SRU-HvJ-2018-56

Vonnisnummer: 60/2018
Parketnummer: 01-01- 05817
Uitspraak: 24 oktober 2018
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 04 juli 2013 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] te [district], [beroep], wonende aan [adres] te [district], thans in verzekerde bewaring gesteld.

Verdachte is verschenen en wordt tevens bijgestaan door zijn raadslieden,
mr. B.A.H. Pick en mr. R.R. Lobo.

Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 05 juli 2013 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 11 juli 2013 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 04 juli 2013 zal bevestigen.

De verdediging heeft:
Primair bepleit dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
Subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 04 juli 2013 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder A ( het medeplegen van moord) ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust. Nadere overwegingen omtrent het bewijs: Het hof acht naar aanleiding van het door de verdediging primair gestelde in casu voldoende om aan te geven dat de verdachte [verdachte] voornoemd, reeds door de politie was aangehouden toen de getuige [getuige 1] bedoelde belastende verklaringen jegens hem, verdachte aflegde en zijn deze verklaringen tesamen met de overige verklaringen van getuigen in samenhang bekeken en zal het hof daarom aan dit verweer voorbij gaan.Voorts overweegt het Hof naar aanleiding van het door de verdediging subsidiair gestelde dat de verdachte niet de persoon is geweest die het slachtoffer [slachtoffer] van zijn leven heeft beroofd, als volgt: De ontkenning van de verdachte geplaatst tegen de achtergrond van de in het vonnis in eerste aanleg aangehaalde bewijsmiddelen met name de verklaringen van de verschillende getuigen in het bijzonder de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] alsook van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kan niet anders worden opgevat dan een kennelijk leugenachtige verklaring bedoeld om de waarheid te bemantelen. Het door de verdachte opgeworpen alibi dat hij zich op die bewuste avond op een feest zou hebben bevonden is ook nader onderzocht en ongegrond gebleken. Het is namelijk niet komen vast te staan dat de verdachte onafgebroken en voortdurend op voornoemde feest aanwezig is geweest. Het is het hof bij de behandeling van de zaak in hoger beroep verder ook van geen enkele tegenstrijdigheid in de verklaringen van de genoemde getuigen gebleken; reden waarom er bij het hof dan ook geen twijfel bestaat dat het de verdachte is geweest die op die bewuste dag op de motorfiets met een tot nog toe onbekend gebleven persoon is gereden naar het adres van [slachtoffer] voornoemd en hem, [slachtoffer], vervolgens heeft geroepen en vervolgens met een vuurwapen gericht meerdere schoten op hem heeft gelost, waardoor [slachtoffer] voornoemd tengevolge van die verwondingen is komen te overlijden. Ook de door de verdediging geopperde omstandigheden dat het vuurwapen reeds door de Franse autoriteiten was vernietigd en daardoor niet bewezen zou kunnen worden dat daarmee de dodelijke schoten zouden zijn gelost alsook de omstandigheid dat niemand de verdachte positief heeft kunnen herkennen, doet niets af aan het bewijs; immers leveren de bewijsmiddelen in elkaars verband en samenhang beschouwd wel het wettig en overtuigend bewijs voor het hof op dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] voornoemd van het leven heeft beroofd. Ten aanzien van het vuurwapen liggen de omschrijving daarvan door de Franse autoriteiten en de door de getuigen afgelegde verklaringen in hoger beroep in elkaars verlengde en is er ten aanzien van het al dan niet positief herkennen van de verdachte door de getuigen wel een omschrijving van het postuur en de kleding van de verdachte gegeven die overeenkomt met andere verklaringen van getuigen omtrent postuur en kleding van de verdachte op die avond.Evenals de kantonrechter en de vervolging komt het hof tot het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder A van de tenlastelegging wordt verweten en is de verdachte in de visie van het hof terecht daarvoor veroordeeld door de kantonrechter.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton op 04 juli 2013 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte waarvan beroep.

Handhaaft de gevangenhouding van de verdachte

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend-President;
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden;
bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier,
en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 24 oktober 2018.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. M.C. Mettendaf

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2016-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-5663
28 november 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres], gehuwd [naam 1],
wonende aan [adres] te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,
ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 21 november 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 22 november 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 23 november 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 23 november 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal d.d. 23 november 2016, betreffende de gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen d.d. 23 november 2016, welke conclusie mondeling is genomen.

1.2 Nadat partijen hebben kenbaar gemaakt geen behoefte hebben om zich uit te laten over de gehouden comparitie van partijen, is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is verpleegkundige A en werkzaam in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo. In het jaar 2011 is eiseres gestart met de Centrale Opleiding voor Verloskundigen in Suriname om opgeleid te worden tot Verloskundige.

2.2 Op grond van artikel 8 lid 2 van het Reglement voor de Centrale Opleiding Verloskundigen in Suriname (hierna afgekort RCOV), is eiseres in het jaar als hiervoor vermeld toegelaten tot de tweede leerperiode van de bedoelde opleiding. Eiseres heeft de tweede leerperiode 2011- 2012, derde leerperiode 2012 – 2013 en vierde leerperiode 2013- 2014 met succes doorlopen.

2.3 Eiseres heeft na de vierde leerperiode deelgenomen aan het eindexamen, en wel in maart 2015. Het eindexamen bestaat uit een theoretisch en praktisch gedeelte.
Eiseres is voor het eindexamen dat in maart 2015 is afgenomen geslaagd voor het theoretisch gedeelte, bestaande uit een mondeling examen en een scriptie. Voor het praktisch gedeelte is eiseres afgewezen.

2.4 Op grond van artikel 11 lid 6 van RCOV heeft de examencommissie eiseres een herkansing gegeven in het praktische gedeelte van het eindexamen. Zij is hiervoor afgewezen.

2.5 In juli 2015 is eiseres ten tweede male een herkansing geboden tot deelname aan het praktische deel van het eindexamen, doch wederom zonder succes.

2.6 Hierna is eiseres op 10 november 2016 in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het herexamen in het vak Verloskunde, en is zij ook daarvoor afgewezen.

2.7 Op 11 juli 2016 heeft eiseres per schrijven een verzoek aan de waarnemend directeur van Volksgezondheid gericht om haar in de gelegenheid te stellen de opleiding voor verloskundigen te doen afronden. In dat schrijven heeft eiseres het volgende verwoord:
“Zeer geachte directeur,

Op 3 december 2015 heb ik u een brief gericht voor aanvraag van dispensatie voor het afleggen van het laatste examen in de opleiding voor verloskundigen. Helaas is dit niet gehonoreerd. Aangezien ik heel veel kennis en ervaring heb opgedaan gedurende 5 jaren en deze graag wilt gebruiken om het verloskundig werk in Suriname te ondersteunen, nader ik u met het verzoek om mij toestemming te verlenen om de opleiding alsnog af te ronden. Ik zou graag in de groep die in oktober/november 2016 met het 4e leerjaar begint, terug geplaatst willen worden.
Een gesprek met u om u van meer informatie te voorzien, zal heel geruststellend zijn voor mij.

(…)”

2.8 Vanwege het uitblijven op het hiervoor vermeld verzoek van eiseres, heeft de gemachtigde van eiseres op 06 oktober 2016 een rappelschrijven aan de waarnemend directeur van Volksgezondheid gericht, welk schrijven hij per exploit van een deurwaarder d.d. 06 oktober 2016 aan de waarnemend directeur heeft doen betekenen. In dat rappelschrijven heeft de gemachtigde namens eiseres het volgende vermeld:

“(…)

Cliënte heeft u een schrijven d.d. 11 juli 2016 doen toekomen, waarvan voor de goede orde u hierbij een fotokopie aantreft.Voormeld schrijven komt in het kort erop neer: dat cliënte u het verzoek doet haar toestemming te verlenen om de opleiding voor verloskundigen alsnog af te ronden. Tevens doet zij u het verzoek haar te willen ontvangen voor een gesprek teneinde u te willen informeren omtrent het onderhavige. Tot op heden, ruim twee maanden na dato, heeft zij echter geen reactie van u gehad.Aangezien reeds in oktober/november 2016 een aanvang wordt gemaakt met voormelde opleiding, heeft cliënte belang bij een spoedige reactie.

(…).”

2.9 Op 27 oktober 2016 heeft de waarnemend directeur van Volksgezondheid per schrijven gereageerd op het rappelschrijven van de gemachtigde van eiseres. De reactie van de waarnemend directeur luidt, onder meer als volgt:
“Met verwijzing naar Uw schrijven de dato 6 oktober 2016 inzake hogervermeld onderwerp deel ik U mede dat uit onderzoek is gebleken dat er geen gronden aanwezig zijn om te voldoen aan het verzoek van Uw cliënte.

Bijgaand doe ik U in fotokopie toekomen een schrijven gericht aan Uw cliënte de dato 19 februari 2016 no. 3413/15, naar de inhoud waarvan ik U verwijs.”

2.10 In het schrijven d.d. 19 februari 2016, no. 3413/15, waarvan de waarnemend directeur van Volksgezondheid melding maakt in haar schriftelijke reactie als hiervoor vermeld, staat het volgende vermeld:
“Geachte mevr. [eiser],

Na ontvangst en doorlezen van uw aanvraag voor dispensatie heb ik mij doen informeren door [naam 2], coördinator van de opleiding en [naam 3], docent en gynaecoloog/obstetricus.
Alsook de afgevaardigde van de Geneeskundige Commissie in de Examencommissie.
Uit de aldus bekomen informatie; inclusief wat in uw schrijven vermeld staat, concludeer ik dat er geen gronden bestaan om uw aanvraag voor dispensatie te honoreren.”.

2.11 Artikel 11 lid 6 RCOV luidt als volgt:
“De student die niet geslaagd is voor het eindexamen krijgt een herkansing.
Indien hij toch is afgewezen dient hij de laatste leerperiode opnieuw te doen.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde te veroordelen om haar in de gelegenheid te stellen de vierde leerperiode alsmede het eindexamen opnieuw te doen;

II) gedaagde te veroordelen een dwangsom te verbeuren van SRD 50.000,- voor elke dag of keer dat gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van dit vonnis gevolg te geven.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag gelegd, dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten, vermeld onder 2, het volgende:

  • gedaagde heeft in strijd met artikel 11 lid 6 RCOV geweigerd om eiseres in de gelegenheid te stellen de vierde leerperiode evenals het eindexamen opnieuw te doen;
  • ingevolge artikel 7 van RCOV zal de student de vierde leerperiode kunnen doen pas als er een behoefte bestaat aan verloskundigen binnen de gezondheidszorg;
  • er bestaat thans een leergroep en eindnovember 2016 zal een aanvang met de vierde leerperiode worden gemaakt;
  • eiseres is gerechtigd de vierde periode alsmede het eindexamen opnieuw te doen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord het spoedeisend belang van eiseres weersproken door aan te voeren, dat de nieuwe groep sedert twee weken geleden is aangevangen met de laatste leerperiode. Echter heeft de comparitiegevolmachtigde van gedaagde tijdens de comparitie van partijen verklaard dat er op 30 november 2016 een nieuwe groep van start gaat met de vierde leerperiode, en wel de groep studenten die is overgegaan van de derde leerperiode naar de vierde leerperiode. Het hiervoor vermelde maakt het spoedeisend belang van eiseres voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiseres zal daarom worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de comparitie van partijen is duidelijk aan het licht gekomen dat eiseres het verzoek doet om conform artikel 11 lid 6 RCOV in de gelegenheid gesteld te worden de vierde leerperiode, zijnde de laatste leerperiode, en daaruit voortvloeiend het eindexamen opnieuw te doen. Daarom zal de kantonrechter zich toespitsen op het in de gelegenheid doen stellen van een student tot het opnieuw doen van de laatste leerperiode en niet op de verzochte dispensatie. Immers is in RCOV geen enkele bepaling opgenomen betreffende dispensatie, doch van een herkansing en het opnieuw doen van de laatste leerperiode, zijnde zoals de kantonrechter het begrijpt de vierde leerperiode.

4.3 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiseres niet in de gelegenheid kan worden gesteld om de vierde leerperiode opnieuw te doen, omdat zij ingevolge artikel 11 RCOV een herkansing diende te krijgen, doch heeft zij in afwijking van dit artikel drie herkansingen aan eiseres geboden. Ondanks deze drie herkansingen, heeft eiseres het eindexamen nadien niet behaald. Dit, terwijl zij ingevolge het RCOV hierna moest worden afgeschreven.Voorts heeft gedaagde, zoals de kantonrechter het verweer begrijpt, opgeworpen dat zij verantwoordelijk is voor het garanderen van een goede gezondheidszorg naar de samenleving toe en eiseres vanwege het niet behalen het eindexamen na de herkansingen niet met de verantwoordelijkheid kan worden belast om als verloskundige op te treden.Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter diende eiseres zoals het RCOV dat voorschrijft in de gelegenheid te worden gesteld tot het opnieuw doen van de vierde leerperiode, omdat zij na de herkansing het eindexamen niet heeft behaald. Dat zij in stede hiervan drie herkansingen van gedaagde heeft gehad en moest worden afgeschreven doet hieraan niet af. Dit, omdat geenszins is gesteld of gebleken dat eiseres van de opleiding is afgeschreven. Eiseres dient dus nog als student van de bedoelde opleiding te worden aangemerkt. Tevens neemt de kantonrechter ook mede in overweging dat de continuering van de opleiding afhangt van de behoefte aan verloskundigen en er in dat kader nog geen groep studenten was voor de vierde leerperiode 2015 – 2016. Het is gedurende deze periode dat eiseres verzoeken tot het verlenen van dispensatie aan gedaagde heeft gericht, op welke verzoeken gedaagde slechts aan eiseres heeft kenbaar gemaakt dat er geen gronden bestaan om haar verzoek in te willigen. Dit alles in onderling verband en samenhang beschouwd en gelezen, brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde wel in strijd met het bepaalde in artikel 11 lid 6 RCOV heeft gehandeld. Hieruit vloeit voort dat de door eiseres gevraagde voorzieningen zullen worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat gedaagde verantwoordelijk is voor het afleveren van beroepsbeoefenaars die kundig en vakbekwaam horen te zijn, doch zijn er voldoende waarborgen om de kwaliteit van de opleiding te garanderen. Die waarborgen zijn de criteria waaraan een student dient te voldoen voor het behalen van de examens in al de vakken en het eindexamen binnen een vooraf door gedaagde vastgestelde periode. Daarnaast bestaat voor gedaagde de mogelijkheid om de student die niet meer voldoet aan de criteria van de opleiding af te schrijven, welke afschrijving volgens de ongeschreven regels van behoorlijk bestuur tijdig aan de student kenbaar hoort te worden gemaakt.

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten de kosten voor oproep per deurwaardersexploit ad SRD 260,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om eiseres in de gelegenheid te stellen de vierde leerperiode, alsmede het eindexamen opnieuw te doen.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag of keer dat gedaagde geen uitvoering geeft aan het besliste onder 5.1 in dit vonnis, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen niet het bedrag van SRD 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) overschrijden.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 310,- (Driehonderd en Tien Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 28 november 2016 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 13-3217
10 april 2018

Vonnis in de zaak van:

[vrouw],
wonende te [district],
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna aangeduid als “[vrouw]”,
gemachtigde: mr. L.T. Patterson, advocaat,

tegen

[man],
wonende te [district],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna aangeduid als “[man]”,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) het verzoekschrift dat op 25 juli 2013 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
b) de mondelinge conclusie van eis;
c) de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;
d) de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
e) het voor dupliek in conventie, repliek in reconventie en uitlating persisteren zijdens [man] ;
f) de schriftelijke rolbeschikking d.d. 2 februari 2016, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de stand van zaken in de procedure bekend onder A.R. no. 13-2294 en, indien daarin reeds vonnis is gewezen, een goed leesbare kopie van het vonnis pen processe over te leggen;
g) de conclusie tot uitlating in conventie en in reconventie zijdens [vrouw];
h) de conclusie tot uitlating in conventie en in reconventie zijdens [man];
i) de conclusie tot overlegging productie in conventie en in reconventie zijdens [vrouw];
j) de conclusie tot overlegging productie in conventie en in reconventie zijdens [man];
k) de schriftelijke rolbeschikking d.d. 13 juni 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
l) de op 6 oktober 2017 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
m) de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie zijdens [man].

