SRU-K1-2017-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 17- 4478
24 november 2017

Vonnis in de zaak van:

N.V. NATURE BEAUTY, rechtspersoon
wonende aan de Tweekinderenweg no. 46 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Veira, jurist.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 24 oktober 2017 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis, die mondeling is genomen op 27 oktober 2017;
  • de conclusie van antwoord d.d. 02 november 2017, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 09 november 2017, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 16 november 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 10 augustus 2010 heeft gedaagde bij beschikking [G.M.D. no.1] aan eiseres het recht van exploratie naar goud en andere mineralen voor de tijd van drie jaren verleend in of op “het perceelland, vermoedelijk groot 35.290 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier, nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans d.d. 21 april 2008”.

2.2 De hiervoor vermelde beschikking is in het Hypotheekregister op 23 november 2010 ingeschreven.

2.3 Op 10 januari 2014 heeft gedaagde bij beschikking [GMD no.2] een eerste verlenging van het recht van exploratie op hetzelfde perceelland voor een oppervlakte van 26.467 ha aan eiseres verleend, voor de tijd van twee jaren.

2.4 Eiseres heeft de exploratiewerkzaamheden nog niet afgerond en heeft om die reden gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar in artikel 27 van de Mijnbouwwet geboden om bij gedaagde een verzoek in te dienen voor een tweede verlenging, bij welk verzoek eiseres alle documenten heeft ingediend en de daaraan verbonden kosten ad SRD 2.646,70 heeft voldaan.

2.5 De afdeling Geologisch Mijnbouwkundige Dienst (GMD), zijnde een afdeling van gedaagde, heeft het verzoek van eiseres in behandeling genomen en heeft in oktober 2016 aan eiseres kenbaar gemaakt dat haar tweede aanvraag voor de tweede verlenging is goedgekeurd, maar dat eiseres vanwege de gewijzigde tarieven nog het aangepast bedrag van SRD 31.760,40 diende te betalen. Op grond van deze mededeling heeft eiseres het hiervoor vermelde bedrag op 25 oktober 2016 aan gedaagde voldaan.

2.6 Eiseres heeft na de betaling van het bedrag van GMD vernomen dat de beschikking voor de tweede verlenging met het [GMD no. 3] ter ondertekening bij de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen ligt.

2.7 Na het voldoen aan de hiervoor gestelde voorwaarden heeft bedaagde de verlenging van het exploitatierecht niet aan eiseres verleend. Na herhaalde verzoeken van eiseres daartoe heeft gedaagde in mei 2017 aan eiseres kenbaar gemaakt dat eiseres een verklaring van geen bezwaar c.q. toestemming van het Groot Opperhoofd van de stam der Matuariërs ([Granman]) moest hebben voor het kunnen verkrijgen van de tweede verlengingsbeschikking.

2.8 Ter voldoening aan de hiervoor gestelde voorwaarde heeft eiseres op 04 juni 2017 een overeenkomst van het Grootopperhoofd (overgelegd als productie 7 bij inleidend verzoekschrift) ter zake gesloten, in welke overeenkomst met als kopstuk “Overeenkomst met de stam der Matuariërs m.b.t. concessierechten Nature Beauty N.V.” het volgende is overeengekomen:
“Naar aanleiding van de diverse gesprekken gevoerd te Paramaribo op 30 mei, 1 en 2 juni 2017 tussen de directie van Nature Beauty NV met zijn [directeur] en de vertegenwoordiging van de stam der Matuariërs in aanwezigheid van de [Granman], [Grootkapitein] in bijzijn van hun adviseur, hebben de onderstaande partijen de volgende overeenkomst bereikt:

De stam der MATUARIERS (matawai) waarvan als zijn Grootopperhoofd, Zijne Hoogheid, [Granman] optreedt en Hoofd Kapitein van de stam der Matuariërs de heer [Grootkapitein], partijen ter ener zijde,

EN

Nature Beauty NV, gevestigd aan het Van ’t Hogerhuysstraat 13 te Paramaribo, ingeschreven in het handelsregister met het nummer 48237, en waarvan als zijn directeur optreedt de heer [directeur], en algehele zaakwaarnemer de heer [zaakwaarnemer], partijen ter andere zijde,

Partijen ter ener zijde verklaren hierbij geen bezwaar te hebben, toestemming en medewerking te verlenen ten bate van de concessierechten van partijen ter andere zijde voor de concessie bekend als:

Het perceelland groot vermoedelijk 17.645 ha, aangeduid met de letters HJKONEPQ deel uitmakende van het perceelland groot 27.467 ha, aangeduid met de letters AHJKLMEFG, gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier, waarop bij beschikking d.d. 10 januari 2014 [G.M.D. no. 2] “het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen”voor de tijd van twee jaren werd verleend. Ten verzoeke van N.V. Nature Beauty, die het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen voor de tijd van twee jaren wenst te verlengen is deze kaart vervaardigd d.d. 01 juli 2013, en dient deze kaart ter vervanging van de kaart van 07 december 2015 ingediend bij het Glis onder [G.M.D. no. 03] – zie bijgevoegde kaart-.

Partijen ter ener zijde en partijen ter andere zijde verklaren dit akkoord te hebben bekrachtigd en bevestigd tijdens de krutu gehouden te Pusugrunu.”

2.9 Daar de tweede verlenging van het bedoelde recht tot exploratie uitbleef, heeft eiseres tot tweemaal toe bij schrijven respectievelijk d.d. 15 september 2017 (overgelegd als productie 8 bij inleidend verzoekschrift) en 27 september 2017 (overgelegd als productie 9 bij inleidend verzoekschrift) aan gedaagde het verzoek gedaan om de door haar gevraagde tweede verlenging bij beschikking te verlenen.
Ter zake heeft eiseres het volgde in het schrijven van 15 september 2017 vermeld:
“(….)
Aan mijn client is op 5 augustus 2010 bij beschikking [G.M.D. no.1] het recht van exploratie naar goud en andere mineralen voor de tijd van drie jaren verleend in of op een perceelland vermoedelijk groot 35.290 ha gelegen in het gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier, nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter Lcs J.O.A. Mans d.d. 21 april 2008, zonder nadere omschrijving genoegzaam bekend.

Zoals U bekend, is cliënte in het gebied sindsdien bezig met exploratie activiteiten.
Op 10 januari 2014 heeft er een eerste verlenging van het recht van exploratie plaatsgevonden ([GMD no. 02]) en wel voor de tijd van twee jaren voor het perceelland, alhoewel voor een kleiner oppervlak, namelijk 26.467 ha, alles overeenkomstig de wet.
Mijn cliënte heeft op 13 januari 2016 het verzoek gedaan voor een tweede verlenging (zie bijlage 1) en heeft daartoe reeds documenten aangeleverd.
Ook het Grootopperhoofd van de stam der Matuariërs ([Granman]) heeft geen bezwaar tegen c.q. heeft toestemming gegeven voor verlenging, hetgeen ook blijkt uit de door onder andere hem ondertekende overeenkomst gedateerd 4 juni 2017.
Ondanks herhaalde verzoeken zijdens mijn cliënte, heeft zij tot op heden betreffende (tweede) verlenging niet mogen verkrijgen.

Ik breng gaarne onder Uw aandacht dat cliënte grote investeringen heeft gepleegd inzake de exploratieactiviteiten en door het uitblijven van de verlengingsbeschikking, zij enorm oponthoud ervaart in de voortgang van haar activiteiten, hetgeen uiteraard tot schade lijdt.
Een tweede verlenging is geheel in lijn met hetgeen de wetgever heeft voorzien, namelijk dat exploratie een langere tijd in beslag kan nemen.
Vandaar de mogelijkheid tot een tweede verlenging.

Naar bescheiden mening van mijn cliënte zou het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn als zij de tweede verlenging niet zou verkrijgen, mede gezien tegen het feit dat zij reeds grote investeringen in het gebied heeft gedaan. De schade zal dan enorm zijn voor mijn cliente.

