SRU-K1-2018-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3483
24 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

VIERHOEK INTERNATIONAL N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 17 augustus 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 augustus 2018;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende het mondeling afpleiten van partijen en de comparitie van partijen;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende de conclusie die mondeling is genomen na gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is een bedrijf dat goederen import en staat bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen geregistreerd onder het [importeursnummer].

2.2 Gedaagde heeft het importeursnummer inactief gesteld. Als gevolg hiervan kan eiseres niet voldoen aan haar wettelijke plicht tot aangifte en de door haar geïmporteerde goederen niet inklaren. In dat kader heeft de gemachtigde namens eiseres op 02 augustus 2018 een schrijven aan gedaagde gericht, waarin zij onder meer het volgende vermeld:

Cliënten, althans diens vertegenwoordiger(s), ervaren al enige tijd dat door de Douane een gewijzigd beleid wordt gevoerd, waarbij het importnummer van cliënten wordt afgesloten en zij verplicht worden voor iedere inklaring afzonderlijk toestemming te vragen.
Deze werkwijze is bij cliënten volstrekt onbekend, hoogst onbegrijpelijk en zorgt bovendien voor enorm veel ongerief en stagnatie in de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten m.n het importeren van goederen, daargelaten de schade die hierdoor wordt geleden.
Cliënten zijn op geen enkele manier op een correcte wijze in kennis gesteld van dit “gewijzigd” beleid dat ten aanzien van hen wordt gehanteerd, waardoor zij zich hiertegen niet hebben kunnen verweren.
Cliënten zijn en worden nog steeds in onwetendheid gelaten omtrent de oorzaak, welke de direkte aanleiding zou zijn geweest voor dit “gewijzigd” beleid.
Voorzover cliënten zich aan enig verzuim e/o overtreding schuldig hebben gemaakt, behoorden zij hiervan op de correcte wijze in kennis te worden gesteld en de gelegenheid te krijgen om binnen een redelijke termijn het geconstateerde verzuim e/o de overtreding te herstellen.
Naar bekomen informatie wordt dit “gewijzigd” beleid bovendien uitsluitend ten aanzien van cliënten toegepast. Dit handelen riekt naar willekeur en creëert een ongelijke concurrentie.
Het is evident dat u, althans de Staat hierdoor onbehoorlijk, onbetamelijk en in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Immers, door een beleid te voeren dat niet aan cliënten bekend is en waaromtrent cliënten in onwetendheid worden gelaten, weten cliënten niet waar zij aan toe zijn en/of wat de overheid van hen verlangt. Zij het nog de vraag als zij in de gevallen van cliënten, de geldende rechtsregels juist en consequent worden toegepast.

(…)

U wordt hierbij aangemaand om binnen 1×24 uur na ontvangst van dit exploot de importnummers van cliënten open te stellen, althans alle daartoe vereiste handelingen te verrichten en u te onthouden van iedere onrechtmatige handeling als gevolg waarvan cliënten niet vrij en ongestoord hun bedrijfsactiviteiten zouden kunnen uitvoeren, meer in het bijzonder het onrechtmatig afsluiten van de importnummers van cliënten.

2.3 Op 07 augustus 2018 heeft de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen als volgt op het hiervoor vermeld schrijven van de gemachtigde van eiseres gereageerd:
(….)
Vierhoeks International n.v. met [importeursnummer] wordt in het klantenbestand van het AW systeem telkens opengesteld en afgesloten zodra zij ladingen heeft om aan te geven ten invoer voor het vrije verkeer met dien verstande, dat het bedrijf (importeur) op de voet wordt gevolgd ter voorkoming van onregelmatigheden. In het AW systeem is [importeursnummer] momenteel INACTIVE gesteld. Voornoemd maatregel is getroffen naar aanleiding van het feit dat Vierhoeks International n.v. zich heeft doen registreren op een bedrijfsadres met name aan de Marcusstraat 23 welke bij controle onbewoond blijkt te zijn. Dit is ook het geval geweest bij de overige bedrijfen(importeurs) als voornoemd;

Van de overige importeurs als voornoemd zijn de importnummers op dit moment op ACTIVE waardoor zij vrij zijn om aangiften te registreren in het AW systeem.

2.4 Op 10 augustus 2018 heeft eiseres in navolging op de reactie van de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen een aanmaning gestuurd naar gedaagde, inhoudende onder meer het volgende:

Door werkarmen van de Staat is namelijk op of omstreeks 27 juni 2018 zonder enige voorafgaande mededeling en/of kennisgeving het importnummer van Vierhoeks International NV door de Douane e/o de leiding van het managementteam bij de Douane afgesloten met het direct gevolg dat het voor cliënten, althans Vierhoeks International NV onmogelijk is om zijn containers te doen inklaren en van de Nieuwe Haven af te voeren.

Cliënten cq Vierhoeks Int. NV hebben geen enkele aanmaning terzake ontvangen om een eventueel door hun gepleegde overtreding of verzuim te herstellen. Evenmin heeft hoor en wederhoor plaatsgevonden en zijn cliënten – ook niet na herhaalde verzoeken – geïnformeerd omtrent de direkte aanleiding of oorzaak van deze maatregel.

Cliënten cq Viehoeks Int. NV lijdt hierdoor enorm veel schade, (…)

De Staat Suriname wordt hierbij tevens gesommeerd om onmiddellijk, althans binnen 1x 24 uur na ontvangst van deze sommatie het importnummer van cliënten, althans Vierhoeks International NV open te stellen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na de uitspraak althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, het [importeursnummer] van eiseres wederom actief te stellen en eiseres ongehinderd en ongestoord de mogelijkheid te bieden haar bevoegdheid zoals vastgelegd in aritkel 11 e.v van de Scheepsvaartwet uit te oefenen;
b) gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 25.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagde in strijd handelt met het onder a gevorderde;
c) gedaagde te veroordelen bij wege van schadevergoeding aan eiseres te betalen de bedragen van SRD 19.981,32 en USD 9.750,-, elk afzonderlijk vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar daarover vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt door in strijd te handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het afsluiten van het importnummer is niet proportioneel in verhouding tot de vermeende overtreding;
  • als gevolg van het afsluiten van het importnummer kan eiseres niet voldoen aan haar aangifteplicht zoals bepaald in artikel 11 van de Scheepsvaartwet;
  • gedaagde heeft eiseres niet vooraf in kennis gesteld aan welk verzuim zij zich schuldig zou hebben gemaakt en evenmin in gebreke gesteld dit verzuim te corrigeren;
  • als gevolg van deze handeling lijdt eiseres schade ad SRD 19.981,32 en USD 9.750,-.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt in voldoende mate uit de aard van de stellingen van eiseres. Om die reden wordt zij ontvangen in het kort geding.

4.2 Na de gehouden comparitie van partijen heeft eiseres een akte van rectificatie gevorderd, inhoudende dat waar “afsluiten” staat vermeld wordt gelezen “inactief stellen”. Tegen deze acte van rectificatie heeft gedaagde bezwaar geopperd, daarin bestaande dat zij door deze acte van rectificatie in haar verweer is geschaad. Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde niet in haar verweer is geschaad, omdat vanaf het mondeling afpleiten de termen “actief” en “inactief” zijn gebezigd ook tijdens de comparitie van partijen. Om die reden gaat de kantonrechter voorbij aan dit bezwaar en zal de akte van rectificatie worden toegestaan zoals gevorderd en zoals reeds verwoord onder 3.1 in dit vonnis.

4.3 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en aldus onrechtmatig.

