SRU-K1-2018-33

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-4065
25 oktober 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DIGICEL SURINAME N.V.,
kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: Digicel,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. M.T.M. Watchman, advocaten,

tegen

TELECOMMUNICATIE AUTORITEIT SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: TAS,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 05 oktober 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 08 oktober 2018;
  • de conclusie van antwoord en eis in reconventie, met producties d.d. 09 oktober 2018;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties d.d. 10 oktober 2018;
  • het mondeling afpleiten vanaf repliek in conventie d.d. 10 oktober 2018;
  • de rolbeschikking d.d. 12 oktober 2018;
  • de conclusie tot overlegging productie aan de zijde van TAS d.d. 15 oktober 2018;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van Digicel d.d. 16 oktober 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie

2.1 Bij Resolutie d.d. 03 april 2007 (overgelegd als productie 1 bij inleidend verzoekschrift) is aan Digicel conform artikel 9 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen (hierna afgekort WTV) een concessie verleend voor het aanleggen, ontwikkelen, in stand houden en exploiteren van telecommunicatie-infrastructuur ten behoeve van mobiele telecommunicatie in Suriname.In de Resolutie zijn onder II, voor zover voor de beslissing van belang,onder andere de volgende bepalingen opgenomen:
“(…) dat:

a. de concessiehouder, DIGICEL SURINAME N.V., in het algemeen overal in Suriname zijn diensten aanbiedt, doch in het bijzonder ook de verplichting heeft een bijdrage te leveren aan het ontsluiten van het binnenland;
b. de concessiehouder verplicht is ten minste in artikel 1 onder d bedoelde diensten zoals vastgesteld in de bijlage behorende bij resolutie van 10 maart 2007 (S.B. 2007 no. 35), te verzorgen;”

2.2 In oktober 2015 heeft TAS tijdens een door haar ingesteld onderzoek in het district Nickerie ontdekt dat er aan één der masten van Digicel apparatuur is aangetroffen welke niet geregistreerd staat in de database van TAS. Ter zake is er een rapport opgemaakt d.d. 29 oktober 2015 (overgelegd als productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie), in welk rapport onder het kopstuk “Opmerkingen” het volgende staat vermeld:“Mocht het geen wat is aangetroffen op waarheid berusten dan is Digicel illegaal bezig:

  1. ze hebben een illegale crossborder link opgezet
  2. de mogelijkheid bestaat dat zij via deze link verkeer afhandelen van en naar Guyana afhankelijk van de kosten gepaard met bandbreedte op de internationale verbindingen die zij afnemen bij Telesur en bij de Guyanese Incumbent
  3. zij kunnen via deze verbinding data diensten aanbieden in Suriname en in Guyana
  4. volgens Lacnic regels mag je geen ip adressen van een land gebruiken in een ander land, dit doet Digicel wel ze creeren een zogenaamde close user group.”

2.3 Naar aanleiding van het resultaat van het ingestelde onderzoek heeft TAS op 04 november 2015 een schrijven (overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie) aan Digicel gericht, in welk schrijven zij aan Digicel het verzoek doet haar informatie te verschaffen. Ter zake staat het volgende in het schrijven vermeld:“ Onlangs is bij controlewerkzaamheden door de TAS waargenomen, dat uw bedrijf in het district Nickerie op de mast aangegeven als Waterloo (SNK 009) verschillende schotels in gebruik heeft. Voor de TAS is niet geheel duidelijk met welke basestations de verschillende schotels in verbinding staan.Gaarne verzoeken wij u binnen 5 werkdagen na dagtekening van dit schrijven aan ons het volgende te melden:

  1. De verschillende schotels met de corresponderene basestations bij u in gebruik in het district Nickerie.
  2. De frequenties die in gebruik zijn bij de verschillende schotels als gemeld in punt 1 hierboven.”

Op 16 november 2015 heeft Digicel de gewenste informatie aan TAS verschaft.

2.4 Per schrijven d.d. 01 december 2015 (overgelegd als productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie) heeft TAS informatie aan Digicel gevraagd betreffende microwaveschotels in Nickerie, in welk schrijven het volgende staat vermeld:
“(…) In de informatie door u verstrekt, is opgenomen het basisstation met de code SGU001.In de database van de TAS is dit basisstation onbekend. Gaarne ontvangen wij verder informatie van u met betrekking tot dit basisstation, zoals de exacte locatie waar dit zich bevindt en met welke andere basisstations het in contact staat.Het komt de TAS voor dat dit basisstation gebruikt wordt om een link aan te leggen tussen een basisstation van uw bedrijf hier te lande met een basisstation te buurland Guyana. Indien zulks het geval is vragen wij u om binnen 1×24 uur deze microwaveverbinding uit te schakelen en de zend apparatuur te verwijderen, omdat de TAS nimmer toestemming aan u verleend heeft om met aan u toegekende microwavefrequenties verbindingen met basisstations in buurland Guyana te maken.Wij vragen u de bevestiging van de uitschakeling van deze link aan de TAS bekend te maken.”

2.5 Middels een schrijven d.d. 02 december 2015 (overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie) heeft Digicel het volgende aan TAS bericht:“ De microwavelink SGU 001 is opgezet vanuit de Digicel mast in Nickerie. (Site SNK 009) betreft een testverbinding tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana ter ondersteuning van de 3G ontwikkeling en redundancy.”

2.6 Op 07 december 2015 heeft Digicel schriftelijk toestemming aan TAS verzocht voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana, in welk verzoek (overgelegd als productie 6 bij conclusie van antwoord in conventie) zij het volgende heeft vermeld: “Digicel Suriname N.V. (Digicel Suriname) vraagt hierbij toestemming voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana ter ondersteuning van de 3G ontwikkeling in Guyana. De technische details van voormelde microwavelink treft u op bijgesloten CD aan. De toestemming voor het opzetten van voormelde microwavelink is niet eerder aangevraagd vanwege het feit dat met Digicel Guyana is afgesproken dat deze aanvraag parallel gedaan zal worden bij de respectieve autoriteiten. Digicel Guyana heeft inmiddels het proces voor het aanvragen van de toestemming per heden ingezet.Tevens wordt het verzoek gedaan om de test microwavelink open te mogen houden gedurende de periode waarin de respectieve aanvragen in behandeling zijn. Digicel Suriname wenst gaarne in een onderhoud met de TAS de microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana nader toe te lichten, en doet hierbij het verzoek daartoe.”

2.7 In reactie op het hiervoor vermeld schrijven heeft TAS middels een exploot van de deurwaarder d.d. 12 januari 2016 het hierna volgende dwangbevel (overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie) aan Digicel doen betekenen: “Verwijzend naar uw brief van 7 december 2015 met referentie L&R5244/dec2015/js vragen wij uw aandacht voor het volgende.In uw schrijven voornoemd vraagt u toestemming voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana voor het ondersteunen van de 3G ontwikkelingen in Guyana. Ten aanzien van uw aanvraag kunnen wij u informeren dat wij reeds contact hebben gelegd met de toezichthouder van Guyana omtrent deze kwestie, aangezien de TAS geen eenzijdig besluit kan nemen.Wij delen u voorts mede, dat in afwachting op de afwikkeling van uw aanvraag uw bedrijf de microwavelink per onmiddellijk dient uit te schakelen en de apparatuur uit de mast dient te verwijderen en de TAS onverwijld hierover in kennis te stellen. Indien u nalaat binnen 24 uren melding te doen bij de TAS over het verwijderd hebben van de apparatuur uit de mast, zal de TAS maatregelen tegen uw bedrijf treffen en eveneens toe overgaan de apparatuur te doen verwijderen, waarbij alle gemaakte kosten in dit verband verhaald zullen worden op uw bedrijf.”

2.8 Op 13 januari 2016 heeft Digicel als volgt op het dwangbevel gereageerd:“Helaas kan Digicel vooralsnog geen gevolg geven aan uw verzoek om de microwave link uit te schakelen en de apparatuur uit de mast te verwijderen en wel om de volgende redenen:

  1. In voormelde brief wordt niet aangegeven welk feitelijk handelen van Digicel in strijd is met welke “vastgestelde regels of met ingevolge die regels opgelegde verplichtingen”. Voor de gegrondheid van dit verzoek is immers nodig dat Digicel in kennis wordt gesteld van welke vastgestelde regel zij in overtreding is.
  2. In eerdere gevoerde correspondentie bent u in kennis gesteld van de omstandigheden omtrent de microwave link in kwestie (Digicel verwijst naar haar brieven d.d. 16 november 2015, 2 december 2015 en 7 december 2015). Deze correspondentie en nadere mondelinge toelichting op 17 december 2015 heeft geleid tot een toezegging van u dat de huidige status gehandhaafd kon blijven, hangende de behandeling van verzoeken in Suriname en Guyana. Het vertrouwensbeginsel speelt hier een belangrijke rol.
  3. De abrupte onderbreking van de microwave link zal voor honderdduizenden abonnees in Guyana zodanig vergaande financiele en sociale gevolgen hebben, dat een voorzichtiger benadering van mogelijk bestaande problemen geeigend is.

Voorts ben ik ervan overtuigd dat Digicel Guyana met betrekking tot de microwave link zaken binnen afzienbare tijd in orde zal hebben en dat deze microwave link ondersteund zal worden door de relevante autoriteiten in Guyana.”

2.9 Op 22 maart 2016 richt TAS het hierna volgend schrijven (overgelegd als productie 11 bij conclusie van antwoord in conventie) aan Digicel:“Middels dit schrijven vragen wij uw aandacht voor het volgende.In de maand oktober 2015 heeft de TAS ontdekt dat Digicel Suriname zonder toestemming een crossborder link met Guyana heeft opgezet. Wij hebben verscheidene malen met u gecorrespondeerd over deze kwestie. Aangezien deze zaak een grensoverschrijdend karakter heeft hebben wij gemeend in overleg met de Ministeries van Transport, Communicatie en Toerisme en Buitenlandse Zaken dit aan te pallen. Wij informeren u hierbij dat wij nog in overleg zijn met de bovengenoemde ministeries, teneinde een gepast besluit te kunnen nemen.”

2.10 Op 07 mei 2018 heeft TAS gereageerd op het verzoek van Digicel van 07 december 2015 voor het opzetten van een microwavelink met Digicel Guyana, en wel als volgt:“ Verwijzend naar de aanvraag van Digicel Suriname van 7 december 2015 met referentie L&R/5244/dec2015/js betreffende toestemming voor het opzetten van een microwave link tussen Digicel Suriname en Digicel Suriname en de brief van de TAS van 22 maart 2016 met kenmerk Wnd. Dir/IB/secd/1600102 informeren wij u als volgt. De TAS heeft meermalen getracht afstemming te plegen met de counterpart in Guyana over het al dan niet verlenen van toestemming voor het opzetten van deze link. Echter hebben wij tot op heden geen positieve reactie ontvangen vanuit Guyana. Om deze rede zijn wij genoodzaakt uw aavraag af te wijzen en u te sommeren alle apparatuur welke ingezet wordt voor het onderhouden van deze microwave link per onmiddellijk uit te schakelen en te verwijderen.”

2.11 Vervolgens heeft TAS op 25 juni 2018 wederom een sommatievoor Digicel gestuurd, inhoudende onder meer het volgende:“Verwijzend naar de brief van de TAS van 7 mei 2018 met kenmerk Wnd. Dir/ML/DSU/1800333 informeren wij u als volgt.De TAS heeft u in voormeld schrijven aangemaand alle apparatuur welke ingezet wordt voor het onderhouden van een microwave link tussen Suriname en Guyana per onmiddellijk uit te schakelen en te verwijderen. Een inspectie door de TAS uitgevoerd op 9 juni 2018 heeft aangetoond dat de bedoelde microwave link nog steeds actief is.Wij sommeren u binnen 2×24 uur deze link uit te schakelen en alle betreffende apparatuur te verwijderen. Indien u nalaat zulks te doen zal de TAS onherroepelijk de apparatuur doen verwijderen, waarbij alle kosten en risico’s voor uw rekening zijn.”

2.12 Bij schrijven d.d. 26 juni 2018 heeft Digicel onder meer als volgt op de sommatie gereageerd:“ Voor de volledigheid breng ik u bij deze in herinnering de vraag die wij in onze brief van 13 januari 2016 hebben gesteld met betrekking tot het kennelijk door u gesignaleerd handelen van Digicel, “in strijd met de vastgestelde regels of met ingevolge die regels opgelegde verplichtingen.”. De TAS heeft niet gereageerd op de vraag die we hebben gesteld. Er is een voortdurend nalaten van de TAS om de specifieke grondslag aan te geven waaronder zij voornemens is te handelen. Bovendien heeft de TAS geen gelegenheid geboden aan Digicel om te reageren op het technisch rapport op basis waarvan TAS maatregelen neemt. Beide kwesties zijn vanuit bestuursrechtelijk oogpunt belangrijke procedurele tekortkomingen.In onze brief van 13 januari 2016 hebben wij tevens gewezen op het groeiende maatschappelijk en economisch belang in verband met de link in kwestie, welk belang bij te nemen maatregelen niet uit het oog verloren moet worden. In dit verband wordt de evenredigheid van de voorgenomen maatregelen in twijfel getrokken, aangezien de TAS geen klacht van haar counterpart in Guyana heeft vastgesteld met betrekking tot radiospectrum dat zich uitstrekt over de grens.De TAS heeft aangegeven dat zij inbreuk kan plegen op de eigendommen en apparatuur van Digicel als onderdeel van haar voorgenomen maatregelen. In het licht van de procedurele tekortkomingen in het proces, behoudt Digicel haar recht in deze kwestie en wenst de TAS op de hoogte te brengen dat het, indien nodig, haar rechten zal beschermen via het kantongerecht.”

2.13 Op 31 juli 2018 schreef National Frequency Management Unit van de Republiek Guyana het volgende aan de TAS:“3. The NFMU has not authorized U-Mobile (Cellulair) Inc. (Digicel Guyana) to operate a cross-border terrestrial link to Suriname.”

2.14 Op 12 september 2018 heeft TAS middels een schrijven aan Digicel een zendverbod opgelegd, in welk schrijven het volgende is verwoord:
“(…)
Verwijzend naar de correspondentie betreffende het onderwerpelijke en de recente meeting ten kantore van de TAS op 6 juli 2018 informeren wij u als volgt.Tijdens de voormelde meeting is aangegeven dat de TAS bericht vanuit Guyana en vanuit het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie zou afwachten alvorens op te treden. Intussen is na afstemming met de Guyanese overheid gebleken, dat er van Guyanese zijde geen toestemming is verleend aan Digicel Guyana noch aan Digicel Suriname voor het onderhouden van een grensoverschrijdende link met Suriname. Ook hebben wij u reeds bij schrijven van 7 mei 2018, referentie Wnd.Dir/ML/DSU/1800333 vanwege het uitblijven van een reactie van de spectrum regulator van Guyana uw verzoek tot het mogen onderhouden van de betreffende grensoverschrijdende link afgewezen. Ook een officiële reactie vanuit de spectrum regulator naar de TAS heeft duidelijk gemaakt, dat er geen toestemming vanuit Guyana is verleend aan Digicel voor het onderhouden van betreffende grensoverschrijdende link.Gelet op het bovenstaande concludeert TAS dat Digicel frequenties die door de TAS zijn uitgegeven aan Digicel illegaal heeft ingezet om een microwave verbinding op te bouwen tussen Suriname en Guyana. Op grond hiervan zijn wij genoodzaakt om op grond van artikel 87 lid 1 onder a van de Wet Telecommunicatievoorzieningen (S.B. 2004 no. 151) u een onmiddellijk zendverbod op te leggen om data te transporteren of op enigerlei wijze een verbinding door middel van radiofrequenties op te bouwen of in stand te houden met Guyana.Indien tijdens een inspectie mocht blijken, dat u geen gevolg heeft gegeven aan dit zendverbod zullen wij de apparatuur welke de verbinding met Guyana in stand houdt op uw kosten uitschakelen en de apparatuur verwijderen.”

2.15 Op 17 september 2018 heeft Digicel naar aanleiding van aan haar opgelegde zendverbod het volgende aan TAS kenbaar gemaakt:
“(….)
In uw brief van 12 spetmeber 2018 wordt echter niet uit de doeken gedaan op grond van welke, bij of krachtens de Wet Telecommunicatievoorzieningen (hierna: WTv) vastgestelde bepalingen er sprake zou zijn van enige illegaliteit. Dit is in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, nu bestuursbesluiten een deugdelijke en kenbare motivering dienen te behelzen en bovendien het rechtszekerheidsbeginsel dienen te waarborgen.Dienovereenkomstig verzoeken wij dat de TAS specificeert welke regels zij van mening is dat Digicel Suriname heeft geschonden en dat de TAS bevestigt dat zij Digicel een redelijke mogelijkheid zal bieden om zijn reactie te geven voordat verdere actie wordt ondernomen met betrekking tot deze kwestie.Er is geen sprake van enig illegaal handelen zijdens Digicel Suriname, daar zij als concessiehouder op grond van art. 18 WTv juist wel het recht heeft om diensten aan te bieden die internationale werking hebben. Bovendien rechtvaardigen ook de Radio Regulations (hierna: RR) van de International Telecommunication Union niet tot enig ingrijpen van de TAS, nu er in casu blijkens onderdeel 0.8 van de preambule van de RR, hoofdstuk I, paragraaf VII onderdeel 1.169 van de RR en Hoofdstuk II artikel 4 van de RR geen sprake is van (gestelde) “harmful interference” door Digicel Suriname in de frequenties van Guyana.Gezien het vorenstaande beschikt TAS niet over de bevoegdheid, noch over een wettelijke grondslag om aan Digicel Suriname een zendverbod op te leggen en om tegen haar bestuursdwang toe te pasen. Indien de TAS desondanks toch volhardt in haar besluit, dan zal Digicel Suriname genoodzaakt zijn om de daardoor ontstane schade, inclusief de gerechtelijke en buiten gerechtelijke kosten, volledig op de TAS te verhalen.Digicel Suriname vertrouwt erop dat met betrekking tot de microwave link Digicel Guyana alles in orde zal hebben en dat deze microwave link door de bevoegde autoriteiten in Guyana zal worden ondersteund.”

2.16 Op 02 oktober 2018 heeft TAS een schrijven aan Digicel gericht, waarin zij het volgende vermeld:
“(…)
Op 7 december 2015 heeft Digicel Suriname NV het verzoek gedaan voor het opzetten van de microwave link in kwestie tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana. Het feit dat er door uw bedrijf een verzoek hiertoe is gedaan bevestigt het gegeven en het besef uwerzijds dat er voor een dergelijke link toestemming van de TAS, als ook van de Guyanese toezichthouder, nodig is.In het schrijven van 12 januari 2016 heeft de TAS gereageerd op het verzoek van Digicel Suriname en aangegeven waar het geven van toestemming voor een dergelijke micorwave link afhangt. Aan het vereiste genoemd in die brief is nimmer voldaan, vandaar dat de toestemming ook niet gegeven kan worden. Uw opmerking dat het besluit van de TAS in strijd zou zijn met beginselen van behoorlijk bestuur raakt dan ook kant noch wal. Immers geeft u door het doen van een verzoek voor het opzetten van de microwave link zelf aan, dat zonder toestemming van de TAS deze link illegaal is.Niet tegenstaande het vorengaande wenst de TAS u ten overvloede te wijzen op het volgende.Uw verwijzing naar artikel 18 WTv is in deze volkomen misplaatst aangezien dit artikel juist de illegaliteit van de betreffende microwave link onderschrijft. Hier is door de wetgever immers uitdrukkelijk bepaalt dat het aanbieden van diensten slechts kan geschieden op grond van een vergunning van de TAS of op grond van een daartoe verstrekte concessie. De aan Digicel Suriname verstrekte concessie is onderhevig aan het bepaalde in de resolutie van 10 maart 2007 no. 1567/07, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat de verstrekte concessie betrekking heeft op telecommunicatie infrastructuur in Suriname bestemd voor de verzorging van mobile telecommunicatiediensten in Suriname.Derhalve beschikt Digicel ingevolge aritkel 18 WTv niet over de daartoe vereiste vergunning of concessie voor het opzetten en onderhouden van de gewraakte (grensoverschrijdende) microwave link met Digicel Guyana. Zoals reeds aangegeven is gebleken dat er ook vanuit Guyanese zijde hiertoe geen toestemming is gegeven.Mogelijke interventie als gevolg van deze microwave link is hier totaal niet aan de orde. Uw verwijzing naar de Radio Ragulations van de ITU is derhalve irrelevant.In tegenstelling tot hetgeen u, tegen beter weten in, beweert beschikt de TAS wel degelijk over de wettelijke bevoegdheid voor het opleggen van een zendverbod en indien nodig het toepassen van bestuursdwang, waaronder het verwijderen van de apparatuur op kosten van Digicel Suriname. Het opgelegd zendverbod, zoals aangegeven in de brief van 12 september 2018, wordt dan ook onverkort gehandhaafd. Eventuele schade aan de zijde van Digicel Suriname is het gevolg van illegaal handelen komt logischerwijs voor haar eigen rekening.”

