gemachtigde: mr. R. R. Lobo, advocaat,
gedaagde in kort geding.

  1. Het proces verloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 29 april 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van eis,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Eiser is DNA-kandidaat voor een politieke partij in Suriname voor de verkiezingen van 25 mei 2020.

2.2 Naar aanleiding van een geweldsincident bij eiser thuis op 16 april 2020 loopt er thans een politioneel onderzoek.

2.3 Gedaagde heeft op 21 en 24 april 2020 naar aanleiding van het incident bij eiser thuis en het politioneel onderzoek in een programma op de radio uitlatingen gedaan over eiser.

2.4 Eiser heeft naar aanleiding van de uitlatingen van gedaagde op 22 april 2020 aangifte gedaan tegen gedaagde wegens, onder andere, smaad en laster.

  1. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • gedaagde beveelt om binnen 3 werkdagen na betekening van het vonnis op zijn kosten de in het petitum opgenomen verontschuldiging te doen plaatsen in de dagbladen de Ware Tijd, Times of Suriname en de website van Starnieuws en te doen omroepen met eigen stem via radio Apintie, Bakana Torie TV met Limbo, radio ABC, ATV televisie, de STVS en RBN televisie:
  • gedaagde beveelt om binnen 1 x 24 uur na betekening van het vonnis alle uitingen zoals opgesomd alsmede eventuele andere door hem gedane uitingen via het internet of enig ander openbaar medium met vergelijkbare strekking te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden;
  • gedaagde verbiedt om zich op enige wijze via internet of via enig ander openbaar medium over eiser uit te laten, althans zich uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals in het lichaam van het verzoekschrift omschreven;
  • gedaagde beveelt om, indien mocht blijken dat elders opnieuw via internet of een openbaar medium vergelijkbare uitingen die eiser betreffen worden verspreid, op eerste verzoek van eiser zich in te zetten om binnen 12 uur na het eerste verzoek het medium kenbaar te maken dat de uitingen verwijderd dienen te worden;
  • één en ander op straffe van een dwangsom,
  • gedaagde veroordeelt om aan eiser te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te vorderen schadevergoeding en voor kosten rechtsbijstand begroot op EUR.15.000,=, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen bedrag;
  • gedaagde veroordeelt om aan eiser te voldoen een voorschot op de in de bodemprocedure te vorderen immateriële schadevergoeding begroot op EUR.5.000,=, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen bedrag,
  • gedaagde veroordeelt in het salaris van de gemachtigde en in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag

Eiser voert als grondslag aan dat hij door de uitlatingen van gedaagde materiële en immateriële schade lijdt. Hij voert aan dat hij kandidaat is voor de politieke partij Strei!. De verkiezingen vinden plaats op 25 mei 2020 en de kiezers worden door de uitlatingen van gedaagde misleidt. De uitlatingen zijn smadelijk en lasterlijk. Voor de uitlatingen door gedaagde gedaan is er geen enkele ondersteuning. Hij is nimmer veroordeeld. Op grond van de artikelen 1386 jo 1393 en 1394 en 1401 BW is gedaagde gehouden zijn verontschuldigingen aan te bieden en de schade die de smadelijke en lasterlijke uitlatingen veroorzaken te vergoeden.

  1. Het verweer

Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

  1. De Beoordeling

5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat schadevergoedingsvorderingen niet toegewezen kunnen worden in kort geding; daarvoor zal de eiser bij de bodemrechter een vordering moeten instellen; immers, de schadeposten zijn helemaal niet onderbouwd; daarnevens is het helemaal niet juist dat de eiser schade heeft geleden en blijkt nergens uit dat gedaagde aansprakelijk zou zijn voor schade;
  2. dat de eiser niet aangeeft wat het spoedeisend belang is dat hij zou hebben; ook om die reden dient hij de vordering aan de bodemrechter voor te leggen;
  3. dat de uitspraken van de gedaagde politieke analyses zijn die hij als politiek analist heeft gedaan na persoonlijke ervaringen met eiser en nadat hij informatie heeft vergaard;
  4. dat de informatie die gedaagde naar voren heeft gebracht reeds naar buiten was gebracht via andere sociale media; de informatie van eiser lag reeds lang op straat;
  5. dat met de uitspraken de kiezers niet zijn misleid; ook was het niet de bedoeling van gedaagde om de kiezers te misleiden; dat blijkt ook niet uit het betoog van gedaagde;
  6. dat de informatie niet kan worden gekwalificeerd als laster; de informatie is afkomstig van de militaire politie en het ministerie van defensie; indertijd heeft gedaagde een bemiddelende rol gehad bij een conflict dat was ontstaan tussen eiser en vier collega’s enerzijds en de minister van defensie anderzijds; de vijf militairen waren ontevreden en wilden een coup plegen; gedaagde heeft toen eiser en de collega’s ontvangen op het kabinet van de President voor de bemiddeling; eiser bleef echter tegen de minister rebelleren en wenste geen gebruik te maken van de mogelijkheid om zijn diensten voor het ministerie voort te zetten; de minister heeft hem toen op grond van muiterij ontslagen; dat er sprake was van een voornemen om een coup te plegen zal blijken uit getuigenverhoren;
  7. dat eiser tegen beter weten in in programma’s verklaart dat hij nimmer bij gedaagde op kantoor is geweest; ook hiervoor zullen getuigenverhoren noodzakelijk zijn;
  8. dat de uitspraken over de criminele organisatie die de inval bij de eiser heeft opgezet niet op zichzelf staan; de uitspraken zijn gebaseerd op informatie van het Directoraat Nationale Veiligheid, hierna DNV; de eiser was namelijk reeds geruime tijd onderwerp van onderzoek; uit de resultaten van het onderzoek zal zeer waarschijnlijk blijken dat eiser onderdeel is van een criminele organisatie en dat de inval bij hem daarmee te maken heeft; ook zal zeer waarschijnlijk blijken dat hij een gevaar vormt voor de gemeenschap;
  9. dat eiser verdachte is in een wapenhandel en wapenimport zaak; het feit dat hij nooit is veroordeeld doet daar niets aan af; er is geen sprake geweest van het seponeren van de zaak waardoor het een feit is dat hij verdachte is; er kan dan ook geen sprake zijn van smaad of laster;
  10. dat eiser, die zich in de politieke arena begeeft, toleranter zal moeten zijn wanneer het uitspraken over hem betreft, immers, het is verwachtbaar dat politici over en weer met vuil zullen smijten;
  11. dat de uitspraken van gedaagde juist wel ondersteund worden door verschillende bronnen;
  12. dat eiser stelt dat geen van de aantijgingen op waarheid berust; deze stelling is niet juist; in de bodemprocedure zal gedaagde met getuigen aantonen dat de informatie die naar voren is gebracht wel juist is; in het programma “In de branding” op Apintie heeft eiser aangegeven dat hij niet gaat zeggen waarom hij was aangehouden; hiermee erkent eiser dat hij is aangehouden en dat de informatie van gedaagde juist is; ook verklaart eiser in het zelfde programma dat hij een wapen wilde kopen met vergunning en dat er afspraken waren gemaakt over het wapen en de betaling bij een supermarkt; ook hieruit blijkt dat de informatie van gedaagde juist is, immers, men koopt geen wapen met vergunning; een vergunning is strikt persoonlijk;
  13. dat nog onderzoek wordt gepleegd naar de verschillende verklaringen die zijn afgelegd; ook wordt nog onderzoek gepleegd naar de kwestie van de wapens in 2016; om die reden kan niet worden aangenomen dat er sprake is van onwaarheden.

5.2 Eiser heeft op het verweer gereageerd waarbij hij onder andere aanvoerde dat hij wel een spoedeisend belang bij de vordering heeft omdat hij een politieke carrière ambieert en de uitlatingen van gedaagde hem negatief in beeld brengen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat personen ervoor kiezen niet op eiser te stemmen. Ook blijkt uit de rechtspraak dat vorderingen op grond van belediging vaker in kort geding worden behandeld. Eiser verwijst naar rechtspraak waarin de rechter ingaat op de toets die aan de orde is bij de vordering op grond van onrechtmatige daad. Eiser betwist dat er eerder informatie over hem naar buiten is gekomen. Ook betwist hij dat hij is ontslagen vanwege muiterij. Gedaagde heeft opzettelijk tijdens de radio programma’s een andere weergave gegeven van de feiten. Eiser betwist dat er een onderzoek tegen hem loopt in opdracht van de inlichtingendiensten. Ook betwist hij hetgeen gedaagde naar voren brengt met betrekking tot de inval en de wapenhandel. Eiser stelt dat de uitspraken wel schade toebrengen aan zijn eer en goede naam. Hij wordt door gedaagde neergezet als een couppleger, een illegale wapenhandelaar en een gevaar voor de nationale veiligheid. Dit zijn zeer ernstige aantijgingen die op geen enkele wijze door gedaagde zijn onderbouwd. Er is daarom wel sprake van smaad en laster.

5.3 Gedaagde is bij dupliek gebleven bij zijn weren. Daarbij voert hij aan dat eiser wel is ontslagen wegens muiterij, dat de informatie reeds naar buiten was gekomen via andere media en dat de uitspraken gebaseerd zijn op feiten die blijken uit onderzoeken. Gedaagde voert voorts aan dat eiser naar rechtspraak verwijst waarmee eiser zelf aangeeft dat er diepgaand onderzoek noodzakelijk is.

5.4 De kantonrechter acht, gezien het feit dat eiser stelt dat de uitlatingen invloed kunnen hebben op de keus van kiezers bij de verkiezingen, de vordering wel spoedeisend, waardoor eiser zal worden ontvangen in zijn vordering.

5.5 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of gedaagde tijdens de interviews uitspraken heeft gedaan die kunnen worden aangemerkt als beledigend en schadelijk voor de eer, de goede naam en de maatschappelijke reputatie van eiser en of gedaagde op grond van de artikelen 1393 tot en met 1397 BW gehouden is daarvoor zijn verontschuldigingen aan te bieden en de eventuele schade te vergoeden die als gevolg van de uitspraken is toegebracht aan eiser.

5.6 De toets die voortvloeit uit de artikelen 1393 BW en 1397 BW is die of er sprake is van schending van de eer en goede naam van de verzoeker door de publicatie of de uitlatingen en of het publiceren of het uitlaten als een onrechtmatig handelen moet worden aangemerkt. Artikel 1397 BW bepaalt dat het oogmerk om te beledigen niet wordt aangenomen indien er is gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

5.7 Bij de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen komt in dit soort zaken de botsing aan de orde tussen twee fundamentele rechten, het recht op vrije meningsuiting van een burger, in casu gedaagde, en wel het recht van een politiek analist om analyses te maken omtrent kwesties die spelen in de samenleving enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam van een burger waarbij een burger erop mag vertrouwen dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen door andere burgers, in casu het recht van eiser op bescherming van zijn eer, goede naam en maatschappelijke reputatie (vide: “Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek boek 6; zevende druk pagina 2479).

5.8 In casu moet worden beoordeeld of gedaagde bij het gebruik van zijn recht niet de grens van het rechtmatige heeft overschreden.

5.9 Welke van de twee belangen de doorslag behoort te geven hangt af van omstandigheden die door de rechtspraak (HR 1984 no. 801) alsvolgt zijn geformuleerd (vide eveneens: “Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek boek 6; zevende druk pagina 2480)

  1. de aard van de gepubliceerde verdenkingen;
  2. de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben,
  3. de ernst van de misstand welke de publicatie, in casu welke gedaagde in de interviews, aan de kaak probeert te stellen;
  4. de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal;
  5. de inkleding van de verdenkingen,
  6. de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;
  7. de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten ter beschikking stelling aan de pers, in casu zonder de uitlatingen van gedaagde tijdens de programma’s, in de publiciteit zou zijn gekomen.

Indien na een beoordeling van de hiervoor genoemde omstandigheden blijkt dat het belang van eiser de doorslag moet geven zal de uitlating van gedaagde als onrechtmatig moeten worden aangemerkt en zal een rectificatie moeten worden bevolen. Indien het belang dat gedaagde dient de doorslag moet geven zal de publicatie niet als onrechtmatig worden aangemerkt.

5.10 De gewraakte uitspraken van gedaagde luiden blijkens het inleidend verzoekschrift als volgt:

  1. ”een twee jaar geleden kreeg ik informatie over groene baretters die een coup wilden gaan plegen….. ik kreeg namen en telefoonnummers ……hierna moesten de heren zich melden bij de minister …. Cairo had toen al een andere agenda … “
  2. “…. om aan te tonen dat Cairo een gevaarlijk speler is, … wij zien een beweging in het drugscircuit, alla sort fromoe in criminele organisaties….”
  3. “…. is het een inval van DNV of is het een inval opgezet door de trawanten van de criminele organisatie. Want dat kan ook…..”
  4. “u moet hem niet als een politicus zien, ook niet als soldier, hij is een subject waarvan er informatie is dat hij mogelijk de staatsveiligheid in gevaar kan brengen ….. “
  5. “…. heeft Cairo in 2016 in vrijheid gesteld…..Illegale wapenhandel en illegale wapenimport.. het dossier is er …. ik kan zorgen voor een ander dossier … hij was aangehouden bij de MP….. alle informatie wijst in de richting van Cairo, hard.. “

5.11 Deze uitspraken toetsend komt de kantonrechter tot het oordeel dat de uitspraken van gedaagde de suggestie wekken dat eiser een persoon is die een coup wilde plegen, dat hij een gevaarlijke speler is waaromheen bewegingen te zien zijn van het drugscircuit en criminele organisaties, waarbij het de vraag is of trawanten van de criminele organisatie niet de inval hebben opgezet, dat hij iemand is die de staatsveiligheid in gevaar kan brengen en dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan illegale wapenhandel en wapenimport.

