SRU-HvJ-2016-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
[Verzoekster] gehuwd, wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “het ministerie”,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,
spreekt de fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
het verzoekschrift d.d. 13 augustus 2014 met producties, ter griffie ingediend op
15 augustus 2014: het verzoek zijdens het ministerie tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 30 september 2014;
de beschikking van het Hof d.d. 03 oktober 2014, waarbij de termijn voor het indienen van het verweerschrift met ingang van 30 september 2014 met zes weken is verlengd; het verweerschrift d.d. 11 november 2014, ter griffie ingediend op die datum;
de beschikking van het Hof d.d. 12 januari 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 06 februari 2015;
het proces-verbaal van het op 19 juni 2015 gehouden verhoor van

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [Verzoekster] is, zoals blijkt uit de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 8 september 1998, No. 3223/98, vanaf 1 november 1993 in vaste dienst op het ministerie als beperkt bevoegd lerares bij het Voorbereidend Wetenschappelijk-, Middelbaar- en Kweekschool Onderwijs.

2.2. Uit de verklaring uitgegeven door het ministerie op 30 juli 2014 blijkt dat [Verzoekster] op het ministerie werkzaam is in de rang en/of functie van lerarenopleider op VOS niveau op het Instituut voor de Opleiding van Leraren (hierna: IOL).Op 12 april 2011 is de dienstbetrekking van de heer mr. drs. [naam 1], die toen de functie van directeur van het IOL uitoefende, beëindigd. De brief met deze mededeling luidt als volgt:

“Aan: Mevr. [Verzoekster]

P/a. IOL/Universiteitscomplex

Leyswegstraat

Alhier.

Paramaribo. 13

Kenmerk: [nummer 1]
Betreft: Bespreking dagelijkse leiding IOL

 

Het is u bekend, dat per 12 april 2011 de dienstbetrekking met mr. drs. [naam 1], als directeur van het IOL, is beëindigd.
U wordt bij deze uitgenodigd aanwezig te willen zijn op mijn kantoor i.v.m. de bespreking van de dagelijkse leiding van het IOL op donderdag 14 april 2011 om 11:00 uur.
De Directeur van Onderwijs.
(getekend)
Drs. [naam 2] ”

2.3. Bij schrijven d.d. 14 april 2011 is [verzoekster] door de leiding van het ministerie belast met de tijdelijke dagelijkse leiding van het IOL. Dit schrijven luidt als volgt:
“Aan: Mevr. [verzoekster]
[adres]
p/a. IOL

Leysweg Alhier.
Paramaribo, 14 april 2011
Kenmerk:[nummer 2]
Betreft:Belast met tijdelijke leiding IOL

Met referte aan het gesprek hedenmorgen op mijn kantoor, wordt middels deze bevestigd dat de Minov leiding u per heden belast met de tijdelijke dagelijkse leiding van het IOL.
Het ligt in de bedoeling dat U in de komende tijd ondersteuning krijgt in de leiding van nog te identificeren personen.

Conform het genomen besluit op voomoemde bespreking zal de Coördinatie Team, zie bijlage, het algehele toezicht houden en samen met het IOL werken naar een werkbare en gelegaliseerde beheersstructuur voor het IOL, gebaseerd op de bestaande regelgeving en voorstellen.

De Minov leiding wenst allereerst u te bedanken voor de gegeven en toegezegde ondersteuning van het voomoemd ontwikkelingsproces. Daarnaast wenst zij u veel sterkte en succes in de invulling van de aan u toegemeten leiding.

De Directeur van Onderwijs.
(getekend)
Drs. [naam 2]
c.c.:

  • MinOnd
  • ODOnd -ODAD
  • Leden Coördinatieteam”

De brief waarbij er een coördinatieteam is geïnstalleerd luidt als volgt:

“Aan: De heer [naam 3]
De heer [naam 4] Mevrouw [naam 5] P/a. Minov.
Paramaribo, 13 april 2011 Kenmerk:RS/…
Betreft: Installatie coördinatieteam

Hierbij wordt u per 14 april 2011 geïnstalleerd door het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (MINOV) als lid van het coördinatieteam voor het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL).

Dit team zal er als volgt uitzien:

  • De heer [naam 3] (lid/Voorzitter)
  • De heer [naam 4] (lid)
  • Mevrouw drs. [naam 5] (lid)

Het Coördinatieteam heeft tot taak:

  • Toezicht te houden op de verrichtingen met betrekking tot de dagelijkse leiding op het IOL;
  • Nagaan in hoeverre IOL gereorganiseerd moet op basis van de bestaande regelgeving en voorstellen.
  • Advies uit te brengen aan de Directeur van Onderwijs met betrekking tot de organisatiestructuur voor het IOL.

U zult worden aangesteld voor een periode van twee maanden.
De Directeur van Onderwijs,
(getekend)
Drs. [naam 2] ”

2.5. [verzoeker] heeft per brief d.d. 29 juni 2012 de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling verzocht de benoeming van haar tot directeur van het IOL via resolutie vast te leggen. Deze brief luidt als volgt:

“Paramaribo, 29 juni 2012
Aan: de minister van onderwijs en volksontwikkeling
Mevr. drs. [naam 6]
Betreft: benoeming tot directeur IOL
Geachte minister,

Hierbij nader ik u met het verzoek het daarheen te willen leiden om mijn benoeming tot directeur van het IOL via resolutie vast te leggen.
Op 14 april 2011 heb ik de dagelijkse leiding van het instituut overgenomen van de voormalige directeur die met pensioen is gegaan, (zie brief dd 14 april 2011)
Ik ben tot heden nog verantwoordelijk voor de algehele leiding van het Instituut en vanwege mijn groot innovatief vermogen wil ik het IOL tot grotere hoogte brengen samen met andere lerarenopleiders en met ondersteuning van het administratief, technisch en huishoudelijk personeel met wie ik allen een goede samenwerking heb.
Uitkijkend naar een spoedige en positieve reactie uwerzijds.
Verblijf ik met de meeste hoogachting.
Mevr. [verzoekster] CT
(getekend)
Dagelijkse leiding IOL.
Bijlagen

  • copie aanstellingsbrief dd 14 april 2011
  • copie artikel 22 personeelswet lid 5. (Waarneming van een functie)’*

2.6 Per schrijven d.d. 5 juni 2014 heeft de waarnemend directeur van het ministerie aan [verzoekster], voor zover van belang, het navolgende medegedeeld:
”Naar aanleiding van het gesprek dat de sollicitatiecommissie met u heeft mogen hebben inzake de functie van directeur van het Instituut voor de Opleiding van Leraren, deel ik u mede dat de keuze van de departementsleiding van het ministerie is gevallen op de heer drs. [naam 7].
Met ingang van (…) zal de heer [naam 7] voornoemd worden aangesteld als waarnemend directeur en belasten met de werkzaamheden van genoemd instituut. ”

De vordering, grondslag en het verweer daartegen
3.
[verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven
a. voor recht te verklaren dat zij op grond van artikel 22 lid 5 van de Personeelswet (hierna ook wel: PW) te rekenen van 14 april 2012 van rechtswege is benoemd in de functie van directeur van het Instituut voor de Opleiding van Leraren bij het ministerie:

b. de Staat te veroordelen haar rechtspositie als directeur van het Instituut voor de Opleiding van Leraren bij het ministerie te formaliseren, en wel te rekenen van 14 april 2012. binnen een door het Hof in goede justitie te bepalen datum, onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ten bedrage van SRD 10.000.- (tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor elke dag dat de Staat weigert, althans in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

c. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1. [verzoekster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij ingevolge artikel 22 lid 5 PW stilzwijgend is benoemd in de functie van directeur van het IOL, en wel voortvloeiende uit een waarneming in een definitief opengevallen functie voor een periode van langer dan één (1) jaar en het feit dat zij aan alle wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet.

3.2. [verzoekster] stelt verder dat zij diverse pogingen heeft ondernomen om de Staat c.q. het ministerie ertoe te bewegen haar rechtspositie te formaliseren. Echter heeft geen van deze pogingen geleid tot een concreet resultaat. Op schrijven van [verzoekster] d.d. 29 juni 2012 en 15 februari 2013 gericht aan het ministerie, heeft zij een nietszeggende reactie ontvangen op 20 februari 2013 met als kenmerk [nummer 3].

3.3. Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoekster] wist dat zij belast werd met de tijdelijke dagelijkse leiding op het IOL, in afwachting van de benoeming van de directeur. Nimmer is aan [verzoekster] medegedeeld of aangegeven dat zij belast is met de waarneming van de functie van directeur van het IOL. Voorts heeft [verzoekster] nimmer een verzoek gedaan om belast te worden met de waarneming in een bepaalde functie instede van de functie van tijdelijke leidinggevende. [verzoekster] dient volgens het ministerie daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering

4. De beoordeling
4.1. Artikel 79 PW handelt over de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in ambtenarenzaken. Het Hof heeft op grond van lid 1 van dit artikel de bevoegdheid om zodanig genomen besluiten ten aanzien van ambtenaren of gewezen ambtenaren nietig te verklaren wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven of wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Het Hof is verder bevoegd om een vergoeding toe te kennen voor schade welke is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, dan wel niet tijdig, nemen van een besluit of uit het verrichten of nalaten van handelingen, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.

Verder geeft dit artikel het Hof de bevoegdheid om een dwangsom op te leggen voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling, of het voortzetten of herhalen van een handeling, in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Lid 2 van voomoemd artikel schrijft dwingend voor welke besluiten vatbaar zijn voor nietigverklaring.

Gelet op de begrenzing van ’s Hofs bevoegdheid als ambtenarenrechter zoals hiervoren weergegeven zal het Hof zich onbevoegd verklaren kennis te nemen van de onder 3a gevorderde verklaring voor recht.

4.2. Het Hof acht zich wel bevoegd kennis te nemen van de vordering onder 3b nu dit gevorderde gerubriceerd zou kunnen worden onder artikel 79 lid 1 onder c PW, te weten de vordering tot het opleggen van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling (i.c. gaat het om een handeling) in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald.Door [verzoekster] is gesteld en door het ministerie is niet weersproken dat zij bij brief d.d. 29 juni 2012 zoals weergegeven onder 2.6 van dit vonnis en naderhand ook bij brief d.d. 15 februari 2013 gericht aan de minister van Onderwijs c.q. het ministerie heeft gevraagd haar rechtspositie als directeur van het IOL middels een resolutie te formaliseren. Door [verzoekster] is zelf aangegeven dat zij op 20 februari 2013 een nietszeggende schriftelijke reactie heeft ontvangen van het ministerie. Gelet hierop en gelet op het bepaalde in artikel 78 lid 2 onder b PW mag ervan uit worden gegaan dat er 6 maanden na dagtekening van de laatst verstuurde brief, de brief d.d. 15 februari 2013, wel een besluit is genomen en wel een zogeheten fictief besluit tot weigering van het verzochte. Dit fictief besluit kan geacht worden te zijn genomen op 14 augustus 2013. Gelet op het bepaalde in artikel 80 lid 3 onder b PW had [verzoekster] 30 dagen na 14 augustus 2013 de ruimte onderhavige vordering vermeld onder 3b in te stellen. Nu genoemde vordering evenwel pas is ingesteld op 15 augustus 2014 is zij daarin tardief hetgeen tot consequentie heeft dat [verzoekster] niet-ontvankelijk zal worden verklaard ten aanzien van dit gevorderde.