2.17 In de avond van 04 oktober 2018 heeft TAS, met bijstand van de politie, het terrein van Digicel aan de Oost-West verbinding nabij plantage Waterloo in het district Nickerie betreden en heeft zij de radio apparatuur die behoort tot de infrasructur gedemonteerd en meegenomen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert Digicel, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

I) de besluiten d.d. 12 september 2018 en 2 oktober 2018 van TAS in hun werking te schorsen totdat er in de procedure ex artikel 82 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen, S.B. 2004 no. 151, onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de voorgenoemde besluiten;
II) TAS te gelasten de door haar geschonden toestand in de telecommunicatiemast van Digicel aan de Oost-West verbinding nabij de plantage Waterloo binnen twee uur na het wijzen van dit vonnis te herstellen, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elk uur dat zij daarmee in gebreke blijft;
III) TAS te verbieden om ter zake de microwave link met Guyana ten opzichte van Digicel een zendverbod te handhaven, bestuursdwang toe te passen of enigerlei wijze handhavend op te treden totdat er in de procedure ex artikel 82 van de Wet Telcommunicatievoorzieningen, S.B. 2004 no. 151 onherroepelijk is beslist over de geldigheid van de besluiten d.d. 12 september 2018 en
2 oktober 2018;
IV) veroordeling van TAS in de proceskosten.

3.2 Digicel legt aan haar vordering ten grondslag dat TAS in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur jegens haar handelt door onrechtmatig bestuursdwang toe te passen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten, het volgende:

  • zij is op grond van de aan haar verleende concessie ingevolge artikel 18 WTV bevoegd om de aan haar toebedeelde radiofrequenties in te zetten voor een internationale link met Guyana en is toestemming van TAS hiervoor dus niet vereist;
  • desondanks heeft TAS aan Digicel een niet bestaande procedure tot het verkrijgen van toestemming opgedrongen;
  • TAS heeft geen toestemming aan Digicel verleend voor een microwave link met Guyana;
  • het aan Digicel opgelegde zendverbod en aangezegde bestuursdwang is niet gestoeld op enige bepaling in WTV, ITU-verdrag;
  • TAS heeft in haar besluit d.d. 12 september 2018 verzuimd te vermelden met welke regels c.q. voorschriften Digicel in strijd heeft gehandeld;
  • TAS heeft de bestuursdwang uitgevoerd zonder de Procureur-Generaal erbij te betrekken;
  • TAS diende de aangekondigde bestuursdwang aan een termijn te koppelen, doch heeft dit nagelaten;
  • als gevolg van dit handelen lijdt Digicel schade, bestaande uit de kosten die zij zal moeten maken om de onrechtmatig ontmantelde radioapparatuur terug te plaatsen, gederfde winst en de kosten van juridische bijstand die zij heeft moeten betrekken.

Als spoedeisend belang stelt Digicel dat zij schade ondervindt in haar goodwill.

3.3 TAS heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert TAS om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • Digicel te verbieden gemelde gewraakte grensoverschrijdende microwave link met Guyana, of elke andere vergelijkbare link met Guyana, te (her)activeren zolang het aan haar door de TAS opgelegd zendverbod van kracht is, zulks ter verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ad SRD 100.000,- per dag voor iedere dag of keer dat Digicel in strijd met dit verbod handelt of een situatie welke in strijd is met dit verbod laat voortduren.

3.5 In reconventie legt TAS aan haar vordering ten grondslag dat Digicel in strijd blijft handelen met het aan haar opgelegde zendverbod.

3.6 In reconventie heeft Digicel verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 In conventie

4.1.1 Als uitgangspunt dient dat TAS op grond van artikel 84 WTV belast is met het toezicht houden op de naleving van de regels neergelegd in WTV en heeft zij tevens bevoegdheden tot handhaving van deze wet, bestaande uit respectievelijk het opleggen van bestuursdwang, last onder dwang, zendverbod en administratieve boete.Tevens dient als uitgangspunt dat de wetgever onderscheid maakt tussen:
a) het in beroep gaan tegen een besluit van TAS op grond van artikel 82 WTV, en b) het in verzet gaan tegen een dwangbevel in de zin van artikel 85 lid 5 WTV. De kantonrechter constateert dat Digicel vordert schorsing van de werking van de besluiten van TAS vervat in de brieven van respectievelijk 12 september 2018 en 02 oktober 2018. Uit de inhoud van de twee hiervoor vermelde brieven leidt de kantonrechter af dat daarin is vervat:

  • het besluit van TAS d.d. 07 mei 2018 op het verzoek van Digicel d.d. 07 december 2015 tot het verkrijgen van toestemming voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana ter ondersteuning van de 3G ontwikkeling in Guyana, welk besluit inhoudt een afwijzing van TAS op het hiervoor bedoelde verzoek;
  • de constatering van TAS dat Digicel zonder toestemming de hiervoor bedoelde microwavelink heeft opgezet en dat TAS op grond van deze constatering aan Digicel het zendverbod zoals neergelegd in artikel 87 lid 1 WTV heeft opgelegd.

4.1.2 Tussen partijen bestaat er een geschil over de beantwoording van de vraag of Digicel voor het opzetten van een microwavelink tussen Digicel Suriname en Digicel Guyana toestemming van TAS behoeft.
Uit het feitenrelaas en de inhoud van de ten processe door partijen overgelegde producties leidt de kantonrechter af dat TAS sedert oktober 2015 heeft geconstateerd dat Digicel de bedoelde microwavelink had opgezet en Digicel reeds met testverbindingen was gestart, zonder TAS hiervan vooraf in kennis te hebben gesteld en zonder TAS vooraf toestemming hiervoor te hebben gevraagd. Sedertdien is Digicel meerdere malen door TAS gesommeerd om de testverbindingen met Digicel Guyana stop te zetten, totdat zij toestemming ter zake van TAS zou verkrijgen. Ondanks de vele sommaties en het opgelegde dwangbevel van 12 januari 2016 is Digicel ongestoord verder gegaan met de testverbindingen, zich nadien op het standpunt stellende dat zij op grond van de aan haar verleende concessie geen toestemming van TAS behoeft voor de microwavelink met Digicel Guyana.TAS daarentegen stelt zich op het standpunt dat de aan Digicel verleende concessie zich slechts strekt voor het Surinaams grondgebied.De kantonrechter constateert dat ondanks Digicel zich reeds in een eerder stadium op een ander standpunt stelde en TAS haar op 07 mei 2018 heeft medegedeeld dat haar geen toestemming wordt verleend voor het opzetten van de microwavelink met Digicel Guyana, zij niet tegen dit besluit van TAS is opgekomen. Het had op de weg van Digicel gelegen om eerst tegen dat besluit op te komen, en wel binnen twee maanden nadat het besluit haar ter kennis was gebracht. Digicel diende dus op uiterlijk 08 juli 2018 tegen dat besluit van TAS in beroep te gaan bij de kantonrechter. Dit, op grond van artikel 82 WTV, welk artikel onder meer als volgt luidt:

  1. “Degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een op grond van deze wet genomen besluit, dat geen algemeen verbindende regels bevat, met uitzondering van die welke betrekking hebben op een aanwijzing van overheidsorganen of diensten als bedoeld in artikel 56, kan daartegen binnen twee maanden na de datum van toezending van het genomen besluit, beroep instellen bij de kantonrechter.
  2. Tegen de uitspraak van de kantonrechter staat hoger beroep open.”

Nu Digicel niet in beroep tegen het besluit van TAS van 07 mei 2018 is gegaan heeft dit besluit naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter reeds kracht van gewijsde, zodat voor de kantonrechter aannemelijk is dat Digicel wel toestemming behoeft van TAS voor het opzetten van de microwavelink met Digicel Guyana. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat indien Digicel geen toestemming nodig had zij zulks niet aan TAS zou hebben verzocht op 07 december 2015.

4.1.3 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1.2 is overwogen, is voor de kantonrechter aannemelijk dat Digicel de aan haar verleende concessie heeft overtreden, in die zin dat zij zonder toestemming van TAS de microwavelink, zijnde een radioelectromagnetische zendinrichting, met Digicel Guyana heeft opgezet. In dat licht heeft TAS de dwangmaatregelen van bestuursdwang en het gedeeltelijk verzendverbod aan Digicel opgelegd.De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van Digicel dat zij ook opkomt tegen de hiervoor door TAS opgelegde en reeds door TAS tenuitvoergelegde dwangmaatregelen.Zoals reeds hiervoor onder 4.1.1 is overwogen kan een overtreder ingevolge artikel 85 lid 5 WTV binnen zes weken na betekening van een dwangbevel daartegen in verzet bij de kantonrechter en niet op grond van artikel 82 WTV. Voor de kantonrechter zal daarom 85 lid 5 WTV als uitgangspunt dienen.TAS heeft opgeworpen dat zij het dwangbevel op 12 januari 2016 aan Digicel heeft betekend, hetgeen zij heeft gestaafd middels overlegging van een fotokopie van het exploit van betekening en is dit niet door Digicel weersproken. Het voorgaande in onderling samenhang gelezen en beschouwd, brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat Digicel op uiterlijk 26 februari 2016 verzet tegen deze dwangmaatregel diende aan te wenden en aldus tardief is in het verzet. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat TAS, met de betekening van het dwangbevel per exploit van een deurwaarder, een executoriale titel in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft verkregen. Dit blijkt uit het bepaalde in artikel 85 lid 5 WTV lid 4, welk artikel onder meer als volgt luidt: “ Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaarders exploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.”. De kantonrechter benadrukt dat indien Digicel binnen de bij wet gestelde termijn het verzet zou hebben aangewend, dit op grond van artikel 85 lid 6 WTV zou hebben geleid tot schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

4.1.4 Voor wat betreft het aan Digicel opgelegde zendverbod, welke gedeeltelijk is en niet geldt voor het verlenen van mobiele diensten op Surinaams grondgebied, staat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen beroep of verzet daartegen open, omdat zendverbod een dwangmaatregel is ter handhaving van de wetgeving. Dat beroep of verzet tegen deze dwangmaatregel niet mogelijk is, leidt de kantonrechter af uit artikel 87 lid 2 WTV. Met name is daarin het volgende bepaald: “De houder van een telecommunicatie-inrichting ten aanzien waarvan een dwangmaatregel als bedoeld in lid 1 onder a of b van dit artikel is genomen, is verplicht deze dwangmaatregel na te leven dan wel te gedogen.”

4.1.5 Met de onderhavige vordering beoogt Digicel, met het beroep op schending van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en het onbevoegd optreden van de politie, het terugdraaien van de door TAS opgelegde dwangmiddelen, zodat zij de verbinding van de microwavelink met Digicel Guyana kan blijven voortzetten. Nu deze dwangmaatregelen reeds ten uitvoer zijn gelegd en terugdraaien van deze maatregelen niet meer mogelijk is, behoeven deze stellingen van Digicel en het verweer van TAS hierop in de onderhavige procedure geen bespreking. Het terugdraaien van de opgelegde dwangmiddelen zou immers betekenen het gedogen van de door TAS bij Digicel geconstateerde overtreding. Ingeval Digicel meent schade te hebben geleden door het handelen van TAS, dan bestaat voor haar de mogelijkheid de door haar vermeend geleden schade via een andere procedure op TAS te verhalen.

4.1.6 Gelet op al hetgeen hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.5 is overwogen, zullen de door Digicel gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.2 In reconventie

4.2.1 Digicel heeft opgeworpen dat TAS heeft nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang van de door haar gevraagde voorziening is. Anders dan Digicel is de kantonrechter van oordeel dat TAS wel het spoedeisend belang heeft gesteld. Met name heeft TAS gesteld dat zij heeft kunnen waarnemen dat Digicel op 08 oktober 2018 in de betreffende mast van Digicel, van waar de apparatuur door TAS was verwijderd, nabij Waterloo weer apparatuur heeft gemonteerd met de kennelijke bedoeling om de illegale grensoverschrijdende link met Guyana te heractiveren. De kantonrechter acht deze stelling voldoende aannemelijk en zal TAS daarom worden ontvangen in het kort geding.

4.2.2 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de hierna volgende overwegingen de door TAS gevraagde voorziening niet kan worden toegewezen.TAS is, zoals zij zelf heeft gesteld, ingevolge artikel 84 WTV belast met het houden van toezicht op de naleving van de wettelijke regels de telecommunicatievoorzieningen rakende. Uit hoofde van haar toezichthoudende taak heeft TAS bestuursrechtelijke middelen (bestuursdwang, last onder dwangsom, zendverbod en administratieve boete) en strafrechtelijke middelen om de wettelijke regels te handhaven. Het opleggen van een zendverbod is een bestuursrechtelijke middel en kan slechts door TAS worden opgelegd. Indien dat bestuursrechtelijk middel of een andere bestuursrechtelijke middel, minder effectief of niet effectief blijkt te zijn om een overtreder te dwingen tot naleving van de regels, dan heeft TAS ingevolge WTV nog de strafrechtelijke middelen (strafrecht) als ultimum remedium.

4.2.3 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.2 is overwogen, zal de door TAS gevraagde voorziening worden geweigerd.

4.2.4 TAS zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie
De kantonrechter:

5.1 In conventie

5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt Digicel in de proceskosten aan de zijde van TAS gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie

5.2.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2.2 Veroordeelt TAS in de proceskosten aan de zijde van Digicel gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op donderdag 25 oktober 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2019-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-3633
3 oktober 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser], thans ingesloten in de Penitentiaire Inrichting Santo Boma, domicilie kiezend aan de Cayottestraat 51 te Paramaribo, ten kantore van mr. Ch. Algoe, advocaat,
eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, in deze het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, jurist bij het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 19 september 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met de producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 23 september 2019;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is op 13 december 2016 in verzekering gesteld ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit en bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 2 november 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur vier jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht met een geldboete van SRD 5.000, – subsidiair een maand hechtenis.

2.2 Eiser heeft twee-derde deel van zijn straf uitgezeten. In een schrijven van 9 september 2019 stelt eiser de minister van Justitie en Politie in gebreke en sommeert de minister hem in aanmerking te doen komen voor Voorwaardelijke Invrijheidstelling.

2.3 Eiser heeft de boete ad SRD 5.000, – aan gedaagde voldaan.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – samengevat – om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen:

  1. om binnen 24 uur na vonniswijzing c.q. binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn eiser fysiek in vrijheid te stellen op grond van artikel 29, zonder toepassing van artikel 30a lid 1 sub g, e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van SRD 25.000, – voor elk uur dat gedaagde in strijd hiermee handelt;
  2. in de kosten van het proces waaronder de advocaatkosten voorlopig begroot op SRD 5.000, -.

3.2 Eiser legt kort gezegd aan zijn vordering ten grondslag dat hij reeds twee-derde van zijn straf heeft uitgezeten maar nog niet is geïnformeerd over een op hem van toepassing zijnde voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna V.I.). Ook na ingebrekestelling en sommatie van de minister van Justitie en Politie heeft eiser geen bericht ontvangen van de V.I. Commissie. Eiser zit reeds langer dan een maand onrechtmatig vast. Gedaagde handelt in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel jegens eiser.

3.3 Gedaagde voert verweer en stelt kort gezegd dat een V.I. niet vanzelfsprekend en dus niet altijd verleend wordt. De V.I. Commissie heeft in haar vergadering van 3 september 2019 beslist tot afwijzing, omdat eiser een plan tot ontvluchting heeft beraamd en een mobiele telefoon in zijn bezit had. Gedaagde treft daarom geen verwijt van schending van Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur. Tenslotte concludeert gedaagde tot niet ontvankelijkheid van eiser of afwijzing van het gevorderde. Voor zover van belang wordt hierna op het verweer teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter leest de verwijzing naar het A.R. nummer van de onderhavige zaak in de aanhef van de conclusies van antwoord, repliek en dupliek verbeterd, in plaats van A.R. No. 19-2544 wordt A.R. No. 19-3633 gelezen.

4.3 Eiser stelt dat gedaagde geen rekening houdt met zijn rechten, omdat de V.I. Commissie geen advies over zijn invrijheidstelling uitreikt. Op grond van artikel 29 Sr en rekening houdend met zijn belangen en zijn vrijheid, zo stelt eiser, heeft hij geen keus dan de kortgedingrechter te benaderen. Zijn stelling onderbouwt eiser met vonnissen gewezen door de kortgedingrechter in de zaken A.R. No. 18-3346 d.d. 17 augustus 2018 en A.R. No. 18-4413 d.d. 1 november 2018, in welke gevallen de kortgedingrechter de Staat onder meer heeft veroordeeld om het nodige te verrichten met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van de eiser. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat grondslag van de vordering in de onderhavige zaak niet identiek is aan de grondslagen in de aangehaalde zaken.

4.4 De kantonrechter overweegt allereerst dat eiser in de onderhavige zaak de kortgedingrechter kennelijk als restrechter heeft benaderd. Artikel 33 lid 3 Sr (Wet van 30 maart 2015, S.B. 2015 no. 44) bepaalt dat de veroordeelde tegen beslissingen als bedoeld in artikel 30, 30a en 31 een bezwaarschrift kan indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Artikel 33a bepaalt dat het Openbaar Ministerie na ontvangst van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 33 de veroordeelde ten spoedigste dagvaardt nadat het bezwaarschrift door de griffier in zijn handen is gesteld. In de Memorie van Toelichting is nog eens bevestigd dat in artikel 33a Sr de bezwaarschriftprocedure is geregeld. De kantonrechter overweegt voorts dat indien aan de veroordeelde geen beslissing tot invrijheidstelling is betekend op de dag dat hij ex artikel 29 Sr in vrijheid had moeten worden gesteld, de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geacht te zijn geweigerd, zie artikel 33 lid 1 Sr.

4.5 Anders dan het kennelijk uitgangspunt van de kortgedingrechter bij de hiervoor onder 4.3 vermelde uitspraken, heeft het Hof van Justitie in zijn recente uitspraak van 17 juli 2019 de vraag welk gerecht beslist over een bezwaarschrift in het geval van een al dan niet stilzwijgende weigering tot voorwaardelijke invrijheidstelling als volgt beantwoord:

“Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 [artikel 33 Sr] heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische beslissing van dit artikel met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd.”

4.6 Aldus biedt naar het oordeel van het Hof het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr een veroordeelde ter bescherming van zijn rechten voldoende mogelijkheid om een bezwaarschrift bij de strafrechter in te dienen ingeval van weigering, uitstel of het achterwege blijven van de V.I. Een eisende partij in kort geding zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, nu de aangewezen rechter dan wel het gerecht hem voldoende rechtsbescherming biedt. Op grond van de bestaande rechtsgang voor het indienen van een bezwaarschrift, zal eiser niet ontvankelijk verklaard worden in de gevraagde voorzieningen in kort geding.

4.7 De overige standpunten van partijen behoeven geen bespreking, omdat deze tot geen andere uitkomst zullen leiden in de onderhavige zaak.

4.8 Eiser zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verklaart eiser niet-ontvankelijk in de gevraagde voorzieningen.
5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, op donderdag 3 oktober 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2019-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 lid 3 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van [verzoeker],
verblijfhoudende in het district Wanica,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat.

1.Het proces-verloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen.
1.1 het bezwaarschrift met bijbehorende producties gedateerd 20 juni 2019, strekkende tot voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker.
1.2 Bij beschikking van het Hof d.d. 8 juli 2019, is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van Justitie van 17 juli 2019 om 09.30 uur des voormiddags;
1.3 Het proces-verbaal gedateerd 8 juli 2019 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof van Justitie;
1.4 De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten
2.1 Verzoeker is op 6 mei 2008 aangehouden en in verzekering gesteld wegens doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 Sr.
2.2 Verzoeker is bij vonnis van de kantonrechter in het derde kanton d.d. 31 maart 2009 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 Sr.
2.3 Het Hof van Justitie heeft op 30 januari 2014 het vonnis van de kantonrechter in het derde kanton, op 31 maart 2009 gewezen en uitgesproken tegen verzoeker bevestigd.

