SRU-K1-2019-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0102
14 januari 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1.SHANITA’S HOUTZAGERIJ N.V., rechtspersoon,
gevestigd aan de Duisburglaan no. 03 te Paramaribo,
2. [eiser], in privé en als gemachtigde van [naam 1],
wonende aan [adres] te [district 1],
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen respectievelijk: de NV, [eiser] en [naam 1],
gemachtigde: mr. T. Jhakry, advocaat,

tegen

N.V. NOOITGEDACHT,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Duisburglaan no. 20 te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: Nooitgedacht,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.

1. Het verloop van het proces in conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 11 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 12 januari 2019;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie;
  • de aantekening van de griffier betreffende het mondeling afpleiten op 12 januari 2019;
  • de rolbeschikking d.d. 12 januari 2019 waarbij een descente is gelast;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende de gehouden descente d.d. 12 januari 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 05 juli 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 zijn [eiser] en [naam 1] (toen gedaagden) veroordeeld om binnen 3 maanden na betekening van het vonnis het perceel groot 1,2121 ha en de daarop staande opstallen gelegen in [district 2] bekend als [nummer] van de gronden [plaats 1] en [plaats 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter S.O. Esajas van 21 november 1973 door de figuur ABCD, te ontruimen met medeneming van al wie zich van hunnentwege daarop of daarin mocht bevinden en ter vrije en algehele beschikking van Nooitgedacht (toen eiseres) te stellen.De kantonrechter is op grond van de hierna weergegeven overwegingen in het vonnis gekomen tot de veroordeling:

“ (…)

4.4 Uit het vonnis van het hof G.R. 14538, blijkt dat de NV het gebruiksrecht waarbij de afspraak was dat het gebruiksrecht zou worden opgezegd pas na verkoop van het bedrijf door de NV of bij verkoop van het erfpachtsrecht door [naam 2] e.a.. Vaststaat dat er niet is verkocht en het gebruiksrecht niet is opgezegd, hetgeen met zich meebrengt dat de NV gerechtigd is op het perceel te vertoeven.

4.5 [naam 2] e.a. hadden, ofschoon de ontruiming van de NV bij vonnis van de kantonrechter was bevolen, enige terughoudendheid moeten betrachten en er rekening mee moeten houden dat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde was gegaan.Daarenboven heeft het hof in haar vonnis van 16 maart 2018 bekend onder G.R. No. 14538, als vaststaand feit opgenomen dat [naam 3], geen aandeelhouders zijn in de NV en hen daarom geen enkele bevoegdheid toekomt met betrekking tot het exploiteren cq het doen exploiteren daarvan. Evenmin is gebleken dat zij op andere gronden de bevoegdheid hebben tot exploitatie van de NV. Het verweer van [naam 2] e.a. in 2010 geen goed draaiende zagerij hebben overgenomen en zij het hiervoor genoemd bedrag aan investeringen hebben moeten plegen, wordt daarom verworpen.

4.6 De kantonrechter verwerpt het verweer dat [naam 2] c.s een groter belang zouden hebben dan de NV bij een niet-ontruiming, omdat het niet voorspelbaar is of er al dan niet tussen een eventuele koper van het erfpachtsrecht en de NV enige rechtsrelatie zal ontstaan. Het verweer dat de NV het erfpachtsrecht niet wil kopen, betekent niet dat zij het bedrijf niet aldaar wilt blijven exploiteren. Bovendien waren [naam 2] cs tijdens de gehouden comparitie van partijen niet in staat concrete informatie te verschaffen omtrent een door hen op handen zijnde verkoop van het erfpachtsrecht door een derde. Ook dit verweer faalt daarom en de vordering tot ontruiming is toewijsbaar.”

2.2 De partijen in de hiervoor vermelde zaak zijn geweest aan de ene zijde NV Nooitgedacht en [naam 4] als de eisende partij en aan de andere zijde a) [naam 2], b) [naam 5], c) [naam 1], d) [eiser], e) [naam 6] als gedaagde partij.

2.3 De gemachtigde van de gedaagde partij heeft op 11 oktober 2018 hoger beroep tegen het hiervoor vermeld vonnis aangetekend.Het vonnis is per exploot van een deurwaarder op 15 oktober 2018 betekend aan de tegenpartij, waaronder [eiser] en [naam 1].Op grond van de betekening van dit vonnis dient het perceelland op uiterlijk 15 januari 2019 te worden ontruimd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vorderen de NV, [eiser] en [naam 1, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. Nooitgedacht te verbieden over te gaan tot ontruiming c.q. de aangezegde ontruiming aan te houden, op te schorten dan wel stop te zetten totdat bij in kracht van gewijsde gegane vonnis zal zijn beslist over de rechtmatigheid van de ontruiming c.q. het gebruiksrecht, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,- indien Nooitgedacht mocht weigeren hieraan gevolg te geven;
  2. het vonnis d.d. 15 juli 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 in haar werking te schorsen c.q. op te schorten en Nooitgedacht te verbieden om krachtens hiervoor bedoeld vonnis executie maatregelen te verrichten totdat in hoger beroep is beslist op het vonnis, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,- per dag indien Nooitgedacht mocht weigeren hieraan gevolg te geven;
  3. indien en voorzover nodig Nooitgedacht te veroordelen om met medeneming van al degene en al hetgeen van harentwege op het perceelland mocht bevinden te ontruimen, met machtiging op de NV, [eiser] en [naam 1] om indien Nooitgedacht weigert te ontruimen, deze zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

3.2 De NV, [eiser] en [naam 1] leggen, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering in conventie ten grondslag:

  • vanwege de verkoop van het erfpachtsrecht d.d. 11 januari 2019 is de ontruiming niet meer mogelijk;
  • het vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 is apert onjuist c.q. berust op een feitelijke of juridische misslag, omdat de kantonrechter onterecht tot het oordeel is gekomen dat Nooitgedacht het gebruiksrecht op het erfpachtsrecht heeft;
  • Nooitgedacht maakt misbruik van haar bevoegdheid tot executie; de executie van dit vonnis zal aan de zijde van de NV, [eiser] en [naam 1] een noodtoestand doen ontstaan. Zij heeft geen enkel te respecteren belang met de ontruiming en wens daarmee slechts de belangen van de NV, [eiser] en [naam 1] te schaden;
  • de toenmalige eigenaren van het erfpachtsrecht hebben bij exploot van de deurwaarder d.d. 11 oktober 1996 no. 365 het gebruiksrecht op het bedoelde perceelland opgezegd, waardoor Nooitgedacht sedertdien zonder recht of titel van het perceel gebruik maakt.

3.3 In conventie heeft Nooitgedacht verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert Nooitgedacht, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de NV, [eiser] en [naam 1] te verbieden om machinerieen en apparaten in en bij de onderwerpelijke zaagmolen onklaar te maken c.q. te demonteren tengevolge waarvan deze niet langer in werkende staat zullen verkeren;
b) de NV, [eiser] en [naam 1] te bevelen de ontruiming te gehengen en te gedogen;
c) de NV, [eiser] en [naam 1] elk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 500.000,- per dag voor iedere dag dat zij in strijd met dit vonnis handelen.

3.5 Nooitgedacht legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat bij haar gegronde vrees bestaat dat de NV, [eiser] en [naam 1] de machinerieen en apparaten in de zaagmolen onklaar zullen maken alvorens de zaagmolen te ontruimen. [eiser] en [naam 1] hadden de machinerieën en apparaten in werkende staat van Nooitgedacht afgepakt en hebben dag en nacht hiermee gewerkt.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 In conventie

Ten aanzien van de NV
4.1.1 Ten aanzien van de NV constateert de kantonrechter het volgende. De NV is geen procespartij geweest in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704, in welke zaak thans de opschorting van de verdere tenuitvoerlegging van het gewezen vonnis wordt gevorderd.Om die reden zal de NV niet ontvankelijk worden verklaard in de door haar gevraagde voorziening. Voor zover de NV betoogt dat zij vanwege een tussen haar met [eiser] en [naam 1] bestaande koopovereenkomst betreffende het perceelland met de zaagmolen een gerechtvaardigd belang heeft met de onderhavige vordering, gaat dit betoog evenmin op. Uit de inhoud van de overeenkomst blijkt dat deze op 11 januari 2019 is gesloten, zijnde de datum waarop de NV tezamen met [eiser] en [naam 1] de onderhavige vordering tegen Nooitgedacht hebben ingesteld, doch dat de juridische overdracht van het perceelland niet is geschied. Evenmin is tijdens de door de kantonrechter gehouden descente gebleken dat reeds een aanvang is gemaakt met de juridische overdracht van een deel van de goodwill, administratie en alles wat met de zaagmolen te maken heeft of dat de NV aldaar operationeel is. Dit, terwijl zij als kantooradres heeft opgegeven het adres op het bedoelde perceelland alwaar de zaagmolen zich bevindt.

4.1.2 De N.V. zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Ten aanzien van [eiser] en [naam 1]
4.1.3 Nooitgedacht beroept zich op nietigheid van het exploot van oproep en stelt daartoe dat het niet voldoet aan de bij wet gestelde vereisten en de door de kantonrechter in de oproepbeschikking gestelde voorwaarden. De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat het niet voldoen aan de voorwaarden niet altijd leidt tot nietigheid van het exploot en Nooitgedacht bovendien niet in zijn verweer is geschaad. Het stellen van de voorwaarden door de kantonrechter dient als toetssteen of de tegenpartij het verzoekschrift met de daarbij behorende producties tijdig heeft ontvangen en zich heeft kunnen voorbereiden op het voeren van haar verweer daarop. De consequentie die de kantonrechter zou kunnen verbinden aan het niet betekenen van het verzoekschrift aan de tegenpartij binnen de gestelde termijn is het toestaan van slechts één ronde aan partijen om te procederen bij mondeling afpleiten, waarbij het procederen reeds kan eindigen bij mondelinge conclusie van antwoord. Dit, alles hangt af van de aard van de vordering, het moment van indiening van het verzoekschrift en de reden waarom de eisende partij het verzoekschrift niet tijdig heeft ingediend.

4.1.4 Uitgangspunt is dat [eiser] en [naam 1] enerzijds en Nooitgedacht anderzijds de procespartijen in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 zijn geweest, zodat de kantonrechter zich slechts zal toespitsen op het onderhavige geschil tussen deze partijen.

4.1.5 Nooitgedacht voert als formeel verweer dat [eiser] en [naam 1] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daartoe voert zij onder andere aan dat indien het bedoelde perceelland waarop het erfpachtsrecht rust daadwerkelijk aan de NV zou zijn overgedragen, [eiser] en [naam 1] geen enkel belang hebben met de onderhavige vordering. Tevens voert zij onder andere aan dat het spoedeisend belang in de zin van de wet ontbreekt.Zoals de kantonrechter reeds hiervoor onder 4.1.1 in dit vonnis heeft overwogen is gebleken dat de juridische overdracht van het bedoelde perceelland en de zaagmolen nimmer aan een derde in casu de NV heeft plaatsgevonden. Daar het vonnis – waarvan schorsing van de werking van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd – betreft ontruiming van [eiser] en [naam 1] hebben zij naar het oordeel van de kantonrechter wel (nog)belang bij de onderhavige vordering.Anders dan Nooitgeacht is de kantonrechter van oordeel dat er wel spoedeisend belang is, omdat aannemelijk is dat [eiser] en [naam 1] bezig waren een oplossing te zoeken om de ontruiming te doen stuiten middels het sluiten van een koopovereenkomst met een derde. Of de koopovereenkomst al dan niet als een paulianeuze handeling dient te worden aangemerkt laat de kantonrechter in het midden, omdat dit geen onderwerp van het geschil is.Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt het formeel verweer van Nooitgedacht verworpen.

4.1.6 Zoals de kantonrechter de stellingen die [eiser] en [naam 1] aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd begrijpt, beroepen zij zich erop dat Nooitgedacht misbruik maakt van het recht van executie van het vonnis.Ter beoordeling van dit geschil dient als uitgangspunt de in HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 ontwikkelde criteria dat voor schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld slechts plaats is indien tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal onder meer aan de orde kunnen zijn indien de executant (is Nooitgedacht), mede gelet op de – voor haar kenbare – belangen van de veroordeelde (zijn [eiser] en [naam 1]) die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

4.1.7 Voor wat betreft het standpunt van [eiser] en [naam 1] dat klaarblijkelijk sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis waartegen zij hoger beroep hebben ingesteld overweegt de kantonrechter het hierna volgende. Teneinde te kunnen concluderen of van een tot schorsing van de executie nopende feitelijke of juridische misslag sprake is, is vereist dat reeds op het eerste gezicht – dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek – zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter hier geen sprake, omdat hetgeen [eiser] en [naam 1] ter adstructie van deze stelling hebben aangevoerd op zichzelf al niet aan het hiervoor vermelde vereiste voldoet en, voorts, de desbetreffende stellingen door Nooitgedacht gemotiveerd zijn betwist. Bovendien heeft het Hof van Justitie, zoals Nooitgedacht terecht opwerpt, onder overweging 8 in het door haar gewezen vonnis d.d. 16 maart 2018 G.R.14538 reeds ter zake dit gebruiksrecht en de opzegging daarvan een oordeel gegeven. Zo heeft het Hof van Justitie beslist dat de door [eiser] en [naam 1] gedane opzegging nietig is. Nu het vonnis van het Hof van Justitie gezag van gewijsde heeft, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling.

4.1.8 [eiser] en [naam 1] hebben zoals Nooitgedacht terecht opwerpt niet onderbouwd dan wel gesteld welke noodtoestand aan hun zijde zal doen ontstaan door (verdere) executie van het bedoelde vonnis waartegen zij hoger beroep heeft ingesteld. Nu zij niet voldoende hebben voldaan aan hun stelpicht ter zake, dan wel hebben nagelaten feiten en omstandigheden te stellen om de gestelde noodtoestand aannemelijk te maken, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling. De kantonrechter benadrukt dat het enkel stellen dat het perceelland met zaagmolen aan een derde, zijnde de NV is verkocht, niet voldoende is om te stellen dat dit een noodtoestand aan de zijde van [eiser] en [naam 1] zal doen ontstaan.

4.1.9 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1.6 tot en met 4.1.8 is overwogen is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat Nooitgedacht op grond van het bedoelde vonnis misbruik van haar executierecht maakt, zodat de door [eiser] en [naam 1] gevraagde voorzieningen geweigerd zullen worden.

4.1.10 [eiser] en [naam 1] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie

4.2.1 Gezien het feit dat dit geschil tussen partijen reeds jaren speelt en partijen tot en met heden aan de gang blijven met procederen, acht de kantonrechter de door Nooitgedacht gestelde gegronde vrees dat [eiser] en [naam 1] machinerieen en apparaten behorende bij de zaagmolen zullen demonteren c.q. deze onklaar zullen maken, voldoende aannemelijk. Dit ook, temeer daar [eiser] en [naam 1] geen enkele handreiking aan Nooitgedacht doen om haar schadeloos te stellen of een redelijk bod aan haar doen tot koop van het bedoelde perceelland waarop de zaagmolen zich bevindt. Dit, terwijl het Hof van Justitie hiervan gewag maakt en op niet mis te verstane wijze in haar vonnis heeft overwogen dat de opzegging van het gebruiksrecht waar [eiser] en [naam 1] zich op beroepen nietig is en niet tot gevolg leiden dat Nooitgedacht het perceel en de opstallen moet ontruimen.Hetgeen hiervoor is overwogen geeft de kantonrechter aanleiding de door Nooitgedacht gevraagde voorziening toe te wijzen. Daar de Zaagmolen een grote economische waarde heeft en [eiser] en [naam 1] daarmede hun economisch voordeel uit halen, zal de kantonrechter als effectieve pressiemiddel een eenmalige dwangsom van SRD 10.000.000,- aan de hoofdvordering koppelen.

4.2.2 [eiser] en [naam 1] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:
5.1 In conventie

Ten aanzien van de NV
5.1.1 Verklaart de NV niet ontvankelijk in de door haar gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt de NV als de niet ontvangen partij in de proceskosten aan de zijde van Nooitgedacht gevallen.

Ten aanzien van Kesharie en Boedhoe
5.1.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.4 Veroordeelt [eiser] en [naam 1] in de proceskosten aan de zijde van Nooitgedacht gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie

5.2.1 Verbiedt de NV, [eiser] en [naam 1] om de goederen, machinerieën en apparaten omschreven onder 5.4 in het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 05 juli 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 onklaar te maken c.q. te demonteren tengevolge waarvan deze niet langer in werkende staat zullen verkeren.