Gedaagde heeft weersproken in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te hebben gehandeld door aan te voeren dat eiseres de importdocumenten lijfelijk aan haar moest afstaan. Doordat eiseres deze documenten niet heeft afgestaan, heeft gedaagde gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om het importeursnummer inactief te stellen. Gedaagde heeft aangevoerd dat zij eiseres vooraf in kennis heeft gesteld van het feit dat zij de importdocumenten aan haar moest doen toekomen, doch heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter dit niet voldoende aannemelijk gemaakt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar het schrijven van gedaagde van 07 augustus 2018 gericht aan de procesgemachtigde van eiseres, waarin gedaagde slechts als reden heeft vermeld dat het door eiseres opgegeven adres bij controle onbewoond bleek te zijn. Ter comparitie van partijen heeft gedaagde bij monde van haar vertegenwoordigers zelf verklaard dat eiseres de documenten betreffende het adres reeds op 28 juni 2018 in orde heeft gemaakt. Van het afstaan van importdocumenten heeft gedaagde geenszins melding gemaakt in voornoemd schrijven en komt zij pas met deze mededeling ter comparitie van partijen. Een dergelijk handelen van gedaagde, acht de kantonrechter in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (te weten het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel) en handelt zij hierdoor dus onrechtmatig jegens eiseres.

Gedaagde dient als overheidsorgaan te worden aangemerkt als te zijn een ingewijde die over alle relevante informatie beschikt. Hierdoor verkeerd iedere burger, waaronder ook eiseres, in een afhankelijke positie van gedaagde. Vanwege deze machtige positie ligt het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op de weg van gedaagde om burgers, alsook eiseres, de juiste en volledige informatie te verschaffen omtrent hun (rechts)positie. Zulks heeft eiseres, zoals blijkt uit de inhoud van haar schrijven van 07 augustus 2018 nagelaten. Middels dat schrijven heeft gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter bij eiseres de indruk gewekt dat slechts het verkeerd opgegeven adres de reden is geweest van het inactief stellen van het importeursnummer en mocht eiseres er redelijkerwijs van uitgaan dat bij het corrigeren van dat verzuim het importeursnummer wederom actief zou worden gesteld. Nu tijdens de comparitie van partijen duidelijk is gemaakt dat voor het wederom actief stellen eiseres de vereiste importdocumenten aan gedaagde moet afstaan, zal de kantonrechter de door eiseres gevraagde voorziening onder a aangepast toewijzen zoals hierna in de beslissing vermeld.

4.4 Alhoewel de kantonrechter de handelwijze van gedaagde onrechtmatig acht, zal de door eiseres gevraagde voorziening onder b, inhoudende de vordering tot schadevergoeding worden geweigerd. Dit, omdat de hoogte van het schadebedrag niet voldoende aannemelijk is. Eiseres zal dit bij de bodemrechter moeten beslechten.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 349,-.

5. De beslissing

De kantonrechter:
5.1 Staat toe de gevorderde akte van rectificatie zoals overwogen onder 4.2 in dit vonnis.

5.2 Veroordeelt gedaagde de importdocumenten van de container met goederen gelijk na afgifte door eiseres in ontvangst te nemen, te controleren en het [importeursnummer] gelijk nadien wederom actief te stellen, dit alles binnen 1 x 24 uur na de uitspraak van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom ad SRD 25.000,- (Vijfentwintigduizend Surinaamse Dollar) per uur, indien gedaagde geen uitvoering geeft aan hetgeen hiervoor onder 5.2 is beslist, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 200.000,- (Tweehonderdduizend Surinaamse Dollar) niet te bovengaat.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2 en 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 399,- (Driehonderd en Negenennegentig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 24 augustus 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-2570
16 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser], advocaat,
wonende aan [adres],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres],
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. V.V.C. Piqué, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 08 juni 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 14 juni 2018;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie

2.1 [gedaagde] heeft een klacht tegen [eiser] ingediende bij de Deken van de Orde van Advocaten, hierna te noemen de Deken.

2.2 Op 27 oktober 2017 heeft de Deken de klacht ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege, hierna afgekort ATC.

2.3 Op 25 mei 2018 heeft het ATC de tegen [eiser] ingediende klacht gegrond verklaard en heeft de volgende maatregel aan [eiser] opgelegd:

  • schorsing om het beroep van advocaat uit te oefenen voor een periode van twee maanden en wel met ingang van 01 juli 2018 eindigende op 31 augustus 2018, en dat deze maatregel komt te vervallen indien [eiser] binnen een week na de beslissing het bedrag van SRD 12.500,- tegen behoorlijke kwijting aan [gedaagde] betaalt.
  • 2.4 Op 08 juni 2018 heeft [eiser] hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van het ACT.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert [eiser], om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. te schorsen, althans de schorsing te doen gelasten van de beslissing van het ATC van vrijdag 25 mei 2018, in de zaak bekend onder no. 17/05 en bekend onder [gedaagde] , klager tegen [eiser], advocaat, totdat in het ingesteld hoger beroep van [eiser] zal zijn beslist, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 15.000,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in strijd met dit vonnis handelt;
  2. [gedaagde] te veroordelen het gevorderde onder 1 te gehengen en te gedogen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 15.000,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in strijd met dit vonnis handelt;
  3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2 In conventie legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens hem pleegt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende;

  • [gedaagde] heeft onterecht een klacht tegen hem ingediend bij het ATC en bewust informatie voor het ATC verzwegen;
  • in strijd met artikel 41 lid 1 van de Advocatenwet is er niet eerst geschikt door de Deken en is [eiser] niet in kennis gesteld van de klacht door de Deken;
  • het ATC heeft hem in strijd met artikel 52 van de Advocatenwet niet behoorlijk opgeroepen.

3.3 [gedaagde] heeft in conventie verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 [gedaagde] vordert in reconventie, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te voldoen enig voorschot groot SRD 12.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per maand, vanaf 25 juni 2018 tot de algehele voldoening.

3.5 In reconventie legt [gedaagde] aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser] een onrechtmatige daad jegens hem pleegt door te weigeren te voldoen aan de door het ATC opgelegde maatregel tot betaling van het bedrag groot SRD 12.500,-.

Als spoedeisend belang stelt hij dat hij de gelden dringend nodig heeft om alsnog juridische hulp in te kunnen roepen.

3.6 [eiser] heeft in reconventie verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 [eiser] stelt als spoedeisend belang dat hij meerdere cliënten heeft en zowel hij als zijn cliënten schade zullen lijden als hij het beroep van advocaat voor twee maanden niet zal kunnen uitvoeren. Tevens stelt hij dat zijn imago geschaad zal worden, omdat bij het bekend worden van deze beslissing hij minder cliënten zal krijgen.
Zoals de kantonrechter[eiser] begrijpt, gaat hij ervan uit dat de aan hem opgelegde maatregel van schorsing reeds uitvoerbaar is. Kennelijk vanwege het feit dat het ATC in diens beslissing bij de aan [eiser] opgelegde maatregel een periode heeft vermeld. Echter is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de aan [eiser] opgelegde maatregel van schorsing pas uitvoerbaar zodra het Hof van Justitie heeft beslist op het door [eiser] ingestelde hoger beroep. Dit leidt de kantonrechter af uit:

  • het bepaalde in artikel 45 lid 4 van de Advocatenwet, in welk artikel is neergelegd dat tot de tenuitvoerlegging van de maatregelen eerst wordt overgegaan, zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan;
  • het bepaalde in artikel 60 lid 2 waarin is neergelegd dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk om het beroep van advocaat uit te oefenen door de secretaris van het ATC wordt medegedeeld aan het Hof van Justitie, zodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en dient de Deken op grond van artikel 60 lid 2 zorg te dragen voor de openbaarmaking zodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Vaststaat dat [eiser] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van ATC, hetgeen de kantonrechter tot de slotsom brengt dat de opgelegde maatregel van schorsing nog geen kracht van gewijsde heeft en dus nog niet kan worden ten uitvoer gelegd. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen heeft [eiser] met de door hem ingestelde vordering geen enkel belang en evenmin enig spoedeisend belang. Hieruit volgt dat [eiser] niet ontvankelijk zal worden verklaard in de door hem gevraagde voorzieningen.