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [vrouw] en [man] hebben een buitenechtelijke relatie met elkaar gehad.

2.2 [man] heeft op 14 oktober 2008 bij akte verleden voor mr. Loyd Djaiprakash Hira Sing, notaris in Suriname, onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik te zijner behoeve, het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 485,80 m², gelegen te [district] ten noorden van de [weg], op de kaart van de landmeter S.O. Esajas, d.d. 29 oktober 1981 aangeduid met de letters ABCD, hierna aangeduid als “het perceelland”, verkocht aan [vrouw].

2.3 Op het perceelland is ten behoeve van de Surinaamsche Bank een hypotheek gevestigd voor een hoofdsom ad SRD 110.000,00. Daarnaast is op het perceelland een hypotheek gevestigd ten behoeve van de Stichting Pensioenfonds van de Surinaamsche Bank N.V. voor een hoofdsom van SRD 18.000,00.

2.4 [man] heeft in kort geding in een procedure bekend onder A.R. nr. 13-2294 de ontruiming van [vrouw] gevorderd. [vrouw] heeft in die procedure in reconventie gevorderd het recht van vruchtgebruik onder het beheer van haar, [vrouw], danwel een door de Kantonrechter te benoemen bewindvoerder te stellen, totdat de bodemrechter zal hebben beslist over de rechtmatigheid, de schorsing van het recht op afgifte van het in vruchtgebruik gegeven onroerend goed en de veroordeling van [man] om de bestemming van de woning c.q. het recht van gebruik en bewoning van [vrouw] te gehengen en te gedogen.
De in conventie en in reconventie gevorderde voorzieningen zijn bij vonnis in kort geding van 4 december 2014 geweigerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie:

3.1 [vrouw] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. haar toestemming te verlenen kosteloos te mogen procederen;
b. het recht van vruchtgebruik van [man], zoals gevestigd bij de akte van koop en verkoop d.d. 14 oktober 2008 te vernietigen c.q. vervallen te verklaren op grond van misbruik van het genot;
c. [man] te veroordelen om het vonnis te gehengen en te gedogen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,00 per dag voor iedere dag, waarop hij nalaat aan het te wijzen vonnis uitvoering te geven;
d. [man] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 [vrouw] heeft, tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd: Gesteld is dat tussen partijen is afgesproken dat [man] zou bijdragen in de aflossingen van de hypotheekschulden; [man] heeft dit slechts voor korte tijd gedaan. Verder is gesteld dat [vrouw] het recht van bewoning voor zichzelf heeft bedwongen van [man], hetgeen blijkt uit de hypotheekakte van 29 april 2009 onder punt 2 van de voorwaarden waarbij de bank uitdrukkelijk heeft gesteld dat de woning door [vrouw] zelf bewoond moest worden en dat elke vorm van verhuur of bewoning door een derde en in het algemeen elke commerciële aanwending van het woonhuis verboden is. Gesteld is dat [man] hiermee akkoord is gegaan door de vestiging van de hypotheken toe te staan.
[vrouw] heeft gesteld dat [man] door zich niet te houden aan zijn financiële verplichtingen jegens haar heeft gewanpresteerd en heeft de vraag opgeworpen in hoeverre het recht van vruchtgebruik zich uitstrekt tot de door haar gebouwde woning.
Verder is gesteld is dat [man] in gebreke is gebleven om ingevolge artikel 810 leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) terzake van zijn recht van vruchtgebruik een beschrijving op te maken van het onroerend goed. Tevens is gesteld dat [man] heeft nagelaten aan zijn wettelijke verplichting tot zekerheidstelling (artt. 811 en 812 BW) te voldoen
Voorts is gesteld is dat [man] misbruik maakt van zijn recht van vruchtgebruik.

3.3 [man] heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

In reconventie:

3.4 [man] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [vrouw] te veroordelen alle goederen van hem die zich in de woning aan de [adres] te [district] bevonden wederom in de woning te plaatsen en die woning binnen 1 week na ontvangst van dit schrijven te ontruimen en te verlaten en ter algehele beschikking van hem te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,00 per dag voor elke dag waarop [vrouw] nalaat aan het te wijzen vonnis uitvoering te geven.

3.5 [man] heeft, tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd.
[man] heeft gesteld dat partijen samen een woning hebben gebouwd in welke woning zij in 2011 hun intrek hebben genomen. [vrouw] heeft hem belemmerd de woning te betreden en heeft in augustus 2012 de sloten van de deuren die toegang tot de woning verschaffen vervangen en de garage gebarricadeerd om hem zo doende te beletten de woning te betreden.
Verder is gesteld dat [vrouw] goederen die aan [man] toebehoren uit de woning heeft gehaald en in de garage heeft geplaatst en bloot gesteld aan weer en wind, met alle nadelige gevolgen daarvan voor hem, [man].
Ten slotte is gesteld dat [vrouw] door te weigeren de woning te ontruimen, een inbreuk maakt op zijn recht van vruchtgebruik en derhalve jegens hem onrechtmatig handelt.

3.6 [vrouw] heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

4. De beoordeling

In reconventie:

4.1 De gemachtigde van [man] heeft ter comparitie verklaard dat [man] afziet van zijn vordering. Zijdens [vrouw] zijn geen bezwaren hiertegen geopperd, zodat de kantonrechter verstaat dat de vordering is ingetrokken.

In conventie:

Kosteloos procederen
4.2 [vrouw] heeft als productie bij haar verzoekschrift gevoegd een certificaat van onvermogen [nummer] afkomstig van het Hoofd van het Bureau Rechtszorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Haar zal derhalve toestemming worden verleend kosteloos te procederen.

Vruchtgebruik op de woning?
4.3 De kantonrechter is ten aanzien van de door [vrouw] opgeworpen vraag of het recht van vruchtgebruik tevens omvat de op het perceel staande woning, van oordeel dat deze bevestigend dient te worden beantwoord. De natrekkingsregeling heeft immers tot gevolg dat de woning deelt in de toestand van het perceelland waar het op staat; het op het perceelland gevestigd recht van vruchtgebruik behelst derhalve eveneens de daarop staande woning.

Recht van bewoning en financiële afspraken
4.4 [man] heeft ontkend dat aan [vrouw] het recht van bewoning toekomt, alsook dat hij zich ertoe zou hebben verplicht bij te dragen in de aflossing van de hypotheekschulden.

4.5 Geconstateerd wordt dat in de door [vrouw] overgelegde hypotheekakten er geen melding van wordt gemaakt dat [vrouw] de woning dient te bewonen. Ook indien dit echter het geval zou zijn geweest, is dat naar dezerzijds oordeel geen aanleiding [man] het recht van vruchtgebruik te ontnemen. Hiertoe is evenmin aanleiding indien [man] afspraken, die tussen partijen zouden zijn gemaakt ten aanzien van de afbetaling van de hypotheek, zo die in rechte zouden komen vast te staan, niet zou zijn nagekomen. In de artikelen 836 en volgende van het BW is immers bepaald hoe het recht van vruchtgebruik eindigt; wanprestatie maakt daar geen deel van uit.

Zekerheidstelling
4.6 Het door [vrouw] ten aanzien van de zekerheidsstelling gestelde gaat mank, aangezien in artikel 812 BW is bepaald dat diegenen die hun goed onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten geschenke hebben gegeven, niet gehouden zijn om zekerheid te stellen.
Nu [man] zijn perceelland onder voorbehoud van vruchtgebruik heeft verkocht, is hij dus niet gehouden om zekerheid te stellen.

Beschrijving van het onroerend goed
4.7 [man] heeft als verweer gesteld dat de beschrijving van het onroerend goed overbodig en irrelevant is daar partijen na de koop/verkoop een woning hebben gebouwd op het perceelland, zodat het logisch is dat het om een bloot perceelland ging.

4.8 De kantonrechter merkt op dat de beschrijving ingevolge de artikel 810 leden 1 en 2 BW betreft de staat van het onroerend goed waar het recht van vruchtgebruik op is gevestigd. Ook indien het een bloot perceelland betreft, is een dergelijke beschrijving naar dezerzijds oordeel geboden zodat tussen partijen vast staat in welke staat het perceelland zich bevond ten tijde van de aanvang van het recht van vruchtgebruik.
Het ontbreken van een dergelijke beschrijving kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het recht van vruchtgebruik nu een dergelijke sanctie daar niet op is gesteld.

Misbruik van het recht van vruchtgebruik
4.9 In artikel 844 van het BW is bepaald dat het vruchtgebruik ook kan eindigen indien de vruchtgebruiker misbruik van zijn genot maakt, hetzij door het goed te beschadigen, hetzij door het goed, bij gebreke van genoegzame herstelling en onderhoud, te laten vervallen.
[man] heeft ten aanzien van de door [vrouw] gestelde door hem aan de woning aangebrachte vernielingen verklaard dat hij die heeft moeten aanbrengen nadat [vrouw] de sloten aangebracht op de deuren die toegang geven tot de woning, heeft veranderd om hem zodoende de toegang tot de woning te ontzeggen.

4.10 [vrouw] heeft in de conclusie van repliek gesteld dat [man] ten onrechte meent dat hij geen andere keus had dan de sloten open te breken; hij had toen reeds een rechtszaak aanhangig kunnen maken en hoefde niet over te gaan tot de vernieling van de sloten.
[vrouw] heeft tevens gesteld dat zij ook heeft overgelegd fotokopieën van fotos van andere vernielingen die [man] eerder heeft gepleegd en die niets met het betreden van de woning te maken hadden.

4.11 Geconstateerd wordt dat [vrouw] niet heeft ontkend dat [man] vernielingen heeft aangebracht nadat zij hem door het veranderen van de sloten, de toegang tot de woning wilde ontzeggen, zodat zulks in rechte tussen partijen vast staat.
Verder wordt geconstateerd dat zijdens [vrouw] bij inleidend verzoekschrift als productie V een zevental fotokopieën van fotos is overgelegd. Voorts wordt geconstateerd dat vijf van de overgelegde kopieën betreffen vernielingen aan deuren en een hangslot, alsook dat op de overige twee kopieën enige vernieling niet duidelijk valt waar te nemen.
Aan het verweer van [vrouw] dat het tevens betreft vernielingen die niet te maken hebben met het verkrijgen van toegang tot de woning wordt dan ook voorbij gegaan.
Overwogen wordt dat [man], geconfronteerd met de situatie dat hij de woning ten aanzien waarvan hij het recht van vruchtgebruik heeft, niet kon binnengaan, gerechtigd was die maatregelen te treffen om dat binnentreden mogelijk te maken, gelijk hij ook heeft gedaan. De daardoor veroorzaakte vernielingen kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het recht van vruchtgebruik.

4.12 Ten aanzien van het door [vrouw] gestelde gebrek aan onderhoud is de Kantonrechter van oordeel dat ook indien [man] een lekkage in het toilet niet heeft verholpen, zulks niet kan leiden tot de vernietiging van het recht van vruchtgebruik, aangezien dat een niet-proportionele reactie zou zijn. Niet nader is gedefinieerd welke kleine en grote reparaties dienden te worden verricht, zodat niet kan worden nagegaan of het niet verrichten van die reparaties kan leiden tot een dergelijke mate van verwaarlozing van het goed dat vernietiging van het recht van vruchtgebruik dient te volgen.

4.13 Gelet op al het hiervoor overwogene wordt geconcludeerd dat het door [vrouw] gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.14 [vrouw] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie:

5.3 Verstaat dat de vordering is ingetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 10 april 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 14-1795
03 december 2018

Vonnis in de zaak van:
A. [eiser 1],
B. [eiser 2],
beiden wonende aan de [straat 1] te [district 1],
opposanten in conventie en eisers in reconventie,
hierna te noemen: “[eiser 1] en [eiser 2]”, gemachtigde: mr. D.P.A. Langdvreugd, advocaat,

tegen

STICHTING BIGELOW,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geopposeerde in conventie en gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: “Bigelow”
gemachtigden: mr. E.A. Glunder en mr. S. Mangre, advocaten.

Vooraf:
Bij verstekvonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding d.d. 09 oktober 2014, gewezen en uitgesproken tussen Bigelow als eiseres en [eiser 1] en [eiser 2] als gedaagden is de volgende beslissing gegeven:
3.1 Veroordeelt gedaagden om binnen drie maanden na betekening van het vonnis, ondanks verzet of hoger beroep het huis en erf staande en gelegen aan de [straat 2] te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van eiseres te laten.
3.2 Machtigt eiseres om, indien gedaagden weigeren mochten aan voormelde veroordeling te voldoen, de ontruiming zelf ter hand te nemen, met behulp van de Sterke Arm.
3.3 Verwijst gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 200,- (Tweehonderd Surinaamse Dollar).

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verstekvonnis van 09 oktober 2014;
  • het verzet rekest tevens houdende een eis in reconventie dat op 15 augustus 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend met productie;
  • de conclusie van antwoord in oppositie d.d. 14 februari 2017 met producties;
  • de rolbeschikking d.d. 06 november 2017 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
  • het procesverbaal van de comparitie van partijen d.d. 02 februari 2018;
  • de conclusie na gehouden comparitie zijdens Bigelow d.d. 05 maart 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang het volgende vast.

03 september 2007
2.1 Voor mr. D.S. P Chitoe, notaris, is op 03 september 2007 verleden een akte van geldlening waarbij [naam 1] als mondeling gevolmachtigde van de stichting PRASHAANT de som van € 16.000, – ter leen heeft gegeven aan [eiser 1], [eiser 2], gehuwde echtelieden, beiden wonende aan de [straat 1] te [district 1] en [naam 2], wonende aan [adres 1] in [district 2]. Bij onderzetting is verbonden het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2] (hierna ook “het perceel”).

21 februari 2011
2.2 Op verzoek van stichting SIEDDHAARTH is bij deurwaardersexploot van 21 februari 2011 met het nummer [nummer 1] aan [eiser 1] en [eiser 2] wonende aan de [straat 1] te [district 1] een grosse van de in executoriale vorm uitgegeven akte van geldlening met hypotheekstelling van 03 september 2007 betekend. [eiser 1] en [eiser 2] zijn daarbij aangemaand te betalen de som van € 16.000, – met bijbetaling van de rente van 2% per maand vanaf 4 september 2007, en de daarop verlopen boete-rente van 2% per maand, met aanzegging van een openbare verkoop te houden op dinsdag 10 mei 2011.

10 mei 2011
2.3 Bij onderhandse akte van lastgeving door stichting PRASHAANT aan [naam 3] verleend, heeft laatstgenoemde bij de gehouden openbare verkoop op 10 mei 2011 stichting PRASHAANT vertegenwoordigd. Volgens de door mr. D.S.P. Chitoe, notaris, opgemaakte akte van openbare verkoop is bij deurwaardersexploot van 21 en 22 februari 2011 aan [eiser 1] en [eiser 2] bevel gedaan onmiddellijk de som van € 20.000, – te betalen, zijnde de hoofdsom met bijbetaling van de rente van 2% per maand vanaf 20 augustus 2007 en de daarop verlopen boeterente van 2% per maand.

2.4 [naam 1] , handelend in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van stichting BIGELOW heeft het onroerend goed als onder 2.1 hiervoor omschreven op de veiling van 10 mei 2011 gekocht voor de som van SRD 125.00, -.

