SRU-K1-2017-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-4797
25 augustus 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district] aan [adres 1],
eiseres,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district] aan [adres 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. V.M.S. Nooitmeer, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 05 oktober 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 oktober 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 13 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 20 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 27 oktober 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis was nader bepaald op 06 juli 2017, doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is de moeder van gedaagde. Tussen partijen bestaat een moeder-zoon relatie. Eiseres is thans 97 jaar oud.

2.2 Gedaagde heeft:

  • bij exploit van deurwaarder, C.N. Sitaram, d.d. 07 juli 2016, no. 369, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder De DSB Bank N.V., de Republic Bank Limited N.V. en de Hakrinbank N.V., op alle gelden, geldswaarden en/of waardevolle goederen, die zij verschuldigd mochten zijn of worden aan eiseres, of onder hun berusting mochten hebben van of verkrijgen van eiseres, en wel ter verzekering om betaling te verkrijgen van het bedrag ad US$ 200.000,-;
  • bij exploit van deurwaarder, P.S. Olensky, d.d. 15 september 2016, no. 16-990, ten tweede malen ten laste van eiseres conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de hiervoor vermelde bankinstellingen, eveneens ter verzekering om betaling van eiseres te verkrijgen van het bedrag van US$ 200.000,-.

2.3 Op 26 september 2016 heeft gedaagde het tweede door hem gelegde beslag bij exploit van deurwaarder, P. Olensky, no. 16-1033 aan eiseres doen betekenen.

2.4 Voor het doen leggen van de hiervoor vermelde beslagen heeft gedaagde bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 07 september 2016 toestemming verkregen. Aan het verzoek tot het verkrijgen van toestemming daartoe heeft gedaagde het volgende gesteld:

  • vanaf het jaar 1986 tot en met het jaar 192 heeft hij investeringen gepleegd op het perceelland groot 1.7517 ha, gelegen in [district 2], ten Oosten van de Spoorbaan, deel uitmakende van de vestigingsplaats aan het [gebied], bekend als [nummer] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter C.W. Mecidi van 25 juni 1962;
  • op 26 april 1986 heeft hij met toestemming van zijn vader, wijlen [naam], een aannemingsovereenkomst gesloten voor het bouwen van een woning op het hiervoor omschreven perceelland voor de som van Sf 127.755,-;
  • tevens heeft hij ook andere kosten ad Sf 253.454,- gemaakt ten behoeve van de bouw van de woning.;
  • eiseres, zijnde zijn moeder, en wijlen zijn vader zouden mondeling met hem, gedaagde, zijn overeengekomen dat het hiervoor omschreven perceelland aan gedaagde zou worden overgedragen en zou gedaagde hem steeds hebben voorgehouden dat het perceel reeds op zijn naam zou zijn overgeschreven, terwijl dit niet het geval is geweest;
  • eiseres heeft instede van het perceel op naam van gedaagde te stellen, het perceel aan zichzelf verkocht en geleverd en het vervolgens in het jaar 2007 aan Subisco International N.V. verkocht en overgedragen voor een bedrag van SRD 584.000,-, omgerekend € 165.000,-;
  • als gevolg van het niet nakomen van de overeenkomst tot schenking lijdt hij, gedaagde, schade, zijnde de door hem gepleegde investeringen ad USD 155.219,94 en pleegt eiseres dus een onrechtmatige daad jegens hem.

2.5 Eiseres heeft in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 16-4268 opheffing van het conservatoir derden beslag dat gedaagde bij exploit van deurwaarder, C.N. Sitaram, d.d. 07 juli 2016, no. 369, heeft doen leggen gevorderd.
Op 22 juni 2017 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in de hiervoor genoemde zaak en is de gevraagde voorziening tot opheffing geweigerd. Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
“4.4 De kantonrechter is van oordeel dat aan het niet betekenen van de beslagen door de wet in casu geen gevolgen zijn verbonden en rechtens is komen vast te staan dat [eiseres] op 10 augustus 2016 geacht moet worden kennis hiervan te hebben genomen en overigens niet in haar belangen is geschaad.

4.5 Tijdens de comparitie van partijen d.d. 1 september 2016 waarbij [eiseres] werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde is voorgesteld dat [eiseres] een bankgarantie stelt ten belope van het gevorderde bedrag. Bij schrijven van
2 september 2016, heeft de gemachtigde van [eiseres], Mr. Y. Engkar de Kantonrechter bericht dat [eiseres] niet bij machte is een bankgarantie ten bedrage van US$ 200.000,-(…) te stellen.

4.6 De Kantonrechter is van oordeel dat nu in artikel 599 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat de rechter het arrest moet opheffen, indien behoorlijke borgstelling heeft plaats gehad voor het beloop van de som, voor welker zekerheid het beslag is gelegd, de enige wettelijke grondslag voor de opheffing van het beslag in casu is komen te vervallen.
Aan de beoordeling van de summierlijke (on)deugdelijkheid van de vordering komt de Kantonrechter niet toe.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) met onmiddellijke ingang te gelasten de opheffing van het conservatoir derdenbeslag – bij exploit van de deurwaarder, C.N. Sitaram, d.d. 07 juli 2016, no. 369 en bij exploit van deurwaarder, P.S. Olensky, d.d. 15 september 2016, no. 16-990 – ten laste van eiseres onder de onder 2.1 vermelde bankinstellingen;
b) gedaagde te verbieden om misbruik van het recht te maken, met dien verstande dat gedaagde wordt verboden om in de toekomst wederom conservatoire derdenbeslagen onder dezelfde banken terzake dezelfde vordering ten laste van eiseres te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van
SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat hij in strijd handelt met het te wijzen vonnis;
c) veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe heeft zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende gesteld:

  • gedaagde heeft in strijd met de wet de eerste beslaglegging niet aan haar doen betekenen, waardoor het beslag nietig is;
  • gedaagde maakt misbruik van het recht door ten tweede male op basis van dezelfde grondslag beslag te doen leggen;
  • eiseres was buiten gemeenschap van goederen gehuwd met wijlen [naam], en kon derhalve niet hebben beloofd het bedoelde perceelland aan gedaagde te zullen schenken;
  • gedaagde zou de erfgenamen van wijlen [naam], hiervoor moeten aanspreken;
  • gedaagde heeft geen investeringen gepleegd, omdat hij daartoe financieel niet in staat was. Met name is gedaagde geboren op 26 juli 1966. In het jaar 1987 was gedaagde 21 jaar oud en toen nog student.

Eiseres stelt als spoedeisend belang dat zij vanwege de stillegging van haar betalingsverkeer schade lijdt. Zij is hoog bejaard en heeft veel zorg, te weten medische zorg en thuiszorg, nodig waarvoor zij moet betalen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft opgeworpen dat de aard van het kort geding zich verzet tegen het door eiseres gevorderde. Dit vanwege de ingewikkeldheid van het geschil tussen partijen. Uit dit verweer begrijpt de kantonrechter dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat het spoedeisend belang in de onderhavige zaak ontbreekt. Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van de vordering zelf. Het is een feit van algemeen bekendheid dat beslaglegging op gelden van vermeende schuldenaars onder bankinstellingen, de vermeende schuldenaar vleugellam legt en zulks het spoedeisend belang reeds aannemelijk maakt. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan dit verweer van gedaagde en zal eiseres worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft voorts opgeworpen dat eiseres niet ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar gevorderde, omdat zij misbruik maakt van het procesrecht door wederom een vordering tot opheffing van de eerste beslaglegging te vorderen. Anders dan gedaagde, is de kantonrechter van oordeel dat in casu geen sprake is van misbruik van procesrecht en wordt dit verweer op grond van het hierna volgende verworpen.
Het algemene uitgangspunt, waarbij de kanronrechter verwijst naar artikel 10 van de Grondwet van de Republiek Suriname, is dat een ieder in beginsel vrije toegang tot de rechter heeft en derhalve gebruik mag maken van zijn of haar bevoegdheid om een procedure te starten. Volgens vaste jurisprudentie mogen aan deze processuele bevoegdheid, waaronder mede begrepen het instellen van een procedure, beperkingen worden gesteld om misbruik van die bevoegdheid te voorkomen. Uit de jurisprudentie volgt dat een dergelijke bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt indien

a) het doel slechts is een ander te schaden,
b) een ander doel wordt gediend dan waartoe de bevoegdheid is gegeven en
c) er sprake is van een onevenredigheid tussen de aan de orde zijnde belangen.

Geenszins is gesteld of gebleken dat eiseres de onderhavige vordering heeft ingesteld om gedaagde te schaden.

4.3 Gedaagde heeft voorts opgeworpen dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de kantonrechter omtrent dit onderwerp reeds vonnis heeft gewezen in de kort geding zaak bekend onder A.R. No. 16-4268.
Ter zake stelt de kantonrechter het volgende voorop.
Ingevolge artikel 596 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en volgens vaste jurisprudentie dient het beslag te worden opgeheven, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, of indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is. Zoals blijkt uit de inhoud van de overwegingen van het hiervoor tussen partijen gewezen vonnis van 22 juni 2017, is niet getoetst of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vermeende vordering van de beslaglegger, zijnde gedaagde, is gebleken. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat dit geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, inhoudelijk nog niet summierlijk is getoetst. Op grond hiervan verwerpt de kantonrechter het hiervoor door gedaagde opgeworpen verweer tot niet onvankelijk verklaring van eiseres.

4.4 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vermeende vordering is gebleken en zal de kantonrechter zich daarom slechts op dit geschilpunt toespitsen.
Aleer over te gaan tot de beantwoording van deze vraag, brengt de kantonrechter partijen in herinnering dat blijkens HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 de vordering tot opheffing van een beslag met zich meebrengt, dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, in casu eiseres, om met inachtneming van de beperkingen in de kortgedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zou kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.5 Gedaagde heeft zich ter staving van zijn vermeende vordering, inhoudende de door hem gepleegde investeringen op het bedoelde perceel, beroepen op de volgende producties die hij ten processe heeft overgelegd: een brief – naar hij stelt – afkomstig van zijn moeder, een aannemingsovereenkomst die hij met toestemming van wijlen zijn vader op 26 april 1986 met een aannemer zou hebben gesloten voor de bouw van een woning op het bedoelde perceel, een gespecificeerde prijsopgave voor de bouw van de woning op het perceel d.d. 27 oktober 1987, kwitanties van betalingen over de hiervoor genoemde periode betreffende de aanschaf van materialen, en een kredietovereenkomst gesloten met de Finabank waarbij een hypotheek zou zijn gevestigd op het bedoelde perceelland. Eiseres blijft in haar stellingen volharden dat gedaagde geen investeringen heeft gepleegd op het bedoelde perceelland en heeft in dat kader de producties waarop gedaagde zich beroept van valsheid beticht. Tevens heeft zij aangevoerd dat gedaagde toentertijd fincancieel niet in staat was om die investeringen te plegen en hij financiele middelen van de ouders heeft aangewend om de investeringen te plegen. Desondanks is gedaagde in zijn stellingen blijven volharden dat hij de investeringen heeft gepleegd. Daar tussen partijen een moeder zoon-relatie bestaat en op grond van de overeenkomsten niet kan worden vastgesteld of betalingen daadwerkelijk door gedaagde zouden zijn gepleegd uit zijn eigen verdiende inkomen voor de bouw van de woning, lag het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op de weg van gedaagde om nog meer producties ten processe over te leggen om zijn vermeende vordering op eiseres aannemelijk te maken. Dit ook, bekeken vanuit het licht dat eiseres de producties van valsheid heeft beticht en deze producties daardoor niet voldoende zijn om de door gedaagde vermeend gepleegde investeringen aannemelijk te maken. Zo zou gedaagde kunnen overleggen bescheiden waaruit de hoogte van het toentertijd door hem genoten inkomen blijkt, bankafschriften waaruit blijkt dat hij toentertijd gelden van zijn rekening zou hebben gelicht om de aannemer te betalen en bouwmaterialen aan te schaffen in het kader van de bouw van de woning, bankafschriften of stortingsbewijzen van de Finabank waaruit blijkt dat hij maandelijks de hypotheeklening afloste, kwitantie van betaling betreffende de royementskosten na volledige aflossing van de hypotheeklening bij de Finanbank. De kantonrechter mag aannemen dat gedaagde, gelet op het feit dat hij de brief van zijn moeder, de overeenkomsten en nota’s van betalingen keurig heeft kunnen bewaren, ook de bankafschriften keurig heeft kunnen bewaren en die ten processe had kunnen overleggen. Nu gedaagde zulks heeft nagelaten, is voor de kantonrechter summierlijk de ondeugdelijkheid van het door gedaagde ingeroepen recht, zijnde de door vermeende vordering tot beslaglegging, gebleken. Hieruit vloeit voort dat de door gedaagde gelegde beslagen dienen te worden opgeheven. Op grond hiervan zal het gevorderde onder a worden toegewezen.

4.6 Het gevorderde onder b zal worden geweigerd, omdat het enige wettelijke grondslag ontbeert. Zoals reeds onder onder 4.2 is overwogen is een ieder bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden indien hij/zij meent in zijn/haar belangen te zijn geschaad.

4.7 Gelet op de moeder-zoon relatie en het feit dat eiseres voor een deel in het gelijk is gesteld, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. De compsenatie zal daarin bestaan, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Heft op het bij exploit van deurwaarder, C.N. Sitaram, d.d. 07 juli 2016, no. 369, en het bij exploit van deurwaarder, P.S. Olensky, d.d. 15 september 2016, no. 16-990 gelegd conservatoire derdenbeslag onder De Surinaamsche Bank N.V., de Republic Bank Limited N.V. en de Hakrinbank N.V., op alle gelden, geldswaarden en/of waardevolle goederen, die zij verschuldigd mochten zijn of worden aan eiseres, of onder hun berusting mochten hebben van of verkrijgen van eiseres.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 25 augustus 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-19

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 19-0773
18 april 2019

Vonnis in de zaak van
RCR HEALTH CENTRE N.V.,
gevestigd en kantoor houdende aan de Anton Dragtenweg no. 68 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. M. G. A. Vos, advocaat,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “RCR”,

tegen

HANDELS- KREDIET EN INDUSTRIEBANK N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 11 – 13 te Paramaribo,
NATIONALE ONTWIKKELINGSBANK N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de mr. Jaggernath Lachmonstraat no. 160 – 162 te Paramaribo,
ACADEMISCH ZIEKENHUIS PARAMARIBO, ten rechte geheten ACADEMISCH ZIEKENHUIS, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Flustraat te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagde sub 1 en 2: mr. J. Kraag, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub 3: mr. G. R. Sewcharan, advocaat,
gedaagden in conventie en gedaagde sub 3, tevens eiseres in reconventie, in kort geding,
hierna te noemen: “de Hakrinbank, de NOB en het AZP”.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 12 maart 2019.

1. Het verdere proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • De conclusie van antwoord zijdens de Hakrinbank en de NOB, met producties,
  • De conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties, zijdens het AZP,
  • De conclusie van repliek jegens de Hakrinbank en de NOB, met producties,
  • De conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties, jegens het AZP,
  • De conclusie van dupliek zijdens de Hakrinbank en de NOB, met producties,
  • De conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, zijdens het AZP, met producties,
  • De conclusie tot uitlating over de producties overgelegd door de Hakrinbank en de NOB, zijdens RCR,
  • De conclusie van dupliek in reconventie zijdens RCR, met producties,
  • De respectieve conclusies tot uitlating producties zijdens de Hakrinbank en de NOB en het AZP.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering in conventie en de grondslag daarvan
Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De vordering in reconventie
3.1 De vordering

Het AZP vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • RCR veroordeelt om haar medewerking te verlenen aan het overnemen c.q. aangaan van lopende overeenkomsten met derden, waaronder patienten, patientendossiers, personeel, c.q. dienstverleners in relatie tot het onroerend goed in kwestie;
  • RCR veroordeelt om haar medewerking te verlenen om het AZP toegang te verschaffen tot het litigieuze onroerend goed, waaronder begrepen afgifte van sleutels, met al hetgeen daarmee samenhangt;
  • RCR veroordeelt tot het betalen van een dwangsom en
  • RCR veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Het AZP heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het van belang is dat de zorg die wordt verleend aan patiënten in het zorghotel niet wordt onderbroken, verhinderd of belemmerd. De patiënten mogen op geen enkele wijze last ondervinden van het geschil tussen partijen. Op basis van de maatschappelijke plicht die het eigendomsrecht van het gebouw met zich meebrengt is het van belang dat RCR haar medewerking eraan verleend dat het AZP toegang heeft tot de patiënten.