4.2 Zoals reeds hiervoor onder 4.1 is overwogen is een door het ATC opgelegde maatregel pas uitvoerbaar, als de beslissing ter zake in kracht van gewijsde is gegaan. Nu de beslissing van het ATC nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en de beslissing van het ATC als bijzondere rechtsprekend college niet uitvoerbaar bij voorraad is, mist de door [gedaagde] ingestelde vordering in reconventie enige grondslag. Om die reden zal de door hem gevraagde voorziening in reconventie worden geweigerd. Daarbij benadrukt de kantonrechter dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts plaats is, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

4.3 In conventie zal [eiser] als de niet te ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld. In reconventie zal [gedaagde], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

De kantonrechter:
In conventie
5.1 Verklaart [eiser] niet ontvankelijk in de door hem gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.3 Weigert de gevraagde voorziening.

5.4 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 16 augustus 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2016-33

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3141
21 juli 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten op het politiestation Leiding 9A ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 23 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 24 juni 2016, waarbij eiser is gelast een afschrift van het strafvonnis alsnog ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging van een fotokopie van het strafvonnis d.d. 30 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating over de productie d.d. 05 juli 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 augustus 2015 is eiser in verzekering gesteld. Bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton is hij op 22 juni 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 3 maanden.

2.2 Tegen het hiervoor vermeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.3 Bij schrijven d.d. 22 juni 2016 heeft de gemachtigde namens eiser een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan de Minister van Justitie en Politie gedaan. Ter zake heeft de gemachtigde namens eiser het volgende in het verzoek verwoord:
“Namens mijn client, [eiser], wil ik dringend het volgende onder uw aandacht brengen.
Client is op 21 augustus 2015 in verzekering gesteld.
Op 22 juni 2016 is client veroordeelt tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 3 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest gezeten.
Client is ingesloten in het politiecellenhuis Leiding 9A en heeft op 21 juni 2016 twee derde deel van zijn straf uitgezeten.
Client heeft na een interne straf te hebben gezeten dus op 21 juni 2016 in vrijheid moeten worden gesteld, op grond van het vonnis van de Edelachtbare Kantonrechter, hetgeen tot op heden niet is geschiedt.
Namens mijn client verzoek ik u hem in aanmerking te doen komen voor een voorwaardelijke in vrijheidstelling krachtens artikel 29 van het wetboek van strafrecht.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten om eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, althans in ieder geval zijn verdere vrijheidsbeneming onrechtmatig te achten binnen 24 uur na de dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;
b) gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag dat zij in gebreke blijven mocht aan dit vonnis te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, dan wel in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel, door hem niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • hij heeft reeds 2/3 deel van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, zijnde 10 maanden, effectief uitgezeten;
  • de datum voor voorlopige invrijheidstelling is bepaald op 21 juni 2016;
  • om die reden blijft hij onrechtmatig aangehouden.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft zich, nadat eiser een fotokopie van het afschrift van het strafvonnis ten processe heeft overgelegd, gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

4.3 Zoals de kantonrechter eiser zijn stellingen begrijpt, stelt hij zich op het standpunt dat hem met ingang van 21 juni 2016 het recht tot voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Sedertdien diende hij in vrijheid diende te worden gesteld en wordt hij thans onrechtmatig in detentie gehouden.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat eiser uit van een onjuist standpunt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat in samenhang dient te worden gelezen met de leden 5 en 6 van dit artikel, artikel 30 lid 1 en artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 44)

4.4 Artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
“ De veroordeelde tot tijdelijke vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte meer dan een jaar bedraagt, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer deze tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.”Artikel 29 lid 5 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt: “Bij deze invrijheidstelling wordt tevens een proeftijd voor de veroordeelde bepaald en worden voorwaarden gesteld, waaraan deze gedurende de proeftijd zal moeten worden voldoen.”, en artikel 29 lid 6: “De proeftijd duurt een jaar langer dan het overblijvende gedeelte van de onvoorwaardelijke opgelegde straf, doch ten minste twee jaren. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen.”In artikel 30 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is het volgende neergelegd: “Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt als algemene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.”, en in artikel 33 lid 1 Wetboek van Strafrecht het volgende: “De beslissing tot invrijheidstelling met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden wordt voor de invrijheidstelling aan de veroordeelde in persoon betekend. Indien geen beslissing is betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.”

4.5 Zoals uit de inhoud van de hiervoor vermelde artikelen onder 4.4 kan worden afgeleid, is de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet een recht dat de veroordeelde, in casu eiser, automatisch toekomt.Uit het bepaalde in artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht leidt de kantonrechter af dat de veroordeelde pas aanspraak maakt op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer de beslissing ter zake met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden aan hem in persoon is betekend. Is er geen beslissing betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, dan wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.Gebleken is dat eiser op 22 juni 2016, de dag waarop het vonnis in de strafzaak tegen eiser is gewezen en uitgesproken, het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan de Minister van Justitie, zijnde gedaagde, heeft gericht en gedaagde op 21 juni 2016, zijnde de datum waarop volgens de stelling van eiser hij in vrijheid zou moeten worden gesteld, tot heden geen beslissing heeft doen betekenen aan eiser. Derhalve kan de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan eiser worden geacht te zijn geweigerd. Dit brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat in casu geen sprake is van het onrechtmatig in detentie blijven houden van eiser, dan wel een onrechtmatige daad gepleegd door gedaagde jegens eiser. Om die reden komen de door eiser gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, op donderdag 21 juli 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-5560
22 augustus 2019
Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd en kantoorhoudend te [district],
eiseres in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

[gedaagde A],
[gedaagde B],
[gedaagde C],
[gedaagde D],
[gedaagde E],
[gedaagde F],
[gedaagde G],
[gedaagde H],
gedaagden,
gemachtigde: mr. R.D. Zweevel, advocaat

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 december 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 25 januari 2018;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de akte tot eiswijziging;
  • de conclusie van antwoord in het incident.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1 Eiseres vordert – samengevat – bij verzoekschrift van 29 december 2017 dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de werking van het vonnis gewezen op 21 december 2017 met het A.R. No. 17-4910 schorst op opschort of, de kantonrechter begrijpt, gedaagde gelast of veroordeelt de executie van voormeld vonnis te staken, zolang in de verzet zaak niet is beslist, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding. Bij akte eiswijziging van 28 juni 2018 vordert eiseres dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden veroordeelt of beveelt om ten aanzien van de allodiale eigendom en het erfelijk bezit op het perceelland groot 250ha gelegen achter het aan de boedel [naam] toebehorend terrein, uitkomende aan de [locatie] met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen geen rechtshandelingen, beheers- of beschikkingsdaden te (doen) verrichten totdat in de verzetzaak met het A.R. No. 17-4910 en in de beslagzaak met het A.R. No. 16-3533 is beslist onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000.000,- voor iedere keer dat gedaagden de veroordeling niet naleven, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

2.2 Aan haar vordering legt eiseres – samengevat – ten grondslag dat zij belang heeft bij handhaving van het conservatoir beslag gelegd op 11 augustus 2016 door [deurwaarder] op de allodiale eigendom en het erfelijk bezit op het perceelland groot 250ha gelegen achter het aan de boedel [naam] toebehorend terrein, uitkomende aan [locatie]. In de verzet procedure zal volgens eiseres blijken dat de verstekbeslissing niet in stand kan blijven. Aan de gewijzigde vordering legt eiseres ten grondslag dat gedaagden het vonnis van 21 december 2017 reeds geëxecuteerd hebben. De grondslag van deze kwestie vormt de zaak betreffende het conservatoir beslag waarvan de vanwaardeverklaringsprocedure bekend onder A.R. No. 16-3533/A.R. No. 16-3843 nog in behandeling is en voor repliek stond op 07 augustus 2018.