26 augustus 2011
2.5 Voor mr. D.S.P. Chitoe, notaris, is op 26 augustus 2011 verleden een akte van verkoop en koop waarbij [naam 1] in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van stichting BIGELOW aan [naam 4] als mondeling gevolmachtigde van stichting HARRY NARAYAN heeft verkocht het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als Nieuwe Wijk Letter B nummer 11a 29 voor de koopsom van SRD 25.000,-.

14 september 2011
Stichting HARRY NARAYAN verkrijgt het hiervoor omschreven onroerend goed in eigendom door overschrijving van een afschrift van de akte van verkoop en koop van 26 augustus 2011 op 14 september 2011 in het openbaar register C 2090 onder [nummer 2].

17 april 2014
Stichting BIGELOW stelt op 17 april 2015 een vordering tot ontruiming in Kort Geding in tegen [eiser 1] en [eiser 2]. Op 09 oktober 2014 worden [eiser 1] en [eiser 2] bij verstek tot ontruiming veroordeeld.

28 oktober 2014
Volgens het deurwaardersexploit van 28 oktober 2014 met het nummer 1729 in de zaak met het A.R. nr. 14-1584 is op verzoek van de stichting “Harrynarayan” aan [eiser 1], [eiser 2] en [naam 2], allen wonende aan de [straat 2] te [district] de grosse van het vonnis van 07 augustus 2014 niet betekend omdat op het adres niemand is aangetroffen aan wie rechtsgeldig het stuk kon worden achtergelaten en is vervolgens afschrift gelaten aan de Procureur-Generaal.
Volgens voormeld exploot luidt het dictum van het daarin aangehaald vonnis:

“3.1 Veroordeelt gedaagden om binnen 1 (een) maand na betekening van dit vonnis, het huis en erf staande en gelegen aan de [straat 2] te [district 1] te ontruimen en te verlaten met medeneming van al degenen en al hetgeen zich daar mochten bevinden en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

3.2 Machtigt eiseres om binnen, indien gedaagden met de ontruiming in gebreke blijven deze zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

3.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

3.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 225,- (Tweehonderd en vijfentwintig Surinaamse Dollar);

3.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Met aanzegging van executie van het vonnis met behulp van de Sterke Arm, alsmede middels executoriaal beslag en verkoop van de roerende goederen”.

05 februari 2015
Deurwaarder J.E. Febis heeft op 05 februari 2015 [eiser 1] en [eiser 2] aangezegd om te verhuizen. Op last van stichting HARRY NARAYANA is de woning van [eiser] en [eiser 2] daarop afgebroken.

21 mei 2015
2.10 Voor mr. K.E. Astwood-Olff, notaris, is op 21 mei 2015 verleden een akte van verkoop en koop waarbij stichting HARRY NARAYAN aan stichting FRESH WORLD heeft verkocht het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2]. De kale grondwaarde is daarbij gesteld op SRD 6,75 per m².

21 maart 2016
2.11 Bij schrijven van 21 maart 2016 van D.S.P. Chitoe, notaris, aan mr. D.P.A. Langvreugd, advocaat, deelt de notaris betreffende de “de veiling Stg. Sieddhaarth ca [eiser 1].[eiser 2]” mee dat op 10 mei 2011 een openbare verkoop van een onroerend goed heeft plaatsgevonden dat aan de clienten van de advocaat heeft toebehoord.
Verder staat in bedoeld schrijven onder meer:
“Bijna vijf (5) jaren geleden is het een en ander reeds afgewikkeld.
Blijkens verklaring van de schuldeisers was de schuld destijds bij de openbare verkoping € 28.705, – (…)
Aangezien het hoogste bod werd gedaan voor SRD 125.000, = (…) is er derhalve een negatief saldo. Het is aan de schuldeiseres welke aktie zij alsnog wenst in te stellen tegen uw clienten.”

In conventie

In oppositie

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gevorderd het vonnis waarvan verzet te vernietigen en Bigelow in de buitengerechtelijke kosten en proceskosten te veroordelen.

3.2 De grondslag
Aan haar oorspronkelijke, bij verstek toegewezen eis heeft Bigelow de grondslag gelegd, dat [eiser 1] en [eiser 2] haar eigendom zonder recht of titel bewonen. Bigelow heeft de woning op de veiling gekocht. Zij is mondeling noch schriftelijk een overeenkomst met [eiser 1] en [eiser 2] aangegaan die hun aanwezigheid in de woning rechtvaardigt. [eiser 1] en [eiser 2] plegen een inbreuk op het eigendomsrecht van Bigelow.

3.3 Het verweer
In oppositie hebben [eiser 1] en [eiser 2] hiertegen verweer gevoerd.

In reconventie

3.4 De vordering
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. de veiling van 10 mei 2011 te vernietigen dan wel nietig te verklaren;
  2. de (rechts)gevolgen van de veiling van 10 mei 2011 te vernietigen dan wel nietig te verklaren;
  3. de verkoop van het onroerend goed door Bigelow aan stichting Harry Narayan te vernietigen dan wel nietig te verklaren;

Veroordeling van Bigelow om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen:

a. het bedrag van USD 135.000, – voor de herbouw van de woning;
b. het bedrag van USD 10.500, – voor geleden schade;
c. het bedrag van SRD 9.180, – voor kosten rechtsbijstand;
en voorts:
d. veroordeling van Bigelow om binnen 1 uur na de uitspraak [eiser 1] en [eiser 2] op kosten van Bigelow te huisvesten in een geriefelijke en beveiligde woning voorzien van nutsvoorzieningen in [district 1];

subsidiair:
veroordeling van Bigelow tot vergoeding van de door [eiser 1] en [eiser 2] geleden materiele en immateriele schade nader op te maken bij staat met de wettelijke rente;
e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000, – voor elk uur dat Bigelow het vonnis of een deel daarvan niet naleeft;
veroordeling van Bigelow in de proceskosten in reconventie.

3.5 De grondslag
Aan hun vordering in reconventie leggen [eiser 1] en [eiser 2], samengevat, het volgende ten grondslag. Op de veiling van 10 mei 2011 is niet de woning aan de [straat 1] geveild. Bigelow die heeft gekocht op de veiling, is daarom niet de eigenaar daarvan geworden. Op grond van de uitspraak bij verstekvonnis van 09 oktober 2014 heeft Bigelow een titel tot ontruiming van een perceel gelegen aan de [straat 2]. Bigelow heeft recht noch titel om [eiser 1] en [eiser 2] die aan de [straat 1] wonen te ontruimen. Daarnasat kan Stichting Harry Narayan geen rechten ontlenen aan het vonnis dat tussen Bigelow als eiseres en [eiser 1] en [eiser 2] als gedaagden is gewezen. Aan haar ontbreekt de bevoegdheid om het verstekvonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] te betekenen of aan de Procureur-Generaal ter hand te stellen. Er is een schijnverkoop ad SRD 200.000, – tussen stichting Harry Narayan als koper en Bigelow als verkoper geconstrueerd om laatstgenoemde buiten de ontruiming van [eiser 1] en [eiser 2] te houden. Bigelow heeft door haar onwettig en onbehoorlijk handelen [eiser 1] en [eiser 2] in een noodtoestand gebracht, waardoor zij schade lijden.

3.6 Het verweer
Bigelow voert als verweer dat [eiser 1] en [eiser 2] niet ontvankelijk zijn in hun vordering in reconventie. Voor geleden schade moeten zij vorderen van de notaris D.P.S. Chitoe en de stichting Prashaant. De gevorderde bedragen wegens geleden schade zijn uit de lucht gegrepen. Verder stelt Bigelow zich op het standpunt dat de ontruiming in opdracht van de stichting Harry Narayan is uitgevoerd aan wie het onroerend goed is doorverkocht met de kadastrale gegevens waarvan het BR [nummer 3] luidt.

In reconventie

In oppositie

4. De beoordeling
4.1 Bigelow heeft zich slechts afgevraagd of [eiser 1] en [eiser 2] de wettellijke verzet termijn hebben overschreden. De kantonrechter is van oordeel dat het enkel “zich afvragen” zonder daartoe feiten aan te voegen geen verweer in de zin van artikel 120 Rv is. Evenmin kan hieruit een blote ontkenning van de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde feiten worden begrepen. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat Bigelow over de verzet termijn geen verweer heeft gevoerd en overweegt als volgt.

4.2 [eiser 1] en [eiser 2] stellen gemotiveerd dat het bij verstek gewezen vonnis van 09 oktober 2014 nimmer aan hen is betekend. Verder voeren zij aan dat de oproep om op 19 juni 2014 ter terechtzitting te verschijnen de openbare veiling van het perceel aan de [straat 2] betrof, terwijl zij, [eiser 1] en [eiser 2] op perceel [nummer 4] hun woning hebben staan waar zij ook in verblijven.

4.3 De kantonrechter stelt vast dat het deurwaardersexploot van 28 oktober 2014 (hiervoor onder 2.8) is betekend aan [eiser 1], [eiser 2] en [naam 1], allen wonende aan de [straat 2] te [district 1], terwijl onweersproken vaststaat dat [eiser 1] en [eiser 2] wonen aan de [straat 1] te [district 1]. Het exploot betreft kennelijk een zaak met het A.R. nr. 14-1584, zoals in de rechterbovenhoek van het exploot vermeld staat en niet de onderhavige zaak met het A.R. no. 14-1795.
Voorts stelt de kantonrechter vast dat in voormeld deurwaardersexploot niet het dictum van het gewezen en uitgesproken vonnis van 09 oktober 2014 is aangehaald. Het bij deurwaardersexploot van 28 oktober 2014 gerelateerd dictum bestaat uit vijf deelbeslissingen (hiervoor onder 2.8), terwijl het verstekvonnis waarvan verzet drie deelbeslissingen telt zoals hiervoor onder het kopje “Vooraf” is aangehaald.
De kantonrechter oordeelt dat het deurwaardersexploot op voorgaande gronden nietig is.

4.4 De nietigheid van het deurwaardersexploot d.d. 28 oktober 2014 brengt met zich mee dat het vonnis van 09 oktober 2014 nimmer aan [eiser 1] en [eiser 2] is betekend.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben onweersproken gesteld dat zij pas na onderzoek door hun gemachtigde de omvang en strekking van de gebeurtenissen die hen zijn overkomen hebben begrepen en eerst toen van het verstekvonnis van 09 oktober 2014 in verzet hebben kunnen komen.

4.5 De kantonrechter oveweegt dat ex artikel 84Rv de gedaagde bevoegd is om binnen veertien dagen na het plegen van enige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is, daartegen verzet te doen. Uit het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [eiser 1] en [eiser 2] zodra zij deugdelijk kennis droegen van bedoeld vonnis, daarvan verzet hebben gedaan. [eiser 1] en [eiser 2] zijn aldus ontvankelijk in hun verzet.

4.6 Bigelow heeft als eiseres tegen [eiser 1] en [eiser 2] als gedaagden bij verzoekschrift van 17 april 2014 in kort geding een vordering tot ontruiming ingesteld. Bigelow vordert in de positie van eigenaar van het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2], de ontruiming van [eiser 1] en [eiser 2]. Bigelow stelt daarbij dat [eiser 1] en [eiser 2] zonder recht of titel haar eigendom bewonen en een ernstige inbreuk plegen op haar zakelijk recht.

4.7 [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat Bigelow nimmer eigenaar is geworden van het perceel omdat de veiling en de daarvan opgemaakte akte nietig zijn. Zij voeren ter onderbouwing onder meer aan dat stichting Sieddhaart niet de positie heeft van eerste hypothecaire schuldeiser, omdat geen stukken van overdracht van de rechten uit de schuldvordering door stichting Prashaant aan stichting Siedhaarth zijn betekend aan [eiser 1] en [eiser 2] en laatstgenoemden een dergelijke overdracht nimmer hebben erkend noch bevestigd. Stichting Sieddhaarth mist daarom de bevoegdheid tot sommatie en de aanzegging van de veiling op 10 mei 2011.

4.8 [eiser 1] en [eiser 2] voeren verder dat zij nimmer in gebreke zijn gesteld, aan hen geen termijn van betaling is geboden noch de saldoschuld aan hen is betekend. In tegenstelling tot de sommatie en aanzegging van de veiling door stichting Sieddhaarth, is de akte van de openbare veiling van 10 mei 2011 opgemaakt met de vermelding dat de veiling op verzoek van stichting Prashaant plaatsvindt.

4.9 De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] aldus dat een cessie tussen stichting Prashaant en stichting Sieddhaarth zou moeten hebben plaatsgehad, omdat het anders niet begrijpelijk is dat stichting Sieddhaarth hen heeft gesommeerd en de veiling heeft aangezegd. [eiser] en [eiser 2] zijn van een cessie evenwel niet op de hoogte gebracht, terwijl zij in het geval van een cessie deze zouden moeten hebben erkend dan wel bevestigd, omdat voor hen als hypotheekgevers niet onverschillig is wie de schuldeiser is.

4.10 Naar het oordeel van de kamntonrechter is het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] niet onjuist. Nu echter noch uit de processtukken noch uit de stellingen van Bigelow van die cessie blijkt, staat een dergelijke overdracht niet vast en wordt aan een beoordeling daarvan dan ook niet toegekomen. Dat stichting Sieddhaarth uit anderen hoofde de bevoegdheid toekwam is evenmin gesteld of gebleken. In het onderhavig proces is geen andere sommatie of aanzegging overgelegd dan het exploot als hiervoor onder 2.2 aangehaald. Dat de notaris in zijn schrijven van 21 maart 2016 de veiling van stichting Sieddhaart contra [eiser 1] en [eiser 2] op 10 mei 2011 bespreekt kan in dit verband op zijn minst als onoplettendheid van de notaris worden aangemerkt en maakt de hiervoor overwogen feiten en omstandigheden niet anders. De conclusie is dan ook dat stichting Sieddhaarth onbevoegd was om [eiser 1] en [eiser 2] het bevel tot betaling te doen en de openbare verkoop op dinsdag 10 mei 2011 aan te zeggen.

4.11 Als onweersproken staat aldus vast dat de openbare veiling van 10 mei 2011 op verzoek van stichting Prashaant heeft plaatsgehad (hiervoor 2.3). Echter, uitvoorgaande overwegingen vloeit tevens voort dat stichting Prashaant [eiser 1] en [eiser 2] nimmer een bevel tot betaling van de saldoschuld heeft gedaan noch hen de veiling heeft aangezegd. Aldus staat vast dat [eiser 1] en [eiser 2] niet in gebreke zijn gesteld ex artikel 1207 jo artikel 1239 BW. [eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich er terecht op dat een bevel tot betaling aan hen gedaan moest worden. Voor zover van belang merkt de kantonrechter in dit verband nog op dat naar de gewone regels van het verbintenissenrecht de crediteur alvorens er van wanprestatie sprake is de debiteur een ingebrekestelling met doen toekomen. In de hypotheek-geldleningsakte van 03 september 2007 is onder “Ten zevende” bedongen dat de schuldeisers gemachtigd zullen zijn om het verbondene in het openbaar te verkopen indien niet terstond wordt voldaan aan de vordering tot betaling van hoofdsom met interesten en kosten. Niet is gesteld noch is gebleken dat de verplichting tot het vorderen van de betaling is opgeheven doordat partijen hebben bedongen, dat de debiteur in gebreke zal zijn door het enkel verloop van de termijn zonder dat daartoe enige ingebrekestelling nodig zal zijn.

4.12 Op grond van alle hiervoor behandelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd staat vast dat de veiling van dinsdag 10 mei 2011 ten kantore van notaris mr. D.S.P. Chitoe ter openbare verkoop van het perceel nietig is. Bigelow is als gevolg van de nietigheid van de veiling geen eigenaar geworden van het perceel.