4. Het verweer
In conventie en reconventie
Zowel de Hakrinbank, de NOB en het AZP enerzijds, als RCR anderzijds hebben, respectievelijk in conventie en reconventie verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
In conventie

5.1 De vordering en de grondslag
5.1.1 RCR vordert primair dat de doorhaling wordt gelast van de inschrijving van het proces-verbaal van de openbare verkoop en toewijzing. RCR vordert verder dat de akte van verkoop en koop en kwijting verleden door notaris mr. D. Kalisingh van 1 februari 2019, overgeschreven in register C 2705 onder nummer 2347 en 2348, nietig wordt verklaard of vernietigd.

5.1.2 Subsidiair vordert RCR dat het AZP wordt verboden om met betrekking tot de onroerende goederen beheers- en beschikkingsdaden te verrichten en het AZP wordt veroordeeld om RCR in het rustig genot te laten van de onroerende goederen , totdat in bodemgeschil over de rechtsgeldighed van het proces-verbaal is beslist, althans, todat voor recht is verklaard dat de veilingakte nietig dan wel vernietigbaar is.

5.1.3 RCR heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de Hakrinbank en de NOB in strijd met hun zorgplicht hebben gehandeld. RCR stelt dat zij, de Hakrinbank en de NOB, het hebben aangestuurd op een veiling zodat de Staat of het AZP het onroerend goed kunnen kopen tegen een bedrag dat veel lager ligt dan de werkelijke waarde van het onroerend goed. Zij hebben niet voldoende inspanningen gepleegd om naar een oplossing te zoeken en zijn niet tot het uiterste gegaan om de veiling te voorkomen. Zij hebben daarmee misbruik gemaakt van hun hypotheekrecht.

5.1.4 RCR heeft bij repliek als handelingen in strijd met de zorgplicht onder andere het volgende genoemd:

  • De afspraak in het kader van de schikking was inderdaad dat RCR op uiterlijk 17 januari 2019 het bedrag van EUR.480.000,= zou moeten betalen. Dat heeft zij niet gedaan. Echter heeft zij op 31 januari 2019, een dag voor de veiling het bedrag van EUR.750.000,= aangeboden. Dit bedrag is niet ontvangen door de Hakrinbank en de NOB. De Hakrinbank en de NOB hadden echter geen enkel te respecteren belang bij het niet ontvangen van het bedrag waarbij de veiling dan kon worden afgewend en de schikking van 10 januari 2019 kon worden uitgevoerd. Het was naar de mening van RCR daardoor wel mogelijk een schikking te treffen en, indien de Hakrinbank en de NOB wel tot het uiterste zouden zijn gegaan was er wel een schikking gekomen. Zij verwijst daarbij naar de twee uitspraken van de Hoge Raad en de Rechtbank Amsterdam van respectievelijk 14 december 2018 en van 13 mei 2013.
  • De Hakrinbank had als professionele kredietverlener moeten inzien dat RCR niet in staat zou zijn de aflossingen te plegen. Zij hadden kunnen voorzien dat RCR door het kredietarrangement in nog grotere financiele problemen zou komen en hadden een arrangement moeten aanbieden dat een lagere rente had en een langere looptijd in plaats van een hogere rente en een kortere looptijd. Uit de rechtspraak blijkt dat dergelijk gedrag in strijd is met de zorgplicht. RCR heeft hierbij arresten genoemd van 8 februari 2013 en van 4 december 2018.
  • Bij een veilingkoopsom die lager is dan de executie waarde is niet gelijk sprake van onrechtmatig handelen. Echter is er wel een grens. Indien op de veiling blijkt dat er geen reëel bod wordt gedaan, zal de hypotheekhouder onrechtmatig handelen wanneer het goed voor een veel te laag bedrag wordt verkocht. In casu is dat het geval geweest. Het onroerend goed zou eerst voor EUR.13.8 miljoen worden gekocht. Op de veiling is echter minder dan de helft daarvan geboden. Bovendien hadden de Hakrinbank en de NOB na het uitgebrachte bod RCR de gelegenheid moeten bieden om na te gaan of alsnog overgegaan kon worden tot het onderhands verkopen van het onroerend goed. De Hakrinbank en de NOB hebben hierdoor in strijd met hun zorgplicht gehandeld en misbruik gemaakt van hun hypotheekrecht. Zij zijn dan ook schadeplichtig jegens eiseres.
  • De banken hebben na het vonnis van 21 september 2018, in welk vonnis de kantonrechter heeft overwogen dat partijen naar oplossingen zouden moeten zoeken, mede gezien het doel waarvoor de onroerende goederen worden gebruikt, de communicatie volledig verbroken. Het lukte RCR na het vonnis helemaal niet meer om overleg te plegen; zij hebben het juist aangestuurd op een veiling.
  • De bijzondere veilingvoorwaarden waren in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat deze niet daags voor de veiling bekend zijn gemaakt en de betalingscondities ingrijpend waren.
  • De omstandigheden waaronder de betaling heeft plaatsgevonden waren ook niet duidelijk voor RCR, terwijl het voor RCR noodzakelijk is hierover ingelicht te worden. Voorts is het niet mogelijk dat AZP zou bieden zonder op de hoogte te zijn van de bankschuld. Voorts is het AZP al jaren financieel in zwaar weer waardoor het de vraag is hoe het AZP de koopsom zou opbrengen. Het contact vooraf tussen de banken en het AZP is niet logisch als de banken stellen dat het contact nodig was om de medische behandeling van patienten van RCR te garanderen, immers niet alleen in het AZP is medische verzorging mogelijk. Overigens heeft het AZP juist een beddentekort, waardoor ook met andere ziekenhuizen gesproken zou moeten worden. Het is de vraag waarom de banken niet met de andere ziekenhuizen contact hebben gemaakt over de opvang van patienten. Uit deze omstandigheden blijkt dat er sprake is van het vooraf maken van afspraken met het AZP teneinde het AZP in de gelegenheid te stellen op de veiling te kopen.

5.2 De weren van de Hakrinbank, de NOB en het AZP
5.2.1 De Hakrinbank en de NOB hebben op de grondslag gereageerd waarbij zij onder andere het volgende hebben aangevoerd:

  1. dat het gevorderde hen in beginsel niet regardeert;
  2. dat het gevorderde onder B van het petitum ook niet kan worden toegewezen omdat dat zodanig ingrijpt in het eigendomsrecht van de veilingkoper dat voor de toewijzing daarvan eerst deugdelijke en aannemelijke gronden zouden moeten zijn aangevoerd; daarnevens is het gevorderde declaratoir van aard;
  3. dat de gronden door RCR aangehaald reeds in eerdere processen zijn aangehaald namelijk de processen met de arnummers 183906 en 190043, waarbij de kantonrechter over die gronden reeds heeft geoordeeld; dat de Hakrinbank en de NOB desalniettemin de gronden ook in dit geding betwisten;
  4. dat er wel door de Hakrinbank en de NOB naar oplossingen is gekeken doch dat het juist RCR was die zich niet aan de toezeggingen hield; RCR heeft zich zelfs niet aan de afspraak gemaakt ten overstaan van de kantonrechter gehouden; dat de schikking die was bereikt niet is uitgevoerd door RCR omdat zij niet in staat was het bedrag van EUR.480.000,= te voldoen;
  5. dat de stelling dat de schuldberekening onjuist zou zijn een ongefundeerde stelling is die niet is onderbouwd en waaraan voorbij gegaan moet worden, nu de boeken van de banken tot bewijs strekken tegenover clienten van de banken totdat het tegendeel bewezen is;
  6. dat blijkens de rechtspraak slechts onder bijzonderde omstandigheden sprake kan zijn van misbruik van recht door de hypotheekhouder en dat die omstandigheden in casu niet aan de orde zijn; zij stellen dat in casu juist de omstandigheid aan de orde is dat de veiling tot twee maal toe geen voortgang heeft gevonden en dat van de Hakrinbank en de NOB niet langer kan worden verlangd dat zij haar belangen opzij zet ten faveure van het belang van de schuldenaar die structureel in gebreke is;
  7. dat uit de rechtspraak voorts blijkt dat de vraag beantwoord moet worden of er gronden blijken die uiteindelijk in een bodemgeschil zouden leiden tot vernietiging of nietig verklaring van de veiling;
  8. dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat er sprake is van een te lage koopsom; dat voorts het enkele feit dat het onroerend goed is toegewezen voor een bedrag dat de schuldenaar te laag vindt nog geen grond is voor vernietiging of nietigverklaring van een veiling en dat bij de openbare verkoop de koopsom van het onroerend goed op een zo objectief mogelijke wijze, volledig transparant en indiscriminatoir wordt bepaald en dat het verkopen tegen een lagere waarde dan de executie waarde niet tot gevolg heeft dat de veiling nietig is dan wel vernietigd moet worden; dat uit de door de Hakrinbank en de NOB overgelegde rechtspraak blijkt dat het in de afgelopen jaren vaker voorkomt dat een onroerend goed op de veiling beneden de taxatiewaarde wordt verkocht, waardoor het tot een ontwrichting van het systeem zou leiden wanneer veilingen stees nietig zouden worden verklaard wanneer de veilingkoopsom lager lag dan de taxatiewaarde;
  9. dat het niet juist is dat er toezeggingen zijn gedaan door de heer Boussaid met betrekking tot een bedrag van EUR.750.000,= en ook geen mededeling is gedaan aan de directeur van RCR dat er een aspirant koper is die het onroerend goed op de veiling tegen bankschuld zou kopen en dat er reeds vaste afspraken zijn gemaakt;
  10. dat de hypotheekhouder mag afwijken van de algemene veilingvoorwaarden mits niet in strijd wordt gehandeld met de redelijkheid en de billijkheid; dat het niet juist is dat de algemene veilingvoorwaarden worden gepubliceerd voor de veiling; dat de bijzondere veilingvoorwaarden niet daags voor de veiling bekend gemaakt hadden moeten worden; dat de voorwaarde dat er geen termijn voor beraad werd verleend en dat direct gegund zou worden aan de hoogste bieder, niet in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid;
  11. dat er geen sprake was van een scenario of van afspraken om het onroerend goed met financiering van de Staat te verkopen aan het AZP tegen een veel lagere prijs;
  12. dat de Hakrinbank en de NOB zich op geen enkele wijze schuldig hebben gemaakt aan wanprestatie of onrechtmatig handelen, hetgeen ook in de vorige rechtsprocessen is gebleken.

5.2.2 Het AZP heeft op de grondslag gereageerd waarbij zij het volgende heeft aangevoerd:

  1. dat haar juiste naam luidt Academisch Ziekenhuis;
  2. dat het gevorderde, namelijk de doorhaling van de overschrijving van het proces-verbaal van de veiling, geen voorlopige voorziening is doch een definitieve voorziening, hetgeen niet mogelijk is in kort geding;
  3. dat RCR een vijftal leningsovereenkomsten heeft gesloten bij de Hakrinbank en de NOB; dat RCR in betalingsproblemen kwam; dat er grote betalingsachterstanden ontstonden waardoor er tot executie overgegaan moest worden; dat er afspraken zijn gemaakt om de executie af te wenden; dat RCR de afspraken niet kon nakomen waardoor de onderpanden in het openbaar zijn verkocht; dat het AZP het onroerend goed op de veiling heeft gekocht;
  4. dat RCR ook het AZP verwijt onrechtmatig gehandeld te hebben door op de veiling te kopen; dat echter de contractuele relatie tussen de schuldenaar en de schuldeisers de veilingkoper niet regardeert;
  5. dat ook al zou blijken dat de schuldeisers misbruik hebben gemaakt van hun executierecht, het AZP als koper te goedertrouw daar geen nadeel van kan ondervinden;
  6. dat, alhoewel RCR stelt dat het AZP te kwadertrouw is, dit niet juist is; het AZP heeft geen afspraken gemaakt met de schuldeisers voorafgaand aan de veiling; dat de schuldeisers met het AZP contact hebben gemaakt voor de veiling in verband met het garanderen van de ziekenzorg voor de patienten indien de onroerende goederen in het openbaar verkocht zou worden;
  7. dat het AZP niet op de hoogte is van enig repatrieringsplan voor nierdialyse patienten; eventuele opmerkingen daaromtrent komen voor rekening van de persoon die deze gemaakt zou hebben en niet voor rekening van het AZP; dergelijke opmerkingen zijn in elk geval niet in opdracht van het AZP gemaakt;
  8. dat het niet juist is dat het AZP onbereikbaar was na een gesprek over de huurovereenkomst met betrekking tot de huur van ziekenhuisbedden; de huurovereenkomst heeft geen voortgang gevonden omdat RCR een prijs van EUR.90.000,= per maand vroeg voor 40 bedden, welke prijs voor het AZP niet op te brengen is; om die reden is niet verder gesproken over de huurovereenkomst; per mail van 20 september 2018 heeft het AZP dat ook aan RCR doorgegeven; dat hieruit blijkt dat er geen sprake is van het afbreken van onderhandelingen door het AZP;
  9. dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door het AZP;
  10. dat het eigendomsrecht van het AZP als koper te goedertrouw niet wordt aangetast door een eventueel misbruik van executierecht door schuldeisers.

5.3 RCR heeft op de weren gereageerd waarbij zij bij haar gronden bleef en bij haar vordering.

5.4 De kern van het geschil
5.4.1 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de Hakrinbank en de NOB onrechtmatig hebben gehandeld jegens RCR dan wel of zij wanprestatie hebben gepleegd jegens RCR en, indien dat het geval zou zijn, of dat gevolgen heeft voor de koop van het onroerend goed op de veiling door het AZP.

5.4.2 RCR heeft de wanprestatie en de onrechtmatige daad onder het kopje grondslag in conventie opgesomd en nader onderbouwd in haar conclusie van repliek.

5.5 De grond dat de Hakrinbank en de NOB als kredietverleners niet tot het uiterste zijn gegaan
5.5.1 RCR haalt twee uitspraken aan. Die uitspraken betreffen de volgende situaties:
Het arrest van 14 december 2018: dit arrest betreft een krediet dat door de kredietverstrekker is verstrekt aan twee personen die hadden opgegeven wat hun jaarloon was. Aan de hand van dat opgegeven jaarloon is een krediet arrangement opgemaakt en ondertekend. Het krediet is ook verstrekt. Op een later tijdstip bleek dat de ene persoon slechts de helft van het opgegeven loon ontving en de andere persoon helemaal geen loon ontving. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de kredietverstrekker de inkomens opgaven had moeten controleren en door het niet te controleren in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht.

Het vonnis van 13 mei 2013: dit arrest betreft een situatie waarbij de restschuld veel hoger was dan de waarde van het onderpand. De rechtbank heeft overwogen dat een tijd, waarin het economisch gezien niet goed gaat … en veel huizen, zoals ook het onderhavige, “onder water staan”, dat wil zeggen de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van het huis, van een bank meer coulance mag worden verwacht dan in economisch goede tijden. Dit betekent dat een bank tot het uiterste dient te gaan voor zij het middel van een openbare veiling kiest en dat als het in redelijkheid nog mogelijk lijkt dat door middel van een regeling een grote restschuld kan worden voorkomen, daarvoor moet worden gekozen.

5.5.2 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de aangehaalde jurisprudentie, dat het naar haar oordeel geen casussen betreffen die gelijk zijn aan de onderhavige, zo is het in casu niet de situatie dat er geen juist informatie is gegeven over het inkomen en dat de Hakrinbank en de NOB dat hadden moeten controleren. Ook is er geen sprake van een situatie waarbij de hypotheekschuld hoger was dan de waarde van het goed waardoor er na de veiling een grote restschuld overbleef.

5.5.3 Op het verwijt dat RCR de Hakrinbank en de NOB maakt, namelijk dat zij op 30 januari 2019 het bedrag van EUR.750.000,= dat aan hun was aangeboden hadden moeten ontvangen en de veiling hadden moeten afwenden, hebben de Hakrinbank en de NOB gereageerd waarbij zij de vraag opwierpen hoe serieus een bod van EUR.750.000,= genomen moest worden indien daags daarvoor het bedrag van EUR.480.000,= niet kon worden betaald, terwijl dat bedrag ten overstaan van de rechter was afgesproken.

5.5.4 De Hakrinbank en de NOB voeren daarbij aan dat zowel de rechter in de zaak met arno. 183905 als de rechter in de zaak met arno. 190043 hebben geoordeeld dat de Hakrinbank en de NOB geen misbruik maakten van hun recht om te executeren.

