SRU-HvJ-2019-6

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[appelant],
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als ’de man’,
gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ’de vrouw’,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 mei 2012 (A.R.No. 11-0274) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 21 juli 2017.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen d. 15 december 2017;
  • De conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde genomen namens de man op 19 januari 2019;
  • De conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde genomen namens de vrouw op 4 mei 2018;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden;
  1. De verdere beoordeling

2.1 Het hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis de dato 21 juli 2017 is overwogen en beslist, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder overweging 2.7 van dit vonnis.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis werd een comparitie gelast tot het inwinnen van inlichtingen met betrekking tot hetgeen in voormeld tussenvonnis onder 8.8 is overwogen. Bij die gehouden comparitie is de vrouw verschenen en heeft de man verstek laten gaan.

2.3 Bij genoemde comparitie gehouden op 15 december 2017 heeft de vrouw, zakelijk weergegeven en voor zover in dit kader hier van belang, aangevoerd, dat:

a. zij niet meer werkt, maar wel ooit heeft gewerkt, (ze heeft acht jaren gewerkt) bij Telesur en wel van 1975 tot augustus 1983;
b. zij in 1982 met de man is getrouwd en dat zij en haar man samen alles hebben opgebouwd; haar man nog steeds bij Staatsolie werkt; hij 60 jaar oud wordt en zij 62 jaar oud is;
c. hij voorheen altijd wat geld stortte voor haar op haar rekening, doch dat hij hiermee stopte in het begin van het jaar 2013;

2.4 Namens de man is door diens raadsman gesteld, dat het bedrijf waar de man werkzaam is een weduwenpensioenregeling heeft waar de vrouw mogelijk aanspraak op zou kunnen maken indien zij niet vóór de man het aardse leven verlaat. Naar het oordeel van het Hof gaat deze stelling niet op. Het gaat er immers juist om dat de vrouw niet als weduwe van de man zou worden aangemerkt en uit dien hoofde geen aanspraak zou kunnen maken op genoemde weduwenpensioenregeling, indien het huwelijk tussen partijen door echtscheiding zou zijn ontbonden en de man daarna zou komen te overlijden terwijl de vrouw nog in leven zou zijn. In deze situatie zou de weduwenpensioenregeling aan de neus van de vrouw voorbijgaan.

2.5 Voorts is door de man opgeworpen dat het beroep op het pensioenverweer niet opgaat, indien:

  1. redelijkerwijs te verwachten is dat de vrouw, bij overlijden van de man vóór haar, zelf voldoende voorzieningen kan treffen en
  2. indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegen de mate aan haar te wijten is.

Uit de stellingen en weren van partijen over en weer is het het Hof reeds gebleken dat de duurzame ontwrichting niet aan de man noch aan de vrouw in overwegende mate is toe te rekenen. Als niet weersproken staat vast dat het bestaand vooruitzicht van de vrouw op uitkering van weduwenpensioen aan haar zal teloorgaan of in ernstige mate zal verminderen na echtscheiding indien daaromtrent geen voorzieningen zijdens de man zijn getroffen. Door de man is gesteld dat partijen sedert 2008 niet meer samenwonen en dat de vrouw dus zelf voorzieningen voor haar levensonderhoud heeft getroffen. Dit is door de vrouw weersproken. Zij heeft daartoe – kort gezegd – gesteld afhankelijk te zijn van haar schoonouders en haar zonen.

Voorts is door de man gesteld dat de vrouw de en/of rekening van partijen heeft leeggehaald en dat zij alle onroerende goederen reeds op haar naam heeft. Ook dit is door de vrouw weersproken. De man heeft geen bewijs aangeboden van zijn aangevoerde stellingen en het Hof ziet geen aanleiding om de man ambtshalve bewijs op te dragen.

2.6 De man heeft de door het Hof gelaste comparitie van partijen, die met name diende om informatie van de man te verkrijgen teneinde te komen tot een voorziening als bedoeld in rechtsoverwegingen 8.7 en 8.8 van het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 21 juli 2017, niet benut door aanwezig te zijn en/of met een concreet voorstel onderbouwd met relevante documenten te komen over een te treffen voorziening voor de vrouw. De man heeft op geen enkel moment bereidheid getoond te willen werken naar een voorziening als eerdergenoemd. Ook heeft de man geen inzicht willen verschaffen in zijn financiële positie, wat hij aan pensioen zou krijgen bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, wat de hoogte van het weduwepensioen zou kunnen bedragen in het geval de vrouw nog in even zou zijn na zijn overlijden, etc.
De stelling van de man verwoord in de conclusie na gehouden verhoor van geïntimeerde dat het ”het Hof moge behagen zelf de door de appellant te treffen voorziening aan te geven” wordt in dit licht niet serieus genomen en wordt daaraan voorbij gegaan.
Eén en ander heeft tot gevolg dat het gevoerde pensioenverweer slaagt zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden zoals in voormeld tussenvonnis d.d. 21 juli 2017 en hiervoor is aangegeven

2.7 Het hof merkt op dat in het licht van het voorgaande het tussenvonnis d.d. 21 juli 2017 voor wat betreft overweging 8.3 de laatste volzin overbodig is en derhalve dient te worden weggelaten.

2.8 De proceskosten in dit hoger beroep worden tussen partijen gecompenseerd, nu zijn echtelieden zijn.

De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

Bevestigt het tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 mei 2012, bekend onder A.R.No. 11-0274, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van gronden;
Compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 augustus 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. B.G. Beckles en mr. L. Punwasi-Raghoebier.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-6

G.R. no. 15875

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. De politieke vereniging Partij voor Recht en Ontwikkeling, afgekort ‘PRO’, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, hierna (ook) te noemen Pro,
B. De politieke vereniging Seti Sranan Politieke Partij, afgekort ‘SSPP’, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, hierna (ook) te noemen SSPP,
C. De politieke vereniging STREI!, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, hierna (ook) te noemen Strei,
D. De politieke vereniging Alternatief 2020, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, hierna (ook) te noemen A-2020,
appellanten in kort geding, hierna gezamenlijk aangeduid als appellanten,
gemachtigden: mrs. J.M. Nibte, G.R. Sewcharan en A.C.A. Karg, advocaten,

tegen

De Staat Suriname, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
rechtspersoon, zetelend te Paramaribo, hierna aangeduid als de Staat,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen parkette aan de Limesgracht nr. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 12 december 2019 bekend in het Algemeen Register onder no. 19-3863 tussen appellanten als eisers en de Staat als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het schrijven van de advocaten van appellanten gedateerd 20 december 2019
  • ingekomen ter griffie der kantongerechten op 20 december 2019 – waaruit blijkt dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 12 december 2019;
  • de memorie van grieven gedateerd 20 januari 2020;
  • de memorie van antwoord gedateerd 21 februari 2020;
  • ten dage voor het nemen van een pleitnota bepaald heeft advocaat mr. A.C.A. Karg mede namens mrs. G.R. Sewcharan en J.M. Nibte verklaard te persisteren bij de memorie van grieven en heeft om vonniswijzing verzocht;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 12 december 2019. Appellanten waren bij de uitspraak bijgestaan door hun gemachtigde ter terechtzitting verschenen terwijl de Staat vertegenwoordigd door mr. Lo Tam Loi namens zijn gemachtigde ter terechtzitting is verschenen. Nu appellanten op 20 december 2019 hoger beroep hebben ingesteld tegen het beroepen vonnis is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: BRv.) tijdig geschied en zijn zij ontvankelijk in het door hun ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

Appellanten vorderen in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding, in eerste aanleg uitgesproken op 12 december 2019 in de procedure met A.R. No. 19-3863 tussen appellanten als eisers en de Staat als gedaagde en opnieuw rechtdoende appellanten alsnog in hun vorderingen ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de Staat in de kosten in beide instanties.

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

Appellanten hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. De Kiesregeling van 1987 zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1987 no. 70, S.B. 1987 no. 71, S.B. 1987 no. 83, S.B. 1987 no. 84, S.B. 2005 no. 6, bepaalt in artikel 7 onder de kop “POLITIEKE ORGANISATIES”:

“ Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie mede beschouwd een kombinatie van politieke organisaties, welke met het oog op deelname aan algemene, vrije en geheime verkiezingen is gevormd, mits deze kombinatie bestaat uit politieke organisaties die voldoen aan de in het “Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen zijn uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van bedoeld decreet.”

4.2. Na wetswijziging bij S.B. 2019 no. 55 wordt artikel 7 van de Kiesregeling als volgt gelezen:

“ Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie beschouwd een organisatie welke voldoet aan de in het “Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van het eerder genoemde decreet.”

4.3. Onder hoofdstuk VII, De registratie van politieke organisaties en de wijze van kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen”, zijn bij S.B. 2019 no. 54 in artikel 31 wijzigingen aangebracht, onder meer de toevoeging van drie nieuwe leden 5,6 en 7 als volgt:

“5. Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.

  1. De betaalde waarborgsom als bedoeld in lid 5 wordt gerestitueerd binnen dertig dagen:
  2. nadat de uitslag van de verkiezingen bindend is verklaard, en
  3. indien de politieke organisatie tenminste één zetel in één van de volksvertegenwoordigende organen heeft behaald of het totaal aantal door de politieke organisatie behaalde stemmen op kandidaten voor De Nationale Assemblee gelijk is of meer bedraagt dan 1% van het totaal aantal kiesgerechtigden.
  1. De hoogte van de waarborgsom is gelijk aan 1% van het aantal kiesgerechtigden vermenigvuldigd met SRD 25,-.”

4.4. In artikel 61 van de Grondwet (hierna (ook) GW), S.B. 1992 no. 38 is het volgende bepaald:

1. De Nationale Assemblee bestaat uit 51 leden die per district op grond van algemene, vrije en geheime verkiezingen krachtens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging bij grootste gemiddelde en voorkeursstemmen worden gekozen.

  1. Personen, die zich in een district kandidaat hebben gesteld ter verkiezing tot afgevaardigde naar De Nationale Assemblee moeten in het desbetreffende district wonen en hun hoofd- of, werkelijk verblijf aldaar hebben en wel gedurende twee jaren voorafgaand aan de verkiezingen.”

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Er zijn geen grieven aangevoerd betreffende de aanname van het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering zijdens appellanten door de kantonrechter weshalve ook in hoger beroep van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Daarenboven vloeit het spoedeisend belang eveneens voort uit de aard van het gevorderde in samenhang bezien met de datum van de geplande verkiezingen in Suriname, te weten 25 mei 2020.

5.2. Appellanten hebben in eerste aanleg als eisers in kort geding gevorderd dat:

I. De Staat zal worden verboden om artikel I sub B. en sub D. Wet nadere wijziging Kiesregeling (S.B. 2019, No. 55) te hanteren of toe te passen, bij uitvoering van alle rechtshandelingen en feitelijke gedragingen, op enige wijze betrekking hebbende op de algemene, vrije en geheime verkiezingen van leden van volksvertegenwoordigende lichamen in het kalenderjaar 2020, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan.
II. Artikel I sub B. en sub D. van de Wet nadere wijziging Kiesregeling (S.B. 2019, No. 55), althans de werking daarvan, zal worden opgeschort, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan.
III. Alle organen van de Staat, welke bij de verkiezingen betrokken zijn, daaronder in ieder geval begrepen de President van de Republiek Suriname, het Centraal Hoofdstembureau, de Hoofdstembureaus in ieder der districten en het Onafhankelijk Kiesbureau zullen worden veroordeeld om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en gedogen.
IV. Als dwangsom zal worden bepaald, het tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen bedrag van SRD. 10.000.000,– (zegge: tien miljoen Surinaamse Dollars), althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of iedere keer dat de Staat in strijd met de hiervoor verzochte veroordeling(en) zal handelen.

Kosten rechtens.

5.3. Naast voormelde vaststaande feiten hebben appellanten in eerste aanleg aan hun vordering – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – het volgende ten grondslag gelegd:
a. PRO heeft bij brieven d.d. 15 april 2019 de Nationale Assemblee en de President van de Republiek Suriname erop gewezen, dat de wijzigingsvoorstellen waarvoor gestemd is door het aantal assembleeleden als voornoemd, op ongrondwettelijke wijze en met schending van mensenrechten door de Nationale Assemblee zijn aangenomen. Voorts heeft zij voornoemde organen aanbevolen erop toe te zien dat de wetsontwerpen geen kracht van wet verkrijgen. Beide voorstellen zijn in weerwil van de aanbeveling op 23 mei 2019 door de regering kracht van wet toegekend door ondertekening en publicatie. Aanname, publicatie en toekomstige toepassing van voormelde wetswijzigingen, behelzen onrechtmatige, ongrondwettelijke, mensenrechtenschendende gedragingen, welke inbreuken behelzen op de Grondwet, de grondrechten van alle kiezers en kandidaten, maar in het bijzonder voorts onrechtmatige gedragingen behelzen jegens appellanten in het bijzonder.

b. De wetswijzigingen in kwestie zijn in de Nationale Assemblee aangenomen met 29 stemmen vόόr. Beide wetswijzigingen hebben echter betrekking op het ‘kiesrecht’ zoals in artikel 60 juncto 83 lid 3 van de Grondwet bedoeld en vereisen derhalve een meerderheid van tenminste tweederde (2/3) deel van het grondwettelijk aantal leden van de Nationale Assemblee voor het nemen van besluiten daarover. De Grondwet van Suriname vereist een gekwalificeerde meerderheid van tweederde (2/3) deel voor wijzigingen van alles wat op enige wijze het kiesrecht betreft. Nu deze gekwalificeerde meerderheid niet behaald was, hadden de wetswijzigingen niet aangenomen mogen worden en kunnen deze derhalve onmogelijk toegepast worden, nu zij evident in strijd zijn met de Grondwet.

c. Het moment van ingaan van de wijzigingen is eveneens hoogst merkwaardig in constitutionele zin en strijdig met de staatsrechtelijke ordening van Suriname. Het betreft twee verregaande wijzigingen die evident bestaande, goed gefinancierde politieke organisaties met een lange geschiedenis en veel leden, ten gunste komt en nieuwere organisaties, nieuwe politieke partijen belemmert. Dit, op een tijdstip dat voor aankomende verkiezingen ruim acht nieuwe partijen geïntroduceerd zullen worden. Goed constitutioneel gebruik zou een overgangsregeling of later moment van in werking treden rechtvaardigen.

d. De wijziging is een inbreuk in de breedste zin van het woord op het gelijkheidsbeginsel en kan derhalve geen enkele ondersteuning vinden in het recht. Hiernaast is minstens sprake van strijdigheid met het beginsel van rechtszekerheid en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens appellanten is het zgn. combinatieverbod een beperking die wordt opgelegd aan de Surinaamse kiezer en aan de burger, aan de burger als partijlid en aan de politieke vereniging als rechtssubject, en staat haaks op het in artikel 52 Grondwet verwoorde kenmerk van participatie en representatie van het Surinaamse volk, gericht op het handhaven en uitbouwen van een democratisch politiek stelsel en deelname aan wetgeving en bestuur. De introductie van de waarborgsom als vervanging voor, of in aanvulling op de oude 1% regeling, is onconstitutioneel en in strijd met het politiek recht van de burger. De aanname van de wetswijzigingen zonder de daartoe vereiste meerderheid en naar karakter van de beoogde inhoud wordt gekwalificeerd als een onrechtmatige overheidsdaad. De toepassing van de wetswijzigingen bij de aankomende verkiezing zou gekwalificeerd kunnen worden als een onrechtmatige overheidsdaad.

5.4. Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding de dato donderdag 12 december 2019 heeft de kantonrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd en eisers (appellanten) in de gedingkosten veroordeeld.
Appellanten verzoeken het Hof in hun memorie van grieven om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende appellanten alsnog in hun vorderingen ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de Staat in de kosten in beide instanties. Daartoe hebben appellanten grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen:

Grieven met betrekking tot rechtsoverweging 4.3. van het beroepen vonnis:

5.4.1. In de visie van appellanten heeft de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder rechtsoverweging 4.3.overwogen zoals daarin is vermeld. Deze rechtsoverweging is rechtens onjuist omdat geen bepaling der Grondwet, in het bijzonder niet artikel 80 lid 2 Grondwet aan de Kantonrechter de bevoegdheid ontneemt tot toetsing op enige wijze en de kantonrechter in eerste aanleg had juist de voormelde toetsing behoren te verrichten, met de onvermijdelijke conclusie, dat de wijzigingen ongrondwettelijk waren en derhalve niet voor toepassing geschikt zijn. Artikel 12 van de Wet Algemene Bepalingen der Wetgeving van Suriname, als geciteerd door de Kantonrechter behelst geen toetsingsverbod en is van lagere orde dan artikel 80 lid 2 Grondwet. Verzocht werd aan de Kantonrechter en verzocht wordt thans aan het Hof, niet om de innerlijke waarde (lees: te beoordelen), doch het buiten toepassing laten, vanwege de gebrekkige wijze van totstandkoming en de strijdigheid met ieder verbindende bepalingen van verdragenrecht en bepalingen met in Hoofdstuk V genoemde grondrechten. Het is geenszinsjuridische semantiek en syntactische grammatica’ te noemen, wanneer de bepaling, welke op onschendbaarheid duidt, zijnde artikel 80 lid 2 Grondwet, op de juiste manier wordt gelezen en verwacht mag worden dat deze juist toegepast zal worden. De bepaling luidt: ‘ De wetten zijn onschendbaar, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2’. ‘Semantiek’, oftewel, ‘betekenisleer’, als door de Kantonrechter is verwoord, is niet hoogst noodzakelijk, om de definitie van het woord ‘behoudens’ correct te begrijpen, namelijk: ‘uitgezonderd’. Zulks houdt in dat het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 Grondwet, een uitzondering betreft op de onschendbaarheid. Verzocht is het buiten toepassing laten van enkele wettelijke voorschriften casu quo wettelijke bepalingen wegens niet verenigbaarheid respectievelijk strijdigheid met enerzijds ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten (lees: verdragen) en een in Hoofdstuk V genoemd grondrecht. Van onschendbaarheid of een toetsingsverbod, materieel, dan wel formeel, is derhalve in casu geen sprake, zodat de Kantonrechter gehouden was tot toetsing en daarbij alle aanleiding aanwezig was – en is – voor het toewijzen van het in eerste aanleg gevorderde.

5.4.2. Als tweede grief hebben appellanten aangevoerd dat de kantonrechter met voorgaande overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Meer in het bijzonder, is het rechtens onjuist, dat artikel 80 lid 2 Grondwet – of enige andere bepaling – aan de Kantonrechter – of enig ander rechtsprekend orgaan – de bevoegdheid tot formele toetsing ontneemt. Deze grief richt zich voorts op de nadere onderbouwing, welke de kantonrechter heeft menen te selecteren uit Nederlandse jurisprudentie, welke specifieke arresten voor de Surinaamse rechtsorde niet richtinggevend kunnen zijn. Hoewel het Van den Bergh arrest en het feitenrelaas in casu de aansluiting missen, kunnen onmogelijk aan de door de Kantonrechter geciteerde rechtsoverwegingen daarvan uit dat Nederlandse arrest, conclusies verbonden worden, welke evidente verstoringen van de Surinaamse rechtsorde, aan toetsing door de Kantonrechter, dan wel het Hof, onttrekken.

5.4.3. Het Nederlands toetsingsverbod, redelijk ongeclausuleerd, verschilt hemelsbreed van de Surinaamse, geclausuleerde onschendbaarheidsbepaling.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.4.van het beroepen vonnis:

5.4.4. Appellanten zijn van mening dat met de rechtsoverweging en het gekozen citaat, de Kantonrechter heeft gedwaald ten aanzien van het recht. Appellanten hebben geen verzoek ingediend tot abstracte toetsing. Door de kantonrechter kon derhalve onmogelijk worden overwogen dat van abstracte toetsing sprake was, hoewel de schending van de grondrechten en verdragenrecht, een dusdanig algemeen karakter vertoont, dat ook daar alle aanleiding toe zou zijn geweest.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.5. van het beroepen vonnis:

5.4.5. De slotsom waartoe de Kantonrechter in eerste aanleg kwam is rechtens onjuist omdat, zoals gemotiveerd is aangegeven, niet om een oordeel van de innerlijke waarde en billijkheid van de wetswijzigingen in abstracto is verzocht, maar, in navolging van de memorie van Toelichting zoals geciteerd, dat: ‘toepasselijkheid van de gewraakte bepalingen, slechts voor dat speciale geval ongeoorloofd verklaart, zodat de bepaling zelf verbindend blijft.’

