SRU-K1-2017-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-3359
29 september 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ROCK & DIRT MOVING N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 24 augustus 2017;
  • de conclusie tot overlegging productie d.d. 30 augustus 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Partijen hebben op 30 december 2013 een aannemingsovereenkomst gesloten, betreffende het leveren en installeren van duurzame taludbeschermingen middels composiet damwanden (hierna gemakshalve aangeduid als damwanden) aan de [locatie 1] (kavel 1A) en de [locatie 2] (kavel 1B), conform het bestek [nummer 1].
Eiseres is de aannemer en gedaagde de opdrachtgever.

2.2 De overeengekomen aanneemsom bedroeg SRD 19.400.000,- en de uitvoeringsperiode van de werkzaamheden bedroeg 135 werkbare werkdagen.

2.3 Ter zake de betaling van de aanneemsom is in artikel VI van de aannemingsovereenkomst het volgende bepaald:

“ Voor het naar behoren uitvoeren van de bovengenoemde werkzaamheden zal aan de aannemer een totaal bedrag van SRD. 19.400.000,- (…) inclusief een stelpost van SRD. 100.000,- worden uitbetaald, welke als volgt zal geschieden:

  • Bij contractondertekening zal ten behoeve van de eerste materiaal productie een voorschot van SRD 10.500.500,- (…) tegen overlegging van een voorschotsgarantie worden uitbetaald;
  • De overige betalingen zullen geschieden conform par. 42 van UWS 1996.”.

2.4 Ter zake de verplichting van de aannemer, zijnde eiseres, is in artikel VII van de aannemingsovereenkomst het volgende bepaald:

“ 1. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst, zonder aanspraak op verrekening, bijbetaling of schadevergoeding te kunnen doen gelden dan in gevallen waarin dat bepaaldelijk voorgeschreven of kennelijk bedoeld is.
2. Het werk en de uitvoering daarvan zijn voor rekening van de aannemer met ingang van de datum van aanvang of zoveel eerder als de aannemer ingevolge artikel IV met het werk begint, tot en met de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in artikel V als voor de eerste maal opgeleverd wordt beschouwd.
3. De aannemer blijft ten volle verantwoordelijk voor de wijze van uitvoeren van het werk, ook al is deze door de directie goedgekeurd of volgens haar aanwijzingen gewijzigd. Een en ander ontheft hem niet van de verplichtingen om het werk naar de eis uit te voeren en tijdig te voltooien.”

2.5 Ter uitvoering van de aanemingsovereenkomst heeft eiseres op 03 januari 2014 met Equilibium NV, hierna te noemen de leverancier, een overeenkomst gesloten voor de levering van de damwanden. Ter zake staat in de overeenkomst met de leverancier het volgende vermeld:

  • “dat Equilibrium als exclusieve vertegenwoordiger van Gulf Synthetics composiet damwanden, alle goederen bestemd voor het bovengenoemd project dient te leveren aan Rock and Dirt.
  • Dat Rock and Dirt bij onderhandse akte van Cessie d.d. 03 januari 2014 haar vorderingen op de Staat Suriname met name het Ministerie van Openbare Werken heeft gecedeerd aan Equilibrium als betaling van de levering van de goederen bestemd voor het bovengenoemd project.
  • Dat Equilibrium aan Rock and Dirt alle kosten voor het installeren en aanbrengen van de materialen voor bovengenoemd project dient te vergoeden conform bestek [nummer 1].”

2.6 In het kader van de overeenkomst tot levering van de damwanden hebben eiseres en de leverancier op 03 januari 2014 een akte van cessie getekend, bij welke akte van cessie zij het volgende zijn overeengekomen:

“ I. Ter effectuering van hetgeen is vermeld in de considerans van deze overeenkomst draagt Rock and Dirt aan Equilibrium over, welke overdracht Equilibrium hierbij aanvaardt, al hetgeen Rock and Dirt te vorderen heeft uit de eerder gemelde aannemingsovereenkomst met De Staat Suriname, met name het Ministerie van Openbare Werken namelijk:

Het project welke aan Rock and Dirt is gegund per brief van 16 december 2013 afkomstig van het Ministerie van Openbare Werken (ref. [nummer 2]) meer bekend als “deelgunning voor het leveren en installeren van duurzame taludbescherming middels compost damwanden (subkavel 1A: [locatie 1], subkavel IB: [locatie 2] conform bestek [nummer 1]”

II. Equilibrium is gerechtigd om terstond na ondertekening door partijen van deze akte van cessie deze ter kennis van voornoemde schuldenaar van Rock and Dirt, zijnde de Staat Suriname, te stellen opdat uit de aan Rock and Dirt toekomende gelden de vordering van Equilibrim op Rock and Dirt wordt voldaan middels overmaking op rekening[nummer 2] bij de De Surinaamsche Bank N.V. gevestigd aan de Henck Arronstraat # 26 ten name van Equilibrium;

III. Rock and Dirt verklaart in te staan voor de rechtsgeldigheid van voormelde vordering en financiele aanspraken en rechten uit hoofde van voormelde aannemingsovereenkomst als ook het nog in stand zijn daarvan;

IV. Indien om welke reden dan ook na de ter kennis stelling van onderhavige akte van cessie zoals aangegeven in artikel II er geen betaling plaatsvindt aan Equilibrium binnen een (1) week is Equilibrium gerechtigd een debetrente van 0,25% per week op het uitstaande saldo in rekening te brengen ten laste van Rock and Dirt;”.

2.8 Op 29 januari 2016 heeft eiseres vanwege het uitblijven van de levering van de damwanden door de leverancier een schrijven aan gedaagde gericht, met het verzoek de betalingen aan de leverancier stop te zetten. Ter zake heeft eiseres onder meer het volgende in het schrijven verwoord:
‘(…)
De werkzaamheden op bovengenoemd project, kunnen voor als nog niet gecontinueerd worden, omdat de leverancier N.V. Equilibrium de benodigde materialen nog steeds niet heeft aangeleverd.
Het e.e.a. hebben wij d.d. 8 januari 2016 middels schrijven reeds aan de waarnemend directeur voorgelegd. (zie bijlage brief)
Op grond daarvan vragen wij U alle betalingen aan N.V. Equilibrium vanwege wanprestatie van de enige en exclusieve leverancier stop te zetten.
N.V. Rock & Dirt Moving heeft bij onderhandse akte van cessie d.d. 3 januari 2014 haar vordering op de staat gecedeerd aan N.V. Equilibrium.”

2.9 Gedaagde heeft:

  1. bij exploot van deurwaarder,L. Gangaram Panday, no. 11 d.d. 20 juli 2017, ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde conservatoir derden beslag gelegd onder de Republic Bank Suriname N.V. en De Surinaamsche Bank NV, op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of verkrijgen, althans aan eiseres verschuldigd zijn en/of zullen worden;
  2. bij exploit van deurwaarder,L. Gangaram Panday, no. 15, d.d. 21 juli 2017, ten laste van eiseres en ten gunste van zichzelf conservatoir beslag doen leggen onder zichzelf op alle gelden, geldswaarden en/of goederen welke zij van eiseres onder zich heeft en/of zal verkrijgen, althans aan eiseres verschuldigd zijn en/of zal worden;
  3. bij exploot van deurwaarder, L. Gangaram Panday, no. 19, d.d. 20 juli 2017 conservatoir beslag doen leggen op de hierna aan eiseres in eigendom toebehorende onroerende goederen:

    a) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 619,49m², gelegen te [district] op de hoek van de [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter R. W.A. Oldenstam van 10 augustus 1987 met de letters ABCD en met het nummer 362, deel uitmakende van het perceelland groot tweehonderd negenennegentig hectaren en zeven aren, aangeduid op de kaart van de landmeter Calor van 19 maart 1980 met de letters CDEFGHIJKLMNOPQ, gelegen te [district] ten westen van de [rivier] en ten noorden grenzende aan de [plantage 1] en ten zuiden van de [plantage 2] en deel uitmakende van de [plantage 3] met uitzondering van een deel groot negen en vijftig hectaren en zeven aren, in de aantekening van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song vanaf 4 februari 1981 met de letters CDD’Q, wordende in gemelde aantekening het overblijvende deel, groot tweehonderd en veertig hectaren, aangeduid met de letters D’EFGHIJKLMNOPQQ’;b) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 274,10m², gelegen te [district] ten westen van de [straat], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 23 juli 1962 met de letters ABCD en het nummer 66, benevens het deel van de daarvoor lopende weg op voormelde kaart aangeduid met de letters Abba, welk perceel deel uitmaakt van het perceelland, groot 3 hectaren en 21 aren, gelegen te [district] ten westen van de [laan], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 09 mei 1962, vervaardigd naar de kaart van de landmeter F. Emanuels van 15 september 1953 met de letters ABCDEF, deel uitmakende van een perceelland, groot 23 hectaren en 50 aren, met uitzondering van enkele gedeelten gelegen te [district] deel uitmakende van de [plantage 4] op de kaart van de landmeter F. Emanuels van 03 augustus 1953 aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

2.10 De hiervoor vermelde beslagen heeft gedaagde doen leggen, na daartoe toestemming van de kantonrechter te hebben verkregen. Aan het verzoek tot het doen leggen van het beslag heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat eiseres wanprestatie heeft gepleegd en heeft daartoe onder meer het volgende gesteld:

  • op 12 december 2013 is aan eiseres door gedaagde de werkzaamheden gegund voor het leveren en installeren van damwanden;
  • uit hoofde van deze gunning hebben partijen een aannemingsovereenkomst op 30 december 2013 gesloten, waarbij de overeengekomen aanneemsom SRD 19.400.00,- bedroeg;
  • aan eiseres heeft gedaagde bij het sluiten van de overeenkomst een voorschot ad SRD 10.500.500,- op de aanneemsom betaald;
  • eiseres diende uiterlijk op 07 januari 2014 met de werkzaamheden te starten, doch is pas op 29 april 2015 daarmede gestart;
  • eiseres zou in het jaar 2015 de werkzaamheden moeten opleveren;
  • vanaf augustus 2015 tot heden heeft eiseres geen werkzaamheden meer verricht. Dit, ondanks zij daartoe door gedaagde zou zijn aangemaand;
  • op 17 februari 2014 heeft eiseres een bedrag van SRD 3.749.924,47 gedeclareerd en van gedaagde ontvangen en in oktober 2015 een bedrag van SRD 1.299.040,-;
  • eiseres heeft werkzaamheden uitgevoerd voor een bedrag ad SRD 1.251.598,23, terwijl hij ter zake in totaal het bedrag ad SRD 19.298.533,33 van eiseres heeft ontvangen;
  • gedaagde heeft dus SRD 18.046.935,10 teveel aan eiseres betaald, welk bedrag zij aan gedaagde terug dient te betalen;
  • tevens dient eiseres een boete ad SRD 970.000,- aan gedaagde te betalen, vanwege de niet tijdige oplevering van het project c.q. afronding van de werkzaamheden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de onmiddellijke opheffing te gelasten van het bij exploot no. 11, d.d. 20 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde conservatoir derden beslag gelegd onder de Republic Bank Suriname N.V. en de Surinaamsche Bank NV.;
b) de onmiddellijke opheffing te gelasten van het bij exploot no. 15 d.d. 21 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag onder zichzelf;
c) de onmiddellijke opheffing te gelasten van het bij exploot no. 19 d.d. 20 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag op de onroerende goederen.

3.2 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde misbruik maakt van recht c.q. misbruik van een overwichtssituatie. Daartoe heeft zij tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2 het volgende gesteld:

  • gedaagde wist dat voor de voltooiing van het project alleen damwandmateriaal van Gulf Synthetic kan worden gebruikt en dat de exclusieve vertegenwoordiger van dit materiaal, zijnde de leverancier, niet tijdig heeft voldaan aan haar leveringsplicht;
  • dat de leverancier niet tijdig heeft voldaan aan haar leveringsplicht kan eiseres in alle redelijkheid en billijkheid niet worden aangerekend, omdat gedaagde tijdig in kennis is gesteld van de ontstane situatie en kennis droeg van de ontstane situatie;
  • gedaagde zelf in strijd met het contract de betaling van het voorschot niet heeft betaald zoals is overeengekomen.

Als spoedeisend belang heeft eiseres gesteld dat vanwege de beslagleggingen de continuiteit van haar bedrijf in gevaar is gekomen, omdat haar bedrijfsvoering en het daarmee gepaard gaande verkeer volledig plat is komen te liggen. Zij is thans niet in staat de bij haar in dienst zijnde arbeiders hun loon uit te betalen, alsook andere dringende betalingsverplichtingen jegens derden.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Eiseres heeft ter uitvoering van het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen tussenvonnis d.d. 24 augustus 2017 een fotokopie van het beslagrekest ten processe overgelegd, op grond waarvan gedaagde de bedoelde beslagen heeft gelegd en zal de kantonrechter thans overgaan tot het nemen van een eindbeslissing in de onderhavige zaak.

4.2 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van haar vordering en zal zij om die reden in het kort geding worden ontvangen.