Het dringend verzoek is dan ook om de door mijn cliënte gevraagde (tweede) verlenging bij beschikking aan haar te verlenen”.

En in het schrijven van 27 september 2017 het volgende:
“Met referte aan mijn eerder schrijven de dato 15 september 2017, en per deurwaarder betekend op 18 september 2017 (bijlage 1) vraag ik namens mijn cliente, de naamloze vennootschap “N.V. Nature Beauty”, dringend uw aandacht voor het volgende.

Helaas heeft mijn cliente geen reactie van u ontvangen, nog minder heeft zij de verzochte tweede verlenging verkregen.

Hierbij wordt wederom uitdrukkelijk onder uw aandacht gebracht dat cliente grote investeringen heeft gepleegd terzake de exploratieactiviteiten en zij door het uitblijven van de verlengingsbeschikking enorm oponthoud ervaart in de voortgang van haar activiteiten, hetgeen uiteraard tot schade lijdt.

De schade zal in dat geval enorm zijn voor mijn cliente en zal de Staat Suriname als gevolg van dit handelen c.q. nalaten dan ook aansprakelijk gesteld kunnen worden voor de totale schade aan cliente.

Ik doe hierbij dan ook een dringend beroep op u om de door mijn cliente gevraagde (tweede) verlenging uiterlijk woensdag 4 oktober 2019 (lees 2017) bij beschikking aan haar te verlenen, zodat verdere schade kan worden beperkt. Indien blijkt dat u weigerachtig blijft om de verzochte verlenging te verlenen, zal mijn cliente helaas genoodzaakt zijn om rechtsmaatregelen terzake te treffen”.

2.10 Op 13 oktober 2017 heeft gedaagde middels een schrijven aan eiseres kenbaar gemaakt dat het Grootopperhoofd de toestemming aan eiseres per 12 juli 2017 heeft ingetrokken en de intrekking per 20 juli 2017 heeft bevestigd. Ter zake heeft gedaagde, zijnde de directeur van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, het volgende in het schrijven verwoord:
“Hierbij bevestig ik ontvangst van uw brief d.d. 15 september 2017 met als onderwerp verzoek tweede verlenging recht van exploratie.
Uw cliente heeft inderdaad verlenging van het recht tot exploratie, genoegzaam bekend bij beschikking [G.M.D. no.1] om exploratie naar goud en andere mineralen voor de tijd van drie jaren verleend in of op een perceelland vermoedelijk groot 35.290 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de kleine Saramaccarivier, nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans d.d. 21 april 2008, aangevraagd. Vanwege het feit dat het recht tot exploratie in het woon- en leefgebied van de stam der Matuariërs valt, heeft het onderzoek dat vooraf gaat aan het al dan niet toewijzen van de verlengingsaanvraag langer dan gebruikelijk geduurd.

Naar aanleiding van het ingestelde onderzoek voortvloeiende uit de verlengingsaanvraag van 13 januari 2016 en de ondertekende overeenkomst d.d. 4 juni 2017 bericht ik u het volgende.
Op 12 juli 2017 heeft het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen een intrekkingsbrief ontvangen, waaruit blijkt dat de schriftelijke toestemming die verleend was aan uw cliente door het Grootopperhoofd der Matuariërs, [Granman], met onmiddellijke ingang is ingetrokken.
Ook is erop 20 juli 2017 een bekrachtiging van de intrekking per brief ontvangen waarin het Grootopperhoofd der Matuariërs, [Granman], de intrekking van de verleende toestemming bevestigd.

Alhoewel het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen de ontwikkeling en benutting van de Natuurlijke Hulpbronnen voorstaat, is ook zij gebonden aan wet en recht en is haar beleid erop gestoeld de rechten van de inheemsen en tribale volkeren te beschermen. Ter naleving van de internationale uitspraken vervat in het Moiwana en Samaaka vonnis, waarin de naleving en waarborging van de woon- en leefgemeenschap van de inheemsen en tribale volkeren is vastgesteld en eveneens demarquering van zulks dient te geschieden, kan het Ministerie uw verlengingsaanvraag niet in positieve overweging nemen.

Dientengevolge kan de verlengingsaanvraag van het recht van exploratie welke u hebt ingediend, niet worden gehonoreerd.

2.11 In de verklaring d.d. 20 juli 2017 die het Grootopperhoofd aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, zijnde gedaagde, heeft gestuurd met betrekking tot de intrekking van de reeds gegeven toestemming staat het volgende vermeld:

“Geachte Minister,
Hierbij deel ik u mede dat ik, [Granman], als Grootopperhoofd van de stam der Matuariërs de gegeven schriftelijke toestemming aan Nature Resources intrek. Deze intrekking is gelegen in het feit dat de heer [directeur], die als directeur van deze rechtspersoon optreedt, mij en de andere dorpsbewoners, met listige kunstgrepen heeft verleid om de toestemming te verlenen. Ons is voorgehouden dat hij enkel onderzoek zou doen naar het voorkomen van diamanten en niet dat hij aan onderzoek en ontginning van goud zou beginnen.

De verleende toestemming om in ons woon- en leefgebied te mogen mijnen is dus ingaande heden ingetrokken en verder van onwaarde. Hierbij wordt u uitdrukkelijk gevraagd onze rechten te waarborgen”.

2.12 Op 03 augustus 2017 heeft het Grootopperhoofd van de Matuariërs ter zake de intrekking van de toestemming het volgende schrijven aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen gericht:

“Hierbij bevestig ik, [Granman], als Grootopperhoofd van de stam der Matuariërs, u de intrekking van 12 juli j.l. die per abuis op naam van Nature Resources NV naar U toe verzonden is. De juiste naam van de maatschappij is Nature Beauty NV. Desgewenst heb ik er geen bezwaar tegen om zelfs ook bij een eventuele rechtszaak de afwijzing van hun verdere aanwezigheid op ons gemeenschapsbos toe te lichten. Deze intrekking is gelegen aan het feit dat de heer [directeur], die als directeur van deze rechtspersoon optreedt, mij en de andere dorpsbewoners, met listige kunstgrepen heeft verleid om toestemming te verlenen. Ons is voorgehouden dat hij enkel onderzoek zou doen naar het voorkomen van diamanten en niet dat hij aan onderzoek en ontginning van goud zou beginnen.

De verleende toestemming om in ons woon- en leefgebied te mogen mijnen is dus ingaande heden ingetrokken en verder van onwaarde. Hierbij wordt u uitdrukkelijk gevraagd onze rechten te waarborgen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) gedaagde te veroordelen om binnen 1×24 uur na uitspraak aan eiseres bij beschikking de tweede verlenging van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen te verstrekken en thans bekend is als [GMD no. 2] op het perceelland vermoedelijk groot 26.467 hectaren gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de kleine Saramaccarivier, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,– per dag die gedaagde aan eiseres zal verbeuren, voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
b) te schorsen c.q. op te schorten alle door gedaagde aan derden uitgegeven beschikkingen ter uitoefening van mijnbouwrechten op het perceelland vermoedelijk groot 17.465 hectaren, deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectaren gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de kleine Saramaccarivier, althans gedaagde te veroordelen aan derden uitgegeven beschikkingen terzake mijnbouwrechten in het betreffende gebied in te trekken, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,- per dag die gedaagde aan eiseres zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie jegens haar pleegt c.q. onrechtmatig jegens haar handelt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • brieven van het Grootopperhoofd gericht aan gedaagde missen elke rechtskracht. De tussen eiseres en het Grootopperhoofd gesloten overeenkomst kan nimmer zijn ontbonden, omdat eiseres nimmer een schrijven van het Grootopperhoofd heeft ontvangen dat de toestemming zou zijn ingetrokken;
  • de voorwaarde ter verkrijging van toestemming van het Grootopperhoofd is niet op de wet gestoeld, zodat zowel de toestemming als de zogenaamde intrekking niet van enige relevantie is;
  • uit de producties die gedaagde aan eiseres heeft doen toekomen ter zake intrekking blijkt dat het Grootopperhoofd het heeft over Nature Resources NV, terwijl eiseres haar naam N.V. Nature Beauty is;
  • gedaagde is verplicht de vergunningsbeschikking aan eiseres te verstrekken omdat zij volledig heeft voldaan aan de wettelijke vereisten;
  • als gevolg van dit handelen van gedaagde lijdt eiseres schade, zijnde de reeds door haar gepleegde investeringen van meer dan US$ 1.500.000,- ter zake de exploratieactiviteiten en zal zij nog schade lijden in de voortgang van haar activiteiten.