5.5.5 Naar het oordeel van de kantonrechter waren de Hakrinbank en de NOB gerechtigd om na het verloop van de afgesproken periode van de schikking op 17 januari 2019 te besluiten tot executie. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter deze grond niet aannemelijk.

5.6 De grond dat de Hakrinbank en de NOB als professionele dienstverleners hadden moeten inzien dat RCR niet aan de aflossingsverplichtingen zou kunnen voldoen
5.6.1 Ook op de stelling van RCR dat de Hakrinbank en de NOB als professionele kredietverleners hadden moeten inzien dat RCR niet zou kunnen voldoen aan de aflossingsverplichtingen hebben de Hakrinbank en de NOB gereageerd waarbij zij stelden dat RCR nimmer de indruk heeft gewekt dat zij onkundig is of geen inzicht heeft of lichtvaardig omgaat met de hypotheek. Integendeel is RCR een onderneming met een directeur die veel ervaring heeft in het bedrijfsleven in Nederland en geen gebrek heeft aan kundigheid en inzicht wanneer het gaat om bankzaken.

5.6.2 RCR haalt twee arresten aan namelijk het arrest van 8 februari 2013 en het arrest van 4 december 2018. Het arrest van 8 februari 2013: dit arrest betreft een situatie waarbij de eisende partij een deel van zijn vermogen op advies van een beleggingsadviseur had geplaatst bij de bank op een effectenrekening. Het vermogen werd belegd door de beleggingsadviseur die in dienst was van de bank. De eisende partij heeft zijn vermogen verloren en heeft de bank verweten dat het een te risicovol beleggingsbeleid heeft voorgesteld. Daarmee heeft de bank instrijd met de zorgplicht gehandeld. Het arrest van 4 december 2018: dit arrest is hierboven reeds aangehaald.

5.6.3 De kantonrechter overweegt dat, gelijk de Hakrinbank en de NOB stellen, het eerste arrest betreft een beleggingsrelatie en geen krediethypotheek. Reeds om die reden zijn het geen vergelijkbare gevallen. Het tweede arrest is reeds hierboven besproken waarbij is overwogen dat het geen situatie betrof die in casu aan de orde is.

5.6.4 Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet aannemelijk geworden dat de Hakrinbank of de NOB gronden hadden om te twijfelen aan de kundigheid van RCR om op een verantwoorde wijze om te gaan met de kredietrelatie. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter deze grond niet aannemelijk.

5.7 De grond dat er geen toewijzing had mogen plaatsvinden voor de veilingkoopsom
5.7.1 De Hakrinbank en de NOB hebben gereageerd op de stelling dat er geen toewijzing had mogen plaatsvinden voor het bedrag omdat dat het bod te laag was in vergelijking met de koopprijs die eerder was besproken. Zij verwezen daarbij naar de rechtspraak waaruit blijkt dat het in de afglopen jaren vaker voorkomt dat een onroerend goed op de veiling beneden de taxatiewaarde wordt verkocht, waardoor het tot een ontwrichting van het systeem zou leiden wanneer veilingen steeds nietig zouden worden verklaard wanneer de veilingkoopsom lager lag dan de taxatiewaarde.

5.7.2 De kantonrechter is het eens met de Hakrinbank en de NOB. De rechtspraak in acht nemende is het niet aannemelijk dat er sprake is van een zodanige koopsom dat de toewijzing als onrechtmatig zou kunnen worden aangemerkt.

5.8 De grond dat de Hakrinbank en de NOB het hebben aangestuurd op een veiling om het AZP in de gelegenheid te stellen het onroerend goed te kopen.
5.8.1 De Hakrinbank en de NOB hebben gereageerd op de stelling dat zij het contact volledig hebben verbroken na het vonnis van 21 september 2018. Daarbij hebben zij aanvoerd dat dat niet juist is. Zij verwijzen naar de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de schikking in januari 2019. Daarbij stellen zij ook dat zij het niet hebben aangestuurd op een veiling zodat het AZP op de veiling kon kopen. Die aantijgingen zijn ongegrond en onjuist stellen zij.

5.8.2 De Hakrinbank en de NOB hebben gereageerd op de stelling dat de bijzondere veilingvoorwaarden in strijd waren met de redelijkheid en billijkheid. Zij stelden daarbij dat de hypotheekhouder mag afwijken van de algemene veilingvoorwaarden mits niet in strijd wordt gehandeld met de redelijkheid en de billijkheid.

5.8.3 De Hakrinbank en de NOB hebben gereageerd op de stelling dat uit de omstandigheden duidelijk wordt dat er achteraf tussen de Hakrinbank en de NOB afspraken zijn gemaakt en dat de Hakrinbank en de NOB het aanstuurden op een veiling waar alleen het AZP zou kunnen bieden. Zij voeren daarover aan dat die insinuaties niet juist zijn.

5.8.4 Zij voeren aan dat RCR eerst voldoende in de gelegenheid is gesteld om aan de verplichtingen te voldoen. Daarnaast heeft RCR zelf vanaf 2011 en 2012 gesprekken gevoerd met de overheid over een eventuele verkoop aan het AZP. Alle informatie over de financiele positie van RCR was daarom al bekend bij de overheid en bij het AZP. Er is geen sprake geweest van informatie doorspelen achteraf. Ook heeft RCR in juli 2018 gesprekken gevoerd met de Staat en met het SZF. Ook tijdens dat gesprek moet de financiele positie van RCR aan de orde zijn geweest. Het is niet juist om te stellen dat AZP van de Hakrinbank en de NOB achteraf informatie heeft gekregen om op de veiling een bod te doen.

5.8.5 De Hakrinbank en de NOB stellen dat zij genoodzaakt waren vanwege de achterstallige betalingen, over te gaan tot executie en dat er geen sprake is van schending van de zorgplicht.

5.8.6 De kantonrechter is van oordeel dat de weren van de Hakrinbank en de NOB ertoe leiden dat niet aannemelijk is dat de Hakrinbank en de NOB in strijd met hun zorgplicht hebben gehandeld, immers, inderdaad is na september wel contact geweest over een te treffen schikking in januari 2019 en is het niet aannemelijk, gezien het feit dat RCR reeds een aantal jaren met de overheid gesprekken aan het voeren was over een oplossing van de financiele problemen van RCR, dat het AZP niet op de hoogte zou kunnen zijn van de financiele situatie waarin RCR verkeerde.

5.8.7 De kantonrechter acht aannemelijk dat de Hakrinbank en de NOB RCR voldoende in de gelegenheid hebben gesteld om te voldoen aan de hypotheekvoorwaarden. Het feit dat zij RCR nog de gelegenheid hebben gegeven tot 17 januari 2019 om een substantiele aflossing te plegen, en RCR daar niet aan heeft voldaan, leidt tot de slotsom dat de Hakrinbank en de NOB niet in strijd met de zorgplicht hebben gehandeld toen zij na het verloop van die termijn, na 17 januari 2019 besloten over te gaan tot executie.

5.9 De kantonrechter acht het niet in strijd met de zorgplicht dat de Hakrinbank en de NOB, zoals zij dat stellen in de conclusies, niet het vertrouwen hadden dat RCR na 17 januari 2019 nog zou voldoen aan de verplichtingen, ondanks het feit dat dat wel door RCR werd geopperd.

5.10 De kantonrechter zal op grond van het voorgaande de voorzieningen weigeren en RCR, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

5.11 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het verweer met betrekking tot de naam van het Academisch Ziekenhuis dat ten aanzien van de naam van het AZP moet worden uitgegaan van de kennelijke schrijffout, immers, alle rechtshandelingen door en ten aanzien van het AZP hadden de bedoeling te zijn gepleegd door en ten aanzien van deze rechtspersoon, die bij wet is opgericht. Om die reden is de juist naam in de kop van het vonnis reeds is verwerkt.

5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn.

In reconventie

5.12 De kantonrechter volhardt bij hetgeen in conventie is overwogen en beslist.

5.13 RCR heeft als verweer tegen het gevorderde onder andere aangevoerd dat de patiënten een rechtsrelatie hebben met RCR waardoor zij de zorg van de patiënten zal moeten voortzetten. Indien RCR het zorghotel zal moeten ontruimen zullen de patiënten zelf moeten aangeven of zij de zorg willen laten voortzetten door het AZP of in een ander ziekenhuis; dat zelfde geldt voor de personeelsleden. De patiënten en het personeel staan niet in relatie tot het onroerend goed doch hebben zij een relatie met RCR.

5.14 Het AZP heeft hierop gereageerd waarbij zij aanvoerde dat zij zich er terdege van bewust is dat zij noch de patiënten, noch het personeel kan dwingen om met het AZP een overeenkomst aan te gaan. Om die reden heeft zij gevorderd dat RCR de medewerking verleent tot het overnemen c.q. aangaan van lopende overeenkomsten. Dat staat niet in de weg dat de patiënten en het personeel uiteindelijk vrij zijn om overeenkomsten aan te gaan met wie zij willen. Het gevorderde is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het traject van overname van patiënten en personeel die met het AZP de overeenkomst willen aangaan niet wordt getraineerd.

5.15 De kantonrechter is het eens met het AZP dat voor de patiënten en personeelsleden die de overeenkomst met het AZP willen aangaan, inderdaad de medewerking vereist is van RCR waardoor dat gevorderde kan worden toegewezen, immers, nu de vordering in conventie wordt afgewezen, is het de kantonrechter niet van gronden gebleken die de overdracht van de onroerende goederen of de toegang tot de onroerende goederen in de weg zouden staan. Ook is het de kantonrechter niet van gronden gebleken die de medewerking bij de overdracht van patiënten of personeel, die daartoe hun wens te kennen hebben gegeven, in de weg zou staan.

5.16 De kantonrechter zal RCR, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing
In conventie
6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;
6.2 Veroordeelt RCR in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
6.3 Veroordeelt RCR om binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het overnemen c.q. aangaan van lopende overeenkomsten met derden, waaronder patiënten, patiëntendossiers, personeel c.q. dienstverleners in relatie tot het onroerend goed in kwestie;
6.4 Veroordeelt RCR om binnen 24 uur na betekening van het vonnis het AZP toegang te verschaffen tot het litigieuze onroerend goed, waaronder begrepen afgifte van de sleutels, met al hetgeen daarmee samenhangt;
6.5 Veroordeelt RCR tot betaling van een dwangsom van SRD.10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.1.000.000,= (eenmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat zij weigert aan de veroordelingen onder 6.3 en 6.4 van dit vonnis te voldoen;
6.6 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.7 Veroordeelt RCR in de kosten van dit geding aan de zijde van het AZP gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 18 april 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-18

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 19-0773
12 maart 2019

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

RCR HEALTH CENTRE N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Anton Dragtenweg no. 68 te Paramaribo,
gemachtigde: mr. M. G. A. Vos, advocaat,
eiseres in het incident en in de hoofdzaak in kort geding,

tegen

HANDELS- KREDIET EN INDUSTRIEBANK N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 11 – 13 te Paramaribo,
NATIONALE ONTWIKKELINGSBANK N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de mr. Jaggernath Lachmonstraat no. 160 – 162 te Paramaribo,
ACADEMISCH ZIEKENHUIS PARAMARIBO, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Flustraat te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagde sub 1 en 2: mr. J. Kraag, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub 3: mr. G. R. Sewcharan, advocaat,
gedaagden in het incident en in de hoofdzaak in kort geding,
hierna te noemen: “de Hakrinbank, de NOB en het AZP”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 27 februari 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de mondelige conclusie van eis;
  • het schrijven van de raadsvrouwe van eisers d.d. 4 maart 2019;
  • de incidentele conclusie tot wijziging van eis, met producties;
  • de respectieve conclusies van antwoord in het incident zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is op 18 mei 2007 opgericht en exploiteert een medisch centrum dat onder andere medische, verpleegkundige en verzorgende diensten verleent.
2.2 Eiseres heeft met de Hakrinbank en de NOB krediet overeenkomsten gesloten waarbij zij de ten rekeste vermelde onroerende goederen in hypotheek heeft gegeven.
2.3 Bij exploit van 28 juni 2018 is door de Hakrinbank en de NOB de openbare verkoop van de onroerende goederen aangezegd voor 17 augustus 2018.
2.4 Bij vonnis van 21 september 2018 is de openbare verkoop opgeschort tot 31 december 2018.
2.5 Bij exploit van 5 december 2018 is de openbare verkoop aangezegd voor 11 januari 2019.
2.6 Op 1 februari 2019 heeft de openbare verkoop plaatsgevonden en is het onroerend goed gekocht door het AZP voor een bedrag van SRD.50.000.000,=.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering in de hoofdzaak

Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Beslist dat het gedaagden hangende het onderhavig kort geding wordt verboden de notariële veiling akte of het proces-verbaal van de veiling over te schrijven in de registers van het MI Glis op straffe van een dwangsom;
  • Gedaagden verbiedt om de notariële veilingakte, dan wel het proces-verbaal van de openbare verkoop in de registers van het MI Glis te doen overschrijven, dan wel ter overschrijving aan te bieden, op straffe van een dwangsom,
  • Gedaagden veroordeelt het vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom en voorts
  • Gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag in de hoofdzaak
Eiseres heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij in november 2010 haar deuren opende. Dat zij voor de bouw en exploitatie van de zorginstelling de onroerende goederen ten behoeve van de Hakrinbank en de NOB als kredietverleners, met hypotheken heeft bezwaard namelijk: in februari 2010 voor een krediet van EUR.3.500.000,=, in april 2010 voor een krediet van EUR.500.000,=, in november 2013 voor een krediet van EUR.750.000,=, in december 2014 voor een krediet van EUR.250.000,= en in april 2015 voor een krediet van EUR.500.000,=.
Eiseres heeft in verband met de kredieten met de leidinggevenden van de Hakrinbank en de NOB gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt. Vanwege diverse tegenslagen die buiten haar schuld ontstonden kwam eiseres in financiële problemen en kon zij de leningen niet adequaat aflossen. Op verzoek van eiseres werd aan haar in januari 2011 een vergunning verleend tot exploitatie van een ziekenhuis en werd met de Surinaamse zorgverzekeraars een contract gesloten. Hierna zijn gesprekken gevoerd met de Staat Suriname over de overname van het geheel voor een koopsom van EUR.13.846.461,90. Echter is, ondanks het feit dat de gesprekken reeds vergevorderd waren, de koop zoals besproken met de Staat, niet doorgegaan. Hierna heeft eiseres een doorstartplan besproken met de Hakrinbank en werd van de Hakrinbank in april 2014, na onderhandelingen, een krediet van EUR.750.000,= verkregen voor de doorstart. Het doel van dit krediet was de herstructurering van het investeringskrediet, de herfinanciering van de debetstanden op de girorekeningen en de gedeeltelijke doorstart van de instelling.
De middelen uit het krediet zijn echter door de Hakrinbank gebruikt voor de achterstand op de girorekeningen, het financieren van een door de Hakrinbank verhoogde rente en inkorting van de looptijd en het reserveren van gelden voor toekomstige aflossingen. De directeur van eiseres werd door de Hakrinbank psychisch onder druk gezet omdat hij wilde voorkomen dat het onroerend goed werd verkocht. Om die reden is het kredietarrangement van april 2014 getekend alhoewel eiseres het niet eens was met het arrangement. Het afgesproken aflossingsbedrag van EUR.32.600,= was niet op te brengen, hetgeen duidelijk moet zijn geweest voor de Hakrinbank. In plaats van eiseres te helpen met een doorstartplan heeft de Hakrinbank eiseres in financiële problemen gebracht door rentes te verhogen en de looptijd in te korten. Naast voormelde omstandigheden kwam de devaluatie van de Surinaamse munt in november 2015 terwijl de kredieten zijn vastgesteld in EURO’s en de inkomsten van eiseres in Surinaamse dollar.
Toen in september 2018 en december 2018 gesprekken moesten plaatsvinden tussen eiseres en de Hakrinbank omtrent oplossingen weigerde de Hakrinbank de voorstellen van eiseres in behandeling te nemen. Dit is een schending van de zorgplicht van de Hakrinbank en van de NOB. Het vermoeden bestaat bij eiseres dat de Hakrinbank het aanstuurde op een veiling zodat het AZP of de Staat het onroerend goed voor een bedrag op de veiling zou kunnen kopen dat aanzienlijk minder is dan de werkelijke waarde. Eiseres heeft de indruk dat, ondanks het feit dat de rechter partijen daartoe in september heeft geinstrueerd, de Hakrinbank en de NOB zich niet voldoende hebben ingespannen om naar een oplossing te zoeken en niet tot het uiterste zijn gegaan om een veiling te voorkomen. De Hakrinbank en de NOB hebben hierdoor in strijd met hun zorgplicht gehandeld en misbruik gemaakt van hun hypotheekrecht. Zij zijn dan ook schadeplichtig jegens eiseres.
Het misbruik blijkt ook uit het feit dat een minuut voor de veiling de bijzondere veilingvoorwaarden bekend zijn gemaakt die inhielden dat er geen termijn voor beraad zal zijn, dat de totale koopsom direct contant en wel binnen een half uur moet worden voldaan. Deze voorwaarden hebben het voor andere kopers, die ook op de veiling aanwezig waren, onmogelijk gemaakt te bieden. Er waren circa 20 potentiële kopers op de veiling. Hierdoor was het voor het AZP makkelijk om de hoogste bieder te zijn en slechts het bedrag van de bankschuld aan te bieden.
Het misbruik blijkt voorts uit het feit dat de rechter met partijen een oplossing had besproken waarbij op 17 januari 2019 het bedrag van EUR.480.000,= betaald zou moeten worden en op uiterlijk 31 januari 2019 een bedrag van EUR.270.000,=. De Hakrinbank heeft echter niet willen wachten tot eind januari 2019. De rechtspraak heeft echter bepaald dat een bank tot het uiterste dient te gaan voor zij het middel van een openbare veiling kiest en dat, als het in redelijkheid nog mogelijk lijkt om door middel van een regeling een grote restschuld kan worden voorkomen, daarvoor moet worden gekozen. Thans blijkt dat er buiten eiseres om afspraken zijn gemaakt met de Staat en het AZP om het goed op de veiling voor de bankschuld te kopen. De Hakrinbank had daardoor niet de intentie om tot het uiterste te gaan voor een oplossing.
Het AZP heeft geprofiteerd van het misbruik van het hypotheekrecht van de Hakrinbank en de NOB waardoor ook het AZP onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres.