4.3 Gedaagde heeft opgeworpen dat het niet opleveren van de werkzaamheden voor rekening en risico van eiseres dient te komen. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:

  • eiseres heeft de keuze gemaakt om damwandmaterialen afkomstig van Gulf Synthetics USA te gebruiken, terwijl zij ingevolge 108.2 van de bestekvoorwaarden niet gehouden is om die damwandmaterialen voor de uitvoering van haar opdracht te gebruiken. Zij heeft de mogelijkheid om damwandmateriaal gelijkwaardig aan dat van Gulf Synthetics USA te gebruiken. Van dit alternatief heeft eiseres geen gebruik gemaakt;
  • uit de akte van cessie kan worden afgeleid dat eiseres reeds een schuldenaar was van de leverancier en middels dit project haar kans schoon zag haar betalingsverplichting jegens de leverancier te voldoen. De gelden die gedaagde heeft overgemaakt naar de leverancier dienen te worden beschouwd als betalingen gepleegd aan eiseres;
  • de betaling van het voorschot ad SRD 10.500.000,- heeft daadwerkelijk pas in januari 2017 plaatsgevonden, doch is eiseres in gebreke geweest om gedaagde hiervan op de hoogte te stellen.

4.4 Naar aanleiding van de stellingen en het verweer van gedaagde stelt de kantonrechter het volgende voorop.
Volgens artikel 596 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is. Dit brengt blijkens HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen in de kortgedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zou kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.5 Uitgaande van hetgeen hiervoor onder 4.4 is vooropgesteld, rijst de vraag of de vordering die gedaagde meent op eiseres te hebben ondeugdelijk is. Ter comparitie van partijen en tijdens de gehouden descente heeft eiseres verklaard dat gedaagde bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst als voorwaarde had gesteld dat zij de overeenkomst tot het leveren van damwanden met de leverancier moest sluiten en daaruit voortvloeiend de akte van cessie, zodat de gelden rechtstreeks aan de leverancier konden worden overgemaakt. Dit ook, ter bescherming van eiseres zelf dat hem geen verwijt zou kunnen worden gemaakt dat hij de gelden voor andere doeleinden zou hebben aangewend. Op deze stelling is gedaagde niet ingegaan en zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde de hiervoor vermelde voorwaarde aan eiseres heeft gesteld bij het sluiten van de aanneemovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, gedaagde in redelijkheid niet opwerpen dat de door hem gepleegde betalingen aan de leverancier als betalingen van gedaagde aan eiseres moeten worden beschouwd en kan gedaagde in redelijkheid deze gelden niet van eiseres terugvorderen. Dit, temeer daar gedaagde er kennis van droeg dat de leverancier niet had voldaan aan zijn plicht tot levering van de damwanden en gedaagde ondanks deze wetenschap en ondanks het schrijven van eiseres d.d. 29 januari 2016 om in dat kader de storting van de gelden naar de leverancier toe stop te zetten, die gelden toch heeft gestort voor de leverancier.

4.6 Gedaagde heeft erkend dat hij in strijd met de overeenkomst het voorschot ad SRD 10.500.000,- pas op 17 januari 2017 de leverancier heeft uitbetaald, dus op een veel latere datum dan was overeengekomen. Dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat eiseres hem in kennis hoorde te stellen van het feit dat het voorschot nog niet was uitbetaald en het gangbaar is dat de aannemer het bedrag tot aanschaf van materiaal voorschiet, is volstrekt onbegrijpelijk voor de kantonrechter. Volstrekt onbegrijpelijk, omdat vanwege de rechtstreekse betalingen naar de leverancier eiseres geen zicht op heeft gehad of de betalingen voor aanschaf van de damwanden tijdig door gedaagde aan de leverancier geschiedde en van een aannemer in redelijkheid niet verwacht kan worden dat deze de kosten voor het verrichten van de werkzaamheden van de opdrachtgever voorschiet. Om die reden en mede vanwege het feit dat gedaagde het voorschot pas op 17 januari 2017 aan de leverancier heeft overgemaakt, kan gedaagde in redelijkheid niet van eiseres verwachten dat zij de werkzaamheden binnen de overeengekomen termijn diende op te leveren en dient het niet opleveren van de werkzaamheden binnen de overeengekomen termijn, die overigens niet als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening en risico van gedaagde te komen. Deze overweging brengt de kantonrechter ook tot het oordeel dat de door gedaagde gevorderde overeengekomen boete in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan eiseres is opgelegd. Bovendien is tijdens de gehouden comparitie van partijen en descente gebleken dat eiseres dat deel van de werkzaamheden die zij heeft verricht, keurig en naar tevredenheid van gedaagde heeft verricht. Tevens is gebleken dat er mogelijkheden c.q. alternatieven voor eiseres zijn om alsnog de werkzaamheden voor gedaagde af te ronden, doch ligt het aan gedaagde of hij eiseres daartoe in de gelegenheid wenst te stellen.

4.7 Op grond van hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, heeft eiseres naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen wanprestatie jegens gedaagde gepleegd en wordt de door gedaagde op eiseres vermeende vordering ondeugdelijk geacht. Hieruit vloeit voort dat de door gedaagde gelegde beslagen dienen te worden opgeheven en zullen de gevraagde voorzieningen ter zake daarom worden toegewezen.

4.8 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten omvatten tot de dag van de uitspraak: de kosten voor oproep per exploot van en deurwaarder ad SRD 265,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing

5.1 Heft op:

  • het bij exploit no. 11 d.d. 20 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegde conservatoir derden beslag onder de Republic Bank Suriname N.V. en De Surinaamsche Bank N.V.;
  • het bij exploit no. 15 d.d. 21 juli 2017, afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag onder zichzelf;
  • het bij exploot no. 19 d.d. 21 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag op:

a) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 619,49m², gelegen te [district] op de hoek van de [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter R. W.A. Oldenstam van 10 augustus 1987 met de letters ABCD en met het nummer 362, deel uitmakende van het perceelland groot tweehonderd negenennegentig hectaren en zeven aren, aangeduid op de kaart van de landmeter Calor van 19 maart 1980 met de letters CDEFGHIJKLMNOPQ, gelegen te [district] ten westen van de [rivier] en ten noorden grenzende aan de [plantage 1] en ten zuiden van de [plantage 2] en deel uitmakende van de [plantage 3] met uitzondering van een deel groot negen en vijftig hectaren en zeven aren, in de aantekening van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song vanaf 4 februari 1981 met de letters CDD’Q, wordende in gemelde aantekening het overblijvende deel, groot tweehonderd en veertig hectaren, aangeduid met de letters D’EFGHIJKLMNOPQQ’;

b) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 274,10m², gelegen te [district] ten westen van de [straat], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 23 juli 1962 met de letters ABCD en het nummer 66, benevens het deel van de daarvoor lopende weg op voormelde kaart aangeduid met de letters Abba, welk perceel deel uitmaakt van het perceelland, groot 3 hectaren en 21 aren, gelegen te [district] ten westen van de [laan], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 09 mei 1962, vervaardigd naar de kaart van de landmeter F. Emanuels van 15 september 1953 met de letters ABCDEF, deel uitmakende van een perceelland, groot 23 hectaren en 50 aren, met uitzondering van enkele gedeelten gelegen te [district] deel uitmakende van de [plantage 4] op de kaart van de landmeter F. Emanuels van 03 augustus 1953 aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 315,- (Driehonderd en Vijftien Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu, op vrijdag 29 september 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 17-0802
27 februari 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. De naamloze vennootschap NITEX TRADING N.V., rechtspersoon,
gevestigd in het district Saramacca,
B. De naamloze vennootschap DELTA PROJEKT ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ N.V., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
C. [eiser],
wonende in [district 1],
eisers,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 februari 2017 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 februari 2017;
  • de conclusie van antwoord d.d. 22 februari 2017;
  • de conclusie van repliek d.d. 23 februari 2017;
  • de conclusie van dupliek d.d. 24 februari 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres sub A is eigenares van de twee hierna omschreven onroerende goederen:

  • “het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.795,50m², gelegen in [district 1] aan de [rivier] en de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas d.d. 27 november 1981, met de letters ABCD en met het no. 4;
  • het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.808,13m², gelegen in [district 2], thans [district 3] aan de [rivier] en de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas, d.d. 27 november 1981, met de letters ABCD en met het no. 5, welke beide percelen sub 3 en sub 4, d.u.v. het perceelland, groot 8.210,57m², gelegen in [district 1] aan de [rivier] en de [weg] aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas, d.d. 5 augustus 1981, met de letters ABCDE, welk perceel d.u.v. het perceelland, groot 14,04ha, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor, d.d. 4 juli 1964, met de letters OPQR, d.u.v. vier samengevoegde percelen van de grond [gebied], m.u.v. twee verkochte gedeelten resp., groot 2.066,80m², en 900m².”

2.2 Eiseres sub B is eigenaresse van drie hierna omschreven onroerende goederen:

  • “het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, verv. 24 april 2038, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 2,5776 ha., gelegen in [district 1] aan de weerszijden van de [weg], d.u.v. het perceelland, groot 13,9239 ha, aangeduid op de kaart van de landmeter W.A. Oldenstam, d.d. 3 januari 1998, met de letters ABCD, GEDEELTE VAN DE PLANTAGE [gebied], m.u.v. de daardoor lopende delen, goot 5.296,22 m², en 1.132,61m², resp. aangeduid met de letters abdefghijklm en opqe;
  • het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 769,05m², gelegen in [district 1] tussen de [weg] en de [rivier], op de kaart van de landmeter G.Kanhai d.d. 5 augustus 1974 met de letters KLMN, d.u.v. het perceelland, groot 14,04 ha., aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d 4 juli 1964 met de letters STUVW, d.u.v. de grond [gebied];
  • het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 574,95m², gelegen in [district 1] tussen de [weg] en de [rivier], aangeduid op de kaart van de landmeter G. Kanhai d.d 5 augustus 1974 met de letters MNOP, d.u.v. het perceelland, groot 14,04 ha., aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 4 juni 1964 met de letters STUVW, d.u.v. de grond [gebied].”

2.3 Eiseres sub C is eigenares van het hierna omschreven onroerend goed:

  • “het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, verv. 7 mei 2038, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.109,30m², gelegen in [district 1], aan de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans, d.d 10 mei 2004, met de letters ABCD, d.u.v. het perceelland, groot 2,2205 ha., gelegen in [district 1] aan weerszijden van de [weg], welk perceel d.u.v. het perceelland, groot 15,9254ha, zijnde een gedeelte van de plantage [gebied] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ir. W.A. Oldenstam, d.d. 3 januari 1998, met de letters ABCDE, evenwel m.u.v. de daardoor lopende delen, groot 2.815,73m², en 1.091,69m² en 999,66m², resp. aangeduid met de letters abcdefgh, ijkl en aAFG.”

2.4 Gedaagde heeft twee kredieten aan eiseres sub B verschaft. In dat licht hebben eisers sub A en sub C hypotheek gevestigd op de aan hun in eigendom toebehorende onroerende goederen ten behoeve van gedaagde. Ook eiseres sub B heeft in het kader van de aan haar verschafte kredieten hypotheek doen vestigen op de aan haar in eigendom toebehorende onroerende goederen ten behoeve van gedaagde.

2.5 Gedaagde sub B heeft niet voldaan aan haar terugbetalingsverplichting jegens gedaagde, dit ondanks zij daartoe in gebreke zou zijn gesteld.
Bij exploit d.d. 13 januari 2017 no. 53 is aan eisers de openbare verkoop van de aan hun in eigendom toebehorende onroerende goederen aangezegd, welke openbare verkoop op 28 februari 2017 om 10.00uur ten kantore van de notaris mr. D. Alexander zal plaatsvinden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

I) gedaagde te verbieden om op dinsdag 28 februari 2017 om 10.00 uur ten overstaan van notaris mr. Derrick Alexander of diens waarnemer de zestal in het exploit omschreven onroerende goederen in het openbaar te verkopen;
II) op straffe van een aan eisers te betalen dwangsom van € 7.500.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, indien gedaagde in strijd met het te geven verbod handelt;
III) kosten rechtens.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het exploit betreffende de aanzegging van de openbare verkoop is nietig, omdat het niet in persoon is betekend aan eiseres sub C, hetgeen in strijd is met de wet;
  • de procesgemachtigde van eiseres sub B heeft bij schrijven d.d.13 februari 2017 aan DSB het verzoek gedaan om hem afschriften van de kredietarrangementen te doen toekomen en om de aangezegde openbare verkoop voor de duur van dertig aan te houden, omdat zij in die periode de achterstand in de kredietaflossing zal hebben ingelopen.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde erkent dat de betekening van de openbare verkoop aan eiseres sub C niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden, doch is zulks niet van invloed op de betekening aan eiseres sub A en sub B, zodat de openbare verkoop van de onroerende goederen van eisers sub A en sub B normaal voortgang kunnen vinden.In reactie op dit verweer stellen eisers dat een nietige betekening aan één van de onderzetter het gehele exploit nietig maakt, dus kan volgens hun betoog om die reden de openbare verkoop in zijn geheel geen voorgang vinden.Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaan eisers uit van een onjuiste opvatting. Eisers zijn drie verschillende rechtspersonen c.q. natuurlijke personen en vormen niet een geheel, zodat de onjuiste betekening aan één van hen de betekening niet in het geheel nietig maakt, doch slechts partieel en wel ten aanzien van degene tegen wie de betekening op onjuiste wijze is geschied.Derhalve slaagt gedaagde in het door haar opgeworpen verweer.