Als spoedeisend belang stelt eiseres dat de verlengingsbeschikking van groot belang is voor haar en haar investeerder, omdat de investeerder reeds aan haar heeft kenbaar gemaakt tot uiterlijk 15 december 2015 te willen wachten op de verlengingsbeschikking. Indien de verlengingsbeschikking uitblijft, dan zal de investeerder afzien van verdere deelname c.q. investering. Tevens stelt eiseres als spoedeisend belang dat het haar ter ore is gekomen dat gedaagde met spoed doende is mijnbouwrechten op betreffende perceelland aan derden te verstrekken en vreest eiseres dat haar investeringen door het onrechtmatig handelen van gedaagde verloren zullen gaan.

3.3 Gedaagde heeft het hierna volgende verweer opgeworpen:

  • gevoeglijk mag worden aangenomen dat eiseres bekend is met de hierna vermelde voorwaarde die onder IIIG van de ministeriële beschikking [G.M.D. no. 2] is vastgelegd. “Dit mijnbouwrecht niet kan worden uitgeoefend in de nog door de regering aan te wijzen economische zone, alwaar de leefgemeenschappen van in stamverband wonende burgers economische activiteiten, met name bosbouw, klein mijnbouw,visserij en jacht bedrijven c.q. kunnen bedrijven, tenzij dit door ons uitdrukkelijk is toegestaan”, en eiseres hiermee impliciet heeft onderkend dat er afgestemd dient te worden met de leefgemeenschappen in stamverband wonende en tribale en inheemse volkeren;
  • het voldoen aan de betaling is ingevolge artikel 27 lid 1 van de Mijnbouwwet verplicht, doch impliceert niet een verkrijgingsrecht van een tweede verlenging van het recht van exploratie. De wet voorziet inderdaad in de mogelijkheid tot het aanvragen van een tweede verlenging, echter betekent dit niet dat het een automatisme is dat dit recht wordt toegewezen;
  • Suriname is partij bij het verdrag van San Jose oftewel The American Convention on Human Rights en is dit verdrag bindend voor Suriname. Dat dit verdrag bindend is blijkt uit het Samaaka vonnis van 28 november 2007 en het Kalina en Lokono vonnis van 25 november 2015 dat het Inter-Amerikaanse Hof voor de rechten van de Mens heeft gewezen, in welk vonnis het Inter-Amerikaanse Hof heeft beslist dat de rechten van de inheemsen en tribale volkeren beschermd dienen te worden. Een ieder en ook eiseres dient deze uitspraak c.q. recht van de inheemsen en tribale volkeren te respecteren;
  • nadat het Grootopperhoofd der Matuariërs de aan eiseres verleende toestemming vanwege vermoedelijke misleiding heeft ingetrokken, heeft gedaagde vanuit de vereisten van behoorlijk bestuur en ook vanwege het zorgvuldigheidsprincipe per brief verduidelijking aan het Grootopperhoofd gevraagd, en heeft het Grootopperhoofd die duidelijkheid aan gedaagde verschaft, waarbij het Grootopperhoofd de intrekking van de toestemming heeft bekrachtigd met de juiste weergave van de naam van eiseres. Op grond hiervan kan en mag gedaagde niet overgaan tot het verlenen van een tweede verlenging van het recht van exploratie aan eiseres.
  • dat eiseres geen schrijven van het Grootopperhoofd heeft ontvangen, kan niet aan gedaagde worden opgeworpen, omdat op gedaagde geen onderzoeksplicht rust om na te gaan of het Grootopperhoofd een schrijven ter zake van het Grootopperhoofd heeft ontvangen.

De kantonrechter komt op het hiervoor door gedaagde opgeworpen verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt voldoende uit het door haar gestelde en zal zij om die reden worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of gedaagde onbehoorlijk bestuur kan worden verweten, dan wel of gedaagde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld jegens eiseres bij het nemen van haar besluit tot weigering van het verlenen van de tweede verlenging tot het recht van exploratie.
Uit de inhoud van de ten processe overgelegde producties en gestelde feiten blijkt het volgende. De voorwaarde onder III G in de beschikking van de eerste verlenging van de exploratierechten d.d. 10 januari 2014, [GMD no.2] waarop gedaagde zich beroept, was reeds opgenomen in de beschikking van 10 augustus 2010, [GMD no. 1], doch heeft gedaagde nimmer aan eiseres als voorwaarde gesteld dat zij bij het indienen van de aanvraag een verklaring van het Grootopperhoofd diende over te leggen waaruit blijkt dat deze geen bezwaar heeft dat eiseres in het gebied exploratiewerkzaamheden verricht, zijnde het verrichten van onderzoek naar de aanwezigheid van goud en andere mineralen in dat gebied. Dat het overleggen van een dergelijke verklaring een voorwaarde was en is, kan de kantonrechter geenszins uit de bedoelde tekst afleiden. Voor zover gedaagde beoogt op te werpen dat de toestemming van het Grootopperhoofd een nieuwe bijkomende voorwaarde is die voortvloeit uit de vonnissen van het Inter-Amerikaanse Hof betreffende de rechten van de Inheemse en Tribale volkeren voor het aanvragen van een tweede verlenging dan lag het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van gedaagde om eiseres reeds bij vlak vóór het indienen van de aanvraag die informatie te verschaffen. Dit, omdat op gedaagde als overheidsorgaan, die over alle informatie beschikt en alleen toegang heeft tot die informatie, de plicht rust om eiseres die relevante informatie tijdig te verschaffen. Door dit na te laten en die informatie over de nieuwe bijkomende voorwaarde pas na 14 tot 15 maanden na het indienen van de aanvraag aan eiseres kenbaar te maken, heeft gedaagde vanaf de datum van indiening van de aanvraag met de ingediende documenten, die toen werden vereist, bij eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de tweede verlenging van het recht van exploratie aan haar zou worden verleend. Hierdoor handelt gedaagde in strijd met het vertrouwensbeginsel.

4.3 Thans ligt ter beantwoording de vraag of gedaagde op grond van de mededeling van het Grootopperhoofd aan gedaagde de aanvraag tot tweede verlenging mag weigeren.
Vooropgesteld wordt dat het Grootopperhoofd met eiseres de overeenkomst op 04 juni 2017 tijdens een gehouden krutu heeft gesloten. Uit de inhoud van deze overeenkomst valt af te leiden dat voorafgaande aan het sluiten van deze overeenkomst het Grootopperhoofd en de vertegenwoordigers van eiseres op 30 mei, 01 en 02 juni 2017 diverse gesprekken met elkaar hebben gevoerd, waarbij de adviseur van het Grootopperhoofd en de Grootkapitein aanwezig waren. Zoals de kantonrechter het verweer van gedaagde begrijpt, stelt gedaagde zich op het standpunt dat hij blindelings dient aan te nemen dat het Grootopperhoofd de aan eiseres verleende toestemming heeft ingetrokken op grond van het feit dat eiseres hem wegens kunstige listgrepen ertoe heeft bewogen de overeenkomst te sluiten en gedaagde bij eiseres niet behoeft na te gaan of het Grootopperhoofd de bedoelde overeenkomst heeft opgezegd. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat gedaagde uit van een onjuist standpunt. Gedaagde is een overheidsorgaan, op wie ook de plicht rust erop toe te zien dat burgers de wetten naleven. Immers blijkt dit zelf uit het verweer van gedaagde, waarbij hij zelf opwerpt dat een ieder en dus ook eiseres zich aan de wet dient te houden, doelende op het respecteren van de gewezen vonnissen van het Inter-Amerikaanse Hof waarin is bepaald dat de rechten van inheemse en tribale volkeren beschermd moeten worden. Het is gedaagde bekend dat de wetten, waaronder het Surinaams Burgerlijk Wetboek van toepassing is op elke Surinamer en dus ook op het Grootopperhoofd die een overeenkomst met eiseres heeft gesloten. Ingevolge de spelregels van het overeenkomstenrecht die zijn neergelegd in dit wetboek strekken overeenkomsten partijen tot wet en dienen partijen overeenkomsten te goeder trouw na te komen. Hiervan uitgaande lag het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van gedaagde om te onderzoeken of het Grootopperhoofd de bedoelde overeenkomst met eiseres heeft opgezegd dan wel of het Grootopperhoofd de intrekking van de toestemming aan eiseres heeft medegedeeld. Het simpelweg opwerpen dat gedaagde niet de plicht heeft dit te onderzoeken, acht de kantonrechter in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Gedaagde is enkel en alleen afgegaan op de mededeling van het Grootopperhoofd, zonder te onderzoeken of het Grootopperhoofd de overeenkomst met eiseres heeft opgezegd. Het lag op de weg van gedaagde om zulks te onderzoeken. Dit temeer daar in de overeenkomst staat vermeld dat het Grootopperhoofd en de vertegenwoordigers van eiseres drie dagen bij elkaar zijn gekomen en het sluiten van de overeenkomst op een krutu heeft plaatsgevonden.

