SRU-K1-2006-8

[eiseres] , wonende aan [adres 1] , [land] , voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. M.G.A. Vos, advokaat,
Eiseres in kort geding

tegen

[gedaagde], wonende aan de [adres 2], in het [district 1] , voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. L.H.R. Rogers, advokaat,
Gedaagde in kort geding,

De Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken;

1. De loop van het geding
Bij het op 22 juli 2005 ter griffie van dit kantongerecht ingediend verzoekschrift heeft eiseres, onder overlegging van bijbehorende producties, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

A. Gedaagde zal worden gelast de litigieuze woning, staande en gelegen aan de [adres 2] in het [district 1] onmiddellijk, althans binnen een door de Kantonrechter in goede justitia vast te stellen termijn, te ontruimen en deze ter beschikking van eiseres te stellen, met medeneming van alle van zijnentwege aldaar bevindende personen en goederen.
B. Eiseres zal worden gemachtigd om de hulp van de Sterke Arm te mogen inroepen, indien gedaagde mocht weigeren aan het wijzen vonnis gevolg te geven.
C. Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Kosten rechtens.

Op de eerst dienende dag heeft advokaat Mr. L.H.R. Rogers verklaard dat hij zich als gemachtigde van gedaagde aan de zaak stelt.

Vervolgens zijn de navolgende conclusies genomen:

  • een schriftelijke conclusie van antwoord, met bijbehorende producties, waarbij is geconclu­deerd dat de vordering eiseres ontzegd dient te worden als zijnde ongegrond en niet bewezen;
  • een schriftelijke conclusie van repliek met bijbehorende producties;
  • een schriftelijke conclusie van dupliek met bijbehorende producties;
  • een schriftelijke conclusie tot uitlating producties d.d. 17 november 2005;

Hierna had de Kantonrechter aanvankelijk vonnis bepaald op 19 januari 2006, doch is ambtshalve bij rolbeschikking de dato 16 maart 2006 een comparitie van partijen gelast welke op 24 maart daaraanvolgend is gehouden, zijnde daarvan proces­-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;

Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie tot uitlating genomen, waarna aanvankelijk de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was bepaald op 13 april 2006 doch nader op heden.

2. Het geschil
2.1 In dit kort geding kan van het navolgende worden uitgegaan:
2.1.1 dat [erflater] op 17 juli 2004 te [land], is overleden, latende ingevolge de wet tot zijn naaste bloedverwanten:

  • zijn echtgenote, [eiseres] ,
  • zijn afstammelingen (kinderen):

a) [naam 1]
b) [gedaagde],
c) [naam 2],

2.1.2 dat de erflater, wijlen [erflater] , bij testament de dato 06 april 2004 over zijn nalatenschap heeft beschikt, waarbij, onder andere, de volgende beschikkingen zijn opgenomen:

  • de erflater heeft de wettelijke verdeling (afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 NBW) van toepassing verklaard;
  • de erflater heeft tot zijn erfgenamen benoemd zijn echtgenote en zijn kinderen: [naam 1] en [naam 2],

2.1.3. Tot de nalatenschap van de erflater behoren o.a. de twee in Suriname gelegen onroerende goederen, te weten:

  • een perceel met woning gelegen aan [adres 3] te [district 2];
  • een perceel met woning met woning gelegen aan de [adres 2] in het [district 1];

2.2 Eiseres stelt dat nu de erflater ingezetene was van Nederland (en de Nederlandse nationaliteit bezat) voor de vererving het Nederlands erfrecht van toepassing is. De erflater heeft vervolgend bij testament de wettelijke verdeling zoals geregeld in de Nederlandse wet van toepassing verklaard.

Voorts stelt eiseres dat wijlen [erflater] tijdens zijn leven de litigieuze woning gelegen aan de [adres 2] aan gedaagde in gebruik had afgestaan vanwege persoonlijke problemen die deze (gedaagde) had. Teneinde in haar levensonderhoud te voorzien en omdat de woning aan de [adres 3] voornoemd dringende reparaties behoeft, wenst zij het onroerend goed aan de [adres 2] in het [district 1] te verkopen. Nu gedaagde in de daarop bevindende woning woonachtig is, heeft eiseres hem de eerste keuze tot koop van het onroerend goed geboden en hem dit bij deurwaardersexploit van deur­waarder R. Sontono d.d. 21 mei 2005 onder no. 160 medegedeeld, waarop gedaagde evenwel niet heeft gereageerd. Ondanks herhaalde verzoeken weigert gedaagde om de litigieuze woning te ontruimen en weigert hij de erfgenamen (w.o. eiseres) elke toegang tot het perceel en weigert eveneens zijn mede­werking dat eiseres alvast delen van het perceel kan verkopen aan derden; Nadat gedaagde niet heeft gereageerd op de koopoptie heeft eiseres hem wederom aangeschreven om de woning te ontruimen, weshalve hij zich thans zonder recht of titel in de woning bevindt.

2.3 Gedaagde doet ten verwere het navolgende aanvoeren:
De onterving van gedaagde bij voormeld testament conflicteert met het bepaalde in het Surinaams recht als bepaald in het S.B.W. artikel 1150 en 1151, op welke artikelen gedaagde een dringend beroep doet en in bodemgeschilprocedure deze dan ook zal aanvechten, nog daargelaten dat de onroerende goederen waarover eiseres in rechte opkomt zich in Suriname bevinden en ingevolge de bepalingen van de Wet Algemene Bepalingen, de scheiding en deling naar Surinaams recht dient te worden afgewikkeld. Voorts voert hij aan dat het in 1980 tussen de erflater en gedaagde tot een compromis is gekomen dat gedaagde het [adres 2] aan de erflater verkocht voor een luttel bedrag van Sf. 6.000,— (Zesduizend Surinaamse Gulden) hetwelk als en schijnkoop kan worden gezien omdat gedaagde toen in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld en vooral dit goed waarop hij hard gezwoegd had, voor zich wilde reserveren. Gedaagde heeft als toen, hoewel vermeld, geen koopsom bekomen en het is altijd de bedoeling geweest dat de erflater na de woelige echtscheidingstijd dit onroerend goed aan gedaagde terug zou leveren.

Daarnevens voert gedaagde aan dat het overigens te zeer de vraag is of eiseres zich niet van de exequatur procedure diende te bedienen en de kantonrechter een voorziening te vragen tot uitvoering van het Nederlands testament in Suriname.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingesteld vordering blijkt genoegzaam uit de stellingen van het inleidend rekest.

3.2 De belangrijkste vraag die partijen in casu verdeeld houdt, betreft de vraag omtrent het toepasselijk recht op de vererving van de nalatenschap van de erflater, wijlen [erflater]. Te dien aanzien is de eiseres van mening dat in casu het Nederlands erfrecht van toepassing is terwijl de gedaagde van het standpunt uitgaat dat in casu het Surinaams erfrecht van toepassing is. Met eiseres is de kantonrechter van oordeel dat in casu het Nederlands erfrecht het toepasselijk recht is. In dit geding is namelijk sprake van collisie van rechtsregels nu het onroerend goed zich bevindt op een andere plaats (in Suriname) dan de rest van de nalatenschap (in Nederland), weshalve er sprake is van een botsing tussen de “lex rei sitae” en de “lex causae”. Blijkens de literatuur en rechtspraak zijn zowel de erfopvolging als de realisering van de erfopvolging onderworpen aan twee ongeschreven verwijzingsregels, t.w.:
1) de erfopvolging wordt beheerst door de nationale wet van de erflater en
2) de realisering van de erfopvolging wordt beheerst door de wet van de laatste woonplaats van de erflater.
Voormelde verwijzingsregels leiden tot het oordeel dat in casu het Nederlands recht toepasselijk dient te worden geacht, hetgeen bovendien uitdrukkelijk de wens van de erflater was (zie het testament d.d. 06 april 2004). Immers is tussen partijen in confesso dat de erflater tot aan zijn dood de Nederlandse nationaliteit bezat en hij voor het laatst eveneens in Nederland heeft gewoond (vide arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 21 maart 1947, N.J. 1947, 382 Estlandse nalatenschap).

3.3. Gelet op al het voorgaande zal de Kantonrechter voorbijgaan aan het verweer van gedaagde betrekking hebbende op het toepasselijk recht in casu.
Voorzover gedaagde heeft betoogd dat voor de tenuitvoerlegging van een in Nederland opgemaakt testament hier te lande eiseres zich diende te bedienen van de exequatorprocedure komt de kantonrechter tot de slotsom dat het in casu niet betreft de ten uitvoerlegging van het litigieus testament als zodanig doch de uitoefening van bevoegdheden betreft die eiseres rechtstreeks aan het internationaal privaatrecht ontleent. Aan voormeld verweer van gedaagde zal de kantonrechter derhalve eveneens voorbij gaan.

3.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat eiseres, als langstlevende echtgenote op grond van het bepaalde in artikel 4.2A. 1.1 lid 2 en 3, NBW boek 3, van rechtswege eigenares is van al de goederen die in de nalatenschap van de erflater zijn gevallen en derhalve eveneens eigenares is van het litigieus perceelland met daaropstaande woning aan de [adres 2] in het [district 1] . Nu tussen partijen voorts in confesso is dat gedaagde niet gereageerd heeft op de optie tot koop van het litigieus pand, ligt het gevorderde voor toewijzing gereed. Aan het emotioneel verweer van partijen betreffende, onder andere de bestaand hebbende verstand­houding tussen de erflater en gedaagde enerzijds alsmede de verslechterde relatie tussen eiseres en gedaagde anderzijds evenals de inhoud van de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door gedaagde – buiten diens raadsman om – ten processe overgelegde producties, zal de kantonrechter als irrelevant voorbijgaan. De familierelatie tussen partijen in ogenschouw nemend alsmede het feit dat gedaagde sinds jaar en dag aldaar verblijf houdt, zal de kantonrechter terzake de ontruimingstermijn een voor korte gedingen “ruime” termijn vaststellen, met name zes maanden na deze uitspraak.

3.5. De proceskosten zal de Kantonrechter compenseren tussen partijen, die bloedverwanten van elkaar zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten dragen en betalen.

3.6 Een laatste opmerking. De Kantonrechter heeft nog getwijfeld of hij de medegevorderde machtiging tot het inroepen van de hulp van de Sterke Arm zou toewijzen. Dat stuitte, gelet op de familierelatie tussen partijen (moeder-zoon), de Kantonrechter tegen de borst. Evenwel heeft de verslechterde relatie tussen partijen, zoals gebleken uit de processtukken en geëtaleerd ter gelegenheid van de comparitie van partijen, de doorslag gegeven en geleid tot toewijzing daarvan.

4. De beslissing

De Kantonrechter:

A. Gelast gedaagde de litigieuze woning, staande en gelegen aan de[ adres 2] in het [district 1] , binnen zes maanden na deze uitspraak, te ontruimen en deze ter beschikking van eiseres te stellen, met medeneming van alle zijnentwege aldaar bevindende personen en goederen.
B. Machtigt eiseres om de hulp van de Sterke Arm te mogen inroepen, indien gedaagde mocht weigeren aan het bepaalde in dit vonnis gevolg te geven.
C. Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad.
D. Compenseert dé proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.
E. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door Mr. A. Charan, Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton en op dinsdag 7 juni 2006 in het openbaar uitgesproken te Paramaribo door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. J.R. Von Niesewand, in tegenwoordigheid van de Griffier.

w.g. S. Tika

w.g. A Charan

w.g. J.R. Von Niesewand

SRU-K1-2013-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 123805
12 december 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding.
gemachtigde: mr. A. van der San, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name het ministerie van Justitie en Politie, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr.H.H. Veldkamp, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 1 oktober 2012 ter griffie der kantongerechten is ingediend
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek
  • de op 28 maart 2013 gegeven rolbeschikking;
  • het proces-verbaal van de op 14 mei 2013 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij brief dd. 10 maart 2011 heeft Vice President aan de Minister van Justitie en politie medegedeeld dat ontheffing is verleend van de personeelsstop, teneinde eiser als chauffeur/bode aan te trekken, en wel te rekenen van 1 maart 2011.

2.2 Bij beschikking dd. 28 maart 2011 is door de minister van Justitie en Politie, de directeur van Justitie en Politie gemachtigd om met eiser een arbeidsovereenkomst aan te gaan overeenkomstig de bepalingen van de Personeelswet

2.3 In 2011 heeft de waarnemend directeur van Justitie en Politie een arbeidsovereenkomst gesloten met eiser te rekenen vanaf 16 maart 2011 en wel voor de duur van 1 jaar met de mogelijkheid tot verlenging.

2.4 Bij brief dd. 5 augustus 2010, afkomstig van de Minister van Binnenlandse Zaken en gericht aan alle Ministers, is het volgende medegedeeld:
”Onder verwijzing naar de toelichting, die u als bijlage aantreft, verzoek ik u de volgende richtlijn op uw ministerie toe te passen in de voorkomende gevallen.
De landsdienaar die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van de overheid treedt, dient binnen 6 maanden van een aanstelling in vaste dienst te worden voorzien indien:
– De landsdienaar bij het geneeskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 12 lid 1 van de Personeelswet lichamelijk geschikt is bevonden:
– En de omstandigheden zoals opgenomen in de artikelen 14 en 15 van de Personeelswet niet van toepassing zijn op de landsdienaar.
Rekenend op een correcte uitvoering van deze richtlijn”.

2.5 Bij brief dd.14 maart 2012 van eiser gericht aan de waarnemend directeur van Justitie en Politie heeft eiser het verzoek gedaan om hem van een vaste aanstelling te voorzien ingevolge de Personeelswet en de instructie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

2.6 Op 21 maart 2012 is eiser aan een medische keuring onderworpen en is hij goedgekeurd.

2.7 Bij brief dd. 25 juli 2012 van de waarnemend directeur van Justitie en Politie, is aan eiser medegedeeld dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst ingaande 25 september 2012 is opgezegd.

2.8 Bij beschikking dd. 23 augustus 2012 is de arbeidsovereenkomst met eiser met ingang van 25 september 2012 opgezegd.

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. schorsing van de beschikking dd. 23 augustus 2012.
b. veroordeling van gedaagde om de uitbetaling van de bezoldiging en alle rechten en plichten zoals vervat in de Personeelswet te eerbiedigen.
c. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

3.2 Eiser stelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door gedaagde in strijd is met de Personeelswet. Naar de kantonrechter begrijpt dat stelt eiser zich op het standpunt dat gedaagde zich onrechtmatig gedraagt jegens hem.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft aangevoerd dat de kantonrechter onbevoegd is om kennis te nemen, van de onderhavige zaak, omdat het in casu gaat om een ambtenarenzaak waarvoor door de wetgever een speciale rechtsgang is gecreëerd.
Dit verweer gaat niet op.
De enkele omstandigheid dat eiser zich erop beroept dat gedaagde zich onrechtmatig jegens hem heeft gedragen, geeft ook de bevoegdheid van de kantonrechter in kort geding.

4.3 De vraag die thans dient te worden beantwoord is of eiser al dan niet ontvankelijk is in zijn vordering nu door de wetgever een speciale rechtsgang is gecreëerd voor ambtenarenzaken als de onderhavige.
Alhoewel door de wetgever een speciale rechtsgang is gecreëerd voor ambtenaren zaken is het een feit van algemene bekendheid, dat het niet verwachtbaar is dat binnen korte tijd een beslissing zal worden genomen. Aangezien eiser zonder inkomen zit is het ook van belang dat hij, binnen de kortst mogelijke tijd, uit de onzekere positie waarin hij zich bevindt geraakt. Eiser is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

4.4 Gedaagde voert voorts aan dat eiser geen aanstelling ingevolge artikel 12 van de Personeelswet doch dat hij, gedaagde, een tijdelijke dienstverband heeft beoogd met eiser.
Dit verweer gaat evenmin op. Artikel 14 lid 1 van de Personeelswet, heeft een limitatieve opsomming gegeven voor aanstellingen in tijdelijke dienst. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval een van die omstandigheden zich voordoet. Evenmin is gebleken dat bij de indiensttreding van eiser, dat duidelijk aan hem kenbaar is gemaakt en hij begrepen heeft waar het om ging. De kantonrechter acht het derhalve aannemelijk dat partijen een arbeidsovereenkomst met elkaar zijn aangegaan. Bovendien blijkt dat ook uit de kop van de tussen partijen gesloten overeenkomst waarin met capitale letters is verwoord: “ARBEIDSOVEREENKOMST INGEVOLGE ARTIKEL 15 VAN DE PERSONEELSWET’.

4.5 Zoals reeds onder 2.4 van de feiten is overwogen, is gebleken dat de Minister van Binnenlandse Zaken bij brief dd. 5 augustus 2010 aan alle Ministers richtlijnen heeft doen toekomen voor de aanstelling van een ambtenaar in vaste dienst.
Gedaagde heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat door eiser is voldaan aan de in genomen brief opgenomen vereisten voor een vaste aanstelling, zodat daarvan kan worden uitgegaan. Door op een dergelijke manier om te gaan met de belangen van eiser, handelt gedaagde naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – in strijd met de Personeelswet en met de richtlijnen van de Minister van Binnenlandse Zaken zoals vervat in de brief dd. 5 augustus 2010 en zal het door gedaagde genomen besluit tot opzegging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst danwel beëindiging van de dienstbetrekking tussen partijen, door het Hof als ambtenarengerecht naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden vernietigd. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om het door gedaagde genomen besluit, bij beschikking dd. 23 augustus 2012, te schorsen totdat definitief daarover zal zijn beslist. Daarnaast zal gedaagde, in het kader van een voorlopige voorziening, worden veroordeeld om aan eiser te betalen zijn salaris zoals overeengekomen

4.6 Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter verdere bespreking van de overige stekingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5 . De beslissing

5.1 Schorst de beschikking dd. 23 augustus 2012 totdat definitief daarover zal zijn beslist.

5.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen zijn salaris zoals overeengekomen tussen partijen en wel met ingang van september 2012 totdat definitief daarover zal zijn beslist.

5.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD258.= (tweehonderd en achtenvijftig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. I.S Chhangur-Lachitjaran en te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 12 december 2013 door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding in het Eerste Kanton mr. A.C. Johanns in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. A.C. Johanns

PARTIJEN IN KORT GEDING ZIJN NOCH IN PERSOON , NOCH BIJ GEMACHTIGDE BIJ DE UITSPRAAK TER TERECHTZITTING VERSCHENEN.