4.3. De onder 3c gevorderde proceskostenveroordeling zal worden afgewezen nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

De beslissing
Het Hof:
Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het onder 3a gevorderde;

Verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in het door haar onder 3b gevorderde;Page Break

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President. mr. S.S.S. Wijnhard en mr. R.G. Chatterpal. leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 december 2016, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Ombre, fungerend-griffier.
w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Y.S. Engkar, gemachtigde van verzoekster, en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. S.N. Woei A Sioe namens advocaat mr. N.U. van Dijk, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie.
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2007-2

Het Hof van Justitie

[verzoeker],
wonende aan [adres] te [district],
ten deze domicilie kiezende aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1 bij het Advokatenkantoor Lim A Po,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland,Advokaat,
Verzoeker

Tegen

DE STAAT SURINAME,
ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
domicilie hebbende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit: (Betalend) Het Hof van Justitie van suriname;
Gezien ’s Hoven interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 juli 2002, 5 december 2003, 5 augustus 2005, 5 mei 2006, 20 april 2007 en 20 juli 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijene zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door advokaat Mr.B.A.Halfhide namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verweerder en de heer [naam], vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie en Politie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT;
Overwegende, dat nu de vele pogingen door partijen ondernomen teneinde in de onderhavige zaak tot een oplossing te geraken, tevergeefs zijn geweest, het Hof, conform het zijdens partijen gedaan verzoek, beslissen zal als na te melden;

Overwegende, dat, naar uit het proceskosten blijkt, verzoeker, Officier van Justitie in vaste dienst op het Parket van de Procureur-Generaal van het Ministerie van Justitie en Politie, bij besluit, genomen bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 4 oktober 1999 No.6732/99 met toepassing van artikel 23 lid 5 van de Personeelswet uit voormelde functie van Officier van Justitie werd ontheven en dat hij gelijktijdig ingedeeld werd in de rang van Hoofdambtenaar A Iste klasse (schaal 23), alsmede ter beschikking werd gesteld van de Minister van Justitie en Politie;

Overwegende, dat verzoeker, tegen voormeld besluit opkomend bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 4 november 1999, op grond van feiten, aan zijn vordering ten grondslag gelegd en in dit vonnis als letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, het Hof het verzoek heeft gedaan de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 4 oktober 1999 no.0732/99, nietig te verklaren, althans te vernietigen;

Overwegende, dat verweerder, zich tegen toewijzing van het zijdens verzoeker gedaan verzoek op grond van aan dat verweer ten grondslag gelegde weren en stellingen verzettend, geconcludeerd heeft tot niet – ontvankelijk verklaring van verzoeker in diens vordering c.q. hem zulks te ontzeggen als ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken, als het onderhavige, kan worden gevorderd, limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);

Overwegende, dat aangezien besluiten tot ontheffing van een functie niet in de limitatieve opsomming in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) voorkomt; zijn zij niet voor nietigverklaring althans voor vernietiging door het Hof vatbaar;

Overwegende, dat het Hof slechts dan bevoegd zou zijn van de onderhavige vordering kennis te nemen indien in casu sprake zou zijn van ontheffing van verzoeker tegen zijn wil van een reeds ettelijke jaren door hem beklede functie als gevolg waarvan hij het daaraan verbonden inkomen zou moeten missen hetgeen dan neer zou komen op en gelijk staan aan een ontslag uit de functie, wat in casu niet het geval is (zie Vs.H.v.J. d.d.1.10.71, gep. In S.J.1971 No.16 inz.FH.J. Barend c/a Het Rijksd.Sur);
Overwegende, dat, het Hof verzoeker alsnog niet ontvankelijk verklaren zal in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:
Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in diens vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J. R. Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ten openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2007, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun,Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.A.Bleau namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.A.H.Pick namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
M.H.

SRU-HvJ-2019-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 14990
18 oktober 2019

In de zaak van

A. [appellant A]
B. [appellant B]
in de hoedanigheid van curatrice respectievelijk toeziende curatrice van de persoon van [naam]
beiden wonende te [district],
appellanten,
hierna gezamenlijk te noemen [appellanten],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name het ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna te noemen de Staat,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 juni 2014 bekend onder AR no. 10-1286 tussen [appellanten]. als eisers en de Staat als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellanten] op 24 juni 2014 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 17 april 2015;
  • de pleitnota van antwoord gedateerd 3 juli 2015;
  • de pleitnota van repliek gedateerd 7 augustus 2015;
  • de pleitnota van dupliek gedateerd 2 oktober 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 januari 2016 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 17 juni 2014. [appellanten] hebben op 24 juni 2014 appèl aangetekend. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn. [appellanten] zijn dus ontvankelijk in het door hen ingestelde appèl.

3. De vordering in hoger beroep
[appellanten] vorderen in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen.

4. De feiten
4.1 [naam] was in dienst van de Staat, met name het ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna TCT).
4.2 [naam] is vanaf 9 december 1989 tot en met 14 januari 1990, onwettig afwezig geweest van het werk.
4.3 Bij schrijven van 23 maart 1990 heeft de maatschappelijk medewerkster aan het hoofd van de dienst medegedeeld dat [naam] in staat wordt geacht zijn werkzaamheden te hervatten en dat hij overgeplaatst wenst te worden.
4.4 Op 24 mei 1990 is de overplaatsing van [naam] in orde gemaakt, doch is hij nimmer aan het werk verschenen.
4.5 In een gesprek met de maatschappelijk werkster heeft [naam] aangegeven niet meer te willen werken en heeft op dezelfde datum zijn ontslag ingediend.
4.6 Het door [naam] ingediende ontslag is geaccepteerd door TCT. Bij beschikking d.d. 21 november 1990, PZ. [nummer] is aan [naam] eervol ontslag verleend.
4.7 Bij vonnis d.d. 11 februari 2008 is [naam] onder curatele gesteld.
4.8 [appellanten] hebben in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – gevorderd, veroordeling van de Staat om aan hen te betalen het salaris van [naam] ad SRD566,= per maand, te rekenen van 1 augustus 1990, met de gebruikelijke emolumenten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.9 [appellanten] hebben in eerste aanleg aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking nimmer aan [naam] is uitgereikt ingevolge de Personeelswet zodat – zo begrijpt het Hof – [naam]nog steeds recht heeft op zijn salaris.
4.10 De kantonrechter heeft de vordering van [appellanten] afgewezen. De kantonrechter heeft het volgende daartoe overwogen:

2.3 Partijen twisten over de vraag of de ontslagbeschikking [naam] al dan niet heeft bereikt.
2.3.1 De kantonrechter oordeelt – nog daargelaten of de beschikking [naam]heeft bereikt – dat op grond van artikel 71 lid 1 van de Personeelswet het ontslag op eigen verzoek wordt verleend met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na die waarin het verzoek is ingekomen, tenzij het bevoegde gezag met een vroegere datum instemt of de landsdienaar een latere datum verlangt.
2.3.2 Het ontslag wordt in bovengenoemd geval verleend, zonder dat de betrokkene daarvan uitdrukkelijk in kennis wordt gesteld; dit in tegenstelling tot de bepaling in de leden 3 tot en met 6 van voornoemd artikel. Op grond van artikel 70 lid 2 dient het besluit tot ontslag ter kennis van de landsdienaar te worden gebracht.
2.3.3 In tegenstelling tot hetgeen eisers stellen is het ontslag dus wel verleend en heeft het rechtsgevolg, daar in het in casu om een ontslag op eigen verzoek gaat;
2.3.4 Uit de Personeelswet is evenmin gebleken dat de sanctie op een eventuele overtreding van artikel 70 lid 3 nietigheid van dat ontslag ten gevolge heeft, waardoor het ontslag van [naam]recht overeind staat.
2.4 Hoezeer de kantonrechter begrip heeft voor de financiële toestand waarin [naam] thans verkeert, zal de vordering van eisers als te zijn ongegrond, worden afgewezen. …..”.

5. De beoordeling
5.1 [naam] heeft als grief aangevoerd, dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat het ontslag wordt verleend zonder dat betrokkene daarvan uitdrukkelijk in kennis wordt gesteld.
In deze zaak dient eerst te worden beantwoord de vraag of het aan [naam] verleende ontslag tegen hem werkt en indien niet, of [naam] recht heeft op doorbetaling van het salaris. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Ingevolge artikel 70 lid 2 van de Personeelswet (PW) wordt een besluit tot ontslag met redenen omkleed en door middel van een afschrift ter kennis van de landsdienaar gebracht. Artikel 5 PW geeft de wijze aan van kennisgeving van besluiten. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat een besluit genomen krachtens de PW schriftelijk ter kennis van de belanghebbende dient te worden gebracht en lid 2 bepaalt verder wanneer een besluit ter kennis van de belanghebbende wordt geacht te zijn gebracht. In dit lid van artikel 5 PW is het volgende verwoordt:

2. Een besluit wordt geacht ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het desbetreffende stuk:
– hetzij door of vanwege het bevoegde gezag aan hem is overhandigd;
– hetzij als aangetekende brief aan hem in persoon is uitgereikt;
– hetzij aan hem is betekend op de wijze als voor exploiten in burgerlijke zaken is voorgeschreven.”

Tenslotte bepaalt artikel 6 PW dat een besluit genomen op grond van de PW niet eerder werkt ten nadele van de belanghebbende dan met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig artikel 5 te zijner kennis is gebracht.
5.2 Uitgaande van de feiten staat rechtens tussen partijen vast dat aan [naam] ontslag is verleend. Dit ontslag is rechtsgeldig nu er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die leiden tot een ander oordeel.
De Staat heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat zij heeft verzuimd [naam] in kennis te stellen van dit ontslag ingevolge de PW, zodat ook dit rechtens vast staat tussen partijen. Dit is dus in strijd met artikel 5 lid 1 PW dat bepaalt dat een besluit schriftelijk ter kennis dient te worden gebracht van de belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof heeft dit nalaten van de Staat tot gevolg dat dit ontslag niet werkt ten nadele van [naam], één en ander zoals bepaald in artikel 6 PW. Evenwel dient de vraag, of [naam] recht heeft op doorbetaling van zijn salaris, ontkennend te worden beantwoord nu niet is gesteld of gebleken dat [naam], vanaf 1 augustus 1990 de van hem verlangde werkzaamheden ook heeft verricht, zoals het een goed werknemer betaamt. Immers, de werknemer heeft in beginsel slechts recht op loon indien hij ook gewerkt heeft casu quo heeft aangeboden om te werken en de werkgever daar geen gebruik van heeft gemaakt. In het onderhavige geval zijn er geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat [naam], buiten zijn schuld, zijn werkzaamheden niet kon verrichten. Voor zover [appellanten] menen dat [naam] vanwege zijn ziekte niet in staat was om de bedongen arbeid te verrichten staat dat in schril contrast met zijn eigen ontslagverzoek. Gesteld noch gebleken is waarom de Staat geen waarde mocht hechten aan het ontslag verzoek van [naam]. Het Hof concludeert uit het voorgaande dat [naam] dus geen recht heeft op uitbetaling van zijn salaris zoals door hem gevorderd. De kantonrechter heeft terecht de vordering van [naam] afgewezen, zoals beslist in het beroepen vonnis. Het Hof zal dan ook het vonnis van de kantonrechter d.d. 17 juni 2014, bekend onder AR no. 10-1286 bevestigen onder aanvulling van de gronden zoals hiervoor overwogen.
5.3 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.
5.4 [appellanten] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen worden veroordeeld.

6. De beslissing
Het Hof
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 juni 2014, bekend onder AR no. 10-1286, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden als vermeld.
6.2 Veroordeelt [appellanten] in de proceskosten aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan
Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A.S. Ramnarain namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker], thans geheten [verzoeker-variant],
wonende te Paramaribo,
verzoeker, hierna gemakshalve nog aangeduid als [verzoeker],
gemachtigden: mr. G.R. Sewcharan en mr. S.R. Heijmans, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: voorheen mr. P.J. Campagne, beleidsadviseur werkzaam bij het Bureau Landsadvocaat van het Ministerie van Justitie, thans mr. L.G. Riedewald,
gemachtigde,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 03 juni 2011.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het op 07 oktober 2011 gehouden getuigenverhoor zijdens de Staat;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de contra-enquête zijdens [verzoeker] niet is gehouden;
  • de akte uitlating na niet-gehouden contra-enquête zijdens [verzoeker] d.d. 15 juni 2012;
  • de conclusie na gehouden enquête zijdens de Staat d.d. 06 juli 2012;
  • de akte naamswijziging zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018, met producties.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen.