3.3 De vordering in het incident
Eiseres vordert dat de eis in dier voege wordt gewijzigd dat deze als volgt komt te luiden:

“Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  • Beslist dat het het AZP, hangende het onderhavig kort geding, wordt verboden om met betrekking tot het onroerend goed beheers- en beschikkingsdaden te verrichten op straffe van een dwangsom;
  • De doorhaling gelast van het proces-verbaal van de openbare verkoop en toewijzing althans de akte van verkoop en koop en kwijting verleden door notaris mr. D. Kalisingh van 1 februari 2019, overgeschreven in register C 2705 onder nummer 2347 en 2348, nietig te verklaren althans te vernietigen;
  • Gedaagden veroordeelt om het vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom en voorts
  • Gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding;

Subsidiair:

  • Beslist dat het het AZP hangende het onderhavig kort geding, wordt verboden om met betrekking tot het onroerend goed beheers- en beschikkingsdaden te verrichten op straffe van een dwangsom;
  • Het AZP verbiedt om met betrekking tot de genoemde onroerende goederen beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten en het AZP veroordeelt om eiseres in het rustig genot te laten van de onroerende goederen, totdat in bodemgeschil over de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal is beslist althans totdat voor recht is verklaard dat de veilingakte nietig dan wel vernietigbaar is, op straffe van een dwangsom,
  • Gedaagden veroordeelt om het vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom en voorts
  • Gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding”

3.4 De grondslag in het incident
Eiseres heeft als grondslag voor de eiswijziging aangevoerd dat het is gebleken dat de akte van openbare verkoop reeds is overgeschreven voor de eerste behandeling van het onderhavig geding waardoor het oorspronkelijk gevorderde niet meer kan worden toegewezen. Om die reden is het noodzakelijk een andere voorziening te vragen.

4. Het verweer in het incident
Gedaagden hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voorzover van belang, hierna terug komt.

5. De Beoordeling
In het incident

5.1 De Bank en de NOB hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat de grondslag door het overschrijven van de akte van de openbare verkoop is komen weg te vallen;
  2. dat het petitum hen niet regardeert;
  3. dat gedaagden in hun verweer worden geschaad door de wijziging;
  4. dat de gevorderde wijziging in strijd is met een goede procesorde.

5.2 Het AZP heeft als verweer aangevoerd dat het gevorderde een vermeerdering van eis betreft waardoor het moet worden afgewezen.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de wijziging die is gevorderd voortvloeit uit het feit dat het eiseres na de conclusie van eis bekend is geworden dat de verkoopakte reeds is overgeschreven waardoor zij geen belang meer had bij het oorspronkelijk gevorderde. De kantonrechter overweegt dat het wijzigen van de eis mogelijk is tot aan de afloop van de zaak zonder dat het onderwerp verandert.

5.4 De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van de Bank en de NOB nu de grondslag niet is komen weg te vallen immers, gelijk eiseres stelt, is de grondslag die zij had aangevoerd voor het oorspronkelijk gestelde dezelfde als de grondslag die zij heeft gesteld voor de gewijzigde vordering. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de Bank en de NOB niet in hun verweer worden geschaad omdat zij nog in hun antwoord en dupliek op de gewijzigde vordering kunnen reageren.

5.5 De kantonrechter gaat voorts voorbij aan het verweer van het AZP, immers, de eis is gewijzigd en niet vermeerderd. De vordering betrof oorspronkelijk een vordering om het AZP te verbieden de koopakte over te schrijven. Door een dergelijk verbod zou het AZP de koopakte niet kunnen overschrijven en daardoor geen beheers- en beschikkingsdaden kunnen uitvoeren ten aanzien van het onroerend goed. In het incident is gevorderd een verbod om beheers- en beschikkingsdaden te plegen, hetgeen ook al in de oorspronkelijke vordering aan de orde was.

5.6 De kantonrechter zal op grond van het voorgaande de eiswijziging toestaan.

5.7 De kantonrechter zal het gevorderde onder A van het petitum afwijzen nu dat een voorziening betreft die dermate ingrijpt in het eigendomsrecht van het AZP dat daarvoor eerst gronden aannemelijk zouden moeten zijn geworden.

5.8 Nu de grondslag nog niet is beoordeeld zal die voorziening niet kunnen worden toegewezen. De kantonrechter zal evenwel de zaak met spoed behandelen, waardoor spoedig over het gevorderde zal zijn geoordeeld.

In de hoofdzaak

5.9 Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld in de hoofdzaak voort te procederen.

6. De beslissing
In het incident
6.1 Staat toe de gevorderde eiswijziging;

In de hoofdzaak
6.2 Stelt partijen in de gelegenheid in de hoofdzaak voort te procederen en wel volgens het volgend conclusie schema:

  • conclusie van antwoord zijdens de Hakrinbank, de NOB en het AZP: op vrijdag 15 maart 2019 om 13.00 uur bij één van de rolgriffiers van de unit kort geding;
  • conclusie van repliek: op maandag 18 maart 2019 om 13.00 uur bij één van de rolgriffiers van de unit kort geding;
  • conclusie van dupliek: op dinsdag 19 maart 2019 om 13.00 uur bij één van de rolgiffiers van de unit kort geding;

6.3 Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 12 maart 2019, in tegenwoordigheid van de griffier

SRU-K1-2019-17

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 191919
25 juni 2019

Vonnis in de zaak van
[eiser], in zijn hoedanigheid van advocaat en lid van de Surinaamse Orde van Advocaten,
domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat no. 13 – 13A te Paramaribo,
procederend in persoon,
eiser in kort geding,

tegen

DE SURINAAMSE ORDE VAN ADVOCATEN, rechtspersoon,
gevestigd en kantoor houdende aan de Mahonylaan no. 33 te Paramaribo,
gemachtigden: mr. R. Sohansingh en mr. dr. G. N. Best, advocaten,
gedaagde in kort geding,
hierna te noemen: “de Orde”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 13 mei 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie van repliek, met producties,
  • de conclusie van dupliek,
  • het schrijven d.d. 12 juni 2019 afkomstig van de eiser,
  • het proces-verbaal van het gesprek tussen eiser en de gemachtigden van gedaagde;
  • de nadere conclusie tot overlegging van aanvullende informatie zijdens eiser;
  • de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is lid van de Surinaamse Orde van Advocaten.
2.2 Op 23 maart 2019 zijn in Theater Unique de verkiezingen gehouden voor de Raad van Bestuur van de Orde.
2.3 In de periode voor de verkiezingen heeft mevrouw [naam] zich verkiesbaar gesteld voor de functie van Deken van de Orde.
2.4 Bij schrijven van 13 maart 2019 is door de verkiezingscommissie aan mevrouw [naam] medegedeeld dat haar kandidaatstelling is goedgekeurd.
2.5 Op 23 maart 2019, nadat de verkiezingen waren gehouden, heeft de verkiezingscommissie een proces-verbaal opgemaakt van de gehouden verkiezingen waarin is opgenomen dat mevrouw [naam] is gekozen tot deken van de Orde.
2.6 Mevrouw [naam] heeft ingevolge de Advocatenwet binnen een week schriftelijk te kennen gegeven dat zij haar verkiezing aanvaardt.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de uitslag van de door de Orde op 23 maart 2019 gehouden verkiezingen van haar Raad van Bestuur opschort, althans schorst tot dat over de rechtsgeldigheid van de verkiezingen c.q de verkiezing van de Deken van de Orde in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist en voorts
  • de Orde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eiser heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat ingevolge artikel 31 lid 1 van de Advocatenwet slechts advocaten die de Surinaamse nationaliteit bezitten zich verkiesbaar stellen als lid van de Raad van Bestuur van de Orde. Hij voert aan dat het is gebleken dat mevrouw [naam] de Nederlandse nationaliteit bezit. Hierdoor is haar deelname aan de verkiezingen en haar verkiezing tot deken in strijd met de Advocatenwet en derhalve niet rechtsgeldig.

4. Het verweer

De Orde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling

5.1 De Orde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat de verkiezingscommissie voorafgaand aan de verkiezingen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of mevrouw [naam] in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit vanwege het vereiste neergelegd in artikel 31 lid 1 van de Advocatenwet; dat na onderzoek gebleken is dat zij de Surinaamse nationaliteit bezit;
  2. dat uit de wet en de memorie van toelichting niet de verplichting blijkt dat een kandidaat uitsluitend de Surinaamse nationaliteit heeft; de wet schrijft slechts voor dat de kandidaat de Surinaamse nationaliteit heeft; nu mevrouw [naam] de Surinaamse nationaliteit heeft is het niet relevant of zij naast die nationaliteit nog een andere nationaliteit heeft;
  3. dat de verkiezingen rechtsgeldig zijn verlopen en door de verkiezingscommissie bindend zijn verklaard waardoor de deken en de overige leden van het bestuur van de Orde wettig zijn verkozen.

5.2 Eiser heeft op het verweer gereageerd en voert aan dat artikel 31 lid 1 van de Advocatenwet zo uitgelegd moet worden dat de kandidaat wel uitsluitend de Surinaamse nationaliteit moet bezitten en naast die nationaliteit geen andere nationaliteit mag bezitten. Eiser verwijst daarvoor naar een zestal andere wetsbepalingen uit de Grondwet, de Wet op de Staatsraad, de Wet Notarisambt en de Wet Rekenkamer. In deze wetsbepalingen staat dezelfde formulering, waardoor aangenomen moet worden dat, evenals voor de functionarissen genoemd in de voorgaande wetten, geldt dat de kandidaat uitsluitend de Surinaamse nationaliteit moet hebben. Daarnaast is het zo dat een persoon de Surinaamse nationaliteit verliest bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Om die reden zou de Orde moeten bewijzen dat mevrouw [naam] de Surinaamse nationaliteit nog bezit.

5.3 Eiser heeft voorts aangevoerd dat in een eerder geding, bekend onder ar no. 191087, de Orde zich op het standpunt had gesteld dat een kandidaat die zich verkiesbaar had gesteld diende aan te tonen dat hij afstand heeft gedaan van het Nederlanderschap. Dat standpunt duidt erop dat de Orde ook als standpunt heeft dat een kandidaat uitsluitend de Surinaamse nationaliteit moet hebben om zich verkiesbaar te kunnen stellen. Ook stelt eiser dat mevrouw [naam], daags voor de verkiezingen, toen haar gevraagd werd of zij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, heeft verklaard dat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, hetgeen in strijd is met de waarheid.

5.4 De Orde stelt zich op het standpunt dat mevrouw [naam] de Surinaamse nationaliteit bezit en daardoor voldoet aan de vereisten van de wet. Zij voert voorts aan dat het voorgaande is aangetoond vóór de verkiezingen van de Orde en dat dat de reden is geweest dat haar kandidaatstelling door de verkiezingscommissie is goedgekeurd. De vraag of mevrouw [naam] daarnaast nog de Nederlandse nationaliteit bezit is niet relevant omdat zij voldoet aan het vereiste neergelegd in artikel 31 lid 1 van de Advocatenwet. Zij betwist dat zij moet bewijzen dat mevrouw [naam] de Surinaamse nationaliteit bezit. Het is eiser die zijn stellingen moet bewijzen, immers, hij is degene die de vordering heeft ingesteld op grond van de stelling dat mevrouw [naam] de Nederlandse nationaliteit bezit.

5.5 De kantonrechter acht op grond van de stellingen en weren en de overgelegde documenten vooralsnog aannemelijk dat mevrouw [naam] de Surinaamse en de Nederlandse nationaliteit bezit.

5.6 De vraag die partijen verdeeld houdt betreft, zoals eiser dat stelt, de vraag of mevrouw [naam], nu zij naast de Surinaamse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit heeft, zich verkiesbaar mocht stellen en gekozen mocht worden tot deken van de Orde.

5.7 Eiser stelt expliciet van niet. Hij verwijst daarbij naar andere wetten waarin ook melding wordt gemaakt van een nationaliteitseis. Hij voert aan dat in die wetten ook niet het woord “uitsluitend” is genoemd terwijl de wetgever, zo stelt hij, wel bedoeld heeft uitsluitend de Surinaamse nationaliteit. Evenals de wetgever dat heeft bedoeld in de Advocatenwet.

5.8 De Orde stelt van wel. De Orde stelt dat de interpretatie van de wet door eiser niet juist is. Indien ‘uitsluitend’ werd bedoeld zou er ook ‘uitsluitend’ staan stelt zij. Zij is van mening dat mevrouw [naam] vanwege het feit dat zij de Surinaamse nationaliteit bezit wel voldoet aan het nationaliteitsvereiste van artikel 31 lid 1 van de Advocatenwet.

5.9 De kantonrechter overweegt dat uit de Advocatenwet en uit de memorie van toelichting op de Advocatenwet van 2004 en de wijziging daarvan van 2015, niet blijkt dat de wetgever met de redactie van artikel 31 lid 1 doelde op kandidaten met uitsluitend de Surinaamse nationaliteit of juist doelde op kandidaten met de Surinaamse nationaliteit, ongeacht of zij al dan niet in het bezit zijn van een of meer andere nationaliteiten.

5.10 Wat wel uit de wet van 2004 blijkt is dat er voor het lidmaatschap van de Orde geen nationaliteitsvereiste bestaat. Ook personen met een andere nationaliteit dan de Surinaamse kunnen lid worden van de Orde van Advocaten. Dat duidt op een bedoeling van de wetgever om voor de beroepsgroep van de advocaten in de wet een zekere vrijheid toe te staan als het betreft het lidmaatschap van de Orde.

5.11 Het is naar het oordeel van de kantonrechter de vraag of het op zijn plaats is om een vergelijking te maken tussen vereisten van bestuursleden van de Orde van Advocaten en vereisten voor een ambt genoemd in de Grondwet, de wet op de Staatsraad of de Rekenkamer, omdat de bedoeling van de wetgever verschillend zou kunnen zijn. Ook dat zou eerst onderzocht moeten worden voordat daar conclusies over getrokken kunnen worden en consequenties aan verbonden zouden kunnen worden.

5.12 De kantonrechter is van oordeel dat, nu in de wet en de memorie van toelichting daar geen duidelijkheid over bestaat, en binnen de beroepsgroep zelf, voor het lidmaatschap van de Orde, geen beletselen bestaan op grond van de nationaliteit, vooralsnog geen gronden bestaan om aan te nemen dat met de bepaling van artikel 31 lid 1 van de Advocatenwet de wetgever doelde op personen met ‘uitsluitend’ de Surinaamse nationaliteit. De grondslag van het gevorderde is daarom niet aannemelijk geworden.

5.13 De kantonrechter zal de voorzieningen weigeren en eiser, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing

6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

6.2 Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 25 juni 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
E.K.-A.R. No. 11-1213
08 januari 2019
D.B.