5.4.6. Echter en mogelijk meer rechtstreeks, zou toetsing aan artikel 23 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens (hierna AVRM), zoals artikel 106 Grondwet voorschrijft, onvermijdelijk moeten hebben (het Hof leest: geleid) tot buiten toepassing laten van de wetswijzigingen. De waarborgsom en het combinatieverbod zijn in evidente en flagrante strijd, met de onder die ieder verbindende bepaling van het verdrag genoemde beperkingen op het actief en passief kiesrecht.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.6. van het beroepen vonnis:

5.4.7. Het door de Kantonrechter overwogene is rechtens onjuist. Gebleken is reeds dat een toetsingsverbod als door de Kantonrechter onjuist aangenomen en te ruim opgevat, niet van kracht of bestaand is, in Suriname. Ten aanzien van gebrek aan overgangswet en overgangsmogelijkheid is relevant dat daarin juist strijdigheid met het legaliteitsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel verankerd is. Ten aanzien van de door de Staat in eerste aanleg aangehaalde eerdere wijzigingen in het verleden, betwisten appellanten het ingrijpend karakter van dergelijke wijzigingen. De ingrijpende gevolgen blijken nergens uit en aan het argument wordt geloofwaardigheid ontnomen, juist doordat andere politieke organisaties destijds, klaarblijkelijk gemeend hebben geen grond voor het indienen van rechtsvorderingen aanwezig te achten. Appellanten bestonden destijds niet, doch hun idealen zouden niet toegelaten hebben, dat ongrondwettelijkheid en inbreuken op het legaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, onverstoord onderdeel zouden uitmaken van het kiesrecht, daar waar de Grondwetgever, dit recht van iedere waarborg voorzien, opgenomen heeft in de Grondwet. In de kern ligt besloten dat het incidenteel toestaan van strijdigheid met de Grondwet en constitutionele orde, niet de inhoud of waarborgen ontneemt. Wanneer de periode voor het voldoen aan bepaalde voorwaarden reeds lopend is, aanvangend ruim twee jaar voorafgaand aan de verkiezingen, is wijziging aanbrengen in die voorwaarden een vergaande inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel. Wijzigingen als de onderhavige zijn niets anders dan een naakte machtsconsolidatie door een zittende regeringspartij. Het niet in acht nemen van behoorlijke en billijke normen van overgangsrecht, maakt dat met voorkennis en voorkeur, wetgeving door de regeringspartij en voor de regeringspartij, machtsbehoud, en niet de terughoudendheid zoals vervat in artikel 23 AVRM en artikel 25 BUPO, de basis vormen voor wetgeving. Iets waar de Kantonrechter zich niet aan kan onttrekken door een beroep op een te ruime uitleg van onschendbaarheid van wetgeving.

Grief met betrekking tot rechtsoverweging 4.8 van het beroepen vonnis:

5.4.8. De overweging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en onjuist begrip van het feitenrelaas. Niet, althans onvoldoende in eerste aanleg betwist, is dat er een aanzienlijk verschil in voorhanden financiële middelen bestaat, ver in het voordeel van de regeringspartij en de enkele politieke organisaties die haar predateren. De waarborgsom is een existentiële, kritieke drempel voor deelname voor de leden van de politieke organisaties, aan de verkiezingen, waar de vordering betrekking op heeft. De meest basale vorm van uiting en beleving van die persoonlijke overtuiging, wordt ontnomen aan de deelnemers aan de verkiezingen, in casu de politieke organisaties, haar leden en de kiezer, door hun kiesrecht voorwaardelijk te maken aan financiële drempels, achteraf beoordeelde slagingskansen met een zwaar punitief karakter en met een verbod op combinatie, van meet af aan een politiek verbindingsmiddel in het Surinaams constitutioneel en politiek bestel.

Grieven met betrekking tot rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis:

5.4.9. In zoverre de kantonrechter met dit onderdeel heeft begrepen, dat thans appellanten als eisers in eerste aanleg zich over artikel 61 lid 2 Grondwet of de vereisten daarvan, meenden te onttrekken of daarover beklaagden, is zulks een onjuiste interpretatie van het door hen gevorderde. Opgemerkt is, dat de vereisten van dat artikel met zich mee brengen, dat een termijn van twee kalenderjaren, aanvangt en invloed heeft op kandidaatstelling. Het gaandeweg die twee jaren, en wel ruim een jaar voor de verkiezingen, nieuwe, verstrekkende financiële eisen en politiek inhoudelijke beperkingen stellen aan deelname en samenwerking, is rechtens onaanvaardbaar.

5.4.10. De Kantonrechter geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, wanneer zij meent, dat verbod op toepassing en een opschorting van de wetswijzigingen wegens de gevolgen voor derden, de vordering onvoldoende toewijsbaar maakt. Ten eerste was de vordering onderwerp van openbare rechtspraak, maar is vanwege het publiekelijk karakter en het belang voor de rechtsstaat, in iedere fase ruime aandacht besteed aan het proces door de media. Aan belanghebbenden bestond gedurende de procedure, welke op de openbare kort geding rol afgeroepen is, ex artikel 216 BRv. de mogelijkheid te vorderen daar tussen te komen. Daarnaast hebben appellanten vooraf 18 politieke organisaties aangeschreven omtrent hun intenties tot procederen en van geen van deze politieke organisaties is enig bericht ontvangen, met de strekking dat zij meenden dat hun belang door toewijzing van een vordering tot opschorting, dan wel buiten toepassing laten van de wetswijzigingen, hun redelijke belangen aangetast werden, quod non. De Kantonrechter is met deze stelling, door geen der procespartijen naar voren gebracht, het partijdebat te buiten gegaan en heeft verzuimd dit deugdelijk dan wel begrijpelijk te motiveren.

5.5. De Staat heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.6. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. Appellanten stellen zich op het standpunt, dat de onderhavige wetswijzigingen zoals hiervoor aangegeven behelzende – kort gezegd – een zgn. combinatieverbod (van aan de verkiezing deelnemende politieke partijen) en de introductie van een waarborgsom, niet met een gewone meerderheid door de Nationale Assemblee mochten worden aangenomen maar dat er daarvoor een gekwalificeerde meerderheid vereist was. Voorts voeren zij aan – kort gezegd – dat voormelde wetswijzigingen in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Appellanten beklagen zich erover dat zij zich – althans zo vat het Hof dat op – beknot voelen in het uitoefenen van hun passief kiesrecht.

5.7. De Staat daarentegen huldigt de opvatting – zakelijk weergegeven – dat ingevolge het bepaalde in artikel 80 Grondwet de wetten onschendbaar zijn en dus niet aan rechterlijke beoordeling onderhevig zijn, behoudens de gevallen genoemd in artikel 106, 137 en 144 lid 2 Grondwet. Van strijdigheid met een grondrecht genoemd in hoofdstuk V van de Grondwet is hier geen sprake dus kan er in casu geen beroep worden gedaan op artikel 137 Grondwet. Artikel 144 lid 2 Grondwet heeft de inhoudelijke toetsing van wetten aan de Grondwet en verdragsbepalingen bij uitstek voorbehouden aan het Constitutioneel Hof, dat echter tot op heden nog niet functioneert. Een dergelijke toetsing door de burgerlijke (bodem)rechter is per definitie uitgesloten. Immers heeft de grondwetgever in de Memorie van Toelichting op de Wet tot nadere wijziging Grondwet S.B. 1992 no. 38 uitdrukkelijk aangegeven dat de constitutionele toetsingsbevoegdheid van dit Hof neergelegd in artikel 144 lid 2 Grondwet “..….. geen formele toetsing inhoudt: niet mag nagegaan worden of ten aanzien van totstandkoming van de wet de daarvoor geldende procedurevoorschriften zijn nageleefd, aangezien deze bevoegdheid alleen aan de Nationale Assemblee is voorbehouden” (einde citaat).

Het door appellanten geopperde argument dat om rechtsgeldig te zijn de betreffende gewijzigde wetten met 2/3 meerderheid in DNA moesten zijn aangenomen gaat dus volgens de Staat niet op. Voor de betreffende wijziging van de Kiesregeling was er dus – aldus de Staat – slechts een gewone meerderheid vereist. Er is op basis van de geldende definitie van het kiesrecht, met name in het Bupo-verdrag, op geen enkele wijze inbreuk gemaakt op of afbreuk gedaan aan het actief en passief kiesrecht. Met de wijzigingen is het kiesrecht – in de visie van de Staat – zoals neergelegd in de Grondwet en de Kiesregeling, niet aangetast.

5.8. Ingaand op de grieven en weren van partijen stelt het Hof voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 GW, wetten onschendbaar zijn behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 GW. Appellanten klagen erover dat de wijze van totstandkoming van de wet van 23 mei 2019, houdende nadere wijziging van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2010 no. 29) gebrekkig en strijdig is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en met in hoofdstuk V genoemde grondrechten.

Voor een goed overzicht van de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 GW zullen deze artikelen hierna worden geciteerd:

Artikel 106:
“Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan”.

Artikel 137:
“Voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten, verklaart hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd”.

Artikel 144 lid 2:
“Het Constitutioneel Hof heeft tot taak:
a. het toetsen van de inhoud van wetten of gedeelten daarvan aan de Grondwet en aan van toepassing zijnde overeenkomsten met andere mogendheden en met volkenrechtelijke organisaties;
b. het beoordelen van de verenigbaarheid van besluiten van overheidsorganen met één of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten”.

5.9. Naar het oordeel van het Hof heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat de Kiesregeling een wet in formele zin is en dat het materiële toetsingsrecht, dit is het onderzoek of de inhoud van de wet verenigbaar is met de Grondwet, aan de kantonrechter niet toekomt. Het Hof voegt hieraan toe, dat dit geldt behoudens de uitzonderingsgevallen genoemd in artikel 80 lid 2 van de Grondwet.

Hetzelfde geldt voor het formele toetsingsrecht, dit betreft de toets of de wijze van totstandkoming van een wet verenigbaar is met de Grondwet. Ook dat toetsingsrecht komt de kantonrechter niet toe. Aangezien de Grondwet van Suriname een memorie van toelichting ontbeert wordt in dit kader aansluiting gezocht bij het met het Surinaams artikel in hoofdlijnen overeenstemmende Grondwetsartikel van Nederland, te weten artikel 120. Blijkens de rechtsliteratuur verbiedt voormeld wetsartikel de rechter de wet in formele zin te toetsen aan de Grondwet (zie: “ Een artikelsgewijs commentaar, de Grondwet, onder redactie van: P.W.C. Akkermans en A.K. Koekoek, tweede druk, pagina’s 1052 e.v.). Het Hof neemt voormelde zienswijze over en maakt die tot de zijne. Op grond van het vorenoverwogene gaan de door appellanten aangevoerde grieven zoals hiervoor aangegeven onder 5.4.1, 5.4.2, 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.5 niet op en zullen die worden verworpen.

5.10. Thans komt aan de orde de vraag of er in casu sprake is van één van de uitzonderingsgevallen zoals genoemd in artikel 80 lid 2 Grondwet, te weten het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2 Grondwet.

5.10.1. Ten aanzien van het bepaalde in artikel 106 Grondwet oordeelt het Hof als volgt.

Artikel 23 van het AVRM luidt (citaat):

Right to Participate in Government

“ 1. Every citizen shall enjoy the following rights and opportunities:
a. to take part in the conduct of public affairs, directly or through freely chosen representatives;
b. to vote and to be elected in genuine periodic elections, which shall be by universal and equal suffrage and by secret ballot that guarantees the free expression of the will of the voters; and
c. to have access, under general conditions of equality, to the public service of his country.

2.The law may regulate the exercise of the rights and opportunities referred to in the preceding paragraph only on the basis of age, nationality, residence, language, education, civil and mental capacity, or sentencing by a competent court in criminal proceedings.”

Artikel 25 van het Bupo-Verdrag luidt (citaat):

Every citizen shall have the right and the opportunity, without any of the distinctions mentioned in article 2 and without unreasonable restrictions:

  • (a) To take part in the conduct of public affairs, directly or through freely chosen representatives;
  • (b) To vote and to be elected at genuine periodic elections which shall be by universal and equal suffrage and shall be held by secret ballot, guaranteeing the free expression of the will of the electors;
  • (c) To have access, on general terms of equality, to public service in his country.

Wel of geen rechtstreekse werking?

Met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 23 van het AVRM en artikel 25 van het Bupo-verdrag is het Hof van oordeel dat deze bepalingen – gelet op de daarin gebezigde bewoordingen – rechtstreekse werking hebben in Suriname en gelden als een ieder verbindende verdragsbepaling. Vervolgens komt aan de orde de toets of het combinatieverbod en de introductie van de waarborgsom in de gewijzigde Kiesregeling in strijd zijn met deze verdragsbepalingen.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 23 AVRM

Uit de doctrine (Zie “The Inter-American Court of Human Rights, Case law and Commentary, Laurence Burgorgue-Larsen and Amaya Ubeda De Torres, translated by Rosalind Greenstein, Oxford University Press, 2013, pagina 589 e.v.) met betrekking tot artikel 23 AVRM, kan – voor zover hier van belang – het volgende worden geciteerd:

“206. Instituting and applying requirements for exercising political rights is not, per se, an undue restriction of political rights. These rights are not absolute and may be subject to limitations. Their regulation should respect the principles of legality, necessity and proportionality in a democratic society. Observance of the principle of legality requires the State to define precisely, by law, the requirements for voters to be able to take part in the elections, and to stipulate clearly the electoral procedures prior to the elections. According to Article 23(2) of the Convention, the law may regulate the exercise of the rights and opportunities referred to in the first paragraph of this Article, only for the reasons established in this second paragraph. The restriction should be established by law, non-discriminatory, based on reasonable criteria, respond to a useful and opportune purpose that makes it necessary to satisfy an urgent public interest, and be proportionate to this purpose. When there are several options to achieve this end, the one that is less restrictive of the protected right and more proportionate to the purpose sought should be chosen.”

Vrij vertaald:

“Het instellen en toepassen van vereisten voor de uitoefening van politieke rechten is op zich geen onrechtmatige beperking van politieke rechten. Deze rechten zijn niet absoluut en kunnen aan beperkingen onderhevig zijn. De regulering daarvan dient de beginselen van legaliteit, noodzakelijkheid en evenredigheid in een democratische samenleving, in acht te nemen. Naleving van het legaliteitsbeginsel vereist van de Staat dat deze bij wet exact de vereisten aangeeft waaraan kiezers moeten voldoen om te kunnen deelnemen aan de verkiezingen, en dat zij de verkiezingsprocedures duidelijk vaststelt vóór de verkiezingen. Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het Verdrag kan de wet de uitoefening van de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde rechten en mogelijkheden alleen om de in deze tweede alinea genoemde redenen reguleren. De beperking moet bij wet worden vastgesteld, mag niet-discriminerend zijn, moet gebaseerd zijn op redelijke criteria, beantwoorden aan een nuttig en opportuun doel dat het noodzakelijk maakt aan een dringend algemeen belang te voldoen, en moet evenredig zijn aan dit doel. Als er verschillende mogelijkheden zijn om dit doel te bereiken, moet worden gekozen voor die welke het beschermde recht minder beperkt en meer in verhouding staat tot het beoogde doel.”

Waar het bepaalde in lid 2 van artikel 23 AVRM, meer in het bijzonder het woordje “only” zou duiden op een limitatieve opsomming van de gevallen waarin de wet de uitoefening van de in lid 1 van artikel 23 AVRM bedoelde rechten en kansen/mogelijkheden zou mogen reguleren/beperken heeft het Inter-Amerikaans Hof voor de rechten van de Mens (hierna IAHRM) in de belangrijke zaak Castańeda Gutmán versus Mexico (IACHR, August 6, 2008, Preliminary Objections, Merits, Reparations and Costs, Castańeda Gutmán v Mexico, Series C no.184, para.159.) beslist – verkort weergegeven – dat dat uitgangspunt niet juist is.

Uit hiervoor aangehaalde boekwerk The Inter-American Court of Human Rights, Case law and Commentary, pagina 602 kan worden geciteerd:

“The applicant had alleged that his right to stand for election had been violated, arguing that Article 23(2) of the Convention provided an exhaustive list of possible restrictions, as can be seen by the use of the word ‘only’. The Court disagreed on this point and said that the States can choose how to regulate the elections, which implied that certain restrictions could be possible, provided they were neither disproportionate nor unreasonable.”

Vrij vertaald:

“Verzoeker had beweerd dat zijn passief kiesrecht was geschonden, waarbij hij aanhaalde dat artikel 23, lid 2, van het verdrag voorzag in een uitputtend overzicht van mogelijke beperkingen, hetgeen blijkt uit het gebruik van het woord “alleen”. Het Hof was het op dit punt oneens en stelde dat Staten kunnen kiezen hoe ze de verkiezingen willen reguleren, hetgeen impliceert dat bepaalde beperkingen mogelijk zouden kunnen zijn, op voorwaarde dat ze niet disproportioneel of onredelijk waren.”

De beperking moet volgens de “General Comments” behorende bij dit artikel bij wet worden vastgesteld, mag niet discriminerend zijn, moet gebaseerd zijn op redelijke criteria, beantwoorden aan een nuttig en opportuun doel dat het noodzakelijk maakt aan een dringend algemeen belang te voldoen, en moet evenredig zijn aan dit doel. Als er verschillende opties zijn om dit doel te bereiken, moet worden gekozen voor die welke het beschermde recht minder beperkt en meer in verhouding staat tot het beoogde doel.

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 25 van het Bupo-verdrag

In de “General Comments” (General Comment adopted by the Human Rights Committee under article 40, paragraph 4, of the International Covenant on Civil and Political Rights, addendum, General Comment No.25 (57) behorende bij dit artikel is onder meer het navolgende aangegeven (citaten):

4. Any conditions which apply to the exercise of the rights protected by article 25 should be based on objective and reasonable criteria.”,

“16.Condition relating to nomination dates, fees or deposits should be reasonable and not discriminatory.”

en

“17.The right of persons to stand for election should not be limited unreasonably by requiring candidates to be members of parties or of specific parties. If a candidate is required to have a minimum number of supporters for nomination this requirement should be reasonable and not act as a barrier to candidacy.”

Het Hof neemt de hiervoren weergegeven uiteenzetting hoe artikel 23 AVRM en artikel 25 BUPO-verdrag moeten worden geïnterpreteerd over en zal thans aan de hand van de memorie van toelichting van de gewraakte wetswijziging en met name wat in de memorie van toelichting is gerelateerd bij de artikelsgewijze toelichting omtrent de onderhavige wijziging van de Kiesregeling zoals hiervoor aangegeven onder 4.2. en 4.3 van dit vonnis, nagaan of de gewraakte wetwijziging bovenvermelde toets kan doorstaan.

Ten aanzien van artikel 7 van de (gewijzigde) Kiesregeling is daarbij, onder meer, het volgende aangegeven (citaat):

“ Bij een combinatie van politieke organisaties is niet duidelijk voor de kiezer een keuze te maken op grond van de beginselen van de combinatie of de ideologie van de combinatie. De belangrijkste vraag die bij de kiezer onbeantwoord blijft bij een combinatie, is welke normatieve uitgangspunten ten grondslag liggen aan het toekomstige politiek handelen van de politieke combinatie. Een belangrijke vraag dus om het toekomstig politiek handelen van de politieke combinatie te kunnen veronderstellen. Dit te kunnen bepalen is essentieel voor het kunnen maken van een verantwoorde politieke keuze door de kiezer. Bij de uitoefening van haar bevoegdheden moeten politieke organisaties volgens artikel 53 lid 3 onder d van de Grondwet het navolgende onder meer in acht nemen dat de kiezer in staat gesteld moet worden kennis te kunnen nemen van het beginselprogramma en het verkiezingsprogramma van de politieke organisatie. De bedoeling van de grondwetgever is onder meer dat politieke organisaties zich ten behoeve van de kiezer – het volk – moeten onderscheiden van elkaar waardoor de kiezer in staat wordt gesteld op grond van wat de organisatie eigen is, de beginselen en de ideologie van een organisatie, een verantwoorde keuze te kunnen maken. Het zijn voornamelijk de politieke ideeën waaromheen mensen zich bijvoorbeeld als politieke organisatie groeperen en deze ideeën hebben meestal het karakter van onder meer de beginselen en de ideologie van de organisatie. Een politiek beginsel of ideologie is een aanduiding van het normatieve uitgangspunt dat voor het politiek handelen wordt gekozen. Het moet helder en duidelijk zijn voor de kiezer op welke organisatie de keuze moet vallen bij de verkiezing. Het is onder meer om deze redenen waarom de grondwetgever ervoor gekozen heeft om artikel 53 lid 3d op te nemen in de Grondwet als wegwijzer voor de politieke organisaties, de overheid en het volk – lees de kiezer. Organisaties hebben voor de deelname aan de verkiezingen criteria nodig, dus beginselen en een ideologie, waardoor enerzijds een diagnose kan worden gemaakt van de samenleving zoals deze feitelijk bestaat en anderzijds een programma kan worden samengesteld zoals die samenleving eigenlijk zou moeten zijn.”

