SRU-K2-2019-5

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-04995
Vonnisnummer : 2019/836
Datum uitspraak : 4 december 2019
Verstek
Raadslieden : mr. I. Kanhai en mr. M. Dubois

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar

tegen:

[verdachte],
geboren op [datum] te [district 1],
van beroep: Ingenieur,
wonende aan [adres] in het [district 2],
niet verschenen.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 januari 2017, 24 april 2017, 5 mei 2017, 16 mei 2017, 26 juli 2017, 11 oktober 2017, 8 november 2017, 5 december 2017, 10 januari 2018, 20 februari 2018, 15 maart 2018, 25 april 2018, 22 mei 2018, 13 juni 2018, 8 augustus 2018, 24 oktober 2018, 1 november 2018, 12 december 2018, 24 januari 2019, 15 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019, 17 mei 2019, 14 juni 2019, 17 juli 2019, 16 oktober 2019, 23 oktober 2019, 6 november 2019 en 20 november 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder A te veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden onvoorwaardelijk onder aftrek.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) dat de verdachte in 2013 reeds met ontslag was waardoor de periode in de ten laste legging niet van toepassing kan zijn op de verdachte;
b) dat de handelingen die geschetst worden in de ten laste legging wijzen op wanprestatie van een leverancier en niet op strafwaardige handelingen;
c) dat de directie in die periode onder druk van vele stroomonderbrekingen moest werken en dat slechts getracht werd aan die problemen op een spoedige termijn een oplossing te brengen; ondanks die omstandigheden heeft de accountant een oordeel gegeven dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het geconsolideerde vermogen;
d) uit de rechtspraak en de literatuur, met name het Overzichtsarrest, blijkt de toets die aan de orde is bij oplichting namelijk dat onder listige kunstgrepen moet worden verstaan bedriegelijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden: voor samenweefsels van verdichtselen moet er sprake zijn van een zodanig verband tussen verschillende leugens dat zij elkaar wederkerige en bedriegelijke schijn van waarheid geven; uit de verhoren is komen vast te staan dat van het voorgaande geen sprake was;
e) uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot betaling na daartoe toestemming te hebben verkregen; de betaling is via de bank verlopen en aan wie is betaald is bekend; om die reden is van verduistering ook geen sprake geweest.

2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

4. Vrijspraak
De kantonrechter is, anders dan de vervolging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard, dat de verdachte het onder A, (de oplichting van de EBS en de Staat) of B, (de verduistering van gelden) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

5. Bespreking van de bewijsmiddelen en de verweren
De kantonrechter overweegt hieromtrent het hierna volgende:

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

De feiten die de verdachte concreet worden verweten luiden alsvolgt:

  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk afgesproken dat nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken;
  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk op 2 oktober 2012 aan Greenland aangegeven dat zijn aanbieding is geselecteerd terwijl de evaluatie van de aanbesteding pas op 2 november 2012 plaatsvond,
  • Verdachte heeft Greenland op 8 november 2012 een prijsofferte laten aanbieden waarin tevens een mobiele noodstroom installatie is opgenomen en is aangegeven dat de levering binnen 60 tot 90 dagen zou plaatsvinden,
  • Verdachte heeft in strijd met de procedures de afdeling procurement en project engineering niet betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project,
  • Verdachte heeft, ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS en het feit dat Greenland niet wilde voorfinancieren, toch op 12 november 2012 een ongunstig leveringscontract met Greenland gesloten waarbij het contract niet is geregistreerd in het contractenregister, en waarbij vooraf noch de Raad van Commissarissen goedkeuring heeft gegeven noch de bedrijfsjurist geconsulteerd is;
  • Verdachte heeft, ondanks het feit dat de volledige levering uitbleef toch een tweede contract gesloten met nadelige betalingsvoorwaarden;
  • Verdachte heeft, na het verstrijken van de leveringstermijn conform het eerste en tweede contract toch valselijk en bedriegelijk te kennen gegeven dat er meerwerk en aanpassingen zijn verricht waarvoor betaald moet worden terwijl de afdeling project engineering die bestelling niet had geplaatst en daarvan niet op de hoogte was;
  • Verdachte heeft valselijk en bedrieglijk aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald,
  • Verdachte heeft op deze wijze de EBS en de Staat bewogen om de bedragen van USD.8.881.250,= en EUR.100.000,= af te geven;
  • zijnde de bovenstaande handelingen samen het samenweefsel van verdichtselen en de listige kunstgrepen middels welke de EBS en de Staat bewogen zijn tot afgifte en subsidiair
  • de hiervoor bedoelde bedragen verduisterd.

De vervolging heeft voor het bewijs de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen genoemd waaronder de getuigenverklaringen van de [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6].

De verdachte heeft tijdens het gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – alsvolgt verklaard:
“Er was een procurement beleid om meerdere spelers binnen te krijgen bij de EBS. Greenland had al een relatie met de EBS, zij verrichtten al werkzaamheden voor de EBS. Greenland beschikte over de business skills en specifieke deskundigheid konden zij inkopen. Dit zelfde geldt voor Kersten en Olibis. Voor wat betreft de aankoopprocedure van de blackstart heb ik de instructie gegeven om mensen uit te nodigen om te bidden voor de blackstart. De verdere procedure is uit mijn zicht. Wanneer het proces is afgelopen komt de zaak afhankelijk van de procuratie weer bij mij of bij een andere directeur. Ik wil toevoegen dat ik expliciet de opdracht van de aandeelhouder heb gehad om meer spelers te betrekken. Eén van de eerste acties was een oproep in de krant om nieuwe leveranciers te registeren en bestaande te herregistreren. Zo is Greenland binnen gekomen. Greenland was niet de goedkoopste maar werd gekozen omdat er een selectie plaats vindt op basis van verschillende factoren, zoals prijs, kwaliteit en leveringssnelheid. De formele toestemming was nodig van de totale RvC. Echter had de president-commissaris het mandaat van de overige leden vanwege de crisis situatie die er toen heerste om beslissingen te nemen. Bij die vergadering waar dat mandaat is gegeven heb ik ook aangezeten. De crisis in 2012 hebben wij kunnen bedwingen en wel met de hakken over de sloot. Wij hadden in 2013 15 megawatt extra nodig om loadshedding te voorkomen. Toen heb ik de eerste unit laten bestellen. Ook toen was het resultaat niet bevredigend. Toen is de tweede mobiele unit besteld. Nickerie had ook stroom nodig dus zouden we de mobiele units naderhand daar naartoe verplaatsen. Er was geen aanbesteding gehouden omdat er sprake was van een noodsituatie. Als er brand ergens is moet je die blussen. Er is sprake geweest van een open onderhandeling met Greenland. Greenland was de enige die met de oplossing kwam van de levering van de mobiele units. Zij zijn zelf gekomen met het bod. Het is net als met intellectueel eigendom. Het zou niet juist zijn om dan met de aangedragen oplossing te gaan naar andere leveranciers.”

Tijdens het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting zijn de volgende verklaringen afgelegd die de verklaring van de verdachte ondersteunen:

De verklaring van de [getuige 7] bij de politie:
Ik heb de eindverantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekeningen van onze clienten…. wat de CLAD aangeeft is niet juist. Het is geen doorbreking van de bestendige gedragslijn. Het is dus geen stelselwijziging. … meerwerk is niet verwerkt in de jaarrekening van 2012 want toen was het eerste contract nog maar 2 weken oud en het tweede contract was nog niet getekend. De facturen van meerwerk afkomstig van Greenland waren van 2014. Wij hadden wel gezien dat er in 2013 of 2014 email verkeer was over meerwerk maar er was nog geen informatie over de hoogte en uitkomst van het meerwerk. ….. ik denk dat de directie van de EBS toen nog niet wist wat het bedrag aan meerwerk zou zijn. Het was best wel iets ingewikkelds. In de beginfase was de heer [verdachte] belast met het product. In 2014 is hij ontlast en toen kwamen anderen het project draaien. De heer [getuige 6] heeft wijzigingen aangebracht in het ontwerp. Ik denk dat door de veranderingen het niet duidelijk was hoeveel het bedrag aan meerwerk zou opleveren.

De verklaring van de [getuige 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Wij hebben de vraag geformuleerd bij welk bedrijf de goederen zijn aangeschaft. Het is gebleken dat de goederen zijn aangeschaft bij het bedrijf Greenland . Er zijn eerst offertes aangevraagd voor de levering bij Surmac, Olibis en Greenland . Het voorstel werd, na een beoordeling van de drie offertes, gedaan door de heer [getuige 5] om te kiezen voor Greenland omdat zij in staat zou zijn sneller te leveren. .. in beide gevallen is de goedkeuring van de RvC achteraf geschiedt…… voor wat betreft het bedrag van SRD.22.030.018,75 waarvan [naam 1] beweerd heeft dat dit bedrag niet is verantwoord moet ik u verklaren dat dit bedrag wel verantwoord is, maar deel uitmaakt van een groter geheel.
Op 20 september 2013 heeft de tweede betaling van beide leveringscontracten plaatsgevonden. Ondanks deze betaling werd niet geleverd omdat partijen het niet met elkaar eens waren over het te verrichten meerwerk door Greenland. EBS, de directeur [naam 2], heeft toen Greenland in gebreke gesteld.

De verklaring van de [getuige 2] op de zitting:
Ik kom terug op mijn eerder afgelegde verklaring bij de RC dat er sprake is van fraude. Ik verklaar hierbij dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude.

De verklaring van de [getuige 3] bij de politie:
Ik moet u verklaren dat daar zaken nu overlegd zijn ik u moet meedelen dat het om originele documenten gaat. Ook bij het tweede document heb ik mijn handtekening herkend. Doordat het een lange periode terug is geweest, kon ik mij niet heugen als ik nog een tweede gelijkende verklaring voor goedkeuring getekend had voor de aanschaf van desbetreffende installaties.

De verklaring van de [getuige 4 ] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Het kan zijn dat er vooraf mondelinge toestemming was verleend en dat dat enkele dagen later is bevestigd …. ik kan mij niet meer heugen dat de heer [getuige 3] mij op de hoogte had gesteld van deze twee leveringscontracten. Het zou kunnen maar ik kan mij absoluut niet herinneren…. het is mij niet bekend dat de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid, zonder voorafgaande toestemming van de Raad, heeft omzeild…..De EBS moet niet gezien worden als een normale NV. De EBS functioneert als een instrument van de overheid om essentieel diensten waaronder electrificatie aan de gemeenschap te leveren. De aandeelhouder heeft in dat kader een veel directere relatie met het management van het bedrijf. Normaliter zou die communicatie moeten gaan via de RvC. Als voorbeeld kan dienen dat de overheid op dit moment heel nauw bezig is met het management wat betreft de energie tarieven….. Vanwege de op handen zijnde verkiezingen had de overheid opdrachten gegeven aan de EBS om electrificatie projecten uit te voeren in het binnenland. Echter moet daarvoor geld zijn. Er zijn een paar geldschieters die normaliter worden aangeboord om die projecten te financieren. De EBS heeft namelijk geen geld en zit met heel veel schulden. Daarom kan de EBS ook niet simpelweg naar de bank toestappen.

De verklaring van de [getuige 6] bij de politie:
Ik zou het niet zo stellen. Het meerwerk is ontstaan nadat er onderhandeld is tussen onze engineers en Greenland over de technische aspecten. Ik denk dat bij deze onderhandelingen iets verkeerd is gegaan daar de engineers duidelijk aangegeven hadden wat zij wilden terwijl Greenland zulks verkeerd begrepen had. Voor wat betreft het meerwerk kan de directie deze voor niets anders gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Te uwer informatie heb ik het meerwerk ter beoordeling ontvangen van meneer [naam 2]. Deze had ik doorgeleid naar de engineers.

De verklaring van de [getuige 8] bij de politie:
Ik denk dat het bedrijf Superior Contracting bereid was gevonden door het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen om als financier op te treden voor de aankoop van goederen. Als ik mij niet vergis heeft het Ministerie van NH Superiour Contracting voorgesteld aan de EBS. In die tijd was het zo dat de overheid geen geld had voor de aankoop van goederen en diensten. Men zocht zodoende naar een financier. …. het is mij niet bekend in hoeverre de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid, zonder voorafgaande toestemming van de RvC te handelen, heeft omzeild. … in deze kwestie had de EBS geen geld om aankopen te doen rechtstreeks naar de leverancier toe. Men heeft toen een financier bereid gevonden om de aankopen te doen. Deze financier heeft dan ook meer kosten in rekening gebracht

De verklaring van de [getuige 9] bij de rechter-commissaris:
Overigens wil ik opmerken dat juist het electrisch gedeelte door de leverancier wel is opgeleverd terwijl het werktuigbouwkundig gedeelte niet is opgeleverd. Het electrisch gedeelte, is het gedeelte dat specifiek wordt gebouwd met informatie die wij geven. Het is dus custom made. Het werktuigbouwkundig gedeelte is juist standaard made, hetgeen betekent dat daarvoor geen specifieke informatie nodig was…… Ik ben een aantal keren naar de heer [verdachte] geweest om hem aan te geven dat zaken niet liepen. .. Tijdens de correspondentie met de leverancier kunnen er technische zaken besproken worden, waarbij zaken anders moeten worden gebouwd, dan aanvankelijk was gedacht. Danwel dat technisch iets niet was voorzien of duidelijk was waarvoor wel een oplossing noodzakelijk was. Dit alles hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot meerwerk.
………….Op verzoek van de technisch directeur heb ik samen met twee andere engineers gekeken naar het meerkwerkdocument en in principe hebben wij dat toen niet goedgekeurd, daar er wat onduidelijkheden waren en bepaalde bedragen ook te hoog waren. Hoe het toch is gekomen tot een commitment om te betalen voor het meerwerk, weet ik niet…
Met betrekking tot de blackstart was het een ander verhaal. De blackstart zou kaal worden opgeleverd. Om ermee te kunnen werken moest er nog randapparatuur worden aangeschaft, dat is gerapporteerd aan de heer [getuige 6]. Daar er geen geld was om dat binnenshuis te kopen kwam de instructie van de heer [getuige 6] om dit gedeelte van het materiaal dat gekocht moest worden te zetten op het project van Greenland. [getuige 6] werd door de afdeling engineering altijd geinformeerd waar wij mee bezig waren. ……in die periode was er ook een noodsituatie in het land. Of de nood zo hoog was dat in deze concrete kwestie gebruikelijke procedures niet zijn bewandeld is des oordeels van de directie.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de voorgaande verklaringen niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte bedriegelijk en valselijk heeft afgesproken dat er nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken.
Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valselijk en bedriegelijk nog voor de evaluatie heeft aangegeven dat Greenland is gekozen omdat uit de verklaringen blijkt dat het de [getuige 5] is geweest die de keus heeft gemaakt voor Greenland op grond van de levertijd en niet de verdachte.

De kantonrechter overweegt dat het feit dat Greenland een prijsofferte mocht aanbieden onder de hiervoor geschetste omstandigheden ook niet kan leiden tot het bewijs van enige bedriegelijke handeling van verdachte.

Ook is niet bewezen dat verdachte in strijd met de procedures de RvC, de afdeling procurement en project engineering en de juridische afdeling, niet heeft betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project.

Voorts is niet bewezen dat de verdachte strafwaardig heeft gehandeld door ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS de leveringscontracten aan te gaan.

Ook is niet bewezen dat de verdachte valselijk en bedrieglijk heeft aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald. Uit de verklaring van de getuige [getuige 6] blijkt dat het Greenland is geweest die aangaf dat voor het meerwerk betaald moet worden.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder A en B ten laste gelegde, de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6. De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder A en B van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, mr. K.S. Mahabier.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,

mr. K.S. Mahabier mr. A.C. Johanns

 

* Het Openbaar Ministerie heeft appèl aangetekend tegen dit vonnis

SRU-K2-2019-4

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-04994
Vonnisnummer : 2019/834
Datum uitspraak : 4 december 2019
Tegenspraak
Raadsman : mr. R.R. Lobo

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar

tegen:

[verdachte],
geboren op [datum] te [district],
van beroep: econoom,
wonende aan de [adres] te [district].

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 januari 2017, 24 april 2017, 5 mei 2017, 16 mei 2017, 26 juli 2017, 11 oktober 2017, 8 november 2017, 5 december 2017, 10 januari 2018, 20 februari 2018, 15 maart 2018, 25 april 2018, 22 mei 2018, 13 juni 2018, 8 augustus 2018, 24 oktober 2018, 1 november 2018, 12 december 2018, 24 januari 2019, 15 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019, 17 mei 2019, 14 juni 2019, 17 juli 2019, 16 oktober 2019, 23 oktober 2019, 6 november 2019 en 20 november 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder IA en II te veroordelen tot een gevangenisstraf van twee jaar waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, en een proeftijd van drie jaar.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de EBS of de Staat dan wel gelden heeft verduisterd of documenten heeft vervalst; de bewijsmiddelen die de vervolging in de loop van het onderzoek trachtte aan te wenden bleken steeds weer niet deugdelijk te zijn; dat gold onder andere voor de verklaring van de [getuige 1] van de CLAD, die op de zitting terugkwam op zijn eerdere verklaring dat er fraude zou zijn gepleegd; dat gold voor de verklaringen van de getuigen, zoals de [getuige 2], die verklaarde dat er wel toestemming was van de Raad van Commissarissen en dat het meerwerk was gecalculeerd samen met de technische afdeling van de EBS; voorts de [getuige 3] die verklaarde dat de voorzitter van de RVC toestemming had verleend voor de aanschaf van de goederen; voorts de [getuige 4] die verklaarde dat het Superior Contracting door het ministerie van NH was voorgesteld aan de EBS; ook de verklaringen van de [getuige 5] , [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8] en [getuige 9].
b) dat het Openbaar Ministerie primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het Openbaar Ministerie bij haar vervolging in strijd heeft gehandeld met het fair trail beginsel, het fair hearing beginsel en de beginselen van goede procesorde.
c) dat de verdachte subsidiair, moet worden vrijgesproken omdat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn.

2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De verdediging heeft zich erop beroepen dat de CLAD die het vooronderzoek in de zaak deed aan de verdachte geen ruimte bood om op een goede manier weerwoord te voeren. Ook hebben de accountants van de CLAD die het onderzoek deden belangrijke documenten achter gehouden en belangrijke instanties die aan de verdachte instructies hadden gegeven niet gehoord. Het onderzoek van de CLAD vond plaats in strijd met de waarborgen van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging heeft zich er voorts op beroepen dat de vervolging in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door andere functionarissen die ook betrokken waren bij de aankoop van de goederen en van de geldtransacties op de hoogte waren of opdracht hebben gegeven voor de geldtransacties, niet zijn vervolgd.

Het Openbaar Ministerie heeft op deze weren gereageerd waarbij werd aangevoerd dat de CLAD accountants wel voldoende ruimte aan de verdachte hebben gegeven om weerwoord te voeren. Voorts bleef de vervolging bij haar standpunt dat de verdachte als directielid verantwoordelijk was voor de financiën van het bedrijf en het belang van de EBS niet voorop heeft gesteld door de aandeelhouder te informeren over het gedrag van de leverancier.

De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier niet zodanige feiten en omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

4. Vrijspraak
De kantonrechter is, anders dan de vervolging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard, dat de verdachte het onder IA, (de oplichting van de EBS en de Staat), IB, (de verduistering van gelden) en II, (de vervalsing van purchase-orders) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

5. Bespreking van de bewijsmiddelen en de verweren
De kantonrechter overweegt hieromtrent het hierna volgende:

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

De feiten die de verdachte concreet worden verweten luiden alsvolgt:

  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk, want zonder valide argument, afgesproken dat nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken;
  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk op 2 oktober 2012 aan Greenland aangegeven dat zijn aanbieding is geselecteerd terwijl de evaluatie van de aanbesteding pas op 2 november 2012 plaatsvond,
  • Verdachte heeft Greenland op 8 november 2012 een prijsofferte laten aanbieden waarin tevens een mobiele noodstroom installatie is opgenomen en is aangegeven dat de levering binnen 60 tot 90 dagen zou plaatsvinden,
  • Verdachte heeft in strijd met de procedures de afdeling Procurement en Project Engineering niet betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project,
  • Verdachte heeft, ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS en het feit dat Greenland niet wilde voorfinancieren, toch op 12 november 2012 een ongunstig leveringscontract met Greenland gesloten waarbij het contract niet is geregistreerd in het contractenregister, en waarbij vooraf noch de Raad van Commissarissen goedkeuring heeft gegeven noch de bedrijfsjurist geconsulteerd is;
  • Verdachte heeft, ondanks het feit dat de volledige levering uitbleef toch een tweede contract gesloten met nadelige betalingsvoorwaarden;
  • Verdachte heeft, na het verstrijken van de leveringstermijn conform het eerste en tweede contract toch valselijk en bedriegelijk te kennen gegeven dat er meerwerk en aanpassingen zijn verricht waarvoor betaald moet worden terwijl de afdeling Project Engineering die bestelling niet had geplaatst en daarvan niet op de hoogte was;
  • Verdachte heeft valselijk en bedrieglijk aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald,
  • Verdachte heeft op deze wijze de EBS en de Staat bewogen om de bedragen van USD.8.881.250,= en EUR.100.000,= af te geven;
  • zijnde de bovenstaande handelingen samen het samenweefsel van verdichtselen en de listige kunstgrepen middels welke de EBS en de Staat bewogen zijn tot afgifte,
  • subsidiair de hiervoor bedoelde bedragen verduisterd en voorts
  • samen met anderen purchase orders valselijk voorzien van een ordernummer, een orderstatus, een handtekening, en daarmee doen voorkomen alsof de orders van te voren, voor de levering van de goederen waren opgemaakt teneinde de chronologie van het bestellen, het ontvangen en opslaan kloppend te maken terwijl hij wist dat het in strijd met de waarheid was.

De vervolging heeft voor het bewijs de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen genoemd waaronder de getuigenverklaringen van de [getuige 6], [getuige 1], [getuige 7], [getuige 2], [getuige 8] en [getuige 9].

