SRU-K1-2020-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1484
26 juni 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. VAN TRIKT, ROBERT GRAY,
B. [eiser sub B],
beiden wonende te Paramaribo,
thans in voorlopige hechtenis respectievelijk in het cellenhuis
te Richelieu en in de penitentiaire inrichting Santo Boma,
eisers,
gemachtigde sub A: I.D. Kanhai Bsc. en mr. J. Kraag, advocaten,
gemachtigde sub B: I.D. Kanhai Bsc. en mr. B. Pick, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. C. Klein, Hoofd Officier van Justitie.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 15 juni 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eisers zijn respectievelijk op 2 en 10 februari 2020 aangehouden en in verzekering gesteld.

2.2 Na de inverzekeringstelling en het verhoor van eisers gedurende het opsporingsonderzoek, zijn er van hen een aantal verhoren afgenomen, waarna door de vervolgingsambtenaar een Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO) is gevorderd, dat intussen is afgelopen en zijn de stukken in handen van de vervolgingsambtenaar gesteld.

2.3 Op 08 mei 2020 heeft de Rechter-Commissaris (RC) de bewaring van eisers verlengd voorde duur van dertig dagen respectievelijk ingaande 10 mei en 16 mei 2020, derhalve eindigende op respectievelijk 10 juni en 14 juni 2020.

2.4 De vervolgingsambtenaar heeft eisers op 21 mei 2020 gedagvaard teneinde zich te verantwoorden bij de Kantonrechter in het Tweede Kanton voor de strafbare feiten zoals vermeld in de dagvaarding.

2.5 Tegen voormelde dagvaarding hebben eisers ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bezwaar aangetekend.

2.6 Bij beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 08 juni 2020 is de vordering van eisers afgewezen en de gevangenhouding van hen bevolen.

2.7 Tegen de onder 2.6 vermelde beschikkingen hebben eisers hoger beroep aangetekend, welk hoger beroep op 19 juni 2020 bij het Hof van Justitie is behandeld.
Op het appelverzoekschrift van eisers heeft het Hof beslist dat de beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton worden bevestigd onder verbetering van de gronden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
3.1 Eisers vorderen, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om hen binnen één uur na de uitspraak lijfelijk in vrijheid te stellen, met een dwangsom alsmede om gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen naast voormelde vaststaande feiten aan hun vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton ondeugdelijk zijn, omdat de Kantonrechter in het Tweede Kanton:

  • de vorderingen heeft afgewezen, terwijl ex artikel 230 lid 1 Sv de kantonrechter slechts de bevoegdheid geeft om het bezwaar gegrond of ongegrond te verklaren;
  • de gevangenhouding van hen heeft bevolen, zonder dat zij zijn gehoord of daartoe zijn opgeroepen;
  • nadrukkelijk artikel 243 lid 3 Sv heeft genegeerd nu de dagvaarding in haar geheel is vervallen en de kantonrechter de rol van de vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen doen behandelen op een nader door haar te bepalen terechtzitting;
  • ten onrechte heeft aangenomen dat de Centrale Bank van Suriname een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is;
  • ten onrechte heeft aangenomen dat aan de Staat Suriname of een Staatsinstelling nadeel zou zijn gebracht;
  • op basis van een aantal getuigenverklaringen ten onrechte heeft aangenomen dat ernstige bezwaren tegen hen zijn gerezen;
  • de vraag of de dagvaarding lichtvaardig is, ongemotiveerd heeft verworpen.

Verder stellen eisers dat nu zij appèl hebben aangetekend tegen de beschikkingen van de Kantonrechter in het Tweede Kanton en de dagvaarding is vervallen totdat in hoger beroep een beslissing is gegeven, zij onrechtmatig van hun vrijheid zijn beroofd.

3.3 Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Uit de stellingen van eisers is het spoedeisend belang in voldoende mate aannemelijk geworden.

4.2 Gedaagde voert als meest verstrekkend verweer aan dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, althans is de kantonrechter in kortgeding niet bevoegd om kennis te nemen van enkele onderdelen van de vordering, omdat hiervoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat en het ter discussie stellen van de juistheid van de rechterlijke beslissing in kortgeding onverenigbaar is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken.

4.3 Ten aanzien van de bevoegdheid van de kantonrechter in kortgeding wordt het volgende overwogen. Het stelsel van strafrechtelijke rechtsmiddelen is een gesloten stelsel, hetgeen betekent dat een strafrechtelijke beslissingen alleen kan worden aangevochten als de strafwet daartoe de mogelijkheden biedt. Hieruit volgt dat de juistheid van een dergelijke beslissing niet in een civiele procedure kan worden aangevochten. Echter heeft, voor wat betreft de rol van de kantonrechter in kortgeding als restrechter, te gelden dat de aanwijzing van de strafrechter als bevoegde rechter of van een speciale strafrechtelijke rechtsgang, de kantonrechter in kortgeding niet onbevoegd maakt. Een partij dient in een vordering in kortgeding niet-ontvankelijk te worden verklaard wanneer de aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. Hiertoe wordt vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin de eiser een met het kortgeding vergelijkbaar resultaat kan bereiken. Derhalve wordt het verweer van gedaagde dat de kantonrechter in kortgeding niet bevoegd om kennis te nemen van enkele onderdelen van de vordering dan ook wel verworpen.

4.4 Nu het strafprocesrecht in een speciale regeling voorziet wat betreft het toetsen van de inhoud van de beschikkingen tot onder meer onbevoegd verklaring of verwijzing naar de terechtzitting, welke regeling is vastgelegd in artikel 232 Sv en voldoende waarborgen voor een snelle rechtsgang biedt en daarmee ook een vergelijkbaar resultaat als in kortgeding kan worden bereikt, zullen eisers derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering. Het is immers in strijd met het systeem van het strafprocesrecht om de vrijheidsbeneming van personen te laten toetsen bij de kortgedingrechter, terwijl het strafprocesrecht tal van mogelijkheden daartoe biedt.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen zullen niet aan een bespreking worden onderworpen nu deze niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

4.6 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna te vermelden.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering;

5.2 veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. I. Sonai, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kortgeding, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 26 juni 2020, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-8

Beslissing

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer

Beslissing van 19 juni 2020

Op het hoger beroep ingediend door:

VAN TRIKT, ROBERT-GRAY,
geboren op [datum] in Nederland,
accountant en docent van beroep,
wonende aan [adres] te [woonplaats],
appellant,
advocaten: mr. J. Kraag en I.D. Kanhai, BSc.,

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 08 juni 2020, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1. De advocaten van appellant hebben op 11 juni 2020 digitaal een beroepschrift ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;

1.2. Vermeld zij dat het beroepschrift aanvankelijk niet digitaal was doorgestuurd door de verdediging maar slechts de bijlagen digitaal ter griffie waren binnengekomen. Toen dit naderhand bemerkt werd is de verdediging alsnog in de gelegenheid gesteld om het beroepschrift digitaal in te zenden;

1.3. Dit beroepschrift met bijlagen is door de griffie van het Hof digitaal doorgestuurd naar de vervolging waarna de Vervolgingsambtenaar digitaal heeft gereageerd op 18 juni 2020;

1.4. Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen.

1.5. Vermeldenswaard is dat ten tijde van het digitaal indienen van het beroepschrift door appellant (11 juni 2020) de verscherpte overheidsmaatregelen in het kader van het Covid-19 virus reeds waren ingegaan en het Hof in navolging daarvan de behandeling van, onder andere, raadkamerprocedures noodgedwongen en in het belang van de algemene volksgezondheid, anders dan op de tot dat moment gebruikelijke wijze had ingericht. De daartoe strekkende mededeling was door tussenkomst van de administratie van de Griffie van het Hof kenbaar gemaakt op de website van het Hof. De specifieke procedure in de onderhavige zaak is door de griffier per e-mail kenbaar gemaakt aan de procespartijen. In het belang van de algemene volksgezondheid is besloten om – bij wege van hoge uitzondering – tijdelijk af te zien van het telefonisch horen van de verdachte, gelet op de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s voor alle daarbij betrokken actoren. De procedure zelf is ook ingekort en heeft zich beperkt tot het digitaal ingediende beroepschrift met bijlagen gevolgd door een reactie per e-mail van de Vervolgingsambtenaar waarna er een beslissing is gevolgd. De gebruikelijke tweede beurten zijn komen te vervallen hetgeen ook per e-mail aan de procespartijen is medegedeeld door de griffier. Afdrukken van de e-mails inhoudende voorgaande mededelingen afkomstig van de griffier en gericht aan procespartijen bevinden zich in het onderhavige raadkamerdossier;

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep –samengevat- de navolgende grieven aangevoerd:

2.1. De rechter heeft het systeem van ons Wetboek van Strafvordering in zijn geheel veronachtzaamd door de vordering af te wijzen. Artikel 243 Sv verwijst nadrukkelijk naar de artikelen 230 tot en met 232 van het WvSv, en wel met name artikel 230 lid 6 Sv geeft aan de rechter slechts de bevoegdheid om het bezwaar gegrond of ongegrond te verklaren. Afwijzen van het gevorderde is geen bevoegdheid van de Kantonrechter. Bovendien wordt de gevangenhouding van de appellant, toen klager, bevolen. De bevoegdheid om dit bevel te geven mist de Kantonrechter ten ene male en wel om het volgende. In artikel 231 Sv wordt gewag gemaakt van artikel 55 Sv dat aan de rechter-commissaris een bepaalde bevoegdheid geeft en niet aan de Kantonrechter. Indien en voor zover de Kantonrechter meent deze bevoegdheid te moeten ontlenen aan artikel 58 Sv, dan nog heeft de Kantonrechter de dwingende bepaling van dit artikel genegeerd. Ter adstructie van het negeren het volgende. Het bevel mag en kan worden gegeven doch niet nadat hij deze heeft gehoord of heeft opgeroepen om te worden gehoord. Appellant is nimmer opgeroepen om gehoord te worden over de gevangenhouding en blijkt zulks ook niet uit de beschikking, immers verwoordt de Kantonrechter op pagina 1 van de beschikking onder “gelet” dat het bezwaarschrift wordt behandeld en dat de appellant op grond van het bezwaarschrift is gehoord en niet op de gevangenhouding;

2.2. Ten onrechte heeft de Kantonrechter onder het “kopje” beschikkende de dagvaarding in zijn geheel opgenomen en de appellant verwezen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. De Kantonrechter heeft nadrukkelijk lid 3 van artikel 243 Sv genegeerd, immers de dagvaarding is van rechtswege in haar geheel vervallen. De Kantonrechter heeft heel nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar overgenomen en een vervallen dagvaarding willen behandelen op een door haar te bepalen terechtzitting. Een bevoegdheid die zij in haar geheel mist;

2.3. De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de Centrale Bank een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. De Centrale Bank van Suriname is noch een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke organisatie die banden onderhoudt met andere Centrale Banken. De Centrale Bank van Suriname is een sui generis met verantwoordelijkheden onafhankelijk van de Staat. De Centrale Bank opereert dus onafhankelijk van de Staat en heeft weliswaar de Staat als cliënt, doch zulks betekent niet dat het een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. Bovendien kan de overheid op geen enkele wijze een bepaalde mate van invloed aanwenden op de bedrijfsvoering van welke Centrale Bank dan ook op de wereld. De Centrale Bank is dan ook geen staatsinstelling zoals de Kantonrechter zulks ten onrechte meent;

2.4. Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat aan de Staat of een Staatsinstelling nadeel zou zijn toegebracht. Uit de vele getuigenverhoren in de zaak van appellant blijkt niet van enig nadeel. Ten bewijze hiervan het volgende. Uit de getuigenverklaring van met name Hr. G. Hoefdraad is gebleken dat de projecten die zijn aangegaan met Clairfield Benelux allemaal innovatieve projecten zijn en ten gunste zijn voor het land. Het bezwaar van eerder genoemde getuige was dat hij de bedragen als vergoeding voor de projecten niet kende hetgeen volgens de statuten van de Centrale Bank van Suriname ook geen verplichting is. Immers het is de Governor die de Centrale Bank in en buiten rechte vertegenwoordigd;

2.5. De Kantonrechter heeft een aantal getuigenverklaringen gelezen en zijn er volgens haar uit de getuigenverklaringen ernstige bezwaren gerezen. Uit de ingebrekestelling van Clairfield aan de Centrale Bank van Suriname blijkt duidelijk dat er werkzaamheden zijn verricht en dat die werkzaamheden ook ten nutte van de Centrale Bank zijn. Dat er geen prestatie tegenover de betalingen aanwezig is, is onjuist. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van benadeling, integendeel blijkt uit een voice note van de Minister van Financiën, de Hr. G. Hoefdraad, dat de Centrale Bank door moest gaan met de uitvoering van de projecten en dat die projecten in het voordeel van Suriname zijn;

2.6. De vraag of de dagvaarding lichtvaardig is heeft de Kantonrechter ongemotiveerd verworpen. Een persoon dagvaarden brengt met zich mee dat aan hem en/of haar een aantal feiten worden verweten die niet bewezen kunnen worden en/of het bewijs niet aanwezig is, is lichtvaardig dagvaarden. In de praktijk zijn zulke gevallen bekend waarbij te lichtvaardig en slechts op grond van assumpties zoals in onderhavig geval die niet juist bleken en/of blijken te zijn wordt gedagvaard (U denke maar o.a. aan de zaken E.B.S. en [procespartij 1]);

3. De reactie van de Vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het navolgend standpunt gesteld:

Ten aanzien van grief 1:
3.1. Uit artikel 230 lid 6 Sv wordt niet gehaald dat de beslissing van de Kantonrechter een gegrondverklaring zou moeten zijn in stede van afwijzing zulks in tegenstelling tot de gelijknamige Nederlandse bepaling. In de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 6 augustus 2012 inzake beroep ex artikel 243 jo 375 en 376 Sv ten name van [procespartij 2] is het Hof wel tot de bevinding gekomen dat het door klager gevorderde bij de Kantonrechter niet kon worden afgewezen daar de Kantonrechter dit bezwaar niet kan af- of toewijzen, maar slechts gegrond of ongegrond kan verklaren. De Vervolging vraagt thans dan ook om op grond van die beslissing de beschikking van de kantonrechter op dit punt te verbeteren in dier voege dat het bezwaar van appellanten ongegrond zal worden verklaard. Anders dan appellanten stellen dat de Kantonrechter de bevoegdheid mist om de gevangenhouding van appellant te bevelen, is de vervolging van mening dat de Kantonrechter wel de bevoegdheid heeft, dit op grond van artikel 58 Sv die als volgt luidt: “ De Kantonrechter beslist op de terechtzitting of, in geval van een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging of tegen de dagvaarding, bij de behandeling daarvan in raadkamer zo spoedig mogelijk over de vrijheidsbeneming van de verdachte, tegen wie hetzij een bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan, hetzij een bevel tot bewaring, tot gevangenneming of tot verlenging van bewaring of gevangenneming van kracht is.”
Ten aanzien van het verweer van appellant dat hij voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding niet is gehoord en/of opgeroepen geeft de vervolging aan dat vanwege de coronavirus pandemie die ook Suriname in zijn greep heeft, de rechterlijke macht veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, waardoor verdachten thans niet lijfelijk worden gehoord. Op niet naleving van deze regel heeft de wetgever geen sancties verbonden. De verdachte is naar de mening van de Vervolging hierdoor ook niet in zijn belang geschaad, daar hij bij de behandeling van het bezwaarschrift vertegenwoordigd was door zijn raadslieden;

Ten aanzien van grief 2:
3.2. Naar de mening van de Vervolging is dit geen onjuiste beslissing, daar de Kantonrechter de verplichting heeft om de zaak naar de terechtzitting te verwijzen terzake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dit op grond van artikel 230 lid 6 Sv die alsvolgt luidt: “In alle andere gevallen verwijst hij de verdachte ter zake van een in de beschikking bepaald omschreven feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging betrekking had, naar de terechtzitting.” In casu betreft het geen kennisgeving van verdere vervolging doch een dagvaarding. Gelet op hetgeen gesteld is in artikel 243 lid 2 Sv zou thans gelezen kunnen worden een feit waarop de dagvaarding betrekking had. Het is vervolgens de taak van de Vervolging op grond van artikel 233 lid 1 Sv om appellanten weer te dagvaarden voor de terechtzitting en wel op een nader te bepalen datum en tijdstip;

Ten aanzien van grief 3:
3.3. De Vervolging is van mening dat de Centrale Bank wel een publiekrechtelijke organisatie casu quo staatsinstelling is. Dit op grond van het volgende: 1. Artikel 20 van de Bankwet van 1956 luidt als volgt: “ De Bank belast zich kosteloos met de werkzaamheden van Staatskassier en treedt op als bankier van de Staat in alle plaatsen waar zij gevestigd is, of agentschappen zal openen. Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan de Minister en rekenplichtig aan de rekenkamer van Suriname.”2. Artikel 1 e Anti-Corruptiewet luidt als volgt: “ Onder staatsinstelling wordt begrepen een al dan niet door de overheid bij of krachtens wet ingesteld(e) al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, instelling, orgaan of bedrijf; 2. een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, instelling, orgaan of bedrijf, waarin door of vanwege de overheid in een bepaalde mate invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering of de leiding daarvan, doordat de overheid (mede-) aandeelhouder is, dan wel door het verlenen van financiële, materiële, personele of technische ondersteuning. Uit dit artikel valt te destilleren dat De Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is. Voorts geven art. 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet het volgende aan: 1g: publieke functionaris: ieder(e) persoon, autoriteit of orgaan belast met een publieke functie. 1f onder 2: publieke functie: ‘een persoon te werk gesteld bij een staatsinstelling’ m.n. de CBvS. Hieruit valt te destilleren dat een Governor van De Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is;

Ten aanzien van de grieven 4 en 5:
3.4. Appellant heeft slechts de verklaring van G. Hoefdraad die tevens medeverdachte is in de zaak gebruikt om te concluderen dat er geen nadeel is toegebracht en/of geen ernstige bezwaren zijn. Voorts merkt de Vervolging op dat deze verweren die zijn aangevoerd niet het karakter hebben voor een summiere toetsing maar verweren waarvan toetsing –naar het oordeel van de Vervolging- in de gewone procedure (onderzoek ter terechtzitting) dienen plaats te vinden. In casu is slechts van belang als er voldoende aanwijzing van schuld is. Naar de mening van de Vervolging is die er wel en verwijst zij in dat kader naar de verklaringen van de personen van [getuige 1] (directeur CB), [getuige 2] en [getuige 3], afgelegd bij de politie. Voorts verwijst de vervolging naar de verklaring van [getuige 3] afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, het transactieschema in het dossier met betrekking tot de internationale overmakingen alsmede de verklaring van de voormalige Governor van de Centrale Bank, Gersie, afgelegd bij de politie. De Vervolging benadrukt eveneens dat nu uit het politie dossier niet is gebleken dat er openbare aanbestedingen zijn gehouden en dat er verzuimd is juridisch advies in te winnen, de CBvS nu ernstig financieel is benadeeld. De overeenkomsten zijn nimmer ter inzage gelegd van de juridische afdeling van de CBvS. Het houden van openbare aanbestedingen en het inwinnen van juridisch advies zijn waarborgen voor transparantie en beginselen van deugdelijk bestuur;

Ten aanzien van grief 6:
3.5. De Vervolging is van mening dat de Kantonrechter, op de vraag of de dagvaarding lichtvaardig is, wel heeft gemotiveerd. Ook heeft zij gemotiveerd op de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter, later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan appellant ten laste gelegde feiten zal komen;
Op grond van het bovenstaande heeft de Vervolging gevraagd om het verzoek van appellant ongegrond te verklaren en de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 8 juni 2020 te bevestigen, met uitzondering van het gedeelte waar staat afwijzing van het bezwaarschrift en thans te lezen ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

4. De gewraakte beschikking
De kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – zowel de aangevoerde bezwaren tegen de dagvaarding als het verzoek tot buitenvervolgingstelling van de appellant (toen klager) afgewezen, appellant (toen klager) naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting verwezen terzake van de hem in de dagvaarding ten laste gelegde feiten en de gevangenhouding van appellant (toen klager) bevolen.

5. De beoordeling
5.1. Appellant is ingevolge het bepaalde in artikel 232 van het Wetboek van Strafvordering tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van de gewraakte beschikking , weshalve hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

5.2. In casu is aan de orde het hoger beroep van een afwijzende beschikking van een Kantonrechter ten aanzien van bezwaren die zijn ingebracht door appellant tegen een dagvaarding. Appellant heeft een zestal grieven aangevoerd tegen de gewraakte beschikking en het Hof zal die achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief is het Hof van oordeel dat die grief gegrond is maar niet leidt tot vernietiging van de gewraakte beschikking. Immers is het evident dat het een puur terminologische kwestie betreft waarbij het voor een ieder duidelijk is dat met afwijzen een ongegrondverklaring wordt bedoeld door de Kantonrechter. Het dictum van de gewraakte beschikking zal derhalve met inachtneming van het voorgaande in zoverre worden verbeterd dat in stede van: “Wijst af het gevorderde” zal worden gelezen: “ Verklaart het bezwaar van klager ongegrond ”. De wetgever heeft het voorgaande niet expliciet in de wet opgenomen maar ingevolge vaste jurisprudentie van het Hof zal het Hof in navolging daarvan dienovereenkomstig beslissen. Voorts is aan de orde gesteld de vraag of de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de gevangenhouding van de appellant (toen klager) te bevelen. Evenals de vervolging is het Hof van oordeel dat de Kantonrechter die bevoegdheid toekomt en dat die bevoegdheid is gegrondvest op het bepaalde in artikel 58 Sv. Ten aanzien van het niet horen van de appellant in het kader van het gegeven bevel van gevangenhouding door de Kantonrechter wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 1.5. is aangegeven en waaruit blijkt dat in het kader van de Covid-19 maatregelen van overheidswege er sprake is van een uitzonderingstoestand waardoor bij hoge uitzondering tijdelijk is afgezien van het horen van verdachten. Derhalve zal het Hof geen consequentie verbinden aan het niet horen van de appellant (toen klager) door de Kantonrechter alvorens diens gevangenhouding te bevelen bij de gewraakte beschikking;

5.3. De tweede grief betreft de vraag of de Kantonrechter bevoegd is om de dagvaarding onder het kopje “beschikkende” in zijn geheel op te nemen en de appellant te verwijzen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting en of de Kantonrechter daardoor nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een nader door haar te bepalen terechtzitting. Het eerste onderdeel van de grief beoordelend komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 230 lid 6 Sv de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de zaak naar een nader te bepalen terechtzitting te verwijzen ter zake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dat onderdeel van de grief is derhalve ongegrond gebleken. Het ander onderdeel van de grief dat aangeeft dat de Kantonrechter door aldus te handelen nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een terechtzitting, ondergaat mutatis mutandis hetzelfde lot. Inderdaad is op grond van het bepaalde in artikel 243 lid 3 Sv de (oorspronkelijke) dagvaarding van rechtswege in haar geheel vervallen. Maar het Hof begrijpt uit de overweging van de Kantonrechter niet dat zij de vervallen dagvaarding nieuw leven heeft willen inblazen; immers is het vanzelfsprekend dat appellant (toen klager) ingevolge het bepaalde in artikel 233 lid 1 Sv (opnieuw) gedagvaard zal worden voor de nadere door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. Ingevolge het bepaalde in artikel 238 lid 4 Sv is het de Kantonrechter die de zaak appointeert en door het bepaaldelijk omschrijven van de beschuldiging in de gewraakte beschikking –zoals de wetgever in artikel 230 lid 6 Sv heeft voorgeschreven- heeft de Kantonrechter voldaan aan een wettelijk voorschrift en is geenszins op de stoel van de Vervolgingsambtenaar gaan zitten. Gelet op het voorgaande is voormeld onderdeel van de aangevoerde grief eveneens ongegrond gebleken;

5.4. Thans zal het Hof overgaan tot beoordeling van de derde grief van appellant zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. Dienaangaande komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 20 van de Bankwet van 1956 en artikel 1 e van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang moet worden bezien, vooralsnog wel te destilleren valt dat de Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is en getuigt het oordeel van de Kantonrechter dienaangaande in de gewraakte beschikking niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts blijkt in het verlengde hiervan uit het bepaalde in artikel 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang wordt bezien, dat een Governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is. Ook deze vaststelling van de Kantonrechter getuigt in de visie van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. De derde grief van appellant zal op grond van al het voorgaande worden verworpen;

5.5. De vierde en vijfde grief van appellant – zoals hiervoor weergegeven onder 2.4 en 2.5 – besprekend komt het Hof tot de slotsom dat het nader onderzoek op de terechtzitting klaarheid zal dienen te brengen of er al dan niet financieel nadeel is toegebracht casu quo financieel voordeel is genoten door appellant. Hetgeen thans in de visie van het Hof vaststaat is dat -op grond van een aantal verklaringen afgelegd bij de politie en/of ten overstaan van de rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek– er wel ernstige bezwaren ten aanzien van appellant overeind staan die nopen tot nader onderzoek op de terechtzitting. Met het voorgaande wordt de zesde grief eveneens geacht te zijn besproken en verworpen. Dezerzijds wordt vastgesteld dat er in de visie van het Hof geenszins sprake is van een lichtvaardige dagvaarding waarbij appellant op ontoereikende gronden in het openbaar dient terecht te staan. De daartoe strekkende overweging van de Kantonrechter is in de visie van het Hof voldoende gemotiveerd en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Immers betreft de onderhavige toets slechts de haalbaarheidstoets en de toets van lichtvaardige vervolging waarbij er geen ruimte is voor bewijsperikelen. Evenals de Kantonrechter is het Hof van oordeel dat voormelde toets de balans niet in de richting van appellant doet uitslaan;

5.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven tegen de gewraakte beschikking geen stand houden en dienen te worden verworpen. Nu het Hof ambtshalve geen andere gronden zijn gebleken die tot vernietiging van de gewraakte beschikking aanleiding zouden geven zal de beslissing van de Kantonrechter worden bevestigd, onder verbetering van gronden zoals hiervoor onder 5.2. aangegeven.