4.4 Voorts neemt de kantonrechter ook het volgende mee. In de verklaring tot intrekking die het Grootopperhoofd naar de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen heeft verzonden heeft het Grootopperhoofd vermeld dat eiseres hem en de dorpbewoners slechts heeft voorgehouden dat zij enkel onderzoek zou doen naar het voorkomen van diamanten. Eiseres heeft hem, aldus de verklaring van het Grootopperhoofd, niet voorgehouden dat zij aan onderzoek en ontginning van goud zou beginnen en voelt zich daardoor misleid,
In dat licht brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat blijkens het bepaalde in artikel 1 sub c van de Mijnbouwwet ontginning valt onder het begrip exploitatie en blijkens het bepaalde in artikel 1 sub e van de Mijnbouwwet wordt onder exploratie verstaan “het uitvoeren van werkzaamheden met het directe doel de aard, omvang, wijze van voorkomen en de economische waarde van de delfstofafzetting zo nauwkeurig als mogelijk vast te stellen, alsmede alle andere werkzaamheden verbandhoudende met de vaststelling van de economische- en technische haalbaarheid van exploitatie van delfstofvoorkomens”.
Daar ontginning niets van doen heeft met exploratiewerkzaamheden, diende gedaagde zich eerst ervan te vergewissen of het Grootopperhoofd heeft begrepen wat onder exploratiewerkzaamheden wordt verstaan en behoorde eiseres ter zake ook te horen. Dit ook, temeer daar eiseres op grond van eerder aan haar verleende beschikkingen reeds grote investeringen heeft gepleegd in het kader van de exploratiewerkzaamheden en nooit eerder de bedoelde toestemming als voorwaarde heeft gegolden.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploit van een deurwaarder ad SRD 250,-.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 1 (een) week na uitspraak van dit vonnis aan eiseres bij beschikking de tweede verlenging van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen te verstrekken en thans bekend is als [GMD no. 3] op het perceelland vermoedelijk groot 17.465 hectaren, deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectaren gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de kleine Saramaccarivier, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreken blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 10.000.000,- (tien miljoen Surinaamse Dollar) niet te boven gaan.

5.2 Veroordeelt gedaagde om de aan derden uitgegeven beschikkingen ter uitoefening van mijnbouwrechten op het perceelland vermoedelijk groot 17.645 hectaren deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectaren gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de kleine Saramaccarivier, in te trekken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 10.000.000,- (tien miljoen Surinaamse Dollar) niet te boven gaan.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 300,- (driehonderd Surinaamse dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 24 november 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2011-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 105181
26 mei 2011

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde, mr. l.D. Kanhai, advocaat,

tegen

[gedaagde] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

De kantonrechter in het eerste kanton heeft, in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

1 Het verloop van het geding
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat 8 december 2010 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met productie;
  • de conclusie van repliek tevens uitlating productie;
  • de conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde exploiteert een aantal basis scholen en scholen op V.O.S. niveau. Tussen gedaagde en het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (hierna het ministerie) bestaat een relatie met dien verstande dat na goedkeuring van laatstgenoemde, gedaagde bevoegd is om personeel aan te stellen.

2.2 Bij schrijven van 16 augustus 2010 heeft gedaagde aan het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling gevraagd om goedkeuring te verlenen teneinde eiseres in dienst te nemen als directeur van een van haar V.O.J scholen welke goedkeuring is verleend bij schrijven van 27 augustus 2010.

2.3 Gedaagde heeft hierna het Ministerie medegedeeld dat achteraf gebleken is dat eiseres niet voldoet aan de door haar, gedaagde, gestelde eisen. Het Ministerie heeft als reactie hierop gesteld dat eiseres wel voldoet aan de vereisten om als directeur van een school op V.O.J niveau te worden aangesteld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde
3.1 Eiseres vordert bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagde te gelasten om haar binnen 1 week na uitspraak aan te stellen in de functie van directeur van de [school];
b. gedaagde te gelasten om alle administratieve handelingen te plegen die de mutatie mogelijk maken waaronder haar aanstellingbrief versturen naar het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling;
c. haar in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid te verrichten met name het functioneren als directeur van de [school];
d. gedaagde te verbieden om een directeur op de [school] te benoemen tot bij kracht van gewijsde gegane vonnis zal zijn beslist over dit geschil;
e. gedaagde te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen hierboven is gevorderd

Eiseres heeft behalve de vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij heeft gesolliciteerd bij gedaagde om in aanmerking te komen als directeur van een muloschool bij voorkeur de [school], en dat het ministerie desgevraagd, aan gedaagde haar goedkeuring heeft verleend terzake het verzoek om haar als directeur van de [school] in dienst te nemen. Ondanks dat het ministerie goedkeuring heeft gegeven aan het verzoek van gedaagde is zij door laatstgenoemde nog steeds niet is aangesteld als directeur van vermelde school. Eiseres stelt voorts dat zij een spoedeisend belang heeft omdat zij niet is ingeroosterd op haar oude school en dat zij geen inkomen wil genieten zonder daartegenover prestatie te leveren.

3.2 Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Voor zover nodig zal de kantonrechter hieronder daarop terugkome

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert gemotiveerd aan dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in hetgeen zij vordert omdat een spoedeisend belang, om de zaak in kort geding te behandelen ontbreekt.

4.2 Tegenover dit verweer van gedaagde stelt eiseres dat zij arbeid wenst te leveren en inkomsten wenst te genereren. Hiermede heeft zij het door gedaagde terzake aangevoerde niet weersproken. Vast staat daarom dat eiseres nog steeds in dienst is van de overheid, cq het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en dat zij nog steeds haar salaris ontvangt. Tevens staat als onbetwist vast dat het feit dat eiseres niet is ingedeeld cq ingeroosterd op haar oude school, niet is gelegen aan het feit dat er geen arbeidsovereenkomst is tot stand gekomen tussen haar en gedaagde doch dat eiseres vanwege haar vakbondsactiviteiten, ([functie bij] de bond van leraren) volledig is vrijgesteld van haar werkzaamheden als leerkracht en dat zij, indien zij daartoe de wens te kennen geeft aan het ministerie, weer kan worden ingeroosterd om les te geven.

Artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering luidt als volgt:
”In alle zaken, waarin uit hoofde van onverwijlde spoed, een onmiddellijke voorziening wordt vereist, hetzij ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een vonnis of van een executoriale titel, hetzij ten aanzien van de verplichtingen van notarissen tot het staan over enige wettelijke akte, welke geen uitstel kan lijden, en voorts in alle gevallen, waarin het belang van partijen enige onverwijlde voorziening bij voorraad vordert, wendt de belanghebbende partij zich tot de kantonrechter met verzoek om in die zaak zo spoedig mogelijk een beschikking bij voorraad te geven”.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet is gebleken van een spoedeisend belang als vereist in het zojuist vermeld wetsartikel. Eiseres zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

4.2 Eiser zal als de in het ongelijk gesteld partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing
5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering;

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, kantonrechter – plaatsvervanger in het Eerste Kanton te Paramaribo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 mei 2011 door mr. R.G. Rodrigues kantonrechter in tegenwoordigheid van de substituut griffier mr. S. Tika.

SRU-HvJ-1971-4

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 6 aug. 1971.

1. [appellant 1], wonende in het [district 1],
2. [appellant 2], wonende te [district 2], appellanten, adv. Mr. H.R. Lim A Po,

TEGEN:

[geïntimeerde], weduwe van [naam 1], zowel in privé als in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over haar zeven minderjarige kinderen, wonende in het Distrikt Suriname, geïnt. pro se en q.q., adv. G.J.C. van der Schroeff.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
O., dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde], weduwe van [naam 1], zowel in privé als in haar voormelde hoedanigheid als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
dat verzoekster op 15 maart 1958 in het ressort Sur/HH is gehuwd met [naam 1];
dat uit dit huwelijk werden geboren 7 kinderen t.w.: enz.
dat verzoeksters echtgenoot op 4 maart 1969 in het distrikt Suriname is overleden ten gevolge van een verkeersongeval, veroorzaakt door en te wijten aan de schuld van verweerder sub 1;
dat verweerder sub 1 als bestuurder van een aan verweerder sub 2 toebehorende Volkswagen Microbus, gekentekend [nummer], komende vanuit de richting van Lelydorp en gaande in de richting van Paramaribo, reed, toen hij in botsing kwam met een andere autobus, die, doordat de motor niet kon starten, in de richting van Paramaribo werd voortgeduwd door een drietal personen onder andere verzoeksters echtgenoot;
dat verzoeksters echtgenoot door de bekomen verwondingen onmiddellijk na het ongeval overleed;
dat het ongeval veroorzaakt is door en te wijten aan de schuld van verweerder sub 1 omdat deze onder invloed van alcohol was en ver boven de maximum snelheid reed, helemaal geen rekening houdende met het voor hem zijnd verkeer, en nabij Km. 9 de bus, die onder andere door verzoeksters echtgenoot werd voortgeduwd, van achteren aanreed, terwijl juist die bus van achteren door verzoeksters echtgenoot werd voortgeduwd;
dat deze handeling, althans gedraging van verweerder sub 1 jegens verzoekster en de minderjarigen oplevert een onrechtmatige daad met de schuld van verweerder sub 1 daaraan, terwijl verzoekster en de minderjarigen aanzienlijk veel schade lijden;
dat verzoeksters echtgenoot werkzaam was bij het Ministerie van L.V.V. tijdens zijn leven en een maandelijks inkomen had van f 153.20;
dat verzoeksters echtgenoot door zijn arbeid in het levensonderhoud van verzoekster en de minderjarigen placht te voorzien, doordat hij hen maandelijks het bedrag van f 90.– uitkeerde ter voorziening in hun levensonderhoud;
dat thans zowel verzoekster als de minderjarigen van onderhoud zijn verstoken omdat verzoekster behoeftig is, hebbende zij geen eigen inkomsten;
dat verzoekster van haar echtgenoot ƒ 20.– voor haar zelf per maand ontving ter voorziening in haar levensonderhoud en zij van haar echtgenoot nog ontving voor elk kind ƒ 10.–;
dat verzoekster ten tijde van het overlijden harer echtgenoot 27 jaar oud was en tot haar 65ste jaar door haar echtgenoot zou worden verzorgd;
dat verzoekster is geboren op 9 september 1941 en nog 37 jaren en 6 maanden door haar echtgenoot zou worden verzorgd;
dat verzoekster door het overlijden harer echtgenoot een schade lijdt van 37 X 12 + 6 X ƒ 20.– is 450 X ƒ 20.– is ƒ 9.000.–;
dat het eerste kind ten tijde van het overlijden van verzoeksters echtgenoot 9 jaar en 9 maanden oud was; dit kind zou tot zijn 21ste jaar door zijn vader worden onderhouden en heeft derhalve recht op 11 jaar en 3 maanden alimentatie, derhalve 135 maanden en dat is 135 X ƒ 10. is ƒ 1.350.–; enz.
dat zoals gesteld verweerder sub 1 de wagen bestuurde van verweerder sub 2 en met deze wagen de aanrijding heeft veroorzaakt;
dat verweerder sub 1 ten tijde der aanrijding in dienst was van verweerder sub 2 en deze aanrijding heeft veroorzaakt tijdens diensttijd;
dat verweerder sub 1 in dienst was van verweerder sub 2 als chauffeur;
dat verweerders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door verweerder sub 1 veroorzaakte schade aan verzoekster en de minderjarigen;
dat verzoekster van verweerders heeft te vorderen voor zichzelf ƒ 9.000.– en voor de kinderen in totaal (ƒ 1.350.– + ƒ 1.510.– + ƒ 1.680.–+ ƒ 1.920.– + ƒ 2.110.– + ƒ 2.330.– + ƒ 2.480.–) ƒ 13.380.–;
dat verzoekster alzo van verweerders heeft te vorderen ƒ 22.380.– (TWEE EN TWINTIG DUIZEND DRIEHONDERD EN TACHTIG GULDEN);
dat verzoekster van verweerders geen betaling van dit bedrag in der minne kan bekomen trots aanmaningen daartoe; enz.

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verweerders hoofdelijk des de een betalende de ander zal zijn bevrijd zullen worden veroordeeld om tegen behoorlijke kwijting aan verzoekster te betalen de som van ƒ 22.380.– (TWEE EN TWINTIG DUIZEND DRIEHONDERD EN TACHTIG GULDEN) terzake als ten rekeste voorschreven met de wettelijke interessen ad 6% ’s jaars vanaf de dag der rechtsingang — 2 april 1969 — tot aan die der voldoening;
tenslotte verweerders zullen worden veroordeeld tot betaling der proceskosten die van het gelegd beslag daaronder begrepen;

O., dat [appellant 1] en [appellant 2] als gedaagden sub 1 en 2 in eerste aanleg bij conclusie van antwoord, onder ontkenning dat de litigieuze aanrijding is veroorzaakt door en te wijten is aan de schuld van gedaagde sub 1, op als hier ingelast te beschouwen gronden de ingestelde vordering hebben bestreden, met conclusie dat eiseres in haar vorderingen, zowel pro se als q.q., niet zal worden ontvangen, althans deze haar zullen worden ontzegd als ongegrond en onbewezen; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis, dd. 23 december 1969 op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden eiseres pro sé en q.q. door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen te bewijzen heeft opgedragen:
,,dat het ongeval veroorzaakt is door en te wijten aan de schuld van gedaagde sub 1, omdat deze onder invloed van alcohol was en ver boven de maximum snelheid reed, helemaal geen rekening houdende met het voor hem zijnd verkeer en nabij Km 9 een bus, van achteren aanreed, terwijl juist die bus van achteren door eiseresses echtgenoot werd voortgeduwd;
dat de taillampen van de auto, die o.a. door eiseresses echtgenoot werd voortgeduwd, waren verlicht en de auto uiterst links van de weg werd voortgeduwd;
dat het op de bewuste avond volle maan was en zeer helder, zodat [gedaagde sub 1] wel degelijk de auto, die o.a. door eiseresses echtgenoot werd voortgeduwd kon waarnemen op behoorlijke afstand”;

O., dat nadat eiseres pro sé en q.q. vier getuigen had doen horen, wier verklaringen als ingevoegd moeten worden beschouwd — zijnde geen contra-enquête gehouden —, de Kantonrechter bij vonnis dd. 26 mei 1970 op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden eiseres pro sé en q.q. geslaagd heeft geacht in het leveren van voormeld bewijs en haar heeft gelast te doen overleggen een actuariëel rapport nopens de gekapitaliseerde waarde van de door haar en haar kinderen geleden en nog te lijden schade;

O., dat nadat eiseres pro sé en q.q. het in voormeld vonnis bedoeld rapport had overgelegd en partijen als hier geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis dd. 10 november 1970 op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden gedaagden heeft veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de som van ƒ 2.660.– (TWEE DUIZEND ZESHONDERD EN ZESTIG GULDEN) voor zich zelf en de som van ƒ 8.340.– (ACHT DUIZEND DRIEHONDERD EN VEERTIG GULDEN) als gespecificeerd in het rapport van drs. A.E. Lo Fo Wong van 6 juli 1970, in haar hoedanigheid van voogdes over haar minderjarige kinderen, met de rente over beide sommen ad 6% ’s jaars vanaf de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift zijnde 2 april 1969 tot aan die der algehele voldoening; enz.
met afwijzing van het meer of anders gevorderde;

O., dat [appellant 1] en [appellant 2] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis dd. 10 november 1970; enz.