SRU-K1-2003-7

A.R.NO 032816

KANTONRECHTER 1e KANTON

[eiser].

ca

De Staat Suriname

[eiser], thans ingesloten in de penitentiaire inrichting Duisburglaan,
voor wie als gemachtigde optreedt, I.D.Kanhai, advokaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechts­persoon meer precies het MINISTE­RIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie kantoor- houdende aan de Gravenstraat No. 1 te Paramaribo,
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. N. Maikoe,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, In Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit: Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken; Gehoord de partijen;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Bij het op 30 juni 2003 ter griffie van dit kantongerecht ingediend inleidend rekest heeft eiser, onder overlegging van bijbehorende produkties, gesteld en gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren zal worden veroordeeld alsvolgt:

a. zal worden opgeschort de werking van de beschikking inzake bewaring zoals uitgereikt tegen de eiser en gedateerd 30 juni 2003 totdat bij een kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist over de rechtmatigheid van die beschikking;
b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 uur na uitspraak over te gaan tot de lijfelijke invrijheidstelling aan de eiser hierboven genoemd;
c. de gedaagde zal worden veroor­deeld tot het voldoen van een dwang­som van Sf. 10.000.000,– (tien mil­joen) aan de eiser voor elk uur dat zij in strijd met hierboven onder a gevorderde mocht handelen;
d. de gedaagde zal worden veroor­deeld in de kosten van het geding;

Te dienende dage zijn partijen ver­tegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting ver­schenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis over­eenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

De gemachtigde van gedaagde heeft een schriftelijke conclusie van ant­woord genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

De gemachtigde van eiser heeft een schriftelijke conclusie van repliek genomen, onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

De gemachtigde van gedaagde heeft een schriftelijke conclusie van dupliek genomen, onder overlegging van een productie, terwijl de gemachtigde van eiser af ziet om zich uit te laten over door gedaagde overgelegde productie;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Het spoedeisend belang van eiser bij de ingestelde vordering blijkt uit de stellingen van het inleidend rekest. Tussen partijen kan van het navolgende – als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet danwel onvoldoende gemotiveerd betwist en mede blijkende uit ten processe overgelegde produkties en in zoverre hier van belang – als rechtens vaststaand worden uitgegaan:

  1. bij beschikking van de Hulpofficier van Justitie [naam] d.d. 15 mei 2003 is de eiser verdacht van ernstige strafbare feiten, ingaande die dag in verzekering gesteld;
  2. die inverzekeringstelling is tijdig door de Auditeur-Militair (Vervolgingsambtenaar) verlengd voor 30 dagen, eindigende op 26 juni 2003;
  3. de Vervolgingsambtenaar heeft tijdig, te weten een vordering gedagtekend 3 juni 2003. de rechter­commissaris, belast met de behande­ling van strafzaken bij de krijgsraad, verzocht een bevel van bewaring tegen de eiser te verlenen ingaande 27 juni 2003:
  4. door een omissie op het bureau van de rechter-commissaris is de eiser als verdachte in verband met de vordering tot bewaring niet voor 27 juni 2003 voor die functionaris geleid, doch pas op 30 juni 2003, en de rechter-commissaris heeft bij beschik­king van laatstgenoemde datum de bewaring van, de eiser bevolen met ingang van 27 juni 2003, dus met terugwerkende kracht, met de overweging dat mede gelet op de zwaarte van de feiten, waarvan de verdachte verdacht wordt en de ernst van de tegen hem gerezen verdenking, zoals blijkt uit het reeds tegen de verdachte aangevangen gerechtelijk vooronderzoek, er alsnog aanleiding bestaat het bevel tot bewaring in­gaande 27 juni 2003 uit te vaardigen;
  5. de bewaring zal inmiddels verlengd zijn;
  6. eiser heeft bij verzoekschrift ingevolge artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering het Hof van Justitie geadieerd om het bevel van de rechter-commissaris dd. 30 juni 2003 tot bewaring van de eiser op te heffen, en het Hof heeft bij beschikking van 18 juli 2003 de eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op grond dat hij het Hof verzocht had een bevel van gevangenhouding en niet een bevel van bewaring van de rechter­commissaris op te heffen, en nu deze geen bevel van gevangenhouding gegeven had (doch een bevel van bewaring) werd beslist als voormeld;

Uit de vaststaande feiten blijkt dat inderdaad de rechter-commissaris 4 dagen na het verstrijken van het bevel van inverzekeringstelling een bevel van bewaring gegeven heeft, te weten op 30 juni 2003 met ingang van 27 juni 2003, doch de rechtsvraag is of dat bevel geen rechtsgevolg heeft omdat het te laat gegeven is;

Wij vinden het jammer dat het Hof op formele grond de eiser als boven aangegeven niet ontvankelijk ver­klaard heeft in zijn verzoek, te weten eiser had daarin gesteld dat de rechter-commissaris een bevel van gevangenhouding had gegeven, instede van een bevel tot bewaring en heeft het Hof een kans voorbij laten gaan om een uitspraak te doen over een te late verlening van een bevel van bewaring, omdat dit nogal eens voorkomt, en in eerste aanleg door de rechter in kort geding daarover verschillend beslist wordt. De eiser beging een omissie, doch de zaak was duidelijk: het betreft een bevel van bewaring,- en dus geen bevel van gevangenhouding- en Ons dunkt dat het Hof zich van de zaak te gemak­kelijk heeft ontdaan;

Nu de eiser het Hof geadieerd heeft, en het Hof heeft de eiser niet ont­vankelijk verklaard in zijn verzoek, doet zich de vraag voor of de eiser de rechter in kort geding mag adieren om zijn lijfelijke invrijheidstelling te vorderen;

De eiser zou op grond van artikel 61 lid 4 van het Wetboek van Straf­vordering na 30 dagen het Hof opnieuw kunnen adiëren, doch dan tegen het bevel tot verlenging van de bewaring, aangevende dat het eerste bevel te laat was gegeven en dan zien wat de uitkomst daarvan is;

Naar Ons voorlopig oordeel is niet een bevel tot bewaring nietig of on­geldig op de enkele grond dat het te laat gegeven is, omdat andere factoren daarbij een rol spelen: zijn er bijzon­dere omstandigheden op grond waar­van de eiser als verdachte mocht vertrouwen, dat na het verstrijken van de termijn van de inverzekeringstel­ling van verdere vrijheidsbeneming zou worden afgezien of omstandig­heden welke leiden tot de conclusie dat ten deze jegens de eiser gehandeld op een wijze welke met een redelijke wetstoepassing in strijd is;

Noch van het een noch van het andere is hier sprake ( zie de motivering van de rechter-commissaris sub 4 boven ): de eiser wordt verdacht van ernstige strafbare feiten, een gerechtelijk voor­onderzoek is gaande en hij baseerde zijn verzoek slechts op de formele grond van het laat gegeven zijn van die beschikking en niet op andere gronden als boven overwogen;

Wij hebben het een en ander breed­voerig overwogen om te voorkomen dat er nodeloos voor meerdere gerechtelijke instanties tegelijk gepro­cedeerd wordt. Nu er in casu op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering een met voldoende Waarborgen beklede procedure bestaat om tegen een bevel van bewaring op te komen, zijn Wij als kort geding rechter niet bevoegd van deze vordering kennis te nemen. Aldus zullen Wij dan ook beslissen, met veroordeling van de eiser, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten.

RECHTDOENDE IN KORTGEDING:
Verklaren Ons onbevoegd van deze vordering kennis te nemen.

Veroordelen eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op DONDERDAG 14 AUGUSTUS 2003, door de Kanton­rechter in het Eerste kanton, Mr.S.GANGARAM PANDAY, in tegenwoordigheid van de Fungerend- Griffier, Mr. S. TIKA.

SRU-K1-2019-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-3863
12 december 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. DE POLITIEKE VERENIGING PARTIJ VOOR RECHT EN ONTWIKKELING, afgekort PRO,
B. DE POLITIEKE VERENIGING SETI SRANAN POLITIEKE PARTIJ, afgekort SSPP,
C. DE POLITIEKE VERENIGING STREI!,
D. DE POLITIEKE VERENIGING ALTERNATIEF 2020,
allen gevestigd te Paramaribo,
eisers,
gemachtigden: mr. J.M. Nibte, mr. G.R. Sewcharan en mr. A.C.A. Karg, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 15 oktober 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met de producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 17 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De Kiesregeling van 1987 zoals zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1987 no. 70, S.B. 1987 no. 71, S.B. 1987 no. 83, S.B. 1987 no. 84, S.B. 2005 no. 6, bepaalt in artikel 7 onder de kop “POLITIEKE ORGANISATIES”:
“Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie mede beschouwd een kombinatie van politieke organisaties, welke met het oog op deelname aan algemene, vrije en geheime verkiezingen is gevormd, mits deze kombinatie bestaat uit politieke organisaties die voldoen aan de in het ”Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen zijn uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van bedoeld decreet.”

2.2 Na wetswijziging bij S.B. 2019 no. 55 wordt artikel 7 van de Kiesregeling als volgt gelezen:
“Voor de toepassing van deze wet wordt als politieke organisatie beschouwd een organisatie welke voldoet aan de in het ”Decreet Politieke Organisaties” gestelde vereisten en niet van deelneming aan verkiezingen is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van het eerder genoemde decreet.”

2.3 Onder hoofdstuk VII, “De registratie van politieke organisaties en de wijze van kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen”, zijn bij S.B. 2019 no. 54 in artikel 31 wijzigingen aangebracht, onder meer de toevoeging van drie nieuwe leden 5, 6 en 7 als volgt:

5. Aan de registratie als bedoeld in lid 4 is een waarborgsom verbonden. Bij staatsbesluit wordt de hoogte van de waarborgsom vastgesteld.

6. De betaalde waarborgsom als bedoeld in lid 5 wordt gerestitueerd binnen dertig dagen:
a. nadat de uitslag van de verkiezingen bindend is verklaard, en
b. indien de politieke organisatie tenminste één zetel in één van de volksvertegenwoordigende organen heeft behaald of het totaal aantal door de politieke organisatie behaalde stemmen op kandidaten voor De Nationale Assemblée gelijk is of meer bedraagt dan 1% van het totaal aantal kiesgerechtigden.

7. De hoogte van de waarborgsom is gelijk aan 1% van het aantal kiesgerechtigden vermenigvuldigd met SRD 25, -.

2.4 In artikel 61 van de Grondwet (hierna Gw), S.B. 1992 no. 38 is bepaald dat:

1. De Nationale Assemblée bestaat uit 51 leden die per district op grond van algemene, vrije en geheime verkiezingen krachtens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging bij grootste gemiddelde en voorkeursstemmen worden gekozen.
2. Personen, die zich in een district kandidaat hebben gesteld ter verkiezing tot afgevaardigde naar De Nationale Assemblée moeten in het desbetreffende district wonen en hun hoofd- of, werkelijk verblijf aldaar hebben en wel gedurende twee jaren voorafgaand aan de verkiezingen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde verbiedt om artikel I sub B en sub D van de wet nadere wijziging Kiesregeling te hanteren of toe te passen bij uitvoering van alle rechtshandelingen en feitelijke gedragingen die betrekking hebben op de algemene, vrije en geheime verkiezingen van leden van volksvertegenwoordigende lichamen in het kalenderjaar 2020, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan;

II. de werking van artikel I sub B en sub D van de wet nadere wijziging Kiesregeling opschort, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan;

III. alle organen van gedaagde die bij de verkiezingen betrokken zijn in ieder geval de President van de Republiek Suriname, het Centraal Hoofdstembureau, de Hoofdstembureaus in alle districten en het Onafhankelijk Kiesbureau veroordeelt om het te wijzen vonnis te gehengen en gedogen;

IV. e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000.000, – voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met deze beslissingen handelt en voorts met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen kort gezegd aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde door de aanname, publicatie en toekomstige toepassing van de Wet van 23 mei 2019, houdende wijziging van het Decreet Politieke Organisaties (S.B. 1987 no. 61), S.B. 2019 no 54 en de Wet van 23 mei 2019, houdende nadere wijziging van de Kiesregeling (S.B. 1987 no. 62, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2010 no. 29), S.B. 2019 no. 55 in strijd handelt met de artikelen 1 lid 1, 8 lid 2, 52, 53 en 60 Gw, artikel 23 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, AVRM, artikel 25 van het Verdrag Burger- en Politieke Rechten en fundamentele beginselen specifiek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eisers beroepen zich op artikel 60 jo artikel 83 lid 3 Gw en stellen dat niet aan het vereiste van twee-derde meerderheid is voldaan voor het geldend kunnen verklaren van de besluiten tot wijziging van genoemde wetten. Ook zijn de wijzigingen in werking getreden zonder overgangsbepaling, wat een inbreuk is op de door gedaagde in acht te nemen beginselen van behoorlijk bestuur, in deze ten aanzien van nieuwe politieke partijen, onder wie eisers. De aangebrachte wijzigingen hebben hen voorts de mogelijkheid ontnomen om door middel van politieke combinaties aan de verkiezingen deel te nemen. Introductie van de waarborgsom daarbij is niet alleen ongrondwettig en in strijd met geldende opvattingen over het partijlidmaatschap, maar ontbeert ook de nodige corresponderende bepalingen ter uitvoering van de betreffende wijzigingen in de Kiesregeling.

3.3 Gedaagde voert verweer en concludeert – samengevat – tot afwijzing van de gevraagde voorziening, omdat artikel 80 Gw, S.B. 1992 no. 38, de inhoudelijke toetsing van formele wetten aan de Grondwet door de rechter uitsluit. Dit toetsingsverbod wordt in het onderhavig geschil niet beperkt door de werking van artikel 137 Gw, omdat de in de Kiesregeling aangebrachte wijzigingen niet in strijd zijn met een of meer grondrechten als genoemd in hoofdstuk V van de Grondwet. Gedaagde onderbouwt zijn standpunt dat artikel 106 Gw geen toepassing vindt onder meer met het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1961, NJ 1963, 248, waarin kort gezegd is bepaald dat uitleg van wetten uitsluitend aan de wetgever toekomt en aan de beoordeling van de rechter is onttrokken. Geen verschil wordt gemaakt tussen de vraag of de inhoud van de wet in overeenstemming is met de wet en de vraag of bij de totstandkoming van de wet de voorgeschreven procedure in acht is genomen. In de gewijzigde Kiesregeling is volgens gedaagde de herdefinitie van het begrip politieke organisatie bepaald, wat geen verband houdt met het kiesrecht noch een beperking daarvan behelst. Op die grond kon voor de wijzigingen bij gewone meerderheid beslist worden. De introductie van de waarborgsom brengt geen hogere beperking dan de 1% regeling met zich voor wat het passief kiesrecht betreft. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat thans juist een meer toegankelijke deelname aan verkiezingen te behalen is. De waarborgsom wordt na de verkiezingen gerestitueerd indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter overweegt allereerst dat het door gedaagde bij dupliek gevoerd formeel verweer geen doel treft, omdat uit het verzoekschrift (onder 1.) voldoende blijkt dat eisers zich deugdelijk als politieke organisaties hebben gesteld. De conclusie van dupliek is bedoeld om te reageren op hetgeen bij repliek door eisers naar voren is gebracht en niet om een nieuw verweer naar voren te brengen, tenzij sprake is van zodanige feiten en/of omstandigheden die een redelijke verklaring kunnen vormen voor het pas bij dupliek naar voren gebrachte nieuw verweer. Gedaagde stelt dat verificatie van de politieke organisaties – eisers – niet is gebleken. Dat eisers rechtspersoonlijkheid bezittende politieke organisaties zijn volgens het Decreet Politieke Organisaties wordt door gedaagde daarom ontkend en geconcludeerd wordt tot niet ontvankelijkheid van eisers.
Als gedaagde dit verweer bij antwoord had gevoerd, waren eisers in de gelegenheid geweest daarop bij repliek in te gaan zodat het debat daarover tussen partijen was gevoerd in re- en dupliek. De wijze van procederen door zijn nieuw verweer niet reeds bij antwoord naar voren te brengen is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in strijd met eisen van een goede procesorde. Aan dit nieuw verweer wordt daarom voorbij gegaan.

4.3 De Kiesregeling is een wet in formele zin. Buiten twijfel staat dat het materiële toetsingsrecht, d.i. het onderzoek of de inhoud van de wet verenigbaar is met de Grondwet, aan de kantonrechter niet toekomt. In artikel 12 van de Wet Algemene Bepalingen der Wetgeving van Suriname (G.B. 1868 no. 14), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1893 no. 35, G.B. 1914 no. 32, G.B. 1918 no. 28, S.B. 1975 no. 1¬71, is bepaald dat de rechter volgens de wettelijke regelingen moet recht-spreken; hij mag in geen geval haar innerlijke waarde of billijkheid beoordelen.
Voorts behelst het formele toetsingsrecht het onderzoek of een regeling die het uiterlijk van een wet draagt is tot stand gekomen met inachtneming van de procedure door de Grondwet voorgeschreven. In artikel 60 Gw is neergelegd dat alles wat verder het kiesrecht betreft, de instelling van een onafhankelijk kiesbureau en zijn bevoegdheden, de indeling van Suriname in kiesdistricten, de verdeling van de zetels van De Nationale Assemblée per kiesdistrict en de methoden, volgens welke de regeling van de zeteltoewijzing plaatsvindt, worden geregeld bij wet. Deze wet dient met 2/3 meerderheid te worden aangenomen. Eisers stelling in dit verband is dat op grond van artikel 60 Gw de wijziging van de Kiesregeling door middel van een ongrondwettige procedure tot stand gekomen is. Het partijdebat concentreert zich daarbij op vragen over juridische semantiek en syntactische grammatica die de uitleg van het artikel bepalen dan wel zouden moeten bepalen. Beantwoording van deze vraag vergt evenwel formele toetsing. Artikel 80 lid 2 Gw ontneemt aan de kantonrechter de bevoegdheid tot formele toetsing, zoals ook door gedaagde in zijn verweer aangevoerd. Ten aanzien van de inhoud van formele wetten – in casu de aangebrachte wijzigingen in de Kiesregeling en het decreet Politieke Organisaties – geldt om die reden een toetsingsverbod aan de kantonrechter. Uitgangspunt voor uitleg van en aanknopingspunten voor toetsingsbevoegdheid dan wel toetsingsverbod vinden hun oorsprong in de context van de wetsgeschiedenis, zie arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1961, NJ 1963, 248 als volgt:

“dat blijkens de geschiedenis van zijn totstandkoming het tweede lid van het tegenwoordige artikel 131 van de Grondwet bedoelt uit te drukken dat, zoals het voorlopig verslag van de 2e Kamer dit destijds omschreef, ‘zolang de wetgeving niet tussen beide treedt, de geldigheid der wetten boven alle bedenking verheven moet zijn en dus ook geen andere macht in den Staat de bevoegdheid heeft om een bestaande wet op grond van vermeende strijdigheid met de Grondwet of iets dergelijks aan te randen’;
dat hieruit volgt dat de grondwetgever het oordeel over de vraag, met welke bepalingen van de Grondwet bij het tot stand brengen der wetten moet worden rekening gehouden en hoe die bepalingen moeten worden uitgelegd en toegepast, uitsluitend heeft willen doen toekomen aan den wetgever zelf en dus aan de beoordeling door den rechter heeft willen onttrekken;
dat daarbij geen reden bestaat verschil te maken tussen de vraag of de inhoud ener wet in overeenstemming is met de Grondwet, en die of bij de totstandkoming der wet de door de Grondwet voor de wetsvorming voorgeschreven procedure in acht is genomen, daar het antwoord op beide vragen afhankelijk is van de beoordeling van de wijze waarop bij den wetgevenden arbeid de bepalingen van de Grondwet zijn uitgelegd en toegepast door de organen, aan welke de wetgevende macht door den grondwetgever is toevertrouwd;”

In zijn arrest van 14 april 1989, NJ 1989, 469 handhaaft de Hoge Raad deze uitleg:

“Verweerders hebben niet met zoveel woorden betoogd dat, gezien de geschetste gang van zaken, de wijze van totstandkoming van de wet als ongrondwettig moet worden bestempeld. Ook al zou dit de strekking van hun betoog zijn, dan zou de rechter daaraan geen consequenties kunnen verbinden. In het Nederlandse staatsbestel staat het volgen van de grondwettige procedure bij de totstandbrenging van een wet in formele zin niet ter beoordeling van de rechter. (…) Het verbod van beoordeling van de innerlijke waarde van een wet geldt voor de wet in materiele zin. De rechter mag een lagere wet toetsen op eventuele strijd met hogere (geschreven en soms ongeschreven) rechtsregels, maar ook bij lagere wetten mag hij niet treden in de innerlijke waarde daarvan (…).”

