SRU-K1-2020-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-1282
23 april 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiseres],
wonend aan [adres] te [district] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. F.A. Bhagwandin-Telting, advocaat,

tegen

I. [gedaagde sub 1], in persoon en in de hoedanigheid van Hoofdredacteur bij DWT PUBLISHING N.V.,
gevestigd aan de Wagenwegstraat 57 te Paramaribo,
II. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DWT PUBLISHING N.V.,
gevestigd aan de Wagenwegstraat 57 te Paramaribo,
gedaagden,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 02 april 2019, met vijf producties;

  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 25 april 2019;
  • de conclusie van antwoord met twee producties;
  • de conclusie van repliek;
  • gedaagden hebben na verleend uitstel op de rolzitting van 04 juli 2019 niet van dupliek geconcludeerd op 01 augustus 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In deze zaak staat het navolgende als enerzijds gesteld en anderzijds onbetwist vast.

2.1 Op 29 november 2018 is in het dagblad De Ware Tijd een artikel gepubliceerd, geschreven door gedaagde sub I met als titel ‘Het Chinese fiasco, Maretraite Mall was gedoemd te falen’.

2.2 In de bijlage Mens & Maatschappij van het dagblad De Ware Tijd van zaterdag 30 maart / zondag 31 maart 2019 schrijft gedaagde sub I in zijn wekelijkse column onder de titel “De Snijd” over “Stront”. Hierin staat onder meer:

Van een zichzelf respecterende advocaat met een beetje hersens zou je verwachten dat ze beseft dat dergelijke beschuldigingen niet door de beugel kunnen. Om over haar vulgaire taalgebruik maar te zwijgen… Bovendien, als zij vindt dat ik echt onzin heb geschreven, zou ze als advocaat zeker naar de rechter zijn gestapt. Het is veelzeggend dat ze dit niet heeft gedaan. [naam 1], [eiseres] en nog een paar andere individuen die ik hier niet heb genoemd maar minstens zo irritant zijn, beschouw ik als gefrustreerde malloten. Ze zijn te dom om te beseffen dat ze het negatieve nieuws grotendeels over zichzelf hebben afgeroepen. Dus het zou fijn zijn als ze de stront in eigen huis houden in plaats van naar de boodschapper te smijten.’

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiseres vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • veroordeling van gedaagden, meer in het bijzonder gedaagde sub I om in de eerstvolgende editie van gedaagde sub II alsook in de digitale online editie en andere sociale media van gedaagde sub II bij wege van advertenties en op kosten van gedaagde het navolgende bericht te publiceren:

‘Ik, [gedaagde sub 1], hoofdredacteur bij het ochtendblad de Ware Tijd en columnist van De Snijd met als titel Stront in het onderdeel MENS & MAATSCHAPPIJ zoals gepubliceerd in de editie van zaterdag 30 maart en zondag 31 maart 2019, maak bekend dat de inhoud en tekst van het bedoeld artikel onnodig lasterlijk en krenkend zijn ten aanzien van mevrouw [eiseres], zowel in persoon als in de hoedanigheid van advocate bij het Hof van Justitie van Suriname. Ik, [gedaagde sub 1], corrigeer hierbij de voormelde uitingen in eerdergenoemd artikel en heb spijt van het gebeurde en biedt hiervoor mevrouw [eiseres] mijn oprechte verontschuldiging aan.’

althans dat gedaagden, meer in het bijzonder gedaagde sub I, te bevelen een zodanige verklaring openbaar te maken in het ochtendblad de Ware Tijd alsook in haar digitale editie en andere sociale media waar zij publiceert, zoals facebook. Dit alles met de strekking tot verbetering van de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van verzoekster als persoon en als advocate bij het Hof van Justitie van Suriname en op welke wijze de kantonrechter geraden mocht oordelen;

  • gedaagden gezamenlijk en/of ieder afzonderlijk te bevelen zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling welke de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van verzoekster aantasten;
  • e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 100.000, – voor elke keer of dag dat de gedaagde in strijd mocht handelen met de veroordelingen, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd;
  • veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2 Aan haar vordering legt eiseres – kort gezegd – ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig jegens haar handelen door opzettelijk de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van eiseres als persoon en als advocaat bij het Hof van Justitie aan te tasten. Gedaagde sub I heeft privé informatie uit WhatsApp berichten die eiseres niet met hem maar met een van zijn collega’s heeft gedeeld aan het grote publiek kenbaar gemaakt. De expliciete vermelding van de naam van eiseres in het bewuste artikel is overbodig en onnodig geweest om de boodschap van gedaagde sub I in zijn column over te brengen. Gedaagde sub I heeft kennelijk ruchtbaarheid willen geven aan het privé WhatsApp bericht om daarmee eiseres als persoon en als advocaat te belasteren en beledigen. Eiseres voelt zich door het handelen van gedaagden ernstig beledigd, gegriefd en bezwaard. Volgens eiseres maken gedaagden misbruik van persvrijheid door derden bij de naam te noemen, hen te bekladden en beledigen, te zeggen wat zij maar willen zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan.

3.3 Gedaagden voeren als verweer – kort gezegd – dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij de vordering. De zaak zal in een bodemprocedure breedvoerig onderzocht moeten worden met het nodige getuigenbewijs. Gedaagden stellen dat in diverse publicaties in november 2018 nieuwsberichten zijn gepubliceerd over een op handen zijnde veiling van de grond waarop de Maretraite Mall staat. Volgens gedaagden is de mall sinds de opening circa 10 jaar geleden nimmer een succes geworden. Gedaagde sub 1 heeft hierover een analyse geschreven onder de titel ‘Het Chinese fiasco, Maretraite mall was gedoemd te falen’ gepubliceerd in de editie van De Ware Tijd van 29 november 2018. Eiseres insinueert in de WhatsApp berichten dat gedaagde sub I door de eigenaar van het restaurant Lucky Twins is betaald om negatief over de Maretraite Mall te schrijven en dat gedaagde sub II hieraan zou hebben meegewerkt. Gedaagden voeren aan dat eiseres daarbij gedaagde sub I heeft beledigd door hem ‘klootzak’ en ‘idioot’ te noemen. Daarmee reeds heeft eiseres volgens gedaagden aanleiding gegeven voor publicatie van de WhatsApp berichten. Tijdens een overleg met redactieleden van gedaagde sub II is het besluit genomen om geen nieuwsbericht over deze kwestie te publiceren. De uitspraken van eiseres zijn echter in de samenleving een eigen leven gaan leiden. Gedaagde sub I is in de weken nadat de WhatsApp berichten zijn verstuurd door externe partijen aangesproken over kennelijke betaling voor het publiceren van negatief nieuws over eiseres en de Maretraite Mall. De goede naam en eer van gedaagden worden hierdoor aangetast, wat gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering van gedaagde sub 2. Gedaagde sub I heeft in de litigieuze publicatie als voorbeeld van hindernissen die journalisten tijdens hun dagelijkse werk naar hun hoofd geslingerd krijgen de WhatsApp berichten van eiseres aangehaald. Ook heeft hij eiseres van repliek gediend in zijn column. Gedaagden zijn respectievelijk columnist en uitgever en beroepen zich op artikel 19 van de Grondwet, waarin het recht op persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn neergelegd. Toewijzing van de vordering zal leiden tot onaanvaardbare schending van de persvrijheid. Gedaagden concluderen tot afwijzing van de vordering.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter ziet in de aard van de vordering aanleiding om eiseres in haar vordering in kort geding te ontvangen.

4.2 Allereerst blijkt uit het verzoekschrift onder punt 4 de aanleiding van de WhatsApp berichten die eiseres naar een collega van gedaagde sub I, de kantonrechter begrijpt, een journalist van gedaagde sub II heeft verzonden:

“Verzoekster heeft naar aanleiding van de publicatie van een artikel in hetzelfde ochtendblad van 29 november 2018 geschreven door gedaagde sub I onder de kop “Het Chinese fiasco, Maretraite Mall was gedoemd te falen”, (…) in een privé WhatsApp bericht aan een collega van gedaagde gereageerd. Die collega heeft kennelijk gedaagde sub I hiervan op de hoogte gesteld. En gedaagde sub I op zijn beurt heeft nu gemeend dit kenbaar te maken aan het grote publiek via gedaagde sub II in de editie zoals genoemd in het 3e sustenu. (…)

5. Door deze publicatie hebben gedaagden gezamenlijk, dan wel heeft gedaagde sub I zowel in persoon als in de hoedanigheid van hoofdredacteur van het eerdergenoemd ochtendblad, opzettelijk de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie, en persoonlijke- en functionele integriteit van verzoekster als persoon en als advocate (…) aangetast (…) en wel door het aanhalen van passages uit een privé appbericht van verzoekster aan een collega van gedaagde sub I, dus niet aan gedaagde sub I zelf en ook niet publiekelijk gedaan.”

4.2.1 Gedaagden voeren aan dat het binnen hun organisatie gebruik is om overleg te hebben over valse beschuldigingen. Over de berichten die eiseres heeft verstuurd is daarom overleg geweest. In de litigieuze publicatie zijn volgens gedaagden geen onjuiste of onware feiten naar voren gebracht. Voor gedaagden is daarom onbegrijpelijk dat eiseres het citeren van woorden die door haar zelf zijn gebruikt als smaad jegens haar persoon beschouwt. Gedaagden stellen dat het de woorden van eiseres zelf zijn die als smaad moeten worden aangemerkt, specifiek jegens gedaagde sub I.

4.2.2 De onder 4.2 aangehaalde passage uit het verzoekschrift legt bloot dat volgens eiseres de belediging vooral ook bestaat in het publiceren van haar privé WhatsApp berichten.

De inhoud van de uitgewisselde berichten is onweersproken overgelegd, zoals hierna volgt.

(De berichten van de derde zijn tussen haakjes geplaatst.).

Wie heeft dit bericht geplaatst ?

Een foto van een krantenartikel is hierna te zien.

Wie is deze idioot [gedaagde]

Deze klootzak is duidelijk slecht geinformeerd want de veiling gaat niet door. Iemand uit het kamp van [naam 2] die op deze laffe manier nog meer schade aan de Mall wil toebrengen?
Zijn Analyse / persoonlijke mening over de Mall moet hij elders deponeren dat jullie medium zich hiervoor leent is schandalig

[Morning [eiseres]]

[U geeft m nieuws]

[U heeft de veiling kunnen stuiten.]

[Wat is er afgesproken]

Ik wil eerst over het waardeloos artikel praten

[De schrijver van het berivht is in middag op kantoor]

[Maar dat de veilig niet doorgaat]

[Is nieuws dat we samenleving dienen te informeren]

Heeft hij geld gehad om die rotzooi te publiceren

4.2.3 Uit de hier geciteerde WhatsApp berichten blijkt voldoende dat eiseres de woorden ‘klootzak’ en ‘idioot’ heeft gebruikt om gedaagde sub I te duiden. In het algemeen draagt het woord ‘klootzak’ de kwalificatie van plat of vulgair scheldwoord. Volgens de Hoge Raad in NJ 2009, 466, is het bezigen van in het spraakgebruik erkende scheldwoorden beledigend in de zin van art. 266, eerste lid van het Nederlands Wetboek van Strafrecht (artikel 325 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht). Een uitdrukking of term is beledigend in de betekenis van voornoemde bepaling, indien deze zonder meer geschikt is om daarmee andermans waardigheid te miskennen. Termen die naar algemeen spraakgebruik als scheldwoorden te kwalificeren zijn, zijn daarvoor geschikt. In het bezigen van dergelijke termen ligt reeds — behoudens contra-indicaties — de strekking om te beledigen besloten. De overweging van het Gerechtshof Arnhem, NJFS, 2007, 252, verheldert de connotatie van een dergelijke woordkeuze als volgt: Over de door verdachte gebruikte woorden (…) kan geen misverstand bestaan. Die zijn beledigend. Door de toevoeging van deze laatste uitlating kan het niet anders dan dat de door de verdachte gebruikte woorden de strekking hebben de ander aan te randen in zijn eer en goede naam. De woorden ‘fuck je moeder’ hebben naar het oordeel van het hof namelijk (vrijwel) dezelfde betekenis als het — ook in Nederland gebruikte — scheldwoord ‘motherfucker’, hetgeen volgens de Van Dale (Groot Woordenboek van de Nederlandse taal) ‘klootzak’ betekent.” (…) De door verdachte gebruikte woorden zijn dus beledigend en hebben de strekking de ander aan te randen in zijn eer en goede naam.”

Het woord “idioot” is een term die naar algemeen spraakgebruik als scheldwoord te kwalificeren is en kan in een bepaalde context de strekking hebben iemands eer aan te tasten. In een context waarin eiseres gedaagde sub I “klootzak” noemt, kan het woord “idioot” geen andere strekking hebben dan zijn eer aan te tasten. De conclusie is dan ook dat eiseres in haar WhatsApp berichten scheldwoorden heeft gebruikt die de strekking hebben de eer en goede naam van een ander, in casu gedaagde sub I, aan te tasten.

4.3 De vraag die in dit kort geding centraal staat is of gedaagden met de publicatie van de column onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld met andere woorden of de publicatie in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid. Het spanningsveld ligt tussen het recht op bescherming van de eer en goede naam van eiseres als advocaat en persoon enerzijds en het recht neergelegd in artikel 19 GW, het recht van vrijheid van meningsuiting en de daaruit voor de persvrijheid voortvloeiende waarborgen voor gedaagden anderzijds. Vooropgesteld wordt dat in het algemeen het hebben van een goede naam voor journalisten even essentieel zal moeten zijn als voor advocaten. Voor eiseres is haar belang vooral daarin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan een aantasting van haar eer en goede naam door ongewenste en onjuiste publicaties. De beperking die bij wet is voorzien geldt wanneer sprake is van onrechtmatige uitlatingen. Gedaagde sub I daarentegen heeft er belang bij zich in zijn column in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over onderwerpen en misstanden die de samenleving raken. Welke van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ook zal beantwoord moeten worden of de beweringen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.

4.3.1 Over een column in het algemeen oordeelt de Hoge Raad in NJ 2008, 274 dat:

een publicatie pas mag worden gekwalificeerd als, althans gelijk gesteld mag worden met, een column (althans als een column waaraan niet dezelfde (hoge) eisen mogen worden gesteld als aan onderzoeksjournalistiek en waarin scherpere bewoordingen mogen worden gebruikt dan in andere publicaties en de grens van het toelaatbare minder snel wordt overschreden) indien die publicatie ten minste aan de genoemde kenmerken voldoet. Essentieel is immers dat een publicatie ook door de (gemiddelde) lezer wordt herkend als behorend tot het journalistieke genre van de column, zodat de lezer de inhoud op waarde kan en weet (te) schatten en de minder strenge onderzoekseisen en scherpere bewoordingen in dat licht gerechtvaardigd zijn. Alleen als het publiek een column — naar inhoud én naar vorm — ook als zodanig kan herkennen mag worden aangenomen dat het publiek minder snel dan bij perspublicaties in het algemeen zal aannemen dat de gedane feitelijke beweringen juist (immers deugdelijk onderzocht) en de gebezigde kwalificaties en geuite beschuldigingen gegrond (immers weloverwogen) zijn.’

4.3.2 Tussen partijen is niet weersproken dat de publicatie in de onderhavige zaak een column betreft. Grenzen worden in het geval van een column – blijkens rechtspraak – overschreden, indien uitlatingen daarin onvoldoende steun vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal of in het geval de uitingen zijn gedaan met de bedoeling de ander te kwetsen en met het oog op het te dienen belang de gebezigde bewoordingen nodeloos grievend zijn. Gedaagde sub I schrijft onder de titel De Snijd, wekelijks over maatschappelijke issues en zijn ervaringen als hoofdredacteur ten aanzien van gebeurtenissen in het journalistieke veld. Gedaagden stellen zich daarbij op het standpunt dat een column bestaat uit een tekst die vanuit een persoonlijk standpunt van de auteur tot stand is gekomen. In de bewuste column heeft gedaagde sub I het lezerspubliek deelgenoot gemaakt van scheldpartijen, bedreigingen en andere hindernissen die journalisten tijdens hun dagelijkse werk naar hun hoofd geslingerd krijgen. De WhatsApp uitbarsting van eiseres haalde gedaagde sub I als een voorbeeld daarvan aan. Gedaagde heeft daarbij aangevoerd dat het niet ongebruikelijk is dat in de column vaak op het scherpst van de snede wordt geschreven.

4.3.3 Eiseres heeft bij repliek de passage ‘maar minstens zo irritant zijn, beschouw ik als gefrustreerde malloten. Ze zijn te dom om te beseffen dat ze het negatieve nieuws grotendeels over zichzelf hebben afgeroepen. Dus het zou fijn zijn als ze de stront in eigen huis houden in plaats van naar de boodschapper te smijten’ vetgedrukt. Voor eiseres zijn kennelijk deze uitlatingen van gedaagde sub I in het onderhavige geding aan de orde. ‘Gefrustreerde malloten’ en ‘te dom’ zijn overdreven uitdrukkingen die beledigend kunnen zijn, maar in de gegeven context niet nodeloos grievend of bedoeld om te kwetsen. Voldoende aannemelijk is dat gedaagde sub I zijn waardeoordeel geeft over personen – onder wie eiseres – zonder daarmee de bedoeling te hebben een gedragswetenschappelijke gesteldheid van die personen te stellen. ‘Met stront smijten’ of ‘de stront in eigen huis houden’ zijn door gedaagde sub I gebezigde zegswijzen waarbij het woord stront niet als krachtterm is gebruikt noch als waardeoordeel of verwensing over eiseres.

4.3.4 Voorts is voor een juiste beoordeling nodig dat ook de passage die niet in het verzoekschrift is aangehaald, in de beschouwing wordt meegenomen. In de column over eiseres onder meer ook: ‘Eind vorig jaar vroeg de Surinaamse advocaat [eiseres] via de app aan een dWT-collega wie die “idioot [gedaagde]” is. (…) De jurist was duidelijk not amused: “Deze klootzak is duidelijk slecht geïnformeerd…”, zo schreef ze.’. In samenhang met de WhatsApp berichten hiervoor onder 4.2.2 beschouwd is de stelling van gedaagde sub I aannemelijk dat hij eiseres heeft geciteerd in zijn column. Verder vloeit uit de inhoud van de berichten – rekening houdend met de ontvanger die journalist bij gedaagde sub II is – niet vanzelfsprekend voort dat die berichten strikt privé, kennelijk uitsluitend tussen eiseres en die journalist, bedoeld zijn geweest. Nota bene heeft de betreffende journalist het nodig gevonden de berichten vanwege de inhoud aan de redactieleden voor te leggen. Eiseres zelf sluit ook niet uit dat gedaagden onzorgvuldig gehandeld hebben met de informatie waardoor een en ander in de samenleving een eigen leven is gaan leiden. Voor het vaststellen van mogelijk onzorgvuldig handelen door gedaagden is evenwel uitgebreider onderzoek vereist, waarvoor gedaagden getuigenbewijs hebben gesteld. De gebeurtenissen na de uitgewisselde WhatsApp berichten zullen in een bodemprocedure nader onderzocht moeten worden, nu het kort geding zich hiervoor niet leent.