4.3 Gedaagde voert aan dat zij middels een schrijven aan de notaris de opdracht zal geven om de openbare verkoop van het onroerend goed van eiseres sub C stop te zetten, doch is geen indicatie gegeven wanneer het schrijven aan de notaris zal worden gericht. Veiligheidshalve zal de kantonrechter de gevorderde stopzetting van het onroerend goed van eiseres sub C, zijnde het onroerend goed zoals omschreven onder 2.3 in dit vonnis, toewijzen.
De medegevorderde dwangsom acht de kantonrechter niet redelijk en billijk, omdat het wettig betaalmiddel hier te lande Surinaamse Dollar is en de dwangsom exorbitant is. Daarom zal de kantonrechter de dwangsom mitigeren tot een eenmalige dwangsom van SRD 100.000,-.Gedaagde zal ten aanzien van eiseres sub C, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten de kosten voor oproep bij exploit van de deurwaarder en het vastrecht, welke voor alle drie eisers neerkomt op een totaal bedrag van SRD 270,- + SRD 50,- = SRD 320,-. De proceskosten waartoe eiseres sub C zal worden veroordeeld zal naar evenredigheid worden vastgesteld op SRD 106,-.

4.4 Vaststaat dat gedaagde als bankinstelling twee kredietleningen aan eiseres sub B heeft verschaft en eisers sub A en C als zekerheid tot voldoening van deze leningen ten behoeve van gedaagde hypotheek op de aan hun in eigendom toebehorende onroerende goederen hebben gevestigd. Tevens staat vast dat eiseres sub B een achterstand heeft in betaling van deze kredietleningen en tot heden tekort is geschoten in haar plicht tot betaling van deze achterstand.Ter zake stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat en zal gedaagde – zoals door haar bij eisers is aangekondigd – vanwege het tekortschieten van eiseres sub B in haar betalingsverplichting thans overgaan tot het gebruik maken van deze aan haar toekomende bevoegdheid. Alleen wanneer gedaagde van deze bevoegdheid misbruik zou maken, zou hierover anders geoordeeld kunnen worden.

4.5 De kantonrechter gaat voorbij aan de stellingen van eisers sub A en sub B dat gedaagde hen geen afschriften van de kredietovereenkomsten heeft doen toekomen, omdat zulks geen grond oplevert tot wanprestatie of een onrechtmatige daad en evenmin valt onder het misbruik maken van de aan gedaagde toekomende bevoegdheid om tot openbare verkoop over te gaan.

4.6 Eisers sub A en sub B stellen dat zij uiterlijk 30 maart 2017 de achterstanden aan gedaagde zullen betalen, doch hebben zij tot heden nagelaten te stellen welke alternatieven zij hebben om de achterstanden in te kunnen lopen en wat hun bron van inkomsten zullen zijn, waardoor de kantonrechter niet kan beoordelen of zij op uiterlijk 30 maart 2017 in staat zullen zijn aan hun betalingsverplichting jegens gedaagde te kunnen voldoen. Om die reden en mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen grond om de gevraagde voorzieningen van eisers sub A en sub B toe te wijzen.

4.7 Eisers sub A en sub B zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
Ten aanzien van eisers sub A en sub B
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers sub A en sub B in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Ten aanzien van eiseres sub C
5.3 Verbiedt gedaagde om op dinsdag 28 februari 2017 om 10.00uur ten overstaan van notaris mr. Derrick Alexander of diens waarnemer in het openbaar te verkopen het hierna aan eiseres sub C toebehorend onroerend goed: “het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, verv. 7 mei 2038, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.109,30m², gelegen in [district 1], aan de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans, d.d 10 mei 2004, met de letters ABCD, d.u.v. het perceelland, groot 2,2205 ha., gelegen in [district 1] aan weerszijden van de [weg], welk perceel d.u.v. het perceelland, groot 15,9254ha, zijnde een gedeelte van de plantage [gebied] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ir. W.A. Oldenstam, d.d. 3 januari 1998, met de letters ABCDE, evenwel m.u.v. de daardoor lopende delen, groot 2.815,73m², en 1.091,69m² en 999,66m², resp. aangeduid met de letters abcdefgh, ijkl en aAFG”, zulks op straffe van een eenmalige dwangsom ad SRD 100.000,- (Eenhonderd en Duizend Surinaamse Dollar indien gedaagde in strijd handelt met dit verbod.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres sub C gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 106,- (Eenhonderd en Zes Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 27 februari 2017 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2017-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-4237
15 juni 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 21 september 2015 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 01 oktober 2015;
  • de conclusie van antwoord d.d. 21 april 2016;
  • de conclusie van repliek d.d. 16 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek d.d. 26 januari 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis was bepaald op 09 november 2017, doch op verzoek van eiser bij vervroeging op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is eigenaar-directeur van [bedrijf] aan [adres 2] te [district].

2.2 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, hierna aangeduid als de toewijzingsbeschikking, is aan eiser uitgegeven: “het recht van grondhuur voor het aanleggen van een parkeerplaats voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 278,63m², gelegen in [district], ten noorden van [adres 2], ten noorden grenzend aan het perceel bekend als N.W. La B [nummer 1], deel uitmakende van de Plantage [plantage] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, Ing. H. Kalloe d.d. 11 januari 2010, thans bekend als N.W. La [nummer 2].”

2.3 Bij vonnis in kort geding d.d. 15 mei 2012, in de zaak bekend onder A.R. No. 10-5172, heeft de kantonrechter op vordering van [naam 1], [naam 2] en [naam 3], hierna te noemen de [naam 4], de toewijzingsbeschikking geschorst.

2.4 Eiser heeft hoger beroep aangetekend tegen het hiervoor tussen hem en de [naam 4] gewezen vonnis.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,:

I) het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, in kort geding, [naam 2] en [naam 3] contra [eiser] te schorsen, althans de schorsing op te heffen van de toewijzingsbeschikking;
II) gedaagde te veroordelen het te wijzen vonnis te gehengen en gedogen en elke handeling zal nalaten, die daarop een inbreuk kan plegen danwel alszodanig kan worden gekwalificeerd, desnoods onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor elke keer en dag, waarop de inbreuk plaatsvindt en voortduurt.

3.2 Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij thans eigenaar is van het perceel van de [naam 4] en de [naam 4] hierdoor geen belang meer hebben bij de schorsing van de toewijzingsbeschikking. Als spoedeisend belang heeft eiser gesteld dat hij ernstig wordt gehinderd door de schorsing. Met name wordt hij vanwege de schorsing belemmerd in een herschikking en uitbreiding van zijn totale krediethypotheek.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de stellingen van eiser. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord kenbaar gemaakt zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter constateert het hierna volgende. In de zaak bekend onder A.R. No. 10-5172 is de eisende partij de [naam 4] geweest. Het zijn de [naam 4] geweest die in de hiervoor bedoelde zaak de vordering tegen zowel eiser (in de zaak toen gedaagde ) als gedaagde hebben ingesteld. Eiser was dus niet de tegenpartij van gedaagde en omgekeerd was gedaagde niet de tegenpartij van eiser. Hieruit volgt dat eiser de onderhavige vordering tegen de [naam 4] diende in te stellen en niet tegen gedaagde. Op grond hiervan zal eiser niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S. M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting bij vervroeging uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, op donderdag 15 juni 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-25

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1163
03 april 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

PRESTIGE IMPORTS N.V.,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 19 maart 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde heeft middels het indienen van een verzoekschrift d.d. 06 maart 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-0949, welk verzoekschrift zich richt tot A) Flex Cars N.V., B) Flex Wholesale & Retail N.V., C) [naam 1] h.o.d.n. Flex Luxuries, D) Prestige Imports N.V., zijnde eiseres, E) Flex Phones N.V. en F) Surglobe Trading N.V., aan de kantonrechter in het eerste kanton het verzoek gedaan tot het mogen leggen van conservatoir derden beslag. Aan dit verzoek heeft gedaagde het volgende ten grondslag gelegd:

  • zij heeft in het jaar 2014 aan Flex Cars N.V. en Flex Wholesale & retail N.V., hierna gezamenlijk te noemen de schuldenaars, een krediet verschaft;
  • de schuldenaars hebben niet voldaan aan hun terugbetalingsverplichtingen van het aan hun verschafte krediet. Instede daarvan kanaliseren zij financiële middelen naar [naam 1] en eiseres;
  • om het verhaalsrecht van gedaagde illusoir te maken, hebben de schuldenaars wijzigingen aangebracht in het team van eiseres, waarbij [naam 2], die tevens directeur van de schuldenaars is, werd vervangen door ene [naam 3]. Vanwege deze verwevenheid worden de gelden tussen de schuldenaars en eiseres heen en weer geschoven, welk handelen paulianeus is. Vanwege deze paulianeuze handeling zijn [naam 1] en eiseres mede aansprakelijk voor het terugbetalen van de verschuldigde bedragen aan gedaagde.

2.2 Gedaagde heeft, na daartoe verkregen toestemming bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 08 maart 2018, bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.S. Olensky,:

  • d.d. 09 maart 2018, no. 224-18, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder
    A) De Staat Suriname, met name het Ministerie van Handel en Industrie,
    B) De Staat Suriname, met name het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij,
    C) De Staat Suriname, met name het Ministerie van Financiën, op alle gelden/geldswaarden ten laste van eiseres;
  • d.d. 13 maart 2018, no. 228-18, conservatoir derdenbeslag onder
    B) Hakrinbank N.V.,
    C) RBC Royal Bank (Suriname) N.V., thans geheten Republic Bank (Suriname) N.V.,
    D) Surichange Bank N.V.,
    E) De Finanbank N.V.,
    F) Surinaamsche Volkscredietbank N.V.,
    G) Godo Cooperatieve Spaar- en Kredietbank G.A.,
    H) Surinaamse Postspaarbank N.V.,
    I) Soutern Commercial Bank N.V., op alle gelden, geldswaarden ten laste van eiseres;
  • d.d. 13 maart 2018, no. 229-18, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder zichzelf op alle gelden, geldswaarden ten laste van eiseres.
    De hiervoor gelegde beslagen zijn ter verzekering tot betaling van de bedragen respectievelijk ad SRD 20.000.000,-, USD 3.000.000,- en Euro 19.500,- aan gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de opheffing te gelasten van de onder 2.2 van de feiten vermelde gelegde conservatoir derdenbeslagen;
b) gedaagde te veroordelen om binnen een uur na betekening van dit vonnis aan eiseres te betalen US$ 80.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de dag der algehele voldoening;
c) gedaagde te veroordelen om aan eiseres de geleden schade ad US$ 32.640,- te betalen;
d) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat de gelegde conservatoir derdenbeslagen vexatoir en onrechtmatig zijn. Daartoe stelt zij, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij is niet aansprakelijk voor de gelden die de schuldenaars van gedaagde hebben geleend;
  • zij ontkent dat de schuldenaars gelden naar haar hebben gekanaliseerd;
  • zij kan thans niet over het bedrag van US$ 80.000,- beschikkingen, waardoor zij niet op adequate wijze haar bedrijfsactiviteiten kan voortzetten;
  • als gevolg van de gelegde beslagen lijdt zij schade, bestaande uit gederfde inkomsten ad US$ 24.000,- en advocaatkosten met daarover omzetbelasting totaal ad US$ 8.640,-.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van de vordering zelf, met name uit het feit dat eiseres vanwege de beslagleggingen haar bedrijfsactiviteiten niet kan ontplooien. Om die reden wordt zij in het kort geding ontvangen.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of de schuldenaars gelden hebben gekanaliseerd naar eiseres. In reactie op de stellingen van eiseres ter zake is gedaagde in het door haar gestelde bij het inleidend beslagrekest blijven volharden, zonder echter te onderbouwen vanaf welke periode de schuldenaars gelden naar eiseres hebben gekanaliseerd, wat de hoogte van de geldbedragen zijn die naar eiseres zouden zijn gekanaliseerd, via welke bankrekeningen deze gelden van de schuldenaars naar eiseres zouden zijn gekanaliseerd, en wat het totaal bedrag is dat de schuldenaars naar eiseres hebben gekanaliseerd tot het moment van de beslaglegging op de bankrekeningen van de schuldenaars. Evenmin heeft gedaagde zich enige moeite getroost om middels bescheiden te staven dan wel aannemelijk te maken dat de schuldenaars gelden naar eiseres hebben gekanaliseerd en wat de hoogte is van de gelden die tot en met de datum van de beslaglegging op de gelden van de schuldenaars naar eiseres is gekanaliseerd. Het enkel blijven volharden in deze stelling met als enige onderbouwing de verwevenheid van de directieleden van de schuldenaars met eiseres acht de kantonrechter niet voldoende. Van gedaagde als bankinstelling bij wie zowel de schuldenaars als eiseres rekeninghouders zijn, mocht worden verwacht dat zij middels een financieel overzicht zou kunnen staven dat vanuit het rekeningnummer van de schuldenaars gelden zijn overgemaakt of overgeheveld naar bankrekeningnummers van eiseres. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat in casu van een paulianeuze handeling geen sprake is. Bovendien gaat gedaagde uit van een onjuiste opvatting om eiseres op grond van een paulianeuze handeling en een verwevenheid van directieleden van de bedoelde entiteiten mede aansprakelijk te stellen voor terugbetaling van de aan de schuldenaars verstrekte kredieten. Bij een geslaagd beroep op een paulianeuze handeling is schadevergoeding mogelijk, en die schadevergoeding kan onmogelijk omvatten het mede aansprakelijk stellen voor de terugbetaling van het volledig bedrag aan verstrekte kredieten. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen grond om de gelegde beslagen te blijven handhaven, zodat de gevraagde voorziening onder a reeds voor toewijzing gereed ligt.

