SRU-K1-2018-31

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 174395
15 februari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

De naamloze vennootschap N.V. Jusesur h.o.d.n. Sewcharan advocaten,
kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. De naamloze vennootschap Blue Wing Airline n.v.,
B. [gedaagde sub B],
gevestigd en kantoorhoudende c.q. wonende te Paramaribo,
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 16 oktober 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusies van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagden hebben in januari 2013 aan eiseres de opdracht gegeven tot het verrichten van enkele diensten ter zake een geschil met de Staat, welke opdracht door eiseres is aanvaard.

Aangezien partijen geen overeenstemming konden bereiken over het te hanteren tarief, hebben gedaagden de opdracht aan eiseres opgezegd op 28 oktober 2013. Op 29 oktober 2013 heeft eiseres de opzegging bevestigd.

2.2 Op 11 februari 2014 hebben gedaagden eiseres opnieuw dezelfde opdracht gegeven, welke opdracht door eiseres is aanvaard. Dit laatste is vastgelegd in een schrijven d.d. 15 maart 2014 afkomstig van de gemachtigde van eisers en gericht aan gedaagden.

2.3 Gedaagden hebben in maart 2016 de opdracht aan eiseres opgezegd.

2.4 Bij schrijven d.d. 6 februari 2017 afkomstig van de gemachtigde van gedaagden en gericht aan de gemachtigde van eiseres, is er gevraagd naar een gespecificeerde factuur met betrekking tot de door eiseres verrichtte werkzaamheden ten behoeve van gedaagden op basis van gewerkte uren.

2.5 Bij schrijven d.d. 20 juni 2017 heeft eiseres de factuur d.d. 20 juni 2017 met no. 17.06.333 opgestuurd naar de gemachtigde van gedaagde. Zij verwijst daarbij naar een schrijven d.d. 7 oktober 2013 waaruit de gemaakte prijsafspraken zou moeten blijken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagden tot betaling van het bedrag van USD 575.000,= vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
De door haar ten behoeve van gedaagden verrichte werkzaamheden hebben na verschillende onderhandelingen en correspondentie geleid tot een schikking. Deze schikking is in een raadsvoorstel door de minister van TCT met no. 57/15 Geh aan de raad van ministers aangeboden om de tussen gedaagde sub A en de Staat Suriname bereikte schikking voor een schadebedrag van USD 11.500.00,= goed te keuren.
Gedaagden hebben in maart 2016 plotseling de opdracht aan eiseres zonder deugdelijke reden opgezegd. De inning van de van de Staat te incasseren vordering heeft plaatsgevonden. Pogingen van eiseres om betaling van het overeengekomen honorarium in der minne te doen geschieden hebben niets opgeleverd.

3.3 Gedaagden heben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat als gevolg van de onderhandelingen van eiseres de minister van TCT een raadsvoorstel heeft opgemaakt.
Dit raadsvoorstel is gedateerd 12 maart 2015 onder no. 57/15 Geh. In dit raadsvoorstel is zover van belang het volgende verwoord:

“1. Onderwerp
Schikking van het rechtsgeding tussen Blue Wing Airline Ltd/de Staat tot een bedrag van US$ 11.500.000 (Elf Miljoen Vijfhonderd Duizend Amerikaanse Dollars).
4. Toelichting
….. Bij eerder aangehaald schrijven van de Procureur-Generaal is aan het ministerie het advies meegegeven met de eisende partij in contact te treden, teineinde tot een minnelijke schikking te geraken om de Staat niet verder in de kosten te jagen. In opdracht van de minister heeft een onderhandelinscommissie van het ministerie onder leiding van mr. D. Kraag onderhandelingen gevoerd met de advocaat van Blue Wing mr. G.R. Sewcharan. De eisende partij heeft een schadebedrag geëist van US$ 14.280.000 (Veertien Miljoen Tweehonderd tachtig duizend Amerikaanse Dollars). Na onderhandeling is dit bedrag teruggebracht naar US$ 11.500.000 (Elf Miljoen Vijfhonderduizend Amerikaanse Dollars) onder voorwaarde die in bijlage 5 zijn neergelegd (schrijven mr. Sewcharan d.d. 10 februari 2015) welke voorwaarde door het ministerie zijn geaccepteerd.
7. Advies van het Minsterie van Financiën
Na goedkeuring van de RvM zal in contact met Financiën worden getreden voor de afhandeling …….”.

4.4 Gedaagden hebben na eerst breedvoerig bij conclusie van antwoord te hebben ontkend, uiteindelijk bij conclusie van dupliek erkend dat de opdracht van hen aan eiseres een declaratie-grondslag had van 5% van het van de Staat Suriname netto te ontvangen bedrag.

Volgens gedaagden was tussen partijen overeengekomen dat de inning van de schadevergoeding en schadeloosstelling kon plaatsvinden door onderhandelingen gevoerd door eiseres en/of door het aanhangig maken van een rechtsgeding en wel onder de volgende voorwaarden:

a. Indien de schadevergoeding en schadeloosstelling door de Staat zou worden betaald als resultaat van onderhandelingen door eiseres, zou 5% van het door de Staat uitgekeerde nettobedrag aan eiseres worden betaald.
b. Indien een rechtsgeding tegen de Staat aanhangig was gemaakt en de Staat was veroordeeld om de schadevergoeding en schadeloosstelling uit te keren aan Blue Wing Airlines n.v., zou 7% van het door de Staat uitgekeerd nettobedrag aan eiseres worden betaald.
c. Indien onderhandelingen en/of een rechtsgeding niet zou leiden tot uitkering door de Staat als boven bedoeld, zou eiseres een honorarium ontvangen gelijk het aantal bestede uren voor een bedrag van US$ 75,- per uur.

Gedaagden betogen dat de Staat nog steeds “geen cent” heeft uitgekeerd aan hen op basis van de aan eiseres verstrekte opdracht. Bij conclusie antwoord hebben gdaagden zich beroepen op een schrijven van de minister van Financiën, gedateerd 3 juli 2017, gericht aan de gemachtigde van gedaagden.

In dit schrijven is zover van belang het volgende verwoord:
“ Geachte heer Schurman,
Met referte aan uw schrijven van 28 juni 2017 kan ik u berichten dat de argumenten en werkzaamheden van mr. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wing Airlines N.V.. De schikking die is bereikt heeft buiten mr. G. Sewcharan plaatsgevonden.”

Gedaagden concluderen dat de opdracht niet is uitgevoerd door eiseres en voorts dat de schadevergoeding en schadeclaim niet aan gedaagde is uitgekeerd. Op grond hiervan maakt eiseres aanspraak op een honorarium van US$ 75,= per uur voor bestede uren.

4.4.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt dat er een schikking tot stand is gekomen tussen gedaagden en de Staat. Dit blijkt met name uit het onder 4.2 hiervoor omschreven raadsvoorstel van de minister van TCT en voorts uit de brief van de minister van Financiën d.d. 3 juli 2017, in welke brief deze minister impliciet aangeeft dat er wel een schikking is bereikt tussen gedaagde sub A en de Staat. Alhoewel de minister van Financiën in voormelde brief heeft aangegeven dat de argumenten en werkzaamheden van mr. G. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wing Airlines N.V., acht de kantonrechter dit niet aannemelijk nu genoemde minister verder niet heeft uitgeweid over de vraag hoe de schikking met gedaagde A dan wel tot stand is gekomen. Dit had wel verwacht mogen worden nu vast staat dat door inspanningen van eiseres er een raadsvoorstel door de minister van TCT is opgemaakt ter zake het bereiken van een schikking tussen gedaagden en de Staat Suriname.

Onduidelijk is waarom het raadsvoorstel niet verder is uitgewerkt, zoals de kantonrechter begrijpt uit het verweer van gedaagden. Het had op de weg van gedaagden gelegen om over deze onduidelijkheid informatie te verschaffen hetgeen zij hebben nagelaten. Het nader bij dupliek gevoerde verweer door gedaagden dat zij – met de door de minister van Financiën bedoelde schikking – hebben bereikt dat zij hun openstaande rekeningen over de afgelopen 6 jaren betaald hebben gekregen is te laat gevoerd (pas bij dupiek) als gevolg waarvan eiseres zich niet meer heeft kunnen uitlaten. Dit is in strijd met de regels van een goede procesorde. Bovendien komt dit verweer de kantonrechter ook niet geloofwaardig over.

Nu vast staat dat er een schikking tussen gedaagden en de Staat tot stand is gekomen door de inspanningen van eiseres, welke schikking is vervat in een raadsvoorstel van de minister van TCT en voorts ook vast staat dat gedaagden een financiële uitkering hebben gehad van de Staat (zoals bij dupliek door gedaagden aangevoerd) ligt het voor de hand dat de door gedaagden van de staat ontvangen financiële uitkering is geschied op grond van het raadsvoorstel van de minister van TCT.

Het is maar de vraag waarom gedaagden een schikking zoals geformuleerd door de minister van TCT zouden laten schieten voor betaling van een openstaande rekening over de afgelopen 6 jaren, waarop gedaagden ook wel recht hebben. Daarnaast is het onduidelijk waarom gedaagden pas nadat het raadsvoorstel door de minister van TCT was opgemaakt, dus na alle inspanningen van eiseres, de opdracht aan eiseres hebben opgezegd. Deze handelingen van gedaagden verdienden ook verduidelijking hetgaan zij hebben nagelaten. Van gedaagden mocht worden verwacht dat zij hun verweer onderbouwden door middel van verificatoren.

Op grond van het voorgaande is de door eiseres gevraagde voorziening toewijsbaar als in het dictum te melden.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Veroordeelt gedaagden, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting eiseres te betalen het bedrag van US$ 575.000,= (vijfhonderd en vijfenzeventig duizend Amerikaanse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 16 oktober 2017.

5.2 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 790,= (zevenhonderd en negentig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terchtzitting van ht eerste kanton van donderdag 15 februri 2018 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran.

w.g. J. Pinas I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2015-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-5176
07 december 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1. EXCLUSIVE WOODS N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
2. [eiseres sub 2] , weduwe van [erflater],
in haar hoedanigheid van enige gerechtigde van alle activa, behorende tot de nalatenschap van [erflater] en van de hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder directeur van Exclusive Woods N.V.;
wonende te [district],
3. [eiseres sub 3] , in haar hoedanigheid van president commissaris van Exclusie Woods N.V.;
4.a) [eiser sub 4a] ,
b) [eiser sub 4b] ,
c) [eiseres sub 3] ,
d) [eiseres sub 4d] ,
allen in hun hoedanigheid van mede erfgenamen van de nalatenschap van [erflater],
allen wonende te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat,

tegen

1. FINABANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat.,

2. UNIFIRST SCHADEVERZEKERINGEN N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtgde: H.P. Boldewijn, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 24 november 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 26 november 2015’;
  • de conclusie van antwoord d.d. 30 november 2015, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 01 december 2015, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 02 december 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Exclusive Woods N.V., zijnde eiseres sub 1, is op 02 oktober 2008 opgericht. [naam 1] en [naam 2] zijn beiden de oprichters.

2.2 Op 21 april 2009 hebben de hiervoor genoemde oprichters de aandelen die zij in eiseres sub 1 hadden verkocht en overgedragen aan [erflater] en is laatstgenoemde sedert deze datum van verkoop en overdracht directeur van eiseres sub 1.

2.3 Op 28 augustus 2009 heeft eiseres sub 1 vanwege overschrijving van een afschrift van een akte van koop en verkoop d.d. 21 april 2009 in het daartoe bestemde register de eigendom verkregen van “het erf met de daarop staande gebouwen, groot tweehonder vij en vijftig vierkante meter, gelegen te [district] aan de [straat 1a ] (thans [straat1b]), aangeduid op de kaart van de landmeter in Suriname E.S. Devig d.d. 30 mei 1989 met de letters BCEF en bekend onder Nieuwe Wijk Letter E [nummer] 81a”, hierna gemakshalve aangeduid als het onroerend goed.

