SRU-HvJ-2017-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker]
wonende in [district],
verzoeker, hierna ook aangeduid als ‘[verzoeker]’,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

  • Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift d.d. 2 september 2013, ter griffie ingekomen op 3 september 2013 (met een productie);
  • het verweerschrift d.d. 27 november 2013, ter griffie ingekomen op 28 november 2013 (met vijf producties);
  • de beschikking van het Hof van 3 januari 2014 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 7 februari 2014;
  • het proces-verbaal van de op 7 februari 2014 gehouden mondelinge behandeling;
  • de akte van rectificatie, overgelegd op 7 februari 2014;
  • de pleitnota overgelegd op 7 maart 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 2 mei 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 4 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 15 juli 2014.
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoeker] werd wegens het plegen van ernstig plichtsverzuim bij beschikking van de Korpschef van het Korps Politie Suriname [naam 1] d.d. 1 februari 2013 ingaande even vermelde datum buiten functie gesteld en op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet geschorst in zijn ambt;

2.2. [verzoeker] is door tussenkomst van de politiearts op dinsdag 28 januari 2013 onderworpen aan een urine- en drugstest;

2.3. Blijkens het medisch resultaat van het Medisch Diagnostisch Laboratorium voor Artsen en Specialisten medilab is [verzoeker] positief bevonden op het gebruik van Marihuana

2.4. [verzoeker] was bij beschikking d.d. 18 oktober 2012, voorzien van het K.A.[nummer 1] en Bureau [nummer 2] de tuchtstraffen van [nummer 1] en Bureau [nummer 2] de tuchtstraffen van één maand schorsing en van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van 1 jaar;

2.5.[verzoeker] heeft in zijn mondeling verweer op het gehouden Korpsrapport d.d. 14 maart 2013 aangegeven dat hij inderdaad marihuana heeft gekocht bij een onbekende manspersoon; dat dit de eerste keer is geweest dat hij marihuana heeft gerookt en dat hij de marihuana had gerookt uit nieuwsgierigheid op de werking daarvan;

2.6.In een brief d.d. 15 februari 2013, met als onderwerp verweer en gericht aan de Korpschef [naam] heeft [verzoeker] onder meer aangegeven dat hij slechts een keer heeft geproefd hoe de drugs “Jammi” proeft en dat hij geen regelmatige drugsgebruiker is;

2.7.[verzoeker] is bij beschikking met bekend onder bureau [nummer 3] , KA [nummer 4], hierna ook de “ontslagbeschikking” genoemd, de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst aangezegd.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1.[verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) nietigverklaring van de ontslagbeschikking en rehabilitatie in de rang waarin hij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest;
b) dat verweerder het vonnis binnen een (1) week na betekening of binnen een door het hof vast te stellen termijn uitvoert onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag waarop verweerder in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis;
c) Kosten rechtens.

3.2.[verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking niet krachtens artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest in persoon aan hem is verstrekt, maar is verstrekt aan zijn broer op 13 mei 2013.

3.3.[verzoeker] stelt ook dat het schenden van artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest niet in zijn nadeel kan werken voor wat betreft het berekenen van de termijn zoals genoemd in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, aangezien hij pas op 08 augustus 2013 bekend is geworden met de inhoud van de ontslagbeschikking.

3.4.[verzoeker] stelt verder dat hij op basis van een gerucht is onderworpen aan een drugstest en dat hij niet geconfronteerd is met de resultaten hiervan. Verweerder heeft hiermee niet alleen het motiveringsbeginsel geschonden, maar ook het zorgvuldigheids-, gelijkheid- en fair play beginsel zijnde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering waarop voor zover nodig bij de beoordeling zal worden ingegaan.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [verzoeker].

Ontvankelijkheid
5.1. Geconstateerd wordt dat [verzoeker] opkomt tegen het besluit van de Minister van Justitie en Politie om hem te ontslaan uit Staatsdienst. Volgens artikel 80 lid 1 sub a van de Personeelswet jo. artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest is een vordering ingediend een maand nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht, danwel hij geacht kan worden van het besluit kennis te hebben genomen, niet ontvankelijk.

5.2. Alszijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist mag als vaststaand worden aangenomen dat de ontslagbeschikking op 13 mei 2013 aan een broer van [verzoeker] is uitgereikt.

5.3.[verzoeker] stelt dat de ontslagbeschikking niet conform het bepaalde in artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest aan hem in persoon is uitgereikt en dat hij de ontslagbeschikking pas op 8 augustus 2013 onder ogen heeft gehad, weshalve ervan uit moet worden gegaan dat verzoeker pas op laatstgenoemde datum bekend is geworden met de inhoud van de genoemde ontslagbeschikking.

5.4.Verweerder stelt hierop dat [verzoeker] kennis heeft genomen van de ontslagbeschikking op 14 mei 2013 daar [verzoeker], naar zeggen van verweerder, op 14 mei 2013 heeft gebeld naar de afdeling Interne Tuchtzaken en daarbij te woord werd gestaan door onder-inspekteur [naam 2], bij wie [verzoeker] tijdens het gevoerde gesprek expliciet de vraag betreffende de ingangsdatum van zijn ontslag aan de orde heeft gesteld.Verweerder stelt voorts dat daar [verzoeker] zijn vordering heeft ingesteld op 3 september 2013 hij derhalve op grond van het bepaalde in artikel 47 lid 4 onder a van het Politiehandvest [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dient [verzoeker] niet te worden ontvangen in zijn vordering danwel dient het verzoek (de vordering) te worden afgewezen alszijnde ongegrond en onbewezen.

5.5. Ter gelegenheid van het verhoor van partijen heeft [verzoeker] ontkend op 14 mei 2013 kennis te hebben genomen van de ontslagbeschikking en contact te hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken.

5.6.Uit de stellingname van partijen over en weer staat vast dat verweerder de ontslagbeschikking niet ingevolge het bepaalde in artikel 44 lid 4 van het Politiehandvest in persoon aan [verzoeker] heeft uitgereikt.Gelet op het gevoerde ontvankelijkheids verweer van verweerder en nu [verzoeker] heeft ontkend op 14 mei 2013 bekend te zijn geweest met het besluit neergelegd in de ontslagbeschikking danwel kennis te hebben genomen van genoemd besluit zal verweerder in de gelegenheid worden gesteld middels aan te dragen feiten en omstandigheden te bewijzen dat [verzoeker] geacht wordt op 14 mei 2013 kennis te hebben gehad van het besluit neergelegd in de ontslagbeschikking.

5.7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing
Het Hof:
En alvorens verder te beslissen:

Stelt verweerder in de gelegenheid, draagt hem voorzover nodig daartoe op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het horen van getuigen, te bewijzen dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het besluit neergelegd in de ontslagbeschikking.

Bepaalt dat het getuigenverhoor ter fine van het voorgaande wordt gehouden op vrijdag 3 maart 2017 om 12.00 uur des middags in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combéweg 2 te Paramaribo ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig hierbij wordt benoemd, mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van dit Hof;

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan,Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 3 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein
w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr.M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-12

A-938

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde: mr. G. van der San, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door,
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van de Republiek Suriname,
domicilie hebbende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als verzoekster respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d. 04 januari 2017;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 22 februari 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift door de Staat is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 april 2017 waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 november 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 05 januari 2018;
  • de processen-verbaal van de op 05 januari 2018 en 06 april 2018 gehouden verhoren van partijen;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018 doch nader op heden;

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [Verzoekster] is op 01 april 2011 in overheidsdienst getreden op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 (één) jaar. Zij is bij indiensttreding tewerkgesteld als juridisch medewerker op de Griffie der Kantongerechten (Civiele Zaken) van de hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden van het Ministerie van Justitie en Politie, zijnde een orgaan van de Staat. De arbeidsovereenkomst is hierna steeds stilzwijgend verlengd;

2.2. Verzoekster heeft middels haar aan de directeur van Buitenlandse Zaken gericht schrijven d.d. 21 oktober 2013 een verzoek gedaan tot overplaatsing van het Ministerie van Justitie en Politie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een ander orgaan van de Staat. In reactie op voornoemd schrijven heeft verzoekster een schrijven d.d. 06 oktober 2014 ontvangen van de directeur van Buitenlandse Zaken waarin haar wordt medegedeeld dat haar verzoek in welwillende overweging is genomen en dat zij zich vooruitlopend op de ter beschikking stelling op 15 oktober 2014 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan aanmelden. Kort hierna wordt er namens de directeur van Justitie en Politie een schrijven d.d. 13 oktober 2014 verstuurd naar de directeur van Buitenlandse Zaken, met een cc naar verzoekster. In dit schrijven deelt eerstgenoemde directeur, laatstgenoemde directeur mee dat er van de zijde van het Ministerie van Justitie en Politie geen bezwaren bestaan dat verzoekster met ingang van 15 oktober 2014 wordt overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiernaast wordt ook meegedeeld dat de concept overplaatsingsbeschikking ten name van verzoekster, de directeur van Buitenlandse Zaken wordt toegezonden na bevestiging dat verzoekster haar diensten heeft aangevangen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. verzoekster vangt op 15 oktober 2014 aan met haar werkzaamheden op laatstgenoemd Ministerie;

2.3. Op 20 maart 2015 ontvangt verzoekster een aan haar gericht schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 waarin, onder verwijzing naar zijn schrijven d.d. 11 maart 2015 aan de Minister van Justitie en Politie, aan haar wordt meegedeeld dat wordt afgezien van haar overplaatsing. Hiernaast wordt aan haar gevraagd contact op te nemen met het Ministerie van Justitie en Politie casu quo instructies af te wachten. Derhalve wordt afgezien van de overplaatsing van verzoekster en betrokkene wordt per 15 maart 2015 wederom ter beschikking gesteld van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.4. Bij haar schrijven d.d. 23 maart 2015 reageert verzoekster op het schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 maart 2015 en vraagt de Minister om haar te ontvangen voor een persoonlijk onderhoud eventueel in gezelschap van de relevante functionarissen, opdat het een en ander kan worden toegelicht casu quo uitgepraat. Op dit schrijven ontvangt verzoekster in december 2016 een reactie;

2.5. Bij het schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 30 april 2015, wordt verzoekster gevraagd zich schriftelijk te verweren naar aanleiding van het feit dat zij zich niet zou hebben aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie nadat zij was terugverwezen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In reactie hierop informeert verzoekster de directeur middels haar schrijven d.d. 06 mei 2015 dat zij met betrekking tot onderhavige kwestie, in communicatie is met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waardoor zij zich niet heeft kunnen aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Hierna ontvangt verzoekster een ander schrijven van de directeur van Justitie en Politie d.d. 26 mei 2015, inhoudende dat zij zich moet aanmelden bij het Ministerie van Justitie en Politie. Op 02 juni 2015 heeft verzoekster een gesprek met het wnd. Hoofd en een medewerker van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie. Op 03 juni 2015 richt verzoekster een schrijven aan de directeur van Justitie en Politie waarin zij haar, onder andere, informeert over de gang van zaken en het gesprek van 02 juni 2015 met functionarissen van de afdeling Personeelszaken van het Ministerie van Justitie en Politie;

2.6. Enkele maanden later ontvangt verzoekster een schrijven vanwege de directeur van Justitie en Politie d.d. 22 maart 2016, onder meer, inhoudende dat hetgeen verzoekster heeft aangegeven bezijdens de waarheid is en zij zich tot 22 maart 2016 nimmer voor de dienst heeft aangemeld bij het Ministerie van Justitie en Politie en dat als gevolg daarvan besloten is de met haar aangegane arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat haar salaris per eind maart 2016 wordt stopgezet. Enkele maanden hierna wordt voornoemd schrijven opgevolgd door de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 10 juni 2016, Bureau [nummer 1] middels welke is besloten/bepaald dat de tussen de Staat en verzoekster aangegane arbeidsovereenkomst is opgezegd en dat verzoekster vanaf 15 maart 2015 (het hof begrijpt: 2016) geen aanspraak maakt op salaris of enige andere vergoeding, wegens het zonder gegronde redenen niet vervullen van haar ambtsverplichtingen. Dit besluit is middels exploot van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 01 november 2016, [nummer 2] betekend aan verzoekster;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Verzoekster vordert – zakelijk weergegeven – primair dat de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d.10 juni 2016, Bureau [nummer 1] nietig zal worden verklaard met daaraan gekoppelde nevenvorderingen, waaronder (door) betaling van haar maandelijkse loon. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag. Subsidiair vordert verzoekster nietigverklaring van voormelde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken en vergoeding van de door verzoekster geleden schade bestaande uit loonderving, zijnde het achterstallig loon te rekenen vanaf 15 maart 2015 tot en met 31 december 2016 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars. Kosten rechtens;

3.2. Verzoekster heeft – zakelijk weergegeven en in zoverre voor de beslissing van belang – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is het niet eens met de opzegging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en de stopzetting van de doorbetaling van haar loon. Voornoemd(e) besluit(en) volgens eerdergenoemde beschikking van de directeur van Binnenlandse Zaken berust(en) op overwegingen die zijn gebaseerd op onjuiste informatie casu quo niet op waarheid. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Staat de dienstbetrekking met haar met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en daarbij de in artikel 2 onder a van de arbeidsovereenkomst overeengekomen opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

3.3. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het Hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu de vordering betreft nietigverklaring van een besluit van de Staat. Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde;

Ontvankelijkheid

4.2. De Staat heeft als preliminair verweer aangevoerd – kort gezegd – dat verzoekster tardief is met het instellen van de onderhavige vordering en derhalve niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Immers is het ontslagbesluit op 1 november 2016 per deurwaardersexploot onder nummer 182 aan verzoekster betekend en heeft zij onderhavige vordering pas op 04 januari 2017 ingediend. Verzoekster heeft het voorgaande erkend maar heeft gevraagd om rekening te houden met de belangen van haar die in geding zijn. Naar het oordeel van het Hof is voormeld verweer gegrond en treft doel.

Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet dienen dergelijke vorderingen uiterlijk binnen een maand nadat het besluit ter kennis van belanghebbende is gebracht, te worden ingediend. In casu is onderhavige vordering ruim twee maanden nadat het besluit ter kennis van verzoekster is gebracht ingediend, weshalve Verzoekster tardief is met het instellen van onderhavige vordering;

4.3. De consequentie van het voorgaande is dat verzoekster niet – ontvankelijk zal worden verklaard in de ingestelde vordering. Immers zijn de in de wet opgenomen termijnen van openbare orde en leidt een redelijke en billijke belangenafweging niet tot een ander oordeel. Verzoekster geldt als de in het ongelijk gestelde partij en zal in de gedingkosten worden veroordeeld aan de zijde van de Staat gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4. Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

5. De beslissing

Het Hof:
5.1. Verstaat dat verzoekster kosteloos procedeert;
5.2. Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in de ingestelde vordering;
5.3. Veroordeelt verzoekster in de gedingkosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer­Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger

w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 februari 2019, in tegenwoordigheid van mr S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. H. Matawlie namens advocaat mr. G. van der San, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Jhinkoe namens advocaat mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2012-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende in [district], hierna aangeduid als ”[eiser]”
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
hierna aangeduid als ”de Staat,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend resident in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van het Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift d.d. 03 maart 2011, ter griffie ontvangen op 04 maart 2011, met producties;
  • het verweerschrift d.d. 27 mei 2011;
  • de beschikking van het Hof van Justitie van 14 juli 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 21 oktober 2011, doch is uitgesteld naar 16 december 2011;
  • het proces-verbaal d.d. 16 december 2011, betreffende het verhoor van partijen;
  • pleitnota d.d. 6 januari 2012.

Ten dage bepaald voor het nemen van een antwoordpleitnota heeft mr. van der San verklaart niet te zullen antwoorden en heeft hij vervolgens vonnis gevraagd. Het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 mei 1992 is [eiser] met ingang van 08 mei 1992 buiten functie gesteld, krachtens welke beschikking de bezoldiging van [eiser] vanaf de maand juni 1992 werd ingehouden. In de beschikking wordt [eiser] ervan verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

1.2. Op 31 januari 2001 heeft [eiser] een schriftelijk verzoek tot diensthervatting aan de Staat gericht.

1.3. In reactie op het verzoek van [eiser], als hiervoor vermeld onder 1.2, heeft de Staat op 29 mei 2001 [eiser] schriftelijk in gebreke gesteld en aangezegd zich te verweren. In die schriftelijke ingebrekestelling staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer verwoord:
“ …..
Uit een schrijven van het Hoofd van de afdeling Personeelszaken van het Korps Politie Suriname, mevr. [naam], Hoofd-lnspecteur, de dato 14 mei 2001, gericht aan mij, blijkt het volgende:
Dat U na juni 1992 tot heden nimmer heeft aangemeld voor diensthervatting (ongeveer 10 jaren niet gewerkt), nadat aan U de dato 3 juni 1992 door de toenmalige wnd. Korpschef de tuchtstraf van terugstelling in rang voor de duur van 2 jaren werd opgelegd.
Het feit dat U bijkans tien (10) jaren niet heeft gewerkt voor het Korps Politie Suriname levert ernstig plichtsverzuim op.
Hierbij wordt U dan ook voor het bovenstaande ingebreke gesteld en ingevolge artikel 44 van het Politie Handvest binnen 7 dagen na ontvangst van dit schrijven in de gelegenheid gesteld zich te verweren. Uw verweerschrift dient U in te leveren bij het Hoofd Personeelszaken, Duisburglaan no. 43 te Paramaribo.”

2.1. In het inleidend verzoekschrift heeft [eiser] gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om binnen één week na de uitspraak, dan wel binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn, de maandelijkse bezoldiging met emolumenten en toelagen vanaf juni 1992 aan hem, [eiser], uit te keren en hiermee voort te gaan totdat het dienstverband tussen hem en de Staat op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd op straffe van een dwangsom van SRD. 1.000,– voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft hieraan te voldoen.

2.2. De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.1.1. [eiser] voert aan dat de buiten functiestelling en blokkering van zijn salaris in strijd met artikel 39 lid 1 van het Politiehandvest door een daartoe onbevoegde is geschied. Met name diende de buiten functiestelling door de korpschef of de commandant van de afdeling te worden opgelegd en niet door het hoofd van de afdeling Personeelszaken. Voorts voert hij in zijn pleitnota aan dat de ministeriële beschikking betreffende de buiten functiestelling rechtsgevolg ontbeert, omdat het niet op de formele wijze aan hem is uitgereikt of betekend en hij dus nimmer formeel hiervan op de hoogte is gesteld.

3.1.2. De Staat werpt als formeel verweer op dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Daartoe voert hij de volgende gronden aan:
Het Hof als ambtenarengerecht is bevoegd te oordelen over vorderingen zoals gesteld in artikel 79 e.v. van de Personeelswet (Pw). [eiser] heeft niet exact aangegeven welk besluit ten aanzien van hem in aanmerking komt voor nietigverklaring. De Staat gaat ervan uit dat [eiser] in de onderhavige zaak een voorziening vraagt in verband met een tegen hem genomen besluit op zijn laatst in het jaar 2001.

3.1.3. Uit de inhoud van het inleidend verzoekschrift en de vordering leidt het Hof af dat [eiser] de ministeriële beschikking van 27 mei 1992 bestrijdt en hij, [eiser] het oog heeft op een vordering tot schadevergoeding met daaraan gekoppeld een dwangsom zoals neergelegd in artikel 79 lid 1 onder b en c PW.
Om die reden zal het door de Staat formeel opgeworpen verweer worden verworpen.

3.1.4. Naar het oordeel van het Hof gaat de stelling van [eiser] dat hij nimmer formeel in kennis van de bedoelde ministeriële beschikking in kennis is gesteld, niet op. Dit, omdat hij zelf op pag. 7 onder Ad. 4 in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat die beschikking op 27 mei 1992 aan hem werd uitgereikt. In dat licht stelt het Hof voorop dat deze vorm van kennisneming of uitreiken van de beschikking valt onder het bepaalde in artikel 80 lid 2 onder b PW, zodat het Hof ervan dient uit te gaan dat [eiser] sedert de hiervoor vermelde datum kennis droeg van de ministeriële beschikking en uiterlijk 27 juni 1992 de onderhavige vordering diende in te stellen. [eiser] heeft de onderhavige vordering op 04 maart 2011 ingediend, hetgeen het Hof tot de slotsom brengt dat hij tardief is en niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

3.2. Voor het geval dat [eiser] wel ontvankelijk in zijn vordering was geweest overweegt het Hof – ten overvloede – het volgende. Als materieel verweer werpt de Staat op dat [eiser] op grond van artikel 1614BW juncto artikel 28 lid 3 PW, zijnde het beginsel van ”no work no pay”, geen recht heeft op loon. Daartoe voert de Staat aan dat [eiser] vanaf juni 1992 geen werkzaamheden heeft verricht en zich evenmin heeft aangemeld voor hervatting van zijn werkzaamheden. Op dit gemotiveerd verweer is [eiser] niet ingegaan, zodat er dan ook vanuit dient te worden uitgegaan dat [eiser] vanaf juni 1992 tot heden geen arbeid heeft verricht en dus geen recht heeft op uitbetaling van het salaris zoals door hem gevorderd.

De beslissing
Het Hof:
Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. F.M.S. Ishaak en mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2019-11

G.R.No. 15123

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant] ,
wonende in het [district],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelend te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 13-4372) tussen appellant als eiser in kort geding in eerste aanleg en geïntimeerde als gedaagde in kort geding in eerste aanleg,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis op 16 maart 2018.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de processen-verbaal d.d. 06 april 2018, 01 juni 2018 en 06 juli 2018 van de gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en overlegging bescheiden zijdens geïntimeerde, met producties overgelegd ter griffie van het Hof op 03 augustus 2018;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties zijdens appellant, overgelegd ter griffie van het Hof op 19 oktober 2018;
  • de rechtsdag voor de uitspraak die aanvankelijk was bepaald op 15 februari 2019, doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in hoger genoemd tussenvonnis is overwogen.

2.2. De bij voormeld tussenvonnis gelaste comparitie van partijen is gehouden en vervolgens voor gesloten verklaard. Daarbij is appellant in persoon verschenen terwijl geïntimeerde slechts door haar advocaat vertegenwoordigd werd. Ondanks verleend uitstel zijn er geen vertegenwoordigers van geïntimeerde ter comparitie komen opdagen waardoor de verlangde inlichtingen niet konden worden ingewonnen en evenmin de mogelijkheden van een minnelijke regeling konden worden beproefd.

2.3 Appellant heeft als grief I aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, daarbij voorbij gaand aan de door appellant overgelegde bescheiden, dat appellant niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over een HBO-diploma, terwijl appellant zulks nimmer had beweerd. Appellant heeft gesteld dat hij een HBO-denkniveau heeft, hetgeen blijkt uit de door hem overgelegde producties en wordt zulks door geïntimeerde erkend. Appellant stelt dat de door geïntimeerde opgegeven vereisten geen wettelijke vereisten zijn, terwijl hij, appellant, over de vereiste kwaliteiten beschikt, blijkende zulks uit zijn staat van dienst. Ter adstructie legt appellant over een werkgeversverklaring door geïntimeerde afgegeven d.d. 14 mei 2015, waarin geïntimeerde zelf aangeeft dat appellant functioneert als stafmedewerker HBO (lees: op HBO niveau). Appellant voert aan dat zelfs het Hoofd Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg geen HBO- diploma bezit. Ter adstructie wordt een personeelsbestand met daarbij behorende opleidingsniveau overgelegd. Appellant beroept zich uitdrukkelijk op het gelijkheidsbeginsel.
2.3.1 Geïntimeerde heeft hiertegen aangevoerd dat het Fiso-systeem dat bij resolutie van 28 februari 2009, [ nummer 1] houdende vaststelling van de bezoldigingsreeks per beroepsgroep (S.B. 2009 no. 29) is ingegaan, als functievereisten casu quo wettelijke eisen van benoembaarheid stelt: opleiding: HBO maatschappelijk werk. Aangezien appellant niet beschikt over een HBO-diploma Maatschappelijk werk, voldoet appellant niet aan de wettelijke eisen van benoembaarheid en is een HBO-denkniveau hiervoor onvoldoende. Volgens geïntimeerde mag appellant beschikken over ruime ervaring of staat van dienst, doch beschikt hij daarmee nog niet over alle vereisten genoemd in de resolutie. Op grond hiervan concludeert geïntimeerde dat appellant niet stilzwijgend is benoemd in de functie van Onderhoofd Dienst Algemeen Maatschappelijke Zorg.
Volgens geïntimeerde geeft het door appellant overgelegde personeelsbestand een vertekend beeld, omdat ambtenaren die reeds te werk waren gesteld op de Dienst voornoemd en niet over een HBO-diploma beschikten, ingevolge de rechtszekerheid in hun bestaande functie zijn gebleven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat derhalve niet op.
2.3.2 Bij conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen, heeft geïntimeerde onder overlegging van de functiebeschrijving van de functie Onderhoofd Algemeen Maatschappelijk Zorg, aangevoerd dat de gestelde eisen voor benoeming in de functie zijn: een afgeronde HBO-opleidings- richting maatschappelijk werk, minimaal 2 jaar ervaring in een soortgelijke functie, management vaardigheden, integer en flexibel creatief. Gelet op de opleidingsvereisten voldoet appellant volgens geïntimeerde niet daaraan.
2.3.3 Appellant voert hiertegen aan dat het door geïntimeerde overgelegde bescheid nog steeds niet valt onder wettelijke vereisten voor benoembaarheid, terwijl het dateert van 17 november 2014 en dus niet van toepassing is op appellant, daar hij geacht wordt benoemd te zijn in de functie van Onderhoofd vanaf 21 juli 2010.