5.2.2 Gebiedt de NV, [eiser] en [naam 1] de ontruiming te gehengen en gedogen.

5.2.3 Veroordeelt de NV, [eiser] en [naam 1] tot betaling van een eenmalige dwangsom van SRD 10.000.000,- (Tienmiljoen Surinaamse Dollar), indien zij in strijd handelen met het verbod onder 5.2.1 en het gebod onder 5.2.2 in dit vonnis.

5.2.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2.1 tot en met 5.2.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.2.5 Veroordeelt de NV, [eiser] en [naam 1] elk afzonderlijk in de proceskosten aan de zijde van Nooitgedacht gevallen en tot aan de dag van de uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 14 januari 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton,mr.S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-1972-1

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 4 febr. 1972.

[appellante], in haar hoedanigheid van moeder-voogdes van de minderjarige [naam 1], wonende in het [distrikt] , appellante q.q., adv. Mr. Dr. I. Raghoebarsingh,

TEGEN:

[geïntimeerde], wonende in het [district], geïntimeerde, adv. G.J.C. van der Schroeff.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :
Eiseres [geïntimeerde] stelde in eerste aanleg bij de Kantonrechter in het Eerste Kanton, dat aan haar zoon [naam 2], die wekelijks ƒ 15.— in haar levensonderhoud bijdroeg, met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel was toegebracht door [naam 3] en gedaagdes minderjarige bij haar inwonende zoon [naam 1], waardoor [naam 2] was overleden. Eiseres vorderde te dier zake van [naam 3] en van gedaagde in haar hoedanigheid van moeder-voogdes een schadevergoeding van ƒ 12.000.—. Ged. q.q. voerde, onder erkenning van de onrechtmatige daad, aan dat zij de daad van haar zoon niet had kunnen beletten en ontkende dat de verslagene wekelijks een bedrag aan zijn moeder voor haar levensonderhoud afdroeg. De Kantonrechter overwoog dat nu ged. niet pro se in het geding was betrokken, haar eventuele persoonlijke aansprakelijkheid uit art. 1388 lid 2 Sur. B.W. buiten beschouwing moet blijven. Na een bewijsopdracht omtrent het wekelijks verstrekken van ƒ 15.— aan eiseres voor haar onderhoud, veroordeelde de Kantonrechter uiteindelijk de gedaagden een bedrag van ƒ 4800.— aan eiseres te betalen. [naam 3] berustte in dit vonnis, maar ged. q.q. kwam in hoger beroep. Het Hof overwoog:

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :
O., dat als erkend, althans niet gemotiveerd betwist ten processe vaststaat, dat [naam 3] en de door appellante q.q. vertegenwoordigde minderjarige [naam 1] zich op of omstreeks 2 mei 1968 ten opzichte van geintimeerdes zoon [naam 2] aan een onrechtmatige daad, te weten het met voorbedachte rade te samen en in vereniging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, hebben schuldig gemaakt, waardoor geintimeerdes zoon alstoen het leven heeft verloren; .

O., dat geïntimeerde, stellende dat zij behoeftig is en dat haar zoon [naam 2] haar tijdens zijn leven wekelijks ƒ 15,— voor haar levensonderhoud verstrekte, als eiseres in eerste aanleg schadevergoeding heeft gevorderd van [naam 3] en van de door appellante q.q. vertegenwoordigde minderjarige;

O., dat de Kantonrechter vervolgens meergenoemde [naam 3] , alsmede appellante pro se heeft veroordeeld aan geïntimeerde ƒ 4.800,- – met rente en kosten te betalen;

O., dat [naam 3] tegen dit vonnis geen hoger beroep heeft aangetekend, maar appellante q.q. in appèl terecht heeft aangevoerd, dat zij niet pro se doch enkel in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over haar meergenoemde zoon tot enige schadevergoeding in dit geding kon worden veroordeeld;

O., dat mitsdien het beroepen vonnis, voor zover tegen appellante pro se gewezen niet in stand kan blijven, maar moet worden vernietigd;

O., dat geïntimeerde ter comparitie van partijen in hoger beroep heeft verklaard, dat van hetgeen haar zoon [naam 2] haar wekelijks placht te verstrekken, slechts ƒ 5,— à ƒ 10,— voor haar per week overbleef;

O., dat die zoon mitsdien niet ƒ 15,— doch gemiddeld ƒ 7.50 per week in geintimeerdes levensonderhoud bijdroeg;

O., dat uitgaande van dit bedrag en van een vergoeding tot geïntimeerden zeventigste jaar de haar toekomende schadevergoeding bij kapitalisatie tegen een rentevoet van 6% per jaar, met inachtneming van sterftekansen en andere onzekere factoren, welke de uitkering eerder hadden kunnen doen eindigen, ex aequo et bono dient te worden geraamd op ƒ 2.500,— (TWEE DUIZEND EN VIJF HONDERD GULDEN) tot welk bedrag het Hof geintimeerdes vordering tegen appellante q.q. zal toewijzen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het op 24 maart 1970 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in deze zaak gegeven vonnis voor zover tegen appellante pro se gewezen;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE :
Veroordeelt appellante in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over haar minderjarige zoon [naam 1] om tegen behoorlijke kwijting aan geïntimeerde te betalen een bedrag van ƒ 2.500,— (TWEE DUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN), met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf 18 december 1968 tot de voldoening, des dat geïntimeerde in totaal van [naam 3] en van appellante q.q, tesamen niet meer dan ƒ 4.800,— (VIER DUIZEND EN ACHT HONDERD GULDEN) met rente vermag te ontvangen;

Ontzegt het van appellante q.q, meer of anders gevorderde; enz.

SRU-K1-2018-32

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3447

23 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende in [district 1],
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres],
gevolmachtigde: mr. J.N. Rambhadjan, jurist,

tegen

A. STICHTING UREN DIE EEUWIG DUREN,
gevestigd te Paramaribo,
B. [gedaagde in conventie, eiser in conventie sub B], deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna te noemen respectievelijk: de Stichting en de deurwaarder,
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat.

 

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 15 augustus 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 augustus 2018;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende het mondeling afpleiten van partijen d.d. 16 augustus 2018, bij welk mondeling afpleiten een eis in reconventie is gedaan;
  • de rolbeschikking d.d. 17 augustus 2018, waarbij de Stichting en de deurwaarder in de gelegenheid zijn gesteld een fotokopie van de publicatie van aanzegging van de openbare verkoop in de dagbladen ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging van de producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is vanwege onverwijlde spoed in de zin van artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 De zoon van [eiseres], genaamd [naam 1], hierna te noemen de schuldenaar, heeft van de Stichting Wurlen Holband, hierna te noemen de schuldeiser een geldbedrag geleend. Als zekerheid tot betaling van dit bedrag heeft [eiseres] ten behoeve van de schuldeiser een hypotheek doen vestigen op het hierna aan haar in eigendom toebehorend perceel, te weten:
Het perceelland, met al hetgeen daarop staat groot zevenhonderd vierkante meter, gelegen in [district 2], thans [district 3] ten oosten van [locatie 1] en ten zuiden van de [locatie 2], aangeduid op de kaart van de [landmeter] de dato twintig maart negentienhonderd vier en veertig met de letters ABCD en met het nummer 16, benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond ter breedte van drie meters en ter lengte van twintig meters, welk perceelland deel uitmaakt van het perceelland, groot vijf hectare en negen are, gedeelte van de voormalig [plantage], met uitzondering van een reeds verkochte en overgedragen gedeelte, groot twee en vijftig, vijf/tiende vierkante meter”.

2.2 De zoon heeft de lening niet afgelost en heeft de schuldeiser het perceel in het openbaar doen verkopen op 16 mei 2018.

2.3 Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Suriname, R. Bhoelan, d.d. 29 maart 2018 no. 138, is de aanzegging van de openbare verkoop aan [eiseres] gedaan. Het exploot van aanzegging is, vanwege het feit dat de deurwaarder niemand op het vermeld adres heeft aangetroffen, bij de Procureur-generaal betekend.

Bij exploot van dezelfde deurwaarder d.d. 28 maart 2018 no. 139 is aan de schuldenaar de aanzegging van de openbare verkoop gedaan. Het exploot van aanzegging is op het verblijfadres van de schuldenaar betekend en is achtergelaten bij een huisgenoot, genaamd [naam 2].

2.4 Op de openbare verkoop is het perceel aan de Stichting verkocht en is het perceel op 18 juli 2018 in het daartoe bestemde register ten kantore van het Management Instituut GLIS ten name van de Stichting overgeschreven.

2.5 [naam 3] is voorzitter van zowel de schuldeiser als de Stichting. Hij was reeds bij het vestigen van de hypotheek op het perceelland van [eiseres] voorzitter van de schuldeiser.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vordert [eiseres], om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. te schorsen c.q. op te schorten danwel stop te zetten de werking van de op 16 mei 2018 ten kantore van notaris mr. R.B. Babb aan de Slangenhoutstraat no. 55 te Paramaribo gehouden openbare verkoop van het perceelland, totdat in de in te dienen bodemprocedure of althans in het uiterste niet zal zijn beslist over de nietigheid danwel vernietiging van genoemde openbare verkoop;
  2. te staken c.q. stop te zetten danwel op te schorten de bij exploot no. N. 940 d.d. 13 augustus 2018, van deurwaarder [gedaagde in conventie, eiser in conventie sub B], bevolen aangezegde ontruiming van het hiervoor genoemde perceelland en de Stichting en de deurwaarder te verbieden om [eiseres] dan wel de haren te bevelen genoemde perceelland te ontruimen totdat in de in te dienen bodemprocedure of althans in het uiterste niet zal zijn beslist over de nietigheid danwel vernietiging van genoemde openbare verkoop;
  3. de Stichting en de deurwaarder te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 In conventie legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat zij op onrechtmatige wijze haar perceelland kwijt is en dat de openbare verkoop nietig is. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij is nooit door de schuldeiser of iemand anders op de hoogte gesteld dat er een achterstand was in terugbetaling van de schuld;
  • de Stichting heeft in strijd met artikel 1232 SBW, danwel in strijd met het plaatselijk gebruik de aanzegging van de openbare verkoop niet gepubliceerd en heeft haar evenmin in kennis gesteld van de voorgenomen openbare verkoop;
  • er is sprake van vereenzelviging van de persoon van [naam 4] met de Stichting en de schuldeiser. Als gevolg hiervan is eiseres in financieel opzicht benadeeld, in die zin dat er bij de openbare verkoop een veel lager bedrag is geboden dan de vermoedelijke hoogte van de schuld op het perceelland van [eiseres].

3.3 In conventie hebben de Stichting en de deurwaarder, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende verweer gevoerd:

  • de grondslag van de vordering ontbreekt;
  • de aanzegging van de openbare verkoop heeft wel volgens het plaatselijk gebruik plaatsgevonden, en wel middels betekening van de aanzegging bij exploot van een deurwaarder en middels publicatie in de dagbladen;
  • er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld ten aanzien van de vereenzelviging.

De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor nodig, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vorderen de Stichting en de deurwaarder, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) [eiseres] te veroordelen om de woningen en het perceellandmet alle van harentwege aanwezige personen en goederen te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de Stichting te stellen, met bepaling dat indien de [eiseres] hiertoe in gebreke mocht blijven de Stichting en de deurwaarder gerechtigd zullen zijn om de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van [eiseres];
b) [eiseres] te veroordelen tot betaling van de advocaatkosten ad SRD 5.000,-.

3.5 In reconventie leggen de Stichting en de deurwaarder aan hun vordering het volgende ten grondslag:

  • in strijd met artikel 18 lid 4 van de Algemene Veilingvoorwaarden, heeft [eiseres] in de maand juni 2018, kort na de openbare verkoop, de twee andere woningen die op het perceelland staan aan derden verhuurd;
  • als gevolg van dit handelen hebben de Stichting en de deurwaarder schade geleden ad SRD 5.000,-, in die zin dat zij genoodzaakt zijn geweest juridische bijstand van een advocaat in te roepen.

3.6 In reconventie heeft [eiseres] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1 De onverwijlde spoed blijkt uit het feit dat [eiseres] en haar huisgenoten het perceelland op uiterlijk maandag 20 augustus 2018 moeten ontruimen.

4.2 Uit de stellingen van [eiseres] leidt de kantonrechter af dat zij met de onderhavige vordering niets anders beoogd dan het kunnen terugkrijgen van het onroerend goed als haar eigendom om aldaar te kunnen verblijven. Echter ontgaat het [eiseres] dat zij in het kader van een lening die haar zoon bij de schuldeiser heeft genomen een hypotheek op het onroerend goed heeft gevestigd ten behoeve van de schuldeiser. In dat licht brengt de kantonrechter [eiseres] in herinnering dat de hypotheekhouder (in casu de schuldeiser) ingevolge het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar (in casu de zoon van [eiseres]) in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt.

[eiseres] stelt dat niemand haar in kennis zou hebben gesteld dat haar zoon nog een saldo te voldoen had bij de schuldeiser, doch heeft de Stichting deze stelling middels staving van de exploiten van aanzegging door een deurwaarder gemotiveerd weersproken. [eiseres] woont samen met haar zoon die de lening bij de schuldeiser heeft genomen. Alhoewel de aanzegging niet in persoon aan [eiseres] is betekend, zijn er naar het oordeel van de kantonrechter voldoende feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] er wel kennis van droeg dat de schuld van de schuldeiser niet door haar zoon was afgelost en de schuldeiser zou overgaan tot de openbare verkoop. Met name leidt de kantonrechter uit het exploot van de deurwaarder d.d. 28 maart 2018 no. 139, inhoudende aanzegging aan de zoon van de openbare verkoop en mededeling wat de hoogte van de saldoschuld die nog voldaan dient te worden, af dat een andere zoon van [eiseres] die tevens op het adres aldaar woont het exploot in ontvangst heeft genomen. Het lijkt de kantonrechter onwaarschijnlijk dat de zoon die tevens op hetzelfde adres met [eiseres] woont en weet dat de woning op de veiling verkocht zal worden, met het risico dat zij zullen worden ontruimd, dit niet onder de aandacht van [eiseres] heeft gebracht.

4.3 De Stichting heeft middels overlegging van een fotokopie van betalingsbewijzen van twee dagbladen d.d. 27 april 2018, betreffende de advertentie inzake de voorgenomen openbare verkoop voldoende aannemelijk gemaakt. [eiseres] stelt evenwel dat deze niet een daadwerkelijke advertentie betreffen, doch gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Dit, omdat het de kantonrechter onwaarschijnlijk voorkomt dat iemand zonder reden advertentiekosten aan een derde betaald. Dit brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat de openbare verkoop wel volgens plaatselijk gebruik is geschied. Het beroep van [eiseres] op nietigheid van de openbare verkoop gaat dus niet op.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiseres] dat zij door de Stichting zou zijn benadeeld vanwege vereenzelviging. Bij vereenzelviging kan een procespartij uit hoofde van een onrechtmatige daad slechts een vordering tot schadevergoeding instellen.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat de Stichting en de deurwaarder onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld, zodat de gevraagde voorziening in conventie zal worden geweigerd. Hieruit volgt dat de gevraagde voorziening in reconventie wel voor toewijzing gereed ligt, doch met uitzondering van de mede gevorderde advocaatkosten. Dit, omdat de Stichting en de deurwaarder geenszins hebben onderbouwd hoe zij aan de hoogte van het gevorderde bedrag komen.

4.6 De kantonrechter constateert dat de deurwaarder [eiseres] een week de tijd heeft gegeven om het geveilde te ontruimen. Daar de kantonrechter deze termijn niet redelijk en billijk acht en de kantonrechter in kort geding de bevoegdheid heeft om, met in achtneming van de belangen van beide partijen, een andersoortige voorlopige maatregel te treffen, zal de kantonrechter met gebruikmaking van deze bevoegdheid zowel in conventie als in reconventie [eiseres] een maand de tijd vergunnen om het geveilde te ontruimen. Bij het bepalen van deze termijn heeft de kantonrechter rekening gehouden met wat gangbaar is bij de ontruiming van woningen, namelijk een maand na de uitspraak.

4.7 Zowel in conventie als in reconventie zal [eiseres], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

De kantonrechter:
In conventie
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Vergunt [eiseres] om binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis “het perceelland, met al hetgeen daarop staat groot zevenhonderd vierkante meter, gelegen in [district 2], thans [district 3] ten oosten van [locatie 1] en ten zuiden van [locatie 2], aangeduid op de kaart van de [landmeter] de dato twintig maart negentienhonderd vier en veertig met de letters ABCD en met het nummer 16, benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond ter breedte van drie meters en ter lengte van twintig meters, welk perceelland deel uitmaakt van het perceelland, groot vijf hectare en negen are, gedeelte van de voormalig [plantage], met uitzondering van een reeds verkochte en overgedragen gedeelte, groot twee en vijftig, vijf/tiende vierkante meter”, te ontruimen en te verlaten, met alle van harentwege zich aldaar bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking te stellen.