2.4 Op 31 december 2009 hebben eiseres sub 1 en gedaage sub 2 een kredietleenovereenkomst gesloten, waarbij gedaagde sub 2 een geldbedrag van gedaagde sub 1 heeft geleend tot een bedrag van € 215.000,-. In deze krediet leenovereenkomst hebben eiseres sub 1 en gedaagde sub 2 bedongen dat de lening gedurende de gehele looptijd gedekt zal worden door een te vestigen eerste krediethypotheek ten laste van eiseres sub 1.

2.5 De kredietleenovereenkomst is nadien, en wel op 06 augustus 2010 herzien, in die zin dat daarin is opgenomen dat het kredietbedrag is verhoogd naar € 229.300,-.

2.6 Op 10 maart 2011 heeft [erflater] in de hoedanigheid van directeur van eiseres sub 1 ten behoeve van gedaagde sub 2 doen vestigen het recht van eerste hypotheek op het onroerende goed zoals hiervoor omschreven onder 2.3, en wel tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen gedaagde sub 2 aan gedaagde sub 1 verschuldigd mocht zijn uit hoofde van de kredietleenovereenkomst.

2.7 Op 18 april 2013 is [erflater] komen te overlijden. Eiseres sub 2 was gehuwd met [erflater]. Eisers sub 2 tot en met 4 zijn de erfgenamen van [erflater], hierna te noemen de erflater, en zijn zij de enige gerechtigden van alle activa, behorende tot de nalatenschap van de erflater.

2.8 Eisers sub 2 tot en met 4 hebben de nalatenschap niet verworpen. Eiseres sub 1 is vanwege de erfopvolging de enige aandeelhouder en bestuurder van eiseres sub 1.

2.9 Gedaagde sub 1 heeft tot driemaal toe, respectievelijk op 02 april 2015, 15 mei 2015 en 27 mei 2015 gedaagde sub 2 in gebreke gesteld om de bij haar openstaande schuld te voldoen.

2.10 Vanwege het niet voldoen aan voldoening van de openstaande schuld door gedaagde sub 2 heeft gedaagde sub 1 op 02 september 2015 middels publicatie aangekondigd dat de openbare verkoop van het bezwaarde onroerend goed op dinsdag 29 september 2015 zal plaatsvinden. Bij deurwaardersexploit d.d. 12 augustus 2015 no. 00-0090 is aan eiseres sub 1 en gedaagde sub 2 terzake bevel gedaan en aanzegging tot voldoening van de openstaande schuld.

2.11 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, in de kortgeding zaak bekend onder A.R. No. 15-4092 tussen partijen, is de openbare verkoop van 29 september 2015 stopgezet.
Daartoe heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:
4.2 Voorop wordt gesteld dat eiseres sub A, als de onderzetter van het onroerend goed, op de hoogte moest worden gesteld van de aangekondigde openbare verkoop daarvan. Gedaagde sub A heeft een exploot van deurwaarder R. Kappel, d.d. 12 augustus 2015 no. OO-0090, overgelegd waaruit zou moeten blijken dat eiseres sub A op de hoogte is gesteld. Uit het genoemd exploot blijkt dat deze is overhandigd aan een medewerker van gedaagde sub B.
Artikel 6 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geeft onder meer de wijze van betekening van exploiten aan rechtspersonen. Dit artikel bepaalt dat exploten ten aanzien van rechtspersonen moeten worden betekend aan de persoon of aan de woonplaats van een der bestuurders.
Door het exploot te overhandigen aan een medewerker van gedaagde sub B, is eiesers sub A niet ingevolge de wet op de hoogte gesteld van de aangekondigde openbare verkoop van het onroerend goed.

4.3 Gedaagde sub A betoogt dat indien de voorgenomen executie wordt stopgezet, dit slechts een uitstel van executie is omdat slechts de betekening opnieuw zou moeten geschieden.
De kantonrechter overweegt dat de betekening van een voorgenomen executie aan de onderzetter, onder meer tot doel heeft om laatstgenoemde de gelegenheid te bieden een oplossing te zoeken ter voldoening aan de schuld bij gebreke waarvan het gevolg is voortgang van de executie. Het ligt dus aan de onderzetter zelf of zij al dan niet tot een oplossing komt. Nu de openbare verkoop verregaande consequenties heeft voor de onderzetter, zal de schuldeiser zich ervan moeten vergewissen dat alle regels daartoe in acht zijn genomen. Dit betekent dat de executie ingevolge de wet en de plaatselijke gebruiken moet worden aangezegd. Door dit niet dan wel niet conform de wet te doen, wordt de onderzetter, in casu eiseres sub q, de mogelijkheid ontnomen om een oplossing te zoeken ter voorkoming van openbare verkoop.
Het verweer van gedaagde sub A wordt verworpen.”

2.12 Middels publicatie d.d. 12 november 2015 heeft gedaagde sub 1 ten tweede male de openbare verkoop van het bezwaarde onroerend goed op 08 december 2015 aangekondigd, welke openbare verkoop ten overstaan van de notaris om 11.00 uur des voormiddag zal plaatsvinden.

2.13 Per deurwaardersexploit d.d. 21 oktober 2015 heeft gedaagde sub 2 aan eiseres sub 1 bevel gedaan en aanzegging tot voldoening van de openstaande schuld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren,:

a) de stopzetting te bevelen van de door de gerechtsdeurwaarder Lilapersad Gangarampanday bij exploot no. 160 d.d. woensdag 21 oktober 2015 aangezegde openbare verkoop op dinsdag 8 december 2015 des voormiddags om 11.00 uur ten kantore en ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris mr. Derrick Alexander en of diens waarnemer/vervanger aan de Prins Hendrikstraat nummer 32;

b) gedaagde sub 2 te veroordelen binnen 24 uur na dit uit te spreken vonnis te geven en opgave te doen van de aankoop van het perceel aan de [straat] en de bouw van het bedrijfspand conform de bestemming van het krediet in artikel 5 van de kredietovereenkomst van 31 december 2009;

c) gedaagde sub 1 te veroordelen binnen 24 uur na dit uit te spreken vonnis verklaring te geven, opgave te doen en de administratie aan eisers te verstrekken van de verlening van het krediet c.q. geldtranches conform artikel 5 van de kredietovereenkomst van 31 december 2009 aan gedaagde sub 2 en opgave te doen van het perceel welke door gedaagde sub 2 aan de [straat 1b] is gekocht en het bedrijfspand welke met het verstrekte krediet is gebouwd;

d) gedaagde sub 1 te verbieden om opnieuw tot de veiling van het onroerend goed over te gaan;

e) gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom groot 25.000,- voor elke dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen;

f) gedaagde sub 1 te veroordelen in de kosten van dit geding, alle deurwaarderskosten en betekeningskosten van dit vonnis inbegrepen.

3.1.1 Eisers leggen, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer de volgende stellingen aan de door hun gevraagde voorzieningen ten grondslag:

  • gedaagde sub 1 heeft gedaagde sub 2 niet middels een deurwaardersexploit in gebreke gesteld om aan haar schuld te voldoen;
  • gedaagde sub 1 heeft in strijd met de wettelijke voorschriften de saldoschuld niet aan gedaagde sub 2 betekenden maakt hierdoor misbruik van het executierecht;
  • de statuten van oprichting van eiseres sub 1 waren ten tijde van de hypotheekvestiging nog niet gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname en zullen zij hierdoor persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor de schade die derden vanwege rechtshandelingen met eiseres sub 1 zullen leiden. Vanwege het huwelijksgoederenrecht diende eiseres sub 2 toestemming te verlenen tot het doen vestigen van de hypotheek op het onroerend goed, omdat zij ten tijde met de erflater was gehuwd. Vanwege het ontbreken van deze toestemming is deze rechtshandeling tot vestiging van de hypotheek nietig, welke nietigheid zij reeds heeft ingeroepen;
  • gedaagde sub 2 heeft in strijd met artikel 2 Algemene Voorwaarden Finabank niet de nodige zorgvuldigheid jegens eisers in acht genomen. Daarbij is de erflater niet door gedaagde sub 1 gewaarschuwd voor het gevaar en risico van de onderzetting en voor het gevaar dat zijn echtgenote en kinderen door deze transactie zouden lopen. Voorts zijn eisers niet door gedaagde sub 1 ingelicht over de wanbetaling van gedaagde sub 2, waardoor zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om een passende oplossing te zoeken ter voorkoming van een executie. Gedaagde sub 1 heeft nagelaten eisers inzicht te verschaffen over de inkomens en vermogenspositie van gedaagde sub 2;
  • de door gedaagde sub 1 aan gedaagde sub 2 opgegeven saldoschuld is te hoog;
  • de kredietovereenkomsten van gedaagde sub 1 zijn vals;
  • doordat de opbrengst van de openbare verkoop weinig zal opbrengen om de hypotheekschuld te voldoen, zal een heel grote restschuld ontstaan.

Als spoedeisend belang stellen eisers dat zij bij eventuele ontoerekenbaarheid van het verkoopbedrag, nog kunnen worden aangesproken voor het restbedrag.

3.2 Gedaagden hebben elk afzonderlijk verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat de gevraagde voorzieningen onder a en c tot en met f zich richten tot gedaagde sub 1 en de gevraagde voorzieningen onder b en e zich richten tot gedaagde sub 2.
Het spoedeisend belang blijkt uit het voornemen tot openbare verkoop van het bezwaarde onroerend goed op dinsdag 08 december 2015. Daarom zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Uit de stellingen en de producties die eisers zelf ten processe hebben overgelegd leidt de kantonrechter af dat tussen gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 een kredietleenovereenkomst is gesloten, waarbij eiseres sub 1 in het kader van die krediet leenovereenkomst ten behoeve van gedaagde sub 1 een hypotheek heeft doen vestigen op het aan haar in eigendom toebehorende perceel, van welk perceel het voornemen tot openbare verkoop is afgekondigd. Dit alles als zekerheid ingeval gedaagde sub 2 niet aan haar betalingsverplichting jegens eisers sub 1 voldoet.
Uit geen der producties leidt de kantonrechter af dat eisers sub 2 tot en met 4 enige rechtsrelatie met gedaagde sub 1 hebben. Eiseres sub 2 beroept zich er evenwel op dat zij en eisers sub 3 en 4 wel enig belang hebben in het geheel, en wel op grond van het volgende: eiseres sub 2 was gehuwd met de erflater, die ten tijde van diens overlijden aandeelhouder was van eiseres sub 1, en diende zij toestemming aan de overleden echtgenoot te geven voor het doen verschaffen van een hypotheek op het perceel. Voorts dat de statuten van eiseres sub 1 tot heden nog niet zijn gepubliceerd, en om die reden haar toestemming als echtgenote wettelijk vereist is.

4.2.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaan eisers uit van een onjuist standpunt. De publicatie van de Statuten dient ter bescherming van derden die rechtshandelingen met eiseres sub 1, die de status van rechtspersoon heeft, zijn aangegaan. Die bescherming bestaat daarin dat indien de publicatie achterwege is gebleven en derden als gevolg van rechtshandelingen met de rechtspersoon schade lijden of hebben geleden, die derden de bestuurders van eiseres sub 1 hiervoor aansprakelijk kunnen stellen. Erfgenamen van de bestuurders van de rechtspersoon treden in de plaats van de overledene en bezitten niet de status van derde en kunnen eisers zich om die reden niet met succes op de non publicatie beroepen. Voorzover eisers sub 2 tot en met 4 betogen te stellen dat omgekeerd gedaagde sub 1 hen zou kunnen aanspreken voor de restschuld indien de opbrengst van de openbare verkoop niet toereikend is, gaat deze stelling niet op. Eisers sub 2 tot en met 4 zijn de bestuurders van eiseres sub 1, dus verkeren zij in de positie om de Statuten van eiseres te publiceren en los hiervan zij zijn geen partij bij de kredietovereenkomsten die gedaagden onderling met elkaar hebben gesloten.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat eisers sub 2 tot en met 4 geen partij zijn bij de overeenkomsten gesloten tussen gedaagden en de hypotheekvestiging ten behoeve van gedaagde sub 1. Daarom zullen eisers sub 2 tot en met 4 niet ontvankelijk worden verklaard in de door hun gevraagde voorzieningen gericht tot zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2.