6. Beslissing in hoger beroep
Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 8 juni 2020, onder verbetering van gronden als hiervoor onder 5.2. aangegeven;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 19 juni 2020 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Singh, waarnemend Substituut-Griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh
w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g . J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-7

Beslissing

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Meervoudige strafkamer

Beslissing van 19 juni 2020

Op het hoger beroep ingediend door:

[appelant],
geboren op [datum] te [district],
accountant van beroep,
wonende aan [adres] te [woonplaats],
appellant,
advocaten: I.D. Kanhai, BSc. en mr. B.A.H. Pick,

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 08 juni 2020, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1. De advocaten van appellant hebben op 11 juni 2020 digitaal een beroepschrift ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;

1.2. Dit beroepschrift met bijlagen is door de griffie van het Hof digitaal doorgestuurd naar de vervolging waarna de Vervolgingsambtenaar digitaal heeft gereageerd op 18 juni 2020;

1.3. Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen.

1.4. Vermeldenswaard is dat ten tijde van het digitaal indienen van het beroepschrift door appellant (11 juni 2020) de verscherpte overheidsmaatregelen in het kader van het Covid-19 virus reeds waren ingegaan en het Hof in navolging daarvan de behandeling van, onder andere, raadkamerprocedures noodgedwongen en in het belang van de algemene volksgezondheid, anders dan op de tot dat moment gebruikelijke wijze heeft ingericht. De daartoe strekkende mededeling was door tussenkomst van de administratie van de Griffie van het Hof kenbaar gemaakt op de website van het Hof. De specifieke procedure is in de onderhavige zaak door de griffier kenbaar gemaakt worden aan de procespartijen. In het belang van de algemene volksgezondheid is besloten om – bij wege van hoge uitzondering – tijdelijk af te zien van het telefonisch horen van de verdachte, gelet op de daarmee samenhangende gezondheidsrisico’s voor alle daarbij betrokken actoren. De procedure zelf is ook ingekort en heeft zich beperkt tot het digitaal ingediende beroepschrift met bijlagen gevolgd door een reactie per e-mail van de Vervolgingsambtenaar waarna er een beslissing is gevolgd. De gebruikelijke tweede beurten zijn komen te vervallen hetgeen ook digitaal aan de procespartijen is medegedeeld door de griffier. Afdrukken van de e-mails inhoudende voorgaande mededelingen afkomstig van de griffier en gericht aan procespartijen bevinden zich in het onderhavige raadkamerdossier;

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep –samengevat- de navolgende grieven aangevoerd:
2.1. De rechter heeft het systeem van ons Wetboek van Strafvordering in zijn geheel veronachtzaamd door de vordering af te wijzen. Artikel 243 Sv verwijst nadrukkelijk naar de artikelen 230 tot en met 232 van het WvSv, en wel met name artikel 230 lid 6 Sv geeft aan de rechter slechts de bevoegdheid om het bezwaar gegrond of ongegrond te verklaren. Afwijzen van het gevorderde is geen bevoegdheid van de Kantonrechter. Bovendien wordt de gevangenhouding van de appellant, toen klager, bevolen. De bevoegdheid om dit bevel te geven mist de Kantonrechter ten ene male en wel om het volgende. In artikel 231 Sv wordt gewag gemaakt van artikel 55 Sv dat aan de rechter-commissaris een bepaalde bevoegdheid geeft en niet aan de Kantonrechter. Indien en voor zover de Kantonrechter meent deze bevoegdheid te moeten ontlenen aan artikel 58 Sv, dan nog heeft de Kantonrechter de dwingende bepaling van dit artikel genegeerd. Ter adstructie van het negeren het volgende. Het bevel mag en kan worden gegeven doch niet nadat hij deze heeft gehoord of heeft opgeroepen om te worden gehoord. Appellant is nimmer opgeroepen om gehoord te worden over de gevangenhouding en blijkt zulks ook niet uit de beschikking, immers verwoordt de Kantonrechter op pagina 1 van de beschikking onder “gelet” dat het bezwaarschrift wordt behandeld en dat de appellant op grond van het bezwaarschrift is gehoord en niet op de gevangenhouding;

2.2. Ten onrechte heeft de Kantonrechter onder het “kopje” beschikkende de dagvaarding in zijn geheel opgenomen en de appellant verwezen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. De Kantonrechter heeft nadrukkelijk lid 3 van artikel 243 Sv genegeerd, immers de dagvaarding is van rechtswege in haar geheel vervallen. De Kantonrechter heeft heel nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar overgenomen en een vervallen dagvaarding willen behandelen op een door haar te bepalen terechtzitting. Een bevoegdheid die zij in haar geheel mist;

2.3. De Kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de Centrale Bank een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. De Centrale Bank van Suriname is noch een publiekrechtelijke noch een privaatrechtelijke organisatie die banden onderhoudt met andere Centrale Banken. De Centrale Bank van Suriname is een sui generis met verantwoordelijkheden onafhankelijk van de Staat. De Centrale Bank opereert dus onafhankelijk van de Staat en heft weliswaar de Staat als cliënt, doch zulks betekent niet dat het een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie is. Bovendien kan de overheid op geen enkele wijze een bepaalde mate van invloed aanwenden op de bedrijfsvoering van welke Centrale Bank dan ook op de wereld. De Centrale Bank is dan ook geen staatsinstelling zoals de Kantonrechter zulks ten onrechte meent;

2.4. Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat aan de Staat of een Staatsinstelling nadeel zou zijn toegebracht. Uit de vele getuigenverhoren in de zaak van appellant blijkt niet van enig nadeel. Ten bewijze hiervan het volgende. Uit de getuigenverklaring van met name Hr. G. Hoefdraad is gebleken dat de projecten die zijn aangegaan met Clairfield Benelux allemaal innovatieve projecten zijn en ten gunste zijn voor het land. Het bezwaar van eerder genoemde getuige was dat hij de bedragen als vergoeding voor de projecten niet kende hetgeen volgens de statuten van de Centrale Bank van Suriname ook geen verplichting is. Immers het is de Governor die de Centrale Bank in en buiten rechte vertegenwoordigd;

2.5. De Kantonrechter heeft een aantal getuigenverklaringen gelezen en zijn er volgens haar uit de getuigenverklaringen ernstige bezwaren gerezen. Uit de ingebrekestelling van Clairfield aan de Centrale Bank van Suriname blijkt duidelijk dat er werkzaamheden zijn verricht en dat die werkzaamheden ook ten nutte van de Centrale Bank zijn. Dat er geen prestatie tegenover de betalingen aanwezig is, is onjuist. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van benadeling, integendeel blijkt uit een voice note van de Minister van Financiën, de Hr. G. Hoefdraad, dat de Centrale Bank door moest gaan met de uitvoering van de projecten en dat die projecten in het voordeel van Suriname zijn;

2.6. De Kantonrechter heeft de vijf overeenkomsten van Orion en de Centrale Bank van Suriname een kwalificatie gegeven dat onjuist is. Orion Assurance is als bedrijf vijf overeenkomsten aangegaan waarvan twee overeenkomsten door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] beide directeuren van de Centrale Bank als marktconform en noodzakelijk zijn geacht voor de Bank. De drie andere overeenkomsten betreffen de wapenkamer alwaar er geen procedureregels bestonden en de begeleiding van een stagiaire welke begeleiding gepaard is gegaan met veel tijd. Het betreft een overeenkomst van US$ 2.500,- (Tweeduizend en Vijfhonderd Amerikaanse Dollars);

2.7. De vraag of de dagvaarding lichtvaardig is heeft de Kantonrechter ongemotiveerd verworpen. Een persoon dagvaarden brengt met zich mee dat aan hem en/of haar een aantal feiten worden verweten die niet bewezen kunnen worden en/of het bewijs niet aanwezig is, is lichtvaardig dagvaarden. In de praktijk zijn zulke gevallen bekend waarbij te lichtvaardig en slechts op grond van assumpties zoals in onderhavig geval die niet juist bleken en/of blijken te zijn wordt gedagvaard (U denke maar o.a. aan de zaken E.B.S. en [procespartij 1 ]);

3. De reactie van de Vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het navolgend standpunt gesteld:

Ten aanzien van grief 1:
3.1. Uit artikel 230 lid 6 Sv wordt niet gehaald dat de beslissing van de Kantonrechter een gegrondverklaring zou moeten zijn in stede van afwijzing zulks in tegenstelling tot de gelijknamige Nederlandse bepaling. In de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 6 augustus 2012 inzake beroep ex artikel 243 jo 375 en 376 Sv ten name van [procespartij 2] is het Hof wel tot de bevinding gekomen dat het door klager gevorderde bij de Kantonrechter niet kon worden afgewezen daar de Kantonrechter dit bezwaar niet kan af- of toewijzen, maar slechts gegrond of ongegrond kan verklaren. De Vervolging vraagt thans dan ook om op grond van die beslissing de beschikking van de Kantonrechter op dit punt te verbeteren in dier voege dat het bezwaar van appellanten ongegrond zal worden verklaard. Anders dan appellanten stellen dat de Kantonrechter de bevoegdheid mist om de gevangenhouding van appellant te bevelen, is de vervolging van mening dat de Kantonrechter wel de bevoegdheid heeft, dit op grond van artikel 58 Sv die als volgt luidt: “ De Kantonrechter beslist op de terechtzitting of, in geval van een bezwaarschrift tegen de kennisgeving van verdere vervolging of tegen de dagvaarding, bij de behandeling daarvan in raadkamer zo spoedig mogelijk over de vrijheidsbeneming van de verdachte, tegen wie hetzij een bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan, hetzij een bevel tot bewaring, tot gevangenneming of tot verlenging van bewaring of gevangenneming van kracht is.”
Ten aanzien van het verweer van appellant dat hij voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding niet is gehoord en/of opgeroepen geeft de vervolging aan dat vanwege de coronavirus pandemie die ook Suriname in zijn greep heeft, de rechterlijke macht veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, waardoor verdachten thans niet lijfelijk worden gehoord. Op niet naleving van deze regel heeft de wetgever geen sancties verbonden. De verdachte is naar de mening van de Vervolging hierdoor ook niet in zijn belang geschaad, daar hij bij de behandeling van het bezwaarschrift vertegenwoordigd was door zijn raadslieden;

Ten aanzien van grief 2:
3.2. Naar de mening van de Vervolging is dit geen onjuiste beslissing, daar de Kantonrechter de verplichting heeft om de zaak naar de terechtzitting te verwijzen terzake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dit op grond van artikel 230 lid 6 Sv die als volgt luidt: “In alle andere gevallen verwijst hij de verdachte ter zake van een in de beschikking bepaald omschreven feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging betrekking had, naar de terechtzitting.” In casu betreft het geen kennisgeving van verdere vervolging doch een dagvaarding. Gelet op hetgeen gesteld is in artikel 243 lid 2 Sv zou thans gelezen kunnen worden een feit waarop de dagvaarding betrekking had. Het is vervolgens de taak van de Vervolging op grond van artikel 233 lid 1 Sv om appellanten weer te dagvaarden voor de terechtzitting en wel op een nader te bepalen datum en tijdstip;

Ten aanzien van grief 3:
3.3. De Vervolging is van mening dat de Centrale Bank wel een publiekrechtelijke organisatie casu quo staatsinstelling is. Dit op grond van het volgende: 1. Artikel 20 van de Bankwet van 1956 luidt als volgt: “ De Bank belast zich kosteloos met de werkzaamheden van Staatskassier en treedt op als bankier van de Staat in alle plaatsen waar zij gevestigd is, of agentschappen zal openen. Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan de Minister en rekenplichtig aan de rekenkamer van Suriname.”2. Artikel 1 e Anti-Corruptiewet luidt als volgt: “ Onder staatsinstelling wordt begrepen een al dan niet door de overheid bij of krachtens wet ingesteld(e) al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie, instelling, orgaan of bedrijf; 2. een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, instelling, orgaan of bedrijf, waarin door of vanwege de overheid in een bepaalde mate invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering of de leiding daarvan, doordat de overheid (mede-) aandeelhouder is, dan wel door het verlenen van financiële, materiële, personele of technische ondersteuning. Uit dit artikel valt te destilleren dat De Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is. Voorts geven art. 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet het volgende aan: 1g: publieke functionaris: ieder(e) persoon, autoriteit of orgaan belast met een publieke functie. 1f onder 2: publieke functie: ‘een persoon te werk gesteld bij een staatsinstelling’ m.n. de CbvS. Hieruit valt te destilleren dat een Governor van De Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is;

Ten aanzien van de grieven 4 en 5:
3.4. Appellant heeft slechts de verklaring van G. Hoefdraad die tevens medeverdachte is in de zaak gebruikt om te concluderen dat er geen nadeel is toegebracht en/of geen ernstige bezwaren zijn. Voorts merkt de Vervolging op dat deze verweren die zijn aangevoerd niet het karakter hebben voor een summiere toetsing maar verweren waarvan toetsing –naar het oordeel van de Vervolging- in de gewone procedure (onderzoek ter terechtzitting) dienen plaats te vinden. In casu is slechts van belang als er voldoende aanwijzing van schuld is. Naar de mening van de Vervolging is die er wel en verwijst zij in dat kader naar de verklaringen van de personen van [getuige 1] (directeur CB), [getuige 3] en [getuige 4], afgelegd bij de politie. Voorts verwijst de vervolging naar de verklaring van [getuige 5] afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, het transactieschema in het dossier met betrekking tot de internationale overmakingen alsmede de verklaring van de voormalige Governor van de Centrale Bank, Gersie, afgelegd bij de politie. De Vervolging benadrukt eveneens dat nu uit het politiedossier niet is gebleken dat er openbare aanbestedingen zijn gehouden en dat er verzuimd is juridisch advies in te winnen, de CBvS nu ernstig financieel is benadeeld. De overeenkomsten zijn nimmer ter inzage gelegd van de juridische afdeling van de CBvS. Het houden van openbare aanbestedingen en het inwinnen van juridisch advies zijn waarborgen voor transparantie en beginselen van deugdelijk bestuur;

Ten aanzien van grief 6:
3.5. De Vervolging geeft aan dat de financiële voordelen voortvloeiende uit de overeenkomsten tussen CBvS en Orion wordt opgemerkt als te zijn overeenkomsten met financiële voordelen t.a.v. ORION, daar er gebleken is dat er wel geldbedragen zijn betaald aan ORION en/of verdachte [appellant]. De vervolging stelt voorts dat voor wat betreft de verdachte [appellant] hem zowel medeplegen als medeplichtigheid aan een kwaliteitsdelict kan worden opgelegd. Er is ook sprake van een kwaliteitsdelict wanneer een van hen niet de kwaliteit bezit. In casu was [appellant] geen publieke functionaris/Governor, slechts de verdachte van Trikt had die functie/kwaliteit. Maar volgens Tekst en Commentaar (Cleiren e.a. 5de druk, pagina 335;360 en 361) wordt er gesteld dat bij een kwaliteitsdelict het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist is. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft niet zelf in het bezit te zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft;

Ten aanzien van grief 7:
3.6. De Vervolging is van mening dat de Kantonrechter, op de vraag of de dagvaarding lichtvaardig is, wel heeft gemotiveerd. Ook heeft zij gemotiveerd op de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter, later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan appellant ten laste gelegde feiten zal komen;
Op grond van het bovenstaande heeft de Vervolging gevraagd om het verzoek van appellant ongegrond te verklaren en de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 8 juni 2020 te bevestigen, met uitzondering van het gedeelte waar staat afwijzing van het bezwaarschrift en thans te lezen ongegrondverklaring van het bezwaarschrift.

4. De gewraakte beschikking
De kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – zowel de aangevoerde bezwaren tegen de dagvaarding als het verzoek tot buitenvervolgingstelling van de appellant (toen klager) afgewezen, appellant (toen klager) naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting verwezen terzake van de hem in de dagvaarding ten laste gelegde feiten en de gevangenhouding van appellant (toen klager) bevolen.

5. De beoordeling
5.1. Appellant is ingevolge het bepaalde in artikel 232 van het Wetboek van Strafvordering tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van de gewraakte beschikking , weshalve hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

5.2. In casu is aan de orde het hoger beroep van een afwijzende beschikking van een Kantonrechter ten aanzien van bezwaren die zijn ingebracht door appellant tegen een dagvaarding. Daarbij is appellant voorts verwezen naar een nader te bepalen terechtzitting en is zijn gevangenhouding gelast. Appellant heeft een zevental grieven aangevoerd tegen de gewraakte beschikking en het Hof zal die achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Ten aanzien van de eerste aangevoerde grief is het Hof van oordeel dat die grief gegrond is maar niet leidt tot vernietiging van de gewraakte beschikking. Immers is het evident dat het een puur terminologische kwestie betreft waarbij het voor een ieder duidelijk is dat met afwijzen een ongegrondverklaring wordt bedoeld door de Kantonrechter. Het dictum van de gewraakte beschikking zal derhalve met inachtneming van het voorgaande in zoverre worden verbeterd dat in stede van: “Wijst af het gevorderde” zal worden gelezen: “ Verklaart het bezwaar van klager ongegrond ”. De wetgever heeft het voorgaande niet expliciet in de wet opgenomen maar ingevolge vaste jurisprudentie van het Hof zal het Hof in navolging daarvan dienovereenkomstig beslissen. Voorts is aan de orde gesteld de vraag of de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de gevangenhouding van de appellant (toen klager) te bevelen. Evenals de vervolging is het Hof van oordeel dat de Kantonrechter die bevoegdheid toekomt en dat die bevoegdheid is gegrondvest op het bepaalde in artikel 58 Sv. Ten aanzien van het niet horen van de appellant in het kader van het gegeven bevel van gevangenhouding door de Kantonrechter wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 1.5. is aangegeven en waaruit blijkt dat in het kader van de Covid-19 maatregelen van overheidswege er sprake is van een uitzonderingstoestand waardoor tijdelijk is afgezien van het horen van verdachten. Derhalve zal het Hof geen consequentie verbinden aan het niet horen van de appellant (toen klager) door de Kantonrechter bij de behandeling van het bezwaarschrift in eerste aanleg;

5.3. De tweede grief betreft de vraag of de Kantonrechter bevoegd is om de dagvaarding onder het kopje “beschikkende” in zijn geheel op te nemen en de appellant te verwijzen naar een nader door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting en of de Kantonrechter daardoor nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een nader door haar te bepalen terechtzitting. Het eerste onderdeel van de grief beoordelend komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 230 lid 6 Sv de Kantonrechter de bevoegdheid heeft om de zaak naar een nader te bepalen terechtzitting te verwijzen ter zake van de in de beschikking nader omschreven feiten. Dat onderdeel van de grief is derhalve ongegrond gebleken. Het ander onderdeel van de grief dat aangeeft dat de Kantonrechter door aldus te handelen nadrukkelijk de rol van de Vervolgingsambtenaar heeft overgenomen en een vervallen dagvaarding heeft willen behandelen op een terechtzitting, ondergaat mutatis mutandis hetzelfde lot. Inderdaad is op grond van het bepaalde in artikel 243 lid 3 Sv de (oorspronkelijke) dagvaarding van rechtswege in haar geheel vervallen. Maar het Hof begrijpt uit de overweging van de Kantonrechter niet dat zij de vervallen dagvaarding nieuw leven heeft willen inblazen; immers is het vanzelfsprekend dat appellant (toen klager) ingevolge het bepaalde in artikel 233 lid 1 Sv (opnieuw) gedagvaard zal worden voor de nadere door de Kantonrechter te bepalen terechtzitting. Ingevolge het bepaalde in artikel 238 lid 4 Sv is het de Kantonrechter die de zaak appointeert en door het bepaaldelijk omschrijven van de beschuldiging in de beschikking –zoals de wetgever in artikel 230 lid 6 Sv heeft voorgeschreven- heeft de Kantonrechter voldaan aan een wettelijk voorschrift en is geenszins op de stoel van de Vervolgingsambtenaar gaan zitten. Gelet op het voorgaande is voormeld onderdeel van de aangevoerde grief eveneens ongegrond gebleken;

5.4. Thans zal het Hof overgaan tot beoordeling van de derde grief van appellant zoals hiervoor weergegeven onder 2.3. Dienaangaande komt het Hof tot de slotsom dat ingevolge het bepaalde in artikel 20 van de Bankwet van 1956 en artikel 1 e van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang moet worden bezien, wel te destilleren valt dat de Centrale Bank van Suriname een staatsinstelling is en getuigt het oordeel van de Kantonrechter dienaangaande in de gewraakte beschikking niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts blijkt in het verlengde hiervan uit het bepaalde in artikel 1g en 1f onder 2 van de Anti-Corruptiewet, welker inhoud in onderling verband en samenhang wordt bezien, dat een Governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is. Ook deze vaststelling van de Kantonrechter getuigt in de visie van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. De derde grief van appellant zal op grond van al het voorgaande worden verworpen;

5.5. De vierde en vijfde grief van appellant – zoals hiervoor weergegeven onder 2.4 en 2.5 – besprekend komt het Hof tot de slotsom dat het nader onderzoek op de terechtzitting klaarheid zal dienen te brengen of er al dan niet financieel nadeel is toegebracht casu quo financieel voordeel is genoten door appellant. Hetgeen thans in de visie van het Hof vaststaat is dat -op grond van een aantal verklaringen afgelegd bij de politie en/of ten overstaan van de rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek– er wel ernstige bezwaren ten aanzien van appellant overeind staan die nopen tot nader onderzoek op de terechtzitting. Met het voorgaande wordt de zesde grief eveneens geacht te zijn besproken en verworpen.

5.6. De zesde grief van appellant beoordelend – zoals hiervoor onder 2.6. weergegeven – komt het Hof tot de navolgende slotsom. Deze grief betreft een door de Kantonrechter gegeven kwalificatie aan een vijftal overeenkomsten. Mede naar aanleiding van de door de Vervolgingsambtenaar geciteerde getuigenverklaringen tijdens het voorbereidend onderzoek van [getuige 2], Gersie (ex-Governor), [getuige 5] (ex-regeringscommissaris) en [getuige 2] komt het Hof tot de slotsom dat de door de Kantonrechter gegeven kwalificatie aan voormelde overeenkomsten vooralsnog niet van elke grond ontbloot is. Nu de onderhavige toets een haalbaarheidstoets betreft zal uiteindelijk het onderzoek op de terechtzitting moeten worden afgewacht teneinde het een en ander nader te onderzoeken en vast te stellen. De consequentie van het voorgaande is dat voormelde grief eveneens voor verwerping in aanmerking komt;

5.7. Ten slotte komt het Hof toe aan bespreking van de zevende grief van appellant. In tegenstelling tot appellant heeft de Kantonrechter in de visie van het Hof in de gewraakte beschikking deugdelijk gemotiveerd waarom zij niet tot de slotsom komt dat de dagvaarding van verdachte lichtvaardig is. Zij heeft daartoe aangegeven dat zij na bestudering van het dossier en met name na bestudering van een achttal door haar in de gewraakte beschikking genoemde getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot deze slotsom is gekomen. Voorts heeft zij aangegeven dat uit de processtukken blijkt dat appellant (toen klager) vanwege zijn voortdurend overleg met Robert-Gray van Trikt over (te plegen) transacties, op de hoogte was van de handelingen van zijn sparringspartner en dat appellant (toen klager) ook diensten heeft verleend om Robert-Gray van Trikt te ondersteunen in handelingen, die uiteindelijk ertoe hebben geleid dat er ernstige verdenkingen tegen appellant (toen klager) bestaan als gevolg waarvan het openbaar ministerie hem heeft gedagvaard. De daartoe strekkende grief van appellant is op grond van het voorgaande ten onrechte aangevoerd en zal derhalve worden verworpen;

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven tegen de gewraakte beschikking geen stand houden en dienen te worden verworpen. Nu het Hof ambtshalve geen andere gronden zijn gebleken die tot vernietiging van de gewraakte beschikking aanleiding zouden geven zal de beslissing van de Kantonrechter worden bevestigd, onder verbetering van gronden zoals hiervoor onder 5.2. aangegeven.