2.2 De akte naamswijziging zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018 behelst het verzoek dat in de processtukken in stede van [verzoeker] zal worden gelezen [verzoeker-variant]. stelt daartoe, onder overlegging van een fotokopie van een afschrift van de akte van naamswijziging d.d. 18 juli 2016 en van een uittreksel uit het bevolkingsregister d.d. 09 juni 2018, beide afkomstig van het Centraal Bureau voor Burgerzaken, dat hem bij besluit van de President van de Republiek Suriname d.d. 27 april 2016 toestemming is verleend om zijn geslachtsnaam [naam verzoeker]’ te veranderen in [naam verzoeker-variant]’. De Staat heeft, ondanks meerdere malen daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet op voormeld verzoek gereageerd, zodat het hof het ervoor houdt dat de Staat zich niet tegen dit verzoek heeft verzet. Nu uit voormelde bescheiden het door [verzoeker] gestelde blijkt en de Staat zich niet tegen het verzoek tot naamswijziging heeft verzet, zal aan [verzoeker] ter zake daarvan akte worden verleend, zoals in de kop van dit vonnis reeds tot uitdrukking is gebracht.

2.3 Bij het tussenvonnis van 03 juni 2011 is de Staat toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat hij het ontslagbesluit d.d. 08 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [verzoeker] heeft gebracht.

2.4 [verzoeker] heeft als productie 2 bij zijn inleidend verzoekschrift overgelegd een door [sergeant] (hierna: [sergeant]) opgemaakt rapport d.d. 27 november 2007, waarin laatstgenoemde, kort gezegd, verklaart dat hij op 30 oktober 2006 een brief ten name van [verzoeker], afgegeven door een bode van het ministerie van Defensie, in ontvangst heeft genomen en daarvoor in een cahier heeft getekend. De inhoud van deze brief was hem onbekend. In hetzelfde rapport verklaart [sergeant] verder dat hij op dezelfde dag de brief persoonlijk heeft afgegeven aan [verzoeker], die op dat moment was ingesloten in het cellenverblijf verbonden aan het hoofdkwartier van de militaire politie te Paramaribo. [sergeant] verklaart voorts dat [verzoeker] ongeveer twee weken daarna door hem, [sergeant], en [korporaal] (hierna: [korporaal]) werd overgebracht van voormeld cellenverblijf naar de penitentiaire inrichting te Duisburglaan te Paramaribo en dat onderweg naar voornoemde inrichting [verzoeker], aan hem, [sergeant], in het bijzijn van [korporaal] meedeelde dat zij niet bevoegd waren hem, [verzoeker], over te brengen en over te dragen, daar hij met ontslag was en thans burger is.

2.5.1 Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft de Staat slechts één getuige, te weten [sergeant], doen horen. Ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor heeft [sergeant] zijn, in voormeld rapport weergegeven, verklaring in hoofdzaak bevestigd. Hij heeft tevens verklaard dat hij van de bode had begrepen dat de voor [verzoeker] bestemde brief een ontslagbrief betrof.

2.5.2 Het hof stelt voorop dat blijkens het bepaalde in artikel 1926 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verklaring van een enkele getuige, zonder enig ander middel van bewijs, in rechte geen geloof verdient. In het licht daarvan had het op de weg van de Staat, op wie de bewijslast van zijn stelling dat het ontslagbesluit d.d. 08 september 2006 op rechtsgeldige wijze aan [verzoeker] ter kennis is gebracht, rust, gelegen om [korporaal], die volgens de verklaring van [sergeant] aanwezig was ten tijde dat [verzoeker] de mededeling deed dat hij was ontslagen en thans burger is, in dit kader te doen horen, hetgeen de Staat heeft nagelaten. De Staat heeft geen ander middel van bewijs ter ondersteuning van hetgeen [sergeant] in zijn rapport d.d. 27 november 2007 heeft verklaard, bijgebracht, zodat daaraan op grond van artikel 1926 BW voorbij dient te worden gegaan. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat niet is geslaagd in het leveren van het bewijs van zijn stelling dat het ontslagbesluit d.d. 08 september 2006 op rechtsgeldige wijze aan [verzoeker] ter kennis is gebracht.

2.6 Het voorgaande kan [verzoeker] echter niet baten. Het subsidiair gevorderde achterstallige loon dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt. In het tussenvonnis van 03 juni 2011 is in 3.3.1 reeds overwogen dat de subsidiaire vordering slechts ontvankelijk is voor zover het betreft de maanden vanaf juni 2009. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat [verzoeker] sinds zijn inverzekeringstelling op 19 augustus 2004 geen arbeid heeft verricht, zodat dit rechtens tussen partijen vaststaat. In dit licht had het op de weg van [verzoeker] gelegen om te stellen dat hij zich op enig moment, in ieder geval vanaf de maand juni 2009, heeft aangemeld om de bedongen arbeid te verrichten, hetgeen hij heeft nagelaten. [verzoeker] heeft weliswaar in zijn verweerschrift d.d. 12 september 2005 verzocht om hem in afwachting van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep te plaatsen bij de afdeling Veiligheidsdienst en bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 30 juni 2008 aan de Staat te kennen gegeven beschikbaar te zijn om op elke afroep de bedongen werkzaamheden te verrichten, maar hij heeft in het geding daarop geen beroep gedaan. Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] geen aanspraak maakt op schadevergoeding ter hoogte van het achterstallige loon.

  1. De beslissing

Het Hof:

3.1 Verleent aan [verzoeker], thans geheten [verzoeker-variant] akte van naamswijziging als verzocht.

3.2 Verklaart [verzoeker], thans geheten [verzoeker-variant] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot wedertewerkstelling.

3.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 07 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. B.A.H. Pick namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. L.G. Riedewald, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2011-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende te Paramaribo,
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de staat”,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, beleidsadviseur werkzaam bij het Bureau Landsadvocaat van het Ministerie van Justitie,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • verzoekschrift d.d. 10 september 2009, ter griffie op die datum ontvangen, met producties;
  • verweerschrift d.d. 14 april 2010, met producties;
  • de beschikking van het hof van 27 april 2010 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 juni 2010, welke is verplaatst naar 1 oktober 2010 en is voortgezet op 29 oktober 2010;
  • akte uitlating na gehouden verhoor van partijen zijdens [eiser] d.d. 29 oktober 2010;
  • antwoordakte zijdens de staat d.d. 3 december 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. [eiser] is in 1997 als militair in dienst getreden van de staat.

1.2. Bij brief van de staat d.d. 10 mei 2006 is onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 1 bij het verzoekschrift):

“U werd op 19 augustus 2004 door de Militaire Politie in verzekering gesteld als verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding Wet op Verdovende middelen.
Bij de Krijgsraad-zitting van 22 februari 2005 bent u veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden met aftrek en een geldboete van Srd 2.000,- subsidiair 02(twee) maanden hechtenis.
In de bespreking van de Rehab. Commissie d.d. 17 november 2005 is geadviseerd u bij de Minister van Defensie voor te dragen voor ontslag onder opschortende voorwaarde op grond van artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”.

De Minister heeft beslist dat u wordt ontslagen uit de militaire dienst.
Het een en ander zal middels een beschikking van de Minister worden geformaliseerd.”

1.3. Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 8 september 2006 met nummer 2961/06 is onder meer het volgende vermeld (productie 1 bij het verweerschrift):

“– dat de heer [eiser] voornoemd bij de Krijgsraadzitting van 22 februari 2006 (bedoeld is 2005, toevoeging hof) wegens overtreding Wet op verdovende middelen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden met aftrek en een geldboete van SRD.2000,= subsidiair, 02(twee) maanden hechtenis.
– dat hij bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 09 september 2005 in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren, doch in zijn verweerschrift van 12 september 2005 geen steekhoudende argumenten heeft kunnen aanvoeren welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien;
(…)

HEEFT BESLOTEN:

l. Om redenen voormeld, de Korporaal in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij het Korps Militaire Politie, [eiser], geboren op [geboortedatum], ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, uit Staats (militaire) dienst te ontslaan. Dit ontslag gaat in de dag nadat het onderhavige besluit overeenkomstig artikel 3 van de “Wet rechtspositie Militairen”, ter kennis van betrokkene is gebracht.”

1.4. Bij brief van 2 april 2007 heeft de staat onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 3 bij het inleidend verzoekschrift):

“Hierbij deel ik u mede, dat u op 20 augustus 2006 in verzekering werd gesteld door de Militaire Politie als verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschriften en veroordeeld bent op 27 februari 2007 tot een gevangenisstraf van twaalf(12) maanden met aftrek.
Aangezien de veroordeling een grond tot ontslag oplevert, ingevolge artikel 35 lid 4 van de “Wet Rechtspositie Militairen” wordt u in de gelegenheid gesteld zich binnen 5 (vijf) werkdagen na ontvangst van dit schrijven schriftelijk te verantwoorden.”

1.5. Bij brief van 20 april 2007 heeft de staat onder meer het volgende aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld (productie 5 bij het inleidend verzoekschrift):

“Middels deze weg wil ik U meedelen dat abusievelijk een uitnodiging tot verweer d.d. 2 april j.l. is toegezonden aan Uw client.
Gezien het feit dat Uw client bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 08 februari 2006 nr. P.W. 2961/06 reeds ontslagen is, dient deze uitnodiging tot verweer als niet verzonden beschouwd te worden.
Er wordt dan ook geen reactie meer verwacht zijdens Uw client.”

1.6. De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 30 juni 2008 onder meer het volgende aan de staat meegedeeld (productie 6 bij het inleidend verzoekschrift):

“Uw schrijven met bovenvermeld kenmerk d.d. februari 2008 heb ik meerdere keren met cliënt besproken, echter blijft hij volhouden nimmer een ontslagbeschikking te hebben gehad. Hij stelde dat indien hij de beschikking wel had ontvangen hij toch beroep tegen de beslissing zou hebben ingesteld? Deze opstelling van cliënt is begrijpelijk. Immers is niet aangetoond, bijvoorbeeld middels ondertekening voor ontvangst, zoals voorgeschreven is, dat de beschikking aan cliënt is overhandigd.
Het feit dat derhalve niet is aangetoond dat de ontslagbeschikking aan cliënt is uitgereikt, betekent dat, voor zover die beschikking inderdaad is uitgegeven, deze jegens cliënt geen effect kan sorteren.
Cliënt houdt zich, voor alle duidelijkheid, bij deze derhalve nog immer beschikbaar om op elke afroep de bedongen werkzaamheden te verrichten.
Ook wordt het ministerie bij deze verzocht, zonodig gesommeerd, om cliënt binnen 14 dagen na heden het achterstallige loon, inclusief wettelijke verhoging te voldoen, bij gebreke waarvan ik opdracht heb een vordering, strekkende tot betaling van achterstallig loon, in rechte te vorderen.”

2.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair: veroordeling van de staat om [eiser] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van Srd. 1.000,00 per dag althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
subsidiair: veroordeling van de staat om aan [eiser] te betalen het aan hem toekomend loon vanaf augustus 2004 tot aan de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;
zulks met veroordeling van de staat in de kosten van het geding.

2.2. De Staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

Bevoegdheid

3.1.1. Uit artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen volgt dat de bevoegdheid van het hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals neergelegd in de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet (PW), zich mede uitstrekt tot militaire ambtenarenzaken. In artikel 79 PW zijn de vorderingen waarover het hof als eerste en enige instantie bevoegd is te oordelen limitatief weergegeven. Naar het oordeel van het hof kan de primaire vordering van [eiser] worden aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c PW, te weten een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een handeling, namelijk wedertewerkstelling, in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren is bepaald. Dit betekent dat het hof bevoegd is om van de primaire vordering kennis te nemen.