4.3 Vooropgesteld wordt dat geenszins vereist is dat de ingebrekestelling middels een deurwaardersexploit aan de schuldenaar, in casu gedaage sub 2, betekend moet worden. Van belang is dat de schuldenaar in gebreke wordt gesteld en de ingebrekestelling hem/haar bereikt. Gedaagde sub 1 heeft middels bescheiden aannemelijk gemaakt dat gedaagde sub 2 in gebreke is gesteld, zodat de stelling van eiseres sub 1 niet opgaat. Bovendien, ook al zou deze stelling opgaan, dan nog zou eiseres sub 1 zich niet kunnen beroepen op deze stelling. Dit, omdat zij geen partij is geweest bij de kredietleenovereenkomst. Ook de stelling van eiseres sub 1 dat de kredietleenovereenkomsten vals zijn gaat niet op. Gedaagden die deze overeenkomsten met elkaar hebben gesloten, beroepen zich op dat deze overeenkomsten echt en onvervalst zijn. Hieruit vloeit voort dat eiseres sub 1 veel meer zou moeten stellen om zich met succes hierop te kunnen beroepen.

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat de stelling van eiseres sub 1 dat gedaagde sub 1 heeft nagelaten de erflater op de consequenties van de onderzetting te wijzen niet op. Zoals blijkt uit de door eiseres sub 1 overgelegde producties, met name de notariele akte van onderzetting d.d. 10 maart 2011, zijn de gevolgen vermeld en blijkt dat de erflater in zijn hoedanigheid als directeur van eiseres sub 1 de akte ten overstaan van de notaris heeft getekend en gelezen.

4.5 In aanmerking genomen dat eiseres sub 1 sedert 12 augustus 2015 kennis droeg van het feit dat gedaagde sub 2 een schuld aan gedaagde sub 1 heeft te voldoen en reeds de openbare verkoop was aangekondigd, heeft zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ruimschoots de gelegenheid gehad om overleg met gedaagde sub 1 en sub 2 te voeren over een andere oplossing dan die tot openbare verkoop. Gesteld noch gebleken is dat eiseres sub 1 de stap daartoe zou hebben ingezet. Voorts komt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat de door eiseres sub 1 aangevoerde gronden voor de stelling dat gedaagde sub 1 misbruik maakt van het aan haar als hypotheekhouder toekomend recht van openbare verkoop die stelling niet kunnen dragen. Dit, omdat gedaagde sub 1 een in redelijkheid te respecteren belang heeft om aan haar bevoegdheid tot parate executie toepassing te geven terwijl de door eiseres su 1 aangevoerde belangen onder de omstandigheden van het geval niet meebrengen dat een belangenafweging zou moeten leiden tot het opleggen van een verbod tot executie aan gedaagde sub 2.

4.6 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 en 4.5 is overwogen, zullen de door eiseres sub 1 gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 M.b.t. eiseres sub 1 t.a.v. de gevraagde voorzieningen gericht tot zowel gedaagden sub 1 en sub 2

5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt eiseres sub 1 in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 M.b.t eisers sub 2 tot en met 4 t.a.v. de gevraagde voorzieningen gericht tot zowel gedaagden sub 1 en sub 2

5.2.1 Verklaart eisers sub 2 tot en met 4 niet ontvankelijk in de door hun gevraagde voorzieningen.

5.2.2 Veroordeelt eisers sub 2 tot en met 4 in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op maandag 07 december 2015 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

SRU-K1-2018-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3153
01 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser sub A]
ingesloten te [locatie A],
[eiser sub B],
ingesloten te [locatie B],
[eiser sub C],
ingesloten te [locatie C],
[eiser sub D],
ingesloten te [locatie C],
[eiser sub E],
ingesloten te [locatie D],
allen ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eisers,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie in Suriname,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,

gemachtigde: mr. C. Klein, Hoofd Officier van Justitie.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 26 juli 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 juli 2018;
  • de aantekeningen van de griffier van het mondeling pleidooi van partijen d.d. 30 juli 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is vanwege de spoedeisendheid van de zaak bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eisers zijn allen op 27 september 2017 ingesloten ter zake vermoedelijk gepleegde strafbare feiten. Eisers zijn de Nederlandse taal niet machtig.

2.2 Op 27 november 2017 is de strafzaak tegen eisers door de strafrechter in behandeling genomen. Voor de behandeling van de strafzaak is een tolk in de voor eisers verstaanbare taal gewenst.

Op 22 februari 2018 zou het getuigenverhoor plaatsvinden, doch heeft zulks vanwege ziekte van de getuige niet meer plaatsgevonden. Het verhoor van de getuige is geschied op de terechtzitting van 26 februari 2018. Op 23 april 2018 is vanwege ziekte van de vervolgingsambtenaar geen verdere onderzoekshandeling ter terechtzitting gepleegd en is de zitting verdaagd naar 28 mei 2018, op welke datum beeldmateriaal in het bijzijn van eisers bekeken zou worden en eisers zouden worden verhoord.

2.3 Vanwege de stopzetting van de dienstverlening van de tolken aan gedaagde, heeft de strafrechter vanaf 28 mei 2018 geen onderzoekshandelingen meer kunnen verrichten in de strafzaak die nog tegen eisers loopt en is de verdere behandeling van de bedoelde strafzaak door de strafrechter verdaagd naar 23 juli 2018 en vervolgens van 23 juli 2018 naar 22 oktober 2018.

2.4 De tolken hebben hun dienstverlening naar gedaagde toe stopgezet, omdat gedaagde haar betalingsverplichting jegens hen niet is nagekomen voor de door hun verleende diensten.

2.5 Op 29 mei 2018 hebben eisers een verzoek ex artikel 61 Sv, inhoudende een verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis van eisers, bij het Hof van Justitie ingediend.

Op 05 juli 2018 heeft het Hof van Justitie het verzoek van eisers in behandeling genomen, doch kon zij vanwege de stopzetting van de dienstverlening van de tolken aan gedaagde niet overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het verzoek. Het resultaat hiervan is dat het Hof van Justitie de verdere behandeling van het verzoek van eisers heeft uitgesteld tot een nader te bepalen datum, met name totdat er een tolk in de Chinese taal ter beschikking van het Hof van Justitie zal zijn.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
Primair:
a) gedaagde te veroordelen om ter beschikking van het Hof van Justitie te stellen een tolk in de Chinese taal, zodat het verzoek van eisers gedaan conform artikel 61 Sv in behandeling kan worden genomen en wel binnen 24 uur nadat de kantonrechter zulks mocht hebben geoordeeld;
b) gedaagde te veroordelen om eisers lijfelijk in vrijheid te stellen bij veroordeling van het onder a gevorderde en wanneer gedaagde mocht nalaten c.q. verzuimen hieraan te voldoen;
c) gedaagde te willen veroordelen in de kosten van dit geding;

Subsidiair:
a) gedaagde te veroordelen om ter beschikking van het Hof van Justitie te stellen een tolk in de Chinese taal, zodat het verzoek van eisers gedaan conform artikel 61 Sv in behandeling kan worden genomen en wel binnen 24 uur nadat de kantonrechter zulks mocht hebben geoordeeld;
b) gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom groot SRD 50.000,-, voor elke dag en/of keer dat gedaagde mocht nalaten c.q. verzuimen te voldoen aan het gevorderde onder a;
c) gedaagde te willen veroordelen in de kosten van dit geding.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij zijn de Chinese taal niet machtig en is het de plicht van gedaagde om er voor zorg te dragen dat er een tolk in de Chinese taal bij de behandeling van elke strafzitting c.q. verzoek van eisers aanwezig is. Zij worden in hun rechten geschonden;
  • de wetgever hun niet de gelegenheid biedt om zelf voor een tolk in de Chinese taal zorg te dragen;
  • buiten de schuld om van eisers wordt hun strafzaak niet verder behandeld en evenmin hun verzoek ex artikel 61 Sv.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf in het bijzonder uit het feit dat, vanwege de stopzetting van de dienstverlening van de tolken aan gedaagde, eisers geen zicht hebben op de verdere behandeling van hun strafzaak en van hun verzoek ex artikel 61 Sv bij het Hof van Justitie. Om die reden worden eisers ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde voert als formeel verweer dat eisers niet ontvankelijk moeten worden verklaard in de door hun gevraagde voorzieningen, omdat de kantonrechter in kort geding onbevoegd is van de onderhavige zaak kennis te nemen. Zoals de kantonrechter gedaagde begrijpt, stelt gedaagde zich op het standpunt dat de strafrechter het forum is alwaar eisers de onderhavige vordering dienen voor te leggen. Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat de kort geding rechter wel bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering, omdat in casu ter beoordeling ligt de beantwoording van de vraag of gedaagde één der rechten van eisers schendt en daardoor al dan niet onrechtmatig jegens eisers handelt. Derhalve wordt het formeel verweer van gedaagde verworpen.

4.3 Zoals reeds hiervoor is overwogen, ligt ter beantwoording de vraag of gedaagde één der rechten van eisers schendt en aldus onrechtmatig jegens eisers handelt.

Blijkens het bepaalde in artikel 291 lid 4 Sv dient de vervolging zorg te dragen voor een tolk. De vervolging valt onder gedaagde. Hieruit volgt dat op gedaagde de plicht rust om, indien zulks nodig wordt geacht, zorg te dragen voor een tolk bij de behandeling van strafzaken, met in begrip van de betaling van de tolken voor hun dienstverlening.

Als niet weersproken staat vast dat een tolk in de Chinese taal nodig is bij de behandeling van de strafzaak tegen eisers. Tevens staat als niet weersproken vast dat gedaagde niet aan haar financiele verplichting jegens de tolken heeft voldaan en de tolken uit dien hoofde hun dienstverlening aan gedaagde hebben stopgezet. Het gevolg hiervan is dat vanaf 28 mei 2018 de verdere behandeling van de strafzaak tegen eisers door de strafrechter en het verzoek van eisers ex artikel 61 Sv door het Hof van Justitie is verdaagd en is er geen zicht wanneer de tolken wederom hun diensten aan gedaagde zullen verlenen.

In dat licht benadrukt de kantonrechter dat ingevolge artikel 10 van de Grondwet van de Republiek Suriname elke verdachte recht heeft op de behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn. Dit recht is ook neergelegd in het Inter Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens en artikel 14 van het BUPO verdrag, van welke verdragen de Staat Suriname, in casu gedaagde, partij is. Hieruit volgt dat gedaagde de plicht heeft om zich voldoende inspanningen te getroosten dat er geen stagnatie optreedt bij de behandeling van de strafzaak tegen eisers, waaronder mede begrepen het zich voldoende inspannen dat eisers bij de behandeling van hun strafzaak door een tolk in een Chinese taal worden bijgestaan.
Gesteld noch gebleken is dat gedaagde zich voldoende heeft ingespannen om te bewerkstelligen dat de tolken op zeer korte termijn wederom hun diensten aan de vervolging c.a. gedaagde zullen verlenen bij de behandeling van de strafzaak tegen eisers. Evenmin heeft gedaagde enig inzicht verschaft of en wanneer de tolken wederom zullen starten met het verlenen van hun diensten aan gedaagde bij de behandeling van de strafzaak die tegen eisers loopt. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat gedaagde in strijd handelt met het recht van eisers om te worden bijgestaan door een tolk in de Chinese taal bij de behandeling van hun strafzaak en handelt gedaagde aldus onrechtmatig jegens eisers. Om die reden komen de door eisers gevraagde voorzieningen voor toewijzing in aanmerking.