4.13 In dit verband overweegt de kantonrechter voorts dat uit de processtukken blijkt dat Bigelow op 26 augustus 2011 aan de stichting Harry Narayan het perceel heeft verkocht en inschrijving van de akte heeft plaatsgehad op 14 september 2011. Gesteld noch gebleken is dat Bigelow tussen 14 september 2011 en 17 april 2014 het perceel heeft (door)verkocht. Eerst op 21 mei 2015 heeft stichting Harry Narayan het perceel verkocht aan stichting Fresh World. Nu bovendien vaststaat dat de veiling van 10 mei 2011 nietig is en Bigelow nimmer de eigendom van het perceel heeft verkregen, kan dan ook niet anders dan geconcludeerd worden dat Bigelow zich geheel te kwader trouw in kort geding bij verzoekschrift van 17 april 2014 als eigenaar van het perceel heeft gesteld.

4.14 Het vorenstaande leidt ertoe dat [eiser 1] en [eiser 2] zich terecht en op goede gronden tot de kantonrechter hebben gewend om te worden ontheven van de veroordeling tegen hen uitgesproken bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding d.d. 09 oktober 2014. De vordering van Bigelow zal worden afgewezen.

4.15 De vordering om Bigelow in de buitengerechtelijke kosten te veroordelen hebben [eiser 1] en [eiser 2] met specifieke feiten en daarop betrekking hebbende rechtspraak gemotiveerd. Bigelow heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten zal als gegrond worden toegewezen.

4.16 Bigelow zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie
4.17 De kantonrechter overweegt als volgt:
In conventie is komen vast te staan dat de op 10 mei 2011 gehouden veiling ten kantore van notaris mr. D.S.P. Chitoe ter openbare verkoop van het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2] nietig is.
Bigelow is daarom geen eigenaar geworden van het perceel. Bigelow kon aldus geen eigendomsrecht ten aanzien van het perceel overdragen aan stichting Harry Narayan.
De verkoop- en koopovereenkomst tussen Bigelow als verkoper en stichting Harry Narayan als koper van 26 augustus 2011 en de daaropvolgende levering van 14 september 2011 zijn aldus zonder rechtsgevolg gebleven.
In conventie is tevens komen vast te staan dat Bigelow op ondeugdelijke gronden een executoriale titel tot ontruiming heeft verkregen. Het verstekvonnis van 09 oktober 2014 is in conventie vernietigd.

4.18 [eiser 1] en [eiser 2] vorderen in reconventie vergoeding van geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van Bigelow, hierin bestaande dat inbreuk is gemaakt op hun eigendomsrecht door hen te ontruimen en hun woning aan de [straat 1] af te breken.
De kantonrechter overweegt in dit verband dat op de comparitie van partijen op 02 februari 2018 Gesser onder meer heeft verklaard:
“Mijn huis stond op perceel [nummer 4]. Wij zijn ontruimd geworden en ons huis – een 6 kamer woning – is meteen afgebroken (…) Mijn man was blind en ziek aan zijn hart.”
Voorts overweegt de kantonrechter dat op voormelde compartitie de voorzitter van Bigelow, de heer [naam 1], de verklaring van [eiser 2] niet heeft weersproken en onder meer heeft verklaard:
“Ik had de deurwaarder het huis aangewezen aan de [straat 1] (…). Ik weet dat eisers onder een boom wonen zoals u mij toont op de foto’s…”

4.19 [eiser 1] en [eiser 2] vorderen in reconventie een vergoeding ad USD 135.000, – wegens de herbouwwaarde van de woning en de schade wegens diefstal en beschadiging van hun inboedel ad USD 10.500, -. Bigelow heeft als verweer aangevoerd dat de bedragen absurd en uit de lucht gegrepen zijn. Aan dit verweer gaat de kantonrechter voorbij nu Bigelow geen nadere concrete en specifieke feiten ter betwisting van de schade heeft aangedragen.

4.20 De kantonrechter oordeelt dat naar de in het verkeer geldende opvattingen bij de thans vaststaande feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie, de omstandigheden waarin [eiser 1] en [eiser 2] zijn komen te verkeren niet anders dan voor rekening van Bigelow komen. Ook overweegt de kantonrechter dat de rechter die over de feiten oordeelt de vrijheid heeft om schade reeds aannemelijk te achten op grond van het vaststaan van feiten waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid en om vervolgens de omvang van die schade te schatten (HR 28 juni 1991, NJ 1991, 746).

4.21 Het voorgaande leidt dan ook tot toewijzing van het primair onder “a” en “b” gevorderde. Het primair onder “d” gevorderde zal worden afgewezen, nu na toewijzing van de onderdelen “a’ en “b” [eiser 1] en [eiser 2] bij de vordering onder “d” geen zelfstandig belang meer hebben.

4.22 De vordering van Bigelow in de kosten voor rechtsbijstand te veroordelen hebben [eiser 1] en [eiser 2] met specifieke feiten en daarop betrekking hebbende rechtspraak gemotiveerd, wat Bigelow niet heeft betwist.
De primaire vordering tot betaling van de kosten onder “c” zal daarom als onweersproken worden toegewezen.

4.23 Aan een beoordeling van het susidiair gevorderde komt de kantonrechter na toewijzing van het primair gevorderde onder “a”, “b” en “c” niet meer toe.

4.24 Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht kan onbesproken blijven, omdat dat niet tot een ander oordeel leidt.

4.25 Bigelow zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In conventie

In oppositie

5. De beslissing

5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding d.d. 09 oktober 2014 bekend onder A.R. no. 14-1795 waarvan verzet.
en opnieuw rechtdoende:

5.2 Wijst af de vordering van stichting Bigelow.

5.3 Veroordeelt stichting Bigelow tot betaling van de buitengerechtelijke kosten.

5.4 Veroordeelt stichting Bigelow in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD….

In reconventie

De kantonrechter:

5.5 Verklaart nietig de veiling van 10 mei 2011 ten kantore van van mr. D.S.P. Chitoe ter openbare verkoop van het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2].

5.6 Verklaart nietig de verkoop van het onder 5.5 voorschreven onroerend goed door stichting Bigelow aan stichting Harry Narayan.

5.7 Veroordeelt stichting Bigelow om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen het bedrag van USD 135.000, – (honderdvijfendertig duizend Noord-Amerikaanse Dollar) voor de herbouw van hun woning.

5.8 Veroordeelt stichting Bigelow om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen het bedrag van USD 10.500, – (tienduizend vijfhonderd Noord-Amerikaanse Dollar) voor beschadiging en diefstal van hun inboedel.

5.9 Veroordeelt stichting Bigelow om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eise 1] en [eiser 2] te betalen het bedrag van SRD 9.180, – (negenduizend honderd en tachtig Surinaamse Dollar) voor rechtsbijstand.

5.10 Verklaart de beslissingen onder 5.7, 5.8 en 5.9 uitvoerbaar bij voorraad.

5.11 Veroordeelt stichting Bigelow in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.12 Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, lid-plaatsvervanger en ter openbare zitting uitgesproken op maandag 03 december 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier, mr. G.T. Moerlie.

w.g. G.T. Moerlie w.g. S.J.S. Bradley

SRU-K1-2018-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1158
29 maart 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. BLUE WING AIRLINES N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [eiseres sub B],
wonende te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

N.V. JUSESUR h.o.d.n. SEWCHARAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 15 maart 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres sub A is een luchtvaartonderneming. Op 17 mei 2010 had de Staat in verband met een vliegtuigongeluk aan eiseres sub A een vliegverbod opgelegd om met 2 vliegtuigen haar luchtvaartoperaties te verrichten. Als gevolg van dit verbod dat achteraf volgens het standpunt van eiseres sub A onrechtmatig bleek te zijn, heeft eiseres sub A schade geleden.

In dat licht heeft eiseres sub B zich op 17 januari 2013 namens eiseres sub A tot gedaagde gewend voor juridische bijstand om de geleden schade van de Staat te incasseren.

2.2 Gedaagde heeft middels een schrijven d.d. 07 mei 2013 aan eiseres sub A kenbaar gemaakt de opdracht om haar juridische bijstand te verlenen te hebben aanvaard. In dat schrijven heeft gedaagde de declareergrondslag als volgt verwoord.

“ Ik stel voor om twee percentages met Blue Wing Arilines N.V. af te spreken:
– Indien de inning van de geleden schade door middel van onderhandelen, ongeacht de duur en de intensiteit, zal zijn geschied, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van rechtsingang, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 en een fee van US$ 7.500

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van rechtsingang, dupliek, repliek bij comparitie van de Rechter, bedraagt het honorrium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 plus een fee van US$ 25.000

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van een vonnis van de Kantonrechter, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief US$ 75.00 plus een fee van 5%

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van een vonnis van de Kantonrechter, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 plus een fee van 5%

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van een vonnis van het Hof van Justitie, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 plus een fee van 7,5% van het werkelijk geind bedrag.

Deze tarieven zijn exclusief overige kosten (onder andere deurwaarders- en vastrechtkosten).

Voor het geval er helemaal geen positief resultaat wordt bereikt, met andere woorden er wordt uiteindelijk na onderhandelen en/of procederen niets geind, niets moet worden uitgesloten, dan stel ik voor dat mijn vergoeding gebaseerd wordt op een sterk verlaagd uurtarief ad US$ 75,- voor de aan de zaak bestede tijd. Dit uurtarief exclusief 8% omzetbelasting en exclusief overige kosten”.

2.3 Bij schrijven d.d. 31 juli 2013 heeft gedaagde de Minister van TCT in kennis gesteld van zijn betrokkenheid bij het geschil tussen eiseres sub A en de Staat Suriname.

2.4 Op 07 oktober 2013 heeft gedaagde aan eiseres sub A een prijsvoorstel gedaan van de in de zaak verrichtte en te verrichten werkzaamheden en heeft eiseres sub A bij schrijven d.d. 13 oktober 2103 aan gedaagde een tegenvoorstel gedaan. Daar partijen geen overeenstemming konden bereiken, heeft eiseres sub A de aan gedaagde gegeven opdracht opgezegd welke opzegging gedaagde op 29 oktober 2013 heeft aanvaard.

2.5 Op 11 februari 2014 heeft eiseres sub A opnieuw dezelfde opdracht aan gedaagde gegeven. Bij schrijven d.d. 15 maart 2014 heeft gedaagde de opdracht aanvaard. In dat schrijven heeft gedaagde de prijsafspraken als volgt vastgelegd:
“(….)
Ik bevestig voor de goede orde de gemaakte prijsafspraken. Deze zijn overeenkomstig het schrijven d.d. 7 oktober 2013 mijnerzijds, met dien verstande dat het daarin opgenomen percentage is gesteld op 7% in plaats van 7,5%”.

2.6 Vanaf februari 2014 is gedaagde in onderhandeling met het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna afgekort TCT) geweest, welke onderhandeling op 12 maart 2014 heeft geresulteerd in het totstandkomen van een Raadsvoorstel dat is opgemaakt door de minister van TCT met [nummer]. In het Raadsvoorstel is opgenomen het voorstel om een bedrag ad US$ 11.500.000,- als schade aan eiseres sub A uit te keren. Dit Raadsvoorstel diende de minister van TCT nog aan de Raad van Ministers ter goedkeuring aan te bieden.

2.6 Bij schrijven van 24 maart 2016 heeft eiseres sub A aan gedaagde medegedeeld dat mr. H.R. Schurman door haar is aangewezen voor afhandeling van de rechtszaak tegen de Staat Suriname. In dat schrijven heeft eiseres sub A aan gedaagde gevraagd de einddeclaratie volgens het afgesproken uurtarief voor haar op te sturen.

2.7 Bij schrijven d.d. 06 februari 2017 is aan gedaagde medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden dient te declareren op basis van gewerkte uren. Ter zake heeft de gemachtigde van eiseres sub A het volgende in het schrijven vermeld:

“ Naar aanleiding van een tussen u en mijn cliente onstaan dispuut heeft mijn cliente u zowel mondeling als schriftelijk bericht dat zij geen prijs meer stelt op uw rechtskundige hulp bij opgemelde zaak.

Tevens heeft zij u gevraagd om uw factuur bij haar in te dienen waarin u gespecificeerd uw tot dan toe verrichte werkzaamheden omschrijft op basis van de gewerkte uren. Na ontvangst van deze factuur zal cliente uw factuur reviewen waarna ik u hierover nader bericht.

Gelet op de financieel precaire situatie waarin het bedrijf zich thans bevindt, vraag ik dringend uw medewerking binnen 8 (acht) dagen na heden de factuur aan mij te willen doen toekomen. Indien de factuur mij niet binnen 8 (acht) dagen na heden heeft bereikt, zal mijn cliente u US$ 1.500,- (…) betalen voor naar schatting 20 gewerkte uren. Daarna is hij u niets meer verschuldigd”.

2.8 Bij schrijven d.d. 20 juni 2017 heeft gedaagde de factuur d.d. 20 juni 2017 met nr. 17.06.333 aan eiseres sub A en diens gemachtigde opgestuurd. In dat schrijven heeft gedaagde onder meer het volgende vermeld:
“(….)
Uw stelling in de eerste alinea van uw schrijven gaat, zoals u zelf behoort te weten, niet op want er is geind, dus het tarief van US$ 75,- per uur is niet van toepassing.

Dat de inning niet door Sewcharan Advocaten is gedaan, doet daar niets aan af. Sewcharan Advocaten heeft wel al de onderhandelingen gevoerd, adviezen gegeven en werkzaamheden verricht die de inning door uw cliente thans mogelijk hebben gemaakt.
(….)
Voor wat betreft het honorarium waarop Sewcharan Advocaten aanspraak maakt, kan op geen enkele wijze en onder geen enkele voorwaarde akkoord gegaan worden met het voorstel van uw cliente ad US$ 1.500,-.
Vaststaat immers dat uw cliente geind heeft en vaststaat ook dat er niet geprocedeerd is. Vaststaat ook dat Sewcharan Advocaten tot aan de tostandkoming van de schikking de overeengekomen diensten correct heeft verleend. Ik doe u hierbij een afschrift toekomen van mijn schrijven d.d. 7 oktober 2013, waaruit de gemaakte prijsafspraak blijkt.
Het als honorarium te hanteren vergoeding, is zoals overeengekomen daarom 5% van het geinde bedrag. Het is Sewcharan Advocaten niet bekend welk bedrag door haar gewezen, thans uw cliente, uiteindelijk is geind.
Wel is het Sewcharan Advocaten bekend dat de zaak geschikt was voor een bedrag van US$ 11.500.000,-. Zoals u weet, heeft uw cliente kort voordat de inning zou plaatsvinden, in ieder geval nadat de deal rond was, zonder reden, de bijstandsverlening door Sewcharan Advocaten opgezegd.

Indien er dus niet een minnelijke settlement wordt bereikt in dezen zal Sewcharan Advocaten genoodzaakt zijn het aan haar toekomende honorarium ad US$ 575.000,- door tussenkomst van de rechter van uw cliente te vorderen. De factuur bestemd voor uw cliente doe ik u hierbij alvast toekomen (bijlage 2). Is er een ander bedrag geind dan de US$ 11.500.000,- waarvoor er was geschikt, dan verneem ik zulks van u, waarna de factuur dienovereenkomstig aangepast zal worden”.

2.9 Per exploot van een deurwarader d.d. 11 juli 2017 is eiseres sub A in gebreke gesteld tot betaling van het bedrag af US$ 575.000,-. Daar de uitbetaling uitbleef heeft gedaagde een vordering ter zake tegen eisers ingesteld in de kort geding zaak bekend onder A.R.No. 17-4395.