4.4 Uit de Memorie van Toelichting, S.B. 1992 no. 38, houdende wijziging van de Grondwet van de Republiek Suriname, blijkt dat de uitleg van de Hoge Raad in het hiervoor aangehaald arrest aansluit bij de bedoeling van de Surinaamse wetgever. Dit komt tot uitdrukking in de toelichting ten aanzien van de instelling van het Constitutioneel Hof:

“Binnen het staatsrechtelijk bestel dat in de Grondwet is neergelegd, kunnen de werkzaamheden van het Constitutioneel Hof niet van wetgevende aard zijn, daar wetgeving een gezamenlijke politieke activiteit van Assemblée en Regering is (…) maar anderzijds evenmin van rechtsprekende aard, daar deze justitiële activiteit voorbehouden is aan de Rechterlijke Macht”
(…)
“ Derhalve zal het Constitutioneel Hof (…) dat wel de bevoegdheid moet hebben om bij geconstateerde strijdigheid met de Grondwet, de wet of bepalingen daarvan onverbindend te verklaren, het aan de Wetgever overlatend om de gewraakte wet of bepaling te wijzigen of in te trekken, en aan de rechter overlatend om in concrete gevallen recht te spreken. Het één en ander is in het onderhavige ontwerp (artikel 144, nieuw) in deze zin geregeld (…). Het Constitutioneel Hof als Juridisch toetsingsorgaan zal zich in de eerste plaats met de ”(abstracte) normtoetsing” dienen bezig te houden: het toetsen van de inhoud van wetten of gedeelten daarvan op verenigbaarheid met bepalingen van de Grondwet of van geldende verdragen en overeenkomsten met volkenrechtelijke organisaties (artikel 144 lid 2 sub a). Vermits deze ”materiële toetsing” in strijd is met de bepaling, dat de wetten onschendbaar zijn (artikel 80 lid 2), is een omissie in de Grondwet weggemaakt en is dit artikel dienovereenkomstig aangepast (…). De constitutionele toetsingsbevoegdheid houdt geen “formele toetsing” in: niet nagegaan mag worden, of ten aanzien van totstandkoming van de wet de daarvoor geldende procedure-voorschriften zijn nageleefd, aangezien deze bevoegdheid alleen aan de Assemblée is voorbehouden.”

4.5 Het verweer van gedaagde slaagt. Op grond van voorgaande overwegingen wordt niet aan toetsing van de totstandkoming noch van de innerlijke waarde en billijkheid van de in deze zaak bestreden wetswijzigingen zoals hiervoor onder 2.1 tot en met 2.3 aangehaald toegekomen.

4.6 De vordering keert zich voorts tegen toepassing van de gewijzigde wetten op eisers. Door het van kracht worden van de gewijzigde wetten per 23 mei 2019, hebben eisers – zo stellen zij – als nieuwe politieke organisaties anders dan uit artikel 61 lid 2 Gw voortvloeit niet een termijn van twee jaren ter beschikking om aan de voorwaarden tot kandidaatstelling te voldoen. Volgens eisers klemt dit temeer, omdat in de bestreden wetswijzigingen niet in overgangsbepalingen is voorzien. Gedaagde voert in dit verband als verweer dat in het verleden vaker, en korter voor de verkiezingen, ingrijpende wijzigingen van de Kiesregeling hebben plaatsgevonden zonder gekwalificeerde meerderheid. Voor zover gedaagde hiermee heeft bedoeld feiten en omstandigheden van eenzelfde strekking als hiervoor overwogen te benoemen, heeft dit verweer door zijn eerder ingenomen standpunt over de toetsingsonbevoegdheid van de kantonrechter thans geen plaats, nu ook ten aanzien van dit verweer heeft te gelden dat aan de kantonrechter daartoe de toetsingsbevoegdheid ontbreekt. Het verweer van gedaagde wordt daarom verworpen.

4.7 Eisers beroepen zich op artikel 8 lid 2 van hoofdstuk V Gw waarin onder meer is neergelegd dat niemand op grond van zijn politieke overtuiging en economische positie gediscrimineerd mag worden. Voor zover eisers zich gediscrimineerd duiden door de introductie van de wetswijzigingen als hiervoor overwogen, is het nodig de belangen van eisers tegenover de belangen van overige deelnemers aan de verkiezingen af te wegen. Eisers onderscheiden zich in hun stellingen zodanig ten opzichte van laatstgenoemden dat deze, anders dan eisers, door de geïntroduceerde waarborgsom niet belemmerd worden in hun deelname aan de verkiezingen, omdat zich onder hen kapitaalkrachtige organisaties zouden bevinden. Deze ongelijkheid wordt volgens eisers verder vergroot door het zogenoemde combinatieverbod, d.i. het wegvallen van de mogelijkheid een combinatie van politieke partijen aan te gaan vóór deelname aan de verkiezingen, wat eisers juist de mogelijkheid zou bieden het nadeel van de waarborgsom te mitigeren. Bedoelde stellingen van eisers zijn erop gericht, zo begrijpt de kantonrechter, dat zij toepassing van de wetswijzigingen daarom strijdig oordeelt met artikel 8 lid 2 Gw en de toepassing voor het onderhavig geval ongeoorloofd verklaart.

4.8 Een specifieke interpretatie van het begrip ‘politieke overtuiging’, ruimer dan het lidmaatschap van een politieke partij, vakvereniging of andere identiteitsgebonden organisaties, is niet voorhanden. Wel oordeelde het Europees Hof in ASLEF/ Redfearn dat vrijheid van vereniging nauw aansluit bij de vrijheid van overtuiging. Eerder (Young/ James and Webster) stelde het Hof reeds dat artikel 11 EVRM (vrijheid van vergadering en vereniging) ondanks zijn autonome rol en specifieke toepassingssfeer beoordeling vindt in het licht van de artikelen 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) en 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). Deze drie artikelen delen de doelstelling de persoonlijke overtuiging te beschermen. Eisers hebben naast hun stellingen over de ontoereikende financiële middelen van nieuwe politieke organisaties en het mitigeren van de effecten van de waarborgsom geen specifiek standpunt ingenomen dat betrekking heeft op de eigen politieke overtuiging. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat eisers’ stellingen zich niet primair richten tegen discriminatie op grond van politieke overtuiging. Voor zover eisers met hun stellingen discriminatie op grond van economische positie hebben beoogd gaat de kantonrechter hieraan voorbij nu zij hebben nagelaten in rechte die concrete feiten aan te voeren die een dergelijk onderscheid aannemelijk maken.

4.9 Tussen partijen is onweersproken dat de registratie door de politieke organisaties voor deelname aan de verkiezingen van 25 mei 2020, ex artikel 31 Kiesregeling, uiterlijk op 21 maart 2020 moet hebben plaatsgevonden en de kandidaatstelling voor volksvertegenwoordigende lichamen op uiterlijk 09 april 2020. Eisers stellen dat sprake is van een inbreuk op het gelijkheids-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel jegens hen en zij bovendien als gevolg van de van kracht zijnde wetswijzigingen over een significant kortere termijn beschikken voor het treffen van de nodige voorbereidingen naar de verkiezingen toe.

4.10 Het is vaste rechtspraak dat het de kantonrechter niet alleen niet is toegestaan wetten in formele zin aan de Grondwet te toetsen, ook toetsing van een formele wet aan algemene rechtsbeginselen valt buiten de bevoegdheid van de kantonrechter. Het redelijkheidscriterium kan in gevallen uitkomst bieden, evenwel zal daarbij de innerlijke waarde of billijkheid van de wet geen beoordeling mogen vinden. De kantonrechter merkt nog op dat in het geval van toepassing van het redelijkheidscriterium terughoudendheid geboden is. Aan die beoordeling komt de kantonrechter evenwel niet toe. Overwogen wordt dat de aangebrachte wijzigingen van artikel I sub B en D van de wet nadere wijziging Kiesregeling van toepassing zijn op elke politieke organisatie die zich zal registreren voor deelname aan de verkiezingen in mei 2020. De stelling van eisers als nieuwkomers, dat zij over een kortere tijd aan voorbereiding beschikken dan andere politieke organisaties treft geen doel. Ook in het geval van toewijzing van eisers’ vorderingen is en blijft het vereiste ex artikel 61 lid 2 Gw immers onverkort op alle deelnemende politieke organisaties van toepassing. Deze grondwettelijke bepaling staat los van de gewijzigde artikelen in de Kiesregeling en het decreet Politieke Organisaties en is reeds vanaf het jaar 2018 effectief voor degenen die zich kandidaat zullen stellen voor de verkiezingen in het jaar 2020. Nota bene hebben eisers het petitum zodanig ingericht dat bij een eventuele toewijzing van hun vorderingen, rechten en belangen van derden hierin betrokken zullen zijn, nu uit de formulering voortvloeit dat het verbod op toepassing en opschorting van de wetswijzigingen ook voor de niet in deze zaak betrokken politieke organisaties rechtsgevolgen zal hebben, terwijl laatstgenoemden geen verweer ter verdediging van hun belangen hebben kunnen voeren in de onderhavige zaak.

4.11 De slotsom luidt dan ook dat het gevorderde zal worden afgewezen. De overige standpunten van partijen hoeven geen bespreking meer, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.12 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op donderdag 12 december 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K2-2019-5

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-04995
Vonnisnummer : 2019/836
Datum uitspraak : 4 december 2019
Verstek
Raadslieden : mr. I. Kanhai en mr. M. Dubois

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar

tegen:

[verdachte],
geboren op [datum] te [district 1],
van beroep: Ingenieur,
wonende aan [adres] in het [district 2],
niet verschenen.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 januari 2017, 24 april 2017, 5 mei 2017, 16 mei 2017, 26 juli 2017, 11 oktober 2017, 8 november 2017, 5 december 2017, 10 januari 2018, 20 februari 2018, 15 maart 2018, 25 april 2018, 22 mei 2018, 13 juni 2018, 8 augustus 2018, 24 oktober 2018, 1 november 2018, 12 december 2018, 24 januari 2019, 15 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019, 17 mei 2019, 14 juni 2019, 17 juli 2019, 16 oktober 2019, 23 oktober 2019, 6 november 2019 en 20 november 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder A te veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden onvoorwaardelijk onder aftrek.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) dat de verdachte in 2013 reeds met ontslag was waardoor de periode in de ten laste legging niet van toepassing kan zijn op de verdachte;
b) dat de handelingen die geschetst worden in de ten laste legging wijzen op wanprestatie van een leverancier en niet op strafwaardige handelingen;
c) dat de directie in die periode onder druk van vele stroomonderbrekingen moest werken en dat slechts getracht werd aan die problemen op een spoedige termijn een oplossing te brengen; ondanks die omstandigheden heeft de accountant een oordeel gegeven dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het geconsolideerde vermogen;
d) uit de rechtspraak en de literatuur, met name het Overzichtsarrest, blijkt de toets die aan de orde is bij oplichting namelijk dat onder listige kunstgrepen moet worden verstaan bedriegelijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden: voor samenweefsels van verdichtselen moet er sprake zijn van een zodanig verband tussen verschillende leugens dat zij elkaar wederkerige en bedriegelijke schijn van waarheid geven; uit de verhoren is komen vast te staan dat van het voorgaande geen sprake was;
e) uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot betaling na daartoe toestemming te hebben verkregen; de betaling is via de bank verlopen en aan wie is betaald is bekend; om die reden is van verduistering ook geen sprake geweest.

2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

4. Vrijspraak
De kantonrechter is, anders dan de vervolging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard, dat de verdachte het onder A, (de oplichting van de EBS en de Staat) of B, (de verduistering van gelden) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

5. Bespreking van de bewijsmiddelen en de verweren
De kantonrechter overweegt hieromtrent het hierna volgende:

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

De feiten die de verdachte concreet worden verweten luiden alsvolgt:

  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk afgesproken dat nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken;
  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk op 2 oktober 2012 aan Greenland aangegeven dat zijn aanbieding is geselecteerd terwijl de evaluatie van de aanbesteding pas op 2 november 2012 plaatsvond,
  • Verdachte heeft Greenland op 8 november 2012 een prijsofferte laten aanbieden waarin tevens een mobiele noodstroom installatie is opgenomen en is aangegeven dat de levering binnen 60 tot 90 dagen zou plaatsvinden,
  • Verdachte heeft in strijd met de procedures de afdeling procurement en project engineering niet betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project,
  • Verdachte heeft, ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS en het feit dat Greenland niet wilde voorfinancieren, toch op 12 november 2012 een ongunstig leveringscontract met Greenland gesloten waarbij het contract niet is geregistreerd in het contractenregister, en waarbij vooraf noch de Raad van Commissarissen goedkeuring heeft gegeven noch de bedrijfsjurist geconsulteerd is;
  • Verdachte heeft, ondanks het feit dat de volledige levering uitbleef toch een tweede contract gesloten met nadelige betalingsvoorwaarden;
  • Verdachte heeft, na het verstrijken van de leveringstermijn conform het eerste en tweede contract toch valselijk en bedriegelijk te kennen gegeven dat er meerwerk en aanpassingen zijn verricht waarvoor betaald moet worden terwijl de afdeling project engineering die bestelling niet had geplaatst en daarvan niet op de hoogte was;
  • Verdachte heeft valselijk en bedrieglijk aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald,
  • Verdachte heeft op deze wijze de EBS en de Staat bewogen om de bedragen van USD.8.881.250,= en EUR.100.000,= af te geven;
  • zijnde de bovenstaande handelingen samen het samenweefsel van verdichtselen en de listige kunstgrepen middels welke de EBS en de Staat bewogen zijn tot afgifte en subsidiair
  • de hiervoor bedoelde bedragen verduisterd.

De vervolging heeft voor het bewijs de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen genoemd waaronder de getuigenverklaringen van de [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6].

De verdachte heeft tijdens het gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – alsvolgt verklaard:
“Er was een procurement beleid om meerdere spelers binnen te krijgen bij de EBS. Greenland had al een relatie met de EBS, zij verrichtten al werkzaamheden voor de EBS. Greenland beschikte over de business skills en specifieke deskundigheid konden zij inkopen. Dit zelfde geldt voor Kersten en Olibis. Voor wat betreft de aankoopprocedure van de blackstart heb ik de instructie gegeven om mensen uit te nodigen om te bidden voor de blackstart. De verdere procedure is uit mijn zicht. Wanneer het proces is afgelopen komt de zaak afhankelijk van de procuratie weer bij mij of bij een andere directeur. Ik wil toevoegen dat ik expliciet de opdracht van de aandeelhouder heb gehad om meer spelers te betrekken. Eén van de eerste acties was een oproep in de krant om nieuwe leveranciers te registeren en bestaande te herregistreren. Zo is Greenland binnen gekomen. Greenland was niet de goedkoopste maar werd gekozen omdat er een selectie plaats vindt op basis van verschillende factoren, zoals prijs, kwaliteit en leveringssnelheid. De formele toestemming was nodig van de totale RvC. Echter had de president-commissaris het mandaat van de overige leden vanwege de crisis situatie die er toen heerste om beslissingen te nemen. Bij die vergadering waar dat mandaat is gegeven heb ik ook aangezeten. De crisis in 2012 hebben wij kunnen bedwingen en wel met de hakken over de sloot. Wij hadden in 2013 15 megawatt extra nodig om loadshedding te voorkomen. Toen heb ik de eerste unit laten bestellen. Ook toen was het resultaat niet bevredigend. Toen is de tweede mobiele unit besteld. Nickerie had ook stroom nodig dus zouden we de mobiele units naderhand daar naartoe verplaatsen. Er was geen aanbesteding gehouden omdat er sprake was van een noodsituatie. Als er brand ergens is moet je die blussen. Er is sprake geweest van een open onderhandeling met Greenland. Greenland was de enige die met de oplossing kwam van de levering van de mobiele units. Zij zijn zelf gekomen met het bod. Het is net als met intellectueel eigendom. Het zou niet juist zijn om dan met de aangedragen oplossing te gaan naar andere leveranciers.”

Tijdens het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting zijn de volgende verklaringen afgelegd die de verklaring van de verdachte ondersteunen:

De verklaring van de [getuige 7] bij de politie:
Ik heb de eindverantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekeningen van onze clienten…. wat de CLAD aangeeft is niet juist. Het is geen doorbreking van de bestendige gedragslijn. Het is dus geen stelselwijziging. … meerwerk is niet verwerkt in de jaarrekening van 2012 want toen was het eerste contract nog maar 2 weken oud en het tweede contract was nog niet getekend. De facturen van meerwerk afkomstig van Greenland waren van 2014. Wij hadden wel gezien dat er in 2013 of 2014 email verkeer was over meerwerk maar er was nog geen informatie over de hoogte en uitkomst van het meerwerk. ….. ik denk dat de directie van de EBS toen nog niet wist wat het bedrag aan meerwerk zou zijn. Het was best wel iets ingewikkelds. In de beginfase was de heer [verdachte] belast met het product. In 2014 is hij ontlast en toen kwamen anderen het project draaien. De heer [getuige 6] heeft wijzigingen aangebracht in het ontwerp. Ik denk dat door de veranderingen het niet duidelijk was hoeveel het bedrag aan meerwerk zou opleveren.