5.3 Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en de deurwaarder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.4 Veroordeelt [eiseres] om binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis“het perceelland, met al hetgeen daarop staat groot zevenhonderd vierkante meter, gelegen in [district 2], thans [district 3] ten oosten van [locatie 1] en ten zuiden van [locatie 2], aangeduid op de kaart van de [landmeter] de dato twintig maart negentienhonderd vier en veertig met de letters ABCD en met het nummer 16, benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond ter breedte van drie meters en ter lengte van twintig meters, welk perceelland deel uitmaakt van het perceelland, groot vijf hectare en negen are, gedeelte van de voormalig [plantage], met uitzondering van een reeds verkochte en overgedragen gedeelte, groot twee en vijftig, vijf/tiende vierkante meter”,te ontruimen en te verlaten, met alle van harentwege zich aldaar bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking te stellen.

5.5 Machtigt de Stichting om, indien [eiseres] in gebreke blijft aan het besliste onder 5.4 te voldoen, de ontruiming zelf te doen geschieden, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

5.6 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.4 en 5.5 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en de deurwaarder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.8 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 augustus 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2019-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-3751
08 oktober 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:
STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, ten deze domicilie kiezende aan de Mr. E.J. Brumastraat no. 63 te Paramaribo,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen de staat,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

DE BOND VAN LERAREN, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de
F. Derbystraat no. 33 te Paramaribo,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen BVL,
gemachtigde: mr. G.D. van der San, advocaat.

1. Het verloop van het proces:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 04 oktober 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 07 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van dupliek in reconventie .

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
BVL is een rechtspersoonlijkheid bezittende vakvereniging van landsdienaren die voornamelijk werkzaam zijn als onderwijsgevende op het voortgezet onderwijs op seniorenniveau en het voortgezet onderwijs op juniorenniveau.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie

3.1. De staat vordert uitvoerbaar bij voorraad:

I I. BVL te veroordelen om binnen 1(een) uur na het te wijzen vonnis althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, haar leden werkzaam op de VOS scholen mr.dr.J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II), het HAVO II en alle andere V.O.S. scholen op te roepen en aan te zeggen om de staking c.q. werkneerlegging te beëindigen en beëindigd te houden en onmiddelijk de werkzaamheden waartoe zij gehouden zijn te hervatten en deze op normale wijze te verrichten overeenkomstig het voor hen geldende werkrooster en het gebruik binnen het onderwijs en op de desbetreffende scholen, en haar leden die daartoe gehouden zijn, met veroordeling van gedaagde tot betaling aan eiseres van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elk uur van de dag dat zij met de uitvoering van het te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven.
II II. BVL te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De staat legt aan haar vordering ten grondslag dat de door BVL uitgeroepen werkneerlegging onrechtmatig is.
In reconventie

3.3. BVL vordert uitvoerbaar bij voorraad:
De staat te veroordelen om onmiddelijk na het in deze zaak te wijzen vonnis BVL te betalen de gemaakte advocaatkosten van SRD 3.240,- (drieduizend tweehonderd en veertig Surinaamse dollar), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar te rekenen vanaf 04 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4.BVL legt aan haar vordering ten grondslag dat de staat door een rechtzaak tegen haar aan te spannen onrechtmatig tegen haar gehandeld heeft waardoor zij genoodzaakt was een advocaat in de arm te nemen en dat de daarmee verband houdende kosten aan haar moeten worden vergoed.

3.5. De staat en BVL hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
In conventie

4.1. Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van de staat, daarom is zij in het kort geding ontvangen.

4.2. Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van de Wet Vrijheid Vakvereniging (S.B. 2016 no. 151). In artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging wordt, bepaald “Het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien”
Het recht op het voeren van collectieve acties is onlosmakelijk verbonden met het recht op collectief onderhandelen over arbeidsvoorwaarden. De werkgever is daarom verplicht om op grond van artikel 14 van de Wet Vrijheid Vakvereniging te onderhandelen met het bestuur van een vakvereniging, die voldoet aan de in de wet genoemde voorwaarden. Om de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met hun werkgever, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten arbeidsvoorwaarde regeling. Bij een rechtsgeschil tussen werkgever en werknemer is conform artikel 1 van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechtelijke macht (G.B. 1935 no. 79 laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1994 no. 17) de weg open naar de kantonrechter of het Hof van Justitie.

De vraag die eerst moet worden beantwoord is of de aangekondigde actie van BVL valt onder artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging.
Uitgangspunt is dat er sprake moet zijn van:

  1. aantasting van een bij collectieve arbeidsvoorwaardenregeling overeengekomen bepaling of;
  2. er moet een bij collectieve arbeidsvoorwaarderegeling verworven recht teniet zijn gedaan, zodat daarover opnieuw zou moeten worden onderhandeld (vergelijk: ECLI:NL: RBAMS:2010: BK9802).

Werkgever en werknemers plegen niet collectief te onderhandelen over de wijze van aantrekking van personeel. Het invoeren van een nieuw wijze van aantrekking van directeuren voor het mr. dr. J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II) en het HAVO II door de staat is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen onderhandelbare arbeidsvoorwaarde, maar een bevoegdheid die de staat toekomt.
Niet gesteld of gebleken is dat de maatregel tot wijziging van de wijze van aantrekking van directeuren voor het mr. dr. J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II) en het HAVO II, waartegen gestaakt wordt, al dan niet van invloed is op de overeengekomen arbeidsvoorwaarden.Dat leidt tot het voorlopig oordeel dat er sprake is van een ongeoorloofde staking. De vordering van staat zal worden toegewezen.

4.3. BVL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat.
In reconventie

4.4. De kantonrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het aanhangig maken van een rechtsgeding tegen BVL, waarvan de staat een gerechtvaardigd belang heeft het oordeel van de rechter te vragen, niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt zoals uit 4.2. blijkt had de staat wel een gerechtvaardigd belang. om een oordeel van de rechter te vragen over de door BVL tegen de staat uitgeroepen staking. De kantonrechter zal daarom de vordering BVL tot betaling van de advocaatkosten als te zijn ongegrond afwijzen.

4.5. BVL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

In conventie
5.1. Veroordeelt BVL om binnen 3 (drie) uur na de uitspraak van het vonnis, haar leden werkzaam op de VOS scholen mr.dr.J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II), het HAVO II en alle andere V.O.S. scholen op te roepen en aan te zeggen om de staking te beëindigen en onmiddellijk de werkzaamheden waartoe zij gehouden zijn te hervatten en deze op normale wijze te verrichten overeenkomstig het voor hen geldende werkrooster en het gebruik binnen het onderwijs en op de desbetreffende scholen, met veroordeling van BVL tot betaling aan de staat van een dwangsom van SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) voor elk uur dat BVL geen uitvoering geeft aan dit vonnis.

5.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3. Veroordeelt BVL in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat en begroot op SRD 334,- (driehonderd vierendertig Surinaamse dollar).

5.4. Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.5. Weigert de gevorderde voorziening.

5.6. Veroordeelt BVL in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat en begroot op nihil
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. C.A. Wallerlei op dinsdag 08 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-34

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-4739
20 oktober 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
beiden wonende te [district],
C. de naamloze vennootschap SURSHOPPING N.V., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V., vroeger geheten de RBC ROYAL BANK (SURINAME) N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 03 oktober 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 oktober 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 11 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d.13 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 17 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van eisers over de producties d.d. 18 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van gedaagde over de producties d.d. 19 oktober 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1 Eisers hebben de hierna vermelde krediet- c.q. leningsovereenkomsten met gedaagde gesloten:

  • een leningsovereenkomst voor een totaal bedrag van USD 445.391,28, met een looptijd tot en met 30 juni 2024, rente van 9% per jaar;
  • een rekening courantkrediet (RC) overeenkomst, met een kredietfaciliteit tot een bedrag van USD 400.000,-, rente 9% per jaar;
  • een rekening courantkrediet (RC) overeenkomst, met een kredietfaciliteit tot een bedrag van USD 435.850,-, rente 9% per jaar.

2.2 Voor de hiervoor vermelde kredietverstrekkingen hebben eisers als dekking hypotheken gevestigd op de hierna omschreven onroerende goederen ten laste van gedaagde:
1. “Het perceelland, groot 783m², aangeduid met de letter ABCD en uitmakende de percelen aangeduid met de nummer 5 en 6, elk groot 391,50m², gelegen in het [district] aan de [weg 1], d.u.v. het stuk grond groot 2.80ha, gelegen ten oosten van de [weg 2], zijnde een gedeelte van de [plantage 1], waarover handelt de akte van verkoop en koop d.d. 10 december 2001”,
2. “Het perceelland, groot 1.999,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 16, gelegen te [district] aan de [straat], d.u.v. de [plantage 2]”,
3. “Het perceelland, groot 1.626,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 17, gelegen te [district] aan [straat] ten oosten van de [weg 3], welk perceel d.u.v het perceelland resp. groot 2 ha en 16 are, 2ha, 49ha en 20ca, 62 are en 37 ca, welke percelen d.u.v de [plantage 2]”,

Het door NV Surishopping aan te kopen een tweede deel onverdeeld van het onroerend goed bestaande uit 5 percelen, t.w.:
4.“Het perceelland, groot 514,88m², gelgen in het district Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 5, officieel no. 532”,
5.“Het perceelland, groot 810,43m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen district Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmetr F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 6, officieel no. 531”,
6.“Het perceelland, groot 465,78m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 7, officieel no. 530”;
7.“Het perceelland, groot 548,18m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 3, officieel no. 534”,
8.“Het perceelland, groot 530,53m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 4, officieel no. 533”,

2.3 Bij schrijven d.d. 29 april 2015 zijn eisers door gedaagde in gebreke gesteld om de achterstanden van de aan hen verstrekte kredieten in te lopen. Ter zake staat het volgende in de ingebreke stelling vermeld:
“(…)
Blijkens onze administratie vertonen de destijds aan u verstrekte kredieten, geregistreerd onder de hieronder genoemde rekeningnummers, per heden debetstanden.
Krachtens onze overeenkomsten d.d. 28 maart 2014 resp. 13 augustus 2014 en 27 oktober 2014 dienden de bedragen vermeld in kolom 3 niet overschreden te worden weshalve u achterstanden heeft welke zijn vermeld in kolom 4.
(…)
Eveneens willen wij u eraan herinneren dat de aflossingen van de maand april 2015 ad USD 5.674,- resp USD 8.128,- per 30 april 2015 ook zullen moeten plaatsvinden.
Wij verzoeken u voornoemde debetstanden in overstand total ad USD 14.173,48 en aflossingen van april 2015 voor het totaal bedrag van USD 13.802,- zo spoedig mogelijk doch op uiterlijk 13 mei 2015 aan te zuiveren.
Voorts willen wij u er nogmaals op attenderen, dat elke ultimo van de maand rente en kosten worden bijgeboekt. Wij verzoeken u derhalve ervoor zorg te dragen dat de geboekte bedragen binnen 2 weken worden gestort.

2.4 Bij schrijven d.d. 09 juni 2015 zijn eisers ten tweede male door gedaagde ingebreke gesteld om de achterstanden van de aan hun verstrekte kredieten in te lopen. In de ingebrekestelling heeft gedaagde het volgende verwoord:
“(…)
Blijkens onze administratie vertonen de destijds aan u verstrekte kredieten, geregistreerd onder de hieronder genoemde rekeningnummers, per heden debetstanden.
Krachtens onze overeenkomsten d.d. 28 maart 2014 resp. 13 augustus 2014 en 27 oktober 2014 dienden de bedragen vermeld in kolom 3 niet overschreden te worden weshalve u achterstanden heeft welke vermeld zijn in kolom 4.
Op 29 april 2015 hadden wij u reeds schriftelijk aangemaand en u erop geattendeerd uw overstand ana te zuiveren, hetgeen niet volledig is geschied.
Wij verzoeken u voornoemde debetstanden en overstand total ad USD 48.954,20 zo spoedig mogeijk doch op uiterlijk 23 juni 2015 aan te zuiveren.
Voorts willen wij u er nogmaal op attenderen, dat elke ultimo van de maand rente en kosten worden bijgeboekt. Wij verzoeken u derhalve ervoor zorg te dragen dat de geboekte bedragen binnen 2 weken worden gestort.”.

2.5 Op 14 juli 2015 heeft gedaagde de kredietovereenkomsten die zij met eisers heeft gesloten, vanwege het in verzuim zijn door eisers tot het inlopen van de achterstanden, opgezegd.

2.6 Bij schrijven d.d. 15 juli 2015 hebben eisers als volgt op de kredietopzegging gereageerd:
Zeer tot mijn verbazing hebben wij kennis genomen van uw kredietopzegging, hetgeen totaal haaks staat tegenover de afspraken die ik onlangs met uw [directielid], heb gemaakt in bespreking op uw kantoor.
Afgesproken is, dat wij voorlopig de achterstand van de rente zouden inlopen. Hierna zouden wij een tijdelijke verhoging van het werkkrediet krijgen om de goederen, die reeds besteld en gedeeltelijk ook betaald zijn, in te klaren.
Het één en ander gaat ons in de gelegenheid stellen om de nodige omzetten te genereren, zodat wij ook aan onze aflossingsverplichtingen zouden kunnen voldoen.
(…)
Voorts willen wij u verder niet onthouden, welke de oorzaken zijn, die ertoe geleid hebben, dat ons bedrijf momenteel in zwaar weer is terechtgekomen, nl:
De negatieve publiciteit door het Ministerie van Justitie en Politie, dat wij slechte kwaliteit zouden leveren. De boycot van regeringswege, hetwelk inhield, dat diverse aan ons bedrijf te gunnen leveringsprojecten aan andere bedrijven werd gegund.
Met het oog hierop, verwijzen wij u naar het u bekende schandaal bij de Brandweer.
Hetzelfde heeft zich ook in 2014 en 2015 voorgedaan, alsook in de jaren daarvoor, nl. 2010 t/m 2013.
Ondanks het feit, dat de autoriteiten ons verweten hebben van het leveren van een slechte kwaliteit, zijn wij nooit uitgesloten voor deelname aan nieuwe inschrijvingen. Ook heeft de Overheid ons nooit één artikel kunnen aanwijzen, dat van slechte kwaliteit zou zijn. Zie daar de tegenstrijdigheid.
Wij hebben na het voorval van november 2013, diverse malen ook bij andere ministeries ingeschreven, waarbij wij weer vaker de laagste prijs waren. Slechts bij de Douane hebben wij een gunning van SRD 109.000,- toegewezen gekregen. Bij de Brandweer zijn er zelfs aanbestedingen die wij moesten krijgen, naderhand, onderhands gegund aan andere bedrijven, door het bedrag te splitsen in tweeën, zodat er tot een bedrag van maximaal SRD 1.5 mln. kon worden aangeboden. Voor deze aankopen zijn wij niet gevraagd om een prijsopgave te doen. Dit zijn zeer pijnlijke zaken, die wij hebben meegemaakt.
Hiernaast heeft de slechte betalingsattitude van de Overheid ons bedrijf ook grote problemen bezorgd.
(…)”.