5.12 Bij de beoordeling van de omstandigheden zoals in de rechtspraak ontwikkeld, wordt het volgende aannemelijk:

5.12.1 de aard van de gepubliceerde verdenkingen: zoals hierboven reeds opgemerkt suggereren de uitspraken dat eiser een coup wilde plegen en zich in het verleden en in het heden bezig hield met criminele organisaties; voorts dat hij mogelijk een gevaar is voor de staatsveiligheid; eiser heeft steeds in reactie op de uitlatingen van gedaagde aangegeven dat hij nimmer een coup wilde plegen en nimmer criminele handelingen heeft gepleegd; met betrekking tot de aanhouding in 2016 heeft hij tijdens het interview op Apintie verklaard dat er geen sprake was van een misdrijf en dat de vervolging dat op een gegeven moment ook heeft aangenomen waardoor hij niet verder is vervolgd; hetgeen door gedaagde wordt gesuggereerd wordt door eiser ontkend; aannemelijk is dat deze uitlatingen beledigend van aard zijn.

5.12.2 de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben: de gevolgen van deze verdenkingen voor eiser zijn dat hij publiekelijk is neergezet als een persoon, die een coup wilde plegen, die zich in het verleden en in het heden bezig houdt met criminele organisaties en dat hij mogelijk een gevaar is voor de staatsveiligheid; aannemelijk is dat de uitspraken als gevolg kunnen hebben dat de eer en goede naam van eiser worden geschaad; ook is aannemelijk dat de uitspraken als gevolg kunnen hebben dat zijn maatschappelijke reputatie als kandidaat DNA-lid schade oploopt.

5.12.3 de ernst van de misstand welke gedaagde met zijn uitlatingen aan de kaak probeert te stellen: de uitlatingen zijn gedaan tijdens twee interviews op de radio; bij dit onderdeel van de toets is belangrijk wat het belang was dat gedaagde had bij het doen van de uitlatingen; dat belang moet blijken uit de reden van de uitlatingen, dan wel welk punt gedaagde aan de kaak wilde stellen tijdens de interviews; tijdens de interviews heeft gedaagde gesproken als politiek analist waarbij hij onder andere – zakelijk weergegeven – alsvolgt verklaart: “… ik vind het nodig om te reageren omdat als je niet reageert gaan dingen hun eigen leven leiden en dat moet voorkomen worden; want als je de eerste berichten leest dan denk je dat er een criminele aktie plaats heeft gevonden tegen de heer Cairo terwijl als je de kwestie bekijkt aan de hand van hoe het plaats heeft gevonden dan blijkt dat er geen sprake is van een criminele zaak; ……… en er kwam een reactie van onder andere de voorzitter van Strei! alsof het betrof een aanval op Strei!; zij noemt de politicus de tweede man van Strei! en als iemand niet goed luistert dan denk je dat de huidige regering Strei! als rivaal ziet …..”; de kantonrechter begrijpt uit het voorgaande dat de gedaagde aan de orde stelde dat er geen sprake is geweest van een bedreiging of intimidatie poging vanwege politieke redenen; in zijn verklaringen ging hij in op wat er, zoals hij zelf stelt, daadwerkelijk aan de orde is; hij stelde dat dat nodig is omdat anders zaken hun eigen leven gaan leiden; hij voerde aan dat er sprake is van een onderzoek door het DNV, dat niets te maken had met de politieke aspiraties van eiser en dat de inlichtingendiensten als taak hebben de staatsveiligheid in de gaten te houden; hij is ingegaan op een kwestie uit 2016 toen eiser is aangehouden; voorts is hij ingegaan op een kwestie uit 2018 toen hij als bemiddelaar heeft opgetreden in verband met een geschil dat was ontstaan tussen vijf militairen en de leiding van het ministerie van defensie; verder is hij ingegaan op hetgeen uit de onderzoeken van het DNV is gebleken; de kantonrechter overweegt dat het binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt om, zoals gedaagde aangeeft, tijdens een interview aan te geven dat er geen sprake is van een bedreiging of intimidatie poging om politieke redenen en in dat interview ook aan te geven wat er eigenlijk wel aan de hand is; ook is het geoorloofd om daarbij uitlatingen te doen omtrent de personen die betrokken zijn bij hetgeen beschreven wordt, echter, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met het feit dat ook zij recht hebben op de bescherming van hun eer en goede naam.

5.12.4 de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal; het feitenmateriaal waarop gedaagde de passages betreffende eiser steunt zijn volgens zijn verweer ervaringen van hem zelf uit 2018, resultaten uit onderzoek van de MP in 2016 en resultaten uit het onderzoek van het DNV waar hij kennis van draagt; beoordeeld moet worden of de uitlatingen worden ondersteund door de producties waarmee gedaagde zijn stellingen heeft onderbouwd;

ten aanzien van de eerste uitlating:
a.”een twee jaar geleden kreeg ik informatie over groene baretters die een coup wilden gaan plegen….. ik kreeg namen en telefoonnummers ……hierna moesten de heren zich melden bij de minister …. Cairo had toen al een andere agenda … “;
hiervoor heeft gedaagde verwezen naar zijn eigen waarnemingen en kennis, namelijk dat hij betrokken was bij het bemiddelen tussen de militairen en de leiding van het ministerie; hij voert aan dat hij gesprekken heeft gehad met eiser en de vier anderen en dat hij uit dien hoofde ervan op de hoogte is dat Cairo met de vier anderen een coup wilde plegen; hij voert aan dat er getuigen zijn die dat kunnen beamen; hij verwijst verder naar een artikel dat is overgelegd door hem van 4 augustus 2018 getiteld: “Minister Benschop met ziekteverlof; rechtzaak gaande”; eiser heeft op deze aantijging gereageerd; hij erkent dat er sprake was van ontevredenheid en dat er gesprekken zijn geweest; echter betwist hij dat er sprake ervan was dat hij en de vier anderen een coup wilden plegen;
de kantonrechter overweegt met betrekking tot deze uitlating, dat uit de stellingen en weren van eiser en gedaagde en uit het overgelegde artikel, aannemelijk wordt dat gedaagde toentertijd betrokken was bij een bemiddelingspoging in een conflict tussen eiser en vier andere collegas en de minister van defensie; er zal diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden, onder andere met getuigenverhoren, alvorens een oordeel kan worden gevormd; om die reden zal eerst een diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden alvorens geoordeeld kan worden over de vraag in hoeverre gedaagde met de uitlating de grens van het rechtmatige heeft overschreden.

ten aanzien van de tweede uitlating:
b. “…. om aan te tonen dat Cairo een gevaarlijk speler is, … wij zien een beweging in het drugscircuit, alla sort fromoe in criminele organisaties….”;
voor deze uitlating verwijst gedaagde naar informatie die hij heeft verkregen uit het onderzoek van het DNV en het feit dat er een onderzoek gaande is door het DNV; hij verwijst ernaar dat zowel de directeur van het DNV en de korpschef te kennen hebben gegeven dat de kwestie nog in onderzoek is; die verklaringen zijn door gedaagde overgelegd; eiser betwist dat er onderzoek plaatsvindt vanwege criminele organisaties; hij voert aan dat het DNV en de minister van defensie uit zijn op bewijsmiddelen die hij heeft over het functioneren van hun en dat om die reden het DNV thans bezig is met onderzoek;
de kantonrechter overweegt dat omtrent deze kwestie een aantal producties zijn overgelegd waaronder verklaringen van de directeur van het DNV, de korpschef, de PG, leiders van verschillende politieke organisaties, en voorts face book afbeeldingen;
de kantonrechter is van oordeel dat geen van de overgelegde producties erop wijzen dat Cairo een gevaarlijke speler is en dat Cairo zich bezig houdt met criminele organisaties; deze uitlating wordt daarom niet voldoende ondersteund door aannemelijke feiten.

ten aanzien van de derde uitlating:
c. “…. is het een inval van DNV of is het een inval opgezet door de trawanten van de criminele organisatie. Want dat kan ook…..”;
ten aanzien van deze uitlating is uit de verklaringen van gedaagde uit het interview te begrijpen dat gedaagde zelf de conclusie heeft getrokken dat het een inval zou moeten zijn door trawanten van de criminele organisatie; uit geen van de overgelegde producties, ook niet uit de verklaringen van de directeur van het DNV of de korpschef wordt aannemelijk dat de inval zou zijn opgezet door trawanten uit een criminele organisatie; om die reden wordt deze uitlating niet voldoende ondersteund door aannemelijke feiten.

ten aanzien van de vierde uitlating:
d. “u moet hem niet als een politicus zien, ook niet als soldier, hij is een subject waarvan er informatie is dat hij mogelijk de staatsveiligheid in gevaar kan brengen ….. “;
gedaagde beroept zich voor wat betreft deze uitlating ook op informatie die hij heeft uit het DNV onderzoek; echter, dat wordt betwist door eiser; voor deze uitlating geldt hetzelfde als voor de tweede uitlating;
ook omtrent deze kwestie is een aantal producties overgelegd waaronder verklaringen van de directeur van het DNV, de korpschef, de PG, leiders van verschillende politieke organisaties, en voorts face book afbeeldingen;
de kantonrechter is van oordeel dat geen van de overgelegde producties erop wijzen dat eiser staatsgevaarlijk is waardoor ook deze uitlating onvoldoende ondersteund is door aannemelijke feiten.

ten aanzien van de vijfde uitlating:
e. “…. heeft Cairo in 2016 in vrijheid gesteld…..Illegale wapenhandel en illegale wapenimport het dossier is er …. ik kan zorgen voor een ander dossier … hij was aangehouden bij de MP….. alle informatie wijst in de richting van Cairo, hard..”;
gedaagde beroept zich voor wat deze uitlating betreft op twee documenten, namelijk een cv waaruit een arrest door de MP blijkt wegens oplichting en verduistering en een overzicht van de recherche administratie waaruit eveneens een arrestatie blijkt;
eiser heeft in een interview aangegeven dat hij inderdaad was aangehouden in 2016 in verband met een zaak die met een wapen te maken had; alhoewel voor een volledig beeld van de toedracht van de aanhouding diepgaand onderzoek noodzakelijk zou zijn is vooralsnog door gedaagde aannemelijk gemaakt dat de uitlating ondersteund wordt door feiten.

5.12.5 de inkleding van de verdenkingen: de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan door gedaagde is reeds hierboven aangegeven. Het komt erop neer dat aannemelijk is dat gedaagde in zijn verklaringen eiser daadwerkelijk in verband heeft gebracht met criminele organisaties en misdrijven. Ook heeft gedaagde verklaard dat eiser waarschijnlijk een gevaar vormt voor de staatsveiligheid.

5.12.6 de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;
naar het oordeel van de kantonrechter is het zeer waarschijnlijk dat gedaagde het nagestreefde doel langs andere, voor eiser minder schadelijke wegen, had kunnen bereiken; primair wilde gedaagde aan de orde stellen dat er geen sprake was van politieke intimidatie en dat het misschien niet eens een inval was van het DNV; daar had de gedaagde uitgebreid op in kunnen gaan zonder uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eiser konden schaden; vooral nu daar het door gedaagde genoemde onderzoek naar de betrokkenheid van eiser bij criminele organisaties en het onderzoek naar staatsgevaarlijke activiteiten door andere instanties wordt gedaan, dit onderzoek naar zeggen van gedaagde nog gaande is en het resultaat van het onderzoek, mocht daar daadwerkelijk sprake van zijn, na afloop van het onderzoek eerst door het DNV of de opsporing of de vervolging bekend zou moeten worden gemaakt; de uitlatingen van gedaagde hieromtrent zijn om die reden onvoldoende op feiten gebaseerd; gedaagde heeft met deze uitlating dan ook de grens van het rechtmatige overschreden.

5.12.7 de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten uitlatingen tijdens de interviews, in de publiciteit zou zijn gekomen:
de kantonrechter overweegt dat gedaagde stelt dat de informatie zoals opgenomen in de gewraakte uitlatingen vóór de interviews op 21 en 24 april 2020 reeds via social media bij het publiek bekend was gemaakt; indien dat werkelijk het geval zou zijn, is gedaagde zijn verweer, dat hem niet kan worden verweten dat hij de goede naam en eer zou hebben geschonden door de uitlatingen, gegrond, immers, de informatie over eiser, was reeds via andere media bij het publiek terecht gekomen.
De kantonrechter zal naar aanleiding van de overgelegde producties en de stellingen en weren moeten beoordelen in hoeverre aannemelijk is gemaakt dat de informatie eerder reeds via andere media bij het publiek terecht was gekomen; het betreft de informatie opgenomen in de uitlatingen genoemd onder punt 5.10 b, c en d, immers, de kantonrechter heeft hiervoor onder 5.12.4 reeds geoordeeld over de uitlatingen onder punt 5.10 a en e.
De uitlatingen onder b, c en d betreffen de uitlatingen die betrekking hebben op het onderzoek door het DNV en de inval in de ochtend van 16 april 2020; de kantonrechter overweegt dat uit geen van de producties blijkt dat eerder over de onderzoeken van het DNV en over de inval van 16 april 2020 via andere media informatie over eiser is gepubliceerd; om die reden is het naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk dat de informatie die door gedaagde is genoemd in de interviews, eerder via andere media bij het publiek bekend was gemaakt.

5.13 De kantonrechter overweegt dat onder de hiervoor getoetste omstandigheden aannemelijk wordt dat het belang dat eiser heeft bij bescherming van zijn eer, zijn goede naam en zijn maatschappelijke reputatie zwaarder moet wegen dan het belang dat gedaagde had bij het doen van de uitlatingen tijdens de interviews; gedaagde had slechts als doel om aan de orde te stellen dat er geen sprake is geweest van een bedreiging of intimidatie poging vanwege politieke redenen doch dat er sprake was van een onderzoek door het DNV, dat niets te maken had met de politieke aspiraties van eiser; het is geoorloofd om dat te doen doch daarbij was het niet noodzakelijk dat gedaagde uitlatingen deed over betrokkenheid van eiser bij criminele organisaties of staatsgevaarlijke activiteiten terwijl dat niet voldoende werd ondersteund door de door gedaagde aangevoerde feiten.