De verdachte heeft op de terechtzitting ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – alsvolgt verklaard:
“Er was een tekort aan stroom. Er werd afgesproken dat er nieuwe leveranciers zouden worden toevoegd. EBS kreeg een grotere schuld omdat de Staat de samenleving onder de kostprijs subsidieerde. Dat werd bij de EBS als een schuld geboekt. Ik had niet het oogmerk om mezelf of de leverancier te bevoordelen. Om uit de schulden te geraken konden wij via het Ministerie van Financiën door IDB gefinancierd worden, maar er waren eisen aan verbonden. Toen ontstond het idee om noodstroom te leveren. Op 29 of 30 september wordt Greenland uitgenodigd om te praten over de tekorten en de blackouts waarmee wij te maken hadden. Wij waren aan het pre format brainstormen. Greenland legde een oplossing van noodstroom op tafel. Wij hebben met de toenmalige president-commissaris die elke dag aanwezig was, hierover gesproken. Hij heeft gezegd dat dit moest worden uitgewerkt. De blackstart was een motor die de machines in de centrale kan boosteren wanneer de machines uitvallen. De noodstroominstallaties zijn iets anders, zij konden worden ingezet in bepaalde gebieden waar er nog geen energie was. Er zouden twee gekocht worden. De President van het land had dat ook in de jaarrede genoemd.
Wij hebben uit enthousiasme dit besproken met de RvC, de bal is gaan rollen en uiteindelijk kwamen de offerten en daarna de contracten. Er was absoluut geen sprake van misleiding en listen. Dit was vanuit het bedrijf, vanuit de strategie om het probleem van de stroomvoorziening op te lossen. In september was er al een idee over wie wat vroeg voor de blackstart en in oktober zou het gemeld zijn aan Greenland dat het bedrijf is gekozen op aanbeveling van [getuige 8]. In november werd gesproken over de noodstroomaggregaten.
Op een gegeven moment is de blackstart besteld. Die moest binnen 2 maanden geleverd worden. De eerste noodstroominstallatie is iets na de blackstart besteld. De levertijd van de noodstroomaggregaten was een paar maanden. Op directie niveau moesten wij schuiven met prioriteiten omdat noodstroom de hoogste prioriteit heeft. Er werd met de RvC en de aandeelhouder gesondeerd. Wij kregen de toezegging van de Staat dat zij voor de tweede noodstroominstallatie zouden inkomen. Het meerwerk speelde vanaf maart 2013. Wij hadden duidelijk afspraken gemaakt wat de scope van Greenland was en wat wij zelf intern zouden doen, omdat wij een engineering afdeling hebben. Er is meerwerk opgebracht. Je werkt met een design en terwijl je daarmee bezig bent ontstaat er meer werk op het moment dat of de klant of de leverancier enige problemen ziet in het design. Dan wordt het design aangepast, hetgeen meer werk inhoudt. Al die tijd werd er gecommuniceerd tussen de engineering en de leveranciers en wij zagen dat er meerwerk was.”

Tijdens het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting zijn de volgende verklaringen afgelegd die de verklaring van de verdachte ondersteunen:

De verklaring van de [getuige 5] bij de politie:
Ik heb de eindverantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekeningen van onze clienten…. wat de CLAD aangeeft is niet juist. Het is geen doorbreking van de bestendige gedragslijn. het is dus geen stelselwijziging. … meerwerk is niet verwerkt in de jaarrekening van 2012 want toen was het eerste contract nog maar 2 weken oud en het tweede contract was nog niet getekend. De facturen van meerwerk afkomstig van Greenland waren van 2014. Wij hadden wel gezien dat er in 2013 of 2014 email verkeer was over meerwerk maar er was nog geen informatie over de hoogte en uitkomst van het meerwerk. ….. ik denk dat de directie van de EBS toe nog niet wist wat het bedrag aan meerwerk zou zijn. Het was best wel iets ingewikkelds. In de beginfase was de heer [naam 1] belast met het product. In 2014 is hij ontlast en toen kwamen anderen het project draaien. De heer [getuige 9] heeft wijzigingen aangebracht in het ontwerp. Ik denk dat door de veranderingen het niet duidelijk was hoeveel het bedrag aan meerwerk zou opleveren.

De verklaring van de [getuige 6] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Wij hebben de vraag geformuleerd bij welk bedrijf de goederen zijn aangeschaft. Het is gebleken dat de goederen zijn aangeschaft bij het bedrijf Greenland. Er zijn eerst offertes aangevraagd voor de levering bij Surmac, Olibis en Greenland. Het voorstel werd, na een beoordeling van de drie offertes, gedaan door de heer [getuige 8] om te kiezen voor Greenland omdat zij in staat zou zijn sneller te leveren. .. in beide gevallen is de goedkeuring van de RVC achteraf geschiedt…… voor wat betreft het bedrag van SRD.22.030.018,75 waarvan [naam 3] beweerd heeft dat dit bedrag niet is verantwoord moet ik u verklaren dat dit bedrag wel verantwoord is, maar deel uitmaakt van een groter geheel.
Op 20 september 2013 heeft de tweede betaling van beide leveringscontracten plaatsgevonden. Ondanks deze betaling werd niet geleverd omdat partijen het niet met elkaar eens waren over het te verrichten meerwerk door Greenland. EBS, [de verdachte], heeft toen Greenland in gebreke gesteld.

De verklaring van de [getuige 1] op de zitting:
Ik kom terug op mijn eerder afgelegde verklaring bij de RC dat er sprake is van fraude. Ik verklaar hierbij dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude.

De verklaring van de [getuige 7] bij de politie:
Ik moet u verklaren dat daar zaken nu overlegd zijn ik u moet meedelen dat het om originele documenten gaat. Ook bij het tweede document heb ik mijn handtekening herkend. Doordat het een lange periode terug is geweest, kon ik mij niet heugen als ik nog een tweede gelijkende verklaring voor goedkeuring getekend had voor de aanschaf van desbetreffende installaties.

De verklaring van de [getuige 3] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Het kan zijn dat er vooraf mondelinge toestemming was verleend en dat dat enkele dagen later is bevestigd …. ik kan mij niet meer heugen dat de heer [getuige 7] mij op de hoogte had gesteld van deze twee leveringscontracten. Het zou kunnen maar ik kan mij absoluut niet herinneren…. het is mij niet bekend dat de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid zonder voorafgaande toestemming van de Raad heeft omzeild…..De EBS moet niet gezien worden als een normale NV. De EBS functioneert als een instrument van de overheid om essentieel diensten waaronder electrificatie aan de gemeenschap te leveren. De aandeelhouder heeft in dat kader een veel directere relatie met het management van het bedrijf. Normaliter zou die communicatie moeten gaan via de RvC. Als voorbeeld kan dienen dat de overheid op dit moment heel nauw bezig is met het management wat betreft de energie tarieven….. Vanwege de op handen zijnde verkiezingen had de overheid opdrachten gegeven aan de EBS om electrificatie projecten uit te voeren in het binnenland. Echter moet daarvoor geld zijn. Er zijn een paar geldschieters die normaliter worden aangeboord om die projecten te financieren. De EBS heeft namelijk geen geld en zit met heel veel schulden. Daarom kan de EBS ook niet simpelweg naar de bank toestappen.

De verklaring van de [getuige 9] bij de politie:
Ik zou het niet zo stellen. Het meerwerk is ontstaan nadat er onderhandeld is tussen onze engineers en Greenland over de technische aspecten. Ik denk dat bij deze onderhandelingen iets verkeerd is gegaan daar de engineers duidelijk aangegeven hadden wat zij wilden terwijl Greenland zulks verkeerd begrepen had. Voor wat betreft het meerwerk kan de directie deze voor niets anders gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Te uwer informatie heb ik het meerwerk ter beoordeling ontvangen van meneer [verdachte]. Deze had ik doorgeleid naar de engineers.

De verklaring van de [getuige 10] bij de rechter-commissaris:
Overigens wil ik opmerken dat juist het electrisch gedeelte door de leverancier wel is opgeleverd terwijl het werktuigbouwkundig gedeelte niet is opgeleverd. Het electrisch gedeelte, is het gedeelte dat specifiek wordt gebouwd met informatie die wij geven. Het is dus custom made. Het werktuigbouwkundig gedeelte is juist standaard made, hetgeen betekent dat daarvoor geen specifieke informatie nodig was…… Ik ben een aantal keren naar de heer [naam 1] geweest om hem aan te geven dat zaken niet liepen. .. Tijdens de correspondentie met de leverancier kunnen er technische zaken besproken worden, waarbij zaken anders moeten worden gebouwd, dan aanvankelijk was gedacht. Danwel dat technisch iets niet was voorzien of duidelijk was waarvoor wel een oplossing noodzakelijk was. Dit alles hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot meerwerk.
………….Op verzoek van de technisch directeur heb ik samen met twee andere engineers gekeken naar het meerkwerkdocument en in principe hebben wij dat toen niet goedgekeurd, daar er wat onduidelijkheden waren en bepaalde bedragen ook te hoog waren. Hoe het toch is gekomen tot een commitment om te betalen voor het meerwerk, weet ik niet…
Met betrekking tot de blackstart was het een ander verhaal. De blackstart zou kaal worden opgeleverd. Om ermee te kunnen werken moest er nog randapparatuur worden aangeschaft, dat is gerapporteerd aan de heer [getuige 9]. Daar er geen geld was om dat binnenshuis te kopen kwam de instructie van de heer [getuige 9] om dit gedeelte van het materiaal dat gekocht moest worden te zetten op het project van Greenland. [getuige 9] werd door de afdeling engineering altijd geïnformeerd waar wij mee bezig waren. ……in die periode was er ook een noodsituatie in het land. Of de nood zo hoog was dat in deze concrete kwestie gebruikelijke procedures niet zijn bewandeld is des oordeels van de directie.

De verklaring van de [getuige 4] bij de politie:
Ik denk dat het Superior Contracting bereid was gevonden door het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen om als financier op te treden voor de aankoop van goederen. Als ik mij niet vergis heeft het Ministerie van NH Superiour Contracting voorgesteld aan de EBS. In die tijd was het zo dat de overheid geen geld had voor de aankoop van goederen en diensten. Met zocht zodoende naar een financier. …. het is mij niet bekend in hoeverre de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid, zonder voorafgaande toestemming van de RvC te handelen, heeft omzeild. … in deze kwestie had de EBS geen geld om aankopen te doen rechtstreeks naar de leverancier toe. Men heeft toen een financier bereid gevonden om de aankopen te doen. Deze financier heeft dan ook meer kosten in rekening gebracht

De [medeverdachten 1 en 2] hebben meermalen verklaard dat het gebruikelijk was bij het ontbreken van facturen de purchase orders op deze manier in het systeem te administreren. De goederen moeten immers in ontvangst genomen worden door de EBS. Dit was dus de gebruikelijke manier van afhandelen bij het onbreken van facturen.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de voorgaande verklaringen niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte bedriegelijk en valselijk, zonder valide argument, heeft afgesproken dat er nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken.
Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valselijk en bedrieglijk, nog voor de evaluatie, heeft aangegeven dat Greenland is gekozen omdat uit de verklaringen blijkt dat het de [getuige 8] is geweest die de keus heeft gemaakt voor Greenland op grond van de levertijd en niet de verdachte.

De kantonrechter overweegt dat het feit dat Greenland een prijsofferte mocht aanbieden onder de hiervoor geschetste omstandigheden ook niet kan leiden tot het bewijs van enige bedriegelijke handeling van verdachte.

Ook is niet bewezen dat verdachte In strijd met de procedures de RvC, de afdeling procurement en project-engineering en de juridische afdeling niet heeft betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project.

Voorts is niet bewezen dat de verdachte strafwaardig heeft gehandeld door ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS de leveringscontracten aan te gaan.

Ook is niet bewezen dat de verdachte valselijk en bedrieglijk heeft aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald. Uit de verklaringen van de [getuige 9] en de verdachte zelf blijkt dat het Greenland is geweest die aangaf dat voor het meerwerk betaald moet worden.

Ten slotte is niet bewezen dat de verdachte samen met anderen purchase orders valselijk heeft voorzien van een ordernummer, een orderstatus of een handtekening om daarmee te doen voorkomen alsof de orders van te voren waren opgemaakt.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder IA, IB en II van het ten laste gelegde, de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6. De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder IA, IB en II van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, mr. K.S. Mahabier.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,

mr. K.S. Mahabier mr. A. C. Johanns

 

* Het Openbaar Ministerie heeft appèl aangetekend tegen dit vonnis

SRU-K2-2019-3

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-04802
Vonnisnummer : 2019-835
Datum uitspraak : 4 december 2019
Verstek
Raadsman : mr. B.A.H. Pick

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [geboorte datum] te [district],
van beroep: ondernemer,
wonende aan [adres] te [district],
niet verschenen.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
23 januari 2017, 24 april 2017, 5 mei 2017, 16 mei 2017, 26 juli 2017, 11 oktober 2017, 8 november 2017, 5 december 2017, 10 januari 2018, 20 februari 2018, 15 maart 2018, 25 april 2018, 22 mei 2018, 13 juni 2018, 8 augustus 2018, 24 oktober 2018, 1 november 2018, 12 december 2018, 24 januari 2019, 15 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019, 17 mei 2019, 14 juni 2019, 17 juli 2019, 16 oktober 2019, 23 oktober 2019, 6 november 2019 en 20 november 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder IA, II en III te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, en de terugbetaling van de ontvangen gelden waarvoor niet is geleverd.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) dat er in casu sprake was van een civielrechtelijke dispuut en dat er geen sprake was van strafrechtelijk handelen door de verdachte;
b) dat uit geen der verklaringen van getuigen blijkt dat de meerwerkfacturen valselijk zijn opgemaakt; over het meerwerk is gecorrespondeerd;
c) dat hij wel een deel van de bestelde apparatuur heeft geleverd doch niet het geheel omdat het meerwerk niet is betaald; dat het niet leveren niet kan worden aangemerkt als strafwaardig gedrag;
d) dat alle verklaringen met betrekking tot het eventueel niet naleven van de interne regels door functionarissen van de vennootschap niet aan hem aangerekend kunnen worden omdat hij daar als leverancier geen invloed op heeft.

2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak
De kantonrechter is, anders dan de vervolging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard, dat de verdachte het onder IA (de oplichting van de EBS en de Staat), IB (de verduistering van gelden), II (de vervalsing van facturen betreffende meerwerk) en III (de vervalsing van facturen betreffende meerwerk) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bespreking van de bewijsmiddelen en de verweren
De kantonrechter overweegt hieromtrent het hierna volgende:

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

De feiten die de verdachte concreet worden verweten kunnen alsvolgt worden geformuleerd:

  • Verdachte heeft tezamen en in vereniging met de medeverdachten valselijk en bedriegelijk het daarheen geleid dat nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken;
  • Verdachte heeft op 8 november 2012 een prijsofferte aangeboden waarin tevens een mobiele noodstroom installatie is opgenomen en is aangegeven dat de levering binnen 60 tot 90 dagen zou plaatsvinden;
  • Verdachte heeft tezamen en in vereniging het daarheen geleid dat de medeverdachten in strijd met de procedures de afdeling procurement en project engineering niet werden betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project,
  • Verdachte heeft, ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS een ongunstig leveringscontract gesloten waarbij het contract niet is geregistreerd in het contractenregister, en waarbij vooraf noch de Raad van Commissarissen goedkeuring heeft gegeven noch de bedrijfsjurist geconsulteerd is;
  • Verdachte heeft, ondanks het feit dat de volledige levering uitbleef toch een tweede contract gesloten met nadelige betalingsvoorwaarden;
  • Verdachte heeft, na het verstrijken van de leveringstermijn conform het eerste en tweede contract toch valselijk en bedriegelijk te kennen gegeven dat er meerwerk en aanpassingen zijn verricht waarvoor betaald moet worden terwijl de afdeling project engineering die bestelling niet had geplaatst en daarvan niet op de hoogte was;
  • Verdachte heeft valselijk en bedrieglijk aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald,
  • Verdachte heeft op deze wijze de EBS en de Staat bewogen om de bedragen van USD.8.881.250,= en EUR.100.000,= af te geven;
  • zijnde de bovenstaande handelingen samen het samenweefsel van verdichtselen en de listige kunstgrepen middels welke de EBS en de Staat bewogen zijn tot afgifte en subsidiair
  • de hiervoor bedoelde bedragen verduisterd en voorts
  • een of meer facturen, te weten factuur 1 en factuur 2 valselijk opgemaakt door in die facturen op te nemen dat er meerwerk verricht moest worden aan de noodstroominstallaties en onderdelen geleverd moesten worden ter waarden van EUR.665.067,= en EUR.463.867,= terwijl de verdachte wist dat zulks in strijd met de waarheid was daar er geen meerwerk was besteld door de EBS en tevens
  • een factuur te weten factuur 3, valselijk opgemaakt door daarin op te nemen dat meerwerk op de blackstart zijn verricht of geleverd voor het bedrag van EUR.198.628,= terwijl verdachte wist dat zulks in strijd is met de waarheid daar er geen meerwerk was besteld door de EBS.

De vervolging heeft voor het bewijs de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen genoemd waaronder de getuigenverklaringen van de [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8].

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – alsvolgt verklaard:
“Ik heb overeenkomsten gesloten met de EBS. Het was een invited tender. Dat wil zeggen dat op uitnodiging van de EBS offertes heb aangeboden om te leveren. Het was deels voor de blackstart. De eerste overeenkomst werd gegund aan mijn bedrijf. Tijdens de gesprekken had ik toen het innovatief voorstel gedeponeerd bij de leiding van de EBS om gelijk mobiele noodstroom installaties aan te schaffen. De leiding heeft hierop heel positief gereageerd mede omdat het paste in hun nieuw geformuleerde bedrijfsvisie om zodoende de gemeenschap te allen tijde te kunnen voorzien van een constante electriciteitstoevoer. In de jaarrede van de President in 2013 is dit tevens bevestigd. Tevens ook nadat wij hun een scherpe prijs aangeboden hadden. Deze uitspraak doen wij mede omdat de benchmarkprijs internationaal voor de opwekking van 1 megawatt gemiddeld ligt tussen de USD.900.000,= en USD.1.200.000,=. Wij hebben geleverd inclusief de meerwerkkosten voor een prijs van om en bij USD.735.000,= per megawatt. In eerste instantie wilden zij vier van de mobiele noodstroom installaties hebben. Echter waren zij slechts in staat om twee aan te schaffen. Van deze twee noodstroominstallaties werd toen één toegevoegd aan het eerste contract terwijl voor de andere mobiele installatie een nieuw contract werd gesloten met de EBS. …. Neen zij zijn niet volgens het contract met de EBS geleverd. Een deel is wel geleverd aan dit bedrijf. Zulks heeft gelegen aan het feit dat gaandeweg de bestelling de EBS ingrijpende en aanzienlijke kostenverhogende veranderingen heeft aangebracht aan de bestelde goederen. De leiding van de EBS die de veranderingen had laten aanbrengen bestond toen uit de heer [naam 1], de heer [naam 2] en de heer [naam 3]. Deze veranderingen brachten extra kosten met zich mee die nog steeds niet betaald zijn door de EBS waardoor deze goederen niet verscheept konden worden naar Suriname. Verder heeft de EBS er zeven maanden over gedaan alvorens deels hun originele contractuele betalingsverplichting te voldoen. Kort nadat de eerste en tweede overeenkomst getekend was heeft men om wijzigingen gevraagd. Zulks is gelijk door gegeven aan de hoofdleverancier in Nederland met name het bedrijf Topweld en Mosa Aggregaat. Natuurlijk brengen wijzigingen na bestelling kosten met zich mee. Deze kosten zijn nog niet betaald door de EBS….. Omdat er nog een openstaande factuur van ongeveer USD.1.559.003,70 is. Zolang deze betaling niet volledig is geweest naar de leverancier, zullen deze goederen niet geleverd worden. Wij hebben aangetoond onder andere met de testrapporten dat wij binnen vier maanden na de eerste assemblage ready waren om te leveren. Hoe is het dan mogelijk dat wij circa twee en een half jaar na dato worden beschuldigd van oplichting en verduistering. Na veel moeite heb ik de leveranciers bereid gekregen de switch gear transformatoren, brandstoftanks en kabels te verschepen. Die bevinden zich momenteel op mijn fabrieksterrein aan de [straat]. Door de geleverde betalingswanprestatie wilde men 100% betaling hebben. Doordat de EBS geen opslagruimte had bevinden deze goederen op verzoek van de EBS zich op mijn bedrijfsterrein met uitzondering van de brandstoftanks.”

Tijdens het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting zijn de volgende verklaringen afgelegd die de verklaring van de verdachte ondersteunen:

De verklaring van de [getuige 9] bij de politie:
Ik heb de eindverantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekeningen van onze clienten…. wat de CLAD aangeeft is niet juist. Het is geen doorbreking van de bestendige gedragslijn. Het is dus geen stelselwijziging. … meerwerk is niet verwerkt in de jaarrekening van 2012 want toen was het eerste contract nog maar 2 weken oud en het tweede contract was nog niet getekend. De facturen van meerwerk afkomstig van Greenland waren van 2014. Wij hadden wel gezien dat er in 2013 of 2014 email verkeer was over meerwerk maar er was nog geen informatie over de hoogte en uitkomst van het meerwerk. ….. ik denk dat de directie van de EBS toen nog niet wist wat het bedrag aan meerwerk zou zijn. Het was best wel iets ingewikkelds. In de beginfase was de heer [naam 1] belast met het product. In 2014 is hij ontlast en toen kwamen anderen het project draaien. De heer [getuige 8] heeft wijzigingen aangebracht in het ontwerp. Ik denk dat door de veranderingen het niet duidelijk was hoeveel het bedrag aan meerwerk zou opleveren.

De verklaring van de [getuige 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Wij hebben de vraag geformuleerd bij welk bedrijf de goederen zijn aangeschaft. Het is gebleken dat de goederen zijn aangeschaft bij het bedrijf Greenland. Er zijn eerst offertes aangevraagd voor de levering bij Surmac, Olibis en Greenland. Het voorstel werd, na een beoordeling van de drie offertes, gedaan door de heer [getuige 6] om te kiezen voor Greenland omdat zij in staat zou zijn sneller te leveren. .. in beide gevallen is de goedkeuring van de RvC achteraf geschiedt…… voor wat betreft het bedrag van SRD.22.030.018,75 waarvan [naam 4] beweerd heeft dat dit bedrag niet is verantwoord moet ik u verklaren dat dit bedrag wel verantwoord is, maar deel uitmaakt van een groter geheel.Op 20 september 2013 heeft de tweede betaling van beide leveringscontracten plaatsgevonden. Ondanks deze betaling werd niet geleverd omdat partijen het niet met elkaar eens waren over het te verrichten meerwerk door Greenland. EBS, de directeur [naam 2], heeft toen Greenland in gebreke gesteld.

De verklaring van de [getuigen 2] op de zitting:
Ik kom terug op mijn eerder afgelegde verklaring bij de RC dat er sprake is van fraude. Ik verklaar hierbij dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude.

De verklaring van de [getuige 4] bij de politie:
Ik moet u verklaren dat daar zaken nu overlegd zijn ik u moet meedelen dat het om originele documenten gaat. Ook bij het tweede document heb ik mijn handtekening herkend. Doordat het een lange periode terug is geweest, kon ik mij niet heugen als ik nog een tweede gelijkende verklaring voor goedkeuring getekend had voor de aanschaf van desbetreffende installaties.