2.3 Gedaagden voeren verweer.

3. De beoordeling

In het incident
3.1 Artikel 109 Rv geeft eiseres de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak haar eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerderen. Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en gesteld dat elke samenhang ontbreekt tussen de verstekzaak met A.R. No. 17-4910 en de beslagzaak bekend onder A.R. No. 16-3533/A.R. No. 16-3843. Laatstgenoemde zaken hebben geen betrekking op gedaagden. Ook voeren gedaagden aan dat eiseres geen verknochtheid tussen voormelde zaken heeft gesteld, terwijl nota bene het conservatoir beslag in de zaak A.R. No. 17-4907 is opgeheven en doorgehaald.

3.2 Eiseres heeft bij haar vordering tot wijziging van eis geen nadere feiten en omstandigheden gesteld, betrekking hebbend op de zaken in de vanwaardeverklaringsprocedure bekend onder A.R. No. 16-3533/A.R. No. 16-3843, terwijl zulks op haar weg had gelegen. Aan een beantwoording van de door gedaagden opgeworpen vraag over het al dan niet verknocht zijn van deze zaken wordt dan ook niet toegekomen. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat de eiswijziging gegrond is op gewijzigde juridische en feitelijke grondslagen en daarom is aan te merken als een verandering en vermeerdering van de eis.

3.3 De vordering in het incident zal worden afgewezen.

In de hoofdzaak
3.4 De uitvoerbaarverklaring bij voorraad bij vonnis d.d. 21 december 2017 houdt in dat het vonnis uitgevoerd kan worden ook al hebben gedaagden hiertegen verzet ingesteld. Daar komt bij dat tussen partijen niet in geschil is dat het conservatoir beslag gelegd op 11 augustus 2016 is opgeheven en doorgehaald.

3.5 Op voorgaande gronden zal het gevorderde worden afgewezen.

3.6 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
In het incident
4.1 Wijst af het gevorderde.

In de hoofdzaak
4.2 Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.3 Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 22 augustus 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-32

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-2579
09 juni 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigden: mr. A.E. Telting en mr. B.A.H. Pick, beiden advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET OPENBAAR MNISTERIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
niet verschenen.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 25 mei 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen d.d. 27 mei 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 27 mei 2016;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen d.d. 27 mei 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 27 mei 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal d.d. 02 juni 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
  • de akte van aanvulling c.q. wijziging van eis d.d. 02 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen d.d. 03 juni 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is vanwege het spoedeisend karakter bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser had een affectieve relatie met [naam] en heeft met haar samengewoond in Nederland. Beiden bezitten de Nederlandse nationaliteit.

2.2 Uit de relatie tussen eiser en [naam] is op 11 augustus 2012 geboren: [minderjarige], hierna aangeduid als de minderjarige, die ook de Nederlandse nationaliteit bezit.

2.3 Vanaf december 2014 heeft eiser zich met de minderjarige in Suriname gevestigd. De moeder van de minderjarige heeft in Nederland aangifte tegen eiser gedaan ter zake onttrekking van de minderjarige aan het wettelijk gezag, op grond van welke aangifte de Nederlandse justitiële autoriteiten op grond van het Rechtshulpverdrag tussen de Repbliek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden de hulp van de Surinaamse justitiële autoriteiten heeft ingeroepen om de minderjarige van de vader weg te nemen. Zulks, in het belang van de minderjarige.

2.4 Op 23 mei 2016 heeft gedaagde zich tezamen met enkele Nederlandse politieagenten begeven op het woonadres van eiser en hebben zij de minderjarige weggenomen van eiser.

2.5 Op 24 mei 2016 heeft de gemachtigde namens eiser een schrijven gericht aan gedaagde oor het verkrijgen van informatie over de minderjarige, in welk schrijven onder meer het volgende staat verwoord:
“In bovengenoemde zaak heb ik u telefonisch verzocht [minderjarige] die door de politie is weggenomen van zijn vader, de heer [eiser], wederom aan de vader af te staan. Aan u heb ik stukken doen toekomen dat het kindje [minderjarige] rechtmatig bij de vader vertoefd.
Na overleg met de leiding van het Openbaar Ministerie en het doornemen van de in uw bezit zijnde stukken, heeft u mij doorgegeven dat naar de mening van het Openbaar Ministerie er geen termen aanwezig zijn om af te wijken van de eerder genomen beslissen. Ik heb u aangegeven de beslissing niet te begrijpen en dat cliёnt geadviseerd zal worden de in deze geïndiceerde stappen te ondernemen.

Gaarne verzoek ik u mij afschriften van alle in de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen.”

2.6 Op 26 mei 2016 heeft de substituut officier van justitie namens gedaagde op het hiervoor vermeld schrijven als volgt gereageerd:
“Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 24 mei 2016, waarin u het verzoek doet om alle in de zaak betrekking hebbende stukken aan u te doen toekomen, moge u het volgende dienen.

Alle documenten met betrekking tot de onderhavige zaak maken deel uit van een vanwege de Nederlandse bevoegde autoriteiten ontvangen rechtshulpverzoek. Vanwege het interstatelijk karakter van rechtshulp, kunnen deze documenten niet aan u ter beschikking gesteld worden. In Suriname loopt namelijk geen strafzaak tegen uw cliënt.

Op grond van het voorgaande geef ik u derhalve in overweging u te wenden tot de Nederlandse zaaksofficier, mw. Mr. S. Sondemeijer op het Parket te Amsterdam te bereiken op het telefoonnummer 031-088693625.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a) gedaagde te gelasten om de [minderjarige], geboren op [datum], binnen 7 dagen na de uitspraak van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, naar eiser in Suriname terug te geleiden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per uur, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, zolang verweerder nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven;
b) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door de minderjarige van hem weg te nemen en de minderjarige door dit handelen schade wordt berokkend.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover nodig, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de aard van het gevorderde . Om die reden wordt hij in het kort geding ontvangen.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat op verzoek van de moeder van de minderjarige, die het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft, de minderjarige in diens belang van eiser is weggenomen en de minderjarige inmiddels al herenigd is met de moeder in Nederland. Daar de minderjarige een Nederlandse staatsburger is en zich reeds bij zijn moeder op Nederlands grondgebied bevindt, kan het door eiser gevorderde niet worden toegewezen. Dit, omdat gedaagde geen wettelijk gezag heeft over de minderjarige, die bovendien een Nederlandse staatsburger is. De enige mogelijkheid die eiser rest om de minderjarige terug te kunnen krijgen, is door het ondernemen van gerechtelijke stappen in Nederland tegen de Staat Nederland en de moeder van de minderjarige.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 09 juni 2016 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-31

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3063
23 juni 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
C. [eiser sub C],
D. [eiser sub D],
allen wonende in het [district],
eisers,
gevolmachtigde: mr. D.D. Jairam, jurist,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 juni 2016;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 22 juni 2016, waarbij producties zijn overgelegd;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij notariële akten respectievelijk d.d. 15 juli 2008 en 12 januari 2011 hebben eisers sub 3 en 4 ten behoeve van gedaagde hypotheek verleend op het zakelijk recht van grondhuur van eiser, zulks tot zekerheid van de voldoening van een kredietlening die gedaagde aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verstrekt.