4.3.5 Voorshands geoordeeld, moet het er voor gehouden worden dat gedaagde sub I feitelijke gronden heeft voor zijn gewraakte uitlatingen en dat hij derhalve de grenzen van zorgvuldigheid die hij jegens eiseres in acht had moeten nemen niet heeft overschreden. De passages, aangehaald onder 2.2 en 4.3.4, hebben uitgaande van het gevoerde partijdebat voldoende feitelijke basis.

4.4 Hoewel het oordeel op grond van het voorgaande luidt dat de uitlatingen in de column in onderling verband en samenhang bezien kwetsend kunnen zijn jegens eiseres, overschrijden deze de grens van het toelaatbare niet, nu hieraan een feitelijk substraat ten grondslag ligt en de scherpe bewoordingen, gelet op het doel van die column – het lezerspubliek deelgenoot maken van hindernissen die journalisten tijdens hun dagelijkse werk naar hun hoofd geslingerd krijgen – niet zijn aan te merken als jegens eiseres nodeloos grievend. De gevorderde publicatie zal daarom worden afgewezen.

4.5 Aan een beoordeling van misbruik van persvrijheid wordt op grond van het voorgaande niet toegekomen.

4.6 Het voorgaande leidt er voorts toe dat het gevraagde bevel om zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging en of handeling die de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke en functionele integriteit van verzoekster aantasten moet worden afgewezen, nu een voldoende rechtvaardiging voor dergelijke ingrepen in de persvrijheid niet aanwezig wordt geacht.

4.7 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 23 april 2020 te Paramaribo door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1051

23 april 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

ROSEBEL GOLDMINES WERKNEMERS ORGANISATIE,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie tevens verweerder in reconventie,
hierna te noemen: “de bond”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

WIRHT, WINSTON WILGO,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: “Wirht”,
gemachtigde: mr. S.N. Essed, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak op 09 april 2020 gewezen en uitgesproken tussenvonnis.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • de overgelegde notulen zijdens de bond;
  • de conclusie tot uitlating producties, zijdens Wirht.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling

In conventie en in reconventie

2.1 De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het in deze zaak op 09 april 2020 gewezen en uitgesproken tussenvonnis.

In conventie

2.2 Uit de door de bond overgelegde notulen van de Algemene Leden Vergadering (ALV) van 27 februari 2020 blijkt dat Wirht met 28 stemmen voor en 1 stem ongeldig is afgezet als voorzitter.

ALV van 27 februari 2020 rechtsgeldig?

2.3 Wirht voert als verweer dat de ALV van 27 februari 2020 in strijd met de statuten is belegd, omdat:

  1. de ALV niet is belegd door het voltallig bestuur van de bond, omdat hij als voorzitter niet is betrokken bij het uitschrijven van deze ALV;
  2. de convocatie van de ALV niet conform de statutaire termijn van zes dagen heeft plaatsgevonden;
  3. bij het houden van de tweede ALV er een termijn van dertig dagen in acht genomen moest worden, hetgeen in deze niet is gebeurd.

2.4 Anders dan Wirht, is de kantonrechter van oordeel dat de ALV van 27 februari 2020 conform de statuten en derhalve rechtsgeldig is belegd. Dat Wirht als voorzitter van de bond niet betrokken is geweest bij het uitschrijven van deze ALV doet aan het voorgaande niet af, omdat uit de statuten niet blijkt dat het voltallig bestuur een ALV dient uit te schrijven. Evenmin is in de statuten geregeld hoe gehandeld moet worden bij ontstentenis of belet van een van de bestuurders. De kantonrechter is met de bond eens dat een vereniging niet zonder bestuur mag komen te zitten ingeval van alle bestuursleden zouden besluiten onmiddellijk af te treden, terwijl een bestuur in beginsel ook uit één persoon kan bestaan. Bij de bond als meervoudig bestuur, rust de bestuurstaak op de bestuurders gezamenlijk.

Het verweer van Wirht dat de convocatie van de ALV van 27 februari 2020 niet conform de statutaire termijn van zes dagen heeft plaatsgevonden en dat bij het houden van de ALV van 27 februari 2020 een termijn van dertig dagen in acht genomen moest worden, wordt eveneens verworpen.

Vaststaat dat de eerste ALV is gehouden op 21 februari 2020 en dat op deze vergadering geen rechtsgeldige besluiten zijn genomen wegens gebrek aan quorum. Bij de uitnodiging ter bijwoning van de ALV van 21 februari 2020 is de termijn voor oproeping van tenminste zes dagen in acht genomen, zoals bedoeld in artikel 9 van de statuten. Verder staat ook vast dat de oproeping tot bijwoning van de op 27 februari 2020 gehouden vergadering is uitgegaan op 24 februari 2020. Hierbij is dus een termijn van vier dagen in acht genomen.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de tweede ALV van 27 februari 2020 geheel conform de statuten plaatsgevonden indien gelet wordt op het bepaalde in artikel 9 van de statuten. In artikel 9 van de statuten is onder meer bepaald dat indien het minimum aantal stemgerechtigde leden niet aanwezig is op de eerste ALV, er binnen dertig (30) dagen een tweede vergadering wordt belegd, waarin ongeacht het aantal aanwezige stemgerechtigde leden, rechtsgeldige besluiten kunnen worden genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de tweede ALV van 27 februari 2020 dus binnen de dertig plaatsgevonden en derhalve ook rechtsgeldig. Dat de ALV’s niet op de gebruikelijke plek, namelijk op het emplacement van Rosebel Goldmines N.V. heeft plaatsgevonden, betekent niet dat deze vergaderingen niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden nu vaststaat dat de directie van Rosebel Goldmines N.V. geen toestemming heeft gegeven aan de bond om op haar emplacement deze vergaderingen te houden. Bovendien is uit de statuten niet gebleken dat een ALV op het emplacement van Rosebel Goldmines N.V. dient plaats te vinden.

Wirht met ontslag?

2.5 Wirht voert, kort gezegd, als verweer dat de gebeurtenissen die de bond heeft opgesomd, waarvan zij meent dat er een onwerkbare situatie zou zijn ontstaan tussen de overige bestuursleden en hem, in strijd zijn met de waarheid.

Vaststaat in casu dat op de ALV van 27 februari 2020 er 29 stemgerechtigden aanwezig waren en dat Wirht met 28 stemmen voor, is afgezet als voorzitter van de bond naar aanleiding van enkele gebeurtenissen die zich zou hebben voorgedaan. Gelet op dit stemgedrag van de leden van de bond is het voor de kantonrechter aannemelijk geworden dat thans sprake is van een onwerkbare situatie tussen Wirht en de rest van het bestuur van de bond en dat het vertrouwen van de overige bestuursleden in Wirht is weggeëbd. De beantwoording vraag of Wirht rechtsgeldig met ontslag is gestuurd dient, vanwege de aard van het kortgeding, aan de bodemrechter te worden voorgelegd nu het ernaar uitziet dat een van de partijen met bewijslast zal worden opgedragen en in kortgeding de ruimte daarvoor niet bestaat.

2.6 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de vordering van de bond dient te worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde dwangsom te mitigeren en maximeren tot een bedrag zoals in het dictum te vermelden.

Wirht zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van de bond gevallen en zoals hierna te begroten.

In reconventie

2.7 De vordering in reconventie wordt afgewezen nu in conventie gebleken is dat Wirht tijdens de ALV van 27 februari 2020 is afgezet als voorzitter van de bond en deze vergadering conform de statuten en derhalve rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Aan Wirht komt, wegens gemis aan belang, de bevoegdheid niet toe om in reconventie te vorderen om de bond te veroordelen om een ALV uit te schrijven. Overigens wordt erop gewezen dat Wirht in conventie zich verweert door aan te voeren dat de bond niet-ontvankelijk is in haar vordering, om in reconventie een vordering tegen dezelfde bond in te stellen.

Wirht zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van de bond gevallen en zoals hierna te begroten.

3. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

In conventie

3.1 Verbiedt Wirht om onmiddellijk na betekening van dit vonnis, zich uit te geven als voorzitter van de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie en alles na te laten wat met het voorzitterschap van de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie van doen heeft.

3.2 Veroordeelt Wirht om binnen éénmaal vierentwintig uren na betekening van dit vonnis, schriftelijk ter kennis van de General Manager van Rosebel Goldmines N.V. te brengen dat hij, Wirht, geen voorzitter (meer) is van de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie en mitsdien niet bevoegd is de Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie te vertegenwoordigen en namens haar te handelen.

3.3 Veroordeelt Wirht om binnen éénmaal vierentwintig uren na verzending van het schrijven als bedoeld in 3.2 van deze beslissing een afschrift van dit schrijven te doen toekomen aan Rosebel Goldmines Werknemers Organisatie.

3.4 Veroordeelt Wirht tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- (éénhonderdduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat hij in gebreke mocht zijn of blijven met de uitvoering van hetgeen is beslist onder 3.1 tot en met 3.3 van deze beslissing en wel tot een maximum bedrag van SRD 1000.000,- (één miljoen Surinaamse Dollar).

3.5 Verklaart hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is beslist, uitvoerbaar bij voorraad.

3.6 Veroordeelt Wirht in de proceskosten aan de zijde van de bond gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 495,- (vierhonderd en vijfennegentig Surinaamse dollar).

3.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie

3.8 Weigert de gevraagde voorzieningen.

3.9 Veroordeelt Wirht in de proceskosten aan de zijde van de bond gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Sonai en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, Kantonrechters in het Eerste Kanton in kortgeding ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 23 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1051

09 april 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

ROSEBEL GOLDMINES WERKNEMERS ORGANISATIE,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie tevens verweerder in reconventie,
hierna te noemen: “de bond”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

WIRHT, WINSTON WILGO,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: “Wirht”,
gemachtigde: mr. S.N. Essed, advocaat.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift met producties dat op 20 maart 2020 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie en uitlating producties, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie en uitlating producties, met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1 Op 6 december 2019 hebben bestuursverkiezingen plaatsgevonden bij de bond, waarbij Wirht als voorzitter van de bond is gekozen en Alwin Hardley als ondervoorzitter. Het bestuur onder voorzitterschap van Wirht is op 20 december 2019 in functie getreden.

2.2 De overige bestuursleden van de bond onder leiding van de ondervoorzitter Alwin Hadley enerzijds en Wirht anderzijds, hebben aan de directie van Rosebel Gold Mines N.V. gevraagd om op het emplacement van haar een Algemene Leden Vergadering (ALV) te mogen houden.

2.3 Bij brieven d.d. 14 en 26 februari 2020 heeft Rosebel Goldmines N.V. ter kennis van alle bestuursleden van de bond gebracht dat zij een neutrale positie in het onderling geschil tussen de bestuursleden zal blijven innemen. Daarnaast heeft Rosebel Goldmines N.V. aangegeven dat op haar emplacement pas dan een ALV van de bond kan worden gehouden nadat het onderlinge bestuursgeschil is opgelost.

2.4 De overige 12 bestuursleden van de bond hebben Wirht per deurwaardersexploot van 19 februari 2020 no. 151 uitgenodigd voor een spoed bestuursvergadering op 20 februari 2020 met als onderwerp:

  1. opening;
  2. houden van een ALV om de voorzitter te schorsen, althans de schorsing van de voorzitter te bekrachtigen;
  3. wat ter tafel komt en
  4. sluiting.

Wirht is zonder bericht van verhindering niet verschenen op deze bestuursvergadering.

2.5 Het bestuur van de bond, met uitzondering van Wirht, heeft op 20 februari 2020 een uitnodiging voor een ALV doen uitgaan die gehouden is op 21 februari 2020. Op deze vergadering was er geen quorum en zijn evenmin besluiten genomen. Het bestuur van de bond, met uitzondering van Wirht, heeft vervolgens op 24 februari 2020 een ALV bijeengeroepen die gehouden is op 27 februari 2020.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie

3.1 De bond vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad, Wirht te veroordelen om:

  • zich onmiddellijk na het te wijzen vonnis, zich niet meer uit te geven als voorzitter van haar en alles na te laten wat met het voorzitterschap van haar van doen heeft;
  • binnen 1 × 24 uur na het te wijzen vonnis schriftelijk ter kennis van de General Manager van Rosebel Gold Mines N.V. te brengen dat hij, Wirth, geen voorzitter (meer) is van de bond en mitsdien niet bevoegd is haar te vertegenwoordigen en namens haar te handelen, en van dit schrijven een afschrift te doen toekomen aan haar binnen 1 × 24 uur na verzending daarvan aan de General Manager van Rosebel Gold Mines N.V., onder verbeurte van een dwangsom;
  • Wirht te veroordelen in de proceskosten.

3.2 De bond legt naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat een onwerkbare situatie is ontstaan tussen Wirht en de rest van het bestuur en dat het vertrouwen van de overige 12 bestuursleden in Wirht is weggeëbd. Wirht heeft het ook gepresteerd de overige bestuursleden apen te noemen. De genomen beslissing op de ALV van 27 februari 2020 is aan Wirht betekend, doch is hij in gebreke aan de sommatie gevolg te geven.

In reconventie

3.3 Wirht vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de bond te veroordelen om conform de statuten een ALV uit te schrijven binnen uiterlijk drie weken na het te wijzen vonnis, met enkele agendapunten en onder verbeurte van een dwangsom;
II. de bond te veroordelen om aan hem te voldoen het bedrag van US$ 1.725,-, zijnde de door hem geleden schade vanwege de noodzakelijk door hem gemaakte advocaatkosten;
III. de bond te veroordelen in de proceskosten.

3.4 Wirht legt aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat er een bestuurscrisis is ontstaan en dat het van eminent belang is dat een rechtsgeldige ALV wordt uitgeschreven teneinde samen met de leden van de bond te beslissen over de wijze waarop uit deze impasse te geraken. Verder stelt Wirht dat de bond ten onrechte een vordering tegen hem heeft ingesteld, waardoor hij schade heeft geleden, welke schade bestaat uit de door hem gemaakte advocaatkosten. De bond is aansprakelijk voor de schade en is gehouden om deze aan hem te vergoeden.

3.5 Partijen voeren over en weer verweer. Op de stellingen en weren van partijen, komt de kantonrechter hierna, voor zover nodig, terug.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1 Uit de stellingen van partijen is het spoedeisend belang is in voldoende mate aannemelijk geworden.

In conventie

4.2 Het formeel verweer van Wirht dat de bond niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat ingevolge artikel 8 van de statuten van de bond het voltallig bestuur de bond in en buiten rechte vertegenwoordigt en de bond in de onderhavige vordering niet door het voltallig bestuur is vertegenwoordigd, wordt verworpen. Dit, omdat de bond rechtspersoonlijkheid bezit en kan zij als rechtspersoon in een geding zowel formele als materiele procespartij zijn.

4.3 De bond stelt dat op de ALV van 27 februari 2020 is besloten om Wirht af te zetten als voorzitter. Wirht heeft hiertegen onder meer als verweer aangevoerd dat de bond nimmer de notulen heeft overgelegd, waaruit blijkt dat daadwerkelijk het besluit zou zijn genomen om hem te ontslaan als voorzitter.

De kantonrechter is van oordeel dat voor een gedegen beslissing in deze zaak het van belang is dat deze notulen in het geding worden gebracht door de bond. De bond zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld zoals hierna te vermelden.

In conventie en in reconventie

4.4 Iedere andere beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

In conventie

5.1 Stelt de bond in de gelegenheid om uiterlijk 14 april 2020 om 11 uur de notulen van de op 27 februari 2020 gehouden Algemene Ledenvergadering over te leggen door deze te mailen naar de griffier op het volgende email adres: unit.kortgeding@gmail.com, waarbij simultaan een cc van de mail met de notulen gaat naar Wirht en/of diens gemachtigde en wel peremptoir.

5.2 Stelt Wirht in de gelegenheid om uiterlijk 16 april 2020 om 11 uur zich uit te laten over de notulen door deze te mailen naar de griffier op het volgende email adres: unit.kortgeding@gmail.com, waarbij simultaan een cc van de mail gaat naar de bond en/of diens gemachtigde en wel peremptoir.

5.3 Bepaalt dat partijen de conclusies als bedoeld onder 5.1 en 5.2 van dit vonnis uiterlijk 17 april 2020 om 11 uur op schrift dienen af te geven bij de balie en wel peremptoir.

5.4 Bepaalt dat vonnis in deze zaak zal worden gewezen en uitgesproken op 23 april 2020.

In conventie en in reconventie

5.5 Houdt iedere andere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Sonai en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, Kantonrechters in het Eerste Kanton in kortgeding ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 09 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1087
09 april 2020

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE 21 PLUS VOOR SURINAME,
gevestigd aan de Osmiumstraat 36 te Paramaribo,
eiseres,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het op de griffie ingediend inleidend verzoekschrift op 02 april 2020, met producties;

  • de mondelinge conclusie van eis genomen op 06 april 2020;

  • de conclusie van antwoord d.d. 07 april 2020.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

De kantonrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste feiten, als vaststaand aan.

2.1 16 maart 2020
Eiseres richt een verzoek d.d. 16 maart 2020 aan de President van de Republiek Suriname om de gebruikte afkorting ’21 PlusvoSu’ te mogen veranderen in ’21Su’.

2.2 18 maart 2020
Bij schrijven van 18 maart 2020 legt de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de President voormeld schrijven van 16 maart 2020 voor aan de directeur van Justitie en Politie met het verzoek de behandeling te willen overnemen.

2.3 20 maart 2020
Het Onafhankelijk Kiesbureau (hierna OKB genoemd) verklaart op 20 maart 2020 van de Politieke Organisatie ’21 Su’ bescheiden te hebben ontvangen. De verklaring is voor ontvangst getekend namens het secretariaat van het OKB en voor akkoord door de voorzitter van eiseres.