4.3 Gedaagde weerspreekt het bedrag ad US$ 80.000,- aan eiseres verschuldigd te zijn. Daartoe voert zij aan dat dit geldbedrag op de rekening van eiseres voorkomt en eiseres minstens opheffing van het beslag zou kunnen vorderen zodat dit bedrag wederom tot haar beschikking komt. Bij conclusie van repliek is eiseres niet voldoende ingegaan op dit gemotiveerd verweer van gedaagde en zal de gevraagde voorziening onder b om die reden worden geweigerd. Daarbij brengt de kantonrechter eiseres in herinnering dat voor toewijzing van een geldvordering in kortgeding slechts plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat. De stellingen die eiseres aan dit onderdeel van de vordering ten grondslag heeft gelegd, voldoen niet aan de hiervoor vermelde criteria en zal zij dit onderdeel van het geschil in bodemprocedure verder dienen te beslechten.

4.4 Gedaagde weerspreekt dat eiseres als gevolg van de beslagleggingen schade heeft geleden en stelt daartoe dat eiseres zelf heeft gesteld dat zij sedert februari 2018 moest voldoen aan betalingsverplichtingen in het buitenland. Dit, terwijl de beslagleggingen op 13 maart 2018 hebben plaatsgevonden. Ook op dit gemotiveerd verweer is eiseres niet voldoende ingegaan, zodat de door eiseres vermeend geleden schade niet aannemelijk is. Om die reden zal de gevraagde voorziening onder c worden geweigerd, eveneens met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.3 aan eiseres in herinnering is gebracht ten aanzien van geldvorderingen.

4.5 Daar eiseres slechts voor één onderdeel in het gelijk is gesteld, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. Het compenseren van de proceskosten bestaat daarin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Heft op het bij deurwaardersexploten d.d 09 maart 2018, no. 224-18, d.d. 13 maart 2018 no. 228-18 en d.d. 13 maart 2018 no. 229-18, afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, Patrick Stanley Olensky, gelegd conservatoir derdenbeslag, ten verzoeke van gedaagde en ten laste van eiseres, onder De Surinaamsche Bank N.V., Hakrinbank N.V., RBC Royal Bank Suriname N.V., thans Republic Bank (Suriname) N.V., Surichange Bank N.V., Finabank N.V., Surinaamse Volkscredietbank N.V., Godo Coöperatieve Spaar- en Kredietbank G.A., Surinaamse Postspaarbank N.V., de Staat Suriname, met name de ministeries van Handel en Industrie, Landbouw Veeteelt en Visserij en Financiën op alle gelden en/of geldswaarden die zij aan eiseres verschuldigd zijn/of mochten worden.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 03 april 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2017-25

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-4777
22 juni 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

De naamloze vennootschap N.V. CULTUURONDERNEMING (N.V. Con), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Nickerie,
eiseres,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap YAMUNA N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Margrietstraat no. 03,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 03 oktober 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de akte van aanvulling c.q. wijziging van eis d.d. 20 oktober 2016;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 oktober 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 05 januari 2017, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 02 februari 2017, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 02 maart 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 06 april 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 01 augustus 1997 heeft eiseres met gedaagde een huurovereenkomst gesloten, betreffende de huur van 520 ha landbouwarealen voor 4 padieseizoenen ingaande 04 augustus 1997 tot en met eind november 1999. Eiseres was de verhuurster en gedaagde de huurster.Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst was [naam 1] de directeur van eiseres en [naam 2] (hierna aangeduid als [naam 2]) de directeur van gedaagde.

2.2 In de hiervoor bedoelde huurovereenkomst is in artikel 4 lid 2 het volgende neergelegd:
“Het is de huurder ten strengste verboden om het gehuurde perceel onder te verhuren of aan derden af te staan of in gebruik te geven.”

2.3 Op 13 december 1997 heeft gedaagde het gehuurde onderverhuurd aan ene [naam 3].

2.4 Op 04 maart 1998 heeft eiseres de huurovereenkomst met gedaagde opgezegd. Reden daartoe is het feit dat gedaagde in strijd met de huurovereenkomst het gehuurde aan een derde heeft onderverhuurd.

2.5 In reactie op de opzegging heeft gedaagde aan eiseres kenbaar gemaakt dat eiseres het gedaagde onmogelijk maakte om op het gehuurde te werken en zij als gevolg daarvan schade had geleden.Op 03 maart 1999 is eiseres door gedaagde gesommeerd tot betaling van de door haar vermeend geleden schade, zijnde winstderving over 4 padieseizoenen, totaal begroot op USD 748.380,-.

2.6 Op 30 september 1999 kwam de toenmalige directeur van eiseres te overlijden en is [naam 3], die nog directeur van gedaagde was, op 17 december 1999 benoemd tot directeur van eiseres.

2.7 Op de algemene vergadering van aandeelhouders van eiseres d.d. 12 mei 2003 is [naam 4] benoemd tot directeur van eiseres.

2.8 De benoeming van de hiervoor genoemde [naam 4] is op vordering van de aandeelhouders bij vonnis van de kantonrechter d.d. 04 februari 2004 in de zaak bekend onder A.R. No. 03-4006 nietig verklaard.Als gevolg hiervan werd [naam 3] wederom als directeur van eiseres in het KKF-register ingeschreven en trad hij ook op als directeur van eiseres.

2.9 Op 14 december 2007 heeft gedaagde een vordering in de zaak bekend onder A.R. No. 07-5354 tegen eiseres ingesteld, inhoudende ontbinding van de huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997 en vergoeding van de door haar vermeend geleden schade. Ten tijde van de indiening van de hiervoor bedoelde vordering was [naam 3] directeur van zowel eiseres als gedaagde.

2.10 Op 16 juni 2008 heeft [naam 3] zijn zoon, [naam 5], hierna aangeduid als [naam 5], benoemd tot directeur van gedaagde.

2.11 Op 19 december 2008 heeft eiseres een overeenkomst met gedaagde gesloten, inhoudende dat eiseres de door gedaagde gestelde schade geheel en onvoorwaardelijk erkent en dat eiseres het bedrag groot € 800.000,- zal betalen, dan wel dat eiseres dat bedrag aan gedaagde betaalt middels uitgifte van 42 extra aandelen.

2.12 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 26 februari 2009 in de zaak bekend onder A.R. No. 09-0011, is aan [naam 6] toestemming verleend om een algemene vergadering van aandeelhouders te beleggen. Op 08 juli 2011 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van eiseres plaatsgevonden, op welke vergadering [naam 6] is benoemd tot directeur van eiseres.

2.13 Op 16 juni 2009 heeft eiseres, met als directeur [naam 3], aan gedaagde medegedeeld dat zij niet aan haar verplichtingen kan voldoen.

2.14 Op 24 maart 2015 heeft de kantonrechter bij vonnis in het incident en in de hoofdzaak in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 07-5354 onder meer het volgende beslist:“ In het incident

5.1 Verklaart incidentele eisers niet ontvankelijk in hun incidentele vordering;

5.2 Veroordeelt incidentele eisers in de proceskosten aan de zijde van Yamuna N.V. en N.V. Con gevallen tot aan de uitspraak begroot op nihil.

In de hoofdzaak

5.3 Ontbindt de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997.

5.4 Veroordeelt N.V. CON om aan Yamuna N.V. te betalen:

  1. de som van € 80.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede om, om de zes maanden voor het eerst op 29 juli 2010 aan Yamuna N.V. te betalen het bedrag van € 40.000,- totdat het bedrag van € 80.000,- algeheel of volledig zal zijn voldaan.
  2. de buitengerechtelijke kosten ad € 120.000,-.”

2.15 Op 15 juli 2015 heeft gedaagde het hiervoor vermeld vonnis bij exploit van een deurwaarder aan eiseres doen betekenen, waarbij eiseres is gesommeerd tot betaling van de hiervoor vermelde bedragen waartoe zij is veroordeeld.

2.16 Op 23 juni 2015 heeft eiseres hoger beroep aangetekend tegen het vonnis vermeld onder 2.14. De aandeelhouders van eiseres die in de procedure zijn tussengekomen, hebben op 07 juli 2015 ook hoger beroep tegen het vonnis aangetekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) de werking van het vonnis d.d. 24 maart 2015 bekend onder A.R. No. 07-5354 te schorsen dan wel op te schorten;
II) de bereids aangevangen executie van het vonnis d.d. 24 maart 2015 bekend onder A.R. No. 07-5354 te schorsen dan wel op te schorten totdat in de door eiseres ingestelde hoger beroep procedures bekend onder G.R. No’s: 15138 en 15139 zal zijn beslist;
III) de werking van de overeenkomst tussen de partijen d.d. 19 december 2008 te schorsen dan wel op te schorten;
IV) tevens te bepalen dat gedaagde aan eiseres een dwangsom verschuldigd zal zijn van SRD 1.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde weigert aan dit vonnis te voldoen en de in gang gezette executie voortzet;
V) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zich na de procedure omstandigheden hebben voorgedaan en/of dat er feiten aan het licht zijn gekomen waardoor er sprake van is dat het vonnis op zowel een feitelijke als juridische misslag berust, althans dat door de executie daarvan te bevelen aan de zijde van geёxecuteerde, in casu eiseres, een noodtoestand zal ontstaan dan wel dat er andere feiten en/of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant, in casu gedaagde, in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar recht tot executie van het vonnis.

Daartoe heeft zij tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende gesteld:

  • bij de benoeming van [naam 3] tot directeur van eiseres, zijn de overige erfgenamen van de overleden directeur [naam 1] c.q. aandeelhouders met [naam 3] mondeling overeengekomen dat hij als directeur van gedaagde alle door gedaagde ingestelde schadeclaims in verband met de huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997 zou intrekken;
  • [naam 3] heeft onrechtmatig jegens eiseres gehandeld, in die zin dat hij in strijd met hetgeen hij bij de benoeming tot directeur van eiseres was overeengekomen de bedoelde schadeclaims niet heeft ingetrokken. [naam 3] heeft in stede daarvan de overeenkomst d.d. 19 december 2008, zoals bedoeld onder 2.11 in dit vonnis, met gedaagde gesloten met het oog om eiseres en haar aandeelhouders c.q erfgenamen te benadelen;
  • [naam 3] heeft in strijd met artikel 4 lid 5 van de Statuten van eiseres een besluit over de uitgifte van aandelen genomen.

Als spoedeisend belang heeft eiseres gesteld dat door de onverwijlde tenuitvoerlegging van de executie van het litigieuze vonnis de voortgang van de bedrijfsvoering ernstig in gevaar wordt gebracht.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft opgeworpen dat de wijziging van eis onrechtmatig is, omdat het een vermeerdering van eis inhoudt en het niet aan haar is betekend.De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat eiseres bij de wijziging van eis het onderwerp van het geschil, danwel de grondslag niet heeft verlaten. Tevens is de wijziging van eis op de rolzitting van 20 oktober 2016 aan de gemachtigde van gedaagde ter hand gesteld voordat van eis is geconcludeerd, waardoor gedaagde niet in haar verweer is geschaad. Daarom is de wijziging van eis, zoals onder 3.1 is weergegeven, toegestaan.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiseres misbruik maakt van procesrecht, omdat er in de onderhavige zaak reeds vonnis in een bodemprocedure is gewezen.Tevens heeft gedaagde opgeworpen dat eiseres in strijd handelt met het ne bis in idem-beginsel door een zaak, waarover reeds is beslist, opnieuw aan de kantonrechter voor te leggen.Gedaagde heeft in reactie op dit verweer gesteld dat het civiele recht geen ne bis in idem-beginsel kent en dat er daar al dan niet sprake is van gezag van gewijsde.Ter zake is de kantonrechter het volgende van oordeel. Zoals de kantonrechter het verweer begrijpt, beroept gedaagde zich erop dat de bodemrechter reeds heeft beslist in het geschil tussen partijen en eiseres door het instellen van de onderhavige vordering misbruik maakt van het procesrecht.Dit verweer van gedaagde gaat, zoals eiseres terecht heeft gesteld, niet op. Dit, omdat eiseres hoger beroep heeft aangetekend tegen het bedoelde vonnis en het dus nog geen gezag van gewijsde heeft. Ook gaat gedaagde uit van een onjuist standpunt dat de onderhavige vordering niet mag worden ingesteld en brengt de kantonrechter gedaagde in dat kader in herinnering dat volgens vaste jurisprudentie staking of schorsing van de executie van een vonnis slechts kan worden bevolen, indien sprake zou zijn van misbruik van recht. Dit kan het geval zijn, indien:

  • het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust;
  • de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde in casu eiser, een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;
  • er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant in casu gedaagde in redelijkheid geen gebruik mag maken van het exclusieve recht tot executie van het vonnis in kwestie.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de kantonrechter het verweer van gedaagde.

4.3 Tevens heeft gedaagde opgeworpen dat eiseres tardief is met het indienen van de onderhavige vordering en er geen spoedeisend belang is. De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat de wetgever aan de vordering tot schorsing c.q. opschorting van de tenuitvoerlegging c.q. verdere tenuitvoerlegging van een vonnis geen termijn heeft gekoppeld. Voor zover gedaagde betoogt op te werpen dat reeds een aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van het vonnis en eiseres daardoor aldus tardief is met de onderhavige vordering, gaat zulks evenmin op. Dit, omdat eiseres nog doende is het vonnis ten uitvoer te leggen.Daar gedaagde doende is het bedoelde vonnis tenuitvoer te leggen en eiseres heeft betoogd dat gedaagde misbruik maakt van het bedoelde vonnis, waartegen zij hoger beroep heeft ingesteld, acht de kantonrechter het spoedeisend belang van eiseres wel aannemelijk.