2.2 Partijen zijn overeengekomen dat de algemene voorwaarden van gedaagde als bankinstelling op eisers van toepassing zijn. In artikel 16 van de algemene voorwaarden is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:
“Al hetgeen de klient te eniger tijd en uit welken hoofde ook aan de Bank verschuldigd is, zal tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen, dan wel enige wetsbepaling inachtneming van een termijn voorschrijft te alle tijde terstond opeisbaar en vereffenbaar zijn. Elke krediet kan ook al is een aflossings- of opzeggingstermijn overeengekomen, dan wel een bepaalde afloopdatum gesteld – zonder dat daartoe enige opzegging ingebrekestelling of enige andere formaliteit vereist zal zijn onmiddellijk opgeëist worden in de volgende gevallen.
a. indien de klient enige voorwaarde, waaronder een krediet verleend is, of enigerlei andere verplichting uit welken hoofde ook jegens de Bank niet, behoorlijk nakomt.
(….)
De klient is verplicht op de eerste aanvraag van de Bank het verschuldigde, al naar gelang de Bank vordert, geheel of gedeeltelijk te voldoen. In geval het door de klient aan de Bank verschuldigde onmiddellijk opeisbaar geworden is, is de Bank gerechtigd naar haar keuze alle zekerheden of een en op de wijze die haar wenselijk voorkomt, teneinde uit de opbrengst daarvan het aan de Bank volgens haar boeken verschuldigde met rente en kosten te verhalen.”

2.3 Bij schrijven d.d. 09 november 2015 zijn eisers sub 1 en sub 2 door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Ter zake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:
“Bij controle van het verloop van uw krediet hebben wij geconstateerd dat de limiet van uw investeringskrediet vervallen is. De debetstand is als volgt:

(…) SRD 1.396.093,63 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren en verzoeken u derhalve dringend, doch uiterlijk
27 november a.s. contact met onze mevrouw [naam] op te nemen teneinde een regeling te treffen die zal moeten leiden tot aanzuivering van de debetstanden.”

2.4 Bij schrijven d.d. 26 februari 2016 zijn eisers sub 1 en sub 2 ten tweede malen door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Ter zake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:
Voor de goede orde delen wij u mede dat de limiet van uw investeringskrediet reeds geruime tijd vervallen is. De debetstand is als volgt:
(…) SRD 1.527.647,87 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren. Indien de aanzuivering niet op uiterlijk 29 februari a.s. heeft plaatsgevonden, zullen wij genoodzaakt zijn het krediet op te zeggen en over te gaan tot executie van de aan ons verbonden onroerende goederen.”

2.5 Middels een ongedateerde exploit van de deurwaarder heeft gedaagde de openbare verkoop van het hierna omschreven onroerend goed aan eiser sub 4 aangezegd, welke openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016 des voormiddags te elf uur zal plaatsvinden.
Middels het hiervoor vermeld exploit heeft gedaagde aan eiseres sub 4 kenbaar gemaakt dat eisers sub 1 en sub 2 in gebreke zijn gebleven om aan hun betalingsverplichting voortvloeiende uit de hypotheekakten jegens gedaagde te voldoen, waardoor de verschuldigde hoofdsom terstond en in haar geheel met renten en kosten opvorderbaar is, en is zij door gedaagde aangemaand om dadelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen SRD 1.576.207,16. Deze kennisgeving is ook gedaan aan eisers sub 1 tot en met 3 bij exploit van de deurwaarder d.d. 04 mei 2016, no. 050-16.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:

  1. op te schorten of te verbieden de aangekondigde executiemaatregelen, althans de aangekondigde openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016, zoals in productie 1 gemeld;
  2. om op dezelfde wijze zoals gedaagde de verkoop openbaar heeft gemaakt, ook de opschorting ervan bekend te maken;
  3. tot een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 1 te voldoen;
  4. om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de gemaakte gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten, alsmede rechtsbijstandkosten begroot op SRD 4.500,-;
  5. in de kosten van het geding.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde zeer onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hen handelt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten onder 2, onder meer het volgende:

  • het exploit van aanzegging is nietig, omdat het ongedateerd is en in strijd met de wet is;
  • gedaagde heeft eisers niet in gebreke gesteld tot betaling;
  • gedaagde heeft terstond betaling van eisers gevraagd, zonder hen een termijn tot betaling te geven;
  • gedaagde is zeer onzorgvuldig jegens eisers geweest, omdat zij hen niet heeft gewezen op de ernst van het niet nakomen van hun verplichtingen en de consequenties daarvan;
  • zij zijn bereid hun verplichtingen jegens gedaagde na te komen, doch na goed onderling overleg.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Vaststaat dat gedaagde als bankinstelling een kredietlening aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verschaft en eisers sub 3 en 4 als zekerheid tot voldoening van deze lening ten behoeve van gedaagde hypotheek op het onroerend goed hebben gevestigd. Tevens staat vast dat eisers sub 1 en sub 2 een achterstand hebben in betaling van deze kredietlening en tot heden tekort zijn geschoten in hun plicht tot betaling van deze achterstand.
Ter zake stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat en zal gedaagde – zoals door haar bij eisers is aangekondigd – vanwege het tekortschieten van eisers sub 1 en sub 2 in hun betalingsverplichting thans overgaan tot het gebruik maken van deze aan haar toekomende bevoegdheid.

4.3 Eisers stellen zich op het standpunt dat het exploit van aanzegging van de openbare verkoop nietig is, doch gaat deze stelling naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet op. Uit de inhoud van het door eisers overgelegde exploit, welke ongedateerd is, blijkt dat het is betekend aan eiser sub 3 als onderzetter. Zoals reeds hiervoor is overwogen zijn eisers sub 1 en 2 de schuldenaren van gedaagde en heeft gedaagde middels overlegging van een exploit d.d. 04 mei 2016 gestaafd dat aan alle 4 eisers de aanzegging is gedaan. Daar dit exploit wel voldoet aan de bij wet gestelde vereisten en eisers kennis dragen van de aangekondigde openbare verkoop, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eisers.

4.4 Zoals de kantonrechter de stellingen c.q. het betoog van eisers begrijpt, is de opzegging van de kredietrelatie door gedaagde met eisers sub 1 en sub 2 onrechtmatig, omdat zij niet in gebreke zouden zijn gesteld door gedaagde.
In reactie op deze stelling heeft gedaagde opgeworpen dat zij eisers tot tweemaal toe in gebreke heeft gesteld tot het voldoen aan hun betalingsverplichting, welk verweer zij heeft gestaafd middels overlegging van de ingebrekestellingen zoals vermeld onder 2.3 en 2.4 van de feiten in dit vonnis.
Eisers hebben in reactie hierop gesteld deze ingebrekestellingen nimmer te hebben ontvangen, doch is zulks door gedaagde weersproken. Ter zake heeft gedaagde aangevoerd dat na de laatste ingebrekestelling eisers diverse gesprekken met de contactpersoon hebben gevoerd. Daarom is voor de kantonrechter aannemelijk dat gedaagde eisers in gebreke heeft gesteld tot betaling. Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat ook al zouden eisers niet in gebreke zijn gesteld het beroep hierop geen kans van slagen zou hebben. Dit, omdat in de kredietrelatie tussen partijen de algemene voorwaarden van gedaagde op eisers van toepassing zijn en blijkens artikel 16 van deze voorwaarden, zoals gedaagde terecht heeft opgeworpen en middels het overleggen van deze voorwaarden die niet van valsheid zijn beticht heeft gestaafd, een ingebrekestelling niet vereist is en is het verschuldigde bij een achterstand terstond opeisbaar.