2.4 Appellant heeft als grief II aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte het verweer van geïntimeerde als zou het beroep op de artikelen 22 lid 5 PW niet opgaan, gegrond heeft geacht, terwijl geïntimeerde nimmer heeft kunnen aantonen welke wettelijke vereisten er zouden bestaan ten aanzien van de benoembaarheid van appellant in de functie en geïntimeerde zelf aangeeft dat appellant zijn taken als waarnemend hoofd altijd naar behoren heeft uitgevoerd. Volgens appellant zijn de wettelijke vereisten waarop geïntimeerde zich beroept, in strijd met de redelijkheid en billijkheid, getuige de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 05 augustus 2014 [nummer 2].
2.4.1 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat hij ten bewijze van de benoembaarheidsvereisten niet alleen heeft verwezen naar de resolutie van 28 februari 2009, doch ook een document gewaarmerkt als productie 1 in het geding heeft gebracht, terwijl een enkele waarneming niet automatisch betekent dat hij over alle wettelijke vereisten beschikt en daarom in de functie is benoemd. Volgens geïntimeerde is appellant niet in het bezit van een HBO­opleiding Maatschappelijk Werk en beschikt ook niet over alle specifieke vaardigheden, zodat hij niet voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet.
Voorts voert geïntimeerde aan dat genoemde functie reeds enkele jaren is ingevuld.
Geïntimeerde voert aan dat appellant wel een waarnemingstoelage heeft ontvangen.
2.4.2 Appellant persisteert erbij dat er geen wettelijke vereisten voor voornoemde functie zijn vastgesteld, ook niet in de resolutie die slechts de bezoldigingsreeks behorende bij een functie aangeeft. Appellant ontkent een waarnemingstoelage te hebben ontvangen, hetgeen hij in eerste aanleg middels overlegging van een salarisslip heeft aangetoond. Dat genoemde functie reeds is ingevuld, doet niet af aan hetgeen wordt gevorderd.
2.4.3 Geïntimeerde persisteert dat appellant op grond van de resolutie niet in aanmerking is gekomen voor de benoeming, omdat hij niet over een HBO-diploma beschikt. Volgens geïntimeerde zijn de vereisten misschien niet expliciet opgesomd, doch blijken deze uit de staat functiebenoeming bezoldigingsreeks alsmede uit de artikelen in het besluit zelf. Geïntimeerde persisteert dat appellant wel een waarnemingstoelage heeft ontvangen.
Bij conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen heeft geïntimeerde onder overlegging van de beschikking d.d. 05 augustus 2014 [nummer 2] S.B. 2014 no. 92, aangevoerd dat de daarin bedoelde team van deskundigen die de test zou moeten afnemen, niet formeel is geïnstalleerd of benoemd, terwijl er nog geen ambtenaren op grond van voornoemde beschikking zijn benoemd.
2.4.4 Het Hof overweegt dat appellant oorspronkelijk heeft gevorderd om geïntimeerde te veroordelen hem te voorzien van een beschikking c.q. resolutie, inhoudende diens benoeming tot Onderhoofd Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg (AMZ) van het directoraat Algemeen Maatschappelijk Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting met dienovereenkomstige aanpassing van zijn salaris en emolumenten te rekenen van 21 juli 2009. Appellant heeft zijn vordering nader uitgelegd, waarbij appellant uitdrukkelijk stelt dat hij niet vordert om benoemd te worden in bedoelde functie, omdat hij ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet wordt geacht stilzwijgend benoemd te zijn in die functie vanaf 21 juli 2010.

2.5 Gelet op de nauwe samenhang tussen beide grieven, zal het Hof deze hieronder gezamenlijk bespreken.
Het Hof overweegt dat als niet weersproken in eerste aanleg het spoedeisend belang van appellant bij zijn vordering, aannemelijk is geworden, daarbij stellende dat hij belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, vanwege het feit dat het hem bekend is dat geïntimeerde doende is een derde te benoemen in de functie van Onderhoofd AMZ.
Naar het oordeel van het Hof duurt voornoemde omstandigheid nog voort, zodat appellant nog steeds belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, weshalve het spoedeisend belang van appellant nog steeds overeind staat.

2.6 Het Hof overweegt voorts ten aanzien van het standpunt van geïntimeerde in eerste aanleg als zou appellant zijn vordering moeten indienen bij het hof als ambtenarenrechter, dat nu appellant in eerste aanleg heeft gevorderd dat geïntimeerde hem voorziet van een beschikking c.q. resolutie inhoudende diens benoeming tot Onderhoofd Dienst AMZ met dienovereenkomstige aanpassing van zijn salaris en emolumenten te rekenen van 21 juli 2009 onder verbeurte van een dwangsom, het gevorderde naar het oordeel van het Hof geen betrekking heeft op een beslissing zoals opgesomd in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, zodat het Hof als ambtenarenrechter onbevoegd zou zijn om van de onderhavige vordering kennis te nemen.

2.7 Met betrekking tot de bevoegdheid van de kortgedingrechter om een definitieve beslissing in casu te geven, overweegt het Hof dat door de deformalisering van het kort geding de kortgedingrechter wel een definitieve beslissing kan geven indien naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een dergelijke beslissing ook zou zijn gevolgd in een bodemprocedure.

2.8 Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat appellant die ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, geen HBO-diploma Maatschappelijk werk bezit. Eveneens staat tussen partijen vast dat appellant vanaf 21 juli 2009 heeft waargenomen in de functie van Onderhoofd Dienst AMZ, terwijI niet gebleken is dat het gaat om een niet ­definitief opengevallen functie. Als niet betwist staat tussen partijen vast dat appellant wel in staat is op HBO-niveau te functioneren. Tevens staat vast dat de functiebeschrijving voor bedoelde functie op 17 november 2014 is geformaliseerd, hoewel die reeds op 29 januari 2010 was opgesteld, terwijl aannemelijk is geworden dat zelfs het huidige Hoofd Dienst AMZ geen HBO-diploma heeft. Op grond hiervan overweegt het Hof dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen de toepassing van genoemde functiebeschrijving c.q. vereisten voor benoembaarheid op appellant met terugwerkende kracht. Immers, geïntimeerde heeft zelf aangevoerd dat derden die niet in het bezit waren van een HBO-diploma, op grond van de rechtszekerheid in hun functies zijn gelaten. Voorts overweegt het Hof·dat hoewel geïntimeerde heeft aangevoerd dat reeds is voorzien in de functie voornoemd, zulks niet afdoet aan het door appellant gevorderde, omdat zijn vordering betreft de periode van zijn waarneming tot aan de benoeming van een ander in die functie. Aangezien geïntimeerde niet aannemelijk heeft kunnen maken dat appellant gedurende de periode dat hij heeft waargenomen een waarnemingstoelage heeft ontvangen, wordt het ervoor gehouden dat appellant over voornoemde periode geen waarnemingstoelage heeft ontvangen.
Met betrekking tot het beroep van geïntimeerde op de resolutie van 28 februari 2009, [nummer 1] ten aanzien van de wettelijke vereisten voor benoembaarheid in bedoelde functie, overweegt het Hof dat uit voornoemde resolutie zulks op geen enkele manier is gebleken, zodat het beroep faalt.

2.9 Op grond van het voren overwogene overweegt het Hof dat beide grieven opgaan, in dier voege dat appellant nimmer heeft gesteld dat hij over een HBO-diploma beschikt, terwijl dit vereiste niet-aannemelijk is geworden. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve vernietigd worden. Nu vaststaat dat appellant vanaf 21 juli 2009 langer dan een jaar in een definitief opengevallen functie heeft waargenomen en aannemelijk is geworden dat hij ingevolge artikel 22 lid 5 van de Personeelswet voldoet aan de vereisten voor benoembaarheid in de waargenomen functie, zal de gevraagde voorziening alsnog worden toegestaan, in dier voege dat geïntimeerde zal worden veroordeeld om binnen twee (2) maanden na betekening van dit vonnis aan appellant af te geven een beschikking c.q. resolutie inhoudende de vaststelling van diens benoeming ingaande 22 juli 2010 in de functie van Onderhoofd van de Dienst AMZ van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris met daarbij behorende emolumenten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000 (een duizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat geïntimeerde in gebreke blijft hieraan te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal worden gemaximeerd op het bedrag van SRD 250.000,- (tweehonderdvijftigduizend Surinaamse Dollar).
Aangezien er geen waarnemingstoelage is gevorderd over de periode van de waarneming gedurende een jaar, zal hieraan voorbij worden gegaan.

2.10 Geïntimeerde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van appellant in beide instanties gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

3. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof

3.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding met A.R.No. 13-4372 gewezen tussen partijen op 26 november 2015, waarvan beroep.

OPNIEUW RECHTDOENDE

3.2 Veroordeelt geïntimeerde om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis aan appellant af te geven een beschikking casu quo resolutie inhoudende diens benoeming ingaande 22 juli 2010 in de functie van Onderhoofd van de Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg van het directoraat Algemeen Maatschappelijk Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting onder toekenning van het aan die functie verbonden salaris met daarbij behorende emolumenten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- (een duizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat geïntimeerde in gebreke blijft hieraan te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal worden gemaximeerd op het bedrag van SRD 250.000,- (tweehonderdvijftigduizend Surinaamse Dollar).

3.3 Veroordeelt geïntimeerde in de gedingkosten in beide instanties en tot aan deze uitspraak begroot op:
– in eerste aanleg SRD 420,– (vierhonderd en twintig Surinaamse Dollar);
– in hoger beroep SRD 275,– (tweehonderd vijf en zeventig Surinaamse Dollar).

3.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 april 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

SRU-HvJ-2012-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

A-698

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te Paramaribo,
verzoeker,
gemachtigde voorheen: mr. L.C.A. Latour,
thans: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Justitie en Politie,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R.A.J. Hupsel, advocaat,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit.

Partijen zullen hierna worden aangeduid met [verzoeker] respectievelijk de Staat.

 

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie dd. 8 maart 2010;
  • het verweerschrift met producties;
  • het proces-verbaal van het op 4 maart 2011 gehouden verhoor van [verzoeker];
  • de conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van verzoeker zijdens de Staat;
  • de mondelinge conclusie tot uitlating zijdens verzoeker.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet. Hij is te werk gesteld bij de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het ministerie van Justitie en Politie (hierna Juspol), in de functie van Adjunct Hoofd Penitentiaire Ambtenaar.

2.2 Bij beschikking gedateerd 18 december 2009 van het ministerie van Juspol, j.no. 7651/09 heeft [verzoeker] een tuchtstraf opgelegd gekregen. De tuchtstraf houdt in een schorsing voor de duur van twee weken met stilstand van inkomsten gedurende de schorsingsperiode.

2.3 In de genoemde beschikking is als reden voor de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf opgenomen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het nuttigen van alcohol binnen de inrichting.