2.10 Op 15 februari 2018 heeft de kantonrechter in kort geding vonnis gewezen in de hiervoor vermelde zaak en zijn eisers veroordeeld om aan gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van US$ 575.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 16 oktober 2017 en tot betaling van de proceskosten ad SRD 790,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.11 In het hiervoor vermeld vonnis heeft de kantonrechter ter zake het tussen partijen bestaande geschil, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende overwogen:

‘ 4.4.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft eiseres (lees thans gedaagde) voldoende aannemelijk gemaakt dat er een schikking tot stand is gekomen tussen gedaagden en de Staat. Dit blijkt met name uit het onder 4.2 hiervoor omschreven raadsvoorstel van de minister van TCT en voorts uit de brief van de minister van Financien d.d. 3 juli 2007, in welke brief deze minister impliciet aangeeft dat er wel een schikking is bereikt tussen gedaagde sub A en de Staat. Alhoewel de minister van Financien in voormelde brief heeft aangegeven dat de argumenten en werkzaamheden van mr. G. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wing Airlines N.V., acht de kantonrechter dit niet aannemelijk nu genoemde minister eerder niet heeft uitgeweid over de vraag hoe de schikking met gedaagde A dan wel tot stand is gekomen. Dit had wel verwacht mogen worden nu vast staat dat door inspanningen van eiseres er een raadsvoorstel door de minister van TCT is opgemaakt ter zake het bereiken van een schikking tussen gedaagden en de Staat Suriname. Onduidelijk is waarom dit raadsvoorstel niet verder is uitgewerkt – zoals de kantonrechter begrijpt uit het verweer van gedaagden. Het had op de weg van gedaagden gelegen om over deze onduidelijkheid informatie te verschaffen hetgeen zij hebben nagelaten. Het nader bij dupliek gevoerde verweer door gedaagden dat zij hun openstaande rekeningen over de afgelopen 6 jaren betaald hebben gekregen is te laat gevoerd (pas bij dupliek) als gevolg waarvan eiseres zich niet meer heeft kunnen uitlaten. Dit is in strijd met de regels van een goede procesorde.
Bovendien komt dit verweer de kantonrechter ook niet geloofwaardig over. Nu vast staat dat er een schikking tussen gedaagden en de Staat tot stand is gekomen door de minister van TCT en voorts ook vast staat dat gedaagden een financiele uitkering hebben gehad van de Staat (zoals bij dupliek door gedaagden aangevoerd ligt het voor de hand dat de door gedaagden van de Staat ontvangen financiele uitkering is geschied op grond van het raadsvoorstel van de minister van TCT”.

2.12 Eisers hebben hoger beroep aangewend tegen dit vonnis.

2.13 Gedaagde is middels het leggen van beslag reeds gestart met het tenuitvoerleggen van het vonnis. Op basis van het vonnis heeft gedaagde bij exploot van de deurwaarder, L. Tran van Can-Doesburg:

  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-50 – executoriaal beslag doen leggen onder eiseres sub A op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of verschuldigd mochten worden;
  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-51 executoriaal beslag doen leggen op de in het exploit omschreven roerende goederen van eiseres sub A;
  • d.d. 01 maart 2018, no’s Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 executoriaal derdenbeslag gelegd onder respectievelijk:
    • a) de Hakrinbank N.V.
    • b) de Surinaamsche Bank N.V.
    • c) de Finabank N.V.
    • d) Republic Bank (Suriname) N.V.,
    • e) Surichange Bank N.V.
  • d.d. 05 maart 2018 no. Q-48 en Q-49 executoriaal derdenbeslag gelegd onder respectievelijk: de Staat Suriname met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, en de Staat Suriname met name het Ministerie van Financien,
  • op alle gelden, geldswaarden, waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eisers onder zich hebben en/of zullen verkrijgen verschuldigd mochten worden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

a) de schorsing van de executie te gelasten van het vonnis gewezen d.d. 15 februari 2018, bekend onder A.R. No. 17-4395;
b) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-51 onder de in het exploit genoemde roerende goederen;
c) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Doesburg d.d. 01 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 en op 05 maart 2018, bekend onder no. Q-48 en Q-49 gelegd executoriaal derdenbeslag onder de 2.11 genoemde instellingen.
d) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder no. Q-50 gelegd executoriaal derden beslag onder eiseres sub A ten laste van eiser sub B;
e) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te voldoen het bedrag ad US$ 2.160,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per maand, vanaf de dag der indiening tot de dag der algehele voldoening;
f) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

Subsidiar:

a) de schorsing vsn het vonnis te gelasten van het vonnis gewezen d.d. 22 december 2016, bekend onder A.R. No. 16-2737;
b) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-51 onder de in het exploit genoemde roerende goederen;
c) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Doesburg d.d. 01 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 en op 05 maart 2018, bekend onder no. Q-48 en Q-49 gelegd executoriaal derdenbeslag onder de 2.11 genoemde instellingen;
d) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder no. Q-50 gelegd executoriaal derden beslag onder eiseres sub A ten laste van eiser sub B;
e) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te voldoen het bedrag ad US$ 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per maand, vanaf de dag der indiening tot de dag der algehele voldoening;
f) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat het vonnis van de kantonrechter d.d. 15 februari 2018 apert onjuist is. Daartoe voeren zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder andere het volgende aan:

  • de overweging van de kantonrechter dat er een schikking zou zijn bereikt is een juridische misslag, omdat het Raadsvoorstel door de Raad van Ministers, de President en Vice president moet worden goedgekeurd. Het Raadsvoorstel is geen schikkingsovereenkomst en daraaan kunnen derden geen rechten ontlenen;
  • eiser sub B heeft in de hoedanigheid van directeur van eiseres sub A aan gedaagde de opdracht verleend. Hij is dus niet persoonlijk aansprakelijk voor de overeenkomsten aangegaan door eiseres sub A en diende gedaagde om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard jegens eiser sub B;
  • eisers hebben geen gelden geïnd van de Staat;
  • het onverwijld tenuitvoerleggen zal tot gevolg hebben dat eiseres sub A haar gehele bedrijfsvoering wordt lamgelegd. Zij heeft een groot arbeidsbestand, waaronder piloten, mecaniciens, administratief medewerkers, laders, lossers etc., wiens loon op het spel komt te zitten;
  • als gevolg van het onrechtmatig gedrag van gedaagde lijden eisers schade, daarin bestaande dat zij genoodzaakt waren een advocaat in de arm te nemen voor juridische bijstand. Deze schade ad US$ 2.160,-, bestaande uit advocaatkosten ad US$ 2.000,- en de omzetbelasting ad 8% over dit bedrag, dient gedaagde aan eisers voldoen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en stelt daartoe dat de stellingen van eisers veel weg hebben van een verkapt appèl. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de de aard van de vordering zelf, in het bijzonder uit het feit dat gedaagde reeds bezig is met de executie van het vonnis dat tussen partijen is gewezen d.d. 15 februari 2018, in de zaak bekend onder A.R. No. 17-4395 en het feit dat gedaagde op vrijdag 23 maart 2018 over zal gaan tot openbare verkoop van de in beslag genomen roerende goederen van eisers, welke openbare verkoop op de eerste dag van de behandeling van de onderhavige zaak door gedaagde met twee weken is aangehouden. Daarom worden eisers in het kort geding ontvangen.

4.2 Zoals de kantonrechter de stellingen van eisers begrijpt, kan de onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 februari 2018 niet worden aanvaard, omdat daarin sprake is van een klaarblijkelijk juridische of feitelijke misslag. Voorts dat de onverwijlde tenuitvoerlegging door gedaagde een noodtoestand aan de zijde van eisers zal doen ontstaan, Hiervan uitgaande, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Naar analogie van de vaste jurisprudentie, waarbij wordt verwezen naar H.R. 22 april 1983, NJ 1984, no. 145 en H.R. 22 december 2006, NJ 2007, no. 173 kan de kantonrechter in kortgeding de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, in casu gedaagde, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde, in casu eisers, die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (het zogeheten in de jurisprudentie ontwikkelde Ritzen/Hoekstrat-criterium).
Ditzelfde criterium wordt gehanteerd bij opheffing van executoriaal beslag dat als vexatoir of onrechtmatig kan worden aangemerkt.

4.3 Allereerst ligt ter beantwoording de vraag of sprake is van een “ klaarblijkelijk juridische of feitelijke misslag”. Hiervan is pas sprake als de vergissing in het recht of in de feiten zó in het oog springt, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. De stellingen van eisers worden tegen deze achtergrond beoordeeld. De kantonrechter constateert dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat het Raadsvoorstel tot bewijs dient dat een schikking met de Staat is tot stand gekomen en eisers op grond van dit Raadsvoorstel het met de Staat overeengekomen bedrag ad US$ 11.500.00,- daadwerkelijk hebben geïnd. Dit standpunt is in het tussen partijen gewezen vonnis van 15 februari 2018 aangenomen.

Naar het voorlopig oordeel kan een Raadsvoorstel niet tot bewijs dienen dat er een schikking is getroffen. Dit, omdat – zoals eisers terecht hebben betoogd – een Raadsvoorstel niet het karakter draagt van een schikkingsovereenkomst en derden geen rechten daaraan kunnen ontlenen.

Dat het Raadsvoorstel geen schikkingsovereenkomst kan zijn valt bovendien af te leiden uit de inhoud van punt 3 en punt 7 in het bedoelde Raadsvoorstel. Met name staat in punt 3 van het Raadsvoorstel het volgende vermeld: “ Goed te keuren dat aan de Minister van TCT goedkeuring wordt verleend een schikking aan te gaan met BlueWing Airlines Ltd m.b.t. het rechtsgeding Blue Wing Airline Ltd contra de Staat Suriname in casu het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme tot een bedrag van US$ 11.500.00,-,” en in punt 7: “ Na goedkeuring van de RvM zal in contact met Financien worden getreden voor de afhandeling”.

Hieruit valt duidelijk af te leiden dat aan de Minister van TCT geen goedkeuring was verleend om met eiseres sub A een schikking te treffen, omdat eerst goedkeuring moest worden verleend door de Raad van Ministers, hierna afgekort RvM.

Dat de Miniser van TCT goedkeuring van RvM had en heeft verkregen om in onderhandeling met eiseres sub A te treden, is in het onderhavige proces geenszins gesteld en evenmin uit enig ander bescheid gebleken.
Evenmin kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter het schrijven van de Minister van Financien d.d. 3 juli 2017 gericht aan de gemachtigde van eisers tot bewijs dienen dat tussen eiseres sub A en de Staat een schikking is getroffen, omdat dit niet in de brief staat vermeld. In de brief staat onder meer het volgende vermeld: “ Met referte aan uw schrijven van 28 juni 2017 kan ik u berichten dat de argumenten en werkzaamheden van mr. G. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wings Airlines N.V.. De schikking die is bereikt heeft buiten mr. G.Sewcharan plaatsgevonden”.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voor de kantonrechter aannemelijk dat hetgeen onder 4.4.1 in het vonnis van 15 februari 2018 is overwogen op een “klaarblijkelijke feitelijke misslag” berust.

4.4 Wat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ook op een “ klaarblijkelijke feitelijke misslag” in het vonnis berust, is de veroordeling van eiser sub B tot betaling van het in het vonnis vermelde bedrag aan gedaagden, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Uit de tussen partijen gevoerde correspondenties valt zó in het oog op dat gedaagde door eiser sub B in diens hoedanigheid van directeur van eiseres sub A was benaderd om eiseres sub A juridische bijstand te verlenen in het geschil tussen eiseres sub A en de Staat. Duidelijk is dat niet aan eiser sub B juridische bijstand is verleend, doch aan eiseres sub A en zou eiser sub B om die reden niet moeten worden veroordeeld tot betaling. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het vaste jurisprudentie is dat in kort geding een geldvordering slechts voor toewijzing in aanmerking komt, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn terwijl voorts uit onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, heeft gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter geen in redelijkheid te respecteren belang bij de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 februari 2018, en daarbij voortvloeiend tot handhaving van de opgelegde executoriale beslagen. Dit, omdat voldoende aannemelijk is dat de gelegde executoriale beslagleggingen tot gevolg hebben dat de gehele bedrijfsvoering van eiseres sub A in gevaar dreigt te komen en het onverwijld executeren van de gelden en goederen door gedaagde een noodtoestand aan de zijde van eisers zal doen ontstaan. De noodtoestand zal daarin bestaan dat eiseres sub A van wie voldoende aannemelijk is dat zij een groot arbeidsbestand heeft, in financieel opzicht volledig zal worden lamgelegd.

4.6 Voor de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat eisers als gevolg van de beslagleggingen, van welke beslagleggingen aannemelijk is dat die vexatoir en onrechtmatig zijn, schade hebben geleden. Nu gedaagden de hoogte van de schade niet hebben weersproken, zal zulks worden toegewezen, doch met uitzondering van de mede gevorderde wettelijke rente over de gevorderde schade.

4.7 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 100,- en de kosten voor oproep per exploit van een deurwaarder ad SRD 250,-.

5. De beslissing

5.1 Schorst de executie van het vonnis gewezen d.d. 15 februari 2018, bekend onder A.R. No. 17-4395, totdat daarop in hoger beroep is beslist.

5.2 Heft op het door gedaagde bij exploot van de deurwaarder, L. Van Tran van Can-Doesburg:

  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-51 gelegd executoriaal beslag op het in het exploit omschreven roerende goederen;
  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-50 – gelegd executoriaal derdenbeslag onder eiseres sub A op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of verschuldigd mocht worden;
  • d.d. 01 maart 2018, no’s Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 gelegd executoriaal derdenbeslag onder respectievelijk:
    • a) de Hakrinbank N.V.
    • b) de Surinaamsche Bank N.V.
    • c) de Finabank N.V.
    • d) Republic Bank (Suriname) N.V.,
    • e) Surichange Bank N.V., op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of verschuldigd mochten worden;
  • d.d. 05 maart 2018 no. Q-48 en Q-49 gelegd executoriaal derdenbeslag onder respectievelijk: de Staat Suriname met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, en de Staat Suriname met name het Ministerie van Financien, op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of verschuldigd mochten worden;

5.3 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan eisers te voldoen het bedrag as US$ 2.160,- (Tweeduizend Eenhonderd en Zestig Amerikaanse Dollar).

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot een deze uitspraak begroot op SRD 350,-(Driehonderd en Vijftig SurinaamseDollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 29 maart 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

w.g. D. Ramdin w.g S.M.M. Chu

SRU-K1-2017-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 10-5078
14 november 2017

Vonnis in de zaak van:

[werknemer],
wonende te [district],
eiseres in conventie, verweerder in reconventie,
hierna aangeduid als “de werknemer”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

de Bolivariaanse Republiek Venezuela, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna aangeduid als “de werkgever”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het door de Kantonrechter in het Eerste kanton op 12 mei 2015 in onderhavige procedure gewezen tussenvonnis.

1. Het verder procesverloop

Het verder procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) de conclusie tot overlegging bescheiden zijdens de werkgever, met producties;
b) de conclusie tot uitlating producties zijdens de werknemer.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling
In conventie:

Het primair onder A gevorderde: de betaling van de boete, dan wel verhoging van 50% van het loon over de maanden februari tot en met mei (de kantonrechter begrijpt: 2010), zijnde een bedrag van USD 3.786,00.

2.1 De werkgever heeft in de conclusie van antwoord melding gemaakt van het vonnis in kort geding gewezen op 6 oktober 2011, A.R. no. 105085 en heeft verklaard dat de verhoging ad USD 3.785,00 onverplicht aan de werknemer is betaald.

2.2 De werknemer heeft niet ontkend of betwist dat de door de werkgever aangevoerde betaling heeft plaats gehad, zodat dit tussen partijen in rechte vast staat.
Het primair onder A gevorderde is derhalve niet toewijsbaar.

Het primair onder B gevorderde: betaling van het loon over de maanden juli tot en met november 2010, vermeerderd met de boete dan wel verhoging ex artikel 1614q BW.