Vonnis inzake:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

tegen

A. DE STICHTING TER BEVORDERING VAN KUNST EN CULTUUR IN SURINAME,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [gedaagde sub B],
wonende te [district],
gedaagden,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van het geding blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 18 maart 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend met producties;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties, met een productie;
– de conclusie van repliek en uitlating productie, met een productie;
– de conclusie van dupliek en uitlating productie, met een productie;
– de conclusie tot uitlating productie;
– de rolbeschikking d.d. 28 mei 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal d.d. 18 november 2013, van de gehouden comparitie van partijen;
– het schriftelijk verzoek d.d. 14 januari 2014 van gedaagden om de zaak voor een maand aan te houden, voor het formuleren van een schikkingsvoorstel;
– de conclusie tot uitlating schikking zijdens gedaagden;
– de rolbeschikking d.d. 14 juni 2016, waarbij een nadere comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 15 augustus 2016, van de gehouden comparitie van partijen;
– de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 In het kader van het Suripop XVI-festival heeft gedaagde sub A aan eiseres gevraagd om een compositie (muziekwerk) te arrangeren en wel het nummer ‘[naam nummer]’, hetgeen laatstgenoemde heeft gedaan.

2.2 Het muzieknummer gearrangeerd door eiseres, is door toedoen van gedaagden grotendeels gewijzigd, waarna de finale versie is verveelvoudigd en in het openbaar bekend is gemaakt door gedaagde sub A dat eiseres en gedaagde sub B de arrangeurs zijn van het nummer.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht te verklaren dat gedaagde sub A en/of gedaagde sub B inbreuk heeft/hebben gepleegd op het aan haar toekomende auteursrecht, meer in het bijzonder het persoonlijkheidsrecht op de muziekschikking (arrangement) van het Suripop XVI nummer getiteld ‘[naam nummer]’ en dat zij/hij daarmede onrechtmatig jegens haar heeft/hebben gehandeld;
b. gedaagde sub A en/of gedaagde sub B zal/zullen worden veroordeeld om aan haar ten titel van schadevergoeding te betalen de som van US$ 5.000, -, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
c. gedaagde sub A te verbieden om verder inbreuk te plegen op het persoonlijkheidsrecht van haar, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 1.000, – voor ieder dag of keer dat zij voortgaat met het plegen van rechtsinbreuk op het aan haar toekomende auteursrecht als voorschreven;
d. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres heeft, naast voormelde vaststaande feiten, aan haar vordering – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat door voormelde wijziging c.q. aantasting van haar arrangement gedaagden inbreuk hebben gepleegd op het haar toekomend auteursrecht, meer in het bijzonder het persoonlijkheidsrecht. Hierdoor hebben gedaagden onrechtmatig jegens haar gehandeld en zijn zij dan ook op grond van artikel 27 van de Auteurswet schadeplichtig jegens haar. Ondanks zij gedaagden heeft gesommeerd om onmiddellijk via alle media bekend te maken dat het arrangement van het betreffende nummer niet van haar afkomstig is c.q. dat haar oorspronkelijk arrangement zonder haar toestemming is gewijzigd c.q. aangetast, blijft gedaagde sub A persisteren bij het exploiteren van het muziekwerk.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op de stellingen en weren van partijen, komt de kantonrechter hierna, voor zover nodig, terug.

4. De beoordeling

4.1 Eiseres stelt dat, toen het muzieknummer van haar in finale versie was opgenomen, verveelvoudigd en openbaar gemaakt, het door toedoen van gedaagden – zonder enig overleg met haar – is gewijzigd. Tegenover deze stelling van eiseres betogen gedaagden dat er, inzake de wijziging, wel overleg is geweest met eiseres. Daartoe leggen gedaagden enkele kopieën van emailberichten tussen eiseres en gedaagde sub B over, die niet zijn betwist door eiseres. De kantonrechter citeert uit die berichten, voor zover hier van belang, als volgt.
Mail van gedaagde sub B naar eiseres:
‘…er zijn wat opmerkingen. T programmering is een beetje storend en niet uit te voeren door een ‘live’ drummer. We hebben het een beetje aangepast en er en shaker bijgezet. Verder heb ik gemerkt dat arrangement er gefocust is op ‘koor’. Hiermee gaat het gevoel van de schrijver een beetje verloren. [naam 1] heeft ondertussen al gezongen en de focus is meer op lead-vocals gelegt. Deze week nog wordt het koor gezongen’.

Mail van eiseres naar gedaagde sub B in reactie op boven geciteerde mail:
‘…Ik he inderdaad wat aandacht besteed aan de background wat ik zeer belangrijk vind in mijn arrangement. Ik had afgesproken nog een string Bud. De ritmesectie, bas hi hat en de conga’s in met name het Ctje of de bridge. Saaaaaaannnnnnnnnnnnn, na so ye wroko…………..geen probleem…De arrangeurs zijn dus [eiseres], [gedaagde sub B] en [naam 2]…

Mail van gedaagde sub B naar eiseres in reactie op boven geciteerde mail:
‘Beste [eiseres], ik heb het hele nummer beluisterd en in de pop context geplaatst. Juist hierom heb ik de aanpassingen gedaan. De arrangeur ben jij nog steeds. Ik heb als producer de eindverantwoording in heb ik die hoedanigheid gehandeld. Die string partij kan je alsnog als midi file naar mij mailen zodat ik het in het project kan opnemen’.

4.2 Op grond van boven geciteerde berichten, is er naar het oordeel van de kantonrechter, tussen gedaagde sub B en eiseres wel communicatie geweest met betrekking tot enkele door gedaagde sub B aangebrachte wijzigingen in het arrangement van eiseres, waartegen eiseres geen bezwaar heeft gemaakt.
De kantonrechter overweegt, dat uit de gehouden comparitie van partijen en nadere comparitie van partijen, als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat de muziekschikking van eiseres volledig door of vanwege gedaagden is gewijzigd. Naar het oordeel van de kantonrechter geeft artikel 10 lid 2 van de Auteurswet aan eiseres als arrangeur van het muzieknummer een zelfstandig recht op het door aangeboden arrangement, zodat aan haar het auteursrecht daarop toekomt, terwijl aan eiseres ingevolge artikel 25 lid 1 het persoonlijkheidsrecht toekomt om zich te verzetten tegen elke wijziging in haar werk en/of aantasting die nadeel zo kunnen toebrengen aan de naam en eer van eiseres. Het voren overwogene brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat er inbreuk is gepleegd op eiseres haar auteursrecht, omdat eiseres geen contract heeft ondertekend met gedaagde sub A en heeft gedaagde sub B die een aparte overeenkomst heeft met gedaagde sub A, de finale versie, waarin hij als producer meer wijzigingen had aangebracht, niet eerst ten gehore gebracht aan eiseres, althans had gedaagde sub B niet alle wijzigingen met eiseres besproken, terwijl gedaagde sub A in het openbaar bekend heeft gemaakt dat het muzieknummer een arrangement was van onder meer eiseres. Naar het oordeel van de kantonrechter staat hiermee het onrechtmatig handelen van gedaagden jegens eiseres vast en zijn zij dan ook gehouden om de als gevolg hiervan geleden schade aan eiseres te vergoeden. Het door eiseres gevorderde onder a van het petitum zal derhalve als op de wet gegrond worden toegewezen.

4.3 Met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding overweegt de kantonrechter dat gedaagden gedurende de onderhandelingen tussen partijen, bereid zijn geweest om het bedrag van US$ 3.000,- aan eiseres te betalen en heeft eiseres deze geaccepteerd, doch onder de voorwaarde dat gedaagden daarbij hun excuses dienden aan te bieden. Aangezien gedaagden niet akkoord zijn gegaan met de door eiseres gestelde voorwaarde, is de schikking niet bereikt. Naar het oordeel van de kantonrechter is het door eiseres gevorderde bedrag van US$ 5.000,- op geen enkele manier onderbouwd, zodat de kantonrechter in het voorgaande aanleiding vindt om het bedrag van US$ 3.000,- aan schadevergoeding aan eiseres toe te kennen. Uit de formulering van het petitum begrijpt de kantonrechter dat niet van elk van de gedaagden schade wordt gevorderd, weshalve de schade zal worden toegekend des de èèn betalende de ander zal zijn bevrijd.
Het door eiseres gevorderde onder sub b van het petitum zal daarom als na te melden, worden toegewezen.

4.4 Met betrekking tot het verbod om verder inbreuk te plegen, overweegt de kantonrechter dat bij schrijven d.d. 22 juli 2010, welk schrijven per deurwaardersexploot aan gedaagde sub A is betekend, zij onder meer is gesommeerd om onmiddellijk via alle media bekend te maken dat het arrangement van het betreffende nummer niet van eiseres afkomstig is. De kantonrechter overweegt dat eiseres van oordeel is dat het muzieknummer zodanig is gewijzigd, dat het niet langer als haar product kan worden beschouwd, althans wenst zij niet meer haar naam als arrangeur van het muzieknummer daaraan te verbinden. Nu artikel 25 lid 1 van de Auteurswet aan eiseres het persoonlijkheidsrecht geeft om zich te verzetten tegen elke wijziging dan wel aantasting van haar werk die haar naam en eer nadeel kunnen toebrengen, terwijl niet gebleken is dat gedaagden uitvoering hebben gegeven aan de sommatie van eiseres om onmiddellijk via de media bekend te maken dat eiseres niet de arrangeur is van het muzieknummer, zal het door eiseres gevorderde onder sub c van het petitum als op de wet gegrond worden toegewezen, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom zal worden vastgesteld op het totaal van SRD 25.000,- op grond van redelijkheid en billijkheid.
Naar het oordeel van de kantonrechter zal gedaagde sub A dienen te voldoen aan de sommatie van eiseres ten einde de verdere inbreuk op haar persoonlijkheidsrecht te doen stopzetten.

4.5 Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Verklaart voor recht dat gedaagden inbreuk hebben gepleegd op het aan eiseres toekomend auteursrecht, meer in het bijzonder het persoonlijkheidsrecht op de muziekschikking (arrangement) van het Suripop XVI nummer getiteld ‘[naam nummer]’ en dat zij onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld.

5.2 Veroordeelt gedaagden, des de èèn betalende de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, ten titel van schadevergoeding te betalen de somma van US$ 3.000, – (drieduizend Noordamerikaanse Dollar), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 26 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Verbiedt gedaagde sub A om verder inbreuk te plegen op het persoonlijkheidsrecht van eiseres op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat zij voortgaat met het plegen van de inbreuk op het aan eiseres toekomend recht, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 25.000,- (vijf en twintigduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

5.4 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.2 en 5.3 van dit vonnis, uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 300,- (driehonderd Surinaamse Dollar).

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 08 januari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-23

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 10-2772
9 mei 2017

Vonnis in de zaak van:

A. [eiseres sub A],
hierna aangeduid als “[eiseres sub A]”,
B. [eiseres sub B];
hierna aangeduid als “[eiseres sub B]”,
C. [eiser sub C];
hierna aangeduid als “[eiseres sub C]”,
D. [eiseres sub D],
hierna aangeduid als “[eiseres sub D]”,
allen wonende te [land],
eisers in conventie, gedaagden in reconventie,
gezamenlijk aangeduid als “[eisers]”,
gemachtigde voor allen: mr. J.M. Nibte, advocaat,

tegen

A. De Stichting Ameetabeheer, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna aangeduid als “de Stichting”,
B. [gedaagde sub B],
in de hoedanigheid van enig bestuurslid van Stichting Ameeta beheer,
wonende te [district],
hierna aangeduid als “[gedaagde sub B]”,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna gezamenlijk aangeduid als “Ameeta Beheer c.s.”,
gemachtigde voor allen: mr. S.N. Woei A Sioe, advocaat,

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) het verzoekschrift dat op 16 juli 2010 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
b) de mondelinge conclusie van eis;
c) de conclusie van antwoord en uitlating producties in conventie en eis in reconventie, met een productie;
d) het schrijven van de procesgemachtigde van [eisers] d.d. 11 mei 2012, overgelegd ten processe op 14 mei 2012;
e) de conclusie tot uitlating zijdens Ameeta beheer c.s.;
f) de rolbeschikking van 17 juni 2014 waarbij [eisers] in de gelegenheid is gesteld te repliceren in conventie en te antwoorden in reconventie;
g) de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
h) de conclusie van dupliek en uitlating producties in conventie en repliek in reconventie;
i) de conclusie van dupliek in reconventie.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [eiseres sub D] is buiten gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [naam], hierna aangeduid als “[naam]”, welk huwelijk is ontbonden, waarna [naam] is overleden. [naam] is de vader van [Eiseres sub A], [eiseres sub B] en [eiser sub C].

2.2 Mr. Jacoba Fransen, notaris te Haarlem, Nederland, heeft in een akte d.d. 14 augustus 2008 verklaard dat [eiseres sub A], [eiseres sub B] en [eiser sub C] voor gelijke delen de enige erfgenamen zijn van [naam].

2.3 Bij notariële akte verleden door mr. Merildo Ricardi Sanrochman, notaris in Suriname is de Stichting opgericht door [eiseres sub D]. [eiseres sub D] is daarbij benoemd als enig bestuurslid van de Stichting.

2.4 Bij akte verleden voor mr. Robbie Gerardus Rodrigues, notaris in Suriname, heeft de Stichting gekocht het perceelland, groot dertienhonderd vierentwintig 56/100 m², gelegen aan de [adres 1], in het [district], aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 13 mei 1960 met de letters ABCD en deel uitmakende van het perceelland, bekend als Afdeling I Sectie West [adres 2], hierna aangeduid als “het perceelland”.

2.5 [eiseres sub D] heeft op 23 november 2009 aangifte terzake valsheid in geschrifte gedaan contra [gedaagde sub B].

2.6 In een onderhands stuk d.d. 18 februari 2002 is vermeld dat tijdens een op voornoemde datum gehouden bestuursvergadering van de Stichting, waarbij aanwezig waren [eiseres sub D] en [gedaagde sub B], [eiseres sub D] in hoedanigheid van voorzitter heeft besloten zichzelf te ontslaan als enig bestuurslid van de Stichting en [gedaagde sub B] in haar plaats te benoemen.

2.7 Op 18 februari 2002 is een wijziging van het bestuur van de Stichting ingediend bij het openbaar Stichtingenregister, welke wijziging inhield dat [eiseres sub D] ontslag nam als enig bestuurslid en [gedaagde sub B] als enig bestuurder van de Stichting werd aangewezen.

2.8 [eisers] heeft, na daartoe bekomen toestemming, bij exploot van deurwaarder G.O. Niekoop van 13 juli 2010, no. 327, conservatoir beslag doen leggen op het perceelland.

2.9 In een rapport d.d. 27 juni 2010 heeft D. Lachmon, gerechtstaxateur, de executiewaarde van het perceelland, inclusief opstallen gesteld op € 300.000,00.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie:

3.1 [eisers] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde (de kantonrechter begrijpt: gedaagden) te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hen te betalen de som van € 300.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening, alsook het vastrecht en de deurwaarderskosten, met name het beslag- en de betekeningskosten, zijnde totaal SRD 437,00.
Mede is gevorderd het gelegd conservatoir beslag van waarde te verklaren.

3.2 [eisers]heeft, tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd.
Gesteld is dat [naam] de koopsom voor het perceelland heeft betaald, zodat hij daarvan economisch eigenaar is en [eiseres sub A], [eiseres sub B] en [eiser sub C], als zijn erfgenamen, thans in zijn plaats zijn getreden.
Verder is gesteld dat het onderhands stuk vermeld in 2.6 van dit vonnis, niet door [eiseres sub D] is ondertekend; zij was op betreffende datum niet in Suriname. Gesteld is dat haar handtekening is vervalst door –zoals de kantonrechter begrijpt-[gedaagde sub B]. Verder is gesteld dat de Stichting –de kantonrechter begrijpt: [gedaagde sub B]- is gevraagd om haar bestuurdersfunctie op te zeggen en/of de overdracht te bewerkstelligen van de onroerende goederen ten name van [eiseres sub A], [eiseres sub B] en [eiser sub C] als erfgenamen van [naam], doch dat Ameeta Beheer c.s. dit heeft geweigerd.
Ten slotte is gesteld dat Ameeta Beheer c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] als gevolg waarvan zij schade lijden.

3.3 Ameeta Beheer c.s. heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

In reconventie:

3.4 Ameeta Beheer c.s. heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de opheffing te gelasten van het op het perceelland gelegd conservatoir beslag.