Ten aanzien van artikel 31 van de (gewijzigde) Kiesregeling is daarbij, onder meer, het volgende aangegeven (citaat): “ Een waarborgsom wordt als voorwaarde gesteld aan de politieke organisaties die deel willen nemen aan de verkiezingen. De waarborgsom wordt gerestitueerd indien de politieke organisatie tenminste 1 (één) zetel in 1 (één) van de volksvertegenwoordigende organen heeft behaald of het aantal stemmen dat gelijk is aan de 1% van het totaal aantal kiezers…… Het uitgangspunt van de waarborgsom is dat de leden van een politieke organisatie de gestelde bijdrage leveren om deel te kunnen nemen aan de verkiezingen.”

In de visie van het Hof leidt al het voorgaande tot de slotsom dat het combinatieverbod en de introductie van de waarborgsom niet onverenigbaar zijn met het bepaalde in de artikelen 23 AVRM en 25 BUPO-verdrag. De gewraakte wetswijzigingen (mede zoals belicht in de memorie van toelichting) afgezet tegen de artikelen 23 AVRM en 25 BUPO-verdrag zoals uiteengezet in de hiervoor weergegeven comments leiden, naar het oordeel van het Hof, niet tot de conclusie, dat de gewraakte wetswijzigingen discriminatoir, niet-redelijk, niet objectief, niet nuttig, niet opportuun danwel disproportioneel zijn.

Integendeel, de wetgever is bevoegd geweest om die wijzigingen door te voeren en heeft dat conform de legaliteitseis op een legale juiste wijze gedaan. Voor zover deze wijzigingen als opgeworpen barrières worden ervaren door appellanten is dat door hen, in de visie van het Hof, onvoldoende geobjectiveerd.

Al hetgeen appellanten dienaangaande hebben aangevoerd betreffende strijdigheid met het bepaalde in artikel 25 van het BUPO-verdrag en artikel 23 van het AVRM komen op grond van het voorgaande voor verwerping in aanmerking aangezien dat in rechte niet aannemelijk is geworden.

5.10.2. Vervolgens komt het Hof toe aan bespreking van het bepaalde in artikel 137 Grondwet en dat betreft de vraag of er met de aanname van voormeld combinatieverbod en de introductie van de waarborgsom sprake is van strijdigheid met één of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten.

In de visie van het Hof dient het antwoord op voormelde vraag eveneens in ontkennende zin te luiden en zal al hetgeen appellanten hieromtrent als grieven hebben aangevoerd worden verworpen.

Ten aanzien van het beroep van appellanten op schending van het in artikel 8 lid 2 van de Grondwet opgenomen klassieke grondrecht (het zogenoemde discriminatieverbodsartikel), is het Hof van oordeel dat dat geenszins aannemelijk is geworden in rechte. Van enige vorm van discriminatie door aanname van voormelde wijzigingen van de Kiesregeling is niet gebleken aangezien het combinatieverbod en de waarborgsom voor elke politieke organisatie geldt die deelneemt aan de verkiezingen. Van uitzonderingen op die regel is in dit geding gesteld noch gebleken. Dat appellanten menen – als “nieuwkomers” – last en hinder hiervan te ondervinden (althans zo vat het Hof dat op) doordat zij een “achterstand” hebben ten opzichte van de gevestigde politieke organisaties doet aan het voorgaande niet af aangezien dat naar het oordeel van het Hof inherent is aan het “nieuwkomerschap” en geen discriminatie of onredelijke barrière oplevert. Het beschermd belang (“de Schutznorm”) van artikel 23 AVRM is volgens de rechtsliteratuur (zie “The Inter-American System of Human Rights, edited by David Harris and Stephen Livingstone, blz. 283) het garanderen van de authenticiteit van de verkiezingen en die authenticiteit is in de visie van het Hof met de aanname van voormelde wijzigingen van de Kiesregeling op generlei wijze in gedrang gekomen.

5.10.3. Ten slotte komt het Hof toe aan bespreking van het bepaalde in artikel 144 lid 2 van de Grondwet. In voormeld Grondwetsartikellid zijn de taken van het Constitutioneel Hof opgenomen en die zijn in casu geen punt van discussie tussen partijen. Het Hof tekent aan dat ten tijde van het nemen van de beroepen beslissing door de kantonrechter het Constitutioneel Hof (nog) niet bemenst en geïnstalleerd was terwijl het Constitutioneel Hof inmiddels wel bemenst en geïnstalleerd is. Het voorgaande heeft evenwel in de visie van het Hof geen consequenties voor de onderhavige beslissing.

5.11. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de door appellanten aangevoerde grieven zoals hiervoor aangegeven onder 5.4.6 en 5.4.7 gegrond zijn gebleken. De kantonrechter behoorde in de visie van het Hof wel te toetsen of de onderhavige wetswijzigingen al dan niet in strijd waren met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Het Hof heeft hiervoor dus gedaan hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. De uitkomst daarvan loopt evenwel niet synchroon met de prognose die appellanten op het oog hebben gehad. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep – onder verbetering en aanvulling van gronden als hiervoor overwogen – zal worden bevestigd en appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, zullen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5.12. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

6.1. Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van gronden als voormeld, het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding de dato 12 december 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 19-3863, waarvan beroep;

6.2. Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mrs. A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 22 mei 2020 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.C.A. Karg namens de advocaten mr. J.M. Nibte en mr. G.R. Sewcharan gemachtigde van appellanten; en namens mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2020-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1146
07 mei 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE 21 PLUS VOOR SURINAME, afgekort 21Su, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Osmiumstraat no. 36 te Paramaribo,
eiseres,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de Regering van Suriname, in het bijzonder het Hoofd van de Regering van Suriname, zijnde de President van de Republiek Suriname en de Minister van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 22 april 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d.23 april 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Eiseres als zedelijk lichaam

2.1 Bij Resolutie d.d. 05 september 2016 zijn de Statuten van eiseres om als zedelijk lichaam te worden erkend door de President van de Republiek Suriname goedgekeurd.

Onafhankelijk Kiesbureau (hierna waar nodig afgekort OKB)

2.2 Artikel 7 van de Wet Politieke Organisaties (S.B. 1987 no. 61, laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 54 ) luidt, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt:

1. Politieke organisaties dienen geregistreerd te zijn in een voor dat doel door het Onafhankelijk Kiesbureau gehouden openbaar register. Deze registratie is éénmalig.

  1. De voorwaarden voor registratie zijn:
  2. overlegging van het bewijs dat in de organisatiestructuren van de politieke organisatie het besluit is genomen om de politieke organisatie ter registratie aan te bieden.
  3. overlegging van de statuten, reglementen of andere documenten, waaruit de ordening van de politieke organisatie kan blijken;
  4. overlegging van het besluit van de President, inhoudende de goedkeuring van de statuten.
  5. Indien blijkt, dat de politieke organisatie de stukken als bedoeld in het vorige lid niet of niet volledig heeft overgelegd, zal het Onafhankelijk Kiesbureau zulks aan de politieke organisatie bij deurwaardersexploit mededelen, met het verzoek om binnen zeven dagen na de mededeling de stukken alsnog over te leggen.
  6. Indien na het verstrijken van de bedoelde termijn de desbetreffende stukken nog niet zijn overgelegd, wordt de registratie geweigerd.
  7. Van de registratie dan wel de weigering van de registratie maakt het Onafhankelijk Kiesbureau een proces-verbaal op volgens een bij staatsbesluit vast te stellen model. Afschrift van dit proces-verbaal wordt bij deurwaarders-exploit aan de politieke organisatie uitgereikt.
  8. Tegen weigering van de registratie is binnen veertien dagen, nadat het besluit tot weigering ter kennis van de politieke organisatie is gebracht, beroep mogelijk bij de President. De President beslist bij een met redenen omkleed besluit binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift.
  9. Het model van het openbaar register en de kosten van registratie worden bij staatsbesluit geregeld.
  10. Politieke organisaties, die zijn geregistreerd in voornoemd openbaar register kunnen op de dag van de kandidaatstelling, met inachtneming van de voorschriften van de Kiesregeling, lijsten van kandidaten indienen ter verkiezing in de volksvertegenwoordigende lichamen.
  11. Politieke organisaties die niet aan twee (2) achtereen volgende algemene, vrije en geheime verkiezingen hebben deelgenomen, moeten zich opnieuw registreren.
  12. Behoudens het bepaalde in lid 1 tweede volzin wordt, bij statutenwijziging of wijziging in het huishoudelijke reglement van de politieke organisatie, de politieke organisatie opnieuw geregistreerd. Bij wijziging in de samenstelling van het bestuur vindt daarvan schriftelijke opgave aan het Onafhankelijk Kiesbureau plaats.

2.3 Op 20 maart 2020 heeft eiseres onder aanbieding van documenten aan OKB het verzoek gedaan om in het openbaar register van OKB te worden ingeschreven.

2.4 Middels een schrijven d.d. 20 maart 2020, welk schrijven per exploot van een deurwaarder op 21 maart 2020 aan eiseres is betekend, heeft OKB aan eiseres kenbaar gemaakt dat de door haar ingediende bescheiden bij het verzoek tot het doen registreren van haar politieke organisatie niet voldoet aan de wettelijk gestelde voorwaarden. Ter zake heeft OKB het volgende in het schrijven vermeld:

Ingevolge artikel 7 lid 2 van de Wet Politieke Organisaties heeft u het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB) op 20 maart 2020 het verzoek gedaan tot de registratie van de politieke organisatie 21 Plus voor Suriname “21 PlusvoSu” in het openbaar register. Artikel 7 lid 2 van de voormelde wet geeft de voorwaarden aan voor de registratie (….)

Met de aanvraag zijn de voornoemde bescheiden van de politieke organisatie ingediend. De bescheiden zijn door de Commissie Wetgeving van het OKB getoetst, als zij voldoen aan de wettelijk gestelde voorwaarden. Na de toetsing is de Commissie tot de volgende conclusie gekomen:

  1. Wijzigingen van de afkorting “21 PlusvoSu” in de statuten naar “21Su”, zal de volledige procedure van statuten wijziging moeten worden afgelegd.
  2. In de statuten is niet opgenomen dat het beginsel programma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend zal worden gemaakt.
  3. In de statuten artikel 4 is ook niet opgenomen dat de gewone leden burgers zijn van Suriname en/of de Surinaamse nationaliteit bezitten.

21 PlusvoSu moet eerst voldoen aan de bovengemeld punten alvorens de registratie in het Openbaar Register gehouden door het OKB kan geschieden.

Bij deze wordt u dan in de gelegenheid gesteld om binnen 7 (zeven) dagen na ontvangst van dit schrijven de gewijzigde statuten van 21 PlusvoSu conform de artikelen 2b, 2 van de Wet Politieke Organisaties, in te dienen bij het secretariaat van het OKB aan de Krakalaan no. 12.

Indien u hieraan niet voldoet, zal het OKB genoodzaakt zijn uw aanvraag bij proces-verbaal te moeten weigeren.”.

2.5 Op 27 maart 2020 heeft eiseres op het schrijven van OKB gereageerd.

2.6 Op 06 april 2020 heeft OKB positief beslist op het verzoek van eiseres om ingeschreven te worden in het openbaar register van OKB, omdat eiseres als politieke organisatie voldoet aan de wettelijke vereisten.
Op 08 april 2020 is het proces-verbaal waarin de hiervoor genomen beslissing is vervat, per exploot van een deurwaarder aan eiseres betekend.

Centraal Hoofdstembureau (hierna waar nodig afgekort CHS)

2.7 In artikel 31 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:

1.Een politieke organisatie kan ten behoeve van de verkiezing van de leden van een volksvertegenwoordigend lichaam aan het Centraal Hoofdstembureau verzoeken haar naam, een aanduiding daarvan of beide als mede desgewenst een partijsymbool in te schrijven in een openbaar register, dat door dit bureau wordt bijgehouden. Daarbij wordt tevens aangegeven een gekozen woonplaats in Suriname.

(…)

  1. De gelegenheid tot aanbieding bestaat van de vierentwintigste tot en met de Negentiende dag vóór de ingevolge artikel 85 lid 1 vastgestelde dag der kandidaatstelling.
    Registratie is mogelijk van des voormiddags 8.00 uur tot des namiddags 15.00 het Centraal Hoofdstembureau.
  2. Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.

2.8 In artikel 35 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende neergelegd:

1 Het Centraal Hoofdstembureau weigert de registratie in de volgende gevallen:

a. indien de aanbieding niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden;
b. indien in het ter registratie aangeboden symbool het wapen of de vlag van Suriname is verwerkt of het symbool in strijd is met de openbare orde of de goede zeden;
c. indien tegen de registratie van een naam, korte aanduiding of symbool een bezwaarschrift is ingediend, dat gegrond is bevonden;
d. indien niet aan de voorwaarden is voldaan die zijn omschreven in het Decreethoudende regels voor politieke organisaties.

(…)

  1. De in een beschikking vastgelegde weigering is met redenen omkleed.

2.9 In artikel 37 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) is, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende neergelegd:

1. De politieke organisatie, wier registratie in eerste instantie dan wel in beroep geweigerd is op de in artikel 35 lid 1 onder b en c genoemde gronden of wier bezwaarschrift ongegrond is bevonden kan gedurende drie werkdagen na de dag van ontvangst van de beslissing van het Centraal Hoofdstembureau dan wel die van de President, nog eenmaal een aanbieding, als in artikel 31 lid 1 bedoeld, verrichten.

  1. Het Centraal Hoofdstembureau neemt zo spoedig mogelijk een beslissing, waaromtrent het bepaalde in artikel 35 van toepassing is. De registratie wordt geweigerd in de gevallengenoemd in artikel 35 lid 1 onder a en b en voorts indien het Centraal Hoofdstembureau met inachtneming van de in artikel 33 neergelegde norm van oordeel is, dat redelijkerwijs tot weigering moet worden besloten. Tegen deze beslissing staat generlei voorziening open.

2.10 Op 21 maart 2020 heeft eiseres op grond van artikel 31 lid 1 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) aan CHS het verzoek gedaan tot registratie voor deelname aan de op 25 mei 2020 te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen.

2.11 Bij beschikking d.d. 26 maart 2020 heeft CHS het verzoek van eiseres tot registratie geweigerd, en wel op grond van de hierna in de beschikking vermelde overwegingen:

-dat na onderzoek door het Centraal Hoofdstembureau is gebleken dat de politieke organisatie aangeduid “21 SU” NIET heeft voldaan aan twee van de wettelijke vereisten, zoals vervat in:

  1. artikel 31 lid 5 van de Kiesregeling en juncto artikel 3 van het Besluit Waarborgsom Politieke Organisaties (S.B. 2020 no. 38) zijnde de storting van de waarborgsom ten bedrage van SRD (…) bij de Centrale Bank van Suriname door de politieke organisatie voor deelname aan de Algemene, Vrije en Geheime Verkiezingen op maandag 25 mei 2020; en
  2. artikel 7 van het Decreet Politieke Organisaties, zijnde het overleggen van het bewijs van registratie van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB).

2.12 Op 27 maart 2020 heeft CHS de hiervoor onder 2.11 bedoelde beschikking per exploot van een deurwaarder aan eiseres doen betekenen.

2.13 Eiseres heeft op de voet van artikel 36 van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) administratief beroep aangetekend bij de President van de Republiek Suriname tegen de beslissing van CHS. Het beroepschrift van eiseres is gedateerd 30 maart 2020.

2.14 Bij resolutie d.d. 02 april 2020 heeft de President van de Republiek Suriname het beroep van eiseres ongegrond verklaard, en wel op grond van de hierna in de resolutie vermelde overwegingen:

(…)

  1. dat voorts is gebleken, dat de politieke organisatie 21 PLUS voor SURINAME niet heeft voldaan aan de (lees “het”) vereiste in artikel 7 lid 1 Dereet Politieke Organisaties alsmede aan het vereiste zoals gesteld in artikel 31 lid 5 van de Kiesregeling;
  1. Dat gelet op het bovenstaande de politieke organisatie 21 PLUS voor SURINAME niet heeft voldaan aan twee vereisten en dat derhalve hun verzoek ongegrond dient te worden verklaard.

Op 03 april 2020 is de resolutie per exploot van een deurwaarder aan eiseres betekend.

2.15 Ter zake onder andere het door CHS genomen besluit heeft eiseres een vordering in kort geding tegen gedaagde ingesteld, in zaak tussen partijen bekend onder A.R No. 20-1089.
Op 09 april 2020 heeft de kantonrechter in kort geding vonnis in de hiervoor vermelde zaak gewezen en heeft eiseres niet ontvankelijk verklaard in het door haar gevorderde.

2.16 Op 08 april 2020 heeft eiseres een tweede verzoek tot registratie bij CHS ingediend, in welk verzoek zij het volgende heeft vermeld:

Met verwijzing naar uw ongedateerde document onder de vermelding “Bekendmaking van het Centraal Hoofdstembureau”, inhoudende aanwijzingen voor politieke organisaties die zich wensen te registreren ten behoeve van hun deelname aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2020, én mede naar aanleiding van het thans lopende rechtsgeschil ten aanzien van onze door de President van Suriname afgewezen herzieningsverzoek bij beroepschrift ingediend, verzoek ik u alsnog de registratie in het door u bijgehouden openbaar register te voltooien.

Primair, zoals in het rechtsgeschil gevorderd, de in de voorgaande aangehaalde brief van uw organisatie afkomstig, heeft geen rechtsgevolgen vanwege het feit dat u geen rechtsgeldig beroep heeft ter weigering van de registratie. Uw beslissing was uitgevaardigd in strijd met het in rechte vaststaande fatale termijn (zie artikel 34 Kiesregeling, binnen twee dagen na 21 maart 2020) waarbinnen u uw beslissing tot weigering aan ons moest hebben meegedeeld. Ten overvloede, het niet overleggen van een stortingsbewijs van de waarborgsom is niet als weigeringsgrond in de wettelijke bepalingen van de Kiesregeling opgenomen.

Artikel 7 van het Decreet Politieke Organisaties geeft aan 21 Plus voor Suriname het recht tot inschrijving in het openbaar register zoals deze wordt bijgehouden door het Onafhankelijk Kiesbureau. Een registratie in betreffend register verschaft aan 21 Plus voor Suriname het zelfstandig recht tot deelname aan de verkiezingen voor volksvertegenwoordigende lichamen per 25 mei 2020.

Ter aanvulling van de in te leveren bescheiden treft u aan een kopie van het bewijs van registratie in het Onafhankelijk Kiesbureau van d.d. 6 april 2020, per deurwaardersexploit betekend op 8 april 2020.”

2.17 CHS heeft niet beslist op het tweede verzoek. Eiseres heeft hiertegen op 15 april 2020 een klacht tegen CHS bij de Minister van Binnenlandse Zaken en OKB ingediend.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft niet gereageerd op de klacht van eiseres.
Op 17 april 2020 heeft OKB als volgt gereageerd op de klacht van eiseres:
“(…)
Ingevolge artikel 1 lid 1 van de Kiesregeling houdt het OKB toezicht op de algemene verkiezingen en stelt de uitslag bindend vast voor de samenleving. De taken en bevoegdheden van het OKB staan opgenomen in de artikelen 1 en 2 van de Kiesregeling.
Het in behandeling nemen van een klachtschrift van een politieke partij en het nemen van een besluit daarover, behoort NIET tot een wettelijke taak dan wel bevoegdheid van het OKB. Als gevolg hiervan zal het OKB dan ook geen besluit met betrekking tot uw klachtschrift kunnen nemen.