2.4 [verzoeker] is op 10 februari 2010 in kennis gesteld van voornoemde beschikking.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenaren zaken, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. vernietiging althans nietigverklaring van het besluit om aan hem een tuchtstraf van schorsing op te leggen;
  2. veroordeling van de Staat om de aan hem opgelegde tuchtstraf te herzien met terugstorting van de ingehouden inkomsten, onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 [verzoeker] ontkent zich te hebben schuldig gemaakt aan het nuttigen van alcohol binnen de inrichting. Volgens hem heeft de Staat gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Het Hof komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

  1. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1 Nu [verzoeker] op 10 februari 2010 in kennis is gesteld van de beschikking, en het verzoekschrift is ingediend op 8 maart 2010, constateert het Hof dat hij binnen de bij wet vastgestelde in beroep is gekomen tegen de beschikking. [verzoeker] is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2 De Staat heeft aangevoerd dat uit onderzoek gebleken is dat [verzoeker] zich op 17 februari 2009, zijnde 1 dag voor zijn verjaardag, in groepsverband heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank binnen de inrichting gedurende diensttijd. Volgens de Staat zou [verzoeker] geld ter beschikking hebben gesteld om soft en Red Label te kopen. In het kader daarvan is er een onderzoek geweest en de penitentiair ambtenaar [naam 1], heeft een informatierapport opgesteld. Daarnaast hebben enkele penitentiaire ambtenaren zich terzake moeten verweren. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de Staat een afschrift van het door [naam 1] opgemaakte informatierapport gedateerd 23 februari 2009 en enkele verweerschriften van penitentiaire ambtenaren overgelegd.

4.3 Het Hof citeert- zover van belang- uit de volgende door de Staat overgelegde documenten:

  • het informatierapport gedateerd 23 februari 2009, afkomstig van de penitentiair ambtenaar [naam 1]:

“….Op dinsdag 17 februari had ik de dienst voortgezet in de middagdienst en werd ingedeeld in de Postwacht. Omstreeks 14.40 werd er geld verzameld door mij en enkele andere PA’s met de bedoeling om voeding te kopen. …..Nadat de voeding was gekocht, hebben wij het genuttigd, waarna [naam 2] naar de winkel aan de overkant van de inrichting ging om een grote soft te kopen. De soft werd door hem gebracht naar de CK (controle kamer) samen met iets gewikkeld in krantenpapier. ….Intussen kwamen de navolgende PA’s in de C.K.: H.P.A. [naam 3], P.A. [naam 4], A.H.P.A. [verzoeker], H.P.A. [naam 2] was reeds daar. Ik zat in de Postwacht en had toen nog niet het geringste vermoeden dat er alcohol was gekocht en dat dat hoogstwaarschijnlijk in krantenpapier was gewikkeld. Pas nadat ik aangeboden werd om wat te gebruiken vanwege het feit dat A.H.P.A. [verzoeker] de volgende dag jarig zou worden, wist ik dat het om alcohol ging en heb ik na lang aandringen een shot vermengd met soft (cola) geschonken en ben weer op mijn post gekomen. Daarna (omstreeks na 45 minuten) ging ik in de CK wederom om wat cola in te schenken en zag ik nu een fles alcohol, ditmaal driekwart gevuld op tafel staan. ….. Ik realiseerde mij dat vermoedelijk het om een andere fles ging, omdat de fles waaruit ik had geschonken bijna leeg was.………”.

  • het verweerschrift afkomstig van [naam 3], gedateerd 19 februari 2009:

“…Op 17 februari in de middagdienst zijnde zag ik collega’s in de controle kamer iets aan het gebruiken, en vroeg wat er gaande is, horende bij monde dat de adj. Hfd. P.A. [verzoeker] jarig was. Er werd mij een shot aangeboden en nadien nog twee…..”.

  • het verweerschrift afkomstig van [naam 2], gedateerd 24 februari 2009:

“…. Naar aanleiding van uw schrijven de dato 23 februari 2009…. Moge ik u mededelen dat ik op dinsdag 17 februari omstreeks 16.00 uur wat rijst zat te eten in de controlekamer. Ik hoorde vanuit de postwacht dat adjunct hoofd P.A. [verzoeker] de volgende dag jarig zou worden en dat hij hierop wat drank zou aanschaffen. Er werd whisky en frisdrank en wat versnaperingen aangeboden. Ik nuttigde ook twee tot drie shots whisky. Ik moge u ook mededelen dat er twee tot drie flessen whisky en drank werden gedronken…..”.

4.3.1 Zoals eerder overwogen ontkent [verzoeker] zich te hebben schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholische drank in de inrichting. Als gevolg van deze ontkenning, zou de Staat, ingevolge de regels van het bewijsrecht, het bewijs van zijn verweer in rechte moeten bijbrengen. Evenwel is het Hof van oordeel dat, gelet op de inhoud van het door de Staat overgelegde informatierapport en verweerschriften zoals hiervoor omschreven in onderlinge samenhang gezien en gelezen, voorshands bewezen wordt geacht dat de Staat het van haar verlangde bewijs heeft bijgebracht. Dit heeft tot gevolg dat [verzoeker] tegenbewijs mag leveren. Met name zal [verzoeker] moeten bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting op die bewuste dag van 17 februari 2009. [verzoeker] zal in de gelegenheid worden gesteld om het van hem verlangde tegenbewijs te leveren, en wel zoals in het dictum te melden.

4.4 Voor het overige zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

  1. De beslissing

5.1 Stelt [verzoeker] in de gelegenheid om door alle middelen rechtens, meer speciaal middels getuigen te bewijzen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het gebruik van alcoholhoudende drank in de inrichting en wel ter terechtzitting van vrijdag, 4 januari 2013 om 12.00 uur des middags.

5.2 Benoemt tot Rechter-Commissaris, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran.

5.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

 

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.G.W. Karamat-Ali, Leden-Plaatsvervanger

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. L.H.R. Roger en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. A.W. van der San namens zijn gemachtigde, mr. R.A.J. Hupsel, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 18-1225
03 februari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende in [district],
eiser,
gemachtigde, mr. J.S. Tamsiran, advocaat,

tegen

TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (TELESUR),
rechtspersoon sui generis,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde, mr. N. U. van Dijk, advocaat.

1 Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 20 maart 2018 bij de Griffier der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating producties, met één productie;
  • de conclusie tot uitlating productie.

1.2.De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Eiser is op 1 augustus 2004 bij schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst getreden van gedaagde als stafmedewerker Service Assurance.

2.2. Eiser is in de periode midden mei 2017 tot en met 23 juli 2017 onwettig van het werk weggebleven.

2.3. Bij schrijven d.d. 25 juli 2017 is eiser door gedaagde aangezegd zich te verweren; hetgeen eiser heeft gedaan bij verweerschrift d.d. 26 juli 2017.

2.4. Bij schrijven d.d. 04 augustus 2017 wordt eiser de disciplinaire maatregel van schorsing opgelegd. Eiser wordt voor 10 werkdagen geschorst ingaande 07 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017, zonder behoud van salaris.

2.5. Eiser is op 04 augustus 2017 zonder voorafgaande kennisgeving wederom niet aanwezig aan het werk en wordt het onder 2.4. bedoeld schrijven per deurwaardersexploit op 05 augustus 2017 aan eiser betekend.

2.6. Bij schrijven d.d. 04 augustus 2017 stelt gedaagde vast dat eiser op 04 augustus 2017 wederom zonder kennisgeving afwezig is. Het gedrag van eiser wordt als ernstig plichtsverzuim gekwalificeerd en eiser wordt aangezegd zich op uiterlijk maandag 07 augustus 2017 schriftelijk te verweren.

2.7. Het in 2.6. bedoeld schrijven wordt per deurwaardersexploit op 05 augustus 2017 aan eiser betekend.

2.8. Eiser verweert zich bij schrijven d.d. 07 augustus 2017.

2.9. Bij schrijven d.d. 10 augustus 2017 wordt eiser door gedaagde op non actief gesteld.Dit schrijven is per deurwaardersexploit op 14 augustus 2017 aan eiser betekend.

2.10. Bij schrijven d.d. 08 augustus 2017, hetwelk op 17 augustus 2017 door de Ontslagcommissie is ontvangen, wordt door gedaagde het verzoek gedaan vergunning te verlenen tot het ontslaan van eiser. De redenen voor de aanvraag van de ontslagvergunning zijn: ernstig plichtsverzuim en dienstweigering.

2.11. Bij beschikking d.d. 14 september 2017 verleent de minister van Arbeid vergunning tot het beëindigen van de dienstbetrekking met eiser, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en de toepasselijke CAO-bepalingen.

2.12. Bij schrijven d.d. 18 september 2017 deelt gedaagde eiser mede dat met in achtneming van de relevante bepalingen van de CAO, de dienstbetrekking met eiser per 31 januari 2018 wordt beëindigd.

3 De vordering

3.1. Eiser vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde te veroordelen om naar redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding c.q. ontslagvergoeding aan eiser toe te kennen van tenminste 5 jaren of een in goede justitie vast te stellen redelijke periode, waarbij het loon met alle bijbehorende emolumenten aan eiser wordt doorbetaald;
II. gedaagde te veroordelen om de niet door verzoeker opgenomen 67 verlofdagen over de in het jaar 2017 en voorgaande jaren gewerkte periode naar rato van het loon per dag af te kopen, met toevoeging van de wettelijke interessen;
III. gedaagde te veroordelen om aan eiser, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad SRD 4.870,– voor de door eiser gemaakte juridische en buitengerechtelijke kosten;
IV. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Eiser stelt dat het éénzijdig beëindigen van de dienstbetrekking door gedaagde, zeer onrechtmatig en kennelijk onredelijk geacht zal kunnen worden, welke vorderingen leveren tot schadevergoeding krachtens artikel 1615s Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.3. Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Eiser legt ten grondslag aan zijn vordering artikel 1615s lid 2 onder sub b van het BW.Artikel 1615s lid 2 BW luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;

b. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

Uit hetgeen door eiser is gesteld maakt de kantonrechter op dat gedaagde wordt verweten dat zij de dienstbetrekking, ondanks de verkregen ontslagvergunning, op kennelijk onredelijke gronden heeft beëindigd, door in strijd te handelen met het gestelde onder artikel 1615s lid 2 onder sub b BW. Eiser is van oordeel dat gelet op de duur van de dienstbetrekking, de ten behoeve van eiser getroffen voorzieningen, de gevolgen van het beëindigen van de dienstbetrekking in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde. De kantonrechter zal zich dan ook toeleggen op hetgeen door eiser is gesteld en nagaan of het ontslag van eiser voldoet aan het gestelde in artikel 1615s lid 2 onder sub b BW, de dienstbetrekking met eiser heeft beëindigd. Indien zulks het geval is zal het ontslag als kennelijk onredelijk moeten worden aangemerkt.

4.2. Eiser is ontslag aangezegd op 18 september 2017, waarna de dienstbetrekking op grond van de bepalingen van de CAO per 31 januari 2018 is beëindigd. De kantonrechter stelt vast dat de dienstbetrekking bijkans 13½ jaar heeft geduurd. De voor eiser getroffen voorzieningen zijn die vastgelegd in de CAO waarbij een opzegtermijn van 4 maanden in acht moet worden genomen, hetgeen in casu heeft plaatsgevonden, hetgeen de kantonrechter niet onbillijk voorkomt.

4.3. Thans moet worden nagegaan of de gevolgen van de beëindiging voor eiser in onevenredige verhouding staan tot de belangen van de werkgever.
Eiser stelt onder meer dat:

  • hij groot financieel nadeel lijdt ten gevolge van het ontslag;
  • de financiële nazorg van eiser ontbreekt;
  • de mogelijkheden van hem om als 41 jarige een andere baan te vinden beperkt zijn, gelet op de huidige economische crisis situatie en zijn kansen op de arbeidsmarkt.

De kantonrechter begrijpt dat eiser betoogt dat de gevolgen van zijn ontslag in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het ontslag.