4.4 Thans ligt ter beantwoording de vraag of na het vonnis feiten en omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde in casu eiseres, een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis niet kan worden aanvaard.Zoals de kantonrechter eiseres begrijpt hebben [naam 3] en diens zoon hangende het geding in de zaak bekend onder A.R. No. 07-56354 door het sluiten van de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2008 een paulianeuze handeling in de zin van artikel 1362 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek verricht en hebben zij daardoor aldus onrechtmatig jegens de overige aandeelhouders en eiseres gehandeld. Daar [naam 3] deze handeling heeft verricht, dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter [naam 3] voor deze handeling en de vermeende schade die hieruit voor eiseres c.q de overige aandeelhouders mocht voortvloeien in persoon te worden aangesproken. Aantasting van de hiervoor bedoelde overeenkomst op grond van een paulianeuze handeling zal naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter weinig kans van slagen hebben, omdat [naam 3] de overeenkomst in de hoedanigheid van directeur van eiseres met gedaagde heeft gesloten. Daarbij neemt de kantonrechter ook de hierna volgende feiten en omstandigheden in overweging. Ofschoon eiseres er kennis van droeg dat [naam 3] vanaf het jaar 1997 directeur van gedaagde was en daardoor nauw betrokken was bij gedaagde, heeft eiseres er toch voor gekozen om [naam 3] te benoemen tot directeur van eiseres. Dit alles met, zoals uit haar eigen stellingen blijkt, het oog op intrekking van de schadeclaims die gedaagde reeds tegen haar had lopen.Uit de inhoud van de overeenkomst die eiseres met gedaagde op 19 december 2008 heeft gesloten blijkt, dat eiseres een vordering tot schorsing van de huurovereenkomst van 01 augustus 1997 tegen gedaagde had ingesteld in de kort geding zaak bekend onder A.R. No. 98-1231 en dat de kantonrechter de vordering ter zake bij vonnis van 30 november 2000 heeft geweigerd. Hieruit leidt de kantonrechter af dat eiseres in het jaar 1998, en wel voordat [naam 3] tot directeur van eiseres werd benoemd, een vordering tegen gedaagde had ingesteld. Hieruit trekt de kantonrechter de conclusie dat er sedertdien over en weer geschillen tussen partijen gaande waren, en eiseres dan wel haar aandeelhouders er dan nog voor heeft/hebben gekozen om [naam 3], die toentertijd nog directeur was van gedaagde, te benoemen tot directeur.Hetgeen hiervoor in onderling samenhang beschouwd en gelezen is overwogen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat de feiten waarop eiseres zich beroept, zich reeds hadden voltrokken en deze toen al bij eiseres bekend waren, zodat het beroep op nieuw aan het licht voorgevallen feiten na het vonnis niet opgaat. Daarom zullen om die reden de door eiseres gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.5 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op donderdag 22 juni 2017 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-0130
19 januari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A.STICHTING CERPA, rechtspersoon,
B.STICHTING COLARES, rechtspersoon,
C. [eiser sub C],
D. [eiser sub D],
eisers sub A en sub B gevestigd in het district Wanica,
eisers sub C en sub D wonende aan de [adres] in het [district 1],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP LANDBOUWBANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 38 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtige: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 12 januari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 15 januari 2018;
  • de conclusie van antwoord d.d. 16 januari 2018, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 17 januari 2018;
  • de conclusie van dupliek d.d. 17 januari 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 Eiser sub C is enig bestuurslid van eisers sub A en sub B.

2.2 Eisers sub A en sub B zijn de eigenaars van het zakelijk recht van grondhuur op:
“ – het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vijftien hectaren, zes en dertig aren en dertien centiaren, gelegen in het [district 2] , ten noorden van het [pad], achter- en grenzende aan het [project], op de kaart van de landmeter in Suriname lic. Reg. R.I. Amelo Lcs. de dato achttien maart tweeduizend negen, aangeduid met de letters A’BB’C’KI en met het nummer 1, welk perceelland blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname de dato vier en twintig April tweeduizend negen, voortaan bekend zal zijn als [adres 2], welk perceelland deel uitmaakt van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw – vervallende zestien november tweeduizend twee en dertig – op het perceelland, groot tweehonderd zeven en veertig hectaren, veertig aren en twaalf centiaren instede van tweehonderd vijftig hectaren, gelegen in het [district 2], ten noorden van het [pad] achter – en grenzende aan het [project], evenwel met uitzondering van de voor weg bestemde strook grond groot vier hectaren (figuur aBbcd), nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek de dato zes juni negentienhonderd twee en negentig door de figuur ABCDEFGH en blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe de dato negen juli negentienhonderd twee en negentig, thans bekend als [adres 3], met uitzondering van de overgedragen delen alsmede met uitzondering van de verkochte en nog niet overgedragen delen, te weten nummers 505, 518, 519, 522 en 529;

– het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vier en twintig hectaren, vier en dertig aren en acht centiaren, gelegen in het [district 2], ten noorden van het [pad], achter- en grenzende aan het [project], op de kaart van de landmeter in Suriname lic. Reg. R.I. Amelo Lcs. de dato achttien maart tweeduizend negen, aangeduid met de letters Zihe en met het nummer 9, welk perceelland blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe de dato vier en twintig April tweeduizend negen, voortaan bekend zal zijn als [adres 4], welk perceelland deel uitmaakt van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw – vervallende zestien november tweeduizend twee en dertig – op het perceelland, groot tweehonderd zeven en veertig hectaren, veertig aren en twaalf centiaren instede van tweehonderd vijftig hectaren, gelegen in het [district 2] , ten noorden van het [pad] achter – en grenzende aan het [project], evenwel met uitzondering van de voor weg bestemde strook grond groot vier hectaren (figuur aBbcd), nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek de dato zes juni negentienhonderd twee en negentig door de figuur ABCDEFGH en blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe de dato negen juli negentienhonderd twee en negentig, thans bekend als [adres 3].”

2.3 Op 11 juli 2014 heeft gedaagde twee kredieten aan eisers sub C en sub D verstrekt, respectievelijk een investeringskrediet ad SRD 173.250,- voor het bezanden van de wegen van een verkavelingsproject en een rekening-courantkrediet ad SRD 75.000,- voor het financieren van operationele kosten van een verkavelingsproject.
Partijen zijn overeengekomen dat het investeringskrediet, vermeerderd met rente ad 13% per jaar en kosten, maandelijks zal worden afgelost voor een bedrag van SD 4.035,-. De eerste aflossing zou geschieden ultimo 2014 en de laatste aflossing op 30 juni 2019.

2.4 Tot zekerheid voor de voldoening van deze leningen hebben eisers sub A en sub B ten behoeve van gedaagde een hypotheek gevestigd op de hiervoor onder 2.2 omschreven zakelijke zekerheidsrechten tot een bedrag van SRD 900.000,-.

2.5 De hiervoor vermelde kredieten zijn verstrekt naar aanleiding van de door eisers sub C en sub D ingediende kredietaanvraag bij gedaagde. Ter zake deze aanvraag heeft gedaagde op 17 april 2014 het hierna volgende aan eisers sub C en sub D medegedeeld:
“Voor de goede orde bevestigen wij hiermee hetgeen door onze functionaris (…) aan u is medegedeeld met betrekking tot de voorwaarde om te komen tot formalisering van uw kredietaanvraag, met als doel het afronden van het verkavelingsproject op het grondhuur terrein groot ± 14,449HA gelegen aan het [adres 2], meer bekend als het [project].

Tevens bevestigen wij uw informatie dat u, ter voldoening aan deze voorwaarde, het verzoek voor verlenging van de termijn om het recht van grondhuur over te dragen aan derden, heeft ingediend bij het Ministerie van Regionale Ontwikkeling en Grond Beheer (Ministerie ROGB).

Wij verzoeken u dan ook bij het Ministerie van ROGB aan te dringen op spoedige uitvoering van het voorgaande, omdat zonder deze toestemming, de notariële overdrachten van kavels niet zullen kunnen geschieden, met alle consequenties voor u, voor de kavel kopers en voor onze instelling.

Zodra aan deze voorwaarde is voldaan en wij daarvan in kennis zijn gesteld, zullen wij uw goedgekeurde kredietaanvraag formaliseren, waarna u over de betreffende geldmiddelen kunt beschikken.

Wij tekenen hierbij aan dat indien u binnen 2 maanden na heden, dus uiterlijk 17 juni 2014, niet aan onze voorwaarde heeft kunnen voldoen, wij genoodzaakt zullen zijn uw aanvraag wederom in behandeling te moeten nemen.”.

2.6 Vanwege het niet voldoen door eisers aan hun aflossingsverplichting had gedaagde de openbare verkoop van de zakelijke zekerheidsrechten aangezegd voor 13 juli 2017. Op 30 juni 2017 hebben eisers sub C en sub D aan gedaagde het verzoek gedaan de openbare verkoop af te gelasten. Ter zake hebben zij het hierna volgende in hun verzoek vermeld:
“ Op 11 november 2013 heeft de ondergetekende … een projectdossier aangeboden aan de Landbouwbank n.v. ter financiering van de verdere ontwikkeling van een reeds geinitieerd verkavelingsproject. Het betreft bezanden van wegen en aanleg van de nutsvoorzieningen.
(…)
Bij schrijven van de Landbouwbank NV werd de financieringsaanvraag voor een bedrag van SRD. 900.000,- goedgekeurd onder de voorwaarde dat formalisering hiervan zou plaatsvinden

Per schrijven van 2 juni 2014 van de Landbouwbank N.V. aan het notariaat Hira Sing is opdracht gegeven tot het passeren van een akte van een eerste krediethypotheek tot een bedrag van SRD 900.000,- te laste van Stichting Cerpa en Stichting Colares.
De akte is verleden op 11 juli 2014.

Als bijlage zijn ingesloten de taxatierapporten betreffende de gronden van de Stichtingen Cerpa en Colaris, met respectievelijke verkoopwaarden van € 2.304.195,- en € 365.112,-.

Verder werd door de Landbouwbank N.V. bedongen dat naast de maandelijkse aflossingen van de hoofdsom en rente ook 60% van de verkoopwaarde van de percelen bij overdracht werd betaald aan de Bank.

In het kader van het kredietarrangement van SRD 900.000,- werden 2 kredietfaciliteiten overeengekomen, te weten een investeringskrediet en een rekeningcourantkrediet. Het saldo van deze kredieten bedraagt per 17 maart 2017, volgens opgave van de VCB, SRD 271.030,71.

Het meest belangrijke voor de ontwikkeling van het project terzake het genereren van een positieve cashflow zijn de investeringsmiddelen t.b.v. de aanleg en electriciteitsvoorzieningen. De middelen die hiervoor waren overeengekomen zijn tot op heden niet beschikbaar gesteld door de Landbouwbank N.V., met als gevolg een ernstige stagnatie in de verkoop van de bouwkavels. Hierdoor konden op den duur de verplichte aflossingen en rentebetalingen niet meer plaatsvinden en accumuleerden de schulden zich. Deze situatie leidt tot enorme verliezen.

De twee verleende kredietfaciliteiten staan in schril contrast met de getaxeerde waarde van onderzettingen ad €2.669.307.

Gezien het bovenstaande, verzoeken wij het saldo van de overeengekomen investeringsmiddelen alsnog beschikbaar te stellen om het project te finaliseren, zodat verdere financiële schade wordt voorkomen. Tevens doen wij een beroep op u de voorgenomen veiling op donderdag 13 juli 2017 af te gelasten ten behoeve van een grondig onderzoek in deze kwestie.”

2.7 Op 13 juli 2017 heeft gedaagde de aangezegde openbare verkoop stopgezet en zijn partijen per diezelfde datum een vervolgtrajekt ter afwikkeling van de leningen met elkaar overeengekomen. Met name hebben eisers sub C en sub D de volgende afspraken, die op schrift zijn gesteld, met elkaar gemaakt:

“ 1. De heer [eiser sub C] heeft enkele voorstellen gedaan om op korte termijn aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2. De bouwkavels worden tegen sterk verlaagde prijzen verkocht.
3. Het gaat om 20 kavels in oppervlakte varierend van 460m², met prijzen per kavel van Euro3.500,- en Euro 4.500,-. Hiervoor is al belangstelling ontvangen.
4. De heer [eiser sub C] is in onderhandeling voor de verkoop van 100 ha ingepolderd areaal, dat binnenkort zijn beslag moet krijgen.
5. De veiling van heden 13 juli 2017 wordt stopgezet.
6. Binnen 2 maanden (uiterlijk 13 september 2017) worden de leningen bij de bank afgewikkeld of de achterstanden worden in zijn geheel afgelost.
7. Als de client zich niet houdt aan de gemaakte afspraken wordt de veilingsprocedure weer ingezet.”