5.14 De kantonrechter is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat gedaagde met de uitlatingen genoemd onder 5.10 onder b, c en d de grens van het rechtmatige heeft overschreden en dat gedaagde op grond van de wet gehouden is zich voor de uitlatingen te verontschuldigen, waardoor gedaagde veroordeeld zal worden om deze te rectificeren, zoals in het dictum te melden, met dien verstande dat de rectificatie zal worden bevolen in de Ware Tijd, Times of Suriname, op Starnieuws, Radio Apintie, Radio ABC, RBN Televisie en Bakana Torie TV met Limbo, achtende de kantonrechter zulks, voor wat betreft het bereik van de rectificatie, voldoende. Voorts zal gedaagde worden veroordeeld om andere gedane uitingen via internet met een vergelijkbare strekking te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden. Ook zal het gedaagde verboden worden om zich wederom op vergelijkbare wijze uit te laten.

5.15 Eiser vordert voorts dat gedaagde wordt veroordeeld om aan hem een schadevergoeding te betalen van EUR.15.000,= en EUR.5.000,= aan materiële en immateriële schade. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de schade niet is onderbouwd.

5.16 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde stelt, de schade niet is onderbouwd waardoor deze niet aannemelijk is gemaakt en zal worden geweigerd.

5.17 Met betrekking tot de gevorderde advocaatkosten en proceskosten is de kantonrechter van oordeel dat, nu aannemelijk is geworden dat gedaagde met een deel van de uitlatingen de grens van het rechtmatige heeft overschreden en gedaagde op grond van de wet gehouden is zich te verontschuldigen, gedaagde tevens gehouden is de kosten te vergoeden die eiser heeft moeten maken om een vordering in te stellen tegen gedaagde strekkende tot rectificatie van de beledigende uitlatingen. Om die reden zullen de gevorderde advocaatkosten en proceskosten worden toegewezen.

5.18 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn.

  1. De beslissing

De kantonrechter:

6.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van dit vonnis op kosten van gedaagde de navolgende advertentie te doen plaatsen in de dagbladen “de Ware Tijd” en “Times of Suriname” en op de website van “Starnieuws” en te doen voorlezen via radio Apintie, Radio ABC, Bakana Torie Tv met Limbo en RBN televisie:

“Ik, Kenneth Slooten, verklaar hierbij dat de door mij op 21 en 24 april 2020 gedane uitspraken waarbij door mij, onder meer, gesteld is dat Rodney Cairo:

  • als gevaarlijke speler moet worden gezien waarbij ik heb gesuggereerd dat hij banden heeft met criminele organisaties;
  • dat de inval bij Rodney Cairo opgezet is door zijn criminele organisatie;
  • dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt;

niet op waarheid berusten en een ernstige inbreuk vormen op zijn eer, goede naam en maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit en derhalve onrechtmatig zijn. Ik neem mijn woorden terug. De uitlatingen doen leed aan. Ik bied de heer Rodney Cairo mijn oprechte welgemeende verontschuldigingen aan.”

6.2 Veroordeelt gedaagde om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van dit vonnis alle uitingen van hem, zoals opgesomd onder 6.1 van dit vonnis, gedaan via internet of enig ander openbaar of sociaal medium met vergelijkbare strekking te verwijderen van dat medium, te doen verwijderen van dat medium en verwijderd te houden van enig medium;

6.3 Verbiedt gedaagde om op welke wijze dan ook via het internet of enig ander openbaar of sociaal medium zich op de wijze zoals opgesomd onder 6.1 van dit vonnis, of op vergelijkbare wijze, over eiser uit te laten;

6.4 Veroordeelt gedaagde om, indien mocht blijken dat elders opnieuw via internet of een openbaar medium vergelijkbare uitingen van gedaagde, zoals opgesomd in 6.1 van dit vonnis, die eiser betreffen, worden verspreid, op eerste verzoek van eiser zich in te zetten om binnen 12 uur na het eerste verzoek het medium schriftelijk kenbaar te maken dat de uitingen verwijderd dienen te worden;

6.5 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000,= (een duizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.300.000,= (driehonderd duizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat gedaagde weigert te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 6.1, 6.2 en 6.4 van dit vonnis en elke dag dat gedaagde in strijd handelt met het verbod genoemd onder 6.3 van dit vonnis;

6.6 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD.8.000,= (achtduizend Surinaamse dollar), zijnde de advocaatkosten;

6.7 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.8 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.350,= (driehonderd en vijftig Surinaamse dollar);

6.9 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 18 mei 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-3891
20 februari 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

ABDOEL, AMZAD,
wonend te [adres] in het [district],
eiser,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

GAJADIEN, ASISKUMAR,
wonend te [adres] in het [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 17 oktober 2019, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 24 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op pagina 3 van “Dagblad Suriname Nationaal” van 24 mei 2019 staat een artikel met als kop:
Gajadien vraagt duidelijkheid over aangiftes tegen Abdoel en familielid
‘Ik zal het naar het Openbaar Ministerie sturen’

2.2 In het artikel staat onder meer:

“VHP-assembleelid Asiskumar Gajadien heeft gisteren tijdens de begrotingsbehandeling in De Nationale Assemblee (DNA) duidelijkheid gevraagd over twee aangiftes die in maart 2019 bij de politie van Marienburg zijn gedaag tegen NDP-fractieleider Amzad Abdoel en een zekere Istighar Abdoel. Laatstgenoemde wordt in de aangifte aangeduid als de broer van de NDP-fractieleider. Uit de processen-verbaal blijkt dat Istighar geld van de mensen nam om percelen en visvergunningen via de Nationale Democratische Partij (NDP) te laten regelen maar die kwamen niet in orde. Hij hield de mensen voor ambtenaar te zijn bij het ministerie van Regionale Ontwikkeling namelijk bestuursopzichter in het ressort Kwatta. Gajadien vraagt zich af waarom het Openbaar Ministerie tot nu toe niet heeft opgetreden en of er interventies vanuit politieke hoeken zijn gepleegd om het onderzoek te dwarsbomen. Hij benadrukte dat het hier gaat om zware strafrechtelijke zaken waar familieleden van de benadeelde om interventie hebben gevraagd. De VHP’er vindt dat tenminste Abdoel of de regering helderheid kunnen brengen in deze zaak.

2.3 (…) Amzad Abdoel reageerde fel op de aantijgingen aan zijn adres en stelde dat er geen aangiftes tegen hem lopen of ooit zijn gedaan. Hij vraagt zich af waarom de oppositie ‘below the belt’ gaat door namen van hem en familieleden zo in het openbaar door het slijk te halen (…)

Nadat Gajadien poogde om het stuk te overhandigen, hield waarnemend DNA-voorzitter Melvin Bouva hem voor dat hij de stukken niet in ontvangst zal nemen. “U hoeft niets te overhandigen. Ik ga geen stukken hier van familieleden zonder aantekening nemen. (…) Maar u kunt mij nu niet in de openbare vergadering een zaak overhandigen waarbij mogelijk een familielid van De Nationale Assemblee betrokken is.” stelde Bouva. Hij adviseerde Gajadien om de stukken bij de procureur –generaal in te dienen. Voor nu zal Gajadien de stukken doorsturen naar het Openbaar Ministerie. “Ik zal het naar het Openbaar Ministerie sturen”, aldus Gajadien.”

2.4 In artikel 42 lid 2 van het Reglement van Orde voor de Nationale Assemblee (S.B. 1990 no. 43), hierna het Reglement, is onder meer bepaald dat wanneer een lid zich beledigende uitdrukkingen veroorlooft, hij door de voorzitter wordt vermaand en in het geval van beledigende uitdrukkingen in de gelegenheid wordt gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven terug te nemen. Artikel 43 lid 1 van het Reglement voorziet onder meer daarin dat de voorzitter het lid het woord ontneemt wanneer hij de belediging niet terugneemt of de gedraging voortzet.

2.5 In een proces-verbaal van aangifte van oplichting van 7 maart 2019 van het Korps Politie Suriname, Regio Oost, Ressort Commewijne Afdeling Mariënburg, staat onder meer:

“Op 04 februari 2018 werd ik gebeld door een manspersoon, die doorgaf als te zijn Abdoel, Istighar. Hij hield mij voor dat hij bestuursambtenaar van beroep is en dat zijn broer genaamd Abdoel, Amzad een D.N.A. Lid is, die de botenvergunning voor mij zou kunnen regelen (…) voor een bedrag van Usd 2000, -.”

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiser vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na het gewezen vonnis over te gaan tot rectificatie van het door hem afgestaan interview opgenomen in het dagblad, de kantonrechter leest voor de rest van het vonnis verbeterd, “Dagblad Suriname” door plaatsing van een artikel in de vorm van een advertentie met een door de kantonrechter te bepalen lettertype en grootte in de dagbladen “De Ware Tijd”, “De West” en “Dagblad Suriname” luidend als volgt:

Hierbij verklaart ondergetekende GAJADIN, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van “ASISIKUMAR”, ASISKUMAR
Dat hij in een artikel gepubliceerd op 24 mei 2019 in de krant genaamd “Dagblad Suriname”, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van de zinsnede “in een artikel gepubliceerd in hetzelfde dagblad” de doorhaling daarvan, onder de kop “Gajadin vraagt duidelijkheid over aangiftes tegen Abdoel en familielid”, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van de zinsnede “gepubliceerd op 24 mei 2019” de doorhaling daarvan, uitlatingen en aantijgingen heeft gedaan jegens Abdoel Amzad;
Dat die aantijgingen jegens de hiergenoemde persoon van Abdoel Amzad beledigend en bovenal ongegrond zijn;
Dat die mededeling gedaan in het artikel hier genoemd de bedoeling heeft gehad de reputatie en goede naam van genoemde Abdoel aan te tasten;
Dat ondergetekende zich bewust is zich beledigend te hebben uitgelaten jegens de hierboven genoemde;
Dat, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van “ondergetekenden” ondergetekende, zijn verontschuldiging, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van “aanbied” aanbiedt, voor het door die aantijging ontstane ongerief.

3.2 Aan zijn vordering legt eiser – kort gezegd – ten grondslag dat gedaagde in een openbare vergadering van De Nationale Assemblee, DNA, en daarna in gesprek met “Dagblad Suriname” eiser, die de functie van parlementariër bekleedt, negatief, beledigend en denigrerend heeft besproken en geruchten heeft verspreid die niet op waarheid berusten. Gedaagde heeft opzettelijk het grote publiek willen informeren over:

  • twee aangiftes die in maart 2019 zijn gedaan tegen Amzad Abdoel en een broer;
  • interventies uit politieke hoek om het onderzoek te dwarsbomen;
  • openheid die Abdoel moet verschaffen over een onderzoek bij de politie.

Gedaagde heeft de informatie in DNA en in de publicatie verstrekt uit een grote mate van animositeit en om de reputatie van eiser te bekladden en ondermijnen. Eiser zijn goede naam en eer zijn door gedaagde door het slijk gehaald. Gedaagde heeft jegens hem niet die zorgvuldigheid in acht genomen die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Er is sprake van belediging, laster en smaadschrift. Eiser heeft belang bij rectificatie van de bewoordingen mede gelet op de maatschappelijke positie die hij bekleedt.

3.3 Gedaagde voert als formeel verweer aan dat eiser in privé de vordering tegen hem in privé heeft ingesteld, terwijl hij zich noch in DNA noch in gesprek met de verslaggever over eiser in privé heeft uitgelaten. Voorts voert gedaagde – kort gezegd – aan dat:

  • hij geen toespraak in privé in DNA heeft gehouden;
  • het gewraakte krantenartikel niet van zijn hand is;
  • niet blijkt dat hij, gedaagde, geciteerd wordt door de schrijver;
  • de woordkeus en formulering in het artikel hem daarom niet tegengeworpen kunnen worden.

Verder stelt gedaagde dat de door eiser geciteerde zinnen (hiervoor na de aandachtstreepjes onder 3.2) niet in het betreffend krantenartikel te lezen zijn. Gedaagde staaft zijn standpunt dat de naam van eiser is genoemd in processen-verbaal van het Korps Politie van Suriname van 6 en 7 maart 2019 door overlegging van deze stukken.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eiser zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 De aard van de vordering en het beloop daarvan zijn in het verzoekschrift voldoende omschreven. De kantonrechter ziet ook overigens geen formele of andere tekortkomingen in het verzoekschrift die aanleiding zijn tot het niet ontvankelijk verklaren van eiser.

4.3 Uitgangspunt voor beoordeling van de gebeurtenissen is de stelling van eiser in randpunt 4 bij verzoekschrift dat – kort gezegd – gedaagde het woord heeft gevoerd in DNA en daarna een interview heeft afgestaan aan een journalist van Dagblad Suriname. Deze samengevatte volgorde van beoordelingsmomenten vloeit ook voort uit de omschrijving van de feiten door gedaagde bij conclusie van antwoord.

4.4 De stellingen van eiser zijn niet gericht tegen de weergave van gebeurtenissen hiervoor onder 2.3 weergegeven. Uit het daar aangehaald citaat blijkt niet dat de waarnemend voorzitter van DNA aanleiding heeft gezien om gedaagde te vermanen naar aanleiding van opzettelijk beledigende, denigrerende of suggestieve uitspraken zoals bepaald in artikel 42 lid 2 van het Reglement noch dat een omstandigheid als in artikel 43 lid 1 van dit Reglement zich heeft voorgedaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de stelling van eiser dat gedaagde zich in DNA beledigend jegens hem heeft uitgelaten dan ook niet aannemelijk.