4.5 De kantonrechter begrijpt dat in strafzaken op gedaagde de plicht rust om de samenleving te beschermen (algemeen belang), doch staat daartegenover dat gedaagde zich ook voldoende dient in te spannen voor het treffen van de nodige voorzieningen dat strafzaak van verdachten binnen redelijke termijn worden behandeld opdat verdachten weten waar zij aan toe zijn (rechtszekerheid bij de verdachte). Met in achtneming van de afweging van de belangen van partijen, te weten het algemeen belang van gedaagde versus het individueel belang van eisers als verdachten, en rekening houdend met de praktische situatie, zal de kantonrechter in kort geding met gebruikmaking van de bevoegdheid die haar in kort geding toekomt anders beslissen dan door eisers is gevorderd. Dit, mede bekeken vanuit het licht dat de recesperiode voor de Rechterlijke Macht op 15 augustus 2018 ingaat en dient te worden voorkomen dat eisers, na het uitputten van de eigen rechtsmiddelen hier te lande, een klacht tegen gedaagde indienen bij het Inter Amerikaanse Hof inzake Rechten van de Mens.

4.6 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten zijn tot de dag van de uitspraak begroot op totaal SRD 394,-, bestaande uit de kosten voor oproep van gedaagde ad SRD 344,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing
5.1 Veroordeelt gedaagde om in het kader van de behandeling van het verzoek van eisers ex artikel 61 Sv vanaf 03 augustus 2018 tot en met 30 augustus 2018 een tolk in de Chinese taal ter beschikking van het Hof van Justitie te doen stellen, zodat het Hof van Justitie gedurende die periode kan overgaan tot de inhoudelijke behandeling van het door eisers bedoeld verzoek.

5.2 Veroordeelt gedaagde om, indien zij nalaat aan de veroordeling onder 5.1 in dit vonnis te voldoen, eisers op 01 september 2018 om 10.00 uur lijfelijk in vrijheid te stellen.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een eenmalige dwangsom ad SRD 50.000.000,- (Vijftig Miljoen Surinaamse Dollar), indien zij nalaat aan de veroordeling onder 5.2 in dit vonnis te voldoen.

5.4 Bepaalt dat eisers in het kader van de verdere behandeling van hun verzoek ex artikel 61 Sv, het Hof van Justitie in kennis doen stellen van het op heden in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen vonnis.

5.5 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 in dit vonnis is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 394,- (Driehonderd en Vierennegentig Surinaamse Dollar).

5.7 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 01 augustus 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-29

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 153489
25 oktober 2018

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

INDUSTRIAL SUPERMASSA LTD, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Ananindeua, Para Distrito Industrial, Sector B. Quadra 5, Lote 7 CEP, 67.033-310 te Belem in Brazilie,
gemachtigde: mr. H. G. Chandoe, advocaat,
eiseres in het incident en in de hoofdzaak in kort geding,
hierna te noemen: “Industrial”,
tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP SURIMASSA INDUSTRIES, gevestigd en kantoor houdende aan de Prinsessestraat no. 385 te Paramaribo, doch feitelijk gevestigd en kantoor houdende aan de Afobakaweg perceel no. 1960 in het district Para,
[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
gemachtigde: mr. M. Sheombar, advocaat,
gedaagden in het incident en in de hoofdzaak in kort geding,
hierna te noemen: “de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2]”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 3 augustus 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met productie,
  • de conclusie van repliek, met producties en de incidentele conclusie met betrekking tot het adres van gedaagden;
  • de conclusie van dupliek, met producties, en de conclusie van antwoord in het incident;
  • de conclusie tot uitlating producties, met producties, en van repliek in het incident,
  • de conclusie tot uitlating producties, en van dupliek in het incident.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Industrial is merkhouder en eigenaar van het tegelcement product dat op de Surinaamse markt te krijgen is onder de naam Argamassa Supermassa. De producten worden in Brazilie vervaardigd.

2.2 Industrial heeft op 16 februari 2015 haar producten en beeldmerk ter inschrijving voorgelegd aan het Bureau Intellectueel Eigendom, hetgeen blijkt uit de overgelegde applicatienummers [nummer 1] en [nummer 2].

2.3 [gedaagde 1] heeft in het jaar 2006 gedurende een periode van zes maanden goederen bij Industrial gekocht welke door hem werden vervoerd naar Suriname en op de Surinaamse markt werden verkocht.

2.4 [gedaagde 1] heeft via de email met Industrial gecommuniceerd over een eventueel filiaal in Suriname. Hierna is er geen samenwerking tot stand gekomen.

2.5 Tijdens een bezoek van Industrial aan Suriname heeft Industrial gemerkt dat in Suriname door de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegelcementproducten werden geproduceerd en verkocht onder het merk Argamassa Surimassa.

2.6 Bij schrijven van 10 april 2015 heeft de raadsvrouwe van Industrial bij de NV onder de aandacht gebracht dat de NV inbreuk pleegt op de rechten van Industrial als rechtmatige merkhouder van Supermassa producten. Zij heeft in dat schrijven aangegeven dat Industrial enorme schade lijdt door het handelen van de NV en heeft de NV gesommeerd om alle producten onder de naam Argamassa Surimassa uit de winkels te halen op straffe van een dwangsom. Tevens diende de NV alle reclame materiaal te vernietigen.

2.7 Gedaagden hebben per schrijven van 4 mei 2015 op de brief van Industrial gereageerd waarbij zij stelden dat zij niet onrechtmatig handelen.

2.8 Gedaagden hebben tevens in de krant van 27 april 2015 een bekendmaking geplaatst waarin zij aan het publiek meedelen dat zij geen namaak product maken.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering in de hoofdzaak

Industrial vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om met onmiddellijke ingang alle daden welke verwarring zouden kunnen veroorzaken door aanwending van onverschillig welk middel ten opzichte van de verpakking in het bijzonder het logo het product en het onrechtmatig gebruik van de misleidende naam Argamassa Surimassa te beëindigen;
  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om alle valse beweringen bij de verkoop van hun namaakproduct waardoor de inrichting, het tegelcementproduct en of de werkzaamheden van Industrial in diskrediet zijn gebracht, onmiddellijk te staken;
  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om met onmiddellijke ingang alle bestaande nagemaakte tegelcementverpakkingen ten verkoop uitgestald of opgeslagen in de distributie en of verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten te verwijderen en te vernietigen op een locatie in samenspraak met de daarmee belaste autoriteiten van het Korps Politie Suriname;
  • de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om met onmiddellijke ingang al het origineel en bestaand nagemaakt reclame materiaal ter misleiding uitgestald voor de namaakproduciten onder de naam Argamassa Surimassa, in de verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo of in de districten van Suriname te verwijderen en te vernietgen op een locatie in samenspraak met de desbetreffende of daarmee belaste autoriteiten van het Korps Politie Suriname;
  • Industrial toestaat om met behulp van de sterke arm alle producten waarop haar logo gedrukt staat op de verpakking van tegelcement producten van de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die in de verkoopwinkes waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten zijn uitgestald te verwijderen en te vernietigen of te doen verwijderen en te vernietigen;
  • De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om aan Industrial aan geleden schade en inkomstenderving te betalen het bedrag van USD. 840.000,= op straffe van een dwangsom;
  • De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt in de kosten van de advocaat ad. USD.3.500,= en voorts
  • De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag in de hoofdzaak
Industrial heeft als grondslag voor het gevorderde drie zaken aangevoerd:

  1. dat zij het intellectueel eigendom op de tegelcementproducten die zij produceert onder de naam Argamassa Supermassa heeft geregistreerd in Brazilie en ook de registratie heeft ingediend bij het Bureau Intellectueel Eigendom van Suriname;
  2. dat de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het originele product van Industrial namaken waarbij de uiterlijke kenmerken van de namaak van dien aard is dat alleen bij de hele kritische koper de verschillen tussen het origineel en het namaakproduct zullen opvallen; dat [gedaagde 1], na enige tijd succesvol het product van Industrial te hebben gebracht op de Surinaamse markt, in Suriname het bedrijf Surimassa Industries NV heeft opgezet en ingeschreven en aan Industrial verklaard heeft dat het exporteren van het product van Industrial naar Suriname op veel moeilijkheden stuit waardoor hij het product niet meer zou afnemen; met de NV is hij toen begonnen het product van Industrial in Suriname na te maken en op de markt te brengen;
  3. dat Suriname en Brazilie partij zijn bij het Verdrag van Parijs waardoor fabrieks en handelsmerken van onderdanen van beide landen worden beschermd en oneerlijke mededinging wordt verboden;
  4. dat de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met het voorgaande onrechtmatig handelen jegens Industrial als gevolg van welk onrechtmatig handelen Industrial enorme schade heeft geleden; de schade bestaat onder andere uit de gederfde inkomsten van de afgelopen zeven jaren;
  5. dat met het namaken van het product van Industrial en de verpakking voorzien van een logo van Industrial en gelijksoortige teksten als het product van Industrial het publiek in verwarring wordt gebracht en wordt misleid, waarbij het nagemaakte product ook nog inferieur is aan het product van Industrial.

3.3 De vordering in het incident
Industrial heeft als incident opgeworpen dat het adres van de NV niet het adres is dat in het inleidend verzoekschrift is opgenomen en dat Industrial daar op een later tijdstip achter is gekomen. Industrial heeft in het incident tevens een nadere conclusie genomen waarin zij aanvoert dat de NV met het oogmerk om hun onrechtmatig handelen te kunnen ontkennen tracht haar werkelijke adres onbekend te houden.De NV heeft in het incident aangevoerd wat haar juiste adres is en heeft betwist dat zij heeft getracht om haar adres onbekend te houden.

3.4 De beoordeling
De kantonrechter overweegt dat de opmerkingen gemaakt door partijen met betrekking tot het juiste adres van de NV formeel slechts neerkomen op een verzoek tot rectificatie van het adres van gedaagden dat is vermeld in het inleidend verzoekschrift. Een dergelijke kwestie in een proces wordt niet aangemerkt als een incident waarin over en weer zou moeten worden geconcludeerd door partijen, waardoor de kantonrechter voorbij zal gaan aan de stellingen en weren welke door partijen naar voren zijn gebracht in het kader van het incident. Slechts de correctie van het adres zoals gevraagd zal worden gehonoreerd middels het verlenen van akte van wijziging van het adres van gedaagden, zoals reeds is doorgevoerd in de aanhef van het vonnis. Voor het overige zal er niet worden ingegaan op de stellingen en weren in het kader van het incident.

4. Het verweer
In de hoofdzaak
De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
In de hoofdzaak

5.1 De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat zij geen namaak producten maken en dat de naam waaronder zij de producten verkopen namelijk Argamassa Surimassa niet misleidend is bedoeld en geen verwarring brengt; dat het woord argamassa mortel betekent en om die reden voor alle producten die mortel zijn kan worden gebruikt;
  2. dat gedaagden indertijd zelf hebben besloten om geen producten meer naar Suriname te sturen en dat het niet door de gedaagden komt dat zij geen producten meer naar Suriname stuurden;
  3. dat de NV het recht heeft om meerdere talen op haar producten te plaatsen en dat zij, omdat zij ook aan inwoners van Suriname van Braziliaanse afkomst het product verkoopt de Braziliaanse teksten op de verpakking plaatst;
  4. dat zij bezig zijn hun verpakking aan te passen en dus hun product in een andere verpakking op de markt te brengen;
  5. dat zij geen schade hebben toegebracht aan Industrial en haar geen schadevergoeding verschuldigd zijn.

5.2 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Industrial. Industrial stelt dat het onrechtmatig gedrag uit de volgende drie gedragingen bestaat:

  1. door bij Industrial onterecht de indruk te wekken dat het niet gunstig is om het product van Industrial langer op de Surinaamse markt te brengen;
  2. voorts door daarna het product met de naam Agramassa Surimassa te produceren en te plaatsen in een verpakking met het logo van Industrial met Portugese teksten erop en
  3. door het plaatsen van reclame materiaal voor het product met de naam Argamassa Surimassa met het logo van Industrial.