Bij schrijven van 20 maart 2020, kenmerk 215/OKB, betekend aan de voorzitter van eiseres bij deurwaardersexploot van 21 maart 2020, deelt het OKB haar onder meer mee:

“Na toetsing is de Commissie tot de volgende conclusie gekomen:

  1. Wijzigingen van de afkorting “21 PlusvoSu” in de statuten naar “21 Su”, zal de volledige procedure van statuten wijziging moeten worden afgelegd.

  2. In de statuten is niet opgenomen dat het beginsel programma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend zal worden gemaakt.

  3. In de statuten artikel 4 is ook niet opgenomen dat de gewone leden burgers zijn van Suriname en/of de Surinaamse nationaliteit bezitten.

Verder schrijft OKB ook:

21 PlusvoSu moet eerst voldoen aan de bovengemeld[e] punten alvorens de registratie in het Openbaar Register gehouden door het OKB kan geschieden.

Bij deze wordt u dan in de gelegenheid gesteld om binnen 7 (zeven) dagen na ontvangst van dit schrijven de gewijzigde statuten (…) in te dienen (…) Indien u hieraan niet voldoet, zal het OKB genoodzaakt zijn uw aanvraag bij proces-verbaal te moeten weigeren.”

2.4 26 maart 2020
Bij beschikking van 26 maart 2020, kenmerk CHS 016/2020, waarvan een afschrift beschikking per deurwaardersexploot van 27 maart 2020 aan eiseres is betekend, heeft het Centraal Hoofdstembureau (hierna CHS genoemd):
onder meer gelet op:

(…)

3. Het verzoek in gevolge artikel 31 lid 1 van de Kiesregeling op zaterdag 21 maart 2020 omstreeks 12.30 uur aan het Centraal Hoofdstembureau gedaan door de Politieke Organisatie 21 Plus voor Suriname aangeduid “21 SU”, tot registratie voor deelname aan de Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen van de leden voor de volks vertegenwoordigende lichamen te houden op 25 mei 2020. (…)

onder meer overwogen:

(…)

– dat na onderzoek door het Centraal Hoofdstembureau is gebleken dat de politieke organisatie aangeduid “21 SU” NIET heeft voldaan aan twee van de wettelijke vereisten, zoals vervat in:

1. artikel 31 lid 5 van de Kiesregeling en juncto artikel 3 van het Besluit Waarborgsom Politieke Organisaties (S.B. 2020 no. 38) zijnde de storting van de waarborgsom ten bedrage van SRD 96.250,- (…)

2. artikel 7 van het Decreet Politieke Organisaties, zijnde het overleggen van het bewijs van registratie van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB)

besloten:

I. de registratie van de politieke organisatie “21 SU” in het openbaar register (…) te weigeren op grond van artikel 35 lid 1 sub a en sub d van de Kiesregeling.”

2.5 27 maart 2020
Eiseres heeft bij schrijven van 27 maart 2020 aan OKB, Commissie Wetgeving, gereageerd op de brief van 20 maart 2020 met het kenmerk 215/OKB en daarbij haar standpunten kenbaar gemaakt met het verzoek aan de Commissie de door haar opgeworpen stellingen c.q. bezwaren tegen de uit te voeren registratie in te trekken.

2.6 30 maart 2020
Eiseres tekent bij beroepschrift van 30 maart 2020 bezwaar aan bij de President van de Republiek Suriname tegen de beschikking van CHS, kenmerk CHS 016/2020 van 26 maart 2020.

2.7 02 april 2020
Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 02 april 2020 no. 293/RP, aan eiseres betekend bij deurwaardersexploot van 03 april 2020, is het beroep van eiseres ongegrond verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 7 lid 1 Decreet Politieke Organisaties, het vereiste in de artikelen 31 lid 5 en 35 lid 1 sub d van de Kiesregeling.

2.8 In artikel 7 lid 1 van het Decreet Politieke Organisaties, geldende tekst na wijziging, S.B. 2019 no. 54 is bepaald:

“Politieke organisaties dienen geregistreerd te zijn in een voor dat doel door het Onafhankelijk Kiesbureau gehouden openbaar register. Deze registratie is eenmalig.”

2.9 Artikel 31 lid 5 sub d van de Kiesregeling, zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 2019 no. 55 bepaalt:

“Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.”

Artikel 35 lid 1 sub d luidt:

“1. Het Centraal Hoofdstembureau weigert de registratie in de volgende gevallen:

(…)

d. indien niet aan de voorwaarden is voldaan die zijn omschreven in het Decreet houdende regels voor politieke organisaties.”

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eiseres vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • gedaagde te bevelen, althans te veroordelen, om binnen 4 uren na de uitspraak 21Su in het openbaar register van het OKB en van het CHS te doen inschrijven onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 1.000.000,00 voor elk uur waarop gedaagde in strijd met het vonnis mocht handelen;
  • gedaagde de verplichting op te dragen dat het CHS alle door 21Su aan te bieden lijsten van kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen accepteert en tijdig verwerkt in het administratief systeem zodat kandidaten van 21Su door de kiezers kunnen worden gekozen;
  • 21Su het recht te verschaffen om uiterlijk 16 dagen na vonnisdatum de lijsten van kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen te mogen aanbieden.

Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2 Aan haar vordering legt eiseres – kort gezegd – ten grondslag dat het OKB en CHS inbreuk plegen op haar rechten en wel het recht op inschrijving in het openbaar register en het recht op deelname aan de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen. De beslissing van het CHS is nietig. De beslissing van de President is nog niet aan eiseres meegedeeld binnen de daarvoor geldende termijn en is daarom nietig.

3.3 Gedaagde voert als meest verstrekkend verweer dat eiseres nog voor de beslissing in de door haar gekozen beroepsgang is gegeven, reeds een voorziening in kort geding vordert. Volgens gedaagde stemt die handeling niet overeen met de regel dat eerst alle wettelijke mogelijkheden om bezwaar te maken moeten zijn uitgeput voordat de gang naar de kantonrechter gemaakt wordt. Nota bene heeft de President, anders dan eiseres heeft gesteld, in overeenstemming met artikel 36 lid 2 van de Kiesregeling binnen drie dagen beslist op het beroep. De betreffende resolutie is volgens gedaagde onverwijld aan eiseres betekend. Gedaagde concludeert tot niet ontvankelijkheid van eiseres nu zij niet heeft gesteld welke feitelijke en of juridische consequenties zij verbindt aan het feit dat de President binnen de gestelde wettelijke termijn heeft beslist op haar beroep. Voorts stelt gedaagde zich op het standpunt dat – kort gezegd – het petitum met zich brengt dat in geval van toewijzing, handelen in strijd met de Kiesregeling en het Decreet Politieke Organisaties gesanctioneerd wordt, nu OKB en CHS op grond van juiste, wettelijke vereisten hebben beschikt.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter ziet in de aard van de vordering aanleiding om eiseres in haar vordering in kort geding te ontvangen. Eiseres heeft gedaagde uiteindelijk geduid als “aldus in hoofdzaak de Staat Suriname” welke duiding in de kop van het vonnis voor de leesbaarheid is overgenomen. Gedaagde is door deze duiding niet in zijn belang geschaad wat ook blijkt uit de toepassing van die duiding door gedaagde zelf in zijn conclusie van antwoord.

4.2 Als spoedeisend belang heeft eiseres gesteld dat zij uiterlijk op 09 april 2020 kandidatenlijsten kan indienen voor deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020. Zij voert aan dat de President niet handelt overeenkomstig de wettelijke verplichting ex artikel 36 lid 2 van de Kiesregeling om binnen drie dagen na ontvangst van het beroepschrift zijn beslissing mee te delen. De stelling van eiseres blijkt thans niet alleen voorbarig maar ook onjuist. Op de eerste dag van behandeling van de onderhavige zaak heeft eiseres in haar conclusie van eis gesteld dat zij de resolutie van de President heeft ontvangen. Aan dit nieuwe feit heeft eiseres evenwel geen gevolgen verbonden. Voorts, en anders dan eiseres in haar verzoekschrift onder punt 22 stelt, is zij niet op 28 maart 2020 in beroep gegaan van de beschikking van CHS. Zij heeft, zoals ook blijkt uit de door haar in het proces gebrachte en niet weersproken productie 10, haar beroepschrift op 30 maart 2020 bij de President ingediend. Blijkens resolutie heeft de President binnen drie dagen beslist op het beroepschrift en is de beslissing aan eiseres betekend op 03 april 2020.

4.3 Eiseres creëert door het instellen van de onderhavige vordering nog voor de beslissing van de President op haar bezwaar, een oneigenlijke ex nunc toetsing, nota bene als indeplaatsstelling van die bezwaarschriftprocedure. Door deze wijze van procederen treedt eiseres buiten de systemen van het administratief beroep en burgerlijk procesrecht.

4.4 Om voorgaande redenen kan eiseres niet in haar vordering worden ontvangen.

4.5 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 09 april 2020 te Paramaribo door mr. A.C. Johanns, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-2

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 20-1064
27 maart 2020

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres] in het [district],
eiser,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, MET NAME HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN (CENTRAAL BUREAU VOOR BURGERZAKEN),
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. J. Foort, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 24 maart 2020 op de griffie der kantongerechten is ingediend;

  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 25 maart 2020;

  • de aantekeningen van de griffier van al hetgeen partijen tijdens het mondeling afpleiten en de comparitie van partijen d.d. 25 maart 2020 hebben aangevoerd, met daaraan gehecht de ten processe overgelegde producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser stond vanaf het jaar 1996 in het bevolkingsregister van het Centraal Bureau voor Burgerzaken ingeschreven op het door hem opgegeven adres aan [adres] in het [district].

2.2 Eiser is vanaf het jaar 2015 in het bezit van een Green Card. Eiser reist jaarlijks op basis van de Green Card gedurende diverse perioden, die van korte duur zijn, af vanuit Suriname naar de Verenigde Staten van Amerika.

2.3 In januari 2018 heeft eiser zich begeven naar het Centraal Bureau voor Burgerzaken om zijn paspoort te vernieuwen.

2.4 In december 2018 of januari 2019 heeft eiser in verband met de verlening van zijn vuurwapenvergunning een uittreksel uit het bevolkingsregister van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB-uittreksel) aangevraagd.

2.5 Eiser is bij de aanvraag van het CBB-uittreksel erachter gekomen dat hij niet meer stond ingeschreven in het bevolkingsregister en dat hij per 29 januari 2018 ambtshalve door gedaagde was afgevoerd uit het bevolkingsregister, op grond van artikel 31 lid 2 van het besluit ter uitvoering van artikel 1 van de Wet van 30 april 1917 (G.B. 1917 No. 80) tot vaststelling van de bepalingen betreffende het houden van bevolkingsregisters (hierna gemakshalve aangeduid als het uitvoeringsbesluit).

Dit artikel luidt onder meer als volgt:

2. Personen, die het ressort van een bevolkingsregister hebben verlaten en de verklaring, voorgeschreven bij de artikelen 35 en 36 van dit besluit, niet hebben afgelegd, worden ambtshalve in het bevolkingsregister van dat ressort doorgehaald, wanneer na een ingesteld onderzoek is gebleken, dat zij ten minste sedert één jaar uit dat ressort zijn vertrokken, zonder dat het blijkt, dat zij zich in een ander ressort hebben gevestigd.”

2.6 Teneinde het CBB-uittreksel en andere benodigde documenten te kunnen verkrijgen, heeft eiser op 14 januari 2019 aan gedaagde het schriftelijk verzoek gedaan om wederom te worden ingeschreven in het bevolkingsregister. Eiser heeft in het schriftelijk verzoek, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende vermeld:

Dhr. [eiser], met paspoortnummer (…) en ID nummer (…) is afgeschreven uit het bestand van de CBB.
De reden hiertoe is geweest dat hij in aanmerking is gekomen van een resident card in de Verenigde Staten van Amerika. Alhoewel hij in het bezit is daarvan, is hij altijd gevestigd gebleven in Suriname. Vandaar hij een dringend doch al beleefd verzoek doet om hem wederom in te schrijven zodat hij ook waar nodig een verzoek kan doen naar een uittreksel of andere nodige documenten van de CBB.”

2.7 Op 15 januari 2019 is eiser wederom ingeschreven in het bevolkingsregister van het CBB op het adres alwaar hij eerder hoofd- of verblijfplaats had, te weten [adres] in het [district].

2.8 Eiser is lid van een politieke organisatie, die hem als haar kandidaat op DNA-niveau wenst voor te dragen voor het kiesdistrict [district].
De politieke organisatie waarvan eiser lid is, bepaalt op 29 maart 2020 op het Partijcongres definitief welke personen namens haar als kandidaat zullen worden gesteld in de respectieve kiesdistricten.
Voor het kiesdistrict [district] is de kandidaatstelling bepaald op 4 april 2020.

2.9 Voor de kandidaatstelling op DNA-niveau zijn de vereisten in artikel 61 lid 2 van de Grondwet van de Republiek Suriname (GW) op eiser als kandidaat van toepassing. Dit artikel luidt onder meer als volgt:
Personen, die zich in een district kandidaat hebben gesteld ter verkiezing tot afgevaardigde naar De Nationale Assemblee moeten in het desbetreffende district wonen en hun hoofd- of werkelijk verblijf aldaar hebben en wel gedurende twee jaren voorafgaand aan de verkiezingen.”

2.10 In het kader van het formaliseren van zijn kandidaatstelling op het op 29 maart 2020 te houden Partijcongres heeft hij op 14 maart 2020 van gedaagde op zijn verzoek een verklaring ontvangen, waarin staat vermeld dat eiser sedert 15 januari 2019 op het [adres] in het [district] staat ingeschreven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  • gedaagde te bevelen om binnen 1 uur na de uitspraak of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn of wijze, door te halen de aantekening in het bevolkingsregister inhoudende dat eiser op 29 januari 2018 afgevoerd is en aan eiser te verstrekken een verklaring uit het bevolkingsregister waarin slechts vermeld dient te worden dat eiser ingeschreven staat op het [adres],
    met machtiging van eiser om dit vonnis – indien van node – aan derden en wel in het bijzonder daartoe bevoegde verkiezingsautoriteiten, te verstrekken teneinde te doen blijken dat hij ten onrechte is afgevoerd op 29 januari 2018 en weder is opgebracht in het bevolkingsregister op 15 januari 2019, dan wel één of meerdere beslissingen te nemen zoals die de kantonrechter geraden voorkomt;

Subsidiair:

  • gedaagde te bevelen om binnen 1 uur na de uitspraak of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn of wijze, door te halen de aantekening in het bevolkingsregister inhoudende dat eiser op 29 januari 2018 afgevoerd is en aan eiser te verstrekken een verklaring uit het bevolkingsregister waarin slechts vermeld dient te worden dat eiser ingeschreven staat op het [adres],
    onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- per uur of een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor ieder uur dat gedaagde mocht weigeren aan voormelde veroordeling te voldoen,
    dan wel één of meerdere beslissingen te nemen zoals die de kantonrechter geraden voorkomt.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur jegens hem heeft gehandeld, te weten: het zorgvuldigheids-, hoor-, vertrouwens-, rechtszekerheids- en fair play beginsel. Gedaagde handelt dus onrechtmatig jegens eiser. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het doorhalen van zijn gegevens in het bevolkingsregister per 29 januari 2018 is onterecht en zelfs in strijd met het bepaalde in artikel 31 lid 2 van het uitvoeringsbesluit;
  • gedaagde heeft in haar besluitvorming tot het doorhalen van eiser zijn gegevens in het bevolkingsregister verzuimd een deugdelijk onderzoek naar het hoofd- of werkelijk verblijf van eiser gedurende 29 januari 2018 tot en met 14 januari 2019 in te stellen, eiser ter zake vooraf te horen en hem in kennis te stellen van de doorhaling;
  • gedaagde pleegt met de doorhaling van de gegevens van eiser in het bevolkingsregister een ernstige inbreuk op de rechten en belangen van eiser;
  • met de doorhaling en de vermelding in de door gedaagde afgegeven verklaring dat eiser pas sinds 15 januari 2019 in het [district] is ingeschreven, wekt gedaagde de indruk dat eiser niet 2 jaren voorafgaand aan de verkiezingen zijn hoofd- of werkelijk verblijf in het [district] heeft gehad. Dit zal een beletsel voor eiser vormen om zijn kandidaatstelling middels het op 29 maart 2020 te houden Partijcongres van de politieke organisatie waarvan hij lid is, te formaliseren;
  • gedaagde laat eiser in het ongewisse over het ongedaan maken van het doorhalen van zijn gegevens in het bevolkingsregister over het bedoelde tijdvak. Dit, ondanks het feit hij gedaagde op dinsdag 17 maart 2020 het verzoek daartoe heeft gedaan.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voorzover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1 Het spoedeisend belang blijkt in voldoende mate uit de stellingen van eiser, in het bijzonder uit het feit dat hij zijn kandidaatstelling op het te houden Partijcongres van de politieke organisatie waarvan hij lid is wenst te formaliseren. Eiser is daarom ontvangen in het kort geding.

Bevoegdheid kort gedingrechter

4.2 De kantonrechter constateert dat de onderhavige vordering niets anders behelst dan een administratief beroep c.q. bezwaar tegen het door gedaagde in het jaar 2018 genomen en reeds uitgevoerd besluit om de gegevens van eiser per 29 januari 2018 door te halen in het bevolkingsregister. Uit de inhoud van geen der bepalingen in het uitvoeringsbesluit blijkt dat voor burgers, waaronder eiser, de mogelijkheid bestaat om bij een instantie in beroep te gaan tegen een door de ambtenaar van het Centraal Bureau voor Burgerzaken genomen en uitgevoerd besluit als het bovenstaande. Nu er geen speciale rechtsgang daartoe voor eiser is aangewezen en de kortgedingrechter in dergelijke gevallen als restrechter dient, acht de kantonrechter in kortgeding zich bevoegd om van de onderhavige zaak kennis te nemen zodat eiser ontvankelijk is in de door hem ingestelde vordering.