3.5 Ameeta Beheer c.s. heeft, tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, zakelijk weergegeven, aan de vordering ten grondslag gelegd dat summierlijk is aangetoond dat de vordering van [eisers] ondeugdelijk is.

3.6 [eisers] heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

4. De beoordeling

In conventie:

4.1 Ameetabeheer c.s heeft betwist dat [naam] economisch eigenaar is van het perceelland. [eisers] heeft ter onderbouwing van hun stelling overgelegd een kwitantie d.d. 29 september 1998 waarop is vermeld dat van [naam] is ontvangen de som van Nfl 10.000,00 voor de aankoop van het perceelland.
De kantonrechter constateert dat uit de bij inleidend verzoekschrift overgelegde verkoopakte d.d. 26 april 1999 blijkt dat het perceelland is verkocht voor 12.147.360 gulden. Nu de door [eisers]overgelegde kwitantie niet betreft de totale verkoopsom, kan hier niet uit worden geconcludeerd dat [eisers] als economisch eigenaar van het perceelland moet worden aangemerkt.
Dit heeft tot gevolg dat [eiseres sub A], [eiseres sub B] en [eiser sub C], nu zij geen belang hebben bij de vordering, daarin niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

4.2 Ameetabeheer c.s. heeft bij conclusie van antwoord betwist dat de handtekening van [eiseres sub D] door [gedaagde sub B] is vervalst of nagebootst c.q. dat er vervalsing heeft plaatsgevonden. Aangevoerd is dat [eiseres sub D] dit bloot heeft gesteld, alsook dat [eiseres sub D] middels de overgelegde fotokopie van haar paspoort tracht aan te geven dat zij niet in Suriname is geweest, doch dat zulks niet betekend dat zij de notulen niet heeft ondertekend.

4.3 [eiseres sub D] heeft bij conclusie van repliek gepersisteerd dat zij op 18 februari 2002 niet in Suriname was en de bestuursvergadering niet heeft bijgewoond, ter adstructie waarvan een copie van haar paspoort is overgelegd waaruit niet blijkt van de aanwezigheid van een geldig visum om naar Suriname te reizen.
Daarbij is tevens in fotokopie overgelegd een beknopt deskundigenrapport d.d. 1 oktober opgesteld door [erkend schriftexpert] in Nederland, waaruit, aldus [eiseres sub D], blijkt dat de handtekening gesteld onder de notulen van 18 februari 2002 niet van [eiseres sub D] afkomstig is.

4.4 Ameeta Beheer c.s. heeft in de conclusie van dupliek aangevoerd dat het overgelegd rapport slechts een beknopt rapport betreft en geen bewijs oplevert dat de handtekening niet echt is; de conclusie van de deskundige op de onderzoeksvraag is dat naar zijn opvatting zwaarwegende steun voor “twijfel” aan de authenticiteit van de betwiste handtekening bestaat. Aangevoerd is dat daarmee niet is gezegd dat de handtekening niet authentiek is, dan wel dat daarmede niet het bewijs is geleverd dat de handtekening niet van [eiseres sub D] afkomstig is. Daarnaast is aangevoerd dat de deskundige heeft verklaard dat zijn conclusie alleen in stand kan blijven indien het originele beeld van het betwiste materiaal overeenkomt met het beeld van de ter beschikking gestelde reproducties, zodat op basis hiervan er niet van kan worden uitgegaan dat sprake is van een niet-authentieke handtekening. Ameeta Beheer c.s. heeft uitdrukkelijk tegenbewijs aangeboden dat het rapport ondeugdelijk is en niet als bewijs kan worden gebruikt.

4.5 De Kantonrechter overweegt dat het in 4.2 weergegeven verweer van Ameeta Beheer c.s. niet kan worden opgevat als te zijn een gemotiveerde betwisting van de stelling dat [eiseres sub D] op 18 februari 2002 niet in Suriname was en de bestuursvergadering niet heeft bijgewoond. Hierdoor staat in rechte vast dat [eiseres sub D] op 18 februari 2002 niet in Suriname aanwezig was en geen in Paramaribo gehouden bestuursvergadering van de Stichting heeft bijgewoond.
Ook hetgeen zijdens Ameeta Beheer c.s. is geopperd, namelijk dat zulks niet betekend dat [eiseres sub D] de notulen niet heeft ondertekend, vermag hen niet te baten. Allereerst is dit verweer niet onderbouwd; niet is verklaard op welke wijze [eiseres sub D] buiten aanwezigheid ter vergadering, de notulen zou hebben ondertekend. Daarnaast is, gelijk in dit vonnis onder 2.7 is weergegeven, de bestuurswijziging op dezelfde datum, 18 februari 2002, ingediend bij het openbaar Stichtingenregister.
De kantonrechter constateert dat in het eerder vermeld deskundigenrapport als conclusie is opgenomen:
Naar mijn opvatting bestaat zwaarwegende steun voor twijfel aan de authenticiteit van de betwiste handtekening. Deze conclusie kan alleen in stand blijven, indien het originele beeld van het betwiste materiaal overeenkomt met het beeld van de ter beschikking gestelde reproductie.”
Geconcludeerd wordt dat de reserve ten aanzien van de door de deskundige getrokken conclusie betreft de overeenkomst tussen het aangeboden en het origineel materiaal.
Geconstateerd wordt dat gesteld noch gebleken is dat daartussen verschil bestaat, zodat ervan wordt uitgegaan dat het aangeboden en origineel materiaal niet verschillen, zodat de door de deskundige getrokken conclusie in stand blijft.
Ameeta Beheer c.s. heeft aangeboden te bewijzen dat het rapport ondeugdelijk is, doch heeft nagelaten dit te onderbouwen; het ten aanzien van het rapport aangevoerde betreft niet de inhoud van het rapport zelve, doch de conclusies die daaraan verbonden kunnen worden.
Ameeta Beheer c.s. zal derhalve niet worden toegelaten tot het door haar aangeboden bewijs.
Op grond van al het hiervoor overwogene concludeert de kantonrechter dat de onder de notulen d.d. 18 februari 2002 gestelde handtekening niet van [eiseres sub D] afkomstig is.
Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de wijziging van het bestuur van de Stichting en daardoor de onttrekking van het perceelland aan de beschikkingsbevoegdheid van [eiseres sub D], onrechtmatig is.
Geconstateerd wordt dat de hoogde van de door [eiseres sub D] gestelde schade niet is betwist, zodat dit in rechte vast staat. De geldvordering wordt derhalve toewijsbaar geacht.

4.6 De gevorderde van waarde verklaring van het gelegd conservatoir beslag zal, nu voldaan is aan de wettelijke termijnen en formaliteiten, worden toegewezen.

4.7 Ameeta Beheer c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie:

4.8 De Kantonrechter neemt over hetgeen in conventie onder 4.5 is overwogen en concludeert dat het conservatoir beslag is gelegd ter zekerheid van een deugdelijke vordering van [eiseres sub D] op Ameeta Beheer c.s.
De gevorderde opheffing van het conservatoir beslag wordt derhalve niet toewijsbaar geacht.

4.9 Ameeta Beheer c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

5.1 Verklaart eisers sub A, B en C niet ontvankelijk in hun vordering.

5.2 Veroordeelt gedaagden, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub D te betalen de som van € 300.000,00 (driehonderdduizend Euro) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 26 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Verklaart het onder 5.2 van dit vonnis bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 522,00 (vijfhonderd tweeëntwintig Surinaamse dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.6 Wijst de vordering af.

5.7 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde sub D gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 9 mei 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-1995-1

A.R.NO. 956489
27 NOVEMBER 1995
C.G.

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in de zaak aanhangig tussen:

  1. [eiser 1], wonende aan de [straat 1] te [district],
  2. [eiser 2], wonende aan [adres 1] te [district], en
  3. [eiser 3], wonende aan [adres 2] te [district],
    gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advokaat,
    eisers in kort geding,

tegen

CANTECH LABORATORIES INC., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Canada, mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kleine Waterstraat no. 2-6 te Paramaribo,
gemachtigde: Mr. F.KRUISLAND, advokaat,
gedaagde in kort geding,

PROCESGANG
Bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie d.d. 14 november 1995, hebben eisers gevorderd dat de Kantonrechter,

a. eisers zal vergunnen kosteloos te proceduren
b. gedaagde zal veroordelen aan eiser bij wijze van voorschot te voldoen 80% van hun salaris zoals genoten in de laatste maand voor de ontslagaanzegging totdat de dienstbetrekking met eisers op regelmatige wijze is beëindigd.
c. aan eisers uit te keren bij wijze van voorschot 80% van het vakantiegeld, waarop eisers recht hebben;
d. eisers toegang te verlenen tot het gebruik maken van de in gedaagdes bedrijf voorkomende voorzieningen zoals medische behandeling;

Alsmede gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwang-som van sf.100.000 voor iedere keer, dat zij gedaagde zich niet mocht houden aan de in deze te geven beslissing, met uitvoerbaarverklaring van de gevraagde voorzieningen op de minuut en op alle dagen en uren.
Gedaagde heeft op 21 november 1995 mondeling geantwoord onder overlegging van een produktie waarna partijen mondeling hebben gerepliceerd en gedupliceerd op dezelfde datum.
Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd waarvan de uitspraak bepaald is op heden.

2. MOTIVERING

2.1. Vaststaande feiten.
Tussen partijen is in rechte als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende komen vast te staan:

  1. Eisers sub 1 en 2 hebben met gedaagde sedert hun indiensttreding in april 1993 opéénvolgende arbeidskontrakten voor enkele maanden gesloten, laatstelijk voor de duur van 5.5. maanden, ingaande 1 mei 1995 en eindigend op 15 oktober 1995. Eiser sub 3 heeft, sedert zijn indiensttreding in oktober 1992 opéénvolgende arbeidskontrakten met gedaagde gesloten voor de duur van enkele maanden, blijkens door gedaagde overgelegde produkties laatstelijk voor 1.5. maand, ingaande 1 juli 1995 en eindigend op 15 augustus 1995;
  2. Gedaagde heeft per deurwaardersexploit d.d. 11 oktober 1995 eisers sub 1 en 2 bericht dat hun arbeidsovereenkomst, die op 15 oktober zou expireren, niet zou worden verlengd.Gedaagde heeft per deurwaardersexploit van dezelfde datum eiser sub 3 bericht dat een bedrag van sf.13.709,41, zijnde de restitutie loonbelasting, op zijn rekening was gestort en dat gedaagde ” hiermede de zaken met eiser sub 3 definitief afsloot” .

2.2 Standpunten van partijen

Standpunt eisers sub 1 t/m 3;
Eisers stellen dat het door gedaagde aan hen verleend ontslag onrechtmatig is. Hierbij beroepen zij zich erop dat:

  1. artikel 1615 f. lid 3 S.BW aldus wordt ontdoken;
  2. de wijze van opzegging, niet in overeenstemming is met dwingendrechtelijke bepalingen terzake, ondermeer aangaande de wettelijk voorgeschreven opzeggingstermijn, zoals bepaald in artikel 1615 i lid 7 S.BW
  3. ingevolge het Decreet ontslagvergunning (SB 1983 NO.10), met name artikel 2, voor het ontslag een vergunning van de betrokken Minister is vereist.
  4. het vermoeden bestaat dat vanwege de vorming van een vakbond door eisers gedaagde ertoe overgegaan, is de dienstbetrekking niet hen te beëindigen .

STANDPUNT GEDAAGDE:
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat:

  1. Sprake is van dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd, die van rechtswege expireren krachtens het bepaalde in artikel 1615 e lid 1 BW;
  2. het in deze derhalve niet gaat om ontslag of opzegging, doch gedaagde eisers sub 1 en 2 per deurwaardersexploit d.d. 11-10-1995 heeft bevestigd dat het dienstverband met hen per genoemde datum van rechtswege zou eindigen en ten aanzien van eiser sub 3 een finale afrekening inhield;
  3. krachtens het Decreet ontslagvergunning (SB 1983 NO.10) is voor beëindiging van overeenkomsten voor bepaalde tijd geen ontslagvergunning vereist;
  4. de opéénvolgende kontrakten met eisers voor de duur van enige maanden sedert hun indiensttreding hun oorzaak vinden in beleidsredenen met betrekking tot de bedrijfsvoering en konti- nuiteit van gedaagdes onderneming.

BEOORDELING VAN HET GESCHIL:
De Kantonrechter is van mening dat de spoedeisendheid uit de aard van eisers hun stellingen genoegzaam blijkt;
De Kantonrechter is wijders van oordeel dat in rechte is komen vast te staan op grond van de door gedaagde in het geding gebrachte produkties, die als hier letterlijk herhaald en geinsereerd worden beschouwd, dat tussen gedaagde en de eisers arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn gesloten, die inmiddels zijn geëxpireerd.
Immers ingevolge het bepaalde in artikel 1615 e lid 1 S B W expireren arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, na/van de overeengekomen termijn van rechtswege, zonder dat opzegging of ontslag vereist is.
Voorts is ingevolge het ontslagdecreet (SB 1983 NO.10) met name het bepaalde in artikel 3 sub b voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen ontslagvergunning vereist.
In beginsel staat het in het algemeen een werkgever en zijn werknemer vrij, in het licht van de kontraktsvrijheid, vrijwillig opéénvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te sluiten.
Door eisers is voorts geen beroep gedaan op vernietiging van de arbeidsovereenkomsten wegens gebreken bij de totstandkoming of anderzins, zodat de Kantonrechter aanneemt dat sprake is van geldige kontrakten, die vrijwillig tot stand zijn gekomen.
Het beroep van eisers op ontduiking door gedaagde van het bepaalde in de artikelen 1615 f lid 3 en 1615 i lid 7 SBW, faalt eveneens.
Het bepaalde in artikel 1615 f lid 3 B.W (welk lid overigens is komen te vervallen bij een nadere wijziging van het SBW, zie G.B. 1975 no.23, artikel I.B.)- regardeert het geval dat een dienstbetrekking na ommekomst van de overeengekomen termijn zonder tegenspraak wordt voortgezet.
Het bepaalde in artikel 1615 i lid 7 SBW, betreft een optelling van perioden van dienstbetrekkingen in het licht van de termijn van opzegging, derhalve indien sprake is van opzegging, welke in casu niet het geval is;
Op grond van het vorenoverwogene is de Kantonrechter van oordeel dat eisers geen juridische grondslag voor toewijzing van hun vorderingen hebben aangedragen, weshalve de Kantonrechter de gevraagde voorzieningen zal weigeren en de eisers als de in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de kosten van dit proces;

DE KANTONRECHTER, RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Weigert de gevraagde voorziening.
Veroordeelt de eisers sub 1 t/m 3 in de kosten van dit proces tot op heden begroot op sf.nihil

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.J.R.VON NIESEWAND d.d. 27 november 1995 in aanwezigheid van de Fungeren- Griffier Mr.M.PITTI.

SRU-K1-2018-19

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. no. 182000
12 juni 2018

Vonnis in de zaak van
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N.V. JUSESUR h.o.d.n. Sewcharan advocaten,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “ Jusesur”

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP BLUE WING AIRLINE N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo
B. [gedaagde],
wonende te [district], in persoon en in zijn hoedanigheid van directeur van Blue Wing,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.
gedaagde in kort geding,
hierna te noemen: “Blue Wing”

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift met producties, dat op 11 mei 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij verzoekschrift van 16 oktober 2017 heeft Jusesur in kort geding gevorderd dat Blue Wing en [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling aan Jusesur van het bedrag van US$ 575.000,-. Die zaak staat bekend onder het arno 174395. Als grondslag voor het gevorderde heeft Jusesur aangevoerd dat Blue Wing en [gedaagde] in januari 2014 aan Jusesur een opdracht hebben gegeven voor juridische bijstand in een conflict dat was ontstaan tussen Blue Wing en [gedaagde] enerzijds en de Staat Suriname anderzijds. Alhoewel de opdracht in oktober 2013 is opgezegd is deze in februari 2014 weer gegeven. Jusesur heeft de werkzaamheden in het kader van de opdracht uitgevoerd en het is tot een schikking gekomen tussen Blue Wing en [gedaagde] en de Staat. Hierna hebben, zo voert Jusesur aan, Blue Wing en [gedaagde] het honorarium dat zij verschuldigd waren aan Jusesur, nimmer voldaan.

2.2 Bij vonnis van 15 februari 2018 heeft de kantonrechter in de zaak met arno. 174395 Blue Wing en [gedaagde] veroordeeld tot betaling van US$ 575.000,=.