5.3 De kantonrechter overweegt voor wat betreft het “onterecht wekken van de indruk bij Industrial dat het niet gunstig is om het product van hun nog langer op de Surinaamse markt te brengen”, dat gedaagden dit gedrag ontkennen. Zij stellen dat zij nimmer die indruk hebben gewekt en dat Industrial zelf ervoor heeft gekozen om niet langer het product op de Surinaamse markt te brengen.

5.4 De kantonrechter overweegt met betrekking tot dit punt dat enerzijds Industrial de gedraging stelt en anderzijds de gedraging door de gedaagden wordt betwist. Nu Industrial geen producties heeft overgelegd waaruit blijkt dat er een moment is geweest waarop gedaagden aan Industrial hebben voorgehouden dat het niet gunstig is om hun product op de Surinaamse markt te brengen, is dat deel van de grondslag niet aannemelijk geworden.

5.5 De kantonrechter overweegt met betrekking tot de tweede gedraging, namelijk dat gedaagden onrechtmatig handelen door het product te produceren met de naam Argamassa Surimassa en deze in de verpakking plaatst met bedoelde naam en het logo van Industrial erop, dat Industrial stelt dat de naam en de verpakking voor verwarring zorgen en gedaagden stellen dat dat niet het geval is.

5.6 De kantonrechter overweegt dat in de rechtspraak deze beoordeling aan de orde is geweest in verschillende zaken betreffende het handelsmerk of de handelsnaam, waaronder de volgende:

5.7 In de zaak van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:5406) is als volgt overwogen: “ 4.9. ………………..Van inbreuk in deze zin is sprake als het teken en het merk zodanig overeenstemmen dat daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, moet in aanmerking worden genomen dat het verwarringsgevaar globaal dient te worden beoordeeld volgens de indruk die het teken en het merk bij de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten achterlaat, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name de onderlinge samenhang tussen de overeenstemming van merk en teken en de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten. De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient te berusten op de totaalindruk die door de merken wordt opgeroepen, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Voorts dient rekening te worden gehouden met het onderscheidend vermogen van het merk. Verwarringsgevaar moet eerder worden aangenomen naar mate de waren en/of diensten (soort)gelijker zijn.

5.8 In de zaak van de Rechtbank Den Haag van 10 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8191) wordt als volgt overwogen: “ ……
Gelet op deze uitgangspunten overweegt de voorzieningenrechter als volgt:
Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat zij juist moeite hebben gedaan een handelsnaam te kiezen die afwijkt van de handelsnaam van eiseressen. Door het gebruik van de eigen naam “[voornaam]”, alsmede het gebruik van het woord “schoenmode” zijn gedaagden naar hun mening voldoende afgeweken van de door eiseressen gevoerde handelsnaam, zodat geen sprake kan zijn van verwarring. Dit argument treft geen doel. Zowel in de handelsnaam ‘De Vries schoenen’ als in de handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ is het element ‘De Vries’ het meest kenmerkende bestanddeel. De overige elementen (schoenen c.q. schoenmode en [voornaam]) zijn daaraan ondergeschikt. De elementen ‘schoenen’ en ‘schoenmode’ lijken bovendien ook sterk op elkaar. Om deze redenen zullen beide handelsnamen bij het publiek, dat die namen niet direct naast elkaar ziet, eenzelfde indruk wekken. Hetzelfde geldt voor de handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ met het onderschrift ‘Schoenmakerij De Vries’.
……………………….

Alle hiervoor beschreven omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat er gevaar voor verwarring tussen beide ondernemingen te duchten is ten gevolge van het gebruik van de handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ door gedaagden. De handelsnaam ‘Schoenmode [voornaam ged 2] de Vries’ (al dan niet met het onderschrift ‘Schoenmakerij De Vries’) maakt naar voorlopig oordeel dan ook inbreuk op de oudere handelsnaam ‘De Vries schoenen’.

5.9 De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde producties blijkt dat de wijze waarop het product van Industrial en het product van gedaagden wordt gepresenteerd inderdaad van dien aard is dat aangenomen kan worden dat het voor verwarring kan zorgen. De naam Argamassa Supermassa vertoont zodanige overeenkomst met de naam Argamassa Surimassa, vooral voor wat de klank betreft, dat dat deel van de grondslag wel aannemelijk is, namelijk dat bij het publiek zeer waarschijnlijk de indruk kan ontstaan dat het product hetzelfde product is als het product van Industrial. Hetzelfde geldt voor de uiterlijke verschijning van het product door het plaatsen van het logo van Industrial, het mannetje, op de verpakking en het gebruik van de woorden AC-1 en AC-III en voorts het gebruik van enkel de Portugese taal op de verpakking.

5.10 De kantonrechter is van oordeel dat Industrial zich terecht erop beroept dat gedaagden hiermee onrechtmatig handelen jegens Industrial en het feit dat gedaagden in hun conclusie van antwoord hebben aangehaald dat zij doende zijn op een andere verpakking over te stappen bevestigt het feit dat ook gedaagden tot de slotsom zijn gekomen dat de verpakking niet kon worden gehandhaafd.

5.11 De kantonrechter overweegt dat gedaagden bij dupliek twee stuks verpakkingen hebben overgelegd welke het logo van Industrial niet meer bevat en ook niet meer de naam Argamassa Surimassa doch de naam Surimassa. Ook de vermelding van de soorten AC-1 en AC-III is niet meer op de verpakking te zien. In het geding is door de stellingen en weren van partijen en het feit dat gedaagden gaandeweg de verpakking hebben aangepast, aannemelijk geworden dat Industrial als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagden, genoodzaakt was een rechtzaak in te stellen teneinde aan de onrechtmatige situatie een eind te brengen, waardoor Industrial terecht de advocaatkosten van gedaagden vordert.

5.12 De kantonrechter zal op grond van het voorgaande het gevorderde onder 1 tot en met 5 van het petitum toewijzen, evenals het gevorderde onder 8 van het petitum. De kantonrechter zal evenwel de vordering tot vernietiging niet toewijzen nu het verwijderen van de verpakking uit de winkels en het verwijderen van het reclame materiaal voldoende is om de verwarring te voorkomen.

5.13 De kantonrechter overweegt ten aanzien van de geldvordering onder punt 6 en 7 van het petitum, dat, nu deze door gedaagden wordt betwist, diepgaand onderzoek noodzakelijk is hetgeen niet in kortgeding mogelijk is. Voor die vordering zal Industrial de bodemrechter moeten benaderen.

5.14 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
In het incident

6.1 Verleent akte van wijziging van het adres van gedaagden;
In de hoofdzaak

6.2 Verbiedt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om met ingang van de dagtekening van dit vonnis gebruik te maken van de verpakking met daarop de merknaam “Argamassa Surimassa” en het logo van Industrial, het mannetje, en de benamingen “AC-1” en “AC-III”;

6.3 Veroordeelt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen een termijn van 1 (een) maand na betekening van dit vonnis, alle bestaande tegelcementverpakkingen ten verkoop uitgestald of opgeslagen in de distributie- en of verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten, waarop de naam staat van Argamassa Surimassa en waarop het logo in de vorm van het mannetje van Industrial staat afgebeeld te verwijderen;

6.4 Veroordeelt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 1 (een) maand na betekening van dit vonnis al het origineel en bestaand reclame materiaal waarop de naam staat van Argamassa Surimassa en waarop het logo in de vorm van het mannetje van Industrial staat afgebeeld in de verkoopwinkels waar dan ook gelegen in Paramaribo of in de districten van Suriname te verwijderen;

6.5 Machtigt Industrial om, indien gedaagden weigeren aan de veroordelingen onder 6.2, 6,3 en 6.4 te voldoen, met behulp van de sterke arm alle producten in de verpakkingen en al het reclame materiaal zoals bedoeld onder 6.2 en 6.3 en 6.4 van de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], die in de verkoopwinkes waar dan ook gelegen in Paramaribo en of in de districten zijn uitgestald te verwijderen en te vernietigen;

6.6 Veroordeelt De NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan Industrial tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van USD.3.500,= (drieduizend vijfhonderd Noord-Amerikaanse dollar) zijnde de advocaatkosten;

6.7 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.8 Veroordeelt de NV, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van Industrial gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.500,= (vijfhonderd Surinaamse dollar);

6.9 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. A. Charan, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 25 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-3483
24 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

VIERHOEK INTERNATIONAL N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 17 augustus 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 augustus 2018;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende het mondeling afpleiten van partijen en de comparitie van partijen;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende de conclusie die mondeling is genomen na gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is een bedrijf dat goederen import en staat bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen geregistreerd onder het [importeursnummer].

2.2 Gedaagde heeft het importeursnummer inactief gesteld. Als gevolg hiervan kan eiseres niet voldoen aan haar wettelijke plicht tot aangifte en de door haar geïmporteerde goederen niet inklaren. In dat kader heeft de gemachtigde namens eiseres op 02 augustus 2018 een schrijven aan gedaagde gericht, waarin zij onder meer het volgende vermeld:

Cliënten, althans diens vertegenwoordiger(s), ervaren al enige tijd dat door de Douane een gewijzigd beleid wordt gevoerd, waarbij het importnummer van cliënten wordt afgesloten en zij verplicht worden voor iedere inklaring afzonderlijk toestemming te vragen.
Deze werkwijze is bij cliënten volstrekt onbekend, hoogst onbegrijpelijk en zorgt bovendien voor enorm veel ongerief en stagnatie in de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten m.n het importeren van goederen, daargelaten de schade die hierdoor wordt geleden.
Cliënten zijn op geen enkele manier op een correcte wijze in kennis gesteld van dit “gewijzigd” beleid dat ten aanzien van hen wordt gehanteerd, waardoor zij zich hiertegen niet hebben kunnen verweren.
Cliënten zijn en worden nog steeds in onwetendheid gelaten omtrent de oorzaak, welke de direkte aanleiding zou zijn geweest voor dit “gewijzigd” beleid.
Voorzover cliënten zich aan enig verzuim e/o overtreding schuldig hebben gemaakt, behoorden zij hiervan op de correcte wijze in kennis te worden gesteld en de gelegenheid te krijgen om binnen een redelijke termijn het geconstateerde verzuim e/o de overtreding te herstellen.
Naar bekomen informatie wordt dit “gewijzigd” beleid bovendien uitsluitend ten aanzien van cliënten toegepast. Dit handelen riekt naar willekeur en creëert een ongelijke concurrentie.
Het is evident dat u, althans de Staat hierdoor onbehoorlijk, onbetamelijk en in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Immers, door een beleid te voeren dat niet aan cliënten bekend is en waaromtrent cliënten in onwetendheid worden gelaten, weten cliënten niet waar zij aan toe zijn en/of wat de overheid van hen verlangt. Zij het nog de vraag als zij in de gevallen van cliënten, de geldende rechtsregels juist en consequent worden toegepast.

(…)

U wordt hierbij aangemaand om binnen 1×24 uur na ontvangst van dit exploot de importnummers van cliënten open te stellen, althans alle daartoe vereiste handelingen te verrichten en u te onthouden van iedere onrechtmatige handeling als gevolg waarvan cliënten niet vrij en ongestoord hun bedrijfsactiviteiten zouden kunnen uitvoeren, meer in het bijzonder het onrechtmatig afsluiten van de importnummers van cliënten.

2.3 Op 07 augustus 2018 heeft de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen als volgt op het hiervoor vermeld schrijven van de gemachtigde van eiseres gereageerd:
(….)
Vierhoeks International n.v. met [importeursnummer] wordt in het klantenbestand van het AW systeem telkens opengesteld en afgesloten zodra zij ladingen heeft om aan te geven ten invoer voor het vrije verkeer met dien verstande, dat het bedrijf (importeur) op de voet wordt gevolgd ter voorkoming van onregelmatigheden. In het AW systeem is [importeursnummer] momenteel INACTIVE gesteld. Voornoemd maatregel is getroffen naar aanleiding van het feit dat Vierhoeks International n.v. zich heeft doen registreren op een bedrijfsadres met name aan de Marcusstraat 23 welke bij controle onbewoond blijkt te zijn. Dit is ook het geval geweest bij de overige bedrijfen(importeurs) als voornoemd;

Van de overige importeurs als voornoemd zijn de importnummers op dit moment op ACTIVE waardoor zij vrij zijn om aangiften te registreren in het AW systeem.