Stilzitten van eiser gedurende 15 januari 2019 tot en met 14 maart 2020

4.3 In haar betoog heeft gedaagde gewag van gemaakt van het feit dat eiser sedert het jaar 2018 er kennis van droeg dat zijn gegevens in het bevolkingsregister zijn doorgehaald vanwege het bezitten van de Green Card en het veelvuldig afreizen vanuit Suriname naar de Verenigde Staten van Amerika, doch dat eiser nu pas daartegen opkomt. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat gedaagde het verzet van gedaagde tegen dit besluit tardief acht.
Eiser daarentegen blijft in zijn stelling volharden dat hij pas in december 2018/januari 2019 kennis droeg van het door gedaagde genomen en reeds uitgevoerd besluit en hij als gevolg hiervan zijn zaken betrekking hebbende op zijn kandidaatstelling niet zou kunnen formaliseren.
Voor de kantonrechter dient als uitgangspunt dat eiser pas in januari 2019 kennis droeg van het door gedaagde genomen en reeds uitgevoerd besluit. Dit, omdat ter zake de juiste datum van het kennis dragen van het genomen besluit van gedaagde het om een één om één verklaring gaat en gedaagde geen enkel bescheid heeft overgelegd of kunnen overleggen om aannemelijk te maken dat zij eiser ter zake het door haar genomen besluit vooraf in kennis had of heeft gesteld, terwijl hiertegenover staat het schriftelijk verzoek van eiser
d.d. 14 januari 2019.

De kantonrechter begrijpt dat eiser – vanwege het niet ongedaan maken van het besluit door gedaagde dat hij gedurende 29 januari 2018 tot en met 14 januari 2019 niet in het bevolkingsregister stond ingeschreven – mogelijk in zijn belang om als kandidaat in het [district] door zijn politieke organisatie te worden voorgedragen zou kunnen worden geschaad, doch geeft dit geen aanleiding om het sedert in 2018 door gedaagde genomen en uitgevoerd besluit ongedaan te maken.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het beoordelen of het bedoeld besluit c.q. handelen van gedaagde al dan niet onrechtmatig is reeds een gepasseerd station. Dit, omdat eiser met het schrijven van 14 januari 2019 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij geen bezwaar had met de doorhaling en zich reeds in het besluit had berust. Door zich thans – na bijkans langer dan een jaar stilzitten zonder enig uitdrukkelijk bezwaar of protest aan gedaagde kenbaar te maken of zonder enige gerechtelijke stappen ter zake tegen gedaagde te ondernemen – erop te beroepen dat de doorhaling onterecht is, acht de kantonrechter in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat eiser, zoals uit hetgeen hij ter comparitie van partijen heeft verklaard en uit de door hem overgelegde bescheiden blijkt, vanaf 14 januari 2019 tot en met heden zonder enige belemmering zijn zaken, zoals ziektekostendekking, verlenging van zijn vuurwapenvergunning, bankzaken, in orde heeft kunnen maken, en hij aldus niet in zijn gerechtvaardigde belangen zou zijn geschaad.

Nu ervan mag worden uitgegaan dat eiser zich vanaf 14 januari 2019 in het door gedaagde genomen besluit had berust, komt de kantonrechter er niet meer aan toe om te oordelen of die handeling al dan niet onrechtmatig is geschied. Daarom zal de door eiser gevraagde voorziening tot het ongedaan maken van de bedoelde handeling van gedaagde, te weten de doorhaling in het bevolkingsregister, worden geweigerd.

Inhoud van de afgegeven verklaring

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt eiser wel in zijn stelling dat met hetgeen gedaagde op de verklaring heeft vermeld, onterecht de indruk doet wekken dat eiser pas vanaf 15 januari 2019 zijn hoofd- of werkelijk verblijf op het bedoelde adres heeft. Dit, omdat – zoals uit de ten processe overgelegde bescheiden blijkt – eiser voor het jaar 2018 wel op het [adres] in het [district] zijn werkelijk hoofd- en of verblijfplaats had. Dit geeft de kantonrechter aanleiding om de door eiser gevorderde voorziening ter zake anders toe te wijzen dan door hem is gevorderd, zodat de verklaring in overeenstemming is met de werkelijkheid.

Overige stellingen en weren

4.5 De overige stellingen en weren van partijen behoeven op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

Proceskosten

4.6 Op grond van hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen, acht de kantonrechter het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Het compenseren van de proceskosten bestaat hierin, dat iedere procespartij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Beveelt gedaagde om op uiterlijk heden d.d. 27 maart 2020 om 15.00 uur aan eiser een verklaring uit het bevolkingsregister te verstrekken waarin vermeld staat dat zijn gegevens op basis van het in het bezit hebben van een Green Card gedurende 29 januari 2018 tot en met 14 januari 2019 in het bevolkingsregister zijn doorgehaald en hij vanaf 15 januari 2019 wederom is ingeschreven in het bevolkingsregister op het oud adres alwaar hij hoofd- of werkelijk verblijf had en heeft aan [adres] in het [district].

5.2 Machtigt eiser om dit vonnis – om waar nodig – aan derden en wel in het bijzonder aan daartoe bevoegde verkiezingsautoriteiten, te verstrekken teneinde te doen blijken dat hij weder is opgebracht in het bevolkingsregister op
15 januari 2019.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de proceskosten draagt.

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton,mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 27 maart 2020 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2020-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 20-1046

20 maart 2020

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. VAN DIJK-SILOS, JENNIFER VICTORINE,
B. VAN DIJK, CORNELIS,
C. DAVID, ABIAMOFO,
D. BRAM, STEPHANIE,
E. BRON, SONJA,
F. JAMALOODIN, HENDRIK,
G. JOEMRATIE, REITA,
H. LAKHISARAN, SHARMA,
I. RAGHOE, RENUKA,
J. KHOEN KHOEN, MALTIE,
K. MAC ANDREW, STEVEN,
L. JADNANANSING, RADJI,
allen leden van het Onafhankelijk Kiesbureau, domicilie kiezende aan de Krakalaan no. 12 te Paramaribo,
eisers,
gemachtigden: mrs. D.S. Kraag en M.G.A. Vos, advocaten,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. MERKUS, EUGENE,
C. MANOHAR, MAJA,
D. MENSO, DENNIS,
E. LANDVREUGD, DELANO PATRICK,
F. RAMDHANI, ANUSKA,
G. LANDBRUG, RAYMOND,
H. VRIEZE, STEVEN,
I. MENTOWIKROMO, LUCIANO,
J. SANDIE, ELVIERA,
K. RAGHOE, ROBBY,
sub B t/m K leden van het Centraal Hoofdstembureau,
sub B t/m K wonende te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde sub B t/m K: I.D. Kanhai Bsc, advocaat,
sub A niet verschenen.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift met producties dat op 19 maart 2020 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • het tegen de behoorlijk opgeroepen, doch niet verschenen gedaagde sub A verleende verstek;
  • het mondeling afpleiten zijdens beide partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers zijn allen leden van het Onafhankelijk Kiesbureau als bedoeld in artikel 1 van de Kiesregeling, terwijl gedaagden sub B t/m K allen leden zijn van het Centraal Hoofdstembureau als bedoeld in artikel 29 van de Kiesregeling.

2.2 Ingevolge artikel 31 van de Kiesregeling hebben politieke organisaties de gelegenheid om zich te registreren in het openbaar register dat door het Centraal Hoofdstembureau wordt bijgehouden. De registratie met betrekking tot de verkiezingen van 25 mei 2020 is vastgesteld van 16 maart 2020 tot en met 21 maart 2020.

2.3 In artikel 32 van de Kiesregeling is het volgende bepaald:

“De ter registratie aangeboden gegevens liggen ter inzage op de secretarie van het Kiesbureau gedurende drie opeenvolgende werkdagen na het verstrijken van de periode genoemd in het vorige artikel.”

2.4 De ter inzage legging van de ter registratie aangeboden gegevens door de politieke organisaties zal plaatsvinden in de periode van 23 maart 2020 tot en met 25 maart 2020.

2.5 Bij schrijven van 12 maart 2020, afkomstig van het Onafhankelijk Kiesbureau, is aan de voorzitter van het Centraal Hoofstembureau het onder 2.4 overwogene medegedeeld. Verder is de voorzitter voorgehouden dat het Centraal Hoofdstembureau voor de ter inzagelegging aan het Onafhankelijk Kiesbureau ter beschikking dient te stellen de door de politieke organisaties ter registratie aangeboden documenten.

2.6 Als reactie op het onder 2.5 bedoeld schrijven heeft het Centraal Hoofdstembureau het Onafhankelijk Kiesbureau bij e-mail bericht dat de overdracht op zaterdag 21 maart 2020 om uiterlijk 19.00 uur zal plaatsvinden.

2.7 In het schrijven van 17 maart 2020 afkomstig van het Centraal Hoofdstembureau en gericht aan het Onafhankelijk Kiesbureau is, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Uw mededeling aan het CHS (lees het Centraal Hoofdstembureau), dat conform artikel 32 van de Kiesregeling de ter registratie aangeboden gegevens door de politieke organisaties voor deelname aan de verkiezingen 2020 door het OKB (lees het Onafhankelijk Kiesbureau), ter inzage zullen worden gelegd bij het secretariaat van het OKB, achten wij onbegrijpelijk, daar het voor het CHS onomstotelijk vaststaat dat met het Kiesbureau genoemd in artikel 32 Kiesregeling het CHS wordt bedoeld.

De ter inzagelegging van de aangeboden gegevens heeft altijd conform de Kiesregeling op het secretariaat van het CHS plaatsgevonden.

Het CHS zal de ter registratie aangeboden gegevens van de politieke organisaties voor deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020, conform haar verplichtingen (art. 32 Kiesregeling) op het Secretariaat van het CHS, aan de Cornelis Jongbawstraat no. 59 ter inzage leggen op 23, 24 en 25 maart 2020 van 08.00 uur tot 15.00 uur.

Op grond van het bovenstaande acht het CHS het e-mailbericht d.d. 13 maart 2020 als niet verzonden.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:

A. gedaagden te veroordelen om binnen één uur na de uitspraak, de door de politieke organisaties in verband met de verkiezingen van 25 mei 2020 in de periode 16 maart 2020 tot en met 21 maart 2020 ter registratie in het openbaar register bij het Centraal Hoofdstembureau aangeboden documenten en/of gegevens aan het Onafhankelijk Kiesbureau, dan wel aan hen, bestemd voor de wettelijke ter inzagelegging af te geven, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,- per dag voor iedere keer dat zij in gebreke blijven aan het te wijzen vonnis te voldoen;
B. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen naast voormelde vaststaande feiten aan hun vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

Zij hebben per schrijven van 17 maart 2020 aan het Centraal Hoofdstembureau wederom te kennen gegeven om de betreffende documenten af te geven, op welk schrijven nimmer is gereageerd. Naar de mening van eisers kan hieruit worden geconcludeerd dat het Centraal Hoofdstembureau persisteert bij haar standpunt. Het handelen van het Centraal Hoofdstembureau en/of gedaagden is onrechtmatig en in strijd met artikel 32 van de Kiesregeling. Het Centraal Hoofdstembureau mist elke bevoegdheid om de inzage op haar secretariaat te houden.

3.3 Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen en weren van partijen, komt de kantonrechter hierna, voor zover nodig, terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang is in voldoende mate aannemelijk geworden. Zulks blijkt met name uit de stellingen van eisers alsmede uit de aard van de vordering.

4.2 Gedaagden sub B t/m K voeren als verweer aan dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering tegen hen, omdat zij tegen het Centraal Hoofdstembureau dienen te procederen en niet tegen hen als leden van dit bureau. Ter onderbouwing van hun standpunt leggen zij een vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kortgeding d.d. 05 februari 2016 A.R. no. 16-0282, waarin onder meer is overwogen dat het Centraal Hoofdstembureau zelfstandige drager is van rechten en plichten en daarom zelfstandig in rechte kan worden betrokken.

Eisers voeren aan dat dit standpunt van gedaagden sub B t/m K onjuist is en verwijst naar de uitspraak van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 27 april 2010 A.R. no. 10-1681 (vindplaats: SRU-K1-2010-11), waarin onder rechtsoverweging 5.2 het volgende is overwogen:

“Het Hoofdstembureau van het kiesdistrict Paramaribo heeft binnen het verkiezingsproces een onafhankelijke positie doch ook aan Hoofdstembureau is geen wettelijke procesbevoegdheid gegeven zodat eisers in hun vordering tegen voormeld Hoofdstembureau, die geen natuurlijke of rechtspersoon is, niet ontvankelijk zullen worden verklaard.”

4.3 Anders dan gedaagden sub B t/m K is de kantonrechter van oordeel dat uit de Kiesregeling, waarin nadere bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het Centraal Hoofdstembureau, niet blijkt dat het Centraal Hoofdstembureau drager is van rechten en plichten. Zij bezit dus geen wettelijke procesbevoegdheid en wordt hiermee het niet-ontvankelijkheidsverweer van gedaagden sub B t/m K dan ook verworpen.

4.4 In casu twisten partijen over de vraag aan wie de bevoegdheid toekomt om de ter registratie aangeboden gegevens door de politieke organisaties, ter inzage te leggen.

4.5 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagden sub B t/m K een verkeerde uitleg geven aan artikel 32 van de Kiesregeling. Met Kiesbureau wordt in dit artikel het Onafhankelijk Kiesbureau bedoeld en niet het Centraal Hoofdstembureau, zoals gedaagden sub B t/m K dat aanvoeren. Zulks blijkt uit de redactie van de Kiesregeling. In artikel 1 van de Kiesregeling waarin nadere bepalingen zijn opgenomen over het Onafhankelijk Kiesbureau, heeft de wetgever na lid 1 van dat artikel ervoor gekozen om – waar nodig – een afkorting te gebruiken voor het Onafhankelijk Kiesbureau, namelijk het Kiesbureau. De wetgever heeft, los van artikel 31 lid 1 van de Kiesregeling, kennelijk bewust geen afkorting gebruikt voor het Centraal Hoofdstembureau, teneinde enige verwarring te voorkomen. Hieruit volgt dat de bevoegdheid om de ter registratie aangeboden gegevens door de politieke organisaties ter inzage te leggen, mede gelet op de toezichthoudende taak op de algemene verkiezingen, aan het Onafhankelijk Kiesbureau toekomt en niet aan het Centraal Hoofdstembureau. Dat de ter inzage legging van de aangeboden gegevens altijd op het secretariaat van het Centraal Hoofdstembureau heeft plaatsgevonden doet aan het voorgaande niet af nu gebleken is dat artikel 32 van de Kiesregeling in het verleden door de verschillende actoren verkeerd is toegepast.

4.6 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de vordering van eisers zullen worden toegewezen zoals hierna te vermelden.

De gevorderde termijn van één uur na de uitspraak waarbinnen gedaagden de documenten aan eisers dienen af te staan, zal de kantonrechter in goede justitie vaststellen op een andere, zoals hierna te vermelden. Hierbij wordt mede gelet op het feit dat de registratie van de politieke organisaties uiterlijk zaterdag 21 maart 2020 om 13 uur dienen plaats te vinden en de uitspraak in deze zaak op heden, vrijdag 20 maart 2020 is gedaan.

De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor en zal derhalve worden gemitigeerd en gemaximaliseerd zoals hierna te vermelden.

Nu zowel het Onafhankelijk Kiesbureau als het Centraal Hoofdstembureau organen zijn van de Staat Suriname, zullen de gevorderde proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 veroordeelt gedaagden om op zaterdag 21 maart 2020 om uiterlijk 19.00 uur de door de politieke organisaties in verband met de verkiezingen van 25 mei 2020 in de periode 16 maart 2020 tot en met 21 maart 2020 ter registratie in het openbaar register bij het Centraal Hoofdstembureau aangeboden documenten en/of gegevens aan het Onafhankelijk Kiesbureau, dan wel aan eisers, bestemd voor de wettelijke ter inzagelegging af te geven;

5.2 veroordeelt gedaagden tot betaling van een dwangsom van SRD 200.000,- (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere keer dat zij in gebreke blijven aan het onder 5.1 besliste te voldoen en wel tot een maximum van SRD 1.000.000,- (één miljoen Surinaamse dollar);

5.3 verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. I. Sonai, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kortgeding ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 20 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2020-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. No. 15190

20 maart 2020

In de zaak van

A. De politieke organisatie VOORUITSTREVENDE HERVORMINGSPARTIJ (V.H.P.), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. De politieke organisatie NATIONALE PARTIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
C. De politieke organisatie PERTJAJAH LUHUR, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
D. Mohabali, Mohammad Barkatoellah, wonende in het district Wanica,
E. Sardjoe, Prim Koemar, wonende in het district Saramacca,
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. Sapoen, Raymond Soeharto, wonende in het district Wanica,
B. Chitan, Diepakkoemar, wonende in het district Saramacca,
C. Geerlings-Simons, Jennifer, in haar hoedanigheid van voorzitter van De Nationale Assemblee, kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 28 november 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 16-3583 tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.
Dit vonnis bouwt voort op het eerder in deze zaak gewezen tussenvonnis de dato 06 december 2019.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk de VHP, de NPS, de PL, Mohabali en Sardjoe enerzijds en Sapoen, Chitan en DNA-Voorzitter anderzijds.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • overlegging door appellanten van de door het hof opgevraagde documenten betreffende de rechtsgang in eerste aanleg zoals verwoord in voormeld tussenvonnis;
  • uitlating zijdens geїntimeerden omtrent de ten processe overgelegde documenten zijdens appellanten;

1.2. De uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1. Bij deurwaardersexploten d.d. 22 december 2015 met no’s 676 en 675 van de deurwaarder Chiragally, Halima, zijn aan Sapoen en Chitan de brieven d.d. 22 december 2015 afkomstig van de PL betekend, inhoudende het besluit inzake hun terugroeping als volksvertegenwoordigers van De Nationale Assemblee (DNA) zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Wet Terugroeping Volksvertegenwoordigers (Wet van 22 februari 2005, S.B. 2005 no. 15), hierna te noemen: WTV.

2.2. Bij de voormelde exploten zijn aan Sapoen en Chitan behalve de brieven d.d. 22 december 2015, inhoudende het besluit en de gronden waarop hun terugroeping is gebaseerd, ook meebetekend een gewaarmerkt uittreksel van de goedgekeurde notulen d.d. 20 december 2015 van de rechtsgeldige vergadering van de Partijraad van de PL waarop het voormelde besluit tot terugroeping van Sapoen en Chitan door de Partijraad van de PL is genomen.

2.3. Bij exploten d.d. 23 december 2015 met no’s 679 en 680 zijn de voormelde exploten genummerd 676 en 675 inclusief alle bijlagen overeenkomstig artikel 4 lid 4 WTV, onder andere, aan het Centraal Hoofdstembureau (CHS) betekend.