2.8 Bij exploiten van de deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 27 november 2017, no’s. 61 en 62, heeft gedaagde aan eisers de aanzegging gedaan dat zij zal overgaan tot executie van het onroerend goed op vrijdag 19 januari 2018 des voormiddag te 11.00 uur ten kantore van notaris mr. M.A. Nannan Panday.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde te verbieden om op vrijdag 19 januari 2018 des voormiddags om 11.00 uur ten kantore van de notaris mr. Madhuri A. Nannan Panday aan de Prins Hendrikstraat no. 56-58 te Paramaribo, door haar, de notaris, of diens plaatsvervanger in het openbaar te verkopen de onder 2.2 omschreven percelen toebehorende aan eisers sub A en sub B, onder verbeurte van een dwangsom van € 3.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, mocht gedaagde in strijd met dit vonnis handelen;
II) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • gedaagde droeg sedert de verstrekking van de kredieten er kennis van dat eisers sub C en sub D geen bronnen van inkomsten hadden en zij de aflossingen op de aan hun verstrekte kredieten zouden betalen uit de opbrengsten verkregen uit de verkoop van de percelen door eisers sub A en sub B;
  • vanwege het niet verstrekken van het restbedrag van de kredietaanvraag van SRD 900.000,- zijn eisers in problemen geraakt met de aflossing van het krediet, omdat zij van dit saldokrediet afhankelijk waren ter finalisering van het verkavelingsproject voor de verkoop van kavels;
  • vanwege het uitblijven van de verstrekking van de aanvullende kredietgelden ad SRD 612.000,- door gedaagde konden eisers sub sub C en sub D niet overgaan tot de verkoop en geen inkomsten werven. Zij hadden geen andere inkomstenbronnen. Gedaagde was bekend met deze situatie van eisers en heeft gedaagde hierdoor zelf ook het risico op zich genomen dat eisers thans niet kunnen aflossen;
  • eisers zijn thans bezig een koop-verkooptransactie te sluiten om het verschuldigde bedrag te kunnen aflossen;
  • de percelen vertegenwoordigden in januari 2016 een gezamenlijke verkoopwaarde van € 2.600.000,-. Het verschuldigde bedrag ad SRD 305.071,77, met een tegenwaarde van € 32.112,- weegt niet op tegen de getaxerde waarde van de zakelijke zekerheidsrechten.
    Tevens beroepen eisers zich er ook op dat de kredietovereenkomst nietigheid c.q. vernietigbaarheid met zich meebrengt. Daartoe stellen zij dat gedaagde wist dat eisers in de problemen zouden geraken en zij bewust de kredieten aan hen heeft verstrekt om de zakelijke zekerheidsrechten in het openbaar ten verkoop aan te bieden, waarbij het algemeen bekend is dat stromannen optreden als kopers van deze goederen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, met name uit de stelling dat de openbare verkoop van het onroerend goed op heden d.d. 19 januari 2018 zal plaatsvinden. Daarom zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat de stelling van eisers dat de kredietovereenkomst nietigheid c.q. vernietigbaarheid met zich meebrengt niet op, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Ingevolge het overeenkomstenrecht zijn de gronden die tot nietigheid c.q. vernietigbaarheid van een overeenkomst leiden: dwang, dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat eisers de kredietovereenkomst onder deze gronden met gedaagde hebben gesloten. Eisers zelf wisten dat zij niet in staat zouden zijn het aan hun verschafte bedrag binnen de overeengekomen termijn te kunnen aflossen, dan nog hebben zij het risico genomen om de kredietlening aan te vragen en akkoord te gaan met de voorwaarden. Dat zij de lening niet zouden kunnen aflossen en gedaagde zulks wist, kunnen zij daarom niet in redelijkheid aan gedaagde tegenwerpen.

4.3 Niet in geschil is, is dat eisers sub C en sub D niet hebben voldaan aan hun plicht tot aflossing van de aan hun verstrekte kredieten en aldus in verzuim zijn met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, zodat gedaagde ingevolge artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bevoegd is om tot openbare verkoop van de zakelijke zekerheidsrechten over te gaan.

4.4 Wat wel in geschil is, is de beantwoording van de vraag of gedaagde misbruik maakt van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan en zal de kantonrechter zich daarom daarop toespitsen.
Daar eisers reeds in verzuim waren met het voldoen aan hun aflossingsverplichtingen en vanwege dit verzuim de openbare verkoop in een eerder stadium was aangezegd voor 13 juli 2017, dient als uitgangspunt voor de kantonrechter de MEMO van 13 juli 2017 bij welke MEMO eisers zich eraan hebben verbonden de leningen binnen 2 maanden af te lossen.
In dat kader rijst de vraag of de door gedaagde aan eiseres gegeven termijn van 2 maanden tot aflossing van de leningen redelijk en billijk wordt geacht. Dit, bekeken vanuit het licht dat de verkoop van de kavels stroef verloopt en eisers bij het tekenen van de MEMO reeds met een derde aan het onderhandelen waren over een koop/verkoopovereenkomst om de schuld af te kunnen lossen, welke verkoop zoals verwoord in de MEMO binnenkort zijn beslag zou moeten krijgen.
Daar het een feit van algemene bekendheid is dat de administratieve en financiele afhandeling bij de verkoop van onroerende goederen tijd vergt, acht de kantonrechter de termijn van 2 maanden die toen aan gedaagde zou zijn verleend niet redelijk en billijk. Een termijn van 9 maanden, met ingang van 13 juli 2017, zou naar het oordeel van de kantonrechter redelijk en billijk zijn geweest. Dit, omdat gedaagde er bekend mee was dat eisers voor de aflossing van de leningen afhankelijk waren van de verkoop van de kavels, eisers reeds investeringen hebben gepleegd in de te verkopen kavels, er reeds kopers zijn van enkele van de kavels en deze factoren reeds een indicatie voor gedaagde moesten zijn dat het niet voor eisers haalbaar zou zijn om de verkoop binnen twee maanden na 13 juli 2017 te realiseren en daaruit voortvloeiend de aflossing van de leningen binnen die termijn van twee maanden volledig te voldoen. Deze omstandigheden brengen de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde misbruik maakt van het recht van executie en acht de kantonrechter het gerechtvaardigd om op heden de stopzetting van de aangekondigde executie te gelasten, zodat eisers nog 3 maanden de tijd hebben om de verkoop te kunnen realiseren en binnen die drie maanden volledig aan hun aflossingsverplichting te voldoen.
Mochten eisers er niet in slagen om binnen drie maanden na de uitspraak van dit vonnis de verkoop te realiseren en evenmin erin slagen binnen die drie maanden de leningen volledig aan gedaagde te voldoen, dan zullen zij zich niet meer met succes erop kunnen beroepen dat gedaagde misbruik maakt van het recht van executie.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploit van een deurwaarder ad SRD 320,-.

5. De beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploiten van de deurwaarder L. Gangaram Panday,d.d. 27 november 2017 met no’s 61 en 62 aangezegde openbare verkoop van de in die exploten omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op heden vrijdag 19 januari 2018 des voormiddags te 11.00 uur ten kantore van de notaris mr. Madhuri A. Nannanpanday, of diens plaatsvervanger, aan de Prins Hendrikstraat no. 56-59 te Paramaribo zal plaatsvinden.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een direct opeisbare dwangsom van SRD 5.000.000,- (Vijfmiljoen Surinaamse Dollar), indien gedaagde in strijd handelt met het besliste onder 5.1

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 370,- (Driehonderd en Zeventig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 19 januari 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-23

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-0795
26 april 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

STICHTING VILLAPARK MENCKEBERG,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 21 februari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 01 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van duplieken uitlating over de producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 09 maart 2017, in de kort geding zaak bekend onder A.R. No. 13-4696 die gedaagde (toen eiser) tegen eiseres (toen gedaagde) heeft ingediend, heeft de kantonrechter onder meer als volgt beslist:

  • veroordeelt eiseres (toen gedaagde) om binnen een maand na betekening van dit vonnis ten overstaan van een te Paramaribo residerende notaris, mee te werken aan de juridische levering van het onder 2.1 van dit vonnis omschreven perceelland aan gedaagde (toen eiseres);
  • veroordeelt eiseres (toen gedaagde) tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,-, voor elke dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan het besliste onder 5.1 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 250.000,-;
  • verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

2.2 Bij exploot van een deurwaarder d.d. 25 maart 2017, no. 264 is het hiervoor vermeld vonnis aan eiseres betekend.

2.3 Middels een schrijven d.d. 28 maart 2017 heeft de gemachtigde namens eiseres aan gedaagde kenbaar gemaakt bereid te zijn om over te gaan tot de juridische levering van het perceel en aan gedaagde gevraagd wanneer de overdracht kan geschieden.

2.4 Bij exploot van een deurwaarder d.d. 08 juli 2017, no. 624 heeft gedaagde, die zich op het standpunt stelt dat niet voldaan is aan het bedoelde vonnis, eiseres aangemaand om dwangsommen ad SRD 220.000,- te voldoen.

2.5 Bij exploot van een deurwaarder d.d. 12 juli 2017, no. 636, heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen op het hierna aan eiseres in eigendom toebehorend onroerend goed:

“1. het perceelland, groot negen hectaren, vijf en zestig aren en zes negentig centiaren, in de aantekeningen van de landmeter Louis F.T., Horst de dato twaalf februari negentienhonderd vijftien gesteld op diens copie kaart de dato elf februari negentienhonderd vijftien vervaardigd naar de kaart van de landmeter H. van Ommeren de dato drie januari negentienhonderd aangeduid met de letters AEFG, thans bekend als Afdeling ISectie [buurt 1] [nummer 1];

2. het perceelland, ter grootte van zestien hectaren en zeven en vijftig aren, aangeduid op de daarvan vervaardigde kaart van de landmeter J.C. de La Parra de dato drie september negentienhonderd zeventien in verband met diens daarop gestelde aantekeningen de dato vijftien november negentienhonderd een en twintig door figuur AaKL;

3. de strook grond metende een lengte van dertienhonderd zeven en zestig meter, tachtig centimeter bij een breedte van acht meters gebezigd, wordende als weg ter breedte van zes meters waarvan de naam is gegeven van [straat] en als sloot ter breedte van twee meters, ten behoeve van de aan deze weg gelegen percelen in voormelde aantekeningen van de landmeter de la Parra aangeduid door figuur CGKC;

4. de strook grond, metende ene lengte van vierhonderd zeven en vijftig meters bij ene breedte van acht meters, gebezigd wordende als weg ter breedte van zes meters, waaraan de naam is gegeven van [weg] en als sloot ter breedte van twee meters, ten behoeve van het voorschreven sub 1 omschreven perceel, in voormelde aantekening van de landmeter de la Para aangeduid door figuur BK’K’L, welke percelen sub 2 tot en met 4 deel uitmaken van het perceelland, gelegen in het toenmalig district Suriname ten westen van – en achter de gronden van Uitvlugt, blijkens kaart van uitmeting van de landmeter J.D. de la Parra voornoemd d.d. 03 september 1917 aangeduid door figuur BCCT’ en ene oppervlakte beslaande van drie en zestig hectaren, zestig aren en zeven en twintig centiaren, instede van zeven en zestig hectaren en zeventig aren, zoals vermeld in de hierna gemelde grondbrief van 03 november 1883, [nummer 2], thans bekend als Afdeling I sectie [buurt 2] [nummer 3].”

2.6 Gedaagde heeft per exploot van een deurwaarder d.d. 12 juli 2017, no. 643, het gelegde beslag aan eiseres doen betekenen.
Vervolgens heeft gedaagde middels indiening van een verzoekschrift in de zaak bekend onder A.R. No. 17-4495 de openbare verkoop van het onroerend goed waarop het executoriaal beslag is gelegd, gevorderd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:

a) de opheffing te gelasten van het door de deurwaarder R. Sontono, gelegd executoriaal beslag d.d. 12 juli 2017, no. 636 op de onder 2.5 omschreven percelen;
b) gedaagde te verbieden dwangsommen zoals opgenomen in het vonnis d.d. 09 maart 2017, bekend onder A.R. No. 13-4694 te executeren, onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 5.000,- per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan dit vonnis te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag ad SRD 7.560,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per dag, vanaf de dag der indiening tot de dag der algehele voldoening;
d) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding;

Subsidiair:

a) de opheffing te gelasten van het door de deurwaarder R. Sontono, gelegd executoriaal beslag d.d. 12 juli 2017, no. 636 op de onder 2.5 omschreven percelen;
b) gedaagde te verbieden dwangsommen zoals opgenomen in het vonnis d.d. 09 maart 2017, bekend onder A.R. No. 13-4694 te executeren, onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 5.000,- per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan dit vonnis te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan eiseres te betalen het bedrag ad SRD 7.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per dag, vanaf de dag der indiening tot de dag der algehele voldoening;
d) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • op basis van het schrijven van 28 maart 2017 heeft zij gevolg gegeven aan het vonnis en verbeurt zij dus geen dwangsommen. Het gelegde beslag is daarom vexatoir;
  • als gevolg van de onrechtmatige gedraging heeft eiseres schade geleden ad SRD 7.560,-, bestaande uit de kosten voor het in de arm nemen van een advocaat om haar zaken te bepleiten ad SRD 7.000,- en de omzetbelasting ad SRD 560,-.
    Als spoedeisend belang stelt eiseres dat indien de openbare verkoop zal worden gelast, de koper op de veiling door de wet zal worden beschermd. Dit zal tot gevolg hebben dat zij, eiseres, onherstelbare schade zal lijden, daar haar onroerende goederen waar zij jaren in heeft geinvesteerd op ondeugdelijke gronden zullen worden vervreemd.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de kantonrechter het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen voldoende aannemelijk. Gedaagde is middels het leggen van het executoriaal beslag en het indienen van het verzoek om over te gaan tot de openbare verkoop van de percelen reeds aangevangen met de executie van de volgens haar standpunt door eiseres verbeurde dwangsommen. Daarom is eiseres ontvankelijk in het kort geding.