6. Beslissing in hoger beroep

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 8 juni 2020, onder verbetering van gronden als hiervoor onder 5.2. aangegeven;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 19 juni 2020 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Singh, waarnemend Substituut-Griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh
w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g . J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2019-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant] ,
wonende in het [district 1],
appellant in conventie en reconventie, hierna ook te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district 2],
geïntimeerde in conventie en reconventie, hierna ook te noemen [geïntimeerde],
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 13 mei 2014 (A.R.No. 063335) tussen [appellant] als eiser in conventie/gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/ eiser in reconventie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, bij vervroeging het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • de verklaring d.d. 20 mei 2014 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • een pleitnota van 16 januari 2015 met een aantal producties;
  • een antwoordnota van 20 maart 2015;
  • een replieknota van 15 mei 2015 en
  • een dupliekpleitnota van 7 augustus 2015.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis aanvankelijk bepaald op 6 november 2015 is nader bepaald op heden.

De vaststaande feiten
In conventie en reconventie:
1. Tussen partijen staat het navolgende vast:

a) In een overeenkomst van 5 januari 2002 met als titel ‘ SCHULDBEKENTENIS’ staan als ondergetekenden vermeld: ‘[geïntimeerde]’ en ‘[appellant]’. [geïntimeerde] verklaart in deze overeenkomst dat hij aan [appellant] verschuldigd is een bedrag van honderdzestigduizend Nederlandse gulden (Nlg 160.000,–) en dat hij zich verbindt de geleende som met 5% rente per jaar af te lossen. De looptijd van de lening bedraagt één jaar, te rekenen vanaf 5 januari 2002. De terugbetaling heeft niet plaatsgevonden.
b) Onder het kopje ‘Geschillen’ staat in de schuldbekentenis vermeld: ‘Alle geschillen, die op enigerlei wijze verband houden met de lening waarop deze schuldbekentenis betrekking heeft worden uitsluitend beslecht door een bevoegde rechter in het Arrondissement aangewezen door de Schuldeiser.’ En voorts: ‘Deze overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht.’
c) [appellant] heeft terzake conservatoir beslag doen leggen op aan [geïntimeerde] toebehorende in Suriname gelegen percelen.

De stellingen en verweren in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter
In conventie en reconventie
2. [appellant] voert aan dat de in de overeenkomst genoemde [geïntimeerde] dezelfde persoon is als [geïntimeerde], dat deze weigert het bedrag van Nlg 160.000,– terug te betalen en dat hij daarom de betaling in rechte opvordert met rente en kosten en vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.

3. [geïntimeerde] ontkent dat hij dezelfde persoon is als genoemde [geïntimeerde] en ontkent dat hij de schuldbekentenis heeft ondertekend.

4. Bij tussenvonnis van 26 januari 2010 heeft de kantonrechter [appellant] toegelaten om met alle middelen rechtens, te bewijzen dat [geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft ondertekend en dat [geïntimeerde] daardoor het genoemde bedrag aan [appellant] verschuldigd is.

5. Nadat in enquête 4 getuigen zijn gehoord en 3 gelegaliseerde schriftelijke verklaringen zijn overgelegd, en in contra-enquête eveneens 4 getuigen zijn gehoord, komt de kantonrechter tot de conclusie dat het bewijs niet geleverd is, waarna zij in conventie de vorderingen heeft afgewezen en in reconventie de gevorderde opheffing van de beslagen heeft toegewezen.

Beoordeling van het geschil
In conventie en reconventie
6.[appellant] heeft 7 grieven aangedragen, waarop hierna wordt ingegaan, en geconcludeerd tot de vernietiging van het bestreden vonnis in conventie en reconventie en tot het toewijzen van de oorspronkelijke vorderingen en tot afwijzing van de vordering in reconventie. [geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van de vordering in hoger beroep en bevestiging van het bestreden vonnis.

7. [geïntimeerde] voert allereerst aan dat [appellant] te vroeg, immers binnen de in artikel 264 Rv lid 1 genoemde termijn van 8 dagen, in hoger beroep is gekomen. Dit verweer wordt verworpen. De regeling opgenomen in genoemd artikel, bedoeld om onberaden appellen te voorkomen, diende ter bescherming van de appellant en kan redelijkerwijs niet in zijn nadeel worden uitgelegd. De regeling van artikel 264 lid 1 Rv. is daarom ook weggelaten in het voorgestelde ontwerp van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In dezelfde lijn is het sinds 2011 vaste rechtspraak van dit hof dat het niet billijk wordt geacht dat een partij, die niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest en die het rechtsmiddel van hoger beroep heeft ingesteld voordat het vonnis bij griffiersbrief (ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 jo 264 lid 3 Rv.) aan die partij is meegedeeld, daardoor niet – ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

8. [geïntimeerde] voert vervolgens aan dat de kantonrechter niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen, nu de onderhavige overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Ook dit verweer is tevergeefs voorgedragen. Ook als partijen overeenkomen dat Nederlands recht van toepassing is wil dat nog niet zeggen dat de kantonrechter in Suriname niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Het betreft hier immers een rechtskeuze en geen keuze voor een bevoegde rechter. Overigens blijkt uit de overeenkomst dat [appellant] de bevoegde rechter mag aanwijzen, woont [geïntimeerde] in Paramaribo en is bij een opheffing van een beslag de bevoegde rechter de rechter in wiens kanton het onroerend goed is gelegen. De kantonrechter in het eerst kanton is derhalve zondermeer bevoegd van de vordering kennis te nemen.

9. Alle grieven betogen, telkens net iets anders geformuleerd, hetzelfde, namelijk dat het bewijs wel geleverd is en dat de kantonrechter ten onrechte tot een andersluidend oordeel is gekomen. Daar voegt [appellant] nog aan toe dat de kantonrechter er geen blijk van heeft gegeven dat zij kennis heeft genomen van de drie bij enquête overgelegde, schriftelijke verklaringen. De grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling. Op het verweer wordt zonodig bij de behandeling van de grieven ingegaan.

10. Uit het dossier van de eerste aanleg blijkt dat [appellant] tijdens de gehouden enquête de drie door hem bedoelde, schriftelijke, getuigenverklaringen heeft overgelegd. In de beschrijving van het procesverloop in het bestreden vonnis staat dit niet vermeld. Ook uit de beoordeling van de vraag of het bewijs is geleverd wordt in het bestreden vonnis niet op de inhoud van deze verklaringen ingegaan. Het Hof houdt het er daarom voor dat deze verklaringen door de kantonrechter niet zijn meegenomen bij de beoordeling.

11. Tegen het tussenvonnis van de kantonrechter is niet opgekomen in Hoger Beroep. Het Hof kan zich hier ook in vinden, zodat in hoger beroep wordt uitgegaan van de in dat vonnis gegeven bewijsopdracht, zoals deze hiervoor is vermeld onder 4. Het Hof zal in zijn beoordeling van het antwoord op de vraag of het bewijs al dan niet is geleverd, dat [geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft getekend en dat hij hierdoor het genoemde bedrag aan [appellant] verschuldigd is, de genoemde schriftelijke verklaringen meenemen in zijn oordeel.

12. Het betreffen drie in Nederland afgelegde, door een notaris gelegaliseerde, verklaringen door respectievelijk [naam 1], neef van [appellant], [naam 2] , broer van [appellant], en [naam 3], ex-vrouw van [appellant]. Beide partijen, neven van elkaar, zijn hen goed bekend. Alle drie de getuigen schetsen dezelfde achtergrond voor de vordering als [appellant] al in de stukken heeft gedaan: Een zestal personen, waaronder de getuige [naam 1], [appellant] en [geïntimeerde], wilden gezamenlijk een stuk grond kopen voor Nlg 600.000,–, welke grond gelegen was in Suriname. Omdat de meesten de Nederlandse nationaliteit hadden spraken ze af dat een Stichting zou worden opgericht, die de naam zou krijgen Awdhani Gawni, (verder de Stichting) welke Stichting de grond zou kopen. [appellant] heeft in de loop van het jaar 2000 in gedeelten een bedrag van in totaal Nlg 160.000,– bij de bank opgenomen. Hij heeft vervolgens in totaal Nlg 150.000,– aan de verkoper van de percelen, [naam 4], overhandigd en Nlg 10.000,– aan [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft de Stichting opgericht en de grond in naam van die Stichting aangekocht. Maar anders dan afgesproken heeft hij een aantal van genoemde zes personen, waaronder [appellant] en [naam 1], buiten het bestuur van de Stichting gelaten. Hij weigert om [appellant] zijn geld terug te betalen. In 2001 verklaart [geïntimeerde] zich na lang aandringen toch bereid om terzake een schuldbekentenis te tekenen. De getuige [naam 1] heeft de in 1a genoemde schuldbekentenis opgesteld en uiteindelijk is deze in aanwezigheid van alle drie getuigen door [geïntimeerde] op 5 januari 2002 ondertekend. [geïntimeerde] legitimeerde zich bij die gelegenheid met zijn rijbewijs, dat in fotokopie aan de schuldbekentenis is gehecht.

13. Het Hof acht [appellant] geslaagd in zijn bewijsopdracht, daarbij mede in ogenschouw nemend de in eerste aanleg overgelegde bankafschriften waaruit blijkt dat in totaal een bedrag van Nlg 160.000,– bij de bank is opgenomen door [appellant]. Daarbij overweegt het Hof het volgende: de hiervoor genoemde getuigen, van wie de handtekening is gelegaliseerd door een notaris in Den Haag, verklaren alle drie aanwezig te zijn geweest bij de ondertekening van de schuldbekentenis. Deels waren zij er ook bij toen het geld werd opgenomen en werd doorbetaald aan de verkoper en aan [geïntimeerde]. Zij onderschrijven dus alle drie de stellingen van [appellant]. Dat doen ze in een, in onderling verband en samenhang bezien overtuigend en logisch klinkend verhaal, waarbij veel feiten worden vermeld. De inhoud van de verklaringen van de andere, gehoorde, getuigen is hiermee niet in strijd. Daartegenover blijft [geïntimeerde] zich verweren met zeer algemene opmerkingen, waarbij hij op geen enkele wijze op de concrete gestelde feiten, zoals de oprichting van de Stichting, het buiten het bestuur van de Stichting houden van bepaalde personen, waaronder [appellant] en het aankopen van de grond, ingaat. Hij geeft ook niet aan waar de Stichting dan wel het geld voor de aankoop van de grond vandaan heeft gehaald, terwijl dit, gelet op de inhoud van de verklaringen wel op zijn weg had gelegen.

14. Wel voert hij aan dat in 2002 niet meer met Nederlandse guldens werd betaald, maar dit verweer gaat niet op omdat de stelling nu juist is dat de bedragen reeds in 2000, dus vóór de invoering van de Euro, zijn betaald. Het betreffen hier drie verklaringen die op schrift zijn gesteld. Het zijn dus onderhandse verklaringen, zoals [geïntimeerde] ook aanvoert, maar anders dan hij kennelijk meent is het Hof vrij om op basis van deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, te concluderen, dat het bewijs is geleverd. [geïntimeerde] voert ook aan dat het in de overeenkomst opgenomen nummer niet overeenstemt met zijn paspoort, maar dat is ook niet aangevoerd. [appellant] heeft gesteld en de getuigen hebben dit onderschreven, dat [geïntimeerde] zich heeft gelegitimeerd met een rijbewijs, waarvan ook een kopie is overgelegd, waarvan het nummer wel correspondeert met het in de schuldbekentenis opgenomen nummer. Dit wordt dan weer onvoldoende tegengesproken door [geïntimeerde]. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

15. Nu ook overigens geen reden is om aan de juistheid van de overgelegde verklaringen te twijfelen (de getuigen zijn weliswaar familie van [appellant], maar ook van [geïntimeerde]) komt het Hof zoals hiervoor al is vermeld tot de conclusie, dat het bewijs is geleverd en dat [geïntimeerde] moet worden veroordeeld de genoemde Nlg 160.000,– ( derhalve € 72.604,83) te betalen vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 5 januari 2002. Het in algemene termen gesteld en weinig concrete bewijsaanbod zijdens [geïntimeerde] wordt gepasseerd. Dat betekent dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. De vordering in conventie is in na te melden zin toewijsbaar en de reconventionele vordering tot opheffing van het beslag dient te worden afgewezen. De gevorderde kosten van de ingebrekestelling
(SRD 237,50) zijn eveneens toewijsbaar. De gevorderde incassokosten, die ingevolge artikel 1.4 van de hiervoor genoemde schuldbekentenis voor rekening komen voor [geïntimeerde], komen het Hof bovenmatig voor en zullen worden gematigd en vastgesteld op 15% van de hoofdsom, te weten € 10.800,–.

16. [geïntimeerde] dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in beide instanties te voldoen.

De beslissing
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

In conventie
1. Veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 72.604,83 (tweeënzeventigduizendenzeshonderdvier euro en drieëntachtig eurocenten), vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 5 januari 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. Verklaart van waarde het bij exploit van deurwaarder M. Sitaram van 14 augustus 2006 onder no. 527 gelegd conservatoir beslag op de daarin genoemde onroerende goederen;

3. Veroordeelt [geïntimeerde] voorts om ter vergoeding van de kosten van ingebrekestelling en de buitengerechtelijke incassokosten aan [appellant] te betalen SRD 237,50 (tweehonderdzevenendertig Surinaamse dollars en vijftig cent) en € 10.800,–(tienduizendachthonderd euro);

In reconventie
4. Wijst de vordering af.

Voorts in conventie en reconventie
5. Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op SRD.787,50.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat
mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2018-58

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [land],
domicilie kiezende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde] ,
wonende in het [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het derde kanton uitgesproken vonnis van 19 november 2013 in de procedure bekend onder A.R.No. 12-2364 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] bij schriftelijke verklaring van zijn toenmalige procesgemachtigde op 16 december 2013 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota overgelegd op 5 februari 2016;
  • het voor antwoord mondeling persisteren door de gemachtigde van [geïntimeerde].

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2 [appellant] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 11 december 2013 aan partijen toegezonden. [appellant] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 16 december 2013 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 [appellant] heeft in mei 2008 in Nederland een tractor van het merk Ford, Type 4600, met het bouwjaar 1980 gekocht. [appellant] heeft de tractor verscheept naar [geïntimeerde].
3.2 [appellant] heeft [geïntimeerde] bij exploot van deurwaarder P. Bharos d.d. 26 mei 2012, no. 143, een aan [geïntimeerde] gericht schrijven d.d. 23 mei 2012 doen betekenen, in welk schrijven [geïntimeerde] in gebreke is gesteld en is gesommeerd om binnen drie dagen na ontvangst van bedoeld schrijven al hetgeen hij aan [appellant] verschuldigd is te voldoen.

De procedure in eerste aanleg
4.1 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:

  1. het geldbedrag groot € 4.300,00 met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  2. gederfde rente ad 1% per maand vanaf mei 2008 tot de dag der algehele voldoening van de hoofdsom € 4.300,00;
  3. de incassokosten, zijnde 15% van het onder sub 1 en 2 te vorderen geldbedrag;
  4. de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten inclusief honorarium van de advocaat, zijnde SRD 3.500,00.

4.2 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 19 november 2013 – hierna aangeduid als “het vonnis” – de vordering in eerste aanleg afgewezen.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis en tot toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde. [appellant] heeft geen grieven aangevoerd tegen het vonnis.
5.2[geïntimeerde] heeft gepersisteerd bij het in eerste aanleg gevoerd verweer.

De beoordeling
6 Het gaat in deze zaak om het volgende.

6.1.[appellant] heeft in eerste aanleg gesteld dat hij ten behoeve van [geïntimeerde] een tractor heeft aangekocht voor € 3.000,00, alsook dat hij de tractor heeft doen verschepen naar Suriname. Gesteld is dat [geïntimeerde] hem de kosten voor de aankoop en de verscheping, in totaal € 4.300,00, verschuldigd is, alsook de gederfde rente vanaf mei 2008 tot en met 2012 en de incassokosten ad 15% over het aan hoofdsom en gederfde rente te vorderen bedrag.

6.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg als verweer aangevoerd dat hij, [geïntimeerde], de tractor heeft laten kopen en verschepen en dat hij ook de tractor in Suriname heeft ingeklaard. [geïntimeerde] heeft verder verklaard dat hij [appellant] het geld heeft gegeven voor de aankoop van de tractor en dat hij ook de onkosten heeft betaald, zodat hij [appellant] niets verschuldigd is.
[geïntimeerde] heeft de door [appellant] gestelde kosten voor de aankoop en verscheping van de tractor betwist en heeft aangevoerd dat uit het door hem als productie overgelegd Internationaal Handelstransactie formulier voor goederen en diensten onzichtbaar verkeer volgens AB no. 207, de tractor is geïmporteerd door [geïntimeerde] met een waarde ad € 2.000,00 en vrachtkosten ad € 725,00.

6.3 Het Hof overweegt allereerst dat, nu [appellant] niet uitdrukkelijk het tegendeel heeft verlangt, tevens kennis genomen wordt en geoordeeld over het aan het vonnis vooraf gegane tussenvonnis van 18 december 2012.

6.4 In het tussenvonnis van 18 december 2012 heeft de kantonrechter overwogen dat “nu [appellant] zich op een overeenkomst beroept met [geïntimeerde], welke overeenkomst inhoudt dat [appellant] in 2008 ten behoeve van [geïntimeerde] een tractor zou kopen in Nederland en zou verschepen naar Suriname, waarbij [geïntimeerde] hem de koopsom en de vrachtkosten zou betalen en [geïntimeerde] die overeenkomst betwist, zal [appellant] in het bewijs worden toegelaten van zijn stellingen, namelijk de stellingen als hierboven vermeldt en de stellingen dat hij voor de tractor en de verscheping EUR. 4300,= heeft betaald.”.

6.5 Het Hof overweegt dat tussen partijen niet in het geding is dat afgesproken is dat [appellant] ten behoeve van [geïntimeerde] een tractor zou kopen. Tussen partijen is evenmin in het geding dat [geïntimeerde] de daarmee gepaard gaande kosten zou dragen. Hier volgt uit dat in het tussenvonnis van 18 december 2012 ten onrechte is overwogen en beslist dat [appellant] de door hem gestelde overeenkomst dient te bewijzen, zodat dit vonnis niet in stand kan blijven. Het vonnis waarvan beroep kan, nu het voorbouwt op het tussenvonnis en de daarin gegeven bewijsopdracht, evenmin in stand blijven.

6.6 [appellant] heeft ter adstructie van de gevorderde hoofdsom ad € 4.300,00 overgelegd:
a. een kopie van een printout van een advertentie op Tweedehands.net, waarin te koop is aangeboden een Ford 4600 supercab tractor, website: www.campingknieplanden.nl: op de kopie is de volgende aantekening geplaatst: “voorschot € 400,- Nog te betalen € 2600,-”.
b. een nota d.d. 14 mei 2008 te Hoorn uitgeschreven voor [geïntimeerde] betreffende contante voldoening van 3.000,- voor een Ford tractor. Op deze nota is een stempel van Camping De Knieplanden, www.campingknieplanden.nl geplaatst.
c. een factuur d.d. 5 juni 2008 van SME Shipping, waaruit blijkt dat [geïntimeerde], wonende te [plaats] in verband met de verscheping van een Ford Tractor 4600 van [stad] naar [district] is belast voor € 810,00.
In de conclusie van repliek heeft [appellant] gesteld dat hij voor de tractor heeft betaald € 3.000,00 en voor de vracht € 810,00.
Het Hof concludeert dat het aan hoofdsom gevorderd bedrag slechts voor een totaalbedrag ad € 3810,00 is onderbouwd. Bij de verdere beoordeling zal van het onderbouwd totaal bedrag worden uitgegaan. Het verschil ad € 490,00 is immers nu het niet is onderbouwd, niet toewijsbaar.

6.7 [geïntimeerde] heeft de onder 6.6 onder b vermelde productie van valsheid beticht en heeft aangevoerd dat de valutasoort daarin niet is vermeld zodat niet duidelijk is of het een bedrag in SRD, Euro of Noord-Amerikaanse dollar betreft. Ten aanzien van de onder c vermelde productie heeft [geïntimeerde] verklaard dat het daarop vermeld bedrag ad € 810,00 door hem is betaald.

6.8 Overwogen wordt dat de in Nederland gebruikelijke valutasoort is de Euro en dat zowel [geïntimeerde] als [appellant] ervan uitgaan dat voor de tractor een koopsom in Euro’s is betaald. Aan het door [geïntimeerde] ten aanzien van de in rechtsoverweging 6.6 onder b vermelde nota gestelde, wordt dan ook voorbij gegaan.

6.9 Het Hof is verder van oordeel dat het door [geïntimeerde] als productie overgelegd Internationaal Handelstransactie formulier voor goederen en diensten onzichtbaar verkeer volgens AB no. 207, in tegenstelling tot de door [appellant] overgelegde nota, niet is verstrekt door de verkoper en evenmin dient ten bewijs van de voor de tractor betaalde koopsom. Ook indien daarop andere bedragen zijn vermeld als waarde van de tractor en de verschepingskosten, houdt deze productie, tegenover de door [appellant] overgelegde producties afkomstig van de verkoper van de tractor en de verschepingsmaatschappij geen stand.
Het Hof concludeert derhalve dat, gelijk door [appellant] bij conclusie van repliek is gesteld, voor de aankoop en verscheping van de tractor in totaal € 3.810,00 is betaald door [appellant]. [geïntimeerde] zal, nu hij heeft aangevoerd dat hij het geld voor de aankoop van de tractor heeft verstrekt en de kosten voor de verscheping heeft betaald, in de gelegenheid worden gesteld zulks te bewijzen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
Vernietigt de vonnissen van de Kantonrechter in het Derde Kanton van 18 december 2012 en van 19 november 2013, A.R. No. 12-2364 en opnieuw recht doende:
i. Stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid te bewijzen dat hij in verband met de aankoop en verscheping van een tractor van het merk Ford, Type 4600, met het bouwjaar 1980, een totaalbedrag ad € 3.810,00 aan [appellant] heeft voldaan.
ii. Bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden voor het Hof van Justitie, die daartoe zal overgaan op vrijdag 23 november 2018 om 13:00 uur in het gerechtsgebouw aan het Onafhankelijkheidsplein no. 4 te Paramaribo.
iii. Bepaalt dat indien [geïntimeerde] bewijsstukken wenst over te leggen, zulks een week voor de voor het getuigenverhoor bepaalde datum dient te geschieden bij de griffier van het hof, onder afgifte van een goed leesbare fotokopie daarvan aan de tegenpartij.
iv. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid, en mr. J.M. Jensen, Lid-plaatsvervanger en door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van vrijdag 3 augustus 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. C.B. Lachman en mr. H. Matawlie.

SRU-HvJ-2018-57

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende in het [district] ,
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 13-4372) tussen appellant als eiser in kort geding in eerste aanleg en geïntimeerde als gedaagde in kort geding in eerste aanleg,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1.Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 24 december 2015 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de memorie van grieven met een productie overgelegd op 24 december 2015;
  • de memorie van antwoord ingediend ter griffie van het hof op 01 juni 2016;
  • de pleitnota overgelegd ter griffie van het hof op 18 november 2016, met producties;
  • de antwoord pleitnota en uitlating producties overgelegd ter griffie van het hof op 03 maart 2017;
  • de repliek pleitnota overgelegd ter griffie van het hof op 17 maart 2017, met producties;
  • de dupliek pleitnota en uitlating producties overgelegd ter griffie van het hof op 07 juli 2017;

de rechtsdag voor de uitspraak was aanvankelijk bepaald op 19 januari 2018, doch nader op heden.

2.De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak (26 november 2015) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Appellant heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde op 24 december 2015 appèl aangetekend, terwijl een afschrift van het vonnis per griffiersbrief d.d. 14 december 2015 naar partijen is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat appellant niet tijdig in appèl is gekomen, zodat appellant in zijn appèl kan worden ontvangen.

3.De feiten
3.1 Appellant is op 01 juli 1986 in dienst getreden van het Ministerie van Sozavo en voor et laatst te rekenen van 15 oktober 2001 bevorderd tot Stafambtenaar A 3e Klasse bij beschikking van 05 juni 2007, S.Z. [nummer 1].