3.1.2. [eiser] vordert subsidiair betaling van achterstallig salaris vanaf augustus 2004. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 PW. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b PW wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [eiser] niet betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b PW bevoegd om van de subsidiaire vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

De primaire vordering

3.2. In artikel 80 lid 2 sub c PW is bepaald dat een vordering als de onderhavige primaire vordering niet-ontvankelijk is, indien deze is ingediend meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 PW geacht wordt het besluit te hebben genomen. In artikel 78 lid 2 PW is bepaald dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het heeft nagelaten binnen de daarvoor gestelde termijn, of, zo een tijdsbepaling ontbreekt, binnen drie maanden een verplichte handeling te verrichten. [eiser] is op 19 augustus 2004 in verzekering gesteld en uiteindelijk veroordeeld tot twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek. Aannemelijk is aldus dat hij in augustus 2005 op vrije voeten is gesteld. Aangezien is gesteld noch gebleken dat de staat [eiser] heeft geschorst, was zij, bij gebreke van een ontslagbesluit, welk besluit volgens de staat immers eerst op 8 september 2006 is genomen, in beginsel gehouden hem na zijn vrijlating weer toe te laten tot de werkzaamheden. Nu zij dit achterwege heeft gelaten, lag het op de weg van [eiser] om binnen drie maanden na augustus 2005 een vordering tot wedertewerkstelling in te stellen. Aangezien [eiser] het verzoekschrift eerst op 10 september 2009 heeft ingediend, heeft hij de termijn van drie maanden ruimschoots overschreden, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot wedertewerkstelling.

De subsidiaire vordering

3.3.1. Uit artikel 39 van de Wet rechtspositie militairen volgt dat ter zake het salaris van de militair ambtenaar de artikelen 28 tot en met 35 PW van overeenkomstige toepassing zijn. Op grond van artikel 28 lid 1 PW laatste zinsnede is de staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 79 lid 1 sub b juncto 80 lid 2 sub c PW is de vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het salaris had moeten worden betaald, aldus meer dan drie maanden na de laatste dag van de maand waarin geen salaris is betaald. Aangezien het verzoekschrift op 10 september 2009 is ingediend, is de subsidiaire vordering slechts ontvankelijk voor zover het betreft de maanden vanaf juni 2009. Het hof oordeelt dienaangaande als volgt.

3.3.2. De staat voert aan dat [eiser] bij besluit van 8 september 2006 is ontslagen, welk besluit hem volgens haar op 30 oktober 2006 door een sergeant van de Militaire Politie is meegedeeld in zijn cel in het Hoofdkwartier van de Militaire Politie, alwaar hij was ingesloten op verdenking van een nieuw strafbaar feit (zie productie 2 bij het inleidend verzoekschrift). [eiser] voert aan dat hij het ontslagbesluit nimmer heeft ontvangen. In artikel 36 lid 2 Wet rechtspositie militairen is bepaald dat het besluit tot ontslag door middel van een afschrift ter kennis van de militaire landsdienaar wordt gebracht. Volgens artikel 3 van die wet kan dit middels overhandiging van het afschrift aan de ambtenaar, door persoonlijke uitreiking van een aangetekende brief dan wel door betekening. In het ontslagbesluit is bepaald dat het ontslag ingaat de dag nadat het besluit overeenkomstig artikel 3 van de Wet Rechtspositie Militairen ter kennis van [eiser] was gebracht. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het ontslagbesluit, teneinde werking te hebben, op rechtsgeldige wijze aan [eiser] moet zijn meegedeeld.

3.3.3. Voor zover in rechte mocht komen vast te staan dat de staat het besluit op rechtsgeldige wijze aan [eiser] heeft meegedeeld, is de staat naar het oordeel van het hof geen salaris c.q. schadevergoeding ter hoogte van het salaris verschuldigd vanaf het moment dat het besluit conform de wet werking heeft gekregen. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiser] tijdig een vordering tot nietigverklaring van het besluit heeft ingesteld, zodat er alsdan in rechte van uit moet worden gegaan dat [eiser] is ontslagen. Aangezien [eiser] de inhoud van de verklaring van de sergeant betwist en volhardt in zijn standpunt dat hij het ontslagbesluit nimmer heeft ontvangen, wordt aan de staat te bewijzen opgedragen dat zij het ontslagbesluit d.d. 8 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht.

3.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof:

draagt de staat op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, bewijs te leveren van haar stelling dat zij het ontslagbesluit d.d. 8 september 2006 op rechtsgeldige wijze ter kennis van [eiser] heeft gebracht;

bepaalt dat het getuigenverhoor wordt gehouden op vrijdag 7 oktober 2011 in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combéweg 2 te Paramaribo;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 juni 2011, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. R.G. Rodrigues

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. Heijmans namens zijn gemachtigde advocaat, mr. Sewcharan en verweerder vertegenwoordigd door mr. de Bies namens de gemachtigden, mr. Campagne en mr. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-K1-2015-19

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 152997
13 juli 2015

Vonnis in de zaak van

DE POLITIEKE ORGANISATIE PERTJAJAH JUHUR, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “Pertjajah Luhur”,

tegen

GEERLINGS-SIMONS, JENNIFER, in haar hoedanigheid van voorzitter van de Nationale Assemblee, kantoorhoudende en wonende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. N. van Dijk, advocaat,
hierna te noemen: ‘De Voorzitter’ .

1. Het proces verloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 7 juli 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de mondelinge conclusie van antwoord, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2015, met producties;
  • de mondelinge conclusies van repliek, met producties en dupliek, en uitlating producties, eveneens aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij deurwaardersexploiten van 25 juni 2015 zijn aan de heren Sapoen, Raymond Soeharto en Chitan, Diepakkoemar, elk in hun hoedanigheid van gekozen volksvertegenwoordiger, overeenkomstig artikel 4 lid 2 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers betekend:

  1. Een brief van 25 juni 2015 van Pertjajah Luhur inhoudende het besluit inzake hun terugroeping als volksvertegenwoordiger, alsook de gronden waarop het besluit is gebaseerd;
  2. Een gewaarmerkt uittreksel van de goedgekeurde notulen d.d. 24 juni 2015 van de rechtsgeldige vergadering waarop het voormelde besluit tot terugroeping door de Partijraad van Pertjajah Luhur is genomen.

2.2 Op 26 juni 2015 zijn aan de voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau per deurwaardersexploiten, overeenkomstig artikel 4 lid 4 van voormelde wet, betekend:

  1. voormelde brieven van 25 juni 2015 van Pertjajah Luhur;
  2. voormelde notulen van de Partijraadsvergadering van Pertjajah Luhur d.d. 24 juni 2015;
  3. afschriften van voormelde deurwaardersexploiten d.d. 25 juni 2015.

2.3 De onder 2.2. genoemde documenten zijn ook aan de Minister van Binnenlandse Zaken betekend bij deurwaardersexploit van 26 juni 2015.

2.4 Voorts zijn de documenten conform artikel 5 van voormelde Wet verzonden naar de President van de Republiek Suriname en de overige in dat artikel genoemde functionarissen en instanties, waaronder de Voorzitter van De Nationale Assemblee.

2.5 Bij schrijven van 3 juli 2015 heeft Pertjajah Luhur aan de Voorzitter het verzoek gedaan de personen R.S. Sapoen en D. Chitan, die zijn teruggeroepen op grond van de hiervoor bedoelde wet, niet langer te beschouwen en te behandelen als Lid van De Nationale Assemblee en de proces-gemachtigde van Pertjajah Luhur per ommegaand doch uiterlijk maandag 6 juli 2015 om 12.00 uur een schriftelijke bevestiging toe te sturen.

2.6 De Voorzitter heeft op het schrijven van 3 juli 2015 van Pertjajah Luhur geen bevestiging gestuurd.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Pertjajah Luhur vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de Voorzitter verbiedt om de in hun hoedanigheid van volksvertegenwoordigers bij deurwaarders exploiten van 25 juni 2015 teruggeroepen personen Sapoen, Raymond Soeharto en Chitan, Diepakkoemar, uit te nodigen voor vergaderingen van De Nationale Assemblee en haar gebiedt om hen de toegang tot het assemblee gebouw te ontzeggen en voorts
  • de Voorzitter veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. De grondslag

Pertjajah Luhur voert als grondslag aan dat zij heeft gemerkt dat de Voorzitter, ondanks de terugroeping, de twee teruggeroepen personen nog steeds behandelt als Lid van De Nationale Assemblee. Hiermee handelt de Voorzitter onrechtmatig omdat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers Pertjajah Luhur het recht toekent om personen terug te roepen waarna zij niet langer beschouwd moeten worden als Lid van Nationale Assemblee. Pertjajah Luhur stelt dat voornoemde personen Sapoen, R.S. en Chitan, D. op grond van de genoemde Wet met ingang van donderdag 25 juni 2015 rechtens geen lid meer zijn van De Nationale Assemblee.

3.3. Het verweer

De Voorzitter heeft de volgende punten als verweer aangevoerd:

  1. Pertjajah Luhur had niet de Voorzitter van De Nationale Assemblee in rechte moeten betrekken, immers kan je niet de voorzitter van een orgaan in rechte betrekken, doch slechts dat orgaan; eigenlijk had Pertjajah Luhur de vordering bedoeld tegen De Nationale Assemblee, maar de rechterlijke macht is niet bevoegd om De Nationale Assemblee te veroordelen vanwege het beginsel van de Trias Politica; om laatstgenoemde reden is de kantonrechter onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;
  2. Het voorgaande brengt voorts met zich mee dat Pertjajah Luhur eigenlijk de Staat Suriname in rechte had moeten betrekken; nu dat niet is gebeurd moet Pertjajah Luhur niet-ontvankelijk verklaard worden;
  3. De brieven van 25 juni 2015 inhoudende de terugroeping van de twee personen hebben geen rechtsgevolg omdat de terugroeping heeft plaatsgevonden voordat de twee personen als lid waren toegelaten bij De Nationale Assemblee; op de 25ste juni 2015 waren zij weliswaar gekozen, doch nog niet als lid toegelaten tot het college; artikel 68 van de Grondwet handelt over het terugroepen van leden van De Nationale Assemblee; de twee bedoelde personen zijn op 30 juni 2015 pas toegelaten als lid van De Nationale Assemblee;
  4. Uit de stukken blijkt dat de Partijraadsvergadering niet conform de Statuten van de Partij bijeen is geroepen; ook blijkt niet wie op de vergadering aanwezig was en of de personen wel de Partijraad uitmaakten; hierdoor kan er niet vanuit gegaan worden dat er een rechtsgeldige vergadering is geweest van een bevoegd orgaan, waardoor het besluit tot terugroeping niet rechtsgeldig is;
  5. De kantonrechter mag niet oordelen over de inrichting van een andere staatsmacht of over de toelating van leden van De Nationale Assemblee; het geschil dat is voorgelegd is geen burgerlijk geschil zoals bedoeld in Rechtsvordering en de kantonrechter is ook op grond hiervan niet bevoegd van de vordering kennis te nemen;
  6. In de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers is de taak van het Centraal Hoofdstembureau opgenomen; dit orgaan heeft een rol te vervullen bij terugroeping en niet De Nationale Assemblee of haar voorzitter; ook om die reden moet Pertjajah Luhur niet ontvankelijk worden verklaard;
  7. Pertjajah Luhur is als combinatie de verkiezingen ingegaan en was nog een combinatie na de verkiezingen; om die reden zou voor de terugroeping artikel 2 lid 2 aan de orde zijn namelijk de terugroeping door de combinatie en niet de terugroeping door de Partij; de combinatie V7 had in casu een terugroeprecht; echter zijn de twee personen niet door V7 teruggeroepen;
  8. De grond die voor de terugroeping is aangevoerd is het verlaten van de fractie; echter was er op 25 juni 2015 nog geen fractie van de Pertjajah Luhur; hierdoor kon de terugroeping niet plaatsvinden op die grond;
  9. Er is geen onrechtmatig handelen gesteld en ook geen schade of causaal verband.