2.7 Bij exploot van de deurwaarder d.d. 27 augustus 2016 heeft gedaagde haar voornemen tot de openbare verkoop van de onroerende goederen op donderdag 20 oktober 2016, des voormiddag om tien uur,ten kantore van de [notarissen] aan [adres] aan eisers aangezegd. Middels dit exploot heeft gedaagde tevens aan eisers doen betekenen:

  • de grosse akte eerste krediethypotheek d.d. 09 juli 2014;
  • de grosse akte ener krediethypotheek d.d. 13 augustus 2014;
  • een brief gericht aan de [notarissen] d.d. 21 juli 2016, in welke brief vermeld staat de saldoschuld van eiseres sub C USD 1.324.776,88 bedraagt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
Primair:
I. gedaagde te verbieden om op donderdag 20 oktober 2016 in het openbaar te verkopen c.q. de stopzetting te bevelen van de onroerende goederen:
1.“Het perceelland, groot 783m², aangeduid met de letter ABCD en uitmakende de percelen aangeduid met de nummer 5 en 6, elk groot 391,50m², gelegen in het [district] aan de [weg 1], d.u.v. het stuk grond groot 2.80ha, gelegen ten oosten van de [weg 2], zijnde een gedeelte van de [plantage 1], waarover handelt de akte van verkoop en koop d.d. 10 december 2001”,
2.“Het perceelland, groot 1.999,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 16, gelegen te [district] aan de [straat], d.u.v. de [plantage 2]”,
3.“Het perceelland, groot 1.626,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 17, gelegen te [district] aan [straat] ten oosten van de [weg 3], welk perceel d.u.v het perceelland resp. groot 2 ha en 16 are, 2ha, 49ha en 20ca, 62 are en 37 ca, welke percelen d.u.v de [plantage 2]”,

Het door NV Surishopping aan te kopen een tweede deel onverdeeld van het onroerend goed bestaande uit 5 percelen, t.w.:
4 “Het perceelland, groot 514,88m², gelgen in het district Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 5, officieel no. 532”,
5 “Het perceelland, groot 810,43m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen district Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmetr F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 6, officieel no. 531”,
6 “Het perceelland, groot 465,78m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 7, officieel no. 530”;
7 “Het perceelland, groot 548,18m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 3, officieel no. 534”,
8 “Het perceelland, groot 530,53m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 4, officieel no. 533”, zoals die uit het overgelegde deurwaardersexploot, de akten en overgelegde schrijven wijders blijken;

II.op straffe van een aan eisers te betalen dwangsom van USD 2.0000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, indien gedaagde in strijd met het te geven verbod handelt;

III. kosten rechtens.

Subsidiair:
I. gedaagde te verbieden om op donderdag 20 oktober 2016 in het openbaar te verkopen c.q. de stopzetting te bevelen van de onroerende goederen:
1.“Het perceelland, groot 783m², aangeduid met de letter ABCD en uitmakende de percelen aangeduid met de nummer 5 en 6, elk groot 391,50m², gelegen in het [district] aan de [weg 1], d.u.v. het stuk grond groot 2.80ha, gelegen ten oosten van de [weg 2], zijnde een gedeelte van de [plantage 1], waarover handelt de akte van verkoop en koop d.d. 10 december 2001”,
2.“Het perceelland, groot 1.999,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 16, gelegen te [district] aan de [straat], d.u.v. de [plantage 2]”,
3. “Het perceelland, groot 1.626,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 17, gelegen te [district] aan [straat] ten oosten van de [weg 3], welk perceel d.u.v het perceelland resp. groot 2 ha en 16 are, 2ha, 49ha en 20ca, 62 are en 37 ca, welke percelen d.u.v de [plantage 2]”,

Het door NV Surishopping aan te kopen een tweede deel onverdeeld van het onroerend goed bestaande uit 5 percelen, t.w.:
4.“het perceelland, groot 514,88m², gelgen in het district Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 5, officieel no. 532”,
5. “Het perceelland, groot 810,43m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen district Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmetr F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 6, officieel no. 531”,
6.“Het perceelland, groot 465,78m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 7, officieel no. 530”;
7.“Het perceelland, groot 548,18m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 3, officieel no. 534”,
8.“Het perceelland, groot 530,53m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 4, officieel no. 533”, zoals die uit het overgelegde deurwaardersexploot, de akten en overgelegde schrijven wijders blijken;

II. op straffe van een aan eisers te betalen dwangsom van USD 2.0000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, indien gedaagde in strijd met het te geven verbod handelt;

III. kosten rechtens.

3.2 Primair leggen eisers aan hun vordering ten grondslag dat de aanmaning, bevel, aanzegging en exploot betreffende de betekening van het bevel nietig zijn en stellen daartoe het volgende:

  • de in de aanmaning vermelde munteenheid heeft hen in verwarring gebracht of het bedrag in US dollars of Surinaamse Dollars moet zijn en ze zijn niet het bedrag dat vermeld staat in de aanmaning aan gedaagde verschuldigd;
  • het bevel tot aanzegging van de openbare verkoop is niet conform artikel 366 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan hen betekend.

Subsidiair leggen eisers aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hen pleegt en misbruik maakt van het recht van parate executie. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het is aan gedaagde te wijten dat zij niet aan hun aflossingsplicht hebben kunnen voldoen en kunnen voldoen, omdat gedaagde geen medewerking heeft verleend tot royement van de hypotheek die ten laste van gedaagde gevestigd is op het onroerend goed aan de Latourweg, welk onroerend goed eisers aan een derde zouden verkopen. Dit, terwijl gedaagde de toezegging tot royement heeft gedaan.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde. Daarom zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde weerspreekt dat het exploit nietig is, omdat er in casu sprake is van een verschrijving, de bedragen bovendien correct zijn vermeld en eisers wel degelijk op de hoogte zijn van de grootte en het courant van de schuld. Eisers weten dat zij in de Amerikaanse munteenheid geld hebben geleend.

Voorts voert gedaagde aan dat het beroep op artikel 366 Rv niet opgaat, omdat dit artikel betrekking heeft op de gerechtelijke uitwinning voor de executie op onroerende goederen.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het beroep van eisers op nietigheid van de aanzegging, aanmaning en exploit niet op. Zoals blijkt uit inhoud van de ten processe door eisers overgelegde kredietovereenkomst, die eisers zelf met gedaagde hebben gesloten en de diverse ingebrekestellingen is de vermelde munteenheid USD en niet SRD.
In de aanzegging komt het door gedaagde vermelde saldobedrag in cijfers overeen met het vermelde opgeeiste saldobedrag in letters, te weten 1.324.776,88 (Eenmiljoen Driehonderd Vier en Twintigduizend Zevenhonderd Zes en Zeventig 88/100). Het enige verschil dat erin zit, is dat voor het bedrag in letters als munteenheid staat vermeld US$ en de munteenheid achter dit saldobedrag is verwoord in Surinaamse Dollar. De hiervoor vermelde feiten in onderling samenhang beschouwd en gelezen, gevennaar het voorlopig oordeel van de kantonrechter duidelijk een indicatie dat het vermelden van “Surinaamse Dollars” in de aanzegging een verschrijving is en dat eisers zich er wel degelijk van bewust zijn dat het een verschrijving betreft. Dit, daar zij zelf de leenovereenkomsten met gedaagde hebben gesloten en onweersproken hebben gelaten dat gedaagde de kredieten in US$ aan hen heeft verstrekt.

4.3 Voor wat betreft het beroep van eisers dat gedaagde in strijd met het bepaalde in artikel 366 Rv heeft gehandeld, is de kantonrechter van oordeel dat zulks niet opgaat. Dit, omdat – zoals gedaagde terecht opwerpt – dit artikel betrekking heeft op de gerechtlijke uitwinning.

4.4 Gedaagde voert aan dat eisers vanaf het jaar 2012 in gebreke zijn gebleven hun betalingsverplichtingen jegens gedaagde na te komen, en heeft gedaagde in dat kader in oktober 2014 de leningen geherstructureerd. Desondanks zijn eisers na de herstructurering hun betalingsverpichtingen niet stipt en volledig jegens gedaagde nagekomen en heeft gedaagde om die reden terecht de financieringsfaciliteiten opgezegd.
Gedaagde weerspreekt dat de betalingsachterstanden van eisers aan haar te wijten zijn. Daartoe stelt zij dat zij meerdere malen het voorstel aan eisers heeft geopperd om de leningen wederom te herstructureren, doch zijn eisers niet akkoord gegaan met dit voorstel. Daar eisers hun betalingsverplichtingen niet nakomen en gedaagde hierdoor schade lijdt, is zij genoodzaakt over te gaan tot de openbare verkoop van de percelen teneinde de leensommen daaruit te kunnen verhalen. Gedaagde heeft er geen vertrouwen meer in dat eisers hun betalingsverplichtingen zullen nakomen. Volgens het verweer van gedaagde beschikken eisers wel over voldoende inkomsten c.q. vermogen om hun betalingsverplichting jegens haar na te komen, omdat eisers als gevestigde handelaren in onder meer schoenen en cement voldoende inkomsten beschikken.

4.5 Ter zake het door eisers gestelde en het verweer van gedaagde stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat.

Onweersproken staat vast dat eisers reeds langer dan 1 jaar na de herstructurering van de leningen vanwege eerder ontstane achterstanden in betaling niet hebben voldaan aan hun aflossingsverplichting jegens gedaagde. Voldoende aannemelijk is dat gedaagde meerdere malen medewerking heeft verleend aan eisers tot uitstel van betaling en aldus coulant is geweest naar eisers toe. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van eisers dat zij vanwege de slechte betalingsattitude van derden niet aan hun betalingsverplichting jegens gedaagde kunnen voldoen, doch levert zulks geen grond op tot overmacht voor eisers in de zin van het overeenkomsten recht. Tevens is voldoende aannemelijk dat gedaagde meerdere malen coulant is geweest jegens eisers en dat eisers nog in financiele problemen verkeren, doch kan van gedaagde als financiele instelling in redelijkheid niet worden verwacht om oneindig uitstel tot betaling aan eisers te verlenen indien er geen zicht is op welk moment eisers hun betalingsachterstanden zullen inlopen dan wel aan hun betalingsverplichting zullen voldoen.

Eisers stellen evenwel dat zij vorderingen op derden hebben lopen en zij zodoende wel aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen, doch acht de kantonrechter dit geen zekerheid tot betaling. Bovendien hebben eisers geen enkel inzicht verschaft binnen welke termijn zij de te vorderen bedragen van die derden, zijnde de vermeende schuldeisers van eisers, uitbetaald zullen krijgen en binnen welke termijn zij de achterstanden zullen inlopen. Voor gedaagde zijn er dus geen concrete alternatieven beschikbaar om haar vordering op eiser voldaan te krijgen, anders dan door verhaal op de opbrengst van de openbare verkoop van de onroerende goederen. Om die reden kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gedaagde geen misbruik van het recht van parate executie worden tegengeworpen en evenmin van het plegen van een onrechtmatige daad.

4.6 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen zullen de door eisers gevraagde voorzieningen worden geweigerd en zullen zij, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chuen ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, op donderdag 20 oktober 2016 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-HvJ-2009-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-648

[verzoeker], te dezer zake domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13A boven te Paramaribo ten kantore van de advocaat mr. G.R. Sewcharan, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: de STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, hierna te noemen: verweerder, in rechte vertegenwoordigd door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat 3 te Paramaribo.

1. Bij beschikking d.d. [datum] met Justitienummer [nummer 1] en K.A. no. [nummer 2], afkomstig van de minister van Justitie en Politie en getekend door de Hoofdcommissaris van Politie is verzoeker ontslag aangezegd. Een afschrift van de beschikking wordt hierbij overgelegd (Productie 1).

2. Verzoeker kan zich met dit besluit en de gronden ervan niet verenigen en wenst hierbij op grond van artikel 79 van de Personeelswet de onderhavige vordering in te stellen.

3. In het besluit wordt overwogen dat zijdens verzoeker, verkort weergegeven, gebleken is dat hij veroordeeld is door de kantonrechter tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voorts dat verzoekers handelingen een strafbaar feit opleveren.

4. Verder wordt overwogen dat verzoeker in strijd gehandeld heeft met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no 82. Tevens wordt gesteld dat er sprake is van ernstig plichtsverzuim.

5. Verweerder heeft het ontslag gebaseerd op de veroordeling als hiervoor vermeld. De overige door verweerder aangehaalde gronden zijn allemaal af te leiden van de veroordeling.

6. Uit de beschikking blijkt dat verzoeker van het strafvonnis in hoger beroep is gekomen bij het Hof van Justitie. Het hoger beroep is nog niet behandeld. Verweerder gaat er derhalve ten onrechte vanuit dat de veroordeling vaststaat.

7. Het besluit tot ontslag is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd en is derhalve in strijd met een der in het algemeen bewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het motiveringsbeginsel. In casu is verzoeker door de kantonrechter veroordeeld. Tegen dit vonnis is door verzoeker hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is nog niet behandeld en evenmin is het ingetrokken. Van een bij rechterlijk gewijsde gegeven veroordeling is derhalve geen sprake. Ook is er dus geen sprake van plichtsverzuim, zoals door verweerder bedoeld. Het ontslag mist derhalve voldoende grondslag.

8. Nu de overige overwegingen gebaseerd zijn op het hierboven weerlegd uitgangspunt en dus uitgaan van een verkeerde opvatting, is de noodzaak voor een verdere bespreking van die overwegingen komen weg te vallen. Desalniettemin en dus geheel ten overvloede wenst verzoeker op te merken dat, nu de zaak in hoger beroep nog niet is behandeld, er niet gesteld kan worden dat de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is gepleegd, de ernst en de gevolgen daarvan, het opleggen van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst rechtvaardigen. Deze overweging mist eveneens juridische grondslag.

Nu de ontslagverlening juridische grondslag mist, zijn ook de genoemde besluiten met betrekking tot de stopzetting van de loondoorbetaling aan verzoeker van elke grondslag ontbloot.

Verzoeker is derhalve van mening dat het besluit ook in strijd is met het beginsel van redelijke belangenafweging. Dit beginsel behoort ook tot een der beginselen die dienen te leven in het algemeen bewustzijn van behoorlijk bestuur. Uit het besluit en de gevolgen die het heeft voor verzoeker en diens gezinsleden blijkt dat met de belangen van verzoeker geen rekening is gehouden. Door het besluit wordt verzoeker onredelijk in zijn belangen getroffen.

9. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het bestreden besluit onwettig is en derhalve voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. [datum], waarbij verzoeker ontslag uit Staatsdienst is verleend, nietig zal worden verklaard;
II. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,– (tienduizend Surinaamse dollar), althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
III. verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade, bestaande uit het achterstallige loon van verzoeker, verhoogd met de wettelijke verhoging en rente, welke voor verzoeker uit het besluit is voortgevloeid;
IV. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. De verweerder ontkent en betwist al hetgeen door de verzoeker in zijn inleidend rekest is gesteld, voor zover hij deze hieronder niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend.
2. De verweerder wil alvorens in te gaan op de stellingen van de verzoeker opmerken, dat de verzoeker voor de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering duidelijk moet aangeven wanneer hij de ontslagbeschikking heeft ontvangen, gelet op het bepaalde in paragraaf II van de beschikking.
De verzoeker dient so wie so in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard;
3. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 1 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de verzoeker bij beschikking d.d. [datum] no. [nummer 1] ontslag uit Staatsdienst is verleend en is dit ontslag ingegaan op de dag waarop dit ontslag ter kennis van de verzoeker is gebracht;
4. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 2 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de verzoeker nalaat te vermelden, wanneer dit ontslag is ingegaan;
5. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 3 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat uit de beschikking duidelijk blijkt dat de verzoeker veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 8 jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, hetgeen inhoudt dat de verzoeker ondanks het appèl niet bij het Korps Politie kan worden gehandhaafd, omdat de verzoeker zich niet alleen aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, maar ook de ambtsinstanties heeft overtreden. Het Korps Politie Suriname is een gedisciplineerd Korps;
6. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 5 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat hij ingevolge de bepalingen van het Politiehandvest als grond voor het ontslag heeft gebruikt n.l. de rechterlijke veroordeling die zondermeer als plichtsverzuim wordt gekwalificeerd. Verder moet rekening worden gehouden met artikel 37 van het Politiehandvest, dat de discipline onder de ambtenaren van politie in militaire trant wordt gehandhaafd;
7. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 6 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op, dat het de verweerder bekend is dat de verzoeker aan het strafvonnis in hoger beroep is gekomen, maar dat door de verweerder met zekerheid kan worden gesteld, dat deze zaak niet zal eindigen met een vrijsprekend vonnis, maar hooguit kan in hoger beroep de straf worden verminderd gelet op de ernst van het feit c.q. worden bevestigd;
8. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 7 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de ontslagbeschikking deugdelijk is gemotiveerd. Als de verzoeker vindt dat de beschikking niet deugdelijk is gemotiveerd, moet hij zulks aangeven, maar niet bloot zeggen dat de beschikking niet deugdelijk is gemotiveerd. De verweerder ontkent dat de beschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel, daar de grond van het ontslag is de rechterlijke veroordeling en de overtreding van de ambtsinstructies. De verweerder praat niet van een rechterlijk gewijsde.
De verweerder merkt op dat gelet op de zware straf namelijk 8 jaren een handhaving van de verzoeker in de politiedienst met geoorloofd is en het vrij zeker is dat de verzoeker voor de gepleegde feiten een gevangenisstraf zal krijgen. De verweerder blijft er bij dat de verzoeker zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en ontkent dat het ontslag deugdelijke grondslag mist;
9. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 8 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de politiedienst een gewapende macht is, waar op de discipline streng wordt gelet, ook al is de zaak nog niet in hoger beroep behandeld. Nogmaals wordt herhaald dat gelet op de opgelegde straf van 8 jaren en de feiten in het strafdossier genoemd een langer handhaven van de verzoeker bij het Korps niet wenselijk is. De ontslagverlening mist derhalve geen enkele juridische grondslag. De verweerder ontkent dat de ontslagverlening in strijd is met het beginsel van redelijke belangenafweging, daar er hier sprake is van opzettelijke levensberoving en wordt de verzoeker op geen enkele wijze onredelijk in zijn belangen getroffen.