4.4. De kantonrechter is van oordeel dat in casu gedaagde niet gehouden is tot enige financiële nazorg voor de ontslagen eiser. Het ontslag van eiser is blijkens de door partijen overgelegde producties een gevolg van onwettige afwezigheid zijdens eiser, eenmaal zelf gedurende een periode van bijkans 3 maanden, en van dienstweigering. In dit kader kan een mogelijk financieel nadeel dat eiser als gevolg van het ontslag lijdt, niet op conto van gedaagde worden geschreven. Het ontslag is niet uit de lucht komen vallen en eiser had, gelet op zijn handelen, zulks moeten zien aankomen c.q. zelfcorrigerend moeten optreden.

De kantonrechter maakt op dat eiser zeer ontevreden is geweest met het benoemingsbeleid binnen het bedrijf van gedaagde en dat zijn handelen – met name zijn afwezigheid van de werkplek – mede hierdoor is ingegeven. Eiser had als stafmedewerker binnen het bedrijf van gedaagde een andere keuze kunnen maken, door zich tot de vakorganisatie binnen het bedrijf te wenden voor advies c.q. ondersteuning. Aan de door eiser gedane keuze – wegblijven van de werkplek – zijn consequenties verbonden. Die consequenties behoorde eiser, gelet op zijn kennis, kunde en opleiding, wel te kunnen inschatten.

4.5. Eiser heeft getuige de achter zijn naam gestelde titulaturen een hoog opgeleid technisch niveau.Blijkens de overgelegde schrifturen zijn enkele van deze opleidingen mede op kosten van gedaagde afgerond, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter het verwijt van eiser loochenstraft alszou gedaagde geen goed werkgever zijn. Gelet op zijn bijzondere expertise en ervaring, komt het de kantonrechter voor dat eiser op de arbeidsmarkt nationaal en regionaal wel degelijk emplooi zal kunnen vinden. De leeftijd van 41 jaar wordt niet als obstakel ervaren, gelet op de specifieke opleiding, kunde en ervaring van eiser. Het is de kantonrechter niet gebleken dat afwijzend zou zijn gereageerd op eventuele sollicitatieverzoeken van eiser.

4.6. Gedaagde heeft onder meer gesteld dat eiser geweigerd heeft zijn leidinggevende aldus te accepteren en is eiser kort hierna op eigen verzoek door gedaagde horizontaal overgeplaatst.Echter ontstonden ook op de nieuwe afdeling botsingen met eiser. Gedaagde stelt voorts dat het vertrouwen in eiser onherstelbaar is geschonden vanwege een aaneenschakeling van handelingen zijdens eiser, waaronder laatstelijk een onjuiste weergave gegeven aan de Ontslagcommissie terzake een interne beoordeling van eiser. Gedaagde heeft er belang bij om eiser niet langer te handhaven binnen haar bedrijf.

4.7. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor eiser niet in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het handhaven van het gegeven ontslag. Eiser heeft eigenhandig bijgedragen dat deze ultieme sanctiemaatregel jegens hem moest worden uitgevaardigd, nu zoals door de Ontslagcommissie wordt geconcludeerd: “….in redelijkheid niet van hem [lees gedaagde] kan worden verwacht dat hij de dienstbetrekking met betrokkene [lees eiser] laat voortduren”. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat niet gesproken kan worden van een kennelijk onredelijk ontslag zijdens gedaagde. Het verzoek van eiser zal derhalve worden afgewezen.

4.8. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1. wijst de vordering van eiser af;

5.2. veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo d.d. 03 februari 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-5473
07 oktober 2019

Vonnis in de zaak van:
[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gevolmachtigde: mr. M.R. Roethof,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTEGRA PORT SERVICES N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.R.J. Ilahibaks, advocaat,

1.Het verloop van het proces
1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • Het inleidend verzoekschrift dat op 18 december 2017 bij de Griffie der Kantongerechten is;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. Uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1.Eiser is als ‘Assistant Foreman’ in dienst van gedaagde en verkrijgt toestemming om vacantieverlof op te nemen, alsook twee weken verlof buiten bezwaar en wel in de periode 11 juli 2017 tot en met 15 augustus 2017. Eiser diende zijn werkzaamheden bij gedaagde op 16 augustus 2017 aan te vangen.

2.2.Bij schrijven d.d. 17 augustus 2017 bericht gedaagde eiser:

Op woensdag 16 augustus 2017 zou u uw werkzaamheden hervatten na een periode van genoten verlof vanaf dinsdag 11 juli 2017 t/m dinsdag 15 augustus 2017. Conform de werkprocedure met betrekking tot de inroostering probeert de Labor Planner u telefonisch te bereiken, doch zonder resultaat. U blijkt onbereikbaar te zijn.U wordt bij deze opgeroepen zich persoonlijk aan te melden op het hoofdkantoor op vrijdag 18 augustus 2017 om 08.00 uur ter verantwoording van uw afwezigheid c.q. hervatting van uw werkzaamheden.
Dit schrijven is per exploit no. 1402 d.d. 17 augustus 2017 van S.W. Niekoop LL.B., deurwaarder bij het Hof van Justitie, aan [naam], huisgenote en partner van eiser, betekend.

2.3.Bij schrijven d.d. 21 augustus 2017 is eiser door gedaagde wegens dringende reden ontslagen. In voormeld schrijven is onder meer opgenomen: “Aan onze schriftelijke oproep d.d. 17 augustus 2017 om u aan te melden op 18 augustus 2017 heeft u geen gehoor gegeven. Aangezien u vanaf woensdag 16 augustus 2017 niet bereikbaar bent en geen enkel bericht van verhindering heeft doorgestuurd, zijn wij genoodzaakt om u op heden, maandag 21 augustus 2017, met onmiddellijke ingang te moeten ontslaan wegens dringende reden”.
Dit schrijven is per exploit no. 1419 d.d. 21 augustus 2017 van S.W. Niekoop LL.B., deurwaarder bij het Hof van Justitie, aan [naam], huisgenote en partner van eiser, betekend.

2.4.Het besluit van gedaagde – ontslag wegens dringende reden van eiser – is per schrijven d.d. 21 augustus 2017 gemeld aan de waarnemend Inspecteur Generaal van de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Arbeid.

2.5.Bij beschikking [nummer] d.d. 31 augustus 2017 heeft de Dienst Arbeidsinspectie van het ministerie van Arbeid, besloten geen bezwaar aan te tekenen tegen het ontslag wegens dringende reden van eiser.

2.6.Bij schrijven d.d. 13 oktober 2017 heeft eiser gedaagde medegedeeld bezwaren te hebben tegen het aan hem verleende ontslag wegens dringende reden en dat hij zich gereed houdt om de bedongen arbeid te verrichten.

3.De vordering, de grondslag en het verweer
3.1.Eiser vordert zakelijk weergegeven om gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat het ontslag van eiser op 21 augustus 2017 door gedaagde kennelijk onredelijk is geschied;
  2. gedaagde te veroordelen om binnen drie dagen na het vonnis, overeenkomstig artikel 1615t B.W., de dienstbetrekking met eiser te herstellen;
  3. subsidiair gedaagde ingevolge artikel 1615s B.W. te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, naar billijkheid vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de eventuele tenuitvoerlegging van het gevorderde, verschuldigd zal worden;
  5. de veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2.Eiser is van oordeel dat het aan hem verleende ontslag, binnen vijf dagen, op onredelijke gronden is geschied nu hij wegens overmacht niet in staat was zijn werkzaamheden te hervatten. Eiser ontkent met klem onwettig van zijn werk afwezig te zijn geweest.

3.3.Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling
4.1.Eiser is van oordeel dat het aan hem verleende ontslag wegens dringende reden per 21 augustus 2017, kennelijk onredelijk is geweest. In het verzoekschrift verwijst eiser naar artikel 1615s B.W. lid 2 onder sub a en sub b. Artikel 1615s lid 2 onder sub a en sub b luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  1. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  2. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

De kantonrechter maakt uit de brieven van gedaagde aan eiser gedateerd 17 augustus 2017 en 21 augustus 2017 op, dat gedaagde als redenen voor het ontslag, onwettige afwezigheid c.q. onwettig verzuim van eiser, aanvoert.

4.2.Met betrekking tot de aanvang van zijn werkzaamheden c.q. de datum van zijn indiensttreding, is de kantonrechter van oordeel dat eiser onvoldoende is ingegaan op de gemotiveerde betwisting van gedaagde, weshalve niet is komen vast te staan dat eiser vanaf 2006 bij gedaagde werkzaam is.

4.3.De kantonrechter maakt uit de door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op dat eiser betoogt dat de gevolgen van zijn ontslag in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij de beëindiging. Aan de kantonrechter wordt gevraagd een belangenafweging te verrichten, met enerzijds de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor eiser en aan de andere kant het belang van gedaagde bij de beëindiging van de dienstbetrekking.

4.4.In het kader van het afwegen van de gevolgen van het ontslag voor eiser en het belang van gedaagde bij het verleende ontslag, constateert de kantonrechter het volgende. Eiser heeft zich na expiratie van zijn vacantieverlof, zonder enige kennisgeving, niet aangemeld op 16 augustus 2017 voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Het schrijven gedateerd 17 augustus 2017 aan eiser om zich op 18 augustus 2017 persoonlijk op de werkplek aan te melden, is door zijn huisgenote en partner in ontvangst genomen. Er is geen contact opgenomen met de werkgever. Op 21 augustus 2017 is eiser door gedaagde wegens dringende reden ontslagen. Dit besluit is onverwijld op het woonadres van eiser betekend en aan zijn huisgenote en partner overhandigd. Ook nu blijkt niet dat eiser directe en/of concrete stappen heeft ondernomen naar de werkgever toe. Uit de beschikking d.d. 31 augustus 2017 [nummer] van het ministerie van Arbeid, maakt de kantonrechter op dat eiser door de dienst Arbeidsinspectie is opgeroepen om terzake het ontslag wegens dringende reden gehoord te worden.Eiser is zonder enige kennisgeving niet verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen. Toen eiser gedaagde op 13 oktober 2017 informeerde dat hij protest aantekent tegen zijn ontslag en bereid is de bedongen arbeid te verrichten, was de alsdan 2 maanden vacante functie van eiser, bereids ingevuld door gedaagde.De kantonrechter acht het niet onbegrijpelijk dat gedaagde in het belang van de voortgang van de werkzaamheden binnen haar bedrijf, de vacante functie van eiser heeft moeten invullen. Eiser stelt zelf dat hij in de functie van voorman werkzaam was bij gedaagde onder andere bij het laden en lossen van zeeschepen, het handhaven van orde en het zorgen voor de veiligheid van stuwadoors en andere personen die onder zijn leiding werkzaam waren. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat de werkgever er alle belang bij had om deze functie, voor een vlotte voortgang van de hierboven genoemde werkzaamheden binnen haar bedrijf, op korte termijn te doen invullen.

4.5.In haar conclusie van dupliek stelt gedaagde dat zij eiser wegens dringende reden heeft ontslagen vanwege het onwettig verzuim en niet omdat hij als verdachte zou zijn aangemerkt en aangehouden in Nederland. Gedaagde stelt dat pas nadat eiser was ontslagen zij – gedaagde – door de partner van eiser geïnformeerd is geworden dat hij in aanraking is gekomen met de justitiële autoriteiten in Nederland en is aangehouden. De kantonrechter neemt aan dat er geen specifieke voorzieningen zijn getroffen door gedaagde als werkgever, ten behoeve van eiser als werknemer.

4.6.Gedaagde betoogt dat zij op grond van het onwettig verzuim van eiser gerechtigd was tot ontslag over te gaan en dat zij aan alle wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter merkt op dat het voldoen aan alle wettelijke vereisten bij het beëindigen van een dienstbetrekking, niet afdoet dat bedoelde beëindiging ingevolge artikel 1615s toch kennelijk onredelijk kan worden geoordeeld door de kantonrechter. De kantonrechter zou tot dit oordeel kunnen komen indien de gevolgen van het ontslag voor eiser in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij het ontslag.De kantonrechter merkt op dat eiser de gevolgen van het ontslag d.d. 21 augustus 2017 niet als zodanig naar voren heeft gebracht waardoor de kantonrechter niet in de gelegenheid is om na te gaan of deze gevolgen in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij het beëindigen van de dienstbetrekking.