2.4. Het was de PL op 16 juni 2015 namelijk bekend geworden dat Sapoen en Chitan bekend hadden gemaakt de fractie van de PL te zullen verlaten. Ingevolge artikel 3 lid 1 sub c WTV kan een politieke organisatie een gekozen volksvertegenwoordiger die de fractie zoals bedoeld in dit artikel heeft verlaten, terugroepen. De terugroepgerechtigde moet ingevolge artikel 4 lid 1 WTV bij het nemen van het besluit tot terugroeping dezelfde procedure volgen als bij de kandidaatstelling.

2.5. Op 24 juni 2015 heeft de PL een Partijraadsvergadering gehouden, op welke vergadering een besluit tot terugroeping van Sapoen en Chitan is genomen. Op basis van artikel 4 lid 3 WTV dat stelt dat het lidmaatschap van het desbetreffend volksvertegenwoordigend orgaan eindigt bij de betekening van het besluit aan de teruggeroepen volksvertegenwoordiger, is er een vordering in kort geding tegen DNA-Voorzitter ingesteld om de teruggeroepenen geen toegang meer te verlenen tot DNA. Bij vonnis d.d. 13 juli 2015 met A.R. No.: 152997 heeft de rechter in kort geding, mr. A.C. Johanns, onder meer, overwogen dat de terugroeping te vroeg had plaatsgevonden.

2.6. Na voormelde beslissing van mr. A.C. Johanns is de PL ertoe overgegaan Sapoen en Chitan opnieuw terug te roepen. Tegen deze terugroeping d.d. 13 juli 2015 hebben Sapoen en Chitan een vordering in kort geding ingesteld tegen de PL, onder meer, strekkende tot een verbod hen in de toekomst terug te roepen. Bij vonnis d.d. 26 oktober 2015 met A.R. No.: 153122 heeft de rechter in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, de vordering van Sapoen en Chitan tot dit verbod afgewezen. De vordering van Sapoen en Chitan om hen niet te hinderen in de uitoefening van hun werkzaamheden naar aanleiding van de terugroeping d.d. 13 juli 2015, was wel toegewezen omdat de PL verzuimd had de stukken over de terugroeping in het geding te brengen. Echter is door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran geoordeeld dat het aannemelijk is dat Sapoen en Chitan de fractie van de PL hebben verlaten.

2.7. Na het hiervoor vermelde vonnis van mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran heeft het Hoofdbestuur van de PL in haar vergadering d.d. 27 oktober 2015 het besluit genomen het bestuur van haar Partijraad het verzoek te doen om opnieuw een Partijraadsvergadering te houden.

2.8.In haar vergadering d.d. 2 november 2015 heeft het bestuur van de Partijraad van de PL het besluit genomen om de door het Hoofdbestuur verzochte Partijraadsvergadering te houden. Op 4 november 2015 heeft het Partijraadsbestuur dienovereenkomstig de leden van de Partijraad geconvoceerd voor een vergadering d.d. 20 december 2015.

2.9. Op 20 december 2015 is de Partijraadsvergadering van de PL gehouden. Staande de vergadering is het al dan niet terugroepen van Sapoen en Chitan in stemming gebracht. Blijkens de stemming hebben 101 stemgerechtigde leden hun stem uitgebracht. Blijkens het proces-verbaal van de gehouden stemming hebben 100 stemgerechtigden vóór de terugroeping gestemd.

2.10. Blijkens de notulen van de Partijraadsvergadering d.d. 20 december 2015 en het proces-verbaal van de gehouden stemming is de terugroeping gebaseerd op het feit dat Sapoen en Chitan de fractie van de PL hebben verlaten.

2.11. Overeenkomstig artikel 4 lid 5 WTV zijn de onder 2.1. aangehaalde deurwaardersexploten d.d. 22 december 2015 met de no’s 676 en 675 en die van 23 december 2015 met no’s 679 en 680, de brieven d.d. 22 december 2015 en de notulen van de Partijraadsvergadering van de PL d.d. 20 december 2015 verzonden aan:

  • de President van de Republiek Suriname;
  • de Voorzitter van DNA;
  • de Minister van Justitie en Politie;
  • de Minister van Regionale Ontwikkeling;
  • het Onafhankelijk Kiesbureau;
  • de Voorzitters van de Hoofdstembureaus van Wanica en Saramacca;
  • de Staatsraad;
  • de Rekenkamer.

3. De verdere beoordeling

3.1. Het hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Ter uitvoering van het bepaalde in voormeld tussenvonnis hebben appellanten op 13 december 2019 de ontbrekende documenten betreffende de rechtsgang in eerste aanleg overgelegd, te weten een afschrift van het inleidend verzoekschrift met bijbehorende producties alsmede een afschrift van de conclusie van repliek met bijlagen. Geїntimeerden hebben zich vervolgens op 20 december daaraanvolgend daaromtrent uitgelaten

3.2. Appellanten hebben in eerste aanleg als eisers – kort gezegd – primair gevorderd dat DNA-voorzitter zal worden verboden om de in hun hoedanigheid van volksvertegenwoordigers bij deurwaardersexploten d.d. 22 december 2015 met no’s 676 en 675 teruggeroepen personen SAPOEN, Raymond Soeharto en CHITAN, Diepakkoemar, uit te nodigen voor vergaderingen van DNA en haar te gebieden om hen de toegang tot het assembleegebouw te ontzeggen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 1.000.000,- althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom voor iedere keer waarop DNA-voorzitter in strijd met het te wijzen vonnis mocht handelen. Tevens hebben zij veroordeling van Sapoen en Chitan gevorderd om het hiervoor gevorderde, indien uitgesproken bij vonnis, te gehengen en te gedogen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 1.000.000,- per keer. Subsidiair hebben zij gevorderd dat Sapoen en Chitan zullen worden verboden om zich als lid van DNA uit te geven casu quo als lid van DNA te handelen casu quo zich als zodanig te gedragen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 1.000.000,- per keer. Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding de dato maandag 28 november 2016 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering tegen DNA-Voorzitter en zijn de vorderingen tegen Sapoen en Chitan afgewezen. Appellanten verzoeken het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het door appellanten als eisers gevorderde integraal toe te wijzen, althans toe te wijzen op de wijze zoals het Hof in goede justitie geboden acht met veroordeling van geїntimeerden in de kosten van beide instanties. Daartoe hebben appellanten grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen.

3.3. In de visie van appellanten heeft de kantonrechter ten onrechte in het vonnis onder 3.5. tot en met 3.9 en onder 3.14 en 3.15 overwogen hetgeen daarin is aangegeven. Daartoe zijn de volgende argumenten aangevoerd, te weten:

3.3.1. immers, de kantonrechter heeft ten onrechte het arrest van het Hof van Cassatie van 28 september 2006, Flandria arrest (NJW, 319) aan haar beslissing ten grondslag gelegd, althans als “handvat” erbij gebruikt. Uitspraken van dit Hof maken geen deel uit van de Surinaamse rechtsorde. Bovendien is van de in dat arrest beschreven situatie in casu geenszins sprake. Zo is er geen vordering ingesteld tegen de Wetgevende Macht. Ook het in rechtsoverweging 3.6 aangehaalde artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) maakt geen onderdeel uit van de Surinaamse rechtsorde.

3.3.2. De kantonrechter heeft daarenboven helemaal geen acht geslagen op de bepalingen van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens (AVRM), in het bijzonder artikel 8 lid 1 daarvan en ook niet op de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO), in het bijzonder artikel 2 lid 3 sub a daarvan. Deze bepalingen maken in tegenstelling tot artikel 6 lid 1 EVRM, wel deel uit van de Surinaamse rechtsorde casu quo hebben in de Surinaamse rechtsorde rechtstreekse doorwerking. Het vonnis van de kantonrechter is daarom in strijd met het geldende Surinaamse recht. De rechter heeft geen blijk gegeven van een juiste opvatting over het Surinaamse recht. Uit het bepaalde in artikel 8 lid 1 AVRM volgt dat de kantonrechter zich niet onbevoegd kan verklaren kennis te nemen van een vordering waarin een recht/belang ontleend aan het Staatsrecht of het Politiek recht, in het geding is. De verdragsbepaling stelt namelijk duidelijk: “… his rights and obligations of a civil, labor, fiscal, or any other nature…”. Daarenboven is het vonnis van de kantonrechter eveneens in flagrante strijd met artikel 25 van het AVRM hetwelk namelijk het recht op rechtsbescherming garandeert.

3.3.3. De (kanton-)rechter heeft met het miskennen van het bepaalde in artikel 2 lid 3 sub a van het Bupo geen blijk gegeven van een juiste opvatting over het recht van Suriname.

3.3.4. De kantonrechter gaat met het hanteren van het aangehaalde arrest daarenboven ten onrechte ervan uit dat de beoordeling van de rechterlijke bevoegdheid in een vordering als de onderhavige op gelijke wijze dient te geschieden als wanneer de Wetgevende Macht onrechtmatig handelen jegens een burger zou worden verweten. DNA-Voorzitter is namelijk onmogelijk gelijk te stellen met de Wetgevende Macht (te onzent gevormd door De Nationale Assemblee en de regering van de Republiek Suriname) en Sapoen en Chitan, die rechtsgeldig teruggeroepen zijn, zie ook rechtsoverweging 3.13 van het vonnis waarvan beroep, en dus geen parlementariërs meer zijn, hebben casu quo behoren met wetgeving als zodanig niets van doen te hebben.

3.3.5. Voorts heeft de kantonrechter, ook ten onrechte zoals zij onder 3.7 overweegt, de Surinaamse rechtspraak voor wat betreft de Uitvoerende Macht aan haar beslissing ten grondslag gelegd, althans deze als een “handvat” gebruikt voor de door haar genomen beslissing. De onderhavige vordering is immers niet ingesteld tegen de Uitvoerende Macht, maar tegen DNA-Voorzitter en tegen twee burgers, Sapoen en Chitan.

3.3.6. Daarnaast is het volstrekt onduidelijk en nieuw waarom casu quo op grond waarvan de rechter in concreto meent geen rechtsmacht te hebben voor wat betreft de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad jegens DNA-Voorzitter; een vordering ontleent aan het burgerlijk wetboek, namelijk artikel 1386 BW. Immers neemt de rechterlijke macht volgens artikel 134 van de Grondwet juist kennis van alle geschillen tenzij de wet een andere rechter aanwijst; voor welke toedeling van geschillen het geen verschil maakt of het rechtsgeschil van privaat- of publiekrechtelijke aard is. Het Surinaams recht kent geen onderscheid tussen rechtsprekende instanties op het gebied van het Administratieve recht en het Staatsrecht enerzijds en het Burgerlijk recht anderzijds, zoals dat in bijvoorbeeld Nederland wel het geval is. Er is geen andere rechter in onze wetgeving aangewezen om van het onderhavige geschil kennis te nemen, dan de gewone rechter, dus ook de rechter in kort geding. De kantonrechter heeft een volkomen aan het Surinaamse recht nieuwe, vreemde en verkeerde uitleg casu quo benadering gegeven aan de door haar aangehaalde wettelijke en grondwettelijke bepalingen.

3.3.7. De kantonrechter gaat, en dit is de kern van de rechterlijke misslag in dezen, vervolgens ten onrechte ervan uit dat wanneer er sprake is van een inbreuk op een recht ontleend aan het Staatsrecht, zij onbevoegd zou zijn om als kantonrechter, rechtsprekend in kort geding, van een vordering op grond van onrechtmatige daad strekkende tot herstel van die inbreuk, kennis te nemen.

3.3.8. De kantonrechter heeft, volkomen onbegrijpelijk, een geheel eigen, niet op het geldende recht van Suriname gebaseerde, daaraan vreemde, enge en verkeerde betekenis gegeven aan het begrip subjectief recht. Aangenomen en bekend is dat onder een subjectief recht begrepen moet worden een bijzondere, door het recht aan iemand toegekende bevoegdheid, die hem wordt verleend om zijn belang te dienen. Subjectieve rechten komen toe aan rechtssubjecten, dus aan rechtspersonen en natuurlijke personen. DE VHP, NPS en PL zijn rechtspersonen en Mohabali en Sardjoe zijn natuurlijke personen. Als belangrijkste, dus er zijn ook minder belangrijke, subjectieve rechten worden erkend de persoonlijkheidsrechten en de vermogensrechten. Het recht om gekozen te worden tot volksvertegenwoordiger, waarvan appellanten gebruik hebben gemaakt, is een grondrecht, dus een subjectief recht. Dat de kantonrechter de aan appellanten in dezen toekomende rechten niet als subjectieve rechten heeft gekwalificeerd, is daarom ten zeerste onbegrijpelijk en juridisch onverklaarbaar.

3.3.9. De onderhavige vordering is gebaseerd op de onrechtmatige daad. Van een onrechtmatige daad is niet alleen sprake wanneer er sprake is van een inbreuk op een recht. De kantonrechter heeft bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een onrechtmatige gedraging haar onderzoek beperkt tot de eerste drie handelingen die een onrechtmatige daad kunnen opleveren. Het vonnis van de kantonrechter komt daarom alleen al op grond hiervan voor vernietiging in aanmerking. Sedert 1919 is het bekend dat er niet alleen sprake is van een onrechtmatige daad indien er inbreuk is gemaakt op een recht, maar ook indien er sprake is van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of indien er sprake is van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zoals hiervoor is uiteengezet, is er overduidelijk sprake van een inbreuk op een recht in relatie tot alle vijf appellanten afzonderlijk. Ten aanzien van de VHP (het Hof leest: PL) betreft het het recht om terug te roepen zoals bedoeld in de WTV. Ten aanzien van de NPS en de PL (het Hof leest: VHP) betreft het het aan de Kieswet ontleend recht dat de door hen voorgedragen en gekozen kandidaten toegelaten worden tot DNA en ten aanzien van Mohabali en Sardjoe betreft het eveneens het aan de Kieswet ontleend recht om als gekozen volksvertegenwoordigers toegelaten te worden tot DNA. Het recht van Mohabali en Sardjoe om gekozen en toegelaten te worden tot de volksvertegenwoordiging wordt ook beschermd door het AVRM en het BUPO. Dus ook op deze bepalingen wordt er door geїntimeerden een inbreuk gemaakt.

3.3.10. Voor zover het Hof van oordeel mocht zijn dat er geen sprake zou zijn van een inbreuk op een recht, quod non, is er in ieder geval sprake van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht door geїntimeerden. En voor zover het Hof van oordeel mocht zijn dat er ook geen sprake zou zijn van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht, quod non, is er in ieder geval sprake van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

3.4. Geїntimeerden hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

3.5. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. Tijdens de algemene, geheime en vrije verkiezingen de dato 25 mei 2015 hebben, onder andere, de VHP, de NPS en de PL deelgenomen in combinatieverband (V7). Daarbij heeft de PL, onder andere, haar leden Sapoen en Chitan kandidaat gesteld voor verkiezing tot DNA-lid in respectievelijk de districten Wanica en Saramacca en zijn zij ook gekozen als volksvertegenwoordigers door het electoraat. Evenwel heeft Sapoen, nadat de uitslag van de gehouden verkiezingen bekend was geworden, als namens de PL gekozen volksvertegenwoordiger in het district Wanica, afzonderlijk een gesprek gehad met de president, de heer D.D. Bouterse, die toen als informateur/formateur optrad, en op 15 juni 2015 maakt Sapoen publiekelijk bekend niet optimaal te kunnen functioneren binnen de PL hetgeen hem noodzaakt tot het opereren als een zelfstandige fractie in DNA. Bij schrijven d.d. 16 juni 2015 deelt Chitan, als namens de PL gekozen volksvertegenwoordiger in het district Saramacca, aan de PL mede de zelfstandige fractie van Sapoen te zullen ondersteunen. Daartegen is de PL in het geweer gekomen en heeft ingevolge de WTV gemeend om de procedure in werking te stellen teneinde te bewerkstelligen dat Sapoen en Chitan werden terug geroepen. Het voorgaande heeft tot diverse kortgedingprocessen in eerste aanleg geleid, waarvan de onderhavige procedure deel uitmaakt. De centrale vraag die partijen preliminair verdeeld houdt betreft de vraag of de kortgedingrechter rechtsmacht toekomt in de onderhavige procedure. Appellanten beantwoorden voormelde vraag in bevestigende zin terwijl geїntimeerden die in ontkennende zin beantwoorden. Naar het oordeel van het Hof dient voormelde vraag in bevestigende zin te worden beantwoord. Immers leggen appellanten aan hun vordering een onrechtmatige daad ten grondslag en is de kortgedingrechter – als restrechter – ten allen tijde bevoegd om van dergelijke vorderingen kennis te nemen. Dat er daarbij sprake zou zijn van schending van “de trias politica” – zoals door geїntimeerden is aangevoerd – is in de visie van het Hof niet aannemelijk geworden. Immers is gesteld noch gebleken dat er in casu een speciale met voldoende waarborgen omklede en effectieve rechtsgang bestaat waar appellanten hun beklag zouden kunnen doen. Al hetgeen dienaangaande door geїntimeerden is aangevoerd komt derhalve voor verwerping in aanmerking. In de visie van het Hof is de vereenzelviging van DNA-Voorzitter met de Wetgevende Macht door geїntimeerden in de gedingstukken onterecht en zal het Hof derhalve daaraan – met overname van de motivering van de kantonrechter in het beroepen vonnis onder 3.4. – voorbijgaan. De daartoe strekkende grief gaat derhalve op en is gegrond gebleken.

3.6. Thans komt aan de orde de vraag of er in casu al dan niet rechtsgeldig is teruggeroepen door de PL. In dat kader is gebleken dat gaandeweg de procedure in eerste aanleg op 17 augustus 2016 DNA heeft goedgekeurd “De Wet houdende regels voor het beëindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblee”. Deze wet is per diezelfde datum afgekondigd in het Staatsblad van de Republiek Suriname (S.B. 2016, no. 114). Artikel 6 lid 3 van deze wet stelt dat bij haar inwerkingtreding de WTV is ingetrokken. De vraag die dan rijst is of de onderhavige vordering beoordeeld dient te worden aan de hand van de inmiddels ingetrokken WTV danwel op grond van de “nieuwe” Wet houdende regels voor het beëindigen van het lidmaatschap van De Nationale Assemblee (S.B. 2016, no. 114) dient te worden beoordeeld. Dienaangaande komt het Hof – evenals de kantonrechter – tot de slotsom dat de WTV in casu van toepassing is en neemt daartoe de overwegingen van de kantonrechter onder 3.11 tot en met de eerste alinea van 3.13 van het beroepen vonnis over en maakt die tot de zijne.