Wat het petitum betreft het volgende:
Petitum 1 is niet mogelijk, omdat de verzoeker geen feiten en omstandigheden heeft aangegeven, waaruit blijkt, dat de beschikking nietig is, althans geen juridische grondslag heeft;
Petitum II is niet mogelijk, want hoe kan de verweerder veroordeeld worden om verzoeker weder te werk te stellen, terwijl hij in het gevang zit en niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten;
Petitum III Betaling van achterstallig loon is niet mogelijk. De verzoeker legt over GB 1965 no. 129, wanneer iemand die van zijn vrijheid is beroofd en het bestuursvoorschrift d.d. 28 maart 1966 no. 14047/65 aanspraak maakt op salaris en wanneer dit eindigt;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd: dat verzoeker zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, althans hem in deze niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 10 september 2008 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, mr. B.A.H. Pick, advocaat namens mr. G.R. Sewcharan, advocaat gemachtigde van verzoeker, mr. F.F.P. Truideman, advocaat, gemachtigde van verweerder, mevrouw Redan, Lucretia Patricia NBA, Human Resource Manager bij het Korps Politie Suriname, vertegenwoordiger van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 17 april 2009, doch nader op heden.

OVERWEGENDE,TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde op de terechtzitting van 7 november 2008 staat het volgende vast:
1.1 verzoeker was werkzaam als agent van politie derde klasse in vaste dienst van het Ministerie van Justitie en Politie;
1.2 verzoeker is wegens verdenking van het plegen van de strafbare feiten, omschreven in de artikelen 347, 362 lid 2, 360 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht op 10 januari 2006 in verzekering gesteld en bij beschikking van de Korpschef is hij te rekenen van 10 januari 2006 buitenfunktie gesteld; verzoeker is op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet in zijn ambt geschorst;
1.3 de Minister van Justitie en Politie heeft verzoeker bij beschikking van 10 april 2008 wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag opgelegd.
1.4 de beschikking bevat, onder andere, de volgende overwegingen (letteraanduiding aangebracht door het Hof):

a. dat uit het terzake ingesteld onderzoek zoals vastgelegd in strafdossier no. [nummer 3] de dato 10 januari 2006 van de afdeling Recherche Geyersvlijt is gebleken, dat agent [verzoeker] op 10 januari 2006 te omstreeks 14.00 uur in de [Kapperzaak] gelegen aan de [adres], de loop van zijn dienst vuistvuurwapen van het merk Glock, welke in bruikleen aan hem was afgestaan, terwijl deze gespannen was, opzettelijk geplaatst heeft tegen het achterhoofd van de aldaar in dienst zijnde leerling kapper [naam 1];
b. dat agent [verzoeker] vervolgens de trekker van het wapen heeft overgehaald waardoor een schot werd afgevuurd en [naam 1] in het achterhoofd werd geraakt en ter plaatse kwam te overlijden;
c. dat agent [verzoeker] terzake door de Kantonrechter veroordeeld is tot een gevangenisstraf van acht (8) jaar onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest;
d. dat de door agent [verzoeker] gepleegde handelingen niet alleen een strafbaar feit opleveren, doch tevens in strijd zijn met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G. B. 1972 no. 82 en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname;
e. dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer[verzoeker] voornoemd weshalve hij ingevolge het bepaalde in artikel 44 lid 1 van het Politiehandvest bij schrijven van de Korpschef, de Hoofdcommissaris van Politie, [naam 2] de dato 17 oktober 2007 terzake ingebreke werd gesteld en derhalve in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

1.5 de hierboven onder 1.3 genoemde beschikking is op 6 mei 2008 in persoon aan verzoeker betekend;
1.6 het op 3 juni 2008 gedateerde verzoekschrift van verzoeker is op 4 juni 2008 (in de terzake gestelde aantekening staat, kennelijk abusievelijk, vermeld: 4/6/06) ter griffie van het Hof van Justitie ingekomen.

2. ingevolge het bepaalde in artikel 47 lid 4 van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf als waarvan hier sprake is niet ontvankelijk indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Gelet op hetgeen hierboven onder 1.5 en 1.6 is overwogen is de vordering tot nietigverklaring van de beschikking d.d. 10 april 2008 (verder genoemd: de beschikking) tijdig ingesteld. Het beroep van verweerder op de niet-ontvankelijkheid van verzoeker gaat, voor zover daarmee wordt betoogd dat de vordering tot nietigverklaring van de beschikking niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, dan ook niet op.

3. Verzoeker heeft, kort gezegd, in zijn verzoekschrift aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel en met het beginsel van redelijke belangenafweging.

4.1 Wat de strijd met het motiveringbeginsel betreft, heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

  • verweerder heeft het ontslag gebaseerd op zijn, verzoeker’s, veroordeling door de kantonrechter; de overige door verweerder aangehaalde gronden zijn allemaal af te leiden van de veroordeling;
  • verzoeker is in hoger beroep gekomen van het strafvonnis en het hoger beroep is nog niet afgehandeld; verweerder gaat er derhalve ten onrechte vanuit dat de veroordeling vaststaat; het ontslagbesluit is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd.

4.2 Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat gehandeld is in strijd met het motiveringsbeginsel.
4.3 In de ontslagbeschikking wordt weliswaar vermeld dat verzoeker door de Kantonrechter veroordeeld is, maar er is nergens uit de beschikking te lezen dat de Minister de feiten, die naar zijn oordeel plichtsverzuim opleveren, op grond van het betreffende strafvonnis bewezen heeft geacht. Uit de hierboven onder 1.4.a weergegeven overweging uit de beschikking blijkt dat de Minister zijn oordeel dat verzoeker de in die overweging omschreven feiten heeft gepleegd baseert op het onderzoek dat is verricht ter zake van de op verzoeker gevallen verdenking. Het onder 4.1 vermelde verweer gaat dan ook niet op.

5.1 Tijdens het verhoor van partijen heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, gesteld dat hij tegen het vonnis van de kantonrechter appèl heeft aangetekend, omdat hij het niet eens met de beslissing; dat niet alle zaken tijdens het proces in ogenschouw zijn genomen en hij de mening is toegedaan dat hij onschuldig is; dat het niet zo is dat hij opzettelijk in een schermutseling betrokken was, waarbij het wapen in handen van het slachtoffer terechtkwam; dat de trekker dus is getrokken (lees kennelijk: overgehaald) door het slachtoffer.
5.2 In de ontslagbeschikking wordt geen gewag gemaakt van een schermutseling, terwijl verzoeker niet heeft vermeld welke zaken tijdens het proces in eerste aanleg niet in ogenschouw zijn genomen. In hetgeen verzoeker tijdens voormeld verhoor heeft gesteld is dan ook geen, althans geen gemotiveerde, betwisting te lezen van de feiten, die in de ontslagbeschikking, met name in de hierboven onder 1.4.a weergegeven overweging, zijn vermeld. Derhalve staat vast dat verzoeker op 10 januari 2006 te omstreeks 14.00 uur in de [Kapperszaak] gelegen aan [adres] de loop van zijn dienst vuistvuurwapen van het merk Glock, welke in bruikleen aan hem was afgestaan, terwijl deze gespannen was, opzettelijk geplaatst heeft tegen het achterhoofd van de aldaar in dienst zijnde leerling kapper [naam 1]. Verder staat als onbetwist vast dat een schot werd afgevuurd en [naam 1] in het achterhoofd werd geraakt en ter plaatse kwam te overlijden.
5.3 Volgens de ontslagbeschikking (zie hierboven onder 1.4.b) heeft verzoeker de trekker van het wapen overgehaald, terwijl verzoeker bij het eerder vermeld verhoor heeft gesteld dat de trekker door het slachtoffer is getrokken. Wat op dit punt de waarheid is kan in het midden worden gelaten. Voor het in stand blijven van de ontslagbeschikking is immers niet vereist dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat verzoeker zich aan alle hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt, maar de beschikking ook in stand kan blijven indien de wel in voldoende mate vaststaande gedragingen een zodanig ernstig plichtsverzuim opleveren, dat de opgelegde straf niet onevenredig wordt geacht.
5.4 Nu hij het tegendeel niet heeft beweerd wordt het ervoor gehouden dat, toen, verzoeker de loop van zijn dienst vuistvuurwapen, terwijl deze gespannen was, opzettelijk plaatste tegen het achterhoofd van [naam 1] en vervolgens een schot werd afgevuurd waardoor [naam 1] in het achterhoofd werd geraakt en ter plaatse kwam te overlijden, geen van de vier, in artikel 18 lid 2 van de Instructie Ambtenaren van Politie limitatief opgesomde gevallen waarin een ambtenaar van politie een vuurwapen mag gebruiken, zich voordeed. Door aldus te handelen heeft verzoeker zich dan ook, naar het oordeel van het Hof, aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.
5.5 Het gebruik van een vuurwapen buiten de eerder bedoelde vier gevallen en in de omstandigheden als hierboven onder 1.4.a vermeld levert, mede met het oog op het aan het gebruik verbonden gevaar voor anderen (zie artikel 18 lid 3 van eerdergenoemde Instructie), ernstig plichtsverzuim op, en wel een zodanig ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig wordt geacht. De ontslagbeschikking kan dus in stand blijven, ook al zou niet komen vast te staan dat verzoeker de trekker van het wapen heeft overgehaald. Er hoeft daarom aan verweerder geen gelegenheid te worden geboden laatst vermeld feit aannemelijk te maken.

6.1 Wat de strijd met het beginsel van redelijke belangenafweging betreft, heeft verzoeker aangevoerd dat uit het besluit en de gevolgen daarvan, die het voor hem en zijn gezinsleden heeft, blijkt dat met zijn, verzoekers, belangen geen rekening is gehouden. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij door het besluit onredelijk in zijn belangen wordt getroffen.
6.2 Hierboven is reeds beslist dat het door verweerder gepleegde plichtsverzuim niet onevenredig wordt geacht aan de ernst van dat plichtsverzuim. Door te handelen als hierboven onder 1.4.a vermeld en met de gevolgen als onder 5.2 vermeld heeft verzoeker het aanzien van de Politie geschaad en het is duidelijk dat de verweerder belang erbij heeft om zowel naar de politie als naar gemeenschap toe duidelijk te maken dat dergelijk gedrag niet wordt geaccepteerd. Het Hof is dan ook van oordeel dat het belang van verweerder om verzoeker uit het politiekorps te verwijderen zwaarder weegt dan verzoeker’s belang om zijn dienstverband voort te zetten. Het onder 6.1 vermelde verwijt gaat dus niet op. De vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking dient dan ook te worden afgewezen.

7. De vordering om verweerder te veroordelen verzoeker weder te werk te stellen dient, nu de ontslagbeschikking in stand blijft, eveneens te worden afgewezen.

8.1 Verzoeker is van oordeel dat, nu zijn strafzaak in hoger beroep nog niet is behandeld, de ontslagverlening juridische grondslag mist en de besluiten tot stopzetting van de loonbetaling aan hem, verzoeker, van elke grondslag ontbloot zijn.
8.2 Het onder 8.1 vermelde standpunt is, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, onjuist en de vordering tot vergoeding van schade, welke op dit onjuist standpunt berust, dient eveneens te worden afgewezen.

9. De vordering tot veroordeling van verweerder in de kosten van het geding zal, als niet op de wet gebaseerd, worden afgewezen.

10. De conclusie is dat als volgt kan worden beslist.

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:
Wijst de vorderingen af.

Aldus gewezen door: mr. E.S. Ombre, Vice-president, mr. A.A. Hermelijn en mr. S.M.M. Chu, Leden-Plaatsvervanger en door de Vice- President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 15 mei 2009, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.
w.g.R.R.Brijobhokun

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A.E. Telting namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Veldkamp namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F.F.P. Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2018-31

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 174395
15 februari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

De naamloze vennootschap N.V. Jusesur h.o.d.n. Sewcharan advocaten,
kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. De naamloze vennootschap Blue Wing Airline n.v.,
B. [gedaagde sub B],
gevestigd en kantoorhoudende c.q. wonende te Paramaribo,
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 16 oktober 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusies van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagden hebben in januari 2013 aan eiseres de opdracht gegeven tot het verrichten van enkele diensten ter zake een geschil met de Staat, welke opdracht door eiseres is aanvaard.

Aangezien partijen geen overeenstemming konden bereiken over het te hanteren tarief, hebben gedaagden de opdracht aan eiseres opgezegd op 28 oktober 2013. Op 29 oktober 2013 heeft eiseres de opzegging bevestigd.

2.2 Op 11 februari 2014 hebben gedaagden eiseres opnieuw dezelfde opdracht gegeven, welke opdracht door eiseres is aanvaard. Dit laatste is vastgelegd in een schrijven d.d. 15 maart 2014 afkomstig van de gemachtigde van eisers en gericht aan gedaagden.

2.3 Gedaagden hebben in maart 2016 de opdracht aan eiseres opgezegd.

2.4 Bij schrijven d.d. 6 februari 2017 afkomstig van de gemachtigde van gedaagden en gericht aan de gemachtigde van eiseres, is er gevraagd naar een gespecificeerde factuur met betrekking tot de door eiseres verrichtte werkzaamheden ten behoeve van gedaagden op basis van gewerkte uren.

2.5 Bij schrijven d.d. 20 juni 2017 heeft eiseres de factuur d.d. 20 juni 2017 met no. 17.06.333 opgestuurd naar de gemachtigde van gedaagde. Zij verwijst daarbij naar een schrijven d.d. 7 oktober 2013 waaruit de gemaakte prijsafspraken zou moeten blijken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagden tot betaling van het bedrag van USD 575.000,= vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
De door haar ten behoeve van gedaagden verrichte werkzaamheden hebben na verschillende onderhandelingen en correspondentie geleid tot een schikking. Deze schikking is in een raadsvoorstel door de minister van TCT met no. 57/15 Geh aan de raad van ministers aangeboden om de tussen gedaagde sub A en de Staat Suriname bereikte schikking voor een schadebedrag van USD 11.500.00,= goed te keuren.
Gedaagden hebben in maart 2016 plotseling de opdracht aan eiseres zonder deugdelijke reden opgezegd. De inning van de van de Staat te incasseren vordering heeft plaatsgevonden. Pogingen van eiseres om betaling van het overeengekomen honorarium in der minne te doen geschieden hebben niets opgeleverd.

3.3 Gedaagden heben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat als gevolg van de onderhandelingen van eiseres de minister van TCT een raadsvoorstel heeft opgemaakt.
Dit raadsvoorstel is gedateerd 12 maart 2015 onder no. 57/15 Geh. In dit raadsvoorstel is zover van belang het volgende verwoord:

“1. Onderwerp
Schikking van het rechtsgeding tussen Blue Wing Airline Ltd/de Staat tot een bedrag van US$ 11.500.000 (Elf Miljoen Vijfhonderd Duizend Amerikaanse Dollars).
4. Toelichting
….. Bij eerder aangehaald schrijven van de Procureur-Generaal is aan het ministerie het advies meegegeven met de eisende partij in contact te treden, teineinde tot een minnelijke schikking te geraken om de Staat niet verder in de kosten te jagen. In opdracht van de minister heeft een onderhandelinscommissie van het ministerie onder leiding van mr. D. Kraag onderhandelingen gevoerd met de advocaat van Blue Wing mr. G.R. Sewcharan. De eisende partij heeft een schadebedrag geëist van US$ 14.280.000 (Veertien Miljoen Tweehonderd tachtig duizend Amerikaanse Dollars). Na onderhandeling is dit bedrag teruggebracht naar US$ 11.500.000 (Elf Miljoen Vijfhonderduizend Amerikaanse Dollars) onder voorwaarde die in bijlage 5 zijn neergelegd (schrijven mr. Sewcharan d.d. 10 februari 2015) welke voorwaarde door het ministerie zijn geaccepteerd.
7. Advies van het Minsterie van Financiën
Na goedkeuring van de RvM zal in contact met Financiën worden getreden voor de afhandeling …….”.

4.4 Gedaagden hebben na eerst breedvoerig bij conclusie van antwoord te hebben ontkend, uiteindelijk bij conclusie van dupliek erkend dat de opdracht van hen aan eiseres een declaratie-grondslag had van 5% van het van de Staat Suriname netto te ontvangen bedrag.