4. De beoordeling

4.1 Pertjajah Luhur heeft op de verweren gereageerd waarbij zij onder andere het volgende naar voren heeft gebracht:

1+2. Dat de Voorzitter van De Nationale Assemblee in rechte moet worden betrokken omdat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers bepaalt dat het lidmaatschap eindigt op het moment dat het exploit aan betrokkenen wordt uitgereikt en dat zij op grond daarvan van de Voorzitter vordert dat zij overeenkomstig handelt. Voorts stelt Pertjajah Luhur dat ingevolge het Orde Reglement van De Nationale Assemblee de voorzitter de bevoegdheid heeft om personen de toegang te weigeren. Het is derhalve juist de voorzitter die in rechte aangesproken moest worden in deze zaak en niet het orgaan;
3. De terugroeping van de twee personen heeft wel rechtsgevolg omdat ook een gekozene, die nog niet is beëdigd tijdens de eerste vergadering van De Nationale Assemblee kan worden teruggeroepen, hetgeen blijkt uit de definitie van een ‘volksvertegenwoordiger’ in de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers;
4. De beslissing tot terugroeping is wel door een bevoegd orgaan genomen; de vergadering was met spoed bijeengeroepen doch dat doet niets af aan het feit dat het een Partijraadsvergadering was die rechtsgeldige besluiten heeft genomen;
5. De Kantonrechter is wel bevoegd om van het geschil kennis te nemen, immers betreft het een vordering op grond van onrechtmatig handelen, waarbij de Voorzitter onrechtmatig handelt door voorbij te gaan aan de terugroeping en daarmee het recht van Pertjajah Luhur tot terugroeping schendt; dit onrechtmatig handelen mag wel worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter ingevolge onze wet;
6. Inderdaad is een taak aan het Centraal Hoofdstembureau toebedeeld bij de terugroeping, doch de Voorzitter van De Nationale Assemblee heeft een taak in het bijeenroepen van een vergadering en het toelaten van personen tot die vergadering en de onderhavige vordering heeft met die taken van de Voorzitter te maken;
7. De V7-combinatie was reeds ontbonden toen de terugroeping plaatsvond; hierdoor was het wel Pertjajah Luhur die de terugroepingsprocdure moest instellen; Pertjajah Luhur heeft die stelling onderbouwd middels overlegging van een beëindigingsovereenkomst d.d. 25 juni 2015;
8. In de memorie van toelichting van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers is een definitie van een fractie gegeven, namelijk: “een samenstelling van leden die gekozen zijn op lijsten boven welke dezelfde naam of aanduiding van een politieke organisatie of combinatie geplaatst is”; hieruit blijkt dat wel sprake is van een fractie, ook voordat de eerste vergadering heeft plaatsgehad;
9. Het betreft een onrechtmatig handelen of nalaten, in die zin dat de Voorzitter handelt in strijd met het recht van Pertjajah Luhur om personen terug te roepen en nalaat de consequenties te verbinden aan de terugroeping.

4.2 De kantonrechter zal de beoordeling aanvangen met het bevoegdheidsverweer en het niet-ontvankelijkheids verweer van de Voorzitter.

Het bevoegdheidsverweer

4.3 De kantonrechter is het eens met Pertjajah Luhur wanneer deze zoals hiervoor aangegeven, stelt dat de kantonrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Pertjajah Luhur tegen de Voorzitter van De Nationale Assemblee.

4.4 De kantonrechter overweegt dat de Voorzitter zich erop beroept dat het betreft een interne kwestie van de Wetgevende macht en dat de Rechterlijke macht daar geen uitspraak over mag doen. Pertjajah Luhur is het daar niet mee eens en verwijst naar de wet.

4.5 De kantonrechter overweegt dat nagegaan moet worden of inderdaad de onafhankelijke rechter niet geaddieerd mag worden indien het betreft een rechtsvraag die betrekking heeft op het terugroepen van een lid van De Nationale Assemblee.

4.6 De kantonrechter overweegt dat in de Grondwet in artikel 10 is neergelegd de regel dat een ieder die van mening is dat zijn rechten en vrijheden worden aangetast, aanspraak maakt op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

4.7 In de wet is geen uitzondering gemaakt voor de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, waardoor een persoon die van mening is dat een van de rechten voortvloeiend uit de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers wordt aangetast, deze aantasting mag voorleggen aan de onafhankelijke rechter.

4.8 Pertjajah Luhur haar reactie op dat verweer is naar het oordeel van de kantonrechter terecht, namelijk dat op grond van artikel 2 van het RIS een vordering uit onrechtmatig handelen of onrechtmatig nalaten altijd aan de kantonrechter mag worden voorgelegd, ongeacht of deze vordering wordt ingesteld tegen een andere burger of tegen de Voorzitter van de Nationale Assemblee.

4.9 De kantonrechter is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat zij wel bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering en verwerpt het verweer terzake.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer

4.10 Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer overweegt de kantonrechter dat, gelijk Pertjajah Luhur stelt, niet uit de vordering blijkt dat Pertjajah Luhur iets vordert van het orgaan De Nationale Assemblee, doch dat uit de vordering blijkt dat Pertjajah Luhur iets vordert van een functionaris die belast is met specifieke taken binnen het orgaan, namelijk de Voorzitter van De Nationale Assemblee. Nu de terugroeping ook aan haar betekend moet worden volgens de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers en de Voorzitter belast is met het beleggen van vergaderingen en het handhaven van de orde op de vergaderingen, en in sommige gevallen genoemd in het Reglement van Orde van De Nationale Assemblee belast is met het niet toelaten van personen tot de vergadering is het niet onjuist dat Pertjajah Luhur meent tegen de Voorzitter de onderhavige vordering in te moeten stellen. Pertjajah Luhur is dan ook ontvankelijk in haar vordering. Dat verweer wordt eveneens verworpen.

Het verweer met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de terugroeping

4.11 De vraag die partijen tevens verdeeld houdt is die of de mogelijkheid bestaat voor een politieke organisatie om een persoon terug te roepen die wel is gekozen doch nog niet is beëdigd op de eerste vergadering van De Nationale Assemblee zoals bedoeld in artikel 66 van de Grondwet. Met name houdt de vraag partijen verdeeld hoe het woord “lidmaatschap” in artikel 68 van de Grondwet moet worden gezien, immers eindigt het lidmaatschap van De Nationale Assemblee door de terugroeping.

4.12 Tijdens de pleidooien hebben partijen onderscheid gemaakt tussen de twee fasen waarin een gekozene na de verkiezing komt te verkeren. De fase waarin een persoon is gekozen doch nog niet is beëdigd als lid van De Nationale Assemblee tijdens de eerste vergadering en de fase waarin deze persoon al is beëdigd als lid van De Nationale Assemblee tijdens de eerste vergadering. In welk van deze fasen is er sprake van “lidmaatschap”. Partijen twisten over de vraag of de terugroeping rechtens mogelijk is in beide fasen. Beide fasen zijn in de onderhavige zaak terug te brengen in de volgende tijdslijn: de verkiezing heeft plaatsgevonden op 25 mei 2015 – op 25 juni 2015 zijn de twee personen teruggeroepen – op 30 juni 2015 heeft de eerste vergadering van de nieuw gekozen Nationale Assemblee plaatsgevonden tijdens welke vergadering de twee personen zijn beëdigd.

4.13 De Voorzitter is van mening dat slechts een beëdigd lid van De Nationale Assemblee kan worden teruggeroepen en dat een “gekozene” die nog niet is beëdigd niet als lid kan worden aangemerkt. Dat de Grondwet in artikel 68 met het woord “lidmaatschap” doelt op de omstandigheid dat de leden “reeds als beëdigd lid zijn toegelaten tot De Nationale Assemblee”. Volgens de zienswijze van de Voorzitter kan pas worden teruggeroepen nadat de beëdiging heeft plaatsgevonden, immers, zo stelt de Voorzitter, geldt voor gekozenen vóór het moment van toelating en beëdiging niet dat hun lidmaatschap van De Nationale Assemblee kan eindigen, immers is er nog geen sprake van lidmaatschap.

Om die reden, zo stelt de Voorzitter, heeft de procedure van terugroeping gedateerd 25 juni 2015 voor de twee personen waar het in het onderhavig kort geding om gaat, geen rechtsgevolgen en in elk geval niet tot gevolg dat hun lidmaatschap is beëindigd. De Voorzitter stelt dat deze personen dan ook rechtsgeldig zijn uitgenodigd voor de eerste vergadering van 30 juni 2015 op welke vergadering zij het ambt hebben aanvaard en de eed hebben afgelegd en zijn toegetreden tot het college. Thans, zo stelt de Voorzitter, is er ten aanzien van hun sprake van lidmaatschap van De Nationale Assemblee.

4.14 Pertjajah Luhir is van mening dat ook “gekozenen” die nog niet zijn beëdigd kunnen worden teruggeroepen en is van mening dat de procedure van terugroeping wel rechtsgevolgen had, namelijk dat hun lidmaatschap is beëindigd en zij niet mogen worden toegelaten in de vergadering als leden van De Nationale Assemblee van de Politieke organisatie Pertjajah Luhur.

4.15 Beide partijen beroepen zich op de Wet:

  • De Voorzitter beroept zich erop dat de Grondwet in artikel 68 regelt: de beëindiging van het lidmaatschap van De Nationale Assemblee. Zij stelt zich op het standpunt dat de term “lidmaatschap” in de Grondwet erop duidt dat slechts bij beëdigde leden sprake is van “lidmaatschap”. Beëdigde leden kunnen worden teruggeroepen en iemand die nog niet is beëdigd en toegelaten kan niet worden teruggeroepen, immers staat de terugroeping als punt c onder de “beëindiging van het lidmaatschap van De Nationale Assemblee”; in artikel 68 doelt de Grondwetgever met de term “lidmaatschap” volgens de zienswijze van de Voorzitter op personen die zijn gekozen en reeds zijn toegelaten en beëdigd tijdens de eerste vergadering.
  • Pertjajah Luhur beroept zich op de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, waarin is geregeld dat kunnen worden teruggeroepen:
    “volksvertegenwoordigers” waarbij “volksvertegenwoordigers” zijn gedefinieerd als: “degenen die na algemene, vrije en geheime verkiezingen op grond van de Kiesregeling worden gekozen casu quo verkozen verklaard om in een volksvertegenwoordigend lichaam een politieke organisatie of combinatie te vertegenwoordigen”. Pertjajah Luhur stelt dat hieruit kan worden begrepen dat ook personen die zijn gekozen, doch nog niet zijn beëdigd tijdens de eerst vergadering kunnen worden teruggeroepen; de woorden “verkozen casu quo verkozen verklaard” duiden hierop stelt Pertjajah Luhur.

4.16 De Voorzitter heeft op de zienswijze van Pertjajah Luhur aangevoerd dat in de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers misschien wel zo een definitie staat, doch dat de definitie waarschijnlijk gebrekkig is. Zij voert aan dat in deze artikel 68 van de Grondwet gevolgd moet worden omdat de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers dient ter regeling van terugroeping van volksvertegenwoordigers, zoals bepaald in artikel 68 van de Grondwet, waarbij zij erbij blijft dat ten aanzien van de twee personen nog niet van “lidmaatschap” kon worden gesproken ten tijde van de terugroeping.

4.17 Nu partijen zich beiden op de wet beroepen moet in dit kort geding nagegaan worden welk der zienswijzen als aannemelijk kan worden aangemerkt. Deze beoordeling zal gemaakt worden aan de hand van het wettelijk kader betreffende de volksvertegenwoordiging.

4.18 Het voor deze zaak relevante wettelijk kader rond de volksvertegenwoordiging bestaat onder andere uit de Grondwet, de Kiesregeling en de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers.