2.18 Politieke organisaties, waaronder eiseres, hadden tot uiterlijk 09 april 2020 de gelegenheid om hun lijsten van kandidaten voor deelname aan de te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezing van volksvertegenwoordigende lichamen van 25 mei 2020 bij CHS in te dienen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

1) gedaagde beveelt zich te onthouden van onwetmatige en onrechtmatige gedragingen die de rechten van eiseres aantasten;
2) de door CHS en gedaagde genomen besluiten aanmerkt als aan nietigheid lijdende besluiten met als gevolg waarvan gedaagde zich niet erop kan beroepen 21Su de registratie in het openbaar register zoals deze wordt bijgehouden door CHS te weigeren;
3) gedaagde beveelt, althans veroordeelt, om binnen 24 uren na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, dat het aan CHS de opdracht verstrekt tot registratie van 21Su in het openbaar register van CHS;
4) gedaagde beveelt dat CHS aan 21Su minimaal vijf werkdagen met ingang van de datum van betekening van het verlangde vonnis de gelegenheid te bieden de lijsten van kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen ter deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020 aan te mogen dragen;
5) gedaagde veroordeelt om voor elke dag, dat zij de bij vonnis gegeven bevelen niet nakomt, aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen een geldbedrag van SRD 10.000.000,-.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, in die zin dat zij vanwege het onwetmatig en onrechtmatig handelen van OKB en CHS niet kan deelnemen aan de verkiezingen. Daartoe stelt zij onder meer het volgende:
a) OKB en CHS zijn geen publiekrechtelijke rechtspersonen en kunnen worden aangemerkt als onmiddellijke c.q middellijke vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en daardoor indirect als rechtsvertegenwoordiger van gedaagde;
b) CHS c.q. gedaagde heeft in strijd gehandeld met artikel 7 lid 8 van de Wet Politieke Organisaties door het niet respecteren c.q. erkennen van het zelfstandig recht van eiseres tot aanbieding van de lijsten van kandidaten ter deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020 van de volksvertegenwoordigende lichamen;
c) het door CHS genomen besluit is nietig, omdat zij niet binnen de bij wet (Algemene Termijnwet 1965) vastgestelde termijn op het verzoek van eiseres heeft beslist;
d) het door de President van de Republiek Suriname genomen besluit is nietig, omdat hij niet binnen de in artikel 36 lid 2 van de Kiesregeling vastgestelde termijn heeft beslist op het beroep van eiseres en heeft hiermee aldus in strijd gehandeld met de volgende algemene beginselen van behoorlijk bestuur: het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel;
e) de uitspraak van de kantonrechter in kort geding is onrechtmatig, omdat blijk is gegeven van een onjuiste opvatting van het recht. Met name heeft de kantonrechter een leugenachtige verklaring van de President van Suriname als waarheid aangenomen en heeft daardoor de verantwoordelijkheid bij haar oordeelsvorming het belang van de waarheidsvinding te dienen niet volledig consciëntieus nageleefd;
f) CHS heeft geweigerd het tweede verzoek tot registratie in behandeling te nemen en handelt in strijd met artikel 37 leden 1 tot en met 3 van de Kiesregeling. CHS pleegt inbreuk op het recht van 21 Su tot registratie in het door CHS bijgehouden register in verband met de verkiezingen van kandidaten van de volksvertegenwoordigende lichamen;
g) tot op heden heeft de Minister van Binnenlandse Zaken geen besluit genomen op de klacht van eiseres tegen CHS;
h) het standpunt van OKB zoals vervat in haar schrijven d.d. 08 april 2020 is onjuist. OKB is op grond van artikel 2 leden 3 en 4 van de Kiesregeling gehouden een besluit te nemen op de klacht van eiseres.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

De gevorderde voorziening onder 1

4.1 Voor de kantonrechter is het vertrekpunt in elke rechtszaak de vordering en de grondslag daarvan, die duidelijk en concreet geformuleerd moeten zijn. Achterliggende gedachte hiervan is dat de tegenpartij, in casu gedaagde, op deugdelijke wijze verweer moet kunnen voeren. Is de formulering van de vordering niet duidelijk en evenmin concreet geformuleerd dan zal dit onbegrijpelijk zijn en als een obscuur libel kunnen worden aangemerkt. Mocht het hiervoor vermelde geval zich voordoen, dan dient de eisende partij niet ontvankelijk te worden verklaard in het gevorderde.

De kantonrechter constateert dat eiseres in de gevorderde voorziening onder 1 de begrippen “onwetmatige en onrechtmatige gedragingen”’ en “rechten van eiseres”bezigt, welke begrippen als heel ruim dienen te worden aangemerkt. Onder de begrippen “onwetmatige en onrechtmatige gedragingen” kunnen allerlei handelingen en gedragingen vallen, zoals het plegen van inbreuk op een eigendomsrecht, het zonder toestemming betreden van een perceel van een ander, het niet nakomen van betalingsverplichtingen, etc.

Ondanks het feit dat gedaagde heeft opgeworpen dat de gevorderde voorziening onder 1 onvoldoende feitelijk is gespecificeerd, heeft eiseres in haar tweede ronde c.q. bij conclusie van repliek niets hiertegen ingebracht en heeft zich evenmin enige moeite getroost om de gevorderde voorziening onder 1 duidelijk en concreet te formuleren, dan wel te wijzigen. Nu de gevorderde voorziening onder 1 niet duidelijk en evenmin concreet is geformuleerd, zal eiseres ter zake niet ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde voorziening onder 2

4.2 In kort geding kan de kantonrechter slechts beslissingen van condemnatoire aard geven, hetgeen kan inhouden het opleggen van een verbod of gebod aan de tegenpartij als voorlopige voorziening. De kantonrechter constateert dat de gevorderde voorziening onder 2 niets anders behelst dan het nietig verklaren van de door de organen van gedaagde (CHS en de President van de Republiek Suriname) genomen besluiten, welke vordering declaratoir van aard is.

Ondanks het feit dat gedaagde als verweer heeft opgeworpen dat het door eiseres gevorderde een declaratoir karakter draagt, heeft eiseres hiertegenover niets gesteld en heeft zich evenmin enige moeite getroost om het gevorderde onder 2 aan te passen. Nu de gevorderde voorziening onder 2 declaratoir van aard is, zal eiseres ter zake niet ontvankelijk worden verklaard.

De grondslag van de gevorderde voorzieningen onder 1 en 2

4.3 Nu eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in de gevorderde voorzieningen onder 1 en 2, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de stellingen die eiseres aan die gevorderde voorzieningen ten grondslag heeft gelegd en het verweer van gedaagde daarop. Het betreffen in casu de stellingen die – verkort en zakelijk – zijn weergeven onder 3.2 sub b tot en met e in dit vonnis.

De gevorderde voorzieningen onder 3, 4 en 5

4.4 In het kort komen deze voorzieningen op het volgende neer: het veroordelen van gedaagde om CHS op te dragen tot registratie, zonder te voldoen aan de waarborgsom. Dit, omdat:
1) eiseres zich op het standpunt stelt dat het voldoen van de waarborgsom geen voorwaarde is voor de registratie,
2) CHS weigert het tweede door eiseres ingediende verzoek tot registratie voor deelname aan de op 25 mei 2020 te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen in behandeling te nemen, en
3) OKB en het Ministerie van Binnenlandse Zaken – als werkarmen van gedaagde – weigeren een besluit te nemen op de door eiseres ingediende klacht jegens CHS ter zake het bovenstaande.

Gedaagde daarentegen huldigt het standpunt dat de waarborgsom wel een voorwaarde is voor de bedoelde registratie.

Anders dan eiseres is de kantonrechter van oordeel dat de waarborgsom wel een voorwaarde is voor de registratie voor deelname aan de op 25 mei 2020 te houden Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen. Dit leidt de kantonrechter ondubbelzinnig af uit de inhoud van artikel 35 lid 5 van de Kiesregeling zelf en de volgende passage van de artikelsgewijze toelichting op dit artikel op blz. 8 uit de Memorie van Toelichting: “Een waarborgsom wordt als voorwaarde gesteld aan de politieke organisaties die deel willen nemen aan de verkiezingen.” Nu onomstotelijk vaststaat dat eiseres niet heeft voldaan aan de waarborgsom en dus niet voldoet aan de in artikel 35 lid 5 van de Kiesregeling gestelde voorwaarde, komen de gevorderde voorzieningen onder 3,4 en 5 niet voor toewijzing in aanmerking.

Het beroep van eiseres op het feit dat vier andere politieke partijen deze wettelijke bepaling in een lopende hoger beroepszaak ter discussie hebben gesteld bij het Hof van Justitie, doet niet ter zake.

Het verwijt aan het adres OKB en het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat zij weigeren een besluit te nemen op de klacht van eiseres, acht de kantonrechter niet relevant en behoeven dus geen bespreking.

De proceskosten

4.5 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij tevens in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen onder 1 en 2.

5.2 Weigert de gevorderde voorzieningen onder 3, 4 en 5.

5.3 Veroordeelt eiseres in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 07 mei 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1098
30 april 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

STICHTING CENTRE FOR PUBLIC AFFAIRS SURINAME, afgekort Stichting CPAS, gevestigd en kantoorhoudende aan de Powakkastraat no. 4 te Paramaribo,
eiseres,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de Regering van Suriname, in het bijzonder het Hoofd van de Regering van Suriname, zijnde de President van de Republiek Suriname,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 07 april 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 09 april 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Eiseres is een rechtspersoon. Blijkens het uittreksel uit het openbaar stichtingenregister (overgelegd als productie 1 bij conclusie van repliek) stelt eiseres zich ten doel de belangen van alle bewoners van Suriname te behartigen.

2.2 Op 11 maart 2020 heeft de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak van het SARS-Cov-2 virus (bekend als covid-19) tot een pandemie verklaard.

2.3 Met ingang van 15 maart 2020 heeft gedaagde, met het oog op het voorkomen van besmetting van personen met het covid virus, de volgende covid-19 maatregelen getroffen en toegepast:

  • een gedeeltelijk samenscholingsverbod en “lock down”, waarbij het luchtruim en de grenzen van Suriname zijn gesloten;
  • een in acht te nemen social distance door een ieder;
  • het door haar ingediend wetsvoorstel ter zake het afroepen van de burgerlijke uitzonderingstoestand, welk wetsvoorstel na behandeling en aanpassingen in het parlement is aangenomen en afgekondigd.

2.4 Op 25 mei 2020 vinden de algemene, vrije en geheime verkiezingen in Suriname plaats ter vaststelling van volksvertegenwoordigende organen en van de Regering.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. gedaagde beveelt, althans veroordeelt, om binnen 8 uren na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, gegrond op het haar toekomende discretionaire beleidsvrijheid rekening houdend met de uit de fundamentele grondrechten voortvloeiende gebonden bevoegdheid aan De Nationale Assembleé een wetsvoortel te doen toekomen inhoudende bepalingen tot het uitstellen van de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen zoals is voorzien per 25 mei 2020, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- per dag voor het nalaten aan voorgemeld bevel uitvoering te geven;
  2. gedaagde beveelt op basis van de te houden consultaties met parlementaire en buiten parlementaire politieke organisaties een nieuwe datum voor de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen te doen vaststellen;
  3. beveelt dat een nieuwe datum voor de te houden verkiezingen niet later mag plaatsvinden dan 25 augustus 2020.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

a) zij, eiseres, is rechtsvertegenwoordiger van de beschermende belangen van de burgers van Suriname. Zij is op grond van haar statutaire verplichting gerechtigd voor de beschermende belangen van de burgers van Suriname op te komen zodra inbreuken op de fundamentele rechten worden gemaakt; uit dien hoofde is zij ook gerechtigd voor de beschermende belangen van de burgers van Suriname rechtsvorderingen in te stellen zodra gedaagde de discretionaire beleidsvrijheid veronachtzaamd;

b) gedaagde heeft – na het tot pandemie verklaren door de WHO – in strijd met haar grondwettelijke plicht tot het waarborgen van de volksgezondheid en het recht op leven van de burgers niet tijdig adequate maatregelen in verband met covid-19 getroffen ter voorkoming van de aantasting van de hiervoor vermelde fundamentele grondrechten van de burgers, in het bijzonder met betrekking tot de te houden algemene, vrije en geheime verkiezingen; gedaagde moet vanwege haar grondwettelijke plicht aan het parlement een wetsvoorstel aanbieden tot uitstel van de verkiezingen, omdat politieke organisaties vanwege het samenscholingsverbod worden verhinderd om op een Algemene Ledenvergadering een rechtsgeldig bestuursbesluit voor gekozen kandidaten te doen vaststellen en er op de dag van de verkiezingen een samenscholing van groepen zal zijn hetgeen niet in overeenstemming zal zijn met het geldende samenscholingsverbod;

c) op grond van het bovenstaande maakt gedaagde misbruik van de aan haar toekomende discretionaire beleidsvrijheid

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Gedaagde weerspreekt het spoedeisend belang, doch is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde zelf. Met name uit het feit dat de algemene, vrije en geheime verkiezingen op 25 mei 2020 zullen plaatsvinden en het blijven bestaan van mogelijk besmettingsgevaar vanwege covid-19. Om die reden is eiseres in het kort geding ontvangen.

4.2 Gedaagde weerspreekt dat eiseres bevoegd moet worden geacht en er belang bij zou hebben om in het belang van de burgers van Suriname de onderhavige vordering in te stellen. Daartoe voert zij aan dat eiseres verzuimd heeft aan te tonen dat zij maatschappelijk draagvlak heeft onder de burgers en maatschappelijke groeperingen van Suriname waaraan zij de maatschappelijke legitimiteit zou ontlenen om zich als hoeder van de Surinaamse burger op te kunnen werpen. Gedaagde concludeert op grond van het bovenstaande dat eiseres geen enkel aantoonbaar belang heeft bij de onderhavige voorzieningen en daarin dus niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

In reactie op dit verweer, blijft eiseres in haar stellingen volharden dat zij wel enig belang heeft bij de onderhavige vordering en beroept zich in dat verband op de artikelen 16, 14 lid 1 en 2 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten.

Bij conclusie van dupliek blijft gedaagde in het verweer volharden dat eiseres geen aantoonbaar belang heeft bij de onderhavige vordering en niet heeft kunnen aantonen dat zij ter zake maatschappelijk draagvlak heeft onder de burgers. Eiseres heeft, aldus het verdere betoog van gedaagde, op geen enkele wijze aangetoond ruggespraak te hebben gehouden met relevante actoren in de samenleving die direct betrokken zijn bij de algemene verkiezingen van 25 mei 2020, niet met politieke partijen, niet met de leiding van DNA, niet met de regering en niet met maatschappelijke groeperingen. Voorts werpt zij op dat de verdragsbepalingen waar eiseres zich op beroept niets van doen hebben met de onderhavige zaak, omdat eiseres op geen enkele wijze een eerlijke en openbare behandeling van een door haar aanhangig gemaakt rechtsgeding is ontzegd.

4.3 Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is weergeven volgt, dat de kantonrechter eerstens de vraag dient te beantwoorden of eiseres al dan niet bevoegd is om namens de burgers van Suriname en politieke organisaties de onderhavige vordering in te stellen en hiermee dus enig belang te dienen heeft.
Zoals de kantonrechter de stellingen van eiseres begrijpt, acht zij zich op grond van haar statuten bevoegd om namens de burgers van Suriname en de politieke organisaties de onderhavige vordering in te stellen c.q. om namens hen te procederen. De kantonrechter kan eiseres niet volgen in het door haar gestelde, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
Een burger van Suriname is een ingezetene van Suriname en wordt in het rechtsverkeer aangemerkt als te zijn een natuurlijke persoon die rechten en plichten heeft. Een politieke organisatie bestaat uit leden c.q. burgers, bezit veelal rechtspersoonlijkheid en is vanwege haar rechtspersoonlijkheid ook drager van rechten en plichten.
Een van de meest fundamentele rechten van de burgers (natuurlijke personen) op politiek/bestuurlijk vlak is het recht om op de dag van de algemene, vrije en geheime verkiezingen naar de stembus te gaan.
Een van de meest fundamentele rechten van een politieke organisatie met rechtspersoonlijkheid (rechtspersoon) op politiek/bestuurlijk vlak is – voor zover deze voldoet aan de daartoe bij wet gestelde vereisten – het recht om deel te nemen aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen.
Eiseres is een stichting, zijnde een rechtspersoon, en telt ingevolge artikel 1 van de Wet op Stichtingen geen leden. Nu eiseres geen leden kan hebben en hieruit voortvloeiend burgers en politieke organisaties of andere sociaal maatschappelijke groeperingen geen lid van eiseres zouden kunnen zijn, kan eiseres zich naar het oordeel van de kantonrechter onmogelijk de bevoegdheid aanmeten om namens de burgers van Suriname en politieke organisaties te procederen, tenzij de wetgever haar de bevoegdheid daartoe krachtens een wet zou hebben gegeven of elke individuele burger of politieke partij haar de bevoegdheid daartoe middels een volmacht zou hebben gegeven.
Gesteld noch gebleken is dat eiseres op grond van enige wettelijke bepalingen bevoegd is namens de burgers van Suriname en politieke organisaties te procederen c.q. de onderhavige vordering namens de burgers van Suriname en politieke organisaties in te stellen. Evenmin is gesteld of gebleken dat burgers van Suriname eiseres of politieke organisaties aan eiseres volmacht hebben verleend om de onderhavige vordering namens hen in te stellen. Het had volgens de algemene spelregels van het procesrecht op de weg van eiseres gelegen om het door haar gestelde middels feiten en bescheiden aannemelijk te maken. Dit, temeer daar gedaagde de stelling van eiseres voldoende gemotiveerd heeft weersproken. Zo had eiseres vanwege het gemotiveerd verweer van gedaagde horen te stellen en middels bescheiden moeten onderbouwen: het totaal aantal burgers dat in Suriname woont, het totaal aantal dat daaruit stemgerechtigd is, het totaal aantal politieke organisaties dat gerechtigd is aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen deel te nemen en het totaal aantal burgers en politieke organisaties dat haar volmacht c.q. toestemming heeft verleend om de onderhavige zaak namens hen in te dienen. Dit, omdat de te houden algemene, vrije en geheime verkiezingen alle burgers van Suriname, politieke organisaties en sociaal maatschappelijke groeperingen regardeert. Eiseres heeft ter zake dit onderdeel slechts volstaan met het blijven volharden in haar stelling en het zich beroepen op een drietal verdragsbepalingen, welke verdragsbepalingen naar het oordeel van de kantonrechter en ook zoals gedaagde terecht opwerpt, niets van doen hebben met de onderhavige vordering.
De bedoelde verdragsbepalingen waarop eiseres zich beroept, hebben betrekking op het recht van elke burger om zich tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter te mogen wenden indien hij/zij meent dat haar rechten zijn geschonden. Geenzins blijkt dat eiseres is beperkt om de onderhavige zaak bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter in te dienen.

4.4 Hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat eiseres geen enkel te respecteren belang heeft om de onderhavige vordering namens de burgers van Suriname en de politieke organisatie in te stellen. Hieruit volgt dat gedaagde slaagt in het door haar opgeworpen formeel verweer c.q. niet- ontvankelijkheid verweer, zodat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in de gevorderde voorzieningen.

4.5 De overige stellingen en weren van partijen zullen buiten beschouwing worden gelaten, omdat die tot geen enkel ander uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.6 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 30 april 2020 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-11

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 201183
15 mei 2020

Vonnis in de zaak van

A. PLET, MARLEEN, wonende aan [adres] te [woonplaats],
B. MARENGO, JACINTHA, wonende aan [adres] te [woonplaats],
C. SAMUEL, JOHN, wonende aan [adres] te [woonplaats],
D. DE POLITIEKE ORGANISATIE DE NIEUWE WIND, gevestigd en kantoorhoudende aan het Molenpad 19 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. J.J. Pinas, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gedaagde in kort geding.

  1. Het proces verloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 4 mei 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 De politieke organisatie De Nieuwe Wind heeft haar kandidatenlijsten ingediend bij het hoofdstembureau van kiesdistrict VII, Marowijne, in verband met de verkiezingen welke gehouden zullen worden op 25 mei 2020.

2.2 Het hoofdstembureau heeft aan de politieke organisatie te kennen gegeven dat de kandidatenlijsten ongeldig zijn.

2.3 Tegen het besluit van het hoofdstembureau is bij de President van de Republiek Suriname administratief beroep ex artikel 52 aangetekend middels een beroepschrift d.d. 20 april 2020. Het beroepschrift is ondertekend door de eisers sub A, B en C.

2.4 Bij resolutie van 27 april 2020 met no. 373/RP is het beroep ongegrond verklaard.

2.5 Bij exploit van 27 april 2020 is de resolutie betekend aan een bestuurslid van de politieke organisatie.

2.6 Eisers hebben aan de President van de Republiek Suriname een schrijven gestuurd, gedateerd 29 april 2020, waarin zij op de President een dringend beroep doen om terstond de resolutie in te trekken en mededeling te doen aan betrokkenen en aan het hoofdstembureau van de geldigheid van de kandidatenlijsten van de politieke organisatie.