2.3 Jusesur heeft na de uitspraak middels executoriale beslaglegging een aanvang gemaakt met de executie van het vonnis. Er is bij exploiten van 1 maart 2018 en 5 maart 2018 executoriaal derdenbelsag gelegd onder een zestal banken en onder de Staat. Ook is bij exploit van 7 maart 2018 executoriaal beslag gelegd op roerende goederen toebehorend aan Blue Wing en [gedaagde].

2.4 Bij verzoekschrift van 15 maart 2018 hebben Blue Wing en [gedaagde] tegen Jusesur een vordering ingesteld, bekend onder arno. 181158 waarbij zij vorderen dat de executie van het vonnis in de zaak met arno. 174395 wordt geschorst en de executoriale beslagen worden opgeheven. Voorts vorderen zij dat Jusesur hen vergoedt voor het feit dat zij door de executie genoodzaakt zijn geworden om een advocaat in de arm te nemen waardoor zij schade hebben geleden welke schade bestaat uit de advocaatkosten en de omzetbelasting over de advocaatkosten, neerkomende op het bedrag van US$ 2.160,=.

2.5 Blue Wing en [gedaagde] hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het vonnis van 15 februari 2018 in de zaak bekend onder arno 174395 apert onjuist is, Zij stellen daarbij dat de overweging van de kantonrechter dat er een schikking zou zijn bereikt onjuist is en een juridische misslag is. Zij voeren voorts aan dat door de tenuitvoerlegging een juridische noodtoestand is ontstaan.

2.6 Bij vonnis van 29 maart 2018 is de executie van het vonnis van 15 februari 2018 geschort, zijn de beslagen opgeheven en is Jusesur veroordeeld tot betaling van het bedrag van US$ 2.160,=.

2.7 Blue Wing en [gedaagde] hebben het vonnis bij exploit van 24 april 2018 aan Jusesur betekend en haar aangezegd tot betaling van het bedrag van US$ 2.160,=.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Jusesur vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Het vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2018 in de zaak bekend onder arno. 181158 in haar werking schorst en de executie van het vonnis staakt totdat in hoger beroep erover is beslist en voorts
  • Gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Jusesur heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het vonnis op een aperte juridische misslag gebaseerd is omdat de kantonrechter in de zaak met arno. 181158 in een volledige herbeoordeling is getreden van dezelfde feiten die ten grondslag hebben gelegen aan de zaak die heeft geleid tot het vonnis in de zaak met arno. 174395. Hiermee heeft de kantonrechter in de zaak met arno. 181158 zich de bevoegdheid aangemeten van de appelrechter hetgeen een processuele en daardoor juridische misslag is. Ook feitelijk is er sprake van een aperte misslag doordaat de kantonrechter in de zaak met arno. 181158 ervan uitgaat dat er geen schikking tot stand is gekomen tussen de Saat en Blue Wing. Hierdoor is ook de veroordeling in de advocaatkosten gebaseerd op een aperte juridische misslag. De veroordeling in de advocaatkosten is voorts een aperte misslag omdat Jusesur een rechterlijk vonnis executeerde, waardoor de executiehandelingen niet als onrechtmatig handelen kunnen worden aangemerkt. De beoordeling van de kantonrechter dat door onrechtmatig handelen Blue Wing en [gedaagde] genoodzaakt waren een advocaat in de hand te nemen is daarom apert onjuist. Door executie zal Jusesur in een noodtoestand komen te verkeren doordat beslagen zullen leiden tot problemen met het waarborgen van de geheimhoudingsplicht jegens haar clienten.

4. Het verweer
Blue Wing en [gedaagde] hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling

5.1 Blue Wing en [gedaagde] hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat het vonnis in de zaak met arno. 181158 niet is gebaseerd op een aperte misslag; dat het vonnis in die zaak juist is en dat Jusesur ten onrechte argumenten uit de vonnissen met elkaar vergelijkt;
  2. dat er geen sprake is van een nieuw feit of van een dreigende noodtoestand waardoor ook op grond daarvan het gevorderde niet toegewezen kan worden;
  3. dat uit punt 4.3 van het vonnis duidelijk blijkt dat de rechter in de zaak met arno. 181158 slechts feitelijke misslagen heeft beoordeeld die waren aangevoerd voor de vordering tot schorsing van de executie en verder niet alle feiten die aan de hoofdzaak ten grondslag lagen heeft herbeoordeeld;

5.2 De kantonrechter overweegt dat de staking van de executie van een vonnis, gelijk partijen stellen in hun conclusies, volgens de heersende rechtsopvatting, onder andere neergelegd in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 1983, slechts bevolen kan worden indien tegen het vonnis een rechtsmiddel is aangewend en het te executeren vonnis:

5.3 klaarblijkelijk op een juridische of feitelijk misslag berust (een apert onjuist vonnis is) of

5.4 indien de uitvoering op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten (nova) klaarblijkelijk aan de zijde van de geexecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

5.5 De kantonrechter overweegt dat de casus in dit geding thans getoetst zal moeten worden aan de criteria hierboven vermeld, na welke toetsing, indien van één der criteria sprake is, naar heersende rechtsopvatting schorsing of het verbod zou mogen volgen, en indien er geen sprake van één der criteria is, naar heersende rechtsopvatting, afwijzing van het gevorderde zal moeten volgen.

5.5 De kantonrechter overweegt voorts dat de bedoeling van deze criteria geen andere kan zijn dat te voorkomen dat een partij die het niet eens is met een uitspraak, in kort geding opkomt tegen die uitspraak, waardoor als een “verkapt appèl” of een “verkapt verzet” het geschil opnieuw wordt beoordeeld door de kort geding rechter, hetgeen zou neerkomen op een inbreuk op het gesloten systeem der rechtsmiddelen dat ons rechtssysteem kent.

5.7 De kantonrechter overweegt dat gevorderd wordt dat de executie van het vonnis met arno. 181158 wordt geschorst. Als grondslag wordt genoemd dat de kantonrechter opnieuw in de beoordeling van de stellingen en weren is getreden terwijl slechts de appelrechter dat kan doen. Ook wordt gesteld dat het vonnis apert onjuist is omdat de kantonrechter ervan uit gaat dat er geen schikking tot stand is gekomen. Om die redenen moet de werking van het vonnis worden geschorst.

5.8 De kantonrechter overweegt dat het enkele standpunt van een partij dat het vonnis van een rechter niet juist is nog niet inhoudt dat dat vonnis apert onjuist is zoals bedoeld in de criteria zoals hierboven genoemd. Bij de vraag of in casu gesproken kan worden van een juridische misslag die schorsing tot gevolg zou mogen hebben, moet nagegaan worden wat in de literauur en de rechtspraak wordt bedoeld met een aperte onjuistheid of een kennelijke juridische of feitelijke misslag.

5.9 Uit de literatuur en rechtspraak blijkt dat de aperte misslag of onjuistheid kan zijn een onjuiste juridische aak of een on juiste feitelijkheid. Zo zou voor wat het laatste betreft in het vonnis bijvoorbeeld een verkeerd huisnummer geplaatst kunnen zijn. Of een verkeerde telling zijn gehanteerd bij een termijn. Een dergelijke misslag is apert, hetgeen betekent dat het onmiskenbaar is en direct in het oog springt, dus voor een ieder duidelijk is.

5.10 Datzelfde geldt voor een juridische misslag, het moet betreffen een direct in het oog springende juridische misslag gemaakt door de rechter, die onmiskenbaar is en voor ieder duidelijk is en duidt op een vergissing van de kantonrechter of op iets dat door de kantonrechter over het hoofd is gezien. Een interpretatie door de rechter van een bepaald artikel, of een opvatting over hoe omgegaan moet worden met handelingen van een partij, of een opvatting over de aannemelijkheid van een stelling of een grondslag hoort daar niet bij.

5.11 In de zaak bekend onder arno. 181158 heeft de kantonrechter onderzoek gedaan naar de grondslag van het gevorderde, namelijk of de kantonrechter in de zaak met arno. 174395 een aperte misslag heeft begaan. De kantonrechter heeft de stellingen en weren van partijen besproken, evenals de correspondentie tussen partijen en de overgelegde producties en is tot het oordeel gekomen dat er wel sprake is van een vergissing die in het oog springt. De kantonrechter heeft gemotiveerd waarom zij tot het oordeel komt dat de executie van het vonnis gestaakt moet worden en op grond waarvan zij de vordering tot schadevergoeding toewijst.

5.12 Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van het voorgaande niet worden uitgegaan van een in het oog springende misslag of vergissing van de kantonrechter en zal Jusesur haar grieven tegen het vonnis aan de appelrechter moeten voorleggen.

5.13 Het gevorderde zal op grond van het hiervoor overwogene worden afgewezen en Jusesur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt Jusesur in de kosten van dit geding aan de zijde van Blue Wing en [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter plaatsvervanger in kortgeding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 12 juni 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2019-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0229
28 januari 2019

Vonnis in de zaak van:
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-generaal,
domicilie kiezende aan de Julianastraat no. 63 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE ALGEMENE BOND VAN PERSONEEL MILIEUBEHEER, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Kernkampweg no. 62 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigden: 1) H. Blanker, voorzitter van het bestuur, 2) Schattevo, Vivien, secretaris 3) J. Blokland-Ramdin, penningmeester.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 22 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 januari 2019;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de mondelinge behandeling ter terechtzitting d.d. 25 januari 2019, waarbij partijen de zaak mondeling hebben bepleit en waarna bij rolbeschikking een comparitie van partijen is bepaald;
  • de comparitie van partijen die op 25 januari 2019 is gehouden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde komt op voor de belangen van het administratief en technisch personeel van het directoraat Openbaar Groen, voorheen directoraat Milieubeheer. Dit Directoraat is tot vier maal toe overgeheveld van het ene Ministerie naar het andere Ministerie en valt thans onder het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie, hierna afgekort OWTC.

2.2 Vanaf 2010 tot en met 2018 heeft gedaagde aan zowel het administratief personeel als het technisch personeel van het directoraat kledinggelden uitgekeerd. Het kledinggeld wordt aan het begin van elk jaar uitgekeerd.

2.3 Over het jaar 2019 heeft gedaagde nog geen kledingtoelage aan het personeel uitgekeerd. Dit, vanwege het feit dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat het administratief personeel geen aanspraak maakt op kledingtoelage en thans een onderzoek is ingesteld of er enige documentatie is waaruit blijkt dat zij hierop aanspraak maakt.

2.4 Op 07 januari 2019 heeft gedaagde ter zake de uitbetaling van de kledinggelden van het personeel van het directoraat een schrijven aan de Minister van OWTC, zijnde gedaagde, gericht. In dat schrijven heeft gedaagde het volgende vermeld:
“Het bestuur van de ABPM nadert u ten einde raad langs deze weg om aandacht te vragen voor de completering van alle potentiële aangelegenheden en tijdige uitbetaling van kleding geld aan de medewerkers van het directoraat Milieubeheer/”Openbaar Groen”.
In de communicatie met uw ministerie heeft de ABPM hier harde toezeggingen over Zoals u weet heeft de ABPM tevergeefs geprobeerd u langs verschillende geëigende kanalen te bereiken hierover. Blijkbaar stelt u dat de wnd. Directeur van dit directoraat, mevr. [naam 1] en dhr. [naam 2] – onderdirecteur belast met Personele- en Financiële aangelegenheden (doorgaans) belast zijn met aanvaardbare afhandeling/voorbereiding van onder andere het onderhavige.
Het bestuur van de A.B.P.M. blijft vooralsnog voorstander van het harmonisch model, waarbij korte effectieve communicatie-lijnen noodzakelijk zijn bij de daadkrachtige belangenbehartiging. Zij stuit bij hen evenwel bij herhaling op het fenomeen van “mandaatbeperkingen” bij uw functionarissen, aangaande de realisatie van de belangen van de medewerkers.
De ABPM protesteert hierbij bij u zijnde haar aanspreekpunt nadrukkelijk tegen de “ping pong” bejegening, die uw ministerie tevergeefs jegens het bondsbestuur wil toepassen. Mits uw duidelijk en werkbaar mandaat, aan in aanmerking komende functionarissen zal de ABPM zich uitsluitend tot u wenden voor ver effectieve belangenbehartiging.
Wij verwachten dat u erop helpt toezien dat de kledinggeld over 2019 in elk geval aan de medewerkers die hiervoor in aanmerking komen daadwerkelijk uitbetaald worden. Immers ook deze voorziening is gestoeld op een overeenkomst en de consistente uitvoering daardoor gegarandeerd is/dient te zijn.Nog steeds in de overtuiging dat u zult toezien op garanties aangaande de spoedige en adequate relatie van de uitbetaling en wel met de uitkering van het salaris over 2019
U gelieve er rekening mee te houden dat het ABPM-bestuur alle handelingen, die leden in deze collectief ontplooien.”

2.5 Op 11 januari 2019 heeft gedaagde wederom een schrijven ter zake het uitbetalen van de kledinggelden van de werknemers van Openbaar Groen aan de Minister van OWTC gericht, luidende onder meer als volgt:
“Onder verwijzing naar onze brief d.d. 07 januari 2019 betreffende het onderwerpelijke, gaarne uw dringende aandacht voor het volgende:
Leden van de ABPM hebben op heden Bondsbestuur geklaagd over onduidelijkheid rondom de tijdige uitbetaling van hun rechtmatig kleding geld.
Het bestuur van de ABPM heeft deze actie met onmiddellijke ingang overgenomen en na gedachtewisseling met de leden het volgend besluit genomen:
Contact ondernomen met de wnd. Directeur van “Openbaar Groen” heeft niet geleidt tot de noodzakelijke duidelijkheid over de uitbetaling aan de potentiële rechthebbenden.
Het bondsbestuur brengt u op de hoogte van het volgend besluit en doet op u het beroep dit te willen doorgeven aan de wnd. Directeur:

  1. De medewerkers zullen alvast ingaande heden naar hun verschillende locatie gaan en berichten via het bondsbestuur afwachten over de tijdige uitbetaling van kleding geld.
  2. Indien de aanvaardbare reactie op heden 11 januari 2019 nog uitblijft, zal de ABPM op maandag 14 janauri 2019 om 8.00u een spoed alv beleggen om definitieve standpunten hierover te nemen.

Wij vestigen uw aandacht op dat het in deze betreft alle medewerkers en waarbij ook de mobilisatie en informatie aan de middagploeg en districten op gang wordt gebracht.”

2.6 Op 15 januari 2019 reageert de Minister van OWTC als volgt op de brieven van gedaagde:
“Ik ben per 6 april 2018 aangesteld als Minister van Openbare Werken, Transport en Communicatie (OWTC). Ogenblikkelijk nadat de issue over kledingtoelage aan het administratief personeel bij OG door u aan mij is voorgelegd, ben ik met mijn directie en staf bezig geweest om na te gaan of en hoe dit in orde kan worden gemaakt.
Ik moet u echter aangeven dat de toekenning van toelagen overigens een vrij formele aangelegenheid is, waarin Biza een voorname rol vervult. Bij de toekenning van toelagen aan ambtenaren wordt er eerst advies ingewonnen bij Biza, over het al of niet in aanmerking komen voor de toelage. Met het positieve advies wordt er een raadsvoorstel voorbereid en ter goedkeuring aangeboden aan de Raad van Ministers (RvM). Met de goedkeuring, machtigt RvM de Minister tot formalisering van de toelage in een beschikking.
Deze procedure dient stringent te worden gevolgd. Ik ontkom er derhalve niet aan om u het volgende voor te houden naar aanleiding van het onderzoek, dat wij hebben ingesteld over de issue met kledingtoelage:
Op 11 februari 2000 is door RvM goedkeuring verleend voor het toekennen van kledingtoelage aan ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid. Voor de kledingtoelage kwamen onder andere in aanmerking het Technisch-, Administratief en schoonmaakpersoneel terwerkgesteld op de afdelingen Personeelszaken, Salarisadministratie, Technische Dienst en Algemene Zaken van de Directie en Centrale Administratie van het Ministerie van Volksgezondheid.
Nagenoeg in dezelfde periode vond de toekenning van kledingtoelage aan het administratief personeel van het vroegere Milieu Beheer onder het Ministerie van Volksgezondheid plaats. Wij hebben echter geen grondslag kunnen vinden voor deze toekenning.
Eerder was bij missive de Vice President, Voorzitter van de Raad van Ministers d.d. 19 oktober 1994, ook reeds kledingtoelage toegekend aan ambtenaren van Milieu Beheer. Het betrof in deze gevallen van verplichte uniform kleding en schoeisel, verplichte uniform kleding zonder schoeisel en gevallen waarbij aangepaste werkkleding vereist is (niet noodzakelijk uniform). Deze missive regelde dus een kledingtoelage en technisch personeel.
Het moge duidelijk zijn dat de missive van de Vice President, Voorzitter van de Raad van Ministers d.d. 11 februari 2000, niet als grondslag dienen voor het toekennen van kledingtoelage aan de administratieve ambtenaren van het vroegere Milieu Beheer, nu deze niet zijn genoemd. Voorzover die missive abusievelijk als grondslag was aangehaald voor de toekenning van de kledingtoelage, dan nog had bij de overheveling van Milieu Beheer naar Biza, de kledingtoelage moeten worden omgezet in een overgangstoelage. Dit simpel omdat Milieu Beheer niet langer deel uitmaakte van het Ministerie van Volksgezondheid en de Missive van februari 2000 specifiek was geschreven voor de administratieve ambtenaren bepaalde afdelingen van Volksgezondheid.
Voor wat betreft uw verzoek voor adequate uitvoering van kleding geld, moet ik u helaas mededelen dat er in zoverre geen grondslag te achterhalen is voor wat betreft het administratieve personeel en dat voor een eventuele toekenning, thans de formele procedure zal moeten worden ingezet. Het zal enige tijd in beslag nemen, alvorens de formele procedure zal moeten worden ingezet.”