4.2 Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres heeft voldaan aan hetgeen in het vonnis is beslist ten aanzien van de veroordeling om binnen een maand na betekening van het vonnis ten overstaan van een te Paramaribo residerende notaris, mee te werken aan de juridische overdracht van het perceelland.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij middels het schrijven d.d. 28 maart 2017 reeds heeft voldaan aan het veroordelend vonnis.
Gedaagde voert daartegen aan dat eiseres niet heeft voldaan aan het veroordelend vonnis, omdat het bedoeld schrijven niet kan worden gelijkgesteld met voldoening aan hetgeen is bepaald in het veroordelend vonnis en daardoor de juridische levering van het perceelland aan hem nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Voorts voert hij aan, dat ook al zou dat schrijven het bewijs zijn dat aan het veroordelend vonnis zou zijn voldaan, dan nog verbeurt eiseres de dwangsommen, omdat gedaagde en zijn raadsman het schrijven niet eerder dan 12 juli 2017 onder ogen hebben gehad.
Tevens voert gedaagde aan dat zijn raadsman de brief per email van een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres heeft ontvangen en niet van de gemachtigde van eiseres, waardoor eiseres op geen enkele wijze blijk heeft gegeven, althans enige wil heeft doen blijken, om aan het veroordelend vonnis te voldoen. Eiseres heeft dus wel dwangsommen verbeurd en heeft gedaagde zich daarom niet schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad.

4.3 Blijkens de overwegingen in het veroordelend vonnis had eiseres een koop verkoopovereenkomst gesloten, waarbij zij tegen een bepaalde koopsom een perceelland aan gedaagde heeft verkocht. Ondanks gedaagde zou hebben voldaan aan de volledige koopsom, heeft eiseres niet voldaan aan haar plicht tot juridische overdracht van het perceelland en is zij daartoe veroordeeld. Eiseres geeft als interpretatie aan de veroordeling dat gedaagde zich diende te wenden tot een notaris voor het doen opmaken van de transportakte en pas wanneer zulks zou zijn geschied zou zij kunnen voldoen aan de juridische overdracht.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geeft eiseres een onjuiste interpretatie aan het veroordelend vonnis. Aangenomen mag worden dat eiseres als verkoopster van het perceelland bij de totstandkoming van de koopovereenkomst hoorde te weten dat voor de juridische overdracht een notaris aan te pas zou moeten komen en zij ter zake al afspraken met gedaagde hoorde te maken ten overstaan van welke notaris de overdacht zou plaatsvinden na voldoening van de volledige koopsom. Gesteld noch gebleken is dat eiseres als verkoopster bij het sluiten van de verkoop/koopovereenkomst met gedaagde zou zijn overeengekomen dat de juridische overdracht zou plaatsvinden ten overstaan van een door gedaagde aangewezen notaris. In het schrijven van 28 maart 2017 stelt eiseres slechts de vraag aan gedaagde wanneer de overdracht kan geschieden, doch maakt zij er geen melding van dat er zou zijn overeengekomen dat de overdracht zou plaatsvinden ten overstaan van een door gedaagde aangewezen notaris. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat eiseres nog geen uitvoering heeft gegeven aan het veroordelend vonnis en de dwangsommen verbeurt. De juridische overdracht heeft tot heden niet plaatsgevonden. Anders zou het zijn, als eiseres reeds de nodige voorbereidingen tot juridische overdracht had getroffen, zijnde het doen opstellen van de transportakte door een notaris en het uitnodigen van gedaagde om op een bepaalde datum op een bepaald tijdstip voor die notaris te verschijnen voor het tekenen van de transportakte.

4.4 Hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen leidt tot de slotsom dat het gelegde executoriale beslag niet vexatoir is en dat gedaagde niet onrechtmatig jegens eiseres handelt, zodat de door eiseres gevraagde voorziengen zullen worden geweigerd.

4.5 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 26 april 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-5032
19 april 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
beiden wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.R. Bouterse, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 22 november 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 november 2017;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 12 januari 2016 zijn eisers bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 15-3352 bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag ad USD 10.000,-, vermeerderd met een rente van 1,5% per maand vanaf september 2002 tot aan de dag der algehele voldoening, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad USD 1.500,-.

2.2 Gedaagde heeft op grond van het hiervoor vermeld vonnis op 03 maart 2016 bij exploit van de deurwaarder, G.F.N. Halfhuid, executoriaal derdenbeslag onder een derde gearresteerde gelegd en executoriaal beslag op het hierna omschreven in eigendom toebehorend onroerend goed van eiser sub B: “het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot zeshonderd twaalf, zevenendertig/honderdste vierkante meters, gelegen in het district Suriname, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato zevenentwintig april negentienhonderd zesenzestig met de letter ABCDE en op diens verzamelkaart de dato vijfentwintig april negentienhonderd zesenzestig met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage].”

2.3 Eisers hebben verzet aangewend tegen het hiervoor vermeld vonnis.

2.4 Op 22 augustus 2016 heeft gedaagde op grond van het verstek vonnis vermeld onder 2.1 een bedrag ad USD 1.500,-, dat de derde-gearresteerde aan eisers verschuldigd was, van de derde –gearresteerde opgenomen.

2.5 Op 26 september 2016 is bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 16-3981 de schorsing van de executie van het vonnis gelast, totdat in de verzetprocedure zal zijn beslist en is het door gedaagde gelegde het executoriaal derdenbeslag onder de derde gearresteerde opgeheven.

Ter zake heeft de kantonrechter het volgende onder 5.7 tot en met 5.10 in het vonnis overwogen:
“5.7 De kantonrechter overweegt dat in casu drie feiten worden genoemd door eisers die na het vonnis aan het licht komen of zijn voorgevallen; allereerst kan als zo een feit worden aangemerkt dat na het vonnis, in het onderhavig kort geding, blijkt – uit het verzetrekest- dat eisers zich op het standpunt stellen dat zij reeds al het verschuldigde hebben betaald in de periode 2002 tot 2004 en dat zij de gedaagde geen rente verschuldigd zijn; voorts blijkt dat aan gedaagde in juli 2016 een bedrag van USD. 12.000,= aan gedaagde is afgegeven door de derdebeslagene; en eisers hebben tevens als feit aangevoerd dat zij voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de huurpenningen van de derde beslagene waardoor zij thans in enorme financiele nood komen.

5.8 De kantonrechter overweegt dat het eerst gestelde bij de rechter die de verstekzaak behandelde niet bekend was. Ook is daarbij gesteld dat, doordat eisers reeds hadden betaald in de periode 2002 tot 2004, zij nimmer hadden verwacht dat zij na twaalf jaren in rechte zouden worden opgeroepen en van hun een hoofdsom en de rente daarvan over 12 jaren zou worden gevorderd. Zij stellen voorts dat in elk geval de rente bovendien reeds verjaard zou zijn op grond van artikel 1996 BW, indien zij niet al het verschuldigde voldaan zouden hebben.

5.9 De kantonrechter overweegt dat het tweede feit ook niet bekend was bij de kantonrechter die de verstekzaak behandeld heeft. Dit feit is niet door gedaagde betwist en heeft als gevolg dat eerst beoordeeld zal moeten worden of er nog iets verschuldigd zou zijn indien de eisers niet hadden betaald in 2002 en 2004 en thans het bedrag als genoemd was betaald in juli 2016.

5.10 De kantonrechter overweegt dat een redelijke belangenafweging, waarbij ook het derde genoemde feit wordt meegenomen, met zich meebrengt dat de gevolgen van de voortzetting van de executie niet kunnen worden aanvaard en de uitslag van de verzetzaak zal moeten worden afgewacht.”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

I) de opheffing te gelasten van het executoriaal beslag gelegd bij deurwaardersexploit d.d. 03 maart 2016 no. 16-034 door de deurwaarder G.F.N. Halfhuid op het perceelland omschreven onder 2.1 in dit vonnis;
II) gedaagde te veroordelen tot terugbetaling aan eisers van het onrechtmatig opgenomen bedrag ad USD 1.500,-;
III) te bepalen dat gedaagde aan eisers een dwangsom verschuldigd zal zijn van SRD 10.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde weigert aan dit vonnis te voldoen;
IV) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

3.2 Eisers hebben, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het hierna volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:

  • op 25 juli 2016 heeft gedaagde via de derde-gearresteerde reeds USD 12.000,- ontvangen. Dit bedrag is meer dan de hoofdsom waartoe eisers zijn veroordeeld, en is het beslag thans niet gerechtvaardigd;
  • het opnemen van het bedrag ad USD 1.500,- bij de derde-gearresteerde op
    22 augustus 2016 is onrechtmatig. Gedaagde dient dit bedrag terug te betalen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op het verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde onder I is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter en zullen eisers ter zake in het kort geding worden ontvangen.
Ten aanzien van het gevorderde onder II is niet gesteld wat het spoedeisend belang daarvan is, zodat eisers daarin niet ontvankelijk zullen worden verklaard.

4.2 De kantonrechter stelt het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie (waarbij verwezen wordt naar HR 22 december 2006, NJ 2007, 173), zal de kantonrechter in kort geding bij executoriaal beslag slechts in de executie mogen ingrijpen indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Van misbruik van executie van bevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Een executoriaal beslag zou tot een dergelijke situatie kunnen leiden.
De kantonrechter zal zich daarom toespitsen op hetgeen hiervoor is vooropgesteld. Zoals blijkt uit de inhoud van het vonnis dat tussen partijen is gewezen d.d. 26 september 2016 in de zaak bekend onder A.R. No. 16-3981, heeft de kantonrechter reeds terzake deze criteria geoordeeld en is op grond daarvan de executie van het vonnis geschorst. Daar gedaagde geen enkel te respecteren belang heeft met het blijven handhaven van het gelegde executoriale beslag op het onroerend goed, zal de door eisers gevraagde voorziening onder I betreffende opheffing van het beslag worden toegewezen.
De gevraagde voorziening onder III zal worden geweigerd, omdat het vonnis reeds het beslag opheft en het opleggen van een dwangsom als pressiemiddel daarom overbodig is.

4.3 Daar eisers reeds in de zaak bekend onder A.R. No. 16-3981 de vordering tot opheffing van het gelegde executoriaal beslag op het onroerend goed konden hebben gevorderd, zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren. De compensatie bestaat daarin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5. De beslissing

5.1 Heft op het executoriaal beslag gelegd bij deurwaardersexploot d.d. 03 maart 2016 door de deurwaarder G.F.N. Halfhuid op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot zeshonderd twaalf, zevenendertig/honderdste vierkante meters, gelegen in het district Suriname, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato zevenentwintig april neentienhonderd zesenzestig met de letter ABCDE en op diens verzamelkaart de dato vijfentwintig april negentienhonderd zesenzestig met het [nummer] , deel uitmakende van de [plantage].

5.2 Verklaart eisers niet ontvankelijk in het gevorderde onder II.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, op donderdag 19 april 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1761
04 mei 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. N.V. RIJST EXPLOITATIE MAATSCHAPPIJ,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Nickerie,
B. CONTINENTAL TRANSPORT N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
C. [eiser sub C],
wonende te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. A.M. Guman, advocaat,

tegen

N.V. MEELMAATSCHAPPIJ DE MOLEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 26 april 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 april 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met productie;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers zijn samen houders van 88 aandelen (40%) in gedaagde.

2.2 Sedert augustus 2013 is de statutaire zittingstermijn van de Raad van Commissarissen (RvC) verlopen. Tot op heden is er geen nieuwe RvC benoemd.

2.3 Eisers hebben zich op grond van artikel 17 lid 2 van de Statuten en artikel 82 van het Wetboek van Koophandel (WvK) tot gedaagde gewend om een Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) bijeen te roepen. Daar volgens de mening van eisers gedaagde weigert de AVA met de agendapunten die zij behandeld wensen te zien bijeen te roepen, hebben eisers zich ter zake tot de kantonrechter in kort geding gewend in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1151. De hiervoor vermelde zaak is op 05 april 2018 in behandeling genomen.

2.4 Op 27 maart 2018 heeft gedaagde middels publicatie de jaarlijkse AVA’s over de jaren 2014, 2015 en 2016 bijeengeroepen voor 04 mei 2018. De bijeengeroepen AVA over het jaar 2014 betreft een voortzetting.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te verbieden, om de door haar voor 04 mei 2018 uitgeschreven en bijeengeroepen AVA voortgang te doen hebben, totdat de kantonrechter in de zaak onder A.R. No. 181151 een beslissing heeft gegeven;
b) aan het gevorderde onder a te verbinden een dwangsom ad SRD 100.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft met het voldoen aan het gevorderde onder A;
c) één of meer beslissingen te geven, zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.2 Eisers leggen, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering ten grondslag:

  • gedaagde heeft reeds lange tijd geen jaarrekeningen opgemaakt en ook geen jaarlijkse AVA gehouden, waarbij onder andere jaarrekeningen worden besproken. Tevens maakt gedaagde geen aanstalten om een nieuwe RvC te benoemen;
  • de agendapunten van de bijeengeroepen AVA voor 04 mei 2018 zijn niet synchroon aan de agendapunten welke eisers behandeld wensen te zien;
  • gedaagde diende de AVA met de door eisers ingediende agendapunten te houden binnen 6 weken na het door hun gedane verzoek;
  • met de uitgeschreven AVA voor 04 mei 2018 wil gedaagde doen voorkomen dat zij de door eisers gevraagde AVA heeft gehouden en daarmee tracht de door eisers ingestelde vordering die bij de kantonrechter loopt illusoir te maken.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van het gevorderde. Daarom zullen eisers in het kort geding worden ontvangen.