3. Het standpunt van verzoeker
Verzoeker stelt dat hij op of omstreeks 5 mei 2018 reeds tweederde (⅔) deel van zijn opgelegde straf had uitgezeten en dat hij op grond van artikel 29 Sr. in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). Verzoeker stelt voorts dat aan hem werd overhandigd een adviesbrief gedateerd 2 mei 2018 van de directeur van de inrichting alwaar hij is ingesloten, inhoudende dat de VI-adviescommissie heeft geadviseerd om de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker 9 (negen) maanden aan te houden vanwege enkele tuchtstraffen ter zake bezit van geld, simkaart, mobiel toestel en marihuana. Volgens verzoeker kan hieruit worden geconcludeerd dat de minister van Justitie en Politie, voornemens was de VI toe te wijzen, en dat de VI wegens genoemd bezit van geld, simkaart, mobiel toestel en marihuana werd aangehouden. Verzoeker erkent in het bezit te zijn geweest van een simkaart en geld, maar ontkent bezit van een mobiel toestel en marihuana. Verzoeker stelt dat hij na ontvangst van deze adviesbrief in de veronderstelling verkeerde dat hij na de 9 maanden in aanmerking zou komen voor VI. Bij adviesbrief van 25 januari 2019 is aan verzoeker meegedeeld dat de VI-commissie heeft geadviseerd om zijn VI af te wijzen wegens artikel 30a lid 1 sub g, te weten het delict zoals omschreven in artikel 347 Sr. Jegens verzoeker is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel omdat aan hem de toezegging was gedaan dat aan hem VI zou worden verleend bij goed gedrag. Verzoeker heeft gerechtvaardigd daarop vertrouwd. Aan verzoeker is nimmer een beslissing van de Minister als bedoeld in artikel 33 Sr. verstrekt. Verzoeker benadrukt dat de adviesbrief van de directeur van de inrichting geen beslissing is van de Minister en heeft derhalve geen rechtskracht. Aan verzoeker is ook geen raadsman toegevoegd, om binnen de in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde termijn van 14 dagen een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen. Hem is slechts gezegd dat de commissie afwijzend heeft geadviseerd op zijn VI en dat hij maar moet wachten.

Ten einde raad is verzoeker gestart met een kortgedingprocedure tegen de Staat.

Bij vonnis gedateerd 18 maart 2019, heeft de kortgedingrechter overwogen dat in VI gevallen de bezwaarschriftprocedure bij de strafrechter moet worden bewandeld. Op 20 mei 2019, bedoeld wordt 20 juni 2019, heeft verzoeker na ontvangst van het vonnis van de kortgedingrechter onderhavig bezwaarschrift ingediend. Verzoeker kan derhalve, op grond van redelijkheid en billijkheid zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet vastgepind worden aan de in het derde lid van artikel 33 Sr. genoemde termijn van 14 dagen om een bezwaarschrift in te dienen. Verzoeker verwijst naar de Memorie van Toelichting waarin staat vermeld dat de rechter de termijn naar redelijkheid en billijkheid zal toepassen en derhalve niet vast zal pinnen aan de genoemde twee weken.

Verzoeker stelt verder dat hij onherroepelijk is veroordeeld in het jaar 2014. Volgens verzoeker kan de wet van 2015, (het Hof begrijpt de gewijzigde VI-regeling in het Wetboek van Strafrecht van 2015) vanwege het op het legaliteitsbeginsel gebaseerde verbod van terugwerkende kracht niet op hem van toepassing zijn. Toen verzoeker anno 2014 werd berecht en onherroepelijk werd veroordeeld was er nog geen verbod met betrekking tot het toekennen van VI aan veroordeelden van halsmisdrijven. Verzoeker destilleert dit verbod uit artikel 30a lid 1 onder g, althans zo vat het Hof dit op.

Verzoeker stelt zich ook op het standpunt dat het legaliteitsbeginsel tevens inhoudt dat bij verandering van wetgeving, de voor de verdachte meest gunstige bepalingen worden toegepast, met dien verstande dat gevallen van vóór maart 2015 niet vallen onder de huidige VI-wetgeving. Het Hof begrijpt hieruit dat volgens verzoeker de in 2015 gewijzigde VI-regeling ongunstiger is voor hem dan de vóór de wijziging geldende regeling.

Verzoeker beroept zich er verder op dat ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gehandeld en legt een lijst met namen over van wegens moord c.q. doodslag veroordeelde personen die in 2015 en 2016, ondanks de bepaling van artikel 30a lid 1 onder g in aanmerking zijn gekomen voor VI.

4.Het standpunt van de Waarnemend Procureur-generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft het Hof primair gevraagd verzoeker niet te ontvangen in zijn bezwaarschrift, nu de adviesbrieven van de directeur van de inrichting geen beslissingen noch beschikkingen zijn en zijn die ook niet betekend aan verzoeker. In casu is er geen beslissing van de Minister. Gelet op artikel 33 lid 1 Sr. wordt het verzoek in dit geval geacht te zijn geweigerd. In de MvT op de wet is aangegeven, dat de termijn van 14 dagen naar redelijkheid en billijkheid dient te worden geïnterpreteerd. De eerste brief is gedateerd 2 mei 2018 en de tweede is gedateerd 22 januari 2019. Het bezwaarschrift is na ruim een jaar ingediend, zodat verzoeker tardief is.

Ten aanzien van het door verzoeker gedane beroep op schending van het legaliteitsbeginsel merkt de waarnemend Procureur-Generaal op dat het in artikel 1 lid 1 Sr. vervatte legaliteitsbeginsel betrekking heeft op de delictsomschrijving en de strafbedreiging. De artikelen 28, 29 en 30 Sr. hebben geen betrekking op strafbepalingen en is daarom in deze het legaliteitsbeginsel niet geschonden.

Het door verzoeker gedane beroep op de bepaling van artikel 1 lid 3 Sr. inhoudende dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast, gaat niet op omdat het in deze bepaling gaat om een verdachte en niet een onherroepelijk veroordeelde, zoals in het geval van verzoeker. De waarnemend Procureur-Generaal verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, NJ 2012, 78.

Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel merkt de waarnemend Procureur-Generaal op, dat in het schrijven van de directeur van de inrichting de VI voor 9 maanden was aangehouden terwijl daarin niet is aangegeven dat verzoeker na 9 maanden in aanmerking moest komen voor VI. Conform artikel 30a lid 2 Sr. kan de VI telkens opnieuw worden uitgesteld of achterwege blijven. In casu is gebruik gemaakt van een bevoegdheid genoemd in de wet.

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de door verzoeker overgelegde lijst wegens moord c.q. doodslag onherroepelijk veroordeelden verwijst de waarnemend Procureur-Generaal naar artikel 30 lid 1 onder g Sr., inhoudende de uitzonderingen op de regel dat de onherroepelijk veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer deze ⅔ deel van de opgelegde straf heeft ondergaan. Bij de toewijzing van de VI in de door verzoeker bedoelde veroordelingen wegens moord c.q. doodslag is dit gedeelte betreffende de uitzonderingsdelicten over het hoofd gezien. De wetgever heeft met betrekking tot genoemde delicten bepaald dat men voor deze delicten niet in aanmerking komt voor VI. Het door verzoeker gestelde gaat dus niet op.

Subsidiair concludeert de waarnemend Procureur-Generaal tot afwijzing van het verzoek.

5.De beoordeling

5.1 De bevoegdheid van het Hof

Artikel 33 lid 3 Sr luidt alsvolgt:
“De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld”.

Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.

Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift “bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd” moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd.

Nu uit het onderzoek is gebleken dat het Hof van Justitie op 30 januari 2014 het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton, op 31 maart 2009 gewezen en uitgesproken tegen verzoeker waarbij verzoeker is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 Sr. heeft bevestigd, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het namens verzoeker ingediende bezwaarschrift.

5.2 Ten overvloede merkt het Hof op dat in geval van een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf door de Kantonrechter, de Kantonrechter uitsluitend bevoegd is voor de behandeling van het hier bedoelde bezwaarschrift tegen welke beslissing van de Kantonrechter er geen beroepsmogelijkheid open staat.

5.3 Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.4 Ontvankelijkheid verzoeker
Ingevolge artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (VI-verlening onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel VI casu quo weigering VI) en 31 Sr (herroeping VI). De hierboven aangehaalde brieven van de directeur van de inrichting betreffen geen beslissingen als bedoeld in artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht.

Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling van verzoeker, te weten 6 mei 2008, had verzoeker op of omstreeks 6 mei 2018 reeds tweederde deel van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf uitgezeten. Na ontvangst van de brief van 2 mei 2018 van de directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting heeft verzoeker in de veronderstelling verkeerd dat zijn VI voor de periode van 9 maanden was aangehouden. Vervolgens werd aan verzoeker bij schrijven d.d. 25 januari 2019 van bedoelde directeur meegedeeld dat op de VI-vergadering van 22 januari 2019 is geadviseerd om zijn VI af te wijzen op grond van artikel 30a lid 1 sub g Sr.

Blijkens een door verzoeker overgelegd vonnis van de kantonrechter in kort geding van 18 maart 2019 heeft de kantonrechter de verzoeker niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering om de Staat, lees de Minister van Justitie en Politie, te veroordelen om verzoeker voorwaardelijk in vrijheid te stellen, nu het bepaalde in artikel 33 Sr. een veroordeelde, in casu verzoeker, ter bescherming van zijn rechten voldoende mogelijkheid biedt om een met redenen omkleed bezwaarschrift bij de strafrechter in te dienen ingeval van weigering, uitstel of het achterwege blijven van de VI. Daarbij heeft de kortgedingrechter overwogen dat de wetgever rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat niet elke beslissing kan worden betekend, waarbij met name wordt gedacht aan de fictieve weigering als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid van artikel 33 Sr. en – verwijzend naar de Memorie van Toelichting – dat het voor de hand ligt dat de rechter de termijn van veertien dagen in die gevallen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren. Verzoeker stelt in de nadere toelichting dat na ontvangst van het vonnis van de kortgedingrechter onderhavig bezwaarschrift ex artikel 33 Sr. is ingediend op 20 juni 2019.

Gelet op het hiervoren overwogene is naar redelijkheid en billijkheid voldaan aan de voor indiening van een bezwaarschrift gestelde termijn van veertien dagen. Verzoeker is derhalve ontvankelijk in het bezwaarschrift.

5.5 Het vertrouwensbeginsel
Met betrekking tot het door verzoeker gedaan beroep op het vertrouwensbeginsel merkt het Hof op dat uit het schrijven van de directeur van de Penitentiaire Inrichting betreffende advies om zijn VI met 9 maanden aan te houden, verzoeker niet zonder meer erop mocht vertrouwen dat hij na die periode van 9 maanden voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld, omdat ingevolge artikel 30a lid 2 Sr. de VI op grond van het bepaalde in lid 1 van genoemd artikel, telkens opnieuw met een bepaalde termijn kan worden uitgesteld, dan wel achterwege kan blijven.

5.6 Het legaliteitsbeginsel
Het Hof gaat voorbij aan het door verzoeker gedaan beroep op het verbod van terugwerking van het in 2015 gewijzigde Wetboek van Strafrecht en de daarmee gepaard gaande wijziging van de VI-regeling op onherroepelijke veroordelingen op grond van het legaliteitsbeginsel.

Het Hof is het eens met de waarnemend Procureur-Generaal dat het in artikel 1 lid 1 Sr. vervatte legaliteitsbeginsel op de eerste plaats betrekking heeft op de strafbepalingen, dus op de delictsomschrijving en de strafbedreiging.

“Het verbod van terugwerkende kracht geldt, ook gelet op de tekst van art. 1 lid 1 Sr, niet zonder meer voor andere voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid die niet zijn terug te voeren op strafbaarstellingen of strafbedreigingen”, aldus ook prof. Mr. J. de Hullu in de zesde druk (2015) van zijn Materieel Strafrecht op blz. 91.

5.7 Toepassing gunstigste bepaling bij verandering van Wetgeving
Het Hof is het eveneens eens met de waarnemend Procureur-Generaal die, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 juli 2011, NJ 2012, nr. 78, stelt dat het namens verzoeker gedaan beroep op artikel 1 lid 3 Sr., inhoudende dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast, niet opgaat. Artikel 1 lid 3 Sr. heeft betrekking op een verdachte en in casu betreft het een onherroepelijk veroordeelde. Daargelaten de vraag of de vóór de wijziging in 2015 geldende VI regeling gunstiger is voor verzoeker, zoals is beweerd door verzoeker.

5.8 Het gelijkheidsbeginsel
Het Hof kan in zoverre meegaan met het namens verzoeker gedaan beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat het onbegrijpelijk is dat in het tweede schrijven van de directeur van de Penitentiaire Inrichting d.d. 25 januari 2019 aan verzoeker wordt meegedeeld dat geadviseerd is om zijn VI af te wijzen wegens artikel 30a lid 1 sub g Sr., terwijl door de waarnemend Procureur-Generaal niet weersproken is dat ook na de wijziging van de VI-regeling in het Wetboek van Strafrecht in 2015, personen die onherroepelijk waren veroordeeld terzake van de in artikel 30a lid 1 sub g Sr. genoemde strafbare feiten, voor VI in aanmerking zijn gekomen, zoals blijkt uit een door verzoeker overgelegde lijst van personen.

Naar het oordeel van het Hof bevat artikel 30a lid 1 sub g Sr. geen absoluut verbod van VI voor personen die onherroepelijk veroordeeld zijn ter zake van de aldaar omschreven misdrijven. Ook voor deze gevallen bepaalt de aanhef in lid 1 van dit artikel dat de Minister, in afwijking van artikel 29 leden 1 en 2 Sr., na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling, kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten. Het Hof verwijst tevens naar het bepaalde in artikel 28a Sr. dat ook de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd, voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft.

5.9 Het Hof overweegt ten overvloede dat de voorwaardelijke invrijheidstelling- onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr. – ingevolge artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarde, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr.

5.10 Gelet op hetgeen hiervoren is overwogen en op het feit dat niet is gebleken dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zich voordoen, het bezwaar gegrond is, zodat verzoeker ingevolge artikel 29 Sr. voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerden in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij onder andere de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Tegen deze achtergrond beziet het Hof het in artikel 30a, aanhef en sub c Sr. gestelde dat de Minister de voorwaardelijke invrijheidstelling kan uitstellen of achterwege laten indien “is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zeer ernstig heeft misdragen”. De toedracht omtrent de aard van de gedragingen van verzoeker binnen de inrichting die hebben geleid tot de interne tuchtstraffen, te weten bezit van simkaart en geld verdienen in de visie van het Hof niet de kwalificatie van “ernstige misdragingen” welke een voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde in de weg zouden staan.

6. De beslissing

Het Hof:
6.1 Verklaart het bezwaarschrift gegrond,
6.2 Gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker ingevolge het bepaalde in artikel 29 Sr.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, de leden I.S. Chhangur-Lachitjaran en Mr. S. Punwasi, bijgestaan door mevr. B. Pakosie, LLM, fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 17 juli 2019.

w.g. B. Pakosie w.g. A. Charan

w.g. I. Chhangur-Lachitjaran

w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,

namens deze, (mr. S. Ghopie, wnd-Substituut Griffier)

SRU-K1-2019-23

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 193795
22 oktober 2019
Vonnis in de zaak van

A. [eiser sub A], wonende aan [adres 1] te [district],
B. [eiser sub B], wonende aan [adres 1] te [district],
C. [N.V.], gevestigd en kantoor houdende aan [adres 2] te [district],
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
eisers in kort geding,
hierna te noemen: “[eiser sub A], [eiser sub B] en de NV”,
tegen

A. DE SURINAAMSCHE BANK N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Henck Arronstraat no. 26-30 te Paramaribo,
B. DE SURINAAMSE TRUSTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Henck Arronstraat no. 32 te Paramaribo, optredende als gemachtigde van :
1. De Stichting Pensioenfonds van de N.V. Surinaamse Luchtvaartmaatschappij, gevestigd te Paramaribo, en
2. [stichting 1], gevestigd te Paramaribo,
C. [notaris], kantoor houdende aan [adres 3] te [district],
gemachtigde voor gedaagden sub A en B: mr. N.R.J. Ilahibaks, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub C: mr. R. Sohansingh, advocaat,
gedaagden in kort geding,
hierna te noemen: “de Bank, Suritrust en de notaris”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 7 oktober 2019 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord zijdens de Bank en Suritrust, met producties,
  • de conclusie van antwoord zijdens de notaris,
  • de conclusie van repliek jegens de Bank en Suritrust, met productie,
  • de conclusie van repliek jegens de notaris,
  • de conclusie van dupliek, zijdens de Bank en Suritrust, met productie,
  • de conclusie van dupliek zijdens de notaris, met producties,
  • de conclusie tot uitlating over de door de Bank en Suritrust bij dupliek overgelegde producties zijdens [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV,
  • de conclusie tot uitlating over de door de notaris bij dupliek overgelegde producties zijdens [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV, de rolbeschikking d.d. 21 oktober 2019, aangetekend op de kaft van het procesdossier;
  • het procesverbaal van de comparitie van partijen gehouden op 21 oktober 2019 om 13.00 uur des namiddags.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij akte van 9 maart 2001 is tussen [eiser sub A], [eiser sub B], [personen 1, 2 en 3], en de Bank een overeenkomst van krediethypotheek gesloten voor het bedrag van USD.300.000,= waarbij het in de akte genoemd onroerend goed in onderpand is gegeven namelijk het recht van opstal voor de duur van veertig jaren aanvangende 21 mei 2010 op het perceelland groot 1,1 hectare gelegen in [district] op de hoek van de [straatnamen 1, 2 en 3].

2.2 Bij akte van 5 mei 2004 is tussen [eiser sub A], [eiser sub B], de NV, [personen 1, 2 en 3] en de Bank en Suritrust als gevolmachtigde van de Stichting Pensioenfonds van de NV Surinaamse Luchtvaartmaatschappij en [stichting 1], een overeenkomst van krediethypotheek gesloten voor het bedrag van USD.825.000,= waarbij de in de akte genoemde onroerende goederen in onderpand zijn gegeven namelijk het recht van opstal gevestigd voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 0,4118 ha gelegen aan de [straatnamen 1 en 3] en op het perceelland groot 858 vierkante meter gelegen aan de [straatnaam 3].

2.3 Bij exploit van 22 augustus 2019 met exploitnummer 19-377 van [deurwaarder], hebben de Bank en de Suritrust aan [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV betekend de akten van krediethypotheek, een saldo opgave en een bevel tot betaling. Voorts is aan [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV de openbare verkoop aangezegd voor woensdag 23 oktober 2019 in 10.00 uur des voormiddags ten kantore van de notaris.

2.4 In het [dagblad] van 23 september 2019 is de aanzegging van de openbare verkoop gepubliceerd.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
[eiser sub A], [eiser sub B] en de NV vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de stopzetting beveelt van de openbare verkoop zoals omschreven in het exploit van 22 augustus 2019, totdat in de bodemprocedure is beslist.

3.2 De grondslag
[eiser sub A], [eiser sub B] en de NV hebben als grondslag voor het gevorderde het volgende aangevoerd: de betekening van de akten is aan [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV gezamenlijk gedaan, hetgeen niet correct is; de Bank en Suritrust willen op 1 dag en 1 tijstip terzake van twee verschillende hypotheekakten met elk verschillende objecten en die elk aanspraak geven op artikel 1207 BW, tegelijkertijd veilen, hetgeen niet mogelijk is; het gaat om twee verschillende schuldeisers, twee verschillende hypotheekakten en verschillende objecten; er zouden twee verschillende veilingen gehouden moeten worden die ieder afzonderlijk moeten worden aangekondigd en afzonderlijk moeten worden betekend; de Bank en Suritrust hebben niet de nodige zorgplicht in acht genomen jegens [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV omdat bij de herstructurering van het krediet op 8 december 2017 geen rekening is gehouden met het feit dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de directeur van de NV geen Nederlands spreken; er was geen tolk aanwezig waardoor de Bank en Suritrust er niet van uit mochten gaan dat [eiser sub A] de herschikking heeft begrepen; [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV waren blij dat zij meer ruimte kregen om af te lossen maar zij begrepen niet dat al de aflossingen zijn opgegaan aan boeterente betalingen en dat de boeterente gewoon is toegenomen; [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV zijn na de herstrukturering in grotere problemen gekomen en de aanvankelijke weigering van Suritrust om te herstruktureren was in strijd met de redelijkheid en de billijkheid; de Bank en Suritrust hebben in strijd met hun zorgplicht gehandeld door niet na te gaan of [eiser sub A] en [eiser sub B] begrepen wat de overeenkomst inhield en of de herstructurering wel een manier was om [eiser sub A] en [eiser sub B] inderdaad uit de benarde positie te helpen; de economische recessie had zijn weerslag op de verhuur van winkelunits en [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV konden met de overgebleven unithouders de aflossing moeilijk opbrengen; er is ook sprake van eigen schuld van de Bank en Suritrust omdat zij hadden moeten waken voor overkreditering.