2.7 Tevens heeft de Minister van OWTC een schrijven aan gedaagde gericht betreffende de aangekondigde acties, inhoudende onder meer als volgt:
“Met aandacht voor aangehechte circulaire, deel ik u voor de goede orde mede dat ik met mijn directie en staf bezig ben om na te gaan of het administratief personeel bij het Directoraat Openbaar Groen in aanmerking komt voor kledingtoelage. De zaak is aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken voorgelegd en wij wachten op het advies ter zake.
Het komt mij voor dat het personeel bij het directoraat Openbaar Groen sedert gisteren 14 januari 2019 in beraad is over deze kwestie en dat de werkzaamheden niet worden uitgevoerd.
Mijn inziens is deze actie niet rechtmatig en ik zal er derhalve niet voor schromen om het principe “no work, no pay” stringent toe te passen.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te veroordelen om binnen een uur na de uitspraak de staking die vanaf 14 januari 2019 wordt gevoerd te beëindigen met aanzegging aan het actievoerend personeel om de reguliere werkzaamheden per onmiddellijk te hervatten;
b) gedaagde te verbieden te staken over kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen totdat er duidelijkheid is gekomen in de rechtmatigheid van de uitbetaling van kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan dit verbod te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 2.400,- zijnde geleden schade als gevolg van de staking.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • zij is bezig te onderzoeken of het administratief personeel bij Openbaar Groen in aanmerking komt voor kledingtoelage;
  • gedaagde wenst haar geen ruimte te bieden om het onderzoek af te ronden en heeft vanaf 14 januari 2019 gelijk gegrepen naar het middel om te staken;
  • als gevolg van de acties wordt de stad niet schoongemaakt.

Als spoedeisend belang stelt gedaagde dat zij als gevolg van de staking dagelijks schade lijdt. De schade bestaat daarin dat zij genoodzaakt is kosten te maken voor het inschakelen van derden tot het verrichten van schoonmaak werkzaamheden ad SRD 2.400,- per dag.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de vordering zelf. Om die reden wordt eiseres in het kort geding ontvangen.

4.2 Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat het personeel van het directoraat sedert 14 januari 2019 tot 11.00 uur werkzaamheden verricht. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat sprake is van een collectieve werk neerlegging van het personeel van het directoraat na 11.00 uur.

4.3 Uitgangspunt bij het stakingsrecht is artikel 33 van de Grondwet van de Republiek Suriname dat het wordt erkend, doch behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. De beperkingen die ten aanzien van het stakingsrecht uit het recht voortvloeien zijn ontwikkeld in de jurisprudentie waarbij de kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2000, (Douwe Egberts arrest).
Met name geldt als eerste voorwaarde dat partijen in onderhandeling met elkaar moeten zijn over arbeidsvoorwaarden en in geval partijen tijdens de onderhandelingen in een impasse geraken dan kan de werknemersbond, in casu gedaagde, gebruik maken van het stakingsrecht als uiterste middel, doch met inachtneming van:

  • een tijdige aanzegging aan de werkgever dat tot staking zal worden overgegaan en wat de staking zal inhouden (om onnodige bedrijfsschade te voorkomen en de belangen te beschermen van degenen die op de dienstverlening van de werkgever zijn aangewezen);
  • de belangen van de werkgever die door de staking kunnen worden geschaad. Met name mag de staking niet leiden tot buitenproportionele schade aan de werkgever en derden.
    Nu de kantonrechter dient te oordelen of de acties die gedaagde momenteel voert al dan niet rechtmatig zijn, zal de kantonrechter zich op hetgeen hiervoor als uitgangspunt is weergegeven toespitsen.

4.4 Uit de stellingen en weren van partijen leidt de kantonrechter af dat tussen partijen een geschil bestaat over de beantwoording van de vraag of het administratief personeel al dan niet aanspraak maakt op uitbetaling van kledinggeld. Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat het personeel in oktober 2018 geen zicht had op uitbetaling van het kledinggeld en nadien door gedaagde is medegedeeld dat het administratief personeel geen aanspraak maakt op uitbetaling van het kledinggeld, er om die reden een onderzoek ter zake zal worden ingesteld, het kledinggeld nog niet zal worden uitbetaald en aan gedaagde het verzoek is gedaan om eiseres de ruimte te bieden het onderzoek ter zake af te ronden. Dit is onder meer aanleiding voor gedaagde geweest om over te gaan tot de acties. Ofschoon eiseres in deze geen schoonheidsprijs verdient met betrekking tot de bejegening naar gedaagde toe en in het bijzonder met het niet in acht nemen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, acht de kantonrechter de acties die gedaagde thans voert in strijd met de in de jurisprudentie ontwikkelde procedureregels die hiervoor onder 4.3 in dit vonnis zijn weergegeven. Duidelijk is dat partijen momenteel niet in een onderhandelingsfase verkeren, doch dat er een verschil van opvatting bestaat over de uitleg van de overeenkomst betreffende kledinggeld die partijen met elkaar hadden gesloten. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter mocht gedaagde in dit specifiek geval niet grijpen naar het stakingsrecht als uiterste middel. Gedaagde had in dit specifiek geval de mogelijkheid om ter zake dit dispuut een vordering ter zake tegen eiseres in te stellen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de gevraagde voorziening onder a worden toegewezen.

4.5 Ter comparitie van partijen heeft de vertegenwoordiger van gedaagde, zijnde de onder directeur van OWTC verklaard dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken reeds advies heeft uitgebracht op grond van het ingestelde onderzoek en dit advies door de Minister van OWTC aan gedaagde zal worden kenbaar gemaakt. Een indicatie uiterlijk wanneer dit advies aan gedaagde zal worden kenbaar gemaakt, heeft eiseres niet kunnen geven. Daar het advies al rond is en gedaagde volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel) dient te weten waar zij aan toe is, zal de gevraagde voorziening onder b aangepast worden toegewezen als hierna in de beslissing vermeld.

4.6 Het gevorderde onder c zal worden geweigerd, en wel op grond van de hierna vermelde overwegingen. Het personeel aangesloten bij gedaagde heeft wel halve dagen gewerkt. Eiseres stelt dat zij als gevolg van de staking schade heeft geleden, waarbij zij zich beroept op twee kwitanties van betalingen. Echter acht de kantonrechter het beroep op deze kwitanties niet aannemelijk om de schade te staven. Eiseres heeft nagelaten te stellen of het noodzakelijk was om een derde in te schakelen voor het verrichten van de werkzaamheden, welke impact het niet uitvoeren van deze werkzaamheden op de samenleving zou hebben, in welke omgeving de ingeschakelde derde de werkzaamheden heeft verricht, wie controle heeft uitgeoefend op die werkzaamheden en gedurende welke tijden de werkzaamheden zijn verricht.

4.7 In het onderhavige geval acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 2 (Twee) uren na de uitspraak de acties die vanaf 14 januari 2019 worden gevoerd te beëindigen, met aanzegging aan het actievoerend personeel om de reguliere werkzaamheden per onmiddellijk te hervatten.

5.2 Verbiedt gedaagde te staken over kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen totdat eiseres per schrijven aan gedaagde heeft mede gedeeld of de uitbetaling van kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen al dan niet rechtmatig is, met dien verstande dat eiseres uiterlijk binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis het resultaat van het door haar ingestelde onderzoek met betrekking tot het onderhavige onderwerp schriftelijk aan gedaagde mededeelt.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot een eenmalige dwangsom ad SRD 25.000,- (Vijfentwintigduizend Surinaamse Dollar), indien zij niet voldoet aan de veroordeling zoals beslist onder 5.1 in dit vonnis en in indien zij het verbod vermeld onder 5.2 in dit vonnis overtreedt.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 28 januari 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0354
05 maart 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser 1];
B. [eiser 2], weduwnaar van [naam 1],
wonende aan [adres 1] te [district 1],
C. [eiser 3],
wonende aan [adres 2] in [district 2],
D. [eiser 4], gehuwd met [naam 2],
wonende aan [adres 2] in [district 2],
eisers,
gemachtigde: S.M. Ramman Bsc. , advocaat,

tegen

A. [gedaagde 1],
wonende aan het [adres 3] te [district 1],
B. [gedaagde 2],
wonende aan [adres 4] te [district 1],
gedaagden,
gemachtigde van beiden: mr. Ch. Algoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 04 februari 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 17 mei 2013 heeft gedaagde sub A aan eiseres sub A het geldbedrag ad US$ 100.000,- geleend. Dit bedrag zou eiseres sub A binnen een maand moeten terugbetalen aan gedaagde sub A, zonder rente.Als zekerheid tot betaling van dit geldbedrag is ten behoeve van gedaagden en ten laste van eisers een hypotheek gevestigd op “het recht van grondhuur – ter uitoefening van de Tuinbouw – op het perceelland groot 6.9318ha, instede van 6.9348ha, gelegen in [district 1], ten oosten van de [weg 1], aan de [weg 2] en bekend als [adres 5], nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, H. Soedhwa Lcs, d.d. 8 september 2010 met de letters ABCD”.

2.2 Eiseres sub A is op 28 februari 2014 komen te overlijden.

2.3 Bij exploot van deurwaarder, S.W. Niekoop d.d. 12 januari 2019 no.’s R. 37 en R. 38 zijn eisers aangemaand om alsnog te voldoen aan hun plicht tot terugbetaling van het geleend bedrag, waarbij tevens de openbare verkoop van het hiervoor omschreven onroerend goed aan eisers is aangezegd. De openbare verkoop zal plaatsvinden op woensdag 06 maart 2019, om 10.00 uur des voormiddag te Paramaribo, door en ten kantore van de notaris mr. R.B. Babb of diens waarnemer of opvolger aan de Slangenhoutstraat no. 55.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
a) de stopzetting te gelasten van de aangekondigde openbare verkoop voortvloeiende uit de krediethypotheekakte, welke verleden is op 17 mei 2013 met daarin het omschreven perceelland hetwelk bij exploot d.d 12 januari 2019 no’s R. 37 en R. 38 van deurwaarder bij het Hof van Justitie, S.W.Niekoop is aangezegd aan eisers, op straffe van een dwangsom van US$ 10.000,- voor iedere dag of keer dat gedaagden weigeren of nalaten c.q. weigerachtig blijven of nalatig blijven om aan dit vonnis uitvoering te geven of tegenstrijdig daarmee handelen;

b) gedaagden te veroordelen mee te werken aan het royement van het perceelland omschreven onder 2.1 in dit vonnis, met machtiging aan eisers om, indien gedaagden in gebreke mochten blijven aan het voorgaande te voldoen, of te dien einde mochten weigeren dan wel weigerachtig mochten blijven, het royement zelf te bewerkstelligen door dit vonnis in de plaats te stellen van de ontbrekende verklaring c.q. medewerking van gedaagden;

c) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding voorlopig begroot op SRD 7.939,-.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens hem plegen. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • eiseres sub A heeft op 28 juni 2013 de schuld volledig aan eisers voldaan;
  • gedaagden hebben, nadat de schuld volledig was voldaan, aan eisers toegezegd dat zij het royement in orde zouden maken;
  • eisers hebben nimmer een schriftelijke aanmaning of telefonische melding van gedaagde sub A gehad tot terugbetaling van het geldbedrag;
  • als gevolg van dit onrechtmatig handelen lijden eisers schade, daarin bestaande dat zij genoodzaakt waren een advocaat in de arm te nemen om hen rechtsbijstand te verlenen. De kosten voor het verlenen van rechtsbijstand zijn voorlopig begroot op SRD 7.938,-.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer,voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers, in het bijzonder uit de stelling dat de openbare verkoop van het perceelland op woensdag 06 maart 2019 zal plaatsvinden.

4.2 Tussen partijen is in geschil of eisers reeds hebben voldaan aan hun plicht tot terugbetaling van het bedrag dat zij van gedaagde sub A hebben geleend. Ter staving van hun stelling dat zij reeds hebben voldaan aan hun terugbetalingsverplichting beroepen eisers zich op een kwitantie van betaling d.d. 28 juni 2013, van welke kwitantie zij een fotokopie ten processe hebben overgelegd. Gedaagden daarentegen weerspreken dat eisers de schuld hebben voldaan en betichtigen de kwitantie van valsheid. In dat kader voeren zij aan dat de kwitantie niet door gedaagde sub A is uitgeschreven en evenmin door hem is ondertekend. In reactie op dit verweer voeren eisers bij conclusie van repliek aan dat gedaagden geen verificatoren hebben overgelegd bij de betwisting van de echtheid van de kwitantie. Bij conclusie van dupliek zijn gedaagden blijven volharden in hun verweer dat de kwitantie valselijk is opgemaakt.

4.3 Uit de stellingen van eisers begrijpt de kantonrechter dat deze zich erop beroepen dat de kwitantie van betaling echt en onvervalst is en uit het verweer van gedaagden dat het vervalst is, zodat op de voet van artikel 128 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een onderzoek naar de (on)echtheid van de kwitantie van betaling zal dienen plaats te vinden. Nu het karakter van het kort geding zich tegen een dergelijk onderzoek verzet en gedaagden niet veel hebben ingebracht om de valsheid van de kwitantie van betaling aannemelijk te maken, is voor de kantonrechter voorshands aannemelijk dat eisers de schuld aan gedaagden hebben terugbetaald. Rekening houdend met het echtheidsonderzoek dat nog in bodemprocedure zal moeten volgen en rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van partijen, zal de kantonrechter op grond van de bevoegdheid die haar in kort geding toekomt de gevraagde voorziening onder a aangepast toewijzen zoals hierna in de beslissing vermeld.

4.4 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, komt de gevraagde voorziening onder b niet voor toewijzing in aanmerking. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat zolang de echtheid van de kwitantie van betaling nog niet is vastgesteld, het royement van de hypotheek niet kan plaatsvinden.

4.5 Daar eisers slechts voor een klein deel in het gelijk zullen worden gesteld, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. De compensatie bestaat daarin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploot van de deurwaarder S.W. Niekoop, d.d. 29 januari 2019 no’s R. 37 en R. 38 aangezegde openbare verkoop van het in het exploot omschreven perceelland, welke openbare verkoop op woensdag 06 maart 2019 om 10.00 uur des voormiddag te Paramaribo, door en ten kantore van de notaris mr. R.B. Babb of diens waarnemer of opvolger aan de Slangenhoutstraat no. 55, zal plaatsvinden, totdat de kantonrechter in bodemprocedure heeft vastgesteld of eisers daadwerkelijk hebben voldaan aan hun plicht tot terugbetaling van de schuld op 28 juni 2013, dan wel het onderzoek betreffende de echtheid van de kwitantie van betaling in bodemprocedure is afgerond.

5.2 Verbiedt gedaagden tot openbare verkoop van het onroerend goed over te gaan, totdat de kantonrechter in bodemprocedure heeft vastgesteld of eisers daadwerkelijk hebben voldaan aan de voldoening van de schuld op 28 juni 2013, dan wel het onderzoek betreffende de echtheid van de kwitantie van betaling in bodemprocedure is afgerond.

5.3 Veroordeelt gedaagden tot betaling van een eenmalige dwangsom van
SRD 5.000.000,- (Vijf miljoen Surinaamse Dollar), indien gedaagden in strijd mochten handelen met het besliste onder 5.1 en het verbod onder 5.2.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 05 maart 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.