De verklaring van de [getuige 5] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Het kan zijn dat er vooraf mondelinge toestemming was verleend en dat dat enkele dagen later is bevestigd …. ik kan mij niet meer heugen dat de heer [getuige 4] mij op de hoogte had gesteld van deze twee leveringscontracten. Het zou kunnen maar ik kan mij absoluut niet herinneren…. het is mij niet bekend dat de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid zonder voorafgaande toestemming van de Raad heeft omzeild…..De EBS moet niet gezien worden als een normale NV. De EBS functioneert als een instrument van de overheid om essentieel diensten waaronder electrificatie aan de gemeenschap te leveren. De aandeelhouder heeft in dat kader een veel directere relatie met het management van het bedrijf. Normaliter zou die communicatie moeten gaan via de RvC. Als voorbeeld kan dienen dat de overheid op dit moment heel nauw bezig is met het management wat betreft de energie tarieven….. Vanwege de op handen zijnde verkiezingen had de overheid opdrachten gegeven aan de EBS om electrificatie projecten uit te voeren in het binnenland. Echter moet daarvoor geld zijn. Er zijn een paar geldschieters die normaliter worden aangeboord om die projecten te financieren. De EBS heeft namelijk geen geld en zit met heel veel schulden. Daarom kan de EBS ook niet simpelweg naar de bank toestappen.

De verklaring van de [getuige 8] bij de politie:
Ik zou het niet zo stellen. Het meerwerk is ontstaan nadat er onderhandeld is tussen onze engineers en Greenland over de technische aspecten. Ik denk dat bij deze onderhandelingen iets verkeerd is gegaan daar de engineers duidelijk aangegeven hadden wat zij wilden terwijl Greenland zulks verkeerd begrepen had. Voor wat betreft het meerwerk kan de directie deze voor niets anders gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Te uwer informatie heb ik het meerwerk ter beoordeling ontvangen van meneer [naam 2]. Deze had ik doorgeleid naar de engineers.

De verklaring van de [getuige 11] bij de rechter-commissaris:
Overigens wil ik opmerken dat juist het electrisch gedeelte door de leverancier wel is opgeleverd terwijl het werktuigbouwkundig gedeelte niet is opgeleverd. Het electrisch gedeelte, is het gedeelte dat specifiek wordt gebouwd met informatie die wij geven. Het is dus custom made. Het werktuigbouwkundig gedeelte is juist standaard made, hetgeen betekent dat daarvoor geen specifieke informatie nodig was…… Ik ben een aantal keren naar de heer [naam 1] geweest om hem aan te geven dat zaken niet liepen. .. Tijdens de correspondentie met de leverancier kunnen er technische zaken besproken worden, waarbij zaken anders moeten worden gebouwd, dan aanvankelijk was gedacht. Danwel dat technisch iets niet was voorzien of duidelijk was waarvoor wel een oplossing noodzakelijk was. Dit alle hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot meerwerk.
………….Op verzoek van de technisch directeur heb ik samen met twee andere engineers gekeken naar het meerkwerkdocument en in principe hebben wij dat toen niet goedgekeurd, daar er wat onduidelijkheden waren en bepaalde bedragen ook te hoog waren. Hoe het toch is gekomen tot een commitment om te betalen voor het meerwerk, weet ik niet…

Met betrekking tot de blackstart was het een ander verhaal. De blackstart zou kaal worden opgeleverd. Om ermee te kunnen werken moest er nog randapparatuur worden aangeschaft, dat is gerapporteerd aan de heer [getuige 8]. Daar er geen geld was om dat binnenshuis te kopen kwam de instructie van de heer [getuige 8] om dit gedeelte van het materiaal dat gekocht moest worden te zetten op het project van Greenland. [getuige 8] werd door de afdeling engineering altijd geïnformeerd waar wij mee bezig waren. ……in die periode was er ook een noodsituatie in het land. Of de nood zo hoog was dat in deze concrete kwestie gebruikelijke procedures niet zijn bewandeld is des oordeels van de directie.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de voorgaande verklaringen niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte bedriegelijk en valselijk tezamen en in vereniging handelingen heeft gepleegd die ertoe hebben geleid dat hij als nieuwe leverancier werd aangetrokken of voor zijn bedrijf is gekozen.

Voorts is niet bewezen dat de facturen voor meerwerk zijn opgemaakt terwijl hij wist dat zulks in strijd met de waarheid was.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder IA, IB, II en III ten laste gelegde, de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6. De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder IA, IB, II en III van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, mr. K.S. Mahabier.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,
mr. K.S. Mahabier mr. A.C. Johanns

 

* Het Openbaar Ministerie heeft appèl aangetekend tegen dit vonnis

SRU-K1-2019-25

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 17-3772
24 oktober 2019
MRW

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [Gedaagde sub A],
wonende aan [adres] te [woonplaats],
B.[Gedaagde sub B],
wonende aan [adres] te [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP FAFAM N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Zwartenhovenbrugstraat 154 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C. Algoe, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de navolgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift met producties dat op 25 augustus 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling genomen is op 28 augustus 2017;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek en uitlating producties met een productie;
  • de conclusie van dupliek en uitlating productie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Het Dagblad Suriname is een bedrijfsonderdeel van gedaagde, dat een gelijknamig dagblad uitbrengt.

2.2 In de editie van 22 augustus 2017 heeft Het Dagblad Suriname op pagina 5 onder de rubriek “Dagblad Suriname Nationaal” een artikel gepubliceerd met de kop “DOCHTER MINISTER MIRANDA NOEMT SCHEIDSRECHTER HOMO”.

2.3 In een per exploit van 22 augustus 2017 nummer 17-291 van deurwaarder G.F.N. Halfhuid betekende brief van dezelfde datum heeft de gemachtigde van eisers gedaagde aangemaand om binnen 1 X 24 uur in alle dagbladen haar verontschuldigen aan hen aan te bieden. Hieraan heeft gedaagde geen gehoor gegeven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om:

I. binnen 1 x 24 uur na de uitspraak, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, in haar dagblad en in de dagbladen De Ware Tijd en Times of Suriname, alsmede in het avondblad De West, een even zo groot artikel te doen plaatsen waarin zij in verband met het door haar geplaatste artikel d.d. 22 augustus 2017 onder de kop “Dochter Minister Miranda noemt scheidsrechter homo” haar verontschuldigingen aan eisers aanbiedt, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag voor iedere dag dat zij nalaat aan deze veroordeling te voldoen;
II. bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub A het bedrag van SRD 25.000,=, althans een in goede justitie vast te stellen vergoeding, zijnde schadevergoeding voor geleden immateriële schade, te betalen;
III. bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser sub B het bedrag van SRD 25.000,=, althans een in goede justitie vast te stellen vergoeding, zijnde schadevergoeding voor geleden immateriële schade, te betalen.

3.2 Eisers leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vorderingen ten grondslag dat gedaagde jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door geen hoor en wederhoor te hebben toegepast, waardoor van hen een verkeerde beeldvorming is ontstaan. Volgens eisers had gedaagde, door het artikel niet op de sportpagina maar onder het nationaal nieuws te publiceren en door de grootte van de afgedrukte kop, het doel om hen bewust schade toe te brengen. Daarbij is eiser sub B, die met het krijgen van een rode kaart door eiseres sub A niets te maken had, er met de haren bij gesleept. Eisers stellen verder dat gedaagde, door het artikel op die wijze te publiceren, eiseres sub A in een categorie heeft geplaatst van mensen die homoseksuelen discrimineren, waardoor zij zich schuldig maakt aan belediging in de zin van artikel 1393 van het Burgerlijk wetboek, alsmede in de zin van artikel 320 van het Wetboek van Strafrecht.

3.3 Gedaagde voert hier tegenover als verweer – zakelijk weergegeven – aan dat het betreffende artikel een verslaggeving van de openbare zitting van het Tuchtcollege betrof en dat het, in de gevallen waarbij verslag wordt gedaan van een rechtszaak of een tuchtzaak, in de journalistiek ongebruikelijk is om geen hoor en wederhoor toe te passen. Gedaagde werpt voorts op dat van imagoschade aan de zijde van eisers geen sprake kan zijn, omdat het artikel niet de mening van de verslaggever bevat. Voorts zou zij in het artikel het minder choquerend synoniem “homo” hebben gebruikt voor de door eiseres sub A tegen de scheidsrechter gebruikte scheldwoorden.

3.4 Op de overige stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eisers volgt uit de aard van hun vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.

4.2 Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd maakt de kantonrechter op dat zij met name bezwaar hebben tegen de kop van het op 22 augustus 2017 in Het Dagblad Suriname gepubliceerd artikel. De stelling van gedaagde, dat de inhoud van dat artikel een verslaggeving betrof van de op 19 augustus 2017 gehouden zitting van het Tuchtcollege van de Surinaamse Voetbalbond, waarbij eiseres sub A door het Tuchtcollege een maatregel is opgelegd wegens het uitschelden van een scheidsrechter, is door eisers niet weersproken. Voor de beoordeling van onderhavig geding wordt dan ook ervan uitgegaan dat het artikel voldoende steun vond op de op dat moment bekende feiten en omstandigheden.

4.3 Met betrekking tot de onder I gevorderde publiekelijke verontschuldigen overweegt de kantonrechter allereerst dat het in rechte afdwingen van excuses, hetzij mondeling of schriftelijk, niet mogelijk is. Excuses zijn immers te beschouwen als een uiting van persoonlijke gevoelens van spijt, die naar hun aard niet door de rechter kunnen worden opgelegd. Die vordering is daarom niet toewijsbaar.

4.4 Ten aanzien van de onder II en III gevorderde immateriële schadevergoeding voert gedaagde aan dat eisers deze niet aannemelijk hebben gemaakt. Zij merkt op dat eisers hun vordering als voorbeeld willen stellen om de media ervan te weerhouden om in de toekomst over hen te publiceren.

4.5 De kantonrechter stelt voorop dat de gevorderde schadevergoeding in dit kort geding slechts toewijsbaar is als onder meer het bestaan en de omvang daarvan in hoge mate aannemelijk is. De kantonrechter zal in dit verband eerst moeten beoordelen of gedaagde door plaatsing van de kop “Dochter Minister Miranda noemt scheidsrechter homo” boven het op 22 augustus 2017 gepubliceerd artikel onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld.

4.6 Voor wat betreft de stelling van eisers dat gedaagde met het publiceren van het artikel in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en aldus onrechtmatig heeft gehandeld, overweegt de kantonrechter dat het beginsel van hoor en wederhoor niet van toepassing is in het geval een publicatie enkel de verslaggeving van een rechtszaak of een andere (tucht)rechterlijke uitspraak betreft. Nu gesteld noch gebleken is dat gedaagde de achtergrondinformatie over de tuchtrechtelijke zaak op zodanige wijze verwerkt heeft, dat wederhoor geboden was, vindt de vordering van eisers geen steun op deze grondslag.

4.7 Evenmin is er grond voor het voor juist aannemen van de stelling van eisers dat gedaagde met het publiceren van het artikel op een voor het nationaal nieuws bestemde pagina en niet op de sportpagina, hen bewust schade heeft willen toebrengen. Allereerst valt, gelet op de door eisers ingenomen standpunten, niet in te zien dat publicatie op de sportpagina op minder bezwaren van hun zijde zou hebben gestuit en dat hebben zij ook niet aangevoerd. Ook valt de gestelde opzet om schade aan eisers toe te brengen niet te ontwaren uit de enkele vermelding dat eiseres sub A de dochter van eiser sub B is, aangezien die vermelde omstandigheid op waarheid berust.

4.8 Het standpunt van eisers dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan belediging, zowel in civielrechtelijke als in strafrechtelijke zin, door een equivalent van de door eiseres sub A jegens de scheidsrechter gebruikte bewoordingen, kan de kantonrechter niet volgen. Uit de gewraakte kop van het betreffende artikel valt immers niet op te maken dat gedaagde zich krenkend over eiseres sub A heeft uitgelaten, maar dat de Tuchtcommissie geoordeeld heeft dat eiseres sub A zich op een onaanvaardbare wijze jegens de scheidsrechter heeft uitgelaten. Dat bij eisers het gevoel is ontstaan dat eiseres sub A daardoor is weggezet als iemand die homoseksuelen discrimineert, maakt nog niet dat de door gedaagde boven het artikel geplaatste kop als een belediging in de zin van de wet moet worden aangemerkt.

4.9 Al het voorgaande in aanmerking nemende, leidt dit tot de slotsom dat van een onrechtmatig handelen van gedaagde jegens eisers niet gebleken is. Dit brengt met zich mee dat de gevraagde voorzieningen wegens het ontberen van een deugdelijke grondslag moeten worden geweigerd. De overige stellingen en weren van partijen kunnen derhalve onbesproken blijven, omdat die niet langer relevant zijn.

4.10 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden in de proceskosten.

5. De beslissing
De kantonrechter rechtdoende in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van gedaagde gevallen, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting op donderdag 24 oktober 2019 uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-5

HET HOF VAN JUSTITIE

Beschikking ex artikel 312 jo 28 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) inzake het verzoek van

BOUTERSE, DELANO DESIRÉ,
wonende te Paramaribo,
verzoeker,
niet verschenen in raadkamer doch wel vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, dat op 25 oktober 2017 ter griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • de mondelinge toelichting van het verzoekschrift zijdens de gemachtigde van verzoeker;
  • de schriftelijke conclusie van antwoord van de zijde van het Openbaar Ministerie en een mondelinge toelichting daarop;
  • de mondelinge conclusie van repliek zijdens de gemachtigde van verzoeker;
  • de mondelinge conclusie van dupliek zijdens het Openbaar Ministerie;

2. Het verzoek
Verzoeker vordert op grond van artikel 312 jo 28 Sv dat de strafzaak tegen hem als beëindigd wordt beschouwd zonder oplegging van straf of maatregel.

3. De grondslag van het verzoek en het verweer

3.1 Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
In de strafzaak die loopt tegen verzoeker bij de Krijgsraad, hebben de Auditeur-Militair en zijn gemachtigde over en weer gerequireerd respectievelijk gepleit. Hij, verzoeker, heeft op 29 oktober 2018 de gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord. De Krijgsraad heeft hierna bepaald dat er vonnis volgt op een nader te bepalen datum, zonder dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten.
Tussen 29 oktober 2018 en de dag van het onderhavige verzoek ligt een periode van bijkans een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 331 lid 3 Sv mag de uitspraak in geen geval later plaatsvinden dan op de 21e dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting.
De Krijgsraad heeft langer dan een jaar geen processuele handelingen meer verricht in de strafzaak tegen hem. Steun zoekend bij artikel 331 Sv betoogt verzoeker dat dit artikel geen ruimte biedt hiertoe, terwijl er ook geen zicht is op een datum waarop de uitspraak zal worden gedaan.
Verzoeker stelt verder dat een jaar “stilzitten” in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, terwijl een jaar wachten op een uitspraak zonder daartussenin enige processuele handeling te plegen ongekend is in de literatuur. Aan verzoeker is ook geen reden kenbaar gemaakt waarom thans langer dan een jaar – zonder enige processuele handeling – de uitspraak uitblijft.

3.2 Het Openbaar Ministerie heeft verweer gevoerd. Het Hof komt indien nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1 Het Openbaar Ministerie heeft – zakelijk weergegeven – als formeel verweer aangevoerd dat het onderhavige verzoek is ingediend door de raadsman terwijl niet is gebleken van zijn bevoegdheid daartoe en evenmin is gebleken dat verzoeker achter dit verzoek staat. Het Openbaar Ministerie concludeert dat verzoeker daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het onderhavige verzoek.

Voorop gesteld wordt dat het onderhavige verzoek is ingediend door dezelfde raadsman van verzoeker, die hem ook vertegenwoordigt in zijn strafzaak bij de Krijgsraad. Uit de wet blijkt niet van een expliciete vereiste zoals door het Openbaar Ministerie is aangevoerd. Evenmin zijn er feiten aangevoerd waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat verzoeker het niet eens is met het onderhavige verzoek, zodat verzoeker wel ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarenboven bepaalt artikel 315 lid 1 Sv dat elke bevoegdheid aan de verdachte bij deze titel toegekend ook toe komt aan diens raadsman. Nu verzoeker zijn verzoek baseert op het bepaalde in artikel 312 Sv in verbinding met artikel 28 Sv en artikel 312 Sv evenals artikel 315 lid 1 Sv deel uitmaakt van Titel III van het Wetboek van Strafvordering, komt deze bevoegdheid in de visie van het Hof ook toe aan de raadsman.

Het Hof gaat dan ook voorbij aan het formeel verweer van het Openbaar Ministerie.

4.2 Het Hof gaat uit van de volgende feiten in het onderhavige verzoek:

  1. tegen verzoeker loopt er een strafzaak bij de Krijgsraad en is er tegen hem verstek verleend;
  2. op 28 oktober 2018 heeft verzoeker de gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord;
  3. de Krijgsraad heeft hierna bepaald dat er vonnis volgt op een nader te bepalen datum zonder dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten;
  4. de Krijgsraad heeft vanaf 28 oktober 2018 tot heden – dus thans langer dan een jaar – geen enkele proceshandeling meer gepleegd in de strafzaak tegen verzoeker en evenmin is er zicht op enige proceshandeling.

4.3 Primair dient de vraag te worden beantwoord of de Krijgsraad bevoegd was om op 28 oktober 2018 in de strafzaak tegen verzoeker, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen voor onbepaalde tijd.

Het Hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 259 lid 1 Sv, het uitgangspunt is dat een eenmaal aangevangen onderzoek zonder onderbreking tot een einde wordt gebracht. Uit artikel 259 lid 2 Sv blijkt evenwel dat onderbreking van een onderzoek wel mogelijk is onder meer vanwege de uitgebreidheid of de duur van het onderzoek.

Lid 3 van hetzelfde artikel biedt de mogelijkheid dat, indien het belang van het onderzoek dat vordert, de schorsing van het onderzoek wordt gelast met of zonder tijdsbepaling.
Uit het voorgaande – met name artikel 259 lid 3 Sv – blijkt de bevoegdheid van de Krijgsraad tot schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd.

4.4 Vervolgens dient te worden beantwoord de vraag of verzoeker succesvol een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 312 juncto artikel 28 lid 1 Sv om de zaak voor beëindigd te verklaren.

Deze vraag dient naar het oordeel van het Hof ontkennend te worden beantwoord. Ingevolge het systeem van het Wetboek van Strafvordering heeft artikel 28 Sv betrekking op een gebrek aan besluitvaardigheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie, en niet op de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek dat door de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie wordt verricht. Immers, één van de uitgangspunten van het strafvorderlijk stelsel is dat de strafvervolging na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting dient uit te monden in een formele of materiële einduitspraak. Dit is ook de reden waarom de dagvaarding, na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, niet meer kan worden ingetrokken.

De ratio van artikel 28 Sv is immers dat de verdachte zich kan beschermen tegen een onredelijk oponthoud en tegen de onzekerheid of aan zijn zaak al dan niet verder gevolg zal worden gegeven. In casu is de strafzaak tegen verzoeker reeds in behandeling bij de Krijgsraad en verkeert in staat van wijzen weshalve – in navolging van het voorgaande – de uitspraak dient te worden afgewacht. In de visie van het Hof is het in casu in elk geval duidelijk dat er een uitspraak dient te komen. Wanneer die uitspraak zal komen is vooralsnog onduidelijk maar het voorgaande rechtvaardigt niet de consequentie die verzoeker daaraan verbonden wenst te zien. De verbinding die verzoeker maakt met het bepaalde in artikel 312 Sv brengt het Hof tot de slotsom dat het Hof bevoegd is om van het onderhavige verzoek kennis te nemen, aangezien uit geen enkele wetsbepaling het tegendeel volgt.

4.5 Het Hof is van oordeel dat iedere verdachte – en dus ook verzoeker – recht heeft op behandeling en afhandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Een der fundamenten van het wetboek van strafvordering is de regel dat een tegen een verdachte aangevangen vervolging zo spoedig en regelmatig mogelijk dient te worden voortgezet, totdat van de rechter een einduitspraak is verkregen dan wel de vervolging op een vóór het onderzoek ter terechtzitting liggend tijdstip is beëindigd. Schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak tegen verzoeker, nu al langer dan een jaar, zonder enige proceshandeling danwel zonder enig zicht op een proceshandeling, leidt – naar het oordeel van het Hof – tot de slotsom dat die periode onredelijk lang is. Nu de strafzaak van verzoeker in staat van wijzen verkeert zal het Hof met voormelde constatering volstaan en het aan de Krijgsraad overlaten om daar eventueel consequenties aan te verbinden.

Desalniettemin is het Hof van oordeel dat deze omstandigheid niet betekent dat verzoeker “lijdzaam” een afwachtende houding dient aan te nemen. Hij heeft ook de verantwoordelijkheid om te bewaken dat zijn zaak “vlot wordt getrokken”, en uit dien hoofde aan de Krijgsraad het verzoek te doen dat de zaak weer op de rol wordt gebracht. Dat het voorgaande zou zijn geschied is gesteld noch gebleken.

4.6. De verwijzing van verzoeker naar artikel 331 lid 3 Sv, welk artikel bepaalt dat de uitspraak in geen geval later mag plaatsvinden dan op de 21e dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, gaat in dit geval niet op nu voormeld artikel toeziet op een uitspraak na sluiting van het onderzoek, en verzoeker zelf ook aanvoert dat van sluiting van het onderzoek in casu geen sprake is. De door verzoeker verzochte analoge toepassing van deze wetsbepaling in deze zaak (althans zo vat het Hof dat op) ontbeert enige wettelijke grondslag en zou een dergelijke extensieve interpretatie van deze bepaling in de visie van het Hof in strijd zijn met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1 Sv.

4.7. Het Hof zal gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, het onderhavige verzoek afwijzen.

4.8.Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het Hof:

Wijst het verzoek van verzoeker af .

Aldus gegeven te Paramaribo in raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 6 november 2019, door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, lid, en Kolonel J. Hew A Kee, lid – plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, fungerend-griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur- Lachitjaran

w.g. J. Hew A Kee

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen – Relyveld

SRU-K1-2016-35

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 161428
9 mei 2016

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

A. CITY ENTERTAINMENT NV, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
B. [eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. V. V. C. Piqué, advocaat,
eisers in de hoofdzaak en in het incident in kort geding,
hierna te noemen: “City Entertainment en [eiser]”,

tegen

A. AIB BANK NV, gevestigd en kantoor houdende te Aruba,
B. HANDELS-, KREDIET- EN INDUSTRIEBANK NV, (de Hakrinbank NV) gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
C. FATUM SCHADEVERGOEDING NV, ten rechte geheten FATUM SCHADEVERZEKERING NV, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H. R. Lim A Po, advocaat,
gedaagden in de hoofdzaak en in het incident in kort geding,
hierna te noemen: “de kredietverleners”.

Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 24 maart 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met producties,
  • de conclusie van dupliek, met producties,
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens City Entertainment en [eiser].

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Tussen City Entertainment en de kredietverleners is op 31 maart 2009 en daaropvolgend op 23 maart 2011 een lange termijn krediet overeenkomst gesloten bestaande uit een Long Term Facility I en een Long Term Facility II. Het krediet was bestemd voor de bouw en contructie van het Wyndham Garden Paramaribo Hotel.

2.2 City Entertainment en [eiser] hebben in verband met deze krediet overeenkomst onder ander onroerende goederen in onderpand gegeven en [eiser] heeft een garantieverklaring verstrekt.

2.3 In schedule 9 behorend bij de overeenkomst is het volgende bepaald: “Working capital facility to be provided bij lender(s) yet to be determined to de Borrower in the amount of USD.500.000,=”.