2.7 Aan voormeld verzoek is geen gevolg gegeven.

  1. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de kandidatenlijsten geldig verklaart met alle wettelijke gevolgen van dien;
  • gedaagde veroordeelt om binnen een uur na uitspraak de kandidatenlijsten en kandidaten van de Nieuwe Wind te handhaven c.q. toe te voegen voor deelname aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2020 op straffe van een dwangsom en voorts
  • gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eisers voeren als grondslag het volgende aan:

  1. dat de eisers sub A, B en C de ondertekenaars zijn van de ingediende kandidatenlijsten en van het beroepschrift; dat zij tot 29 april 2020 geen besluit hebben ontvangen van de President van de Republiek Suriname op het door hen ingesteld administratief beroep; nu zij binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht dagen geen besluit hebben ontvangen dient ervan uitgegaan te worden dat het beroep is geslaagd; het ontbreken van het besluit dient in het voordeel van eisers te worden uitgelegd;
  2. dat eisers sub A, B en C op 29 april 2020 kennis hebben gekregen van de resolutie van de President waarin het besluit is vervat op het ingesteld administratief beroep;
  3. dat de in de resolutie opgenomen overweging in strijd is met de goedertrouw en de beginselen van behoorlijk bestuur omdat het hoofdstembureau de ongeldig verklaarde lijsten vergezeld van de notulen van de vergadering, waarin daartoe is besloten, zo spoedig mogelijk naar de President had moeten zenden; in de resolutie is echter overwogen dat de President de in het beroep gestelde ondertekening van de lijsten niet aannemelijk acht omdat door de politieke organisatie bij het beroepschrift de lijsten niet zijn toegevoegd; het was het hoofdstembureau dat de lijsten spoedig naar de President had moeten zenden; ook had de President de documenten moeten opvragen indachtig artikel 82 van de Kiesregeling;
  4. aan gedaagde is op grond van het voorgaande een sommatie gestuurd om alsnog de lijsten geldig te verklaren; door daar geen gevolg aan te geven handelt gedaagde onrechtmatig jegens eisers.
  1. Het verweer

Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

  1. De Beoordeling

5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat de procedure voor wat betreft de kandidatenlijsten in verband met de algemene verkiezingen voor volksvertegenwoordigers een gesloten administratieve procedure is met eigen bezwaar- en beroepsmogelijkheden; de kantonrechter geldt niet als beroepsinstantie; waar de kantonrechter beroepsinstantie is maakt de kiesregeling daar melding van; om die reden moeten eisers niet-ontvankelijk verklaard worden;
  2. dat de President wel binnen de termijn van acht dagen heeft beslist en het besluit tijdig op 27 april 2020 heeft betekend aan eiseres sub D, de politieke organisatie; nu het beroepschrift is ingediend op het brievenhoofd van de politieke organsatie, en mede namens de politieke organisatie, mocht de President volstaan met het besluit te betekenen aan de politieke organisatie;
  3. dat de lijsten door het hoofdstembureau wel zijn gezonden naar de President; het zijn eisers die bij hun beroepschrift geen verificatoren hebben meegezonden waaruit zou blijken dat het hoofdstembureau een verkeerde conclusie heeft getrokken; de lijsten die door het hoofdstembureau zijn doorgestuurd voldeden niet aan de vereisten;
  4. dat gedaagde wel heeft gereageerd op de sommatie gestuurd door eisers en wel bij schrijven van 5 mei 2020.

5.2 Eisers hebben bij repliek aangevoerd dat zij erbij blijven dat de resolutie niet tijdig aan de eisers sub A, B en C is medegedeeld. Zij blijven verder bij hun vordering.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de eerste vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of er sprake is van onrechtmatig handelen zijdens gedaagde door de resolutie op 27 april 2020 slechts aan de eiseres sub D te doen betekenen en niet ook aan de eisers sub A, B en C. De tweede vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of de gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door te overwegen dat de politieke organisatie geen lijsten heeft overgelegd terwijl het hoofdstembureau de lijsten aan de President had moeten toezenden.

5.4 De kantonrechter overweegt voor wat betreft de eerste vraag alsvolgt: Uit de wetstekst betreffende het administratief beroep in de Kiesregeling (artikel 52, artikel 68 en artikel 83) blijkt dat de beslissing aan de appellant of aan appellanten moet worden toegezonden. Eisers stellen zich op het standpunt dat om die reden het besluit expliciet aan de eisers sub A, B en C had moeten worden toegezonden. Nu dat niet is gedaan, zo stellen zij, moet ervan uitgegaan worden dat er geen besluit is genomen.

5.5 De gedaagde heeft aangevoerd dat op het beroepschrift binnen de wettelijke termijn is beslist. Ook stelt gedaagde dat in de wet geen termijn is opgenomen waarbinnen het besluit ter kennisname van de appellant of appellanten moet worden gebracht. Nu in het beroepschrift slechts het adres van de politieke organisatie stond moet ervan uitgegaan worden dat de ondertekenaars ten kantore van de politieke organisatie, namens wie zij handelden, domicilie hebben gekozen. De gedaagde heeft derhalve niet onrechtmatig gehandeld door het besluit op 27 april 2020 te betekenen aan de politieke organisatie. Eisers hebben ook gesteld dat zij na die betekening kennis hebben gekregen van het besluit.

5.6 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde stelt, niet aannemelijk wordt dat gedaagde met de hiervoor genoemde procedure onrechtmatig heeft gehandeld dan wel in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het voornaamste doel van de bepaling dat het besluit moet worden betekend is dat de belanghebbende kennis neemt van het besluit. Gelijk gedaagde stelt blijkt niet uit het beroepschrift dat er andere adressen in stonden dan het adres van de politieke organisatie waar het om gaat. Dat de gedaagde het besluit doet betekenen op het adres dat in het beroepschrift staat is dan ook niet onbegrijpelijk. De kantonrechter acht hierdoor dat deel van de grondslag niet aannemelijk.

5.7 De kantonrechter overweegt voor wat betreft de tweede vraag alsvolgt:

5.8 Eisers voeren als grondslag aan dat het het hoofdstembureau is dat de ongeldig verklaarde lijsten had moeten opsturen. Zij voeren aan dat het om die reden in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wanneer in het besluit is opgenomen dat de ondertekening van de lijsten niet aannemelijk is gemaakt omdat door de politieke organisatie geen afschrift van de lijsten is toegevoegd.

5.9 De gedaagde voert hierop aan dat het hoofdstembureau wel de ongeldig verklaarde lijsten heeft opgestuurd. Om die reden heeft de gedaagde wel de juiste procedure gevolgd. De passage in het besluit met betrekking tot het meesturen van de lijsten met het beroepschrift heeft hiermee te maken dat de politieke organisatie documenten had moeten meesturen waaruit zou blijken dat de constatering van het hoofdstembureau niet juist was.

5.10 De kantonrechter overweegt dat aannemelijk is dat door de gedaagde wel de juiste procedure is gevolgd, immers, aannemelijk is dat het hoofdstembureau conform de wet de lijsten heeft toegezonden aan de President. De grondslag van het gevorderde is dan ook niet aannemelijk geworden waardoor de voorzieningen zullen worden geweigerd.

5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

  1. De beslissing

6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
dienende als gerecht in tuchtzaken tegen notarissen

BESCHIKKING IN HET INCIDENT

In de zaak van:

GROND-BOUW- HANDEL EN AGENTSCHAPPEN MAATSCHAPPIJ N.V. afgekort GROBOHAMA N.V.,
kantoorhoudende aan de J.A. Pengelstraat no. 137 te Paramaribo,
klaagster,
gevolmachtigde: [gevolmachtigde]

tegen

[beklaagde], notaris,
kantoorhoudende aan [adres] te Paramaribo,
beklaagde,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

Geeft het Hof van Justitie (hierna: het Hof) belast met de behandeling van tuchtklachten tegen notarissen op de voet van het bepaalde in artikel 44 van de Wet Notarisambt, (geldende tekst G.B. 1963 no. 39, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2006 no. 28), (hierna: WNA) de navolgende beschikking.

  1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • het klachtschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof op 20 oktober 2017;
  • het proces-verbaal van het verhoor van de gevolmachtigde van klaagster d.d. 24 november 2017;
  • het schriftelijk verweer van de beklaagde d.d. 25 oktober 2018;
  • de beschikking van het Hof d.d. 21 februari 2019 inhoudende de aanwijzing van de leden van de onderzoekskamer te weten mrs. D.D. Sewratan, A. Charan en I.S. Chhangur-Lachitjaran om de klacht te onderzoeken op de tuchtzitting;
  • de processen-verbaal van de behandeling ter tuchtzittingen gehouden op 16 mei 2019, 20 juni 2019, 11 juli 2019 en 17 oktober 2019;
  • het schrijven van de Procureur-Generaal d.d. 21 november 2019 met betrekking tot het incident;
  • het proces-verbaal van de mondelinge toelichting van het incident d.d. 05 december 2019;
  • de conclusie van antwoord in het incident d.d. 09 januari 2020 van de zijde van de beklaagde;
  • de conclusie van antwoord in het incident d.d. 16 januari 2020 van de zijde van klaagster;

1.2 De datum van de beschikking in het incident is bepaald op heden.

  1. De beoordeling in het incident

2.1 Het opgeworpen incident door de Procureur-Generaal richt zich op het navolgende:
In artikel 109 van de wet van 01 oktober 2019, houdende regels met betrekking tot de uitoefening van het notarisambt (hierna: Wet Notarisambt 2019), is onder andere bepaald dat de WNA bij de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 wordt ingetrokken. Ingevolge het bepaalde in artikel 54 lid 4 van de Wet Notarisambt 2019 wordt de tuchtrechtspraak voor de notarissen en kandidaat-notarissen in eerste aanleg opgedragen aan het Tuchtcollege voor het notariaat, en in hoger beroep aan het Hof. In artikel 108 lid 4 van de Wet Notarisambt 2019 (bij de overgangs- en slotbepalingen) is bepaald dat klachten met betrekking tot notarissen en kandidaat-notarissen die bij de inwerkingtreding van deze wet reeds zijn ingesteld bij het Hof, doch waarvan de behandeling door het Hof nog niet heeft plaatsgevonden, met inachtneming van artikel 64, door het Hof kunnen worden overgebracht naar het Tuchtcollege.

2.2 De Procureur-Generaal heeft aangevoerd dat in de Wet Notarisambt 2019 geen voorzieningen zijn getroffen omtrent de bevoegdheid van de Procureur-Generaal inzake de tuchtzaken die reeds in behandeling zijn bij het Hof. Op grond van het voorgaande heeft de Procureur-Generaal geconcludeerd tot aanhouding van de verdere behandeling van de onderhavige zaak totdat de wetgever de nodige voorzieningen heeft getroffen in de vorm van “reparatiewetgeving”.

2.3 De gemachtigde van beklaagde heeft geconcludeerd tot het overnemen van het besluit van de Procureur-Generaal.
De gemachtigde van klaagster heeft geconcludeerd dat het Hof het incident verwerpt en de zaak afhandelt conform de WNA.

2.4 In de visie van het Hof kan de wetgever niets anders bedoeld hebben dan, dat klachten die reeds in behandeling waren bij het Hof op basis van de WNA ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 op de voet van de WNA dienen te worden afgehandeld. Het voorgaande leidt het Hof, onder andere, af uit het woord “kunnen” in artikel 108 lid 4 van de Wet Notarisambt 2019 zoals hiervoor vermeld. Daaruit destilleert het Hof dat de wetgever niet imperatief heeft voorgeschreven dat de ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 reeds ingediende maar nog niet in behandeling genomen klachten naar het Tuchtcollege dienen te worden doorgestuurd. Het Hof leest in voormelde wetsbepaling de facultatieve mogelijkheid dat het Hof deze klachten eventueel ook zelf zou kunnen afhandelen op basis van de WNA. Meer reden voor deze uitleg vindt het Hof in de grondwettelijke bepaling neergelegd in het roemruchte artikel 131 lid 3 luidende: “Elke inmenging inzake de opsporing en de vervolging en in zaken bij de rechter aanhangig, is verboden.” Aangezien deze grondwettelijke bepaling ook geldt voor zaken bij de notariële tuchtrechter aanhangig, gaat het Hof ervan uit dat de wetgever nimmer de bedoeling kan hebben gehad om reeds bij het Hof aanhangige tuchtzaken in de wielen te rijden door wetgeving te maken die daartoe zou leiden.

Terzake afhandeling door het Hof van reeds in behandeling zijnde zaken ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe notariswet (en dus de intrekking van de WNA), komt de vraag op, op grond van welke regeling deze afhandeling dient te geschieden. Helaas biedt de Memorie van Toelichting op de Wet Notarisambt 2019 geen soelaas hieromtrent en is het aannemelijk dat het in casu gaat om een – zoals de Procureur-Generaal dat heeft aangegeven – omissie van de zijde van de wetgever. De redenering dat door de intrekking van de WNA bij de inwerkingtreding van de Wet Notarisambt 2019 geen fundament meer is om de reeds in behandeling zijnde klachten op de voet van de WNA af te handelen en dat gewacht zou moeten worden op “reparatiewetgeving” gaat in de visie van het Hof mank. Het Hof stelt vast dat de WNA is ingetrokken, dat de Wet Notarisambt 2019 in werking is getreden, dat de in de laatstgenoemde wet voorkomende overgangsbepalingen geen houvast bieden ten aanzien van reeds in behandeling zijnde tuchtklachten bij het Hof en dat er in casu derhalve sprake is van een lacune in de wet.

2.5 De vraag die dan aan de orde komt is hoe in die lacune dient te worden voorzien. Dient dat aan de wetgever te worden overgelaten of kan de rechter casu quo het gerecht zelf in die lacune voorzien? In de visie van het Hof ligt het op de weg van de rechter casu quo het gerecht om in die lacune te voorzien. Daarbij spelen praktische overwegingen – zoals in casu het herstellen van een “abuis” – alsmede overwegingen van redelijkheid een belangrijke rol. In dergelijke gevallen dient de oplossing te worden aanvaard die past in het Surinaamse stelsel van de wet en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen. Daarenboven kan ingevolge het bepaalde in artikel 14 van de Wet Algemene Bepalingen de rechter die weigert recht te spreken onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wettelijke regelingen uit hoofde van rechtsweigering vervolgd worden.

2.6 Gelet op al het voorgaande is de slotsom gerechtvaardigd dat het praktisch en ook redelijk is dat in het kader van de grondwettelijk opgedragen taak van het Hof de reeds in behandeling zijnde tuchtklachten dienen te worden behandeld en afgehandeld conform in de WNA neergelegde procedure. De tuchtprocedure heeft conform de WNA eveneens strafvorderlijke aspecten met daarin een duidelijke rol voor de Procureur-Generaal. De WNA heeft in de visie van het Hof onverkorte gelding ten aanzien van reeds in behandeling zijnde tuchtklachten bij het Hof. De actieradius van de Wet Notarisambt 2019 strekt zich naar het oordeel van het Hof derhalve niet uit tot reeds in behandeling genomen tuchtklachten tegen (kandidaat-) notarissen. Het is in de visie van het Hof derhalve in strijd met de redelijkheid en billijkheid alsmede met de rechtszekerheid om – conform het voorstel van de Procureur-Generaal – te wachten op een aanvulling van de Wet Notarisambt 2019 aangezien de realiteit heeft geleerd dat een dergelijke aanvulling van de wet nogal lang op zich kan laten wachten. Dat laatste is in casu totaal onacceptabel aangezien ook tuchtklachten tegen notarissen binnen redelijke termijn dienen te worden behandeld en afgehandeld.

2.7. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot het oordeel dat het door de Procureur-Generaal opgeworpen incident dient te worden verworpen en de behandeling van de tuchtklacht dient te worden hervat en voortgezet in de stand waarin het zich bevond vόόr het incident, te weten repliek zijdens de Procureur-Generaal. Met voorgaande vaststelling wordt hetgeen de gemachtigde van beklaagde ter ondersteuning van het door de Procureur-Generaal opgeworpen incident heeft aangevoerd eveneens geacht te zijn besproken en verworpen.

3. BESCHIKKENDE:

Het Hof :
En alvorens verder te beslissen:

3.1. Verwerpt het door de Procureur-Generaal opgeworpen incident.

3.2. Bepaalt dat de behandeling van de tuchtklacht dient te worden hervat en voortgezet in de stand waarin het zich bevond vόόr het incident, te weten repliek zijdens de Procureur-Generaal.

3.3. Bepaalt dat de zaak daartoe zal worden afgeroepen ter rolle van de terechtzitting van donderdag 28 mei 2020 des voormiddags om 11.00 uur.

3.4. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, waarnemend President, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, Vice-President, mr. D.D. Sewratan, mr. A. Charan, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, mr. S.M.M. Chu, mr. M.C. Mettendaf, mr. S.S.S. Wijnhard, mr. R.G. Chatterpal, mr. M.V. Kuldip Singh, mr. D.G.W. Karamat Ali, mr. G.L. de Miranda, mr. R.M. Praag en mr. S. Punwasi, allen Leden van het Hof van Justitie, en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op donderdag 30 april 2020, in tegenwoordigheid van C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier

SRU-K1-2020-10

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 201180
18 mei 2020

Vonnis in de zaak van

 

CAIRO, RODNEY ALEXANDER, domicilie kiezende aan [adres] te [woonplaats], ten kantore van zijn raadsman,
gemachtigde: mr. V.S. Balradj, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

SLOOTEN, KENNETH, wonende aan [adres] te [woonplaats],
gemachtigde: mr. R. R. Lobo, advocaat,
gedaagde in kort geding.

  1. Het proces verloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 29 april 2020 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van eis,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Eiser is DNA-kandidaat voor een politieke partij in Suriname voor de verkiezingen van 25 mei 2020.

2.2 Naar aanleiding van een geweldsincident bij eiser thuis op 16 april 2020 loopt er thans een politioneel onderzoek.

2.3 Gedaagde heeft op 21 en 24 april 2020 naar aanleiding van het incident bij eiser thuis en het politioneel onderzoek in een programma op de radio uitlatingen gedaan over eiser.

2.4 Eiser heeft naar aanleiding van de uitlatingen van gedaagde op 22 april 2020 aangifte gedaan tegen gedaagde wegens, onder andere, smaad en laster.

  1. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • gedaagde beveelt om binnen 3 werkdagen na betekening van het vonnis op zijn kosten de in het petitum opgenomen verontschuldiging te doen plaatsen in de dagbladen de Ware Tijd, Times of Suriname en de website van Starnieuws en te doen omroepen met eigen stem via radio Apintie, Bakana Torie TV met Limbo, radio ABC, ATV televisie, de STVS en RBN televisie:
  • gedaagde beveelt om binnen 1 x 24 uur na betekening van het vonnis alle uitingen zoals opgesomd alsmede eventuele andere door hem gedane uitingen via het internet of enig ander openbaar medium met vergelijkbare strekking te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden;
  • gedaagde verbiedt om zich op enige wijze via internet of via enig ander openbaar medium over eiser uit te laten, althans zich uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals in het lichaam van het verzoekschrift omschreven;
  • gedaagde beveelt om, indien mocht blijken dat elders opnieuw via internet of een openbaar medium vergelijkbare uitingen die eiser betreffen worden verspreid, op eerste verzoek van eiser zich in te zetten om binnen 12 uur na het eerste verzoek het medium kenbaar te maken dat de uitingen verwijderd dienen te worden;
  • één en ander op straffe van een dwangsom,
  • gedaagde veroordeelt om aan eiser te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te vorderen schadevergoeding en voor kosten rechtsbijstand begroot op EUR.15.000,=, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen bedrag;
  • gedaagde veroordeelt om aan eiser te voldoen een voorschot op de in de bodemprocedure te vorderen immateriële schadevergoeding begroot op EUR.5.000,=, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen bedrag,
  • gedaagde veroordeelt in het salaris van de gemachtigde en in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag

Eiser voert als grondslag aan dat hij door de uitlatingen van gedaagde materiële en immateriële schade lijdt. Hij voert aan dat hij kandidaat is voor de politieke partij Strei!. De verkiezingen vinden plaats op 25 mei 2020 en de kiezers worden door de uitlatingen van gedaagde misleidt. De uitlatingen zijn smadelijk en lasterlijk. Voor de uitlatingen door gedaagde gedaan is er geen enkele ondersteuning. Hij is nimmer veroordeeld. Op grond van de artikelen 1386 jo 1393 en 1394 en 1401 BW is gedaagde gehouden zijn verontschuldigingen aan te bieden en de schade die de smadelijke en lasterlijke uitlatingen veroorzaken te vergoeden.