De verklaring van de [getuige 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Wij hebben de vraag geformuleerd bij welk bedrijf de goederen zijn aangeschaft. Het is gebleken dat de goederen zijn aangeschaft bij het bedrijf Greenland . Er zijn eerst offertes aangevraagd voor de levering bij Surmac, Olibis en Greenland . Het voorstel werd, na een beoordeling van de drie offertes, gedaan door de heer [getuige 5] om te kiezen voor Greenland omdat zij in staat zou zijn sneller te leveren. .. in beide gevallen is de goedkeuring van de RvC achteraf geschiedt…… voor wat betreft het bedrag van SRD.22.030.018,75 waarvan [naam 1] beweerd heeft dat dit bedrag niet is verantwoord moet ik u verklaren dat dit bedrag wel verantwoord is, maar deel uitmaakt van een groter geheel.
Op 20 september 2013 heeft de tweede betaling van beide leveringscontracten plaatsgevonden. Ondanks deze betaling werd niet geleverd omdat partijen het niet met elkaar eens waren over het te verrichten meerwerk door Greenland. EBS, de directeur [naam 2], heeft toen Greenland in gebreke gesteld.

De verklaring van de [getuige 2] op de zitting:
Ik kom terug op mijn eerder afgelegde verklaring bij de RC dat er sprake is van fraude. Ik verklaar hierbij dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude.

De verklaring van de [getuige 3] bij de politie:
Ik moet u verklaren dat daar zaken nu overlegd zijn ik u moet meedelen dat het om originele documenten gaat. Ook bij het tweede document heb ik mijn handtekening herkend. Doordat het een lange periode terug is geweest, kon ik mij niet heugen als ik nog een tweede gelijkende verklaring voor goedkeuring getekend had voor de aanschaf van desbetreffende installaties.

De verklaring van de [getuige 4 ] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Het kan zijn dat er vooraf mondelinge toestemming was verleend en dat dat enkele dagen later is bevestigd …. ik kan mij niet meer heugen dat de heer [getuige 3] mij op de hoogte had gesteld van deze twee leveringscontracten. Het zou kunnen maar ik kan mij absoluut niet herinneren…. het is mij niet bekend dat de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid, zonder voorafgaande toestemming van de Raad, heeft omzeild…..De EBS moet niet gezien worden als een normale NV. De EBS functioneert als een instrument van de overheid om essentieel diensten waaronder electrificatie aan de gemeenschap te leveren. De aandeelhouder heeft in dat kader een veel directere relatie met het management van het bedrijf. Normaliter zou die communicatie moeten gaan via de RvC. Als voorbeeld kan dienen dat de overheid op dit moment heel nauw bezig is met het management wat betreft de energie tarieven….. Vanwege de op handen zijnde verkiezingen had de overheid opdrachten gegeven aan de EBS om electrificatie projecten uit te voeren in het binnenland. Echter moet daarvoor geld zijn. Er zijn een paar geldschieters die normaliter worden aangeboord om die projecten te financieren. De EBS heeft namelijk geen geld en zit met heel veel schulden. Daarom kan de EBS ook niet simpelweg naar de bank toestappen.

De verklaring van de [getuige 6] bij de politie:
Ik zou het niet zo stellen. Het meerwerk is ontstaan nadat er onderhandeld is tussen onze engineers en Greenland over de technische aspecten. Ik denk dat bij deze onderhandelingen iets verkeerd is gegaan daar de engineers duidelijk aangegeven hadden wat zij wilden terwijl Greenland zulks verkeerd begrepen had. Voor wat betreft het meerwerk kan de directie deze voor niets anders gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Te uwer informatie heb ik het meerwerk ter beoordeling ontvangen van meneer [naam 2]. Deze had ik doorgeleid naar de engineers.

De verklaring van de [getuige 8] bij de politie:
Ik denk dat het bedrijf Superior Contracting bereid was gevonden door het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen om als financier op te treden voor de aankoop van goederen. Als ik mij niet vergis heeft het Ministerie van NH Superiour Contracting voorgesteld aan de EBS. In die tijd was het zo dat de overheid geen geld had voor de aankoop van goederen en diensten. Men zocht zodoende naar een financier. …. het is mij niet bekend in hoeverre de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid, zonder voorafgaande toestemming van de RvC te handelen, heeft omzeild. … in deze kwestie had de EBS geen geld om aankopen te doen rechtstreeks naar de leverancier toe. Men heeft toen een financier bereid gevonden om de aankopen te doen. Deze financier heeft dan ook meer kosten in rekening gebracht

De verklaring van de [getuige 9] bij de rechter-commissaris:
Overigens wil ik opmerken dat juist het electrisch gedeelte door de leverancier wel is opgeleverd terwijl het werktuigbouwkundig gedeelte niet is opgeleverd. Het electrisch gedeelte, is het gedeelte dat specifiek wordt gebouwd met informatie die wij geven. Het is dus custom made. Het werktuigbouwkundig gedeelte is juist standaard made, hetgeen betekent dat daarvoor geen specifieke informatie nodig was…… Ik ben een aantal keren naar de heer [verdachte] geweest om hem aan te geven dat zaken niet liepen. .. Tijdens de correspondentie met de leverancier kunnen er technische zaken besproken worden, waarbij zaken anders moeten worden gebouwd, dan aanvankelijk was gedacht. Danwel dat technisch iets niet was voorzien of duidelijk was waarvoor wel een oplossing noodzakelijk was. Dit alles hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot meerwerk.
………….Op verzoek van de technisch directeur heb ik samen met twee andere engineers gekeken naar het meerkwerkdocument en in principe hebben wij dat toen niet goedgekeurd, daar er wat onduidelijkheden waren en bepaalde bedragen ook te hoog waren. Hoe het toch is gekomen tot een commitment om te betalen voor het meerwerk, weet ik niet…
Met betrekking tot de blackstart was het een ander verhaal. De blackstart zou kaal worden opgeleverd. Om ermee te kunnen werken moest er nog randapparatuur worden aangeschaft, dat is gerapporteerd aan de heer [getuige 6]. Daar er geen geld was om dat binnenshuis te kopen kwam de instructie van de heer [getuige 6] om dit gedeelte van het materiaal dat gekocht moest worden te zetten op het project van Greenland. [getuige 6] werd door de afdeling engineering altijd geinformeerd waar wij mee bezig waren. ……in die periode was er ook een noodsituatie in het land. Of de nood zo hoog was dat in deze concrete kwestie gebruikelijke procedures niet zijn bewandeld is des oordeels van de directie.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de voorgaande verklaringen niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte bedriegelijk en valselijk heeft afgesproken dat er nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken.
Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valselijk en bedriegelijk nog voor de evaluatie heeft aangegeven dat Greenland is gekozen omdat uit de verklaringen blijkt dat het de [getuige 5] is geweest die de keus heeft gemaakt voor Greenland op grond van de levertijd en niet de verdachte.

De kantonrechter overweegt dat het feit dat Greenland een prijsofferte mocht aanbieden onder de hiervoor geschetste omstandigheden ook niet kan leiden tot het bewijs van enige bedriegelijke handeling van verdachte.

Ook is niet bewezen dat verdachte in strijd met de procedures de RvC, de afdeling procurement en project engineering en de juridische afdeling, niet heeft betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project.

Voorts is niet bewezen dat de verdachte strafwaardig heeft gehandeld door ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS de leveringscontracten aan te gaan.

Ook is niet bewezen dat de verdachte valselijk en bedrieglijk heeft aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald. Uit de verklaring van de getuige [getuige 6] blijkt dat het Greenland is geweest die aangaf dat voor het meerwerk betaald moet worden.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder A en B ten laste gelegde, de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6. De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder A en B van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, mr. K.S. Mahabier.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,

mr. K.S. Mahabier mr. A.C. Johanns

 

* Het Openbaar Ministerie heeft appèl aangetekend tegen dit vonnis

SRU-K2-2019-4

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-04994
Vonnisnummer : 2019/834
Datum uitspraak : 4 december 2019
Tegenspraak
Raadsman : mr. R.R. Lobo

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar

tegen:

[verdachte],
geboren op [datum] te [district],
van beroep: econoom,
wonende aan de [adres] te [district].

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 januari 2017, 24 april 2017, 5 mei 2017, 16 mei 2017, 26 juli 2017, 11 oktober 2017, 8 november 2017, 5 december 2017, 10 januari 2018, 20 februari 2018, 15 maart 2018, 25 april 2018, 22 mei 2018, 13 juni 2018, 8 augustus 2018, 24 oktober 2018, 1 november 2018, 12 december 2018, 24 januari 2019, 15 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019, 17 mei 2019, 14 juni 2019, 17 juli 2019, 16 oktober 2019, 23 oktober 2019, 6 november 2019 en 20 november 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder IA en II te veroordelen tot een gevangenisstraf van twee jaar waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, en een proeftijd van drie jaar.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de EBS of de Staat dan wel gelden heeft verduisterd of documenten heeft vervalst; de bewijsmiddelen die de vervolging in de loop van het onderzoek trachtte aan te wenden bleken steeds weer niet deugdelijk te zijn; dat gold onder andere voor de verklaring van de [getuige 1] van de CLAD, die op de zitting terugkwam op zijn eerdere verklaring dat er fraude zou zijn gepleegd; dat gold voor de verklaringen van de getuigen, zoals de [getuige 2], die verklaarde dat er wel toestemming was van de Raad van Commissarissen en dat het meerwerk was gecalculeerd samen met de technische afdeling van de EBS; voorts de [getuige 3] die verklaarde dat de voorzitter van de RVC toestemming had verleend voor de aanschaf van de goederen; voorts de [getuige 4] die verklaarde dat het Superior Contracting door het ministerie van NH was voorgesteld aan de EBS; ook de verklaringen van de [getuige 5] , [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8] en [getuige 9].
b) dat het Openbaar Ministerie primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het Openbaar Ministerie bij haar vervolging in strijd heeft gehandeld met het fair trail beginsel, het fair hearing beginsel en de beginselen van goede procesorde.
c) dat de verdachte subsidiair, moet worden vrijgesproken omdat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn.

2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De verdediging heeft zich erop beroepen dat de CLAD die het vooronderzoek in de zaak deed aan de verdachte geen ruimte bood om op een goede manier weerwoord te voeren. Ook hebben de accountants van de CLAD die het onderzoek deden belangrijke documenten achter gehouden en belangrijke instanties die aan de verdachte instructies hadden gegeven niet gehoord. Het onderzoek van de CLAD vond plaats in strijd met de waarborgen van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging heeft zich er voorts op beroepen dat de vervolging in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door andere functionarissen die ook betrokken waren bij de aankoop van de goederen en van de geldtransacties op de hoogte waren of opdracht hebben gegeven voor de geldtransacties, niet zijn vervolgd.

Het Openbaar Ministerie heeft op deze weren gereageerd waarbij werd aangevoerd dat de CLAD accountants wel voldoende ruimte aan de verdachte hebben gegeven om weerwoord te voeren. Voorts bleef de vervolging bij haar standpunt dat de verdachte als directielid verantwoordelijk was voor de financiën van het bedrijf en het belang van de EBS niet voorop heeft gesteld door de aandeelhouder te informeren over het gedrag van de leverancier.

De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier niet zodanige feiten en omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

4. Vrijspraak
De kantonrechter is, anders dan de vervolging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard, dat de verdachte het onder IA, (de oplichting van de EBS en de Staat), IB, (de verduistering van gelden) en II, (de vervalsing van purchase-orders) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

5. Bespreking van de bewijsmiddelen en de verweren
De kantonrechter overweegt hieromtrent het hierna volgende:

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

De feiten die de verdachte concreet worden verweten luiden alsvolgt:

  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk, want zonder valide argument, afgesproken dat nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken;
  • Verdachte heeft valselijk en bedriegelijk op 2 oktober 2012 aan Greenland aangegeven dat zijn aanbieding is geselecteerd terwijl de evaluatie van de aanbesteding pas op 2 november 2012 plaatsvond,
  • Verdachte heeft Greenland op 8 november 2012 een prijsofferte laten aanbieden waarin tevens een mobiele noodstroom installatie is opgenomen en is aangegeven dat de levering binnen 60 tot 90 dagen zou plaatsvinden,
  • Verdachte heeft in strijd met de procedures de afdeling Procurement en Project Engineering niet betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project,
  • Verdachte heeft, ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS en het feit dat Greenland niet wilde voorfinancieren, toch op 12 november 2012 een ongunstig leveringscontract met Greenland gesloten waarbij het contract niet is geregistreerd in het contractenregister, en waarbij vooraf noch de Raad van Commissarissen goedkeuring heeft gegeven noch de bedrijfsjurist geconsulteerd is;
  • Verdachte heeft, ondanks het feit dat de volledige levering uitbleef toch een tweede contract gesloten met nadelige betalingsvoorwaarden;
  • Verdachte heeft, na het verstrijken van de leveringstermijn conform het eerste en tweede contract toch valselijk en bedriegelijk te kennen gegeven dat er meerwerk en aanpassingen zijn verricht waarvoor betaald moet worden terwijl de afdeling Project Engineering die bestelling niet had geplaatst en daarvan niet op de hoogte was;
  • Verdachte heeft valselijk en bedrieglijk aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald,
  • Verdachte heeft op deze wijze de EBS en de Staat bewogen om de bedragen van USD.8.881.250,= en EUR.100.000,= af te geven;
  • zijnde de bovenstaande handelingen samen het samenweefsel van verdichtselen en de listige kunstgrepen middels welke de EBS en de Staat bewogen zijn tot afgifte,
  • subsidiair de hiervoor bedoelde bedragen verduisterd en voorts
  • samen met anderen purchase orders valselijk voorzien van een ordernummer, een orderstatus, een handtekening, en daarmee doen voorkomen alsof de orders van te voren, voor de levering van de goederen waren opgemaakt teneinde de chronologie van het bestellen, het ontvangen en opslaan kloppend te maken terwijl hij wist dat het in strijd met de waarheid was.

De vervolging heeft voor het bewijs de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen genoemd waaronder de getuigenverklaringen van de [getuige 6], [getuige 1], [getuige 7], [getuige 2], [getuige 8] en [getuige 9].

De verdachte heeft op de terechtzitting ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – alsvolgt verklaard:
“Er was een tekort aan stroom. Er werd afgesproken dat er nieuwe leveranciers zouden worden toevoegd. EBS kreeg een grotere schuld omdat de Staat de samenleving onder de kostprijs subsidieerde. Dat werd bij de EBS als een schuld geboekt. Ik had niet het oogmerk om mezelf of de leverancier te bevoordelen. Om uit de schulden te geraken konden wij via het Ministerie van Financiën door IDB gefinancierd worden, maar er waren eisen aan verbonden. Toen ontstond het idee om noodstroom te leveren. Op 29 of 30 september wordt Greenland uitgenodigd om te praten over de tekorten en de blackouts waarmee wij te maken hadden. Wij waren aan het pre format brainstormen. Greenland legde een oplossing van noodstroom op tafel. Wij hebben met de toenmalige president-commissaris die elke dag aanwezig was, hierover gesproken. Hij heeft gezegd dat dit moest worden uitgewerkt. De blackstart was een motor die de machines in de centrale kan boosteren wanneer de machines uitvallen. De noodstroominstallaties zijn iets anders, zij konden worden ingezet in bepaalde gebieden waar er nog geen energie was. Er zouden twee gekocht worden. De President van het land had dat ook in de jaarrede genoemd.
Wij hebben uit enthousiasme dit besproken met de RvC, de bal is gaan rollen en uiteindelijk kwamen de offerten en daarna de contracten. Er was absoluut geen sprake van misleiding en listen. Dit was vanuit het bedrijf, vanuit de strategie om het probleem van de stroomvoorziening op te lossen. In september was er al een idee over wie wat vroeg voor de blackstart en in oktober zou het gemeld zijn aan Greenland dat het bedrijf is gekozen op aanbeveling van [getuige 8]. In november werd gesproken over de noodstroomaggregaten.
Op een gegeven moment is de blackstart besteld. Die moest binnen 2 maanden geleverd worden. De eerste noodstroominstallatie is iets na de blackstart besteld. De levertijd van de noodstroomaggregaten was een paar maanden. Op directie niveau moesten wij schuiven met prioriteiten omdat noodstroom de hoogste prioriteit heeft. Er werd met de RvC en de aandeelhouder gesondeerd. Wij kregen de toezegging van de Staat dat zij voor de tweede noodstroominstallatie zouden inkomen. Het meerwerk speelde vanaf maart 2013. Wij hadden duidelijk afspraken gemaakt wat de scope van Greenland was en wat wij zelf intern zouden doen, omdat wij een engineering afdeling hebben. Er is meerwerk opgebracht. Je werkt met een design en terwijl je daarmee bezig bent ontstaat er meer werk op het moment dat of de klant of de leverancier enige problemen ziet in het design. Dan wordt het design aangepast, hetgeen meer werk inhoudt. Al die tijd werd er gecommuniceerd tussen de engineering en de leveranciers en wij zagen dat er meerwerk was.”

Tijdens het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting zijn de volgende verklaringen afgelegd die de verklaring van de verdachte ondersteunen:

De verklaring van de [getuige 5] bij de politie:
Ik heb de eindverantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekeningen van onze clienten…. wat de CLAD aangeeft is niet juist. Het is geen doorbreking van de bestendige gedragslijn. het is dus geen stelselwijziging. … meerwerk is niet verwerkt in de jaarrekening van 2012 want toen was het eerste contract nog maar 2 weken oud en het tweede contract was nog niet getekend. De facturen van meerwerk afkomstig van Greenland waren van 2014. Wij hadden wel gezien dat er in 2013 of 2014 email verkeer was over meerwerk maar er was nog geen informatie over de hoogte en uitkomst van het meerwerk. ….. ik denk dat de directie van de EBS toe nog niet wist wat het bedrag aan meerwerk zou zijn. Het was best wel iets ingewikkelds. In de beginfase was de heer [naam 1] belast met het product. In 2014 is hij ontlast en toen kwamen anderen het project draaien. De heer [getuige 9] heeft wijzigingen aangebracht in het ontwerp. Ik denk dat door de veranderingen het niet duidelijk was hoeveel het bedrag aan meerwerk zou opleveren.