4.19 Bij de raadpleging van het kader wordt vooral gelet op het verschil in zienswijzen tussen partijen over de term “Lidmaatschap” bedoeld in artikel 68 van de Grondwet, met name de vraag of de Grondwetgever in artikel 68 met lidmaatschap bedoelde de omstandigheid dat iemand reeds is beëdidgd als lid van De Nationale Assemblee tijdens de eerste vergadering of ook bedoeld heeft iemand die gekozen is maar nog niet tijdens de eerste vergadering is beëdigd.

Uiteindelijk zal de vraag beantwoord moeten worden of het lidmaatschap van beide personen is beëindigd door de betekening van het exploit waarin de terugroeping is vervat of niet. Naar aanleiding van het antwoord op die vraag kan antwoord gegeven worden op de vraag of de Voorzitter onrechtmatig handelt door de twee personen nog als leden van De Nationale Assemblee aan te merken.

4.19.1 De Grondwet

In artikel 68 lid 1 van de Grondwet staat:
“Het lidmaatschap van De Nationale Assemblee eindigt door:
a. overlijden;
b. ontslag op eigen verzoek;
c. terugroeping van het lid op de wijze bij wet te bepalen…”

In Hoofdstuk X zijn de bepalingen opgenomen omtrent de verkiezing en het lidmaatschap:

Artikel 65 luidt:
“Bij het aanvaarden van hun ambt leggen de leden de volgende eed of verklaring en belofte af: …

Artikel 66 luidt:
“Uiterlijk binnen dertig dagen nadat de leden van De Nationale Assemblee zijn gekozen, komt dit orgaan in vergadering bijeen onder voorzitterschap van het oudste lid in jaren…..in deze vergaderingonderzoekt De Nationale Assemblee de geloofsbrieven van haar nieuwe leden….”

Artikel 67 luidt:
“1. Het in het voorgaande artikel genoemde oudste lid legt, voorafgaande aan de vergadering in handen van de President de voorgeschreven eed af, waarna hij de overige vijftig leden beëdigt. Hierna gaat de vergadering over tot het kiezen van een voorzitter en een vice-voorzitter van De Nationale Assemblee, die onmiddellijk hun functies aanvaarden…”

4.19.2 De Kiesregeling

In de Kiesregeling staan de bepalingen die gelden voor het kiezen van personen, het vaststellen van het resultaat van de verkiezing en de procedure die moet worden gevolgd nadat is vastgesteld dat een kandidaat is gekozen en de samenstelling van De Nationale Assemblee.

Over de wijze van samenstelling van De Nationale Assemblee staat in artikel 8 vermeld:
“1. De leden van De Nationale Assemblee worden per district gekozen voor een periode van vijf jaren.
2. Zij treden tegelijk af op het tijdstip dat de nieuw gekozen Nationale Assemblee in functie treedt”.

Ten aanzien van het vaststellen van het resultaat van de verkiezingen is onder andere het volgende bepaald:

Artikel 128:
“onmiddellijk nadat de afschriften van de processen-verbaal van alle hoofdstembureaus zijn ontvangen, gaat het Centraal Hoofdstembureau over tot het verrichten van de werkzaamheden ter vaststelling van de uitslag der verkiezing”.

Artikel 132:
“1. Het Centraal Hoofdstembureau maakt de uitslag der verkiezing zo spoedig mogelijk bekend en bepaalt tevens hoeveel zetels elke politieke organisatie in de volksvertegenwoordigende lichamen heeft behaald. De bekendmaking geschiedt in een zitting van het Centraal Hoofdstembureau….
2. Dag en uur van de zitting worden door de voorzitter tijdig bekend gemaakt”.

Artikel 133:
“1. Nadat alle werkzaamheden zijn beëindigd, wordt daarvan aanstonds proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal worden de uitslag der verkiezing alsmede alle ingebrachte bezwaren vermeld.
2. Het proces-verbaal wordt door alle ter zitting aanwezige leden van het Centraal Hoofdstembureau getekend. Het wordt aan de President en het Onafhankelijk Kiesbureau aangeboden”.

Artikel 135:

“1. De voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau doet een afschrift van het proces-verbaal toekomen aan het lichaam, waarvoor de verkiezing heeft plaatsgevonden.
2. De gekozene ontvangt onverwijld van de voorzitter een afschrift van het proces-verbaal waaruit zijn verkiezing blijkt. Dit afschrift strekt de gekozene tot geloofsbrief. De uitreiking geschiedt door tussenkomst van de Districts-Commissaris”.

4.19.3 Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers

In de aanhef van de wet staat:
“in overweging genomen hebbende, dat het wenselijk is ter uitvoering van artikel 68 lid 1 aanhef en onder c van de Grondwet en artikel 20 lid 1 aanhef en onder c van de Wet Regionale Organen, regels vast te stellen omtrent de wijze waarop terugroeping van leden van de volksvertegenwoordiging plaatsvindt”.

In artikel 1 onder e is gedefinieerd wie wordt aangemerkt als volksvertegenwoordiger:
“degenen die na algemene, vrije en geheime verkiezingen op grond van de Kiesregeling wordt gekozen casu quo verkozen verklaard om in een volksvertegenwoordigend lichaam een politieke organisatie of combinatie te vertegenwoordigen”.

In artikel 4 is de procedure voor terugroeping opgenomen waarbij in lid 3 is bepaald:
“het eindigen van het lidmaatschap van de betrokken volksvertegenwoordiger, zoals bepaald in artikel 68 lid 1 onder c van de Grondwet.. is een feit bij de betekening van het deurwaardersexploit zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel”.

In artikel 5 is bepaald:

“1. Binnen veertien dagen na de betekening van het in artikel 4 lid 4 bedoelde exploit aan de voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau, komt dit orgaan bijeen om volgens de in de Kiesregeling bepaalde wijze te voorzien in de vacature van het betreffende volksvertegnwoordigende lichaam.
2. Bekendmaking van zijn bevindingen en kennisgevingen doet de voorzitter van het Centraal Hoofdstembureau volgens de Kiesregeling; artikel 136 van de Kiesregeling is van overeenkomstige toepassing”.

4.20 De kantonrechter overweegt dat, zoals onder 4.19 hierboven reeds is aangegeven, uiteindelijk antwoord gegeven moet worden op de vraag of het lidmaatschap van beide personen is beëindigd door de betekening van het exploit waarin de terugroeping is vervat of niet. Naar aanleiding van het antwoord op die vraag kan antwoord worden gegeven op de vraag of de Voorzittter onrechtmatig handelt door de twee personen nog als leden van De Nationale Assemblee aan te merken.

4.21 De kantonrechter overweegt dat in artikel 8 van de Kiesregeling is bepaald dat de “leden” van De Nationale Assemblee aftreden op het tijdstip dat de nieuw gekozen Assemblee in functie treedt. Artikel 8 van de Kiesregeling in samenhang gelezen met artikel 66 en 67 van de Grondwet wijst erop dat de nieuw gekozen Nationale Assemblee in functie treedt op de dag van de eerste vergadering. Voorts blijkt uit de redactie van artikel 65 en 66 dat de gekozen leden op de dag van de eerste vergadering het ambt van lid van De Nationale Assemblee aanvaarden en, zoals door de Voorzitter in haar conclusie van antwoord is gesteld “tot de Nationale Assemblee toetreden”.

4.22 De kantonrechter overweegt dat het voorgaande in beginsel de zienswijze van de Voorzitter ondersteunt, immers is er volgens de wetsbepalingen pas na de toelating en beëdiging op de eerste vergadering sprake van het in functie zijn, het aanvaarden van het ambt en het toegetreden zijn tot De Nationale Assemblee.

4.23 De kantonrechter overweegt voorts dat ook de formulering van de artikelen 4 en 5 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers de zienswijze van de Voorzitter ondersteunt, immers blijkt uit die artikelen dat het lidmaatschap beëindigt en dat er na de terugroeping sprake is van een vacature in het Volksvertegenwoordigend lichaam. Ook hiervoor zal het Volksvertegenwoordigend lichaam reeds in functie moeten zijn.

4.24 Zowel de redactie van artikel 4 als de redactie van artikel 5 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers duiden er op dat gedoeld wordt op een situatie waarbij er al sprake is van het “in functie zijn” van het Volksvertegenwoordigend lichaam. Dat is pas het geval na de eerste vergadering, immers dan pas is ingevolge artikel 8 van de Kiesregeling en de artikelen 66 en 67 va de Grondwet de nieuw gekozen Nationale Assemblee in functie.

4.25 De kantonrechter overweegt dat in de literatuur ook is ingegaan op het moment dat het lidmaatschap van een volksvertegenwoordiger aanvangt. Zo is in het handboek Constitutioneel Recht (Prof. mr. C.A.J.A. Kortman Kluwer – Deventer 1997 – pagina 210) het volgende vermeld: “Na de vaststelling van de verkiezingsuitslag geeft het centraal stembureau de gekozenen daarvan bij brief (geloofsbrief) kennis. Deze moet binnen tien dagen na de dagtekening van de brief aan de Tweede Kamer meedelen of hij zijn benoeming aanvaardt. Daarmee is hij echter nog geen lid van de Tweede Kamer. Hij moet daar worden toegelaten”.

In het handboek is ook ingegaan op de vraag of het lidmaatschap aanvangt na de toelating of na de beëdiging. Daar zijn volgens het handboek meerdere meningen over; Prof. Kortman is van mening dat met de toelating het lidmaatschap aanvangt.

Nu de procedure omschreven in het handboek nagenoeg dezelfde procedure is die in onze wet is neergelegd voor wat betreft de verschillende stappen, kan de zienswijze neergelegd in het handboek worden gehanteerd in onze praktijk.

De kantonrechter is derhalve van oordeel dat ook uit de literatuur lijkt dat pas van lidmaatschap sprake is wanneer een verkozene tot De Nationale Assemblee is toegelaten tijdens de eerste vergadering.

4.26 De kantonrechter overweegt dat slechts de definitie van “volksvertegenwoordigers” in de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers in de richting zou kunnen wijzen van de zienswijze van Pertjajah Luhur. Immers maakt de definitie melding van personen die gekozen worden casu quo gekozen verklaard zijn en het “gekozen verklaard zijn” duidt op het eerste gezicht op de fase dat het Centraal Hoofdstembureau het resultaat van de verkiezingsuitslag in een proces-verbaal heeft neergelegd en dit proces-verbaal heeft toegezonden aan de gekozene.

4.27 De kantonrechter is echter van oordeel dat de definitie voor wat betreft de mogelijkheid om nog niet toegelaten en beëdigde personen terug te roepen enigszins op zichzelf staat omdat de artikelen 4 en 5 van diezelfde Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, zoals hiervoor gesteld, juist wijzen op een situatie waarbij er al sprake is van het “in functie zijn” van de volksvertegenwoordiger en het lichaam, immers wordt in die artikelen gesproken van de beëindiging van het lidmaatschap en een vacature in het Volksvertegenwoordigend lichaam.

4.28 Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de wetsartikelen van de Grondwet, de Kiesregeling en de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers, dat met het woord “Lidmaatschap” in artikel 68 van de Grondwet en artikel 4 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers wordt gedoeld op de situatie waarbij de volksvertegenwoordiger al in functie is doordat hij tot De Nationale Assemblee is toegelaten. In het artikel wordt dan bepaald dat het Lidmaatschap beëindigt na terugroeping.Voorts op een situatie waarbij De Nationale Assemblee al als volksvertegenwoordigend lichaam in functie is getreden waardoor er door terugroeping een vacature zal ontstaan in het lichaam.

4.29 Alhoewel dus uit de definitie van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers de indruk ontstaat dat het de intentie was om ook gekozenen die nog niet zijn beëdigd te kunnen terugroepen is die zienswijze niet aannemelijk geworden omdat in de overige artikelen van die Wet en de artikelen in de Grondwet en de Kiesregeling een redactie te vinden is die erop duidt dat het voor het kunnen beëindigen van het “lidmaatschap” zoals genoemd in de artikelen betreffende de terugroeping, er sprake moet zijn van het toegelaten zijn en het in functie zijn als volksvertegenwoordiger.