4.5 De kantonrechter is het gedeeltelijk met gedaagde eens dat uit het krantenartikel (met name de citaten hiervoor onder 2.2 en 2.3) niet blijkt dat of waar in de tekst gedaagde geciteerd zou zijn. Uit de laatste zin van het krantenartikel blijkt het enig citaat, wat ook de subtitel is. Deze conclusie leidt tot de constatering dat een beoordeling van het artikel zich vooral zou moeten concentreren op de vraag naar het editorial process (zie Willem F. Korthals Altes, 1990) en wel wat de journalist met de vergaarde informatie heeft gedaan; wat de journalist wel en niet heeft gepubliceerd; hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen; hoe hij zijn informant (in casu gedaagde) heeft beoordeeld en de informatie die hij in het interview heeft verschaft. Deze vraagstelling valt evenwel buiten de grenzen van het voorliggend partijdebat, zodat de kantonrechter aan een beoordeling daarvan niet toekomt. Ten overvloede zij hier opgemerkt dat ook indien bedoelde vraagstelling aan de orde zou zijn geweest, de beantwoording daarvan een dusdanig diepgaand feitenonderzoek met zich zou brengen waar het kort geding zich evenwel niet voor leent.

4.6 Gedaagde beroept zich op de door hem overgelegde processen-verbaal. Daarbij stelt hij terecht dat eiser de verkeerde toon citeert met “Dat er interventies zijn gepleegd van uit politieke hoeken om het onderzoek te doen”, omdat de journalist heeft geschreven: “Gajadien vraagt zich af waarom het Openbaar Ministerie tot nu toe niet heeft opgetreden en of er interventies vanuit politieke hoeken zijn gepleegd om het onderzoek te dwarsbomen.” De opmerkingen van gedaagde en voor zover daarin een verdenking besloten lag, vinden steun in de processen-verbaal die vooralsnog het beschikbare feitenmateriaal vormen. Ook acht de kantonrechter van belang dat gedaagde mede op aanwijzing van de waarnemend voorzitter van DNA een schrijven tot de Procureur-Generaal over de aangiften heeft gericht. Eerder is reeds overwogen dat gedaagde geen vermaning treft wegens belediging tijdens de openbare vergadering in DNA. Onder deze omstandigheden gaat dan ook niet op dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die jegens eiser betaamde. Een conclusie tot onrechtmatigheid aan de hand van de thans aannemelijk geworden feiten en omstandigheden zou – anders dan gedaagden hebben aangevoerd – juist blijk geven van een te strak gehanteerd onrechtmatigheidscriterium, dat onvoldoende ruimte laat voor afwegingen als hiervoor, terwijl juist het concreet geval die afwegingen met zich brengt, zoals uitgewerkt door de Nederlandse Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, nr.12097.

4.7 De slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen. Aan een bespreking van de overige standpunten van partijen wordt niet toegekomen, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.8 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 20 februari 2020 te Paramaribo door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1077
05 mei 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

1.DE VERENIGING SURINAAMS BEDRIJFSLEVEN (VSB),
kantoorhoudend aan de Prins Hendrikstraat 18 te Paramaribo,

2.DE ASSOCIATIE VAN SURINAAMSE FABRIKANTEN (ASFA),
kantoorhoudend aan de Jaggernath Lachmonstraat 187 te Paramaribo,

3.DE SURINAAMSE VERENIGING VAN ASSURANTIE MAATSCHAPPIJEN (SURVAM),
kantoorhoudend aan de Heerenstraat 48-50 te Paramaribo,
eisers,
gemachtigden: mrs. R.G.M. Tjon A Joe en M.T.M. Watchman, advocaten,

tegen

DE REPUBLIEK SURINAME, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

1.Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 30 maart 2020, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 02 april 2020;
  • de conclusie van antwoord.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag en het verweer

2.1 Eisers vorderen – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
gedaagde te verbieden de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren toe te passen, er toe strekkende dat de Gedaagde zich – totdat de betrokken Wet of een gedeelte daarvan door het Constitutioneel Hof is getoetst aan de Grondwet en de van toepassing zijnde verdragsbepalingen – heeft te onthouden van gedragingen die op de betrokken Wet zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging;

subsidiair:
gedaagde te verbieden om artikel 3 leden 1, 2, 5 en 6, artikel 5 lid 4, artikel 7 leden 2, 3 en 4, 9 en 10 van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren en/of andere met de Grondwet en/of de van toepassing zijnde verdragsbepalingen strijdige bepalingen, toe te passen, er toe strekkende dat de gedaagde zich – totdat de betrokken Wet of een gedeelte daarvan door het Constitutioneel Hof is getoetst aan de Grondwet en de van toepassing zijnde verdragsbepalingen – heeft te onthouden van gedragingen die op de betrokken Wet zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging;

meer subsidiair:
gedaagde te verbieden om artikel 3 leden 1, 2, 5 en 6, artikel 5 lid 4, artikel 7 leden 2, 3 en 4, 9 en 10 van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren en/of andere met de Grondwet en/of de van toepassing zijnde verdragsbepalingen strijdige bepalingen, toe te passen, er toe strekkende dat gedaagde zich – totdat de betrokken artikelen in een bodemprocedure verbindend dan wel onverbindend worden beoordeeld – heeft te onthouden van gedragingen die op die artikelen zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging;

primair, subsidiair en meer subsidiair:
e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 1.000.000, – per dag; met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

2.2 Aan hun vordering leggen eisers – kort gezegd – ten grondslag dat de door de President afgekondigde wet onmiskenbaar strijdig is met grondwettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen en Algemene Beginselen van Behoorlijk bestuur; artikel 7 van de Wet is in strijd met het recht op privacy zoals in artikel 17 van de Gw bepaald en onverenigbaar met artikel 11 van het AVRM; de artikelen 3, 5, 7, 9 en 10 van de Wet zijn in strijd met artikel 131 Gw en artikel 9 AVRM; in strijd met artikel 34 lid 2 Gw zijn artikel 4 leden 2, 3 en 4 en artikel 5 lid 4 van de Wet; ook is de Wet in strijd met de artikelen 10, 11 en 12 Gw.

3.3 Gedaagde voert verweer, dat – voor zover nodig – hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Eisers worden daarom ontvangen in kort geding.

4.2 In zijn formeel verweer concludeert gedaagde tot niet ontvankelijkheid van onder anderen eiseres sub 1 die zich volgens gedaagde als rechtspersoon heeft geduid, maar de daartoe strekkende stukken niet in het geding heeft gebracht.

4.3 De kantonrechter overweegt om redenen van proceseconomische aard eiseres sub 1 in de gelegenheid te stellen in haar belang de vereiste stukken over te leggen. Eiseres zal gelast worden de ter zake relevante stukken aan te bieden op uiterlijk dinsdag 12 mei 2020 om 12.00 uur bij de griffier of via e-mail of in hard copy in de Dropbox Kort Geding.

4.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Gelast eiseres sub 1 de vereiste stukken ter onderbouwing dat zij rechtspersoon is over te leggen op uiterlijk dinsdag 12 mei 2020 om 12.00 uur bij de griffier of via e-mail of in hard copy in de Dropbox Kort Geding.

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op dinsdag 05 mei 2020 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1076
05 mei 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

1.GAJADIEN, ASISKUMAR,
wonend aan [adres 1] in het [district 1],

2. ETNEL, PATRICIA NANCY,
wonend aan [adres 2]te [district 2],

3. NURMOHAMED, RIAD JOZEF,
wonend aan [adres 3] te [district 2],

4. BUDIKE, MARLON EDUARD,
wonend aan [adres 4]in het [district 3] ,

5. KALLOE, JITENDRA,
wonend aan [adres 5] in het [district 4] ,

6. JAGGERNATH, WEDANAND DJOTIES,
wonend aan [adres 6] in het [district 4] ,
allen in hun hoedanigheid van lid van De Nationale Assemblée en in persoon,
domicilie kiezend aan de Frederik Derbystraat 13-13A te Paramaribo ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 27 maart 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met negen producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 02 april 2020;
  • de conclusie van antwoord.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De feiten
2.1 Op 24 februari 2020 hebben de initiatiefnemers A. Abdoel, R. Ramsahai, J. Vreedzaam en D. Sumter bij De Nationale Assemblée (hierna DNA) een initiatiefvoorstel ingediend ‘’houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 No. 170)” zoals hierna onder 2.1 en 2.2. volgt: Initiatiefvoorstel krachtens artikel 78 van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116, zoals gewijzigd bij S.B. 1992 no. 38), ingediend door A. Abdoel, R. Ramsahai, J. Vreedzaam en D. Sumter allen leden van De Nationale Assemblée, houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170).

WET van………………………………….
houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170).
—————————————————-
ONTWERP

In overweging genomen hebbende, dat – in verband met een effectieve bestrijding van de oneigenlijke geldtransactie- het nodig is de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170) te wijzigen;

Heeft, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, de Staatsraad gehoord, bekrachtigd de onderstaande wet:

ARTIKEL I
In de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170), worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. Artikel 39 wordt gewijzigd als volgt: (1). Lid 2 komt te luiden:
2. Degene die een misdrijf in de zin van de artikelen 3 lid 2 en 31 lid 1 begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van de derde categorie, hetzij met beide straffen.

B. Na lid 2 wordt, onder vernummering van de overige leden, een nieuw lid 3 toegevoegd luidende:
3. Degene die een misdrijf in de zin van artikel 31 lid 2 begaat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de zesde categorie.

C. Na artikel 39 wordt een nieuw artikel 39a toegevoegd, luidende:

Artikel 39a
1. De in verband met overtreding van artikel 31 lid 2 in beslag genomen gelden en goederen ingevolge het Wetboek van Strafvordering, worden verbeurdverklaard, ook in het geval dat ten aanzien van bedoelde gelden en goederen door degene aan wie deze toebehoren de legale herkomst ervan niet kan worden aangetoond.

2. Het bepaalde in lid 1 laat onverlet de mogelijkheid tot teruggave van de gelden en goederen ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor zover daartoe gronden aanwezig zijn, met dien verstande dat indien de in beslaggenomen gelden vreemde valuta betreft, de teruggave in Surinaamse Dollar geschiedt.

ARTIKEL II
1. Deze wet wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd.
2. Zij treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van haar afkondiging.
3. De Ministers van Financiën en van Justitie en Politie zijn belast met de uitvoering van deze wet.
Gegeven te Paramaribo, de………………

2.2 WET van ……………………………….
houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170).
————————————————–
MEMORIE VAN TOELICHTING

Geldtransactiekantoren (wisselkantoren en geldovermakingskantoren) vervullen een belangrijke rol binnen de financiële markt. Met de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren is een belangrijke stap gezet in de ordening van deze sector en om de integriteit van het financieel stelsel van Suriname te waarborgen, alsmede het tegengaan van met name de met de financiële sector gerelateerde illegale activiteiten zoals moneylaundering en financiering van terrorisme. Tegelijk wordt de cliënt beschermt bij geldtransacties nu de Centrale Bank op de verrichtingen van de geldtransactiekantoren toezicht uitoefent.

Echter is gebleken dat er illegale geldtransacties dan wel illegaal opererende ”Geldtransactiekantoren” zijn die invloed hebben op het financieel stelsel in het bijzonder op haar integriteit, vooral omdat deze transacties buiten het zicht van de toezichtinstituten plaatsvinden. De gevolgen hiervan op het financieel stelsel zijn vaak niet van geringe omvang. Artikel 31 juncto 39 voorziet in de handhaving van voornoemde illegaliteit. Gelet op de ernst van deze overtredingen en de ernstige gevolgen voor het financieel stelsel en mede gelet op de omvang van de middelen die met de overtreding van deze wet gemoeid gaat, is op de eerste plaats voorgesteld om de huidige sanctie (twee jaren gevangenisstraf) op de overtreding van artikel 31 lid 2 te verhogen en vast te stellen op vier jaren met een geldboete variant van de zesde categorie(SRD. 1000.000,-)

Eveneens in het kader van de aanpak van de illegale geldtransacties, is een nieuw artikel 39a toegevoegd betreffende de in verband met de overtreding van artikel 31 lid 2 in beslag genomen gelden en goederen. Deze in beslag genomen gelden en goederen kunnen eveneens verbeurd worden verklaard, ook in het geval dat ten aanzien van bedoelde gelden en goederen door degene aan wie deze toebehoren de legale herkomst ervan niet kan worden aangetoond (artikel 39a lid 1). Behalve de in het geding zijnde strafbaar feit, dient de in beslag genomen gelden en goederen ook niet afkomstig te zijn van enig ander strafbaar feit. Alhoewel de verbeurdverklaring in deze ook gerelateerd dient te zijn aan het begaan hebben van enig ander strafbaar feit, levert zulks ruimte voor verder onderzoek of ten aanzien van de in beslaggenomen gelden andere strafbare feiten in het geding zijn, op grond waarvan de verbeurdverklaring eveneens kan worden uitgesproken.

Gelet op het feit dat bij overtreding van artikel 31 lid 2 de betrokkenheid van vreemde valuta in het geding is, is de toevoeging van artikel 39a lid 2 opgenomen. De mogelijkheid wordt hier opgenomen dat in het geval bij overtreding van artikel 31 lid 2 door justitie vreemde valuta middelen in beslag zijn genomen, de eventuele teruggave in Surinaamse dollar kan geschieden. Het voorgaande beperkt de mogelijkheid tot teruggave van de gelden en goederen ingevolge het Wetboek van Strafvordering niet, voor zover daartoe gronden aanwezig zijn, en is een aanvulling op het bepaalde ter zake de in beslagneming en teruggave in het Wetboek van Strafvordering.

2.3 In een ‘NOTA VAN WIJZIGING’ van 20 maart 2020, ingediend door eerder genoemde initiatiefnemers, staat onder meer vermeld dat het initiatiefvoorstel, ingediend op 24 februari 2020, houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170) wordt gewijzigd.

2.4 In een ‘NOTA VAN WIJZIGING’ van 21 maart 2020 staat onder meer vermeld dat het initiatiefvoorstel, ingediend op 24 februari 2020, houdende regels met betrekking tot verdere ordening van valutatransacties en het valutaverkeer, Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren wordt gewijzigd.