4.2 Gedaagde weerspreekt dat zij reeds lange tijd geen jaarrekeningen heeft opgemaakt en de jaarlijkse AVA’s houdt. Ter staving dat zij wel AVA’s houdt en de jaarrekeningen opmaakt beroept gedaagde zich op een aantal ten processe door haar overgelegde producties, te weten notulen van gehouden AVA’s en BVA’s over de periode 2008 tot en met 2012 en presentielijsten van de AVA’s over de periode 2008 tot en met 2012 waaruit blijkt dat eisers steeds waren vertegenwoordigd. Deze overgelegde producties hebben eisers niet van valsheid beticht.
Voorts voert gedaagde aan dat zij op respectievelijk 08 april 2016 en 06 juni 2016 op verzoek van eisers buitengewone AVA’s heeft gehouden, welke zij ook heeft onderbouwd middels overlegging van producties die eisers evenmin van valsheid hebben beticht.
Voor wat betreft het jaar 2017 werpt gedaagde op dat zij de AVA in het jaar 2017 niet heeft kunnen houden, omdat een accountwisseling in die periode moest plaatsvinden en droegen eisers hiervan kennis. Vanwege allerlei vragen die eisers aan de voormalige accountant in 2014 stelden, liep het samenstellen van de jaarrekening enige vertraging op, met als gevolg dat pas in 2016 over het jaar 2014 kon worden vergaderd in plaats van 2015.
Tegen dit hiervoor door gedaagde gevoerd gemotiveerd verweer hebben eisers niet veel ingebracht, dan te blijven volharden in hun stellingen en gaat de kantonrechter om die reden voorbij aan die stellingen.

4.3 Gedaagde weerspreekt dat zij geen aanstalten maakt om een nieuwe RvC te benoemen en voert daartoe aan dat blijkens agenda punt 3 van de bijeengeroepen AVA over het jaar 2014 voor 04 mei 2018 de benoeming van een nieuwe RvC wel haar prioriteit geniet.
In reactie op dit verweer stellen eisers dat gedaagde niet serieus genomen kan worden dat het benoemen van een nieuwe RvC prioriteit bij haar geniet, omdat de zittingstermijn van de RvC sedert augustus 2013 is verlopen. De kantonrechter gaat voorbij aan deze stelling. Zoals blijkt uit de stellingen van eisers zelf betreft de bijeengeroepen AVA over het jaar 2014 een voortzetting, hetgeen tot de voorlopige slotsom leidt dat de benoeming van een nieuwe RvC reeds als prioriteit bij gedaagde stond.

4.4 Gedaagde werpt voorts op dat de door eisers opgegeven onderwerpen bij schrijven van 23 februari 2018 wel voor behandeling in aanmerking komen en beroept zij zich ter staving hiervan op de door haar ten processe overgelegde agenda’s voor de bijeengeroepen AVA voor 04 mei 2018. Verder betoogt zij dat, voor zover een door eisers opgegeven onderwerp om welke reden dan ook niet gedekt zou zijn door één van de agendapunten in de bijeenroepingen, daarin op grond van artikel 23 van de Statuten van de Molen altijd nog kan worden voorzien.
In reactie op dit verweer blijven eisers volharden in hun stelling dat de agendapunten van de bijeengeroepen AVA voor 04 mei 2018 niet synchroon zijn aan de agendapunten welke zij behandeld wensen te zien, doch constateert de kantonrechter dat eisers hebben nagelaten te stellen wat die agendapunten zijn die zij behandeld wensen te zien. Eisers verwijzen evenwel naar de inhoud van overgelegde producties, doch zijn producties om stellingen te staven en ligt het niet op de weg van de kantonrechter om uit de overgelegde producties de feiten voor eisers aan te vullen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat gedaagde de onderwerpen wel als agendapunten heeft opgenomen en voor zover dat niet het geval mocht blijken te zijn, dat er alsnog kan worden voorzien in het opnemen van die onderwerpen als agendapunten.

4.5 Gedaagde weerspreekt dat zij met het bijeenroepen van de AVA’s voor 04 mei 2018 de door eisers gevraagde vergadering in de kortgeding zaak bekend onder A.R. No. 18-1151 wil omzeilen. Daartoe voert zij gemotiveerd het hierna volgende aan. Ingevolge artikel 17 lid 1 van de Statuten van de Molen en artikel 80 WvK is zij verplicht om een jaarlijkse AVA te houden. Het verbieden om de bijeengeroepen AVA te houden zal strijdigheid van de wettelijke en statutaire verplichting jegens haar opleveren en zal het een stagnatie in de bedrijfsvoering vormen. Eisers hebben geen enkel belang bij het doen verbieden van de te houden AVA’s en heeft gedaagde voor de voortgang van de bedrijfsvoering groot belang bij dat de uitgeschreven AVA’s voor 04 mei 2018 worden gehouden.
In reactie op dit verweer stellen eisers dat onderscheid dient te worden gemaakt in de AVA en de door hen verzochte BVA. Zij hebben, aldus hun betoog, er alle belang bij dat de door hen gevraagde BVA eerst wordt gehouden, alvorens de door gedaagde bijeengeroepen AVA kan worden gehouden, omdat gedaagde thans niet beschikt over een legitieme RvC.
De kantonrechter vermag niet in te zien welke invloed het houden van de bijeengeroepen AVA voor 04 mei 2018 zal hebben op de kortgeding zaak bekend onder A.R. No. 181151. Eisers hebben nagelaten te stellen welke belangen van hen geschaad zullen worden indien de door gedaagde bijeengeroepen AVA’s voor 04 mei 2018 zullen worden gehouden. Dit, in tegenstelling tot gedaagde die gemotiveerd aanvoert welke nadelige gevolgen het niet houden van de bijeengeroepen AVA voor het bedrijf van gedaagde zal hebben. Met name heeft de financierder van het bedrijf, zijnde een bankinstelling, aan gedaagde kenbaar gemaakt dat de goedgekeurde jaarrekeningen vanaf het jaar 2014 beschikbaar moeten zijn voor de voortgang van de aanvullende financiering. Ter staving hiervan beroept gedaagde zich op het schrijven van de financierder die zij als productie heeft overgelegd, welke productie eisers niet van valsheid hebben beticht.

4.6 Nu de stellingen van eisers gemotiveerd door gedaagde zijn weersproken, zal de gevraagde voorziening worden geweigerd. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op vrijdag 04 mei 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-4479
29 maart 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

ENERGIEBEDRIJVEN SURINAME N.V.,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. N.H. Bergraaf, jurist.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 24 oktober 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 oktober 2017;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • het proces-verbaal betreffende de op 02 november 2017 gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is eigenaar van het perceelland met opstallen, gelegen aan [adres].

2.2 Het gebouw dat zich op het hiervoor omschreven perceelland bevindt, bestaat uit een boven- en benedenverdieping. De bovenverdieping is het woonhuis van eiser.
Sinds het jaar 2002 wordt een deel van de benedenverdieping verhuurd aan [winkel]. Zowel de boven- als benedenverdiepen zijn aangesloten op het aansluitnummer A 13807 van de EBS, zijnde gedaagde.

2.3 Vanaf februari 2017 heeft eiser vaker te kampen gehad met stroomschommelingen en is in mei 2017 een klacht ter zake bij gedaagde ingediend.

2.4 Naar aanleiding van de klacht heeft gedaagde op 21 juni 2017 een onderzoek bij de beveiligingskast van eiser ingesteld, tijdens welk onderzoek door de technische dienst van gedaagde een verkeerde aansluiting werd geconstateerd bij de beveiligingskast. In dat kader werd de uitvoerkabel die zorgde voor stroomlevering naar [winkel] door gedaagde uitgeschakeld, op grond waarvan gedaagde tot de bevinding kwam dat het werkelijk stroomverbruik van uit die uitgeschakelde kabel niet geregistreerd werd op de meter, hetgeen gedaagde heeft getypeerd als Onrechtmatig Stroomverbruik (afgekort OSV).
Vanwege de constatering heeft gedaagde aan eiser een beroep gedaan om een erkend installatiebedrijf in te schakelen tot herstel van de bedoelde uitvoerkabel, zodat deze op normale wijze door de hoofdmeter geregistreerd kon worden.

2.5 De aanpassingen aan de beveiligingskast heeft eiser doen plegen door een erkende installateur, welke aanpassingen 1 week daarna door gedaagde zijn goedgekeurd.

2.6 Gedaagde heeft eiser voorgehouden dat hij, eiser, op grond van de Algemene Voorwaarden aansprakelijk is van geconstateerde OSV en heeft gedaagde bij schrijven d.d. 11 juli 2017 eiser gesommeerd om binnen 10 dagen na die datum het berag van SRD 198.59,82 te voldoen, met de mededeling dat bij het achterwege blijven van de betaling de stroomlevering aan zijn pand terstond zou worden stopgezet.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:

  • de tussen eiser en gedaagde overeengekomen betalingsregeling op te schorten totdat in een bodemprocedure zijn aansprakelijkheid/schuld voor wat betreft het door gedaagde geconstateerd OSV is komen vast te staan;
  • gedaagde te veroordelen om ingeval van opschorting van de reeds tussen partijen bestaande betalingsregeling alle door eiser reeds aan gedaagde betaalde gelden op basis van de door haar gepresenteerde rekening van SRD 198.850,92 aan eiser te restitueren;
  • gedaagde te verbieden om gedurende dit geding tot aan de uitspraak tot stopzetting van de stroomlevering over te gaan aan het pand van eiser met als aansluitnummer A13807;
  • gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding;

Subsidiair:

  • ingeval van aansprakelijkheid van eiser voor het door gedaagde geconstateerde OSV de reeds tussen partijen overeengekomen betalingsregeling op te schorten en gedaagde te gelasten om tot een herziening en herberekening over te gaan van het door haar aan eiser in rekening gebracht bedrag van
    SRD 198.850,92 en wel op basis van de reele uitgangspunten en cijfers uitgaande van het werkelijk verbruik door eiser met inachtneming van de door eiser voorgelegde argumenten en bewijsstukken;
  • gedaagde te veroordelen om ingeval van opschorting van de reeds tussen partijen bestaande betalingsregeling alle door eiser reeds aan gedaagde betaalde of te veel betaalde gelden op basis van de door haar gepresenteerde rekening van SRD 198.850,92 aan eiser te restitueren;
  • gedaagde te verbieden om gedurende dit geding tot aan de uitspraak stopzetting van de stroomlevering over te gaan aan het pand van eiser met als aansluitnummer A13807;
  • gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eiser heeft, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het hierna volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd:

  • hij was zich geenszins bewust van de OSV kabel aan de beveiligingskast en kan hij hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld;
  • het door gedaagde gepresenteerde bedrag van OSV waarvoor eiser aansprakelijk wordt gesteld is veels te hoog. Een technisch rapport ter onderbouwing van dit bedrag ontbreekt. Eiser kan zich niet terugvinden in de wijze van berekenen van het bedrag.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op het verweer hierna, voor zover voor de beslissing van belang, in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de dreiging tot stopzetting van de stroomtoelevering. Om die reden is eiser ontvangen in het kort geding.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of in casu sprake is van OSV. Voldoende aannemelijk is dat eiser bij het plegen van aanpassingen steeds een erkende installateur in de arm heeft genomen. Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat eiser niet de wetenschap droeg dat de stroomtoevoer vanuit die kabel niet werd geregistreerd bij de meteropnamen. Evenmin kon eiser zulks hebben geweten, omdat hij ter zake niet deskundig is. Deze feiten en omstandigheden brengen de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat van OSV geen sprake is. Wat eiser wel kan worden verweten is ongerechtvaardigde verrijking, omdat hij hoe dan ook gebruik heeft gemaakt van stroomlevering die niet geregistreerd werd, met het gevolg dat gedaagde hierdoor financieel is benadeeld. Nu naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen sprake is van OSV en de betalingsregeling op grond van OSV is getroffen, komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de vraag of de aan eiser gepresenteerde rekening correct is.

4.3 Uitgaande van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter de gevraagde voorziening betreffende opschorting van de tussen partijen overeengekomen betalingsregeling toewijzen. De gevraagde voorziening betreffende reeds aan gedaagde betaalde gelden uit hoofde van de betalingsregeling zullen worden geweigerd. Zoals reeds onder 4.2 is overwogen is vanuit de kabel bij beveiligingskast wel stroom geleverd van welke stroomlevering wel gebruik is gemaakt, waardoor eiser ongerechtvaardigd is verrijkt en gedaagde financieel is benadeeld. Dit dienen partijen in bodemprocedure te beslechten.

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 265,-.

5. De beslissing

5.1 Schort op de tussen partijen overeengekomen betalingsregeling totdat in een bodemprocedure over de hoogte van het bedrag is beslist.

5.2 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 315,- (Driehonderd en Vijftien Surinaamse Dollar).

5.3 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 29 maart 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.