3.2 Bij schrijven d.d. 12 juli 2011, kenmerk OD/AMZ [Nummer 2], heeft de Onderdirecteur Algemeen Maatschappelijke Zorg (AMZ), voor zover van belang aan de Directeur van het Ministerie van Sozavo medegedeeld, dat zij naar aanleiding van het schrijven d.d. 22 juli 2010 van het waarnemend hoofd Personeelszaken inzake positieverbetering van appellant met betrekking tot voordracht SZ.[nummer 3], geen bezwaar heeft voor de benoeming van appellant tot waarnemend onderhoofd, alsmede dat zij voornemens is om aan appellant die sedert 21 juli 2009 als waarnemend onderhoofd fungeert, tekeningsbevoegdheid te verlenen ter optimalisering van de dienstverlening binnen de dienst AMZ bij eventueel afwezigheid en/of ontstentenis van het hoofd AMZ.

3.3 Het hoofd AMZ heeft bij schrijven d.d. 25 juli 2011, kenmerk AMZ [nummer 4], het schrijven vermeld onder 3.2 van dit vonnis, doorgeleid naar het waarnemend hoofd Personeelszaken, met onder meer het verzoek om appellant te voorzien van een benoemingsbeschikking.

3.4 Het waarnemend hoofd Personeelszaken heeft bij schrijven d.d. 25 januari 2012, voor zover van belang aan de Onderdirecteur Administratieve Diensten, medegedeeld:
“(…) De heer [appellant] werd per 01 januari 2000 belast met de leiding van Hoofd D.A. Commewijne. Per 15 oktober 2001 werd hij ter beschikking gesteld van het Hoofd A.M.Z. en te rekenen van 2 juli 2009 is hij belast met tekeningsbevoegdheid als waarnemend Onderhoofd A.M.Z. De heer [appellant] voornoemd voldoet niet aan de voorgestelde eisen zoals opleidingen t.a.v. zijn benoeming tot Onderhoofd A.M.Z. Betrokkene dient in het bezit te zijn van een H.B.O,-opleiding of daaraan gelijkgesteld.
Betrokkene is in staat op H.B.O. werk- en denkniveau zijn werkzaamheden te verrichten. Mijns inziens daarvoor bestaat er dezerzijds geen bezwaar om hem te benoemen tot Onderhoofd A.M.Z. vermeld moge worden dat dhr. [appellant] meergenoemd nu tewerkgesteld is bij de Dienst A.M.Z., waar hij als Stafmedewerker fungeert en zich heeft doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar die zijn werkzaamheden naar volle tevredenheid verricht.”

3.5 Appellant heeft bij schrijven d.d. 10 mei 2013 onder meer aan de Minister van Sozavo aangegeven, dat hij ondanks het bezwaar op het schrijven d.d. 25 juli 2012, hoopvol is dat zijn formalisatie in de functie als Onderhoofd A.M.Z. zo spoedig mogelijk middels een beschikking wordt gewaardeerd en dat hij ook ingedeeld mag worden conform de gewijzigde FISO-inschaling.

3.6 Bij schrijven van de procesgemachtigde van appellant d.d. 02 jul 2013, betekend op 05 juli 2013 bij exploot no. 1132, is geïntimeerde gesommeerd en in gebreke gesteld om binnen een maand appellant te voorzien van een beschikking/resolutie inhoudende diens benoeming tot onderhoofd AMZ met dienovereenkomstige aanpassing van zijn salaris en emolumenten te rekenen van 21 juli 2009.

3.7 Appellant heeft als productie overgelegd de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 05 augustus 2014 [nummer 5], houdende vastlegging dat landsdienaren die vanwege het bevoegd gezag bij beschikking belast zijn met de waarneming van een functie, welke is ingedeeld vanaf functiegroep 7 tot en met functiegroep 11, en niet voldoen aan de functievereisten, zoals gesteld in het Functie Informatie Systeem Overheid, na een waarneming van minimaal EEN JAAR, in afwijking van de FISO-vereisten, definitief in de waargenomen functie kunnen worden benoemd. Voorts is onder paragraaf II van voornoemde beschikking bepaald dat deze definitieve benoeming slechts kan plaatsvinden, indien de volgende voorwaarden in acht zijn genomen:

a. de betreffende landsdienaar moet bereid zijn zich aan een test te onderwerpen, welke wordt afgenomen door een door de Onderraad voor Personeelsaangelegenheden aan te wijzen deskundig team;
b. een goede beoordeling van het ambtelijk gedrag en de werkattitude;
c. een goede ambtelijke verloop vanaf de indiensttreding bij de overheid.

Aan voornoemde beslissing ligt de navolgende overweging ten grondslag: Dat landsdienaren door het bevoegd gezag belast kunnen worden met de waarneming van een functie, welke is ingedeeld vanaf functiegroep 7 tot en met functiegroep 11; dat bedoelde landsdienaren niet altijd voldoen aan de vereisten voor benoeming in die functie, zoals die zijn gesteld in het Functie Informatie Systeem Overheid, wat een definitieve benoeming in de desbetreffende functie onmogelijk maakt; dat deze groep landsdienaren hierdoor veelal komt te verkeren in een situatie van onzekerheid, voor wat hun rechtspositie betreft; dat mede ter versterking van de rechtspositie van deze groep van landsdienaren, het redelijk en billijk wordt geacht om in voorkomende gevallen van de in het FISO vastgestelde functievereisten af te wijken, voor zover de landsdienaar voldoet aan de nadere voorwaarden zoals in deze beschikking vastgelegd.

3.8 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 26 november 2015, waarvan beroep, is de vordering van (thans) appellant afgewezen.

4.De vordering in eerste aanleg
(Thans) appellant heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kort geding voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. (thans) geïntimeerde te veroordelen om binnen I maand na het ten deze uit te spreken vonnis, (thans) appellant te voorzien van een beschikking c.q. resolutie inhoudende diens benoeming tot Onderhoofd Dienst Algemeen Maatschappelijk Zorg van het directoraat Algemeen Maatschappelijk Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting met dienovereenkomstige aanpassing van zijn salaris en emolumenten te rekenen van 21 juli 2009;
2. aan het gevorderde onder 1 te verbinden een dwangsom ad SRD 5.000,- per dag voor iedere keer of dag dat (thans) geïntimeerde in strijd daarmede handelt, althans weigert te voldoen aan het ten deze uit te spreken vonnis.

5.De grieven
Appellant heeft een tweetal grieven aangevoerd welke bij de beoordeling van het geschil zullen worden verwoord en behandeld.

6.De vordering in Hoger Beroep
Appellant concludeert in dit hoger beroep op deze gronden appellant ontvankelijk te willen verklaren in zijn beroep en te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering van appellant alsnog toe te wijzen.

7.Het verweer
Geïntimeerde heeft op de door appellant aangevoerde grieven verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan, concluderende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg.

8.De beoordeling
8.1 Het hof overweegt dat appellant zich op het standpunt stelt dat hij wel op een HBO- denkniveau kan functioneren, weshalve hij voldoet aan de wettelijke vereisten voor benoembaarheid in de functie van Onderhoofd AMZ. Geïntimeerde daarentegen beroept zich op de resolutie van 28 februari 2009, [nummer 6] en op de als productie overgelegde functiebeschrijving, op grond waarvan hij concludeert dat appellant niet voldoet aan de wettelijke vereisten voor benoembaarheid, nu een HBO-denkniveau onvoldoende is voor de benoembaarheid. Evenwel staat tussen partijen rechtens vast dat appellant een aantal jaren heeft waargenomen in voornoemde functie.
8.2 Het hof vindt in voornoemde stellingen van partijen aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten teneinde nadere inlichtingen in te winnen en om een minnelijke regeling te beproeven. Met name wenst het hof inzage te verkrijgen in de resolutie van 28 februari 2009, [nummer 6] en de officiële functiebeschrijving van Onderhoofd AMZ. Geïntimeerde wordt verzocht om genoemde documenten ter comparitiezitting over te leggen.
8.3 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

9.De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof
9.1 Gelast appellant in persoon en geïntimeerde deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen voor het Hof voor het verschaffen van inlichtingen en het beproeven van een vereniging zoals overwogen onder 8.2 van dit vonnis.
9.2 Bepaalt dat de comparitie van partijen zal worden gehouden op vrijdag 6 april 2018 des voormiddags te 9:00 uur.
9.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan en mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken te openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens de advocaten mr. M.A. Guman en mr. M.G.A. Vos, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift De Griffier van het Hof van Justitie, Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-1998-6

JURISPRUDENTIE
A.R. No. 983652, 20 AUGUSTUS 1998

[eiser], wonende in [district]
thans in verzekering gesteld in het cellenhuis te Nieuwe Haven,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. I. D. KANHAI, advocaat, eiser in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME met name het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon,
vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. A.R. Baarh, advocaat/ gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren gedaagde zal worden veroordeeld om binnen twee uren na uitspraak de vrijheidstelling van eiser te gelasten;
voorts gedaagde zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van Sf. 5.000.000,= (vijf miljoen gulden) voor ieder uur waarin zij in gebreke mocht blijven te voldoen aan de door de Rechter gegeven beslissing en voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun procesgemachtigden, advocaten, Mr. I.D. KANHAI en Mr. A. R. BAARH, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eiser overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de partijen mondeling hun standpunten hebben toegelicht gelijk in het daarvan door ons opgemaakt – en hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat wij hierna terstond vonnis hebben gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der daaraan een grondslag gelegde feiten blijkt;

Overwegende, dat eiser op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren gedaagde te veroordelen binnen twee uren na deze uitspraak de vrijheidstelling van hem, eiser, te gelasten onder veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom van Sf 5.000.000,= per uur voor iedere uur dat gedaagde in gebreke mocht blijven te voldoen aan de door Ons te geven beslissing;

Overwegende, dat, naar zowel uit het procesdossier als uit het strafdossier blijkt, de eiser door de hulpofficier van justitie de Inspecteur der politie eerste klasse [naam], op 26 juni 1998 met ingang van 29 juni 1998 voor de tijd van veertien dagen in verzekering werd gesteld in het cellenhuis verbonden aan het politiebureau te Nieuwe Haven op verdenking van het feit zich te hebben schuldig gemaakt aan overtreding van de artikelen 278, 381 en 382 van het Wetboek van Strafrecht voor welke strafbare feiten ingevolge artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering de voorlopige hechtenis is toegelaten;

Overwegende, dat eiser zijn inverzekeringstelling op 7 juli 1998 met ingang van 13 juli 1998 op bevel van de Vervolgingsambtenaar werd verlengd met 30 dagen;

Overwegende, dat de Vervolgingsambtenaar op 5 augustus 1998 gevorderd heeft en wel onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken de bewaring van de eiser ingaande 12 augustus 1998;

Overwegende, dat de Rechter commissaris het strafdossier ten name van de eiser onbehandeld teruggestuurd heeft naar de Vervolgingsambtenaar bij schrijven d.d. 5 augustus 1998 naar de inhoud waarvan dezerzijds wordt verwezen;

Overwegende, dat de Vervolgingsambtenaar op 12 augustus 1998 bij de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten, gevorderd heeft dat tegen eiser zal worden verleend een bevel tot bewaring ingaande 12 augustus 1998 onder wederaanbieding aan de Rechter-Commissaris van het strafdossier ten name van de eiser, dat de Rechter-Commissaris op 13 augustus 1998 het strafdossier ten name van de eiser teruggestuurd heeft naar de Vervolgingsambtenaar daarbij aanvoerend dat de verdachte over tijd zat;

Overwegende, dat, naar voorts uit het strafdossier blijkt, de Rechter- Commissaris bij diens beschikking d. d. 14 augustus 1998 de onmiddellijke invrijheidstelling van de eiser heeft bevolen;

Overwegende, dat, naar tussen partijen rechtens vaststaat, de eiser door het Openbaar Ministerie casu quo de Vervolgingsambtenaar niet in vrijheid is gesteld;

Overwegende, dat, naar uit al het hiervoren overwogenen blijkt de Rechter-Commissaris, naar Ons voorlopig oordeel er terecht van is uitgegaan dat, toen op 12 augustus 1998 door de Vervolgingsambtenaar werd verzocht tegen eiser te verlenen een bevel tot bewaring ingaande 12 augustus 1998, de eiser over tijd zat, hebbende de Vervolgingsambtenaar, naar Ons voorlopig oordeel, één dag te laat en wel op de 31ste dag gevorderd tegen eiser te verlenen een bevel tot bewaring ingaande genoemde datum;

Overwegende, dat nu de verdachte sedert 12 augustus 1998, naar Ons voorlopig oordeel, onrechtmatig casi quo wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd gehouden bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen.wordt, dient de van Ons verlangde voorziening te worden verleend als in het dictum van dit vonnis te melden onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Veroordelen gedaagde binnen 1 x 24 uur na deze uitspraak de eiser in vrijheid te stellen;
Veroordelen gedaagde om indien hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen hij ten titel van dwangsom aan de eiser zal verbeuren een bedrag van Sf 5.000.000,= (VIJF MILJOEN GULDEN) per uur;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op oo alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 4.905,25 (Vierduizend Negenhonderd en vijf 25/100 gulden);

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van DONDERDAG, 20 AUGUSTUS 1998 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. J.R. VON NIESEWAND, in tegenwoor-digheid van de Substituut-Griffier, Mr. M. Pitti.

w.g. M. PITTI

w.g. J.R. VON NIESEWAND.

Partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten, I.D. KANHAI en Mr. A. R. BAARH

SRU-HvJ-2007-3

JURISPRUDENTIE
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL. NO.1415

[appellant],
wonende te [district],
voor wie als gemachtigde optrad, Mr. H. Lowe, die thans vervangen wordt door Mr. E. De Noten, advokaat,
incidenteel appellant in Kort Geding tevens principaal geïmiteerde in Kort Geding,

tegen

DE REPUBLIEK SURINAME,
zetelende te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. A.R.Baarh, advokaat,
incidenteel geïmiteerde in Kort Geding tevens principaal appellant in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit: (Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 17 juni 2005 en 4 augustus 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
Partijen worden gemakshalve verder (ook) aangeduid als [appellant] en de Staat;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2006 de Griffier der Kantongerechten het verlangde document, te weten een dienstbrief, heeft overgelegd, terwijl ter zelfde terechtzitting de gemachtigde van appellant een akte inlevering verzocht stuk met produkties heeft overgelegd, de inhoud van al welke gedingstukken als hier ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens een als hier geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 19 januari 2007 en, na enkele aanhoudingen, nader op heden.

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1.1 Het Hof neemt hier over en volhardt bij hetgeen in zijn tussenvonnissen van 17 juni 2005 en 4 augustus 2006 is overwogen en beslist.

2.1 [appellant] heeft zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter gewend en heeft daarbij, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, gesteld dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij door dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden en nog lijdt. Hieruit volgt dat [appellant] zijn vordering baseert op het bepaalde in artikel 1386 van het Burgerlijke Wetboek en daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om van de zaak kennis te nemen gegeven. Er bestaat geen met voldoende waarborgen omgeven administratieve procedure waarbinnen [appellant] voor het onderhavig geval een spoedvoorziening kan verkrijgen. Hij, [appellant], is dan ook terecht in zijn vordering ontvangen.

2.2 In vorenbedoelde procedure heeft de Kantonrechter in het Eerste Kanton, bij voorlopig uitvoerbaar verklaard vonnis van 23 mei 2001, de Staat, onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 1.000.000 per dag, veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van het vonnis [appellant] en zijn gezin onvoorwaardelijk tot Suriname toe te laten en zijn, [appellant], gezin in alle opzichten als Surinamers te behandelen. Bij gemeld vonnis is de Staat tevens veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Sf. 12.301,50.

3.2.1 De Staat heeft op 30 mei 2001 hoger beroep tegen het onder 2.2 vermelde vonnis ingesteld. Hij, de Staat, heeft geen memorie van grieven als bedoeld in artikel 271 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (afgekort SBRv) overgelegd of ingediend. [appellant] heeft verzocht dat aan de Staat akte van non-memorie-van grieven wordt verleend en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk- verklaring van de Staat in diens hoger beroep.

3.2.2 Indien [appellant] bedoelt te betogen dat voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep het indienen van een memorie (van grieven) vereist is, dan gaat dat betoog niet op. In artikel 271 SBRv wordt immers aan de appellant de bevoegdheid verleend, en wordt hem geenszins de verplichting opgelegd, een memorie als daar bedoeld over te leggen of in te dienen. Bovendien blijkt uit het bepaalde in artikel 276 SBRv dat het Hof kennis kan nemen van een zaak en daarover zijn oordeel kan geven zonder dat er memoriën zijn gewisseld. Het niet- ontvankelijkheidsverweer van [appellant] wordt dan ook verworpen.

3.2.3 De Staat kan in het door hem ingesteld principaal hoger beroep worden ontvangen.

3.3 Bij het voorgaande wordt aangetekend dat, nu de Staat geen memorie van grieven heeft overgelegd of ingediend, de inhoud van de door hem ingediende pleitnota bij de beoordeling slechts zal worden betrokken voor zover die strekt tot toelichting, verbetering en aanvulling van hetgeen hij, de Staat, in eerste aanleg heeft aangevoerd, terwijl met door de Staat nieuw aangevoerde feiten rekening zal worden gehouden indien [appellant] ze heeft erkend dan wel heeft aanvaard dat ze in de rechtsstrijd worden betrokken.

4. De Kantonrechter heeft in het beroepen vonnis, voor zoveel hier van belang, het volgende overwogen:
“Overwegende, dat, alvorens de stellingen van partijen nader in ogenschouw te nemen, zij opgemerkt dat de “Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname” (Trb. 1975 no. 132), waarop eiser’s onderhavige vordering stoelt, in werking is getreden op 25 november 1975 en dat deze overeenkomst nog steeds rechtskracht heeft, zodat gedaagde’s verweer, als zou dat niet het geval zijn, verworpen wordt;

Overwegende, dat eiser, zich beroepende op artikel 5 lid 2 van voornoemde overeenkomst, ter door Ons gehouden comparitie, met behulp van niet genoegzaam gemotiveerd weersproken overgelegde produkties, waaronder twee uittreksels uit de basisadministratie van de gemeente Nijmegen respektievelijk gedateerd 23 november 2000 en 10 november 2000, welker inhoud als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd dient te worden aangemerkt, genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt, dat hij een meerderjarige Nederlander is, geboren in Suriname en dat hij op het tijdstip van inwerkingtreding van deze overeenkomst (25 november 1975) buiten de Republiek Suriname woonplaats had;

Overwegende, dat dit – met zich meebrengt, dat eiser behoort tot die groep van personen aan wie, ingevolge artikel 5 van genoemde Toescheidingsovereenkomst een aantal rechten toekomt waaronder het recht te allen tijde te worden toegelaten, alsmede het recht om gedurende het verblijf in Suriname in alle opzichten te worden behandeld als Surinaamse staatsburger;

Overwegende immers, dat met de toekenning van deze rechten is beoogd om de band, die deze groep personen heeft met Suriname, tot uitdrukking te brengen en hen na terugkeer in Suriname, de gelegenheid te bieden de mogelijkheid tot een blijvende vestiging te onderzoeken;

Overwegende, dat onder verwerping van het verweer van gedaagde, hierop neerkomende, dat eiser een vreemdeling is en dat op hem de Vreemdelingenwet, de Visum- instructie 1983, de wet op het Surinamerschap en ingezetenschap, de Surinaamse Grondwet en andere nationale wettelijke regelingen onverkort van toepassing zijn, het volgende wordt overwogen: dat de “Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname” (Trb. 1975 no. 132), in werking getreden op 25 november 1975 een overeenkomst is als bedoeld in artikel 103 van de Grondwet;
dat de in artikel 5 lid 2 van voornoemde Toescheidingsovereenkomst neergelegde bepalingen gekwalificeerd kunnen worden als bepalingen in artikel 105 van de Grondwet, welke naar de inhoud een ieder verbinden;

dat ingevolge artikel 106 van de Grondwet de binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan;

dat overigens deze Toescheidingsovereenkomst (c.q. dit verdrag) van hogere orde is dan de nationale wetgeving van de verbonden staten, zodat in elk geval voor wat Suriname betreft, bij tegenstrijdigheid daarvan met een nationale wettelijke regeling de verdragsbepaling voorrang geniet en de regeling van nationale aard buiten toepassing dient te blijven;”

5.1 Het is van algemene bekendheid dat de regeringen van Suriname, Nederland en de Nederlandse Antillen in 1974, in verband met de doelstelling van de Surinaamse regering om de onafhankelijkheid van Suriname op geen later tijdstip dan einde 1975 te verwezenlijken, aan de in 1972 ingestelde Koninkrijkscommissie de opdracht hebben gegeven om in haar eindrapport advies uit te brengen over, onder andere, de nationaliteitenregeling. Die Koninkrijkscommissie bestond uit drie secties, waaronder een Surinaamse sectie, waarin verschillende leden van de toenmalige Staten van Suriname zitting hadden.

5.2 De Koninkrijkscommissie heeft een rapport uitgebracht, waarbij met betrekking tot de nationaliteitenregeling, twee minderheidsnota’s zijn uitgebracht, te weten een minderheidsnota door enkele leden van de Surinaamse sectie en een minderheidsnota van Prof. Mr. M. Bos. Deze nota’s zijn voor de beoordeling van de voorliggende zaak niet van belang.

6. Aan het rapport van de Koninkrijkscommissie was als bijlage I een “ontwerp van toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, met toelichting op de artikelen” (nader te noemen: ontwerp- Koninkrijkscommissie) gevoegd. Hieronder worden enkele van belang zijnde artikelen en de op artikel 5 gegeven toelichting weergegeven.

Artikel 3
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hebben.

Artikel 4
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen voorts alle meerderjarige Nederlanders die, buiten Suriname geboren zijnde op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hebben, indien
a. hetzij hun vader of, indien deze wettelijk onbekend is, hun moeder wel in Suriname is geboren. Is niet bekend waar de vader of, indien deze wettelijk onbekend is, de moeder is geboren, dan wordt deze geacht in Suriname te zijn geboren;
b. hetzij het Nederlanderschap hebben verkregen

  1. ingevolge de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers, opgenomen in de wet “Souvereiniteitsoverdracht Indonesië (wet van 21 december 1949, Stb. J 570) en op 27 december 1949 woonplaats of werkelijk verblijf hadden in Suriname;
  2. door naturalisatie bij of krachtens de wet en op het tijdstip van de indiening van het verzoek in Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hadden;
  3. in verband met het huwelijk met een Nederlander, van rechtswege dan wel door het doen van een kennisgeving, en op het tijdstip van de huwelijkssluiting woonplaats of werkelijk verblijf in Suriname hadden.

Artikel 5

  1. Meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren of die, buiten Suriname geboren zijnde, behoren tot een van de in artikel 4 onder b omschreven groepen van personen en die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst buiten Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hebben, verkrijgen, ook buiten Suriname, de Surinaamse nationaliteit door hun wil daartoe te kennen te geven.
  2. De in het eerste lid bedoelde personen hebben het recht te allen tijde met hun gezin on voorwaardelijk tot Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer te worden behandeld. Zij verkrijgen van rechtswege de Surinaamse nationaliteit indien zij gedurende twee jaren in Suriname woonplaats of werkelijk verblijf hebben.
  3. De echtgenoten van de in het eerste lid bedoelde personen, alsmede hun voor 1 januari 2001 geboren nakomelingen, adoptief-kinderen daaronder inbegrepen, hebben eveneens de in het eerste lid bedoelde rechten en verkrijgen de Surinaamse nationaliteit eveneens op elke van de in het eerste en tweede lid bedoelde wijzen.
  4. Aan de in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen, zolang zij het Nederlanderschap bezitten, geen rechten worden verleend of verplichtingen worden opgelegd welke onverenigbaar zijn met het Nederlanderschap.

Toelichting: Ad artikel 5
Dit artikel heeft betrekking op personen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Overeenkomst buiten Suriname wonen en op grond daarvan het Nederlanderschap behouden. Ingevolge het in het eerste lid bepaalde kunnen zij, zo zij dit wensen, de Surinaamse nationaliteit verkrijgen door uitdrukkelijk hun wil daartoe te kennen te geven.

Aangezien zij nauwe banden met Suriname hebben, wordt hun het recht gegeven, ook wanneer zij geen gebruik hebben gemaakt van het in het eerste lid bedoelde optierecht, als Nederlander in Suriname te worden toegelaten. Indien zij zich daar vestigen, verkrijgen zij van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, zodra zij daar ten minste twee jaren hebben gewoond.