4.5 Eisers stellen dat gedaagde haar zorgplicht jegens haar niet in acht heeft genomen, doch hebben zij deze stelling niet voldoende onderbouwd. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat inhoud en reikwijdte van de zorgplicht die gedaagde in acht dient te nemen van de specifieke omstandigheden van het geval afhangen, welke in de jurisprudentie op een aantal punten nader zijn uitgewerkt. Bij het beoordelen of de bank diens zorgplicht jegens diens cliënt c.q. kredietnemer in acht heeft genomen, wordt meegenomen

  1. de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie,
  2. de vraag of sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan;
  3. het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer, in casu eisers, alsmede de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie van belang zijnde omstandigheden;
  4. de mate waarin de kredietnemer toerekenbaar is tekort geschoten;
  5. de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of, en in welke mate, de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd en de gedragingen van de bank waardoor verwachtingen bij de kredietnemer zijn gewekt.

Eisers hebben geen van deze feiten omstandigheden gesteld dan wel niet voldoende voldaan aan hun stelplicht, waardoor eisers deze stelling niet aannemelijk hebben gemaakt.

4.6 Eisers stellen dat zij bereid zijn te betalen, doch hebben zij vanaf het moment zij kennis droegen van de aangezegde openbare verkoop tot heden geen enkel concreet voorstel tot betaling aan gedaagde gedaan en wat hun bron van inkomsten is, waardoor niet kan worden beoordeeld of zij op zeer korte termijn en in de toekomst in staat zullen zijn volledig aan hun betalingsverplichting te kunnen voldoen. Om die reden en mede op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, is er geen grond om de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 juni 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-2761
07 juni 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. V.M.S. Nooitmeer, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN OPENBARE WERKEN EN TRANSPORT,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist,

B. [gedaagde sub B],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 21 juni 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 juli 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de rolbeschikking waarbij een descente is gelast;
  • het proces-verbaal betreffende de gehouden descente;
  • de conclusie van repliek en uitlating na gehouden descente, met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating na gehouden desente, met producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties aan de zijde van eiseres, met producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties aan de zijde van gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde sub B is eigenaar van het perceel dat gelegen is naast het perceel alwaar eiseres woont. Op dat perceel van gedaagde bevond zich een huisje, welk huisje hij op 04 maart 2017 heeft afgebroken om een pand met drie verdiepingen te bouwen.

2.2 Gedaagde sub B heeft een bouwvergunning van gedaagde sub A verkregen om het drieverdiepingen pand te bouwen. De bouwvergunning is gedateerd 23 februari 2017.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de werking van de bouwvergunning te schorsen, althans op te schorten totdat in bodemgeschil definitief over deze kwestie zal zijn beslist;
b) gedaagde sub B te gelasten om de bouwactiviteiten onmiddellijk op te schorsen c.q. te verbieden;
c) gedaagde sub B te veroordelen het vonnis te gehengen en te gedogen;
d) gedaagden te veroordelen om aan eiseres te betalen bij wege van dwangsom het bedrag groot SRD 10.000,-, voor elke dag of keer dat gedaagden in strijd handelen met dit vonnis;
e) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Zowel ten aanzien van gedaagde sub A als gedaagde sub B, legt eiseres aan haar vordering ten grondslag dat zij een onrechtmatige daad jegens haar plegen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, en wel voor wat gedaagde sub B betreft onder meer het volgende:

  • met de bouw van het drie verdiepingspand zal zij worden belemmerd in haar woon- en leefgenot;
  • gedaagde sub B heeft naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een vergunning aangevraagd voor de bouw en/of exploitatie van een onderneming en die bouwvergunning ook verkregen van gedaagde sub A. Met het verstrekken van de bouwvergunning maakt gedaagde sub A zich schuldig aan schending van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;
  • ondanks zij bezwaar bij gedaagde sub A heeft geopperd tegen de bouw van het drieverdiepingspand en het verzoek heeft gedaan dat de vergunning wordt gewijzigd naar de bouw van een tweeverdiepingspand, wordt dat geweigerd;
  • zij ondervindt veel last en hinder van de bouwactiviteiten van gedaagde sub B;
  • de bouwactiviteiten brengen veel stof met zich mee, waardoor eiseres verplicht is de ramen van haar woning dicht te houden. Tevens wordt haar rust verstoord door het harde geluid van het timmeren op zwaar materiaal;

De bouw van het pand kan schade toebrengen aan de woning van eiseres, met name scheuren aan de muren.

Ten aanzien van gedaagde sub A stelt eiseres onder meer het volgende:

  • gedaagde sub A heeft de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur geschonden, met name het beginsel van hoor en wederhoor. Gedaagde sub A heeft haar in strijd met artikel 5 lid 4 van de Wet vergunningen beroepen en bedrijven niet gehoord;
  • gedaagde sub A heeft de Bouwwet niet behoorlijk nageleefd.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt voldoende uit het door haar gestelde. Om die reden zal zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat schorsing van de bouwvergunning mogelijk is, indien deze in strijd met de bouwwet en het bouwbesluit is verstrekt.
Tijdens de gehouden descente, tevens gehouden comparitie van partijen en uit de inhoud van de ten processe overgelegde producties valt geenszins af te leiden dat gedaagde sub A in strijd met de huidige wettelijke regelingen, zijnde de Bouwwet en het Bouwbesluit, de bouwvergunning aan gedaagde sub B zou hebben verstrekt. Zoals de kantonrechter eiseres begrijpt, heeft zij bezwaar tegen de bouw van een drieverdiepingen pand omdat haar woning aan weerszijden zal worden ingesloten door twee hoge panden en haar woon- en levensgenot daardoor zal worden beperkt. Echter heeft zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter nagelaten te stellen met welke artikelen van de huidige bouwwetgeving gedaagde sub A in strijd zou hebben gehandeld bij het verstrekken van de bedoelde bouwvergunning. Uit de inhoud van de huidige bouwwetgeving valt immers geenszins af te leiden dat het bouwen van een pand met meerdere verdiepingen verboden is.
Voor wat betreft de stelling dat gedaagde sub A in strijd met de Wet vergunningen Bedrijven en Beroepen heeft gehandeld, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde sub A belast is met de uitvoering van de Bouwwetgeving en niet met de uitvoering van de Wet Vergunningen Beroepen en Bedrijven. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde sub A een vergunning aan gedaagde sub B heeft verstrekt voor het exploiteren van een bedrijf, zodat deze stelling van eiseres niet opgaat.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat gedaagde sub A niet in strijd heeft gehandeld met enig Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur en dus evenmin onrechtmatig jegens eiseres heeft gehandeld.

4.3 Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft gedaagde sub B een bouwvergunning van de daartoe bevoegde instantie, zijnde gedaagde sub A conform de huidige Bouwwetgeving verkregen en mag hij met inachtneming van de daarin vastgestelde voorwaarden het drieverdiepingenpand bouwen. Eiseres stelt dat zij last ondervindt van de bouw, doch is het een feit van algemene bekendheid dat bij de bouw van woningen c.q. panden buren altijd last daarvan zullen ondervinden. Het ligt op de weg van degene die bouwt, in casu gedaagde sub B, om de nodige maatregelen te treffen dat de buren zo min mogelijk last van de bouwactiviteiten ondervinden, dan wel te voorkomen dat spijkers, stenen, enzovoorts op de erven van de buren komen te vallen of een verzekering afsluiten ingeval schade aan goederen van buren mocht worden toegebracht door de bouwwerkzaamheden. Dat de muren van eiseres als gevolg van de reeds aangevangen bouwwerkzaamheden zijn beschadigd,heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt middels enig bescheid, met name middels een deskundigenrapport ter zake. Bovendien is tijdens de gehouden descente gebleken dat gedaagde sub B pas aan het prille begin is met de start van de bouwwerkzaamheden. Dat gedaagde sub B in strijd met de aan hem verstrekte bouwvergunning heeft gehandeld, is gesteld noch gebleken. Derhalve is niet aannemelijk dat gedaagde sub B een onrechtmatige daad jegens eiseres pleegt.