De verklaring van de [getuige 6] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Wij hebben de vraag geformuleerd bij welk bedrijf de goederen zijn aangeschaft. Het is gebleken dat de goederen zijn aangeschaft bij het bedrijf Greenland. Er zijn eerst offertes aangevraagd voor de levering bij Surmac, Olibis en Greenland. Het voorstel werd, na een beoordeling van de drie offertes, gedaan door de heer [getuige 8] om te kiezen voor Greenland omdat zij in staat zou zijn sneller te leveren. .. in beide gevallen is de goedkeuring van de RVC achteraf geschiedt…… voor wat betreft het bedrag van SRD.22.030.018,75 waarvan [naam 3] beweerd heeft dat dit bedrag niet is verantwoord moet ik u verklaren dat dit bedrag wel verantwoord is, maar deel uitmaakt van een groter geheel.
Op 20 september 2013 heeft de tweede betaling van beide leveringscontracten plaatsgevonden. Ondanks deze betaling werd niet geleverd omdat partijen het niet met elkaar eens waren over het te verrichten meerwerk door Greenland. EBS, [de verdachte], heeft toen Greenland in gebreke gesteld.

De verklaring van de [getuige 1] op de zitting:
Ik kom terug op mijn eerder afgelegde verklaring bij de RC dat er sprake is van fraude. Ik verklaar hierbij dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude.

De verklaring van de [getuige 7] bij de politie:
Ik moet u verklaren dat daar zaken nu overlegd zijn ik u moet meedelen dat het om originele documenten gaat. Ook bij het tweede document heb ik mijn handtekening herkend. Doordat het een lange periode terug is geweest, kon ik mij niet heugen als ik nog een tweede gelijkende verklaring voor goedkeuring getekend had voor de aanschaf van desbetreffende installaties.

De verklaring van de [getuige 3] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Het kan zijn dat er vooraf mondelinge toestemming was verleend en dat dat enkele dagen later is bevestigd …. ik kan mij niet meer heugen dat de heer [getuige 7] mij op de hoogte had gesteld van deze twee leveringscontracten. Het zou kunnen maar ik kan mij absoluut niet herinneren…. het is mij niet bekend dat de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid zonder voorafgaande toestemming van de Raad heeft omzeild…..De EBS moet niet gezien worden als een normale NV. De EBS functioneert als een instrument van de overheid om essentieel diensten waaronder electrificatie aan de gemeenschap te leveren. De aandeelhouder heeft in dat kader een veel directere relatie met het management van het bedrijf. Normaliter zou die communicatie moeten gaan via de RvC. Als voorbeeld kan dienen dat de overheid op dit moment heel nauw bezig is met het management wat betreft de energie tarieven….. Vanwege de op handen zijnde verkiezingen had de overheid opdrachten gegeven aan de EBS om electrificatie projecten uit te voeren in het binnenland. Echter moet daarvoor geld zijn. Er zijn een paar geldschieters die normaliter worden aangeboord om die projecten te financieren. De EBS heeft namelijk geen geld en zit met heel veel schulden. Daarom kan de EBS ook niet simpelweg naar de bank toestappen.

De verklaring van de [getuige 9] bij de politie:
Ik zou het niet zo stellen. Het meerwerk is ontstaan nadat er onderhandeld is tussen onze engineers en Greenland over de technische aspecten. Ik denk dat bij deze onderhandelingen iets verkeerd is gegaan daar de engineers duidelijk aangegeven hadden wat zij wilden terwijl Greenland zulks verkeerd begrepen had. Voor wat betreft het meerwerk kan de directie deze voor niets anders gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Te uwer informatie heb ik het meerwerk ter beoordeling ontvangen van meneer [verdachte]. Deze had ik doorgeleid naar de engineers.

De verklaring van de [getuige 10] bij de rechter-commissaris:
Overigens wil ik opmerken dat juist het electrisch gedeelte door de leverancier wel is opgeleverd terwijl het werktuigbouwkundig gedeelte niet is opgeleverd. Het electrisch gedeelte, is het gedeelte dat specifiek wordt gebouwd met informatie die wij geven. Het is dus custom made. Het werktuigbouwkundig gedeelte is juist standaard made, hetgeen betekent dat daarvoor geen specifieke informatie nodig was…… Ik ben een aantal keren naar de heer [naam 1] geweest om hem aan te geven dat zaken niet liepen. .. Tijdens de correspondentie met de leverancier kunnen er technische zaken besproken worden, waarbij zaken anders moeten worden gebouwd, dan aanvankelijk was gedacht. Danwel dat technisch iets niet was voorzien of duidelijk was waarvoor wel een oplossing noodzakelijk was. Dit alles hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot meerwerk.
………….Op verzoek van de technisch directeur heb ik samen met twee andere engineers gekeken naar het meerkwerkdocument en in principe hebben wij dat toen niet goedgekeurd, daar er wat onduidelijkheden waren en bepaalde bedragen ook te hoog waren. Hoe het toch is gekomen tot een commitment om te betalen voor het meerwerk, weet ik niet…
Met betrekking tot de blackstart was het een ander verhaal. De blackstart zou kaal worden opgeleverd. Om ermee te kunnen werken moest er nog randapparatuur worden aangeschaft, dat is gerapporteerd aan de heer [getuige 9]. Daar er geen geld was om dat binnenshuis te kopen kwam de instructie van de heer [getuige 9] om dit gedeelte van het materiaal dat gekocht moest worden te zetten op het project van Greenland. [getuige 9] werd door de afdeling engineering altijd geïnformeerd waar wij mee bezig waren. ……in die periode was er ook een noodsituatie in het land. Of de nood zo hoog was dat in deze concrete kwestie gebruikelijke procedures niet zijn bewandeld is des oordeels van de directie.

De verklaring van de [getuige 4] bij de politie:
Ik denk dat het Superior Contracting bereid was gevonden door het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen om als financier op te treden voor de aankoop van goederen. Als ik mij niet vergis heeft het Ministerie van NH Superiour Contracting voorgesteld aan de EBS. In die tijd was het zo dat de overheid geen geld had voor de aankoop van goederen en diensten. Met zocht zodoende naar een financier. …. het is mij niet bekend in hoeverre de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid, zonder voorafgaande toestemming van de RvC te handelen, heeft omzeild. … in deze kwestie had de EBS geen geld om aankopen te doen rechtstreeks naar de leverancier toe. Men heeft toen een financier bereid gevonden om de aankopen te doen. Deze financier heeft dan ook meer kosten in rekening gebracht

De [medeverdachten 1 en 2] hebben meermalen verklaard dat het gebruikelijk was bij het ontbreken van facturen de purchase orders op deze manier in het systeem te administreren. De goederen moeten immers in ontvangst genomen worden door de EBS. Dit was dus de gebruikelijke manier van afhandelen bij het onbreken van facturen.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de voorgaande verklaringen niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte bedriegelijk en valselijk, zonder valide argument, heeft afgesproken dat er nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken.
Evenmin is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte valselijk en bedrieglijk, nog voor de evaluatie, heeft aangegeven dat Greenland is gekozen omdat uit de verklaringen blijkt dat het de [getuige 8] is geweest die de keus heeft gemaakt voor Greenland op grond van de levertijd en niet de verdachte.

De kantonrechter overweegt dat het feit dat Greenland een prijsofferte mocht aanbieden onder de hiervoor geschetste omstandigheden ook niet kan leiden tot het bewijs van enige bedriegelijke handeling van verdachte.

Ook is niet bewezen dat verdachte In strijd met de procedures de RvC, de afdeling procurement en project-engineering en de juridische afdeling niet heeft betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project.

Voorts is niet bewezen dat de verdachte strafwaardig heeft gehandeld door ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS de leveringscontracten aan te gaan.

Ook is niet bewezen dat de verdachte valselijk en bedrieglijk heeft aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald. Uit de verklaringen van de [getuige 9] en de verdachte zelf blijkt dat het Greenland is geweest die aangaf dat voor het meerwerk betaald moet worden.

Ten slotte is niet bewezen dat de verdachte samen met anderen purchase orders valselijk heeft voorzien van een ordernummer, een orderstatus of een handtekening om daarmee te doen voorkomen alsof de orders van te voren waren opgemaakt.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder IA, IB en II van het ten laste gelegde, de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6. De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder IA, IB en II van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, mr. K.S. Mahabier.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,

mr. K.S. Mahabier mr. A. C. Johanns

 

* Het Openbaar Ministerie heeft appèl aangetekend tegen dit vonnis

SRU-K2-2019-3

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-04802
Vonnisnummer : 2019-835
Datum uitspraak : 4 december 2019
Verstek
Raadsman : mr. B.A.H. Pick

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [geboorte datum] te [district],
van beroep: ondernemer,
wonende aan [adres] te [district],
niet verschenen.

1. Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
23 januari 2017, 24 april 2017, 5 mei 2017, 16 mei 2017, 26 juli 2017, 11 oktober 2017, 8 november 2017, 5 december 2017, 10 januari 2018, 20 februari 2018, 15 maart 2018, 25 april 2018, 22 mei 2018, 13 juni 2018, 8 augustus 2018, 24 oktober 2018, 1 november 2018, 12 december 2018, 24 januari 2019, 15 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019, 17 mei 2019, 14 juni 2019, 17 juli 2019, 16 oktober 2019, 23 oktober 2019, 6 november 2019 en 20 november 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder IA, II en III te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, en de terugbetaling van de ontvangen gelden waarvoor niet is geleverd.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) dat er in casu sprake was van een civielrechtelijke dispuut en dat er geen sprake was van strafrechtelijk handelen door de verdachte;
b) dat uit geen der verklaringen van getuigen blijkt dat de meerwerkfacturen valselijk zijn opgemaakt; over het meerwerk is gecorrespondeerd;
c) dat hij wel een deel van de bestelde apparatuur heeft geleverd doch niet het geheel omdat het meerwerk niet is betaald; dat het niet leveren niet kan worden aangemerkt als strafwaardig gedrag;
d) dat alle verklaringen met betrekking tot het eventueel niet naleven van de interne regels door functionarissen van de vennootschap niet aan hem aangerekend kunnen worden omdat hij daar als leverancier geen invloed op heeft.

2. Voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak
De kantonrechter is, anders dan de vervolging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard, dat de verdachte het onder IA (de oplichting van de EBS en de Staat), IB (de verduistering van gelden), II (de vervalsing van facturen betreffende meerwerk) en III (de vervalsing van facturen betreffende meerwerk) ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bespreking van de bewijsmiddelen en de verweren
De kantonrechter overweegt hieromtrent het hierna volgende:

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

De feiten die de verdachte concreet worden verweten kunnen alsvolgt worden geformuleerd:

  • Verdachte heeft tezamen en in vereniging met de medeverdachten valselijk en bedriegelijk het daarheen geleid dat nieuwe leveranciers zullen worden aangetrokken;
  • Verdachte heeft op 8 november 2012 een prijsofferte aangeboden waarin tevens een mobiele noodstroom installatie is opgenomen en is aangegeven dat de levering binnen 60 tot 90 dagen zou plaatsvinden;
  • Verdachte heeft tezamen en in vereniging het daarheen geleid dat de medeverdachten in strijd met de procedures de afdeling procurement en project engineering niet werden betrokken bij de offerte vergelijking en bij de selectie van de leverancier en de uitvoering van het project,
  • Verdachte heeft, ondanks de ongunstige liquiditeitspositie van de EBS een ongunstig leveringscontract gesloten waarbij het contract niet is geregistreerd in het contractenregister, en waarbij vooraf noch de Raad van Commissarissen goedkeuring heeft gegeven noch de bedrijfsjurist geconsulteerd is;
  • Verdachte heeft, ondanks het feit dat de volledige levering uitbleef toch een tweede contract gesloten met nadelige betalingsvoorwaarden;
  • Verdachte heeft, na het verstrijken van de leveringstermijn conform het eerste en tweede contract toch valselijk en bedriegelijk te kennen gegeven dat er meerwerk en aanpassingen zijn verricht waarvoor betaald moet worden terwijl de afdeling project engineering die bestelling niet had geplaatst en daarvan niet op de hoogte was;
  • Verdachte heeft valselijk en bedrieglijk aangegeven dat de levering pas zal plaatsvinden wanneer voor het meerwerk is betaald,
  • Verdachte heeft op deze wijze de EBS en de Staat bewogen om de bedragen van USD.8.881.250,= en EUR.100.000,= af te geven;
  • zijnde de bovenstaande handelingen samen het samenweefsel van verdichtselen en de listige kunstgrepen middels welke de EBS en de Staat bewogen zijn tot afgifte en subsidiair
  • de hiervoor bedoelde bedragen verduisterd en voorts
  • een of meer facturen, te weten factuur 1 en factuur 2 valselijk opgemaakt door in die facturen op te nemen dat er meerwerk verricht moest worden aan de noodstroominstallaties en onderdelen geleverd moesten worden ter waarden van EUR.665.067,= en EUR.463.867,= terwijl de verdachte wist dat zulks in strijd met de waarheid was daar er geen meerwerk was besteld door de EBS en tevens
  • een factuur te weten factuur 3, valselijk opgemaakt door daarin op te nemen dat meerwerk op de blackstart zijn verricht of geleverd voor het bedrag van EUR.198.628,= terwijl verdachte wist dat zulks in strijd is met de waarheid daar er geen meerwerk was besteld door de EBS.

De vervolging heeft voor het bewijs de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen genoemd waaronder de getuigenverklaringen van de [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8].

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie ten aanzien van de ten laste gelegde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – alsvolgt verklaard:
“Ik heb overeenkomsten gesloten met de EBS. Het was een invited tender. Dat wil zeggen dat op uitnodiging van de EBS offertes heb aangeboden om te leveren. Het was deels voor de blackstart. De eerste overeenkomst werd gegund aan mijn bedrijf. Tijdens de gesprekken had ik toen het innovatief voorstel gedeponeerd bij de leiding van de EBS om gelijk mobiele noodstroom installaties aan te schaffen. De leiding heeft hierop heel positief gereageerd mede omdat het paste in hun nieuw geformuleerde bedrijfsvisie om zodoende de gemeenschap te allen tijde te kunnen voorzien van een constante electriciteitstoevoer. In de jaarrede van de President in 2013 is dit tevens bevestigd. Tevens ook nadat wij hun een scherpe prijs aangeboden hadden. Deze uitspraak doen wij mede omdat de benchmarkprijs internationaal voor de opwekking van 1 megawatt gemiddeld ligt tussen de USD.900.000,= en USD.1.200.000,=. Wij hebben geleverd inclusief de meerwerkkosten voor een prijs van om en bij USD.735.000,= per megawatt. In eerste instantie wilden zij vier van de mobiele noodstroom installaties hebben. Echter waren zij slechts in staat om twee aan te schaffen. Van deze twee noodstroominstallaties werd toen één toegevoegd aan het eerste contract terwijl voor de andere mobiele installatie een nieuw contract werd gesloten met de EBS. …. Neen zij zijn niet volgens het contract met de EBS geleverd. Een deel is wel geleverd aan dit bedrijf. Zulks heeft gelegen aan het feit dat gaandeweg de bestelling de EBS ingrijpende en aanzienlijke kostenverhogende veranderingen heeft aangebracht aan de bestelde goederen. De leiding van de EBS die de veranderingen had laten aanbrengen bestond toen uit de heer [naam 1], de heer [naam 2] en de heer [naam 3]. Deze veranderingen brachten extra kosten met zich mee die nog steeds niet betaald zijn door de EBS waardoor deze goederen niet verscheept konden worden naar Suriname. Verder heeft de EBS er zeven maanden over gedaan alvorens deels hun originele contractuele betalingsverplichting te voldoen. Kort nadat de eerste en tweede overeenkomst getekend was heeft men om wijzigingen gevraagd. Zulks is gelijk door gegeven aan de hoofdleverancier in Nederland met name het bedrijf Topweld en Mosa Aggregaat. Natuurlijk brengen wijzigingen na bestelling kosten met zich mee. Deze kosten zijn nog niet betaald door de EBS….. Omdat er nog een openstaande factuur van ongeveer USD.1.559.003,70 is. Zolang deze betaling niet volledig is geweest naar de leverancier, zullen deze goederen niet geleverd worden. Wij hebben aangetoond onder andere met de testrapporten dat wij binnen vier maanden na de eerste assemblage ready waren om te leveren. Hoe is het dan mogelijk dat wij circa twee en een half jaar na dato worden beschuldigd van oplichting en verduistering. Na veel moeite heb ik de leveranciers bereid gekregen de switch gear transformatoren, brandstoftanks en kabels te verschepen. Die bevinden zich momenteel op mijn fabrieksterrein aan de [straat]. Door de geleverde betalingswanprestatie wilde men 100% betaling hebben. Doordat de EBS geen opslagruimte had bevinden deze goederen op verzoek van de EBS zich op mijn bedrijfsterrein met uitzondering van de brandstoftanks.”

Tijdens het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek op de terechtzitting zijn de volgende verklaringen afgelegd die de verklaring van de verdachte ondersteunen:

De verklaring van de [getuige 9] bij de politie:
Ik heb de eindverantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekeningen van onze clienten…. wat de CLAD aangeeft is niet juist. Het is geen doorbreking van de bestendige gedragslijn. Het is dus geen stelselwijziging. … meerwerk is niet verwerkt in de jaarrekening van 2012 want toen was het eerste contract nog maar 2 weken oud en het tweede contract was nog niet getekend. De facturen van meerwerk afkomstig van Greenland waren van 2014. Wij hadden wel gezien dat er in 2013 of 2014 email verkeer was over meerwerk maar er was nog geen informatie over de hoogte en uitkomst van het meerwerk. ….. ik denk dat de directie van de EBS toen nog niet wist wat het bedrag aan meerwerk zou zijn. Het was best wel iets ingewikkelds. In de beginfase was de heer [naam 1] belast met het product. In 2014 is hij ontlast en toen kwamen anderen het project draaien. De heer [getuige 8] heeft wijzigingen aangebracht in het ontwerp. Ik denk dat door de veranderingen het niet duidelijk was hoeveel het bedrag aan meerwerk zou opleveren.

De verklaring van de [getuige 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Wij hebben de vraag geformuleerd bij welk bedrijf de goederen zijn aangeschaft. Het is gebleken dat de goederen zijn aangeschaft bij het bedrijf Greenland. Er zijn eerst offertes aangevraagd voor de levering bij Surmac, Olibis en Greenland. Het voorstel werd, na een beoordeling van de drie offertes, gedaan door de heer [getuige 6] om te kiezen voor Greenland omdat zij in staat zou zijn sneller te leveren. .. in beide gevallen is de goedkeuring van de RvC achteraf geschiedt…… voor wat betreft het bedrag van SRD.22.030.018,75 waarvan [naam 4] beweerd heeft dat dit bedrag niet is verantwoord moet ik u verklaren dat dit bedrag wel verantwoord is, maar deel uitmaakt van een groter geheel.Op 20 september 2013 heeft de tweede betaling van beide leveringscontracten plaatsgevonden. Ondanks deze betaling werd niet geleverd omdat partijen het niet met elkaar eens waren over het te verrichten meerwerk door Greenland. EBS, de directeur [naam 2], heeft toen Greenland in gebreke gesteld.