Lid 3 geeft dezelfde rechten aan de echtgenoot en de nakomelingen, althans voor zover zij zijn geboren binnen 25 jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst.
Eventuele faciliteiten die de Surinaamse regering zou willen geven aan de personen die het Nederlanderschap bezitten, mogen uiteraard niet onverenigbaar zijn met het Nederlanderschap (lid 4).

7.1 De regeringen van hoger- genoemde drie landen hebben in maart 1975 besloten een overeenkomst aan te gaan conform een ontwerp voor een toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (nader te noemen: regeringsontwerp), welke als bijlage 2 was gehecht aan het Protocol van de regeringsconferentie Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen van 17 tot en met 20 maart 1975 te ’s Gravenhage.

7.2 De artikelen 3 en 4 van het regeringsontwerp zijn vrijwel gelijkluidend aan de artikelen 3 en 4 van ontwerp-Koninkrijkscommissie, terwijl in artikel 5 lid 1 en lid 3 van laatstvermeld ontwerp wijzigingen werden aangebracht. De betreffende artikelen in het regeringsontwerp luiden als volgt:

Artikel 3
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.

Artikel 4
De Surinaamse nationaliteit verkrijgen voorts alle meerderjarige Nederlanders die, buiten Suriname geboren zijnde, op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, indien
a. hetzij hun vader of, indien deze wettelijk onbekend is, hun moeder wel in Suriname is geboren. Is niet bekend waar de vader of, indien deze wettelijk onbekend is, de moeder is geboren, dan wordt deze geacht in Suriname te zijn geboren;
b. hetzij zij het Nederlanderschap hebben verkregen

  1. ingevolge de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers, opgenomen in de wet “Souvereiniteitsoverdracht Indonesië (wet van 21 december 1949, Stb. J 570) en op 27 december 1949 hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hadden in Suriname;
  2. door naturalisatie bij of krachtens de wet en op het tijdstip van de indiening van het verzoek in Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hadden;
  3. in verband met het huwelijk met een Nederlander, van rechtswege dan wel door het doen van een kennisgeving, en op het tijdstip van de huwelijkssluiting hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf in Suriname hadden.

Artikel 5

  1. Meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren of die, buiten Suriname geboren zijnde, behoren tot een van de in artikel 4, onder b, omschreven groepen van personen en die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Overeenkomst buiten Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, verkrijgen, ook buiten Suriname, de Surinaamse nationaliteit door voor 1 januari 1986 hun wil daartoe te kennen te geven.
  2. De in lid 1 bedoelde personen hebben het recht te allen tijde met hun gezin on voor waardelijk tot Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer te worden behandeld. Zij verkrijgen van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, indien zij gedurende twee jaren in Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.
  3. De echtgenoten en de voor het jaar 2001 geboren kinderen, adoptiefkinderen daaronder begrepen, van de lid 1 bedoelde personen hebben eveneens het recht op de voet van lid 2 onvoorwaardelijk tot Suriname te worden toegelaten.
  4. Aan de in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen, zolang zij het Nederlanderschap bezitten, geen rechten worden verleend of verplichtingen worden opgelegd welke onverenigbaar zijn met hei Nederlanderschap.

8.1 In juni 1975 is door de Nederlandse regering, vooruitlopend op de behandeling van een ontwerp van Rijkswet, inhoudende de beëindiging van de Statutaire band met Suriname, aan de Tweede Kamer der Staten Generaal een ontwerp van de toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten (nader genoemd: ontwerp-verdrag) toegezonden.

8.2 De artikelen 3, 4 en 5 van het ontwerp-verdrag zijn gelijkluidend aan het onder 7.1 bedoelde (regerings) ontwerp. Blijkens de toelichting op het ontwerp-verdrag was het advies van de Koninkrijkscommissie in het tussen de regeringen gevoerd overleg overgenomen en waren het ontwerpverdrag en de toelichting op enkele details na aan dat advies en het daarbij overgelegde ontwerp ontleend.

8.3 Aan de toelichting op het ontwerp-verdrag kan nog het volgende worden ontleend: “Een overeenkomst, houdende een regeling van toescheiding van staatsburgers, moet behalve de hiervoor uiteengezette rechtsgrondslag, ook rekening houden met de bestaande feitelijke situatie. Deze wordt gekenmerkt door twee belangrijke omstandigheden.
In de eerste plaats bezit thans de overgrote meerderheid van de in Suriname wonende personen de Nederlandse nationaliteit.
In de tweede plaats is enerzijds een relatief groot aantal uit Suriname afkomstige Nederlanders in Nederland en in de Nederlandse Antillen metterwoon gevestigd en is een niet onbelangrijk gedeelte daarvan aldaar door werkkring, door huwelijk of anderszins vast geworteld, doch anderzijds gevoelt evenzeer een groot aantal hunner zich sterk verbonden met Suriname.

Het is geen vanzelfsprekende zaak, dat Nederlanders die door geboorte in Suriname of uit in Suriname geboren ouders met Suriname zijn verbonden en zich naar Nederland, de Nederlandse Antillen of elders buiten Suriname hebben begeven, bij de volkenrechtelijke statenopvolging welke bij de volledige onafhankelijk- wording van Suriname plaatsvindt het Nederlanderschap verliezen. Dit zou hen volkenrechtelijk van de ene dag op de andere tot vreemdelingen maken in Nederland en de Nederlandse Antillen, waarheen zij zich als Nederlanders hebben begeven en waar zij zich als Nederlanders hebben gevestigd. Het moge waar zijn, dat velen van hen onder druk van bijzondere omstandigheden naar Nederland zijn gekomen en Suriname als hun vaderland blijven beschouwen waarheen zij te zijner tijd hopen te kunnen terugkeren, doch dit brengt geen verandering in de feitelijke situatie waarin zij bij de volledige onafhankelijkwording van Suriname verkeren. Zij wonen als Nederlanders in Nederland of op de Nederlandse Antillen en velen zijn dan ook allengs met de samenleving in die landen vergroeid. Hen door het toekennen van de Surinaamse nationaliteit het Nederlanderschap te laten verliezen zou hun positie in die samenleving verzwakken.

Aan de andere kant zou het onjuist zijn, de met Suriname bestaande banden welke door geboorte in dat land van de betrokkenen zelf of van hun ouders zijn ontstaan en welke ook voor velen door het verblijf in Suriname sinds de geboorte tot aan de overkomst naar Nederland of de Nederlandse Antillen een werkelijkheid vormen, te miskennen. Dit zou niet alleen onjuist zijn vanuit het gezichtspunt van de betrokkenen, voor wie die banden nog een duidelijke betekenis kunnen hebben, het zou ook onjuist zijn vanuit het gezichtspunt van de nieuwe staat Suriname die voor zijn opbouw en ontwikkeling behoefte heeft aan de inbreng van werkkracht en bekwaamheid welke bij de uit Suriname afkomstige Nederlanders in Nederland en de Nederlandse Antillen aanwezig is. De aan te bevelen oplossing dient dan ook tegemoet te komen aan dé behoefte, deze verbondenheid met Suriname op een duidelijke wijze tot uitdrukking te brengen.

In deze gedachtengang zou men een oplossing kunnen zoeken in de richting van een vorm van dubbele nationaliteit. Dit stuit echter op grote bezwaren, zeker wanneer het gaat om een zo grote groep personen. De oplossing welke is gevonden om naast behoud van de Nederlandse nationaliteit voor de betrokkenen de band met Suriname tot uitdrukking te brengen is dan ook een andere. Zij is gebaseerd op het uitgangspunt dat de betrokkenen uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezitten, doch dat hun bepaalde rechten kunnen worden toegekend welke, wanneer zij dat wensen, de overgang naar de Surinaamse nationaliteit en het loslaten van de Nederlandse nationaliteit vergemakkelijken. Deze rechten zijn: het recht om door een eenvoudige daarop gerichte wilsverklaring de Surinaamse nationaliteit te verkrijgen, het recht om te allen tijde met het gezin in Suriname onvoorwaardelijk te worden toegelaten, alsmede het recht om gedurende het verblijf in Suriname in alle opzichten te worden behandeld als Surinaams staatsburger, zolang men dit staatsburgerschap nog niet heeft verworven. Na een tweejarig verblijf in Suriname verkrijgen de betrokken personen van rechtswege – dus zonder dat een nadere wilsuiting nodig is – de Surinaamse nationaliteit. De termijn van twee j aar biedt de gelegenheid om zonder dat daarvan het verlies van het Nederlanderschap het gevolg is, gedurende een beperkte tijd de mogelijkheden tot blijvende vestiging te onderzoeken. De hiervoor bedoelde wilsverklaring, welke verwerping van de Nederlandse nationaliteit betekent, kan uiteraard ook in Suriname worden afgelegd voor het verstrijken van de termijn van twee jaar door degene die naar Suriname is gegaan met de vaste wil daar te blijven.

Heeft de betrokkene de Surinaamse nationaliteit verkregen, dan verliest hij de Nederlandse nationaliteit. Hij zal in Nederland en in de Nederlandse Antillen de staat van vreemdeling hebben, onverminderd een voorkeursbehandeling welke zou kunnen voortvloeien uit tussen Nederland en de Nederlandse Antillen en Suriname te treffen regelingen.

Het behoud van de Nederlandse nationaliteit brengt ook voor hen die uit Suriname afkomstig zijn mede, dat zij de aan het Nederlanderschap verbonden rechten genieten – o.a. het recht tot het verkrijgen van een paspoort volgens de daarvoor geldende regelingen – en dat zij onderworpen zijn aan de daaraan verbonden plichten, zoals het vervullen van de militaire dienstplicht. Het behoud van de Nederlandse nationaliteit brengt voorts met zich mede, dat aan deze personen geen met het Nederlanderschap onverenigbare rechten en verplichtingen kunnen worden toegekend en opgelegd. Een Surinaams paspoort zal aan betrokkenen niet kunnen worden verstrekt.

Het is duidelijk dat de aldus gedachte oplossing moet worden gezien als een in beginsel tijdelijke. Zij biedt soelaas aan de Surinaamse Nederlanders die ten tijde van de volledige onafhankelijkwording van Suriname buiten dat land verblijven. Hebben zij jonge kinderen, dan dienen deze in dezelfde positie te zijn als de ouders: ook deze jonge generatie mag vooralsnog geacht worden reële banden met Suriname te bezitten. Voor hen die na zeer geruime tijd zijn geboren uit ouders die het Nederlanderschap hebben behouden en geen gebruik hebben gemaakt van de eenvoudige overgang naar de Surinaamse nationaliteit gaat deze veronderstelling niet meer op. Derhalve wordt voorgesteld het recht van onvoorwaardelijke toelating in Suriname niet meer toe te kennen aan hen die geboren zijn na het jaar 2000.

8.4 Met betrekking tot artikel 5 vermeldt de toelichting:
“Ad artikel 5
Dit artikel heeft betrekking op personen, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de overeenkomst buiten Suriname wonen en op grond daarvan het Nederlanderschap behouden. In gevolge het in het eerste lid bepaalde kunnen zij, zo zij dit wensen, de Surinaamse nationaliteit verkrijgen door voor 1 januari 1986 uitdrukkelijk hun wil daartoe te kennen te geven.

Aangezien zij nauwe banden met Suriname hebben, wordt hun in lid 2 het recht gegeven, ook wanneer zij geen gebruik hebben gemaakt van het in het eerste lid bedoelde optierecht, als Nederlander in Suriname te worden toegelaten. Indien zij zich daar vestigen, verkrijgen zij van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, zodra zij daar tenminste twee jaar hebben gewoond.

Lid 3 geeft aan de echtgenoot van de (lees kennelijk: “en de”; HvJ) voor 2001 geboren kinderen eveneens het recht, on voorwaardelijk in Suriname te worden toegelaten.”

8.5 In de Vaste Commissie voor de betrekkingen met Suriname en de Nederlandse Antillen van de Tweede Kamer der Staten Generaal is, met betrekking tot de ontwerp-overeen- komsten inzake nationaliteiten, de vraag gerezen of de regering nader kon motiveren waarom zij op verschillende punten van het advies en de daarbij overgelegde ontwerpen van de Koninkrijkscommissie was afgeweken. Hierop hebben de betreffende Ministers, voor zoveel hier van belang, opgemerkt dat de ontwerp-overeenkomst, zoals deze was overgelegd, door de regeringen van de drie Rijksdelen was opgesteld. De wijzigingen in artikel 5 zijn als volgt toegelicht:
“In artikel 5, lid 1, was in de tekst, die de Koninkrijkscommissie heeft voorgesteld, het optierecht voor de Surinaamse nationaliteit voor buiten Suriname wonende Nederlanders niet aan een termijn gebonden. Het gevolg hiervan zou onzekerheid gedurende een zeer lange termijn zijn. Daarom is voor dit optierecht thans een termijn van tien jaar gesteld, welke nog redelijk ruim is.

In artikel 5, lid 3, is de toevoeging dat de in dit artikel genoemde personen op elk van de in het eerste en het tweede lid genoemde wijzen de Surinaamse nationaliteit kunnen verkrijgen geschrapt en vervangen door een recht op toelating in Suriname. Dit is gebeurd om de volgende redenen:

a. ingevolge artikel 5, lid 3, kunnen echtelieden voor de Surinaamse nationaliteit opteren indien althans een van hen een persoon is als bedoeld in het eerste lid. Niet is gesteld dat er in het huwelijk sprake moet zijn van verschil in nationaliteit tussen de echtelieden. Dit zou betekenen dat een Nederlands/ Nederlandse man, gehuwd met een Surinaams/ Nederlandse vrouw, gebruik kan maken van het optierecht dat aan zijn vrouw op grond van het eerste lid toekomt, ook wanneer zijn vrouw van dat recht geen gebruik maakt. Het is duidelijk dat voor een optierecht voor een echtgenoot die niet zelf een persoon is, als in het eerste lid van het artikel bedoeld, geen aanleiding bestaat.

b. het bepaalde in de oorspronkelijke tekst van artikel 5, lid 3, dat het enkele feit dat een Nederlander gehuwd is met een persoon die een recht kan doen gelden op het bezit van de Surinaamse nationaliteit zijn of haar Nederlandse nationaliteit van rechtswege verliest, wanneer hij of zij zich in Suriname vestigt en daar twee jaar blijft wonen, zou in strijd zijn met het in Nederland erkende beginsel van de nationaliteitsrechtelijke zelfstandigheid van gehuwde personen.

c. het zou niet reëel zijn nakomelingen van personen, als in het eerste lid bedoeld, tot diep in de 21ste eeuw de gelegenheid te bieden voor de Surinaamse nationaliteit te opteren. Bovendien zou een descrepantie ontstaan tussen de hierbedoelde kinderen, die wat tijdsduur betreft een onbeperkt optierecht zouden hebben, en de kinderen bedoeld in artikel 6, lid 4, voor wie dat recht is beperkt tot het bereiken van de leeftijd van 26 jaar.

9.1 In oktober 1975 zijn het ontwerp van rijkswet Wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, inhoudende beëindiging van de statutaire banden met Suriname en, onder andere de ontwerp overeenkomst inzake toescheiding nationaliteiten in de Tweede Kamer behandeld. Aan de behandeling hebben verschillende leden van de toenmalige Staten van Suriname als bijzondere gedelegeerden deelgenomen. Door de bijzondere gedelegeerden Adhin, Lachmon, Mungra, Gadden, Nurmohamed, Liesdek-Clarke Somohardjo is een motie ingediend, waarin werd voorgesteld in de ontwerp-toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten de mogelijkheid te openen dat alle personen, die hun Surinaamse nationaliteit aan artikel 3 of 4 ontleenden, het Nederlanderschap herkrijgen door binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de overeenkomst hun wil daartoe te kennen te geven.

9.2 Tijdens voormelde behandeling heeft de Staatssecretaris van Justitie, Zeevalking, voor zoveel hier van belang, het volgende gezegd: “De heer Verwoert heeft duidelijk gepleit voor een andere opzet van de nationaliteitsregeling, en wel zo dat het volgens hem ook wenselijk zou zijn dat Surinaamse Nederlanders in Nederland de Surinaamse nationaliteit onmiddellijk zouden krijgen. Dit uitgangspunt wordt naar mijn mening door geen enkele andere groepering gedeeld. Ik wil ook opmerken dat het in de Koninkrijkscommissie uitdrukkelijk is afgewezen. Daar was wel een minderheidsstandpunt van professor Bos, maar hij heeft ook daar in de commissie geen bijval gekregen. Ik geloof niet dat het erg veel zin heeft daarop andermaal duidelijk in te gaan. In ieder geval kleven aan de door de heer Verwoert geschetste opzet vele bezwaren, al was het maar dat dit zou leiden tot blijvende aanwezigheid van een zeer grote minderheid van vreemdelingen in Nederland. Belangrijk evenwel is ook dat de Surinaamse Regering deze oplossing uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. Ik kom er straks bij de behandeling van de motie op terug.

Tenslotte de motie van de heer Adhin, mijnheer de Voorzitter. Deze motie wil – om een lang verhaal kort te maken – eigenlijk al degenen die nu volgens artikel 3 of 4 van de nationaliteitenovereenkomst het Surinamerschap verkrijgen nog een optie geven om binnen vijf jaar na het tijdstip van in werking treden van de overeenkomst te kiezen voor het Nederlanderschap. Wat zijn de uitgangspunten van de conceptregeling zoals deze nu aan de Kamer wordt voorgelegd? Ten eerste gaat het erom te trachten, zoveel mogelijk de toescheiding van de Surinaamse nationaliteit te bevorderen aan Surinamers in Suriname (de artikelen 3 en 4). Ten tweede is het uitgangspunt, zolang mogelijk open te houden dat Surinamers in Nederland of waar ook nog gedurende tien jaar voor de Surinaamse nationaliteit zullen mogen kunnen kiezen. Dit wordt nog versterkt door de bepaling van artikel 5, de leden 2 en 3, dat degenen die ik zojuist bedoelde, dat wil zeggen de Surinamers in Nederland, ook na die tien jaar steeds vrije toegang houden tot Suriname en na twee jaar verblijf aldaar van rechtswege de Surinaamse nationaliteit krijgen. Als een rode draad lopen hier door heen deze remigratiegedachte en deze gedachte om zoveel mogelijk Surinamers, zij het dan niet onmiddellijk maar dan toch in ieder geval op de lange duur, voor de Surinaamse nationaliteit te laten kiezen.

9.3 Tijdens de behandeling van het onder punt 9.1 genoemde ontwerp van Rijkswet heeft hogergenoemde Staatssecretaris, voor zoveel hier van belang, het volgende verklaard: “Ik wijs er met nadruk op, dat in de regelingen ook impulsen tot remigratie zitten, met name in artikel 5 van de toescheidingsregeling van de nationaliteiten. Daarin wordt zolang mogelijk voor Surinamers, hoewel zij na 25 november de Nederlandse nationaliteit behouden, de mogelijkheid opengehouden, gedurende 10 jaar alsnog voor de Surinaamse nationaliteit te kiezen dan wel daarna naar Suriname terug te keren, met als gevolg dat een reeds twee jaar durend verblijf ter plaatse hen de Surinaamse nationaliteit zal laten toevallen”.

9.4 De artikelen 3, 4 en 5 van de Toescheidingsovereenkomst (inzake nationaliteiten tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden), zoals goedgekeurd en verschenen in het Verdragenblad van de Republiek Suriname (1981 no. 1) luiden conform de overeenkomstige artikelen van het onder 7.1. bedoelde Ontwerp.

10. Bij Protocol van 14 november 1994 (Verdragenblad van de Republiek Suriname 1996 no.1), inwerking getreden op 1 december 1995, zijn Suriname en Nederland, voorzover hier van belang, overeengekomen dat in artikel 5, tweede lid van de Toescheidingsovereenkomst de zin “Zij verkrijgen van rechtswege de Surinaamse nationaliteit, indien zij gedurende twee jaren in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben.” Terugwerkend tot 1 januari 1986 vervalt.

11.1 Uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat de Staat heeft aangevoerd dat Suriname geen verdragsbepaling kan naleven welke geen rechtskracht heeft. Het Hof begrijpt uit die stukken dat de Staat zich op het standpunt stelt dat artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst vanaf 1 januari 1986 geen rechtskracht meer heeft (is geëxpireerd). Aan de Staat kan daarom worden toegegeven dat de overweging van de Kantonrechter, volgens welke de Staat het verweer heeft gevoerd dat de (Toescheidings) overeenkomst geen rechtskracht meer heeft, onjuist is.

11.2 [appellant] heeft betwist dat artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst vanaf 1 januari 1986 is geëxpireerd.

11.3 De Staat heeft aangevoerd dat de Toescheidingsovereenkomst was bedoeld als een overgangsfase, “beperkende” (lees kennelijk: beperkt tot) de periode 25 november 1975 tot 1 januari 1986. Er moest namelijk geregeld worden wie vanaf 25 november 1975 Surinamer of Nederlander was (zou zijn). Gedurende tien jaren zouden personen in de gelegenheid worden gesteld op zeer eenvoudige wijze de Surinaamse nationaliteit te verkrijgen alsmede zich te vestigen in Suriname.

11.4 Naar de duidelijke bewoordingen van het regeringsontwerp is alleen het optierecht van artikel 5 lid 1 aan een termijn van (tien jaar) gebonden. Gelet op het feit dat in het ontwerp-Koninkrijkscommissie noch aan het optierecht van artikel 5 lid 1 noch aan de in artikel 5 lid 2 geregelde rechten om te allen tijde onvoorwaardelijk tot Suriname te worden toegelaten en om in Suriname in alle opzichten als Surinamer te worden behandeld een termijn verbonden was en er duidelijk voor is gekozen om in het regeringsontwerp alleen de uitoefening van het optierecht aan een termijn te verbinden, het ervoor mag worden gehouden dat het om een bewuste keuze gaat. Hierbij komt dat uit hetgeen hierboven onder 9.2 en 9.3 is aangehaald de bedoeling blijkt dat bovenbedoelde rechten ook na de termijn van tien jaar van kracht zouden zijn. De zienswijze dat ook de in artikel 5 lid 2 geregelde rechten aan een termijn van tien jaar waren gebonden wordt voorshands dan ook als onjuist aangemerkt.

11.5 Aan de zin “Het is duidelijk dat de aldus gedachte oplossing moet worden gezien als een in beginsel tijdelijke” kan geen argument voor het standpunt van de Staat worden ontleend. Die zin moet namelijk, naar ’s Hofs voorlopig oordeel, in samenhang met de overige, tot dezelfde alinea behorende, zinnen worden gelezen. In die alinea worden twee groepen van personen genoemd aan wie de oplossing soelaas biedt, te weten de Surinaamse Nederlanders die ten tijde van de volledige onafhankelijkwording van Suriname buiten dat land verblijven en de jonge kinderen van deze personen, die vooralsnog geacht mogen worden reële banden met Suriname te bezitten (geboren zijn voor 1 januari 2001). Deze twee groepen zijn zodanig afgebakend dat, na verloop van tijd, niemand meer daartoe zal behoren en het “in beginsel tijdelijke” van de oplossing in deze zin moet worden verstaan en niet in de zin dat de, voor de uitoefening van het optierecht bepaalde termijn van tien jaar ook zou gelden voor het recht op onvoorwaardelijke toelating en behandeling als Surinamer.

11.6 Het Hof is voorshands van oordeel dat het bepaalde in artikel 5 lid 2, eerste zin, ook na 1 januari 1986 van kracht is gebleven.

12.1 De Staat heeft aangevoerd dat de toelating van een persoon en zijn gezin bedoeld in artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst zijn rechtsgrond vindt in die overeenkomst, hetgeen inhoudt dat bedoelde persoon en zijn gezin het recht om onvoorwaardelijk tot Suriname te worden toegelaten uitsluitend kan doen gelden indien de persoon in werkelijkheid wenst te remigreren naar Suriname.

12.2 In verband met het voorgaande kan worden opgemerkt dat bij het toekennen van het optierecht en de andere rechten niet alleen het aspekt van de remigratie een rol heeft gespeeld, maar ook het belang van betrokkenen bij het onderhouden van de banden met Suriname die waren ontstaan doordat zijzelf of hun ouders aldaar geboren waren (zie hierboven onder 8.3). In de toelichting op artikel 5 van het ontwerp-Koninkrijkscommissie wordt dan ook als reden voor de toekenning van het recht van toelating genoemd het feit dat betrokkenen nauwe banden in Suriname hebben. Deze reden wordt herhaald in de toelichting op artikel 5 van het regerings-ontwerp. De stelling van de Staat is dus niet in overeenstemming met de wordingsgeschiedenis van de Toescheidingsovereenkomst en gaat dus niet op.

13.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist en gestaafd door de overgelegde bescheiden is het volgende genoegzaam aannemelijk gemaakt:

  • [appellant] is op 17 februari 1954 in Suriname geboren en heeft sedert zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit;
  • [appellant] woonde van 17 augustus 1972 tot 30 maart 1976 in Nederland.