3.7. Thans komt het Hof toe aan de vraag of er in casu al dan niet een rechtsgeldige terugroeping heeft plaatsgevonden van Sapoen en Chitan. Artikel 2 lid 1 van de WTV bepaalt dat terugroeping door een politieke organisatie plaatsvindt door een besluit van het daartoe bevoegde orgaan van de terugroepingsgerechtigde op een of meer van de in artikel 3 genoemde gronden en volgens de procedure neergelegd in artikel 4. In artikel 4 wordt de procedure voor de terugroeping aangegeven en in lid 3 daarvan is bepaald dat het eindigen van het lidmaatschap van de betrokken volksvertegenwoordiger, zoals bepaald in artikel 68 lid 1 aanhef en onder c van de Grondwet, een feit is bij de betekening van het deurwaardersexploit zoals bedoeld in lid 2. Het Hof stelt vast dat het Hoofdbestuur van de PL in haar vergadering van 27 oktober 2015 het besluit heeft genomen om het bestuur van haar Partijraad het verzoek te doen om opnieuw een Partijraadsvergadering te houden. Bij schrijven de dato 28 oktober 2015 doet het Hoofdbestuur van de PL bovengenoemd verzoek aan de voorzitter van het Partijraadsbestuur toekomen. Het bestuur van de Partijraad van de PL neemt in haar vergadering de dato 2 november 2015 het besluit om de door het Hoofdbestuur verzochte Partijraadsvergadering te houden. Op 4 november 2015 heeft het Partijraadsbestuur de leden van de Partijraad geconvoceerd voor een op 20 december 2015 te houden vergadering. Tijdens de op 20 december 2015 gehouden Partijraadsvergadering van de PL is het al dan niet terugroepen van Sapoen en Chitan in stemming gebracht. Blijkens het proces-verbaal van de stemming hebben 100 stemgerechtigden vóór de terugroeping van Sapoen en Chitan gestemd. Bij exploiten de dato 22 december 2015 met de nummers 675 en 676 van de deurwaarder bij het Hof van Justitie H. Chiragally zijn aan respectievelijk Chitan en Sapoen betekend een afschrift van een brief de dato 22 december 2015 afkomstig van het Hoofdbestuur van de PL met als bijlage de notulen van de Partijraadsvergadering van 20 december 2015. De brief bevat de mededeling dat in de Partijraad van de politieke vereniging Pertjaja Luhur (PL) op een partijraadsvergadering de dato 20 december 2015 het besluit is genomen inhoudende de terugroeping zoals bedoeld in de Terugroepwet van 22 februari 2005. Uit de in de brief vermelde handelingen van Chitan en Sapoen wordt afgeleid dat zij met hun handelingen en optreden hebben aangegeven de fractie van de PL te hebben verlaten en worden zij voorts in kennis gesteld van het gevolg van hun terugroeping, namelijk dat zij geen deel uitmaken van de Nationale Assemblee.

Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de terugroeping van Sapoen en Chitan rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en ingevolge het bepaalde in artikel 4 lid 3 van de WTV is bij de betekening van de exploiten de dato 22 december 2015 met de nummers 675 en 676, de terugroeping een feit.

3.8. Thans komt aan de orde hetgeen primair in het petitum van het inleidend rekest is gevorderd. Dienaangaande komt het Hof tot de navolgende slotsom. Primair wordt gevorderd – kort gezegd – een verbod voor DNA-Voorzitter om de teruggeroepen volksvertegenwoordigers Sapoen en Chitan uit te nodigen voor vergaderingen van DNA en een gebod om hen de toegang tot het assembleegebouw te ontzeggen, op straffe van een dwangsom. Daaraan wordt gekoppeld een verzochte veroordeling van Sapoen en Chitan om het voorgaande te gehengen en te gedogen, op straffe van een dwangsom. In de visie van het Hof ontbreekt er een schakel teneinde het primair gevorderde toe te wijzen. Hoewel de terugroeping met de betekening van voormelde exploiten een feit is dient er in de visie van het Hof voor gewaakt te worden dat er daardoor geen vacuum ontstaat. Kennelijk heeft de wetgever er daarom voor gekozen om ingevolge het bepaalde in artikel 5 lid 1 WTV te bepalen dat het Centraal Hoofdstembureau (CHS) binnen veertien dagen na de betekening de dato 23 december 2015 bijeen diende te komen om volgens de in de Kiesregeling bepaalde wijze te voorzien in de vacatures van DNA die als gevolg van de voormelde terugroepingen zijn opengevallen. Die procedure is evenwel niet gecompleteerd aangezien het CHS wel bij elkaar is geweest maar er niet is voorzien in de vacatures van DNA conform de Kiesregeling, waardoor het primair gevorderde in de visie van het Hof niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Er ontbreekt namelijk een schakel in de keten van te verrichten wettelijke handelingen waardoor in de visie van het Hof DNA-Voorzitter niet kan worden veroordeeld conform het primair gevorderde in het inleidend verzoekschrift. Het primair gevorderde ten aanzien van Sapoen en Chitan ondergaat als sequeel van het voorgaande hetzelfde lot. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat de primair gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

3.9. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van het subsidiair gevorderde. Met de vaststelling dat de terugroeping rechtsgeldig is geschied komt het Hof tot de slotsom – gelet op al het voorgaande – dat het subsidiair gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. Aan het verweer van Sapoen en Chitan dat het subsidiair gevorderde onvoldoende specifiek en derhalve niet toewijsbaar is, zal worden voorbij gegaan. Naar dezerzijds oordeel blijkt daaruit voldoende dat bij toewijzing Sapoen en Chitan verboden wordt op enigerlei wijze te handelen als waren zij nog leden van DNA. De consequentie van al het voorgaande is dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende de primair gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd en het subsidiair gevorderde zal worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom komt het Hof bovenmatig voor en zal ambtshalve worden gemitigeerd en gemaximeerd zoals hierna in het dictum te melden. Sapoen en Chitan gelden als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij en zullen derhalve worden veroordeeld om de gedingkosten in beide instanties voor hun rekening te nemen.

3.10. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

5. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

5.1. Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 28 november 2016 en bekend in het Algemeen Register onder no. 16-3583, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

5.2. Weigert de primair gevraagde voorzieningen;

5.3. Verbiedt Sapoen en Chitan om zich als lid van DNA uit te geven casu quo als lid van DNA te handelen casu quo zich als zodanig te gedragen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollars) voor iedere keer waarop Sapoen en Chitan het bepaalde in dit vonnis mochten overtreden tot een maximum van SRD. 1.000.000,- (Een Miljoen Surinaamse Dollars);

5.4. Veroordeelt Sapoen en Chitan, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding in beide instanties, aan de zijde van appellanten gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op:

In eerste aanleg: SRD.980, – (Negenhonderd en tachtig Surinaamse Dollars)
In hoger beroep: SRD. 1100, -(Elfhonderd Surinaamse Dollars)

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. S. Nanhoe-Gangadin, leden-plaatsvervanger, en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 maart 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein, w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.D. Esajas namens mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-3

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

Betreffende het bezwaar namens de [verdachte], tegen het bevel tot beperking vrij verkeer tussen raadsman en verdachte van de officier van justitie ex artikel 40 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna afgekort Sv) d.d. 14 februari 2020.

De procedure
Het Hof heeft kennisgenomen van het bezwaarschrift ex artikel 40 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna afgekort Sv), dat namens de verdachte door diens raadslieden, mr. J. Kraag en I.D. Kanhai BSc, advocaten, is ingediend bij het Hof van Justitie op 14 februari 2020, tegen het door de vervolgingsambtenaar gegeven bevel tot beperking van het vrije verkeer tussen hem en zijn raadslieden.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 14 februari 2020 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer op maandag 17 februari 2020 om 09.00 uur des voormiddag zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer plaatsgevonden, waarbij:

  • het bezwaarschrift door de raadslieden, mr. J. Kraag en I.D. Kanhai, is toegelicht;
  • de Procureur-Generaal mr. R. Baidjnath-Panday, zich heeft verzet tegen het bezwaarschrift.

De grieven
Naar de mening van de verdediging kan het hernieuwd bevel van de vervolgingsambtenaar tot beperking van het vrije verkeer met de raadsman geen stand houden omdat dit bevel:

  • niet voldoende gemotiveerd is (grief 1) en;
  • door een onbevoegde justitiële autoriteit gegeven is (grief 2)

Daartoe is aangevoerd dat:

  • de overwegingen die geleid hebben tot de opgelegde beperking in algemene bewoordingen zijn vervat zonder dat specifieke feiten en omstandigheden zijn aangehaald zoals door de wet vereist;
  • het hernieuwd bevel gegeven is ten tijde dat het Gerechtelijk Vooronderzoek (hierna GVO) tegen de verdachte reeds geopend was;

Op grond van artikel 40 lid 2 Sv is de Rechter Commissaris (hierna RC) tijdens GVO de bevoegde justitiële autoriteit tot het uitvaardigen van een bevel, inhoudende beperking vrije verkeer tussen de verdachte en diens raadsman. Nu het bevel door de vervolgingsambtenaar – niet zijnde de bevoegde justitiële autoriteit- is uitgevaardigd is dit nietig.
Reden waarom gevraagd wordt het bevel nietig te verklaren en de opgelegde beperking op te heffen.

Ten tijde van de mondelinge behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer met toelichting van de grieven hebben de raadslieden zich beperkt tot een bespreking van grief 2 (beroep op de onbevoegdheid van de vervolgingsambtenaar tot het geven van onderhavig hernieuwd bevel). Het Hof ziet hierdoor geen aanleiding bij de beoordeling van het bezwaarschrift op grief 1 verder in te gaan. Bij de beoordeling van onderhavig bezwaarschrift zal het Hof zich dan ook beperken tot de beoordeling van grief 2.
De Procureur-Generaal heeft zich verzet tegen de gevorderde nietig verklaring c.q. opheffing van het bevel.
Onder verwijzing naar het bepaalde in de artikelen 40 lid 1 (2) Sv in samenhang met art. 126 Sv wordt een beroep gedaan op het bevoegdelijk geven van het hernieuwd bevel door de vervolgingsambtenaar. De Procureur-Generaal stelt zich op het standpunt dat de vervolgingsambtenaar gedurende het voorbereidende onderzoek wettelijk bevoegd is tot het geven van onderhavig bevel. Art.126 Sv omschrijft het voorbereidend onderzoek als het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat. De strafzaak tegen de verdachte bevindt zich in de fase welke aan het onderzoek ter terechtzitting voorafgaat. Aangezien onderhavige strafzaak zich bevindt in de fase van voorbereidend onderzoek en er tevens een GVO gaande is, zijn zowel de vervolgingsambtenaar als de RC bevoegd tot het uitvaardigen van onderhavig bevel.

Tussenbeschikking
Onderhavige beschikking vormt een vervolg op de tussenbeschikking van 17 februari 2020. Bij die beschikking heeft het Hof zich laten informeren over de datum van de vordering tot het instellen van een GVO tegen de verdachte, de datum en het tijdstip van de opening van het GVO en de uitreiking van het hernieuwd bevel aan de verdachte en zijn raadsman.

De Procureur-Generaal heeft per schrijven d.d. 18 februari 2020 laten weten dat:

  • het op 10 februari 2020 gevorderde GVO geopend is op 14 februari 2020 omstreeks 09:00 uur des voormiddags;
  • het hernieuwd bevel van de vervolgingsambtenaar is gegeven op 14 februari 2020 en om 11:15 uur des voormiddags aan de verdachte is uitgereikt;
  • van het voornemen tot uitvaardigen van een hernieuwd bevel op 13 februari 2020 telefonisch kennis is gegeven aan de raadsman met mededeling dat de betrekkelijke schriftelijke mededeling op het Parket van de Procureur-Generaal beschikbaar is op 14 februari 2020 en wel op zijn vroegst.

De feiten

  1. Op donderdag 6 februari 2020 is verdachte in verzekering gesteld omdat hij verdacht wordt van overtreding van de misdrijven die strafbaar zijn gesteld in artikel 423 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 juncto artikel 114 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 424 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 juncto artikel 114 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 278 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 279 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 430 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 juncto artikel 114 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 13 het eerste lid onder sub a en het tweede lid van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 en de artikelen 1b en 3b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64.
  2. Op donderdag 6 februari 2020 is het bevel tot beperking van het vrije verkeer tussen verdachte en zijn raadsman gegeven door de vervolgingsambtenaar, ingaande 6 februari 2020 voor de duur van 8 dagen en eindigende op 14 februari 2020 (hierna 1e bevel).
  3. Op maandag 10 februari 2020 heeft de vervolgingsambtenaar bij de RC een GVO gevorderd.
  4. Op vrijdag 14 februari 2020 heeft de RC het GVO geopend en een regie zitting gehouden.
  5. Op vrijdag 14 februari 2020 heeft de vervolgingsambtenaar het 2e bevel tot beperking van het vrije verkeer gegeven; per ingaande 14 februari 2020 en voor de duur van 8 dagen en eindigende op 22 februari 2020 (hierna hernieuwd bevel).
  6. Op maandag 17 februari 2020 is er een aanvang gemaakt met de inhoudelijke onderzoeken in het GVO.

Bezwaarschriften:

  1. tegen het 1e bevel is bezwaar ingediend op 6 februari 2020 en bij beschikking van het Hof d.d. 10 februari 2020 is het bezwaar ongegrond verklaard.
  2. tegen het hernieuwd bevel is bezwaar ingediend op 14 februari 2020.

De beoordeling
Onderhavig bezwaarschrift heeft betrekking op de bevoegdheidstoepassing van de vervolgingsambtenaar en de RC ten aanzien van het bevel beperking vrije verkeer tussen raadsman en verdachte.

Aan de orde is de vraag:

  1. of het hernieuwd bevel is gegeven vóór of na de opening van het GVO?
  2. welke justitiële autoriteit tijdens de onderscheidenlijke fasen van het vooronderzoek de bevoegde autoriteit is voor het uitvaardigen van een beperkingsbevel?

Ad 1
Vooropgesteld dat wanneer is bevolen dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte wordt beperkt, dit bevel schriftelijk medegedeeld moet worden aan de raadsman en de verdachte. Ingevolge artikel 515 Sv wordt het moment van die vereiste schriftelijke mededeling bepaald door de uitreiking van een gerechtelijk schrijven.

Het Hof zal daarom eerstens de geschetste uitreiking van het bevel aan de raadsman en de verdachte beoordelen.

Mededeling aan de raadsman
Door de Procureur-Generaal is aangegeven dat door de vervolgingsambtenaar op 13 februari 2020 telefonisch aan de raadsman is medegedeeld dat het bevel hernieuwd zal worden en die beschikking op 14 februari 2020 op zijn vroegst beschikbaar is ten Parkette.
Gelet op de inhoud van de mededeling en de wettelijke vereisten aangaande de wijze waarop het gedaan dient te worden, kan naar het oordeel van het Hof de gestelde telefonische mededeling aan de raadsman niet opgevat worden als een rechtsgeldige mededeling. Het had op de weg van de vervolgingsambtenaar gelegen deze mededeling aan het (kantoor)adres van de raadsman te doen of de raadsman schriftelijk uit te nodigen om het bevel op een aangegeven dag en tijdstip ten Parkette in ontvangst te nemen.

Mededeling aan de verdachte
Ten aanzien van de mededeling aan de verdachte staat vast dat de uitreiking op vrijdag 14 februari 2020 om 11:15 uur heeft plaatsgevonden terwijl, het GVO door de RC geopend is op vrijdag 14 februari 2020 om 09:00uur des voormiddag.

Ad 2
Met de constatering dat het hernieuwd bevel van de vervolgingsambtenaar dus gegeven is na de opening van het GVO, dient vervolgens beoordeeld te worden welke de bevoegde justitiële autoriteit is om na opening van het GVO een beperkingsbevel betreffende het vrije verkeer tussen de verdachte en diens raadsman uit te vaardigen.

Art.40 lid 2 en 4 Sv bepaalt -kortweg –“dat tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de vervolgingsambtenaar”, telkens kan bevelen dat het vrije verkeer tussen de raadsman en de verdachte beperkt wordt.

In discussie is de vraag: wat de onderscheidende bevoegdheidstoepassing is zoals verwoord in de zinsnede “tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de vervolgingsambtenaar”.
Blijkens de tekst van artikel 40 lid 2 Sv is tijdens het GVO de RC en overigens – d.w.z. voor het overige tijdens het voorbereidend onderzoek – de vervolgingsambtenaar bevoegd is om het vrije verkeer tussen verdachte en raadsman te beperken. Tekstueel en taalkundig is het evident dat met “overigens” gedoeld wordt op het niet op het GVO betrekking hebbend voorbereidend onderzoek.

Ingevolge art. 126 Sv wordt onder het voorbereidende onderzoek verstaan het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat.

Blijkens de memorie van toelichting op de Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Surinaams Wetboek van Strafvordering (d.d. 18 februari 1970) dient art. 126 Sv zo begrepen te worden, dat een onderzoek van de opsporingsinstanties of van de rechter-commissaris, dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat, voorbereidend onderzoek is.

Daar het concordantiebeginsel bij de totstandkoming van het wetboek, waar mogelijk, is nageleefd met als doel dat in Suriname gebruik kan worden gemaakt van de in Nederland totstandgekomen jurisprudentie en de daar bereikte wetenschappelijke resultaten, wordt voorts aansluiting gezocht bij de memorie van toelichting op het gelijkluidend Nederlandse artikel 50 Strafvordering (NSv).

Blijkens de memorie van toelichting op art. 50 NSv is met de invoering van het GVO rechterlijke bemoeienis met het vooronderzoek in de wet opgenomen. Het GVO kreeg een centrale plaats in het voorbereidende onderzoek en werd het een zelfstandig juridisch kader waarbinnen dwangmiddelen en opsporingshandelingen tijdens het vooronderzoek verricht worden onder leiding van de RC.

Derhalve is de RC tijdens het GVO de bevoegde justitiële autoriteit en kan de vervolgingsambtenaar na de opening van een GVO niet meer als bevoegde justitiële autoriteit worden aangemerkt. Alsvoren overwogen is het beroepen bevel van de vervolgingsambtenaar gegeven na de opening van het GVO waardoor het bevel onbevoegdelijk gegeven is en derhalve nietig is. Het Hof zal het hernieuwd bevel als in het dictum te vermelden nietig verklaren.