2.4 Op 10 augustus 2018 heeft eiseres in navolging op de reactie van de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen een aanmaning gestuurd naar gedaagde, inhoudende onder meer het volgende:

Door werkarmen van de Staat is namelijk op of omstreeks 27 juni 2018 zonder enige voorafgaande mededeling en/of kennisgeving het importnummer van Vierhoeks International NV door de Douane e/o de leiding van het managementteam bij de Douane afgesloten met het direct gevolg dat het voor cliënten, althans Vierhoeks International NV onmogelijk is om zijn containers te doen inklaren en van de Nieuwe Haven af te voeren.

Cliënten cq Vierhoeks Int. NV hebben geen enkele aanmaning terzake ontvangen om een eventueel door hun gepleegde overtreding of verzuim te herstellen. Evenmin heeft hoor en wederhoor plaatsgevonden en zijn cliënten – ook niet na herhaalde verzoeken – geïnformeerd omtrent de direkte aanleiding of oorzaak van deze maatregel.

Cliënten cq Viehoeks Int. NV lijdt hierdoor enorm veel schade, (…)

De Staat Suriname wordt hierbij tevens gesommeerd om onmiddellijk, althans binnen 1x 24 uur na ontvangst van deze sommatie het importnummer van cliënten, althans Vierhoeks International NV open te stellen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na de uitspraak althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, het [importeursnummer] van eiseres wederom actief te stellen en eiseres ongehinderd en ongestoord de mogelijkheid te bieden haar bevoegdheid zoals vastgelegd in aritkel 11 e.v van de Scheepsvaartwet uit te oefenen;
b) gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 25.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagde in strijd handelt met het onder a gevorderde;
c) gedaagde te veroordelen bij wege van schadevergoeding aan eiseres te betalen de bedragen van SRD 19.981,32 en USD 9.750,-, elk afzonderlijk vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar daarover vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt door in strijd te handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het afsluiten van het importnummer is niet proportioneel in verhouding tot de vermeende overtreding;
  • als gevolg van het afsluiten van het importnummer kan eiseres niet voldoen aan haar aangifteplicht zoals bepaald in artikel 11 van de Scheepsvaartwet;
  • gedaagde heeft eiseres niet vooraf in kennis gesteld aan welk verzuim zij zich schuldig zou hebben gemaakt en evenmin in gebreke gesteld dit verzuim te corrigeren;
  • als gevolg van deze handeling lijdt eiseres schade ad SRD 19.981,32 en USD 9.750,-.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt in voldoende mate uit de aard van de stellingen van eiseres. Om die reden wordt zij ontvangen in het kort geding.

4.2 Na de gehouden comparitie van partijen heeft eiseres een akte van rectificatie gevorderd, inhoudende dat waar “afsluiten” staat vermeld wordt gelezen “inactief stellen”. Tegen deze acte van rectificatie heeft gedaagde bezwaar geopperd, daarin bestaande dat zij door deze acte van rectificatie in haar verweer is geschaad. Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde niet in haar verweer is geschaad, omdat vanaf het mondeling afpleiten de termen “actief” en “inactief” zijn gebezigd ook tijdens de comparitie van partijen. Om die reden gaat de kantonrechter voorbij aan dit bezwaar en zal de akte van rectificatie worden toegestaan zoals gevorderd en zoals reeds verwoord onder 3.1 in dit vonnis.

4.3 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld en aldus onrechtmatig.

Gedaagde heeft weersproken in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te hebben gehandeld door aan te voeren dat eiseres de importdocumenten lijfelijk aan haar moest afstaan. Doordat eiseres deze documenten niet heeft afgestaan, heeft gedaagde gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om het importeursnummer inactief te stellen. Gedaagde heeft aangevoerd dat zij eiseres vooraf in kennis heeft gesteld van het feit dat zij de importdocumenten aan haar moest doen toekomen, doch heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter dit niet voldoende aannemelijk gemaakt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar het schrijven van gedaagde van 07 augustus 2018 gericht aan de procesgemachtigde van eiseres, waarin gedaagde slechts als reden heeft vermeld dat het door eiseres opgegeven adres bij controle onbewoond bleek te zijn. Ter comparitie van partijen heeft gedaagde bij monde van haar vertegenwoordigers zelf verklaard dat eiseres de documenten betreffende het adres reeds op 28 juni 2018 in orde heeft gemaakt. Van het afstaan van importdocumenten heeft gedaagde geenszins melding gemaakt in voornoemd schrijven en komt zij pas met deze mededeling ter comparitie van partijen. Een dergelijk handelen van gedaagde, acht de kantonrechter in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (te weten het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel) en handelt zij hierdoor dus onrechtmatig jegens eiseres.

Gedaagde dient als overheidsorgaan te worden aangemerkt als te zijn een ingewijde die over alle relevante informatie beschikt. Hierdoor verkeerd iedere burger, waaronder ook eiseres, in een afhankelijke positie van gedaagde. Vanwege deze machtige positie ligt het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter op de weg van gedaagde om burgers, alsook eiseres, de juiste en volledige informatie te verschaffen omtrent hun (rechts)positie. Zulks heeft eiseres, zoals blijkt uit de inhoud van haar schrijven van 07 augustus 2018 nagelaten. Middels dat schrijven heeft gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter bij eiseres de indruk gewekt dat slechts het verkeerd opgegeven adres de reden is geweest van het inactief stellen van het importeursnummer en mocht eiseres er redelijkerwijs van uitgaan dat bij het corrigeren van dat verzuim het importeursnummer wederom actief zou worden gesteld. Nu tijdens de comparitie van partijen duidelijk is gemaakt dat voor het wederom actief stellen eiseres de vereiste importdocumenten aan gedaagde moet afstaan, zal de kantonrechter de door eiseres gevraagde voorziening onder a aangepast toewijzen zoals hierna in de beslissing vermeld.

4.4 Alhoewel de kantonrechter de handelwijze van gedaagde onrechtmatig acht, zal de door eiseres gevraagde voorziening onder b, inhoudende de vordering tot schadevergoeding worden geweigerd. Dit, omdat de hoogte van het schadebedrag niet voldoende aannemelijk is. Eiseres zal dit bij de bodemrechter moeten beslechten.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 349,-.

5. De beslissing

De kantonrechter:
5.1 Staat toe de gevorderde akte van rectificatie zoals overwogen onder 4.2 in dit vonnis.

5.2 Veroordeelt gedaagde de importdocumenten van de container met goederen gelijk na afgifte door eiseres in ontvangst te nemen, te controleren en het [importeursnummer] gelijk nadien wederom actief te stellen, dit alles binnen 1 x 24 uur na de uitspraak van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom ad SRD 25.000,- (Vijfentwintigduizend Surinaamse Dollar) per uur, indien gedaagde geen uitvoering geeft aan hetgeen hiervoor onder 5.2 is beslist, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 200.000,- (Tweehonderdduizend Surinaamse Dollar) niet te bovengaat.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2 en 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 399,- (Driehonderd en Negenennegentig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 24 augustus 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-2570
16 augustus 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser], advocaat,
wonende aan [adres],
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres],
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. V.V.C. Piqué, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 08 juni 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 14 juni 2018;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie

2.1 [gedaagde] heeft een klacht tegen [eiser] ingediende bij de Deken van de Orde van Advocaten, hierna te noemen de Deken.

2.2 Op 27 oktober 2017 heeft de Deken de klacht ter kennis gebracht van het Advocaten Tuchtcollege, hierna afgekort ATC.

2.3 Op 25 mei 2018 heeft het ATC de tegen [eiser] ingediende klacht gegrond verklaard en heeft de volgende maatregel aan [eiser] opgelegd:

  • schorsing om het beroep van advocaat uit te oefenen voor een periode van twee maanden en wel met ingang van 01 juli 2018 eindigende op 31 augustus 2018, en dat deze maatregel komt te vervallen indien [eiser] binnen een week na de beslissing het bedrag van SRD 12.500,- tegen behoorlijke kwijting aan [gedaagde] betaalt.
  • 2.4 Op 08 juni 2018 heeft [eiser] hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van het ACT.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 In conventie vordert [eiser], om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. te schorsen, althans de schorsing te doen gelasten van de beslissing van het ATC van vrijdag 25 mei 2018, in de zaak bekend onder no. 17/05 en bekend onder [gedaagde] , klager tegen [eiser], advocaat, totdat in het ingesteld hoger beroep van [eiser] zal zijn beslist, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 15.000,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in strijd met dit vonnis handelt;
  2. [gedaagde] te veroordelen het gevorderde onder 1 te gehengen en te gedogen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 15.000,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] in strijd met dit vonnis handelt;
  3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2 In conventie legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens hem pleegt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende;

  • [gedaagde] heeft onterecht een klacht tegen hem ingediend bij het ATC en bewust informatie voor het ATC verzwegen;
  • in strijd met artikel 41 lid 1 van de Advocatenwet is er niet eerst geschikt door de Deken en is [eiser] niet in kennis gesteld van de klacht door de Deken;
  • het ATC heeft hem in strijd met artikel 52 van de Advocatenwet niet behoorlijk opgeroepen.

3.3 [gedaagde] heeft in conventie verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 [gedaagde] vordert in reconventie, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te voldoen enig voorschot groot SRD 12.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per maand, vanaf 25 juni 2018 tot de algehele voldoening.

3.5 In reconventie legt [gedaagde] aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser] een onrechtmatige daad jegens hem pleegt door te weigeren te voldoen aan de door het ATC opgelegde maatregel tot betaling van het bedrag groot SRD 12.500,-.

Als spoedeisend belang stelt hij dat hij de gelden dringend nodig heeft om alsnog juridische hulp in te kunnen roepen.

3.6 [eiser] heeft in reconventie verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 [eiser] stelt als spoedeisend belang dat hij meerdere cliënten heeft en zowel hij als zijn cliënten schade zullen lijden als hij het beroep van advocaat voor twee maanden niet zal kunnen uitvoeren. Tevens stelt hij dat zijn imago geschaad zal worden, omdat bij het bekend worden van deze beslissing hij minder cliënten zal krijgen.
Zoals de kantonrechter[eiser] begrijpt, gaat hij ervan uit dat de aan hem opgelegde maatregel van schorsing reeds uitvoerbaar is. Kennelijk vanwege het feit dat het ATC in diens beslissing bij de aan [eiser] opgelegde maatregel een periode heeft vermeld. Echter is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de aan [eiser] opgelegde maatregel van schorsing pas uitvoerbaar zodra het Hof van Justitie heeft beslist op het door [eiser] ingestelde hoger beroep. Dit leidt de kantonrechter af uit:

  • het bepaalde in artikel 45 lid 4 van de Advocatenwet, in welk artikel is neergelegd dat tot de tenuitvoerlegging van de maatregelen eerst wordt overgegaan, zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan;
  • het bepaalde in artikel 60 lid 2 waarin is neergelegd dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk om het beroep van advocaat uit te oefenen door de secretaris van het ATC wordt medegedeeld aan het Hof van Justitie, zodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en dient de Deken op grond van artikel 60 lid 2 zorg te dragen voor de openbaarmaking zodra de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Vaststaat dat [eiser] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van ATC, hetgeen de kantonrechter tot de slotsom brengt dat de opgelegde maatregel van schorsing nog geen kracht van gewijsde heeft en dus nog niet kan worden ten uitvoer gelegd. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen heeft [eiser] met de door hem ingestelde vordering geen enkel belang en evenmin enig spoedeisend belang. Hieruit volgt dat [eiser] niet ontvankelijk zal worden verklaard in de door hem gevraagde voorzieningen.