4.4 Nu niet aannemelijk is dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens eiseres plegen, zullen de door eiseres gevraagde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd. Eiseres zal, als de in het in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en uitgesproken ter openbare terechtzitting door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op donderdag 07 juni 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2016-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-6242
23 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten in de Penitentiaire Inrichting Hazard, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Frederik Derbystraat no. 13-13A, ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eiser,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, jurist op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 december 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 december 2016;
  • partijen hebben mondeling gepleit d.d. 21 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is op 31 juli 2014 in verzekering gesteld ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbare feit en is hij ter zake bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. 26 oktober 2015 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest is doorgebracht. Tegen voormeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.2 Eiser heeft thans 2 jaren, 4 maanden en 20 dagen in detentie doorgebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I) gedaagde te gelasten om met toepassing van artikel 29 e.v. van het Wetboek van Strafrecht eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, binnen 1 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, nu eiser meer dan tweederde van zijn straftijd in gevangenschap heeft doorgebracht, onder door de gedaagde te stellen voorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde nalatig blijft uitvoering aan het vonnis te geven;
II) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt wegens strijdigheid met artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechstzekerheids-, gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt eiser, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • met inachtneming van het bepaalde in artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht zou eiser effectief 28 maanden van de opgelegde straf moeten uitzitten en zou eiser reeds op 28 november 2016 in vrijheid moeten worden gesteld;
  • van een zeer ernstige misdraging van eiser na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf in de zin van artikel 30a lid c van het Wetboek van Strafrecht is eiser niet gebleken;
  • desondanks weigert gedaagde hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde werpt op dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser op advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling (CVI) is uitgesteld met zeven maanden, en wel op grond van het feit dat eiser drie tuchtstraffen opgelegd heeft gehad in de periode van respectievelijk 10-01-2015 tot en met 16-01-2015 wegens het in het bezit zijn van een mobiel en 1 bolletje vermoedelijk marihuana, 28-08-2015 tot en met 01-09-2015 wegens het in het bezit zijn van een mobiel en 06-04-2016 wegens het in bezit zijn van een mobiel. Uit dit verweer begrijpt de kantonrechter dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser niet is geweigerd, doch dat het op grond van artikel 30a lid 1 sub c van het Wetboek van Strafrecht wegens zeer ernstige misdraging is uitgesteld met zeven maanden. Nu vanwege dit verweer de grondslag van de door eiser gevraagde voorziening is komen weg te vallen, zal deze als niet gegrond worden geweigerd. De kantonrechter constateert evenwel dat partijen zich – naar aanleiding van dit verweer – in hun tweede pleitronde hebben toegespitst op de gronden tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, doch acht zij zich niet bevoegd om inhoudelijk hierover te oordelen. Dit, omdat de veroordeelde, in casu eiser, op grond van artikel 33 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht tegen een beslissing als bedoeld in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht binnen veertien dagen nadat hij hiervan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift kan indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op vrijdag 23 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-29

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-6275
28 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans gedetineerde in de strafinrichting te Duisburglaan, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no.08, ten kantore van mr. F.F.P. Truideman,
eiser,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, jurist op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 21 december 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 23 december 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 23 december 2016;
  • de conclusie van repliek d.d. 23 december 2016;
  • de conclusie van dupliek d.d. 27 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is op 09 april 2014 in verzekering gesteld ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbare feit en is hij ter zake bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. 16 april 2015 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest is doorgebracht.

2.2 Tegen voormeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.3 De datum van voorwaardelijke invrijheidstelling (afgekort V.I.) voor eiser zou zijn bepaald op 07 december 2016.

2.4 Op 25 augustus 2016 is een cellulair toestel in het bezit van eiser aangetroffen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
– de beslissing van de V.I. Commissie als vervat in zijn brief van 16 december 2016 te schorsen als zijnde in strijd met de wet en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser te gelasten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde nalatig blijft uitvoering van het vonnis gevolg te geven.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe stelt eiser, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • op 19 december 2016 is middels een schrijven van de directeur van de inrichting d.d 16 december 2016 aan eiser medegedeeld dat zijn V.I. datum wordt uitgesteld met drie maanden
  • het schrijven van de directeur van de inrichting is krachteloos, omdat niet de Minister de beslissing heeft genomen;
  • de V.I. Commissie heeft slechts een adviserende taak en is niet bevoegd om te bepalen dat de V.I. termijn wordt verlengd. Ingevolge artikel 30a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht komt de bevoegdheid om te bepalen of de V.I. termijn wordt verlengd, slechts de Minister van Justitie en Politie toe. De V.I. Commissie heeft daartoe niet de bevoegdheid en heeft slechts een adviserende taak;
  • de verlenging van de V.I. dient door de Minister van Justitie en Politie tenminste voor de aanvang van de V.I. termijn aan eiser te worden medegedeeld en is zulks niet geschied;
  • de verlenging van de V.I. datum is onredelijk, omdat eiser langer dan 2 jaren van zijn vrijheid is beroofd en herstel van zijn gezinsleven dringend noodzakelijk is.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter constateert het volgende. Eiser vordert dat gedaagde hem onmiddellijk in vrijheid stelt, terwijl uit de context van de stellingen die eiser aan zijn vordering ten grondslag legt, valt af te leiden dat alles draait om de V.I zoals neergelegd in artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Om redenen van proceseconomische aard en mede op grond van hetgeen hiervoor is geconstateerd, zal de kantonrechter de volgende zinsnede in de vordering “de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser te gelasten” inlezen als volgt: “om eiser conform artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid te stellen”.

4.3 Gedaagde weerspreekt in strijd te hebben gehandeld met enig Algemene Beginsel van Behoorlijk Bestuur. Daartoe werpt gedaagde op dat de V.I. Commissie bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie is ingesteld en tot doel heeft de V.I. van hen die daarvoor in aanmerking komen, te beoordelen en de nodige administratieve handelingen daartoe te plegen. In dat kader is de V.I. Commissie bevoegd de V.I. aan te houden of zelfs te weigeren.Naar aanleiding van de stellingen en weren van partijen constateert de kantonrechter het volgende.Partijen maken gewag van de begrippen verlenging van de V.I en aanhouden van de V.I. Uit artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht blijkt, dat de wetgever de terminologie “uitstel” of achterwege laten” van de V.I bezigt. De kantonrechter zal, gelet op de terminologie die de wetgever in het hiervoor vermeld artikel bezigt, het ervoor houden dat partijen met de door hun gebezigde begrippen bedoelen dat de V.I. van eiser met drie maanden is uitgesteld.

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter stelt eiser zich terecht op het standpunt dat slechts de Minister van Justitie en Politie de bevoegdheid toekomt om te bepalen dat de VI wordt uitgesteld of achterwege gelaten, doch komt deze bevoegdheid de Minister toe nadat de VI Commissie ter zake advies heeft uitgebracht. Dat de bevoegdheid de Minister van Justitie en Politie toekomt en wanneer deze bevoegdheid de Minister toekomt, leidt de kantonrechter af uit het bepaalde in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht. Daarom wordt het verweer van gedaagde ter zake verworpen.

4.5 Aan de orde is nu de vraag of de mededeling van de directeur van de inrichting bij schrijven d.d. 16 december 2016 kan worden aangemerkt als te zijn een mededeling betreffende een door de V.I. Commissie genomen besluit over uitstel van de V.I.
In het hiervoor bedoeld schrijven is de mededeling die aan eiser is gedaan, verwoord als volgt:“Middels deze deel ik, Mr. A. Ramadhin, de directeur van de bovengenoemde inrichting, aan de gedetineerde [eiser] mede, dat op de V.I. vergadering van 13 december 2016 is geadviseerd om zijn V.I. aan te houden voor 3 (drie) maanden.
(…)”.