Het Hof overweegt dat ofschoon de RC tijdens het GVO een zelfstandige bevoegdheid toekomt aangaande de beperking van het vrije verkeer tussen verdachte en diens raadsman, de wet zich niet ertegen verzet dat de vervolgingsambtenaar bij het indienen van de vordering GVO of
gedurende het GVO de noodzaak tot beperking van het vrije verkeer althans de voortduring daarvan onder de aandacht van de RC als bevoegde justitiële autoriteit brengt.

DE BESLISSING
HET HOF:

Verklaart nietig het door de vervolgingsambtenaar gegeven bevel d.d. 14 februari 2020.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 19 februari 2020 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

– mr. M.C. Mettendaf, fungerend-president,

– mr. D.G.W. Karamat Ali, lid,

– mr. S. Punwasi, lid,

in tegenwoordigheid van de fungerend – griffier, mw. B.O.S. Pakosie, LL.B. MICL

w.g. B.O.S. Pakosie w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi

Vooreensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2020-2

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

Betreffende het bezwaar namens de [verdachte] , tegen het bevel tot beperking vrij verkeer tussen raadsman en verdachte van de officier van justitie ex artikel 40 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna afgekort Sv) d.d. 06 februari 2020.

De procedure
Het Hof heeft kennisgenomen van het bezwaarschrift ex artikel 40 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna afgekort Sv), dat namens de verdachte door diens raadslieden, mr. J. Kraag en I.D. Kanhai BSc, advocaten, is ingediend bij het Hof van Justitie op 07 februari 2020, tegen het door de vervolgingsambtenaar gegeven bevel tot beperking van het vrije verkeer tussen hem en zijn raadslieden.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 07 februari 2020 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer op maandag 10 februari 2020 om 08.00 uur des voormiddag zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer plaatsgevonden, waarbij:

  • het bezwaarschrift door de raadslieden, mr. J. Kraag en I.D. Kanhai, is toegelicht;
  • het bezwaarschrift door de waarnemend procureur-generaal, mr. C. Rasam, is
    bestreden.

De feiten
Op 06 februari 2020 is de verdachte in verzekering gesteld, omdat hij verdacht wordt van overtreding van de misdrijven die strafbaar zijn gesteld in artikel 423 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 juncto artikel 114 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 424 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 juncto artikel 114 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 278 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 279 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 430 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44; artikel 13 het eerste lid onder sub a en het tweede lid van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 en de artikelen 1b en 3b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64.

Op 06 februari 2020 heeft de vervolgingsambtenaar een bevel gegeven, inhoudende dat met ingang van 06 februari 2020 tussen verdachte en zijn raadslieden geen vrij verkeer zal bestaan voor de duur van acht dagen. In het bedoeld bevel is als grond voor de beperking aangegeven dat het belang van het onderzoek zich in dit stadium bepaaldelijk verzet tegen het vrije verkeer tussen de verdachte en de raadslieden en is het belang onder meer gelegen in de volgende feiten:

  • dat uit bepaalde omstandigheden, te weten dat de verdachte bij proces-verbaal een verklaring heeft afgelegd die noodzaakt tot verder onderzoek met daaronder begrepen de nodige confrontaties die alsnog dienen plaats te vinden;
  • dat tegen verdachte onder andere verdenking is gerezen van het hebben gepleegd van het strafbaar feit te weten artikel 13 het eerste lid onder sub a en het tweede lid van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85, zijnde een strafbaar feit waarop voorlopige hechtenis is toegelaten;
  • dat gaande onderhavig strafrechtelijk onderzoek vermoedelijk andere verdachten in beeld zullen komen, die in het belang van het lopend strafrechtelijk onderzoek tijdelijk onkundig moeten blijven met het reeds verkregen onderzoeksresultaat;
  • dat het contact met de raadsman zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven en dat de mogelijkheid reëel aanwezig is althans dat hieruit een ernstige vermoeden voortvloeit, dat het contact met de raadsman zal worden misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren;

De vordering en het bezwaar van de raadsman
De raadslieden vorderen dat de door de vervolgingsambtenaar opgelegde beperking met onmiddellijke ingang wordt opgeheven.

Daartoe hebben de raadslieden, verkort en zakelijk weergegeven, de volgende gronden aangevoerd:

  • wanneer een verdachte in een van zijn rechten beperkt wordt, dient dat goed gemotiveerd te worden; in casu zijn de bepaalde omstandigheden niet omschreven in de beschikking;
  • In Nederland wordt er een andere advocaat toegevoegd aan een verdachte wanneer het vrije verkeer tussen hem en zijn gekozen advocaat is beperkt; na opheffing van het bevel mag de verdachte kiezen met welke advocaat hij verder gaat;
  • het bevel is in strijd met het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens;
  • de beschikking heeft geen recht van bestaan, daar deze tot stand is gekomen nadat de beperking reeds mondeling is bevolen;
  • in een concrete zaak mogen toekomstige omstandigheden niet leiden tot een beperking; de vrees dat de advocaat zich zou kunnen stellen voor vermoedelijk andere verdachten die in beeld zullen komen, kan nooit als grondslag dienen voor het opleggen van een beperking;

De reactie van de vervolging
Het Openbaar Ministerie heeft als volgt op de bezwaren gereageerd:

  • het hof is in meerdere gevallen, waaronder de zaak Knight Elvis, voorbij gegaan aan de grief dat de beschikking pas nadat de beperking mondeling is bevolen, tot stand is gekomen.
  • de officier van justitie heeft kennelijk de twee laatste alinea’s van het bevel opgenomen met in haar achterhoofd de vrees dat de raadslieden zich zouden kunnen stellen voor vermoedelijk andere verdachten die in beeld zullen komen en dat die verdachten op de hoogte komen van informatie die zij nog niet behoren te weten; of dit een gerechtvaardigde vrees is, zal de vervolging aan het oordeel van het hof overlaten

De beoordeling
Artikel 40 lid 2 luidt: Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, hetzij zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren, kan tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek de vervolgingsambtenaar, telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben……
Hieruit blijkt dat er twee gronden zijn voor het beperken van het contact tussen de verdachte en diens raadsman, namelijk:

  • dat het vrije verkeer zal strekken om verdachte bekend te maken met enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek onkundig moet blijven;
  • dat het vrije verkeer misbruikt kan worden voor pogingen om de waarheid te belemmeren.

Het eerste heeft betrekking op de verdachte die in het belang van het onderzoek tijdelijk niet op de hoogte mag zijn van de inhoud van de zich op dat moment in het strafdossier bevindende stukken. Het tweede heeft betrekking op de raadsman. De memorie van toelichting (mvt) geeft aan dat er sprake is van “ernstig vermoeden” van misbruik en dat de bepaalde omstandigheden waarop dit vermoeden gebaseerd is, dienen te worden omschreven. Tekst en commentaar art 50 punt 5 onder c NSr is op dit stuk duidelijk en stelt dat handelingen van de raadsman worden verondersteld met als doel de waarheid vinding te belemmeren en dit dient omschreven te worden cq. gemotiveerd te worden in het bevel. Dit is echter achterwege gebleven.

Het Openbaar Ministerie heeft opgeworpen dat de officier van justitie kennelijk de twee laatste alinea’s in het bevel heeft opgenomen uit vrees dat de raadslieden zich zouden kunnen stellen voor mogelijk andere verdachten die in beeld zullen komen. In ‘Tekst en Commentaar’ (Cleiren en Nijboer zevende druk) is de volgende uitleg gegeven over de omstandigheid waarvan verdachte tijdelijk onkundig moet blijven: “op grond van artikel 30 lid 2 (Sr. artikel 22 lid 2) kunnen aan de verdachte kennisneming van bepaalde processtukken, zoals verklaringen van medeverdachten en getuigen, worden onthouden omdat de verdachte anders zijn eigen verklaringen hieraan zou kunnen aanpassen. In het verlengde hiervan ligt de mogelijkheid het vrij verkeer te beperken, ingeval de raadsman bijvoorbeeld ook de medeverdachten bijstaat of een getuigenverhoor bij de RC heeft bijgewoond en op grond hiervan de verdachte in een vroeger stadium zou kunnen informeren, dan dat de OvJ of RC wenselijk achten.”

Het hof acht boven aangehaalde uitleg begrijpelijk. Echter, nu het Openbaar Ministerie het heeft over toekomstige medeverdachten en de advocaat zich nog niet heeft gesteld voor deze mogelijke medeverdachten, ontgaat de relevantie van het standpunt van het Openbaar Ministerie het Hof. Wat wel stand houdt is de overweging van het Openbaar Ministerie dat het contact met de raadsman zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid, waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven. Het hoeft geen betoog dat vrije verkeer tussen verdachte en de raadslieden ongetwijfeld zal leiden tot bekendheid met (de inhoud van het strafdossier) omstandigheden waarvan hij juist onkundig moet blijven. Het betreft hier een ernstig delict dat de gemeenschap heeft geschokt. Het Hof acht vanwege deze omstandigheid het opleggen van het bevel ex artikel 40 Sv wel degelijk gerechtvaardigd. Derhalve zal het bezwaar van de raadslieden ongegrond worden verklaard en het bevel tot beperking vrije verkeer tussen raadslieden en verdachte worden bekrachtigd.

DE BESLISSING

HET HOF:

Verklaart het bezwaar van de raadslieden ongegrond;
bekrachtigt het door de vervolgingsambtenaar gegeven bevel d.d. 06 februari 2020.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 10 februari 2020 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

– mr. M.C. Mettendaf, fungerend-president,

– mr. D.G.W. Karamat Ali, lid,

– mr. S. Punwasi, lid,

in tegenwoordigheid van de fungerend – griffier, mw. B.O.S. Pakosie, LL.B. MICL

w.g. B.O.S. Pakosie w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi

Vooreensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2020-1

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige raadkamer
Volgnummer:

Beslissing van 28 februari 2020
op het verzoek van [klaagster], klaagster, wonende te [district],

bijgestaan door haar raadsman, de heer drs. A. Biharie, om het Openbaar Ministerie te bevelen tot het instellen van strafrechtelijke vervolging tegen de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad en de Administrateur Generaal, mevrouw drs. A.D. Wijnerman, hierna te noemen beklaagden.

1.Procesverloop

1.1 Klaagster heeft op 14 januari 2019 het beklagschrift ingediend, waarin zij heeft verzocht dat op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering, het Openbaar Ministerie zal worden bevolen om de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad, te vervolgen ter zake van overtreding van artikel 5 lid 2 van de Wet op de Staatsschuld en de Administrateur Generaal, mevrouw drs. A.D. Wijnerman, te vervolgen ter zake overtreding van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht.

1.2 Voormeld beklagschrift is in behandeling genomen op 11 februari 2019 en verder behandeld op 27 februari 2019, 13 mei 2019, 8 juli 2019, 5 augustus 2019 en 18 november 2019, waarbij de klaagster bijgestaan door haar raadsman en de Procureur-Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevinden.

1.3 Vervolgens is bepaald dat in deze zaak beschikking zal volgen.

2. Het standpunt van klaagster

2.1 Klaagster heeft ter onderbouwing van haar beklag – samengevat – en onder overlegging van stukken/bijlagen het volgende aangevoerd:

  • De Staat heeft door tussenkomst van de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad, de wettelijke verbodsbepalingen zoals is bedoeld in de Wet op de Staatsschuld overschreden (verwezen wordt naar bijlage II).
  • Klaagster heeft een aangifte, klacht en verzoek tot vervolging ingediend en mocht erop vertrouwen dat gegeven de aard van de daarin vervatte stellingen voorzien van onderliggend bewijsmateriaal, de Procureur-Generaal het vereiste opsporings- en vervolgingsonderzoek zou uitvoeren teneinde het voorziene resultaat te verkrijgen en de Staat, in casu de regering, bevrijd zou zijn van een onbekwame bestuurder die het land met vele sociaal -economisch nadelige gevolgen heeft opgezadeld.
  • Gegeven het besluit van de Procureur-Generaal en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie stelt klaagster vast dat ze geen recht heeft gehad op een eerlijke behandeling van haar klacht. In dit verband stelt klaagster dat niet-vervolging van de beklaagden gegrond op de conclusie van het Openbaar Ministerie dat ‘vooralsnog niet is gebleken’ dat het obligoplafond is overschreden, terwijl de delictsbestanddelen van de Wet op de Staatsschuld naar het oordeel van klaagster bewijsrechtelijk zijn vervuld, het gevaar van willekeurige wetshandhaving – die in een rechtsstaat niet geduld kan worden – bloot komt te liggen.
  • Klaagster stelt dat zij met de aangifte, klacht en verzoek tot vervolging niet alleen bewijsbare strafbare handelingen in de zin van een doleus delict tegen de beklaagden heeft ingediend maar daarin ook sprake is van een ernstige beschuldiging jegens hen en dit roept de noodzaak op dat de Procureur Generaal een gedegen opsporingsonderzoek uitvoert en gehouden is – indachtig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – aan zijn beslissing een rechtens voldoende gemotiveerde argumentatie ten grondslag te leggen.
  • Klaagster stelt dat zij een voldoende objectief bepaalbaar redelijk belang heeft onderwerpelijk klaagschrift in te dienen en dat haar belangen zowel wettelijk alsook grondwettelijk zijn voorzien en derhalve rechtvaardigen dat haar beklag in rechte kan worden ontvangen. Kortom, klaagster stelt dat artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering haar persoon als belanghebbende kwalificeert en dat haar klaagschrift ontvankelijk moet worden verklaard.

2.2 Klaagster stelt voorts dat ten laste van de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad, de volgende strafbare feiten ex artikel 5 lid 2 juncto artikel 4 lid 1 van de Wet op de Staatsschuld, de navolgende verbodsbepalingen kunnen worden vastgesteld.
De overtredingen van de volgende rechtsnormen zijn verboden:

A. Artikel 3 lid 1 van de Wet op de Staatsschuld, namelijk het is verboden dat het totaal van de bruto binnenlandse staatsschuld het vigerende obligoplafond van maximaal 25 % te doen overschrijden;
B. Artikel 3 lid 2 van de Wet op de Staatsschuld, namelijk het is verboden dat de bruto buitenlandse staatsschuld het vigerende obligoplafond van maximaal 35 % te doen overschrijden;
C. Artikel 3 lid 4 van de Wet op de Staatsschuld, namelijk het is verboden dat de bruto totale staatsschuld het maximaal geldende obligoplafond van 60 % te doen overschrijden.

Klaagster stelt dat gegeven het feit dat de Minister van Financiën bij het aangaan van staatsschulden de na te leven wettelijk bepaalde verplichtingen zoals is bedoeld in artikel 4 lid 1, lid 2, lid 3, artikel 5 lid 1 en lid 2 van de Wet op de Staatsschuld, er sprake is van willens en wetens overschrijding van het obligoplafond en kan daardoor het verwijt van opzet (het subjectieve bestanddeel van het doleus delict) aan de Minister van Financiën worden tegengeworpen. Immers in voornoemde wetsartikelen is de bevoegdheid van de Minister bij het aangaan van schuldverplichtingen begrensd door het in acht nemen van de vigerende obligoplafonds (artikel 4 lid 1). Daarbij is de Minister gehouden de Administrateur Generaal te horen alvorens een schuldverplichting aan te gaan (Artikel 4 lid 2 en lid 3).
Met betrekking tot de hierboven genoemde strafbare feiten verwijst klaagster naar de basisfeiten als vermeld in het feitencomplex in de in het beklagschrift opgenomen tabel 2 (eerste rechtsnorm), tabel 3 (tweede rechtsnorm), tabel 4 (derde rechtsnorm) en naar enkele bijgevoegde bijlagen.

Citaat: “Aldus blijkt uit het onderzoek ter vaststelling van de materiële feiten dat vast is komen te staan dat de componenten van de totale bruto staatsschuld afwijken van hetgeen door de Minister van Financiën als data zijn gebruikt om zich te verantwoorden. Deze afwijkingen zijn materieel van aard, immers er is objectief een overschrijding van het geldend obligoplafond voor de totale bruto staatsschuld van 35% ontstaan dat feitelijk tot een materieel procentuele afwijking van het obligoplafond leidt van 58%. Met andere woorden de Minister heeft de toegestane maximale schuldratio met 58% overschreden, hij heeft meer schuldverplichtingen aangegaan dan waartoe hij bevoegd zou zijn’. Hij heeft deze overschrijding willens en wetens veroorzaakt en gegeven het feit dat hij geacht wordt kennis te hebben van de rechtsnormen die hij in acht behoort te nemen, heeft hij deze overschrijding dan ook met opzet gepleegd “(einde citaat).

2.3 Klaagster stelt dat aan de Administrateur Generaal van het Bureau voor de Staatsschuld, mevrouw drs. A.D. Wijnerman, het verwijt – mede in ogenschouw nemende de in voorgaande bewijsbaar vastgestelde feiten – kan worden gemaakt strijdig te hebben gehandeld met het verbod opzettelijk boeken en registers valselijk op te maken of te vervalsen die bedoeld zijn voor de controle van de staatsfinanciën zoals bedoeld in artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht. Immers de door klaagster vastgestelde omvang van de diverse staatsschulden en daaruit resulterende schuldratio’s gebaseerd op brondocumenten opgesteld door het Bureau voor de Staatsschuld en op basis van het Rekenverslag van 2016 hebben in vergelijking met de door de Administrateur Generaal gerapporteerde omvang van de te onderscheiden staatsschulden afwijkingen getoond die slechts als verklaring kunnen hebben dat de basisdata afkomstig van de brondocumenten niet juist en volledig zijn verwerkt in de boeken en registers onder beheer van het Bureau voor de Staatsschuld vallende. De vastgestelde afwijkingen kunnen als verklaringsgrond slechts hebben dat – de Administrateur Generaal is een afgestudeerde econoom, jarenlang medewerkster geweest op het Ministerie van Financiën, is docent boekhouden in de privésfeer geweest en is de ex- Minister van Financiën – mevrouw drs. A.D.Wijnerman de boeken en registers met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid valselijk heeft opgemaakt of valselijk heeft doen opmaken.

3. De reactie van de Procureur-Generaal

3.1 De vervolging stelt zich op het standpunt dat op basis van het verricht onderzoek er geen sprake is van rechts normschending en derhalve geen of onvoldoende gronden zijn voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek naar de personen genoemd in het beklagschrift van de klaagster.