4. Het verweer
De Bank, Suritrust en de notaris hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 De Bank, Suritrust en de notaris hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat een gezamenlijke betekening niet onjuist is zolang aan de wettelijke vereisten van de betekening is voldaan; dat [N.V.-naamvariant] op een later tijdstip is omgezet in de naamloze vennootschap [N.V.], waardoor de betekening aan de NV had moeten plaatsvinden; de betekening aan de NV is daarom rechtsgeldig;
  2. dat het in het openbaar verkopen van de drie onroerende goederen wel mogelijk is op het zelfde moment; noch artikel 1207 BW, noch enige andere wetsbepaling verbiedt het veilen van meerdere onderpanden tijdens een veiling; bovendien staat op de onroerende goederen een gebouw dat in beginsel niet goed te scheiden is; reeds om die reden is het afzonderlijk scheiden niet wenselijk, immers, een koper zou dan het risico lopen dat hij een deel van het gebouw koopt zonder dat hij zich daarvan bewust is terwijl een andere koper op een ander moment een ander deel van het gebouw koopt; het is juist in het voordeel van de schuldeisers, de schuldenaren en de koper, dat duidelijk is dat het om een pakket gaat;
  3. dat de boeterente overeen is gekomen waardoor gedaagden geen schending van de zorgplicht kan worden verweten wanneer de boeterente in rekening wordt gebracht;
  4. dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV reeds vanaf 2001 bankieren bij de Bank en Suritrust en nimmer een tolk hebben gebruikt en altijd in de Nederlandse taal communiceerden met de Bank en Suritrust; dat zij al de jaren de overeenkomsten en correspondentie begrepen; dat zij, indien zij iets niet begrepen, dat kenbaar hadden moeten maken aan de Bank en Suritrust; dat het niet juist is om het niet voldoen aan de aflossingsverplichtingen thans niet kan worden toegeschreven aan het niet begrijpen van de overeenkomst;
  5. dat er geen sprake was van overkreditering; het kredietvoorstel van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV is conform de standaard bankprocedure beoordeeld en op basis van de prognoses, verdiencapaciteit en inkomstengenerering van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV is het krediet aan hen verstrekt; zij zouden conform de afspraak in staat moeten zijn om de overeengekomen aflossingen te voldoen;
  6. dat eisers zichzelf tegenspreken door enerzijds te stellen dat Suritrust in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelde door de herschikking te weigeren en anderzijds te stellen dat de herschikking hen verder in de problemen heeft gebracht; zowel Suritrust als de Bank zijn herschikkingsovereenkomsten met eisers aangegaan in juli 2016 en december 2017; in deze overeenkomsten zijn aan eisers grace periods toegekend, renteverlagingen en een gedeeltelijke kwijtschelding van boeterentes; de herschikkingsovereenkomsten zijn in het voordeel van de eisers gesloten, echter zijn eisers tot op heden in gebreke gebleven om aan hun verplichtingen te voldoen; de Bank en Suritrust hebben jaren getracht met eisers tot een oplossing te komen en hebben hun jaren lang ruimte gegeven om hun verplichtingen te voldoen;
  7. dat op 23 november 2018 de veiling plaats zou vinden; op 22 november 2018 hebben eiseres het verzoek gedaan te schikken en hebben de DSB en Suritrust de veiling stopgezet; aan eisers is toen gevraagd een voorstel op papier te zetten; dat voorstel is nimmer door eisers op papier gezet en eisers hebben ook niet aan hun verplichtingen voldaan; vanaf november 2018 hebben eisers geen enkele aflossing gepleegd; ook wordt het onroerend goed niet onderhouden waardoor het in waarde afneemt;
  8. dat de financiele crisis een ieder raakt; dat brengt echter niet met zich mee dat eisers hun betalingsverplichtingen niet hoeven na te komen;
  9. dat het de afspraak was dat de huur van de drie en dertig units die door eisers verhuurd worden voor de Bank en Suritrust zou worden gestort als aflossing; eisers hebben echter eigendunkelijk besloten de huurpenningen niet meer voor de Bank en Suritrust te storten; ook hierdoor is de schuld steeds verder opgelopen;
  10. dat het niet de Bank en Suritrust zijn die wanprestatie plegen, doch [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV en dat de veiling conform de wet is aangezegd;
  11. dat de notaris zonder enige grond in dat proces betrokken is.

5.2 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV hebben op het verweer gereageerd waarbij zij aanvoerden dat zij erbij blijven dat de veiling niet volgens de plaatselijke gebruiken is gepubliceerd. Zij stellen dat het gaat om twee verschillende akten en per akte verschillende objecten zijn verhypothekeerd. De manier waarop de bekendmaking is gedaan wekt de indruk dat de koper het geheel in een keer zou kunnen kopen, hetgeen misleidend is. Ook zou niet betekend moeten zijn aan [N.V.-naamvariant] doch aan [N.V.] Ook voeren zij aan dat het drie percelen betreft die alszodanig behandeld moeten worden en het het pand misschien technisch onsplitsbaar is, doch juridisch niet. Het zakelijk recht moet duidelijk bepaald zijn bij het houden van de veiling. Zij stellen dat de schuldeiser zich bij de hypotheekvestiging ervan had moeten vergewissen dat hetgeen werd ondergezet technisch niet te splitsen zou zijn en economisch nadelig zou uitpakken, waardoor een executie nadelig zou uitvallen voor haar en de schuldenaar. Hiermee heeft zij een risico genomen dat het onderpand onveilbaar zou blijken te zijn. Zij blijven er voorts bij dat de Bank en de Suritrust de zorgplicht hebben verzaakt door zich niet ervan te vergewissen dat eisers de overeenkomsten goed begrepen. Eisers hebben bij de communicatie met de bank de hulp van een derde ingeroepen om een schrijven in het Nederlands aan gedaagden te richten. Eisers betwisten voorts dat de herschikking bedoeld was om de eisers uit de benarde positie te helpen. Het moet de Bank en Suritrust niet verbazen dat eisers de aflossingen niet konden plegen, immers, de Bank en Suritrust hebben eisers door de herschikking in een zodanige positie gebracht dat zij niet tot aflossen in staat waren, temeer daar zij gebukt gingen onder de financiele crisis die in het land heerst. Eisers verwijzen daarbij naar het vonnis van het Hof van Justitie van 7 augustus 2019 (SRU-HVJ-2019-2).

5.3 De kantonrechter overweegt dat partijen twisten over de volgende vragen:

a. of er een gebrek kleeft aan de aanzegging van de openbare verkoop en de publicatie daarvan;
b. of de Bank en de Suritrust hun zorgplicht hebben verzaakt door het toelaten van overkreditering of het overeenkomen van de herschikking; en
c. of de Bank en de Suritrust hun zorgplicht hebben verzaakt door zich er niet van te vergewissen dat eisers de overeenkomsten tot herschikking begrepen.

Ten aanzien van de aanzegging van de openbare verkoop.
5.4 De kantonrechter overweegt dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen dat het niet juist is dat de aanzegging heeft plaatsgevonden aan drie personen tegelijk. Gelijk de Bank en Suritrust stellen, is er door [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV echter geen enkel wettelijk beletsel genoemd en bestaat er ook geen wettelijk beletsel om de veiling aan te zeggen aan drie personen tegelijk. De bedoeling van de aanzegging is dat de schuldenaren of onderzetters kennis nemen van de akten, de saldo opgave en de veilingaanzegging. Nu uit het exploit blijkt dat zij daarvan kennis hebben genomen is dat doel van de betekening vervuld.

5.5 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen voorts dat is aangezegd aan [N.V.-naamvariant] en dat dat niet juist is omdat er ondertussen sprake is van een NV. De kantonrechter overweegt dat uit de redactie van het exploit blijkt dat ook de omzetting naar de NV is genoemd in het exploit en het exploit betekend is aan de directeur van de NV, waardoor ook aan dat deel van de grondslag voorbij gegaan moet worden.

5.6 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen voorts dat de twee akten niet tegelijk in het exploit opgenomen mochten worden. Gelijk de Bank en Suritrust stellen is er geen wettelijk beletsel door [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV genoemd, en bestaat ook geen wettelijk beletsel voor het opnemen van de twee akten in de aanzegging. Ook hier is het doel van de aanzegging dat de schuldenaren en de onderzetters op de hoogte zijn van de hypotheekovereenkomsten op grond waarvan geveild zal worden. Nu dat doel is volbracht kan aan dat deel van de grondslag ook voorbij gegaan worden.

5.7 [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV stellen voorts dat de publicatie niet juist is omdat uit de publicatie niet blijkt dat er sprake is van een gebouw op drie percelen en dat daardoor eventueel geintresseerden misleid worden.

5.8 De kantonrechter overweegt dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV in hun relaas met betrekking tot de wijze van publicatie en de uiteindelijke wijze waarop zij de veiling van de percelen, met daarop het gebouw, zien, neerkomt op een situatie waarbij het ondergezette goed eigenlijk onveilbaar is en dat de Bank en Suritrust zich daarvan rekenschap hadden moeten geven toen zij de hypotheek overeenkomsten aangingen.

5.9 De kantonrechter overweegt dat, gelijk de Bank en Suritrust en de notaris hebben aangevoerd, verwijzend naar de correspondentie met [naam 3], dat de praktische situatie is dat er drie percelen zijn waarop een gebouw staat. Deze percelen met het gebouw kunnen geveild worden als een geheel. [naam 3] ziet daar blijkens de overgelegde correspondentie, ook geen probleem in. Noch de Bank, noch Suritrust, noch de notaris zien redenen om aan te nemen dat het goed eigenlijk onveilbaar is en hebben in hun conclusies, onder verwijzing naar correspondentie van [naam 3], aannemelijk gemaakt dat de door eisers genoemde situatie geen problemen hoeft te geven op de veiling. De kantonrechter acht daardoor het door de Bank, Suritrust en de notaris gevoerd verweer aannemelijk, en zal daardoor ook voorbij gaan aan dat deel van de grondslag.

5.10 Ook met betrekking tot de publicatie, waarin de drie percelen zijn genoemd overweegt de kantonrechter dat uit de overgelegde advertentie blijkt dat daarin zijn opgenomen de drie percelen met al hetgeen daarop staat, waarbij ook vermeld is: “plaatselijk bekend als [pandnaam]”, waarbij ook een foto is geplaatst. Hierdoor is het niet aannemelijk dat personen die de advertentie lezen en zouden willen deelnemen aan de veiling, niet zullen begrijpen dat zij op de veiling zullen bieden op [pandnaam] of dat er sprake is van enige misleiding. Aan dat deel van de grondslag zal daarom ook voorbij gegaan worden.

Het schenden van de zorgplicht bij het aangaan van de herschikkingsovereenkomsten.
5.11 Enerzijds stellen [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV dat er sprake is van schending van de zorgplicht door de Bank en Suritrust door overkreditering en het aangaan van een herschikkingsovereenkomst die niet het belang van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV zou dienen en waarbij de Bank en Suritrust zich er als kredietverleners niet voldoende van hebben vergewist dat de kredietnemer begreep wat overeenkomst inhield.

5.12 De Bank en Suritrust hebben aangevoerd dat het kredietvoorstel van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV toentertijd conform de standaard bankprocedure beoordeeld is en op basis van de prognoses, verdiencapaciteit en inkomstengenerering van [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV het krediet aan hen is verstrekt; zij zouden conform de afspraak in staat moeten zijn om de overeengekomen aflossingen te voldoen. In reactie op dit verweer hebben [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV geen concrete feiten aangevoerd waaruit aannemelijk zou kunnen worden dat de beoordeling niet conform de standaard bankprocedure heeft plaatsgevonden waarbij op grond van de prognoses, de verdiencapaciteit en de inkomstengenerering het krediet is verstrekt. Hierdoor is het verweer niet weerlegd en is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een situatie waarbij de Bank en Suritrust in strijd met hun zorgplicht zouden hebben gehandeld bij het verstrekken van het krediet.

5.13 De kantonrechter overweegt met betrekking tot de herschikkingsovereenkomsten alsvolgt. Bij rolbeschikking is een inlichtingen comparitie gelast voor het verkrijgen van inlichtingen met betrekking tot de wijze waarop partijen over de herschikkingsovereenkomsten hebben gecommuniceerd, hoe de herschikkingsovereenkomsten zijn vastgelegd en wat er na de herschikkingsovereenkomsten is gebeurd.

5.14 Ter comparitie zijn verschenen gevolmachtigden van Suritrust, van de Bank en verder [eiser sub A] in persoon en in de hoedanigheid van directeur van de NV. [eiser sub A] is verschenen vergezeld van zijn [zoon], die hem bijstond vanwege het feit dat hij de Nederlandse taal niet machtig is. [eiser sub A] heeft verklaard de Surinaamse taal machtig te zijn waardoor hij tijdens de zitting in de Surinaamse taal de verklaring heeft afgelegd, bijgestaan door zijn zoon die de verklaringen die werden afgelegd voor hem vertaalde.

5.15 Tijdens de comparitie van partijen is door [eiser sub A] – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – alsvolgt verklaard: “ … op een gegeven moment wilde ik in 2016 dat de leningen op naam van het bedrijf kwam te staan omdat wij niet meer in persoon betrokken wilden zijn …. ik begreep dat de leningen van 2001 en 2004 nog een klein restant hadden van ongeveer USD.480.000,= ……. de percelen zijn van mij en mijn vrouw en het gebouw is van [N.V.] …. ik was vanaf het begin, 2001 directeur van [N.V.], het was toen nog geen NV … samen met [persoon 1] ……. een ander bedrijf uit [land] was mede investeerder ….. dat bedrijf is in 2010 weer weggegaan en uit de samenwerking getreden …. [persoon 1] is ook uit het bedrijf … nu ben ik nog directeur .. mijn zoon helpt mij …… in 2016 en 2017 was het saldo veel bijna vijf miljoen USD of meer ….. ik heb toen met DSB en Suritrust gesproken over het krediet. … ik had op 4 januari 2017 een brief voor [meneer 1] gestuurd waarin ik zei dat ik het vreemd vond dat ik documenten opgestuurd kreeg om te ondertekenen … ik wilde niet dat mijn naam nog in de overeenkomst stond, alleen het bedrijf moest erin staan …. in 2016 was de situatie in het land slecht geworden en kon ik de aflossingen niet meer goed plegen … ik had gesproken met [meneer 2] en met [mevrouw 1] en [meneer 3] … 2016 ging het eigenlijk nog goed, het ging niet geweldig, maar ik had een kleine achterstand … met de huurpenningen betaalde ik de bank maar er was een boeterente die de aflossingen hoog maakte, ik wist niet hoe hoog de boeterente was. Ik wist wel hoe hoog de rente was … ik vroeg steeds naar een uitdraai maar ze gaven het niet aan mij .. de rente was tussen de 8.25 % en de 9 % soms 11 % , het verschilde, ik wist wel dat er een boeterente was maar ik wist niet hoe hoog het was .. ik had geen financiele medewerker, mijn zoon hielp mij nadat [persoon 1] weg is gegaan in 2010 … … wij begrepen niet zo goed hoe het krediet verliep …. wij moesten elke maand aan Suritrust en de DSB samen USD.120.000,= aflossen; dat ging wel tot 2016 … wij hadden geen idee van het verloop van het krediet, wij vertrouwden de bank … de bank stuurde mij een document om te tekenen, ik ben toen naar de bank gegaan … zij hebben aan mij uitgelegd dat het met de boeterente zo hoog wordt …. zij zeiden dat ik moet tekenen omdat de boeterente anders zou oplopen .. ik vroeg om de naam van mij en mijn vrouw eruit te halen, dat hebben zij gedaan … dat document heb ik daarna wel getekend omdat de boeterente anders zou oplopen …. het bedrag van USD.7.400.000,= was eerst USD.5.000.000,=, … het kwam door de boeterente … ik dacht dat dat het bedrag was en heb getekend .. ik moest nog steeds elke maand USD.120.000,= betalen, de huurpenningen moest ik betalen aan de bank …. toen ik ben gaan tekenen was ik naar de DSB, [meneer 2] en [mevrouw 1], ik was met mijn zoon en mijn secretaresse, mijn zoon heeft het gelezen en zei dat mijn naam er niet in was, alleen het bedrijf … ik had gezien dat de boeterente in het document stond… wij hebben het document samen gelezen … [mevrouw 1] heeft mij uitgelegd wat er stond.. [meneer 2] had mij uitgelegd in het Surinaams wat er in stond…. de rente was iets lager had hij aangegeven en dat de schuld door de Surinaamse bank werd overgenomen hetgeen een gunstige rente met zich meebracht …. ik zou dan beter kunnen aflossen …. het is niet juist dat ik was gestopt met het betalen van de huurpenningen aan de bank …. door de situatie in het land kon ik op een gegeven moment de verplichtingen uit de herschikkingsovereenkomsten niet meer voldoen … toen de veiling bekend werd gingen huurders weg en zij betaalden hun huurpenningen ook niet ….. de brieven van de opzegging van de kredieten hebben wij ontvangen … wij zijn toen naar de bank gegaan voor een oplossing …. wij probeerden iemand te zoeken om [pandnaam] te kopen … wij hadden een voorstel maar de bank ging niet accoord met ons voorstel … iemand wilde een deel van de schuld betalen, eerst USD.4.000.000,= en de resterende USD.3.000.000,= zouden wij later kunnen betalen, maar de bank ging er niet mee accoord .. wij hebben inderdaad de gelegenheid gekregen om [pandnaam] onderhands te verkopen ….”

5.16 De comparitie gevolmachtigde van de Suritrust, de heer [naam 2], heeft –voor zover van belang en zakelijk weergegeven – alsvolgt verklaard: “ … het krediet van de Suritrust is uit 2004 …. ik toon u aanmaningen van 2015 …. naar aanleiding van de aanmaningen kregen wij van [eiser sub A] verzoeken (van 29 januari 2016 en 20 april 2016) om te herschikken …dat heeft geleid tot de herschikking van 8 juli 2016 … daarin staat dat hij voor een jaar alleen rente hoeft te betalen, geen hoofdsommen of boete rente …. hij heeft zich aan deze herschikking niet gehouden …de te betalen bedragen werden niet voldaan …. er zijn dus gesprekken geweest waaruit het arrangement is voortgevloeid … echter heeft hij niet voldaan aan de verplichtingen …. op een gegeven moment heeft hij de bijzondere voorwaarden, het storten van de huurpenningen, eenzijdig opgeschort … voor die bijzondere voorwaarden heeft hij getekend …. er zijn vanaf juli 2016 wel aflossingen gedaan, maar niet voldoende en het werd steeds minder …. het krediet bestond uit gelden van 10 funders …. ik toon u overzichten van de kredieten per funder per hypotheek … in 2017 begon het eigenlijk slecht te gaan met de aflossingen … het krediet is opgezegd op 6 juni 2018 … toen is het proces ingezet voor de executie …. de eerste veiling is in november 2018 aangezegd ….. “

5.17 De vertegenwoordiger van de DSB, [mevrouw 1] verklaarde – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – alsvolgt: “… [meneer 2] en ik hebben met hem gezeten en hebben hem gevraagd hoe hij wilde herstructureren want hij was het niet eens met onze voorstellen … van ons heeft hij een grace period gehad, hij zou een bulletpayment doen, hij zou een huis in [land] verkopen en USD.200.000,= betalen … hij heeft wel rentebetalingen gedaan maar de deadline voor de bulletpayment niet gehaald …. na de bulletpayment zouden wij weer aan tafel gaan zitten voor de voortzetting van de herschikking …. er zijn na de herschikking wel nog wat stortingen gedaan maar niet voldoende en de aflossingen werden steeds lager ….. uiteindelijk is het in juni 2018 gestopt … wij hebben het krediet opgezegd op 3 augustus 2018 …. wij hebben de gelegenheid geboden om [pandnaam] onderhands te verkopen maar het is eisers niet gelukt om het onderhands te verkopen.“

5.18 De kantonrechter overweegt dat de Bank en Suritrust als verweer hebben aangevoerd dat zowel Suritrust als de Bank herschikkingsovereenkomsten met eisers zijn aangegaan in juli 2016 en december 2017. In deze overeenkomsten zijn aan eisers grace periods toegekend, renteverlagingen en een gedeeltelijke kwijtschelding van boeterentes. Zij hebben aangevoerd dat de herschikkingsovereenkomsten in het voordeel van de eisers zijn gesloten, doch dat eisers in gebreke zijn gebleven om aan hun verplichtingen te voldoen. Zij voerden aan dat zij jaren getracht hebben om met eisers tot een oplossing te komen en eisers jaren lang ruimte hebben gegeven om hun verplichtingen te voldoen. Ook voerden zij aan dat op 23 november 2018 een veiling plaats zou vinden. Echter hebben eisers op 22 november 2018 het verzoek gedaan te schikken en is de veiling stopgezet. Eisers zouden een voorstel aan de Bank en Suritrust doen toekomen, echter hebben zij dat niet gedaan. Vanaf november 2018 zijn er ook geen aflossingen gedaan.