2.5 In de nota van wijziging van 20 maart 2020 betreffend de Wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170) staat in artikel 3 leden 5 en 6:
5. Het is verboden om prijzen van goederen of diensten uitsluitend in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar aan te geven. Te allen tijde dient de prijs in de Surinaamse Dollar tevens te worden aangegeven.
6. Het is verboden om advertenties te plaatsen of te doen plaatsen waarvan prijzen van goederen of diensten uitsluitend in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar wordt aangegeven. Te allen tijden dient de prijs in de Surinaamse Dollar tevens te worden aangegeven.’

2.6 In de nota van wijziging van 21 maart 2020 betreffend de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren en in de WCVT staat in artikel 3 leden 5 en 6:
‘5. Het is verboden om prijzen van goederen of diensten in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar aan te geven.
6. Het is verboden om advertenties te plaatsen of te doen plaatsen waarvan prijzen van goederen of diensten in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar wordt aangegeven.’

2.7 De citeertitel in artikel 11 van de Wijzigingswet bij nota van 20 maart 2020 en bij nota van 21 maart 2020 luidt: ‘Wet ordening valutatransactie en valutaverkeer 2020’, terwijl in de WCVT in artikel 11 de citeertitel ‘Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren’ is.

2.8 Bij Staatsbesluit 2020 no. 73 is gepubliceerd de Wet houdende regels met betrekking tot verdere ordening van valutatransacties en het valutaverkeer, Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. opschorting gelast van de toepassing c.q. verbindendheid dan wel rechtskracht van de WCVT totdat het Constitutioneel Hof over de (on)grondwettelijkheid en derhalve de rechtskracht daarvan heeft beslist;
subsidiair:
opschort of schorst in ieder geval toepassing verbiedt totdat de kantonrechter in een door eisers in te stellen bodemprocedure onherroepelijk heeft beslist over de (on)verenigbaarheid van de werking van:
II. de artikelen 3, 4 en 5 lid 1 WCVT met artikel 21 lid 1 AVRM;
III. artikel 7 lid 2 WCVT met artikel 11 lid 2 AVRM en artikel 17 lid 2 BUPO; en totdat de kantonrechter in een door eisers in te stellen bodemprocedure onherroepelijk heeft beslist over de (on)geoorloofdheid van de werking van:artikel 7 lid 2 WCVT met artikel 17 lid 2 van de Grondwet, hierna ook Gw.
Voorts vorderen eisers veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen – kort gezegd – aan hun vordering ten grondslag dat de WCVT nietig is. De op 23 maart 2020 afgekondigde wet ontbeert rechtskracht, omdat de voorzitter van DNA niet de WCVT in stemming heeft gebracht. De wet is in strijd met de Grondwet en het Reglement van Orde voor DNA tot stand gekomen. Op grond van het vonnis van het Hof van Justitie d.d. 20 maart 2020 bestond DNA op 21 maart 2020 niet uit 51 maar uit 49 leden. In DNA is tijdens de behandeling van de nota’s van wijziging (hiervoor onder 2.3 en 2.4) geen rekening gehouden met de parlementaire rechten en belangen van eisers, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om de nieuwe ontwerpwet te bestuderen en onderzoeken. Voorts leggen eisers aan hun vordering ten grondslag dat de WCVT in strijd is met hun burgerlijke belangen. Zij voelen zich beknot in het uitoefenen van eigendomsrechten zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 AVRM. Bevoegdheden voortvloeiend uit WCVT betekenen voor eisers willekeurige of beledigende inmenging in hun privéleven, wat in strijd is met artikel 11 lid 2 AVRM, artikel 17 lid 1 BUPO en artikel 7 lid 2 Gw.

3.3 Gedaagde voert verweer, dat – voor zover nodig – hierna zal worden besproken.

De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Eisers worden daarom ontvangen in kort geding.

4.2 Gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers in hun vordering omdat geen sprake is van ongrondwettigheid van de WCVT noch van onverenigbaarheid met AVRM-bepalingen. Als formeel verweer voert gedaagde – samengevat – aan dat de kantonrechter geen materieel toetsingsrecht toekomt. In de voorliggende zaak doen zich niet de uitzonderingssituaties voor als in de Grondwet voorzien. De rechter moet dan ook volgens de wettelijke regelingen recht­spreken en mag de innerlijke waarde of bil­lijkheid daarvan niet beoordelen. Artikel 80 lid 2 Gw ontneemt aan de kantonrechter de bevoegdheid tot formele toetsing, concludeert gedaagde.

4.3 De vorderingen van eisers strekken kort gezegd tot het opschorten van de WCVT.
Alvorens tot de inhoudelijke behandeling daarvan over te gaan stelt de kantonrechter het volgende voorop.

4.4 De door partijen ingenomen standpunten leiden tot de vraag welke wetgeving in het voorliggend geding aan de orde is, specifiek of sprake is van een door DNA goedgekeurde wet conform artikel 77 Gw dan wel een ingediend initiatiefvoorstel ex artikel 78 GW. In artikel 77 GW is voorgeschreven dat DNA de president in kennis stelt van door haar goedgekeurde wetsontwerpen en in artikel 78 GW is bepaald dat ieder lid van DNA het recht heeft ontwerpen van wet aan het college ter behandeling voor te leggen.

4.4.1 Het standpunt van eisers komt aan op ongrondwettigheid van de WCVT. Zij stellen dat in DNA nimmer over de WCVT is gestemd, omdat de voorzitter van DNA op zaterdag 21 maart 2020 omstreeks 4.00 uur A.M. in DNA ter aankondiging van de stemming heeft gesteld:
“We gaan stemmen over de wet houdende wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren S.B. 2012, no. 170”.

4.4.2 Gedaagde heeft de aankondiging van de stemming door de voorzitter DNA zoals door eisers is gesteld, niet weersproken. Gelet hierop is het vooralsnog niet aannemelijk dat de aanname met algemene stemmen van de in stemming gebrachte wet op 21 maart 2020 betrekking heeft op de door de president afgekondigde Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren.

4.4.3 De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de onder 2.3 en 2.4 aangehaalde en onweersproken initiatiefvoorstellen moet geconcludeerd worden dat naast het initiatiefvoorstel van 24 februari 2020 ter wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren, de nota van wijziging van 20 maart 2020 en de WCVT van 21 maart 2020 zijn aangeboden voor behandeling in DNA.

4.4.4 Het standpunt van eisers dat de goedgekeurde ontwerpwet een geheel nieuwe wet betreft, is volgens gedaagde waar, voor zover dit de intitule van de ontwerpwet betreft. Daar voegt gedaagde nog aan toe dat het nagestreefde doel van de ingediende ontwerpwet en dat van de goedgekeurde ontwerpwet eender is. Voor zover gedaagde de doelen van de initiatiefvoorstellen van 20 en 21 maart 2020 mocht hebben bedoeld is zijn standpunt niet onjuist. Echter, uit de hiervoor onder 2.5 en 2.6 geciteerde tekstdelen blijkt van inhoudelijk relevante verschillen tussen de twee voorstellen. Voorts is – nog voor aan enige inhoudelijke beoordeling van de WCVT wordt toegekomen – onweersprekelijk – in het oog springend dat van overeenkomsten met het wijzigingsvoorstel van 24 februari 2020 (hiervoor onder 2.1 en 2.2) geen sprake is. Veeleer is aannemelijk, zoals gedaagde zelf aanvoert, dat indringende en drastische wijzigingen hebben geresulteerd in de voorstellen van 20 en 21 maart 2020. Een eender nagestreefd doel met het initiatiefvoorstel van 24 februari 2020 is dan ook niet aannemelijk.

4.4.5 Voor zover gedaagde meent dat de wijziging van een artikel en de toevoeging van een nieuw artikel in de voorgestelde wijzigingsnota Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 van 24 februari 2020 of het initiatiefvoorstel van 20 maart 2020 in werking niet verschillen met het initiatiefvoorstel van 21 maart 2020, is dat standpunt onhoudbaar.

4.4.6 Een en ander brengt mee dat in dit kort geding ervan moet worden uitgegaan dat de in artikel 80 Gw beoogde kracht van wet na afkondiging – die is gevolgd op bekrachtiging door de president – vooralsnog niet tot stand gekomen is in het geval van de Wet houdende Wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren S.B. 2012, no. 170 noch in het geval van de WCVT.

4.5 De kantonrechter komt aldus in dit kort geding niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de WCVT, die al dan niet kan leiden tot het ongeoorloofd verklaren van delen van die wet. Eisers stellen het Constitutioneel Hof te zullen adiëren. Gedaagde voert weliswaar aan dat het Constitutioneel Hof nog niet in functie is, maar heeft zijn standpunt niet onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbijgaat.

4.5.1 Eisers stellen dat de samenleving de afkondiging van de WCVT niet beschouwt als een haar dienend belang. Volgens gedaagde levert het feit dat enkele bedrijven en banken hun deuren gedurende een dag gesloten hebben gehouden voor het publiek geen bewijs voor die stelling.Wat daar ook van zij, de kantonrechter acht het op grond van al het voorgaande in het algemeen belang dat mogelijk verdere toepassing van de WCVT wordt voorkomen nu vooralsnog de rechtsgeldigheid van de wet niet vaststaat. Het primair gevorderde zal daarom worden toegewezen.

4.6 Ten slotte en weliswaar ten overvloede merkt de kantonrechter op dat tussen partijen onweersproken is dat uit de tekst van de WCVT niet volgt noch blijkt dat de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren S.B. 2012, no. 170 is ingetrokken en aldus ongewijzigd en onverminderd van toepassing is.

4.7 Het voorgaande brengt met zich dat aan een beoordeling van overige standpunten van partijen niet wordt toegekomen.

4.8 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Schort op de toepassing c.q. verbindendheid dan wel rechtskracht van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren, zoals afgekondigd bij S.B. 2020, no. 73 totdat het Constitutioneel Hof over de grondwettelijkheid dan wel niet-grondwettelijkheid en derhalve de rechtskracht daarvan heeft beslist.

5.2 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 455, – (vierhonderdvijfenvijftig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op dinsdag 05 mei 2020 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-1282
23 april 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiseres],
wonend aan [adres] te [district] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. F.A. Bhagwandin-Telting, advocaat,

tegen

I. [gedaagde sub 1], in persoon en in de hoedanigheid van Hoofdredacteur bij DWT PUBLISHING N.V.,
gevestigd aan de Wagenwegstraat 57 te Paramaribo,
II. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DWT PUBLISHING N.V.,
gevestigd aan de Wagenwegstraat 57 te Paramaribo,
gedaagden,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 02 april 2019, met vijf producties;

  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 25 april 2019;
  • de conclusie van antwoord met twee producties;
  • de conclusie van repliek;
  • gedaagden hebben na verleend uitstel op de rolzitting van 04 juli 2019 niet van dupliek geconcludeerd op 01 augustus 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze zaak staat het navolgende als enerzijds gesteld en anderzijds onbetwist vast.

2.1 Op 29 november 2018 is in het dagblad De Ware Tijd een artikel gepubliceerd, geschreven door gedaagde sub I met als titel ‘Het Chinese fiasco, Maretraite Mall was gedoemd te falen’.

2.2 In de bijlage Mens & Maatschappij van het dagblad De Ware Tijd van zaterdag 30 maart / zondag 31 maart 2019 schrijft gedaagde sub I in zijn wekelijkse column onder de titel “De Snijd” over “Stront”. Hierin staat onder meer:

Van een zichzelf respecterende advocaat met een beetje hersens zou je verwachten dat ze beseft dat dergelijke beschuldigingen niet door de beugel kunnen. Om over haar vulgaire taalgebruik maar te zwijgen… Bovendien, als zij vindt dat ik echt onzin heb geschreven, zou ze als advocaat zeker naar de rechter zijn gestapt. Het is veelzeggend dat ze dit niet heeft gedaan. [naam 1], [eiseres] en nog een paar andere individuen die ik hier niet heb genoemd maar minstens zo irritant zijn, beschouw ik als gefrustreerde malloten. Ze zijn te dom om te beseffen dat ze het negatieve nieuws grotendeels over zichzelf hebben afgeroepen. Dus het zou fijn zijn als ze de stront in eigen huis houden in plaats van naar de boodschapper te smijten.’

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiseres vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • veroordeling van gedaagden, meer in het bijzonder gedaagde sub I om in de eerstvolgende editie van gedaagde sub II alsook in de digitale online editie en andere sociale media van gedaagde sub II bij wege van advertenties en op kosten van gedaagde het navolgende bericht te publiceren:

‘Ik, [gedaagde sub 1], hoofdredacteur bij het ochtendblad de Ware Tijd en columnist van De Snijd met als titel Stront in het onderdeel MENS & MAATSCHAPPIJ zoals gepubliceerd in de editie van zaterdag 30 maart en zondag 31 maart 2019, maak bekend dat de inhoud en tekst van het bedoeld artikel onnodig lasterlijk en krenkend zijn ten aanzien van mevrouw [eiseres], zowel in persoon als in de hoedanigheid van advocate bij het Hof van Justitie van Suriname. Ik, [gedaagde sub 1], corrigeer hierbij de voormelde uitingen in eerdergenoemd artikel en heb spijt van het gebeurde en biedt hiervoor mevrouw [eiseres] mijn oprechte verontschuldiging aan.’

althans dat gedaagden, meer in het bijzonder gedaagde sub I, te bevelen een zodanige verklaring openbaar te maken in het ochtendblad de Ware Tijd alsook in haar digitale editie en andere sociale media waar zij publiceert, zoals facebook. Dit alles met de strekking tot verbetering van de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van verzoekster als persoon en als advocate bij het Hof van Justitie van Suriname en op welke wijze de kantonrechter geraden mocht oordelen;

  • gedaagden gezamenlijk en/of ieder afzonderlijk te bevelen zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling welke de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van verzoekster aantasten;
  • e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 100.000, – voor elke keer of dag dat de gedaagde in strijd mocht handelen met de veroordelingen, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd;
  • veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2 Aan haar vordering legt eiseres – kort gezegd – ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig jegens haar handelen door opzettelijk de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eiseres als persoon en als advocaat bij het Hof van Justitie aan te tasten. Gedaagde sub I heeft privé informatie uit WhatsApp berichten die eiseres niet met hem maar met een van zijn collega’s heeft gedeeld aan het grote publiek kenbaar gemaakt. De expliciete vermelding van de naam van eiseres in het bewuste artikel is overbodig en onnodig geweest om de boodschap van gedaagde sub I in zijn column over te brengen. Gedaagde sub I heeft kennelijk ruchtbaarheid willen geven aan het privé WhatsApp bericht om daarmee eiseres als persoon en als advocaat te belasteren en beledigen. Eiseres voelt zich door het handelen van gedaagden ernstig beledigd, gegriefd en bezwaard. Volgens eiseres maken gedaagden misbruik van persvrijheid door derden bij de naam te noemen, hen te bekladden en beledigen, te zeggen wat zij maar willen zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan.