2.4 Bij schrijven van 21 oktober 2011, 14 november 2012 en 19 december 2012 heeft City Entertainment de kredietverleners onder de aandacht gebracht dat onderdeel van de overeenkomst was dat als werkkapitaal het bedrag van USD.500.000,= zou worden verstrekt voor de exploitatie van het bedrijf. Zij brengt onder hun aandacht dat dit bedrag, ondanks de overeenkomst niet is verstrekt met als gevolg dat City Entertainment zonder het afgesproken werkkapitaal de exploitatie van het hotel in september 2011 moest beginnen. City Entertainment heeft de kredietverleners aangegeven dat deze weigering om het werkkapitaal te verstrekken ernstige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering en voor de mogelijkheden van City Entertainment om aan de financiele verplichtingen te voldoen.

2.5 De kredietverleners hebben op 30 november 2012 de kredietovereenkomst opgezegd.

2.6 Hierna is door City Entertainment en [eiser] een bodemprocedure ingezet tegen de kredietverleners in welke bodemprocedure City Entertainment en [eiser] zich beroepen op de afspraak met betrekking tot het werkkapitaal. Deze zaak staat bekend onder het arno. 132527.

2.7 Bij exploiten van 27 mei 2015 hebben de kredietverleners aan City Entertainment en [eiser] de openbare verkoop aangezegd.

2.8 Naar aanleiding van deze aanzegging hebben City Entertainment en [eiser] een kortgeding aanhangig gemaakt waarin zij vorderden dat de veiling wordt stopgezet en de opzegging van het krediet wordt geschorst totdat de bodemrechter in de zaak met arno. 132527 definitief heeft beslist.

2.9 Deze vordering is door de kortgedingrechter bij vonnis van 14 juli 2015 toegewezen.

2.10 Op 10 maart 2016 is het krediet weer opgezegd.

2.11 Bij exploiten van 1 april 2016 met de nummers 28 en 29 hebben de kredietverleners wederom openbare verkopen aangezegd voor 10 mei 2016 om 11.00 uur en 12.00 uur.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering in de hoofdzaak
City Entertainment en [eiser] vorderden oorspronkelijk, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • A. De door de kredietverleners, bij exploiten van 10 maart 2016 met de nummers 21 en 22, aan City Entertainment en [eiser], aangezegde openbare verkopen voor 26 april 2016 om 12.00 uur, stop te zetten en op te schorten totdat in de reeds lopende bodemprocedure bekend onder arno. 132527 uiteindelijk zal zijn beslist, althans totdat door City Entertainment en [eiser] een vervangende financiering zal zijn gevonden;
  • B. Schorst, althans opschort, de gedane opzegging van de long term facility agreement per exploit van 10 maart 2016 met de nummers 21 en 22;
  • C. De kredietverleners verbiedt om in de toekomst de Long Term Facility agreement d.d. 23 maart 2011 wederom op te zegggen en in dat kader enige openbare veiling aan de kondigen, totdat in de reeds lopende bodemprocedure bekend onder arno. 132527 uiteindelijk zal zijn beslist,
  • D. op straffe van een dwangsom voor iedere keer dat gedaagden in strijd handelen met het hiervoor gevorderde, althans het onder C gevorderde en voorts
  • E. De kredietverleners veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
City Entertainment en [eiser] hebben als grondslag het volgende aangevoerd:

  1. Dat de opzegging van het krediet en de aanzegging van de openbare verkopen onrechtmatig zijn;
  2. Dat tussen partijen naast de Long Term Facility I en Long Term Facility II ook de overeenkomst bestond met betrekking tot een werkkapitaal faciliteit, de Working Capital Facility genoemd, welke overeenkomst niet is nagekomen door de kredietverleners waardoor City Entertainment en [eiser] in ernstige financiele problemen zijn gekomen, hetgeen door City Entertainment en [eiser] al meerdere malen aan de kredietverleners is kenbaar gemaakt;
  3. dat ondanks die waarschuwingen toch het werkkapitaal niet is verstrekt; dat het daarom niet redelijk is dat de kredietverleners maatregelen treffen tegen City Entertainment en [eiser] voor omstandigheden die zijn ontstaan door hun nalaten;
  4. dat City Entertainment en [eiser] over de werkkapitaal faciliteit een bodemprocedure hebben aangespannen welke al in de staat van dupliek staat;
  5. Dat bij een eerder aangezegde veiling de kort gedingrechter op 14 juli 2015 heeft beslist dat de aangezegde veiling geen voortgang dient te hebben totdat de bodemrechter over de werkkapitaal faciliteit heeft beslist; dat de kortgedingrechter tevens heeft opgeschort de opzegging van het krediet welke had plaatsgevonden op 30 november 2012 totdat de bodemrechter over de werkkapitaal faciliteit heeft beslist;
  6. Dat de onrechtmatigheid van het handelen van de kredietverleners ook blijkt uit het arrest van het Hof Arnhem (Rabobank vs Aarding – 18 mei 2003 ; JOR 2003,267) in welk arrest is geoordeeld dat de bijzondere zorgplicht van banken met zich meebrengt dat een kredietopzegging ten minste moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; dat het Hof in dat arrest een aantal indicatoren heeft vastgesteld aan de hand waarvan de rechtsgeldigheid van de opzegging van het krediet moet worden getoetst; dat de opzegging van de kredietverleners niet voldoet aan die indicatoren.

3.3. De vordering in het incident
City Entertainment en [eiser] vorderen in het incident dat het petitum wordt gewijzigd in dier voege wordt gewijzigd dat in plaats van de exploiten van 10 maart 2016 waarbij de openbare verkopen worden aangezegd voor 26 april 2016 wordt gelezen de exploiten van 1 april 2016 met de nummers 28 en 29 waarin de openbare verkopen worden aangezegd voor 10 mei 2016 om 11.00 uur en 12.00 uur.

3.4 Het antwoord in het incident
De kredietverleners hebben op de gevorderde wijziging niet gereageerd.

3.5 De beoordeling in het incident
De kantonrechter is van oordeel dat de wijziging als logisch gevolg moet worden aangemerkt van de tweede aanzegging. De kredietverleners zijn door de wijziging niet in hun verweer geschaad waardoor de wijziging zal worden toegestaan.

4. Het verweer in de hoofdzaak
De kredietverleners hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
In de hoofdzaak

5.1 De kredietverleners hebben als verweer onder andere de volgende zaken aangevoerd:

  1. Afgesproken was dat City Entertainment op 1 januari 2012 zou beginnen met het aflossen van de kredieten overeenkomstig schedule 3 van de leenovereenkomst; City Entertainment had vanaf 1 januari 2012 tussen de USD.80.000,= en USD.112.000,= per maand moeten aflossen; op een later tijdstip is afgesproken dat City Entertainment op 1 januari 2013 zou beginnen met aflossen; op 1 juni 2011 zou wel begonnen moeten worden met rente aflossingen;
  2. In juni 2011 heeft City Entertainment geen rente aflossing betaald; op tijdstippen daarna dat zij betaalde betaalde zij slechts een deel van het verschuldigde en na een betaling vaak maanden geen aflossing; City Entertainment was dus in verzuim voor wat betreft de rente aflossing;
  3. Tussen partijen is vaker gecommuniceerd over laatstgenoemd verzuim; de kredietverleners hebben voorstellen gedaan met betrekking tot het verkopen van verschillende vermogensbestanddelen van City Entertainment om de betalingsachterstand van de rente in te lopen; op 12 juli 2012 was de achterstand al USD.881.224,93; bij schrijven van 12 juli 2012 hebben de kredietverleners City Entertainment gewaarschuwd dat bij niet betaling van ten minste de helft van het verschuldigde passende maatregelen getroffen zullen worden; ook hierna is weer gecommuniceerd, doch zonder resultaat; bij schrijven van 30 november 2012 is het krediet opgezegd en heeft City Entertainment de gelegenheid gehad om binnen drie maanden het totale uitstaande bedrag van USD.13.273.006,96 terug te betalen;
  4. Hierna, op 19 december 2012 stuurde City Entertainment een brief aan de kredietverleners waarin zij het verzoek doet het werkkapitaal ter beschikking te stellen; dit verzoek doet City Entertainment hierna nog meerdere keren;
  5. Op 6 februari 2013 geven de kredietverleners City Entertainment nog een laatste kans om binnen 2 weken met een herfinancieringsvoorstel te komen onder de voorwaarde dat City Entertainment de rechtszaak die zij inmiddels had aangespannen intrekt; toen hebben de kredietverleners ook al aan City Entertainemnt kenbaar gemaakt dat City Entertainment ten onrechte meent recht te hebben op een werkkapitaalfinanciering;
  6. Op 10 juni 2013 laten de kredietverleners aan City Entertainment weten dat zij haar niet zullen voorzien van verdere financiering;
  7. Hierna verricht City Entertainment nog enkele aflossingen van de rente achterstand;
  8. Op 30 september 2013 wordt formeel de opdracht gegeven om over te gaan tot de executie veiling;
  9. Hierna vindt er weer overleg plaats tussen partijen; City Entertainment bericht de kredietverstrekkers in januari 2014 dat zij een onroerend goed heeft verkocht om een aflossing te doen; ook zou City Entertainment haar cash flow verwachtingen schriftelijk aanleveren; over de aangeleverde cash flow verwachtingen vindt ook overleg plaats;
  10. Hierna voeren partijen overleg over de optie dat City Entertainment een investeringspartner zoekt; de kredietverleners doen een voorstel voor een potentieel geinteresseerde investeerder in het Hotel;
  11. Bij vonnis van 14 juli 2015 in de zaak met arno. 152485 is de opzegging van het krediet opgeschort en is de veiling stopgezet; dit vonnis heeft geen gezag van gewijsde en is naar haar aard een voorlopige voorziening en daarmee een voorlopige standpunt bepaling van een rechter; de kredietverleners hebben desondanks het vonnis nageleefd en City Entertainment de gelegenheid gegeven om alsnog aan hun verplichtingen te voldoen; hiertoe zijn enkele afspraken gemaakt neergelegd in een arrangement in augustus en september 2016; ook deze afspraken heeft City Entertainment niet nageleefd;
  12. Op grond van het hiervoor aangehaald is op 10 maart 2016 het krediet weer opgezegd;
  13. De rechten van de hypotheekhouder staan los van de bodemprocedure waardoor de kredietverleners de bevoegdheid hebben om de verhypothekeerde goederen te verkopen tot verhaal van hun vordering;
  14. Anders dan City Entertainment stelt en de kantonrechter in juli 2015 heeft aangenomen hebben de kredietverleners zich nimmer verplicht om werkkapitaal aan City Entertainment te verstrekken;
  15. Uit de overeenkomst en schedule 9 en de definities blijkt juist dat het niet betreft werkkapitaal dat zou worden verstrekt door de kredietverleners, doch door derden;
  16. Er is op grond van het hiervoor gestelde geen sprake van wanprestatie;
  17. de kredietverleners hebben hun zorgplicht niet verzaakt;
  18. Uit de rechtspraak blijkt dat in casu er in maart 2016 geen sprake is van een opzegging welke naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was; uit de uitspraken van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 oktober 2010, van Gerechtshof Leeuwarden van 16 september 2008 en van het gerechtshof s-Gravenhage van 31 augustus 2010 blijkt dat het structureel niet nakomen van de betalingsverplichtingen door de kredietnemer, op zichzelf voldoende is voor een rechtsgeldige opzegging door de kredietgever; City Entertainment zou per 1 februari 2016 USD.6.342.461,01 afgelost moeten hebben, doch heeft op die datum slechts USD.2.950.578,52 afgelost en daardoor op die datum een achterstand van USD.3.745.383,74;
  19. De opzegging van het krediet is op grond van het hiervoor gestelde niet onrechtmatig.

5.2 City Entertainment en [eiser] hebben op het verweer gereageerd waarbij zij aanvoerden dat de kredietverleners met de executiehandelingen en dit verweer een verborgen appel uitlokken, namelijk een beoordeling van de rechtsvragen die aan de orde waren in de kortgedingzaak met arno. 152485. Ook is het in strijd met het ne bis in idem beginsel als die rechtsvragen in dit kort geding wederom ter beoordeling worden voorgelegd. De kantonrechter in de genoemde zaak heeft reeds gemotiveerd aangegeven waarom op de uitkomst van de bodemzaak gewacht moet worden. Voorts voeren zij aan dat het aangegeven saldo niet juist is. City Entertainment en [eiser] zijn verder bij hun stellingen en grondslag gebleven.

5.3 De kredietverleners hebben in reactie op het repliek aangegeven dat er geen sprake is van de schending van het ne bis in idem beginsel. Zij hebben zich aan het vonnis gehouden. Echter zijn na het vonnis nieuwe aflossingsafspraken gemaakt neergelegd in het arrangement welke is geaccepteerd door City Entertainment. Deze afspraken zijn niet nagekomen. De laatste betaling van City Entertainment dateert van juni 2014. Hierdoor mocht het krediet wel worden opgezegd. De kredietverleners verwijzen verder naar al hun weren in hun conclusie van antwoord en blijven bij hun verweer dat het opzeggen van het krediet en de aanzegging van de openbare verkoop rechtmatig zijn.

5.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt die is of de opzegging van het krediet en de aangezegde veiling als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Indien die vraag positief beantwoord moet worden zal de vordering tot schorsing van de opzegging en stopzetting van de veiling toegewezen moeten worden.

5.5 De kantonrechter overweegt dat het beroep van City Entertainment en [eiser] op het eerste vonnis van juli 2015 door de kredietverleners wordt betwist waarbij zij stellen dat het krediet wel mocht worden opgezegd. Immers hebben zij zich aan het vonnis gehouden en hebben zij met City Entertainment nieuwe betalingsafspraken gemaakt. Nu City Entertainment zich niet aan die afspraken heeft gehouden zijn er gronden om op te zeggen.

5.6 De kantonrechter overweegt dat, gelijk City Entertainment stelt, het ne bis in idem beginsel in die zin wel aan de orde is in dit kort geding voor zover gevraagd wordt om wederom een oordeel te geven over de vraag hoe schedule 9 geinterpreteerd moet worden. Nu partijen hun verschillende zienswijzen reeds ter beroordeling hebben voorgelegd aan de kantonrechter in de zaak met arno. 152485 zal die beoordeling in het onderhavig kort geding niet aan de orde kunnen komen, immers is de werking van dat vonnis niet gestaakt en staat dat vonnis nog recht overeind.

5.7 De kantonrechter is van oordeel dat, nu er na het vonnis nieuwe afspraken zijn gemaakt omtrent de aflossingen, de opzegging van het krediet wel opnieuw beoordeeld kan worden. Wat bij die beoordeling wel meegenomen moet worden is of de overwegingen van de kantonrechter in de zaak met arno. 152485 door de nieuwe omstandigheden niet meer gelden en of in casu gesproken kan worden van een opzegging die wel rechtmatig is.

5.8 De kantonrechter overweegt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de tweede opzegging een derhalve de volgende zaken meegenomen moeten worden: de rechtspraak die City Entertainment noemt, de rechtspraak die de kredietverleners noemen, hetgeen de kantonrechter in de zaak met arno. 152485 omtrent de opzegging van het krediet en de belangenafweging heeft beslist en de nieuwe omstandigheden, met name de nieuwe afspraken en het feit dat City Entertainment zich niet aan die nieuwe afspraken heeft gehouden.

5.9 Het kader waarbinnen de toets plaatsvindt van de rechtmatigheid van de tweede opzegging van het krediet is alsvolgt af te bakenen waarbij de hiervoor genoemde zaken worden meegenomen:

5.10 Het arrangement en de correspondentie daaromheen: overgelegd zijn:

  1. een mail van 11 augustus 2015 waarin City Entertainment toezegt dat hij maandelijks met ingang van september 2015 USD.20.000,= zal aflossen en indien de Casino operationeel wordt USD.40.000,=;
  2. Een schrijven d.d. 11 september 2015 waarin AIB, gedaagde sub A, aan City Entertainment meedeelt dat de aflossing van september niet heeft plaatsgevonden en dat dat neerkomt op een schending van de overeenkomst; in dat schrijven geeft zij aan dat zij alle rechten voorbehoud indien in de bodemprocedure en de appelprocedure in het voordeel van de kredietverleners zou worden beslist;
  3. Een schrijven van City Entertainment d.d. 20 oktober 2015 waarin zij aangeeft dat zij niet in staat was om de USD.20.000,= in september af te lossen en waarbij zij de redenen aangeeft, waaronder het feit wordt genoemd dat de in de dagbladen aangekondigde executie maatregelen een negatief hebben gehad op het vertrouwen van investeerders om met City Entertainment in zee te gaan; City Entertainment vraagt nog wat tijd, onder andere, omdat zij in gesprek is met andere investeerders;
  4. Een schrijven d.d. 26 oktober 2015 zijdens AIB Bank waarin zij City Entertainment onder de aandacht brengt dat zij, City Entertainment, zich aan de afspraken moet houden en waarin zij aangeeft dat, indien dat niet gebeurd, zij rechtsmaatregelen zal treffen; zij brengt ook in dit schrijven naar voren dat zij zich alle rechten voorbehoud indien in de rechtszaken in haar voordeel zal worden beslist;
  5. Een schrijven van 27 november 2015 van AIB Bank aan City Entertainment waarin bij City Entertainment onder de aandacht wordt gebracht dat zij de overeenkomst niet nakomt; zij wijst City Entertainment op het feit dat tevens de aflossingen per december 2015 hoger zullen zijn; zij voert voorts aan dat bij niet naleving van de overeenkomst rechtsmaatregelen getroffen zullen worden en dat zij zich alle rechten voorbehoud indien in de rechtszaken in haar voordeel zal worden beslist.

5.11 Het oordeel van de kantonrechter op 14 juli 2015 ten aanzien van de eerdere opzegging en de belangenafweging, neergelegd in rechtsoverweging 4.5 van dat vonnis luidende: “De overige omstandigheden in aanmerking nemende, te weten het feit dat het in casu om een lange termijn lening gaat waarmede een omvangrijk bedrag is gemoeid terwijl gedaagden zelf in gebreke zijn gebleven om de overeengekomen faciliteit inhoudende het ter beschikking stellen van een werkkapitaal ad. USD.500.000,= te effectueren, gerelateerd aan de getoonde wil zijdens eisers om aan hun terugbetalingsverplichtingen te voldoen, hetwelk zich heeft geopenbaard middels aflossingen (zij het niet voldoende), komt de kantonrechter tot de slotsom dat gedaagden tekort geschoten zijn in hun in acht te nemen zorgplicht jegens eisers. Daarenboven betreft het in casu een relatief jonge startende onderneming die – naar dezerzijds voorlopig oordeel – kennelijk wel toekomstperspectieven biedt. Eveneens slaat de kantonrechter acht op het feit dat gedaagden een lange termijn overeenkomst met eisers zijn aangegaan en derhalve – naar dezerzijds voorlopig oordeel – eisers in redelijkheid de gelegenheid dienen te bieden om de betalingsachterstand in te lopen . Tijdelijk tegenvallende resultaten zijn in de bedrijfsvoering niet altijd voorzienbaar en eveneens dient er rekening te worden gehouden met de belangen van de werknemers die in dienst zijn van eiseres sub A. Een redelijke en billijke belangenafweging leidt in casu tot de slotsom dat gedaagden onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld door de Long Term Facility zo snel na het aangaan op te zeggen, aangezien zij onvoldoende rekening hebben gehouden met de gerechtvaardigde belangen zijdens eisers. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn eisers, onder meer, door het niet ter beschikking stellen van het werkkapitaal zoals overeengekomen tussen partijen in een lastige financiele situatie beland voor wat betreft het voldoen aan hun aflossingsverplichtingen. Desondanks hebben zij zich inspanningen getroost om toch nog aan hun aflossingsverplichtingen te voldoen en biedt de dekking waar gedaagden over beschikken teneinde hun verhaalsaanspraken veilig te stellen – naar dezerzijds voorlopig oordeel – voldoende ruimte om niet te vrezen dat hun verhaalsaanspraken teloor zullen gaan, althans is hun vrees dienaangaande kennelijk ongegrond.”

5.12 De rechtspraak aangehaald door City Entertainment (Hof Arnhem: Rabobank/ Aarding) waarin onder andere is overwogen dat bij de vraag of de opzegging van een krediet onrechtmatig is meegenomen moet worden : “- de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie, – een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zal zijn of er voldoende dekking door zekerheid bestaat dan wel kan worden verleend en de mate van waarschijnlijkheid of en in welke omvang deze zal blijven bestaan (alles te stellen op de liquidatiewaarde), – het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer alsmede de mate waarin en de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie relevante omstandigheden, – of en in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten (bij voorbeeld door (structurele en/of ruime) overschrijding van de kredietlimiet), – de kans dat de onderneming van de kredietnemer, al of niet na reorganisatie of doorstart, zal overleven en de mate waarin de kredietnemer een reorganisatie heeft opgestart, – welke termijn de kredietnemer krijgt om een andere (huis-)bankier te zoeken en welke ernstige financiële problemen voor de kredietnemer (zullen) ontstaan indien hij zijn financieringsbehoefte niet op korte termijn elders kan onderbrengen, – de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of en in welke mate de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd, – of de bank door eigen gedragingen (zoals toelating van overschrijding van de kredietlimiet) verwachtingen heeft gewekt, – andere maatschappelijke belangen (waaronder het voorbestaan van werkgelegenheid).”