4.7.Eiser is op 15 augustus 2017 op de luchthaven Schiphol in Nederland aangehouden vanwege het feit dat hij € 20.000,– in contanten in zijn bezit had en dit bedrag het land wenste uit te voeren naar Suriname, naar wordt aangenomen zonder de vereiste uitvoerdocumenten.Eiser heeft aangegeven dat dit bedrag hem rechtmatig toekomt vanwege de verkoop van goud c.q. gouden sieraden. Gelet op deze bijverdiensten van eiser concludeert de kantonrechter dat de gevolgen van het verleende ontslag voor eiser, naar het oordeel van de kantonrechter, niet van een dusdanige aard zijn c.q. zullen zijn geweest, dat geconcludeerd moet worden dat de gevolgen van het ontslag zoals door eiser gesteld, in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag. Eiser heeft blijkbaar de mogelijkheid terug te vallen op royale inkomsten die zijn andere werkzaamheden hem opleveren.

4.8.De kantonrechter concludeert uit al het voorgaande dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor hem in een onevenredige verhouding staan tot het belang van gedaagde bij het verlenen c.q. handhaven van het ontslag. De kantonrechter oordeelt derhalve dat er geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag zijdens gedaagde, weshalve de vordering van eiser zal worden afgewezen.

4.9.De kantonrechter ziet af van het bespreken van andere stellingen en weren van partijen, nu deze als niet relevant worden geoordeeld.

5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1. wijst af het door eiser gevorderde.

5.2. veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde, die tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge, LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 07 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2020-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 17-2987
14 januari 2020

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser, hierna aangeduid met “[eiser]”,
gemachtigde, mr. C. P. Baal, advocaat,

tegen

STICHTING ELSJE FINCK SANICHAR COLLEGE CENTRALE OPLEIDING VOOR VERPLEEGKUNDIGEN EN BEOEFENAREN EN AANVERWANTE BEROEPEN (STICHTING EFS COLLEGE COVAB),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde, hierna aangeduid met “stichting Covab”,
gemachtigde, mr. S. Mangroelal, advocaat, voorheen mr. R. Djokarto, gevolmachtigde.

1. Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 05 juli 2017 door [eiser] bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met bijlagen;
  • de conclusie van repliek en uitlating producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1. [eiser] is op 1 maart 1988 in dienst getreden van stichting Covab.

2.2. Bij schrijven d.d. 1 maart 2017 wordt [eiser] door de stichting Covab op non actief gesteld.

2.3. Bij beschikking d.d. 19 mei 2017 verleent de minister van Arbeid, op verzoek van de stichting Covab, vergunning ter beëindiging van de dienstbetrekking met [eiser].

2.4. Bij schrijven d.d. 26 mei 2017 zegt de stichting Covab de arbeidsovereenkomst met [eiser] op en deelt hem mede dat conform de bepalingen van de CAO een opzegtermijn van 6 maanden in acht wordt genomen. Zijn laatste werkdag is 26 november 2017.

3 De vordering
3.1. [eiser] vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  1. voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking op kennelijk onredelijke gronden is geëindigd;
  2. voor recht te verklaren dat de ontslagbeschikking van 19 mei 2017 nietig is, dan wel vernietigbaar is;
  3. gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na betekening van het vonnis,dan wel door UEA in goede justitia vast te stellen termijn, de dienstbetrekking met verzoeker te herstellen, met betaling van het salaris en de bijbehorende emolumenten;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten van hetgeding.

Subsidiair:

  1. voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking op kennelijk onredelijke gronden is geëindigd;
  2. voor recht te verklaren dat de ontslagbeschikking van 19 mei 2017 nietig is, dan wel vernietigbaar is;
  3. gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen wegens schadevergoeding een som geld ineens, gelijk aan het bedrag welke [eiser] in 35 maanden zou hebben verdiend;
  4. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.[eiser] stelt, dat bij de besluitvorming voor het wel of niet toekennen van de ontslagvergunning, niet de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen. [eiser] is van oordeel dat de verleende vergunning kennelijk onredelijk is en dat hij zich hier niet in kan terugvinden. [eiser] stelt dat op basis van de toetsingscriteria voor kennelijk onredelijk ontslag, zoals die genoemd zijn in de wet en de jurisprudentie, bedoelde ontslagvergunning kennelijk onredelijk is.

3.3. Stichting Covab voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1. [eiser] stelt van oordeel te zijn dat bij de besluitvorming voor het wel of niet toekennen van de ontslagvergunning, niet de nodige zorgvuldigheid in acht is genomen. [eiser] blijft in gebreke aan te geven wie niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen: het ministerie van Arbeid c.q. de stichting Covab? Vanwege de vermeende onzorgvuldigheid echter, is [eiser] van oordeel dat de verleende vergunning kennelijk onredelijk is. De kantonrechter neemt aan dat [eiser] betoogt dat nu de ontslagvergunning gegeven door het ministerie van Arbeid, zijns inziens kennelijk onredelijk is verleend, het door de stichting Covab verleende ontslag, ook kennelijk onredelijk is.

4.2.[eiser] stelt voorts dat de wet en de jurisprudentie de criteria aangeven wanneer er sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. [eiser] betoogt dat om het kennelijk onredelijk ontslag te kunnen toetsen, onder meer gekeken moet worden naar het volgende:

  1. de voor de werknemer getroffen voorzieningen;
  2. de voor de werknemer bestaandemogelijkheden om passend werk te vinden;
  3. de gevolgen van debeëindigingvoor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging.

4.3. Artikel 1615s lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna B.W.) luidt:
Beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:

  1. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende of valse reden;
  2. wanneer, mede in aanmerking genomen het aantal jaren dat de dienstbetrekking heeft geduurd, alsmede de voor de werknemer getroffen voorzieningen, de gevolgen der beëindiging voor de werknemer in een onevenredige verhouding staan tot het belang van de werkgever bij beëindiging”.

De kantonrechter is van oordeel dat de overige in dit artikel genoemde toetsingsgronden voor het beoordelen of een ontslag door de werkgever kennelijk onredelijk is verleend, in het onderhavige geding niet toepasselijk zijn; evenmin zijn deze toetsingsgronden aldus door [eiser] aangedragen.

Zonder opgave van reden
4.4. De kantonrechter constateert dat blijkens de ontslagvergunning van het ministerie van Arbeid, de stichting Covab als reden voor het beëindigen van de dienstbetrekking met [eiser] heeft opgegeven:

  • dat [eiser] in ernstige mate de bekwaamheid mist tot arbeid;
  • poging tot diefstal;
  • geschonden vertrouwen;
  • hardnekkige weigering te voldoen aan redelijke opdrachten.

In casu kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat de stichting Covab zonder opgave van reden de dienstbetrekking met [eiser] heeft beëindigd.

4.5. Uit de beschikking van het ministerie van Arbeid maakt de kantonrechter op dat [eiser] ten overstaan van de Ontslagcommissie het door de stichting Covab gestelde niet heeft weersproken, doch heeft aangegeven dat hij de laatste keren is gevraagd om zware waterflessen naar boven te sjouwen op de trap, hetgeen hij heeft geweigerd. Uit de conclusies en producties die tussen partijen zijn gewisseld, maakt de kantonrechter op dat de gronden voor het beëindigen van de dienstbetrekking door de stichting Covab, zeer extensief en gedocumenteerd zijn aangedragen. [eiser] heeft als verweer gevoerd dat indien en voorzover hij zo slecht gefunctioneerd had in de afgelopen 29 jaren durende dienstbetrekking, de werkgever – stichting Covab – hem reeds alsdan zou hebben ontslagen. De diverse brieven, rapporten, aanmaningen, etc. die de stichting Covab heeft overgelegd zijn niet door [eiser] betwist. Betoogd wordt dat deze documenten een éénzijdig beeld van [eiser] geven en dat zij niet tegen hem gebruikt mogen worden.Uit het voorgaande maakt de kantonrechter op dat niet gesteld kan worden dat de stichting Covab onder opgave van een voorgewende of valse reden ertoe is overgegaan om de dienstbetrekking met [eiser] te beëindigen.

Voor de werknemer getroffen voorziening
4.6. Conform de bepalingen van de CAO heeft de stichting Covab de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd, met inachtneming van een periode van 6 maanden. Deze voorziening is van collectieve aard en van toepassing op de ontslagen werknemer – [eiser]-

Belangenafweging
4.7. [eiser] is vanaf 1 maart 1988 in dienst van de stichting Covab en was inderdaad ruim 29 jaren in dienst toen hij werd ontslagen. De kantonrechter maakt uit de ingediende schrifturen op dat [eiser] is ontslagen nadat diverse disciplinaire maatregelen jegens hem zijn getroffen. De stichting Covab stelt aldus te hebben gehandeld in de hoop dat enige verandering zou optreden in de werkhouding van [eiser]. De kantonrechter maakt op dat de directeur van stichting Covab, [eiser] op 14 augustus 1989 alsvolgt heeft aangeschreven:
“Hoewel u bekend bent met de regels binnen onze Stichting, worden deze voortdurend door u genegeerd. Zo willen wij u erop attenderen dat uw gedrag in de laatste tijd op z’n zachts, vreemd en zeer onmaatschappelijk is en door ons niet getolereerd kan worden. Een korte illustratie van uw vreemd gedrag zou misschien tot correctie kunnen bijdragen:

  • steevast weigeren leiding te aanvaarden
  • niet aan – en afmelden bij uw directe chef
  • de opgedragen taken niet naar behoren uitvoeren, waarbij gesteld dient te worden dat uw functioneren duidelijk te wensen overlaat. Ook schijnt u er een gewoonte van te maken onmiddellijk na een ziekteperiode verlof op te eisen. Op grond van het bovengestelde waarschuwen wij u zeer ernstig en wijzen u erop dat u zich dient te corrigeren. Indien zulks niet gebeurd zullen de consequenties die daaruit voortvloeien geheel voor uw rekening zijn”.

4.8.Na deze officiële schriftelijke waarschuwing tot correctie van zijn werkhouding c.q. zijn gedrag,amper 17 maanden na de indiensttreding van [eiser], zijn diverse brieven en rapporten opgemaakt terzake zijn functioneren en zijn diverse disciplinaire maatregelen jegens hem getroffen. De stichting Covab noemt onder andere:

  • geen betaling van salaris van niet gewerkte dag
  • in gebrekestelling wegens plichtverzuim
  • mondelinge en schriftelijke reprimandes
  • overplaatsing naar een andere afdeling
  • functiewijziging van chef Technische Dienst naar Medewerker Technische Dienst

De stichting Covab stelt dat uit rapportages die zijn opgemaakt is komen vast te staan dat [eiser] door zijn gedrag en attitude de werksfeer binnen de organisatie dusdanig vertroebelde, waardoor samenwerken met hem onmogelijk werd gemaakt. In teamverband werken wordt aangehaald als een cruciaal vereist voor het goed functioneren van het bedrijf van de stichting Covab. Dit laatste, in team verband werken, was aldus de stichting Covab niet langer mogelijk met [eiser] binnen haar organisatie. [eiser] heeft het bestaan van de rapporten en de disciplinaire maatregelen niet betwist. [eiser] heeft evenmin de producties van valsheid beticht, weshalve de inhoud dezer tussen partijen vast staat.

4.9. [eiser] heeft als verweer gevoerd dat hij niet na 29 jaren kan worden ontslagen voor deze door de stichting Covab aangehaalde zaken, stellende dat als hij inderdaad zo slecht zou hebben gefunctioneerd hij dan eerder zou zijn ontslagen. [eiser] is dan ook van oordeel dat voorbij moet worden gegaan aan de rapporten en disciplinaire maatregelen die jegens hem zijn getroffen. De stichting Covab heeft [eiser] gedurende lange tijd de mogelijkheid geboden om corrigerend op te treden, omdat zij blijkbaar vertrouwen stelde in hem om terzake zijn werkhouding en gedrag corrigerend te kunnen en te willen optreden. Thans wordt de stichting verweten dat zij hem niet na zoveel jaren had mogen ontslaan, omdat zijn functioneren toen dan toch niet zo ontslagwaardig is geweest; immers dan zou hij reeds eerder zijn ontslagen. Dit verweer van [eiser] acht de kantonrechter misplaatst. De ‘bekende druppel’ die de emmer heeft doen overlopen betreft een recent voorval op 23 februari 2017, waarbij [eiser] tijdens diensttijd en in werkkleding op heterdaad zou zijn betrapt op het zich onrechtmatig willen toe-eigenen van een koperen buis uit een bouwmaterialenzaak. De kantonrechter stelt vast dat menig andere werkgever [eiser], gegeven zijn lange negatieve ‘staat van dienst’, bij lange na niet zoveel ruimte zou hebben geboden om zijn werkhouding te corrigeren. Deze werknemers-vriendelijke c.q. coulante houding, wordt thans, naar het oordeel van de kantonrechter, de stichting Covab ten onrechte voor de voeten geworpen.