13.2 Het Hof kan zich verenigen met de beslissing van de Kantonrechter dat door de inhoud van de door [appellant] overgelegde produkties genoegzaam aannemelijk is gemaakt, dat hij, [appellant], een meerderjarige Nederlander is, geboren in Suriname en dat hij op het tijdstip van inwerkingtreding van deze overeenkomst (25 november 1975) buiten de Republiek Suriname woonplaats had, zij het dat het Hof aan de woorden “een meerderjarige Nederlander is” toevoegt de woorden “in de zin van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname”.

13.3 Het Hof kan zich ook verenigen met de, hier zakelijk weergegeven, voorlopige beslissing van de Kantonrechter dat het voorgaande met zich meebrengt, dat [appellant] behoort tot die groep van personen aan wie, ingevolge artikel 5 van genoemde Toescheidingsovereenkomst een aantal rechten toekomt, waaronder het recht ten allen tijde te worden toegelaten, alsmede het recht om gedurende het verblijf in Suriname in alle opzichten te worden behandeld als Surinaams staatsburger.

14.1 [appellant] heeft bij inleidend rekest, zakelijk weergegeven, aangevoerd:
dat hij en/of zijn gezin niet onvoorwaardelijk tot Suriname worden/wordt toegelaten en hij en/of zijn gezin elke keer dat zij Suriname willen bezoeken over een geldig visum dan wel verblijfsvergunning dienen te beschikken;

  • dat hij geen bedrijfsvergunning op zijn naam kan krijgen;
  • dat hij geen actief en passief kiesrecht heeft;
  • dat hij bij een oversteek naar Guyana voor het veer in vreemde valuta moet afrekenen in tegenstelling tot personen die wel de Surinaamse nationaliteit bezitten en in Surinaams courant mochten afrekenen;
  • dat de Republiek Suriname diverse beperkingen heeft ingesteld voor hem en zijn gezin, terwijl de Republiek Suriname hem onvoorwaardelijk in Suriname dient toe te laten en hem in alle opzichten als Surinamer dient te behandelen, dat het maken van onderscheid tussen hem en zijn gezin en een Surinamer in strijd is met artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst.

14.2 In de loop van het geding heeft [appellant] hieraan, voor zover hier van belang, nog het volgende toegevoegd:

  • dat hij jaarlijks of tweejaarlijks zijn verblijfsvergunning moet verlengen en de hiermee verbonden rompslomp moet “ontberen” door uittreksels uit het bevolkingsregister te halen, pasfoto’s en de nodige kopieën te laten maken, daarna deze in te dienen bij het Ministerie van Justitie en Politie en de nodige reis- en overige kosten moet maken;
  • dat hij geen percelen in erfpacht en grondhuur op zijn naam kan krijgen in Suriname.

14.3 Een voorziening in kort geding kan slechts worden gegeven indien de partij die de voorziening verlangt daarbij een spoedeisend belang heeft. De hierboven onder 14.1 en 14.2 weergegeven stellingen van [appellant] zijn, in mindere of meerder mate, algemene beweringen zonder onderbouwing met feiten en omstandigheden waaruit volgt dat uit hoofde van spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Zo is, bijvoorbeeld, omtrent een aantoonbaar voornemen van [appellant] om op korte termijn naar Suriname te reizen niets gesteld of gebleken. Ook zijn, bijvoorbeeld, geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat door [appellant] het erfpachtsrecht of grondhuurrecht op een perceelland dan wel een bedrijfsvergunning is aangevraagd en dit aan hem is geweigerd omdat hij niet de Surinaamse nationaliteit bezit en dat van hem, [appellant] niet kan worden gevergd dat hij het oordeel van de rechter in een eventueel bodemgeschil over deze weigeringsgrond afwacht. Afgezien van het feit dat niet gesteld of gebleken is dat het de Staat is die, bij de oversteek naar Guyana, van [appellant] betaling in vreemde valuta eist, zijn er ook met betrekking tot de betreffende bewering geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit een spoedeisend belang van [appellant] valt te destilleren. Verder ligt, uit de aard der zaak, in de stellingen van [appellant] ook niet besloten dat de gevraagde voorziening geen uitstel gedoogt. De conclusie is dan ook dat de vordering van [appellant] een spoedeisend karakter ontbeert en dient te worden geweigerd.

14.4 Het Hof tekent voor de duidelijkheid aan dat met hetgeen onder 14.3 is overwogen geen oordeel is gegeven over de inhoud van de in artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst genoemde rechten, zullende deze inhoud van geval tot geval moeten worden vastgesteld.

15. Gelet op hetgeen onder 14.3 is overwogen heeft[appellant]geen belang bij het door hem ingesteld incidenteel hoger beroep. Hij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in dat beroep.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
In het principaal beroep:
Vernietigt het vonnis dat door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen is gewezen en op 23 mei 2001 is uitgesproken.
Veroordeelt de geïntimeerde in de proceskosten aan de zijde van de appellant in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil;
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellant voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 50,—;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op SRD 50,—;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Weigert de gevraagde voorziening.
Veroordeelt de geïntimeerde in de proceskosten aan de zijde van de appellant in eerste aanleg gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil;

In het incidenteel beroep:
Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn beroep.
Veroordeelt de appellant in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 100,37;
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 50,—;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de geïntimeerde eveneens op SRD 50,- elk;

In het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
Aldus gewezen door: Mr.E.S. Ombre, Fungerend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein– Montnor en Mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid vsn Mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend- Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh– Jangbahadoersingh w.g. E.S.Ombre

Partij de Staat Suriname vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat Mr. A.R. Baarh is bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen, terwijl partij [appellant] noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-K2-2020-2

DE KANTONRECHTER IN HET TWEEDE KANTON

Gelezen het bezwaarschrift ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering,
ingediend namens
[klager], geboren op [datum] te [district], van beroep accountant en wonende aan [adres],

bij de kantonrechter in het tweede kanton op zaterdag 23 mei 2020 door diens raadslieden mr. B.A.H. Pick en I.D. Kanhai Bsc, met het verzoek om: “de dagvaarding te vernietigen en de klager buiten vervolging te stellen”;

Gelet op de beschikking van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. dinsdag 26 mei 2020, waarbij de behandeling van het bezwaarschrift in Raadkamer is bepaald op donderdag 28 mei 2020 om 9.30 uur des voormiddags;

Gehoord in Raadkamer d.d. 28 mei 2020 de klager en zijn raadslieden mr. J. Kraag en I.D. Kanhai Bsc;

Gehoord de Officier van Justitie mr. C. Klein – Jules namens het Openbaar Ministerie;

Gelet op het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van 28 mei 2020, waarvan de inhoud hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;

Gezien de overige zich in het Raadkamerdossier bevindende bescheiden;

Overwegende, dat klager tegen de tegen hem uitgebrachte dagvaarding op 21 mei 2020 met de mededeling om op 4 juni 2020 voor de kantonrechter in het tweede kanton te verschijnen, tijdig bezwaar heeft aangetekend, weshalve klager ontvankelijk is in zijn beklag;

Overwegende, dat de raadslieden van klager in hun bezwaarschrift gronden hebben aangevoerd, welke tijdens de behandeling ter Raadkamerzitting op 28 mei 2020 mondeling zijn toegelicht, zoals vervat in het opgemaakte proces-verbaal;

Overwegende, dat voormelde gronden – zakelijk weergegeven – alsvolgt opgesomd kunnen worden:

  1. dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat ene Hoefdraad in zijn hoedanigheid als minister van Financiën, wiens naam ook in de tenlastelegging van klager is genoemd, niet wordt vervolgd;

  2. dat de President van de Centrale Bank van Suriname geen publieke functionaris is daar de voornoemde bank een sui generis is. Voorzover de voornoemde bank als een staatsinstelling beschouwd wordt, zal, alvorens er van enige benadeling sprake is, volgens de Anti – Corruptiewet, een commissie moeten worden benoemd die het vermogen vaststelt;

  3. klager heeft geen onrechtmatig voordeel genoten. Alle rekeningen van klager zijn onderzocht. Klager heeft volgens de Bankwet, de Centrale Bank van Suriname in en buiten rechte vertegenwoordigd. Anders dan de vervolging beweert, blijkt uit het verslag van de jurist van de Centrale Bank van Suriname dat er wel een noodzaak was om overeenkomsten aan te gaan en projecten uit te voeren. Deze noodzaak blijkt ook uit een voice note van de minister van Financiën, die zegt dat het goed is voor Suriname en dat de voornoemde bank de assets heeft. De projecten worden getoetst door een door het Openbaar Ministerie aangewezen accountantskantoor met de vraag of de prijzen marktconform zijn. Zonder de vaststelling dat de prijzen niet marktconform zijn kan er geen sprake zijn van enig financieel nadeel. Uit brieven van ene [naam 1], die werkzaam was op het ministerie van Financiën, blijkt dat de projecten noodzakelijk waren en reeds in uitvoering waren. Het project Legarde 1 moet worden gezien in het kader van de overeenkomst van 1 november 2019. De noodzaak van de projecten blijkt ook uit het feit dat een bedrag van 2,2 miljard, die sinds 2015 openstond op de balans van de Centrale Bank van Suriname moest worden weggemaakt. indien de vervolgingsambtenaar ervan uitgaat dat er sprake is van nadelige contracten en die nadeligheid zou moeten blijken uit het feit dat er sprake is van een non refundable payment, moge het volgend worden vermeld. Uit het verhoor van [naam 11] blijkt dat het in Europa gangbaar is dat non refundable payments worden betaald bij het aangaan van de overeenkomsten. Die noodzaak tot het aangaan van overeenkomsten blijkt uit de voice notes van de minister van Financiën, waarbij klager op grond van de Bankwet verplicht was om de instructies van de minister van Financiën op te volgen. Uit het verhoor van [naam 2] en [naam 3] blijkt dat de Centrale Bank van Suriname sinds haar bestaan nooit openbare aanbestedingen heeft gehouden bij het gunnen van projecten;

  4. de dagvaarding onder II van de tenlastelegging is nietig. Het tenlaste gelegde onder II van de dagvaarding is niet overeenkomstig artikel 242 van het Wetboek van Strafvordering, omdat het kwalificatief gedeelte eindigt bij het woord “en of” waarna de verfeitelijking begint;

  5. In de Anti – Corruptiewet is niet vermeld dat het niet transparant zijn bij het aangaan van overeenkomsten, als een strafbaar feit wordt aangemerkt. De overeenkomsten die zijn gesloten en de projecten die met Orion Assurance zijn uitgevoerd, zijn allen transparant geweest. Zo blijkt uit het verhoor van [naam 2] dat het project Interne Audit een goed project was en dat het bedrag ook marktconform was. De vorige externe accountant heeft nimmer een interne audit opgezet. Het opzetten en bemannen van de afdeling intelligence department was ook martkconform en noodzakelijk in verband met de National Risk Assessment. Klager is aandeelhouder van Orion Advisory en dit is volgens de Bankwet niet verboden. De Centrale Bank van Suriname heeft vijf overeenkomsten gesloten met Orion Advisory, waarvan uit het verhoor van [naam 2] blijkt dat twee noodzakelijk waren en marktconform. Uit het verhoor van [naam 2] en [naam 3] blijkt dat er geen procedure regels waren bij de aankoop, verstrekking en registratie van wapens. Klager heeft geen enkel voordeel gehad uit de overeenkomsten behalve dan de uitkering van dividend en de betaling van huur;

  6. voor wat betreft het ten laste gelegde onder III A en IV is klager van mening dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan opzet en schuld money laundering. Alle betalingen zijn via de bank gegaan. Geen van de betalingen zijn afkomstig van enig misdrijf;

  7. voor wat betreft het ten laste gelegde onder V zij gezegd dat aan de klager verduistering wordt verweten zoals verwoord in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht. Klager is geen ambtenaar en is ook niet belast met enige openbare dienst en de Centrale Bank van Suriname is een rechtspersoon met eigen statuten. Klager was niet bereid om ongedekt geld te verstrekken en zijn overheidspanden als koop aangeboden, maar nog niet geleverd. Die handelingen hebben plaatsgevonden in het kader van het project Prodigy I, waarvan de vervolgingsambtenaar beweert dat die projecten niet noodzakelijk waren;

  8. het tenlaste gelegde onder VI van de dagvaarding verwijt aan klager valsheid in geschrifte. Uit de verfeitelijking blijkt dat het betreft cijfers die gepresenteerd worden aan De Nationale Assemblee. Het is niet gebleken dat de minister van Financiën die cijfers heeft gepresenteerd, weshalve het gebruiken als echt en onvervalst niet is komen vast te staan;

  9. het tenlaste gelegde onder VII A en B van de dagvaarding verwijt aan klager valsheid in geschrifte met name dat boeken van de Centrale Bank van Suriname zouden zijn vervalst. Uit het verhoor van [naam 4] blijkt dat [naam 5] hem heeft gevraagd om een leenovereenkomst te anti dateren. De leenovereenkomst is valide en wordt uitbetaald. Van het gebruiken als echt en onvervalst is dan ook geen sprake;

  10. dat de enkele omstandigheid dat [klager] de sparringspartner was van genoemde Robert – Gray Van Trikt, niet met zich meebrengt dat kan worden aangenomen dat klager tezamen en in vereniging met die Robert – Gray Van Trikt de aan hem verweten feiten heeft gepleegd, bovendien was [klager] niet in dienst van de Centrale Bank van Suriname;

Overwegende, dat de Officier van Justitie op de gronden heeft gereageerd en heeft gevorderd het gedane verzoek af te wijzen op gronden als in het proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de kantonrechter allereerst de aangevoerde gronden in relatie wil brengen met de bedoeling van de regeling neergelegd in artikel 243 Sv, zoals door de Officier van Justitie in haar antwoord op het bezwaarschrift naar voren gebracht, namelijk een regeling die beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte;

Overwegende, dat de klager aan de kantonrechter gronden heeft voorgehouden welke gronden in verband gebracht zullen worden met de toets, die in deze procedure dient plaats te vinden. Deze procedure beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte. De vraag die voorligt is of het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.

Overwegende, dat de kantonrechter in overeenstemming met de aard van de procedure een summiere toets zal doen, waarbij niet vooruit gelopen dient te worden op de behandeling ter terechtzitting;

1e Grond: betreffende het gelijkheidsbeginsel

De kantonrechter is, thans overgaand tot bespreking van de eerste grond, met de vervolging van oordeel dat het niet vervolgen van de minister van Financiën de heer G. Hoefdraad, geen strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel oplevert, immers heeft de vervolgingsambtenaar in haar betoog aangegeven dat de persoon van de minister van Financiën, de heer G. Hoefdraad, wel als verdachte wordt aangemerkt en zij heeft conform de wet bij de Nationale Assemblee een vordering ingesteld tegen de vervolging van die Hoefdraad. Echter heeft De Nationale Assemblee die vordering afgewezen en treft het Openbaar Ministerie geen verwijt dat zij haar plichten heeft verzaakt. De kantonrechter is van oordeel dat, gezien het bovenaangehaalde van een schending van het gelijkheidsbeginsel in casu geen sprake is;

2e Grond: de vraag of de governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is

Hiervoor wordt verwezen naar de artikelen 1 e. 1 g en 1 f van de Anti – Corruptiewet. Uit deze artikelen blijkt dat:

  • onder een staatsinstelling ondermeer wordt begrepen een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, instelling, orgaan of bedrijf waarin door of vanwege de overheid in een bepaalde mate invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering of de leiding daarvan, doordat de overheid (mede) aandeelhouder is, danwel door het verlenen van financiële, materiële, personele of technische ondersteuning.

  • Een publieke functionaris iedere persoon, authoriteit of orgaan is die belast is met een publieke functie;

  • Onder publieke functie wordt begrepen een persoon die te werk is gesteld bij een staatsinstelling.

Op grond van het bovenstaande concludeert de kantonrechter dat de governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is.

3e Grond: klager heeft geen onrechtmatig voordeel genoten uit de overeenkomsten en is daarom niet strafbaar

De kantonrechter verwijst naar de memorie van toelichting van de Anti – corruptiewet S.B. 2017 no. 85 op pagina 46 waarin is vermeld: strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Hieruit blijkt dat de voorwaarde voor strafbaarheid dus verder gaat dan slechts het verkrijgen van onrechtmatig voordeel ten behoeve van zichzelf. De kantonrechter vestigt er voorts de aandacht op dat in het transactieschema in het strafdossier met betrekking tot de internationale overmakingen, er wel ernstige bezwaren zijn ten aanzien van het genieten van onrechtmatig voordeel. Op grond van het vooroverwogene faalt ook dit verweer van de raadslieden.

4e Grond: de dagvaarding is nietig omdat het niet voldoet aan het vereiste zoals genoemd in artikel 242 van het Wetboek van Strafvordering

Anders dan de raadslieden beweren, is de feitelijke omschrijving van het misdrijf onder II van de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk omschreven en wordt klager in staat te zijn geacht te hebben begrepen waarvan hij wordt beschuldigd. De toevoeging ten overvloede van het woord en/of en de verfeitelijking daarna brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel.

5e Grond: het niet transparant zijn bij het aangaan van overeenkomsten is niet strafbaar volgens de Anti – Corruptiewet

De vraag die hier aan de orde is, is of en in hoeverre de handelingen van klager in zijn functie van governer van de Centrale Bank van Suriname en tevens aandeelhouder en eigenaar van het gebouw van Orion Assurance and Advisory NV en/of Orion Capital Investment NV, een belangenverstrengeling met zich hebben teweeggebracht zoals vermeld in artikel 13 lid 2 van de Anti – Corruptiewet. De verklaringen van [naam 11] de dato 25 maart 2020, de getuige [naam 2] op 2 april 2020 en de getuige [naam 3] op 11 maart 2020 in onderlinge samenhang beschouwd, bieden in ieder geval voldoende handvaten om de ernstige bezwaren ten aanzien van de belangenverstrengeling zoals vermeld in artikel 13 lid 2 van de Anti – Corruptiewet aan te nemen. Met conclusie dat het verweer van de raadslieden wordt verworpen.

6e tot en met 10e Grond: de onschuld van klager. Klager heeft de aan hem verweten strafbare feiten niet alleen en ook niet tezamen en in vereniging gepleegd met R.G. Van Trikt en/of Limebridge VZW en/of [naam 6]

De kantonrechter dient naar aanleiding van het bezwaar te toetsen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter, later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan klager ten laste gelegde feiten zal komen;

De kantonrechter is, na bestudering van het dossier van oordeel dat een aantal verklaringen van getuigen, welke verklaringen zijn afgelegd bij de politie en tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, met name de verklaringen van de getuigen:

  1. Hoefdraad, Gillmore Andre

  2. [naam 7]

  3. [naam11]

  4. [naam 2]

  5. [naam 3]

  6. [naam 8]

  7. [naam 9]

  8. [naam 10]

in onderling verband en samenhang beschouwd, ernstige bezwaren opleveren ten aanzien van de klager van de aan hem verweten feiten. Uit de processtukken blijkt dat klager vanwege zijn voortdurend overleg met Robert – Gray van Trikt over (te plegen) transacties, op de hoogte was van de handelingen van zijn sparringspartner en dat klager ook diensten heeft verleend om Robert – Gray van Trikt te ondersteunen in handelingen, die uiteindelijk ertoe hebben geleid dat er ernstige verdenkingen tegen klager bestaan als gevolg waarvan het openbaar ministerie hem heeft gedagvaard.

De kantonrechter komt op grond van het hiervoor aangehaalde niet tot de slotsom dat de dagvaarding lichtvaardig is en ook niet tot de slotsom dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter later oordelend tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring zal komen;

Overwegende, dat de kantonrechter derhalve geen termen aanwezig acht, die de buitenvervolgingstelling van de klager zouden rechtvaardigen;

Overwegende, dat de kantonrechter op grond van het bovenstaande van oordeel is dat het gevorderde niet kan worden toegewezen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

B E S C H I K K E N D E :

  • Wijst af het gevorderde;

  • Verwijst klager naar een nader door kantonrechter te bepalen terechtzitting, terzake van de hem in de dagvaarding ten laste gelegde feiten, namelijk:

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met januari 2020, althans in het (de) ja(a)r(en) 2019 en/of 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

  1. hij, verdachte tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT en/of [naam 6], althans alleen, een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel heeft/hebben toegebracht, waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85, verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen, waarbij door die VAN TRIKT, ROBERT in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures om voor hun en/of ten behoeve van een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen en/of ten behoeve van de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV, enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen en/of

zijnde die VAN TRIKT, ROBERT tot dat doeleinde ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of met [naam 6] één of meer overeenkomsten aangegaan, waaronder:

  • de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

  • de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van voormelde overeenkomsten en/of geen noodzakelijke en/of gegronde reden aanwezig was de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en/of,

hebbende hij, verdachte ten aanzien van de overeenkomsten ‘Prodigy’ en/of ‘Prodigy 2’ die voornoemde VAN TRIKT, ROBERT, als president van de Centrale Bank van Suriname met [naam 6] en/of met een rechtspersoon te weten CLAIRFIELD BENELUX N.V. had gesloten en waarbij hij, verdachte en/of de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV geen partij was/waren, onverplicht/ onnodig onverschuldigde reiskosten naar België en/of verblijfkosten en/of uurtarieven voor verrichte diensten, in ieder geval één of meer vergoedingen tot een totaal van SRD 300. 461, 03, – (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen), althans een ander totaal bedrag in SRD’s gedeclareerd, althans een of meer bedragen ontvangen, althans door voornoemde VAN TRIKT, ROBERT, als president van de Centrale Bank van Suriname doen betalen, ten behoeve van een of meer personen en/of medewerkers verbonden aan ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV en/of hem verdachte, terwijl voor die overeenkomsten met die CLAIRFIELD BENELUX N.V. en/of [naam 6], die betalingen niet waren vereist en/of de noodzaak daartoe niet aanwezig was en/of

waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT als president van de Centrale Bank van Suriname bij het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomsten ten behoeve van voormelde Centrale Bank van Suriname, in strijd heeft gehandeld met ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor hem, verdachte en/of die VAN TRIKT, ROBERT en/of ten behoeve van een ander te weten voornoemde rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financiële nadelen heeft ondervonden en/of

zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus door het verrichten van voormelde handelingen en/of door het nemen van voormelde besluiten door die VAN TRIKT, ROBERT en/of hem, verdachte opzettelijk financieel benadeeld, zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT vermelde handelingen heeft gepleegd en/of voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85;

(artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto 72 Strafrecht)

althans, indien en voor zover het onder IA gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. VAN TRIKT, ROBERT als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85, verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen, waarbij door die VAN TRIKT, ROBERT in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures om voor hem VAN TRIKT, ROBERT en/of ten behoeve van (een) ander(en) te weten hem, verdachte, althans een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen en/of ten behoeve van de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV, enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht,

zijnde die VAN TRIKT, ROBERT ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of met [naam 6] één of meer overeenkomsten aangegaan, waaronder:

  • de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

  • de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van voormelde overeenkomsten en/of geen noodzakelijke en/of gegronde reden aanwezig was de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en/of,

hebbende die VAN TRIKT, ROBERT ten aanzien van voormelde gesloten overeenkomsten en waarbij hij, verdachte geen partij bij was, onnodig onverschuldigd/onverplicht reis- en verblijfkosten en/of uurtarieven voor verrichte diensten in België, althans een of meer betalingen tot een totaal van SRD 300. 461, 03, – (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen), althans een ander totaal bedrag in SRD’s, verricht ten behoeve van een of meer personen en/of medewerkers verbonden aan ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of hem, verdachte, terwijl voor die overeenkomsten met die CLAIRFIELD BENELUX N.V. en/of [naam 6], die betalingen niet waren vereist en/of de noodzaak daartoe niet aanwezig was en/of

hebbende die VAN TRIKT, ROBERT bij het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomsten ten behoeve van voormelde Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en/of ten behoeve van voornoemde rechtspersonen en/of die [naam 6] en/of hem verdachte enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, waardoor de Centrale Bank van Suriname door het verrichten van vermelde handelingen en/of door het nemen van voormelde besluiten door die VAN TRIKT, ROBERT opzettelijk financieel is benadeeld, althans ernstig financiële nadelen heeft ondervonden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met januari 2020, althans in het (de) ja(a)r(en) 2019 en/of 2020, te Paramaribo en/of elders in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door;

  • actief deel te nemen en/of te participeren bij de totstandkoming van voormelde nadelige besluiten en/of zijn persoonlijke bijdrage te leveren ter ondersteuning van vermelde nadelige handelingen en/of die genomen nadelige besluiten voor de Centrale Bank van Suriname en/of

  • een of meer medewerkers van de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT N.V.