4.30 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de definitie voorts dat ondanks de indruk die ontstaat met betrekking tot de intentie, er geen regelingen zijn waarin de gevolgen zijn opgenomen van de terugroeping van een persoon ten aanzien van wie nog geen lidmaatschap bestaat. Het zou leiden tot de consequentie dat een terugroeping als rechtsgeldig zou worden aangemerkt doch dat de gevolgen van die terugroeping niet geregeld zijn en elk gevolg dat een persoon of orgaan aan die terugroeping zou verbinden niet op de wet gestoeld zou zijn.

4.31 De kantonrechter is van oordeel dat derhalve aan de hand van de wettelijke regelingen en de literatuur de zienswijze van de Voorzitter aannemelijk is geworden. Aannemelijk is geworden dat de terugroeping pas had kunnen plaatsvinden nadat de personen in functie waren, waardoor de Voorzitter er terecht vanuit is gegaan dat de terugroeping van 25 juni 2015 geen rechtsgevolgen heeft. Aannemelijk is geworden dat bij de twee personen nog geen sprake was va lidmaatschap op het moment van de terugroeping en er daardoor geen sprake is van beëindiging van het lidmaatschap door de uitreiking van het exploit betreffende de terugroeping. Aannemelijk is voorts geworden dat de Voorzitter niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Pertjajah Luhur door de twee personen als Lid van De Nationale Assemblee aan te merken. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.

4.32 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en Pertjajah Luhur, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

5. De Beslissing

5.1 Wijst af het gevorderde.

5.2 Veroordeelt Pertjajah Luhur in de kosten van dit geding aan de zijde van de Voorzitter gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 13 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. A.C. Johanns

SRU-HvJ-2019-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15010
18 oktober 2019

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant,
hierna te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 3 maart 2009 bekend onder AR no. 05-3950 tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 10 december 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota gedateerd 07 augustus 2015;
  • de pleitnota van antwoord gedateerd 20 november 2015;
  • de pleitnota van repliek met producties gedateerd 18 maart 2016;
  • de pleitnota van dupliek met producties gedateerd 17 juni 2016;
  • de pleitnota tot uitlating producties gedateerd 4 november 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is aanvankelijk bepaald op 07 april 2016 doch nader op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Gesteld en evenmin is gebleken dat [appellant] niet binnen de gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende haar vordering alsnog toe te wijzen.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof neemt over de feiten zoals omschreven in het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 03 maart 2009, bekend onder AR no. 05-3950 nu [appellant] daartegen geen grieven heeft aangevoerd.

4.2 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven:

  • veroordeling van [geïntimeerde] om met haar over te gaan tot scheiding en deling van het perceelland groot 739,80 m2 gelegen in het [district] aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 12 mei 1964 met de letters ABCD en met het nummer 8 deel uitmakende van het perceel groot 0,8551 ha e.e.a. deel uitmakende van de voormalige [plantage] (hierna te noemen het perceel).
  • benoeming van een notaris en onzijdige personen.

4.3 [appellant] heeft in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij mede-eigenaar is van het perceel.
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, daartoe overwegende dat slechts [geïntimeerde] eigenaar is van het perceel.
[appellant] heeft in hoger beroep tegen het vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat slechts [geïntimeerde] eigenaar is van het perceel. Volgens [appellant] hebben partijen na de koop van het perceel ontdekt dat per abuis niet is vermeld dat het perceel gemeenschappelijk bezit was. Na deze ontdekking hebben partijen een uitdrukkelijke verklaring opgemaakt waarin is aangegeven dat het perceel wel gemeenschappelijk bezit is. [appellant] verwijst hiertoe naar een niet gedateerde verklaring (hierna onderhandse akte) welke door partijen getekend is op 18 mei 1990.
In deze verklaring is – zover van belang – het volgende verwoord:
“Ondergetekenden, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, …….verklaren te zijn overeengekomen alsvolgt:
Dat door partijen gezamenlijk is gekocht het onroerend goed gelegen aan de [plaats] op de kaart van de landmeter Emanuels d.d. 12 mei 1964 bekend als kavel no. 8 een en ander deel uitmakende van de voormalige [plantage] .
Dat deze koop verkoop overeenkomst is aangegaan d.d. 17 juni 1981, met de uitdrukkelijke bedoeling, eerder genoemd onroerend goed, tot gemeenschappelijk bezit van beide echtgenoten gezamenlijk te doen behoren.
Dat door ene omissie zijdens de verkoper de levering van het onroerend goed is geschied op basis van een koop verkoop overeenkomst gedateerd 17 juni 1979, derhalve voor het huwelijk, en partijen deze omissie pas veel later hebben ontdekt.
Dat partijen het erover eens zijn dat de bedoeling bij het aangaan van de koop verkoop overeenkomst op 17 juni 1981 geen andere is geweest, dan het verkrijgen van eerder genoemd onroerend goed in gemeenschappelijk bezit.
Dat gelet op al het voorgaande partijen gezamenlijk de alhier residerende notaris R. Ramautar alwaar eerder genoemde levering is geschied benaderen met het verzoek d.t.k.v. de Advocaat A. John deze akte in dier voege te rectificeren.

Ondergetekenden
[geïntimeerde] [appellant]”.

4.3.1 [geïntimeerde] heeft tegen het voorgaande aangevoerd dat het nimmer de bedoeling is geweest dat het perceel gemeenschapsgoed zou worden. Hij stelt dat de hiervoor genoemde overeenkomst is gesloten onder psychische druk. Volgens [geïntimeerde] was [appellant] tijdens ondertekening van de hiervoor genoemde onderhandse akte vertegenwoordigd door haar raadsman, terwijl hij – die niet juridisch geschoold is – geen enkele juridische bijstand had. Aan hem is toen ten onrechte voorgehouden dat er fouten in de notariële akte zouden zijn gemaakt waardoor hij in het gevang zou kunnen belanden. Uit vrees heeft hij de onderhandse akte ondertekend. [geïntimeerde] betoogt verder dat [appellant] en haar raadsman geestelijk overwicht hadden op hem omdat hij niet juridisch geschoold is.

4.3.2 Het Hof merkt op dat de kantonrechter heeft nagelaten om te oordelen op het uitdrukkelijke beroep van [appellant] op de onderhandse akte, zodat reeds om deze reden het vonnis dient te worden vernietigd.
[geïntimeerde] kan niet serieus worden genomen in zijn verweer. Naast de stellige ontkenning van [appellant] ontgaat het het Hof waarom [geïntimeerde] niet ook juridische bijstand heeft ingeroepen bij de ondertekening van de onderhandse akte. Gesteld noch is gebleken dat hij de mogelijkheid daartoe niet had danwel dat hem die mogelijkheid is ontnomen.
Het hof gaat er dan ook van uit dat hetgeen in de onderhandse akte is opgenomen op waarheid berust. Daaruit kan dus worden geconcludeerd dat partijen de bedoeling hadden dat het perceel gemeenschappelijk bezit werd. De stelling van [appellant] dat zij mede-eigenaar is van het perceel is derhalve in rechte komen vast te staan zodat de oorspronkelijke vordering van [appellant] toewijsbaar is.
Op grond van het voorgaande dient het vonnis van de kantonrechter te worden vernietigd en dient de vordering alsnog te worden toegewezen als in het dictum te melden.

4.4 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.5 De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd nu zij echtelieden waren, en wel in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing
Het Hof
5.1 vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 03 maart 2009, bekend onder AR no. 05-3950
en opnieuw rechtdoende:

5.2 veroordeelt [geïntimeerde] om met [appellant] over te gaan tot scheiding en deling van het onder 4.2 hiervoor omschreven perceel.

5.3 Benoemt, indien partijen binnen een maand na de uitspraak omtrent de keuze van een notaris geen overeenstemming hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen worden verricht,
mr. J.R.K. Vishnudatt, residerende te Paramaribo, dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.4 Benoemt voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken tot onzijdig persoon voor:
– [appellant]: mr. E. Esajas, advocaat;
– [geïntimeerde]: mr. G. Leter, advocaat.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 oktober 2019 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Castelen namens advocaat mr. N.U. van Dijk, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2015-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker, hierna aangeduid als ”[verzoeker]”, gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs’en Volksontwikkeling, zetelende te Paramaribo,verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
het verzoekschrift ter griffie ingediend op 24 mei 2012, met producties;
de beschikking van het Hof van 4 juli 2012 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
het verweerschrift ter griffie ingediend op 16 augustus 2012;
de beschikking van het Hof van 22 oktober 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 2 november 2012;
het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker] inhoudend het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling, welk verzoek door het Hof is ingewilligd;
het proces-verbaal van de op 15 februari 2013 gehouden mondelinge behandeling;de pleitnota d.d. 7 juni 2013;
de antwoordpleitnota d.d. 3 oktober 2013, overgelegd op 18 oktober 2013, welke abusievelijk is vernoemd ”conclusie van dupliek”;
de repliekpleitnota d.d. 3 januari 2014;
de dupliekpleitnota d.d. 7 maart 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [verzoeker] is als hoofdonderwijzer in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, werkzaam op de Lagere Technische School Nickerie.

2.2 [verzoeker] is te rekenen van 22 januari 2008 in verzekerde bewaring gesteld, omdat hij verdacht werd van het plegen van ontuchtige handelingen.

2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 28 maart 2012, AD [nummer], hierna aangeduid als ”de ontslagbeschikking”, met ingang van 15 mei 2012 I ontslagen uit staatsdienst.

Daartoe is onder meer overwogen:

”dat de heer [verzoeker] meergenoemd, bij vonnis van de kantonrechter in het III6 kanton van 19 maart 2008 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) jaar en 6 (zes) maanden voorwaardelijk met aftrek en bevel tot gevangen houding;

dat als gevolg van de veroordeling zoals hierboven genoemd het pedagogisch niet verantwoord is de heer [verzoeker] meergenoemd, langer in het onderwijs te handhaven.

(-)

dat aan de heer [verzoeker] meergenoemd, wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid ingevolge artikel 69 lid 2 sub c juncto artikel 71 lid 3 te rekenen van 15 mei 2012 ontslag uit Staatsdienst zal worden verleend.”

1.4 De Staat is in kort geding bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 april 2012 (A.R. no. 115113) veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris naar de schaal waarin hij laatstelijk is ingedeeld, verhoogd met alle emolumenten en verhogingen vanaf 20 juli 2010 totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd.

1.5 De ontslagbeschikking is op 28 april 2012 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:

  1. vernietiging, althans nietigverklaring van de ontslagbeschikking;
  2. de Staat te veroordelen hem te handhaven in zijn functie;
  3. de Staat te veroordelen tot betaling c.q. doorbetaling van zijn salaris totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze is beëindigd, met emolumenten en toelagen en verhogingen;
  4. de Staat te veroordelen in de kosten van het proces, waaronder ook de proceskosten ad SRD 2.500,=.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [verzoeker] – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is, omdat het in strijd is met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten:

  1. het beginsel van hoor en wederhoor;
  2. het motiveringsbeginsel;
  3. het zorgvuldigheidsbeginsel;
  4. het vertrouwensbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

SRU-K1-2015-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 12-3007
21 april 2015

Vonnis inzake:

FLAIR FACILITIES N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde van eiseres: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
hierna te noemen eiseres,

– tegen –

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,gemachtigde van gedaagde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat
hierna te noemen gedaagde,

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 25 juli 2012 bij de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 16 oktober 2012;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1. De vordering
Eiseres vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Gedaagde te veroordelen om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 99.149,39, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
Gedaagden te veroordelen in de proceskosten.