4.10. Aan de kantonrechter wordt gevraagd een belangenafweging te verrichten, met enerzijds de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor [eiser] en aan de andere kant het belang van de stichting Covab bij de beëindiging van de dienstbetrekking. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het lijvig dossier dat de stichting Covab heeft overgelegd terzake het functioneren van [eiser], geconcludeerd moet worden dat [eiser] eigenhandig heeft zorggedragen dat de ultieme sanctie van ontslag tegen hem is uitgevaardigd. Dat [eiser] hierdoor als 51 jarige een minder gunstige positie op de arbeidsmarkt inneemt, is volledig aan zijn eigen handelen te wijten. De stichting Covab heeft gesteld dat door de laatste handeling van [eiser] – poging tot diefstal – het vertrouwen in hem op dusdanige wijze is geschaad dat de arbeidsrelatie niet gecontinueerd kan worden. De Ontslagcommissie heeft geoordeeld dat op grond van al hetgeen de stichting Covab naar voren heeft gebracht, voldoende aannemelijk is gemaakt dat het vertrouwen in de werknemer [eiser] is geschonden en dat in alle redelijkheid niet van de stichting Covab kan worden verwacht dat de dienstbetrekking met hem wordt voortgezet. Het vertrouwen in [eiser] is in ernstige mate geschaad en werken in teamverband binnen de organisatie van de stichting Covab blijkt niet meer mogelijk te zijn. Het belang van de stichting Covab voor het ontslaan van [eiser] wordt, afgezet tegen het belang van [eiser], niet als onevenredig geoordeeld. Temeer daar [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter eigenhandig heeft bijgedragen aan zijn ontslag. De gevolgen van dit ontslag komen dan ook volledig voor zijn eigen rekening.De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet heeft aangetoond dat er van enige onzorgvuldigheid sprake is bij de totstandkoming van de ontslagvergunning. Evenmin heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter aangetoond dat het door de stichting Covab verleende ontslag, getoetst aan de wettelijke criteria, kennelijk onredelijk is. De kantonrechter is, gelet op al hetgeen hierboven is overwogen, van oordeel dat nu het door de stichting Covab verleende ontslag niet kennelijk onredelijk is, het verzoek van [eiser] moet worden afgewezen en zal aldus beslissen.

4.11.[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1. wijst de vordering van [eiser] af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de stichting Covab, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo d.d. 14 januari 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-15

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 18-4533
06 januari 2020

Vonnis in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. S.M.D. Sitaram, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub a],
wonende te [district]
niet verschenen,
B. DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Binnenlandse Zaken,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
gevolmachtigde: mr. J.M. Foort, jurist op het ministerie van Binnenlandse Zaken, verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,
gedaagden.

1 Het verloop van het proces

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 30 oktober 2018 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • het tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen gedaagde sub A verleend verstek;
  • de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub B.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. Verzoekster is op 02 november 2004 te [district] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde sub A. Bij vonnis van de Kantonrechter in het eerste Kanton d.d. 11 april 2016, in de zaak bekend onder A.R. no. 15-4607, is de echtscheiding uitgesproken tussen verzoekster en gedaagde sub A. Het echtscheidingsvonnis is ingeschreven op 26 augustus 2016 in de registers van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, hierna C.B.B.

2.2.Op 14 mei 2015 is te [district] uit verzoekster geboren, het nog in leven zijnde minderjarig kind: [naam].

2.3.[naam] is tijdens het echtscheidingsproces tussen verzoekster en gedaagde sub A geboren en bezat tijdens de geboorte de status van wettig kind van gedaagde sub A. Gedaagde sub A is echter niet de verwekker van voornoemd minderjarig kind.

2.4. Bij vonnis d.d. 27 november 2017 heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton, de door gedaagde sub A ingediende vordering tot ontkenning van de wettigheid, bekend onder A.R. no. 17-2224, toegewezen en is de ontkenning van de wettigheid van het minderjarig kind [naam], geldig verklaard. Dit vonnis is vanaf 16 juni 2018 niet meer vatbaar voor hoger beroep.

2.5. Ingevolge artikel 324a van het Burgerlijk Wetboek, hierna B.W., dient gedaagde sub A het vonnis d.d. 27 november 2017, waarbij de ontkenning van de wettigheid terzake het in 2.2. genoemd minderjarig kind is toegewezen, in te schrijven in de lopende registers van geboorten bij het C.B.B. ressorterend onder gedaagde sub B.

2.6. Gedaagde sub A weigert over te gaan tot het doen inschrijven van voormeld vonnis d.d. 27 november 2017, in de registers van geboorten bij het C.B.B.

2.7. Verzoekster heeft geprobeerd eerder vermeld vonnis van 27 november 2017 zelf te doen inschrijven in de registers van geboorten bij het C.B.B. Gedaagde sub B heeft deze inschrijving van voormeld vonnis door verzoekster, geweigerd.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1. Verzoekster vordert zakelijk weergegeven om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. verzoekster te machtigen om dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende
    partij, althans toestemming te verlenen dat verzoekster het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 november 2017 bekend onder A.R. no. 17-2224, ter inschrijving aanbiedt bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo;
  2. gedaagde sub B te veroordelen om met in achtneming van de bepaling van het Kinderrechtenverdrag, bij aanbieding van het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 november 2017 bekend onder A.R. no. 17-2224 door verzoekster, dit vonnis te doen inschrijven in de registers van de Burgerlijke Stand te Paramaribo;
  3. gedaagde sub A te veroordelen het te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen;
  4. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. Verzoekster stelt dat gedaagde sub A niet voornemens is het vonnis van 27 november 2017 te doen inschrijven in de lopende registers van geboorten van C.B.B. dan tegen betaling. Voorts stelt verzoekster dat door de weigering van gedaagde sub B om verzoekster in de gelegenheid te stellen bedoeld vonnis zelf te doen inschrijven, het belang van het minderjarig kind: [naam], wordt geschaad.

3.3. Verzoekster stelt dat ingevolge artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag de belangen van het minderjarig kind de eerste overweging vormen voor onder andere rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Verzoekster betoogt dat in casu, het belang van het kind [naam] gelegen is in de noodzaak tot een spoedige inschrijving van het vonnis van 27 november 2017 in de lopende registers van het C.B.B. De huidige situatie is dat aan de ene kant de minderjarige in de registers van gedaagde sub B geregistreerd staat als een wettig kind van gedaagde sub A terwijl aan de andere kant een vonnis is gewezen waarbij de wettigheid is ontkend. Derhalve dient in het belang van het minderjarig kind voornoemd, het vonnis terzake de ontkenning van de wettigheid van voornoemd minderjarig kind, te worden ingeschreven in de lopende registers van het C.B.B.

3.4. Gedaagde sub B voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling
4.1 Bij conclusie van repliek vraagt verzoekster rectificatie omdat in het inleidend verzoekschrift instede van het ministerie van Binnenlandse zaken, het Centraal Bureau voor Burgerzaken in rechte is opgeroepen. Verzoekster stelt dat gedaagden niet worden benadeeld indien de akte van rectificatie aan haar wordt verleend. Gedaagde sub A is ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen en heeft zodoende zich zelf de mogelijkheid ontnomen terzake verweer te voeren. Gedaagde sub B heeft zich ten aanzien van het verzoek tot rectificatie, gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde B, zijnde de Staat Suriname, in het onderhavige geding in rechte is opgeroepen, dit vanwege de weigering door het C.B.B. tot het doen inschrijven van het door verzoekster aangeboden vonnis van 27 november 2017. Aangezien het C.B.B. onder het ministerie van Binnenlandse Zaken ressorteert, diende voormeld ministerie te worden vermeld in het verzoekschrift en niet het C.B.B. Aangezien de juiste procespartij – de Staat Suriname – in het geding is gebracht, kan deze omissie processueel als rechtens minder relevant worden aangemerkt. Nu gedaagden niet in hun belangen zijn geschaad, zal de rectificatie worden toegestaan.

4.2. Verzoekster stelt dat artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag luidt: “Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Op grond van deze bepaling in het Kinderrechtenverdrag acht verzoekster het noodzakelijk dat wordt afgeweken van artikel 324a B.W. zodat los van gedaagde sub A, ook aan verzoekster de mogelijkheid wordt geboden bedoeld vonnis, waarbij de ontkenning van de wettigheid aan gedaagde sub A is toegewezen, ter inschrijving in de lopende registers van het C.B.B., aan te bieden. Artikel 4 van dit verdrag stelt onder meer: “De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen om de in dit verdrag erkende rechten te verwezenlijken”. Artikel 5 van dit verdrag stelt onder meer: “De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind”.

Uit het voorgaande blijkt dat op de Staat de plicht rust om alle passende wettelijke maatregelen te treffen zodat de in dit verdrag erkende rechten worden verwezenlijkt. De Staat is eveneens gehouden de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van ouders bij het implementeren van de rechten van kinderen zoals vastgelegd in dit verdrag, te eerbiedigen c.q. de mogelijkheid te bieden opdat ouders de hen toekomende verantwoordelijkheden, rechten en plichten ten behoeve van hun kinderen, kunnen uitoefenen.

4.3. Gedaagde sub B heeft verweer gevoerd onder meer stellende dat zij niet zonder meer voorbij kan gaan aan de strikte regels van de wet, in casu doelend op artikel 324a B.W. Krachtens dit artikel is gedaagde sub B van oordeel dat uitsluitend gedaagde sub A de inschrijving van het vonnis waarbij de ontkenning van de wettigheid aan hem is toegewezen, dient te verrichten. Gedaagde sub B stelt op grond van deze wettelijke bepaling geweigerd te hebben dat verzoekster meernoemd vonnis van 27 november 2017, in de lopende registers van geboorten, inschrijft.

4.4. De kantonrechter stelt vast dat in dit geding een rechterlijke autoriteit een vonnis heeft gewezen waarbij het verzoek tot ontkenning van de wettigheid van een minderjarige, geldig is verklaard. Dit verzoek is gedaan door de gedaagde sub A die niet de verwekker is van het minderjarig kind. Artikel 324a B.W. geeft aan degeen wien een vordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind is toegewezen, de mogelijkheid om het vonnis, nadat het in kracht van gewijsde is gegaan, te doen inschrijven in de lopende registers van geboorten van de plaats waar de geboorte is ingeschreven. Op basis van een tekstuele interpretatie van artikel 324a B.W. stelt gedaagde sub B dat de inschrijving uitsluitend voorbehouden is aan de persoon aan wie de vordering tot ontkenning van de wettigheid is toegewezen, in casu dus aan gedaagde sub A. Op basis van deze interpretatie door gedaagde sub B stelt de kantonrechter vast dat de wet niet voorziet in de situatie waarbij gedaagde sub A weigert de inschrijving van bedoeld vonnis te doen. De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor voor de minderjarige een situatie ontstaat waarbij zij in de registers de status van wettig kind van gedaagde sub A heeft, hetgeen in strijd is met de werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt geadstrueerd door een vonnis gewezen door een rechterlijke autoriteit in Suriname. Deze situatie is ongewenst en wordt niet in het belang van de minderjarige geacht.

4.5. De kantonrechter constateert dat in diverse nationale wetgevingsproducten in zowel het civiele recht als het strafrecht, het belang van de minderjarige een belangrijke zo niet de belangrijkste richtsnoer is, hetgeen volledig in overeenstemming is met internationale wetgeving waar Suriname zich aan gecommitteerd heeft. De in het geding zijnde situatie is niet in het belang van de minderjarige nu haar status niet in overeenstemming met de werkelijkheid kan worden gebracht. Aangetekend wordt dat naast de vele nadelige gevolgen voor de minderjarige voortvloeiende uit deze situatie, de minderjarige, door de status van wettig kind van gedaagde sub A, die niet de verwekker is, niet de status van wettig kind van de biologische vader kan verkrijgen en dus ook geen familierechtelijke betrekkingen met de biologische vader kan aangaan.