5.19 In hun verweer beroepen de Bank en Suritrust zich er ook op dat de afspraak was, dat de huur van de drie en dertig units aan de Bank en Suritrust zou worden. Deze afspraak is uiteindelijk niet nagekomen.

5.20 De kantonrechter overweegt dat na dit verweer, [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV geen concrete feiten of omstandigheden hebben aangevoerd, ook niet tijdens de comparitie van partijen, waaruit zou moeten blijken op welke wijze de herschikkingsovereenkomsten in hun nadeel waren opgesteld waardoor van schending van de zorgplicht zijdens de Bank en Suritrust niet is gebleken.

5.21 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de taal, dat de Bank en Suritrust enerzijds als verweer hebben aangevoerd dat [eiser sub A], [eiser sub B] en de NV vanaf 2001 en 2003 nimmer hebben aangegeven dat zij niet begrepen wat in de overeenkomsten werd opgenomen.

5.22 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaring van [eiser sub A] tijdens de comparitie van partijen blijkt, dat hij over de herschikkingsovereenkomsten met de functionarissen van de Bank en Suritrust heeft gesproken. Ook heeft [eiser sub A] verklaard dat [meneer 2] van de Bank in het Surinaams uitleg heeft gegeven van de inhoud van de herschikkingsovereenkomst.

5.23 De kantonrechter is hierdoor van oordeel dat dat deel van de grondslag betrekking hebbend op de taal en het begrip, niet aannemelijk is geworden.

5.24 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het voorgaande de grondslag van de vordering niet aannemelijk is geworden waardoor het gevorderde zal worden afgewezen.

5.25 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing
6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;
6.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 22 oktober 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0102
14 januari 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1.SHANITA’S HOUTZAGERIJ N.V., rechtspersoon,
gevestigd aan de Duisburglaan no. 03 te Paramaribo,
2. [eiser], in privé en als gemachtigde van [naam 1],
wonende aan [adres] te [district 1],
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen respectievelijk: de NV, [eiser] en [naam 1],
gemachtigde: mr. T. Jhakry, advocaat,

tegen

N.V. NOOITGEDACHT,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Duisburglaan no. 20 te Paramaribo,
gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,
hierna te noemen: Nooitgedacht,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.

1. Het verloop van het proces in conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 11 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 12 januari 2019;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie;
  • de aantekening van de griffier betreffende het mondeling afpleiten op 12 januari 2019;
  • de rolbeschikking d.d. 12 januari 2019 waarbij een descente is gelast;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende de gehouden descente d.d. 12 januari 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 05 juli 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 zijn [eiser] en [naam 1] (toen gedaagden) veroordeeld om binnen 3 maanden na betekening van het vonnis het perceel groot 1,2121 ha en de daarop staande opstallen gelegen in [district 2] bekend als [nummer] van de gronden [plaats 1] en [plaats 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter S.O. Esajas van 21 november 1973 door de figuur ABCD, te ontruimen met medeneming van al wie zich van hunnentwege daarop of daarin mocht bevinden en ter vrije en algehele beschikking van Nooitgedacht (toen eiseres) te stellen.De kantonrechter is op grond van de hierna weergegeven overwegingen in het vonnis gekomen tot de veroordeling:

“ (…)

4.4 Uit het vonnis van het hof G.R. 14538, blijkt dat de NV het gebruiksrecht waarbij de afspraak was dat het gebruiksrecht zou worden opgezegd pas na verkoop van het bedrijf door de NV of bij verkoop van het erfpachtsrecht door [naam 2] e.a.. Vaststaat dat er niet is verkocht en het gebruiksrecht niet is opgezegd, hetgeen met zich meebrengt dat de NV gerechtigd is op het perceel te vertoeven.

4.5 [naam 2] e.a. hadden, ofschoon de ontruiming van de NV bij vonnis van de kantonrechter was bevolen, enige terughoudendheid moeten betrachten en er rekening mee moeten houden dat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde was gegaan.Daarenboven heeft het hof in haar vonnis van 16 maart 2018 bekend onder G.R. No. 14538, als vaststaand feit opgenomen dat [naam 3], geen aandeelhouders zijn in de NV en hen daarom geen enkele bevoegdheid toekomt met betrekking tot het exploiteren cq het doen exploiteren daarvan. Evenmin is gebleken dat zij op andere gronden de bevoegdheid hebben tot exploitatie van de NV. Het verweer van [naam 2] e.a. in 2010 geen goed draaiende zagerij hebben overgenomen en zij het hiervoor genoemd bedrag aan investeringen hebben moeten plegen, wordt daarom verworpen.

4.6 De kantonrechter verwerpt het verweer dat [naam 2] c.s een groter belang zouden hebben dan de NV bij een niet-ontruiming, omdat het niet voorspelbaar is of er al dan niet tussen een eventuele koper van het erfpachtsrecht en de NV enige rechtsrelatie zal ontstaan. Het verweer dat de NV het erfpachtsrecht niet wil kopen, betekent niet dat zij het bedrijf niet aldaar wilt blijven exploiteren. Bovendien waren [naam 2] cs tijdens de gehouden comparitie van partijen niet in staat concrete informatie te verschaffen omtrent een door hen op handen zijnde verkoop van het erfpachtsrecht door een derde. Ook dit verweer faalt daarom en de vordering tot ontruiming is toewijsbaar.”

2.2 De partijen in de hiervoor vermelde zaak zijn geweest aan de ene zijde NV Nooitgedacht en [naam 4] als de eisende partij en aan de andere zijde a) [naam 2], b) [naam 5], c) [naam 1], d) [eiser], e) [naam 6] als gedaagde partij.

2.3 De gemachtigde van de gedaagde partij heeft op 11 oktober 2018 hoger beroep tegen het hiervoor vermeld vonnis aangetekend.Het vonnis is per exploot van een deurwaarder op 15 oktober 2018 betekend aan de tegenpartij, waaronder [eiser] en [naam 1].Op grond van de betekening van dit vonnis dient het perceelland op uiterlijk 15 januari 2019 te worden ontruimd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vorderen de NV, [eiser] en [naam 1, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. Nooitgedacht te verbieden over te gaan tot ontruiming c.q. de aangezegde ontruiming aan te houden, op te schorten dan wel stop te zetten totdat bij in kracht van gewijsde gegane vonnis zal zijn beslist over de rechtmatigheid van de ontruiming c.q. het gebruiksrecht, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,- indien Nooitgedacht mocht weigeren hieraan gevolg te geven;
  2. het vonnis d.d. 15 juli 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 in haar werking te schorsen c.q. op te schorten en Nooitgedacht te verbieden om krachtens hiervoor bedoeld vonnis executie maatregelen te verrichten totdat in hoger beroep is beslist op het vonnis, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,- per dag indien Nooitgedacht mocht weigeren hieraan gevolg te geven;
  3. indien en voorzover nodig Nooitgedacht te veroordelen om met medeneming van al degene en al hetgeen van harentwege op het perceelland mocht bevinden te ontruimen, met machtiging op de NV, [eiser] en [naam 1] om indien Nooitgedacht weigert te ontruimen, deze zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

3.2 De NV, [eiser] en [naam 1] leggen, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering in conventie ten grondslag:

  • vanwege de verkoop van het erfpachtsrecht d.d. 11 januari 2019 is de ontruiming niet meer mogelijk;
  • het vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 is apert onjuist c.q. berust op een feitelijke of juridische misslag, omdat de kantonrechter onterecht tot het oordeel is gekomen dat Nooitgedacht het gebruiksrecht op het erfpachtsrecht heeft;
  • Nooitgedacht maakt misbruik van haar bevoegdheid tot executie; de executie van dit vonnis zal aan de zijde van de NV, [eiser] en [naam 1] een noodtoestand doen ontstaan. Zij heeft geen enkel te respecteren belang met de ontruiming en wens daarmee slechts de belangen van de NV, [eiser] en [naam 1] te schaden;
  • de toenmalige eigenaren van het erfpachtsrecht hebben bij exploot van de deurwaarder d.d. 11 oktober 1996 no. 365 het gebruiksrecht op het bedoelde perceelland opgezegd, waardoor Nooitgedacht sedertdien zonder recht of titel van het perceel gebruik maakt.

3.3 In conventie heeft Nooitgedacht verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert Nooitgedacht, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de NV, [eiser] en [naam 1] te verbieden om machinerieen en apparaten in en bij de onderwerpelijke zaagmolen onklaar te maken c.q. te demonteren tengevolge waarvan deze niet langer in werkende staat zullen verkeren;
b) de NV, [eiser] en [naam 1] te bevelen de ontruiming te gehengen en te gedogen;
c) de NV, [eiser] en [naam 1] elk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 500.000,- per dag voor iedere dag dat zij in strijd met dit vonnis handelen.

3.5 Nooitgedacht legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat bij haar gegronde vrees bestaat dat de NV, [eiser] en [naam 1] de machinerieen en apparaten in de zaagmolen onklaar zullen maken alvorens de zaagmolen te ontruimen. [eiser] en [naam 1] hadden de machinerieën en apparaten in werkende staat van Nooitgedacht afgepakt en hebben dag en nacht hiermee gewerkt.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1 In conventie

Ten aanzien van de NV
4.1.1 Ten aanzien van de NV constateert de kantonrechter het volgende. De NV is geen procespartij geweest in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704, in welke zaak thans de opschorting van de verdere tenuitvoerlegging van het gewezen vonnis wordt gevorderd.Om die reden zal de NV niet ontvankelijk worden verklaard in de door haar gevraagde voorziening. Voor zover de NV betoogt dat zij vanwege een tussen haar met [eiser] en [naam 1] bestaande koopovereenkomst betreffende het perceelland met de zaagmolen een gerechtvaardigd belang heeft met de onderhavige vordering, gaat dit betoog evenmin op. Uit de inhoud van de overeenkomst blijkt dat deze op 11 januari 2019 is gesloten, zijnde de datum waarop de NV tezamen met [eiser] en [naam 1] de onderhavige vordering tegen Nooitgedacht hebben ingesteld, doch dat de juridische overdracht van het perceelland niet is geschied. Evenmin is tijdens de door de kantonrechter gehouden descente gebleken dat reeds een aanvang is gemaakt met de juridische overdracht van een deel van de goodwill, administratie en alles wat met de zaagmolen te maken heeft of dat de NV aldaar operationeel is. Dit, terwijl zij als kantooradres heeft opgegeven het adres op het bedoelde perceelland alwaar de zaagmolen zich bevindt.

4.1.2 De N.V. zal, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Ten aanzien van [eiser] en [naam 1]
4.1.3 Nooitgedacht beroept zich op nietigheid van het exploot van oproep en stelt daartoe dat het niet voldoet aan de bij wet gestelde vereisten en de door de kantonrechter in de oproepbeschikking gestelde voorwaarden. De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat het niet voldoen aan de voorwaarden niet altijd leidt tot nietigheid van het exploot en Nooitgedacht bovendien niet in zijn verweer is geschaad. Het stellen van de voorwaarden door de kantonrechter dient als toetssteen of de tegenpartij het verzoekschrift met de daarbij behorende producties tijdig heeft ontvangen en zich heeft kunnen voorbereiden op het voeren van haar verweer daarop. De consequentie die de kantonrechter zou kunnen verbinden aan het niet betekenen van het verzoekschrift aan de tegenpartij binnen de gestelde termijn is het toestaan van slechts één ronde aan partijen om te procederen bij mondeling afpleiten, waarbij het procederen reeds kan eindigen bij mondelinge conclusie van antwoord. Dit, alles hangt af van de aard van de vordering, het moment van indiening van het verzoekschrift en de reden waarom de eisende partij het verzoekschrift niet tijdig heeft ingediend.

4.1.4 Uitgangspunt is dat [eiser] en [naam 1] enerzijds en Nooitgedacht anderzijds de procespartijen in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 zijn geweest, zodat de kantonrechter zich slechts zal toespitsen op het onderhavige geschil tussen deze partijen.

4.1.5 Nooitgedacht voert als formeel verweer dat [eiser] en [naam 1] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daartoe voert zij onder andere aan dat indien het bedoelde perceelland waarop het erfpachtsrecht rust daadwerkelijk aan de NV zou zijn overgedragen, [eiser] en [naam 1] geen enkel belang hebben met de onderhavige vordering. Tevens voert zij onder andere aan dat het spoedeisend belang in de zin van de wet ontbreekt.Zoals de kantonrechter reeds hiervoor onder 4.1.1 in dit vonnis heeft overwogen is gebleken dat de juridische overdracht van het bedoelde perceelland en de zaagmolen nimmer aan een derde in casu de NV heeft plaatsgevonden. Daar het vonnis – waarvan schorsing van de werking van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd – betreft ontruiming van [eiser] en [naam 1] hebben zij naar het oordeel van de kantonrechter wel (nog)belang bij de onderhavige vordering.Anders dan Nooitgeacht is de kantonrechter van oordeel dat er wel spoedeisend belang is, omdat aannemelijk is dat [eiser] en [naam 1] bezig waren een oplossing te zoeken om de ontruiming te doen stuiten middels het sluiten van een koopovereenkomst met een derde. Of de koopovereenkomst al dan niet als een paulianeuze handeling dient te worden aangemerkt laat de kantonrechter in het midden, omdat dit geen onderwerp van het geschil is.Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt het formeel verweer van Nooitgedacht verworpen.

4.1.6 Zoals de kantonrechter de stellingen die [eiser] en [naam 1] aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd begrijpt, beroepen zij zich erop dat Nooitgedacht misbruik maakt van het recht van executie van het vonnis.Ter beoordeling van dit geschil dient als uitgangspunt de in HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 ontwikkelde criteria dat voor schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld slechts plaats is indien tenuitvoerlegging van het vonnis misbruik van executiebevoegdheid oplevert. Een dergelijk misbruik zal onder meer aan de orde kunnen zijn indien de executant (is Nooitgedacht), mede gelet op de – voor haar kenbare – belangen van de veroordeelde (zijn [eiser] en [naam 1]) die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Hiervan kan in het bijzonder sprake zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie van het vonnis klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd. Daarbij behoort de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

4.1.7 Voor wat betreft het standpunt van [eiser] en [naam 1] dat klaarblijkelijk sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis waartegen zij hoger beroep hebben ingesteld overweegt de kantonrechter het hierna volgende. Teneinde te kunnen concluderen of van een tot schorsing van de executie nopende feitelijke of juridische misslag sprake is, is vereist dat reeds op het eerste gezicht – dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek – zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter hier geen sprake, omdat hetgeen [eiser] en [naam 1] ter adstructie van deze stelling hebben aangevoerd op zichzelf al niet aan het hiervoor vermelde vereiste voldoet en, voorts, de desbetreffende stellingen door Nooitgedacht gemotiveerd zijn betwist. Bovendien heeft het Hof van Justitie, zoals Nooitgedacht terecht opwerpt, onder overweging 8 in het door haar gewezen vonnis d.d. 16 maart 2018 G.R.14538 reeds ter zake dit gebruiksrecht en de opzegging daarvan een oordeel gegeven. Zo heeft het Hof van Justitie beslist dat de door [eiser] en [naam 1] gedane opzegging nietig is. Nu het vonnis van het Hof van Justitie gezag van gewijsde heeft, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling.

4.1.8 [eiser] en [naam 1] hebben zoals Nooitgedacht terecht opwerpt niet onderbouwd dan wel gesteld welke noodtoestand aan hun zijde zal doen ontstaan door (verdere) executie van het bedoelde vonnis waartegen zij hoger beroep heeft ingesteld. Nu zij niet voldoende hebben voldaan aan hun stelpicht ter zake, dan wel hebben nagelaten feiten en omstandigheden te stellen om de gestelde noodtoestand aannemelijk te maken, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling. De kantonrechter benadrukt dat het enkel stellen dat het perceelland met zaagmolen aan een derde, zijnde de NV is verkocht, niet voldoende is om te stellen dat dit een noodtoestand aan de zijde van [eiser] en [naam 1] zal doen ontstaan.

4.1.9 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1.6 tot en met 4.1.8 is overwogen is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat Nooitgedacht op grond van het bedoelde vonnis misbruik van haar executierecht maakt, zodat de door [eiser] en [naam 1] gevraagde voorzieningen geweigerd zullen worden.

4.1.10 [eiser] en [naam 1] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2 In reconventie

4.2.1 Gezien het feit dat dit geschil tussen partijen reeds jaren speelt en partijen tot en met heden aan de gang blijven met procederen, acht de kantonrechter de door Nooitgedacht gestelde gegronde vrees dat [eiser] en [naam 1] machinerieen en apparaten behorende bij de zaagmolen zullen demonteren c.q. deze onklaar zullen maken, voldoende aannemelijk. Dit ook, temeer daar [eiser] en [naam 1] geen enkele handreiking aan Nooitgedacht doen om haar schadeloos te stellen of een redelijk bod aan haar doen tot koop van het bedoelde perceelland waarop de zaagmolen zich bevindt. Dit, terwijl het Hof van Justitie hiervan gewag maakt en op niet mis te verstane wijze in haar vonnis heeft overwogen dat de opzegging van het gebruiksrecht waar [eiser] en [naam 1] zich op beroepen nietig is en niet tot gevolg leiden dat Nooitgedacht het perceel en de opstallen moet ontruimen.Hetgeen hiervoor is overwogen geeft de kantonrechter aanleiding de door Nooitgedacht gevraagde voorziening toe te wijzen. Daar de Zaagmolen een grote economische waarde heeft en [eiser] en [naam 1] daarmede hun economisch voordeel uit halen, zal de kantonrechter als effectieve pressiemiddel een eenmalige dwangsom van SRD 10.000.000,- aan de hoofdvordering koppelen.

4.2.2 [eiser] en [naam 1] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter in kort geding:
5.1 In conventie

Ten aanzien van de NV
5.1.1 Verklaart de NV niet ontvankelijk in de door haar gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt de NV als de niet ontvangen partij in de proceskosten aan de zijde van Nooitgedacht gevallen.

Ten aanzien van Kesharie en Boedhoe
5.1.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.4 Veroordeelt [eiser] en [naam 1] in de proceskosten aan de zijde van Nooitgedacht gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie

5.2.1 Verbiedt de NV, [eiser] en [naam 1] om de goederen, machinerieën en apparaten omschreven onder 5.4 in het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 05 juli 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-1704 onklaar te maken c.q. te demonteren tengevolge waarvan deze niet langer in werkende staat zullen verkeren.

5.2.2 Gebiedt de NV, [eiser] en [naam 1] de ontruiming te gehengen en gedogen.

5.2.3 Veroordeelt de NV, [eiser] en [naam 1] tot betaling van een eenmalige dwangsom van SRD 10.000.000,- (Tienmiljoen Surinaamse Dollar), indien zij in strijd handelen met het verbod onder 5.2.1 en het gebod onder 5.2.2 in dit vonnis.

5.2.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2.1 tot en met 5.2.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.2.5 Veroordeelt de NV, [eiser] en [naam 1] elk afzonderlijk in de proceskosten aan de zijde van Nooitgedacht gevallen en tot aan de dag van de uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 14 januari 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton,mr.S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-1972-1

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 4 febr. 1972.