3.3 Gedaagden voeren als verweer – kort gezegd – dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij de vordering. De zaak zal in een bodemprocedure breedvoerig onderzocht moeten worden met het nodige getuigenbewijs. Gedaagden stellen dat in diverse publicaties in november 2018 nieuwsberichten zijn gepubliceerd over een op handen zijnde veiling van de grond waarop de Maretraite Mall staat. Volgens gedaagden is de mall sinds de opening circa 10 jaar geleden nimmer een succes geworden. Gedaagde sub 1 heeft hierover een analyse geschreven onder de titel ‘Het Chinese fiasco, Maretraite mall was gedoemd te falen’ gepubliceerd in de editie van De Ware Tijd van 29 november 2018. Eiseres insinueert in de WhatsApp berichten dat gedaagde sub I door de eigenaar van het restaurant Lucky Twins is betaald om negatief over de Maretraite Mall te schrijven en dat gedaagde sub II hieraan zou hebben meegewerkt. Gedaagden voeren aan dat eiseres daarbij gedaagde sub I heeft beledigd door hem ‘klootzak’ en ‘idioot’ te noemen. Daarmee reeds heeft eiseres volgens gedaagden aanleiding gegeven voor publicatie van de WhatsApp berichten. Tijdens een overleg met redactieleden van gedaagde sub II is het besluit genomen om geen nieuwsbericht over deze kwestie te publiceren. De uitspraken van eiseres zijn echter in de samenleving een eigen leven gaan leiden. Gedaagde sub I is in de weken nadat de WhatsApp berichten zijn verstuurd door externe partijen aangesproken over kennelijke betaling voor het publiceren van negatief nieuws over eiseres en de Maretraite Mall. De goede naam en eer van gedaagden worden hierdoor aangetast, wat gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van gedaagde sub 2. Gedaagde sub I heeft in de litigieuze publicatie als voorbeeld van hindernissen die journalisten tijdens hun dagelijkse werk naar hun hoofd geslingerd krijgen de WhatsApp berichten van eiseres aangehaald. Ook heeft hij eiseres van repliek gediend in zijn column. Gedaagden zijn respectievelijk columnist en uitgever en beroepen zich op artikel 19 van de Grondwet, waarin het recht op persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn neergelegd. Toewijzing van de vordering zal leiden tot onaanvaardbare schending van de persvrijheid. Gedaagden concluderen tot afwijzing van de vordering.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter ziet in de aard van de vordering aanleiding om eiseres in haar vordering in kort geding te ontvangen.

4.2 Allereerst blijkt uit het verzoekschrift onder punt 4 de aanleiding van de WhatsApp berichten die eiseres naar een collega van gedaagde sub I, de kantonrechter begrijpt, een journalist van gedaagde sub II heeft verzonden:

“Verzoekster heeft naar aanleiding van de publicatie van een artikel in hetzelfde ochtendblad van 29 november 2018 geschreven door gedaagde sub I onder de kop “Het Chinese fiasco, Maretraite Mall was gedoemd te falen”, (…) in een privé WhatsApp bericht aan een collega van gedaagde gereageerd. Die collega heeft kennelijk gedaagde sub I hiervan op de hoogte gesteld. En gedaagde sub I op zijn beurt heeft nu gemeend dit kenbaar te maken aan het grote publiek via gedaagde sub II in de editie zoals genoemd in het 3e sustenu. (…)

5. Door deze publicatie hebben gedaagden gezamenlijk, dan wel heeft gedaagde sub I zowel in persoon als in de hoedanigheid van hoofdredacteur van het eerdergenoemd ochtendblad, opzettelijk de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie, en persoonlijke- en functionele integriteit van verzoekster als persoon en als advocate (…) aangetast (…) en wel door het aanhalen van passages uit een privé appbericht van verzoekster aan een collega van gedaagde sub I, dus niet aan gedaagde sub I zelf en ook niet publiekelijk gedaan.”

4.2.1 Gedaagden voeren aan dat het binnen hun organisatie gebruik is om overleg te hebben over valse beschuldigingen. Over de berichten die eiseres heeft verstuurd is daarom overleg geweest. In de litigieuze publicatie zijn volgens gedaagden geen onjuiste of onware feiten naar voren gebracht. Voor gedaagden is daarom onbegrijpelijk dat eiseres het citeren van woorden die door haar zelf zijn gebruikt als smaad jegens haar persoon beschouwt. Gedaagden stellen dat het de woorden van eiseres zelf zijn die als smaad moeten worden aangemerkt, specifiek jegens gedaagde sub I.

4.2.2 De onder 4.2 aangehaalde passage uit het verzoekschrift legt bloot dat volgens eiseres de belediging vooral ook bestaat in het publiceren van haar privé WhatsApp berichten.

De inhoud van de uitgewisselde berichten is onweersproken overgelegd, zoals hierna volgt.

(De berichten van de derde zijn tussen haakjes geplaatst.).

Wie heeft dit bericht geplaatst ?

Een foto van een krantenartikel is hierna te zien.

Wie is deze idioot [gedaagde]

Deze klootzak is duidelijk slecht geinformeerd want de veiling gaat niet door. Iemand uit het kamp van [naam 2] die op deze laffe manier nog meer schade aan de Mall wil toebrengen?
Zijn Analyse / persoonlijke mening over de Mall moet hij elders deponeren dat jullie medium zich hiervoor leent is schandalig

[Morning [eiseres]]

[U geeft m nieuws]

[U heeft de veiling kunnen stuiten.]

[Wat is er afgesproken]

Ik wil eerst over het waardeloos artikel praten

[De schrijver van het berivht is in middag op kantoor]

[Maar dat de veilig niet doorgaat]

[Is nieuws dat we samenleving dienen te informeren]

Heeft hij geld gehad om die rotzooi te publiceren

4.2.3 Uit de hier geciteerde WhatsApp berichten blijkt voldoende dat eiseres de woorden ‘klootzak’ en ‘idioot’ heeft gebruikt om gedaagde sub I te duiden. In het algemeen draagt het woord ‘klootzak’ de kwalificatie van plat of vulgair scheldwoord. Volgens de Hoge Raad in NJ 2009, 466, is het bezigen van in het spraakgebruik erkende scheldwoorden beledigend in de zin van art. 266, eerste lid van het Nederlands Wetboek van Strafrecht (artikel 325 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht). Een uitdrukking of term is beledigend in de betekenis van voornoemde bepaling, indien deze zonder meer geschikt is om daarmee andermans waardigheid te miskennen. Termen die naar algemeen spraakgebruik als scheldwoorden te kwalificeren zijn, zijn daarvoor geschikt. In het bezigen van dergelijke termen ligt reeds — behoudens contra-indicaties — de strekking om te beledigen besloten. De overweging van het Gerechtshof Arnhem, NJFS, 2007, 252, verheldert de connotatie van een dergelijke woordkeuze als volgt: Over de door verdachte gebruikte woorden (…) kan geen misverstand bestaan. Die zijn beledigend. Door de toevoeging van deze laatste uitlating kan het niet anders dan dat de door de verdachte gebruikte woorden de strekking hebben de ander aan te randen in zijn eer en goede naam. De woorden ‘fuck je moeder’ hebben naar het oordeel van het hof namelijk (vrijwel) dezelfde betekenis als het — ook in Nederland gebruikte — scheldwoord ‘motherfucker’, hetgeen volgens de Van Dale (Groot Woordenboek van de Nederlandse taal) ‘klootzak’ betekent.” (…) De door verdachte gebruikte woorden zijn dus beledigend en hebben de strekking de ander aan te randen in zijn eer en goede naam.”

Het woord “idioot” is een term die naar algemeen spraakgebruik als scheldwoord te kwalificeren is en kan in een bepaalde context de strekking hebben iemands eer aan te tasten. In een context waarin eiseres gedaagde sub I “klootzak” noemt, kan het woord “idioot” geen andere strekking hebben dan zijn eer aan te tasten. De conclusie is dan ook dat eiseres in haar WhatsApp berichten scheldwoorden heeft gebruikt die de strekking hebben de eer en goede naam van een ander, in casu gedaagde sub I, aan te tasten.

4.3 De vraag die in dit kort geding centraal staat is of gedaagden met de publicatie van de column onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld met andere woorden of de publicatie in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid. Het spanningsveld ligt tussen het recht op bescherming van de eer en goede naam van eiseres als advocaat en persoon enerzijds en het recht neergelegd in artikel 19 GW, het recht van vrijheid van meningsuiting en de daaruit voor de persvrijheid voortvloeiende waarborgen voor gedaagden anderzijds. Vooropgesteld wordt dat in het algemeen het hebben van een goede naam voor journalisten even essentieel zal moeten zijn als voor advocaten. Voor eiseres is haar belang vooral daarin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan een aantasting van haar eer en goede naam door ongewenste en onjuiste publicaties. De beperking die bij wet is voorzien geldt wanneer sprake is van onrechtmatige uitlatingen. Gedaagde sub I daarentegen heeft er belang bij zich in zijn column in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over onderwerpen en misstanden die de samenleving raken. Welke van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ook zal beantwoord moeten worden of de beweringen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.

4.3.1 Over een column in het algemeen oordeelt de Hoge Raad in NJ 2008, 274 dat:

een publicatie pas mag worden gekwalificeerd als, althans gelijk gesteld mag worden met, een column (althans als een column waaraan niet dezelfde (hoge) eisen mogen worden gesteld als aan onderzoeksjournalistiek en waarin scherpere bewoordingen mogen worden gebruikt dan in andere publicaties en de grens van het toelaatbare minder snel wordt overschreden) indien die publicatie ten minste aan de genoemde kenmerken voldoet. Essentieel is immers dat een publicatie ook door de (gemiddelde) lezer wordt herkend als behorend tot het journalistieke genre van de column, zodat de lezer de inhoud op waarde kan en weet (te) schatten en de minder strenge onderzoekseisen en scherpere bewoordingen in dat licht gerechtvaardigd zijn. Alleen als het publiek een column — naar inhoud én naar vorm — ook als zodanig kan herkennen mag worden aangenomen dat het publiek minder snel dan bij perspublicaties in het algemeen zal aannemen dat de gedane feitelijke beweringen juist (immers deugdelijk onderzocht) en de gebezigde kwalificaties en geuite beschuldigingen gegrond (immers weloverwogen) zijn.’

4.3.2 Tussen partijen is niet weersproken dat de publicatie in de onderhavige zaak een column betreft. Grenzen worden in het geval van een column – blijkens rechtspraak – overschreden, indien uitlatingen daarin onvoldoende steun vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal of in het geval de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen en met het oog op het te dienen belang de gebezigde bewoordingen nodeloos grievend zijn. Gedaagde sub I schrijft onder de titel De Snijd, wekelijks over maatschappelijke issues en zijn ervaringen als hoofdredacteur ten aanzien van gebeurtenissen in het journalistieke veld. Gedaagden stellen zich daarbij op het standpunt dat een column bestaat uit een tekst die vanuit een persoonlijk standpunt van de auteur tot stand is gekomen. In de bewuste column heeft gedaagde sub I het lezerspubliek deelgenoot gemaakt van scheldpartijen, bedreigingen en andere hindernissen die journalisten tijdens hun dagelijkse werk naar hun hoofd geslingerd krijgen. De WhatsApp uitbarsting van eiseres haalde gedaagde sub I als een voorbeeld daarvan aan. Gedaagde heeft daarbij aangevoerd dat het niet ongebruikelijk is dat in de column vaak op het scherpst van de snede wordt geschreven.

4.3.3 Eiseres heeft bij repliek de passage ‘maar minstens zo irritant zijn, beschouw ik als gefrustreerde malloten. Ze zijn te dom om te beseffen dat ze het negatieve nieuws grotendeels over zichzelf hebben afgeroepen. Dus het zou fijn zijn als ze de stront in eigen huis houden in plaats van naar de boodschapper te smijten’ vetgedrukt. Voor eiseres zijn kennelijk deze uitlatingen van gedaagde sub I in het onderhavige geding aan de orde. ‘Gefrustreerde malloten’ en ‘te dom’ zijn overdreven uitdrukkingen die beledigend kunnen zijn, maar in de gegeven context niet nodeloos grievend of bedoeld om te kwetsen. Voldoende aannemelijk is dat gedaagde sub I zijn waardeoordeel geeft over personen – onder wie eiseres – zonder daarmee de bedoeling te hebben een gedragswetenschappelijke gesteldheid van die personen te stellen. ‘Met stront smijten’ of ‘de stront in eigen huis houden’ zijn door gedaagde sub I gebezigde zegswijzen waarbij het woord stront niet als krachtterm is gebruikt noch als waardeoordeel of verwensing over eiseres.