3.2 De vervolging vordert primair dat klaagster niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek tegen de personen van Gillmore Hoefdraad, Minister van Financiën en mevrouw Wijnerman, Administrateur Generaal. De klacht tegen Minister Hoefdraad is gebaseerd op het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 5 van de Wet op de Staatsschuld, terwijl de klacht tegen mevrouw Wijnerman is gebaseerd op artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering (dat overeenkomt met het bepaalde in artikel 12 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering en de aantekeningen 6 behorende bij artikel 12 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering in het boek van Nijboer en Cleiren, jaargang 2015) kan klaagster niet worden aangemerkt als te zijn een rechtstreeks belanghebbende.
Klaagster wenst op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering het leenbeleid en het beleid van de Regering te bekritiseren, hetgeen misleidend is. De vervolging wenst te verwijzen naar de punten 4 tot en met 9, 11, 12 en 14 onder 2 Inleidende opmerkingen van het klaagschrift van klaagster. Gelet op de inhoud van voormelde punten classificeert de vervolging die punten als politieke motieven om te ageren tegen het leenbeleid van de Regering. Klaagster dient geen eigen belang, maar een politiek belang, hetgeen in feite in strijd is met het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering. De vervolging wenst in dat kader ook te verwijzen naar twee berichten op het Mediacourant Starnieuws van respectievelijk 30 januari 2018 (klaagster gaat als nieuw activist in….) en 10 januari 2019 (als voorzitter van Strei geen genoegen nam met het antwoord van de Procureur – Generaal).
De vervolging verwijst naar punt 14 van het klaagschrift waarin klaagster heeft aangegeven dat klaagster erop mocht vertrouwen dat gegeven de aard van de daarin vervatte stellingen voorzien van onderliggend bewijsmateriaal, de Procureur Generaal het vereiste opsporings- en vervolgingsonderzoek zou uitvoeren teneinde het voorziene resultaat te verkrijgen en de Staat i.c. de Regering bevrijd zou zijn van een onbekwame bestuurder die het land met vele sociaal economisch nadelige gevolgen heeft opgezadeld.
Op grond van het voormelde wenst de vervolging primair te vorderen dat klaagster niet ontvankelijk wordt verklaard in haar klaagschrift.
De vervolging verwijst naar de wetten van 12 december 2016, SB 2016, 148 en 29 december 2016, SB 2016, nr 157 en overeenkomstig lid 3 van artikel 5 van de Wet op de Staatsschuld wordt toestemming gegeven aan de Minister van Financiën om af te wijken van het obligoplafond.
Klaagster refereert steeds naar het algemeen belang om zodoende bevrijd te raken van de Minister van Financiën. Mogelijk dat klaagster de kwetsbare groepen bedoelt, doch is het begrip algemeen doel te ruim geformuleerd. De taken van de Minister van Financiën zijn gestoeld op de wettelijke bepalingen. Het bepaalde in lid 3 van artikel 5 van de Wet op de Staatsschuld is om te behoeden en te beschermen.

3.3 Subsidiair vordert de Procureur-Generaal dat het beklagschrift van klaagster als ongegrond bestempeld dient te worden en dat het verzoek tot strafvervolging wordt afgewezen.
Vanuit het Openbaar Ministerie is er gedegen onderzoek geweest. Er is deskundig advies ingewonnen bij [deskundige 1] en hij heeft zijn advies op 03 september 2018 uitgebracht. Ook de persoon van [deskundige 2], als rechercheur verbonden aan het forensisch team heeft onderzoek verricht.

Klaagster schetst een totaal verwarrend beeld en trekt conclusies die geheel onjuist zijn.
Bij de waardering van de staatsschuld worden o.a. de volgende vier begrippen gehanteerd:

1. Cash basis/kasmethode. Hierbij worden alleen de opgenomen bedragen meegenomen, de nog niet opgenomen bedragen van gecontracteerde schuld worden er buiten gelaten. Dit is de thans geldende methode voor Suriname (SB. 2016 no. 63).
2. Accrual basis (klaagster hanteert de term “transactiebasis”). Hierbij worden ook de gecontracteerde schulden meegenomen, waarvan de gelden nog niet zijn opgenomen.
Het is evident dat toepassing van de ene methode een ander uitkomst zal bieden dan de andere, wanneer er sprake is van gecontracteerde maar nog niet opgenomen gelden. Volgens internationaal geaccepteerde standaarden kan de bruto staatsschuld zowel op de Cash basis als op de Accrual basis plaatsvinden.
3. Bruto staatsschuld. Het totaal van uitstaande rechtsgeldig tot stand gekomen schuldverplichtingen ten laste van de Staat, daaronder begrepen de uitstaande lopende schuld alsmede achterstallige renten en kosten, zowel van die welke een delgingsverplichting van de Staat inhouden, als van die welke een waarborgingsverplichting van de Staat inhouden. (SB. 2016 no. 63 artikel IA)
4. Netto Staatsschuld. De bruto Staatschuld minus de geldende vorderingen van de Staat die in het lopende dienstjaar opeisbaar zijn, voor zover de vorderingen niet behoren tot de lopende inkomsten van de gewone dienst der Staatsbegroting. (S.B. 2016, no. 63 artikel IB)

Bij het lezen van de akte dient men erop bedacht te zijn dat klaagster in haar akte een contaminatie van bovenvermelde begrippen gebruikt, namelijk de woorden “netto schuldbegrip” en “bruto schuldbegrip”, waarmee zij kennelijk bedoelt aan te geven de waarderingsgrondslagen van de schulden, zijnde de Cash basis respectievelijk Accrual basis, omdat de uitleg die ze geeft aan de woorden “netto schuldbegrip” en “bruto schuldbegrip”, overeenkomen met definities van de Cash basis respectievelijk Accrual basis”.

In het deskundigenverslag welke de vervolging heeft overgelegd wordt ontkend dat een berekening van nieuw Binnenlandse Staatsschulden werd gemaakt. Enkel is geprobeerd aansluiting te maken van de bedragen in de tabellen, zoals opgenomen in de klacht, met de daarbij aangeleverde bijlagen door klaagster. Er is geen aansluiting te maken tussen de bedragen, die opgenomen zijn in de tabellen in de klacht, met de daarbij aangeleverde bijlagen. De deskundige kan de conclusies die door klaagster worden getrokken niet bevestigen noch ontkennen, aangezien er geen goede en sluitende onderbouwing is gegeven met het aangeleverde cijfermateriaal, zoals opgenomen in de bijlagen van de strafklacht.
De deskundige heeft de beweringen van klaagster, dat de “schuldmeting op kasbasis” (cash basis) methode onrealistisch en onjuist is en waarmee het volk misleid zou worden, weerlegd door te bewijzen dat de cash basis methode een internationaal geaccepteerde methode is. Suriname heeft bij de wetswijziging van 25 april 2016 gekozen om de methode van cash basis te hanteren. Wij verdedigen aldus niet het “netto schuldbegrip”, zoals klaagster dat stelt.
Tegen beter weten in hanteert de klaagster niet de wettelijke methode (cash basis), doch hanteert ze haar eigenzinnige interpretatie “bruto schuldbegrip” (lees Accrual methode) om te komen tot haar conclusies van overschrijding van het Obligoplafond.
Zowel klaagster als haar gevolmachtigde geven aan dat ze de door DNA aangenomen wet niet erkennen. Verder geeft klaagster aan dat de Europese en Nederlandse regelgeving van toepassing zouden moeten zijn in Suriname, derhalve niet een door DNA aangenomen wet.
Opmerkelijk is dat de definities die klaagster en haar gevolmachtigde geven aan de woorden “Bruto Staatsschuld” en “Netto Staatsschuld” in deze klachtprocedure ook niet terug te vinden zijn in de door hun begeerde Nederlandse en Europese regelgevingen.
Het Bureau voor de Staatsschuld van Suriname gebruikt voor haar publicaties de wettelijk voorgeschreven cash bases methode….”.
Het gevolg is dat door klaagster opgestelde cijfers (op basis van Accrual methode) niet als grondslag kan dienen om vast te stellen of er overschrijding van het obligoplafond heeft plaatsgevonden zoals geregeld in de Wet op de Staatsschuld.”
Bij wetswijziging op 25 april 2016 is de wettelijke definitie van het Bruto Staatsschuld gewijzigd. Dat het woord “Bruto Staatsschuld” nog steeds in de wet staat, grijpt klaagster aan om te betogen dat nog steeds de Accrual methode (klaagster spreekt van “bruto schuldbegrip” en “bruto verplichting” als synoniem voor de Accrual methode), terwijl de wet een geheel andere definitie geeft aan het woord “Bruto Staatsschuld”.
De contaminatie van woorden (…..) met verwante betekenissen worden door klaagster opzettelijk gebruikt om uw Hof te misleiden, omdat de woorden Bruto Staatsschuld en Netto Staatsschuld in onze wetgeving opgenomen zijn met andere definities dan wat onder Accrual basis dan wel onder cash basis wordt verstaan.
“In haar brief van 13 december 2018 (….) geeft klaagster expliciet aan dat de definitie van “Bruto Staatsschuld” gewijzigd is. De woorden “de nog niet opgenomen bedragen van gecontracteerde schuld” is in de nieuwe definitie van het woord Bruto Staatsschuld” eruit gehaald”.
Derhalve neemt klaagster opzettelijk een standpunt in, strijdig met de wet, door in de slotzin van sustenu 26 voor zichzelf vast te stellen dat een “bruto begrip” gehanteerd dient te worden en niet een “netto begrip”.
Wij hebben expliciet aangegeven dat bij de invoering van de Wet op de Staatsschuld geen rekening is gehouden met situaties van negatieve groei van de BBP en koersstijging. Het hoeft geen betoog dat de invoering is geweest in het jaar 2002.

4. De beoordeling

4.1 Nu klaagster een beroep doet op het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering is het Hof bevoegd kennis te nemen van het beklag.

4.2 Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het beklag te komen, dient het Hof eerst te beantwoorden de vraag of klaagster ontvankelijk is in haar beklag. Ter beantwoording van deze vraag zal het Hof moeten beoordelen als klaagster rechtsstreeks “belanghebbende” is in de zin van artikel 4 voornoemd. Immers, indien blijkt dat klaagster geen rechtsstreeks belanghebbende is, zal zij niet ontvankelijk moeten worden verklaard in haar beklag. Het Hof verwijst hiervoor naar Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk pagina 621.

4.3 Klaagster heeft ingevolge het bepaalde in artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering het beklagschrift ingediend tegen het Openbaar Ministerie wegens het niet vervolgen van de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad en de Administrateur Generaal, mevrouw drs. A.D. Wijnerman ter zake van in het beklagschrift vermelde strafbare feiten.
Op grond van door klaagster in het beklagschrift aangehaalde argumenten stelt klaagster dat zij een voldoende objectief bepaalbaar redelijk belang heeft onderwerpelijke klachtschrift in te dienen en dat haar belangen zowel wettelijk alsook grondwettelijk zijn voorzien en derhalve rechtvaardigen dat haar beklag in rechte kan worden ontvangen. Klaagster stelt dat artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering haar persoon als belanghebbende kwalificeert en dat haar klaagschrift ontvankelijk moet worden verklaard. In de rechtsleer is volgens vaste rechtspraak erkend dat het begrip ‘belanghebbende’ het midden houdt tussen ‘benadeelde’ enerzijds en ‘belangstellende’ of ‘een ieder’ anderzijds. Slachtoffers worden dus in ieder geval beschouwd als rechtstreeks belanghebbende, aldus klaagster.
Grondwettelijk (artikel 22 lid 1) alsook wettelijk (artikel 149, artikel 151 lid 1 en artikel 152 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) is bepaald dat een ieder bevoegd is aangifte, beklag en verzoek tot vervolging te doen van degene die strafbare feiten zal hebben begaan, bij het bevoegd gezag (ook hierin ligt besloten het belang van klaagster).

Ter nadere onderbouwing van klaagster dat zij belanghebbende is in de zin van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering stelt klaagster o.a.:

  • dat de Staat, door tussenkomst van de beklaagde, de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad, strijdig handelt met de grondwettelijke plicht de bestaanszekerheid van de gehele bevolking en aldus van klaagster zoals onder andere is bepaald in artikel 4, letter b van de Grondwet. Klaagster is in financieel opzicht benadeeld en aldus slachtoffer van het tot uitvoering gekomen staatsschulden- en begrotingsbeleid.
  • De Staat, in casu de regering, mede door tussenkomst van de beklaagde, de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad, is omvangrijke staatsschulden aangegaan dat ertoe heeft geleid dat de overheidsfinanciën in een deplorabele toestand is geraakt, de monetaire reserves dramatisch zijn afgenomen en dit alles heeft geleid tot een toename van de inflatie en devaluatie met als gevolg een verarming van de burgers in het algemeen alsook van de klaagster.
  • dat haar belang evenals van alle burgers in Suriname wordt geschaad sinds de Staat, door tussenkomst van de Minister van Financiën, de heer H.E.G. Hoefdraad, de wettelijke verbodsbepalingen zoals is bedoeld in de Wet op de Staatsschuld heeft overschreden (zie bijlage II) en daardoor een ondraaglijke schuldenlast heeft veroorzaakt, leidend tot onevenredig hoge lasten die zij in privé (onterecht hogere EBS- en SWM tarieven, extra brandstofheffing en hogere invoerheffingen en kosten vanwege de import van goederen noodzakelijk voor haar levensonderhoud) moet dragen.

4.4 In de visie van het Hof staat in de onderhavige beklagprocedure centraal een geschil over de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid door het Openbaar Ministerie. De klaagster beweert dat het Openbaar Ministerie van zijn vervolgingsbevoegdheid gebruik moet maken, terwijl het Openbaar Ministerie stilzit.
Het Hof overweegt vooraf dat de achterliggende gedachte van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering is, dat aan de burger een middel in handen wordt gegeven ter controle van het optreden van de vervolgingsmonopolist te weten het Openbaar Ministerie. Het Hof verwijst hiervoor naar Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, pagina 619 waarin – zover van belang – het volgende is verwoord:
“Het in art…..geregelde beklag over de niet (verdere) vervolging van strafbare feiten is bedoeld als een correctiemodel tegen de nadelen die uit twee beginselen van onze strafrechtspleging kunnen voortvloeien: uit het opportuniteitsbeginsel en uit het beginsel dat de vervolging bij uitsluiting bij organen van de staat berust, het vervolgingsmonopolie. Die koppeling van vervolgingsmonopolie en opportuniteitsbeginsel verschaft de overheid een grote macht. Het opportuniteitsbeginsel legitimeert tot niet (verder) vervolgen……, terwijl een schuldigverklaring door de rechter wel haalbaar is. Het vervolgingsmonopolie verhindert de burger die meent dat vervolging wel opportuun of een schuldigverklaring wel haalbaar is, zelf de zaak aan de rechter voor te leggen…… Daarom diende de burger een middel in handen te worden gegeven ter controle van het optreden van de vervolgingsmonopolist.“

4.5 Volgens de memorie van toelichting bij het wetboek (het Hof leest: van strafvordering) zijn belanghebbenden degenen die door het feit ernstig in hun belangen zijn geschaad en voor de bevrediging van hun rechtsgevoel instelling van een strafactie wensen. In de memorie van antwoord schreef de minister dat belanghebbende is ‘een ieder die bij de instelling of voortzetting van de vervolging een redelijk belang heeft. Het begrip houdt dus het midden tussen “benadeelde” (te eng) en “belangstellende” of “een ieder” (te ruim……)’.
Volgens de Hoge Raad kan alleen iemand die door het achterwege blijven van een strafvervolging is getroffen in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat, als belanghebbende worden beschouwd. Duidelijk is dat de direct benadeelde, het slachtoffer, in elk geval als belanghebbende is aan te merken. Diens belang bij vervolging kan van materiële of immateriële aard zijn. Het is begrijpelijk dat de wetgever niet zover is gegaan dat hij de belangstellende als benadeelde beschouwde.” (vide Corstens, 8e druk, pag 621/622).
“De klager moet zich van de belangstellende onderscheiden door het bijzondere belang dat hij bij de vervolging heeft. Dat belang moet bovendien …….objectief bepaalbaar zijn en het moet redelijk zijn.”
“De hierboven geformuleerde eis van het bijzondere belang, maar ook de erkenning van de mogelijkheid dat een rechtspersoon voor een collectief belang opkomt in een…..procedure, staat eraan in de weg een particulier die zich enkel beroept op zijn status van belastingbetaler, inwoner, Nederlander, zich verantwoordelijk voelend intellectueel of op een andere kwaliteit die hij met velen deelt dan wel op een combinatie van die hoedanigheden, als rechtstreeks belanghebbende in de zin van art. 12 aan te merken.” (vide Corstens, 8e druk, pag 623).

4.6 Het Hof neemt over de visie van Corstens zoals hiervoor is geciteerd, en wel in onderlinge verband en samenhang beschouwd.
Uit de stellingen van klaagster begrijpt het Hof dat zij, klaagster, als “inwoner van Suriname” opkomt tegen het door de regering (in de persoon van de Minister van Financien, dhr. Hoefdraad en de Administrateur Generaal van het Bureau voor de Staatsschuld, mevrouw drs. A.D. Wijnerman) gevoerde financieel beleid.
Naar het oordeel van het Hof heeft klaagster zich niet danwel onvoldoende kunnen onderscheiden door een bijzonder belang dat objectief bepaalbaar en redelijk is. Klaagster kan daarom niet worden worden aangemerkt als rechtstreeks “belanghebbende” in de zin van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering, en dient zij niet te worden ontvangen in haar verzoek.
4.7 Nu het daartoe strekkend niet-ontvankelijkheidsverweer van de Procureur-Generaal gegrond is gebleken komt het Hof niet toe aan een verdere bespreking van de stellingen en weren van partijen.

5. BESCHIKKENDE

Het Hof:

Verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar beklag.

Aldus gegeven in Raadkamer te Paramaribo, op heden de 28e februari 2020 door mr. A. Charan, fungerend – president, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S. Punwasi, leden, in tegenwoordigheid van de fungerend – griffier, mr. G. A. Kisoensing-Jangbahadoer Singh.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur – Lachitjaran
w.g. S. Punwasi

De Griffier van het Hof van Justitie,

( mr. M.E. van Genderen – Relyveld)