Uit de inhoud van dit schrijven leidt de kantonrechter ondubbelzinnig af dat aan eiser het advies van de V.I. Commissie over de V.I is medegedeeld. Dat de V.I. Commissie een besluit ter zake heeft genomen, kan geenszins uit dit schrijven worden afgeleid. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat het hiervoor bedoeld schrijven niet in strijd is met de wet en evenmin krachteloos is. Hieruit vloeit voort dat de gevraagde voorziening ter zake zal worden geweigerd.

4.6 Voor zover eiser met zijn stellingen betoogt dat de Minister van Justitie en Politie nog geen besluit over het uitstel van de V.I. heeft genomen en dit nalaten in strijd is met de wet, zijnde artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht, dan rijst de vraag of dit nalaten onmiddellijk dient te leiden tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser.Naar het oordeel van de kantonrechter is het antwoord op deze vraag te vinden in artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het bepaalde in lid 1 van dit artikel leidt de kantonrechter af dat de veroordeelde pas aanspraak maakt op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer de beslissing ter zake met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden aan hem in persoon is betekend. Is er geen beslissing betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, dan wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.Op grond van dit artikel kan de door eiser gevraagde voorziening om hem voorwaardelijk in vrijheid te doen stellen niet worden toegewezen.

4.7 Ten aanzien van de stelling van eiser dat het uitstellen van de VI met drie maanden onredelijk is, brengt de kantonrechter eiser in herinnering dat hij op grond van artikel 33 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht tegen een beslissing als bedoeld in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht binnen veertien dagen nadat hij hiervan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift kan indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hieruit volgt dat de kantonrechter in kort geding niet bevoegd is om van een geschil betreffende weigering c.q. uitstel of achterwege laten van de VI kennis te nemen en zal de kantonrechter om die reden de vraag of het uitstel al dan niet onredelijk is niet beoordelen.

4.8 Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat voor zover eiser met zijn stellingen ook betoogt dat het besluit niet aan hem is betekend en hij daardoor niet in beroep kan gaan, dat deze stelling niet opgaat. Dit, omdat het eiser nu al bekend is dat de V.I. wordt geacht te zijn geweigerd en aan hem reeds een indicatie is gegeven dat de V.I. datum met drie maanden is uitgesteld.In dat het licht verwijst de kantonrechter naar de Memorie van Toelichting op bladzijde 164, op welke bladzijde de volgende toelichting op artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht is gegeven:“In die bepaling wordt de mogelijkheid geboden om tegen diverse in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling of namens de Minister genomen beslissingen een bezwaarschrift in te dienen.In het derde lid van artikel 33 wordt gesproken van een periode van veertien dagen nadat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing. Met opzet is hierbij niet bepaald dat die termijn begint te lopen op het moment van betekening van de beslissing (hoewel dat in de meeste gevallen wel het geval zal zijn), aangezien niet elke beslissing kan worden betekend, waarbij met name wordt gedacht aan de fictieve weigering als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid. Het ligt voor de hand dat de rechter de termijn van veertien dagen in die gevallen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren.

Het derde en vierde lid van artikel 33 zien op de veroordeelde die gebruik maakt of overweegt gebruik te maken van zijn recht om een bezwaarschrift in te dienen en die zich van zijn vrijheid beroofd weet. Enerzijds zal deze in afwachting van de behandeling van zijn zaak in beginsel niet in vrijheid worden gesteld en anderzijds zal hem een raadsman worden toegevoegd.”

4.9 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op woensdag 28 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-5621
24 december 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
domicilie kiezende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. P. Campagne, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 22 december 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 22 december 2015;
  • het antwoordpleidooi d.d. 22 december 2015;
  • het repliekpleidooi d.d. 22 december 2015;
  • het dupliekpleidooi d.d. 22 december 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 19 mei 1999 is eiser aangehouden en in verzekering gesteld.
Op 03 augustus 1999 heeft eiser zich onttrokken aan zijn detentie.

2.2. Eiser is in eerste aanleg bij vonnis van de kantonrechter d.d. 6 juni 2000 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die hem reeds in voorarrest is doorgebracht.

2.3 Op 10 juli 2012 is hij weder aangehouden en ingesloten in het cellenhuis van het politiestation te Leiding 9A en vanaf 4 oktober 2012 in de penitentiaire inrichting te Santo Boma.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten om met toepassing van artikel 29 e.v. Sr eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, binnen 1 uur na de uitspraak in dezen, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, nu eiser ruim meer dan tweederde van zijn straftijd in gevangenschap heeft doorgebracht, onder door gedaagde te stellen voorwaarden en onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van dit vonnis gevolg te geven;
b) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, in die zin dat gedaagde in strijd handelt met het verbod van willekeur, rechtszekerheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginselen, zijnde de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt hij, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • aan hem is medegedeeld dat indien hij zich goed gedraagt binnen de inrichting hij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling;
  • hij heeft reeds tweederde deel van zijn werkelijke straftijd uitgezeten en heeft zich goed gedragen. Op grond van ex artikel 29 e.v Sr komt eiser in aanmerking voor de VI regeling en moet hij daarom voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden.

Ondanks hij zich goed heeft gedragen en reeds tweederde deel van zijn werkelijke straftijd heeft uitgezeten, onthoudt gedaagde hem die voorwaardelijke invrijheidstelling.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiser, zodat hij in zijn vordering zal worden ontvangen.

4.2 Gedaagde werpt op dat de VI Commissie negatief advies heeft uitgebracht ten aanzien van eiser, omdat hij tijdens zijn detentie twee straffen opgelegd heeft gekregen. Reden voor het opleggen van de straf tijdens zijn detentie is dat hij tijdens zijn detentie een brief naar buiten heeft gesmokkeld en een cellulair bij zich had. Om die reden komt eiser niet in aanmerking voor de Voorwaardelijke Invrijheidstelling.
In reactie op dit verweer stelt eiser dat ingeval een interne straf wordt gegeven de Voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt afgewezen, doch met enkele weken wordt aangehouden. Voorts stelt eiser dat artikel 29 Sr geen gewag maakt van een recidivist, maar van goed gedrag.

4.3 Uit de stelling van eiser begrijpt de kantonrechter dat eiser zich niet kan terugvinden in het negatief uitgebracht advies van de VI Commissie, omdat er gevallen bekend zijn dat gedaagde bij soortgelijke interne straffen de Voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft afgewezen. Eiser heeft nagelaten die gevallen die bij hem bekend zijn te noemen waardoor de kantonrechter geen vergelijkend materiaal heeft om de stelling van eiser te toetsen.
Daarnaast neemt de kantonrechter ook in overweging dat met de bepaling inzake Voorwaardelijke Invrijheidstelling de wetgever het voorkomen van recidive beoogt. Gesteld noch gebleken is of eiser zich bij terugkeer in de samenleving zal verbeteren, op welke wijze hij hieraan zal werken en wie hem daarin zal begeleiden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat gedaagde zich aan schending van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur heeft schuldig gemaakt.
Aan eiser is wel de mededeling gedaan dat indien hij zich goed gedraagt hij in aanmerking komt voor de Voorwaardelijke Invrijheidstelling, doch is hem geen toezegging daartoe gedaan. Om die reden zal de door eiser gevraagde voorziening worden geweigerd.
Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat bij het inwilligen van een verzoek tot voorwaardelijke Invrijheidstelling er voorwaarden horen te worden gekoppeld als controlemechanisme op de veroordeelde na zijn terugkeer in de samenleving en is de kantonrechter niet de bevoegde instantie om die voorwaarden te stellen en controle op naleving daarvan uit te oefenen.

4.4 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 24 december 2015 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.