[appellante], in haar hoedanigheid van moeder-voogdes van de minderjarige [naam 1], wonende in het [distrikt] , appellante q.q., adv. Mr. Dr. I. Raghoebarsingh,

TEGEN:

[geïntimeerde], wonende in het [district], geïntimeerde, adv. G.J.C. van der Schroeff.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :
Eiseres [geïntimeerde] stelde in eerste aanleg bij de Kantonrechter in het Eerste Kanton, dat aan haar zoon [naam 2], die wekelijks ƒ 15.— in haar levensonderhoud bijdroeg, met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel was toegebracht door [naam 3] en gedaagdes minderjarige bij haar inwonende zoon [naam 1], waardoor [naam 2] was overleden. Eiseres vorderde te dier zake van [naam 3] en van gedaagde in haar hoedanigheid van moeder-voogdes een schadevergoeding van ƒ 12.000.—. Ged. q.q. voerde, onder erkenning van de onrechtmatige daad, aan dat zij de daad van haar zoon niet had kunnen beletten en ontkende dat de verslagene wekelijks een bedrag aan zijn moeder voor haar levensonderhoud afdroeg. De Kantonrechter overwoog dat nu ged. niet pro se in het geding was betrokken, haar eventuele persoonlijke aansprakelijkheid uit art. 1388 lid 2 Sur. B.W. buiten beschouwing moet blijven. Na een bewijsopdracht omtrent het wekelijks verstrekken van ƒ 15.— aan eiseres voor haar onderhoud, veroordeelde de Kantonrechter uiteindelijk de gedaagden een bedrag van ƒ 4800.— aan eiseres te betalen. [naam 3] berustte in dit vonnis, maar ged. q.q. kwam in hoger beroep. Het Hof overwoog:

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :
O., dat als erkend, althans niet gemotiveerd betwist ten processe vaststaat, dat [naam 3] en de door appellante q.q. vertegenwoordigde minderjarige [naam 1] zich op of omstreeks 2 mei 1968 ten opzichte van geintimeerdes zoon [naam 2] aan een onrechtmatige daad, te weten het met voorbedachte rade te samen en in vereniging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, hebben schuldig gemaakt, waardoor geintimeerdes zoon alstoen het leven heeft verloren; .

O., dat geïntimeerde, stellende dat zij behoeftig is en dat haar zoon [naam 2] haar tijdens zijn leven wekelijks ƒ 15,— voor haar levensonderhoud verstrekte, als eiseres in eerste aanleg schadevergoeding heeft gevorderd van [naam 3] en van de door appellante q.q. vertegenwoordigde minderjarige;

O., dat de Kantonrechter vervolgens meergenoemde [naam 3] , alsmede appellante pro se heeft veroordeeld aan geïntimeerde ƒ 4.800,- – met rente en kosten te betalen;

O., dat [naam 3] tegen dit vonnis geen hoger beroep heeft aangetekend, maar appellante q.q. in appèl terecht heeft aangevoerd, dat zij niet pro se doch enkel in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over haar meergenoemde zoon tot enige schadevergoeding in dit geding kon worden veroordeeld;

O., dat mitsdien het beroepen vonnis, voor zover tegen appellante pro se gewezen niet in stand kan blijven, maar moet worden vernietigd;

O., dat geïntimeerde ter comparitie van partijen in hoger beroep heeft verklaard, dat van hetgeen haar zoon [naam 2] haar wekelijks placht te verstrekken, slechts ƒ 5,— à ƒ 10,— voor haar per week overbleef;

O., dat die zoon mitsdien niet ƒ 15,— doch gemiddeld ƒ 7.50 per week in geintimeerdes levensonderhoud bijdroeg;

O., dat uitgaande van dit bedrag en van een vergoeding tot geïntimeerden zeventigste jaar de haar toekomende schadevergoeding bij kapitalisatie tegen een rentevoet van 6% per jaar, met inachtneming van sterftekansen en andere onzekere factoren, welke de uitkering eerder hadden kunnen doen eindigen, ex aequo et bono dient te worden geraamd op ƒ 2.500,— (TWEE DUIZEND EN VIJF HONDERD GULDEN) tot welk bedrag het Hof geintimeerdes vordering tegen appellante q.q. zal toewijzen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het op 24 maart 1970 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in deze zaak gegeven vonnis voor zover tegen appellante pro se gewezen;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE :
Veroordeelt appellante in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over haar minderjarige zoon [naam 1] om tegen behoorlijke kwijting aan geïntimeerde te betalen een bedrag van ƒ 2.500,— (TWEE DUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN), met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf 18 december 1968 tot de voldoening, des dat geïntimeerde in totaal van [naam 3] en van appellante q.q, tesamen niet meer dan ƒ 4.800,— (VIER DUIZEND EN ACHT HONDERD GULDEN) met rente vermag te ontvangen;

Ontzegt het van appellante q.q, meer of anders gevorderde; enz.

SRU-K1-2018-32

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3447

23 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende in [district 1],
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres],
gevolmachtigde: mr. J.N. Rambhadjan, jurist,

tegen

A. STICHTING UREN DIE EEUWIG DUREN,
gevestigd te Paramaribo,
B. [gedaagde in conventie, eiser in conventie sub B], deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna te noemen respectievelijk: de Stichting en de deurwaarder,
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat.

 

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 15 augustus 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 augustus 2018;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende het mondeling afpleiten van partijen d.d. 16 augustus 2018, bij welk mondeling afpleiten een eis in reconventie is gedaan;
  • de rolbeschikking d.d. 17 augustus 2018, waarbij de Stichting en de deurwaarder in de gelegenheid zijn gesteld een fotokopie van de publicatie van aanzegging van de openbare verkoop in de dagbladen ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging van de producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is vanwege onverwijlde spoed in de zin van artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 De zoon van [eiseres], genaamd [naam 1], hierna te noemen de schuldenaar, heeft van de Stichting Wurlen Holband, hierna te noemen de schuldeiser een geldbedrag geleend. Als zekerheid tot betaling van dit bedrag heeft [eiseres] ten behoeve van de schuldeiser een hypotheek doen vestigen op het hierna aan haar in eigendom toebehorend perceel, te weten:
Het perceelland, met al hetgeen daarop staat groot zevenhonderd vierkante meter, gelegen in [district 2], thans [district 3] ten oosten van [locatie 1] en ten zuiden van de [locatie 2], aangeduid op de kaart van de [landmeter] de dato twintig maart negentienhonderd vier en veertig met de letters ABCD en met het nummer 16, benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond ter breedte van drie meters en ter lengte van twintig meters, welk perceelland deel uitmaakt van het perceelland, groot vijf hectare en negen are, gedeelte van de voormalig [plantage], met uitzondering van een reeds verkochte en overgedragen gedeelte, groot twee en vijftig, vijf/tiende vierkante meter”.

2.2 De zoon heeft de lening niet afgelost en heeft de schuldeiser het perceel in het openbaar doen verkopen op 16 mei 2018.

2.3 Bij exploot van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Suriname, R. Bhoelan, d.d. 29 maart 2018 no. 138, is de aanzegging van de openbare verkoop aan [eiseres] gedaan. Het exploot van aanzegging is, vanwege het feit dat de deurwaarder niemand op het vermeld adres heeft aangetroffen, bij de Procureur-generaal betekend.

Bij exploot van dezelfde deurwaarder d.d. 28 maart 2018 no. 139 is aan de schuldenaar de aanzegging van de openbare verkoop gedaan. Het exploot van aanzegging is op het verblijfadres van de schuldenaar betekend en is achtergelaten bij een huisgenoot, genaamd [naam 2].

2.4 Op de openbare verkoop is het perceel aan de Stichting verkocht en is het perceel op 18 juli 2018 in het daartoe bestemde register ten kantore van het Management Instituut GLIS ten name van de Stichting overgeschreven.

2.5 [naam 3] is voorzitter van zowel de schuldeiser als de Stichting. Hij was reeds bij het vestigen van de hypotheek op het perceelland van [eiseres] voorzitter van de schuldeiser.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vordert [eiseres], om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. te schorsen c.q. op te schorten danwel stop te zetten de werking van de op 16 mei 2018 ten kantore van notaris mr. R.B. Babb aan de Slangenhoutstraat no. 55 te Paramaribo gehouden openbare verkoop van het perceelland, totdat in de in te dienen bodemprocedure of althans in het uiterste niet zal zijn beslist over de nietigheid danwel vernietiging van genoemde openbare verkoop;
  2. te staken c.q. stop te zetten danwel op te schorten de bij exploot no. N. 940 d.d. 13 augustus 2018, van deurwaarder [gedaagde in conventie, eiser in conventie sub B], bevolen aangezegde ontruiming van het hiervoor genoemde perceelland en de Stichting en de deurwaarder te verbieden om [eiseres] dan wel de haren te bevelen genoemde perceelland te ontruimen totdat in de in te dienen bodemprocedure of althans in het uiterste niet zal zijn beslist over de nietigheid danwel vernietiging van genoemde openbare verkoop;
  3. de Stichting en de deurwaarder te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 In conventie legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat zij op onrechtmatige wijze haar perceelland kwijt is en dat de openbare verkoop nietig is. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij is nooit door de schuldeiser of iemand anders op de hoogte gesteld dat er een achterstand was in terugbetaling van de schuld;
  • de Stichting heeft in strijd met artikel 1232 SBW, danwel in strijd met het plaatselijk gebruik de aanzegging van de openbare verkoop niet gepubliceerd en heeft haar evenmin in kennis gesteld van de voorgenomen openbare verkoop;
  • er is sprake van vereenzelviging van de persoon van [naam 4] met de Stichting en de schuldeiser. Als gevolg hiervan is eiseres in financieel opzicht benadeeld, in die zin dat er bij de openbare verkoop een veel lager bedrag is geboden dan de vermoedelijke hoogte van de schuld op het perceelland van [eiseres].

3.3 In conventie hebben de Stichting en de deurwaarder, voor zover voor de beslissing van belang, het volgende verweer gevoerd:

  • de grondslag van de vordering ontbreekt;
  • de aanzegging van de openbare verkoop heeft wel volgens het plaatselijk gebruik plaatsgevonden, en wel middels betekening van de aanzegging bij exploot van een deurwaarder en middels publicatie in de dagbladen;
  • er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld ten aanzien van de vereenzelviging.

De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor nodig, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vorderen de Stichting en de deurwaarder, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) [eiseres] te veroordelen om de woningen en het perceellandmet alle van harentwege aanwezige personen en goederen te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de Stichting te stellen, met bepaling dat indien de [eiseres] hiertoe in gebreke mocht blijven de Stichting en de deurwaarder gerechtigd zullen zijn om de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van [eiseres];
b) [eiseres] te veroordelen tot betaling van de advocaatkosten ad SRD 5.000,-.

3.5 In reconventie leggen de Stichting en de deurwaarder aan hun vordering het volgende ten grondslag:

  • in strijd met artikel 18 lid 4 van de Algemene Veilingvoorwaarden, heeft [eiseres] in de maand juni 2018, kort na de openbare verkoop, de twee andere woningen die op het perceelland staan aan derden verhuurd;
  • als gevolg van dit handelen hebben de Stichting en de deurwaarder schade geleden ad SRD 5.000,-, in die zin dat zij genoodzaakt zijn geweest juridische bijstand van een advocaat in te roepen.

3.6 In reconventie heeft [eiseres] verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1 De onverwijlde spoed blijkt uit het feit dat [eiseres] en haar huisgenoten het perceelland op uiterlijk maandag 20 augustus 2018 moeten ontruimen.

4.2 Uit de stellingen van [eiseres] leidt de kantonrechter af dat zij met de onderhavige vordering niets anders beoogd dan het kunnen terugkrijgen van het onroerend goed als haar eigendom om aldaar te kunnen verblijven. Echter ontgaat het [eiseres] dat zij in het kader van een lening die haar zoon bij de schuldeiser heeft genomen een hypotheek op het onroerend goed heeft gevestigd ten behoeve van de schuldeiser. In dat licht brengt de kantonrechter [eiseres] in herinnering dat de hypotheekhouder (in casu de schuldeiser) ingevolge het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar (in casu de zoon van [eiseres]) in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt.

[eiseres] stelt dat niemand haar in kennis zou hebben gesteld dat haar zoon nog een saldo te voldoen had bij de schuldeiser, doch heeft de Stichting deze stelling middels staving van de exploiten van aanzegging door een deurwaarder gemotiveerd weersproken. [eiseres] woont samen met haar zoon die de lening bij de schuldeiser heeft genomen. Alhoewel de aanzegging niet in persoon aan [eiseres] is betekend, zijn er naar het oordeel van de kantonrechter voldoende feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] er wel kennis van droeg dat de schuld van de schuldeiser niet door haar zoon was afgelost en de schuldeiser zou overgaan tot de openbare verkoop. Met name leidt de kantonrechter uit het exploot van de deurwaarder d.d. 28 maart 2018 no. 139, inhoudende aanzegging aan de zoon van de openbare verkoop en mededeling wat de hoogte van de saldoschuld die nog voldaan dient te worden, af dat een andere zoon van [eiseres] die tevens op het adres aldaar woont het exploot in ontvangst heeft genomen. Het lijkt de kantonrechter onwaarschijnlijk dat de zoon die tevens op hetzelfde adres met [eiseres] woont en weet dat de woning op de veiling verkocht zal worden, met het risico dat zij zullen worden ontruimd, dit niet onder de aandacht van [eiseres] heeft gebracht.

4.3 De Stichting heeft middels overlegging van een fotokopie van betalingsbewijzen van twee dagbladen d.d. 27 april 2018, betreffende de advertentie inzake de voorgenomen openbare verkoop voldoende aannemelijk gemaakt. [eiseres] stelt evenwel dat deze niet een daadwerkelijke advertentie betreffen, doch gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Dit, omdat het de kantonrechter onwaarschijnlijk voorkomt dat iemand zonder reden advertentiekosten aan een derde betaald. Dit brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat de openbare verkoop wel volgens plaatselijk gebruik is geschied. Het beroep van [eiseres] op nietigheid van de openbare verkoop gaat dus niet op.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiseres] dat zij door de Stichting zou zijn benadeeld vanwege vereenzelviging. Bij vereenzelviging kan een procespartij uit hoofde van een onrechtmatige daad slechts een vordering tot schadevergoeding instellen.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat de Stichting en de deurwaarder onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld, zodat de gevraagde voorziening in conventie zal worden geweigerd. Hieruit volgt dat de gevraagde voorziening in reconventie wel voor toewijzing gereed ligt, doch met uitzondering van de mede gevorderde advocaatkosten. Dit, omdat de Stichting en de deurwaarder geenszins hebben onderbouwd hoe zij aan de hoogte van het gevorderde bedrag komen.

4.6 De kantonrechter constateert dat de deurwaarder [eiseres] een week de tijd heeft gegeven om het geveilde te ontruimen. Daar de kantonrechter deze termijn niet redelijk en billijk acht en de kantonrechter in kort geding de bevoegdheid heeft om, met in achtneming van de belangen van beide partijen, een andersoortige voorlopige maatregel te treffen, zal de kantonrechter met gebruikmaking van deze bevoegdheid zowel in conventie als in reconventie [eiseres] een maand de tijd vergunnen om het geveilde te ontruimen. Bij het bepalen van deze termijn heeft de kantonrechter rekening gehouden met wat gangbaar is bij de ontruiming van woningen, namelijk een maand na de uitspraak.

4.7 Zowel in conventie als in reconventie zal [eiseres], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

De kantonrechter:
In conventie
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Vergunt [eiseres] om binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis “het perceelland, met al hetgeen daarop staat groot zevenhonderd vierkante meter, gelegen in [district 2], thans [district 3] ten oosten van [locatie 1] en ten zuiden van [locatie 2], aangeduid op de kaart van de [landmeter] de dato twintig maart negentienhonderd vier en veertig met de letters ABCD en met het nummer 16, benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond ter breedte van drie meters en ter lengte van twintig meters, welk perceelland deel uitmaakt van het perceelland, groot vijf hectare en negen are, gedeelte van de voormalig [plantage], met uitzondering van een reeds verkochte en overgedragen gedeelte, groot twee en vijftig, vijf/tiende vierkante meter”, te ontruimen en te verlaten, met alle van harentwege zich aldaar bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking te stellen.

5.3 Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en de deurwaarder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.4 Veroordeelt [eiseres] om binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis“het perceelland, met al hetgeen daarop staat groot zevenhonderd vierkante meter, gelegen in [district 2], thans [district 3] ten oosten van [locatie 1] en ten zuiden van [locatie 2], aangeduid op de kaart van de [landmeter] de dato twintig maart negentienhonderd vier en veertig met de letters ABCD en met het nummer 16, benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond ter breedte van drie meters en ter lengte van twintig meters, welk perceelland deel uitmaakt van het perceelland, groot vijf hectare en negen are, gedeelte van de voormalig [plantage], met uitzondering van een reeds verkochte en overgedragen gedeelte, groot twee en vijftig, vijf/tiende vierkante meter”,te ontruimen en te verlaten, met alle van harentwege zich aldaar bevindende personen en goederen en ter vrije en algehele beschikking te stellen.

5.5 Machtigt de Stichting om, indien [eiseres] in gebreke blijft aan het besliste onder 5.4 te voldoen, de ontruiming zelf te doen geschieden, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

5.6 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.4 en 5.5 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van de Stichting en de deurwaarder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.8 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 augustus 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2019-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 19-3751
08 oktober 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:
STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, ten deze domicilie kiezende aan de Mr. E.J. Brumastraat no. 63 te Paramaribo,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen de staat,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

DE BOND VAN LERAREN, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de
F. Derbystraat no. 33 te Paramaribo,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen BVL,
gemachtigde: mr. G.D. van der San, advocaat.

1. Het verloop van het proces:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 04 oktober 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis d.d. 07 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van dupliek in reconventie .

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
BVL is een rechtspersoonlijkheid bezittende vakvereniging van landsdienaren die voornamelijk werkzaam zijn als onderwijsgevende op het voortgezet onderwijs op seniorenniveau en het voortgezet onderwijs op juniorenniveau.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie

3.1. De staat vordert uitvoerbaar bij voorraad:

I I. BVL te veroordelen om binnen 1(een) uur na het te wijzen vonnis althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, haar leden werkzaam op de VOS scholen mr.dr.J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II), het HAVO II en alle andere V.O.S. scholen op te roepen en aan te zeggen om de staking c.q. werkneerlegging te beëindigen en beëindigd te houden en onmiddelijk de werkzaamheden waartoe zij gehouden zijn te hervatten en deze op normale wijze te verrichten overeenkomstig het voor hen geldende werkrooster en het gebruik binnen het onderwijs en op de desbetreffende scholen, en haar leden die daartoe gehouden zijn, met veroordeling van gedaagde tot betaling aan eiseres van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elk uur van de dag dat zij met de uitvoering van het te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven.
II II. BVL te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. De staat legt aan haar vordering ten grondslag dat de door BVL uitgeroepen werkneerlegging onrechtmatig is.
In reconventie

3.3. BVL vordert uitvoerbaar bij voorraad:
De staat te veroordelen om onmiddelijk na het in deze zaak te wijzen vonnis BVL te betalen de gemaakte advocaatkosten van SRD 3.240,- (drieduizend tweehonderd en veertig Surinaamse dollar), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar te rekenen vanaf 04 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4.BVL legt aan haar vordering ten grondslag dat de staat door een rechtzaak tegen haar aan te spannen onrechtmatig tegen haar gehandeld heeft waardoor zij genoodzaakt was een advocaat in de arm te nemen en dat de daarmee verband houdende kosten aan haar moeten worden vergoed.

3.5. De staat en BVL hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
In conventie

4.1. Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van de staat, daarom is zij in het kort geding ontvangen.

4.2. Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van de Wet Vrijheid Vakvereniging (S.B. 2016 no. 151). In artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging wordt, bepaald “Het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien”
Het recht op het voeren van collectieve acties is onlosmakelijk verbonden met het recht op collectief onderhandelen over arbeidsvoorwaarden. De werkgever is daarom verplicht om op grond van artikel 14 van de Wet Vrijheid Vakvereniging te onderhandelen met het bestuur van een vakvereniging, die voldoet aan de in de wet genoemde voorwaarden. Om de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met hun werkgever, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten arbeidsvoorwaarde regeling. Bij een rechtsgeschil tussen werkgever en werknemer is conform artikel 1 van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechtelijke macht (G.B. 1935 no. 79 laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1994 no. 17) de weg open naar de kantonrechter of het Hof van Justitie.