5.13 De rechtspraak genoemd door de kredietverleners waarin onder andere de volgende zaken over de rol van de redelijkheid en de billijkheid bij de opzegging van een krediet aan de orde komen:

5.14 Uitspraak van Rechtbank Zwolle/Lelystad van 25 oktober 2010:
“Ondanks het bestaan van de mogelijkheid tot opzegging met onmiddellijke opeisbaarheid – zoals neergelegd in artikel II 5 van de Algemene Bepalingen – kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.
Voor een bank geldt daarbij dat zij in verband met de maatschappelijke functie van banken zowel een bijzondere zorgplicht heeft jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Zie hieromtrent onder meer gerechtshof Arnhem 18 februari 2003, JOR 2003, 267.
Een en ander betekent dat een opzegging van de financiering van een onderneming in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.” En verder : “Het voorgaande in aanmerking genomen kon bij [eiser] c.s. niet de gerechtvaardigde verwachting bestaan dat de kredietovereenkomst ondanks voortzetting van de tegenvallende resultaten ongewijzigd zou worden voortgezet en kan de opzegging voor [eiser] c.s. na overlegging van de (tegenvallende) cijfers over 2009 niet zo onverwacht zijn geweest dat hij daarmee geen rekening diende te houden.Dat tegenover de geleende bedragen voldoende hypothecaire zekerheid staat, zoals [eiser] c.s. stelt, kan – wat daar verder ook van zij – gelet op de structureel tegenvallende bedrijfsresultaten niet tot het oordeel leiden dat de kredietovereenkomst onverkort diende te worden voortgezet. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat [eiser] c.s. tot op heden (vrijwel) binnen de limiet van het zakelijke krediet is gebleven. Dat [eiser] c.s. door de onmiddellijke opeising niet in de gelegenheid is geweest bij een andere bank herfinanciering te vinden brengt niet met zich dat Deutsche Bank het krediet niet onmiddellijk kon opeisen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat – zoals hiervoor is overwogen – de opzegging voor [eiser] c.s. na overlegging van de cijfers over 2009 geenszins als onverwacht kan worden aangemerkt. [eiser] c.s. had dus reeds in de loop van 2010 uit kunnen zien naar herfinanciering. Ter zitting is door [eiser] c.s. overigens ook aangegeven dat dit zonder succes geprobeerd is. Ook de omstandigheid dat de kredietfaciliteit pas 3,5 jaar bestaat en geen afspraak is gemaakt over het geleidelijk verlagen van de kredietfaciliteit brengt niet met zich mee dat onmiddellijke opeising van het krediet op gespannen voet staat met de bijzondere zorgplicht die Deutsche Bank heeft jegens [eiser] c.s. Het krediet is immers verstrekt in de redelijke verwachting dat de bedrijfsresultaten door samenwerking met een derde partij zouden verbeteren. Daarbij komt dat, zoals door de ABN AMRO c.s. ter zitting onbetwist is gesteld, door Deutsche Bank in overleg met [eiser] c.s. is geprobeerd tot een afbouw van het krediet te komen maar dat dit niet is gelukt. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de opzegging van de financiering aldus in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”

5.15 Uitspraak van het Hof s’Gravenhage van 31 augustus 2010 LJN BO 8527 :

5.16 “Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op grond van de toepasselijke algemene bankvoorwaarden – naar ook [appellant] erkent – een kredietrelatie als de onderhavige in beginsel te allen tijde door een bank kan worden opgezegd. Het staat een bank echter niet vrij dit naar willekeur te doen. Evenals bij andere duurovereenkomsten kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts dan tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Voor een bank geldt daarenboven dat zij in verband met de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Ook de reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Voor een kredietopzegging impliceert dit dat deze ten minste in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten slotte heeft te gelden dat de rechter de beslissing van de bank in beginsel terughoudend zal dienen te toetsen, omdat hij niet de plaats van bankier kan innemen.” En voorts “Gelet op deze gang van zaken en de tijdspanne waarbinnen deze zich heeft afgespeeld, kan niet gezegd worden dat Rabobank bij de uiteindelijk bij schrijven van 17 oktober 2005 geëffectueerde opzegging met onmiddellijke ingang, niet een redelijke termijn in acht heeft genomen of anderszins heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Een en ander rechtvaardigt evenmin de conclusie dat het handelen van Rabobank jegens [appellant] buiten proportioneel of anderszins in strijd met de op haar rustende zorgplicht moet worden geacht en/of dat [appellant] misbruik gemaakt zou hebben van haar bevoegdheid om de overeenkomst met [appellant] op te zeggen.”

5.17 De kantonrechter overweegt dat uit de rechtspraak aangevoerd door City Entertainment en de rechtspraak aangevoerd door de kredietverleners blijkt dat de omstandigheden van het geval steeds moeten worden beoordeeld alsvorens te kunnen concluderen of een opzegging rechtmatig is.

5.18 Naar het oordeel van de kantonrechter ging het in geen van de door de kredietverleners genoemde gevallen om een verwijt van de kredietnemer dat de kredietverstrekkers wanprestatie hadden gepleegd door een deel van het krediet niet te verstrekken. In de kredietrelatie tussen City Entertainment en de kredietverleners speelt dat wel. Ook speelt in de relatie tussen City Entertainment en de kredietverleners dat een voorzieningen rechter reeds heeft geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van wanprestatie zijdens de kredietverleners de uitspraak van de bodemrechter moet worden afgewacht en dat daarvoor vooralsnog de opzegging van het krediet welke plaatsvond in november 2012 werd opgeschort en de veilingen werden verboden.

5.19 De kantonrechter is van oordeel dat, uit de correspondentie rond het arrangement van augustus 2015 blijkt dat ook in die periode de executie handelingen van de kredietverleners door City Entertainment worden genoemd als oorzaak waardoor geplande investeringen of samenwerkingsverbanden geen voortgang hadden waardoor de aflossingen weer achterwege bleven.

5.20 De kantonrechter overweegt dat hiermee door City Entertainment op twee momenten een beroep wordt gedaan op het niet kunnen voldoen aan de verplichtingen als gevolg van handelingen of nalaten van de kredietverleners.

5.21 De kantonrechter is van oordeel dat uit de stellingen van City Entertainment aannemelijk wordt dat het niet kunnen voldoen aan de afspraken gemaakt in augustus 2015 sterk verband houdt met hetgeen aan het vonnis van 2015 vooraf is gegaan. In het kort komt het erop neer dat de slechte financiele positie van City Entertainment welke volgens haar te wijten is aan de wanprestatie, door heeft gewerkt na het arrangement en enigszins is verergerd door de publicatie van de executie maatregelen waarvan de kantonrechter in juli 2015 heeft geoordeeld dat deze onrechtmatig waren.

5.22 De kantonrechter is van oordeel dat op grond hiervan, gelijk City Entertainment stelt, het niet kunnen aflossen vanaf september 2015 niet had mogen worden aangewend als grond voor de opzegging in maart 2016.

5.23 De kantonrechter is van oordeel dat de beoordeling van de kantonrechter met betrekking tot de redelijke en billijke belangenafweging daarmee nog recht overeind staat en, zoals in dat vonnis is beslist, de beslissing in de bodemprocedure moet worden afgewacht.

5.24 De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor ook de tweede opzegging als onrechtmatig moet worden aangemerkt en daarom zal moeten worden opgeschort. Op grond van het hiervoor overwogene zullen de openbare verkopen tevens worden verboden. De vordering tot schorsing van de opzegging van het krediet zal worden toegewezen totdat in de bodemprocedure is beslist.

5.25 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de vorderingen voor de toekomst, dat zij die vorderingen niet zal kunnen beoordelen, immers staat niet vast welke omstandigheden zich in de toekomst zullen voordoen op grond waarvan een eventueel oordeel op grond van de huidige omstandigheden gevormd, op een moment in de toekomst niet meer op hoeft te gaan. Die vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

5.26 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de kredietverleners als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
In het incident:

6.1 Staat toe de gevraagde eiswijziging

In de hoofdzaak

6.1 Verbiedt de kredietverleners om over te gaan tot de openbare verkopen aangezegd bij:

  • exploit van 1 april 2016 met nummer 28 te houden op dinsdag 10 mei 2016 om 11.00 uur v.m. door en ten kantore van notaris mr. Merildo Ricardi Sanrochman, te Paramaribo, aan de Heerenstraat no. 7 met betrekking tot de daarin omschreven roerende en onroerende goederen,
  • exploit van 1 april 2016 met nummer 29 te houden op dinsdag 10 mei 2016 om 12.00 uur v.m. door en ten kantore van notaris mr. Merildo Ricardi Sanrochman, te Paramaribo, aan de Heerenstraat no. 7 met betrekking tot de daarin omschreven roerende en onroerende goederen,

6.2 Veroordeelt de kredietverleners tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000.000,= (eenmiljoen Surinaamse dollar) per keer, het maximum van SRD.10.000.000,= (tienmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere keer dat zij in strijd handelen met het verbod zoals onder 6.1 gesteld;

6.3 Schort op de gedane opzegging van de litigieuze Long Term Facility Agreement per exploit no. 21 en 22 van 10 maart 2016 totdat in de reeds lopende bodemprocedure bekend onder arno. 132527 uiteindelijk zal zijn beslist hieromtrent;

6.4 Veroordeelt de kredietverleners tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000.000,= (eenmiljoen Surinaamse dollar) per keer, het maximum van SRD.10.000.000,= (tienmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere keer dat zij in strijd handelen met het bepaalde onder 6.3;

6.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

6.6 veroordeelt de kredietverleners in de kosten van dit geding aan de zijde van City Entertainment en [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.659,= (zeshonderd negen en vijftig Surinaamse dollar);

6.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 9 mei 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-33

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-4065
25 oktober 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DIGICEL SURINAME N.V.,
kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: Digicel,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. M.T.M. Watchman, advocaten,

tegen

TELECOMMUNICATIE AUTORITEIT SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: TAS,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 05 oktober 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 08 oktober 2018;
  • de conclusie van antwoord en eis in reconventie, met producties d.d. 09 oktober 2018;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties d.d. 10 oktober 2018;
  • het mondeling afpleiten vanaf repliek in conventie d.d. 10 oktober 2018;
  • de rolbeschikking d.d. 12 oktober 2018;
  • de conclusie tot overlegging productie aan de zijde van TAS d.d. 15 oktober 2018;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van Digicel d.d. 16 oktober 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie

2.1 Bij Resolutie d.d. 03 april 2007 (overgelegd als productie 1 bij inleidend verzoekschrift) is aan Digicel conform artikel 9 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen (hierna afgekort WTV) een concessie verleend voor het aanleggen, ontwikkelen, in stand houden en exploiteren van telecommunicatie-infrastructuur ten behoeve van mobiele telecommunicatie in Suriname.In de Resolutie zijn onder II, voor zover voor de beslissing van belang,onder andere de volgende bepalingen opgenomen:
“(…) dat:

a. de concessiehouder, DIGICEL SURINAME N.V., in het algemeen overal in Suriname zijn diensten aanbiedt, doch in het bijzonder ook de verplichting heeft een bijdrage te leveren aan het ontsluiten van het binnenland;
b. de concessiehouder verplicht is ten minste in artikel 1 onder d bedoelde diensten zoals vastgesteld in de bijlage behorende bij resolutie van 10 maart 2007 (S.B. 2007 no. 35), te verzorgen;”

2.2 In oktober 2015 heeft TAS tijdens een door haar ingesteld onderzoek in het district Nickerie ontdekt dat er aan één der masten van Digicel apparatuur is aangetroffen welke niet geregistreerd staat in de database van TAS. Ter zake is er een rapport opgemaakt d.d. 29 oktober 2015 (overgelegd als productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie), in welk rapport onder het kopstuk “Opmerkingen” het volgende staat vermeld:“Mocht het geen wat is aangetroffen op waarheid berusten dan is Digicel illegaal bezig:

  1. ze hebben een illegale crossborder link opgezet
  2. de mogelijkheid bestaat dat zij via deze link verkeer afhandelen van en naar Guyana afhankelijk van de kosten gepaard met bandbreedte op de internationale verbindingen die zij afnemen bij Telesur en bij de Guyanese Incumbent
  3. zij kunnen via deze verbinding data diensten aanbieden in Suriname en in Guyana
  4. volgens Lacnic regels mag je geen ip adressen van een land gebruiken in een ander land, dit doet Digicel wel ze creeren een zogenaamde close user group.”

2.3 Naar aanleiding van het resultaat van het ingestelde onderzoek heeft TAS op 04 november 2015 een schrijven (overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie) aan Digicel gericht, in welk schrijven zij aan Digicel het verzoek doet haar informatie te verschaffen. Ter zake staat het volgende in het schrijven vermeld:“ Onlangs is bij controlewerkzaamheden door de TAS waargenomen, dat uw bedrijf in het district Nickerie op de mast aangegeven als Waterloo (SNK 009) verschillende schotels in gebruik heeft. Voor de TAS is niet geheel duidelijk met welke basestations de verschillende schotels in verbinding staan.Gaarne verzoeken wij u binnen 5 werkdagen na dagtekening van dit schrijven aan ons het volgende te melden:

  1. De verschillende schotels met de corresponderene basestations bij u in gebruik in het district Nickerie.
  2. De frequenties die in gebruik zijn bij de verschillende schotels als gemeld in punt 1 hierboven.”

Op 16 november 2015 heeft Digicel de gewenste informatie aan TAS verschaft.

2.4 Per schrijven d.d. 01 december 2015 (overgelegd als productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie) heeft TAS informatie aan Digicel gevraagd betreffende microwaveschotels in Nickerie, in welk schrijven het volgende staat vermeld:
“(…) In de informatie door u verstrekt, is opgenomen het basisstation met de code SGU001.In de database van de TAS is dit basisstation onbekend. Gaarne ontvangen wij verder informatie van u met betrekking tot dit basisstation, zoals de exacte locatie waar dit zich bevindt en met welke andere basisstations het in contact staat.Het komt de TAS voor dat dit basisstation gebruikt wordt om een link aan te leggen tussen een basisstation van uw bedrijf hier te lande met een basisstation te buurland Guyana. Indien zulks het geval is vragen wij u om binnen 1×24 uur deze microwaveverbinding uit te schakelen en de zend apparatuur te verwijderen, omdat de TAS nimmer toestemming aan u verleend heeft om met aan u toegekende microwavefrequenties verbindingen met basisstations in buurland Guyana te maken.Wij vragen u de bevestiging van de uitschakeling van deze link aan de TAS bekend te maken.”

2.5 Middels een schrijven d.d. 02 december 2015 (overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie) heeft Digicel het volgende aan TAS bericht:“ De microwavelink SGU 001 is opgezet vanuit de Digicel mast in Nickerie. (Site SNK 009) betreft een testverbinding tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana ter ondersteuning van de 3G ontwikkeling en redundancy.”

2.6 Op 07 december 2015 heeft Digicel schriftelijk toestemming aan TAS verzocht voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana, in welk verzoek (overgelegd als productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie) zij het volgende heeft vermeld: “Digicel Suriname N.V. (Digicel Suriname) vraagt hierbij toestemming voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana ter ondersteuning van de 3G ontwikkeling in Guyana. De technische details van voormelde microwavelink treft u op bijgesloten CD aan. De toestemming voor het opzetten van voormelde microwavelink is niet eerder aangevraagd vanwege het feit dat met Digicel Guyana is afgesproken dat deze aanvraag parallel gedaan zal worden bij de respectieve autoriteiten. Digicel Guyana heeft inmiddels het proces voor het aanvragen van de toestemming per heden ingezet.Tevens wordt het verzoek gedaan om de test microwavelink open te mogen houden gedurende de periode waarin de respectieve aanvragen in behandeling zijn. Digicel Suriname wenst gaarne in een onderhoud met de TAS de microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana nader toe te lichten, en doet hierbij het verzoek daartoe.”

2.7 In reactie op het hiervoor vermeld schrijven heeft TAS middels een exploot van de deurwaarder d.d. 12 januari 2016 het hierna volgende dwangbevel (overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie) aan Digicel doen betekenen: “Verwijzend naar uw brief van 7 december 2015 met referentie L&R5244/dec2015/js vragen wij uw aandacht voor het volgende.In uw schrijven voornoemd vraagt u toestemming voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana voor het ondersteunen van de 3G ontwikkelingen in Guyana. Ten aanzien van uw aanvraag kunnen wij u informeren dat wij reeds contact hebben gelegd met de toezichthouder van Guyana omtrent deze kwestie, aangezien de TAS geen eenzijdig besluit kan nemen.Wij delen u voorts mede, dat in afwachting op de afwikkeling van uw aanvraag uw bedrijf de microwavelink per onmiddellijk dient uit te schakelen en de apparatuur uit de mast dient te verwijderen en de TAS onverwijld hierover in kennis te stellen. Indien u nalaat binnen 24 uren melding te doen bij de TAS over het verwijderd hebben van de apparatuur uit de mast, zal de TAS maatregelen tegen uw bedrijf treffen en eveneens toe overgaan de apparatuur te doen verwijderen, waarbij alle gemaakte kosten in dit verband verhaald zullen worden op uw bedrijf.”

2.8 Op 13 januari 2016 heeft Digicel als volgt op het dwangbevel gereageerd:“Helaas kan Digicel vooralsnog geen gevolg geven aan uw verzoek om de microwave link uit te schakelen en de apparatuur uit de mast te verwijderen en wel om de volgende redenen:

  1. In voormelde brief wordt niet aangegeven welk feitelijk handelen van Digicel in strijd is met welke “vastgestelde regels of met ingevolge die regels opgelegde verplichtingen”. Voor de gegrondheid van dit verzoek is immers nodig dat Digicel in kennis wordt gesteld van welke vastgestelde regel zij in overtreding is.
  2. In eerdere gevoerde correspondentie bent u in kennis gesteld van de omstandigheden omtrent de microwave link in kwestie (Digicel verwijst naar haar brieven d.d. 16 november 2015, 2 december 2015 en 7 december 2015). Deze correspondentie en nadere mondelinge toelichting op 17 december 2015 heeft geleid tot een toezegging van u dat de huidige status gehandhaafd kon blijven, hangende de behandeling van verzoeken in Suriname en Guyana. Het vertrouwensbeginsel speelt hier een belangrijke rol.
  3. De abrupte onderbreking van de microwave link zal voor honderdduizenden abonnees in Guyana zodanig vergaande financiele en sociale gevolgen hebben, dat een voorzichtiger benadering van mogelijk bestaande problemen geeigend is.

Voorts ben ik ervan overtuigd dat Digicel Guyana met betrekking tot de microwave link zaken binnen afzienbare tijd in orde zal hebben en dat deze microwave link ondersteund zal worden door de relevante autoriteiten in Guyana.”

2.9 Op 22 maart 2016 richt TAS het hierna volgend schrijven (overgelegd als productie 11 bij conclusie van antwoord in conventie) aan Digicel:“Middels dit schrijven vragen wij uw aandacht voor het volgende.In de maand oktober 2015 heeft de TAS ontdekt dat Digicel Suriname zonder toestemming een crossborder link met Guyana heeft opgezet. Wij hebben verscheidene malen met u gecorrespondeerd over deze kwestie. Aangezien deze zaak een grensoverschrijdend karakter heeft hebben wij gemeend in overleg met de Ministeries van Transport, Communicatie en Toerisme en Buitenlandse Zaken dit aan te pallen. Wij informeren u hierbij dat wij nog in overleg zijn met de bovengenoemde ministeries, teneinde een gepast besluit te kunnen nemen.”

2.10 Op 07 mei 2018 heeft TAS gereageerd op het verzoek van Digicel van 07 december 2015 voor het opzetten van een microwavelink met Digicel Guyana, en wel als volgt:“ Verwijzend naar de aanvraag van Digicel Suriname van 7 december 2015 met referentie L&R/5244/dec2015/js betreffende toestemming voor het opzetten van een microwave link tussen Digicel Suriname en Digicel Suriname en de brief van de TAS van 22 maart 2016 met kenmerk Wnd. Dir/IB/secd/1600102 informeren wij u als volgt. De TAS heeft meermalen getracht afstemming te plegen met de counterpart in Guyana over het al dan niet verlenen van toestemming voor het opzetten van deze link. Echter hebben wij tot op heden geen positieve reactie ontvangen vanuit Guyana. Om deze rede zijn wij genoodzaakt uw aavraag af te wijzen en u te sommeren alle apparatuur welke ingezet wordt voor het onderhouden van deze microwave link per onmiddellijk uit te schakelen en te verwijderen.”

2.11 Vervolgens heeft TAS op 25 juni 2018 wederom een sommatievoor Digicel gestuurd, inhoudende onder meer het volgende:“Verwijzend naar de brief van de TAS van 7 mei 2018 met kenmerk Wnd. Dir/ML/DSU/1800333 informeren wij u als volgt.De TAS heeft u in voormeld schrijven aangemaand alle apparatuur welke ingezet wordt voor het onderhouden van een microwave link tussen Suriname en Guyana per onmiddellijk uit te schakelen en te verwijderen. Een inspectie door de TAS uitgevoerd op 9 juni 2018 heeft aangetoond dat de bedoelde microwave link nog steeds actief is.Wij sommeren u binnen 2×24 uur deze link uit te schakelen en alle betreffende apparatuur te verwijderen. Indien u nalaat zulks te doen zal de TAS onherroepelijk de apparatuur doen verwijderen, waarbij alle kosten en risico’s voor uw rekening zijn.”

2.12 Bij schrijven d.d. 26 juni 2018 heeft Digicel onder meer als volgt op de sommatie gereageerd:“ Voor de volledigheid breng ik u bij deze in herinnering de vraag die wij in onze brief van 13 januari 2016 hebben gesteld met betrekking tot het kennelijk door u gesignaleerd handelen van Digicel, “in strijd met de vastgestelde regels of met ingevolge die regels opgelegde verplichtingen.”. De TAS heeft niet gereageerd op de vraag die we hebben gesteld. Er is een voortdurend nalaten van de TAS om de specifieke grondslag aan te geven waaronder zij voornemens is te handelen. Bovendien heeft de TAS geen gelegenheid geboden aan Digicel om te reageren op het technisch rapport op basis waarvan TAS maatregelen neemt. Beide kwesties zijn vanuit bestuursrechtelijk oogpunt belangrijke procedurele tekortkomingen.In onze brief van 13 januari 2016 hebben wij tevens gewezen op het groeiende maatschappelijk en economisch belang in verband met de link in kwestie, welk belang bij te nemen maatregelen niet uit het oog verloren moet worden. In dit verband wordt de evenredigheid van de voorgenomen maatregelen in twijfel getrokken, aangezien de TAS geen klacht van haar counterpart in Guyana heeft vastgesteld met betrekking tot radiospectrum dat zich uitstrekt over de grens.De TAS heeft aangegeven dat zij inbreuk kan plegen op de eigendommen en apparatuur van Digicel als onderdeel van haar voorgenomen maatregelen. In het licht van de procedurele tekortkomingen in het proces, behoudt Digicel haar recht in deze kwestie en wenst de TAS op de hoogte te brengen dat het, indien nodig, haar rechten zal beschermen via het kantongerecht.”

2.13 Op 31 juli 2018 schreef National Frequency Management Unit van de Republiek Guyana het volgende aan de TAS:“3. The NFMU has not authorized U-Mobile (Cellulair) Inc. (Digicel Guyana) to operate a cross-border terrestrial link to Suriname.”

2.14 Op 12 september 2018 heeft TAS middels een schrijven aan Digicel een zendverbod opgelegd, in welk schrijven het volgende is verwoord:
“(…)
Verwijzend naar de correspondentie betreffende het onderwerpelijke en de recente meeting ten kantore van de TAS op 6 juli 2018 informeren wij u als volgt.Tijdens de voormelde meeting is aangegeven dat de TAS bericht vanuit Guyana en vanuit het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie zou afwachten alvorens op te treden. Intussen is na afstemming met de Guyanese overheid gebleken, dat er van Guyanese zijde geen toestemming is verleend aan Digicel Guyana noch aan Digicel Suriname voor het onderhouden van een grensoverschrijdende link met Suriname. Ook hebben wij u reeds bij schrijven van 7 mei 2018, referentie Wnd.Dir/ML/DSU/1800333 vanwege het uitblijven van een reactie van de spectrum regulator van Guyana uw verzoek tot het mogen onderhouden van de betreffende grensoverschrijdende link afgewezen. Ook een officiële reactie vanuit de spectrum regulator naar de TAS heeft duidelijk gemaakt, dat er geen toestemming vanuit Guyana is verleend aan Digicel voor het onderhouden van betreffende grensoverschrijdende link.Gelet op het bovenstaande concludeert TAS dat Digicel frequenties die door de TAS zijn uitgegeven aan Digicel illegaal heeft ingezet om een microwave verbinding op te bouwen tussen Suriname en Guyana. Op grond hiervan zijn wij genoodzaakt om op grond van artikel 87 lid 1 onder a van de Wet Telecommunicatievoorzieningen (S.B. 2004 no. 151) u een onmiddellijk zendverbod op te leggen om data te transporteren of op enigerlei wijze een verbinding door middel van radiofrequenties op te bouwen of in stand te houden met Guyana.Indien tijdens een inspectie mocht blijken, dat u geen gevolg heeft gegeven aan dit zendverbod zullen wij de apparatuur welke de verbinding met Guyana in stand houdt op uw kosten uitschakelen en de apparatuur verwijderen.”