2.2. De grondslag
Eiseres heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd: Eiseres en gedaagde zijn een overeenkomst van huur en verhuur aangegaan ten aanzien van het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te [district] aan de [straat 1] bekend onder [plaats 1] en het hierachter gelegen en daarachter grenzend erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te [district] bekend onder [plaats 2], voor de duur van drie jaren, ingaande 1 april 2012 tegen een huurprijs van € 2.500,- per maand. Eiseres had met toestemming van gedaagde reeds de beschikking over het pand per 01 maart 2012 en mocht eiseres beginnen met de exploitatie en de renovatie ten behoeve van de bedrijfsvoering. Gedaagde heeft de huurovereenkomst eenzijdig via zijn gemachtigde besloten te beëindigen en heeft eiseres de toegang tot het pand ontzegd. Eiseres heeft hierdoor enorme schade geleden tot een totaal bedrag van SRD 99.149,39. Deze schade bestaat uit de voorbereidingen die eiseres heeft getroffen met betrekking tot de leveranciers, personeel en de gasten die elders een onderkomen moesten zoeken. Gedaagde is dan ook aansprakelijk voor de geleden schade

2.3 Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op hetgeen hij heeft aangevoerd, komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

3. De beoordeling

3.1 Gedaagde voert als verweer dat de dagvaarding nietig is, daar hij noch aan de [straat 2], noch aan de [straat 3] woonachtig is.

3.2 Overwogen wordt dat op grond van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de kantonrechter bevoegd is de exceptie te verwerpen indien de gedaagde op de oproeping verschijnt en de nietigheid van de dagvaarding inroept, indien de gedaagde niet in zijn verdediging is benadeeld en alszo geen belang bij heeft om zich van de nietigheid te bedienen.De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde, gezien het feit dat hij adequaat verweer heeft kunnen voeren, niet in zijn verdediging is benadeeld, waardoor hij geen belang heeft om zich van de nietigheid te bedienen.De kantonrechter gaat aan het verweer van gedaagde, als te zijn ongegrond, dan ook voorbij.

3.3 Gedaagde betwist dat tussen partijen een overeenkomst van huur en verhuur is gesloten betreffende onroerend goed is gesloten voor de duur van drie jaar met ingang van 01 april 2012 tegen de huurprijs van € 2.500,- per maand, aangezien tussen partijen nimmer consensus is bereikt, noch over het object, noch over de prijs.

3.4 De kantonrechter overweegt het navolgende.
Uit de stellingen en weren van partijen is komen vast te staan dat partijen bezig waren met het onderhandelen ten aanzien van het eerdergenoemd onroerend goed. Eiseres is de mening toegedaan dat tussen haar en gedaagde reeds een huurovereenkomst tot stand is gekomen, hetwelk eenzijdig door gedaagde is beëindigd. Voor het tot stand komen van een overeenkomst zijn tenminste twee wilsverklaringen nodig, die op elkaar aansluiten: aanbod en aanvaarding.

3.5 Bij complexe overeenkomsten is het vaak niet eenvoudig aan te geven of tussen partijen reeds een overeenkomst tot stand is gekomen of niet. Bestaat er reeds een overeenkomst, dan brengt het beginsel van de verbindende kracht met zich mee dat men zich aan het overeengekomene niet eenzijdig kan onttrekken; de pre-contractuele fase was al geëindigd. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat met betrekking tot de vraag welke hoedanigheid eiseres de huurovereenkomst zou aangaan en de duur van de huurovereenkomst partijen nog geen overeenstemming hadden bereikt. Gezien het feit dat ten aanzien van deze twee essentiële punten nog geen overeenstemming tussen partijen was bereikt en het feit dat gedaagde in staat was de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, geeft voldoende blijk dat tussen partijen nog geen huurovereenkomst tot stand was gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter zaten partijen nog in de pre-contractuele fase.

3.6 De pre-contractuele fase is opgedeeld in drie stadia. Het derde stadium van de onderhandelingsfase is bereikt wanneer de wederpartij mocht vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren. Men moet in de gegeven omstandigheden de gerechtvaardigde verwachting hebben gehad dat de onderhandeling tot overeenstemming zou leiden. Tevens is mede van belang in hoeverre de afbrekende partij aan het ontstaan van het vertrouwen heeft bijgedragen. In het derde stadium van de pre-contractuele fase staat het een partij niet langer vrij de onderhandelingen zonder meer af te breken. In dit stadium kan de wederpartij een schadevergoeding vorderen; er is in dergelijke gevallen zelfs plaats voor vergoeding van gederfde winst.

3.7 In casu is komen vast te staan dat eiseres van gedaagde toestemming had om cosmetische wijzigingen aan te brengen en dat hij de sleutels reeds aan eiseres had overhandigd. Voorts werd het pand reeds door eiseres geëxploiteerd. Eiseres stelt dat zij van gedaagde toestemming had om het pand te exploiteren vanaf 01 maart 2012 en dat met de inkomsten van die maand de renovatie aan de binnenzijde van het pand zou worden gepleegd. Deze (laatste) stelling wordt echter door gedaagde betwist.

3.8 Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de kantonrechter dat partijen reeds in het derde stadium van de pre-contractuele fase zaten. Eiseres mocht dus gerechtvaardigd erop vertrouwen dat enigerlei contract uit de onderhandeling zou resulteren.

Gedaagde is thans gehouden de door eiseres geleden schade te vergoeden. Eiseres heeft de door haar geleden schade opgenomen in een 7 pagina’s tellende bijlage. Met gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat niet alle in de bijlage opgenomen schadeposten in causaal verband staan tot het handelen van gedaagde.

De kantonrechter zal zich in casu beperken tot de na te noemen posten:

De uitgaven gedaan met betrekking tot de cosmetische aanpassingen c.q. renovatiewerkzaamheden, welke zij niet in staat waren mee te nemen uit het pand;

De uitgaven gedaan met betrekking tot het elders onderbrengen van de zich in het pand bevindende gasten;

De inkomsten van de reeds gedane reserveringen welke zij als gevolg van het niet voortzetten van de huurovereenkomst zijn misgelopen;

De kantonrechter zal eiseres dan ook in de gelegenheid stellen een overzicht van de uitgaven van bovengenoemde punten over te leggen.

3.9 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing
De kantonrechter:

4.1 Stelt eiseres in de gelegenheid om bij akte ter rolle het overzicht zoals genoemd in 3.8 te overleggen.

4.2 Roept daartoe de zaak af op dinsdag 16 juni 2015 om 08.30.

4.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg en op dinsdag 21 april 2015 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 11-4770
17 maart 2015

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie en gedaagde in reconventie,
gemachtigde van eiser: mr. T.S. Sewdien, advocaat,
hierna te noemen [eiser].

– tegen –

FATUM SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
gemachtigde van gedaagde: mr. S. Mangroelal, advocaat,
hierna te noemen Fatum,

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen in deze zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 05 februari 2013.

1. Het verder verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
  • de conclusie van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] heeft met Fatum een verzekeringsovereenkomst onder polisnummer [nummer] gesloten om tegen ontvangst van de daaraan verbonden premie en kosten, uitkering te verlenen met inachtneming van de verzekerde sommen en overeenkomstig de Algemene Voorwaarden.

2.2 De ingangsdatum van de verzekering was 19 juli 2011 en de einddatum 25 augustus 2011. [eiser] is binnen de verzekerde periode naar Nederland vertrokken en werd op 21 juli 2011 ziek, als gevolg waarvan hij tot 07 augustus 2011 was opgenomen op de afdeling Intensive Care van [ziekenhuis].

2.3 Fatum heeft in de polis voornoemd bepaald dat [eiser] geen aanspraak maakt op vergoeding van kosten die het gevolg zijn van kwalen, klachten en/of lichamelijke afwijkingen, alsmede wat daarmee verband houdt of daaruit voortvloeit, waaraan de verzekerde lijdt op of geleden heeft voor de ingangsdatum van deze verzekering.

2.4 Bij vonnis in Kort Geding met A.R. no. 11-4752 werd Fatum veroordeeld om aan [ziekenhuis] ten behoeve van [eiser] te betalen het bedrag van € 33.571,14.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in reconventie

3.1. De vordering in reconventie
Fatum vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van € 33.571,14, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, ingaande heden tot aan de dag der algehele voldoening;
Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De grondslag in reconventie
Fatum heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd
[eiser] leed ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan Diabetes Mellitus type 2 en gebruikte daarvoor een vijftal medicijnen. [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift ten onrechte gesteld dat de medicus met zekerheid zou hebben gesteld dat het in casu ging om virale infectie. De medische adviseur van Fatum, dr. [naam] heeft inderdaad bevestigd dat de ziekte verband hield met zijn bestaande ziekte. De virale infectie is bijkomend en is een gevolg geweest van de bestaande ziekten cardiomegalie zonder bekende cardiale afwijkingen, diabetes Mellitus type 2, restrictieve longfunctie bij duivenmeierslong.Onder druk van het vonnis werden de ziektekosten van [eiser] betaald, doch Fatum kon of mocht niet worden veroordeeld op grond van het voorgaande.De betaling is dus onverschuldigd en mag teruggevorderd worden van [eiser].

3.3 Het verweer in reconventie
[eiser] heeft verweer gevoerd. Op hetgeen hij heeft aangevoerd, komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

4. De beoordeling in reconventie
4.1 [eiser] voert als verweer dat hij vanwege een luchtweginfectie op de intensive care in het ziekenhuis is opgenomen, welke luchtweginfectie heeft doorgewerkt naar zijn hart. [eiser] voert voorts als verweer dat Fatum hem, nadat zij op de hoogte waren gesteld van de medicijnen die hij gebruikte, onmiddellijk op de hoogte hadden moeten stellen dat zij de overeenkomst met hem niet zouden nakomen, vanwege artikel 5 van de polisvoorwaarden.

4.2 De kantonrechter oordeelt – afgezien van het feit of de ziekte verband hield met een bij [eiser] bestaande ziekte – dat een beding naar zijn inhoud onredelijk bezwarend kan zijn (Zie HR Botman – van Haaster).[eiser] heeft zich tot de verzekeringsmaatschappij gewend voor het sluiten van een reisverzekering. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat [eiser] desgevraagd Fatum op de hoogte heeft gesteld van zijn medische toestand. Fatum is de verzekeringsovereenkomst met [eiser] aangegaan zonder enige belemmering en zonder hem expliciet te wijzen op de exoneratieclausule in haar algemene voorwaarden. [eiser] is dus “met een gerust hart” op reis gegaan, in de stellige overtuiging, dat indien hem iets mocht overkomen, Fatum garant zou staan voor de medische kosten; immers dat is ook de reden geweest dat [eiser] een reisverzekering bij Fatum heeft gesloten.

4.3 De kantonrechter acht het in de eerste plaats in strijd met de beginselen van de goede trouw waarmee overeenkomsten uitgevoerd dienen te worden, om een verzekeringsovereenkomst aan te gaan met een derde, die met gezondheidsproblemen kampt, zonder hem erop te wijzen dat de gevolgen van de reeds bestaande kwalen, klachten en of lichamelijke afwijkingen en alles wat daarmee verband houdt of daaruit voortvloeit, uitgesloten zijn van uitkering.

4.4 Ten tweede acht de kantonrechter het exoneratiebeding naar zijn inhoud onredelijk bezwarend. Naar het oordeel van de rechter kan de verzekeringsmaatschappij zich niet exonereren voor kwalen, klachten of lichamelijke afwijkingen die aan de verzekerde bekend of onbekend zijn voor de ingangsdatum van de verzekering. Naar het oordeel van de kantonrechter tracht Fatum met dit beding een onevenredig groot deel van het risico van zich af te wentelen.

4.5 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat Fatum gehouden was de ziektekosten van [eiser] te betalen. Deze zijn dus niet onverschuldigd betaald en zal de vordering tot terugvordering van de gelden dan ook als te zijn ongegrond worden afgewezen.

5. De beslissing in reconventie
De kantonrechter:

5.1 Wijst af de vordering;

5.2 Veroordeelt Fatum in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg en op 17 maart 2015 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.