  1. Het verweer

Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

  1. De Beoordeling

5.1 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat schadevergoedingsvorderingen niet toegewezen kunnen worden in kort geding; daarvoor zal de eiser bij de bodemrechter een vordering moeten instellen; immers, de schadeposten zijn helemaal niet onderbouwd; daarnevens is het helemaal niet juist dat de eiser schade heeft geleden en blijkt nergens uit dat gedaagde aansprakelijk zou zijn voor schade;
  2. dat de eiser niet aangeeft wat het spoedeisend belang is dat hij zou hebben; ook om die reden dient hij de vordering aan de bodemrechter voor te leggen;
  3. dat de uitspraken van de gedaagde politieke analyses zijn die hij als politiek analist heeft gedaan na persoonlijke ervaringen met eiser en nadat hij informatie heeft vergaard;
  4. dat de informatie die gedaagde naar voren heeft gebracht reeds naar buiten was gebracht via andere sociale media; de informatie van eiser lag reeds lang op straat;
  5. dat met de uitspraken de kiezers niet zijn misleid; ook was het niet de bedoeling van gedaagde om de kiezers te misleiden; dat blijkt ook niet uit het betoog van gedaagde;
  6. dat de informatie niet kan worden gekwalificeerd als laster; de informatie is afkomstig van de militaire politie en het ministerie van defensie; indertijd heeft gedaagde een bemiddelende rol gehad bij een conflict dat was ontstaan tussen eiser en vier collega’s enerzijds en de minister van defensie anderzijds; de vijf militairen waren ontevreden en wilden een coup plegen; gedaagde heeft toen eiser en de collega’s ontvangen op het kabinet van de President voor de bemiddeling; eiser bleef echter tegen de minister rebelleren en wenste geen gebruik te maken van de mogelijkheid om zijn diensten voor het ministerie voort te zetten; de minister heeft hem toen op grond van muiterij ontslagen; dat er sprake was van een voornemen om een coup te plegen zal blijken uit getuigenverhoren;
  7. dat eiser tegen beter weten in in programma’s verklaart dat hij nimmer bij gedaagde op kantoor is geweest; ook hiervoor zullen getuigenverhoren noodzakelijk zijn;
  8. dat de uitspraken over de criminele organisatie die de inval bij de eiser heeft opgezet niet op zichzelf staan; de uitspraken zijn gebaseerd op informatie van het Directoraat Nationale Veiligheid, hierna DNV; de eiser was namelijk reeds geruime tijd onderwerp van onderzoek; uit de resultaten van het onderzoek zal zeer waarschijnlijk blijken dat eiser onderdeel is van een criminele organisatie en dat de inval bij hem daarmee te maken heeft; ook zal zeer waarschijnlijk blijken dat hij een gevaar vormt voor de gemeenschap;
  9. dat eiser verdachte is in een wapenhandel en wapenimport zaak; het feit dat hij nooit is veroordeeld doet daar niets aan af; er is geen sprake geweest van het seponeren van de zaak waardoor het een feit is dat hij verdachte is; er kan dan ook geen sprake zijn van smaad of laster;
  10. dat eiser, die zich in de politieke arena begeeft, toleranter zal moeten zijn wanneer het uitspraken over hem betreft, immers, het is verwachtbaar dat politici over en weer met vuil zullen smijten;
  11. dat de uitspraken van gedaagde juist wel ondersteund worden door verschillende bronnen;
  12. dat eiser stelt dat geen van de aantijgingen op waarheid berust; deze stelling is niet juist; in de bodemprocedure zal gedaagde met getuigen aantonen dat de informatie die naar voren is gebracht wel juist is; in het programma “In de branding” op Apintie heeft eiser aangegeven dat hij niet gaat zeggen waarom hij was aangehouden; hiermee erkent eiser dat hij is aangehouden en dat de informatie van gedaagde juist is; ook verklaart eiser in het zelfde programma dat hij een wapen wilde kopen met vergunning en dat er afspraken waren gemaakt over het wapen en de betaling bij een supermarkt; ook hieruit blijkt dat de informatie van gedaagde juist is, immers, men koopt geen wapen met vergunning; een vergunning is strikt persoonlijk;
  13. dat nog onderzoek wordt gepleegd naar de verschillende verklaringen die zijn afgelegd; ook wordt nog onderzoek gepleegd naar de kwestie van de wapens in 2016; om die reden kan niet worden aangenomen dat er sprake is van onwaarheden.

5.2 Eiser heeft op het verweer gereageerd waarbij hij onder andere aanvoerde dat hij wel een spoedeisend belang bij de vordering heeft omdat hij een politieke carrière ambieert en de uitlatingen van gedaagde hem negatief in beeld brengen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat personen ervoor kiezen niet op eiser te stemmen. Ook blijkt uit de rechtspraak dat vorderingen op grond van belediging vaker in kort geding worden behandeld. Eiser verwijst naar rechtspraak waarin de rechter ingaat op de toets die aan de orde is bij de vordering op grond van onrechtmatige daad. Eiser betwist dat er eerder informatie over hem naar buiten is gekomen. Ook betwist hij dat hij is ontslagen vanwege muiterij. Gedaagde heeft opzettelijk tijdens de radio programma’s een andere weergave gegeven van de feiten. Eiser betwist dat er een onderzoek tegen hem loopt in opdracht van de inlichtingendiensten. Ook betwist hij hetgeen gedaagde naar voren brengt met betrekking tot de inval en de wapenhandel. Eiser stelt dat de uitspraken wel schade toebrengen aan zijn eer en goede naam. Hij wordt door gedaagde neergezet als een couppleger, een illegale wapenhandelaar en een gevaar voor de nationale veiligheid. Dit zijn zeer ernstige aantijgingen die op geen enkele wijze door gedaagde zijn onderbouwd. Er is daarom wel sprake van smaad en laster.

5.3 Gedaagde is bij dupliek gebleven bij zijn weren. Daarbij voert hij aan dat eiser wel is ontslagen wegens muiterij, dat de informatie reeds naar buiten was gekomen via andere media en dat de uitspraken gebaseerd zijn op feiten die blijken uit onderzoeken. Gedaagde voert voorts aan dat eiser naar rechtspraak verwijst waarmee eiser zelf aangeeft dat er diepgaand onderzoek noodzakelijk is.

5.4 De kantonrechter acht, gezien het feit dat eiser stelt dat de uitlatingen invloed kunnen hebben op de keus van kiezers bij de verkiezingen, de vordering wel spoedeisend, waardoor eiser zal worden ontvangen in zijn vordering.

5.5 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of gedaagde tijdens de interviews uitspraken heeft gedaan die kunnen worden aangemerkt als beledigend en schadelijk voor de eer, de goede naam en de maatschappelijke reputatie van eiser en of gedaagde op grond van de artikelen 1393 tot en met 1397 BW gehouden is daarvoor zijn verontschuldigingen aan te bieden en de eventuele schade te vergoeden die als gevolg van de uitspraken is toegebracht aan eiser.

5.6 De toets die voortvloeit uit de artikelen 1393 BW en 1397 BW is die of er sprake is van schending van de eer en goede naam van de verzoeker door de publicatie of de uitlatingen en of het publiceren of het uitlaten als een onrechtmatig handelen moet worden aangemerkt. Artikel 1397 BW bepaalt dat het oogmerk om te beledigen niet wordt aangenomen indien er is gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

5.7 Bij de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen komt in dit soort zaken de botsing aan de orde tussen twee fundamentele rechten, het recht op vrije meningsuiting van een burger, in casu gedaagde, en wel het recht van een politiek analist om analyses te maken omtrent kwesties die spelen in de samenleving enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam van een burger waarbij een burger erop mag vertrouwen dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen door andere burgers, in casu het recht van eiser op bescherming van zijn eer, goede naam en maatschappelijke reputatie (vide: “Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek boek 6; zevende druk pagina 2479).

5.8 In casu moet worden beoordeeld of gedaagde bij het gebruik van zijn recht niet de grens van het rechtmatige heeft overschreden.

5.9 Welke van de twee belangen de doorslag behoort te geven hangt af van omstandigheden die door de rechtspraak (HR 1984 no. 801) alsvolgt zijn geformuleerd (vide eveneens: “Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek boek 6; zevende druk pagina 2480)

  1. de aard van de gepubliceerde verdenkingen;
  2. de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben,
  3. de ernst van de misstand welke de publicatie, in casu welke gedaagde in de interviews, aan de kaak probeert te stellen;
  4. de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal;
  5. de inkleding van de verdenkingen,
  6. de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;
  7. de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten ter beschikking stelling aan de pers, in casu zonder de uitlatingen van gedaagde tijdens de programma’s, in de publiciteit zou zijn gekomen.

Indien na een beoordeling van de hiervoor genoemde omstandigheden blijkt dat het belang van eiser de doorslag moet geven zal de uitlating van gedaagde als onrechtmatig moeten worden aangemerkt en zal een rectificatie moeten worden bevolen. Indien het belang dat gedaagde dient de doorslag moet geven zal de publicatie niet als onrechtmatig worden aangemerkt.

5.10 De gewraakte uitspraken van gedaagde luiden blijkens het inleidend verzoekschrift als volgt:

  1. ”een twee jaar geleden kreeg ik informatie over groene baretters die een coup wilden gaan plegen….. ik kreeg namen en telefoonnummers ……hierna moesten de heren zich melden bij de minister …. Cairo had toen al een andere agenda … “
  2. “…. om aan te tonen dat Cairo een gevaarlijk speler is, … wij zien een beweging in het drugscircuit, alla sort fromoe in criminele organisaties….”
  3. “…. is het een inval van DNV of is het een inval opgezet door de trawanten van de criminele organisatie. Want dat kan ook…..”
  4. “u moet hem niet als een politicus zien, ook niet als soldier, hij is een subject waarvan er informatie is dat hij mogelijk de staatsveiligheid in gevaar kan brengen ….. “
  5. “…. heeft Cairo in 2016 in vrijheid gesteld…..Illegale wapenhandel en illegale wapenimport.. het dossier is er …. ik kan zorgen voor een ander dossier … hij was aangehouden bij de MP….. alle informatie wijst in de richting van Cairo, hard.. “

5.11 Deze uitspraken toetsend komt de kantonrechter tot het oordeel dat de uitspraken van gedaagde de suggestie wekken dat eiser een persoon is die een coup wilde plegen, dat hij een gevaarlijke speler is waaromheen bewegingen te zien zijn van het drugscircuit en criminele organisaties, waarbij het de vraag is of trawanten van de criminele organisatie niet de inval hebben opgezet, dat hij iemand is die de staatsveiligheid in gevaar kan brengen en dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan illegale wapenhandel en wapenimport.

5.12 Bij de beoordeling van de omstandigheden zoals in de rechtspraak ontwikkeld, wordt het volgende aannemelijk:

5.12.1 de aard van de gepubliceerde verdenkingen: zoals hierboven reeds opgemerkt suggereren de uitspraken dat eiser een coup wilde plegen en zich in het verleden en in het heden bezig hield met criminele organisaties; voorts dat hij mogelijk een gevaar is voor de staatsveiligheid; eiser heeft steeds in reactie op de uitlatingen van gedaagde aangegeven dat hij nimmer een coup wilde plegen en nimmer criminele handelingen heeft gepleegd; met betrekking tot de aanhouding in 2016 heeft hij tijdens het interview op Apintie verklaard dat er geen sprake was van een misdrijf en dat de vervolging dat op een gegeven moment ook heeft aangenomen waardoor hij niet verder is vervolgd; hetgeen door gedaagde wordt gesuggereerd wordt door eiser ontkend; aannemelijk is dat deze uitlatingen beledigend van aard zijn.

5.12.2 de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben: de gevolgen van deze verdenkingen voor eiser zijn dat hij publiekelijk is neergezet als een persoon, die een coup wilde plegen, die zich in het verleden en in het heden bezig houdt met criminele organisaties en dat hij mogelijk een gevaar is voor de staatsveiligheid; aannemelijk is dat de uitspraken als gevolg kunnen hebben dat de eer en goede naam van eiser worden geschaad; ook is aannemelijk dat de uitspraken als gevolg kunnen hebben dat zijn maatschappelijke reputatie als kandidaat DNA-lid schade oploopt.

5.12.3 de ernst van de misstand welke gedaagde met zijn uitlatingen aan de kaak probeert te stellen: de uitlatingen zijn gedaan tijdens twee interviews op de radio; bij dit onderdeel van de toets is belangrijk wat het belang was dat gedaagde had bij het doen van de uitlatingen; dat belang moet blijken uit de reden van de uitlatingen, dan wel welk punt gedaagde aan de kaak wilde stellen tijdens de interviews; tijdens de interviews heeft gedaagde gesproken als politiek analist waarbij hij onder andere – zakelijk weergegeven – alsvolgt verklaart: “… ik vind het nodig om te reageren omdat als je niet reageert gaan dingen hun eigen leven leiden en dat moet voorkomen worden; want als je de eerste berichten leest dan denk je dat er een criminele aktie plaats heeft gevonden tegen de heer Cairo terwijl als je de kwestie bekijkt aan de hand van hoe het plaats heeft gevonden dan blijkt dat er geen sprake is van een criminele zaak; ……… en er kwam een reactie van onder andere de voorzitter van Strei! alsof het betrof een aanval op Strei!; zij noemt de politicus de tweede man van Strei! en als iemand niet goed luistert dan denk je dat de huidige regering Strei! als rivaal ziet …..”; de kantonrechter begrijpt uit het voorgaande dat de gedaagde aan de orde stelde dat er geen sprake is geweest van een bedreiging of intimidatie poging vanwege politieke redenen; in zijn verklaringen ging hij in op wat er, zoals hij zelf stelt, daadwerkelijk aan de orde is; hij stelde dat dat nodig is omdat anders zaken hun eigen leven gaan leiden; hij voerde aan dat er sprake is van een onderzoek door het DNV, dat niets te maken had met de politieke aspiraties van eiser en dat de inlichtingendiensten als taak hebben de staatsveiligheid in de gaten te houden; hij is ingegaan op een kwestie uit 2016 toen eiser is aangehouden; voorts is hij ingegaan op een kwestie uit 2018 toen hij als bemiddelaar heeft opgetreden in verband met een geschil dat was ontstaan tussen vijf militairen en de leiding van het ministerie van defensie; verder is hij ingegaan op hetgeen uit de onderzoeken van het DNV is gebleken; de kantonrechter overweegt dat het binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting valt om, zoals gedaagde aangeeft, tijdens een interview aan te geven dat er geen sprake is van een bedreiging of intimidatie poging om politieke redenen en in dat interview ook aan te geven wat er eigenlijk wel aan de hand is; ook is het geoorloofd om daarbij uitlatingen te doen omtrent de personen die betrokken zijn bij hetgeen beschreven wordt, echter, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met het feit dat ook zij recht hebben op de bescherming van hun eer en goede naam.

5.12.4 de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal; het feitenmateriaal waarop gedaagde de passages betreffende eiser steunt zijn volgens zijn verweer ervaringen van hem zelf uit 2018, resultaten uit onderzoek van de MP in 2016 en resultaten uit het onderzoek van het DNV waar hij kennis van draagt; beoordeeld moet worden of de uitlatingen worden ondersteund door de producties waarmee gedaagde zijn stellingen heeft onderbouwd;

ten aanzien van de eerste uitlating:
a.”een twee jaar geleden kreeg ik informatie over groene baretters die een coup wilden gaan plegen….. ik kreeg namen en telefoonnummers ……hierna moesten de heren zich melden bij de minister …. Cairo had toen al een andere agenda … “;
hiervoor heeft gedaagde verwezen naar zijn eigen waarnemingen en kennis, namelijk dat hij betrokken was bij het bemiddelen tussen de militairen en de leiding van het ministerie; hij voert aan dat hij gesprekken heeft gehad met eiser en de vier anderen en dat hij uit dien hoofde ervan op de hoogte is dat Cairo met de vier anderen een coup wilde plegen; hij voert aan dat er getuigen zijn die dat kunnen beamen; hij verwijst verder naar een artikel dat is overgelegd door hem van 4 augustus 2018 getiteld: “Minister Benschop met ziekteverlof; rechtzaak gaande”; eiser heeft op deze aantijging gereageerd; hij erkent dat er sprake was van ontevredenheid en dat er gesprekken zijn geweest; echter betwist hij dat er sprake ervan was dat hij en de vier anderen een coup wilden plegen;
de kantonrechter overweegt met betrekking tot deze uitlating, dat uit de stellingen en weren van eiser en gedaagde en uit het overgelegde artikel, aannemelijk wordt dat gedaagde toentertijd betrokken was bij een bemiddelingspoging in een conflict tussen eiser en vier andere collegas en de minister van defensie; er zal diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden, onder andere met getuigenverhoren, alvorens een oordeel kan worden gevormd; om die reden zal eerst een diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden alvorens geoordeeld kan worden over de vraag in hoeverre gedaagde met de uitlating de grens van het rechtmatige heeft overschreden.

ten aanzien van de tweede uitlating:
b. “…. om aan te tonen dat Cairo een gevaarlijk speler is, … wij zien een beweging in het drugscircuit, alla sort fromoe in criminele organisaties….”;
voor deze uitlating verwijst gedaagde naar informatie die hij heeft verkregen uit het onderzoek van het DNV en het feit dat er een onderzoek gaande is door het DNV; hij verwijst ernaar dat zowel de directeur van het DNV en de korpschef te kennen hebben gegeven dat de kwestie nog in onderzoek is; die verklaringen zijn door gedaagde overgelegd; eiser betwist dat er onderzoek plaatsvindt vanwege criminele organisaties; hij voert aan dat het DNV en de minister van defensie uit zijn op bewijsmiddelen die hij heeft over het functioneren van hun en dat om die reden het DNV thans bezig is met onderzoek;
de kantonrechter overweegt dat omtrent deze kwestie een aantal producties zijn overgelegd waaronder verklaringen van de directeur van het DNV, de korpschef, de PG, leiders van verschillende politieke organisaties, en voorts face book afbeeldingen;
de kantonrechter is van oordeel dat geen van de overgelegde producties erop wijzen dat Cairo een gevaarlijke speler is en dat Cairo zich bezig houdt met criminele organisaties; deze uitlating wordt daarom niet voldoende ondersteund door aannemelijke feiten.

ten aanzien van de derde uitlating:
c. “…. is het een inval van DNV of is het een inval opgezet door de trawanten van de criminele organisatie. Want dat kan ook…..”;
ten aanzien van deze uitlating is uit de verklaringen van gedaagde uit het interview te begrijpen dat gedaagde zelf de conclusie heeft getrokken dat het een inval zou moeten zijn door trawanten van de criminele organisatie; uit geen van de overgelegde producties, ook niet uit de verklaringen van de directeur van het DNV of de korpschef wordt aannemelijk dat de inval zou zijn opgezet door trawanten uit een criminele organisatie; om die reden wordt deze uitlating niet voldoende ondersteund door aannemelijke feiten.

ten aanzien van de vierde uitlating:
d. “u moet hem niet als een politicus zien, ook niet als soldier, hij is een subject waarvan er informatie is dat hij mogelijk de staatsveiligheid in gevaar kan brengen ….. “;
gedaagde beroept zich voor wat betreft deze uitlating ook op informatie die hij heeft uit het DNV onderzoek; echter, dat wordt betwist door eiser; voor deze uitlating geldt hetzelfde als voor de tweede uitlating;
ook omtrent deze kwestie is een aantal producties overgelegd waaronder verklaringen van de directeur van het DNV, de korpschef, de PG, leiders van verschillende politieke organisaties, en voorts face book afbeeldingen;
de kantonrechter is van oordeel dat geen van de overgelegde producties erop wijzen dat eiser staatsgevaarlijk is waardoor ook deze uitlating onvoldoende ondersteund is door aannemelijke feiten.

ten aanzien van de vijfde uitlating:
e. “…. heeft Cairo in 2016 in vrijheid gesteld…..Illegale wapenhandel en illegale wapenimport het dossier is er …. ik kan zorgen voor een ander dossier … hij was aangehouden bij de MP….. alle informatie wijst in de richting van Cairo, hard..”;
gedaagde beroept zich voor wat deze uitlating betreft op twee documenten, namelijk een cv waaruit een arrest door de MP blijkt wegens oplichting en verduistering en een overzicht van de recherche administratie waaruit eveneens een arrestatie blijkt;
eiser heeft in een interview aangegeven dat hij inderdaad was aangehouden in 2016 in verband met een zaak die met een wapen te maken had; alhoewel voor een volledig beeld van de toedracht van de aanhouding diepgaand onderzoek noodzakelijk zou zijn is vooralsnog door gedaagde aannemelijk gemaakt dat de uitlating ondersteund wordt door feiten.

5.12.5 de inkleding van de verdenkingen: de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan door gedaagde is reeds hierboven aangegeven. Het komt erop neer dat aannemelijk is dat gedaagde in zijn verklaringen eiser daadwerkelijk in verband heeft gebracht met criminele organisaties en misdrijven. Ook heeft gedaagde verklaard dat eiser waarschijnlijk een gevaar vormt voor de staatsveiligheid.