4.3.4 Voorts is voor een juiste beoordeling nodig dat ook de passage die niet in het verzoekschrift is aangehaald, in de beschouwing wordt meegenomen. In de column over eiseres onder meer ook: ‘Eind vorig jaar vroeg de Surinaamse advocaat [eiseres] via de app aan een dWT-collega wie die “idioot [gedaagde]” is. (…) De jurist was duidelijk not amused: “Deze klootzak is duidelijk slecht geïnformeerd…”, zo schreef ze.’. In samenhang met de WhatsApp berichten hiervoor onder 4.2.2 beschouwd is de stelling van gedaagde sub I aannemelijk dat hij eiseres heeft geciteerd in zijn column. Verder vloeit uit de inhoud van de berichten – rekening houdend met de ontvanger die journalist bij gedaagde sub II is – niet vanzelfsprekend voort dat die berichten strikt privé, kennelijk uitsluitend tussen eiseres en die journalist, bedoeld zijn geweest. Nota bene heeft de betreffende journalist het nodig gevonden de berichten vanwege de inhoud aan de redactieleden voor te leggen. Eiseres zelf sluit ook niet uit dat gedaagden onzorgvuldig gehandeld hebben met de informatie waardoor een en ander in de samenleving een eigen leven is gaan leiden. Voor het vaststellen van mogelijk onzorgvuldig handelen door gedaagden is evenwel uitgebreider onderzoek vereist, waarvoor gedaagden getuigenbewijs hebben gesteld. De gebeurtenissen na de uitgewisselde WhatsApp berichten zullen in een bodemprocedure nader onderzocht moeten worden, nu het kort geding zich hiervoor niet leent.

4.3.5 Voorshands geoordeeld, moet het er voor gehouden worden dat gedaagde sub I feitelijke gronden heeft voor zijn gewraakte uitlatingen en dat hij derhalve de grenzen van zorgvuldigheid die hij jegens eiseres in acht had moeten nemen niet heeft overschreden. De passages, aangehaald onder 2.2 en 4.3.4, hebben uitgaande van het gevoerde partijdebat voldoende feitelijke basis.

4.4 Hoewel het oordeel op grond van het voorgaande luidt dat de uitlatingen in de column in onderling verband en samenhang bezien kwetsend kunnen zijn jegens eiseres, overschrijden deze de grens van het toelaatbare niet, nu hieraan een feitelijk substraat ten grondslag ligt en de scherpe bewoordingen, gelet op het doel van die column – het lezerspubliek deelgenoot maken van hindernissen die journalisten tijdens hun dagelijkse werk naar hun hoofd geslingerd krijgen – niet zijn aan te merken als jegens eiseres nodeloos grievend. De gevorderde publicatie zal daarom worden afgewezen.

4.5 Aan een beoordeling van misbruik van persvrijheid wordt op grond van het voorgaande niet toegekomen.

4.6 Het voorgaande leidt er voorts toe dat het gevraagde bevel om zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling die de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van verzoekster aantasten moet worden afgewezen, nu een voldoende rechtvaardiging voor dergelijke ingrepen in de persvrijheid niet aanwezig wordt geacht.

4.7 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 23 april 2020 te Paramaribo door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1051

23 april 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

ROSEBEL GOLDMINES WERKNEMERS ORGANISATIE,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie tevens verweerder in reconventie,
hierna te noemen: “de bond”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

WIRHT, WINSTON WILGO,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: “Wirht”,
gemachtigde: mr. S.N. Essed, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak op 09 april 2020 gewezen en uitgesproken tussenvonnis.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • de overgelegde notulen zijdens de bond;
  • de conclusie tot uitlating producties, zijdens Wirht.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling

In conventie en in reconventie

2.1 De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het in deze zaak op 09 april 2020 gewezen en uitgesproken tussenvonnis.

In conventie

2.2 Uit de door de bond overgelegde notulen van de Algemene Leden Vergadering (ALV) van 27 februari 2020 blijkt dat Wirht met 28 stemmen voor en 1 stem ongeldig is afgezet als voorzitter.

ALV van 27 februari 2020 rechtsgeldig?

2.3 Wirht voert als verweer dat de ALV van 27 februari 2020 in strijd met de statuten is belegd, omdat:

  1. de ALV niet is belegd door het voltallig bestuur van de bond, omdat hij als voorzitter niet is betrokken bij het uitschrijven van deze ALV;
  2. de convocatie van de ALV niet conform de statutaire termijn van zes dagen heeft plaatsgevonden;
  3. bij het houden van de tweede ALV er een termijn van dertig dagen in acht genomen moest worden, hetgeen in deze niet is gebeurd.

2.4 Anders dan Wirht, is de kantonrechter van oordeel dat de ALV van 27 februari 2020 conform de statuten en derhalve rechtsgeldig is belegd. Dat Wirht als voorzitter van de bond niet betrokken is geweest bij het uitschrijven van deze ALV doet aan het voorgaande niet af, omdat uit de statuten niet blijkt dat het voltallig bestuur een ALV dient uit te schrijven. Evenmin is in de statuten geregeld hoe gehandeld moet worden bij ontstentenis of belet van een van de bestuurders. De kantonrechter is met de bond eens dat een vereniging niet zonder bestuur mag komen te zitten ingeval van alle bestuursleden zouden besluiten onmiddellijk af te treden, terwijl een bestuur in beginsel ook uit één persoon kan bestaan. Bij de bond als meervoudig bestuur, rust de bestuurstaak op de bestuurders gezamenlijk.

Het verweer van Wirht dat de convocatie van de ALV van 27 februari 2020 niet conform de statutaire termijn van zes dagen heeft plaatsgevonden en dat bij het houden van de ALV van 27 februari 2020 een termijn van dertig dagen in acht genomen moest worden, wordt eveneens verworpen.

Vaststaat dat de eerste ALV is gehouden op 21 februari 2020 en dat op deze vergadering geen rechtsgeldige besluiten zijn genomen wegens gebrek aan quorum. Bij de uitnodiging ter bijwoning van de ALV van 21 februari 2020 is de termijn voor oproeping van tenminste zes dagen in acht genomen, zoals bedoeld in artikel 9 van de statuten. Verder staat ook vast dat de oproeping tot bijwoning van de op 27 februari 2020 gehouden vergadering is uitgegaan op 24 februari 2020. Hierbij is dus een termijn van vier dagen in acht genomen.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de tweede ALV van 27 februari 2020 geheel conform de statuten plaatsgevonden indien gelet wordt op het bepaalde in artikel 9 van de statuten. In artikel 9 van de statuten is onder meer bepaald dat indien het minimum aantal stemgerechtigde leden niet aanwezig is op de eerste ALV, er binnen dertig (30) dagen een tweede vergadering wordt belegd, waarin ongeacht het aantal aanwezige stemgerechtigde leden, rechtsgeldige besluiten kunnen worden genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de tweede ALV van 27 februari 2020 dus binnen de dertig plaatsgevonden en derhalve ook rechtsgeldig. Dat de ALV’s niet op de gebruikelijke plek, namelijk op het emplacement van Rosebel Goldmines N.V. heeft plaatsgevonden, betekent niet dat deze vergaderingen niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden nu vaststaat dat de directie van Rosebel Goldmines N.V. geen toestemming heeft gegeven aan de bond om op haar emplacement deze vergaderingen te houden. Bovendien is uit de statuten niet gebleken dat een ALV op het emplacement van Rosebel Goldmines N.V. dient plaats te vinden.

Wirht met ontslag?

2.5 Wirht voert, kort gezegd, als verweer dat de gebeurtenissen die de bond heeft opgesomd, waarvan zij meent dat er een onwerkbare situatie zou zijn ontstaan tussen de overige bestuursleden en hem, in strijd zijn met de waarheid.

Vaststaat in casu dat op de ALV van 27 februari 2020 er 29 stemgerechtigden aanwezig waren en dat Wirht met 28 stemmen voor, is afgezet als voorzitter van de bond naar aanleiding van enkele gebeurtenissen die zich zou hebben voorgedaan. Gelet op dit stemgedrag van de leden van de bond is het voor de kantonrechter aannemelijk geworden dat thans sprake is van een onwerkbare situatie tussen Wirht en de rest van het bestuur van de bond en dat het vertrouwen van de overige bestuursleden in Wirht is weggeëbd. De beantwoording vraag of Wirht rechtsgeldig met ontslag is gestuurd dient, vanwege de aard van het kortgeding, aan de bodemrechter te worden voorgelegd nu het ernaar uitziet dat een van de partijen met bewijslast zal worden opgedragen en in kortgeding de ruimte daarvoor niet bestaat.

2.6 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de vordering van de bond dient te worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde dwangsom te mitigeren en maximeren tot een bedrag zoals in het dictum te vermelden.

Wirht zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van de bond gevallen en zoals hierna te begroten.

In reconventie

2.7 De vordering in reconventie wordt afgewezen nu in conventie gebleken is dat Wirht tijdens de ALV van 27 februari 2020 is afgezet als voorzitter van de bond en deze vergadering conform de statuten en derhalve rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Aan Wirht komt, wegens gemis aan belang, de bevoegdheid niet toe om in reconventie te vorderen om de bond te veroordelen om een ALV uit te schrijven. Overigens wordt erop gewezen dat Wirht in conventie zich verweert door aan te voeren dat de bond niet-ontvankelijk is in haar vordering, om in reconventie een vordering tegen dezelfde bond in te stellen.

Wirht zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van de bond gevallen en zoals hierna te begroten.

3. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

In conventie

3.1 Verbiedt Wirht om onmiddellijk na betekening van dit vonnis, zich uit te geven als voorzitter van de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie en alles na te laten wat met het voorzitterschap van de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie van doen heeft.

3.2 Veroordeelt Wirht om binnen éénmaal vierentwintig uren na betekening van dit vonnis, schriftelijk ter kennis van de General Manager van Rosebel Goldmines N.V. te brengen dat hij, Wirht, geen voorzitter (meer) is van de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie en mitsdien niet bevoegd is de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie te vertegenwoordigen en namens haar te handelen.

3.3 Veroordeelt Wirht om binnen éénmaal vierentwintig uren na verzending van het schrijven als bedoeld in 3.2 van deze beslissing een afschrift van dit schrijven te doen toekomen aan Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie.

3.4 Veroordeelt Wirht tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- (éénhonderdduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat hij in gebreke mocht zijn of blijven met de uitvoering van hetgeen is beslist onder 3.1 tot en met 3.3 van deze beslissing en wel tot een maximum bedrag van SRD 1000.000,- (één miljoen Surinaamse Dollar).

3.5 Verklaart hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is beslist, uitvoerbaar bij voorraad.

3.6 Veroordeelt Wirht in de proceskosten aan de zijde van de bond gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 495,- (vierhonderd en vijfennegentig Surinaamse dollar).

3.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie

3.8 Weigert de gevraagde voorzieningen.

3.9 Veroordeelt Wirht in de proceskosten aan de zijde van de bond gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Sonai en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, Kantonrechters in het Eerste Kanton in kortgeding ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 23 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1051

09 april 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

ROSEBEL GOLDMINES WERKNEMERS ORGANISATIE,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie tevens verweerder in reconventie,
hierna te noemen: “de bond”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

WIRHT, WINSTON WILGO,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: “Wirht”,
gemachtigde: mr. S.N. Essed, advocaat.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift met producties dat op 20 maart 2020 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie en uitlating producties, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie en uitlating producties, met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1 Op 6 december 2019 hebben bestuursverkiezingen plaatsgevonden bij de bond, waarbij Wirht als voorzitter van de bond is gekozen en Alwin Hardley als ondervoorzitter. Het bestuur onder voorzitterschap van Wirht is op 20 december 2019 in functie getreden.

2.2 De overige bestuursleden van de bond onder leiding van de ondervoorzitter Alwin Hadley enerzijds en Wirht anderzijds, hebben aan de directie van Rosebel Gold Mines N.V. gevraagd om op het emplacement van haar een Algemene Leden Vergadering (ALV) te mogen houden.

2.3 Bij brieven d.d. 14 en 26 februari 2020 heeft Rosebel Goldmines N.V. ter kennis van alle bestuursleden van de bond gebracht dat zij een neutrale positie in het onderling geschil tussen de bestuursleden zal blijven innemen. Daarnaast heeft Rosebel Goldmines N.V. aangegeven dat op haar emplacement pas dan een ALV van de bond kan worden gehouden nadat het onderlinge bestuursgeschil is opgelost.

2.4 De overige 12 bestuursleden van de bond hebben Wirht per deurwaardersexploot van 19 februari 2020 no. 151 uitgenodigd voor een spoed bestuursvergadering op 20 februari 2020 met als onderwerp:

  1. opening;
  2. houden van een ALV om de voorzitter te schorsen, althans de schorsing van de voorzitter te bekrachtigen;
  3. wat ter tafel komt en
  4. sluiting.

Wirht is zonder bericht van verhindering niet verschenen op deze bestuursvergadering.

2.5 Het bestuur van de bond, met uitzondering van Wirht, heeft op 20 februari 2020 een uitnodiging voor een ALV doen uitgaan die gehouden is op 21 februari 2020. Op deze vergadering was er geen quorum en zijn evenmin besluiten genomen. Het bestuur van de bond, met uitzondering van Wirht, heeft vervolgens op 24 februari 2020 een ALV bijeengeroepen die gehouden is op 27 februari 2020.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie

3.1 De bond vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad, Wirht te veroordelen om:

  • zich onmiddellijk na het te wijzen vonnis, zich niet meer uit te geven als voorzitter van haar en alles na te laten wat met het voorzitterschap van haar van doen heeft;
  • binnen 1 × 24 uur na het te wijzen vonnis schriftelijk ter kennis van de General Manager van Rosebel Gold Mines N.V. te brengen dat hij, Wirth, geen voorzitter (meer) is van de bond en mitsdien niet bevoegd is haar te vertegenwoordigen en namens haar te handelen, en van dit schrijven een afschrift te doen toekomen aan haar binnen 1 × 24 uur na verzending daarvan aan de General Manager van Rosebel Gold Mines N.V., onder verbeurte van een dwangsom;
  • Wirht te veroordelen in de proceskosten.