4.2 Zoals reeds hiervoor onder 4.1 is overwogen is een door het ATC opgelegde maatregel pas uitvoerbaar, als de beslissing ter zake in kracht van gewijsde is gegaan. Nu de beslissing van het ATC nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en de beslissing van het ATC als bijzondere rechtsprekend college niet uitvoerbaar bij voorraad is, mist de door [gedaagde] ingestelde vordering in reconventie enige grondslag. Om die reden zal de door hem gevraagde voorziening in reconventie worden geweigerd. Daarbij benadrukt de kantonrechter dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts plaats is, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.

4.3 In conventie zal [eiser] als de niet te ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld. In reconventie zal [gedaagde], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

De kantonrechter:
In conventie
5.1 Verklaart [eiser] niet ontvankelijk in de door hem gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.3 Weigert de gevraagde voorziening.

5.4 Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 16 augustus 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2016-33

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3141
21 juli 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten op het politiestation Leiding 9A ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 23 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 24 juni 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 24 juni 2016, waarbij eiser is gelast een afschrift van het strafvonnis alsnog ten processe over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging van een fotokopie van het strafvonnis d.d. 30 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating over de productie d.d. 05 juli 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 augustus 2015 is eiser in verzekering gesteld. Bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton is hij op 22 juni 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 3 maanden.

2.2 Tegen het hiervoor vermeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.3 Bij schrijven d.d. 22 juni 2016 heeft de gemachtigde namens eiser een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan de Minister van Justitie en Politie gedaan. Ter zake heeft de gemachtigde namens eiser het volgende in het verzoek verwoord:
“Namens mijn client, [eiser], wil ik dringend het volgende onder uw aandacht brengen.
Client is op 21 augustus 2015 in verzekering gesteld.
Op 22 juni 2016 is client veroordeelt tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 3 maanden met aftrek van de tijd in voorarrest gezeten.
Client is ingesloten in het politiecellenhuis Leiding 9A en heeft op 21 juni 2016 twee derde deel van zijn straf uitgezeten.
Client heeft na een interne straf te hebben gezeten dus op 21 juni 2016 in vrijheid moeten worden gesteld, op grond van het vonnis van de Edelachtbare Kantonrechter, hetgeen tot op heden niet is geschiedt.
Namens mijn client verzoek ik u hem in aanmerking te doen komen voor een voorwaardelijke in vrijheidstelling krachtens artikel 29 van het wetboek van strafrecht.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten om eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, althans in ieder geval zijn verdere vrijheidsbeneming onrechtmatig te achten binnen 24 uur na de dagtekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;
b) gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 100.000,- voor elke dag dat zij in gebreke blijven mocht aan dit vonnis te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, dan wel in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel, door hem niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • hij heeft reeds 2/3 deel van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, zijnde 10 maanden, effectief uitgezeten;
  • de datum voor voorlopige invrijheidstelling is bepaald op 21 juni 2016;
  • om die reden blijft hij onrechtmatig aangehouden.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft zich, nadat eiser een fotokopie van het afschrift van het strafvonnis ten processe heeft overgelegd, gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

4.3 Zoals de kantonrechter eiser zijn stellingen begrijpt, stelt hij zich op het standpunt dat hem met ingang van 21 juni 2016 het recht tot voorwaardelijke invrijheidstelling ex artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Sedertdien diende hij in vrijheid diende te worden gesteld en wordt hij thans onrechtmatig in detentie gehouden.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat eiser uit van een onjuist standpunt. In dat licht verwijst de kantonrechter naar artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat in samenhang dient te worden gelezen met de leden 5 en 6 van dit artikel, artikel 30 lid 1 en artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 44)

4.4 Artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
“ De veroordeelde tot tijdelijke vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte meer dan een jaar bedraagt, wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer deze tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.”Artikel 29 lid 5 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt: “Bij deze invrijheidstelling wordt tevens een proeftijd voor de veroordeelde bepaald en worden voorwaarden gesteld, waaraan deze gedurende de proeftijd zal moeten worden voldoen.”, en artikel 29 lid 6: “De proeftijd duurt een jaar langer dan het overblijvende gedeelte van de onvoorwaardelijke opgelegde straf, doch ten minste twee jaren. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is ontnomen.”In artikel 30 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is het volgende neergelegd: “Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt als algemene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.”, en in artikel 33 lid 1 Wetboek van Strafrecht het volgende: “De beslissing tot invrijheidstelling met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden wordt voor de invrijheidstelling aan de veroordeelde in persoon betekend. Indien geen beslissing is betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.”

4.5 Zoals uit de inhoud van de hiervoor vermelde artikelen onder 4.4 kan worden afgeleid, is de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet een recht dat de veroordeelde, in casu eiser, automatisch toekomt.Uit het bepaalde in artikel 33 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht leidt de kantonrechter af dat de veroordeelde pas aanspraak maakt op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer de beslissing ter zake met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden aan hem in persoon is betekend. Is er geen beslissing betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, dan wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.Gebleken is dat eiser op 22 juni 2016, de dag waarop het vonnis in de strafzaak tegen eiser is gewezen en uitgesproken, het verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan de Minister van Justitie, zijnde gedaagde, heeft gericht en gedaagde op 21 juni 2016, zijnde de datum waarop volgens de stelling van eiser hij in vrijheid zou moeten worden gesteld, tot heden geen beslissing heeft doen betekenen aan eiser. Derhalve kan de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling aan eiser worden geacht te zijn geweigerd. Dit brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat in casu geen sprake is van het onrechtmatig in detentie blijven houden van eiser, dan wel een onrechtmatige daad gepleegd door gedaagde jegens eiser. Om die reden komen de door eiser gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, op donderdag 21 juli 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-5560
22 augustus 2019
Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd en kantoorhoudend te [district],
eiseres in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

[gedaagde A],
[gedaagde B],
[gedaagde C],
[gedaagde D],
[gedaagde E],
[gedaagde F],
[gedaagde G],
[gedaagde H],
gedaagden,
gemachtigde: mr. R.D. Zweevel, advocaat

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 december 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 25 januari 2018;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de akte tot eiswijziging;
  • de conclusie van antwoord in het incident.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1 Eiseres vordert – samengevat – bij verzoekschrift van 29 december 2017 dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de werking van het vonnis gewezen op 21 december 2017 met het A.R. No. 17-4910 schorst op opschort of, de kantonrechter begrijpt, gedaagde gelast of veroordeelt de executie van voormeld vonnis te staken, zolang in de verzet zaak niet is beslist, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding. Bij akte eiswijziging van 28 juni 2018 vordert eiseres dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden veroordeelt of beveelt om ten aanzien van de allodiale eigendom en het erfelijk bezit op het perceelland groot 250ha gelegen achter het aan de boedel [naam] toebehorend terrein, uitkomende aan de [locatie] met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen geen rechtshandelingen, beheers- of beschikkingsdaden te (doen) verrichten totdat in de verzetzaak met het A.R. No. 17-4910 en in de beslagzaak met het A.R. No. 16-3533 is beslist onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000.000,- voor iedere keer dat gedaagden de veroordeling niet naleven, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

2.2 Aan haar vordering legt eiseres – samengevat – ten grondslag dat zij belang heeft bij handhaving van het conservatoir beslag gelegd op 11 augustus 2016 door [deurwaarder] op de allodiale eigendom en het erfelijk bezit op het perceelland groot 250ha gelegen achter het aan de boedel [naam] toebehorend terrein, uitkomende aan [locatie]. In de verzet procedure zal volgens eiseres blijken dat de verstekbeslissing niet in stand kan blijven. Aan de gewijzigde vordering legt eiseres ten grondslag dat gedaagden het vonnis van 21 december 2017 reeds geëxecuteerd hebben. De grondslag van deze kwestie vormt de zaak betreffende het conservatoir beslag waarvan de vanwaardeverklaringsprocedure bekend onder A.R. No. 16-3533/A.R. No. 16-3843 nog in behandeling is en voor repliek stond op 07 augustus 2018.

2.3 Gedaagden voeren verweer.

3. De beoordeling

In het incident
3.1 Artikel 109 Rv geeft eiseres de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak haar eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerderen. Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en gesteld dat elke samenhang ontbreekt tussen de verstekzaak met A.R. No. 17-4910 en de beslagzaak bekend onder A.R. No. 16-3533/A.R. No. 16-3843. Laatstgenoemde zaken hebben geen betrekking op gedaagden. Ook voeren gedaagden aan dat eiseres geen verknochtheid tussen voormelde zaken heeft gesteld, terwijl nota bene het conservatoir beslag in de zaak A.R. No. 17-4907 is opgeheven en doorgehaald.

3.2 Eiseres heeft bij haar vordering tot wijziging van eis geen nadere feiten en omstandigheden gesteld, betrekking hebbend op de zaken in de vanwaardeverklaringsprocedure bekend onder A.R. No. 16-3533/A.R. No. 16-3843, terwijl zulks op haar weg had gelegen. Aan een beantwoording van de door gedaagden opgeworpen vraag over het al dan niet verknocht zijn van deze zaken wordt dan ook niet toegekomen. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat de eiswijziging gegrond is op gewijzigde juridische en feitelijke grondslagen en daarom is aan te merken als een verandering en vermeerdering van de eis.

3.3 De vordering in het incident zal worden afgewezen.

In de hoofdzaak
3.4 De uitvoerbaarverklaring bij voorraad bij vonnis d.d. 21 december 2017 houdt in dat het vonnis uitgevoerd kan worden ook al hebben gedaagden hiertegen verzet ingesteld. Daar komt bij dat tussen partijen niet in geschil is dat het conservatoir beslag gelegd op 11 augustus 2016 is opgeheven en doorgehaald.

3.5 Op voorgaande gronden zal het gevorderde worden afgewezen.

3.6 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
In het incident
4.1 Wijst af het gevorderde.

In de hoofdzaak
4.2 Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.3 Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 22 augustus 2019 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-32

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-2579
09 juni 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigden: mr. A.E. Telting en mr. B.A.H. Pick, beiden advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET OPENBAAR MNISTERIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
niet verschenen.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 25 mei 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen d.d. 27 mei 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 27 mei 2016;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen d.d. 27 mei 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 27 mei 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal d.d. 02 juni 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
  • de akte van aanvulling c.q. wijziging van eis d.d. 02 juni 2016;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen d.d. 03 juni 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is vanwege het spoedeisend karakter bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser had een affectieve relatie met [naam] en heeft met haar samengewoond in Nederland. Beiden bezitten de Nederlandse nationaliteit.

2.2 Uit de relatie tussen eiser en [naam] is op 11 augustus 2012 geboren: [minderjarige], hierna aangeduid als de minderjarige, die ook de Nederlandse nationaliteit bezit.

2.3 Vanaf december 2014 heeft eiser zich met de minderjarige in Suriname gevestigd. De moeder van de minderjarige heeft in Nederland aangifte tegen eiser gedaan ter zake onttrekking van de minderjarige aan het wettelijk gezag, op grond van welke aangifte de Nederlandse justitiële autoriteiten op grond van het Rechtshulpverdrag tussen de Repbliek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden de hulp van de Surinaamse justitiële autoriteiten heeft ingeroepen om de minderjarige van de vader weg te nemen. Zulks, in het belang van de minderjarige.

2.4 Op 23 mei 2016 heeft gedaagde zich tezamen met enkele Nederlandse politieagenten begeven op het woonadres van eiser en hebben zij de minderjarige weggenomen van eiser.

2.5 Op 24 mei 2016 heeft de gemachtigde namens eiser een schrijven gericht aan gedaagde oor het verkrijgen van informatie over de minderjarige, in welk schrijven onder meer het volgende staat verwoord:
“In bovengenoemde zaak heb ik u telefonisch verzocht [minderjarige] die door de politie is weggenomen van zijn vader, de heer [eiser], wederom aan de vader af te staan. Aan u heb ik stukken doen toekomen dat het kindje [minderjarige] rechtmatig bij de vader vertoefd.
Na overleg met de leiding van het Openbaar Ministerie en het doornemen van de in uw bezit zijnde stukken, heeft u mij doorgegeven dat naar de mening van het Openbaar Ministerie er geen termen aanwezig zijn om af te wijken van de eerder genomen beslissen. Ik heb u aangegeven de beslissing niet te begrijpen en dat cliёnt geadviseerd zal worden de in deze geïndiceerde stappen te ondernemen.