Volgens gedaagden was tussen partijen overeengekomen dat de inning van de schadevergoeding en schadeloosstelling kon plaatsvinden door onderhandelingen gevoerd door eiseres en/of door het aanhangig maken van een rechtsgeding en wel onder de volgende voorwaarden:

a. Indien de schadevergoeding en schadeloosstelling door de Staat zou worden betaald als resultaat van onderhandelingen door eiseres, zou 5% van het door de Staat uitgekeerde nettobedrag aan eiseres worden betaald.
b. Indien een rechtsgeding tegen de Staat aanhangig was gemaakt en de Staat was veroordeeld om de schadevergoeding en schadeloosstelling uit te keren aan Blue Wing Airlines n.v., zou 7% van het door de Staat uitgekeerd nettobedrag aan eiseres worden betaald.
c. Indien onderhandelingen en/of een rechtsgeding niet zou leiden tot uitkering door de Staat als boven bedoeld, zou eiseres een honorarium ontvangen gelijk het aantal bestede uren voor een bedrag van US$ 75,- per uur.

Gedaagden betogen dat de Staat nog steeds “geen cent” heeft uitgekeerd aan hen op basis van de aan eiseres verstrekte opdracht. Bij conclusie antwoord hebben gdaagden zich beroepen op een schrijven van de minister van Financiën, gedateerd 3 juli 2017, gericht aan de gemachtigde van gedaagden.

In dit schrijven is zover van belang het volgende verwoord:
“ Geachte heer Schurman,
Met referte aan uw schrijven van 28 juni 2017 kan ik u berichten dat de argumenten en werkzaamheden van mr. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wing Airlines N.V.. De schikking die is bereikt heeft buiten mr. G. Sewcharan plaatsgevonden.”

Gedaagden concluderen dat de opdracht niet is uitgevoerd door eiseres en voorts dat de schadevergoeding en schadeclaim niet aan gedaagde is uitgekeerd. Op grond hiervan maakt eiseres aanspraak op een honorarium van US$ 75,= per uur voor bestede uren.

4.4.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat er een schikking tot stand is gekomen tussen gedaagden en de Staat. Dit blijkt met name uit het onder 4.2 hiervoor omschreven raadsvoorstel van de minister van TCT en voorts uit de brief van de minister van Financiën d.d. 3 juli 2017, in welke brief deze minister impliciet aangeeft dat er wel een schikking is bereikt tussen gedaagde sub A en de Staat. Alhoewel de minister van Financiën in voormelde brief heeft aangegeven dat de argumenten en werkzaamheden van mr. G. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wing Airlines N.V., acht de kantonrechter dit niet aannemelijk nu genoemde minister verder niet heeft uitgeweid over de vraag hoe de schikking met gedaagde A dan wel tot stand is gekomen. Dit had wel verwacht mogen worden nu vast staat dat door inspanningen van eiseres er een raadsvoorstel door de minister van TCT is opgemaakt ter zake het bereiken van een schikking tussen gedaagden en de Staat Suriname.

Onduidelijk is waarom het raadsvoorstel niet verder is uitgewerkt, zoals de kantonrechter begrijpt uit het verweer van gedaagden. Het had op de weg van gedaagden gelegen om over deze onduidelijkheid informatie te verschaffen hetgeen zij hebben nagelaten. Het nader bij dupliek gevoerde verweer door gedaagden dat zij – met de door de minister van Financiën bedoelde schikking – hebben bereikt dat zij hun openstaande rekeningen over de afgelopen 6 jaren betaald hebben gekregen is te laat gevoerd (pas bij dupiek) als gevolg waarvan eiseres zich niet meer heeft kunnen uitlaten. Dit is in strijd met de regels van een goede procesorde. Bovendien komt dit verweer de kantonrechter ook niet geloofwaardig over.

Nu vast staat dat er een schikking tussen gedaagden en de Staat tot stand is gekomen door de inspanningen van eiseres, welke schikking is vervat in een raadsvoorstel van de minister van TCT en voorts ook vast staat dat gedaagden een financiële uitkering hebben gehad van de Staat (zoals bij dupliek door gedaagden aangevoerd) ligt het voor de hand dat de door gedaagden van de staat ontvangen financiële uitkering is geschied op grond van het raadsvoorstel van de minister van TCT.

Het is maar de vraag waarom gedaagden een schikking zoals geformuleerd door de minister van TCT zouden laten schieten voor betaling van een openstaande rekening over de afgelopen 6 jaren, waarop gedaagden ook wel recht hebben. Daarnaast is het onduidelijk waarom gedaagden pas nadat het raadsvoorstel door de minister van TCT was opgemaakt, dus na alle inspanningen van eiseres, de opdracht aan eiseres hebben opgezegd. Deze handelingen van gedaagden verdienden ook verduidelijking hetgaan zij hebben nagelaten. Van gedaagden mocht worden verwacht dat zij hun verweer onderbouwden door middel van verificatoren.

Op grond van het voorgaande is de door eiseres gevraagde voorziening toewijsbaar als in het dictum te melden.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Veroordeelt gedaagden, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting eiseres te betalen het bedrag van US$ 575.000,= (vijfhonderd en vijfenzeventig duizend Amerikaanse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 16 oktober 2017.

5.2 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 790,= (zevenhonderd en negentig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terchtzitting van ht eerste kanton van donderdag 15 februri 2018 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran.

w.g. J. Pinas I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2015-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-5176
07 december 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1. EXCLUSIVE WOODS N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
2. [eiseres sub 2] , weduwe van [erflater],
in haar hoedanigheid van enige gerechtigde van alle activa, behorende tot de nalatenschap van [erflater] en van de hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder directeur van Exclusive Woods N.V.;
wonende te [district],
3. [eiseres sub 3] , in haar hoedanigheid van president commissaris van Exclusie Woods N.V.;
4.a) [eiser sub 4a] ,
b) [eiser sub 4b] ,
c) [eiseres sub 3] ,
d) [eiseres sub 4d] ,
allen in hun hoedanigheid van mede erfgenamen van de nalatenschap van [erflater],
allen wonende te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat,

tegen

1. FINABANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat.,

2. UNIFIRST SCHADEVERZEKERINGEN N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtgde: H.P. Boldewijn, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 24 november 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 26 november 2015’;
  • de conclusie van antwoord d.d. 30 november 2015, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 01 december 2015, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 02 december 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Exclusive Woods N.V., zijnde eiseres sub 1, is op 02 oktober 2008 opgericht. [naam 1] en [naam 2] zijn beiden de oprichters.

2.2 Op 21 april 2009 hebben de hiervoor genoemde oprichters de aandelen die zij in eiseres sub 1 hadden verkocht en overgedragen aan [erflater] en is laatstgenoemde sedert deze datum van verkoop en overdracht directeur van eiseres sub 1.

2.3 Op 28 augustus 2009 heeft eiseres sub 1 vanwege overschrijving van een afschrift van een akte van koop en verkoop d.d. 21 april 2009 in het daartoe bestemde register de eigendom verkregen van “het erf met de daarop staande gebouwen, groot tweehonder vij en vijftig vierkante meter, gelegen te [district] aan de [straat 1a ] (thans [straat1b]), aangeduid op de kaart van de landmeter in Suriname E.S. Devig d.d. 30 mei 1989 met de letters BCEF en bekend onder Nieuwe Wijk Letter E [nummer] 81a”, hierna gemakshalve aangeduid als het onroerend goed.

2.4 Op 31 december 2009 hebben eiseres sub 1 en gedaage sub 2 een kredietleenovereenkomst gesloten, waarbij gedaagde sub 2 een geldbedrag van gedaagde sub 1 heeft geleend tot een bedrag van € 215.000,-. In deze krediet leenovereenkomst hebben eiseres sub 1 en gedaagde sub 2 bedongen dat de lening gedurende de gehele looptijd gedekt zal worden door een te vestigen eerste krediethypotheek ten laste van eiseres sub 1.

2.5 De kredietleenovereenkomst is nadien, en wel op 06 augustus 2010 herzien, in die zin dat daarin is opgenomen dat het kredietbedrag is verhoogd naar € 229.300,-.

2.6 Op 10 maart 2011 heeft [erflater] in de hoedanigheid van directeur van eiseres sub 1 ten behoeve van gedaagde sub 2 doen vestigen het recht van eerste hypotheek op het onroerende goed zoals hiervoor omschreven onder 2.3, en wel tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen gedaagde sub 2 aan gedaagde sub 1 verschuldigd mocht zijn uit hoofde van de kredietleenovereenkomst.

2.7 Op 18 april 2013 is [erflater] komen te overlijden. Eiseres sub 2 was gehuwd met [erflater]. Eisers sub 2 tot en met 4 zijn de erfgenamen van [erflater], hierna te noemen de erflater, en zijn zij de enige gerechtigden van alle activa, behorende tot de nalatenschap van de erflater.

2.8 Eisers sub 2 tot en met 4 hebben de nalatenschap niet verworpen. Eiseres sub 1 is vanwege de erfopvolging de enige aandeelhouder en bestuurder van eiseres sub 1.

2.9 Gedaagde sub 1 heeft tot driemaal toe, respectievelijk op 02 april 2015, 15 mei 2015 en 27 mei 2015 gedaagde sub 2 in gebreke gesteld om de bij haar openstaande schuld te voldoen.

2.10 Vanwege het niet voldoen aan voldoening van de openstaande schuld door gedaagde sub 2 heeft gedaagde sub 1 op 02 september 2015 middels publicatie aangekondigd dat de openbare verkoop van het bezwaarde onroerend goed op dinsdag 29 september 2015 zal plaatsvinden. Bij deurwaardersexploit d.d. 12 augustus 2015 no. 00-0090 is aan eiseres sub 1 en gedaagde sub 2 terzake bevel gedaan en aanzegging tot voldoening van de openstaande schuld.

2.11 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, in de kortgeding zaak bekend onder A.R. No. 15-4092 tussen partijen, is de openbare verkoop van 29 september 2015 stopgezet.
Daartoe heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:
4.2 Voorop wordt gesteld dat eiseres sub A, als de onderzetter van het onroerend goed, op de hoogte moest worden gesteld van de aangekondigde openbare verkoop daarvan. Gedaagde sub A heeft een exploot van deurwaarder R. Kappel, d.d. 12 augustus 2015 no. OO-0090, overgelegd waaruit zou moeten blijken dat eiseres sub A op de hoogte is gesteld. Uit het genoemd exploot blijkt dat deze is overhandigd aan een medewerker van gedaagde sub B.
Artikel 6 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geeft onder meer de wijze van betekening van exploiten aan rechtspersonen. Dit artikel bepaalt dat exploten ten aanzien van rechtspersonen moeten worden betekend aan de persoon of aan de woonplaats van een der bestuurders.
Door het exploot te overhandigen aan een medewerker van gedaagde sub B, is eiesers sub A niet ingevolge de wet op de hoogte gesteld van de aangekondigde openbare verkoop van het onroerend goed.

4.3 Gedaagde sub A betoogt dat indien de voorgenomen executie wordt stopgezet, dit slechts een uitstel van executie is omdat slechts de betekening opnieuw zou moeten geschieden.
De kantonrechter overweegt dat de betekening van een voorgenomen executie aan de onderzetter, onder meer tot doel heeft om laatstgenoemde de gelegenheid te bieden een oplossing te zoeken ter voldoening aan de schuld bij gebreke waarvan het gevolg is voortgang van de executie. Het ligt dus aan de onderzetter zelf of zij al dan niet tot een oplossing komt. Nu de openbare verkoop verregaande consequenties heeft voor de onderzetter, zal de schuldeiser zich ervan moeten vergewissen dat alle regels daartoe in acht zijn genomen. Dit betekent dat de executie ingevolge de wet en de plaatselijke gebruiken moet worden aangezegd. Door dit niet dan wel niet conform de wet te doen, wordt de onderzetter, in casu eiseres sub q, de mogelijkheid ontnomen om een oplossing te zoeken ter voorkoming van openbare verkoop.
Het verweer van gedaagde sub A wordt verworpen.”

2.12 Middels publicatie d.d. 12 november 2015 heeft gedaagde sub 1 ten tweede male de openbare verkoop van het bezwaarde onroerend goed op 08 december 2015 aangekondigd, welke openbare verkoop ten overstaan van de notaris om 11.00 uur des voormiddag zal plaatsvinden.

2.13 Per deurwaardersexploit d.d. 21 oktober 2015 heeft gedaagde sub 2 aan eiseres sub 1 bevel gedaan en aanzegging tot voldoening van de openstaande schuld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren,:

a) de stopzetting te bevelen van de door de gerechtsdeurwaarder Lilapersad Gangarampanday bij exploot no. 160 d.d. woensdag 21 oktober 2015 aangezegde openbare verkoop op dinsdag 8 december 2015 des voormiddags om 11.00 uur ten kantore en ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris mr. Derrick Alexander en of diens waarnemer/vervanger aan de Prins Hendrikstraat nummer 32;

b) gedaagde sub 2 te veroordelen binnen 24 uur na dit uit te spreken vonnis te geven en opgave te doen van de aankoop van het perceel aan de [straat] en de bouw van het bedrijfspand conform de bestemming van het krediet in artikel 5 van de kredietovereenkomst van 31 december 2009;

c) gedaagde sub 1 te veroordelen binnen 24 uur na dit uit te spreken vonnis verklaring te geven, opgave te doen en de administratie aan eisers te verstrekken van de verlening van het krediet c.q. geldtranches conform artikel 5 van de kredietovereenkomst van 31 december 2009 aan gedaagde sub 2 en opgave te doen van het perceel welke door gedaagde sub 2 aan de [straat 1b] is gekocht en het bedrijfspand welke met het verstrekte krediet is gebouwd;

d) gedaagde sub 1 te verbieden om opnieuw tot de veiling van het onroerend goed over te gaan;

e) gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom groot 25.000,- voor elke dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen;

f) gedaagde sub 1 te veroordelen in de kosten van dit geding, alle deurwaarderskosten en betekeningskosten van dit vonnis inbegrepen.

3.1.1 Eisers leggen, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer de volgende stellingen aan de door hun gevraagde voorzieningen ten grondslag:

  • gedaagde sub 1 heeft gedaagde sub 2 niet middels een deurwaardersexploit in gebreke gesteld om aan haar schuld te voldoen;
  • gedaagde sub 1 heeft in strijd met de wettelijke voorschriften de saldoschuld niet aan gedaagde sub 2 betekenden maakt hierdoor misbruik van het executierecht;
  • de statuten van oprichting van eiseres sub 1 waren ten tijde van de hypotheekvestiging nog niet gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en zullen zij hierdoor persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor de schade die derden vanwege rechtshandelingen met eiseres sub 1 zullen leiden. Vanwege het huwelijksgoederenrecht diende eiseres sub 2 toestemming te verlenen tot het doen vestigen van de hypotheek op het onroerend goed, omdat zij ten tijde met de erflater was gehuwd. Vanwege het ontbreken van deze toestemming is deze rechtshandeling tot vestiging van de hypotheek nietig, welke nietigheid zij reeds heeft ingeroepen;
  • gedaagde sub 2 heeft in strijd met artikel 2 Algemene Voorwaarden Finabank niet de nodige zorgvuldigheid jegens eisers in acht genomen. Daarbij is de erflater niet door gedaagde sub 1 gewaarschuwd voor het gevaar en risico van de onderzetting en voor het gevaar dat zijn echtgenote en kinderen door deze transactie zouden lopen. Voorts zijn eisers niet door gedaagde sub 1 ingelicht over de wanbetaling van gedaagde sub 2, waardoor zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om een passende oplossing te zoeken ter voorkoming van een executie. Gedaagde sub 1 heeft nagelaten eisers inzicht te verschaffen over de inkomens en vermogenspositie van gedaagde sub 2;
  • de door gedaagde sub 1 aan gedaagde sub 2 opgegeven saldoschuld is te hoog;
  • de kredietovereenkomsten van gedaagde sub 1 zijn vals;
  • doordat de opbrengst van de openbare verkoop weinig zal opbrengen om de hypotheekschuld te voldoen, zal een heel grote restschuld ontstaan.

Als spoedeisend belang stellen eisers dat zij bij eventuele ontoerekenbaarheid van het verkoopbedrag, nog kunnen worden aangesproken voor het restbedrag.

3.2 Gedaagden hebben elk afzonderlijk verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat de gevraagde voorzieningen onder a en c tot en met f zich richten tot gedaagde sub 1 en de gevraagde voorzieningen onder b en e zich richten tot gedaagde sub 2.
Het spoedeisend belang blijkt uit het voornemen tot openbare verkoop van het bezwaarde onroerend goed op dinsdag 08 december 2015. Daarom zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Uit de stellingen en de producties die eisers zelf ten processe hebben overgelegd leidt de kantonrechter af dat tussen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 een kredietleenovereenkomst is gesloten, waarbij eiseres sub 1 in het kader van die krediet leenovereenkomst ten behoeve van gedaagde sub 1 een hypotheek heeft doen vestigen op het aan haar in eigendom toebehorende perceel, van welk perceel het voornemen tot openbare verkoop is afgekondigd. Dit alles als zekerheid ingeval gedaagde sub 2 niet aan haar betalingsverplichting jegens eisers sub 1 voldoet.
Uit geen der producties leidt de kantonrechter af dat eisers sub 2 tot en met 4 enige rechtsrelatie met gedaagde sub 1 hebben. Eiseres sub 2 beroept zich er evenwel op dat zij en eisers sub 3 en 4 wel enig belang hebben in het geheel, en wel op grond van het volgende: eiseres sub 2 was gehuwd met de erflater, die ten tijde van diens overlijden aandeelhouder was van eiseres sub 1, en diende zij toestemming aan de overleden echtgenoot te geven voor het doen verschaffen van een hypotheek op het perceel. Voorts dat de statuten van eiseres sub 1 tot heden nog niet zijn gepubliceerd, en om die reden haar toestemming als echtgenote wettelijk vereist is.