2.15 Op 17 september 2018 heeft Digicel naar aanleiding van aan haar opgelegde zendverbod het volgende aan TAS kenbaar gemaakt:
“(….)
In uw brief van 12 spetmeber 2018 wordt echter niet uit de doeken gedaan op grond van welke, bij of krachtens de Wet Telecommunicatievoorzieningen (hierna: WTv) vastgestelde bepalingen er sprake zou zijn van enige illegaliteit. Dit is in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, nu bestuursbesluiten een deugdelijke en kenbare motivering dienen te behelzen en bovendien het rechtszekerheidsbeginsel dienen te waarborgen.Dienovereenkomstig verzoeken wij dat de TAS specificeert welke regels zij van mening is dat Digicel Suriname heeft geschonden en dat de TAS bevestigt dat zij Digicel een redelijke mogelijkheid zal bieden om zijn reactie te geven voordat verdere actie wordt ondernomen met betrekking tot deze kwestie.Er is geen sprake van enig illegaal handelen zijdens Digicel Suriname, daar zij als concessiehouder op grond van art. 18 WTv juist wel het recht heeft om diensten aan te bieden die internationale werking hebben. Bovendien rechtvaardigen ook de Radio Regulations (hierna: RR) van de International Telecommunication Union niet tot enig ingrijpen van de TAS, nu er in casu blijkens onderdeel 0.8 van de preambule van de RR, hoofdstuk I, paragraaf VII onderdeel 1.169 van de RR en Hoofdstuk II artikel 4 van de RR geen sprake is van (gestelde) “harmful interference” door Digicel Suriname in de frequenties van Guyana.Gezien het vorenstaande beschikt TAS niet over de bevoegdheid, noch over een wettelijke grondslag om aan Digicel Suriname een zendverbod op te leggen en om tegen haar bestuursdwang toe te pasen. Indien de TAS desondanks toch volhardt in haar besluit, dan zal Digicel Suriname genoodzaakt zijn om de daardoor ontstane schade, inclusief de gerechtelijke en buiten gerechtelijke kosten, volledig op de TAS te verhalen.Digicel Suriname vertrouwt erop dat met betrekking tot de microwave link Digicel Guyana alles in orde zal hebben en dat deze microwave link door de bevoegde autoriteiten in Guyana zal worden ondersteund.”

2.16 Op 02 oktober 2018 heeft TAS een schrijven aan Digicel gericht, waarin zij het volgende vermeld:
“(…)
Op 7 december 2015 heeft Digicel Suriname NV het verzoek gedaan voor het opzetten van de microwave link in kwestie tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana. Het feit dat er door uw bedrijf een verzoek hiertoe is gedaan bevestigt het gegeven en het besef uwerzijds dat er voor een dergelijke link toestemming van de TAS, als ook van de Guyanese toezichthouder, nodig is.In het schrijven van 12 januari 2016 heeft de TAS gereageerd op het verzoek van Digicel Suriname en aangegeven waar het geven van toestemming voor een dergelijke micorwave link afhangt. Aan het vereiste genoemd in die brief is nimmer voldaan, vandaar dat de toestemming ook niet gegeven kan worden. Uw opmerking dat het besluit van de TAS in strijd zou zijn met beginselen van behoorlijk bestuur raakt dan ook kant noch wal. Immers geeft u door het doen van een verzoek voor het opzetten van de microwave link zelf aan, dat zonder toestemming van de TAS deze link illegaal is.Niet tegenstaande het vorengaande wenst de TAS u ten overvloede te wijzen op het volgende.Uw verwijzing naar artikel 18 WTv is in deze volkomen misplaatst aangezien dit artikel juist de illegaliteit van de betreffende microwave link onderschrijft. Hier is door de wetgever immers uitdrukkelijk bepaalt dat het aanbieden van diensten slechts kan geschieden op grond van een vergunning van de TAS of op grond van een daartoe verstrekte concessie. De aan Digicel Suriname verstrekte concessie is onderhevig aan het bepaalde in de resolutie van 10 maart 2007 no. 1567/07, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat de verstrekte concessie betrekking heeft op telecommunicatie infrastructuur in Suriname bestemd voor de verzorging van mobile telecommunicatiediensten in Suriname.Derhalve beschikt Digicel ingevolge aritkel 18 WTv niet over de daartoe vereiste vergunning of concessie voor het opzetten en onderhouden van de gewraakte (grensoverschrijdende) microwave link met Digicel Guyana. Zoals reeds aangegeven is gebleken dat er ook vanuit Guyanese zijde hiertoe geen toestemming is gegeven.Mogelijke interventie als gevolg van deze microwave link is hier totaal niet aan de orde. Uw verwijzing naar de Radio Ragulations van de ITU is derhalve irrelevant.In tegenstelling tot hetgeen u, tegen beter weten in, beweert beschikt de TAS wel degelijk over de wettelijke bevoegdheid voor het opleggen van een zendverbod en indien nodig het toepassen van bestuursdwang, waaronder het verwijderen van de apparatuur op kosten van Digicel Suriname. Het opgelegd zendverbod, zoals aangegeven in de brief van 12 september 2018, wordt dan ook onverkort gehandhaafd. Eventuele schade aan de zijde van Digicel Suriname is het gevolg van illegaal handelen komt logischerwijs voor haar eigen rekening.”

2.17 In de avond van 04 oktober 2018 heeft TAS, met bijstand van de politie, het terrein van Digicel aan de Oost-West verbinding nabij plantage Waterloo in het district Nickerie betreden en heeft zij de radio apparatuur die behoort tot de infrasructur gedemonteerd en meegenomen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert Digicel, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

I) de besluiten d.d. 12 september 2018 en 2 oktober 2018 van TAS in hun werking te schorsen totdat er in de procedure ex artikel 82 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen, S.B. 2004 no. 151, onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de voorgenoemde besluiten;
II) TAS te gelasten de door haar geschonden toestand in de telecommunicatiemast van Digicel aan de Oost-West verbinding nabij de plantage Waterloo binnen twee uur na het wijzen van dit vonnis te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elk uur dat zij daarmee in gebreke blijft;
III) TAS te verbieden om ter zake de microwave link met Guyana ten opzichte van Digicel een zendverbod te handhaven, bestuursdwang toe te passen of enigerlei wijze handhavend op te treden totdat er in de procedure ex artikel 82 van de Wet Telcommunicatievoorzieningen, S.B. 2004 no. 151 onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de besluiten d.d. 12 september 2018 en
2 oktober 2018;
IV) veroordeling van TAS in de proceskosten.

3.2 Digicel legt aan haar vordering ten grondslag dat TAS in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur jegens haar handelt door onrechtmatig bestuursdwang toe te passen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten, het volgende:

  • zij is op grond van de aan haar verleende concessie ingevolge artikel 18 WTV bevoegd om de aan haar toebedeelde radiofrequenties in te zetten voor een internationale link met Guyana en is toestemming van TAS hiervoor dus niet vereist;
  • desondanks heeft TAS aan Digicel een niet bestaande procedure tot het verkrijgen van toestemming opgedrongen;
  • TAS heeft geen toestemming aan Digicel verleend voor een microwave link met Guyana;
  • het aan Digicel opgelegde zendverbod en aangezegde bestuursdwang is niet gestoeld op enige bepaling in WTV, ITU-verdrag;
  • TAS heeft in haar besluit d.d. 12 september 2018 verzuimd te vermelden met welke regels c.q. voorschriften Digicel in strijd heeft gehandeld;
  • TAS heeft de bestuursdwang uitgevoerd zonder de Procureur-Generaal erbij te betrekken;
  • TAS diende de aangekondigde bestuursdwang aan een termijn te koppelen, doch heeft dit nagelaten;
  • als gevolg van dit handelen lijdt Digicel schade, bestaande uit de kosten die zij zal moeten maken om de onrechtmatig ontmantelde radioapparatuur terug te plaatsen, gederfde winst en de kosten van juridische bijstand die zij heeft moeten betrekken.

Als spoedeisend belang stelt Digicel dat zij schade ondervindt in haar goodwill.

3.3 TAS heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert TAS om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • Digicel te verbieden gemelde gewraakte grensoverschrijdende microwave link met Guyana, of elke andere vergelijkbare link met Guyana, te (her)activeren zolang het aan haar door de TAS opgelegd zendverbod van kracht is, zulks ter verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ad SRD 100.000,- per dag voor iedere dag of keer dat Digicel in strijd met dit verbod handelt of een situatie welke in strijd is met dit verbod laat voortduren.

3.5 In reconventie legt TAS aan haar vordering ten grondslag dat Digicel in strijd blijft handelen met het aan haar opgelegde zendverbod.

3.6 In reconventie heeft Digicel verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 In conventie

4.1.1 Als uitgangspunt dient dat TAS op grond van artikel 84 WTV belast is met het toezicht houden op de naleving van de regels neergelegd in WTV en heeft zij tevens bevoegdheden tot handhaving van deze wet, bestaande uit respectievelijk het opleggen van bestuursdwang, last onder dwang, zendverbod en administratieve boete.Tevens dient als uitgangspunt dat de wetgever onderscheid maakt tussen:
a) het in beroep gaan tegen een besluit van TAS op grond van artikel 82 WTV, en b) het in verzet gaan tegen een dwangbevel in de zin van artikel 85 lid 5 WTV. De kantonrechter constateert dat Digicel vordert schorsing van de werking van de besluiten van TAS vervat in de brieven van respectievelijk 12 september 2018 en 02 oktober 2018. Uit de inhoud van de twee hiervoor vermelde brieven leidt de kantonrechter af dat daarin is vervat:

  • het besluit van TAS d.d. 07 mei 2018 op het verzoek van Digicel d.d. 07 december 2015 tot het verkrijgen van toestemming voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana ter ondersteuning van de 3G ontwikkeling in Guyana, welk besluit inhoudt een afwijzing van TAS op het hiervoor bedoelde verzoek;
  • de constatering van TAS dat Digicel zonder toestemming de hiervoor bedoelde microwavelink heeft opgezet en dat TAS op grond van deze constatering aan Digicel het zendverbod zoals neergelegd in artikel 87 lid 1 WTV heeft opgelegd.

4.1.2 Tussen partijen bestaat er een geschil over de beantwoording van de vraag of Digicel voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana toestemming van TAS behoeft.
Uit het feitenrelaas en de inhoud van de ten processe door partijen overgelegde producties leidt de kantonrechter af dat TAS sedert oktober 2015 heeft geconstateerd dat Digicel de bedoelde microwavelink had opgezet en Digicel reeds met testverbindingen was gestart, zonder TAS hiervan vooraf in kennis te hebben gesteld en zonder TAS vooraf toestemming hiervoor te hebben gevraagd. Sedertdien is Digicel meerdere malen door TAS gesommeerd om de testverbindingen met Digicel Guyana stop te zetten, totdat zij toestemming ter zake van TAS zou verkrijgen. Ondanks de vele sommaties en het opgelegde dwangbevel van 12 januari 2016 is Digicel ongestoord verder gegaan met de testverbindingen, zich nadien op het standpunt stellende dat zij op grond van de aan haar verleende concessie geen toestemming van TAS behoeft voor de microwavelink met Digicel Guyana.TAS daarentegen stelt zich op het standpunt dat de aan Digicel verleende concessie zich slechts strekt voor het Surinaams grondgebied.De kantonrechter constateert dat ondanks Digicel zich reeds in een eerder stadium op een ander standpunt stelde en TAS haar op 07 mei 2018 heeft medegedeeld dat haar geen toestemming wordt verleend voor het opzetten van de microwavelink met Digicel Guyana, zij niet tegen dit besluit van TAS is opgekomen. Het had op de weg van Digicel gelegen om eerst tegen dat besluit op te komen, en wel binnen twee maanden nadat het besluit haar ter kennis was gebracht. Digicel diende dus op uiterlijk 08 juli 2018 tegen dat besluit van TAS in beroep te gaan bij de kantonrechter. Dit, op grond van artikel 82 WTV, welk artikel onder meer als volgt luidt:

  1. “Degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een op grond van deze wet genomen besluit, dat geen algemeen verbindende regels bevat, met uitzondering van die welke betrekking hebben op een aanwijzing van overheidsorganen of diensten als bedoeld in artikel 56, kan daartegen binnen twee maanden na de datum van toezending van het genomen besluit, beroep instellen bij de kantonrechter.
  2. Tegen de uitspraak van de kantonrechter staat hoger beroep open.”

Nu Digicel niet in beroep tegen het besluit van TAS van 07 mei 2018 is gegaan heeft dit besluit naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter reeds kracht van gewijsde, zodat voor de kantonrechter aannemelijk is dat Digicel wel toestemming behoeft van TAS voor het opzetten van de microwavelink met Digicel Guyana. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat indien Digicel geen toestemming nodig had zij zulks niet aan TAS zou hebben verzocht op 07 december 2015.

4.1.3 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1.2 is overwogen, is voor de kantonrechter aannemelijk dat Digicel de aan haar verleende concessie heeft overtreden, in die zin dat zij zonder toestemming van TAS de microwavelink, zijnde een radioelectromagnetische zendinrichting, met Digicel Guyana heeft opgezet. In dat licht heeft TAS de dwangmaatregelen van bestuursdwang en het gedeeltelijk verzendverbod aan Digicel opgelegd.De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van Digicel dat zij ook opkomt tegen de hiervoor door TAS opgelegde en reeds door TAS tenuitvoergelegde dwangmaatregelen.Zoals reeds hiervoor onder 4.1.1 is overwogen kan een overtreder ingevolge artikel 85 lid 5 WTV binnen zes weken na betekening van een dwangbevel daartegen in verzet bij de kantonrechter en niet op grond van artikel 82 WTV. Voor de kantonrechter zal daarom 85 lid 5 WTV als uitgangspunt dienen.TAS heeft opgeworpen dat zij het dwangbevel op 12 januari 2016 aan Digicel heeft betekend, hetgeen zij heeft gestaafd middels overlegging van een fotokopie van het exploit van betekening en is dit niet door Digicel weersproken. Het voorgaande in onderling samenhang gelezen en beschouwd, brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat Digicel op uiterlijk 26 februari 2016 verzet tegen deze dwangmaatregel diende aan te wenden en aldus tardief is in het verzet. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat TAS, met de betekening van het dwangbevel per exploit van een deurwaarder, een executoriale titel in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft verkregen. Dit blijkt uit het bepaalde in artikel 85 lid 5 WTV lid 4, welk artikel onder meer als volgt luidt: “ Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaarders exploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.”. De kantonrechter benadrukt dat indien Digicel binnen de bij wet gestelde termijn het verzet zou hebben aangewend, dit op grond van artikel 85 lid 6 WTV zou hebben geleid tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

4.1.4 Voor wat betreft het aan Digicel opgelegde zendverbod, welke gedeeltelijk is en niet geldt voor het verlenen van mobiele diensten op Surinaams grondgebied, staat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen beroep of verzet daartegen open, omdat zendverbod een dwangmaatregel is ter handhaving van de wetgeving. Dat beroep of verzet tegen deze dwangmaatregel niet mogelijk is, leidt de kantonrechter af uit artikel 87 lid 2 WTV. Met name is daarin het volgende bepaald: “De houder van een telecommunicatie-inrichting ten aanzien waarvan een dwangmaatregel als bedoeld in lid 1 onder a of b van dit artikel is genomen, is verplicht deze dwangmaatregel na te leven dan wel te gedogen.”

4.1.5 Met de onderhavige vordering beoogt Digicel, met het beroep op schending van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en het onbevoegd optreden van de politie, het terugdraaien van de door TAS opgelegde dwangmiddelen, zodat zij de verbinding van de microwavelink met Digicel Guyana kan blijven voortzetten. Nu deze dwangmaatregelen reeds ten uitvoer zijn gelegd en terugdraaien van deze maatregelen niet meer mogelijk is, behoeven deze stellingen van Digicel en het verweer van TAS hierop in de onderhavige procedure geen bespreking. Het terugdraaien van de opgelegde dwangmiddelen zou immers betekenen het gedogen van de door TAS bij Digicel geconstateerde overtreding. Ingeval Digicel meent schade te hebben geleden door het handelen van TAS, dan bestaat voor haar de mogelijkheid de door haar vermeend geleden schade via een andere procedure op TAS te verhalen.

4.1.6 Gelet op al hetgeen hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.5 is overwogen, zullen de door Digicel gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.2 In reconventie

4.2.1 Digicel heeft opgeworpen dat TAS heeft nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang van de door haar gevraagde voorziening is. Anders dan Digicel is de kantonrechter van oordeel dat TAS wel het spoedeisend belang heeft gesteld. Met name heeft TAS gesteld dat zij heeft kunnen waarnemen dat Digicel op 08 oktober 2018 in de betreffende mast van Digicel, van waar de apparatuur door TAS was verwijderd, nabij Waterloo weer apparatuur heeft gemonteerd met de kennelijke bedoeling om de illegale grensoverschrijdende link met Guyana te heractiveren. De kantonrechter acht deze stelling voldoende aannemelijk en zal TAS daarom worden ontvangen in het kort geding.

4.2.2 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de hierna volgende overwegingen de door TAS gevraagde voorziening niet kan worden toegewezen.TAS is, zoals zij zelf heeft gesteld, ingevolge artikel 84 WTV belast met het houden van toezicht op de naleving van de wettelijke regels de telecommunicatievoorzieningen rakende. Uit hoofde van haar toezichthoudende taak heeft TAS bestuursrechtelijke middelen (bestuursdwang, last onder dwangsom, zendverbod en administratieve boete) en strafrechtelijke middelen om de wettelijke regels te handhaven. Het opleggen van een zendverbod is een bestuursrechtelijke middel en kan slechts door TAS worden opgelegd. Indien dat bestuursrechtelijk middel of een andere bestuursrechtelijke middel, minder effectief of niet effectief blijkt te zijn om een overtreder te dwingen tot naleving van de regels, dan heeft TAS ingevolge WTV nog de strafrechtelijke middelen (strafrecht) als ultimum remedium.

4.2.3 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.2 is overwogen, zal de door TAS gevraagde voorziening worden geweigerd.

4.2.4 TAS zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie
De kantonrechter:

5.1 In conventie

5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt Digicel in de proceskosten aan de zijde van TAS gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie

5.2.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2.2 Veroordeelt TAS in de proceskosten aan de zijde van Digicel gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op donderdag 25 oktober 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2019-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-3633
3 oktober 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser], thans ingesloten in de Penitentiaire Inrichting Santo Boma, domicilie kiezend aan de Cayottestraat 51 te Paramaribo, ten kantore van mr. Ch. Algoe, advocaat,
eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, in deze het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, jurist bij het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 19 september 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met de producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 23 september 2019;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is op 13 december 2016 in verzekering gesteld ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit en bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 2 november 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur vier jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht met een geldboete van SRD 5.000, – subsidiair een maand hechtenis.

2.2 Eiser heeft twee-derde deel van zijn straf uitgezeten. In een schrijven van 9 september 2019 stelt eiser de minister van Justitie en Politie in gebreke en sommeert de minister hem in aanmerking te doen komen voor Voorwaardelijke Invrijheidstelling.

2.3 Eiser heeft de boete ad SRD 5.000, – aan gedaagde voldaan.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – samengevat – om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen:

  1. om binnen 24 uur na vonniswijzing c.q. binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn eiser fysiek in vrijheid te stellen op grond van artikel 29, zonder toepassing van artikel 30a lid 1 sub g, e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van SRD 25.000, – voor elk uur dat gedaagde in strijd hiermee handelt;
  2. in de kosten van het proces waaronder de advocaatkosten voorlopig begroot op SRD 5.000, -.

3.2 Eiser legt kort gezegd aan zijn vordering ten grondslag dat hij reeds twee-derde van zijn straf heeft uitgezeten maar nog niet is geïnformeerd over een op hem van toepassing zijnde voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna V.I.). Ook na ingebrekestelling en sommatie van de minister van Justitie en Politie heeft eiser geen bericht ontvangen van de V.I. Commissie. Eiser zit reeds langer dan een maand onrechtmatig vast. Gedaagde handelt in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel jegens eiser.

3.3 Gedaagde voert verweer en stelt kort gezegd dat een V.I. niet vanzelfsprekend en dus niet altijd verleend wordt. De V.I. Commissie heeft in haar vergadering van 3 september 2019 beslist tot afwijzing, omdat eiser een plan tot ontvluchting heeft beraamd en een mobiele telefoon in zijn bezit had. Gedaagde treft daarom geen verwijt van schending van Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur. Tenslotte concludeert gedaagde tot niet ontvankelijkheid van eiser of afwijzing van het gevorderde. Voor zover van belang wordt hierna op het verweer teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter leest de verwijzing naar het A.R. nummer van de onderhavige zaak in de aanhef van de conclusies van antwoord, repliek en dupliek verbeterd, in plaats van A.R. No. 19-2544 wordt A.R. No. 19-3633 gelezen.

4.3 Eiser stelt dat gedaagde geen rekening houdt met zijn rechten, omdat de V.I. Commissie geen advies over zijn invrijheidstelling uitreikt. Op grond van artikel 29 Sr en rekening houdend met zijn belangen en zijn vrijheid, zo stelt eiser, heeft hij geen keus dan de kortgedingrechter te benaderen. Zijn stelling onderbouwt eiser met vonnissen gewezen door de kortgedingrechter in de zaken A.R. No. 18-3346 d.d. 17 augustus 2018 en A.R. No. 18-4413 d.d. 1 november 2018, in welke gevallen de kortgedingrechter de Staat onder meer heeft veroordeeld om het nodige te verrichten met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van de eiser. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat grondslag van de vordering in de onderhavige zaak niet identiek is aan de grondslagen in de aangehaalde zaken.

4.4 De kantonrechter overweegt allereerst dat eiser in de onderhavige zaak de kortgedingrechter kennelijk als restrechter heeft benaderd. Artikel 33 lid 3 Sr (Wet van 30 maart 2015, S.B. 2015 no. 44) bepaalt dat de veroordeelde tegen beslissingen als bedoeld in artikel 30, 30a en 31 een bezwaarschrift kan indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Artikel 33a bepaalt dat het Openbaar Ministerie na ontvangst van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 33 de veroordeelde ten spoedigste dagvaardt nadat het bezwaarschrift door de griffier in zijn handen is gesteld. In de Memorie van Toelichting is nog eens bevestigd dat in artikel 33a Sr de bezwaarschriftprocedure is geregeld. De kantonrechter overweegt voorts dat indien aan de veroordeelde geen beslissing tot invrijheidstelling is betekend op de dag dat hij ex artikel 29 Sr in vrijheid had moeten worden gesteld, de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geacht te zijn geweigerd, zie artikel 33 lid 1 Sr.