-waarin hij verdachte en/of VAN TRIKT, ROBERT aandeelhouders zijn en/of financiële belangen hebben, in ieder geval als partners zijn vertegenwoordigd – beschikbaar gesteld voor deelname/participatie aan de overeenkomsten Prodigy en/of Prodigy 2 als vermeld en/of

  • een document met name “VERKLARING INCOMMING PAYMENTS” opzettelijk valselijk in te vullen althans doen invullen en/of een of meer bankrekeningen van ORION CAPITAL INVESTMENT NV bij de HAKRINBANK NV en/of DE SURINAAMSCHE BANK beschikbaar te stellen voor ontvangsten van een of meer geldbedragen, althans financiële voordelen voortvloeiende uit een of meer van voormelde gesloten overeenkomsten tussen de Centrale Bank van Suriname met voornoemde CLAIRFIELD BENELUX N.V en/of [naam 6],

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT vermelde handelingen heeft gepleegd in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85.

(artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 73 wetboek van Strafrecht)

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met januari 2020, althans in het (de) ja(a)r(en) 2019 en/of 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT, althans alleen, een of meer overeenkomsten heeft/hebben gesloten ten behoeve van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV, waarbij hij, verdachte en/of voornoemde VAN TRIKT, ROBERT als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85, bij het aangaan van die overeenkomsten niet de vereiste maatregelen heeft genomen om belangenconflicten/belangenverstrengeling te voorkomen en/of een transparante procedure en gelijke behandeling van partijen te waarborgen,

hebbende immers hij, verdachte als medeaandeelhouder van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV samen met zijn voornoemde mededader VAN TRIKT, ROBERT die eveneens medeaandeelhouder is van voornoemde rechtspersonen ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, één of meer overeenkomsten gesloten te weten:

  • een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van hem, verdachte als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname getekend op 18 april 2019 voor een nog een bedrag USD.150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – (honderd achtentachtig duizend en negenhonderd en vier Surinaamse dollars) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van USD. 65.000, – (vijfenzestig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – (vierhonderd en negenduizend en driehonderd en een Surinaamse dollars en vijf en zeventig centen) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van USD. 72.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – (driehonderd en zeven en twintigduizend en zevenhonderd vierenvijftig Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiair accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 (twee duizend vijfhonderd Amerikaanse dollars) per maand, waarvan op 11 november 2019 voor oktober en november 2019 een tegenwaarde in Srd. 45.475,- (vijfenveertig duizend en vierhonderd en vijfenzeventig Surinaamse dollars) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende het Instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van USD 40.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 171.200, – (honderd en eenenzeventigduizend en tweehonderd Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en/of

waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT vóór het aangaan van de overeenkomsten met voormelde rechtspersonen waarin hij, verdachte samen voornoemde VAN TRIKT, ROBERT, als medeaandeelhouder is verbonden geen (openbare) aanbesteding heeft gehouden en/of daarbij nimmer advies heeft ingewonnen en/of enige vergelijking heeft gemaakt met soortgelijke (eerder gesloten) contracten en/of nagelaten die overeenkomsten ter inzage voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en/of een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht heeft genomen bij het aangaan van voormelde overeenkomsten en/of (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot Srd 1.142. 634, 75, – (één miljoen honderdtweeënveertigduizend en zeshonderd vierendertig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen), althans een ander totaal bedrag aan hem verdachte en/of voormelde rechtspersonen heeft betaald en/of waarbij, hij verdachte en/of die VAN TRIKT, ROBERT aldus direct of indirect financiële, economische en/of persoonlijke belangen hadden bij de procedure of uitkomst van voormelde overeenkomsten en/of

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT, als president van de Centrale Bank van Suriname niet de vereiste maatregelen heeft genomen teneinde belangenconflicten/belangenverstrengeling tijdens de procedure te voorkomen en/of een transparante procedure en/of een gelijke behandeling van partijen heeft gewaarborgd en/of bij de procedure of de uitkomst van die overeenkomsten, in strijd heeft gehandeld met zijn, VAN TRIKT, ROBERT geboden onpartijdigheid of onafhankelijkheid als president van de Centrale Bank van Suriname en/of dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT vermelde handelingen heeft gepleegd en/of voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85;

(artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85)

althans, indien en voor zover het onder II A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. VAN TRIKT, ROBERT, als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85, bij het aangaan van een of meer overeenkomsten niet de vereiste maatregelen heeft genomen om belangenconflicten/belangenverstrengeling te voorkomen en/of een transparante procedure en gelijke behandeling van partijen te waarborgen,

zijnde immers die VAN TRIKT, ROBERT met hem, verdachte als aandeelhouder van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, één of meer overeenkomsten aangegaan te weten:

  • een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van hem, verdachte als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname getekend op 18 april 2019 voor een nog een bedrag USD.150, – per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – (honderd achtentachtig duizend en negenhonderd en vier Surinaamse dollars) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van USD 65.000, – (vijfenzestig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – (vierhonderd en negenduizend en driehonderd en een Surinaamse dollars en vijf en zeventig centen) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van USD 72.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – (driehonderd en zeven en twintigduizend en zevenhonderd vierenvijftig Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiair accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 (twee duizend vijfhonderd Amerikaanse dollars) per maand, waarvan op 11 november 2019 voor oktober en november 2019 een tegenwaarde in Srd. 45.475,- (vijfenveertig duizend en vierhonderd en vijfenzeventig Surinaamse dollars) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende het Instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van USD 40.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 171.200, – (honderd en eenenzeventigduizend en tweehonderd Surinaamse dollars) als voorschot is betaald,

waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT vóór het aangaan van de overeenkomsten met voormelde rechtspersonen – waarin hij, verdachte samen met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT medeaandeelhouder is – geen (openbare) aanbesteding gehouden en/of daarbij nimmer advies heeft ingewonnen en/of enig vergelijking heeft gemaakt met soortgelijke (eerder gesloten) contracten en/of nagelaten die overeenkomsten ter controle/voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en/of een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht heeft genomen bij het aangaan van voormelde overeenkomsten door de Centrale Bank van Suriname en/of (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot Srd 1.142.634,75,- (één miljoen honderdtweeënveertigduizend en zeshonderd vierendertig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen), althans een ander totaal bedrag aan hem verdachte en/of voormelde rechtspersonen heeft betaald en aldus direct of indirect financiële, economische en/of persoonlijke belangen hadden bij de procedure of uitkomst van voormelde overeenkomsten en/of,

waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT, als president van de Centrale Bank van Suriname niet de vereiste maatregelen heeft genomen teneinde belangenconflicten/belangenverstrengeling tijdens de procedure te voorkomen en/of een transparante procedure en/of een gelijke behandeling van partijen heeft gewaarborgd en/of bij de procedure of de uitkomst van die overeenkomsten, in strijd heeft gehandeld met zijn, VAN TRIKT, ROBERT geboden onpartijdigheid of onafhankelijkheid als president van de Centrale Bank van Suriname,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met januari 2020, althans in het (de) ja(a)r(en) 2019 en/of 2020, te Paramaribo en/of elders in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door;

  • actief deel te nemen en/of te participeren bij de totstandkoming van voormelde nadelige besluiten en/of zijn persoonlijke bijdrage te leveren ter ondersteuning van vermelde nadelige handelingen en/of die genomen nadelige besluiten voor de Centrale Bank van Suriname en/of

  • een of meer medewerkers van de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV, – waarin hij verdachte samen met die VAN TRIKT, ROBERT aandeelhouders zijn en/of financiële belangen hebben, in ieder geval als partners zijn vertegenwoordigd – beschikbaar gesteld voor deelname voor de totstandkoming van die overeenkomsten als vermeld en/of

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT vermelde handelingen heeft gepleegd in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85.

(artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 73 wetboek van Strafrecht)

  1. op of omstreeks 27 mei 2019, althans op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand mei 2019, althans in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

  1. hij, verdachte een document “VERKLARING INCOMMING PAYMENTS” van de HAKRINBANK NV, zijnde een geschrift, waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst,

hebbende hij, verdachte opzettelijk valselijk in vermeld document – dat bestemd is voor de controle door de afdeling Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) en welk document dient als verklaring van de reden of een doel van te ontvangen gelden – als reden opgenomen/vermeld en/of doen opnemen/vermelden: “Project Strenght”, althans een fictief en/of een valse omschrijving als doel/reden van die geldovermaking vanuit het buitenland ten behoeve van hem, verdachte en/of de rechtspersoon ORION CAPITAL INVESTMENT NV, zulks als ware voormelde gelden overgemaakt voor betaling van door hem, verdachte en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV verrichtte werkzaamheden ten behoeve van het “Project Strength” en/of met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(artikel 278 lid 1 Sr juncto artikel 72 Sr)

althans indien en voor zover het onder III A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

  1. hij, verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) document “VERKLARING INCOMMING PAYMENTS” van de HAKRINBANK NV, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij verdachte voormeld valselijk opgemaakt document heeft aangeboden en/of doen aanbieden aan een of meer medewerkers van de HAKRINBANK N.V. voor opname en/of transactie van een geldbedrag tot een totaal van 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s), althans enig geld, welke betrof een buitenlandse overmaking(geldtransactie) en bestaande die valsheid of vervalsing hierin,

dat hij verdachte opzettelijk valselijk in vermeld document – dat bestemd is voor de controle door de afdeling Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) en welk document dient als verklaring van de reden of een doel van te ontvangen gelden – opgenomen/vermelden en/of doen opnemen/vermelden: “Project Strenght”, althans een fictief en/of een valse omschrijving als doel/reden van die geldovermaking vanuit het buitenland ten behoeve van hem, verdachte en/of de rechtspersoon ORION CAPITAL INVESTMENT NV, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, althans door anderen heeft doen gebruiken.

(artikel 278 lid 2 Sr)

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf de maand mei 2019 tot en met december 2019, althans in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

  1. hij, verdachte (als de managing partner van de rechtspersonen te weten ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV) tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT en/of [naam 6] (zijnde de managing partner van Clairfield Benelux NV), en/of met de rechtspersoon LIMEBRIDGE VZW (waarin hij verdachte samen met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT en/of [naam 6] als aandeelhouders c.q. partners zijn verbonden) althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen in Euro’s en/of Amerikaanse dollars te weten:

  • op 28 mei 2019 een bedrag groot € 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s) en/of

  • op 05 juli 2019 een bedrag groot USD 30.059, – (dertigduizend en negenenvijftig Amerikaanse Dollard) en/of

  • op 15 oktober 2019 een bedrag groot € 48.000, – (achtenveertigduizend Amerikaanse Euro’s) en/of

  • op verschillende momenten in de maand december 2019, althans op 10 december 2019 enkele geldbedragen groot € 90.900, – (negentigduizend en negenhonderd EURO’S) en/of € 9.100, – (negenduizend en honderd EURO’S) (als aanbetaling/voorschot voor een voertuig te weten een RANGE ROVER betaald) en/of welk voertuig in de maand december 2019 is ontvangen,

althans één of meer (andere) geldbedragen in elk geval enig(e) voorwerp(en) te weten die RANGE ROVER, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) wist(wisten) dat vermeld(e) voorwerp(en)- middellijk of onmiddellijk- afkomstig was (waren) uit enig misdrijf;

(art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64)

althans indien en voor zover het onder IV A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

  1. hij, verdachte (als de managing partner van de rechtspersonen te weten ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV) tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT en/of [naam 6] (zijnde de managing partner van Clairfield Benelux NV), en/of met de rechtspersoon LIMEBRIDGE VZW (waarin hij verdachte samen met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT en/of [naam 6] als aandeelhouders c.q. partners zijn verbonden) althans alleen, een of meer geldbedragen in Euro’s en/of Amerikaanse dollars te weten:

  • op 28 mei 2019 een bedrag groot € 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s) en/of

  • op 05 juli 2019 een bedrag groot USD 30.059, – (dertigduizend en negenenvijftig Amerikaanse Dollard) en/of

  • op 15 oktober 2019 een bedrag groot € 48.000, – (achtenveertigduizend Amerikaanse Euro’s) en/of

  • op verschillende momenten in de maand december 2019, althans op 10 december 2019 enkele geldbedragen groot € 90.900, – (negentigduizend en negenhonderd EURO’S) en/of € 9.100, – (negenduizend en honderd EURO’S) (als aanbetaling/voorschot voor een voertuig te weten een RANGE ROVER betaald) en/of welk voertuig in de maand december 2019 is ontvangen,

althans één of meer (andere) geldbedragen in elk geval enig(e) voorwerp(en) te weten die RANGE ROVER, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) redelijkerwijze moest(moesten) vermoeden dat vermeld(e) voorwerp(en)- middellijk of onmiddellijk- afkomstig was (waren) uit enig misdrijf.

(art. 3b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64)

  • Beveelt de gevangenhouding van de klager.

Aldus gegeven te Paramaribo op maandag 8 juni 2020 in Raadkamer door de kantonrechter in het tweede kanton mr. M.V. Kuldip Singh, in bijzijn van de griffier mevrouw A.A. Kalloe LL.B.

De griffier, De kantonrechter,

A. KALLOE LL.B. mr. M.V. KULDIP SINGH

SRU-K2-2020-1

DE KANTONRECHTER IN HET TWEEDE KANTON

Gelezen het bezwaarschrift ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering,
ingediend namens klager ROBERT – GRAY VAN TRIKT,
geboren op
[datum] in Nederland, van beroep accountant en docent, wonende aan [adres],

bij de kantonrechter in het tweede kanton op zaterdag 23 mei 2020 door diens raadslieden mr. J. Kraag en I.D. Kanhai Bsc, met het verzoek om: “ de dagvaarding te vernietigen en de klager buiten vervolging te stellen”;

Gelet op de beschikking van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. dinsdag 26 mei 2020 waarbij de behandeling van het bezwaarschrift in Raadkamer is bepaald op donderdag 28 mei 2020 om 9.30 uur des voormiddags;

Gehoord in Raadkamer d.d. 28 mei 2020 de klager en zijn raadslieden mr. J. Kraag en I.D. Kanhai Bsc;

Gehoord de Officier van Justitie mr. C. Klein – Jules namens het Openbaar Ministerie;

Gelet op het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van 28 mei 2020, waarvan de inhoud hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;

Gezien de overige zich in het Raadkamerdossier bevindende bescheiden;

Overwegende, dat klager tegen de tegen hem uitgebrachte dagvaarding op 21 mei 2020 met de mededeling om op 4 juni 2020 voor de kantonrechter in het tweede kanton te verschijnen, tijdig bezwaar heeft aangetekend, weshalve klager ontvankelijk is in zijn beklag;

Overwegende, dat de raadslieden van klager in hun bezwaarschrift gronden hebben aangevoerd, welke tijdens de behandeling ter Raadkamerzitting op 28 mei 2020 mondeling zijn toegelicht, zoals vervat in het opgemaakte proces-verbaal;

Overwegende, dat voormelde gronden – zakelijk weergegeven – alsvolgt opgesomd kunnen worden:

  1. dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat ene Hoefdraad in zijn hoedanigheid als minister van Financiën, wiens naam ook in de tenlastelegging van klager is genoemd, niet wordt vervolgd;

  2. dat de President van de Centrale Bank van Suriname geen publieke functionaris is daar de voornoemde bank een sui generis is. Voorzover de voornoemde bank als een staatsinstelling beschouwd wordt, zal, alvorens er van enige benadeling sprake is, volgens de Anti -Corruptiewet een commissie moeten worden benoemd die het vermogen vaststelt;

  3. klager heeft geen onrechtmatig voordeel genoten. Alle rekeningen van klager zijn onderzocht. Klager heeft volgens de Bankwet, de Centrale Bank van Suriname in en buiten rechte vertegenwoordigd. Anders dan de vervolging beweert, blijkt uit het verslag van de jurist van de Centrale Bank van Suriname dat er wel een noodzaak was om overeenkomsten aan te gaan en projecten uit te voeren. Deze noodzaak blijkt ook uit een voice note van de minister van Financiën die zegt dat het goed is voor Suriname en dat de voornoemde bank de assets heeft. De projecten worden getoetst door een door het Openbaar Ministerie aangewezen accountantskantoor met de vraag of de prijzen marktconform zijn. Zonder de vaststelling dat de prijzen niet marktconform zijn kan er geen sprake zijn van enig financieel nadeel. Uit brieven van ene [naam 1], die werkzaam was op het ministerie van Financiën, blijkt dat de projecten noodzakelijk waren en reeds in uitvoering waren. Het project Legarde 1 moet worden gezien in het kader van de overeenkomst van 1 november 2019. De noodzaak van de projecten blijkt ook uit het feit dat een bedrag van 2,2 miljard, die sinds 2015 openstond op de balans van de Centrale Bank van Suriname moest worden weggemaakt. indien de vervolgingsambtenaar ervan uitgaat dat er sprake is van nadelige contracten en die nadeligheid zou moeten blijken uit het feit dat er sprake is van een nnn refundable payment, moge het volgend worden vermeld. Uit het verhoor van [naam 12] blijkt dat het in Europa gangbaar is dat nnn refundable payments worden betaald bij het aangaan van de overeenkomsten. Die noodzaak tot het aangaan van overeenkomsten blijkt uit de voice notes van de minister van Financiën, waarbij klager op grond van de Bankwet verplicht was om de instructies van de minister van Financiën op te volgen. Uit het verhoor van [naam 2] en [naam 3] blijkt dat de Centrale Bank van Suriname sinds haar bestaan nooit openbare aanbestedingen heeft gehouden bij het gunnen van projecten;

  4. de dagvaarding onder II van de tenlastelegging is nietig. Het tenlaste gelegde onder II van de dagvaarding is niet overeenkomstig artikel 242 van het Wetboek van Strafvordering, omdat het kwalificatief gedeelte eindigt bij het woord “en of” waarna de verfeitelijking begint;

  5. In de Anti – Corruptiewet is niet vermeld dat het niet transparant zijn bij het aangaan van overeenkomsten als een strafbaar feit wordt aangemerkt. De overeenkomsten, die zijn gesloten en de projecten die met Orion Assurance zijn uitgevoerd, zijn allen transparant geweest. Zo blijkt uit het verhoor van [naam 2] dat het project Interne Audit een goed project was en dat het bedrag ook marktconform was. De vorige externe accountant heeft nimmer een interne audit opgezet. Het opzetten en bemannen van de afdeling intelligence department was ook martkconform en noodzakelijk in verband met de National Risk Assessment. Klager is aandeelhouder van Orion Advisory en dit is volgens de Bankwet niet verboden. De Centrale Bank van Suriname heeft vijf overeenkomsten gesloten met Orion Advisory, waarvan uit het verhoor van [naam 2] blijkt dat twee noodzakelijk waren en marktconform. Uit het verhoor van [naam 2] en [naam 3] blijkt dat er geen procedure regels waren bij de aankoop, verstrekking en registratie van wapens. Klager heeft geen enkel voordeel gehad uit de overeenkomsten behalve dan de uitkering van dividend en de betaling van huur;

  6. voor wat betreft het ten laste gelegde onder III A en IV is klager van mening dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan opzet en schuld money laundering. Alle betalingen zijn via de bank gegaan. Geen van de betalingen zijn afkomstig van enig misdrijf;

  7. voor wat betreft het ten laste gelegde onder V zij gezegd dat aan de klager verduistering wordt verweten zoals verwoord in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht. Klager is geen ambtenaar en is ook niet belast met enige openbare dienst en de Centrale Bank van Suriname is een rechtspersoon met eigen statuten. Klager was niet bereid om ongedekt geld te verstrekken en zijn overheidspanden als koop aangeboden, maar nog niet geleverd. Die handelingen hebben plaatsgevonden in het kader van het project Prodigy I, waarvan de vervolgingsambtenaar beweert dat die projecten niet noodzakelijk waren;

  8. het tenlaste gelegde onder VI van de dagvaarding verwijt aan klager valsheid in geschrifte. Uit de verfeitelijking blijkt dat het betreft cijfers die gepresenteerd worden aan De Nationale Assemblee. Het is niet gebleken dat de minister van Financiën, die cijfers heeft gepresenteerd, weshalve het gebruiken als echt en onvervalst niet is komen vast te staan;

  9. het tenlaste gelegde onder VII A en B van de dagvaarding verwijt aan klager valsheid in geschrifte met name dat boeken van de Centrale Bank van Suriname zouden zijn vervalst. Uit het verhoor van [naam 4] blijkt dat [naam 5] hem heeft gevraagd om een leenovereenkomst te anti dateren. De leenovereenkomst is valide en wordt uitbetaald. Van het gebruiken als echt en onvervalst is dan ook geen sprake;

  10. dat de enkele omstandigheid dat genoemde [naam 6] de sparringspartner was van klager, niet met zich meebrengt dat kan worden aangenomen dat klager tezamen en in vereniging met die [naam 6] de aan hem verweten feiten heeft gepleegd, bovendien was die [naam 6] niet in dienst van de Centrale Bank van Suriname;

Overwegende, dat de Officier van Justitie op de gronden heeft gereageerd en heeft gevorderd het gedane verzoek af te wijzen op gronden als in het proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de kantonrechter allereerst de aangevoerde gronden in relatie wil brengen met de bedoeling van de regeling neergelegd in artikel 243 Sv, zoals door de Officier van Justitie in haar antwoord op het bezwaarschrift naar voren gebracht, namelijk een regeling die beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte;

Overwegende, dat de klager aan de kantonrechter gronden heeft voorgehouden welke gronden in verband gebracht zullen worden met de toets, die in deze procedure dient plaats te vinden. Deze procedure beoogt een waarborg te bieden tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor de verdachte. De vraag die voorligt is of het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.

Overwegende, dat de kantonrechter in overeenstemming met de aard van de procedure een summiere toets zal doen, waarbij niet vooruit gelopen dient te worden op de behandeling ter terechtzitting;

1e Grond: betreffende het gelijkheidsbeginsel

De kantonrechter is, thans overgaand tot bespreking van de eerste grond, met de vervolging van oordeel dat het niet vervolgen van de minister van Financiën de heer G. Hoefdraad, geen strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel oplevert, immers heeft de vervolgingsambtenaar in haar betoog aangegeven dat de persoon van de minister van Financiën de heer G. Hoefdraad, wel als verdachte wordt aangemerkt en zij heeft conform de wet bij de Nationale Assemblee een vordering ingesteld tegen de vervolging van die Hoefdraad. Echter heeft De Nationale Assemblee die vordering afgewezen en treft het Openbaar Ministerie geen verwijt dat zij haar plichten heeft verzaakt. De kantonrechter is van oordeel dat, gezien het bovenaangehaalde van een schending van het gelijkheidsbeginsel in casu geen sprake is;

2e Grond: de vraag of de governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is

Hiervoor wordt verwezen naar de artikelen 1 e. 1 g en 1 f van de Anti – Corruptiewet. Uit deze artikelen blijkt dat:

  • onder een staatsinstelling ondermeer wordt begrepen een al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie, instelling, orgaan of bedrijf waarin door of vanwege de overheid in een bepaalde mate invloed kan worden uitgeoefend op de bedrijfsvoering of de leiding daarvan, doordat de overheid (mede) aandeelhouder is, danwel door het verlenen van financiële, materiële, personele of technische ondersteuning.

  • Een publieke functionaris iedere persoon, authoriteit of orgaan is die belast is met een publieke functie;

  • Onder publieke functie wordt begrepen een persoon die te werk is gesteld bij een staatsinstelling.

Op grond van het bovenstaande concludeert de kantonrechter dat de governor van de Centrale Bank van Suriname een publieke functionaris is.

3e Grond: klager heeft geen onrechtmatig voordeel genoten uit de overeenkomsten en is daarom niet strafbaar

De kantonrechter verwijst naar de memorie van toelichting van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 85 op pagina 46 waarin is vermeld: strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Hieruit blijkt dat de voorwaarde voor strafbaarheid dus verder gaat dan slechts het verkrijgen van onrechtmatig voordeel ten behoeve van zichzelf. De kantonrechter vestigt er voorts de aandacht op dat in het transactieschema in het strafdossier met betrekking tot de internationale overmakingen, er wel ernstige bezwaren zijn ten aanzien van het genieten van onrechtmatig voordeel. Op grond van het vooroverwogene faalt ook dit verweer van de raadslieden.

4e Grond: de dagvaarding is nietig omdat het niet voldoet aan het vereiste zoals genoemd in artikel 242 van het Wetboek van Strafvordering

Anders dan de raadslieden beweren, is de feitelijke omschrijving van het misdrijf onder II van de tenlastelegging voldoende duidelijk en feitelijk omschreven en wordt klager in staat te zijn geacht te hebben begrepen waarvan hij wordt beschuldigd. De toevoeging ten overvloede van het woord en/of en de verfeitelijking daarna brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel.