3.2 De bond legt naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat een onwerkbare situatie is ontstaan tussen Wirht en de rest van het bestuur en dat het vertrouwen van de overige 12 bestuursleden in Wirht is weggeëbd. Wirht heeft het ook gepresteerd de overige bestuursleden apen te noemen. De genomen beslissing op de ALV van 27 februari 2020 is aan Wirht betekend, doch is hij in gebreke aan de sommatie gevolg te geven.

In reconventie

3.3 Wirht vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de bond te veroordelen om conform de statuten een ALV uit te schrijven binnen uiterlijk drie weken na het te wijzen vonnis, met enkele agendapunten en onder verbeurte van een dwangsom;
II. de bond te veroordelen om aan hem te voldoen het bedrag van US$ 1.725,-, zijnde de door hem geleden schade vanwege de noodzakelijk door hem gemaakte advocaatkosten;
III. de bond te veroordelen in de proceskosten.

3.4 Wirht legt aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat er een bestuurscrisis is ontstaan en dat het van eminent belang is dat een rechtsgeldige ALV wordt uitgeschreven teneinde samen met de leden van de bond te beslissen over de wijze waarop uit deze impasse te geraken. Verder stelt Wirht dat de bond ten onrechte een vordering tegen hem heeft ingesteld, waardoor hij schade heeft geleden, welke schade bestaat uit de door hem gemaakte advocaatkosten. De bond is aansprakelijk voor de schade en is gehouden om deze aan hem te vergoeden.

3.5 Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen en weren van partijen, komt de kantonrechter hierna, voor zover nodig, terug.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1 Uit de stellingen van partijen is het spoedeisend belang is in voldoende mate aannemelijk geworden.

In conventie

4.2 Het formeel verweer van Wirht dat de bond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat ingevolge artikel 8 van de statuten van de bond het voltallig bestuur de bond in en buiten rechte vertegenwoordigt en de bond in de onderhavige vordering niet door het voltallig bestuur is vertegenwoordigd, wordt verworpen. Dit, omdat de bond rechtspersoonlijkheid bezit en kan zij als rechtspersoon in een geding zowel formele als materiele procespartij zijn.

4.3 De bond stelt dat op de ALV van 27 februari 2020 is besloten om Wirht af te zetten als voorzitter. Wirht heeft hiertegen onder meer als verweer aangevoerd dat de bond nimmer de notulen heeft overgelegd, waaruit blijkt dat daadwerkelijk het besluit zou zijn genomen om hem te ontslaan als voorzitter.

De kantonrechter is van oordeel dat voor een gedegen beslissing in deze zaak het van belang is dat deze notulen in het geding worden gebracht door de bond. De bond zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld zoals hierna te vermelden.

In conventie en in reconventie

4.4 Iedere andere beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

In conventie

5.1 Stelt de bond in de gelegenheid om uiterlijk 14 april 2020 om 11 uur de notulen van de op 27 februari 2020 gehouden Algemene Ledenvergadering over te leggen door deze te mailen naar de griffier op het volgende email adres: unit.kortgeding@gmail.com, waarbij simultaan een cc van de mail met de notulen gaat naar Wirht en/of diens gemachtigde en wel peremptoir.

5.2 Stelt Wirht in de gelegenheid om uiterlijk 16 april 2020 om 11 uur zich uit te laten over de notulen door deze te mailen naar de griffier op het volgende email adres: unit.kortgeding@gmail.com, waarbij simultaan een cc van de mail gaat naar de bond en/of diens gemachtigde en wel peremptoir.

5.3 Bepaalt dat partijen de conclusies als bedoeld onder 5.1 en 5.2 van dit vonnis uiterlijk 17 april 2020 om 11 uur op schrift dienen af te geven bij de balie en wel peremptoir.

5.4 Bepaalt dat vonnis in deze zaak zal worden gewezen en uitgesproken op 23 april 2020.

In conventie en in reconventie

5.5 Houdt iedere andere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Sonai en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, Kantonrechters in het Eerste Kanton in kortgeding ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 09 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1087
09 april 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE 21 PLUS VOOR SURINAME,
gevestigd aan de Osmiumstraat 36 te Paramaribo,
eiseres,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 02 april 2020, met producties;

  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 06 april 2020;

  • de conclusie van antwoord d.d. 07 april 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

De kantonrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste feiten, als vaststaand aan.

2.1 16 maart 2020
Eiseres richt een verzoek d.d. 16 maart 2020 aan de President van de Republiek Suriname om de gebruikte afkorting ’21 PlusvoSu’ te mogen veranderen in ’21Su’.

2.2 18 maart 2020
Bij schrijven van 18 maart 2020 legt de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de President voormeld schrijven van 16 maart 2020 voor aan de directeur van Justitie en Politie met het verzoek de behandeling te willen overnemen.

2.3 20 maart 2020
Het Onafhankelijk Kiesbureau (hierna OKB genoemd) verklaart op 20 maart 2020 van de Politieke Organisatie ’21 Su’ bescheiden te hebben ontvangen. De verklaring is voor ontvangst getekend namens het secretariaat van het OKB en voor akkoord door de voorzitter van eiseres.

Bij schrijven van 20 maart 2020, kenmerk 215/OKB, betekend aan de voorzitter van eiseres bij deurwaardersexploot van 21 maart 2020, deelt het OKB haar onder meer mee:

“Na toetsing is de Commissie tot de volgende conclusie gekomen:

  1. Wijzigingen van de afkorting “21 PlusvoSu” in de statuten naar “21 Su”, zal de volledige procedure van statuten wijziging moeten worden afgelegd.

  2. In de statuten is niet opgenomen dat het beginsel programma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend zal worden gemaakt.

  3. In de statuten artikel 4 is ook niet opgenomen dat de gewone leden burgers zijn van Suriname en/of de Surinaamse nationaliteit bezitten.

Verder schrijft OKB ook:

21 PlusvoSu moet eerst voldoen aan de bovengemeld[e] punten alvorens de registratie in het Openbaar Register gehouden door het OKB kan geschieden.

Bij deze wordt u dan in de gelegenheid gesteld om binnen 7 (zeven) dagen na ontvangst van dit schrijven de gewijzigde statuten (…) in te dienen (…) Indien u hieraan niet voldoet, zal het OKB genoodzaakt zijn uw aanvraag bij proces-verbaal te moeten weigeren.”

2.4 26 maart 2020
Bij beschikking van 26 maart 2020, kenmerk CHS 016/2020, waarvan een afschrift beschikking per deurwaardersexploot van 27 maart 2020 aan eiseres is betekend, heeft het Centraal Hoofdstembureau (hierna CHS genoemd):
onder meer gelet op:

(…)

3. Het verzoek in gevolge artikel 31 lid 1 van de Kiesregeling op zaterdag 21 maart 2020 omstreeks 12.30 uur aan het Centraal Hoofdstembureau gedaan door de Politieke Organisatie 21 Plus voor Suriname aangeduid “21 SU”, tot registratie voor deelname aan de Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van de leden voor de volks vertegenwoordigende lichamen te houden op 25 mei 2020. (…)

onder meer overwogen:

(…)

– dat na onderzoek door het Centraal Hoofdstembureau is gebleken dat de politieke organisatie aangeduid “21 SU” NIET heeft voldaan aan twee van de wettelijke vereisten, zoals vervat in:

1. artikel 31 lid 5 van de Kiesregeling en juncto artikel 3 van het Besluit Waarborgsom Politieke Organisaties (S.B. 2020 no. 38) zijnde de storting van de waarborgsom ten bedrage van SRD 96.250,- (…)

2. artikel 7 van het Decreet Politieke Organisaties, zijnde het overleggen van het bewijs van registratie van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB)

besloten:

I. de registratie van de politieke organisatie “21 SU” in het openbaar register (…) te weigeren op grond van artikel 35 lid 1 sub a en sub d van de Kiesregeling.”

2.5 27 maart 2020
Eiseres heeft bij schrijven van 27 maart 2020 aan OKB, Commissie Wetgeving, gereageerd op de brief van 20 maart 2020 met het kenmerk 215/OKB en daarbij haar standpunten kenbaar gemaakt met het verzoek aan de Commissie de door haar opgeworpen stellingen c.q. bezwaren tegen de uit te voeren registratie in te trekken.

2.6 30 maart 2020
Eiseres tekent bij beroepschrift van 30 maart 2020 bezwaar aan bij de President van de Republiek Suriname tegen de beschikking van CHS, kenmerk CHS 016/2020 van 26 maart 2020.

2.7 02 april 2020
Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 02 april 2020 no. 293/RP, aan eiseres betekend bij deurwaardersexploot van 03 april 2020, is het beroep van eiseres ongegrond verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 7 lid 1 Decreet Politieke Organisaties, het vereiste in de artikelen 31 lid 5 en 35 lid 1 sub d van de Kiesregeling.

2.8 In artikel 7 lid 1 van het Decreet Politieke Organisaties, geldende tekst na wijziging, S.B. 2019 no. 54 is bepaald:

“Politieke organisaties dienen geregistreerd te zijn in een voor dat doel door het Onafhankelijk Kiesbureau gehouden openbaar register. Deze registratie is eenmalig.”

2.9 Artikel 31 lid 5 sub d van de Kiesregeling, zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 2019 no. 55 bepaalt:

“Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.”

Artikel 35 lid 1 sub d luidt:

“1. Het Centraal Hoofdstembureau weigert de registratie in de volgende gevallen:

(…)

d. indien niet aan de voorwaarden is voldaan die zijn omschreven in het Decreet houdende regels voor politieke organisaties.”

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiseres vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • gedaagde te bevelen, althans te veroordelen, om binnen 4 uren na de uitspraak 21Su in het openbaar register van het OKB en van het CHS te doen inschrijven onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 1.000.000,00 voor elk uur waarop gedaagde in strijd met het vonnis mocht handelen;
  • gedaagde de verplichting op te dragen dat het CHS alle door 21Su aan te bieden lijsten van kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen accepteert en tijdig verwerkt in het administratief systeem zodat kandidaten van 21Su door de kiezers kunnen worden gekozen;
  • 21Su het recht te verschaffen om uiterlijk 16 dagen na vonnisdatum de lijsten van kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen te mogen aanbieden.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2 Aan haar vordering legt eiseres – kort gezegd – ten grondslag dat het OKB en CHS inbreuk plegen op haar rechten en wel het recht op inschrijving in het openbaar register en het recht op deelname aan de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen. De beslissing van het CHS is nietig. De beslissing van de President is nog niet aan eiseres meegedeeld binnen de daarvoor geldende termijn en is daarom nietig.

3.3 Gedaagde voert als meest verstrekkend verweer dat eiseres nog voor de beslissing in de door haar gekozen beroepsgang is gegeven, reeds een voorziening in kort geding vordert. Volgens gedaagde stemt die handeling niet overeen met de regel dat eerst alle wettelijke mogelijkheden om bezwaar te maken moeten zijn uitgeput voordat de gang naar de kantonrechter gemaakt wordt. Nota bene heeft de President, anders dan eiseres heeft gesteld, in overeenstemming met artikel 36 lid 2 van de Kiesregeling binnen drie dagen beslist op het beroep. De betreffende resolutie is volgens gedaagde onverwijld aan eiseres betekend. Gedaagde concludeert tot niet ontvankelijkheid van eiseres nu zij niet heeft gesteld welke feitelijke en of juridische consequenties zij verbindt aan het feit dat de President binnen de gestelde wettelijke termijn heeft beslist op haar beroep. Voorts stelt gedaagde zich op het standpunt dat – kort gezegd – het petitum met zich brengt dat in geval van toewijzing, handelen in strijd met de Kiesregeling en het Decreet Politieke Organisaties gesanctioneerd wordt, nu OKB en CHS op grond van juiste, wettelijke vereisten hebben beschikt.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter ziet in de aard van de vordering aanleiding om eiseres in haar vordering in kort geding te ontvangen. Eiseres heeft gedaagde uiteindelijk geduid als “aldus in hoofdzaak de Staat Suriname” welke duiding in de kop van het vonnis voor de leesbaarheid is overgenomen. Gedaagde is door deze duiding niet in zijn belang geschaad wat ook blijkt uit de toepassing van die duiding door gedaagde zelf in zijn conclusie van antwoord.

4.2 Als spoedeisend belang heeft eiseres gesteld dat zij uiterlijk op 09 april 2020 kandidatenlijsten kan indienen voor deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020. Zij voert aan dat de President niet handelt overeenkomstig de wettelijke verplichting ex artikel 36 lid 2 van de Kiesregeling om binnen drie dagen na ontvangst van het beroepschrift zijn beslissing mee te delen. De stelling van eiseres blijkt thans niet alleen voorbarig maar ook onjuist. Op de eerste dag van behandeling van de onderhavige zaak heeft eiseres in haar conclusie van eis gesteld dat zij de resolutie van de President heeft ontvangen. Aan dit nieuwe feit heeft eiseres evenwel geen gevolgen verbonden. Voorts, en anders dan eiseres in haar verzoekschrift onder punt 22 stelt, is zij niet op 28 maart 2020 in beroep gegaan van de beschikking van CHS. Zij heeft, zoals ook blijkt uit de door haar in het proces gebrachte en niet weersproken productie 10, haar beroepschrift op 30 maart 2020 bij de President ingediend. Blijkens resolutie heeft de President binnen drie dagen beslist op het beroepschrift en is de beslissing aan eiseres betekend op 03 april 2020.

4.3 Eiseres creëert door het instellen van de onderhavige vordering nog voor de beslissing van de President op haar bezwaar, een oneigenlijke ex nunc toetsing, nota bene als indeplaatsstelling van die bezwaarschriftprocedure. Door deze wijze van procederen treedt eiseres buiten de systemen van het administratief beroep en burgerlijk procesrecht.

4.4 Om voorgaande redenen kan eiseres niet in haar vordering worden ontvangen.

4.5 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 09 april 2020 te Paramaribo door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, in aanwezigheid van de griffier.