4.5 Anders dan het kennelijk uitgangspunt van de kortgedingrechter bij de hiervoor onder 4.3 vermelde uitspraken, heeft het Hof van Justitie in zijn recente uitspraak van 17 juli 2019 de vraag welk gerecht beslist over een bezwaarschrift in het geval van een al dan niet stilzwijgende weigering tot voorwaardelijke invrijheidstelling als volgt beantwoord:

“Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 [artikel 33 Sr] heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische beslissing van dit artikel met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd.”

4.6 Aldus biedt naar het oordeel van het Hof het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr een veroordeelde ter bescherming van zijn rechten voldoende mogelijkheid om een bezwaarschrift bij de strafrechter in te dienen ingeval van weigering, uitstel of het achterwege blijven van de V.I. Een eisende partij in kort geding zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, nu de aangewezen rechter dan wel het gerecht hem voldoende rechtsbescherming biedt. Op grond van de bestaande rechtsgang voor het indienen van een bezwaarschrift, zal eiser niet ontvankelijk verklaard worden in de gevraagde voorzieningen in kort geding.

4.7 De overige standpunten van partijen behoeven geen bespreking, omdat deze tot geen andere uitkomst zullen leiden in de onderhavige zaak.

4.8 Eiser zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verklaart eiser niet-ontvankelijk in de gevraagde voorzieningen.
5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op donderdag 3 oktober 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 lid 3 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van [verzoeker],
verblijfhoudende in het district Wanica,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat.

1.Het proces-verloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen.
1.1 het bezwaarschrift met bijbehorende producties gedateerd 20 juni 2019, strekkende tot voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker.
1.2 Bij beschikking van het Hof d.d. 8 juli 2019, is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van Justitie van 17 juli 2019 om 09.30 uur des voormiddags;
1.3 Het proces-verbaal gedateerd 8 juli 2019 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof van Justitie;
1.4 De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1 Verzoeker is op 6 mei 2008 aangehouden en in verzekering gesteld wegens doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 Sr.
2.2 Verzoeker is bij vonnis van de kantonrechter in het derde kanton d.d. 31 maart 2009 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 Sr.
2.3 Het Hof van Justitie heeft op 30 januari 2014 het vonnis van de kantonrechter in het derde kanton, op 31 maart 2009 gewezen en uitgesproken tegen verzoeker bevestigd.

3. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt dat hij op of omstreeks 5 mei 2018 reeds tweederde (⅔) deel van zijn opgelegde straf had uitgezeten en dat hij op grond van artikel 29 Sr. in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Verzoeker stelt voorts dat aan hem werd overhandigd een adviesbrief gedateerd 2 mei 2018 van de directeur van de inrichting alwaar hij is ingesloten, inhoudende dat de VI-adviescommissie heeft geadviseerd om de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker 9 (negen) maanden aan te houden vanwege enkele tuchtstraffen ter zake bezit van geld, simkaart, mobiel toestel en marihuana. Volgens verzoeker kan hieruit worden geconcludeerd dat de minister van Justitie en Politie, voornemens was de VI toe te wijzen, en dat de VI wegens genoemd bezit van geld, simkaart, mobiel toestel en marihuana werd aangehouden. Verzoeker erkent in het bezit te zijn geweest van een simkaart en geld, maar ontkent bezit van een mobiel toestel en marihuana. Verzoeker stelt dat hij na ontvangst van deze adviesbrief in de veronderstelling verkeerde dat hij na de 9 maanden in aanmerking zou komen voor VI. Bij adviesbrief van 25 januari 2019 is aan verzoeker meegedeeld dat de VI-commissie heeft geadviseerd om zijn VI af te wijzen wegens artikel 30a lid 1 sub g, te weten het delict zoals omschreven in artikel 347 Sr. Jegens verzoeker is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel omdat aan hem de toezegging was gedaan dat aan hem VI zou worden verleend bij goed gedrag. Verzoeker heeft gerechtvaardigd daarop vertrouwd. Aan verzoeker is nimmer een beslissing van de Minister als bedoeld in artikel 33 Sr. verstrekt. Verzoeker benadrukt dat de adviesbrief van de directeur van de inrichting geen beslissing is van de Minister en heeft derhalve geen rechtskracht. Aan verzoeker is ook geen raadsman toegevoegd, om binnen de in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde termijn van 14 dagen een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen. Hem is slechts gezegd dat de commissie afwijzend heeft geadviseerd op zijn VI en dat hij maar moet wachten.

Ten einde raad is verzoeker gestart met een kortgedingprocedure tegen de Staat.

Bij vonnis gedateerd 18 maart 2019, heeft de kortgedingrechter overwogen dat in VI gevallen de bezwaarschriftprocedure bij de strafrechter moet worden bewandeld. Op 20 mei 2019, bedoeld wordt 20 juni 2019, heeft verzoeker na ontvangst van het vonnis van de kortgedingrechter onderhavig bezwaarschrift ingediend. Verzoeker kan derhalve, op grond van redelijkheid en billijkheid zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet vastgepind worden aan de in het derde lid van artikel 33 Sr. genoemde termijn van 14 dagen om een bezwaarschrift in te dienen. Verzoeker verwijst naar de Memorie van Toelichting waarin staat vermeld dat de rechter de termijn naar redelijkheid en billijkheid zal toepassen en derhalve niet vast zal pinnen aan de genoemde twee weken.

Verzoeker stelt verder dat hij onherroepelijk is veroordeeld in het jaar 2014. Volgens verzoeker kan de wet van 2015, (het Hof begrijpt de gewijzigde VI-regeling in het Wetboek van Strafrecht van 2015) vanwege het op het legaliteitsbeginsel gebaseerde verbod van terugwerkende kracht niet op hem van toepassing zijn. Toen verzoeker anno 2014 werd berecht en onherroepelijk werd veroordeeld was er nog geen verbod met betrekking tot het toekennen van VI aan veroordeelden van halsmisdrijven. Verzoeker destilleert dit verbod uit artikel 30a lid 1 onder g, althans zo vat het Hof dit op.

Verzoeker stelt zich ook op het standpunt dat het legaliteitsbeginsel tevens inhoudt dat bij verandering van wetgeving, de voor de verdachte meest gunstige bepalingen worden toegepast, met dien verstande dat gevallen van vóór maart 2015 niet vallen onder de huidige VI-wetgeving. Het Hof begrijpt hieruit dat volgens verzoeker de in 2015 gewijzigde VI-regeling ongunstiger is voor hem dan de vóór de wijziging geldende regeling.

Verzoeker beroept zich er verder op dat ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld en legt een lijst met namen over van wegens moord c.q. doodslag veroordeelde personen die in 2015 en 2016, ondanks de bepaling van artikel 30a lid 1 onder g in aanmerking zijn gekomen voor VI.

4.Het standpunt van de Waarnemend Procureur-generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft het Hof primair gevraagd verzoeker niet te ontvangen in zijn bezwaarschrift, nu de adviesbrieven van de directeur van de inrichting geen beslissingen noch beschikkingen zijn en zijn die ook niet betekend aan verzoeker. In casu is er geen beslissing van de Minister. Gelet op artikel 33 lid 1 Sr. wordt het verzoek in dit geval geacht te zijn geweigerd. In de MvT op de wet is aangegeven, dat de termijn van 14 dagen naar redelijkheid en billijkheid dient te worden geïnterpreteerd. De eerste brief is gedateerd 2 mei 2018 en de tweede is gedateerd 22 januari 2019. Het bezwaarschrift is na ruim een jaar ingediend, zodat verzoeker tardief is.

Ten aanzien van het door verzoeker gedane beroep op schending van het legaliteitsbeginsel merkt de waarnemend Procureur-Generaal op dat het in artikel 1 lid 1 Sr. vervatte legaliteitsbeginsel betrekking heeft op de delictsomschrijving en de strafbedreiging. De artikelen 28, 29 en 30 Sr. hebben geen betrekking op strafbepalingen en is daarom in deze het legaliteitsbeginsel niet geschonden.

Het door verzoeker gedane beroep op de bepaling van artikel 1 lid 3 Sr. inhoudende dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast, gaat niet op omdat het in deze bepaling gaat om een verdachte en niet een onherroepelijk veroordeelde, zoals in het geval van verzoeker. De waarnemend Procureur-Generaal verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, NJ 2012, 78.

Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel merkt de waarnemend Procureur-Generaal op, dat in het schrijven van de directeur van de inrichting de VI voor 9 maanden was aangehouden terwijl daarin niet is aangegeven dat verzoeker na 9 maanden in aanmerking moest komen voor VI. Conform artikel 30a lid 2 Sr. kan de VI telkens opnieuw worden uitgesteld of achterwege blijven. In casu is gebruik gemaakt van een bevoegdheid genoemd in de wet.

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de door verzoeker overgelegde lijst wegens moord c.q. doodslag onherroepelijk veroordeelden verwijst de waarnemend Procureur-Generaal naar artikel 30 lid 1 onder g Sr., inhoudende de uitzonderingen op de regel dat de onherroepelijk veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer deze ⅔ deel van de opgelegde straf heeft ondergaan. Bij de toewijzing van de VI in de door verzoeker bedoelde veroordelingen wegens moord c.q. doodslag is dit gedeelte betreffende de uitzonderingsdelicten over het hoofd gezien. De wetgever heeft met betrekking tot genoemde delicten bepaald dat men voor deze delicten niet in aanmerking komt voor VI. Het door verzoeker gestelde gaat dus niet op.

Subsidiair concludeert de waarnemend Procureur-Generaal tot afwijzing van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1 De bevoegdheid van het Hof

Artikel 33 lid 3 Sr luidt alsvolgt:
“De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld”.

Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.

Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift “bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd” moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd.

Nu uit het onderzoek is gebleken dat het Hof van Justitie op 30 januari 2014 het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, op 31 maart 2009 gewezen en uitgesproken tegen verzoeker waarbij verzoeker is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 Sr. heeft bevestigd, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het namens verzoeker ingediende bezwaarschrift.

5.2 Ten overvloede merkt het Hof op dat in geval van een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf door de Kantonrechter, de Kantonrechter uitsluitend bevoegd is voor de behandeling van het hier bedoelde bezwaarschrift tegen welke beslissing van de Kantonrechter er geen beroepsmogelijkheid open staat.

5.3 Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.4 Ontvankelijkheid verzoeker
Ingevolge artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (VI-verlening onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel VI casu quo weigering VI) en 31 Sr (herroeping VI). De hierboven aangehaalde brieven van de directeur van de inrichting betreffen geen beslissingen als bedoeld in artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling van verzoeker, te weten 6 mei 2008, had verzoeker op of omstreeks 6 mei 2018 reeds tweederde deel van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf uitgezeten. Na ontvangst van de brief van 2 mei 2018 van de directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting heeft verzoeker in de veronderstelling verkeerd dat zijn VI voor de periode van 9 maanden was aangehouden. Vervolgens werd aan verzoeker bij schrijven d.d. 25 januari 2019 van bedoelde directeur meegedeeld dat op de VI-vergadering van 22 januari 2019 is geadviseerd om zijn VI af te wijzen op grond van artikel 30a lid 1 sub g Sr.

Blijkens een door verzoeker overgelegd vonnis van de kantonrechter in kort geding van 18 maart 2019 heeft de kantonrechter de verzoeker niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering om de Staat, lees de Minister van Justitie en Politie, te veroordelen om verzoeker voorwaardelijk in vrijheid te stellen, nu het bepaalde in artikel 33 Sr. een veroordeelde, in casu verzoeker, ter bescherming van zijn rechten voldoende mogelijkheid biedt om een met redenen omkleed bezwaarschrift bij de strafrechter in te dienen ingeval van weigering, uitstel of het achterwege blijven van de VI. Daarbij heeft de kortgedingrechter overwogen dat de wetgever rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat niet elke beslissing kan worden betekend, waarbij met name wordt gedacht aan de fictieve weigering als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid van artikel 33 Sr. en – verwijzend naar de Memorie van Toelichting – dat het voor de hand ligt dat de rechter de termijn van veertien dagen in die gevallen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren. Verzoeker stelt in de nadere toelichting dat na ontvangst van het vonnis van de kortgedingrechter onderhavig bezwaarschrift ex artikel 33 Sr. is ingediend op 20 juni 2019.

Gelet op het hiervoren overwogene is naar redelijkheid en billijkheid voldaan aan de voor indiening van een bezwaarschrift gestelde termijn van veertien dagen. Verzoeker is derhalve ontvankelijk in het bezwaarschrift.

5.5 Het vertrouwensbeginsel
Met betrekking tot het door verzoeker gedaan beroep op het vertrouwensbeginsel merkt het Hof op dat uit het schrijven van de directeur van de Penitentiaire Inrichting betreffende advies om zijn VI met 9 maanden aan te houden, verzoeker niet zonder meer erop mocht vertrouwen dat hij na die periode van 9 maanden voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld, omdat ingevolge artikel 30a lid 2 Sr. de VI op grond van het bepaalde in lid 1 van genoemd artikel, telkens opnieuw met een bepaalde termijn kan worden uitgesteld, dan wel achterwege kan blijven.

5.6 Het legaliteitsbeginsel
Het Hof gaat voorbij aan het door verzoeker gedaan beroep op het verbod van terugwerking van het in 2015 gewijzigde Wetboek van Strafrecht en de daarmee gepaard gaande wijziging van de VI-regeling op onherroepelijke veroordelingen op grond van het legaliteitsbeginsel.

Het Hof is het eens met de waarnemend Procureur-Generaal dat het in artikel 1 lid 1 Sr. vervatte legaliteitsbeginsel op de eerste plaats betrekking heeft op de strafbepalingen, dus op de delictsomschrijving en de strafbedreiging.

“Het verbod van terugwerkende kracht geldt, ook gelet op de tekst van art. 1 lid 1 Sr, niet zonder meer voor andere voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid die niet zijn terug te voeren op strafbaarstellingen of strafbedreigingen”, aldus ook prof. Mr. J. de Hullu in de zesde druk (2015) van zijn Materieel Strafrecht op blz. 91.

5.7 Toepassing gunstigste bepaling bij verandering van Wetgeving
Het Hof is het eveneens eens met de waarnemend Procureur-Generaal die, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 juli 2011, NJ 2012, nr. 78, stelt dat het namens verzoeker gedaan beroep op artikel 1 lid 3 Sr., inhoudende dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast, niet opgaat. Artikel 1 lid 3 Sr. heeft betrekking op een verdachte en in casu betreft het een onherroepelijk veroordeelde. Daargelaten de vraag of de vóór de wijziging in 2015 geldende VI regeling gunstiger is voor verzoeker, zoals is beweerd door verzoeker.

5.8 Het gelijkheidsbeginsel
Het Hof kan in zoverre meegaan met het namens verzoeker gedaan beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat het onbegrijpelijk is dat in het tweede schrijven van de directeur van de Penitentiaire Inrichting d.d. 25 januari 2019 aan verzoeker wordt meegedeeld dat geadviseerd is om zijn VI af te wijzen wegens artikel 30a lid 1 sub g Sr., terwijl door de waarnemend Procureur-Generaal niet weersproken is dat ook na de wijziging van de VI-regeling in het Wetboek van Strafrecht in 2015, personen die onherroepelijk waren veroordeeld terzake van de in artikel 30a lid 1 sub g Sr. genoemde strafbare feiten, voor VI in aanmerking zijn gekomen, zoals blijkt uit een door verzoeker overgelegde lijst van personen.

Naar het oordeel van het Hof bevat artikel 30a lid 1 sub g Sr. geen absoluut verbod van VI voor personen die onherroepelijk veroordeeld zijn ter zake van de aldaar omschreven misdrijven. Ook voor deze gevallen bepaalt de aanhef in lid 1 van dit artikel dat de Minister, in afwijking van artikel 29 leden 1 en 2 Sr., na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling, kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten. Het Hof verwijst tevens naar het bepaalde in artikel 28a Sr. dat ook de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd, voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft.

5.9 Het Hof overweegt ten overvloede dat de voorwaardelijke invrijheidstelling- onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr. – ingevolge artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarde, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr.

5.10 Gelet op hetgeen hiervoren is overwogen en op het feit dat niet is gebleken dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zich voordoen, het bezwaar gegrond is, zodat verzoeker ingevolge artikel 29 Sr. voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerden in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij onder andere de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Tegen deze achtergrond beziet het Hof het in artikel 30a, aanhef en sub c Sr. gestelde dat de Minister de voorwaardelijke invrijheidstelling kan uitstellen of achterwege laten indien “is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zeer ernstig heeft misdragen”. De toedracht omtrent de aard van de gedragingen van verzoeker binnen de inrichting die hebben geleid tot de interne tuchtstraffen, te weten bezit van simkaart en geld verdienen in de visie van het Hof niet de kwalificatie van “ernstige misdragingen” welke een voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde in de weg zouden staan.

6. De beslissing

Het Hof:
6.1 Verklaart het bezwaarschrift gegrond,
6.2 Gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker ingevolge het bepaalde in artikel 29 Sr.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, de leden I.S. Chhangur-Lachitjaran en Mr. S. Punwasi, bijgestaan door mevr. B. Pakosie, LLM, fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 17 juli 2019.

w.g. B. Pakosie w.g. A. Charan

w.g. I. Chhangur-Lachitjaran

w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,

namens deze, (mr. S. Ghopie, wnd-Substituut Griffier)

SRU-K1-2019-23

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 193795
22 oktober 2019
Vonnis in de zaak van

A. [eiser sub A], wonende aan [adres 1] te [district],
B. [eiser sub B], wonende aan [adres 1] te [district],
C. [N.V.], gevestigd en kantoor houdende aan [adres 2] te [district],
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
eisers in kort geding,
hierna te noemen: “[eiser sub A], [eiser sub B] en de NV”,
tegen

A. DE SURINAAMSCHE BANK N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Henck Arronstraat no. 26-30 te Paramaribo,
B. DE SURINAAMSE TRUSTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Henck Arronstraat no. 32 te Paramaribo, optredende als gemachtigde van :
1. De Stichting Pensioenfonds van de N.V. Surinaamse Luchtvaartmaatschappij, gevestigd te Paramaribo, en
2. [stichting 1], gevestigd te Paramaribo,
C. [notaris], kantoor houdende aan [adres 3] te [district],
gemachtigde voor gedaagden sub A en B: mr. N.R.J. Ilahibaks, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub C: mr. R. Sohansingh, advocaat,
gedaagden in kort geding,
hierna te noemen: “de Bank, Suritrust en de notaris”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 7 oktober 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord zijdens de Bank en Suritrust, met producties,
  • de conclusie van antwoord zijdens de notaris,
  • de conclusie van repliek jegens de Bank en Suritrust, met productie,
  • de conclusie van repliek jegens de notaris,
  • de conclusie van dupliek, zijdens de Bank en Suritrust, met productie,
  • de conclusie van dupliek zijdens de notaris, met producties,
  • de conclusie tot uitlating over de door de Bank en Suritrust bij dupliek overgelegde producties zijdens [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV,
  • de conclusie tot uitlating over de door de notaris bij dupliek overgelegde producties zijdens [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV, de rolbeschikking d.d. 21 oktober 2019, aangetekend op de kaft van het procesdossier;
  • het procesverbaal van de comparitie van partijen gehouden op 21 oktober 2019 om 13.00 uur des namiddags.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij akte van 9 maart 2001 is tussen [eiser sub A], [eiser sub B], [personen 1, 2 en 3], en de Bank een overeenkomst van krediethypotheek gesloten voor het bedrag van USD.300.000,= waarbij het in de akte genoemd onroerend goed in onderpand is gegeven namelijk het recht van opstal voor de duur van veertig jaren aanvangende 21 mei 2010 op het perceelland groot 1,1 hectare gelegen in [district] op de hoek van de [straatnamen 1, 2 en 3].

2.2 Bij akte van 5 mei 2004 is tussen [eiser sub A], [eiser sub B], de NV, [personen 1, 2 en 3] en de Bank en Suritrust als gevolmachtigde van de Stichting Pensioenfonds van de NV Surinaamse Luchtvaartmaatschappij en [stichting 1], een overeenkomst van krediethypotheek gesloten voor het bedrag van USD.825.000,= waarbij de in de akte genoemde onroerende goederen in onderpand zijn gegeven namelijk het recht van opstal gevestigd voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 0,4118 ha gelegen aan de [straatnamen 1 en 3] en op het perceelland groot 858 vierkante meter gelegen aan de [straatnaam 3].

2.3 Bij exploit van 22 augustus 2019 met exploitnummer 19-377 van [deurwaarder], hebben de Bank en de Suritrust aan [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV betekend de akten van krediethypotheek, een saldo opgave en een bevel tot betaling. Voorts is aan [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV de openbare verkoop aangezegd voor woensdag 23 oktober 2019 in 10.00 uur des voormiddags ten kantore van de notaris.

2.4 In het [dagblad] van 23 september 2019 is de aanzegging van de openbare verkoop gepubliceerd.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
[eiser sub A], [eiser sub B] en de NV vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de stopzetting beveelt van de openbare verkoop zoals omschreven in het exploit van 22 augustus 2019, totdat in de bodemprocedure is beslist.

3.2 De grondslag
[eiser sub A], [eiser sub B] en de NV hebben als grondslag voor het gevorderde het volgende aangevoerd: de betekening van de akten is aan [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV gezamenlijk gedaan, hetgeen niet correct is; de Bank en Suritrust willen op 1 dag en 1 tijstip terzake van twee verschillende hypotheekakten met elk verschillende objecten en die elk aanspraak geven op artikel 1207 BW, tegelijkertijd veilen, hetgeen niet mogelijk is; het gaat om twee verschillende schuldeisers, twee verschillende hypotheekakten en verschillende objecten; er zouden twee verschillende veilingen gehouden moeten worden die ieder afzonderlijk moeten worden aangekondigd en afzonderlijk moeten worden betekend; de Bank en Suritrust hebben niet de nodige zorgplicht in acht genomen jegens [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV omdat bij de herstructurering van het krediet op 8 december 2017 geen rekening is gehouden met het feit dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de directeur van de NV geen Nederlands spreken; er was geen tolk aanwezig waardoor de Bank en Suritrust er niet van uit mochten gaan dat [eiser sub A] de herschikking heeft begrepen; [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV waren blij dat zij meer ruimte kregen om af te lossen maar zij begrepen niet dat al de aflossingen zijn opgegaan aan boeterente betalingen en dat de boeterente gewoon is toegenomen; [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV zijn na de herstrukturering in grotere problemen gekomen en de aanvankelijke weigering van Suritrust om te herstruktureren was in strijd met de redelijkheid en de billijkheid; de Bank en Suritrust hebben in strijd met hun zorgplicht gehandeld door niet na te gaan of [eiser sub A] en [eiser sub B] begrepen wat de overeenkomst inhield en of de herstructurering wel een manier was om [eiser sub A] en [eiser sub B] inderdaad uit de benarde positie te helpen; de economische recessie had zijn weerslag op de verhuur van winkelunits en [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV konden met de overgebleven unithouders de aflossing moeilijk opbrengen; er is ook sprake van eigen schuld van de Bank en Suritrust omdat zij hadden moeten waken voor overkreditering.