De verklaring van de [getuigen 2] op de zitting:
Ik kom terug op mijn eerder afgelegde verklaring bij de RC dat er sprake is van fraude. Ik verklaar hierbij dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude.

De verklaring van de [getuige 4] bij de politie:
Ik moet u verklaren dat daar zaken nu overlegd zijn ik u moet meedelen dat het om originele documenten gaat. Ook bij het tweede document heb ik mijn handtekening herkend. Doordat het een lange periode terug is geweest, kon ik mij niet heugen als ik nog een tweede gelijkende verklaring voor goedkeuring getekend had voor de aanschaf van desbetreffende installaties.

De verklaring van de [getuige 5] bij de politie en bij de rechter-commissaris:
Het kan zijn dat er vooraf mondelinge toestemming was verleend en dat dat enkele dagen later is bevestigd …. ik kan mij niet meer heugen dat de heer [getuige 4] mij op de hoogte had gesteld van deze twee leveringscontracten. Het zou kunnen maar ik kan mij absoluut niet herinneren…. het is mij niet bekend dat de directeur van de EBS zijn procuratie bevoegdheid zonder voorafgaande toestemming van de Raad heeft omzeild…..De EBS moet niet gezien worden als een normale NV. De EBS functioneert als een instrument van de overheid om essentieel diensten waaronder electrificatie aan de gemeenschap te leveren. De aandeelhouder heeft in dat kader een veel directere relatie met het management van het bedrijf. Normaliter zou die communicatie moeten gaan via de RvC. Als voorbeeld kan dienen dat de overheid op dit moment heel nauw bezig is met het management wat betreft de energie tarieven….. Vanwege de op handen zijnde verkiezingen had de overheid opdrachten gegeven aan de EBS om electrificatie projecten uit te voeren in het binnenland. Echter moet daarvoor geld zijn. Er zijn een paar geldschieters die normaliter worden aangeboord om die projecten te financieren. De EBS heeft namelijk geen geld en zit met heel veel schulden. Daarom kan de EBS ook niet simpelweg naar de bank toestappen.

De verklaring van de [getuige 8] bij de politie:
Ik zou het niet zo stellen. Het meerwerk is ontstaan nadat er onderhandeld is tussen onze engineers en Greenland over de technische aspecten. Ik denk dat bij deze onderhandelingen iets verkeerd is gegaan daar de engineers duidelijk aangegeven hadden wat zij wilden terwijl Greenland zulks verkeerd begrepen had. Voor wat betreft het meerwerk kan de directie deze voor niets anders gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. Te uwer informatie heb ik het meerwerk ter beoordeling ontvangen van meneer [naam 2]. Deze had ik doorgeleid naar de engineers.

De verklaring van de [getuige 11] bij de rechter-commissaris:
Overigens wil ik opmerken dat juist het electrisch gedeelte door de leverancier wel is opgeleverd terwijl het werktuigbouwkundig gedeelte niet is opgeleverd. Het electrisch gedeelte, is het gedeelte dat specifiek wordt gebouwd met informatie die wij geven. Het is dus custom made. Het werktuigbouwkundig gedeelte is juist standaard made, hetgeen betekent dat daarvoor geen specifieke informatie nodig was…… Ik ben een aantal keren naar de heer [naam 1] geweest om hem aan te geven dat zaken niet liepen. .. Tijdens de correspondentie met de leverancier kunnen er technische zaken besproken worden, waarbij zaken anders moeten worden gebouwd, dan aanvankelijk was gedacht. Danwel dat technisch iets niet was voorzien of duidelijk was waarvoor wel een oplossing noodzakelijk was. Dit alle hoeft niet noodzakelijkerwijs te leiden tot meerwerk.
………….Op verzoek van de technisch directeur heb ik samen met twee andere engineers gekeken naar het meerkwerkdocument en in principe hebben wij dat toen niet goedgekeurd, daar er wat onduidelijkheden waren en bepaalde bedragen ook te hoog waren. Hoe het toch is gekomen tot een commitment om te betalen voor het meerwerk, weet ik niet…

Met betrekking tot de blackstart was het een ander verhaal. De blackstart zou kaal worden opgeleverd. Om ermee te kunnen werken moest er nog randapparatuur worden aangeschaft, dat is gerapporteerd aan de heer [getuige 8]. Daar er geen geld was om dat binnenshuis te kopen kwam de instructie van de heer [getuige 8] om dit gedeelte van het materiaal dat gekocht moest worden te zetten op het project van Greenland. [getuige 8] werd door de afdeling engineering altijd geïnformeerd waar wij mee bezig waren. ……in die periode was er ook een noodsituatie in het land. Of de nood zo hoog was dat in deze concrete kwestie gebruikelijke procedures niet zijn bewandeld is des oordeels van de directie.

De kantonrechter overweegt dat op grond van de voorgaande verklaringen niet bewezen kan worden geacht dat de verdachte bedriegelijk en valselijk tezamen en in vereniging handelingen heeft gepleegd die ertoe hebben geleid dat hij als nieuwe leverancier werd aangetrokken of voor zijn bedrijf is gekozen.

Voorts is niet bewezen dat de facturen voor meerwerk zijn opgemaakt terwijl hij wist dat zulks in strijd met de waarheid was.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat nu onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van het onder IA, IB, II en III ten laste gelegde, de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

6. De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder IA, IB, II en III van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 december 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, mr. K.S. Mahabier.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,
mr. K.S. Mahabier mr. A.C. Johanns

 

* Het Openbaar Ministerie heeft appèl aangetekend tegen dit vonnis

SRU-K1-2019-25

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 17-3772
24 oktober 2019
MRW

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [Gedaagde sub A],
wonende aan [adres] te [woonplaats],
B.[Gedaagde sub B],
wonende aan [adres] te [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP FAFAM N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Zwartenhovenbrugstraat 154 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C. Algoe, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de navolgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift met producties dat op 25 augustus 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling genomen is op 28 augustus 2017;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek en uitlating producties met een productie;
  • de conclusie van dupliek en uitlating productie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Het Dagblad Suriname is een bedrijfsonderdeel van gedaagde, dat een gelijknamig dagblad uitbrengt.

2.2 In de editie van 22 augustus 2017 heeft Het Dagblad Suriname op pagina 5 onder de rubriek “Dagblad Suriname Nationaal” een artikel gepubliceerd met de kop “DOCHTER MINISTER MIRANDA NOEMT SCHEIDSRECHTER HOMO”.

2.3 In een per exploit van 22 augustus 2017 nummer 17-291 van deurwaarder G.F.N. Halfhuid betekende brief van dezelfde datum heeft de gemachtigde van eisers gedaagde aangemaand om binnen 1 X 24 uur in alle dagbladen haar verontschuldigen aan hen aan te bieden. Hieraan heeft gedaagde geen gehoor gegeven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om:

I. binnen 1 x 24 uur na de uitspraak, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, in haar dagblad en in de dagbladen De Ware Tijd en Times of Suriname, alsmede in het avondblad De West, een even zo groot artikel te doen plaatsen waarin zij in verband met het door haar geplaatste artikel d.d. 22 augustus 2017 onder de kop “Dochter Minister Miranda noemt scheidsrechter homo” haar verontschuldigingen aan eisers aanbiedt, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag voor iedere dag dat zij nalaat aan deze veroordeling te voldoen;
II. bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub A het bedrag van SRD 25.000,=, althans een in goede justitie vast te stellen vergoeding, zijnde schadevergoeding voor geleden immateriële schade, te betalen;
III. bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser sub B het bedrag van SRD 25.000,=, althans een in goede justitie vast te stellen vergoeding, zijnde schadevergoeding voor geleden immateriële schade, te betalen.

3.2 Eisers leggen – zakelijk weergegeven – aan hun vorderingen ten grondslag dat gedaagde jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door geen hoor en wederhoor te hebben toegepast, waardoor van hen een verkeerde beeldvorming is ontstaan. Volgens eisers had gedaagde, door het artikel niet op de sportpagina maar onder het nationaal nieuws te publiceren en door de grootte van de afgedrukte kop, het doel om hen bewust schade toe te brengen. Daarbij is eiser sub B, die met het krijgen van een rode kaart door eiseres sub A niets te maken had, er met de haren bij gesleept. Eisers stellen verder dat gedaagde, door het artikel op die wijze te publiceren, eiseres sub A in een categorie heeft geplaatst van mensen die homoseksuelen discrimineren, waardoor zij zich schuldig maakt aan belediging in de zin van artikel 1393 van het Burgerlijk wetboek, alsmede in de zin van artikel 320 van het Wetboek van Strafrecht.

3.3 Gedaagde voert hier tegenover als verweer – zakelijk weergegeven – aan dat het betreffende artikel een verslaggeving van de openbare zitting van het Tuchtcollege betrof en dat het, in de gevallen waarbij verslag wordt gedaan van een rechtszaak of een tuchtzaak, in de journalistiek ongebruikelijk is om geen hoor en wederhoor toe te passen. Gedaagde werpt voorts op dat van imagoschade aan de zijde van eisers geen sprake kan zijn, omdat het artikel niet de mening van de verslaggever bevat. Voorts zou zij in het artikel het minder choquerend synoniem “homo” hebben gebruikt voor de door eiseres sub A tegen de scheidsrechter gebruikte scheldwoorden.

3.4 Op de overige stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eisers volgt uit de aard van hun vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.

4.2 Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd maakt de kantonrechter op dat zij met name bezwaar hebben tegen de kop van het op 22 augustus 2017 in Het Dagblad Suriname gepubliceerd artikel. De stelling van gedaagde, dat de inhoud van dat artikel een verslaggeving betrof van de op 19 augustus 2017 gehouden zitting van het Tuchtcollege van de Surinaamse Voetbalbond, waarbij eiseres sub A door het Tuchtcollege een maatregel is opgelegd wegens het uitschelden van een scheidsrechter, is door eisers niet weersproken. Voor de beoordeling van onderhavig geding wordt dan ook ervan uitgegaan dat het artikel voldoende steun vond op de op dat moment bekende feiten en omstandigheden.

4.3 Met betrekking tot de onder I gevorderde publiekelijke verontschuldigen overweegt de kantonrechter allereerst dat het in rechte afdwingen van excuses, hetzij mondeling of schriftelijk, niet mogelijk is. Excuses zijn immers te beschouwen als een uiting van persoonlijke gevoelens van spijt, die naar hun aard niet door de rechter kunnen worden opgelegd. Die vordering is daarom niet toewijsbaar.

4.4 Ten aanzien van de onder II en III gevorderde immateriële schadevergoeding voert gedaagde aan dat eisers deze niet aannemelijk hebben gemaakt. Zij merkt op dat eisers hun vordering als voorbeeld willen stellen om de media ervan te weerhouden om in de toekomst over hen te publiceren.

4.5 De kantonrechter stelt voorop dat de gevorderde schadevergoeding in dit kort geding slechts toewijsbaar is als onder meer het bestaan en de omvang daarvan in hoge mate aannemelijk is. De kantonrechter zal in dit verband eerst moeten beoordelen of gedaagde door plaatsing van de kop “Dochter Minister Miranda noemt scheidsrechter homo” boven het op 22 augustus 2017 gepubliceerd artikel onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld.

4.6 Voor wat betreft de stelling van eisers dat gedaagde met het publiceren van het artikel in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en aldus onrechtmatig heeft gehandeld, overweegt de kantonrechter dat het beginsel van hoor en wederhoor niet van toepassing is in het geval een publicatie enkel de verslaggeving van een rechtszaak of een andere (tucht)rechterlijke uitspraak betreft. Nu gesteld noch gebleken is dat gedaagde de achtergrondinformatie over de tuchtrechtelijke zaak op zodanige wijze verwerkt heeft, dat wederhoor geboden was, vindt de vordering van eisers geen steun op deze grondslag.

4.7 Evenmin is er grond voor het voor juist aannemen van de stelling van eisers dat gedaagde met het publiceren van het artikel op een voor het nationaal nieuws bestemde pagina en niet op de sportpagina, hen bewust schade heeft willen toebrengen. Allereerst valt, gelet op de door eisers ingenomen standpunten, niet in te zien dat publicatie op de sportpagina op minder bezwaren van hun zijde zou hebben gestuit en dat hebben zij ook niet aangevoerd. Ook valt de gestelde opzet om schade aan eisers toe te brengen niet te ontwaren uit de enkele vermelding dat eiseres sub A de dochter van eiser sub B is, aangezien die vermelde omstandigheid op waarheid berust.

4.8 Het standpunt van eisers dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan belediging, zowel in civielrechtelijke als in strafrechtelijke zin, door een equivalent van de door eiseres sub A jegens de scheidsrechter gebruikte bewoordingen, kan de kantonrechter niet volgen. Uit de gewraakte kop van het betreffende artikel valt immers niet op te maken dat gedaagde zich krenkend over eiseres sub A heeft uitgelaten, maar dat de Tuchtcommissie geoordeeld heeft dat eiseres sub A zich op een onaanvaardbare wijze jegens de scheidsrechter heeft uitgelaten. Dat bij eisers het gevoel is ontstaan dat eiseres sub A daardoor is weggezet als iemand die homoseksuelen discrimineert, maakt nog niet dat de door gedaagde boven het artikel geplaatste kop als een belediging in de zin van de wet moet worden aangemerkt.

4.9 Al het voorgaande in aanmerking nemende, leidt dit tot de slotsom dat van een onrechtmatig handelen van gedaagde jegens eisers niet gebleken is. Dit brengt met zich mee dat de gevraagde voorzieningen wegens het ontberen van een deugdelijke grondslag moeten worden geweigerd. De overige stellingen en weren van partijen kunnen derhalve onbesproken blijven, omdat die niet langer relevant zijn.

4.10 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden in de proceskosten.

5. De beslissing
De kantonrechter rechtdoende in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van gedaagde gevallen, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting op donderdag 24 oktober 2019 uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.J.S. Bradley, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-5

HET HOF VAN JUSTITIE

Beschikking ex artikel 312 jo 28 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) inzake het verzoek van

BOUTERSE, DELANO DESIRÉ,
wonende te Paramaribo,
verzoeker,
niet verschenen in raadkamer doch wel vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, dat op 25 oktober 2017 ter griffie van het Hof van Justitie is ingediend;
  • de mondelinge toelichting van het verzoekschrift zijdens de gemachtigde van verzoeker;
  • de schriftelijke conclusie van antwoord van de zijde van het Openbaar Ministerie en een mondelinge toelichting daarop;
  • de mondelinge conclusie van repliek zijdens de gemachtigde van verzoeker;
  • de mondelinge conclusie van dupliek zijdens het Openbaar Ministerie;

2. Het verzoek
Verzoeker vordert op grond van artikel 312 jo 28 Sv dat de strafzaak tegen hem als beëindigd wordt beschouwd zonder oplegging van straf of maatregel.

3. De grondslag van het verzoek en het verweer

3.1 Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
In de strafzaak die loopt tegen verzoeker bij de Krijgsraad, hebben de Auditeur-Militair en zijn gemachtigde over en weer gerequireerd respectievelijk gepleit. Hij, verzoeker, heeft op 29 oktober 2018 de gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord. De Krijgsraad heeft hierna bepaald dat er vonnis volgt op een nader te bepalen datum, zonder dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten.
Tussen 29 oktober 2018 en de dag van het onderhavige verzoek ligt een periode van bijkans een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 331 lid 3 Sv mag de uitspraak in geen geval later plaatsvinden dan op de 21e dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting.
De Krijgsraad heeft langer dan een jaar geen processuele handelingen meer verricht in de strafzaak tegen hem. Steun zoekend bij artikel 331 Sv betoogt verzoeker dat dit artikel geen ruimte biedt hiertoe, terwijl er ook geen zicht is op een datum waarop de uitspraak zal worden gedaan.
Verzoeker stelt verder dat een jaar “stilzitten” in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, terwijl een jaar wachten op een uitspraak zonder daartussenin enige processuele handeling te plegen ongekend is in de literatuur. Aan verzoeker is ook geen reden kenbaar gemaakt waarom thans langer dan een jaar – zonder enige processuele handeling – de uitspraak uitblijft.

3.2 Het Openbaar Ministerie heeft verweer gevoerd. Het Hof komt indien nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1 Het Openbaar Ministerie heeft – zakelijk weergegeven – als formeel verweer aangevoerd dat het onderhavige verzoek is ingediend door de raadsman terwijl niet is gebleken van zijn bevoegdheid daartoe en evenmin is gebleken dat verzoeker achter dit verzoek staat. Het Openbaar Ministerie concludeert dat verzoeker daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het onderhavige verzoek.

Voorop gesteld wordt dat het onderhavige verzoek is ingediend door dezelfde raadsman van verzoeker, die hem ook vertegenwoordigt in zijn strafzaak bij de Krijgsraad. Uit de wet blijkt niet van een expliciete vereiste zoals door het Openbaar Ministerie is aangevoerd. Evenmin zijn er feiten aangevoerd waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat verzoeker het niet eens is met het onderhavige verzoek, zodat verzoeker wel ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarenboven bepaalt artikel 315 lid 1 Sv dat elke bevoegdheid aan de verdachte bij deze titel toegekend ook toe komt aan diens raadsman. Nu verzoeker zijn verzoek baseert op het bepaalde in artikel 312 Sv in verbinding met artikel 28 Sv en artikel 312 Sv evenals artikel 315 lid 1 Sv deel uitmaakt van Titel III van het Wetboek van Strafvordering, komt deze bevoegdheid in de visie van het Hof ook toe aan de raadsman.

Het Hof gaat dan ook voorbij aan het formeel verweer van het Openbaar Ministerie.

4.2 Het Hof gaat uit van de volgende feiten in het onderhavige verzoek:

  1. tegen verzoeker loopt er een strafzaak bij de Krijgsraad en is er tegen hem verstek verleend;
  2. op 28 oktober 2018 heeft verzoeker de gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord;
  3. de Krijgsraad heeft hierna bepaald dat er vonnis volgt op een nader te bepalen datum zonder dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten;
  4. de Krijgsraad heeft vanaf 28 oktober 2018 tot heden – dus thans langer dan een jaar – geen enkele proceshandeling meer gepleegd in de strafzaak tegen verzoeker en evenmin is er zicht op enige proceshandeling.

4.3 Primair dient de vraag te worden beantwoord of de Krijgsraad bevoegd was om op 28 oktober 2018 in de strafzaak tegen verzoeker, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen voor onbepaalde tijd.