5.12.6 de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;
naar het oordeel van de kantonrechter is het zeer waarschijnlijk dat gedaagde het nagestreefde doel langs andere, voor eiser minder schadelijke wegen, had kunnen bereiken; primair wilde gedaagde aan de orde stellen dat er geen sprake was van politieke intimidatie en dat het misschien niet eens een inval was van het DNV; daar had de gedaagde uitgebreid op in kunnen gaan zonder uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eiser konden schaden; vooral nu daar het door gedaagde genoemde onderzoek naar de betrokkenheid van eiser bij criminele organisaties en het onderzoek naar staatsgevaarlijke activiteiten door andere instanties wordt gedaan, dit onderzoek naar zeggen van gedaagde nog gaande is en het resultaat van het onderzoek, mocht daar daadwerkelijk sprake van zijn, na afloop van het onderzoek eerst door het DNV of de opsporing of de vervolging bekend zou moeten worden gemaakt; de uitlatingen van gedaagde hieromtrent zijn om die reden onvoldoende op feiten gebaseerd; gedaagde heeft met deze uitlating dan ook de grens van het rechtmatige overschreden.

5.12.7 de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten uitlatingen tijdens de interviews, in de publiciteit zou zijn gekomen:
de kantonrechter overweegt dat gedaagde stelt dat de informatie zoals opgenomen in de gewraakte uitlatingen vóór de interviews op 21 en 24 april 2020 reeds via social media bij het publiek bekend was gemaakt; indien dat werkelijk het geval zou zijn, is gedaagde zijn verweer, dat hem niet kan worden verweten dat hij de goede naam en eer zou hebben geschonden door de uitlatingen, gegrond, immers, de informatie over eiser, was reeds via andere media bij het publiek terecht gekomen.
De kantonrechter zal naar aanleiding van de overgelegde producties en de stellingen en weren moeten beoordelen in hoeverre aannemelijk is gemaakt dat de informatie eerder reeds via andere media bij het publiek terecht was gekomen; het betreft de informatie opgenomen in de uitlatingen genoemd onder punt 5.10 b, c en d, immers, de kantonrechter heeft hiervoor onder 5.12.4 reeds geoordeeld over de uitlatingen onder punt 5.10 a en e.
De uitlatingen onder b, c en d betreffen de uitlatingen die betrekking hebben op het onderzoek door het DNV en de inval in de ochtend van 16 april 2020; de kantonrechter overweegt dat uit geen van de producties blijkt dat eerder over de onderzoeken van het DNV en over de inval van 16 april 2020 via andere media informatie over eiser is gepubliceerd; om die reden is het naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk dat de informatie die door gedaagde is genoemd in de interviews, eerder via andere media bij het publiek bekend was gemaakt.

5.13 De kantonrechter overweegt dat onder de hiervoor getoetste omstandigheden aannemelijk wordt dat het belang dat eiser heeft bij bescherming van zijn eer, zijn goede naam en zijn maatschappelijke reputatie zwaarder moet wegen dan het belang dat gedaagde had bij het doen van de uitlatingen tijdens de interviews; gedaagde had slechts als doel om aan de orde te stellen dat er geen sprake is geweest van een bedreiging of intimidatie poging vanwege politieke redenen doch dat er sprake was van een onderzoek door het DNV, dat niets te maken had met de politieke aspiraties van eiser; het is geoorloofd om dat te doen doch daarbij was het niet noodzakelijk dat gedaagde uitlatingen deed over betrokkenheid van eiser bij criminele organisaties of staatsgevaarlijke activiteiten terwijl dat niet voldoende werd ondersteund door de door gedaagde aangevoerde feiten.

5.14 De kantonrechter is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat gedaagde met de uitlatingen genoemd onder 5.10 onder b, c en d de grens van het rechtmatige heeft overschreden en dat gedaagde op grond van de wet gehouden is zich voor de uitlatingen te verontschuldigen, waardoor gedaagde veroordeeld zal worden om deze te rectificeren, zoals in het dictum te melden, met dien verstande dat de rectificatie zal worden bevolen in de Ware Tijd, Times of Suriname, op Starnieuws, Radio Apintie, Radio ABC, RBN Televisie en Bakana Torie TV met Limbo, achtende de kantonrechter zulks, voor wat betreft het bereik van de rectificatie, voldoende. Voorts zal gedaagde worden veroordeeld om andere gedane uitingen via internet met een vergelijkbare strekking te verwijderen, te doen verwijderen en verwijderd te houden. Ook zal het gedaagde verboden worden om zich wederom op vergelijkbare wijze uit te laten.

5.15 Eiser vordert voorts dat gedaagde wordt veroordeeld om aan hem een schadevergoeding te betalen van EUR.15.000,= en EUR.5.000,= aan materiële en immateriële schade. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de schade niet is onderbouwd.

5.16 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde stelt, de schade niet is onderbouwd waardoor deze niet aannemelijk is gemaakt en zal worden geweigerd.

5.17 Met betrekking tot de gevorderde advocaatkosten en proceskosten is de kantonrechter van oordeel dat, nu aannemelijk is geworden dat gedaagde met een deel van de uitlatingen de grens van het rechtmatige heeft overschreden en gedaagde op grond van de wet gehouden is zich te verontschuldigen, gedaagde tevens gehouden is de kosten te vergoeden die eiser heeft moeten maken om een vordering in te stellen tegen gedaagde strekkende tot rectificatie van de beledigende uitlatingen. Om die reden zullen de gevorderde advocaatkosten en proceskosten worden toegewezen.

5.18 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn.

  1. De beslissing

De kantonrechter:

6.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van dit vonnis op kosten van gedaagde de navolgende advertentie te doen plaatsen in de dagbladen “de Ware Tijd” en “Times of Suriname” en op de website van “Starnieuws” en te doen voorlezen via radio Apintie, Radio ABC, Bakana Torie Tv met Limbo en RBN televisie:

“Ik, Kenneth Slooten, verklaar hierbij dat de door mij op 21 en 24 april 2020 gedane uitspraken waarbij door mij, onder meer, gesteld is dat Rodney Cairo:

  • als gevaarlijke speler moet worden gezien waarbij ik heb gesuggereerd dat hij banden heeft met criminele organisaties;
  • dat de inval bij Rodney Cairo opgezet is door zijn criminele organisatie;
  • dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt;

niet op waarheid berusten en een ernstige inbreuk vormen op zijn eer, goede naam en maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit en derhalve onrechtmatig zijn. Ik neem mijn woorden terug. De uitlatingen doen leed aan. Ik bied de heer Rodney Cairo mijn oprechte welgemeende verontschuldigingen aan.”

6.2 Veroordeelt gedaagde om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van dit vonnis alle uitingen van hem, zoals opgesomd onder 6.1 van dit vonnis, gedaan via internet of enig ander openbaar of sociaal medium met vergelijkbare strekking te verwijderen van dat medium, te doen verwijderen van dat medium en verwijderd te houden van enig medium;

6.3 Verbiedt gedaagde om op welke wijze dan ook via het internet of enig ander openbaar of sociaal medium zich op de wijze zoals opgesomd onder 6.1 van dit vonnis, of op vergelijkbare wijze, over eiser uit te laten;

6.4 Veroordeelt gedaagde om, indien mocht blijken dat elders opnieuw via internet of een openbaar medium vergelijkbare uitingen van gedaagde, zoals opgesomd in 6.1 van dit vonnis, die eiser betreffen, worden verspreid, op eerste verzoek van eiser zich in te zetten om binnen 12 uur na het eerste verzoek het medium schriftelijk kenbaar te maken dat de uitingen verwijderd dienen te worden;

6.5 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000,= (een duizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.300.000,= (driehonderd duizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat gedaagde weigert te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 6.1, 6.2 en 6.4 van dit vonnis en elke dag dat gedaagde in strijd handelt met het verbod genoemd onder 6.3 van dit vonnis;

6.6 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD.8.000,= (achtduizend Surinaamse dollar), zijnde de advocaatkosten;

6.7 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.8 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.350,= (driehonderd en vijftig Surinaamse dollar);

6.9 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 18 mei 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-3891
20 februari 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

ABDOEL, AMZAD,
wonend te [adres] in het [district],
eiser,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

GAJADIEN, ASISKUMAR,
wonend te [adres] in het [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 17 oktober 2019, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 24 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op pagina 3 van “Dagblad Suriname Nationaal” van 24 mei 2019 staat een artikel met als kop:
Gajadien vraagt duidelijkheid over aangiftes tegen Abdoel en familielid
‘Ik zal het naar het Openbaar Ministerie sturen’

2.2 In het artikel staat onder meer:

“VHP-assembleelid Asiskumar Gajadien heeft gisteren tijdens de begrotingsbehandeling in De Nationale Assemblee (DNA) duidelijkheid gevraagd over twee aangiftes die in maart 2019 bij de politie van Marienburg zijn gedaag tegen NDP-fractieleider Amzad Abdoel en een zekere Istighar Abdoel. Laatstgenoemde wordt in de aangifte aangeduid als de broer van de NDP-fractieleider. Uit de processen-verbaal blijkt dat Istighar geld van de mensen nam om percelen en visvergunningen via de Nationale Democratische Partij (NDP) te laten regelen maar die kwamen niet in orde. Hij hield de mensen voor ambtenaar te zijn bij het ministerie van Regionale Ontwikkeling namelijk bestuursopzichter in het ressort Kwatta. Gajadien vraagt zich af waarom het Openbaar Ministerie tot nu toe niet heeft opgetreden en of er interventies vanuit politieke hoeken zijn gepleegd om het onderzoek te dwarsbomen. Hij benadrukte dat het hier gaat om zware strafrechtelijke zaken waar familieleden van de benadeelde om interventie hebben gevraagd. De VHP’er vindt dat tenminste Abdoel of de regering helderheid kunnen brengen in deze zaak.

2.3 (…) Amzad Abdoel reageerde fel op de aantijgingen aan zijn adres en stelde dat er geen aangiftes tegen hem lopen of ooit zijn gedaan. Hij vraagt zich af waarom de oppositie ‘below the belt’ gaat door namen van hem en familieleden zo in het openbaar door het slijk te halen (…)

Nadat Gajadien poogde om het stuk te overhandigen, hield waarnemend DNA-voorzitter Melvin Bouva hem voor dat hij de stukken niet in ontvangst zal nemen. “U hoeft niets te overhandigen. Ik ga geen stukken hier van familieleden zonder aantekening nemen. (…) Maar u kunt mij nu niet in de openbare vergadering een zaak overhandigen waarbij mogelijk een familielid van De Nationale Assemblee betrokken is.” stelde Bouva. Hij adviseerde Gajadien om de stukken bij de procureur –generaal in te dienen. Voor nu zal Gajadien de stukken doorsturen naar het Openbaar Ministerie. “Ik zal het naar het Openbaar Ministerie sturen”, aldus Gajadien.”

2.4 In artikel 42 lid 2 van het Reglement van Orde voor de Nationale Assemblee (S.B. 1990 no. 43), hierna het Reglement, is onder meer bepaald dat wanneer een lid zich beledigende uitdrukkingen veroorlooft, hij door de voorzitter wordt vermaand en in het geval van beledigende uitdrukkingen in de gelegenheid wordt gesteld de woorden die tot de waarschuwing aanleiding hebben gegeven terug te nemen. Artikel 43 lid 1 van het Reglement voorziet onder meer daarin dat de voorzitter het lid het woord ontneemt wanneer hij de belediging niet terugneemt of de gedraging voortzet.

2.5 In een proces-verbaal van aangifte van oplichting van 7 maart 2019 van het Korps Politie Suriname, Regio Oost, Ressort Commewijne Afdeling Mariënburg, staat onder meer:

“Op 04 februari 2018 werd ik gebeld door een manspersoon, die doorgaf als te zijn Abdoel, Istighar. Hij hield mij voor dat hij bestuursambtenaar van beroep is en dat zijn broer genaamd Abdoel, Amzad een D.N.A. Lid is, die de botenvergunning voor mij zou kunnen regelen (…) voor een bedrag van Usd 2000, -.”

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiser vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na het gewezen vonnis over te gaan tot rectificatie van het door hem afgestaan interview opgenomen in het dagblad, de kantonrechter leest voor de rest van het vonnis verbeterd, “Dagblad Suriname” door plaatsing van een artikel in de vorm van een advertentie met een door de kantonrechter te bepalen lettertype en grootte in de dagbladen “De Ware Tijd”, “De West” en “Dagblad Suriname” luidend als volgt:

Hierbij verklaart ondergetekende GAJADIN, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van “ASISIKUMAR”, ASISKUMAR
Dat hij in een artikel gepubliceerd op 24 mei 2019 in de krant genaamd “Dagblad Suriname”, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van de zinsnede “in een artikel gepubliceerd in hetzelfde dagblad” de doorhaling daarvan, onder de kop “Gajadin vraagt duidelijkheid over aangiftes tegen Abdoel en familielid”, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van de zinsnede “gepubliceerd op 24 mei 2019” de doorhaling daarvan, uitlatingen en aantijgingen heeft gedaan jegens Abdoel Amzad;
Dat die aantijgingen jegens de hiergenoemde persoon van Abdoel Amzad beledigend en bovenal ongegrond zijn;
Dat die mededeling gedaan in het artikel hier genoemd de bedoeling heeft gehad de reputatie en goede naam van genoemde Abdoel aan te tasten;
Dat ondergetekende zich bewust is zich beledigend te hebben uitgelaten jegens de hierboven genoemde;
Dat, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van “ondergetekenden” ondergetekende, zijn verontschuldiging, de kantonrechter leest verbeterd in plaats van “aanbied” aanbiedt, voor het door die aantijging ontstane ongerief.

3.2 Aan zijn vordering legt eiser – kort gezegd – ten grondslag dat gedaagde in een openbare vergadering van De Nationale Assemblee, DNA, en daarna in gesprek met “Dagblad Suriname” eiser, die de functie van parlementariër bekleedt, negatief, beledigend en denigrerend heeft besproken en geruchten heeft verspreid die niet op waarheid berusten. Gedaagde heeft opzettelijk het grote publiek willen informeren over:

  • twee aangiftes die in maart 2019 zijn gedaan tegen Amzad Abdoel en een broer;
  • interventies uit politieke hoek om het onderzoek te dwarsbomen;
  • openheid die Abdoel moet verschaffen over een onderzoek bij de politie.

Gedaagde heeft de informatie in DNA en in de publicatie verstrekt uit een grote mate van animositeit en om de reputatie van eiser te bekladden en ondermijnen. Eiser zijn goede naam en eer zijn door gedaagde door het slijk gehaald. Gedaagde heeft jegens hem niet die zorgvuldigheid in acht genomen die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Er is sprake van belediging, laster en smaadschrift. Eiser heeft belang bij rectificatie van de bewoordingen mede gelet op de maatschappelijke positie die hij bekleedt.

3.3 Gedaagde voert als formeel verweer aan dat eiser in privé de vordering tegen hem in privé heeft ingesteld, terwijl hij zich noch in DNA noch in gesprek met de verslaggever over eiser in privé heeft uitgelaten. Voorts voert gedaagde – kort gezegd – aan dat:

  • hij geen toespraak in privé in DNA heeft gehouden;
  • het gewraakte krantenartikel niet van zijn hand is;
  • niet blijkt dat hij, gedaagde, geciteerd wordt door de schrijver;
  • de woordkeus en formulering in het artikel hem daarom niet tegengeworpen kunnen worden.

Verder stelt gedaagde dat de door eiser geciteerde zinnen (hiervoor na de aandachtstreepjes onder 3.2) niet in het betreffend krantenartikel te lezen zijn. Gedaagde staaft zijn standpunt dat de naam van eiser is genoemd in processen-verbaal van het Korps Politie van Suriname van 6 en 7 maart 2019 door overlegging van deze stukken.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eiser zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 De aard van de vordering en het beloop daarvan zijn in het verzoekschrift voldoende omschreven. De kantonrechter ziet ook overigens geen formele of andere tekortkomingen in het verzoekschrift die aanleiding zijn tot het niet ontvankelijk verklaren van eiser.

4.3 Uitgangspunt voor beoordeling van de gebeurtenissen is de stelling van eiser in randpunt 4 bij verzoekschrift dat – kort gezegd – gedaagde het woord heeft gevoerd in DNA en daarna een interview heeft afgestaan aan een journalist van Dagblad Suriname. Deze samengevatte volgorde van beoordelingsmomenten vloeit ook voort uit de omschrijving van de feiten door gedaagde bij conclusie van antwoord.

4.4 De stellingen van eiser zijn niet gericht tegen de weergave van gebeurtenissen hiervoor onder 2.3 weergegeven. Uit het daar aangehaald citaat blijkt niet dat de waarnemend voorzitter van DNA aanleiding heeft gezien om gedaagde te vermanen naar aanleiding van opzettelijk beledigende, denigrerende of suggestieve uitspraken zoals bepaald in artikel 42 lid 2 van het Reglement noch dat een omstandigheid als in artikel 43 lid 1 van dit Reglement zich heeft voorgedaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de stelling van eiser dat gedaagde zich in DNA beledigend jegens hem heeft uitgelaten dan ook niet aannemelijk.

4.5 De kantonrechter is het gedeeltelijk met gedaagde eens dat uit het krantenartikel (met name de citaten hiervoor onder 2.2 en 2.3) niet blijkt dat of waar in de tekst gedaagde geciteerd zou zijn. Uit de laatste zin van het krantenartikel blijkt het enig citaat, wat ook de subtitel is. Deze conclusie leidt tot de constatering dat een beoordeling van het artikel zich vooral zou moeten concentreren op de vraag naar het editorial process (zie Willem F. Korthals Altes, 1990) en wel wat de journalist met de vergaarde informatie heeft gedaan; wat de journalist wel en niet heeft gepubliceerd; hoe hij tot zijn beslissingen is gekomen; hoe hij zijn informant (in casu gedaagde) heeft beoordeeld en de informatie die hij in het interview heeft verschaft. Deze vraagstelling valt evenwel buiten de grenzen van het voorliggend partijdebat, zodat de kantonrechter aan een beoordeling daarvan niet toekomt. Ten overvloede zij hier opgemerkt dat ook indien bedoelde vraagstelling aan de orde zou zijn geweest, de beantwoording daarvan een dusdanig diepgaand feitenonderzoek met zich zou brengen waar het kort geding zich evenwel niet voor leent.

4.6 Gedaagde beroept zich op de door hem overgelegde processen-verbaal. Daarbij stelt hij terecht dat eiser de verkeerde toon citeert met “Dat er interventies zijn gepleegd van uit politieke hoeken om het onderzoek te doen”, omdat de journalist heeft geschreven: “Gajadien vraagt zich af waarom het Openbaar Ministerie tot nu toe niet heeft opgetreden en of er interventies vanuit politieke hoeken zijn gepleegd om het onderzoek te dwarsbomen.” De opmerkingen van gedaagde en voor zover daarin een verdenking besloten lag, vinden steun in de processen-verbaal die vooralsnog het beschikbare feitenmateriaal vormen. Ook acht de kantonrechter van belang dat gedaagde mede op aanwijzing van de waarnemend voorzitter van DNA een schrijven tot de Procureur-Generaal over de aangiften heeft gericht. Eerder is reeds overwogen dat gedaagde geen vermaning treft wegens belediging tijdens de openbare vergadering in DNA. Onder deze omstandigheden gaat dan ook niet op dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die jegens eiser betaamde. Een conclusie tot onrechtmatigheid aan de hand van de thans aannemelijk geworden feiten en omstandigheden zou – anders dan gedaagden hebben aangevoerd – juist blijk geven van een te strak gehanteerd onrechtmatigheidscriterium, dat onvoldoende ruimte laat voor afwegingen als hiervoor, terwijl juist het concreet geval die afwegingen met zich brengt, zoals uitgewerkt door de Nederlandse Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, nr.12097.