O., dat de advokaten van partijen — onder overlegging van het strafdossier betreffende de litigieuze aanrijding — ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :
O., dat appellanten als eerste grief tegen het beroepen vonnis bij pleidooi in hoger beroep hebben aangevoerd, dat ten onrechte hun beroep op mede-schuld van het slachtoffer door de Kantonrechter is verworpen;
O. daaromtrent:
dat als tussen partijen in confesso, althans als niet gemotiveerd betwist rechtens vaststaat, dat het slachtoffer [naam 1] op de avond van 4 maart 1969 bij duisternis met anderen een autobus, waarvan de motor was afgeslagen, over een onverlicht gedeelte van het Pad van Wanica in de richting Paramaribo op de voor hem linkerweghelft van achteren heeft voortgeduwd zonder bijzondere voorzorgsmaatregelen te treffen om het van achterop naderende verkeer te waarschuwen, waarna een door appellant sub 1 bestuurde in dezelfde richting rijdende autobus tegen de achterzijde van het voortgeduwde voertuig is gebotst, tengevolge waarvan genoemde [naam 1], echtgenoot van geintimeerde, is getroffen en gedood;
dat geintimeerde pro sé en q.q. heeft aangevoerd, dat appellant sub 1 desalniettemin de voortgeduwde autobus tijdig had behoren te zien, omdat het weer helder was met volle maan en de achterlichten van die bus waren ontstoken, wijtende zij het ongeval mede aan te hoge snelheid van appellant sub 1 en de alcohol, welke hij tevoren had genuttigd;
dat geintimeerde pro sé en q.q. tot het bewijs van deze omstandigheden in prima toegelaten, naar ’s Hofs oordeel hierin is geslaagd voor wat betreft de volle maan en het onbewolkte weer, alsmede de brandende achterlichten, maar niet voor wat aangaat de te hoge snelheid en de drankinvloed;
dat evenwel geenszins is uitgesloten dat de aan de achterzijde duwende.personen het zicht op die lichten voor appellant sub 1 hebben bemoeilijkt, waartegenover staat dat in de verklaring van getuige-verbalisant [naam 2] aanwijzingen zijn te vinden dat de voorverlichting van de door appellant sub I bestuurde autobus niet geheel in orde was;
dat het Hof onder deze omstandigheden van oordeel is, dat ondanks het maanlicht en de ontstoken achterlichten het slachtoffer tegenover achterop komende weggebruikers in de vereiste maatschappelijke zorgvuldigheid enigszins is tekortgeschoten door geen bijzondere maatregelen te treffen om hen voor het obstakel van de voortgeduwde bus te waarschuwen, weshalve hem medeschuld treft aan het hem overkomen ongeval en de eerste grief is gegrond;
dat het Hof, de wederzijdse schuld tegenover elkaar afwegende, de schuld van appellant sub 1 echter aanmerkelijk zwaarder acht dan die van het slachtoffer, zodat het Hof de appellanten tot vergoeding van drie vierde gedeelte van de schade van geintimeerde pro sé en q.q. zal veroordelen;

O., dat appellanten in de tweede grief erover klagen, dat de Kantonrechter de schadevergoeding ten behoeve van de kinderen tot hun een en twintigste jaar heeft toegewezen in plaats van tot de leeftijd, waarop verwachtbaar is dat het kind in eigen onderhoud kan voorzien;

O., dat aan het Hof ook deze grief gegrond voorkomt, kunnende die leeftijd in casu gesteld worden op achttien jaar;

O., dat alsnu voor geintimeerde pro sé toewijsbaar is drie vierde gedeelte van de in appèl niet bestreden som van ƒ 2660,–, belopende ƒ 1.995.–;

O., dat aan geintimeerde q.q. ten behoeve van haar zeven minderjarige kinderen, uitgaande van een vergoeding tot hun een en twintigste jaar, was toegewezen ƒ 8.340.—, welke som berekend tot hun achttiende jaar wordt ƒ 6.773.–;

O., dat drie vierde gedeelte van laatstgenoemd bedrag is ƒ 5.079.–, welke som mitsdien aan geintimeerde q.q., onder compensatie van de proceskosten in appèl en vernietiging van het beroepen vonnis, behoort te worden toegewezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 november 1970 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Veroordeelt appellanten, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijke kwijting aan geintimeerde pro sé te betalen ƒ 1.995.– (EENDUIZEND NEGENHONDERD VIJF EN NEGENTIG GULDEN) en aan geintimeerde in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over de ten processe genoemde zeven minderjarige kinderen ƒ 5.079.– (VIJFDUIZEND NEGEN EN ZEVENTIG GULDEN), alles met de rente daarover ad 6% per jaar vanaf 2 april 1969 tot de voldoening;

Ontzegt het meer of anders gevorderde;

Veroordeelt appellanten als voormeld in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van geintimeerde pro sé en q.q. gevallen en begroot op ƒ 131.90;

Compenseert de in hoger beroep gevallen proceskosten in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

SRU-HvJ-1970-1

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 2 okt. 1970.

[appellant], wonende te [plaats] in het [district], appellant, adv. Mr. E.I. Karamat Ali,

TEGEN :

[geïntimeerde], wonende te [plaats] in het [district], geïntimeerde, adv. H.J. Kensenhuys.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :
O., dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
dat verweerder sub a [naam 1] op of omstreeks 13 juni 1968 als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, een Opel, model station, gekentekend [nummer 1] daarmede heeft gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Fredericiweg, komende vanuit de richting Karang-Ajar en gaande in de richting Nieuw Nickerie en bij het beschrijven van de S-bocht nabij de woning van zekere [naam 2], terwijl hij onder zodanige invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank of bedwelmende middelen verkeerde dat hij niet in staat moest worden geacht dat motorrijtuig naar behoren te besturen, met dat motorrijtuig hoogst roekeloos en onvoorzichtig op de rijhelft van de genoemde weg is terechtgekomen, welke bereden werd door verzoeker in tegengestelde richting als bestuurder van een auto, merk Mercury, kenteken [nummer 2] en verweerder sub a aldus handelende een aanrijding heeft veroorzaakt met de auto van verzoeker, tengevolge waarvan verzoeker schade heeft geleden, zijnde de rechter voorvendel en voorstootbalk van verzoekers auto totaal vernield;
dat verweerder sub a optredende als voorschreven zich aan een onrechtmatige daad jegens verzoeker heeft schuldig gemaakt, waardoor aan verzoeker schade is toegebracht, veroorzaakt door de schuld van verweerder sub a;
dat verweerder sub a ten tijde dat hij deze onrechtmatige daad pleegde in dienst was van verweerder sub b [naam 3] en in de werkzaamheden waartoe deze hem gebruikt heeft de schade welke verzoeker ten deze heeft geleden, heeft veroorzaakt;
dat verweerder sub b onder deze omstandigheden aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door verweerder sub a, zijn ondergeschikte; enz.
dat verweerders ondanks herhaalde en dringende aanmaningen weigeren voormelde schade aan verzoeker te vergoeden;