2.3 De werknemer heeft gesteld dat de opzegging van de dienstbetrekking aan de werknemer in persoon moet geschieden. Verder is gesteld dat, nu de opzegging aan de procesgemachtigde van de werknemer is gericht en aangeboden, de dienstbetrekking niet rechtsgeldig is opgezegd, zodat de werknemer nog in dienst is van de werkgever en zij aanspraak maakt op tijdige uitbetaling van haar salaris.

2.4 De werkgever heeft in de conclusie van antwoord aangevoerd dat blijkens het bij deze conclusie als productie 6 overgelegd exploot van deurwaarder R. Sontono d.d. 28 januari 2010 de werknemer domicilie heeft gekozen ten kantore van “Schurman advocaten”
De werkgever heeft daarbij geïndiceerd dat niet wettelijk is vereist dat een opzegging in persoon moet geschieden.

2.5 De werknemer heeft hierop in de conclusie van repliek gesteld dat krachtens de wet (art. 1615a BW) een arbeidsovereenkomst strikt persoonlijk is, zodat, nu het een persoonlijke relatie betreft tussen de werkgever en werknemer – en de procesgemachtigde geen partij is bij die overeenkomst – er niet bij de procesgemachtigde kan worden opgezegd, nog minder aan een collega/kantoorgenoot van de procesgemachtigde.
Tevens is gesteld dat het kiezen van domicilie slechts betrof de betaling van de achterstallige honoraria en alles daaromtrent, maar niet de rechtsrelatie tussen werkgever en werknemer. Dit blijkt, aldus de werknemer, uit productie C overgelegd bij het inleidend verzoekschrift.

2.6 De werkgever heeft hierop in de conclusie van dupliek verklaart dat artikel 1615a BW uitsluitend ziet op wie de bedongen arbeid moet verrichten. Tevens is ten aanzien van de gekozen woonplaats verwezen naar artikelen 74 tot en met 77 BW en artikelen 1 en 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Aangevoerd is dat de domicilie keuze vermeld in het onder 2.4 van dit vonnis vermeld exploot algemeen is, zodat de beperking die de werknemer wenst aan te brengen in strijd met de waarheid is.

2.7 De kantonrechter merkt op dat als productie C bij het inleidend verzoekschrift is overgelegd een kwitantie d.d. 8 april 2010 verstrekt door de procesgemachtigde van de werknemer als wettelijk vertegenwoordiger. Deze kwitantie heeft betrekking op de ontvangst van een cheque d.d. 9 maart 2010 behorend tot de betaling van het salaris van de werknemer over de maand februari 2010 en een cheque d.d. 30 maart 2010, behorend tot de betaling van het salaris van de werknemer over de maand maart 2010. Naar dezerzijds oordeel blijkt uit dit bescheid de door de werknemer gestelde beperking van de domiciliekeuze niet.
De kantonrechter constateert dat in hoofde van het exploot van deurwaarder R. Sontono van 28 januari 2010 no. 60, bij welk exploot een schrijven van de procesgemachtigde van de werknemer is betekend aan de werkgever, is vermeld als volgt:
“[werknemer](…) ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 32, bij Schurman Advocaten, voor wie Mr. H.R. SCHURMAN, advocaat, als gemachtigde optreedt”.
De kantonrechter overweegt dat uit voornoemd citaat blijkt dat de werknemer domicilie heeft gekozen aan de Watermolenstraat no 32, bij Schurman Advocaten.
Noch uit betreffend exploot, noch uit het schrijven dat bij betreffend exploot aan de werkgever is betekend blijkt de beperking die thans door de werknemer wordt gesteld.
Nu de schriftelijke opzegging ná 28 januari 2010 is gedaan ten kantore van Schurman Advocaten aan de Watermolenstraat no. 32, is zij naar dezerzijds oordeel rechtsgeldig geschied zodat de dienstbetrekking tussen de werknemer en de werkgever na ommekomst van de opzeggingsperiode is beëindigd. Geconstateerd is dat de werkgever er in de schriftelijke opzegging van 10 februari 2010 heeft verklaard dat de dienstbetrekking zes maanden na 15 februari 2010 eindigt.
Geconcludeerd wordt derhalve dat de dienstbetrekking is beëindigd op 15 augustus 2010, zodat de werknemer aanspraak maakt op het salaris over de maanden juli en de helft van de maand augustus 2010.
Geconstateerd wordt dat bij conclusie van repliek de volgende ten behoeve van de werknemer uitgeschreven cheques d.d. 23 augustus 2010 zijn overgelegd:

1. Chequenummer 125-9246 voor USD 1.893,00
2. Chequenummer 125-9247 voor USD 1.893,00
3. Chequenummer 125-9248 voor USD 3.726,00
4. Chequenummer 125-9249 voor USD 931,50.

Niet in het geding is dat het salaris over de maanden april mei en juni 2010 is voldaan op 28 juni 2010. De kantonrechter concludeert derhalve dat het salaris over de maanden juli en augustus is voldaan op 23 augustus 2010.
De werkgever is de werkgever derhalve geen salaris meer verschuldigd, zodat het primair onder B gevorderde niet toewijsbaar wordt geacht.

Het primair onder C, D en E gevorderde: betaling van het loon vanaf juli tot en met november 2010, vermeerderd met de boete dan wel verhoging ex artikel 1614q BW, de werknemer gelasten de werknemer in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te kunnen hervatten en de werkgever veroordelen in de kosten van het geding.

2.8 Gelijk hiervoor onder 2.7 is overwogen is het salaris over de maanden juli en augustus 2010 reeds aan de werknemer uitgekeerd. Nu de werkrelatie tussen partijen in augustus 2010 is beëindigd maakt de werknemer geen aanspraak op loon vanaf de maand augustus 2010. Ook de gevorderde hervatting van de werkzaamheden wordt niet toewijsbaar geacht.
Nu geen veroordeling van de werkgever zal worden gegeven, is voor haar veroordeling in de kosten van het geding geen plaats.

Het subsidiair gevorderde: schadevergoeding ad USD 136.296,00 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar

2.9 Gesteld is dat door de werkgever als ontslagreden is opgegeven “geschonden vertrouwen waardoor van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht de dienstbetrekking te laten voortduren”, waarbij de werknemer het verwijt is gemaakt dat zij:

a. zonder afstemming met de ambassadeleiding een blanco blad met brievenhoofd van de ambassade en voorzien van een stempel verzonden heeft naar de ambassadeur die is teruggeroepen;
b. gevoelige informatie die de diplomatieke betrekkingen tussen Suriname en Venezuela zouden kunnen schaden, onrechtmatig verstuurd heeft naar de media, oppositionele partijen en de teruggeroepen ambassadeur.
Verder is gesteld dat de werknemer heeft ontkend zich te hebben schuldig gemaakt aan het verzenden van de onder b genoemde gevoelige informatie.
De werknemer heeft erkend een blanco brievenhoofd van de ambassade, voorzien van een stempel te hebben gezonden aan een ambassadeur en heeft aangevoerd dat zulks niet onrechtmatig is geschied aangezien het haar niet bekend was dat hij was terug geroepen.
Door de werknemer is gesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat:

  1. zij 59 jaar oud is en zij op haar 65e jaar met pensioen zou gaan; de werkgever heeft geen adequate voorzieningen voor haar getroffen;
  2. zij is ontslagen na 31 jaar trouwe dienst en haar werk over het algemeen naar volle tevredenheid heeft verricht;
  3. de kans dat de werknemer een andere dienstbetrekking zal kunnen bemachtigen vrij miniem is;
  4. het ontslag desastreuze gevolgen heeft voor de werknemer: zij is een alleenstaande vrouw die in haar eigen levensonderhoud moet voorzien en heeft maandelijkse vaste lasten en verplichtingen welke zij zal dienen te voldoen.

Gesteld is dat afgewogen tegen de aard en de ernst van de handelingen die zij heeft gepleegd, terwijl zij in de veronderstelling leefde de mail te hebben verzonden aan een nog aanzittende ambassadeur, het nadeel van de werknemer onevenredig groot is.
Tenslotte is gesteld dat de werkgever zich niet heeft gehouden aan de wettelijke eis van goed werkgeverschap (artikel 1614ij BW): de werkgever moest erop toezien dat de toe te passen disciplinaire maatregen in evenredigheid was met de ernst van het verwijt aan de werknemer. De maatregel van ontslag diende pas genomen te worden als de andere disciplinaire maatregelen geen soelaas boden.

2.10 De werkgever heeft in reactie hierop erkend dat de werknemer als executive secretary in dienst was en heeft verklaard dat alle vertrouwelijke en geheime correspondentie van de Ambassade in Suriname hetzij eerst bij de werknemer in handen komen, hetzij vanaf de voorbereiding tot de expeditie onder de werknemer berusten.
De werkgever heeft betwist dat de werknemer er niet van op de hoogte was dat de ambassadeur was teruggeroepen, aanvoerende dat de fax van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Venezuela d.d. 24 april 2009 betreffende de nota inhoudende dat [naam] met ingang van 23 april 2009 als tijdelijk zaakwaarnemer van de diplomatieke missie in Suriname zou fungeren, het eerst in handen van de werknemer is gekomen.
Daarnaast is aangevoerd dat de werknemer voormelde nota, na kennisneming en instructie van de zaakgelastigde, administratief heeft afgehandeld met het Ministerie van Buitenlandse Zaken hier te lande, alsook dat het bericht betreffende de tijdelijke zaakwaarnemer ter kennis is gebracht van het personeel, inclusief de werknemer.

2.11 De kantonrechter constateert dat de werknemer het onder 2.10 weergegeven verweer niet heeft bestreden. Hierdoor is tussen partijen komen vast te staan dat de werknemer, wetende dat de ambassadeur was teruggeroepen, een blanco brievenhoofd van de ambassade voorzien van een stempel aan hem heeft gezonden.
Zulks is naar het oordeel van de kantonrechter een zeer ernstig vergrijp, hetgeen voor de werknemer, mede gezien haar lange dienstverband, eveneens duidelijk moet zijn geweest.
Nu de werknemer zich daardoor niet heeft laten weerhouden, is het aan haar verleend ontslag naar dezerzijds oordeel een passende maatregel, zodat van een kennelijk onredelijk ontslag geen sprake is. Het subsidiair gevorderde wordt dan ook niet toewijsbaar geacht.

2.12 De werknemer zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie:
2.13 De kantonrechter constateert dat in de procedure bekend onder A.R. no. 105085 de werknemer onder meer heeft gevorderd dat de werkgever ertoe wordt veroordeeld de boete van 50% ex artikel 1614q BW vanwege vertraging in de betaling van het loon over de maanden februari tot en met mei 2010 ad USD 3.786,00 te betalen, welke vordering bij vonnis van 6 oktober 2011 is toegewezen. Voornoemd vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Nu de werkgever zich op het standpunt heeft gesteld dat zij het op de verhoging wegens vertraging in de betaling van het loon over de maanden februari tot en met mei 2010 onverplicht heeft betaald, gaat de kantonrechter ervan uit dat de betaling daarvan niet vrijwillig, doch ter nakoming van het vonnis van 6 oktober 2011, A.R. 105085 is geschied, zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.

2.14 De werkgever, zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:
3.1 Wijst het primair en subsidiair gevorderde af.

3.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie:
3.3 Wijst de vordering af.

3.4 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 14 november 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2018-55

Vonnisnummer: 61/2018
Parketnummer: 01-03-13725
Uitspraak: 24 oktober 2018
VERSTEK

APPELSTRAFKAMER
Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 18 november 2011 en uitgesproken tegen de verdachte:

[naam 1], geboren op [geboorte datum] in [land], wonende aan de [straat 1] te [district], security handlanger van beroep, thans in vrijheid gesteld.
Verdachte is niet verschenen, maar wordt bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.A.H. Pick.

Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 22 november 2011 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de verdachte op 02 december 2011 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 18 november 2011 onder aanvulling van de aangehaalde bewijsmiddelen zal bevestigen.

De verdediging heeft:
Bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 18 november 2011 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder I (het medeplegen van moord) ten laste gelegde vrijgesproken en terzake van het onder II ( het medeplegen van opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 252 lid 1 jo artikel 72 WvSr) ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar en 6 (zes) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.

Nadere overwegingen omtrent het bewijs:
Het hof overweegt naar aanleiding van het door de verdediging gestelde dat de in de [kreek] aangetroffen motorfiets waarmee de schutter de moord zou hebben gepleegd, niet aan de verdachte kan worden gelinkt, als volgt:
Het hof slaat acht op de verklaring van de getuige [getuige] waarbij hij -onder meer- heeft verklaard dat [verdachte] (zijnde verdachte [naam 1]) hem tegen eind december had gevraagd of hij iemand kende die een man wilde vermoorden en dat hij, [naam 1], hem was komen halen aan de [straat 2] en daarbij een Via 2000 had meegenomen, omdat hij een motorfiets die daarin was geadverteerd wilde kopen. Voorts dat hij, [getuige] de motorfiets op zijn naam moest zetten en dat het [naam 1] is geweest die met de motorfiets is weggereden en op een ander moment bij het zien van de bedoelde motorfiets onder een afdakje bij [naam 2] en [naam 3] op vragen van [getuige] aan die [getuige] te kennen had gegeven: “a mang moes doe wang wroko gie mie” en dat hij het later zou vertellen. Tevens slaat het hof acht op de verklaring van [naam 4] die -onder meer- heeft aangegeven dat hij de opdracht tot het demonteren van de motorfiets had gekregen van [getuige] en dat die op zijn beurt hiertoe de opdracht had gekregen van [naam 1] alsmede de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] die [naam 1] positief hebben aangewezen als te zijn de persoon die zij in hun verklaring hebben bedoeld als de blanke manspersoon die samen met [naam 2] de motorfiets voor reparatie had gebracht. Eveneens neemt het hof in ogenschouw de omstandigheid dat voornoemde [naam 5] daartoe in de gelegenheid gesteld om de deels gesloopte motorfiets eventueel te herkennen, deze in één oogopslag had herkend als te zijn de motorfiets van het merk Suzuki Hayabuza die door [naam 2] en de blanke man ([naam 1]) bij hem was gebracht voor reparatie, en voorts de omstandigheid dat na onderzoek is gebleken dat het chassisnummer van de verkochte motorfiets overeenkwam met het chassisnummer van de motorfiets welke was gedumpt in de [kreek]. Op grond van al het voorgaande kan door het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte voornoemd zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten; immers leveren deze bewijsmiddelen in elkaars verband en samenhang beschouwd wel het wettig en overtuigend bewijs voor het hof op dat het de verdachte is geweest die bedoelde motorfiets welke bestemd was om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en weggemaakt zoals voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 252 lid 1 jo artikel 72 WvSr.
Evenals de kantonrechter en de vervolging komt het hof daarom tot het bewijs dat de verdachte zich wel heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder II van de tenlastelegging wordt verweten en is de verdachte in de visie van het hof terecht daarvoor veroordeeld door de kantonrechter.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton op 18 november 2011 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte waarvan beroep.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend-President;
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden;
bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier,
en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 24 oktober 2018.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. M.C. Mettendaf

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2017-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 09-4497
10 januari 2017

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

Texaco Caribbean Incorporated, thans geheten
Chevron Caribbean Incorporated, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: thans mr. H.R. Lim A Po, Jr.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) het verzoekschrift dat op 15 oktober 2009 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
b) de mondelinge conclusie van eis;
c) de conclusie van antwoord;
d) de conclusie van repliek, met producties;
e) de conclusie van dupliek;
f) het bij rolbeschikking gelasten van een comparitie van partijen;
g) het proces-verbaal van de op 20 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;
h) de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens eiser;
i) de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens gedaagde.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bij vervroeging nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft in een schrijven d.d. 22 januari 2001 aan de Directeur van Texaco te kennen gegeven dat hij al jaren erg veel last heeft van verwerkte smeerolie afkomstig van het Texaco Service Station aan de [weg], dat toentertijd werd beheerd door dealer [naam]. In dit schrijven is tevens vermeld waar de last uit bestaat:

  • verwerkte olie kwam via het riool naar boven en is op het gehele erf terecht gekomen;
  • uit het washok, de badkamers en de toilettenafvoer kwam een sterke olie stank, alsook olie;
  • het erf is verzadigd geraakt waardoor er niets meer groeit en de bestaande beplanting is verdord;
  • de verflaag van de omrastering is door de olie op een bepaalde hoogte weggevreten.