4. Het verweer
De Bank, Suritrust en de notaris hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 De Bank, Suritrust en de notaris hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat een gezamenlijke betekening niet onjuist is zolang aan de wettelijke vereisten van de betekening is voldaan; dat [N.V.-naamvariant] op een later tijdstip is omgezet in de naamloze vennootschap [N.V.], waardoor de betekening aan de NV had moeten plaatsvinden; de betekening aan de NV is daarom rechtsgeldig;
  2. dat het in het openbaar verkopen van de drie onroerende goederen wel mogelijk is op het zelfde moment; noch artikel 1207 BW, noch enige andere wetsbepaling verbiedt het veilen van meerdere onderpanden tijdens een veiling; bovendien staat op de onroerende goederen een gebouw dat in beginsel niet goed te scheiden is; reeds om die reden is het afzonderlijk scheiden niet wenselijk, immers, een koper zou dan het risico lopen dat hij een deel van het gebouw koopt zonder dat hij zich daarvan bewust is terwijl een andere koper op een ander moment een ander deel van het gebouw koopt; het is juist in het voordeel van de schuldeisers, de schuldenaren en de koper, dat duidelijk is dat het om een pakket gaat;
  3. dat de boeterente overeen is gekomen waardoor gedaagden geen schending van de zorgplicht kan worden verweten wanneer de boeterente in rekening wordt gebracht;
  4. dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV reeds vanaf 2001 bankieren bij de Bank en Suritrust en nimmer een tolk hebben gebruikt en altijd in de Nederlandse taal communiceerden met de Bank en Suritrust; dat zij al de jaren de overeenkomsten en correspondentie begrepen; dat zij, indien zij iets niet begrepen, dat kenbaar hadden moeten maken aan de Bank en Suritrust; dat het niet juist is om het niet voldoen aan de aflossingsverplichtingen thans niet kan worden toegeschreven aan het niet begrijpen van de overeenkomst;
  5. dat er geen sprake was van overkreditering; het kredietvoorstel van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV is conform de standaard bankprocedure beoordeeld en op basis van de prognoses, verdiencapaciteit en inkomstengenerering van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV is het krediet aan hen verstrekt; zij zouden conform de afspraak in staat moeten zijn om de overeengekomen aflossingen te voldoen;
  6. dat eisers zichzelf tegenspreken door enerzijds te stellen dat Suritrust in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelde door de herschikking te weigeren en anderzijds te stellen dat de herschikking hen verder in de problemen heeft gebracht; zowel Suritrust als de Bank zijn herschikkingsovereenkomsten met eisers aangegaan in juli 2016 en december 2017; in deze overeenkomsten zijn aan eisers grace periods toegekend, renteverlagingen en een gedeeltelijke kwijtschelding van boeterentes; de herschikkingsovereenkomsten zijn in het voordeel van de eisers gesloten, echter zijn eisers tot op heden in gebreke gebleven om aan hun verplichtingen te voldoen; de Bank en Suritrust hebben jaren getracht met eisers tot een oplossing te komen en hebben hun jaren lang ruimte gegeven om hun verplichtingen te voldoen;
  7. dat op 23 november 2018 de veiling plaats zou vinden; op 22 november 2018 hebben eiseres het verzoek gedaan te schikken en hebben de DSB en Suritrust de veiling stopgezet; aan eisers is toen gevraagd een voorstel op papier te zetten; dat voorstel is nimmer door eisers op papier gezet en eisers hebben ook niet aan hun verplichtingen voldaan; vanaf november 2018 hebben eisers geen enkele aflossing gepleegd; ook wordt het onroerend goed niet onderhouden waardoor het in waarde afneemt;
  8. dat de financiele crisis een ieder raakt; dat brengt echter niet met zich mee dat eisers hun betalingsverplichtingen niet hoeven na te komen;
  9. dat het de afspraak was dat de huur van de drie en dertig units die door eisers verhuurd worden voor de Bank en Suritrust zou worden gestort als aflossing; eisers hebben echter eigendunkelijk besloten de huurpenningen niet meer voor de Bank en Suritrust te storten; ook hierdoor is de schuld steeds verder opgelopen;
  10. dat het niet de Bank en Suritrust zijn die wanprestatie plegen, doch [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV en dat de veiling conform de wet is aangezegd;
  11. dat de notaris zonder enige grond in dat proces betrokken is.

5.2 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV hebben op het verweer gereageerd waarbij zij aanvoerden dat zij erbij blijven dat de veiling niet volgens de plaatselijke gebruiken is gepubliceerd. Zij stellen dat het gaat om twee verschillende akten en per akte verschillende objecten zijn verhypothekeerd. De manier waarop de bekendmaking is gedaan wekt de indruk dat de koper het geheel in een keer zou kunnen kopen, hetgeen misleidend is. Ook zou niet betekend moeten zijn aan [N.V.-naamvariant] doch aan [N.V.] Ook voeren zij aan dat het drie percelen betreft die alszodanig behandeld moeten worden en het het pand misschien technisch onsplitsbaar is, doch juridisch niet. Het zakelijk recht moet duidelijk bepaald zijn bij het houden van de veiling. Zij stellen dat de schuldeiser zich bij de hypotheekvestiging ervan had moeten vergewissen dat hetgeen werd ondergezet technisch niet te splitsen zou zijn en economisch nadelig zou uitpakken, waardoor een executie nadelig zou uitvallen voor haar en de schuldenaar. Hiermee heeft zij een risico genomen dat het onderpand onveilbaar zou blijken te zijn. Zij blijven er voorts bij dat de Bank en de Suritrust de zorgplicht hebben verzaakt door zich niet ervan te vergewissen dat eisers de overeenkomsten goed begrepen. Eisers hebben bij de communicatie met de bank de hulp van een derde ingeroepen om een schrijven in het Nederlands aan gedaagden te richten. Eisers betwisten voorts dat de herschikking bedoeld was om de eisers uit de benarde positie te helpen. Het moet de Bank en Suritrust niet verbazen dat eisers de aflossingen niet konden plegen, immers, de Bank en Suritrust hebben eisers door de herschikking in een zodanige positie gebracht dat zij niet tot aflossen in staat waren, temeer daar zij gebukt gingen onder de financiele crisis die in het land heerst. Eisers verwijzen daarbij naar het vonnis van het Hof van Justitie van 7 augustus 2019 (SRU-HVJ-2019-2).

5.3 De kantonrechter overweegt dat partijen twisten over de volgende vragen:

a. of er een gebrek kleeft aan de aanzegging van de openbare verkoop en de publicatie daarvan;
b. of de Bank en de Suritrust hun zorgplicht hebben verzaakt door het toelaten van overkreditering of het overeenkomen van de herschikking; en
c. of de Bank en de Suritrust hun zorgplicht hebben verzaakt door zich er niet van te vergewissen dat eisers de overeenkomsten tot herschikking begrepen.

Ten aanzien van de aanzegging van de openbare verkoop.
5.4 De kantonrechter overweegt dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen dat het niet juist is dat de aanzegging heeft plaatsgevonden aan drie personen tegelijk. Gelijk de Bank en Suritrust stellen, is er door [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV echter geen enkel wettelijk beletsel genoemd en bestaat er ook geen wettelijk beletsel om de veiling aan te zeggen aan drie personen tegelijk. De bedoeling van de aanzegging is dat de schuldenaren of onderzetters kennis nemen van de akten, de saldo opgave en de veilingaanzegging. Nu uit het exploit blijkt dat zij daarvan kennis hebben genomen is dat doel van de betekening vervuld.

5.5 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen voorts dat is aangezegd aan [N.V.-naamvariant] en dat dat niet juist is omdat er ondertussen sprake is van een NV. De kantonrechter overweegt dat uit de redactie van het exploit blijkt dat ook de omzetting naar de NV is genoemd in het exploit en het exploit betekend is aan de directeur van de NV, waardoor ook aan dat deel van de grondslag voorbij gegaan moet worden.

5.6 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen voorts dat de twee akten niet tegelijk in het exploit opgenomen mochten worden. Gelijk de Bank en Suritrust stellen is er geen wettelijk beletsel door [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV genoemd, en bestaat ook geen wettelijk beletsel voor het opnemen van de twee akten in de aanzegging. Ook hier is het doel van de aanzegging dat de schuldenaren en de onderzetters op de hoogte zijn van de hypotheekovereenkomsten op grond waarvan geveild zal worden. Nu dat doel is volbracht kan aan dat deel van de grondslag ook voorbij gegaan worden.

5.7 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen voorts dat de publicatie niet juist is omdat uit de publicatie niet blijkt dat er sprake is van een gebouw op drie percelen en dat daardoor eventueel geintresseerden misleid worden.

5.8 De kantonrechter overweegt dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV in hun relaas met betrekking tot de wijze van publicatie en de uiteindelijke wijze waarop zij de veiling van de percelen, met daarop het gebouw, zien, neerkomt op een situatie waarbij het ondergezette goed eigenlijk onveilbaar is en dat de Bank en Suritrust zich daarvan rekenschap hadden moeten geven toen zij de hypotheek overeenkomsten aangingen.

5.9 De kantonrechter overweegt dat, gelijk de Bank en Suritrust en de notaris hebben aangevoerd, verwijzend naar de correspondentie met [naam 3], dat de praktische situatie is dat er drie percelen zijn waarop een gebouw staat. Deze percelen met het gebouw kunnen geveild worden als een geheel. [naam 3] ziet daar blijkens de overgelegde correspondentie, ook geen probleem in. Noch de Bank, noch Suritrust, noch de notaris zien redenen om aan te nemen dat het goed eigenlijk onveilbaar is en hebben in hun conclusies, onder verwijzing naar correspondentie van [naam 3], aannemelijk gemaakt dat de door eisers genoemde situatie geen problemen hoeft te geven op de veiling. De kantonrechter acht daardoor het door de Bank, Suritrust en de notaris gevoerd verweer aannemelijk, en zal daardoor ook voorbij gaan aan dat deel van de grondslag.

5.10 Ook met betrekking tot de publicatie, waarin de drie percelen zijn genoemd overweegt de kantonrechter dat uit de overgelegde advertentie blijkt dat daarin zijn opgenomen de drie percelen met al hetgeen daarop staat, waarbij ook vermeld is: “plaatselijk bekend als [pandnaam]”, waarbij ook een foto is geplaatst. Hierdoor is het niet aannemelijk dat personen die de advertentie lezen en zouden willen deelnemen aan de veiling, niet zullen begrijpen dat zij op de veiling zullen bieden op [pandnaam] of dat er sprake is van enige misleiding. Aan dat deel van de grondslag zal daarom ook voorbij gegaan worden.

Het schenden van de zorgplicht bij het aangaan van de herschikkingsovereenkomsten.
5.11 Enerzijds stellen [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV dat er sprake is van schending van de zorgplicht door de Bank en Suritrust door overkreditering en het aangaan van een herschikkingsovereenkomst die niet het belang van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV zou dienen en waarbij de Bank en Suritrust zich er als kredietverleners niet voldoende van hebben vergewist dat de kredietnemer begreep wat overeenkomst inhield.

5.12 De Bank en Suritrust hebben aangevoerd dat het kredietvoorstel van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV toentertijd conform de standaard bankprocedure beoordeeld is en op basis van de prognoses, verdiencapaciteit en inkomstengenerering van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV het krediet aan hen is verstrekt; zij zouden conform de afspraak in staat moeten zijn om de overeengekomen aflossingen te voldoen. In reactie op dit verweer hebben [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV geen concrete feiten aangevoerd waaruit aannemelijk zou kunnen worden dat de beoordeling niet conform de standaard bankprocedure heeft plaatsgevonden waarbij op grond van de prognoses, de verdiencapaciteit en de inkomstengenerering het krediet is verstrekt. Hierdoor is het verweer niet weerlegd en is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een situatie waarbij de Bank en Suritrust in strijd met hun zorgplicht zouden hebben gehandeld bij het verstrekken van het krediet.

5.13 De kantonrechter overweegt met betrekking tot de herschikkingsovereenkomsten alsvolgt. Bij rolbeschikking is een inlichtingen comparitie gelast voor het verkrijgen van inlichtingen met betrekking tot de wijze waarop partijen over de herschikkingsovereenkomsten hebben gecommuniceerd, hoe de herschikkingsovereenkomsten zijn vastgelegd en wat er na de herschikkingsovereenkomsten is gebeurd.

5.14 Ter comparitie zijn verschenen gevolmachtigden van Suritrust, van de Bank en verder [eiser sub A] in persoon en in de hoedanigheid van directeur van de NV. [eiser sub A] is verschenen vergezeld van zijn [zoon], die hem bijstond vanwege het feit dat hij de Nederlandse taal niet machtig is. [eiser sub A] heeft verklaard de Surinaamse taal machtig te zijn waardoor hij tijdens de zitting in de Surinaamse taal de verklaring heeft afgelegd, bijgestaan door zijn zoon die de verklaringen die werden afgelegd voor hem vertaalde.

5.15 Tijdens de comparitie van partijen is door [eiser sub A] – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – alsvolgt verklaard: “ … op een gegeven moment wilde ik in 2016 dat de leningen op naam van het bedrijf kwam te staan omdat wij niet meer in persoon betrokken wilden zijn …. ik begreep dat de leningen van 2001 en 2004 nog een klein restant hadden van ongeveer USD.480.000,= ……. de percelen zijn van mij en mijn vrouw en het gebouw is van [N.V.] …. ik was vanaf het begin, 2001 directeur van [N.V.], het was toen nog geen NV … samen met [persoon 1] ……. een ander bedrijf uit [land] was mede investeerder ….. dat bedrijf is in 2010 weer weggegaan en uit de samenwerking getreden …. [persoon 1] is ook uit het bedrijf … nu ben ik nog directeur .. mijn zoon helpt mij …… in 2016 en 2017 was het saldo veel bijna vijf miljoen USD of meer ….. ik heb toen met DSB en Suritrust gesproken over het krediet. … ik had op 4 januari 2017 een brief voor [meneer 1] gestuurd waarin ik zei dat ik het vreemd vond dat ik documenten opgestuurd kreeg om te ondertekenen … ik wilde niet dat mijn naam nog in de overeenkomst stond, alleen het bedrijf moest erin staan …. in 2016 was de situatie in het land slecht geworden en kon ik de aflossingen niet meer goed plegen … ik had gesproken met [meneer 2] en met [mevrouw 1] en [meneer 3] … 2016 ging het eigenlijk nog goed, het ging niet geweldig, maar ik had een kleine achterstand … met de huurpenningen betaalde ik de bank maar er was een boeterente die de aflossingen hoog maakte, ik wist niet hoe hoog de boeterente was. Ik wist wel hoe hoog de rente was … ik vroeg steeds naar een uitdraai maar ze gaven het niet aan mij .. de rente was tussen de 8.25 % en de 9 % soms 11 % , het verschilde, ik wist wel dat er een boeterente was maar ik wist niet hoe hoog het was .. ik had geen financiele medewerker, mijn zoon hielp mij nadat [persoon 1] weg is gegaan in 2010 … … wij begrepen niet zo goed hoe het krediet verliep …. wij moesten elke maand aan Suritrust en de DSB samen USD.120.000,= aflossen; dat ging wel tot 2016 … wij hadden geen idee van het verloop van het krediet, wij vertrouwden de bank … de bank stuurde mij een document om te tekenen, ik ben toen naar de bank gegaan … zij hebben aan mij uitgelegd dat het met de boeterente zo hoog wordt …. zij zeiden dat ik moet tekenen omdat de boeterente anders zou oplopen .. ik vroeg om de naam van mij en mijn vrouw eruit te halen, dat hebben zij gedaan … dat document heb ik daarna wel getekend omdat de boeterente anders zou oplopen …. het bedrag van USD.7.400.000,= was eerst USD.5.000.000,=, … het kwam door de boeterente … ik dacht dat dat het bedrag was en heb getekend .. ik moest nog steeds elke maand USD.120.000,= betalen, de huurpenningen moest ik betalen aan de bank …. toen ik ben gaan tekenen was ik naar de DSB, [meneer 2] en [mevrouw 1], ik was met mijn zoon en mijn secretaresse, mijn zoon heeft het gelezen en zei dat mijn naam er niet in was, alleen het bedrijf … ik had gezien dat de boeterente in het document stond… wij hebben het document samen gelezen … [mevrouw 1] heeft mij uitgelegd wat er stond.. [meneer 2] had mij uitgelegd in het Surinaams wat er in stond…. de rente was iets lager had hij aangegeven en dat de schuld door de Surinaamse bank werd overgenomen hetgeen een gunstige rente met zich meebracht …. ik zou dan beter kunnen aflossen …. het is niet juist dat ik was gestopt met het betalen van de huurpenningen aan de bank …. door de situatie in het land kon ik op een gegeven moment de verplichtingen uit de herschikkingsovereenkomsten niet meer voldoen … toen de veiling bekend werd gingen huurders weg en zij betaalden hun huurpenningen ook niet ….. de brieven van de opzegging van de kredieten hebben wij ontvangen … wij zijn toen naar de bank gegaan voor een oplossing …. wij probeerden iemand te zoeken om [pandnaam] te kopen … wij hadden een voorstel maar de bank ging niet accoord met ons voorstel … iemand wilde een deel van de schuld betalen, eerst USD.4.000.000,= en de resterende USD.3.000.000,= zouden wij later kunnen betalen, maar de bank ging er niet mee accoord .. wij hebben inderdaad de gelegenheid gekregen om [pandnaam] onderhands te verkopen ….”

5.16 De comparitie gevolmachtigde van de Suritrust, de heer [naam 2], heeft –voor zover van belang en zakelijk weergegeven – alsvolgt verklaard: “ … het krediet van de Suritrust is uit 2004 …. ik toon u aanmaningen van 2015 …. naar aanleiding van de aanmaningen kregen wij van [eiser sub A] verzoeken (van 29 januari 2016 en 20 april 2016) om te herschikken …dat heeft geleid tot de herschikking van 8 juli 2016 … daarin staat dat hij voor een jaar alleen rente hoeft te betalen, geen hoofdsommen of boete rente …. hij heeft zich aan deze herschikking niet gehouden …de te betalen bedragen werden niet voldaan …. er zijn dus gesprekken geweest waaruit het arrangement is voortgevloeid … echter heeft hij niet voldaan aan de verplichtingen …. op een gegeven moment heeft hij de bijzondere voorwaarden, het storten van de huurpenningen, eenzijdig opgeschort … voor die bijzondere voorwaarden heeft hij getekend …. er zijn vanaf juli 2016 wel aflossingen gedaan, maar niet voldoende en het werd steeds minder …. het krediet bestond uit gelden van 10 funders …. ik toon u overzichten van de kredieten per funder per hypotheek … in 2017 begon het eigenlijk slecht te gaan met de aflossingen … het krediet is opgezegd op 6 juni 2018 … toen is het proces ingezet voor de executie …. de eerste veiling is in november 2018 aangezegd ….. “

5.17 De vertegenwoordiger van de DSB, [mevrouw 1] verklaarde – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – alsvolgt: “… [meneer 2] en ik hebben met hem gezeten en hebben hem gevraagd hoe hij wilde herstructureren want hij was het niet eens met onze voorstellen … van ons heeft hij een grace period gehad, hij zou een bulletpayment doen, hij zou een huis in [land] verkopen en USD.200.000,= betalen … hij heeft wel rentebetalingen gedaan maar de deadline voor de bulletpayment niet gehaald …. na de bulletpayment zouden wij weer aan tafel gaan zitten voor de voortzetting van de herschikking …. er zijn na de herschikking wel nog wat stortingen gedaan maar niet voldoende en de aflossingen werden steeds lager ….. uiteindelijk is het in juni 2018 gestopt … wij hebben het krediet opgezegd op 3 augustus 2018 …. wij hebben de gelegenheid geboden om [pandnaam] onderhands te verkopen maar het is eisers niet gelukt om het onderhands te verkopen.“

5.18 De kantonrechter overweegt dat de Bank en Suritrust als verweer hebben aangevoerd dat zowel Suritrust als de Bank herschikkingsovereenkomsten met eisers zijn aangegaan in juli 2016 en december 2017. In deze overeenkomsten zijn aan eisers grace periods toegekend, renteverlagingen en een gedeeltelijke kwijtschelding van boeterentes. Zij hebben aangevoerd dat de herschikkingsovereenkomsten in het voordeel van de eisers zijn gesloten, doch dat eisers in gebreke zijn gebleven om aan hun verplichtingen te voldoen. Zij voerden aan dat zij jaren getracht hebben om met eisers tot een oplossing te komen en eisers jaren lang ruimte hebben gegeven om hun verplichtingen te voldoen. Ook voerden zij aan dat op 23 november 2018 een veiling plaats zou vinden. Echter hebben eisers op 22 november 2018 het verzoek gedaan te schikken en is de veiling stopgezet. Eisers zouden een voorstel aan de Bank en Suritrust doen toekomen, echter hebben zij dat niet gedaan. Vanaf november 2018 zijn er ook geen aflossingen gedaan.

5.19 In hun verweer beroepen de Bank en Suritrust zich er ook op dat de afspraak was, dat de huur van de drie en dertig units aan de Bank en Suritrust zou worden. Deze afspraak is uiteindelijk niet nagekomen.

5.20 De kantonrechter overweegt dat na dit verweer, [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV geen concrete feiten of omstandigheden hebben aangevoerd, ook niet tijdens de comparitie van partijen, waaruit zou moeten blijken op welke wijze de herschikkingsovereenkomsten in hun nadeel waren opgesteld waardoor van schending van de zorgplicht zijdens de Bank en Suritrust niet is gebleken.

5.21 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de taal, dat de Bank en Suritrust enerzijds als verweer hebben aangevoerd dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV vanaf 2001 en 2003 nimmer hebben aangegeven dat zij niet begrepen wat in de overeenkomsten werd opgenomen.

5.22 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaring van [eiser sub A] tijdens de comparitie van partijen blijkt, dat hij over de herschikkingsovereenkomsten met de functionarissen van de Bank en Suritrust heeft gesproken. Ook heeft [eiser sub A] verklaard dat [meneer 2] van de Bank in het Surinaams uitleg heeft gegeven van de inhoud van de herschikkingsovereenkomst.

5.23 De kantonrechter is hierdoor van oordeel dat dat deel van de grondslag betrekking hebbend op de taal en het begrip, niet aannemelijk is geworden.

5.24 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het voorgaande de grondslag van de vordering niet aannemelijk is geworden waardoor het gevorderde zal worden afgewezen.

5.25 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing
6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;
6.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 22 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.