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verweerders zullen worden veroordeeld, des dat de een betalende de andere zij bevrijd, om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van EENDUIZEND ZESHONDERD VEERTIG GULDEN, met de wettelijke rente daarover vanaf heden — 12 november 1968 — tot en met de dag van algehele voldoening, kosten rechtens;

O., dat [naam 1] als gedaagde sub a in eerste aanleg mondeling voor antwoord heeft gezegd:
dat hij is veroordeeld wegens het rijden onder invloed van alcohol en daarbij een aanrijding heeft gemaakt;
dat hij tijdens het ongeval in dienst was van gedaagde sub b;
dat volgens hem, hij niet schuldig is aan deze aanrijding;

O., dat [naam 3] als gedaagde sub b voor antwoord heeft gezegd;
dat gedaagde sub b de gestelde aanrijding erkent, doch zich niet kan uitlaten omtrent de vraag wie schuld heeft aan bedoelde aanrijding;
dat gedaagde sub b ontkent, dat de aanrijding is geschied tijdens de uitvoering van werkzaamheden, welke gedaagde sub a voor hem placht te verrichten.
Gedaagde sub a had de werkzaamheden voor gedaagde sub b reeds verricht en is buiten diensttijd in een winkel gaan drinken met enkele vrienden. Op de terugweg nu is de litigieuze aanrijding veroorzaakt, De aansprakelijkheid voor de gevolgen hiervan berust dus uitsluitend bij gedaagde sub a;

O., dat de gedaagde sub b op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:
dat het de Kantonrechter moge behagen eiser in zijn vordering jegens gedaagde sub b niet ontvankelijk te verklaren, althans hem die te ontzeggen, kosten rechtens; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 5 november 1969 heeft overwogen:
dat eiser heeft gesteld schade te hebben geleden door een aanrijding, waarvoor gedaagde sub a strafrechtelijk is veroordeeld;
dat gedaagde sub a erkend heeft in dienst te zijn van gedaagde sub b ten tijde van het ongeval en wel beweerd heeft, geen schuld aan het ongeval te hebben, doch deze stelling geheel ongemotiveerd heeft gelaten, zodat ze moet worden gepasseerd;
dat gedaagde sub b de schuld van zijn medegedaagde eveneens ongemotiveerd ontkend heeft en ook niet de moeite heeft genomen om te stellen, hoe het ongeval zich dan wèl zou hebben voorgedaan;
dat mitsdien de schuld van gedaagde sub a aan het ongeval bij gebreke aan voldoende verweer vaststaat, terwijl de omvang van de schade door gedaagden niet is betwist;
dat uit gedaagde sub b’s stellingen blijkt, dat gedaagde sub a bij hem in dienst was ten tijde van het ongeval en zijn taak onder andere bestond uit het per auto bezorgen van broden;
dat waar gedaagde sub b zijn medegedaagde heeft aan gesteld als chauffeur, hij aansprakelijk is voor diens gedragingen, ook al zijn deze niet door hem opgedragen en ook al volgt de ondergeschikte niet de kortste weg en wel krachtens artikel 1388, 3e lid van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (culpa in eligendo – H.R. 7.3.19, N.J. 1919, 434; H.R. 4.11.38, N.J. 1939 No. 536 en Hof Amsterdam 30.12.64, N.J. 1966 No. 250);
dat gedaagde in het slot van het 2e „dat” van zijn conclusie van dupliek in de war is met een werknemer, op weg van zijn huis naar zijn werk of omgekeerd;
dat de vordering mitsdien kan worden toegewezen onder veroordeling van gedaagden in de kosten:

O., dat de Kantonrechter op deze gronden gedaagden heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 1.640,— (EEN DUIZEND ZESHONDERD EN VEERTIG GULDEN) met de rente hierover ad 6% ’s jaars, vanaf 12 november 1968 tot de dag der voldoening; enz.

O., dat [naam 3] in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 5 november 1969; enz.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :
O., dat als door appellant niet langer betwist rechtens vaststaat, dat de ten processe bedoelde aanrijding en de daaruit voortgevloeide schade ad ƒ 1640,— zijn te wijten aan een onrechtmatige daad van [naam 1], gedaagde sub a in prima, die tegen zijn veroordeling tot betaling van dit bedrag aan geïntimeerde niet heeft geappelleerd;

O., dat appellant in hoger beroep is blijven betwisten, als werkgever van [naam 1], tegenover geïntimeerde tot vergoeding van voormeld bedrag gehouden te zijn;

O. daaromtrent:
dat als gesteld en erkend, althans niet gemotiveerd bestreden ten processe vaststaat, dat [naam 1] ten tijde van voormelde aanrijding in appellants bakkerij werkzaam was en belast was met het bezorgen van brood bij diens afnemers, waartoe hij van appellant de beschikking had over een auto;
dat appellant stelt dat [naam 1] op de bewuste dag na het bezorgen van het brood in een winkel is gaan drinken en daarna op de terugweg onder drankinvloed buiten diensttijd de litigieuze aanrijding heeft veroorzaakt;
dat ook al zou [naam 1] na het brood bezorgd te hebben onder drankinvloed zijn geraakt en al zou zijn normale werktijd met het gereedkomen van de bezorging zijn geëindigd, appellant nog, naar ’s Hofs oordeel, uit hoofde van artikel 1388 lid 3 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek voor de door [naam 1] veroorzaakte schade als diens werkgever aansprakelijk zou zijn;
dat toch de aanrijding door [naam 1] is veroorzaakt met de hem door appellant in verband met zijn werkzaamheden ter beschikking gestelde auto en de omstandigheid dat [naam 1] na het in appellants dienst bezorgen van het brood op de terugweg in een winkel is gaan drinken, alvorens de rit in bedoelde auto te vervolgen, het verband tussen de werkzaamheden, waartoe hij door appellant werd gebruikt, enerzijds en de met die auto veroorzaakte aanrijding anderzijds niet heeft verbroken;

O., dat mitsdien appellants desbetreffende verweer door de Kantonrechter terecht is verworpen en het beroepen vonnis, voorzover tegen appellant gewezen, behoort te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP :
Bevestigt voor zover tegen appellant gewezen het vonnis door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 5 november 1969 gewezen, waarvan beroep; enz.

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-HvJ-2015-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als ”[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ingediend ter griffie op 15 december 2011, met producties;
  • het verweerschrift ingediend ter griffie op 23 januari 2012, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 28 mei 2012, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 20 juli 2012;
  • het proces-verbaal van de op 20 juli 2012 gehouden mondelinge behandeling; de pleitnota d.d. 18 januari 2013, met een productie;
  • de antwoordpleitnota d.d. 1 maart 2013, met producties;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 april 2013;
  • de dupiiekpleitnota d.d. 17 mei 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [verzoekster] is ambtenaar in vaste dienst bij de Staat en is vanaf 1 juni 2003 tewerkgesteld bij de dienst Elektriciteitsvoorziening van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen.

2.2 In het jaar 2003 bedroeg de bezoldiging van [verzoekster] Sf. 576.000,= per maand.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken de Staat zal worden veroordeeld om te rekenen van 1 januari 2004 totdat het dienstverband op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, aan [verzoekster] te betalen haar bezoldiging inclusief alle verhogingen die sedertdien aan alle ambtenaren zijn toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Ter onderbouwing van haar vordering heeft [verzoekster] aangevoerd dat de Staat vanaf januari 2004 de uitbetaling van haar bezoldiging heeft ingehouden zonder dat daarvoor een feitelijke of juridische grondslag voorhanden was.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder – voor zover van belang—ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten met betrekking tot het salaris vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Ontvankelijkheid
5 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet is een vordering niet ontvankelijk indien die is ingediend méér dan een maand nadat het bestuit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [verzoekster] heeft gesteld dat de Staat haar bezoldiging vanaf januari 2004 niet heeft uitbetaald. Uit de processtukken blijkt niet ondubbelzinnig wanneer [verzoekster] heeft opgemerkt dat haar bezoldiging niet is uitbetaald. Naar het oordeel van het Hof heeft [verzoekster], zo niet reeds aan het eind van de maand januari 2004, dan toch wel in de loop van het jaar 2004 moeten merken dat de uitbetaling van haar bezoldiging is stopgezet. Zulks blijkt ook uit de tijdens het gehouden verhoor van partijen door haar afgelegde verklaring, waarin zij immers aangeeft dat zij meerdere malen aan de bel heeft getrokken bij de afdeling Personeelszaken en in juni 2004 heeft gebeld naar deze afdeling, waarna zij persoonlijk naar het Hoofd van de afdeling Personeelszaken is gestapt. Nu de onderhavige vordering is ingediend op 15 december 2011, liggen tussen het moment dat [verzoekster] heeft kennis genomen van de stopzetting van de uitbetaling van de bezoldiging door de Staat en de indiening van de onderhavige vordering bijkans acht jaren. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de vordering is ingediend méér dan een maand nadat [verzoekster] kennis heeft genomen van het door haar gelaakt besluit, zodat zij niet-ontvankeiijk is in haar vordering.