De vraag die eerst moet worden beantwoord is of de aangekondigde actie van BVL valt onder artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging.
Uitgangspunt is dat er sprake moet zijn van:

  1. aantasting van een bij collectieve arbeidsvoorwaardenregeling overeengekomen bepaling of;
  2. er moet een bij collectieve arbeidsvoorwaarderegeling verworven recht teniet zijn gedaan, zodat daarover opnieuw zou moeten worden onderhandeld (vergelijk: ECLI:NL: RBAMS:2010: BK9802).

Werkgever en werknemers plegen niet collectief te onderhandelen over de wijze van aantrekking van personeel. Het invoeren van een nieuw wijze van aantrekking van directeuren voor het mr. dr. J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II) en het HAVO II door de staat is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen onderhandelbare arbeidsvoorwaarde, maar een bevoegdheid die de staat toekomt.
Niet gesteld of gebleken is dat de maatregel tot wijziging van de wijze van aantrekking van directeuren voor het mr. dr. J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II) en het HAVO II, waartegen gestaakt wordt, al dan niet van invloed is op de overeengekomen arbeidsvoorwaarden.Dat leidt tot het voorlopig oordeel dat er sprake is van een ongeoorloofde staking. De vordering van staat zal worden toegewezen.

4.3. BVL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat.
In reconventie

4.4. De kantonrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het aanhangig maken van een rechtsgeding tegen BVL, waarvan de staat een gerechtvaardigd belang heeft het oordeel van de rechter te vragen, niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt zoals uit 4.2. blijkt had de staat wel een gerechtvaardigd belang. om een oordeel van de rechter te vragen over de door BVL tegen de staat uitgeroepen staking. De kantonrechter zal daarom de vordering BVL tot betaling van de advocaatkosten als te zijn ongegrond afwijzen.

4.5. BVL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

In conventie
5.1. Veroordeelt BVL om binnen 3 (drie) uur na de uitspraak van het vonnis, haar leden werkzaam op de VOS scholen mr.dr.J.C. de Miranda Lyceum (Lyceum I), het E.P. Meyer Lyceum (Lyceum II), het HAVO II en alle andere V.O.S. scholen op te roepen en aan te zeggen om de staking te beëindigen en onmiddellijk de werkzaamheden waartoe zij gehouden zijn te hervatten en deze op normale wijze te verrichten overeenkomstig het voor hen geldende werkrooster en het gebruik binnen het onderwijs en op de desbetreffende scholen, met veroordeling van BVL tot betaling aan de staat van een dwangsom van SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) voor elk uur dat BVL geen uitvoering geeft aan dit vonnis.

5.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3. Veroordeelt BVL in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat en begroot op SRD 334,- (driehonderd vierendertig Surinaamse dollar).

5.4. Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.5. Weigert de gevorderde voorziening.

5.6. Veroordeelt BVL in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat en begroot op nihil
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. C.A. Wallerlei op dinsdag 08 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-34

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-4739
20 oktober 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
beiden wonende te [district],
C. de naamloze vennootschap SURSHOPPING N.V., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V., vroeger geheten de RBC ROYAL BANK (SURINAME) N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 03 oktober 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 oktober 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 11 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d.13 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 17 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van eisers over de producties d.d. 18 oktober 2016, met producties;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van gedaagde over de producties d.d. 19 oktober 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1 Eisers hebben de hierna vermelde krediet- c.q. leningsovereenkomsten met gedaagde gesloten:

  • een leningsovereenkomst voor een totaal bedrag van USD 445.391,28, met een looptijd tot en met 30 juni 2024, rente van 9% per jaar;
  • een rekening courantkrediet (RC) overeenkomst, met een kredietfaciliteit tot een bedrag van USD 400.000,-, rente 9% per jaar;
  • een rekening courantkrediet (RC) overeenkomst, met een kredietfaciliteit tot een bedrag van USD 435.850,-, rente 9% per jaar.

2.2 Voor de hiervoor vermelde kredietverstrekkingen hebben eisers als dekking hypotheken gevestigd op de hierna omschreven onroerende goederen ten laste van gedaagde:
1. “Het perceelland, groot 783m², aangeduid met de letter ABCD en uitmakende de percelen aangeduid met de nummer 5 en 6, elk groot 391,50m², gelegen in het [district] aan de [weg 1], d.u.v. het stuk grond groot 2.80ha, gelegen ten oosten van de [weg 2], zijnde een gedeelte van de [plantage 1], waarover handelt de akte van verkoop en koop d.d. 10 december 2001”,
2. “Het perceelland, groot 1.999,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 16, gelegen te [district] aan de [straat], d.u.v. de [plantage 2]”,
3. “Het perceelland, groot 1.626,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 17, gelegen te [district] aan [straat] ten oosten van de [weg 3], welk perceel d.u.v het perceelland resp. groot 2 ha en 16 are, 2ha, 49ha en 20ca, 62 are en 37 ca, welke percelen d.u.v de [plantage 2]”,

Het door NV Surishopping aan te kopen een tweede deel onverdeeld van het onroerend goed bestaande uit 5 percelen, t.w.:
4.“Het perceelland, groot 514,88m², gelgen in het district Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 5, officieel no. 532”,
5.“Het perceelland, groot 810,43m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen district Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmetr F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 6, officieel no. 531”,
6.“Het perceelland, groot 465,78m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 7, officieel no. 530”;
7.“Het perceelland, groot 548,18m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 3, officieel no. 534”,
8.“Het perceelland, groot 530,53m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 4, officieel no. 533”,

2.3 Bij schrijven d.d. 29 april 2015 zijn eisers door gedaagde in gebreke gesteld om de achterstanden van de aan hen verstrekte kredieten in te lopen. Ter zake staat het volgende in de ingebreke stelling vermeld:
“(…)
Blijkens onze administratie vertonen de destijds aan u verstrekte kredieten, geregistreerd onder de hieronder genoemde rekeningnummers, per heden debetstanden.
Krachtens onze overeenkomsten d.d. 28 maart 2014 resp. 13 augustus 2014 en 27 oktober 2014 dienden de bedragen vermeld in kolom 3 niet overschreden te worden weshalve u achterstanden heeft welke zijn vermeld in kolom 4.
(…)
Eveneens willen wij u eraan herinneren dat de aflossingen van de maand april 2015 ad USD 5.674,- resp USD 8.128,- per 30 april 2015 ook zullen moeten plaatsvinden.
Wij verzoeken u voornoemde debetstanden in overstand total ad USD 14.173,48 en aflossingen van april 2015 voor het totaal bedrag van USD 13.802,- zo spoedig mogelijk doch op uiterlijk 13 mei 2015 aan te zuiveren.
Voorts willen wij u er nogmaals op attenderen, dat elke ultimo van de maand rente en kosten worden bijgeboekt. Wij verzoeken u derhalve ervoor zorg te dragen dat de geboekte bedragen binnen 2 weken worden gestort.

2.4 Bij schrijven d.d. 09 juni 2015 zijn eisers ten tweede male door gedaagde ingebreke gesteld om de achterstanden van de aan hun verstrekte kredieten in te lopen. In de ingebrekestelling heeft gedaagde het volgende verwoord:
“(…)
Blijkens onze administratie vertonen de destijds aan u verstrekte kredieten, geregistreerd onder de hieronder genoemde rekeningnummers, per heden debetstanden.
Krachtens onze overeenkomsten d.d. 28 maart 2014 resp. 13 augustus 2014 en 27 oktober 2014 dienden de bedragen vermeld in kolom 3 niet overschreden te worden weshalve u achterstanden heeft welke vermeld zijn in kolom 4.
Op 29 april 2015 hadden wij u reeds schriftelijk aangemaand en u erop geattendeerd uw overstand ana te zuiveren, hetgeen niet volledig is geschied.
Wij verzoeken u voornoemde debetstanden en overstand total ad USD 48.954,20 zo spoedig mogeijk doch op uiterlijk 23 juni 2015 aan te zuiveren.
Voorts willen wij u er nogmaal op attenderen, dat elke ultimo van de maand rente en kosten worden bijgeboekt. Wij verzoeken u derhalve ervoor zorg te dragen dat de geboekte bedragen binnen 2 weken worden gestort.”.

2.5 Op 14 juli 2015 heeft gedaagde de kredietovereenkomsten die zij met eisers heeft gesloten, vanwege het in verzuim zijn door eisers tot het inlopen van de achterstanden, opgezegd.

2.6 Bij schrijven d.d. 15 juli 2015 hebben eisers als volgt op de kredietopzegging gereageerd:
Zeer tot mijn verbazing hebben wij kennis genomen van uw kredietopzegging, hetgeen totaal haaks staat tegenover de afspraken die ik onlangs met uw [directielid], heb gemaakt in bespreking op uw kantoor.
Afgesproken is, dat wij voorlopig de achterstand van de rente zouden inlopen. Hierna zouden wij een tijdelijke verhoging van het werkkrediet krijgen om de goederen, die reeds besteld en gedeeltelijk ook betaald zijn, in te klaren.
Het één en ander gaat ons in de gelegenheid stellen om de nodige omzetten te genereren, zodat wij ook aan onze aflossingsverplichtingen zouden kunnen voldoen.
(…)
Voorts willen wij u verder niet onthouden, welke de oorzaken zijn, die ertoe geleid hebben, dat ons bedrijf momenteel in zwaar weer is terechtgekomen, nl:
De negatieve publiciteit door het Ministerie van Justitie en Politie, dat wij slechte kwaliteit zouden leveren. De boycot van regeringswege, hetwelk inhield, dat diverse aan ons bedrijf te gunnen leveringsprojecten aan andere bedrijven werd gegund.
Met het oog hierop, verwijzen wij u naar het u bekende schandaal bij de Brandweer.
Hetzelfde heeft zich ook in 2014 en 2015 voorgedaan, alsook in de jaren daarvoor, nl. 2010 t/m 2013.
Ondanks het feit, dat de autoriteiten ons verweten hebben van het leveren van een slechte kwaliteit, zijn wij nooit uitgesloten voor deelname aan nieuwe inschrijvingen. Ook heeft de Overheid ons nooit één artikel kunnen aanwijzen, dat van slechte kwaliteit zou zijn. Zie daar de tegenstrijdigheid.
Wij hebben na het voorval van november 2013, diverse malen ook bij andere ministeries ingeschreven, waarbij wij weer vaker de laagste prijs waren. Slechts bij de Douane hebben wij een gunning van SRD 109.000,- toegewezen gekregen. Bij de Brandweer zijn er zelfs aanbestedingen die wij moesten krijgen, naderhand, onderhands gegund aan andere bedrijven, door het bedrag te splitsen in tweeën, zodat er tot een bedrag van maximaal SRD 1.5 mln. kon worden aangeboden. Voor deze aankopen zijn wij niet gevraagd om een prijsopgave te doen. Dit zijn zeer pijnlijke zaken, die wij hebben meegemaakt.
Hiernaast heeft de slechte betalingsattitude van de Overheid ons bedrijf ook grote problemen bezorgd.
(…)”.

2.7 Bij exploot van de deurwaarder d.d. 27 augustus 2016 heeft gedaagde haar voornemen tot de openbare verkoop van de onroerende goederen op donderdag 20 oktober 2016, des voormiddag om tien uur,ten kantore van de [notarissen] aan [adres] aan eisers aangezegd. Middels dit exploot heeft gedaagde tevens aan eisers doen betekenen:

  • de grosse akte eerste krediethypotheek d.d. 09 juli 2014;
  • de grosse akte ener krediethypotheek d.d. 13 augustus 2014;
  • een brief gericht aan de [notarissen] d.d. 21 juli 2016, in welke brief vermeld staat de saldoschuld van eiseres sub C USD 1.324.776,88 bedraagt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
Primair:
I. gedaagde te verbieden om op donderdag 20 oktober 2016 in het openbaar te verkopen c.q. de stopzetting te bevelen van de onroerende goederen:
1.“Het perceelland, groot 783m², aangeduid met de letter ABCD en uitmakende de percelen aangeduid met de nummer 5 en 6, elk groot 391,50m², gelegen in het [district] aan de [weg 1], d.u.v. het stuk grond groot 2.80ha, gelegen ten oosten van de [weg 2], zijnde een gedeelte van de [plantage 1], waarover handelt de akte van verkoop en koop d.d. 10 december 2001”,
2.“Het perceelland, groot 1.999,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 16, gelegen te [district] aan de [straat], d.u.v. de [plantage 2]”,
3.“Het perceelland, groot 1.626,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 17, gelegen te [district] aan [straat] ten oosten van de [weg 3], welk perceel d.u.v het perceelland resp. groot 2 ha en 16 are, 2ha, 49ha en 20ca, 62 are en 37 ca, welke percelen d.u.v de [plantage 2]”,

Het door NV Surishopping aan te kopen een tweede deel onverdeeld van het onroerend goed bestaande uit 5 percelen, t.w.:
4 “Het perceelland, groot 514,88m², gelgen in het district Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 5, officieel no. 532”,
5 “Het perceelland, groot 810,43m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen district Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmetr F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 6, officieel no. 531”,
6 “Het perceelland, groot 465,78m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 7, officieel no. 530”;
7 “Het perceelland, groot 548,18m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 3, officieel no. 534”,
8 “Het perceelland, groot 530,53m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 4, officieel no. 533”, zoals die uit het overgelegde deurwaardersexploot, de akten en overgelegde schrijven wijders blijken;

II.op straffe van een aan eisers te betalen dwangsom van USD 2.0000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, indien gedaagde in strijd met het te geven verbod handelt;

III. kosten rechtens.

Subsidiair:
I. gedaagde te verbieden om op donderdag 20 oktober 2016 in het openbaar te verkopen c.q. de stopzetting te bevelen van de onroerende goederen:
1.“Het perceelland, groot 783m², aangeduid met de letter ABCD en uitmakende de percelen aangeduid met de nummer 5 en 6, elk groot 391,50m², gelegen in het [district] aan de [weg 1], d.u.v. het stuk grond groot 2.80ha, gelegen ten oosten van de [weg 2], zijnde een gedeelte van de [plantage 1], waarover handelt de akte van verkoop en koop d.d. 10 december 2001”,
2.“Het perceelland, groot 1.999,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 16, gelegen te [district] aan de [straat], d.u.v. de [plantage 2]”,
3. “Het perceelland, groot 1.626,40m², aangeduid met de letters ABCD en het no. 17, gelegen te [district] aan [straat] ten oosten van de [weg 3], welk perceel d.u.v het perceelland resp. groot 2 ha en 16 are, 2ha, 49ha en 20ca, 62 are en 37 ca, welke percelen d.u.v de [plantage 2]”,

Het door NV Surishopping aan te kopen een tweede deel onverdeeld van het onroerend goed bestaande uit 5 percelen, t.w.:
4.“het perceelland, groot 514,88m², gelgen in het district Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 5, officieel no. 532”,
5. “Het perceelland, groot 810,43m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen district Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmetr F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 6, officieel no. 531”,
6.“Het perceelland, groot 465,78m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 7, officieel no. 530”;
7.“Het perceelland, groot 548,18m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 3, officieel no. 534”,
8.“Het perceelland, groot 530,53m², gelegen in het distrikt Paramaribo (voorheen distrikt Suriname) aan de Watradagoestraat, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d 28 mei 1969 met de letters ABCD en met het no. 4, officieel no. 533”, zoals die uit het overgelegde deurwaardersexploot, de akten en overgelegde schrijven wijders blijken;

II. op straffe van een aan eisers te betalen dwangsom van USD 2.0000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, indien gedaagde in strijd met het te geven verbod handelt;

III. kosten rechtens.

3.2 Primair leggen eisers aan hun vordering ten grondslag dat de aanmaning, bevel, aanzegging en exploot betreffende de betekening van het bevel nietig zijn en stellen daartoe het volgende:

  • de in de aanmaning vermelde munteenheid heeft hen in verwarring gebracht of het bedrag in US dollars of Surinaamse Dollars moet zijn en ze zijn niet het bedrag dat vermeld staat in de aanmaning aan gedaagde verschuldigd;
  • het bevel tot aanzegging van de openbare verkoop is niet conform artikel 366 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan hen betekend.

Subsidiair leggen eisers aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hen pleegt en misbruik maakt van het recht van parate executie. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het is aan gedaagde te wijten dat zij niet aan hun aflossingsplicht hebben kunnen voldoen en kunnen voldoen, omdat gedaagde geen medewerking heeft verleend tot royement van de hypotheek die ten laste van gedaagde gevestigd is op het onroerend goed aan de Latourweg, welk onroerend goed eisers aan een derde zouden verkopen. Dit, terwijl gedaagde de toezegging tot royement heeft gedaan.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde. Daarom zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde weerspreekt dat het exploit nietig is, omdat er in casu sprake is van een verschrijving, de bedragen bovendien correct zijn vermeld en eisers wel degelijk op de hoogte zijn van de grootte en het courant van de schuld. Eisers weten dat zij in de Amerikaanse munteenheid geld hebben geleend.

Voorts voert gedaagde aan dat het beroep op artikel 366 Rv niet opgaat, omdat dit artikel betrekking heeft op de gerechtelijke uitwinning voor de executie op onroerende goederen.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat het beroep van eisers op nietigheid van de aanzegging, aanmaning en exploit niet op. Zoals blijkt uit inhoud van de ten processe door eisers overgelegde kredietovereenkomst, die eisers zelf met gedaagde hebben gesloten en de diverse ingebrekestellingen is de vermelde munteenheid USD en niet SRD.
In de aanzegging komt het door gedaagde vermelde saldobedrag in cijfers overeen met het vermelde opgeeiste saldobedrag in letters, te weten 1.324.776,88 (Eenmiljoen Driehonderd Vier en Twintigduizend Zevenhonderd Zes en Zeventig 88/100). Het enige verschil dat erin zit, is dat voor het bedrag in letters als munteenheid staat vermeld US$ en de munteenheid achter dit saldobedrag is verwoord in Surinaamse Dollar. De hiervoor vermelde feiten in onderling samenhang beschouwd en gelezen, gevennaar het voorlopig oordeel van de kantonrechter duidelijk een indicatie dat het vermelden van “Surinaamse Dollars” in de aanzegging een verschrijving is en dat eisers zich er wel degelijk van bewust zijn dat het een verschrijving betreft. Dit, daar zij zelf de leenovereenkomsten met gedaagde hebben gesloten en onweersproken hebben gelaten dat gedaagde de kredieten in US$ aan hen heeft verstrekt.

4.3 Voor wat betreft het beroep van eisers dat gedaagde in strijd met het bepaalde in artikel 366 Rv heeft gehandeld, is de kantonrechter van oordeel dat zulks niet opgaat. Dit, omdat – zoals gedaagde terecht opwerpt – dit artikel betrekking heeft op de gerechtlijke uitwinning.

4.4 Gedaagde voert aan dat eisers vanaf het jaar 2012 in gebreke zijn gebleven hun betalingsverplichtingen jegens gedaagde na te komen, en heeft gedaagde in dat kader in oktober 2014 de leningen geherstructureerd. Desondanks zijn eisers na de herstructurering hun betalingsverpichtingen niet stipt en volledig jegens gedaagde nagekomen en heeft gedaagde om die reden terecht de financieringsfaciliteiten opgezegd.
Gedaagde weerspreekt dat de betalingsachterstanden van eisers aan haar te wijten zijn. Daartoe stelt zij dat zij meerdere malen het voorstel aan eisers heeft geopperd om de leningen wederom te herstructureren, doch zijn eisers niet akkoord gegaan met dit voorstel. Daar eisers hun betalingsverplichtingen niet nakomen en gedaagde hierdoor schade lijdt, is zij genoodzaakt over te gaan tot de openbare verkoop van de percelen teneinde de leensommen daaruit te kunnen verhalen. Gedaagde heeft er geen vertrouwen meer in dat eisers hun betalingsverplichtingen zullen nakomen. Volgens het verweer van gedaagde beschikken eisers wel over voldoende inkomsten c.q. vermogen om hun betalingsverplichting jegens haar na te komen, omdat eisers als gevestigde handelaren in onder meer schoenen en cement voldoende inkomsten beschikken.

4.5 Ter zake het door eisers gestelde en het verweer van gedaagde stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat.