4.2.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaan eisers uit van een onjuist standpunt. De publicatie van de Statuten dient ter bescherming van derden die rechtshandelingen met eiseres sub 1, die de status van rechtspersoon heeft, zijn aangegaan. Die bescherming bestaat daarin dat indien de publicatie achterwege is gebleven en derden als gevolg van rechtshandelingen met de rechtspersoon schade lijden of hebben geleden, die derden de bestuurders van eiseres sub 1 hiervoor aansprakelijk kunnen stellen. Erfgenamen van de bestuurders van de rechtspersoon treden in de plaats van de overledene en bezitten niet de status van derde en kunnen eisers zich om die reden niet met succes op de non publicatie beroepen. Voorzover eisers sub 2 tot en met 4 betogen te stellen dat omgekeerd gedaagde sub 1 hen zou kunnen aanspreken voor de restschuld indien de opbrengst van de openbare verkoop niet toereikend is, gaat deze stelling niet op. Eisers sub 2 tot en met 4 zijn de bestuurders van eiseres sub 1, dus verkeren zij in de positie om de Statuten van eiseres te publiceren en los hiervan zij zijn geen partij bij de kredietovereenkomsten die gedaagden onderling met elkaar hebben gesloten.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat eisers sub 2 tot en met 4 geen partij zijn bij de overeenkomsten gesloten tussen gedaagden en de hypotheekvestiging ten behoeve van gedaagde sub 1. Daarom zullen eisers sub 2 tot en met 4 niet ontvankelijk worden verklaard in de door hun gevraagde voorzieningen gericht tot zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2.

4.3 Vooropgesteld wordt dat geenszins vereist is dat de ingebrekestelling middels een deurwaardersexploit aan de schuldenaar, in casu gedaage sub 2, betekend moet worden. Van belang is dat de schuldenaar in gebreke wordt gesteld en de ingebrekestelling hem/haar bereikt. Gedaagde sub 1 heeft middels bescheiden aannemelijk gemaakt dat gedaagde sub 2 in gebreke is gesteld, zodat de stelling van eiseres sub 1 niet opgaat. Bovendien, ook al zou deze stelling opgaan, dan nog zou eiseres sub 1 zich niet kunnen beroepen op deze stelling. Dit, omdat zij geen partij is geweest bij de kredietleenovereenkomst. Ook de stelling van eiseres sub 1 dat de kredietleenovereenkomsten vals zijn gaat niet op. Gedaagden die deze overeenkomsten met elkaar hebben gesloten, beroepen zich op dat deze overeenkomsten echt en onvervalst zijn. Hieruit vloeit voort dat eiseres sub 1 veel meer zou moeten stellen om zich met succes hierop te kunnen beroepen.

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat de stelling van eiseres sub 1 dat gedaagde sub 1 heeft nagelaten de erflater op de consequenties van de onderzetting te wijzen niet op. Zoals blijkt uit de door eiseres sub 1 overgelegde producties, met name de notariele akte van onderzetting d.d. 10 maart 2011, zijn de gevolgen vermeld en blijkt dat de erflater in zijn hoedanigheid als directeur van eiseres sub 1 de akte ten overstaan van de notaris heeft getekend en gelezen.

4.5 In aanmerking genomen dat eiseres sub 1 sedert 12 augustus 2015 kennis droeg van het feit dat gedaagde sub 2 een schuld aan gedaagde sub 1 heeft te voldoen en reeds de openbare verkoop was aangekondigd, heeft zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ruimschoots de gelegenheid gehad om overleg met gedaagde sub 1 en sub 2 te voeren over een andere oplossing dan die tot openbare verkoop. Gesteld noch gebleken is dat eiseres sub 1 de stap daartoe zou hebben ingezet. Voorts komt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat de door eiseres sub 1 aangevoerde gronden voor de stelling dat gedaagde sub 1 misbruik maakt van het aan haar als hypotheekhouder toekomend recht van openbare verkoop die stelling niet kunnen dragen. Dit, omdat gedaagde sub 1 een in redelijkheid te respecteren belang heeft om aan haar bevoegdheid tot parate executie toepassing te geven terwijl de door eiseres su 1 aangevoerde belangen onder de omstandigheden van het geval niet meebrengen dat een belangenafweging zou moeten leiden tot het opleggen van een verbod tot executie aan gedaagde sub 2.

4.6 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.5 is overwogen, zullen de door eiseres sub 1 gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 M.b.t. eiseres sub 1 t.a.v. de gevraagde voorzieningen gericht tot zowel gedaagden sub 1 en sub 2

5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt eiseres sub 1 in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 M.b.t eisers sub 2 tot en met 4 t.a.v. de gevraagde voorzieningen gericht tot zowel gedaagden sub 1 en sub 2

5.2.1 Verklaart eisers sub 2 tot en met 4 niet ontvankelijk in de door hun gevraagde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt eisers sub 2 tot en met 4 in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op maandag 07 december 2015 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

SRU-K1-2018-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3153
01 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser sub A]
ingesloten te [locatie A],
[eiser sub B],
ingesloten te [locatie B],
[eiser sub C],
ingesloten te [locatie C],
[eiser sub D],
ingesloten te [locatie C],
[eiser sub E],
ingesloten te [locatie D],
allen ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie in Suriname,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,

gemachtigde: mr. C. Klein, Hoofd Officier van Justitie.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 26 juli 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 juli 2018;
  • de aantekeningen van de griffier van het mondeling pleidooi van partijen d.d. 30 juli 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is vanwege de spoedeisendheid van de zaak bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eisers zijn allen op 27 september 2017 ingesloten ter zake vermoedelijk gepleegde strafbare feiten. Eisers zijn de Nederlandse taal niet machtig.

2.2 Op 27 november 2017 is de strafzaak tegen eisers door de strafrechter in behandeling genomen. Voor de behandeling van de strafzaak is een tolk in de voor eisers verstaanbare taal gewenst.

Op 22 februari 2018 zou het getuigenverhoor plaatsvinden, doch heeft zulks vanwege ziekte van de getuige niet meer plaatsgevonden. Het verhoor van de getuige is geschied op de terechtzitting van 26 februari 2018. Op 23 april 2018 is vanwege ziekte van de vervolgingsambtenaar geen verdere onderzoekshandeling ter terechtzitting gepleegd en is de zitting verdaagd naar 28 mei 2018, op welke datum beeldmateriaal in het bijzijn van eisers bekeken zou worden en eisers zouden worden verhoord.

2.3 Vanwege de stopzetting van de dienstverlening van de tolken aan gedaagde, heeft de strafrechter vanaf 28 mei 2018 geen onderzoekshandelingen meer kunnen verrichten in de strafzaak die nog tegen eisers loopt en is de verdere behandeling van de bedoelde strafzaak door de strafrechter verdaagd naar 23 juli 2018 en vervolgens van 23 juli 2018 naar 22 oktober 2018.

2.4 De tolken hebben hun dienstverlening naar gedaagde toe stopgezet, omdat gedaagde haar betalingsverplichting jegens hen niet is nagekomen voor de door hun verleende diensten.

2.5 Op 29 mei 2018 hebben eisers een verzoek ex artikel 61 Sv, inhoudende een verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis van eisers, bij het Hof van Justitie ingediend.

Op 05 juli 2018 heeft het Hof van Justitie het verzoek van eisers in behandeling genomen, doch kon zij vanwege de stopzetting van de dienstverlening van de tolken aan gedaagde niet overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het verzoek. Het resultaat hiervan is dat het Hof van Justitie de verdere behandeling van het verzoek van eisers heeft uitgesteld tot een nader te bepalen datum, met name totdat er een tolk in de Chinese taal ter beschikking van het Hof van Justitie zal zijn.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
Primair:
a) gedaagde te veroordelen om ter beschikking van het Hof van Justitie te stellen een tolk in de Chinese taal, zodat het verzoek van eisers gedaan conform artikel 61 Sv in behandeling kan worden genomen en wel binnen 24 uur nadat de kantonrechter zulks mocht hebben geoordeeld;
b) gedaagde te veroordelen om eisers lijfelijk in vrijheid te stellen bij veroordeling van het onder a gevorderde en wanneer gedaagde mocht nalaten c.q. verzuimen hieraan te voldoen;
c) gedaagde te willen veroordelen in de kosten van dit geding;

Subsidiair:
a) gedaagde te veroordelen om ter beschikking van het Hof van Justitie te stellen een tolk in de Chinese taal, zodat het verzoek van eisers gedaan conform artikel 61 Sv in behandeling kan worden genomen en wel binnen 24 uur nadat de kantonrechter zulks mocht hebben geoordeeld;
b) gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom groot SRD 50.000,-, voor elke dag en/of keer dat gedaagde mocht nalaten c.q. verzuimen te voldoen aan het gevorderde onder a;
c) gedaagde te willen veroordelen in de kosten van dit geding.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij zijn de Chinese taal niet machtig en is het de plicht van gedaagde om er voor zorg te dragen dat er een tolk in de Chinese taal bij de behandeling van elke strafzitting c.q. verzoek van eisers aanwezig is. Zij worden in hun rechten geschonden;
  • de wetgever hun niet de gelegenheid biedt om zelf voor een tolk in de Chinese taal zorg te dragen;
  • buiten de schuld om van eisers wordt hun strafzaak niet verder behandeld en evenmin hun verzoek ex artikel 61 Sv.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf in het bijzonder uit het feit dat, vanwege de stopzetting van de dienstverlening van de tolken aan gedaagde, eisers geen zicht hebben op de verdere behandeling van hun strafzaak en van hun verzoek ex artikel 61 Sv bij het Hof van Justitie. Om die reden worden eisers ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde voert als formeel verweer dat eisers niet ontvankelijk moeten worden verklaard in de door hun gevraagde voorzieningen, omdat de kantonrechter in kort geding onbevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen. Zoals de kantonrechter gedaagde begrijpt, stelt gedaagde zich op het standpunt dat de strafrechter het forum is alwaar eisers de onderhavige vordering dienen voor te leggen. Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat de kort geding rechter wel bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering, omdat in casu ter beoordeling ligt de beantwoording van de vraag of gedaagde één der rechten van eisers schendt en daardoor al dan niet onrechtmatig jegens eisers handelt. Derhalve wordt het formeel verweer van gedaagde verworpen.

4.3 Zoals reeds hiervoor is overwogen, ligt ter beantwoording de vraag of gedaagde één der rechten van eisers schendt en aldus onrechtmatig jegens eisers handelt.

Blijkens het bepaalde in artikel 291 lid 4 Sv dient de vervolging zorg te dragen voor een tolk. De vervolging valt onder gedaagde. Hieruit volgt dat op gedaagde de plicht rust om, indien zulks nodig wordt geacht, zorg te dragen voor een tolk bij de behandeling van strafzaken, met in begrip van de betaling van de tolken voor hun dienstverlening.

Als niet weersproken staat vast dat een tolk in de Chinese taal nodig is bij de behandeling van de strafzaak tegen eisers. Tevens staat als niet weersproken vast dat gedaagde niet aan haar financiele verplichting jegens de tolken heeft voldaan en de tolken uit dien hoofde hun dienstverlening aan gedaagde hebben stopgezet. Het gevolg hiervan is dat vanaf 28 mei 2018 de verdere behandeling van de strafzaak tegen eisers door de strafrechter en het verzoek van eisers ex artikel 61 Sv door het Hof van Justitie is verdaagd en is er geen zicht wanneer de tolken wederom hun diensten aan gedaagde zullen verlenen.

In dat licht benadrukt de kantonrechter dat ingevolge artikel 10 van de Grondwet van de Republiek Suriname elke verdachte recht heeft op de behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Dit recht is ook neergelegd in het Inter Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens en artikel 14 van het BUPO verdrag, van welke verdragen de Staat Suriname, in casu gedaagde, partij is. Hieruit volgt dat gedaagde de plicht heeft om zich voldoende inspanningen te getroosten dat er geen stagnatie optreedt bij de behandeling van de strafzaak tegen eisers, waaronder mede begrepen het zich voldoende inspannen dat eisers bij de behandeling van hun strafzaak door een tolk in een Chinese taal worden bijgestaan.
Gesteld noch gebleken is dat gedaagde zich voldoende heeft ingespannen om te bewerkstelligen dat de tolken op zeer korte termijn wederom hun diensten aan de vervolging c.a. gedaagde zullen verlenen bij de behandeling van de strafzaak tegen eisers. Evenmin heeft gedaagde enig inzicht verschaft of en wanneer de tolken wederom zullen starten met het verlenen van hun diensten aan gedaagde bij de behandeling van de strafzaak die tegen eisers loopt. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat gedaagde in strijd handelt met het recht van eisers om te worden bijgestaan door een tolk in de Chinese taal bij de behandeling van hun strafzaak en handelt gedaagde aldus onrechtmatig jegens eisers. Om die reden komen de door eisers gevraagde voorzieningen voor toewijzing in aanmerking.

4.5 De kantonrechter begrijpt dat in strafzaken op gedaagde de plicht rust om de samenleving te beschermen (algemeen belang), doch staat daartegenover dat gedaagde zich ook voldoende dient in te spannen voor het treffen van de nodige voorzieningen dat strafzaak van verdachten binnen redelijke termijn worden behandeld opdat verdachten weten waar zij aan toe zijn (rechtszekerheid bij de verdachte). Met in achtneming van de afweging van de belangen van partijen, te weten het algemeen belang van gedaagde versus het individueel belang van eisers als verdachten, en rekening houdend met de praktische situatie, zal de kantonrechter in kort geding met gebruikmaking van de bevoegdheid die haar in kort geding toekomt anders beslissen dan door eisers is gevorderd. Dit, mede bekeken vanuit het licht dat de recesperiode voor de Rechterlijke Macht op 15 augustus 2018 ingaat en dient te worden voorkomen dat eisers, na het uitputten van de eigen rechtsmiddelen hier te lande, een klacht tegen gedaagde indienen bij het Inter Amerikaanse Hof inzake Rechten van de Mens.

4.6 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten zijn tot de dag van de uitspraak begroot op totaal SRD 394,-, bestaande uit de kosten voor oproep van gedaagde ad SRD 344,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing
5.1 Veroordeelt gedaagde om in het kader van de behandeling van het verzoek van eisers ex artikel 61 Sv vanaf 03 augustus 2018 tot en met 30 augustus 2018 een tolk in de Chinese taal ter beschikking van het Hof van Justitie te doen stellen, zodat het Hof van Justitie gedurende die periode kan overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het door eisers bedoeld verzoek.

5.2 Veroordeelt gedaagde om, indien zij nalaat aan de veroordeling onder 5.1 in dit vonnis te voldoen, eisers op 01 september 2018 om 10.00 uur lijfelijk in vrijheid te stellen.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een eenmalige dwangsom ad SRD 50.000.000,- (Vijftig Miljoen Surinaamse Dollar), indien zij nalaat aan de veroordeling onder 5.2 in dit vonnis te voldoen.

5.4 Bepaalt dat eisers in het kader van de verdere behandeling van hun verzoek ex artikel 61 Sv, het Hof van Justitie in kennis doen stellen van het op heden in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen vonnis.

5.5 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 in dit vonnis is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 394,- (Driehonderd en Vierennegentig Surinaamse Dollar).

5.7 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 01 augustus 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-29

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 153489
25 oktober 2018

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

INDUSTRIAL SUPERMASSA LTD, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Ananindeua, Para Distrito Industrial, Sector B. Quadra 5, Lote 7 CEP, 67.033-310 te Belem in Brazilie,
gemachtigde: mr. H. G. Chandoe, advocaat,
eiseres in het incident en in de hoofdzaak in kort geding,
hierna te noemen: “Industrial”,
tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP SURIMASSA INDUSTRIES, gevestigd en kantoor houdende aan de Prinsessestraat no. 385 te Paramaribo, doch feitelijk gevestigd en kantoor houdende aan de Afobakaweg perceel no. 1960 in het district Para,
[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
gemachtigde: mr. M. Sheombar, advocaat,
gedaagden in het incident en in de hoofdzaak in kort geding,
hierna te noemen: “de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2]”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 3 augustus 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie van repliek, met producties en de incidentele conclusie met betrekking tot het adres van gedaagden;
  • de conclusie van dupliek, met producties, en de conclusie van antwoord in het incident;
  • de conclusie tot uitlating producties, met producties, en van repliek in het incident,
  • de conclusie tot uitlating producties, en van dupliek in het incident.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Industrial is merkhouder en eigenaar van het tegelcement product dat op de Surinaamse markt te krijgen is onder de naam Argamassa Supermassa. De producten worden in Brazilie vervaardigd.