4.7 De slotsom is dat het gevorderde zal worden afgewezen. Aan een bespreking van de overige standpunten van partijen wordt niet toegekomen, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.8 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 20 februari 2020 te Paramaribo door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1077
05 mei 2020

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

1.DE VERENIGING SURINAAMS BEDRIJFSLEVEN (VSB),
kantoorhoudend aan de Prins Hendrikstraat 18 te Paramaribo,

2.DE ASSOCIATIE VAN SURINAAMSE FABRIKANTEN (ASFA),
kantoorhoudend aan de Jaggernath Lachmonstraat 187 te Paramaribo,

3.DE SURINAAMSE VERENIGING VAN ASSURANTIE MAATSCHAPPIJEN (SURVAM),
kantoorhoudend aan de Heerenstraat 48-50 te Paramaribo,
eisers,
gemachtigden: mrs. R.G.M. Tjon A Joe en M.T.M. Watchman, advocaten,

tegen

DE REPUBLIEK SURINAME, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

1.Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 30 maart 2020, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 02 april 2020;
  • de conclusie van antwoord.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag en het verweer

2.1 Eisers vorderen – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
gedaagde te verbieden de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren toe te passen, er toe strekkende dat de Gedaagde zich – totdat de betrokken Wet of een gedeelte daarvan door het Constitutioneel Hof is getoetst aan de Grondwet en de van toepassing zijnde verdragsbepalingen – heeft te onthouden van gedragingen die op de betrokken Wet zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging;

subsidiair:
gedaagde te verbieden om artikel 3 leden 1, 2, 5 en 6, artikel 5 lid 4, artikel 7 leden 2, 3 en 4, 9 en 10 van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren en/of andere met de Grondwet en/of de van toepassing zijnde verdragsbepalingen strijdige bepalingen, toe te passen, er toe strekkende dat de gedaagde zich – totdat de betrokken Wet of een gedeelte daarvan door het Constitutioneel Hof is getoetst aan de Grondwet en de van toepassing zijnde verdragsbepalingen – heeft te onthouden van gedragingen die op de betrokken Wet zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging;

meer subsidiair:
gedaagde te verbieden om artikel 3 leden 1, 2, 5 en 6, artikel 5 lid 4, artikel 7 leden 2, 3 en 4, 9 en 10 van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren en/of andere met de Grondwet en/of de van toepassing zijnde verdragsbepalingen strijdige bepalingen, toe te passen, er toe strekkende dat gedaagde zich – totdat de betrokken artikelen in een bodemprocedure verbindend dan wel onverbindend worden beoordeeld – heeft te onthouden van gedragingen die op die artikelen zijn gegrond, met name het doen uitvoeren daarvan, bijvoorbeeld door daden van opsporing en strafvervolging;

primair, subsidiair en meer subsidiair:
e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 1.000.000, – per dag; met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

2.2 Aan hun vordering leggen eisers – kort gezegd – ten grondslag dat de door de President afgekondigde wet onmiskenbaar strijdig is met grondwettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen en Algemene Beginselen van Behoorlijk bestuur; artikel 7 van de Wet is in strijd met het recht op privacy zoals in artikel 17 van de Gw bepaald en onverenigbaar met artikel 11 van het AVRM; de artikelen 3, 5, 7, 9 en 10 van de Wet zijn in strijd met artikel 131 Gw en artikel 9 AVRM; in strijd met artikel 34 lid 2 Gw zijn artikel 4 leden 2, 3 en 4 en artikel 5 lid 4 van de Wet; ook is de Wet in strijd met de artikelen 10, 11 en 12 Gw.

3.3 Gedaagde voert verweer, dat – voor zover nodig – hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Eisers worden daarom ontvangen in kort geding.

4.2 In zijn formeel verweer concludeert gedaagde tot niet ontvankelijkheid van onder anderen eiseres sub 1 die zich volgens gedaagde als rechtspersoon heeft geduid, maar de daartoe strekkende stukken niet in het geding heeft gebracht.

4.3 De kantonrechter overweegt om redenen van proceseconomische aard eiseres sub 1 in de gelegenheid te stellen in haar belang de vereiste stukken over te leggen. Eiseres zal gelast worden de ter zake relevante stukken aan te bieden op uiterlijk dinsdag 12 mei 2020 om 12.00 uur bij de griffier of via e-mail of in hard copy in de Dropbox Kort Geding.

4.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Gelast eiseres sub 1 de vereiste stukken ter onderbouwing dat zij rechtspersoon is over te leggen op uiterlijk dinsdag 12 mei 2020 om 12.00 uur bij de griffier of via e-mail of in hard copy in de Dropbox Kort Geding.

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op dinsdag 05 mei 2020 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1076
05 mei 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

1.GAJADIEN, ASISKUMAR,
wonend aan [adres 1] in het [district 1],

2. ETNEL, PATRICIA NANCY,
wonend aan [adres 2]te [district 2],

3. NURMOHAMED, RIAD JOZEF,
wonend aan [adres 3] te [district 2],

4. BUDIKE, MARLON EDUARD,
wonend aan [adres 4]in het [district 3] ,

5. KALLOE, JITENDRA,
wonend aan [adres 5] in het [district 4] ,

6. JAGGERNATH, WEDANAND DJOTIES,
wonend aan [adres 6] in het [district 4] ,
allen in hun hoedanigheid van lid van De Nationale Assemblée en in persoon,
domicilie kiezend aan de Frederik Derbystraat 13-13A te Paramaribo ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eisers,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 27 maart 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met negen producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 02 april 2020;
  • de conclusie van antwoord.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De feiten
2.1 Op 24 februari 2020 hebben de initiatiefnemers A. Abdoel, R. Ramsahai, J. Vreedzaam en D. Sumter bij De Nationale Assemblée (hierna DNA) een initiatiefvoorstel ingediend ‘’houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 No. 170)” zoals hierna onder 2.1 en 2.2. volgt: Initiatiefvoorstel krachtens artikel 78 van de Grondwet van de Republiek Suriname (S.B. 1987 no. 116, zoals gewijzigd bij S.B. 1992 no. 38), ingediend door A. Abdoel, R. Ramsahai, J. Vreedzaam en D. Sumter allen leden van De Nationale Assemblée, houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170).

WET van………………………………….
houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170).
—————————————————-
ONTWERP

In overweging genomen hebbende, dat – in verband met een effectieve bestrijding van de oneigenlijke geldtransactie- het nodig is de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170) te wijzigen;

Heeft, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, de Staatsraad gehoord, bekrachtigd de onderstaande wet:

ARTIKEL I
In de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170), worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A. Artikel 39 wordt gewijzigd als volgt: (1). Lid 2 komt te luiden:
2. Degene die een misdrijf in de zin van de artikelen 3 lid 2 en 31 lid 1 begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren en geldboete van de derde categorie, hetzij met beide straffen.

B. Na lid 2 wordt, onder vernummering van de overige leden, een nieuw lid 3 toegevoegd luidende:
3. Degene die een misdrijf in de zin van artikel 31 lid 2 begaat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van de zesde categorie.

C. Na artikel 39 wordt een nieuw artikel 39a toegevoegd, luidende:

Artikel 39a
1. De in verband met overtreding van artikel 31 lid 2 in beslag genomen gelden en goederen ingevolge het Wetboek van Strafvordering, worden verbeurdverklaard, ook in het geval dat ten aanzien van bedoelde gelden en goederen door degene aan wie deze toebehoren de legale herkomst ervan niet kan worden aangetoond.

2. Het bepaalde in lid 1 laat onverlet de mogelijkheid tot teruggave van de gelden en goederen ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor zover daartoe gronden aanwezig zijn, met dien verstande dat indien de in beslaggenomen gelden vreemde valuta betreft, de teruggave in Surinaamse Dollar geschiedt.

ARTIKEL II
1. Deze wet wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd.
2. Zij treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van haar afkondiging.
3. De Ministers van Financiën en van Justitie en Politie zijn belast met de uitvoering van deze wet.
Gegeven te Paramaribo, de………………

2.2 WET van ……………………………….
houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170).
————————————————–
MEMORIE VAN TOELICHTING

Geldtransactiekantoren (wisselkantoren en geldovermakingskantoren) vervullen een belangrijke rol binnen de financiële markt. Met de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren is een belangrijke stap gezet in de ordening van deze sector en om de integriteit van het financieel stelsel van Suriname te waarborgen, alsmede het tegengaan van met name de met de financiële sector gerelateerde illegale activiteiten zoals moneylaundering en financiering van terrorisme. Tegelijk wordt de cliënt beschermt bij geldtransacties nu de Centrale Bank op de verrichtingen van de geldtransactiekantoren toezicht uitoefent.

Echter is gebleken dat er illegale geldtransacties dan wel illegaal opererende ”Geldtransactiekantoren” zijn die invloed hebben op het financieel stelsel in het bijzonder op haar integriteit, vooral omdat deze transacties buiten het zicht van de toezichtinstituten plaatsvinden. De gevolgen hiervan op het financieel stelsel zijn vaak niet van geringe omvang. Artikel 31 juncto 39 voorziet in de handhaving van voornoemde illegaliteit. Gelet op de ernst van deze overtredingen en de ernstige gevolgen voor het financieel stelsel en mede gelet op de omvang van de middelen die met de overtreding van deze wet gemoeid gaat, is op de eerste plaats voorgesteld om de huidige sanctie (twee jaren gevangenisstraf) op de overtreding van artikel 31 lid 2 te verhogen en vast te stellen op vier jaren met een geldboete variant van de zesde categorie(SRD. 1000.000,-)

Eveneens in het kader van de aanpak van de illegale geldtransacties, is een nieuw artikel 39a toegevoegd betreffende de in verband met de overtreding van artikel 31 lid 2 in beslag genomen gelden en goederen. Deze in beslag genomen gelden en goederen kunnen eveneens verbeurd worden verklaard, ook in het geval dat ten aanzien van bedoelde gelden en goederen door degene aan wie deze toebehoren de legale herkomst ervan niet kan worden aangetoond (artikel 39a lid 1). Behalve de in het geding zijnde strafbaar feit, dient de in beslag genomen gelden en goederen ook niet afkomstig te zijn van enig ander strafbaar feit. Alhoewel de verbeurdverklaring in deze ook gerelateerd dient te zijn aan het begaan hebben van enig ander strafbaar feit, levert zulks ruimte voor verder onderzoek of ten aanzien van de in beslaggenomen gelden andere strafbare feiten in het geding zijn, op grond waarvan de verbeurdverklaring eveneens kan worden uitgesproken.

Gelet op het feit dat bij overtreding van artikel 31 lid 2 de betrokkenheid van vreemde valuta in het geding is, is de toevoeging van artikel 39a lid 2 opgenomen. De mogelijkheid wordt hier opgenomen dat in het geval bij overtreding van artikel 31 lid 2 door justitie vreemde valuta middelen in beslag zijn genomen, de eventuele teruggave in Surinaamse dollar kan geschieden. Het voorgaande beperkt de mogelijkheid tot teruggave van de gelden en goederen ingevolge het Wetboek van Strafvordering niet, voor zover daartoe gronden aanwezig zijn, en is een aanvulling op het bepaalde ter zake de in beslagneming en teruggave in het Wetboek van Strafvordering.

2.3 In een ‘NOTA VAN WIJZIGING’ van 20 maart 2020, ingediend door eerder genoemde initiatiefnemers, staat onder meer vermeld dat het initiatiefvoorstel, ingediend op 24 februari 2020, houdende wijziging van Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170) wordt gewijzigd.

2.4 In een ‘NOTA VAN WIJZIGING’ van 21 maart 2020 staat onder meer vermeld dat het initiatiefvoorstel, ingediend op 24 februari 2020, houdende regels met betrekking tot verdere ordening van valutatransacties en het valutaverkeer, Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren wordt gewijzigd.

2.5 In de nota van wijziging van 20 maart 2020 betreffend de Wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 (S.B. 2012 no. 170) staat in artikel 3 leden 5 en 6:
5. Het is verboden om prijzen van goederen of diensten uitsluitend in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar aan te geven. Te allen tijde dient de prijs in de Surinaamse Dollar tevens te worden aangegeven.
6. Het is verboden om advertenties te plaatsen of te doen plaatsen waarvan prijzen van goederen of diensten uitsluitend in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar wordt aangegeven. Te allen tijden dient de prijs in de Surinaamse Dollar tevens te worden aangegeven.’

2.6 In de nota van wijziging van 21 maart 2020 betreffend de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren en in de WCVT staat in artikel 3 leden 5 en 6:
‘5. Het is verboden om prijzen van goederen of diensten in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar aan te geven.
6. Het is verboden om advertenties te plaatsen of te doen plaatsen waarvan prijzen van goederen of diensten in een andere munteenheid dan de Surinaamse dollar wordt aangegeven.’

2.7 De citeertitel in artikel 11 van de Wijzigingswet bij nota van 20 maart 2020 en bij nota van 21 maart 2020 luidt: ‘Wet ordening valutatransactie en valutaverkeer 2020’, terwijl in de WCVT in artikel 11 de citeertitel ‘Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren’ is.

2.8 Bij Staatsbesluit 2020 no. 73 is gepubliceerd de Wet houdende regels met betrekking tot verdere ordening van valutatransacties en het valutaverkeer, Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. opschorting gelast van de toepassing c.q. verbindendheid dan wel rechtskracht van de WCVT totdat het Constitutioneel Hof over de (on)grondwettelijkheid en derhalve de rechtskracht daarvan heeft beslist;
subsidiair:
opschort of schorst in ieder geval toepassing verbiedt totdat de kantonrechter in een door eisers in te stellen bodemprocedure onherroepelijk heeft beslist over de (on)verenigbaarheid van de werking van:
II. de artikelen 3, 4 en 5 lid 1 WCVT met artikel 21 lid 1 AVRM;
III. artikel 7 lid 2 WCVT met artikel 11 lid 2 AVRM en artikel 17 lid 2 BUPO; en totdat de kantonrechter in een door eisers in te stellen bodemprocedure onherroepelijk heeft beslist over de (on)geoorloofdheid van de werking van:artikel 7 lid 2 WCVT met artikel 17 lid 2 van de Grondwet, hierna ook Gw.
Voorts vorderen eisers veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen – kort gezegd – aan hun vordering ten grondslag dat de WCVT nietig is. De op 23 maart 2020 afgekondigde wet ontbeert rechtskracht, omdat de voorzitter van DNA niet de WCVT in stemming heeft gebracht. De wet is in strijd met de Grondwet en het Reglement van Orde voor DNA tot stand gekomen. Op grond van het vonnis van het Hof van Justitie d.d. 20 maart 2020 bestond DNA op 21 maart 2020 niet uit 51 maar uit 49 leden. In DNA is tijdens de behandeling van de nota’s van wijziging (hiervoor onder 2.3 en 2.4) geen rekening gehouden met de parlementaire rechten en belangen van eisers, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om de nieuwe ontwerpwet te bestuderen en onderzoeken. Voorts leggen eisers aan hun vordering ten grondslag dat de WCVT in strijd is met hun burgerlijke belangen. Zij voelen zich beknot in het uitoefenen van eigendomsrechten zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 AVRM. Bevoegdheden voortvloeiend uit WCVT betekenen voor eisers willekeurige of beledigende inmenging in hun privéleven, wat in strijd is met artikel 11 lid 2 AVRM, artikel 17 lid 1 BUPO en artikel 7 lid 2 Gw.

3.3 Gedaagde voert verweer, dat – voor zover nodig – hierna zal worden besproken.

De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Eisers worden daarom ontvangen in kort geding.

4.2 Gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers in hun vordering omdat geen sprake is van ongrondwettigheid van de WCVT noch van onverenigbaarheid met AVRM-bepalingen. Als formeel verweer voert gedaagde – samengevat – aan dat de kantonrechter geen materieel toetsingsrecht toekomt. In de voorliggende zaak doen zich niet de uitzonderingssituaties voor als in de Grondwet voorzien. De rechter moet dan ook volgens de wettelijke regelingen recht­spreken en mag de innerlijke waarde of bil­lijkheid daarvan niet beoordelen. Artikel 80 lid 2 Gw ontneemt aan de kantonrechter de bevoegdheid tot formele toetsing, concludeert gedaagde.

4.3 De vorderingen van eisers strekken kort gezegd tot het opschorten van de WCVT.
Alvorens tot de inhoudelijke behandeling daarvan over te gaan stelt de kantonrechter het volgende voorop.

4.4 De door partijen ingenomen standpunten leiden tot de vraag welke wetgeving in het voorliggend geding aan de orde is, specifiek of sprake is van een door DNA goedgekeurde wet conform artikel 77 Gw dan wel een ingediend initiatiefvoorstel ex artikel 78 GW. In artikel 77 GW is voorgeschreven dat DNA de president in kennis stelt van door haar goedgekeurde wetsontwerpen en in artikel 78 GW is bepaald dat ieder lid van DNA het recht heeft ontwerpen van wet aan het college ter behandeling voor te leggen.

4.4.1 Het standpunt van eisers komt aan op ongrondwettigheid van de WCVT. Zij stellen dat in DNA nimmer over de WCVT is gestemd, omdat de voorzitter van DNA op zaterdag 21 maart 2020 omstreeks 4.00 uur A.M. in DNA ter aankondiging van de stemming heeft gesteld:
“We gaan stemmen over de wet houdende wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren S.B. 2012, no. 170”.

4.4.2 Gedaagde heeft de aankondiging van de stemming door de voorzitter DNA zoals door eisers is gesteld, niet weersproken. Gelet hierop is het vooralsnog niet aannemelijk dat de aanname met algemene stemmen van de in stemming gebrachte wet op 21 maart 2020 betrekking heeft op de door de president afgekondigde Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren.

4.4.3 De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de onder 2.3 en 2.4 aangehaalde en onweersproken initiatiefvoorstellen moet geconcludeerd worden dat naast het initiatiefvoorstel van 24 februari 2020 ter wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren, de nota van wijziging van 20 maart 2020 en de WCVT van 21 maart 2020 zijn aangeboden voor behandeling in DNA.

4.4.4 Het standpunt van eisers dat de goedgekeurde ontwerpwet een geheel nieuwe wet betreft, is volgens gedaagde waar, voor zover dit de intitule van de ontwerpwet betreft. Daar voegt gedaagde nog aan toe dat het nagestreefde doel van de ingediende ontwerpwet en dat van de goedgekeurde ontwerpwet eender is. Voor zover gedaagde de doelen van de initiatiefvoorstellen van 20 en 21 maart 2020 mocht hebben bedoeld is zijn standpunt niet onjuist. Echter, uit de hiervoor onder 2.5 en 2.6 geciteerde tekstdelen blijkt van inhoudelijk relevante verschillen tussen de twee voorstellen. Voorts is – nog voor aan enige inhoudelijke beoordeling van de WCVT wordt toegekomen – onweersprekelijk – in het oog springend dat van overeenkomsten met het wijzigingsvoorstel van 24 februari 2020 (hiervoor onder 2.1 en 2.2) geen sprake is. Veeleer is aannemelijk, zoals gedaagde zelf aanvoert, dat indringende en drastische wijzigingen hebben geresulteerd in de voorstellen van 20 en 21 maart 2020. Een eender nagestreefd doel met het initiatiefvoorstel van 24 februari 2020 is dan ook niet aannemelijk.

4.4.5 Voor zover gedaagde meent dat de wijziging van een artikel en de toevoeging van een nieuw artikel in de voorgestelde wijzigingsnota Toezicht Geldtransactiekantoren 2012 van 24 februari 2020 of het initiatiefvoorstel van 20 maart 2020 in werking niet verschillen met het initiatiefvoorstel van 21 maart 2020, is dat standpunt onhoudbaar.

4.4.6 Een en ander brengt mee dat in dit kort geding ervan moet worden uitgegaan dat de in artikel 80 Gw beoogde kracht van wet na afkondiging – die is gevolgd op bekrachtiging door de president – vooralsnog niet tot stand gekomen is in het geval van de Wet houdende Wijziging van de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren S.B. 2012, no. 170 noch in het geval van de WCVT.

4.5 De kantonrechter komt aldus in dit kort geding niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de WCVT, die al dan niet kan leiden tot het ongeoorloofd verklaren van delen van die wet. Eisers stellen het Constitutioneel Hof te zullen adiëren. Gedaagde voert weliswaar aan dat het Constitutioneel Hof nog niet in functie is, maar heeft zijn standpunt niet onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbijgaat.

4.5.1 Eisers stellen dat de samenleving de afkondiging van de WCVT niet beschouwt als een haar dienend belang. Volgens gedaagde levert het feit dat enkele bedrijven en banken hun deuren gedurende een dag gesloten hebben gehouden voor het publiek geen bewijs voor die stelling.Wat daar ook van zij, de kantonrechter acht het op grond van al het voorgaande in het algemeen belang dat mogelijk verdere toepassing van de WCVT wordt voorkomen nu vooralsnog de rechtsgeldigheid van de wet niet vaststaat. Het primair gevorderde zal daarom worden toegewezen.

4.6 Ten slotte en weliswaar ten overvloede merkt de kantonrechter op dat tussen partijen onweersproken is dat uit de tekst van de WCVT niet volgt noch blijkt dat de Wet Toezicht Geldtransactiekantoren S.B. 2012, no. 170 is ingetrokken en aldus ongewijzigd en onverminderd van toepassing is.

4.7 Het voorgaande brengt met zich dat aan een beoordeling van overige standpunten van partijen niet wordt toegekomen.

4.8 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Schort op de toepassing c.q. verbindendheid dan wel rechtskracht van de Wet Controle Valutaverkeer en Transactiekantoren, zoals afgekondigd bij S.B. 2020, no. 73 totdat het Constitutioneel Hof over de grondwettelijkheid dan wel niet-grondwettelijkheid en derhalve de rechtskracht daarvan heeft beslist.

5.2 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 455, – (vierhonderdvijfenvijftig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op dinsdag 05 mei 2020 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.