4.6. De kantonrechter is van oordeel dat bij een tekstuele interpretatie van artikel 324a B.W., zoals door gedaagde sub B wordt betoogd, sprake is van een hiaat in de wetgeving, nu aan slechts één partij de mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis wordt geboden. De ongewenste situatie waarbij de belangen van de minderjarige worden geschaad, duurt voort wanneer de partij aan wie het vonnis terzake de ontkenning van de wettigheid is toegewezen, niet alleen weigert het vonnis te doen inschrijven, zoals in het onderhavige geval, doch ook wanneer deze partij in de onmogelijkheid zou komen te verkeren om de inschrijving conform artikel 324a B.W., te doen verrichten. Het komt de rechter voor dat in het belang van de minderjarige, naast de persoon aan wie het verzoek tot ontkenning van de wettigheid is toegewezen ex artikel 324a B.W., ook aan andere belanghebbende partijen, de mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis in de lopende registers van geboorten, moet worden toebedeeld. De kantonrechter waakt er voor om op de stoel van de wetgever plaats te nemen, doch is evenwel de mening toegedaan dat in het belang van de minderjarige moet worden voorzien in de mogelijkheid tot inschrijving van het vonnis van 27 november 2017, nu gedaagde sub A weigert zulks te doen.

4.7.In het vonnis d.d. 21 februari 2012 in de zaak bekend onder A.R. no. 07-2614 [namen procespartijen], heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld:
“4.3. Nu gedaagde sub B weigert een vordering tot ontkenning van de wettigheid in te stellen en de wet deze mogelijkheid niet aan eiseres sub A als moeder van de minderjarige of aan de minderjarige zelf toekent, concludeert de kantonrechter dat artikel 304 BW een zodanige leemte vertoont dat daardoor de rechten van het kind op vaststelling van zijn afstamming en zijn juiste identiteit worden geschonden alsmede aantasting plaatsvindt van het recht van eisers en de minderjarige op eerbiediging van hun gezin, aangezien het, volgens de huidige wetgeving, onmogelijk is geworden dat er familierechtelijke betrekkingen worden gevestigd tussen de minderjarige en zijn verwekker, met wie de moeder en het kind in een ‘family’ samenleven (vide: J. de Boer, SJB december No. 3, pg. 36)”. De interpretatie van gedaagde sub B van artikel 324a B.W. leidt naar het oordeel van de kantonrechter indachtig hetgeen in het vonnis van 21 februari 2012 is overwogen, tot een situatie waarbij de belangen van het minderjarig kind worden geschonden, hetgeen in strijd is met het primaat van nationale en internationale wetgeving in het kader van de bescherming van de rechten van kinderen. Aan verzoekster, de moeder van het in 2.2. genoemd minderjarig kind, zal dan ook toestemming worden verleend het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 november 2017, aan te bieden aan gedaagde sub B voor inschrijving in de lopende registers van geboorten van de plaats waar de geboorte van genoemd minderjarig kind, is ingeschreven. Gedaagde sub B zal worden gelast de inschrijving van bedoeld vonnis te verrichten.

4.8. Gedaagde sub A die weigert het vonnis van de kantonrechter van 27 november 2017 in te schrijven, zal worden veroordeeld de inschrijving te gehengen en te gedogen.

4.9. Gedaagde sub A zal als de principale veroorzaker van dit geding worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1. staat de gevraagde rectificatie toe;

5.2. verleent toestemming aan verzoekster om het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 november 2017, in de zaak bekend onder A.R. no. 17-2224, aan te bieden aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo ter inschrijving in het lopende register van geboorten, van de plaats van geboorte van de minderjarige: [naam];

5.3. gelast gedaagde sub B bij aanbieding van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 november 2017, in de zaak bekend onder A.R. no. 17-2224, dit vonnis in te schrijven in het lopende register van geboorten van de plaats van geboorte van de minderjarige: [naam];

5.4. veroordeelt gedaagde sub A de inschrijving als bedoeld onder 5.3. te gehengen en te gedogen;

5.5. verklaart hetgeen is beslist onder 5.2., 5.3. en 5.4., uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. veroordeelt gedaagde sub A in de proceskosten aan de zijde van verzoekster gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 500,– (vijfhonderd Surinaamse dollars);

5.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Rudge LL.M. en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 06 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2017-35

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als ‘de man’
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde]
wondende in het [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de vrouw’
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R. no. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis uit:

1. Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de man op 19 juli 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota met productie, overgelegd op 20 maart 2015;
  • de antwoordpleitnota, overgelegd op 03 juli 2015;
  • de repliekpleitnota, overgelegd op 02 oktober 2015;
  • de dupliekpleitnota met productie, overgelegd op 04 december 2015
  • de conclusie tot uitlating productie, overgelegd op 15 januari 2016.

1.1 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 08 mei 1982 te Paramaribo in het ressort Par/BH in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
2.2 De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.
2.3 Bij vonnis van 28 mei 2012 heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton de vordering tot echtscheiding en scheiding en deling zijdens de man, afgewezen.
2.4 Tegen voormeld vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

3. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak van het vonnis waarvan beroep d.d. 28 mei 2012, noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Een afschrift van het vonnis is aan gemachtigden van partijen verstrekt per griffiersbrief d.d. 17 juli 2012. Nu de man bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 18 juli 2012, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 19 juli 2012, appèl heeft aangetekend, is dit appèl tijdig geschied en kan hij daarin worden ontvangen.

4. De vordering in eerste aanleg
4.1 De man heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:

a .tussen partijen de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
b .de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet;
c. kosten rechtens.

5.De grieven
De door de man aangevoerde grieven kunnen alsvolgt worden opgesomd:

I. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen, hierop neerkomende, dat de ziens wijze van de man, dat hij niet hoeft te onderbouwen op grond waarvan hij aanvoert dat het huwelijk duurzaam is ontwricht tenzij gedaagde dat tegenspreekt, voorbij gaat aan het feit dat de tegenpartij het recht heeft van meet af aan te weten waartegen zij verweer dient te voeren en dat door die zienswijze van de man de kantonrechter de ruimte wordt ontnomen om aan de hand van stellingen en weren van partijen te beoordelen of er wel of niet sprake is van duurzame ontwrichting, ondanks mogelijke ontkenning van de vrouw.
II. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de man heeft volstaan met slechts te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat hij daardoor onvoldoende heeft gesteld en dat zijn vordering daardoor dient te worden afgewezen aangezien de man in de conclusie van repliek de gestelde duurzame ontwrichting toch nog heeft onderbouwd, doch is de kantonrechter daaraan voorbijgegaan.

6. De vordering in hoger beroep
De man verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog het gevorderde in eerste aanleg, toe te wijzen.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden en doet voorts een uitdrukkelijk beroep op de artikelen 263 en 264 SBW.

8. De beoordeling
8.1 De vrouw heeft op de grief gereageerd en daarbij aangevoerd dat de man de plank volledig misslaat door ervan uit te gaan dat hij niet gehouden is aan zijn stelplicht bij diens vordering en dat hij door simpelweg een blote stellingname/grondslag – dat het huwelijk duurzaam ontwricht is – een echtscheiding kan effectueren. Hierdoor heeft zij zich niet kunnen verweren omdat zij van meet af aan ten processe niet weet wat de feiten zijn die de veronderstelde duurzame ontwrichting dragen. Zij stelt voorop dat zij ontkent dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan haar schuld te wijten is en dat de man zijn vordering moet motiveren, nu zij met klem ontkent dat er sprake is van duurzame ontwrichting die in overwegende mate aan haar schuld te wijten is.

8.2 Het Hof overweegt dat de door de man aangevoerde grieven slagen. Immers geldt volgens wet, vaste jurisprudentie en doctrine het volgende. Dient een echtgenoot tegen de ander een verzoek tot echtscheiding in, dan behoeft hij in het verzoekschrift, voor zover het gaat om de ontbinding van het huwelijk, slechts te stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Als de andere echtgenoot de gestelde duurzame ontwrichting erkent, refereert aan het oordeel van de rechter danwel niet weerspreekt en dus geen verweer voert, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen. De duurzame ontwrichting staat dan vast. De lijdelijkheid van de rechter leidt ertoe dat de rechter in deze gevallen niet ambtshalve mag onderzoeken of de tussen partijen vaststaande toestand inderdaad aanwezig is. Voert de andere echtgenoot het verweer dat het huwelijk niet – of niet duurzaam – is ontwricht, dan zal de eiser concreet moeten aangeven en bewijzen waaruit de (duurzame) ontwrichting bestaat. Gelet hierop slaagt grief I.

8.3 In casu heeft de vrouw de echtscheidingsgrond niet betwist, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof komt hierop naderhand terug. In eerste aanleg heeft de man aan zijn vordering duurzame ontwrichting van het huwelijk ten grondslag gelegd. Voorts heeft hij bij conclusie van repliek gesteld dat de duurzame ontwrichting gelegen is in het feit dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning heeft verlaten en niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Bij conclusie van repliek in hoger beroep heeft de man verder gesteld dat de vrouw schuld heeft aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. Het hof overweegt dat nu de man voldoende onderbouwing aan de door hem gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft gegeven ook grief II slaagt.
Dit heeft tot gevolg dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en als na te melden zal worden beslist.

8.4 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en in hoger beroep de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet heeft ontkend, doch heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is. Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans langer dan 3 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat.

8.5 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord en bij conclusie van dupliek in zowel eerste aanleg en in hoger beroep heeft aangevoerd dat de duurzame ontwrichting niet in overwegende mate aan haar schuld te wijten is omdat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan en zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan overspel. De vrouw doet hiermee een uitdrukkelijk beroep op artikel 263 SBW.

8.6 Het Hof overweegt dat het enkel aangaan van een buitenechtelijke relatie en het verlaten van de echtelijke woning door de man, niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan zijn schuld te wijten is geweest, aangezien de man duidelijke redenen heeft aangevoerd waarom hij de echtelijke woning verlaten heeft.
Met name is door de man aangevoerd dat voortzetting van de echtelijke samenleving ondragelijk was geworden en dat zulks de reden is geweest dat hij ruim drie (3) jaren geleden de echtelijke woning verlaten heeft en voorts dat hij niet van plan is daar terug te keren om verder met de vrouw samen te leven. Voorts heeft de man aangegeven dat de vrouw schuld heeft gehad aan het wegtrekken van hem uit de echtelijke woning. De man heeft gemotiveerd aangegeven waarom hij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de vrouw slechts heeft volstaan door aan te voeren dat de man een buitenechtelijke relatie is aangegaan. Hiermee heeft de vrouw onvoldoende gemotiveerd dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de schuld van de man is te wijten en zal het verweer van de vrouw ter zake worden verworpen.

8.7 Het Hof constateert dat de vrouw bij conclusie van antwoord in eerste aanleg en hoger beroep een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op het pensioenverweer ingevolge artikel 264 SBW. In artikel 264 lid 1 SBW is bepaald dat indien als gevolg van de gevorderde echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de ene echtgenoot, die de vordering heeft ingesteld, zou teloor gaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen de vordering verweer voert, kan deze niet worden toegewezen, voordat daaromtrent een voorziening is getroffen.

8.8 Het Hof constateert voorts dat de man zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd tegen het onder punt 8.7 gesteld pensioenverweer van de vrouw. Gelet op het in 8.7 en 8.8.overwogene acht het Hof termen aanwezig een comparitie te gelasten tot het inwinnen van inlichtingen. Partijen dienen ter comparitie, voor zover nodig met medeneming en overlegging van relevante documenten, hun respectieve standpunten met betrekking tot het gevoerde pensioenverweer te onderbouwen zodat eventueel een voorziening ter zake kan worden getroffen.

8.9 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:
9.1 Alvorens verder te beslissen;
Gelast partijen ambtshalve om in persoon, desgewenst vergezeld van hun respectieve gemachtigden, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 13 oktober 2017 des voormiddags te 09:00 uur te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het in 8.8 overwogene;

Bepaalt dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President van het Hof van Justitie;

Houdt iedere verdere beslissing aan;
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewraten, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juli 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.