2.2 Industrial heeft op 16 februari 2015 haar producten en beeldmerk ter inschrijving voorgelegd aan het Bureau Intellectueel Eigendom, hetgeen blijkt uit de overgelegde applicatienummers [nummer 1] en [nummer 2].

2.3 [gedaagde 1] heeft in het jaar 2006 gedurende een periode van zes maanden goederen bij Industrial gekocht welke door hem werden vervoerd naar Suriname en op de Surinaamse markt werden verkocht.

2.4 [gedaagde 1] heeft via de email met Industrial gecommuniceerd over een eventueel filiaal in Suriname. Hierna is er geen samenwerking tot stand gekomen.

2.5 Tijdens een bezoek van Industrial aan Suriname heeft Industrial gemerkt dat in Suriname door de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegelcementproducten werden geproduceerd en verkocht onder het merk Argamassa Surimassa.

2.6 Bij schrijven van 10 april 2015 heeft de raadsvrouwe van Industrial bij de NV onder de aandacht gebracht dat de NV inbreuk pleegt op de rechten van Industrial als rechtmatige merkhouder van Supermassa producten. Zij heeft in dat schrijven aangegeven dat Industrial enorme schade lijdt door het handelen van de NV en heeft de NV gesommeerd om alle producten onder de naam Argamassa Surimassa uit de winkels te halen op straffe van een dwangsom. Tevens diende de NV alle reclame materiaal te vernietigen.

2.7 Gedaagden hebben per schrijven van 4 mei 2015 op de brief van Industrial gereageerd waarbij zij stelden dat zij niet onrechtmatig handelen.

2.8 Gedaagden hebben tevens in de krant van 27 april 2015 een bekendmaking geplaatst waarin zij aan het publiek meedelen dat zij geen namaak product maken.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering in de hoofdzaak

Industrial vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om met onmiddellijke ingang alle daden welke verwarring zouden kunnen veroorzaken door aanwending van onverschillig welk middel ten opzichte van de verpakking in het bijzonder het logo het product en het onrechtmatig gebruik van de misleidende naam Argamassa Surimassa te beëindigen;
  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om alle valse beweringen bij de verkoop van hun namaakproduct waardoor de inrichting, het tegelcementproduct en of de werkzaamheden van Industrial in diskrediet zijn gebracht, onmiddellijk te staken;
  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om met onmiddellijke ingang alle bestaande nagemaakte tegelcementverpakkingen ten verkoop uitgestald of opgeslagen in de distributie en of verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten te verwijderen en te vernietigen op een locatie in samenspraak met de daarmee belaste autoriteiten van het Korps Politie Suriname;
  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om met onmiddellijke ingang al het origineel en bestaand nagemaakt reclame materiaal ter misleiding uitgestald voor de namaakproduciten onder de naam Argamassa Surimassa, in de verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo of in de districten van Suriname te verwijderen en te vernietgen op een locatie in samenspraak met de desbetreffende of daarmee belaste autoriteiten van het Korps Politie Suriname;
  • Industrial toestaat om met behulp van de sterke arm alle producten waarop haar logo gedrukt staat op de verpakking van tegelcement producten van de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die in de verkoopwinkes waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten zijn uitgestald te verwijderen en te vernietigen of te doen verwijderen en te vernietigen;
  • De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om aan Industrial aan geleden schade en inkomstenderving te betalen het bedrag van USD. 840.000,= op straffe van een dwangsom;
  • De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt in de kosten van de advocaat ad. USD.3.500,= en voorts
  • De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag in de hoofdzaak
Industrial heeft als grondslag voor het gevorderde drie zaken aangevoerd:

  1. dat zij het intellectueel eigendom op de tegelcementproducten die zij produceert onder de naam Argamassa Supermassa heeft geregistreerd in Brazilie en ook de registratie heeft ingediend bij het Bureau Intellectueel Eigendom van Suriname;
  2. dat de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het originele product van Industrial namaken waarbij de uiterlijke kenmerken van de namaak van dien aard is dat alleen bij de hele kritische koper de verschillen tussen het origineel en het namaakproduct zullen opvallen; dat [gedaagde 1], na enige tijd succesvol het product van Industrial te hebben gebracht op de Surinaamse markt, in Suriname het bedrijf Surimassa Industries NV heeft opgezet en ingeschreven en aan Industrial verklaard heeft dat het exporteren van het product van Industrial naar Suriname op veel moeilijkheden stuit waardoor hij het product niet meer zou afnemen; met de NV is hij toen begonnen het product van Industrial in Suriname na te maken en op de markt te brengen;
  3. dat Suriname en Brazilie partij zijn bij het Verdrag van Parijs waardoor fabrieks en handelsmerken van onderdanen van beide landen worden beschermd en oneerlijke mededinging wordt verboden;
  4. dat de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met het voorgaande onrechtmatig handelen jegens Industrial als gevolg van welk onrechtmatig handelen Industrial enorme schade heeft geleden; de schade bestaat onder andere uit de gederfde inkomsten van de afgelopen zeven jaren;
  5. dat met het namaken van het product van Industrial en de verpakking voorzien van een logo van Industrial en gelijksoortige teksten als het product van Industrial het publiek in verwarring wordt gebracht en wordt misleid, waarbij het nagemaakte product ook nog inferieur is aan het product van Industrial.

3.3 De vordering in het incident
Industrial heeft als incident opgeworpen dat het adres van de NV niet het adres is dat in het inleidend verzoekschrift is opgenomen en dat Industrial daar op een later tijdstip achter is gekomen. Industrial heeft in het incident tevens een nadere conclusie genomen waarin zij aanvoert dat de NV met het oogmerk om hun onrechtmatig handelen te kunnen ontkennen tracht haar werkelijke adres onbekend te houden.De NV heeft in het incident aangevoerd wat haar juiste adres is en heeft betwist dat zij heeft getracht om haar adres onbekend te houden.

3.4 De beoordeling
De kantonrechter overweegt dat de opmerkingen gemaakt door partijen met betrekking tot het juiste adres van de NV formeel slechts neerkomen op een verzoek tot rectificatie van het adres van gedaagden dat is vermeld in het inleidend verzoekschrift. Een dergelijke kwestie in een proces wordt niet aangemerkt als een incident waarin over en weer zou moeten worden geconcludeerd door partijen, waardoor de kantonrechter voorbij zal gaan aan de stellingen en weren welke door partijen naar voren zijn gebracht in het kader van het incident. Slechts de correctie van het adres zoals gevraagd zal worden gehonoreerd middels het verlenen van akte van wijziging van het adres van gedaagden, zoals reeds is doorgevoerd in de aanhef van het vonnis. Voor het overige zal er niet worden ingegaan op de stellingen en weren in het kader van het incident.

4. Het verweer
In de hoofdzaak
De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
In de hoofdzaak

5.1 De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat zij geen namaak producten maken en dat de naam waaronder zij de producten verkopen namelijk Argamassa Surimassa niet misleidend is bedoeld en geen verwarring brengt; dat het woord argamassa mortel betekent en om die reden voor alle producten die mortel zijn kan worden gebruikt;
  2. dat gedaagden indertijd zelf hebben besloten om geen producten meer naar Suriname te sturen en dat het niet door de gedaagden komt dat zij geen producten meer naar Suriname stuurden;
  3. dat de NV het recht heeft om meerdere talen op haar producten te plaatsen en dat zij, omdat zij ook aan inwoners van Suriname van Braziliaanse afkomst het product verkoopt de Braziliaanse teksten op de verpakking plaatst;
  4. dat zij bezig zijn hun verpakking aan te passen en dus hun product in een andere verpakking op de markt te brengen;
  5. dat zij geen schade hebben toegebracht aan Industrial en haar geen schadevergoeding verschuldigd zijn.

5.2 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Industrial. Industrial stelt dat het onrechtmatig gedrag uit de volgende drie gedragingen bestaat:

  1. door bij Industrial onterecht de indruk te wekken dat het niet gunstig is om het product van Industrial langer op de Surinaamse markt te brengen;
  2. voorts door daarna het product met de naam Agramassa Surimassa te produceren en te plaatsen in een verpakking met het logo van Industrial met Portugese teksten erop en
  3. door het plaatsen van reclame materiaal voor het product met de naam Argamassa Surimassa met het logo van Industrial.

5.3 De kantonrechter overweegt voor wat betreft het “onterecht wekken van de indruk bij Industrial dat het niet gunstig is om het product van hun nog langer op de Surinaamse markt te brengen”, dat gedaagden dit gedrag ontkennen. Zij stellen dat zij nimmer die indruk hebben gewekt en dat Industrial zelf ervoor heeft gekozen om niet langer het product op de Surinaamse markt te brengen.

5.4 De kantonrechter overweegt met betrekking tot dit punt dat enerzijds Industrial de gedraging stelt en anderzijds de gedraging door de gedaagden wordt betwist. Nu Industrial geen producties heeft overgelegd waaruit blijkt dat er een moment is geweest waarop gedaagden aan Industrial hebben voorgehouden dat het niet gunstig is om hun product op de Surinaamse markt te brengen, is dat deel van de grondslag niet aannemelijk geworden.

5.5 De kantonrechter overweegt met betrekking tot de tweede gedraging, namelijk dat gedaagden onrechtmatig handelen door het product te produceren met de naam Argamassa Surimassa en deze in de verpakking plaatst met bedoelde naam en het logo van Industrial erop, dat Industrial stelt dat de naam en de verpakking voor verwarring zorgen en gedaagden stellen dat dat niet het geval is.

5.6 De kantonrechter overweegt dat in de rechtspraak deze beoordeling aan de orde is geweest in verschillende zaken betreffende het handelsmerk of de handelsnaam, waaronder de volgende:

5.7 In de zaak van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:5406) is als volgt overwogen: “ 4.9. ………………..Van inbreuk in deze zin is sprake als het teken en het merk zodanig overeenstemmen dat daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, moet in aanmerking worden genomen dat het verwarringsgevaar globaal dient te worden beoordeeld volgens de indruk die het teken en het merk bij de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten achterlaat, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name de onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van merk en teken en de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten. De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient te berusten op de totaalindruk die door de merken wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Voorts dient rekening te worden gehouden met het onderscheidend vermogen van het merk. Verwarringsgevaar moet eerder worden aangenomen naar mate de waren en/of diensten (soort)gelijker zijn.

5.8 In de zaak van de Rechtbank Den Haag van 10 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8191) wordt als volgt overwogen: “ ……
Gelet op deze uitgangspunten overweegt de voorzieningenrechter als volgt:
Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat zij juist moeite hebben gedaan een handelsnaam te kiezen die afwijkt van de handelsnaam van eiseressen. Door het gebruik van de eigen naam “[voornaam]”, alsmede het gebruik van het woord “schoenmode” zijn gedaagden naar hun mening voldoende afgeweken van de door eiseressen gevoerde handelsnaam, zodat geen sprake kan zijn van verwarring. Dit argument treft geen doel. Zowel in de handelsnaam ‘De Vries schoenen’ als in de handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ is het element ‘De Vries’ het meest kenmerkende bestanddeel. De overige elementen (schoenen c.q. schoenmode en [voornaam]) zijn daaraan ondergeschikt. De elementen ‘schoenen’ en ‘schoenmode’ lijken bovendien ook sterk op elkaar. Om deze redenen zullen beide handelsnamen bij het publiek, dat die namen niet direct naast elkaar ziet, eenzelfde indruk wekken. Hetzelfde geldt voor de handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ met het onderschrift ‘Schoenmakerij De Vries’.
……………………….

Alle hiervoor beschreven omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat er gevaar voor verwarring tussen beide ondernemingen te duchten is ten gevolge van het gebruik van de handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ door gedaagden. De handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ (al dan niet met het onderschrift ‘Schoenmakerij De Vries’) maakt naar voorlopig oordeel dan ook inbreuk op de oudere handelsnaam ‘De Vries schoenen’.

5.9 De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde producties blijkt dat de wijze waarop het product van Industrial en het product van gedaagden wordt gepresenteerd inderdaad van dien aard is dat aangenomen kan worden dat het voor verwarring kan zorgen. De naam Argamassa Supermassa vertoont zodanige overeenkomst met de naam Argamassa Surimassa, vooral voor wat de klank betreft, dat dat deel van de grondslag wel aannemelijk is, namelijk dat bij het publiek zeer waarschijnlijk de indruk kan ontstaan dat het product hetzelfde product is als het product van Industrial. Hetzelfde geldt voor de uiterlijke verschijning van het product door het plaatsen van het logo van Industrial, het mannetje, op de verpakking en het gebruik van de woorden AC-1 en AC-III en voorts het gebruik van enkel de Portugese taal op de verpakking.

5.10 De kantonrechter is van oordeel dat Industrial zich terecht erop beroept dat gedaagden hiermee onrechtmatig handelen jegens Industrial en het feit dat gedaagden in hun conclusie van antwoord hebben aangehaald dat zij doende zijn op een andere verpakking over te stappen bevestigt het feit dat ook gedaagden tot de slotsom zijn gekomen dat de verpakking niet kon worden gehandhaafd.

5.11 De kantonrechter overweegt dat gedaagden bij dupliek twee stuks verpakkingen hebben overgelegd welke het logo van Industrial niet meer bevat en ook niet meer de naam Argamassa Surimassa doch de naam Surimassa. Ook de vermelding van de soorten AC-1 en AC-III is niet meer op de verpakking te zien. In het geding is door de stellingen en weren van partijen en het feit dat gedaagden gaandeweg de verpakking hebben aangepast, aannemelijk geworden dat Industrial als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden, genoodzaakt was een rechtzaak in te stellen teneinde aan de onrechtmatige situatie een eind te brengen, waardoor Industrial terecht de advocaatkosten van gedaagden vordert.

5.12 De kantonrechter zal op grond van het voorgaande het gevorderde onder 1 tot en met 5 van het petitum toewijzen, evenals het gevorderde onder 8 van het petitum. De kantonrechter zal evenwel de vordering tot vernietiging niet toewijzen nu het verwijderen van de verpakking uit de winkels en het verwijderen van het reclame materiaal voldoende is om de verwarring te voorkomen.

5.13 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de geldvordering onder punt 6 en 7 van het petitum, dat, nu deze door gedaagden wordt betwist, diepgaand onderzoek noodzakelijk is hetgeen niet in kortgeding mogelijk is. Voor die vordering zal Industrial de bodemrechter moeten benaderen.

5.14 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
In het incident

6.1 Verleent akte van wijziging van het adres van gedaagden;
In de hoofdzaak

6.2 Verbiedt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om met ingang van de dagtekening van dit vonnis gebruik te maken van de verpakking met daarop de merknaam “Argamassa Surimassa” en het logo van Industrial, het mannetje, en de benamingen “AC-1” en “AC-III”;

6.3 Veroordeelt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen een termijn van 1 (een) maand na betekening van dit vonnis, alle bestaande tegelcementverpakkingen ten verkoop uitgestald of opgeslagen in de distributie- en of verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten, waarop de naam staat van Argamassa Surimassa en waarop het logo in de vorm van het mannetje van Industrial staat afgebeeld te verwijderen;

6.4 Veroordeelt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 1 (een) maand na betekening van dit vonnis al het origineel en bestaand reclame materiaal waarop de naam staat van Argamassa Surimassa en waarop het logo in de vorm van het mannetje van Industrial staat afgebeeld in de verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo of in de districten van Suriname te verwijderen;

6.5 Machtigt Industrial om, indien gedaagden weigeren aan de veroordelingen onder 6.2, 6,3 en 6.4 te voldoen, met behulp van de sterke arm alle producten in de verpakkingen en al het reclame materiaal zoals bedoeld onder 6.2 en 6.3 en 6.4 van de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die in de verkoopwinkes waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten zijn uitgestald te verwijderen en te vernietigen;

6.6 Veroordeelt De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan Industrial tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van USD.3.500,= (drieduizend vijfhonderd Noord-Amerikaanse dollar) zijnde de advocaatkosten;

6.7 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.8 Veroordeelt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van Industrial gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.500,= (vijfhonderd Surinaamse dollar);

6.9 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. A. Charan, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 25 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.