Eiser heeft in dit schrijven verklaard dat de herstelkosten US$ 16.093,18 bedragen.

2.2 Eiser heeft bij schrijven d.d. 26 maart 2001 gericht aan de Directeur van Texaco wederom aandacht gevraagd voor de onderhavige kwestie.

2.3 Bij schrijven d.d. 30 maart 2001 heeft de vice president van Texaco Caribbean Inc. eiser doen weten dat het management van Texaco bereid is tot het betalen van het door hem gevorderd bedrag ad US$ 16.095,00 mits alle leden van het gezin een zogeheten “release” ondertekenen. Eiser is bij dit schrijven ook meegedeeld dat mr. F. Kruisland, juridisch adviseur van het bedrijf, is geïnstrueerd om de “release” te concipiëren en daarover in contact te treden met eiser.

2.4 Mr. F. Kruisland heeft een schrijven d.d. 19 april 2001 gericht aan eiser bij welk schrijven hij eiser een Nederlandse versie van een vaststellingsovereenkomst en schikking heeft doen toekomen met het verzoek die te ondertekenen. In dit schrijven is aan eiser meegedeeld dat de voor hem bestemde cheque voor het in de overeenkomst vermeld bedrag te zijner beschikking is op het kantoor van mr. Kruisland.

2.5 De procesgemachtigde van eiser heeft een schrijven d.d. 2 oktober 2001 gericht aan mr. F. Kruisland, advocaat, in welk schrijven er melding van is gemaakt dat eiser bereid is het door de Texaco aangeboden bedrag ad US$ 16.095,00 voor de materiële schade te ontvangen.
In voornoemd schrijven is er melding van gemaakt dat middels voornoemd bedrag de schade die eiser lijdt als gevolg van de wateroverlast met daarin vermengd de olie die door gedaagde gedurende zekere tijd in de riolering is geloosd, niet is teniet gedaan.
In dit schrijven is tevens verklaard dat zijns inziens ten aanzien van de kwantificering van de vergoeding van de immateriële schade geleden door eiser en zijn gezin overeenstemming moet worden bereikt.

2.6 In een taxatierapport d.d. 1 september 2009, opgesteld door A. Ajodhia, beëdigd makelaar-taxateur, is verklaard dat de vrijwillige verkoopwaarde van het pand inclusief perceelland op in voormeld taxatierapport aangegeven gronden, is gesteld op US$ 567.050.
Tevens is door hem verklaard dat, gelet op de negatieve consequenties die veroorzaakt is door een ondergrondse olielekkage van een pompstation, kan worden gesteld dat er een waardevermindering ontstaat die ongeveer 30% bedraagt over de economische waarde bij de momentopname, derhalve bedragend US$ 170.115.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht te verklaren dat gedaagde zich jegens eiser onrechtmatig heeft gedragen;
B. gedaagde te veroordelen tot betaling van:

  • US$ 16.095,00, zijnde de reeds vastgestelde kosten ter beperking van de geleden schade;
  • US$ 170.115,00 zijnde de geleden materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, te rekenen van de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening;
  • US$ 3.000.000,00 zijnde de geleden immateriële schade, althans een door de kantonrechter te bepalen redelijk bedrag;
  • US$ 5.000,00 voor iedere dag of keer dat gedaagde weigeren mocht aan het veroordeelde onder B gevorderde te voldoen.

C. eiser te gunnen te mogen procederen volgens het certificaat van onvermogen B.v.R. [nummer 1].

3.2 Eiser heeft, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd.
Eiser heeft gesteld dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat brandstof en olieproducten afkomstig van gedaagde, althans van een onder het beheer van gedaagde zijnd service station, de grond van eiser heeft vervuild en verontreinigd.
Eiser heeft als gevolg van de onrechtmatige daad van gedaagde schade geleden. Gedaagde is gehouden de schade te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

4. De beoordeling

4.1 Eiser heeft als productie bij zijn verzoekschrift gevoegd een certificaat van onvermogen [nummer 1] afkomstig van het Hoofd van het Bureau Rechtszorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Hem zal derhalve toestemming worden verleend kosteloos te procederen.

4.2.1 Gedaagde heeft allereerst aangevoerd dat het exploot van oproeping nietig is, aangezien zij niet te Paramaribo is gevestigd.

4.2.2 Overwogen wordt dat, ook indien het exploot nietig zou zijn, het beroep daarop ingevolge artikel 93 van het Burgerlijk Wetboek zal worden verworpen, aangezien gedaagde ter terechtzitting is verschenen en er derhalve naar dezerzijds oordeel geen onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de identiteit van gedaagde. Gedaagde heeft daarnaast, ter terechtzitting verschenen zijnde, de gelegenheid gekregen zich ten aanzien van de vordering te verweren, zodat zij niet in haar verdediging is geschaad.

4.3.1 Gedaagde heeft in de conclusie van antwoord als verweer aangevoerd dat eiser in het inleidend rekest niet heeft vermeld waar het door hem bedoeld servicestation is gesitueerd, zodat gedaagde in haar verdediging ernstig is geschaad.

4.3.2 De kantonrechter gaat aan dit verweer van gedaagde voorbij. Uit de tussen eiser en gedaagde gevoerde correspondentie alsook uit het door gedaagde aan eiser aangeboden vaststellingsovereenkomst – welke stukken bij het inleidend verzoekschrift als productie zijn overgelegd – blijkt immers dat het betreft het service station gelegen aan de [weg] [nummer 2].

4.4.1 Gedaagde heeft verder als verweer aangevoerd dat zij het betreffend service station sedert 1 februari 1994 heeft verhuurd en in exploitatie gegeven aan [naam] die conform de met hem gesloten huur- en exploitatieovereenkomst verantwoordelijk en aansprakelijk is voor alle gedragingen ten opzichte van en ten aanzien van derden, welke in of vanuit dat service station zouden hebben plaatsgehad. Aangevoerd is dat gedaagde niet aansprakelijk is.

4.4.2 Allereerst wordt geconstateerd wordt dat, gelijk onder de feiten is vermeld, gedaagde zich bereid heeft verklaard de kosten voor herstel aan eiser te vergoeden. Daarnaast wordt geconstateerd dat de eiser heeft gesteld dat de door hem ondervonden last een periode van bijkans dertig jaar bestrijkt, welke periode langer is dan die waarin gedaagde een overeenkomst zou hebben met genoemde exploitant.
Daarnaast wordt geconstateerd dat gedaagde ter comparitie heeft verklaard dat de schade aan de buurtgenoten in onderling overleg is vergoed. Zulks leidt tot de conclusie dat het onder deze omstandigheden onrechtmatig is de door eiser geleden schade niet te vergoeden. Immers, eiser maakt er in zijn schrijven d.d. 22 januari 2001 melding van dat meerdere kolkenzuigers vol olie uit het rioleringssysteem zijn getrokken, alsook dat de aan hem toebehorende grond verzadigd is met olie dan wel olieproducten.
Gedaagde heeft het door eiser gestelde ontkend en betwist, doch heeft dit zonder enige motivering gedaan, zodat daaraan wordt voorbij gegaan.
Overwogen wordt tevens dat bekend moge worden verondersteld dat voor het doen verzadigen van de grond vereist is dat een grote hoeveelheid van de vloeistof in de grond terecht is gekomen. Nu het service station van gedaagde zich in de zeer nabij omgeving van de woning van eiser bevindt, en het een feit is van algemene bekendheid dat service stations grote hoeveelheden olie en olieproducten opslaan, meestal ondergronds, concludeert de kantonrechter dat de olie(producten) die op het terrein van eiser zijn terechtgekomen afkomstig zijn van het aan gedaagde toebehorend service station.
Naar dezerzijds oordeel is gedaagde dan ook gehouden de door eiser geleden schade te vergoeden.

4.5 Gedaagde heeft de door eiser gestelde materiële schade niet gemotiveerd betwist, zodat het ten aanzien daarvan gevorderd bedrag ad US$ 16.095,00 zal worden toegewezen.

4.6.1 Gedaagde heeft ten aanzien van de door eiser gestelde waardedaling van het pand inclusief perceel aangevoerd dat het door eiser overgelegd deskundigenrapport totaal ondeugdelijk is vanwege het feit dat de opsteller daarvan als makelaar in onroerend goed niet de minste notie heeft van vruchtbaarheid van de grond, een bodemstructuur, grondverzakking, brandrisico, benzinegeuren en de aard van rioleringen; de opsteller heeft zulks evenwel gebruikt als parameters voor de verstrekking van de waardedaling.

4.6.2 Overwogen word dat het een feit van algemene bekendheid is dat de aanwezigheid van olie en olieproducten een verhoogd brandrisico met zich meebrengt, alsook dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden vloeistof in de grond een invloed heeft op de structuur van de bodem en een gevaar in zich draagt voor het ontstaan van verzakkingen in de grond. Het behoeft geen betoog dat zulks de waarde van het onroerend goed doet dalen. Nu de opsteller van het rapport deze factoren heeft meegenomen in de bepaling van de waardevermindering van het aan eiser toebehorend goed, is zulks naar dezerzijds oordeel terecht geschiedt. Het door de taxateur vastgestelde percentage wordt redelijk geacht, zodat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van US$ 170.115,00.
Ten aanzien van de over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt overwogen dat de wettelijke rente een vergoeding is van de schade ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom. Nu gedaagde eerst bij de uitspraak van dit vonnis het gevorderd bedrag verschuldigd wordt, is van een vertraging in de betaling vooralsnog geen sprake, zodat de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar wordt geacht.

4.7 De kantonrechter constateert dat eiser de vordering aan immateriële schade heeft gemotiveerd door te stellen dat hij door de geur van de olie(producten) levensvreugde heeft gederfd en de gezondheid van de gezinsleden nadelig is beïnvloed.
Naar dezerzijds oordeel is zulks onvoldoende om het aan immateriële schade gevorderd bedrag te kunnen dragen, zodat dit deel van de vordering niet toewijsbaar wordt geacht.

4.8 Gelet op het onder 4.5 en 4.6 overwogene zal gedaagde worden veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag ad US$ 186.210,00 (US$ 16.095,00 + US$ 170.115,00). Ten aanzien van de gevorderde dwangsom wordt overwogen dat zulks gelet op artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet toewijsbaar is nu de veroordeling betreft de betaling van een geldsom.

4.9 Gedaagde zal, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Staat eiser toe kosteloos te procederen.

5.2 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de totaalsom ad US$ 186.210,00 (eenhonderd zesentachtigduizend tweehonderd en tien Noord-Amerikaanse dollar).

5.3 Verklaart het onder 5.2 van dit vonnis bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 135.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 10 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-1970-2

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 4 dec. 1970.
[appellant], wonende in [district], appellant, adv. Mr. E.J. Bruma,

TEGEN:

  1. [geintimeerde 1], in privé en tot bijstand van zijn echtgenote, [geintimeerde 2],
  2. [geintimeerde 2], echtgenote van [geintimeerde 1], beiden wonende in [district], geintimeerden, adv. Mr. H.R. Lim A Po.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :

O., dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

dat verzoeker sub 1 en verzoekster sub 2 op 18 juli 1948 in het ressort Ni/BM in [district] zijn gehuwd en uit dit huwelijk is geboren in [district] op 18 juli 1948 een zoon, [naam];

dat deze zoon van verzoekers, [naam], op [datum] in [district] door de schuld en onvoorzichtigheid van gerekestreerde [appellant] ernstige verwondingen heeft opgelopen en op 6 oktober d.a.v. ten gevolge van deze verwondingen is overleden, hebbende e.e.a., zich voorgedaan op de wijze en onder de omstandigheden zoals vermeld in het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton dd. 5 december 1967, waarbij gerekestreerde terzake strafrechtelijk is veroordeeld wegens het aan zijn schuld te wijten zijn van de dood van [naam] voornoemd en van welk vonnis hierbij in fotocopy een afschrift wordt overgelegd met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;

dat het slachtoffer [naam] ten tijde van het ongeval als chauffeur-dragline operator een inkomen genoot van Sf 6.— per dag en hieruit aan verzoeker sub 1 en aan verzoekster sub 2 wekelijks voor hun levensonderhoud elk een bedrag van Sf 10.— verstrekte, welke bedragen verzoekers, die thans respektievelijk 40 en 33 jaren oud zijn, wellicht gedurende hun gehele verdere leven van het slachtoffer zouden hebben ontvangen, doch thans moeten ontberen;

dat verzoekers behoeftig zijn, slechts zeer geringe eigen inkomsten hebben en derhalve gerechtigd zijn van gerekestreerde schadevergoeding te vorderen;

dat verzoekers de voorkeur geven aan uitkeringen ineens en deze dienen te worden gesteld voor verzoeker sub 1 op Sf 11.465.— en voor verzoekster sub 2 op Sf 12.700.—, zijnde de bedragen waartegen een op het gebied van de levensverzekering werkzame onderneming bereid is de voldoening van Sf 10.— per week tijdens het verdere leven van verzoekers, voor haar rekening te nemen;

dat verzoekers ondanks herhaalde aanmaning, in der minne geen betaling van voormelde bedragen van gerekestreerde kunnen bekomen, zodat zij gerechtigd zijn deze in rechten te vorderen; enz.

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gerekestreerde zal worden veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijke kwijting te betalen aan verzoeker sub 1 de som van Sf 11.465.— en aan verzoekster sub 2 de som van Sf 12.700.— met de wettelijke interessen over deze bedragen ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang — 13 februari 1968 — tot aan die der voldoening; enz.

O., dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord heeft gezegd:

dat de gedaagde het in het derde ,,dat” gestelde erkent;

dat hij bij gebrek aan wetenschap ontkent hetgeen de eisers in hun vierde „dat” hebben gesteld, maar er op wijzen wil, dat een vorderingsrecht toekomt aan degenen, die door het slachtoffer onderhouden werden, hetgeen zelfs als de door eisers gestelde feiten juist zouden zijn in dit geval niet kan worden gezegd van eisers;

dat het bedrag dat volgens hun eigen opgave aan de verzoekers werd gegeven zich tot hetgeen zij voor hun onderhoud nodig hebben op zodanige wijze verhoudt, dat er geen sprake van kan zijn, dat het slachtoffer beschouwd kan worden als degene, die voor hun onderhoud zorg droeg;

dat in ieder geval ten aanzien van eiseres sub 2 dit niet gezegd kan worden nu zij ten laste komt van haar echtgenoot;

dat derhalve op deze grond de vordering van eisers moet worden afgewezen, daar de Wet een vorderingsrecht in dit geval aan hen niet heeft gegeven;

dat voorts de vordering niet kan worden ontvangen nu de eisers ten aanzien van het door hen gevorderde bedrag dermate summiere gegevens hebben verstrekt, dat het de gedaagde niet mogelijk is te beoordelen op welke wijze zij tot dit bedrag zijn gekomen;

dat immers de opgave dat een levensverzekeringsmaatschappij bereid zou zijn tegen dit bedrag de uitkeringen te doen nimmer als een adequate opgave kan gelden van de eventueel geleden schade en de gedaagde dan ook ontkent dat hetgeen over de verzekeringsmaatschappij gesteld is juist is;

dat de eisers behoorlijke berekeningen hadden moeten overleggen; enz.

O., dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd tot afwijzing, althans niet ontvankelijk verklaring van de vordering, kosten rechtens; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 13 december 1968 een comparitie van partijen heeft gelast, waarna eisers in persoon ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte — als hier ingevoegd te beschouwen — proces-verbaal staat gerelateerd; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 3 december 1969 gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf 11.465.— (ELF DUIZEND VIERHONDERD EN VIJF EN ZESTIG GULDEN) en aan eiseres sub 2 de som van Sf 12.700.— (TWAALF DUIZEND EN ZEVENHONDERD GULDEN) met de rente over deze bedragen ad 6% ’s jaars vanaf 13 februari 1968 tot aan de dag der voldoening; enz.

O., dat [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis dd. 3 december 1969; enz.

O., dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

O., dat als onweersproken rechtens vaststaat, dat in oktober 1967 de zoon van geintimeerden, [naam], tengevolge van een door appellant gepleegde onrechtmatige daad het leven heeft verloren;

O., dat appellant tegen de op artikel 1391 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek gebaseerde vordering van geintimeerden tot schadevergoeding als verweer heeft aangevoerd, dat er geen sprake van was dat het slachtoffer [naam] beschouwd kon worden als degene die voor het levensonderhoud van geintimeerden zorg droeg;

O., dat het Hof bij het bespreken van dit verweer voorop wil stellen, dat in de gevallen bedoeld in artikel 1391 van genoemd wetboek weliswaar aan de daar genoemde personen een recht wordt toegekend op vergoeding van schade, die zij lijden door het derven van levensonderhoud tengevolge van de dood van degene, door wiens arbeid zij werden onderhouden, maar dat dit recht in dier voege is beperkt, dat vergoeding van de hierboven bedoelde schade niet kan worden gevorderd voor zover en voor zolang de nabestaanden, gezien hun financiële omstandigheden en de stand waarin zij leven, ondanks deze schade als niet-behoeftig zijn aan te merken (H.R. 19 juni 1970, N.J. 1970 nr. 380);

O., dat de in [district] wonende geintimeerden, die blijkens het inleidende rekest ten tijde van voormelde onrechtmatige daad respektievelijk 40 en 33 jaar oud waren, volgens hun mededelingen ter comparitie van partijen in persoon in eerste aanleg zelfstandige landbouwers zijn, die op hun perceel ter grootte van 2 ha., hetwelk zij geheel beplanten, rijst en groenten verbouwen; dat zij op dat perceel een houten huis ter waarde van ƒ 2000.— hebben staan en zij voorts twee kalveren en een tiental kippen bezitten;

O., dat geintimeerden mitsdien zijn landbouwers in de kracht van hun leven, die — nu het tegendeel niet blijkt — in dezelfde omstandigheden verkeren als de kleine landbouwers in [district] in het algemeen en niet geacht kunnen worden geldelijke steun van hun zoon te behoeven om overeenkomstig hun stand te kunnen leven;

O., dat bovendien bij pleidooi in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer [naam] met geintimeerden samenwoonde en uit het door hem aan hen wekelijks verstrekte bedrag werd onderhouden, zodat hoogstens een — niet nader aangegeven — deel daarvan aan geïntimeerden ten goede kwam;

O., dat appellants voormelde verweer mitsdien is gegrond, weshalve de vordering van geintimeerden behoort te worden ontzegd en het beroepen vonnis moet worden vernietigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 3 december 1969 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt de oorspronkelijke vordering van geintimeerden; enz.

SRU-HvJ-1969-2

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 21 maart 1969.

[naam 1], zo in privé als in hoedanigheid van vader uitoefenende de ouderlijke macht over zijn minderjarige zoon [appellant], wonende te [district], appellant, adv. H.J. Kensenhuys,

TEGEN:

A. [geintimeerde 1].
B. [geintimeerde 2], tot machtiging en bijstand van zijn echtgenote sub A, wonende te [district], geintimeerden, adv. Mr. H.R. Lim A Po.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
O., dat [naam], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij
O. dat verweerster sub A, [geintimeerde 1] moeder-voogdes is over het door haar erkend minderjarig kind [naam 2], geboren te [district] op [geboorte datum], blijkens hierbij overgelegd uittreksel van de Burgerlijke Stand;
dat dit kind [naam 2], over wie verweerster sub A de voogdij uitoefent en dat bij haar inwoont op of omstreeks 12 april 1966 te [district] een elastiek heeft gebruikt om daarmee een spijker af te schieten op het rechteroog van verzoekers zoon, [appellant] die daardoor aan het rechteroog werd geraakt, tengevolge waarvan bedoeld oog door de oogarts moest worden verwijderd, blijkens diens hierbij overgelegde medische verklaring;
dat voormelde handeling van [naam 2], de zoon van verweerster sub A is een onrechtmatige daad, gepleegd tegen [appellant], de zoon van verzoeker;
dat zoals voorschreven [appellant] voornoemd door de schuld van [naam 2] voornoemd zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, althans voormelde onrechtmatige daad door de schuld van [naam 2] is veroorzaakt;
dat verweerster sub A als voogdes van [naam 2] aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door de minderjarige [naam 2], die bij haar ten tijde van het voorval inwoonde en over wie zij de voogdij uitoefende en nog steeds uitoefent;
dat toch verweerster sub A voornoemde destijds veertienjarige zoon zonder toezicht op de bewuste dag van het voorval thuis heeft achtergelaten in ledigheid en moest hebben voorzien dat onder die omstandigheden haar zoon allerlei kattekwaad zou kunnen uithalen of zelfs onheil stichten;
dat tengevolge van voorschreven onrechtmatige daad zoals gezegd het rechteroog van verzoekers zoon moest worden verwijderd en deze dus schade heeft geleden;
dat [appellant], verzoekers zoon, voor zijn verdere leven het rechteroog zal missen en daarmede niet zal kunnen zien;
dat het gemis van het rechteroog teweeg brengt levenslange invaliditeit voor [appellant], terwijl deze thans een kunstoog heeft, dat zijn gezicht misvormt;
dat er uit het voorgaande voor [appellant] naast geleden pijnen, grote smart en gederfde levensvreugde is ontstaan en dit zal voort duren tot zijn dood;
dat tengevolge van voorschreven onrechtmatige daad van [naam 2] jegens [appellant] deze grote schade heeft geleden en gedurende zijn hele leven nog zal lijden;
dat de schade welke verzoeker heeft geleden alsvolgt is te specificeren: enz.
O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR: verweerders zullen worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen de som van EEN EN VIJFTIG DUIZEND EENHONDERD ZES EN NEGENTIG 50/100 GULDEN met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot en met de dag van voldoening;

SUBSIDIAIR: om aan verzoeker te betalen zoveel minder als de Rechter in goede Justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens;
O., dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord hebben gezegd:
dat gedaagden niet ontkennen hetgeen de eiser gesteld heeft in het 2e t/m het 5e „dat” van de conclusie van eis;
dat gedaagden de overige posita van de eiser ontkennen, voor zover zij die hier onder niet woordelijk hebben erkend;
dat gedaagde sub A erkent dat de ten processe bedoelde minderjarige [naam 2] ten tijde van het ongeval ruim 14 jaar oud was en bij haar inwoonde, doch ontkent aansprakelijk te zijn voor de schade veroorzaakt door [naam 2], omdat zij de onrechtmatige daad niet heeft kunnen beletten;
dat gedaagde sub A ontkent, dat uit het enkele feit dat zij haar ruim 14 jarige zoon [naam 2] in de woning heeft achtergelaten zonder meer voortvloeit dat zij moest hebben voorzien dat onder die omstandigheden haar zoon allerlei kattekwaad zou kunnen uithalen;
dat [naam 2] een rustige en kalme jongen is en een zachtaardig karakter heeft; dat uit geen enkele stelling van de eiser blijkt, dat deze jongen een baldadig karakter heeft en op grond hiervan speciaal toezicht behoefde;
dat het in Suriname en zeker in de omgeving waar [naam 2] woont normaal is, dat kinderen van ruim 14 jaar voor kortere of langere tijd alleen worden achtergelaten, doch hieruit vloeit geenszins voort, gezien de normale eisen van het dagelijkse leven, gebrek aan toezicht van de zijde van de ouders of voogden, in casu van gedaagde sub A;
dat gedaagde sub A de onrechtmatige daad van haar kind niet heeft kunnen beletten, omdat zij ten tijde van het plegen van de onrechtmatige daad voor het doen van boodschappen uit was, en de leeftijd en aard van het kind niet zodanig zijn, dat het kind onder speciaal toezicht moest worden gesteld;
dat gedaagde sub A, dus noch in haar toezicht, noch in de opvoeding van het kind heeft gefaald, zodat zij de daad van haar kind niet heeft kunnen beletten, en derhalve de vordering tegen haar moet worden ontzegd;
dat, voor zoveel nodig, gedaagde sub A aanbiedt te bewijzen hetgeen in dit 5e „dat” is gesteld; enz.
O., dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:
dat eiser niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen, althans hem die zullen worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;
O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 7 mei 1968 heeft overwogen:

Uit het inleidend rekest en met name het petitum, waarin niet veroordeling van gedaagde q.q. wordt gevorderd blijkt duidelijk dat eiser q.q. zijn vordering uitsluitend wenst te baseren op de persoonlijke aansprakelijkheid van de voogd ex artikel 1388 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek en dat hij niet tevens veroordeling van de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige op grond van diens eigen aansprakelijkheid wenst. Wij zullen de vordering derhalve uitsluitend opvatten als een ex artikel 1388 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek.

Ten processe nu staan de volgende feiten als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet dan wel onvoldoende weersproken, vast:

  1. Gedaagde sub A was voogdes over de ten tijde van de gestelde onrechtmatige daad bij haar inwonende [naam 2];
  2. Genoemde minderjarige heeft een onrechtmatige daad gepleegd, waaraan hij schuld had en waardoor schade is veroorzaakt ten aanzien van eisers zoon [appellant], waarover eiser de ouderlijke macht uitoefent.

Gedaagde sub A betwist aansprakelijkheid voor deze onrechtmatige daad ex artikel 1388 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek, stellend, dat zij de daad niet heeft kunnen voorkomen.

Ten aanzien van de wijze waarop gedaagde sub A het toezicht heeft uitgeoefend staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet dan wel onvoldoende weersproken ten processe vast:

a. gedaagde sub A’s minderjarige zoon was ten tijde van de litigieuze onrechtmatige daad 14 jaar oud;
b. Deze zoon is zonder toezicht en zonder dat speciale maatregelen zijn genomen om het plegen van onrechtmatige daden te voorkomen alleen in de woning van gedaagde sub A achtergelaten;
c. De minderjarige in kwestie was rustig en had voordien door zijn gedrag geen bijzondere aanleiding gegeven om calamiteiten als de onder havige daad te verwachten.

Onder deze omstandigheden zijn Wij van oordeel dat gedaagde sub A de daad niet heeft kunnen beletten. Het is immers in Suriname normaal dat een jongen van veertien jaren, die voordien geen aanleiding tot speciale voorzichtigheid heeft gegeven, een dag alleen thuis wordt achtergelaten, zeker wanneer — gelijk ten processe is gebleken — leeftijdsgenoten in de buurt aanwezig zijn. In dit land plegen dergelijke jongelieden een zodanige mate van zelfstandigheid ontwikkeld te hebben, dat, indien de geaardheid van het kind of andere omstandigheden geen aanleiding hebben gegeven tot het verwachten van misdragingen, wanneer ouders en/of verzorgers afwezig moeten zijn, niet van hen gevergd kan worden dat zij — bij een afwezigheid van niet langer dan een dag, waarin de avond niet is begrepen — dikwijls kostbare maatregelen nemen om een voortdurend toezicht op de minderjarige te verzekeren, waarvan het succes, gelet op de bovenvermelde drang tot zelfstandigheid, trouwens twijfelachtig geacht moet worden.

Het gevolg van het bovenoverwogene is dat eiser q.q.’s vordering hem zal worden ontzegd;
O., dat de Kantonrechter op deze gronden eiser q.q. diens vordering heeft ontzegd; enz.
O., dat [naam 1] in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 7 mei 1968;
O., dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
O., dat de eerste grief feitelijke grondslag mist, aangezien de Kantonrechter de ingestelde vordering wel degelijk heeft opgevat als gebaseerd op de persoonlijke aansprakelijkheid ex artikel 1388 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek van geintimeerde sub A voor schade door haar zoon [naam 2] toegebracht;

O., dat appellant in de tweede en derde grief erover klaagt, dat de Kantonrechter ten onrechte geïntimeerde sub A niet heeft belast met het bewijs, dat zij de onrechtmatige daad van haar zoon niet heeft kunnen beletten (derde grief), doch dit bewijs reeds door de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden geleverd heeft geacht (tweede grief);

O., daaromtrent:
dat aan gezien de aansprakelijkheid der ouders of voogden in een geval als het onderhavige berust op een vermoeden van schuld, het bepaalde in artikel 1388 lid 5 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek, waarop appellant zich in voormelde grieven beroept, aldus moet worden verstaan, dat de ouders of voogden niet verantwoordelijk voor door hun kinderen of pupillen veroorzaakte schade kunnen worden gesteld, indien zij ten opzichte van hen, ter voorkoming van nadeel voor derden, een zodanige zorg hebben inacht genomen als van goede ouders of voogden, gelet op leeftijd en aard van het kind en op hun eigen levensomstandigheden in verband met de eisen van het dagelijkse leven, mocht worden verwacht;

dat te dien aanzien als erkend of niet betwist vaststaat, dat de zoon van geïntimeerde sub A [naam 2] ten tijde van het veroorzaken der schade veertien jaar oud was; dat hij een rustige kalme jongen was met een zachtaardig karakter en hij voordien door zijn gedrag geen aanleiding had gegeven om daden als de onderhavige te verwachten; dat geintimeerde sub A door haar beroep van onderwijzeres vaak uit huis pleegt te zijn en haar echtgenoot, de geintimeerde sub B, zijn werk buitenshuis heeft;

dat onder deze omstandigheden — anders dan appellant bij inleidend rekest heeft gesteld —naar ’s Hoven oordeel door geintimeerde sub A niet kon worden voorzien, dat haar zoon allerlei kattekwaad zou uithalen of onheil stichten;

dat dan ook voor geïntimeerde sub A geen aanleiding bestond op de bewuste dag het huis niet te verlaten zonder dat zij voor toezicht op haar zoon [naam 2] had gezorgd, hebbende de Kantonrechter terecht overwogen dat normaal is te achten dat een jongen van veertien jaar, die voordien geen reden tot speciale voorzichtigheid had gegeven, een dag alleen thuis wordt achtergelaten;

dat waar in het gegeven geval reeds vaststaat, dat geintimeerde sub A de in verband met de eisen van het dagelijkse leven, gelet op leeftijd en aard van haar zoon, normaal te verwachten zorg heeft in acht genomen, geen aanleiding voor de Kantonrechter bestond haar met het door appellant verlangde bewijs te belasten, weshalve de hier besproken grieven moeten worden verworpen;

O,, dat in de vierde grief erop wordt gewezen, dat de bij de bespreking van de vorige twee grieven gehanteerde criteria, gezien de toenemende jeugdcriminaliteit, een vrijbrief betekenen voor ouders en voogden het met het toezicht op hun kinderen en pupillen niet nauw te nemen;

O., dat wat er van deze grief verder ook zij, het aan de aansprakelijkheid van ouders of voogden ten grondslag liggende vermoeden van schuld dwingt tot het hanteren van criteria, waarbij het schuld-beginsel tot zijn recht komt, kunnende bij het loslaten daarvan die aansprakelijkheid slechts op het door de wetgever niet gewilde risico-beginsel worden gebaseerd;

O., dat mitsdien ook deze grief faalt;

O., dat uit het voorgaande volgt dat het beroepen vonnis, waarmede het Hof zich kan verenigen, behoort te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 7 mei 1968 tussen partijen gewezen, waarvan beroep; enz.