Gaarne verzoek ik u mij afschriften van alle in de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen.”

2.6 Op 26 mei 2016 heeft de substituut officier van justitie namens gedaagde op het hiervoor vermeld schrijven als volgt gereageerd:
“Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 24 mei 2016, waarin u het verzoek doet om alle in de zaak betrekking hebbende stukken aan u te doen toekomen, moge u het volgende dienen.

Alle documenten met betrekking tot de onderhavige zaak maken deel uit van een vanwege de Nederlandse bevoegde autoriteiten ontvangen rechtshulpverzoek. Vanwege het interstatelijk karakter van rechtshulp, kunnen deze documenten niet aan u ter beschikking gesteld worden. In Suriname loopt namelijk geen strafzaak tegen uw cliënt.

Op grond van het voorgaande geef ik u derhalve in overweging u te wenden tot de Nederlandse zaaksofficier, mw. Mr. S. Sondemeijer op het Parket te Amsterdam te bereiken op het telefoonnummer 031-088693625.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
a) gedaagde te gelasten om de [minderjarige], geboren op [datum], binnen 7 dagen na de uitspraak van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, naar eiser in Suriname terug te geleiden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per uur, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, zolang verweerder nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven;
b) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door de minderjarige van hem weg te nemen en de minderjarige door dit handelen schade wordt berokkend.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover nodig, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de aard van het gevorderde . Om die reden wordt hij in het kort geding ontvangen.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat op verzoek van de moeder van de minderjarige, die het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft, de minderjarige in diens belang van eiser is weggenomen en de minderjarige inmiddels al herenigd is met de moeder in Nederland. Daar de minderjarige een Nederlandse staatsburger is en zich reeds bij zijn moeder op Nederlands grondgebied bevindt, kan het door eiser gevorderde niet worden toegewezen. Dit, omdat gedaagde geen wettelijk gezag heeft over de minderjarige, die bovendien een Nederlandse staatsburger is. De enige mogelijkheid die eiser rest om de minderjarige terug te kunnen krijgen, is door het ondernemen van gerechtelijke stappen in Nederland tegen de Staat Nederland en de moeder van de minderjarige.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 09 juni 2016 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-31

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3063
23 juni 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
C. [eiser sub C],
D. [eiser sub D],
allen wonende in het [district],
eisers,
gevolmachtigde: mr. D.D. Jairam, jurist,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 juni 2016;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 22 juni 2016, waarbij producties zijn overgelegd;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij notariële akten respectievelijk d.d. 15 juli 2008 en 12 januari 2011 hebben eisers sub 3 en 4 ten behoeve van gedaagde hypotheek verleend op het zakelijk recht van grondhuur van eiser, zulks tot zekerheid van de voldoening van een kredietlening die gedaagde aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verstrekt.

2.2 Partijen zijn overeengekomen dat de algemene voorwaarden van gedaagde als bankinstelling op eisers van toepassing zijn. In artikel 16 van de algemene voorwaarden is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:
“Al hetgeen de klient te eniger tijd en uit welken hoofde ook aan de Bank verschuldigd is, zal tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen, dan wel enige wetsbepaling inachtneming van een termijn voorschrijft te alle tijde terstond opeisbaar en vereffenbaar zijn. Elke krediet kan ook al is een aflossings- of opzeggingstermijn overeengekomen, dan wel een bepaalde afloopdatum gesteld – zonder dat daartoe enige opzegging ingebrekestelling of enige andere formaliteit vereist zal zijn onmiddellijk opgeëist worden in de volgende gevallen.
a. indien de klient enige voorwaarde, waaronder een krediet verleend is, of enigerlei andere verplichting uit welken hoofde ook jegens de Bank niet, behoorlijk nakomt.
(….)
De klient is verplicht op de eerste aanvraag van de Bank het verschuldigde, al naar gelang de Bank vordert, geheel of gedeeltelijk te voldoen. In geval het door de klient aan de Bank verschuldigde onmiddellijk opeisbaar geworden is, is de Bank gerechtigd naar haar keuze alle zekerheden of een en op de wijze die haar wenselijk voorkomt, teneinde uit de opbrengst daarvan het aan de Bank volgens haar boeken verschuldigde met rente en kosten te verhalen.”

2.3 Bij schrijven d.d. 09 november 2015 zijn eisers sub 1 en sub 2 door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Ter zake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:
“Bij controle van het verloop van uw krediet hebben wij geconstateerd dat de limiet van uw investeringskrediet vervallen is. De debetstand is als volgt:

(…) SRD 1.396.093,63 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren en verzoeken u derhalve dringend, doch uiterlijk
27 november a.s. contact met onze mevrouw [naam] op te nemen teneinde een regeling te treffen die zal moeten leiden tot aanzuivering van de debetstanden.”

2.4 Bij schrijven d.d. 26 februari 2016 zijn eisers sub 1 en sub 2 ten tweede malen door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Ter zake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:
Voor de goede orde delen wij u mede dat de limiet van uw investeringskrediet reeds geruime tijd vervallen is. De debetstand is als volgt:
(…) SRD 1.527.647,87 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren. Indien de aanzuivering niet op uiterlijk 29 februari a.s. heeft plaatsgevonden, zullen wij genoodzaakt zijn het krediet op te zeggen en over te gaan tot executie van de aan ons verbonden onroerende goederen.”

2.5 Middels een ongedateerde exploit van de deurwaarder heeft gedaagde de openbare verkoop van het hierna omschreven onroerend goed aan eiser sub 4 aangezegd, welke openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016 des voormiddags te elf uur zal plaatsvinden.
Middels het hiervoor vermeld exploit heeft gedaagde aan eiseres sub 4 kenbaar gemaakt dat eisers sub 1 en sub 2 in gebreke zijn gebleven om aan hun betalingsverplichting voortvloeiende uit de hypotheekakten jegens gedaagde te voldoen, waardoor de verschuldigde hoofdsom terstond en in haar geheel met renten en kosten opvorderbaar is, en is zij door gedaagde aangemaand om dadelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen SRD 1.576.207,16. Deze kennisgeving is ook gedaan aan eisers sub 1 tot en met 3 bij exploit van de deurwaarder d.d. 04 mei 2016, no. 050-16.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:

  1. op te schorten of te verbieden de aangekondigde executiemaatregelen, althans de aangekondigde openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016, zoals in productie 1 gemeld;
  2. om op dezelfde wijze zoals gedaagde de verkoop openbaar heeft gemaakt, ook de opschorting ervan bekend te maken;
  3. tot een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 1 te voldoen;
  4. om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de gemaakte gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten, alsmede rechtsbijstandkosten begroot op SRD 4.500,-;
  5. in de kosten van het geding.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde zeer onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hen handelt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten onder 2, onder meer het volgende:

  • het exploit van aanzegging is nietig, omdat het ongedateerd is en in strijd met de wet is;
  • gedaagde heeft eisers niet in gebreke gesteld tot betaling;
  • gedaagde heeft terstond betaling van eisers gevraagd, zonder hen een termijn tot betaling te geven;
  • gedaagde is zeer onzorgvuldig jegens eisers geweest, omdat zij hen niet heeft gewezen op de ernst van het niet nakomen van hun verplichtingen en de consequenties daarvan;
  • zij zijn bereid hun verplichtingen jegens gedaagde na te komen, doch na goed onderling overleg.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Vaststaat dat gedaagde als bankinstelling een kredietlening aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verschaft en eisers sub 3 en 4 als zekerheid tot voldoening van deze lening ten behoeve van gedaagde hypotheek op het onroerend goed hebben gevestigd. Tevens staat vast dat eisers sub 1 en sub 2 een achterstand hebben in betaling van deze kredietlening en tot heden tekort zijn geschoten in hun plicht tot betaling van deze achterstand.
Ter zake stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat en zal gedaagde – zoals door haar bij eisers is aangekondigd – vanwege het tekortschieten van eisers sub 1 en sub 2 in hun betalingsverplichting thans overgaan tot het gebruik maken van deze aan haar toekomende bevoegdheid.

4.3 Eisers stellen zich op het standpunt dat het exploit van aanzegging van de openbare verkoop nietig is, doch gaat deze stelling naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet op. Uit de inhoud van het door eisers overgelegde exploit, welke ongedateerd is, blijkt dat het is betekend aan eiser sub 3 als onderzetter. Zoals reeds hiervoor is overwogen zijn eisers sub 1 en 2 de schuldenaren van gedaagde en heeft gedaagde middels overlegging van een exploit d.d. 04 mei 2016 gestaafd dat aan alle 4 eisers de aanzegging is gedaan. Daar dit exploit wel voldoet aan de bij wet gestelde vereisten en eisers kennis dragen van de aangekondigde openbare verkoop, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eisers.

4.4 Zoals de kantonrechter de stellingen c.q. het betoog van eisers begrijpt, is de opzegging van de kredietrelatie door gedaagde met eisers sub 1 en sub 2 onrechtmatig, omdat zij niet in gebreke zouden zijn gesteld door gedaagde.
In reactie op deze stelling heeft gedaagde opgeworpen dat zij eisers tot tweemaal toe in gebreke heeft gesteld tot het voldoen aan hun betalingsverplichting, welk verweer zij heeft gestaafd middels overlegging van de ingebrekestellingen zoals vermeld onder 2.3 en 2.4 van de feiten in dit vonnis.
Eisers hebben in reactie hierop gesteld deze ingebrekestellingen nimmer te hebben ontvangen, doch is zulks door gedaagde weersproken. Ter zake heeft gedaagde aangevoerd dat na de laatste ingebrekestelling eisers diverse gesprekken met de contactpersoon hebben gevoerd. Daarom is voor de kantonrechter aannemelijk dat gedaagde eisers in gebreke heeft gesteld tot betaling. Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat ook al zouden eisers niet in gebreke zijn gesteld het beroep hierop geen kans van slagen zou hebben. Dit, omdat in de kredietrelatie tussen partijen de algemene voorwaarden van gedaagde op eisers van toepassing zijn en blijkens artikel 16 van deze voorwaarden, zoals gedaagde terecht heeft opgeworpen en middels het overleggen van deze voorwaarden die niet van valsheid zijn beticht heeft gestaafd, een ingebrekestelling niet vereist is en is het verschuldigde bij een achterstand terstond opeisbaar.

4.5 Eisers stellen dat gedaagde haar zorgplicht jegens haar niet in acht heeft genomen, doch hebben zij deze stelling niet voldoende onderbouwd. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat inhoud en reikwijdte van de zorgplicht die gedaagde in acht dient te nemen van de specifieke omstandigheden van het geval afhangen, welke in de jurisprudentie op een aantal punten nader zijn uitgewerkt. Bij het beoordelen of de bank diens zorgplicht jegens diens cliënt c.q. kredietnemer in acht heeft genomen, wordt meegenomen

  1. de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie,
  2. de vraag of sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan;
  3. het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer, in casu eisers, alsmede de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie van belang zijnde omstandigheden;
  4. de mate waarin de kredietnemer toerekenbaar is tekort geschoten;
  5. de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of, en in welke mate, de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd en de gedragingen van de bank waardoor verwachtingen bij de kredietnemer zijn gewekt.

Eisers hebben geen van deze feiten omstandigheden gesteld dan wel niet voldoende voldaan aan hun stelplicht, waardoor eisers deze stelling niet aannemelijk hebben gemaakt.

4.6 Eisers stellen dat zij bereid zijn te betalen, doch hebben zij vanaf het moment zij kennis droegen van de aangezegde openbare verkoop tot heden geen enkel concreet voorstel tot betaling aan gedaagde gedaan en wat hun bron van inkomsten is, waardoor niet kan worden beoordeeld of zij op zeer korte termijn en in de toekomst in staat zullen zijn volledig aan hun betalingsverplichting te kunnen voldoen. Om die reden en mede op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, is er geen grond om de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 juni 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.