5e Grond: het niet transparant zijn bij het aangaan van overeenkomsten is niet strafbaar volgens de Anti – Corruptiewet

De vraag die hier aan de orde is, is of en in hoeverre de handelingen van klager in zijn functie van governer van de Centrale Bank van Suriname en tevens aandeelhouder en eigenaar van het gebouw van Orion Assurance and Advisory NV en/of Orion Capital Investment NV, een belangenverstrengeling met zich hebben teweeggebracht zoals vermeld in artikel 13 lid 2 van de Anti – Corruptiewet. De verklaringen van [naam 12] de dato 25 maart 2020, de getuige [naam 2] op 2 april 2020 en de getuige [naam 3] op 11 maart 2020 in onderlinge samenhang beschouwd, bieden in ieder geval voldoende handvaten om de ernstige bezwaren ten aanzien van de belangenverstrengeling zoals vermeld in artikel 13 lid 2 van de Anti – Corruptiewet aan te nemen. Met conclusie dat het verweer van de raadslieden wordt verworpen.

6e tot en met 10e Grond: de onschuld van klager. Klager heeft de aan hem verweten strafbare feiten niet alleen en ook niet tezamen en in vereniging gepleegd met [naam 6] en/of G. Hoefdraad en/of [naam 7]

De kantonrechter dient naar aanleiding van het bezwaar te toetsen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter, later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan klager ten laste gelegde feiten zal komen;

De kantonrechter is, na bestudering van het dossier van oordeel dat een aantal verklaringen van getuigen, welke verklaringen zijn afgelegd bij de politie en tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, met name de verklaringen van de getuigen:

  1. Hoefdraad, Gillmore Andre

  2. [naam 8]

  3. [naam 12]

  4. [naam 2]

  5. [naam 3]

  6. [naam 9]

  7. [naam 10]

  8. [naam 11]

in onderling verband en samenhang beschouwd, ernstige bezwaren opleveren ten aanzien van de klager van de aan hem verweten feiten.

De kantonrechter komt op grond van het hiervoor aangehaalde niet tot de slotsom dat de dagvaarding lichtvaardig is en ook niet tot de slotsom dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter later oordelend tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring zal komen;

Overwegende, dat de kantonrechter derhalve geen termen aanwezig acht, die de buitenvervolgingstelling van de klager zouden rechtvaardigen;

Overwegende, dat de kantonrechter op grond van het bovenstaande van oordeel is dat het gevorderde niet kan worden toegewezen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

B E S C H I K K E N D E :

  • Wijst af het gevorderde;

  • Verwijst klager naar een nader door kantonrechter te bepalen terechtzitting, terzake van de hem in de dagvaarding ten laste gelegde feiten, namelijk:

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met oktober 2019, althans in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

hij, verdachte tezamen en in vereniging met [naam 6] en/of [naam 7] en/of HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, althans alleen, als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85, verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn bedongen, waarbij door hem in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en/of ten behoeve van (een) ander(en) te weten [naam 6] en/of [naam 7] en/of HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, althans één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen en/of ten behoeve van de rechtspersonen CLAIRFIELD BENELUX NV en/of ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ten behoeve van het ministerie van Financiën enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen,

hebbende immers hij verdachte tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, de volgende handelingen verricht en/of de besluiten genomen om ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, één of meer overeenkomsten aan te gaan te weten:

met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of voornoemde [naam 7]:

  • de overeenkomst Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM royalty Structure getekend op 13 september 2019, voor een non-refundable vergoeding van € 620.000, – (zeshonderd en twintigduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening € 300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

  • de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

  • de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

  • de overeenkomst Project Prodigy 3 “Implementation of reforms and optimizations at the Central Bank of Suriname” getekend op 5 augustus 2019 voor een indicatief budget van €.360.000, – (driehonderd en zestigduizend Euro’s), waarvan op 2 oktober 2019 €.300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of

  • de overeenkomst Project Prodigy 5 “Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring, getekend op 19 december 2019, voor een nog te bepalen totaal eindbedrag in Euro’s, waarvan bij ondertekening € 196.000 als voorschot is betaald zulks,

terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van de overeenkomsten betreffende project Lagarde1en/of project Prodigy en/of project Prodigy 2 en/of project Prodigy 5 met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of geen noodzakelijke en/of gegronde reden aanwezig was de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en/of,

hebbende hij, verdachte vóór het aangaan van voormelde overeenkomsten geen (openbare) aanbesteding gehouden en/of daarbij nimmer advies ingewonnen en/of enige vergelijking gemaakt met soortgelijke (eerder gesloten) contracten van de Centrale Bank van Suriname en/of nagelaten die overeenkomsten ter inzage en/of voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en/of een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht genomen en/of

hebbende hij, verdachte opzettelijk voormelde overeenkomsten gesloten zonder het vooraf in kennis stellen van de raad van commissarissen van de Centrale Bank van Suriname en/of zonder enige toestemming of goedkeuring van voormelde raad van commissarissen en/of daarbij oneigenlijke/onredelijk grote bedragen bedongen en/of zeer ongebruikelijk en/of afwijkend in één of meer van vermelde overeenkomsten non-refundable cash fees (contante betalingen waarbij geen terugbetaling/terugvordering mogelijk is) en/of voorafbetalingen van 50% of meer overeengekomen ten behoeve van, voornoemde rechtspersoon CLAIRFIELD BENELUX NV en/of [naam 7] zonder redelijke tegenprestatie, althans nadelige clausules en/of contractvoorwaarden bedongen en/of

hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging met [naam 7], althans alleen een of meer besluiten genomen en/of (vervolgens) ten aanzien van twee van de overeenkomsten (te weten project Prodigy en/of project Prodigy 2 ) met CLAIRFIELD BENELUX NV onnodig één of meer onverplichte betalingen verricht, zoals het betalen van reiskosten naar België en/of verblijfkosten aldaar tot een totaalbedrag van SRD 147.461,03,- (honderd zevenenveertigduizend en vierhonderdeenenzestig Surinaamse Dollars en 3 centen) en/of kosten voor verrichtte arbeid (advies op basis van uurtarieven) tot een totaal van SRD 153.000,- (honderddrieënvijftig duizend Surinaamse Dollars) althans een of meer bedragen, ten behoeve van een of meer medewerkers en/of personen verbonden aan ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV, terwijl hij, verdachte en/of die [naam 6] wisten dat voor die overeenkomsten die betalingen niet waren vereist en/of

hebbende hij, verdachte aldus in strijd gehandeld met het verbod vastgelegd in het derde lid van artikel 16 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, door als president van de Centrale Bank van Suriname ten behoeve van die Centrale Bank de overeenkomsten project Lagarde 1 en/of project Prodigy en/of project Prodigy 2 en/of project Prodigy 5 aan te gaan met die CLAIRFIELD BENELUX NV welke overeenkomsten voornamelijk in het belang van de Staat Suriname waren-, te financieren met gelden althans middelen van de Centrale Bank van Suriname, in ieder geval daarvoor gelden beschikbaar heeft gesteld en/of

hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging, althans in nauw en gemeen overleg met HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën besluiten genomen tot het verschaffen/verstrekken van gelden toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, als voorschot in ieder geval als blanco krediet ten behoeve van het ministerie van Financiën, door tussenkomst van voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van voormeld ministerie en/of

hebbende hij, verdachte daartoe tezamen en vereniging als voormeld althans alleen, als president van de Centrale Bank van Suriname van voornoemde minister van Financiën HOEFDRAAD GILLMORE 17, (zeventien), althans één of meer onroerende goederen aangekocht, terwijl die onroerende goederen niet noodzakelijk waren voor de bedrijfsvoering van de Centrale Bank en/of waarvan 2 (twee) onroerende goederen, vooraf bezwaard waren middels hypotheken en/of daarvoor een blanco krediet of een voorschot ter waarde van totaal SRD 869.055.000, – (achthonderd en negenzestig miljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollars) aan de minister van Financiën verstrekt, zonder dat voormelde 17 (zeventien) panden zijn overgedragen aan de Centrale Bank van Suriname en/of zonder dat de Centrale Bank van Suriname daarbij een redelijk belang had en/of

hebbende hij, verdachte tezamen en vereniging als voormeld althans alleen, na het sluiten van de overeenkomst gedateerd 01 november 2019 tussen hem verdachte als president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde minister van Financiën HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE – welke overeenkomst als gevolg van verkregen informatie uit het “project Lagarde I”, is aangegaan in ieder geval in welke overeenkomst verkregen informatie uit de overeenkomst “project Lagarde I” is gebruikt – één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot Srd 2.073.205.996, 67, – (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), althans enig geld als voorschot, in ieder geval als blanco krediet verstrekt aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, en/of

hebbende hij verdachte aldus tezamen en vereniging als voormeld althans alleen, bij de door hem genomen besluit(en) met name het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomsten ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met de bepaling in het eerste en het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in ieder geval in strijd gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en/of ten behoeve van een ander te weten de voornoemde rechtspersonen CLAIRFIELD BENELUX NV en/of ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of die [naam 6] en/of die [naam 7] en/of die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, ten behoeve van het ministerie van Financiën enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen te weten ten voordele van CLAIRFIELD BENELUX NV en/of [naam 7] een totaal bedrag € 2.471.000, – (tweemiljoen en vierhonderd en eenenzeventigduizend Euro’s), althans een ander totaalbedrag in Euro’s en/of ten voordele van ORION ASSURANCE AND ADVISORY en/of [naam 6] een totaal bedrag SRD 300.461,03,- (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen), althans een ander totaal bedrag in Surinaamse Dollars en/of ten voordele althans ten behoeve van het ministerie van Financiën en/of voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën een totaal bedrag SRD 2.942.260.996, 75, -(tweemiljard en negenhonderdtweeënveertig miljoen en tweehonderdzestigduizend en negenhonderdzesennegentig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen) althans een ander totaal bedrag in Surinaamse Dollars, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financieel nadeel heeft ondervonden en/of

zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus door het verrichten van vermelde handelingen en/of door het nemen van voormelde besluiten door hem, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk financieel benadeeld.

(artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85)

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met mei 2020, althans in het (de) ja(a)r(en) 2019 en/of 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

hij, verdachte tezamen en in vereniging met [naam 6], althans alleen, een of meer overeenkomsten heeft/hebben gesloten ten behoeve van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV en/of

waarbij voornoemde [naam 6] en/of hij, verdachte, als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85, bij het aangaan die overeenkomsten niet de vereiste maatregelen heeft/hebben genomen om belangenconflicten/belangenverstrengeling te voorkomen en/of een transparante procedure en gelijke behandeling van partijen te waarborgen,

hebbende, hij verdachte toen aldaar als de president van de Centrale Bank van Suriname en medeaandeelhouder van voornoemde rechtspersonen met die rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV en/of [naam 6] ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname een of meer overeenkomsten gesloten te weten:

  • een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van [naam 6] als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname getekend op 18 april 2019 voor een nog een bedrag USD.150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – (honderd achtentachtig duizend en negenhonderd en vier Surinaamse dollars) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van US $ 65.000, – (vijfenzestig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – (vierhonderd en negenduizend en driehonderd en een Surinaamse dollars en vijf en zeventig centen) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 72.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – (driehonderd en zeven en twintigduizend en zevenhonderd vierenvijftig Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiair accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 (twee duizend vijfhonderd Amerikaanse dollars) per maand, waarvan op 11 november 2019 voor de maanden oktober en november 2019 een tegenwaarde in Srd. 45.475, – (vijfenveertig duizend en vierhonderd en vijfenzeventig Surinaamse dollars) is betaald en/of

  • een overeenkomst betreffende het Instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 40.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 171.200, – (honderd en eenenzeventigduizend en tweehonderd Surinaamse dollars) als voorschot is betaald,

en aldus door de Centrale Bank van Suriname (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot Srd 1.142. 634, 75, – (één miljoen honderdtweeënveertigduizend en zeshonderd vierendertig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen), althans een ander totaal bedrag aan voormelde rechtspersonen betaald en/of

hebbende hij, verdachte vóór het aangaan van de overeenkomsten met voormelde rechtspersonen en/of [naam 6] – in welke rechtspersonen hij, verdachte tezamen met die [naam 6] als medeaandeelhouders is/zijn verbonden en direct of indirect financiële, economische en/of persoonlijke belangen had/hadden bij de procedure of uitkomst van voormelde overeenkomsten – geen (openbare)aanbesteding gehouden en/of daarbij nimmer advies ingewonnen en/of enige vergelijking gemaakt met soortgelijke(eerder gesloten) contracten en/of nagelaten die overeenkomsten ter inzage en/of voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en/of een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht genomen bij het aangaan van voormelde overeenkomsten en/of

hebbende hij, verdachte aldus niet de vereiste maatregelen genomen teneinde belangenconflicten/belangenverstrengeling tijdens de procedure te voorkomen en/of een transparante procedure en/of een gelijke behandeling van partijen gewaarborgd en/of bij de procedure of de uitkomst van die overeenkomsten, in strijd gehandeld met zijn geboden onpartijdigheid of onafhankelijkheid als president van de Centrale Bank van Suriname.

(artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85)

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf mei 2019 tot en met december 2019, althans in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

  1. hij, verdachte tezamen en in vereniging met [naam 6] (zijnde de managing partner van de rechtspersonen te weten ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV) en/of [naam 7] (zijnde de managing partner van CLAIRFIELD BENELUX NV), en/of met de rechtspersoon LIMEBRIDGE VZW waarin hij verdachte samen met voornoemde [naam 6] en/of [naam 7] als aandeelhouders en/of partners zijn verbonden althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen in Euro’s en/of Amerikaanse dollars te weten:

  • op 28 mei 2019 een bedrag groot EURO 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s) en/of

  • op 05 juli 2019 een bedrag groot USD 30.059, – (dertigduizend en negenenvijftig Amerikaanse Dollard) en/of

  • op 15 oktober 2019 een bedrag groot EURO 48.000, – (achtenveertigduizend Euro’s) en/of

  • op verschillende data in de maand december 2019, althans op 10 december 2019 enkele geldbedragen groot € 90.900,- (negentigduizend en negenhonderd EURO’S) en/of € 9.100,- (negenduizend en honderd EURO’S) (als aanbetaling/voorschot voor een voertuig te weten een RANGE ROVER betaald) en/of welk voertuig in de maand december 2019 is ontvangen,

althans één of meer (andere) geldbedragen in elk geval enig(e) voorwerp(en) te weten voormelde RANGE ROVER, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) wist(wisten) dat vermeld(e) voorwerp(en)- middellijk of onmiddellijk- afkomstig was (waren) uit enig misdrijf;

(art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64)

althans indien en voor zover het onder III A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

  1. hij verdachte, tezamen en in vereniging met [naam 6] (zijnde de managing partner van de rechtspersonen te weten ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV) en/of [naam 7] (zijnde de managing partner van CLAIRFIELD BENELUX NV) en/of met de rechtspersoon LIMEBRIDGE VZW waarin hij verdachte samen met voornoemde [naam 6] en/of [naam 7] als aandeelhouders c.q. partners zijn verbonden althans alleen, een of meer geldbedragen in Euro’s en/of Amerikaanse dollars te weten:

  • op 28 mei 2019 een bedrag groot € 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s) en/of

  • op 05 juli 2019 een bedrag groot USD 30.059, – (dertigduizend en negenenvijftig Amerikaanse Dollard) en/of

  • op 15 oktober 2019 een bedrag groot € 48.000, – (achtenveertigduizend Euro’s) en/of

  • op verschillende momenten in de maand december 2019, althans op 10 december 2019 enkele geldbedragen groot € 90.900, – (negentigduizend en negenhonderd EURO’S) en/of € 9.100, – (negenduizend en honderd EURO’S) (als aanbetaling/voorschot voor een voertuig te weten een RANGE ROVER betaald) en/of welk voertuig in de maand december 2019 is ontvangen,

althans één of meer (andere) geldbedragen in elk geval enig(e) voorwerp(en) te weten voormelde RANGE ROVER, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) redelijkerwijze moest(moesten) vermoeden dat vermeld(e) voorwerp(en)- middellijk of onmiddellijk- afkomstig was (waren) uit enig misdrijf

(art. 3b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64)

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de maanden juni 2019 tot en met september 2019, althans in het jaar 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst, (telkens) tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE, zijnde alstoen de minister van Financiën althans een politieke ambtsdrager en/of een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, althans alleen (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000,- (honderd en vijfmiljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans enig geld of geldswaardig papier, dat hij verdachte in zijn bediening als de president van de Centrale Bank van Suriname onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat het door een ander(en) te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE en/of die tot nog toe onbekend gebleven personen weggenomen of werd verduisterd,

immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot €105.000.000, – (honderd en vijfmiljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was/waren ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no 173, aan zijn bestemming onttrokken en/of

hebbende hij, verdachte als president van de Centrale Bank van Suriname, na gemeen overleg en/of afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde HOEFDRAAD GILLMORE als minister van financiën, zeventien panden, althans een of meer onroerende goederen aangekocht, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en/of

hebbende hij, verdachte (vervolgens) de autorisatie verleend, althans de opdracht gegeven om voormeld geldbedrag te (doen) verstrekken aan het ministerie van Financiën als betaling voor de aankoop van die onroerende goederen en aldus voormeld geldbedrag wederrechtelijk en/of oneigenlijk heeft/heƅƅen aangewend althans heeft/heƅƅen onttrokken aan hun bestemming;

(artikel 423 Sr)

althans, indien en voor zover het onder IVA gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. hij, verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE en/of een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, althans alleen althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000, – (honderd en vijfmiljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), in elk geval enig geld of goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de Centrale Bank van Suriname, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) gelden/goed(eren) hij verdachte uit hoofde van zijn, verdachte ’s persoonlijke dienstbetrekking als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend althans een andere bestemming gegeven,

hebbende hij verdachte toen aldaar als de president van de Centrale Bank van Suriname na gemeenoverleg en/of afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE als minister van financiën zeventien panden, althans een of meer onroerende goederen aangeschaft, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en/of hebbende hij, verdachte (vervolgens) de autorisatie verleend, althans de opdracht gegeven om voormeld geldbedrag te (doen) verstrekken aan het ministerie van Financiën als betaling voor de aankoop van die onroerende goederen en aldus voormeld geldbedrag wederrechtelijk en/of oneigenlijk heeft/heƅƅen aangewend althans heeft/heƅƅen onttrokken aan hun bestemming, althans een andere bestemming gegeven.

(artikel 382 Sr)

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf 07 november 2019 tot en met 09 januari 2020, althans in het (de) ja(a)r(en) 2019 en/of 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

  1. hij, verdachte als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst (telkens)tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE, zijnde alstoen de minister van Financiën, althans een politieke ambtsdrager en/of een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, althans alleen (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot Srd 2.073.205.996, 67,- (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), althans enig geld of geldswaardig papier, dat hij verdachte in zijn bediening als de president van de Centrale Bank van Suriname onder zich had, heeft verduisterd en/of heeft toegelaten dat het door een ander(en) te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE, als minister van Financiën en/of die tot nog toe onbekend gebleven personen weggenomen of verduisterd werd,

immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot Srd 2.073.205.996, 67, – (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was/waren ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no 173, aan zijn bestemming onttrokken, door (telkens) oneigenlijk en in strijd met artikel 18 lid 1 van de geldende tekst de Bankwet 1956 SB 2010 no 173, op grond van de overeenkomst gedateerd 01 november 2019, betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname, een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van voormelde Srd 2.073.205.996, 67, – (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), in de vorm van (blanco) voorschotten te verstrekken aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE, als minister van Financiën zonder enig deugdelijk grondslag en aldus voormeld geldsƅedrag wederrechtelijk en/of oneigenlijk heeft/heƅƅen aangewend althans heeft/heƅƅen onttrokken aan hun bestemming;

(artikel 423 Sr)

althans, indien en voor zover het onder VA gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. hij, verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE zijnde de minister van Financiën en/of een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot Srd 2.073.205.996, 67, – (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), in elk geval enig geld of goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de Centrale Bank van Suriname, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) gelden/goed(eren) hij, verdachte uit hoofde van zijn, verdachte ’s persoonlijke dienstbetrekking als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend en/of een andere bestemming heeft/hebben gegeven door (telkens) een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van voormelde Srd 2.073.205.996, 67, -, wederrechtelijk en/of oneigenlijk, althans in strijd met artikel 18 lid 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in de vorm van (blanco) voorschotten te verstrekken aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE als minister van Financiën zonder enig deugdelijk grondslag.

(artikel 382 Sr)

  1. op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de periode vanaf juli 2019 tot en met september 2019, althans in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

een document inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende valuta-interventies van enkele maanden te weten vanaf maart 2019 tot en met juli 2019 zijnde een geschrift, waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, althans valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen,

immers heeft hij verdachte toen aldaar aan [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 8], althans aan een of meer directieleden en/of medewerkers van de Centrale Bank van Suriname de opdracht gegeven en/of hun opzettelijk geïnstrueerd valselijk althans in strijd met de werkelijkheid, in vermeld document inhoudende die statistieken of tabellen van totaal bedragen aan valuta-interventies over de maanden maart tot en met juli van het jaar 2019, andere totaal bedragen van die valuta interventies te doen noteren in ieder geval doen opnemen te weten:

  • voor de maand maart 2019, € 5.355.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 2.355.000, – en/of

  • voor de maand april 2019 € 4.735.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 3.735.000, – en/of

  • voor de maand mei 2019 € 5.250.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 1.250.000, – en/of

  • voor de maand juni 2019 € 4.617.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 3.000.000, – en/of

  • voor de maand juli 2019 € 6.300.300, – in stede van het werkelijk bedrag van € 15.917.300, –

zulks met het oogmerk om dat document inhoudende statistieken over cijfers met betrekking tot valuta interventies door de minister van Financiën in De Nationale Assemblee te doen gebruiken, althans te doen presenteren als zijnde de juiste weergave van de werkelijke valuta interventie bedragen;

(artikel 278 Sr juncto artikel 72 Sr (doen plegen)

  1. op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand januari 2020 en/of op of omstreeks 13 januari 2020, althans in het jaar 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

  1. hij, verdachte als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst opzettelijk een leenovereenkomst en/of (een)boek(en) en/of (een) register(s) van de afdeling Huisvestingfonds bij de Centrale Bank van Suriname, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie binnen het Huisvestingfonds van de Centrale Bank van Suriname, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, althans valselijk heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen immers heeft hij, verdachte aan de persoon van [naam 4], althans een medewerker van de Centrale Bank van Suriname de opdracht gegeven en/of geïnstrueerd om opzettelijk valselijk:

  • in een leenovereenkomst, voor de aankoop van een voertuig van het merk RANGE ROVER, welke als controlestuk ten behoeve van een register en/of boek van de afdeling Huisvestingfonds bij de Centrale Bank zou dienen, een valse datum te weten, 19 augustus 2019 instede van 13 januari 2020 te vermelden, in ieder geval doen opnemen en het alzo doen voorkomen dat vermelde leenovereenkomst tijdig althans vooraf aan de levering van voormeld voertuig was opgemaakt,

zulks met het oogmerk om die leenovereenkomst, althans dat/die boek(en) of register(s) die bestemd zijn tot controle van de administratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(Art. 424 Sr juncto artikel 72 Sr (doen plegen)

althans, indien en voor zover het onder VII A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

  1. hij verdachte opzettelijk een leenovereenkomst, zijnde een schuldbrief en/of een certificaat van schuld van de Centrale Bank van Suriname, zijnde een staat en/of openbare instelling heeft vervalst en/of doen vervalsen, althans valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk doen opmaken,

immers heeft hij verdachte aan de persoon van [naam 4], althans een medewerker van de Centrale Bank van Suriname de opdracht gegeven en/of hem geïnstrueerd om

  • opzettelijk valselijk, in een leenovereenkomst voor de aankoop van een voertuig van het merk RANGE ROVER, welke als controlestuk ten behoeve van een register en/of boek van de afdeling Huisvestingfonds bij de Centrale Bank zou dienen, een fictieve datum te weten 19 augustus 2019, instede van 13 januari 2020 te vermelden, in ieder geval doen opnemen en het alzo doen voorkomen dat vermelde leenovereenkomst tijdig althans vooraf aan de levering van voormeld voertuig was opgemaakt,

zulks met het oogmerk om die leenovereenkomst, althans die schuldbrief als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen, te weten een of meer medewerkers van het Huisvestingfonds van de Centrale Bank van Suriname te doen gebruiken.

(artikel 279 Sr juncto artikel 72 Sr (doen plegen))

  • Beveelt de gevangenhouding van de klager.

Aldus gegeven te Paramaribo op maandag 8 juni 2020 in Raadkamer door de kantonrechter in het tweede kanton mr. M.V. Kuldip Singh, in bijzijn van de griffier mevrouw A.A. Kalloe LL.B.

De griffier, De kantonrechter,

A.A. KALLOE LL.B. mr. M.V. KULDIP SINGH