Het Hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 259 lid 1 Sv, het uitgangspunt is dat een eenmaal aangevangen onderzoek zonder onderbreking tot een einde wordt gebracht. Uit artikel 259 lid 2 Sv blijkt evenwel dat onderbreking van een onderzoek wel mogelijk is onder meer vanwege de uitgebreidheid of de duur van het onderzoek.

Lid 3 van hetzelfde artikel biedt de mogelijkheid dat, indien het belang van het onderzoek dat vordert, de schorsing van het onderzoek wordt gelast met of zonder tijdsbepaling.
Uit het voorgaande – met name artikel 259 lid 3 Sv – blijkt de bevoegdheid van de Krijgsraad tot schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd.

4.4 Vervolgens dient te worden beantwoord de vraag of verzoeker succesvol een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 312 juncto artikel 28 lid 1 Sv om de zaak voor beëindigd te verklaren.

Deze vraag dient naar het oordeel van het Hof ontkennend te worden beantwoord. Ingevolge het systeem van het Wetboek van Strafvordering heeft artikel 28 Sv betrekking op een gebrek aan besluitvaardigheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie, en niet op de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek dat door de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie wordt verricht. Immers, één van de uitgangspunten van het strafvorderlijk stelsel is dat de strafvervolging na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting dient uit te monden in een formele of materiële einduitspraak. Dit is ook de reden waarom de dagvaarding, na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, niet meer kan worden ingetrokken.

De ratio van artikel 28 Sv is immers dat de verdachte zich kan beschermen tegen een onredelijk oponthoud en tegen de onzekerheid of aan zijn zaak al dan niet verder gevolg zal worden gegeven. In casu is de strafzaak tegen verzoeker reeds in behandeling bij de Krijgsraad en verkeert in staat van wijzen weshalve – in navolging van het voorgaande – de uitspraak dient te worden afgewacht. In de visie van het Hof is het in casu in elk geval duidelijk dat er een uitspraak dient te komen. Wanneer die uitspraak zal komen is vooralsnog onduidelijk maar het voorgaande rechtvaardigt niet de consequentie die verzoeker daaraan verbonden wenst te zien. De verbinding die verzoeker maakt met het bepaalde in artikel 312 Sv brengt het Hof tot de slotsom dat het Hof bevoegd is om van het onderhavige verzoek kennis te nemen, aangezien uit geen enkele wetsbepaling het tegendeel volgt.

4.5 Het Hof is van oordeel dat iedere verdachte – en dus ook verzoeker – recht heeft op behandeling en afhandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Een der fundamenten van het wetboek van strafvordering is de regel dat een tegen een verdachte aangevangen vervolging zo spoedig en regelmatig mogelijk dient te worden voortgezet, totdat van de rechter een einduitspraak is verkregen dan wel de vervolging op een vóór het onderzoek ter terechtzitting liggend tijdstip is beëindigd. Schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak tegen verzoeker, nu al langer dan een jaar, zonder enige proceshandeling danwel zonder enig zicht op een proceshandeling, leidt – naar het oordeel van het Hof – tot de slotsom dat die periode onredelijk lang is. Nu de strafzaak van verzoeker in staat van wijzen verkeert zal het Hof met voormelde constatering volstaan en het aan de Krijgsraad overlaten om daar eventueel consequenties aan te verbinden.

Desalniettemin is het Hof van oordeel dat deze omstandigheid niet betekent dat verzoeker “lijdzaam” een afwachtende houding dient aan te nemen. Hij heeft ook de verantwoordelijkheid om te bewaken dat zijn zaak “vlot wordt getrokken”, en uit dien hoofde aan de Krijgsraad het verzoek te doen dat de zaak weer op de rol wordt gebracht. Dat het voorgaande zou zijn geschied is gesteld noch gebleken.

4.6. De verwijzing van verzoeker naar artikel 331 lid 3 Sv, welk artikel bepaalt dat de uitspraak in geen geval later mag plaatsvinden dan op de 21e dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, gaat in dit geval niet op nu voormeld artikel toeziet op een uitspraak na sluiting van het onderzoek, en verzoeker zelf ook aanvoert dat van sluiting van het onderzoek in casu geen sprake is. De door verzoeker verzochte analoge toepassing van deze wetsbepaling in deze zaak (althans zo vat het Hof dat op) ontbeert enige wettelijke grondslag en zou een dergelijke extensieve interpretatie van deze bepaling in de visie van het Hof in strijd zijn met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1 Sv.

4.7. Het Hof zal gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, het onderhavige verzoek afwijzen.

4.8.Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het Hof:

Wijst het verzoek van verzoeker af .

Aldus gegeven te Paramaribo in raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 6 november 2019, door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, lid, en Kolonel J. Hew A Kee, lid – plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, fungerend-griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur- Lachitjaran

w.g. J. Hew A Kee

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen – Relyveld

SRU-K1-2016-35

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 161428
9 mei 2016

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

A. CITY ENTERTAINMENT NV, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
B. [eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. V. V. C. Piqué, advocaat,
eisers in de hoofdzaak en in het incident in kort geding,
hierna te noemen: “City Entertainment en [eiser]”,

tegen

A. AIB BANK NV, gevestigd en kantoor houdende te Aruba,
B. HANDELS-, KREDIET- EN INDUSTRIEBANK NV, (de Hakrinbank NV) gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
C. FATUM SCHADEVERGOEDING NV, ten rechte geheten FATUM SCHADEVERZEKERING NV, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H. R. Lim A Po, advocaat,
gedaagden in de hoofdzaak en in het incident in kort geding,
hierna te noemen: “de kredietverleners”.

Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 24 maart 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met producties,
  • de conclusie van dupliek, met producties,
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens City Entertainment en [eiser].

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Tussen City Entertainment en de kredietverleners is op 31 maart 2009 en daaropvolgend op 23 maart 2011 een lange termijn krediet overeenkomst gesloten bestaande uit een Long Term Facility I en een Long Term Facility II. Het krediet was bestemd voor de bouw en contructie van het Wyndham Garden Paramaribo Hotel.

2.2 City Entertainment en [eiser] hebben in verband met deze krediet overeenkomst onder ander onroerende goederen in onderpand gegeven en [eiser] heeft een garantieverklaring verstrekt.

2.3 In schedule 9 behorend bij de overeenkomst is het volgende bepaald: “Working capital facility to be provided bij lender(s) yet to be determined to de Borrower in the amount of USD.500.000,=”.

2.4 Bij schrijven van 21 oktober 2011, 14 november 2012 en 19 december 2012 heeft City Entertainment de kredietverleners onder de aandacht gebracht dat onderdeel van de overeenkomst was dat als werkkapitaal het bedrag van USD.500.000,= zou worden verstrekt voor de exploitatie van het bedrijf. Zij brengt onder hun aandacht dat dit bedrag, ondanks de overeenkomst niet is verstrekt met als gevolg dat City Entertainment zonder het afgesproken werkkapitaal de exploitatie van het hotel in september 2011 moest beginnen. City Entertainment heeft de kredietverleners aangegeven dat deze weigering om het werkkapitaal te verstrekken ernstige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering en voor de mogelijkheden van City Entertainment om aan de financiele verplichtingen te voldoen.

2.5 De kredietverleners hebben op 30 november 2012 de kredietovereenkomst opgezegd.

2.6 Hierna is door City Entertainment en [eiser] een bodemprocedure ingezet tegen de kredietverleners in welke bodemprocedure City Entertainment en [eiser] zich beroepen op de afspraak met betrekking tot het werkkapitaal. Deze zaak staat bekend onder het arno. 132527.

2.7 Bij exploiten van 27 mei 2015 hebben de kredietverleners aan City Entertainment en [eiser] de openbare verkoop aangezegd.

2.8 Naar aanleiding van deze aanzegging hebben City Entertainment en [eiser] een kortgeding aanhangig gemaakt waarin zij vorderden dat de veiling wordt stopgezet en de opzegging van het krediet wordt geschorst totdat de bodemrechter in de zaak met arno. 132527 definitief heeft beslist.

2.9 Deze vordering is door de kortgedingrechter bij vonnis van 14 juli 2015 toegewezen.

2.10 Op 10 maart 2016 is het krediet weer opgezegd.

2.11 Bij exploiten van 1 april 2016 met de nummers 28 en 29 hebben de kredietverleners wederom openbare verkopen aangezegd voor 10 mei 2016 om 11.00 uur en 12.00 uur.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering in de hoofdzaak
City Entertainment en [eiser] vorderden oorspronkelijk, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • A. De door de kredietverleners, bij exploiten van 10 maart 2016 met de nummers 21 en 22, aan City Entertainment en [eiser], aangezegde openbare verkopen voor 26 april 2016 om 12.00 uur, stop te zetten en op te schorten totdat in de reeds lopende bodemprocedure bekend onder arno. 132527 uiteindelijk zal zijn beslist, althans totdat door City Entertainment en [eiser] een vervangende financiering zal zijn gevonden;
  • B. Schorst, althans opschort, de gedane opzegging van de long term facility agreement per exploit van 10 maart 2016 met de nummers 21 en 22;
  • C. De kredietverleners verbiedt om in de toekomst de Long Term Facility agreement d.d. 23 maart 2011 wederom op te zegggen en in dat kader enige openbare veiling aan de kondigen, totdat in de reeds lopende bodemprocedure bekend onder arno. 132527 uiteindelijk zal zijn beslist,
  • D. op straffe van een dwangsom voor iedere keer dat gedaagden in strijd handelen met het hiervoor gevorderde, althans het onder C gevorderde en voorts
  • E. De kredietverleners veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
City Entertainment en [eiser] hebben als grondslag het volgende aangevoerd:

  1. Dat de opzegging van het krediet en de aanzegging van de openbare verkopen onrechtmatig zijn;
  2. Dat tussen partijen naast de Long Term Facility I en Long Term Facility II ook de overeenkomst bestond met betrekking tot een werkkapitaal faciliteit, de Working Capital Facility genoemd, welke overeenkomst niet is nagekomen door de kredietverleners waardoor City Entertainment en [eiser] in ernstige financiele problemen zijn gekomen, hetgeen door City Entertainment en [eiser] al meerdere malen aan de kredietverleners is kenbaar gemaakt;
  3. dat ondanks die waarschuwingen toch het werkkapitaal niet is verstrekt; dat het daarom niet redelijk is dat de kredietverleners maatregelen treffen tegen City Entertainment en [eiser] voor omstandigheden die zijn ontstaan door hun nalaten;
  4. dat City Entertainment en [eiser] over de werkkapitaal faciliteit een bodemprocedure hebben aangespannen welke al in de staat van dupliek staat;
  5. Dat bij een eerder aangezegde veiling de kort gedingrechter op 14 juli 2015 heeft beslist dat de aangezegde veiling geen voortgang dient te hebben totdat de bodemrechter over de werkkapitaal faciliteit heeft beslist; dat de kortgedingrechter tevens heeft opgeschort de opzegging van het krediet welke had plaatsgevonden op 30 november 2012 totdat de bodemrechter over de werkkapitaal faciliteit heeft beslist;
  6. Dat de onrechtmatigheid van het handelen van de kredietverleners ook blijkt uit het arrest van het Hof Arnhem (Rabobank vs Aarding – 18 mei 2003 ; JOR 2003,267) in welk arrest is geoordeeld dat de bijzondere zorgplicht van banken met zich meebrengt dat een kredietopzegging ten minste moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit; dat het Hof in dat arrest een aantal indicatoren heeft vastgesteld aan de hand waarvan de rechtsgeldigheid van de opzegging van het krediet moet worden getoetst; dat de opzegging van de kredietverleners niet voldoet aan die indicatoren.

3.3. De vordering in het incident
City Entertainment en [eiser] vorderen in het incident dat het petitum wordt gewijzigd in dier voege wordt gewijzigd dat in plaats van de exploiten van 10 maart 2016 waarbij de openbare verkopen worden aangezegd voor 26 april 2016 wordt gelezen de exploiten van 1 april 2016 met de nummers 28 en 29 waarin de openbare verkopen worden aangezegd voor 10 mei 2016 om 11.00 uur en 12.00 uur.

3.4 Het antwoord in het incident
De kredietverleners hebben op de gevorderde wijziging niet gereageerd.

3.5 De beoordeling in het incident
De kantonrechter is van oordeel dat de wijziging als logisch gevolg moet worden aangemerkt van de tweede aanzegging. De kredietverleners zijn door de wijziging niet in hun verweer geschaad waardoor de wijziging zal worden toegestaan.

4. Het verweer in de hoofdzaak
De kredietverleners hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
In de hoofdzaak

5.1 De kredietverleners hebben als verweer onder andere de volgende zaken aangevoerd:

  1. Afgesproken was dat City Entertainment op 1 januari 2012 zou beginnen met het aflossen van de kredieten overeenkomstig schedule 3 van de leenovereenkomst; City Entertainment had vanaf 1 januari 2012 tussen de USD.80.000,= en USD.112.000,= per maand moeten aflossen; op een later tijdstip is afgesproken dat City Entertainment op 1 januari 2013 zou beginnen met aflossen; op 1 juni 2011 zou wel begonnen moeten worden met rente aflossingen;
  2. In juni 2011 heeft City Entertainment geen rente aflossing betaald; op tijdstippen daarna dat zij betaalde betaalde zij slechts een deel van het verschuldigde en na een betaling vaak maanden geen aflossing; City Entertainment was dus in verzuim voor wat betreft de rente aflossing;
  3. Tussen partijen is vaker gecommuniceerd over laatstgenoemd verzuim; de kredietverleners hebben voorstellen gedaan met betrekking tot het verkopen van verschillende vermogensbestanddelen van City Entertainment om de betalingsachterstand van de rente in te lopen; op 12 juli 2012 was de achterstand al USD.881.224,93; bij schrijven van 12 juli 2012 hebben de kredietverleners City Entertainment gewaarschuwd dat bij niet betaling van ten minste de helft van het verschuldigde passende maatregelen getroffen zullen worden; ook hierna is weer gecommuniceerd, doch zonder resultaat; bij schrijven van 30 november 2012 is het krediet opgezegd en heeft City Entertainment de gelegenheid gehad om binnen drie maanden het totale uitstaande bedrag van USD.13.273.006,96 terug te betalen;
  4. Hierna, op 19 december 2012 stuurde City Entertainment een brief aan de kredietverleners waarin zij het verzoek doet het werkkapitaal ter beschikking te stellen; dit verzoek doet City Entertainment hierna nog meerdere keren;
  5. Op 6 februari 2013 geven de kredietverleners City Entertainment nog een laatste kans om binnen 2 weken met een herfinancieringsvoorstel te komen onder de voorwaarde dat City Entertainment de rechtszaak die zij inmiddels had aangespannen intrekt; toen hebben de kredietverleners ook al aan City Entertainemnt kenbaar gemaakt dat City Entertainment ten onrechte meent recht te hebben op een werkkapitaalfinanciering;
  6. Op 10 juni 2013 laten de kredietverleners aan City Entertainment weten dat zij haar niet zullen voorzien van verdere financiering;
  7. Hierna verricht City Entertainment nog enkele aflossingen van de rente achterstand;
  8. Op 30 september 2013 wordt formeel de opdracht gegeven om over te gaan tot de executie veiling;
  9. Hierna vindt er weer overleg plaats tussen partijen; City Entertainment bericht de kredietverstrekkers in januari 2014 dat zij een onroerend goed heeft verkocht om een aflossing te doen; ook zou City Entertainment haar cash flow verwachtingen schriftelijk aanleveren; over de aangeleverde cash flow verwachtingen vindt ook overleg plaats;
  10. Hierna voeren partijen overleg over de optie dat City Entertainment een investeringspartner zoekt; de kredietverleners doen een voorstel voor een potentieel geinteresseerde investeerder in het Hotel;
  11. Bij vonnis van 14 juli 2015 in de zaak met arno. 152485 is de opzegging van het krediet opgeschort en is de veiling stopgezet; dit vonnis heeft geen gezag van gewijsde en is naar haar aard een voorlopige voorziening en daarmee een voorlopige standpunt bepaling van een rechter; de kredietverleners hebben desondanks het vonnis nageleefd en City Entertainment de gelegenheid gegeven om alsnog aan hun verplichtingen te voldoen; hiertoe zijn enkele afspraken gemaakt neergelegd in een arrangement in augustus en september 2016; ook deze afspraken heeft City Entertainment niet nageleefd;
  12. Op grond van het hiervoor aangehaald is op 10 maart 2016 het krediet weer opgezegd;
  13. De rechten van de hypotheekhouder staan los van de bodemprocedure waardoor de kredietverleners de bevoegdheid hebben om de verhypothekeerde goederen te verkopen tot verhaal van hun vordering;
  14. Anders dan City Entertainment stelt en de kantonrechter in juli 2015 heeft aangenomen hebben de kredietverleners zich nimmer verplicht om werkkapitaal aan City Entertainment te verstrekken;
  15. Uit de overeenkomst en schedule 9 en de definities blijkt juist dat het niet betreft werkkapitaal dat zou worden verstrekt door de kredietverleners, doch door derden;
  16. Er is op grond van het hiervoor gestelde geen sprake van wanprestatie;
  17. de kredietverleners hebben hun zorgplicht niet verzaakt;
  18. Uit de rechtspraak blijkt dat in casu er in maart 2016 geen sprake is van een opzegging welke naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was; uit de uitspraken van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 oktober 2010, van Gerechtshof Leeuwarden van 16 september 2008 en van het gerechtshof s-Gravenhage van 31 augustus 2010 blijkt dat het structureel niet nakomen van de betalingsverplichtingen door de kredietnemer, op zichzelf voldoende is voor een rechtsgeldige opzegging door de kredietgever; City Entertainment zou per 1 februari 2016 USD.6.342.461,01 afgelost moeten hebben, doch heeft op die datum slechts USD.2.950.578,52 afgelost en daardoor op die datum een achterstand van USD.3.745.383,74;
  19. De opzegging van het krediet is op grond van het hiervoor gestelde niet onrechtmatig.

5.2 City Entertainment en [eiser] hebben op het verweer gereageerd waarbij zij aanvoerden dat de kredietverleners met de executiehandelingen en dit verweer een verborgen appel uitlokken, namelijk een beoordeling van de rechtsvragen die aan de orde waren in de kortgedingzaak met arno. 152485. Ook is het in strijd met het ne bis in idem beginsel als die rechtsvragen in dit kort geding wederom ter beoordeling worden voorgelegd. De kantonrechter in de genoemde zaak heeft reeds gemotiveerd aangegeven waarom op de uitkomst van de bodemzaak gewacht moet worden. Voorts voeren zij aan dat het aangegeven saldo niet juist is. City Entertainment en [eiser] zijn verder bij hun stellingen en grondslag gebleven.