Onweersproken staat vast dat eisers reeds langer dan 1 jaar na de herstructurering van de leningen vanwege eerder ontstane achterstanden in betaling niet hebben voldaan aan hun aflossingsverplichting jegens gedaagde. Voldoende aannemelijk is dat gedaagde meerdere malen medewerking heeft verleend aan eisers tot uitstel van betaling en aldus coulant is geweest naar eisers toe. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van eisers dat zij vanwege de slechte betalingsattitude van derden niet aan hun betalingsverplichting jegens gedaagde kunnen voldoen, doch levert zulks geen grond op tot overmacht voor eisers in de zin van het overeenkomsten recht. Tevens is voldoende aannemelijk dat gedaagde meerdere malen coulant is geweest jegens eisers en dat eisers nog in financiele problemen verkeren, doch kan van gedaagde als financiele instelling in redelijkheid niet worden verwacht om oneindig uitstel tot betaling aan eisers te verlenen indien er geen zicht is op welk moment eisers hun betalingsachterstanden zullen inlopen dan wel aan hun betalingsverplichting zullen voldoen.

Eisers stellen evenwel dat zij vorderingen op derden hebben lopen en zij zodoende wel aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen, doch acht de kantonrechter dit geen zekerheid tot betaling. Bovendien hebben eisers geen enkel inzicht verschaft binnen welke termijn zij de te vorderen bedragen van die derden, zijnde de vermeende schuldeisers van eisers, uitbetaald zullen krijgen en binnen welke termijn zij de achterstanden zullen inlopen. Voor gedaagde zijn er dus geen concrete alternatieven beschikbaar om haar vordering op eiser voldaan te krijgen, anders dan door verhaal op de opbrengst van de openbare verkoop van de onroerende goederen. Om die reden kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gedaagde geen misbruik van het recht van parate executie worden tegengeworpen en evenmin van het plegen van een onrechtmatige daad.

4.6 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen zullen de door eisers gevraagde voorzieningen worden geweigerd en zullen zij, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chuen ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, op donderdag 20 oktober 2016 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-HvJ-2009-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-648

[verzoeker], te dezer zake domicilie kiezende aan de Frederik Derbystraat 13A boven te Paramaribo ten kantore van de advocaat mr. G.R. Sewcharan, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: de STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, hierna te noemen: verweerder, in rechte vertegenwoordigd door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat 3 te Paramaribo.

1. Bij beschikking d.d. [datum] met Justitienummer [nummer 1] en K.A. no. [nummer 2], afkomstig van de minister van Justitie en Politie en getekend door de Hoofdcommissaris van Politie is verzoeker ontslag aangezegd. Een afschrift van de beschikking wordt hierbij overgelegd (Productie 1).

2. Verzoeker kan zich met dit besluit en de gronden ervan niet verenigen en wenst hierbij op grond van artikel 79 van de Personeelswet de onderhavige vordering in te stellen.

3. In het besluit wordt overwogen dat zijdens verzoeker, verkort weergegeven, gebleken is dat hij veroordeeld is door de kantonrechter tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voorts dat verzoekers handelingen een strafbaar feit opleveren.

4. Verder wordt overwogen dat verzoeker in strijd gehandeld heeft met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no 82. Tevens wordt gesteld dat er sprake is van ernstig plichtsverzuim.

5. Verweerder heeft het ontslag gebaseerd op de veroordeling als hiervoor vermeld. De overige door verweerder aangehaalde gronden zijn allemaal af te leiden van de veroordeling.

6. Uit de beschikking blijkt dat verzoeker van het strafvonnis in hoger beroep is gekomen bij het Hof van Justitie. Het hoger beroep is nog niet behandeld. Verweerder gaat er derhalve ten onrechte vanuit dat de veroordeling vaststaat.

7. Het besluit tot ontslag is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd en is derhalve in strijd met een der in het algemeen bewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het motiveringsbeginsel. In casu is verzoeker door de kantonrechter veroordeeld. Tegen dit vonnis is door verzoeker hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is nog niet behandeld en evenmin is het ingetrokken. Van een bij rechterlijk gewijsde gegeven veroordeling is derhalve geen sprake. Ook is er dus geen sprake van plichtsverzuim, zoals door verweerder bedoeld. Het ontslag mist derhalve voldoende grondslag.

8. Nu de overige overwegingen gebaseerd zijn op het hierboven weerlegd uitgangspunt en dus uitgaan van een verkeerde opvatting, is de noodzaak voor een verdere bespreking van die overwegingen komen weg te vallen. Desalniettemin en dus geheel ten overvloede wenst verzoeker op te merken dat, nu de zaak in hoger beroep nog niet is behandeld, er niet gesteld kan worden dat de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim is gepleegd, de ernst en de gevolgen daarvan, het opleggen van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst rechtvaardigen. Deze overweging mist eveneens juridische grondslag.

Nu de ontslagverlening juridische grondslag mist, zijn ook de genoemde besluiten met betrekking tot de stopzetting van de loondoorbetaling aan verzoeker van elke grondslag ontbloot.

Verzoeker is derhalve van mening dat het besluit ook in strijd is met het beginsel van redelijke belangenafweging. Dit beginsel behoort ook tot een der beginselen die dienen te leven in het algemeen bewustzijn van behoorlijk bestuur. Uit het besluit en de gevolgen die het heeft voor verzoeker en diens gezinsleden blijkt dat met de belangen van verzoeker geen rekening is gehouden. Door het besluit wordt verzoeker onredelijk in zijn belangen getroffen.

9. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het bestreden besluit onwettig is en derhalve voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. [datum], waarbij verzoeker ontslag uit Staatsdienst is verleend, nietig zal worden verklaard;
II. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,– (tienduizend Surinaamse dollar), althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
III. verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade, bestaande uit het achterstallige loon van verzoeker, verhoogd met de wettelijke verhoging en rente, welke voor verzoeker uit het besluit is voortgevloeid;
IV. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:
1. De verweerder ontkent en betwist al hetgeen door de verzoeker in zijn inleidend rekest is gesteld, voor zover hij deze hieronder niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend.
2. De verweerder wil alvorens in te gaan op de stellingen van de verzoeker opmerken, dat de verzoeker voor de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering duidelijk moet aangeven wanneer hij de ontslagbeschikking heeft ontvangen, gelet op het bepaalde in paragraaf II van de beschikking.
De verzoeker dient so wie so in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard;
3. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 1 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de verzoeker bij beschikking d.d. [datum] no. [nummer 1] ontslag uit Staatsdienst is verleend en is dit ontslag ingegaan op de dag waarop dit ontslag ter kennis van de verzoeker is gebracht;
4. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 2 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de verzoeker nalaat te vermelden, wanneer dit ontslag is ingegaan;
5. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 3 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat uit de beschikking duidelijk blijkt dat de verzoeker veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 8 jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, hetgeen inhoudt dat de verzoeker ondanks het appèl niet bij het Korps Politie kan worden gehandhaafd, omdat de verzoeker zich niet alleen aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, maar ook de ambtsinstanties heeft overtreden. Het Korps Politie Suriname is een gedisciplineerd Korps;
6. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 5 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat hij ingevolge de bepalingen van het Politiehandvest als grond voor het ontslag heeft gebruikt n.l. de rechterlijke veroordeling die zondermeer als plichtsverzuim wordt gekwalificeerd. Verder moet rekening worden gehouden met artikel 37 van het Politiehandvest, dat de discipline onder de ambtenaren van politie in militaire trant wordt gehandhaafd;
7. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 6 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op, dat het de verweerder bekend is dat de verzoeker aan het strafvonnis in hoger beroep is gekomen, maar dat door de verweerder met zekerheid kan worden gesteld, dat deze zaak niet zal eindigen met een vrijsprekend vonnis, maar hooguit kan in hoger beroep de straf worden verminderd gelet op de ernst van het feit c.q. worden bevestigd;
8. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 7 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de ontslagbeschikking deugdelijk is gemotiveerd. Als de verzoeker vindt dat de beschikking niet deugdelijk is gemotiveerd, moet hij zulks aangeven, maar niet bloot zeggen dat de beschikking niet deugdelijk is gemotiveerd. De verweerder ontkent dat de beschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel, daar de grond van het ontslag is de rechterlijke veroordeling en de overtreding van de ambtsinstructies. De verweerder praat niet van een rechterlijk gewijsde.
De verweerder merkt op dat gelet op de zware straf namelijk 8 jaren een handhaving van de verzoeker in de politiedienst met geoorloofd is en het vrij zeker is dat de verzoeker voor de gepleegde feiten een gevangenisstraf zal krijgen. De verweerder blijft er bij dat de verzoeker zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en ontkent dat het ontslag deugdelijke grondslag mist;
9. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 8 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de politiedienst een gewapende macht is, waar op de discipline streng wordt gelet, ook al is de zaak nog niet in hoger beroep behandeld. Nogmaals wordt herhaald dat gelet op de opgelegde straf van 8 jaren en de feiten in het strafdossier genoemd een langer handhaven van de verzoeker bij het Korps niet wenselijk is. De ontslagverlening mist derhalve geen enkele juridische grondslag. De verweerder ontkent dat de ontslagverlening in strijd is met het beginsel van redelijke belangenafweging, daar er hier sprake is van opzettelijke levensberoving en wordt de verzoeker op geen enkele wijze onredelijk in zijn belangen getroffen.

Wat het petitum betreft het volgende:
Petitum 1 is niet mogelijk, omdat de verzoeker geen feiten en omstandigheden heeft aangegeven, waaruit blijkt, dat de beschikking nietig is, althans geen juridische grondslag heeft;
Petitum II is niet mogelijk, want hoe kan de verweerder veroordeeld worden om verzoeker weder te werk te stellen, terwijl hij in het gevang zit en niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten;
Petitum III Betaling van achterstallig loon is niet mogelijk. De verzoeker legt over GB 1965 no. 129, wanneer iemand die van zijn vrijheid is beroofd en het bestuursvoorschrift d.d. 28 maart 1966 no. 14047/65 aanspraak maakt op salaris en wanneer dit eindigt;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd: dat verzoeker zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, althans hem in deze niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 10 september 2008 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, mr. B.A.H. Pick, advocaat namens mr. G.R. Sewcharan, advocaat gemachtigde van verzoeker, mr. F.F.P. Truideman, advocaat, gemachtigde van verweerder, mevrouw Redan, Lucretia Patricia NBA, Human Resource Manager bij het Korps Politie Suriname, vertegenwoordiger van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 17 april 2009, doch nader op heden.

OVERWEGENDE,TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
1. Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde op de terechtzitting van 7 november 2008 staat het volgende vast:
1.1 verzoeker was werkzaam als agent van politie derde klasse in vaste dienst van het Ministerie van Justitie en Politie;
1.2 verzoeker is wegens verdenking van het plegen van de strafbare feiten, omschreven in de artikelen 347, 362 lid 2, 360 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht op 10 januari 2006 in verzekering gesteld en bij beschikking van de Korpschef is hij te rekenen van 10 januari 2006 buitenfunktie gesteld; verzoeker is op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet in zijn ambt geschorst;
1.3 de Minister van Justitie en Politie heeft verzoeker bij beschikking van 10 april 2008 wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag opgelegd.
1.4 de beschikking bevat, onder andere, de volgende overwegingen (letteraanduiding aangebracht door het Hof):

a. dat uit het terzake ingesteld onderzoek zoals vastgelegd in strafdossier no. [nummer 3] de dato 10 januari 2006 van de afdeling Recherche Geyersvlijt is gebleken, dat agent [verzoeker] op 10 januari 2006 te omstreeks 14.00 uur in de [Kapperzaak] gelegen aan de [adres], de loop van zijn dienst vuistvuurwapen van het merk Glock, welke in bruikleen aan hem was afgestaan, terwijl deze gespannen was, opzettelijk geplaatst heeft tegen het achterhoofd van de aldaar in dienst zijnde leerling kapper [naam 1];
b. dat agent [verzoeker] vervolgens de trekker van het wapen heeft overgehaald waardoor een schot werd afgevuurd en [naam 1] in het achterhoofd werd geraakt en ter plaatse kwam te overlijden;
c. dat agent [verzoeker] terzake door de Kantonrechter veroordeeld is tot een gevangenisstraf van acht (8) jaar onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest;
d. dat de door agent [verzoeker] gepleegde handelingen niet alleen een strafbaar feit opleveren, doch tevens in strijd zijn met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G. B. 1972 no. 82 en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname;
e. dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer[verzoeker] voornoemd weshalve hij ingevolge het bepaalde in artikel 44 lid 1 van het Politiehandvest bij schrijven van de Korpschef, de Hoofdcommissaris van Politie, [naam 2] de dato 17 oktober 2007 terzake ingebreke werd gesteld en derhalve in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

1.5 de hierboven onder 1.3 genoemde beschikking is op 6 mei 2008 in persoon aan verzoeker betekend;
1.6 het op 3 juni 2008 gedateerde verzoekschrift van verzoeker is op 4 juni 2008 (in de terzake gestelde aantekening staat, kennelijk abusievelijk, vermeld: 4/6/06) ter griffie van het Hof van Justitie ingekomen.

2. ingevolge het bepaalde in artikel 47 lid 4 van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf als waarvan hier sprake is niet ontvankelijk indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Gelet op hetgeen hierboven onder 1.5 en 1.6 is overwogen is de vordering tot nietigverklaring van de beschikking d.d. 10 april 2008 (verder genoemd: de beschikking) tijdig ingesteld. Het beroep van verweerder op de niet-ontvankelijkheid van verzoeker gaat, voor zover daarmee wordt betoogd dat de vordering tot nietigverklaring van de beschikking niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, dan ook niet op.

3. Verzoeker heeft, kort gezegd, in zijn verzoekschrift aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel en met het beginsel van redelijke belangenafweging.

4.1 Wat de strijd met het motiveringbeginsel betreft, heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

  • verweerder heeft het ontslag gebaseerd op zijn, verzoeker’s, veroordeling door de kantonrechter; de overige door verweerder aangehaalde gronden zijn allemaal af te leiden van de veroordeling;
  • verzoeker is in hoger beroep gekomen van het strafvonnis en het hoger beroep is nog niet afgehandeld; verweerder gaat er derhalve ten onrechte vanuit dat de veroordeling vaststaat; het ontslagbesluit is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd.

4.2 Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat gehandeld is in strijd met het motiveringsbeginsel.
4.3 In de ontslagbeschikking wordt weliswaar vermeld dat verzoeker door de Kantonrechter veroordeeld is, maar er is nergens uit de beschikking te lezen dat de Minister de feiten, die naar zijn oordeel plichtsverzuim opleveren, op grond van het betreffende strafvonnis bewezen heeft geacht. Uit de hierboven onder 1.4.a weergegeven overweging uit de beschikking blijkt dat de Minister zijn oordeel dat verzoeker de in die overweging omschreven feiten heeft gepleegd baseert op het onderzoek dat is verricht ter zake van de op verzoeker gevallen verdenking. Het onder 4.1 vermelde verweer gaat dan ook niet op.

5.1 Tijdens het verhoor van partijen heeft verzoeker, zakelijk weergegeven, gesteld dat hij tegen het vonnis van de kantonrechter appèl heeft aangetekend, omdat hij het niet eens met de beslissing; dat niet alle zaken tijdens het proces in ogenschouw zijn genomen en hij de mening is toegedaan dat hij onschuldig is; dat het niet zo is dat hij opzettelijk in een schermutseling betrokken was, waarbij het wapen in handen van het slachtoffer terechtkwam; dat de trekker dus is getrokken (lees kennelijk: overgehaald) door het slachtoffer.
5.2 In de ontslagbeschikking wordt geen gewag gemaakt van een schermutseling, terwijl verzoeker niet heeft vermeld welke zaken tijdens het proces in eerste aanleg niet in ogenschouw zijn genomen. In hetgeen verzoeker tijdens voormeld verhoor heeft gesteld is dan ook geen, althans geen gemotiveerde, betwisting te lezen van de feiten, die in de ontslagbeschikking, met name in de hierboven onder 1.4.a weergegeven overweging, zijn vermeld. Derhalve staat vast dat verzoeker op 10 januari 2006 te omstreeks 14.00 uur in de [Kapperszaak] gelegen aan [adres] de loop van zijn dienst vuistvuurwapen van het merk Glock, welke in bruikleen aan hem was afgestaan, terwijl deze gespannen was, opzettelijk geplaatst heeft tegen het achterhoofd van de aldaar in dienst zijnde leerling kapper [naam 1]. Verder staat als onbetwist vast dat een schot werd afgevuurd en [naam 1] in het achterhoofd werd geraakt en ter plaatse kwam te overlijden.
5.3 Volgens de ontslagbeschikking (zie hierboven onder 1.4.b) heeft verzoeker de trekker van het wapen overgehaald, terwijl verzoeker bij het eerder vermeld verhoor heeft gesteld dat de trekker door het slachtoffer is getrokken. Wat op dit punt de waarheid is kan in het midden worden gelaten. Voor het in stand blijven van de ontslagbeschikking is immers niet vereist dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat verzoeker zich aan alle hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt, maar de beschikking ook in stand kan blijven indien de wel in voldoende mate vaststaande gedragingen een zodanig ernstig plichtsverzuim opleveren, dat de opgelegde straf niet onevenredig wordt geacht.
5.4 Nu hij het tegendeel niet heeft beweerd wordt het ervoor gehouden dat, toen, verzoeker de loop van zijn dienst vuistvuurwapen, terwijl deze gespannen was, opzettelijk plaatste tegen het achterhoofd van [naam 1] en vervolgens een schot werd afgevuurd waardoor [naam 1] in het achterhoofd werd geraakt en ter plaatse kwam te overlijden, geen van de vier, in artikel 18 lid 2 van de Instructie Ambtenaren van Politie limitatief opgesomde gevallen waarin een ambtenaar van politie een vuurwapen mag gebruiken, zich voordeed. Door aldus te handelen heeft verzoeker zich dan ook, naar het oordeel van het Hof, aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.
5.5 Het gebruik van een vuurwapen buiten de eerder bedoelde vier gevallen en in de omstandigheden als hierboven onder 1.4.a vermeld levert, mede met het oog op het aan het gebruik verbonden gevaar voor anderen (zie artikel 18 lid 3 van eerdergenoemde Instructie), ernstig plichtsverzuim op, en wel een zodanig ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig wordt geacht. De ontslagbeschikking kan dus in stand blijven, ook al zou niet komen vast te staan dat verzoeker de trekker van het wapen heeft overgehaald. Er hoeft daarom aan verweerder geen gelegenheid te worden geboden laatst vermeld feit aannemelijk te maken.

6.1 Wat de strijd met het beginsel van redelijke belangenafweging betreft, heeft verzoeker aangevoerd dat uit het besluit en de gevolgen daarvan, die het voor hem en zijn gezinsleden heeft, blijkt dat met zijn, verzoekers, belangen geen rekening is gehouden. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij door het besluit onredelijk in zijn belangen wordt getroffen.
6.2 Hierboven is reeds beslist dat het door verweerder gepleegde plichtsverzuim niet onevenredig wordt geacht aan de ernst van dat plichtsverzuim. Door te handelen als hierboven onder 1.4.a vermeld en met de gevolgen als onder 5.2 vermeld heeft verzoeker het aanzien van de Politie geschaad en het is duidelijk dat de verweerder belang erbij heeft om zowel naar de politie als naar gemeenschap toe duidelijk te maken dat dergelijk gedrag niet wordt geaccepteerd. Het Hof is dan ook van oordeel dat het belang van verweerder om verzoeker uit het politiekorps te verwijderen zwaarder weegt dan verzoeker’s belang om zijn dienstverband voort te zetten. Het onder 6.1 vermelde verwijt gaat dus niet op. De vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking dient dan ook te worden afgewezen.

7. De vordering om verweerder te veroordelen verzoeker weder te werk te stellen dient, nu de ontslagbeschikking in stand blijft, eveneens te worden afgewezen.

8.1 Verzoeker is van oordeel dat, nu zijn strafzaak in hoger beroep nog niet is behandeld, de ontslagverlening juridische grondslag mist en de besluiten tot stopzetting van de loonbetaling aan hem, verzoeker, van elke grondslag ontbloot zijn.
8.2 Het onder 8.1 vermelde standpunt is, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, onjuist en de vordering tot vergoeding van schade, welke op dit onjuist standpunt berust, dient eveneens te worden afgewezen.

9. De vordering tot veroordeling van verweerder in de kosten van het geding zal, als niet op de wet gebaseerd, worden afgewezen.

10. De conclusie is dat als volgt kan worden beslist.

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:
Wijst de vorderingen af.

Aldus gewezen door: mr. E.S. Ombre, Vice-president, mr. A.A. Hermelijn en mr. S.M.M. Chu, Leden-Plaatsvervanger en door de Vice- President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 15 mei 2009, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.
w.g.R.R.Brijobhokun

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A.E. Telting namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Veldkamp namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F.F.P. Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.