5.3 De kredietverleners hebben in reactie op het repliek aangegeven dat er geen sprake is van de schending van het ne bis in idem beginsel. Zij hebben zich aan het vonnis gehouden. Echter zijn na het vonnis nieuwe aflossingsafspraken gemaakt neergelegd in het arrangement welke is geaccepteerd door City Entertainment. Deze afspraken zijn niet nagekomen. De laatste betaling van City Entertainment dateert van juni 2014. Hierdoor mocht het krediet wel worden opgezegd. De kredietverleners verwijzen verder naar al hun weren in hun conclusie van antwoord en blijven bij hun verweer dat het opzeggen van het krediet en de aanzegging van de openbare verkoop rechtmatig zijn.

5.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt die is of de opzegging van het krediet en de aangezegde veiling als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Indien die vraag positief beantwoord moet worden zal de vordering tot schorsing van de opzegging en stopzetting van de veiling toegewezen moeten worden.

5.5 De kantonrechter overweegt dat het beroep van City Entertainment en [eiser] op het eerste vonnis van juli 2015 door de kredietverleners wordt betwist waarbij zij stellen dat het krediet wel mocht worden opgezegd. Immers hebben zij zich aan het vonnis gehouden en hebben zij met City Entertainment nieuwe betalingsafspraken gemaakt. Nu City Entertainment zich niet aan die afspraken heeft gehouden zijn er gronden om op te zeggen.

5.6 De kantonrechter overweegt dat, gelijk City Entertainment stelt, het ne bis in idem beginsel in die zin wel aan de orde is in dit kort geding voor zover gevraagd wordt om wederom een oordeel te geven over de vraag hoe schedule 9 geinterpreteerd moet worden. Nu partijen hun verschillende zienswijzen reeds ter beroordeling hebben voorgelegd aan de kantonrechter in de zaak met arno. 152485 zal die beoordeling in het onderhavig kort geding niet aan de orde kunnen komen, immers is de werking van dat vonnis niet gestaakt en staat dat vonnis nog recht overeind.

5.7 De kantonrechter is van oordeel dat, nu er na het vonnis nieuwe afspraken zijn gemaakt omtrent de aflossingen, de opzegging van het krediet wel opnieuw beoordeeld kan worden. Wat bij die beoordeling wel meegenomen moet worden is of de overwegingen van de kantonrechter in de zaak met arno. 152485 door de nieuwe omstandigheden niet meer gelden en of in casu gesproken kan worden van een opzegging die wel rechtmatig is.

5.8 De kantonrechter overweegt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de tweede opzegging een derhalve de volgende zaken meegenomen moeten worden: de rechtspraak die City Entertainment noemt, de rechtspraak die de kredietverleners noemen, hetgeen de kantonrechter in de zaak met arno. 152485 omtrent de opzegging van het krediet en de belangenafweging heeft beslist en de nieuwe omstandigheden, met name de nieuwe afspraken en het feit dat City Entertainment zich niet aan die nieuwe afspraken heeft gehouden.

5.9 Het kader waarbinnen de toets plaatsvindt van de rechtmatigheid van de tweede opzegging van het krediet is alsvolgt af te bakenen waarbij de hiervoor genoemde zaken worden meegenomen:

5.10 Het arrangement en de correspondentie daaromheen: overgelegd zijn:

  1. een mail van 11 augustus 2015 waarin City Entertainment toezegt dat hij maandelijks met ingang van september 2015 USD.20.000,= zal aflossen en indien de Casino operationeel wordt USD.40.000,=;
  2. Een schrijven d.d. 11 september 2015 waarin AIB, gedaagde sub A, aan City Entertainment meedeelt dat de aflossing van september niet heeft plaatsgevonden en dat dat neerkomt op een schending van de overeenkomst; in dat schrijven geeft zij aan dat zij alle rechten voorbehoud indien in de bodemprocedure en de appelprocedure in het voordeel van de kredietverleners zou worden beslist;
  3. Een schrijven van City Entertainment d.d. 20 oktober 2015 waarin zij aangeeft dat zij niet in staat was om de USD.20.000,= in september af te lossen en waarbij zij de redenen aangeeft, waaronder het feit wordt genoemd dat de in de dagbladen aangekondigde executie maatregelen een negatief hebben gehad op het vertrouwen van investeerders om met City Entertainment in zee te gaan; City Entertainment vraagt nog wat tijd, onder andere, omdat zij in gesprek is met andere investeerders;
  4. Een schrijven d.d. 26 oktober 2015 zijdens AIB Bank waarin zij City Entertainment onder de aandacht brengt dat zij, City Entertainment, zich aan de afspraken moet houden en waarin zij aangeeft dat, indien dat niet gebeurd, zij rechtsmaatregelen zal treffen; zij brengt ook in dit schrijven naar voren dat zij zich alle rechten voorbehoud indien in de rechtszaken in haar voordeel zal worden beslist;
  5. Een schrijven van 27 november 2015 van AIB Bank aan City Entertainment waarin bij City Entertainment onder de aandacht wordt gebracht dat zij de overeenkomst niet nakomt; zij wijst City Entertainment op het feit dat tevens de aflossingen per december 2015 hoger zullen zijn; zij voert voorts aan dat bij niet naleving van de overeenkomst rechtsmaatregelen getroffen zullen worden en dat zij zich alle rechten voorbehoud indien in de rechtszaken in haar voordeel zal worden beslist.

5.11 Het oordeel van de kantonrechter op 14 juli 2015 ten aanzien van de eerdere opzegging en de belangenafweging, neergelegd in rechtsoverweging 4.5 van dat vonnis luidende: “De overige omstandigheden in aanmerking nemende, te weten het feit dat het in casu om een lange termijn lening gaat waarmede een omvangrijk bedrag is gemoeid terwijl gedaagden zelf in gebreke zijn gebleven om de overeengekomen faciliteit inhoudende het ter beschikking stellen van een werkkapitaal ad. USD.500.000,= te effectueren, gerelateerd aan de getoonde wil zijdens eisers om aan hun terugbetalingsverplichtingen te voldoen, hetwelk zich heeft geopenbaard middels aflossingen (zij het niet voldoende), komt de kantonrechter tot de slotsom dat gedaagden tekort geschoten zijn in hun in acht te nemen zorgplicht jegens eisers. Daarenboven betreft het in casu een relatief jonge startende onderneming die – naar dezerzijds voorlopig oordeel – kennelijk wel toekomstperspectieven biedt. Eveneens slaat de kantonrechter acht op het feit dat gedaagden een lange termijn overeenkomst met eisers zijn aangegaan en derhalve – naar dezerzijds voorlopig oordeel – eisers in redelijkheid de gelegenheid dienen te bieden om de betalingsachterstand in te lopen . Tijdelijk tegenvallende resultaten zijn in de bedrijfsvoering niet altijd voorzienbaar en eveneens dient er rekening te worden gehouden met de belangen van de werknemers die in dienst zijn van eiseres sub A. Een redelijke en billijke belangenafweging leidt in casu tot de slotsom dat gedaagden onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld door de Long Term Facility zo snel na het aangaan op te zeggen, aangezien zij onvoldoende rekening hebben gehouden met de gerechtvaardigde belangen zijdens eisers. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn eisers, onder meer, door het niet ter beschikking stellen van het werkkapitaal zoals overeengekomen tussen partijen in een lastige financiele situatie beland voor wat betreft het voldoen aan hun aflossingsverplichtingen. Desondanks hebben zij zich inspanningen getroost om toch nog aan hun aflossingsverplichtingen te voldoen en biedt de dekking waar gedaagden over beschikken teneinde hun verhaalsaanspraken veilig te stellen – naar dezerzijds voorlopig oordeel – voldoende ruimte om niet te vrezen dat hun verhaalsaanspraken teloor zullen gaan, althans is hun vrees dienaangaande kennelijk ongegrond.”

5.12 De rechtspraak aangehaald door City Entertainment (Hof Arnhem: Rabobank/ Aarding) waarin onder andere is overwogen dat bij de vraag of de opzegging van een krediet onrechtmatig is meegenomen moet worden : “- de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie, – een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zal zijn of er voldoende dekking door zekerheid bestaat dan wel kan worden verleend en de mate van waarschijnlijkheid of en in welke omvang deze zal blijven bestaan (alles te stellen op de liquidatiewaarde), – het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer alsmede de mate waarin en de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie relevante omstandigheden, – of en in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten (bij voorbeeld door (structurele en/of ruime) overschrijding van de kredietlimiet), – de kans dat de onderneming van de kredietnemer, al of niet na reorganisatie of doorstart, zal overleven en de mate waarin de kredietnemer een reorganisatie heeft opgestart, – welke termijn de kredietnemer krijgt om een andere (huis-)bankier te zoeken en welke ernstige financiële problemen voor de kredietnemer (zullen) ontstaan indien hij zijn financieringsbehoefte niet op korte termijn elders kan onderbrengen, – de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of en in welke mate de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd, – of de bank door eigen gedragingen (zoals toelating van overschrijding van de kredietlimiet) verwachtingen heeft gewekt, – andere maatschappelijke belangen (waaronder het voorbestaan van werkgelegenheid).”

5.13 De rechtspraak genoemd door de kredietverleners waarin onder andere de volgende zaken over de rol van de redelijkheid en de billijkheid bij de opzegging van een krediet aan de orde komen:

5.14 Uitspraak van Rechtbank Zwolle/Lelystad van 25 oktober 2010:
“Ondanks het bestaan van de mogelijkheid tot opzegging met onmiddellijke opeisbaarheid – zoals neergelegd in artikel II 5 van de Algemene Bepalingen – kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.
Voor een bank geldt daarbij dat zij in verband met de maatschappelijke functie van banken zowel een bijzondere zorgplicht heeft jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Zie hieromtrent onder meer gerechtshof Arnhem 18 februari 2003, JOR 2003, 267.
Een en ander betekent dat een opzegging van de financiering van een onderneming in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.” En verder : “Het voorgaande in aanmerking genomen kon bij [eiser] c.s. niet de gerechtvaardigde verwachting bestaan dat de kredietovereenkomst ondanks voortzetting van de tegenvallende resultaten ongewijzigd zou worden voortgezet en kan de opzegging voor [eiser] c.s. na overlegging van de (tegenvallende) cijfers over 2009 niet zo onverwacht zijn geweest dat hij daarmee geen rekening diende te houden.Dat tegenover de geleende bedragen voldoende hypothecaire zekerheid staat, zoals [eiser] c.s. stelt, kan – wat daar verder ook van zij – gelet op de structureel tegenvallende bedrijfsresultaten niet tot het oordeel leiden dat de kredietovereenkomst onverkort diende te worden voortgezet. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat [eiser] c.s. tot op heden (vrijwel) binnen de limiet van het zakelijke krediet is gebleven. Dat [eiser] c.s. door de onmiddellijke opeising niet in de gelegenheid is geweest bij een andere bank herfinanciering te vinden brengt niet met zich dat Deutsche Bank het krediet niet onmiddellijk kon opeisen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat – zoals hiervoor is overwogen – de opzegging voor [eiser] c.s. na overlegging van de cijfers over 2009 geenszins als onverwacht kan worden aangemerkt. [eiser] c.s. had dus reeds in de loop van 2010 uit kunnen zien naar herfinanciering. Ter zitting is door [eiser] c.s. overigens ook aangegeven dat dit zonder succes geprobeerd is. Ook de omstandigheid dat de kredietfaciliteit pas 3,5 jaar bestaat en geen afspraak is gemaakt over het geleidelijk verlagen van de kredietfaciliteit brengt niet met zich mee dat onmiddellijke opeising van het krediet op gespannen voet staat met de bijzondere zorgplicht die Deutsche Bank heeft jegens [eiser] c.s. Het krediet is immers verstrekt in de redelijke verwachting dat de bedrijfsresultaten door samenwerking met een derde partij zouden verbeteren. Daarbij komt dat, zoals door de ABN AMRO c.s. ter zitting onbetwist is gesteld, door Deutsche Bank in overleg met [eiser] c.s. is geprobeerd tot een afbouw van het krediet te komen maar dat dit niet is gelukt. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de opzegging van de financiering aldus in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”

5.15 Uitspraak van het Hof s’Gravenhage van 31 augustus 2010 LJN BO 8527 :

5.16 “Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op grond van de toepasselijke algemene bankvoorwaarden – naar ook [appellant] erkent – een kredietrelatie als de onderhavige in beginsel te allen tijde door een bank kan worden opgezegd. Het staat een bank echter niet vrij dit naar willekeur te doen. Evenals bij andere duurovereenkomsten kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts dan tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Voor een bank geldt daarenboven dat zij in verband met de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Ook de reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Voor een kredietopzegging impliceert dit dat deze ten minste in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten slotte heeft te gelden dat de rechter de beslissing van de bank in beginsel terughoudend zal dienen te toetsen, omdat hij niet de plaats van bankier kan innemen.” En voorts “Gelet op deze gang van zaken en de tijdspanne waarbinnen deze zich heeft afgespeeld, kan niet gezegd worden dat Rabobank bij de uiteindelijk bij schrijven van 17 oktober 2005 geëffectueerde opzegging met onmiddellijke ingang, niet een redelijke termijn in acht heeft genomen of anderszins heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Een en ander rechtvaardigt evenmin de conclusie dat het handelen van Rabobank jegens [appellant] buiten proportioneel of anderszins in strijd met de op haar rustende zorgplicht moet worden geacht en/of dat [appellant] misbruik gemaakt zou hebben van haar bevoegdheid om de overeenkomst met [appellant] op te zeggen.”

5.17 De kantonrechter overweegt dat uit de rechtspraak aangevoerd door City Entertainment en de rechtspraak aangevoerd door de kredietverleners blijkt dat de omstandigheden van het geval steeds moeten worden beoordeeld alsvorens te kunnen concluderen of een opzegging rechtmatig is.

5.18 Naar het oordeel van de kantonrechter ging het in geen van de door de kredietverleners genoemde gevallen om een verwijt van de kredietnemer dat de kredietverstrekkers wanprestatie hadden gepleegd door een deel van het krediet niet te verstrekken. In de kredietrelatie tussen City Entertainment en de kredietverleners speelt dat wel. Ook speelt in de relatie tussen City Entertainment en de kredietverleners dat een voorzieningen rechter reeds heeft geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van wanprestatie zijdens de kredietverleners de uitspraak van de bodemrechter moet worden afgewacht en dat daarvoor vooralsnog de opzegging van het krediet welke plaatsvond in november 2012 werd opgeschort en de veilingen werden verboden.

5.19 De kantonrechter is van oordeel dat, uit de correspondentie rond het arrangement van augustus 2015 blijkt dat ook in die periode de executie handelingen van de kredietverleners door City Entertainment worden genoemd als oorzaak waardoor geplande investeringen of samenwerkingsverbanden geen voortgang hadden waardoor de aflossingen weer achterwege bleven.

5.20 De kantonrechter overweegt dat hiermee door City Entertainment op twee momenten een beroep wordt gedaan op het niet kunnen voldoen aan de verplichtingen als gevolg van handelingen of nalaten van de kredietverleners.

5.21 De kantonrechter is van oordeel dat uit de stellingen van City Entertainment aannemelijk wordt dat het niet kunnen voldoen aan de afspraken gemaakt in augustus 2015 sterk verband houdt met hetgeen aan het vonnis van 2015 vooraf is gegaan. In het kort komt het erop neer dat de slechte financiele positie van City Entertainment welke volgens haar te wijten is aan de wanprestatie, door heeft gewerkt na het arrangement en enigszins is verergerd door de publicatie van de executie maatregelen waarvan de kantonrechter in juli 2015 heeft geoordeeld dat deze onrechtmatig waren.

5.22 De kantonrechter is van oordeel dat op grond hiervan, gelijk City Entertainment stelt, het niet kunnen aflossen vanaf september 2015 niet had mogen worden aangewend als grond voor de opzegging in maart 2016.

5.23 De kantonrechter is van oordeel dat de beoordeling van de kantonrechter met betrekking tot de redelijke en billijke belangenafweging daarmee nog recht overeind staat en, zoals in dat vonnis is beslist, de beslissing in de bodemprocedure moet worden afgewacht.

5.24 De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor ook de tweede opzegging als onrechtmatig moet worden aangemerkt en daarom zal moeten worden opgeschort. Op grond van het hiervoor overwogene zullen de openbare verkopen tevens worden verboden. De vordering tot schorsing van de opzegging van het krediet zal worden toegewezen totdat in de bodemprocedure is beslist.

5.25 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de vorderingen voor de toekomst, dat zij die vorderingen niet zal kunnen beoordelen, immers staat niet vast welke omstandigheden zich in de toekomst zullen voordoen op grond waarvan een eventueel oordeel op grond van de huidige omstandigheden gevormd, op een moment in de toekomst niet meer op hoeft te gaan. Die vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

5.26 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de kredietverleners als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
In het incident:

6.1 Staat toe de gevraagde eiswijziging

In de hoofdzaak

6.1 Verbiedt de kredietverleners om over te gaan tot de openbare verkopen aangezegd bij:

  • exploit van 1 april 2016 met nummer 28 te houden op dinsdag 10 mei 2016 om 11.00 uur v.m. door en ten kantore van notaris mr. Merildo Ricardi Sanrochman, te Paramaribo, aan de Heerenstraat no. 7 met betrekking tot de daarin omschreven roerende en onroerende goederen,
  • exploit van 1 april 2016 met nummer 29 te houden op dinsdag 10 mei 2016 om 12.00 uur v.m. door en ten kantore van notaris mr. Merildo Ricardi Sanrochman, te Paramaribo, aan de Heerenstraat no. 7 met betrekking tot de daarin omschreven roerende en onroerende goederen,

6.2 Veroordeelt de kredietverleners tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000.000,= (eenmiljoen Surinaamse dollar) per keer, het maximum van SRD.10.000.000,= (tienmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere keer dat zij in strijd handelen met het verbod zoals onder 6.1 gesteld;

6.3 Schort op de gedane opzegging van de litigieuze Long Term Facility Agreement per exploit no. 21 en 22 van 10 maart 2016 totdat in de reeds lopende bodemprocedure bekend onder arno. 132527 uiteindelijk zal zijn beslist hieromtrent;

6.4 Veroordeelt de kredietverleners tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000.000,= (eenmiljoen Surinaamse dollar) per keer, het maximum van SRD.10.000.000,= (tienmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere keer dat zij in strijd handelen met het bepaalde onder 6.3;

6.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

6.6 veroordeelt de kredietverleners in de kosten van dit geding aan de zijde van City Entertainment en [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.659,= (zeshonderd negen en vijftig Surinaamse dollar);

6.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 9 mei 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.