De beslissing
Het Hof:
Verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door; mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. l.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 februari 2015, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

SRU-HvJ-2017-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

[eiser],
wonende aan de [weg],
in [district],
eiser, hierna aangeduid als ”[eiser]”,
gemachtigde: voorheen mr. S.G.R. Khoen Khoen, advocaat, die zich echter bij schrijven d.d. 6 december 2012 onttrok, thans procederend in persoon,
tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet juncto artikel 58 van de Wet Rechtspositie Militairen als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 29 februari 2012, met producties;
  • de beschikking van het Hof van 18 april 2012 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift ter griffie ontvangen op 23 mei 2012, met een productie;
  • de beschikking van het Hof van 6 augustus 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 5 oktober 2012;
  • het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat partijen meermalen uitstel van de mondelinge behandeling hebben verzocht, hetgeen door het Hof is toegestaan;
  • het proces-verbaal van de op 3 mei 2013 gehouden mondelinge behandeling; verhoor van partijen;
  • de bij schrijven d.d. 7 juni 2013 door de Staat overgelegde producties.

De gemachtigde van [eiser] heeft zich hierna bij schrijven d.d. 6 december 2013 onttrokken aan deze zaak. [eiser] is bij aangetekend schrijven van de fungerend griffier d.d. 13 december 2013 hiervan in kennis gesteld en dat de zaak op de zitting van 17 januari 2014 peremptoir stond voor uitlating en pleitnota zijdens [eiser]. [eiser] heeft op 17 januari 2014 nagelaten te pleiten, waarop de Staat heeft verzocht recht te doen op de in het procesdossier aanwezige stukken.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [eiser] is als soldaat eerste klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie.

2.2 [eiser] is op 15 februari 2011 bij terugkeer uit Nederland (als deporté) in verzekering gesteld door de militaire politie op verdenking zich schuldig te hebben gemaakt aan desertie.

2.3 Bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel & Algemeen van het Ministerie van Defensie d.d. 28 maart 2011 is [eiser] aangezegd zich te verweren ter zake desertie.

2.4 [eiser] heeft zich bij ongedateerd schrijven verweerd. In zijn verweerschrift heeft hij verklaard dat hij bij aankomst in Nederland op Schiphol in een gevecht is geraakt met een hem onbekende man. [eiser] indiceerde in zijn verweerschrift dat hij in verband met dit gevecht door de rechtbank in Nederland is veroordeeld voor 8 maanden.

2.5 In een schrijven d.d. 13 juni 2011 heeft de Onderdirecteur Personeel & Algemeen van het Ministerie van Defensie [eiser] in reactie op het verweerschrift te kennen gegeven dat de daarin vermelde informatie niet op waarheid berust, aangezien volgens ingekomen informatie van de Recherche Administratie [eiser] in Nederland was gedetineerd vanwege overtreding van de Opiumwet, zijnde een feit dat zwaar wordt aangerekend in de Defensie organisatie. Tevens is middels hiervoor vermeld schrijven d.d. 13 juni 2011 aan [eiser] medegedeeld dat hem ontslag uit de militaire dienst zal worden verleend.

2.6 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 31 januari 2012, [nummer] is aan [eiser] ontslag wegens plichtsverzuim verleend op basis van artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 69 lid 2 sub c en e van de Personeelswet, hierna aangeduid als ”de ontslagbeschikking”.
Daartoe is onder meer overwogen:

  • “dat zijn verweerschrift niet steekhoudend is bevonden, door betrokkene zaken aanhaalt die niet op waarheid berusten, en volgens ingekomen informatie van de Recherche Administratie van het Korps Militaire Politie betrokkene gedetineerd was in Nederland vanwege overtreding van de Opium Wet. Dit wordt zwaar aangerekend in de Defensie organisatie, aangezien dit de organisatie in diskrediet brengt;
  • dat het voorgaande, ingevolge artikel 35 lid 2 van de ”Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub c en e van de ”Personeelswet”, grond voor ontslag oplevert en er derhalve aanleiding bestaat om betrokkene uit Staats (militaire) dienst te ontslaan”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken de ontslagbeschikking te vernietigen althans nietig te verklaren met veroordeling van de Staat tot rehabilitatie van [eiser] in de rang waarin hij diende onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de Staat weigert aan het vonnis uitvoering te geven.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is, omdat de ontslagbeschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. In artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen (S.B. 1996 no.28) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken -dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot militaire ambtenarenzaken. Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een militair ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5 [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de ontslagbeschikking op 15 februari 2012 bij deurwaardersexploot aan hem is betekend, hetgeen zijdens de Staat niet is betwist. Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van deze datum uitgaan. Nu het inleidend verzoekschrift op 29 februari 2012 ter griffie van het hof is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
Strijd met het motiveringsbeginsel
6.1 [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de Staat heeft nagelaten te vermelden op basis waarvan zij tot de conclusie komt dat sprake is van onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, dan wel een aan hem te wijten onmogelijkheid tot samenwerking.

6.2 De Staat heeft in haar verweerschrift gesteld dat op 15 februari 2011 door de afdeling Interpol van het Korps Politie Suriname aan de immigratiedienst te J.A. Pengel Luchthaven is gemeld dat [eiser] in Nederland is veroordeeld ter zake overtreding van de wet verdovende middelen en dat hij na het uitzitten van zijn straf het land zal worden uitgezet. [eiser] kwam op genoemde datum werkelijk als deporté het land binnen. Een veroordeling op grond van de Opiumwet maakt naar het oordeel van de Staat, vanwege de aard en de strekking van de militaire dienst, voortzetting van de dienst onmogelijk. [eiser] is, aldus de Staat, in verschillende sessies inzicht verschaft in het drugsbeleid van de Staat en niet onbekend met het feit dat bij verzaking van een goede plichtsbetrachting op dit stuk ontslag uit de militaire dienst was geïndiceerd.

6.3 [eiser] heeft bij de mondelinge behandeling erkend dat hij wegens overtreding van de opiumwet in Nederland is veroordeeld tot acht maanden hechtenis van 1 augustus 2010 tot 15 februari 2011. Tegen dit veroordelend vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld. [eiser] heeft daarbij tevens verklaard dat hij bekend is met het feit dat verdovende middelen op het ministerie niet worden gedoogd. [eiser] heeft verder verklaard dat hij in zijn verweerschrift de waarheid heeft omzeild en heeft verklaard dat hij vanwege mishandeling opgesloten zat.

6.4 Zijdens de Staat is als productie overgelegd een document verkregen naar aanleiding van een door de Staat gedaan rechtshulpverzoek, te weten het vonnis in hoger beroep ten aanzien van [eiser], waaruit blijkt dat hij ook in hoger beroep is veroordeeld wegens het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. [eiser] heeft deze productie onweersproken gelaten, zodat naar het oordeel van het Hof is komen vast te staan dat [eiser] in Nederland bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld wegens overtreding van de Nederlandse Opiumwet.

6.5 Het Hof constateert dat de artikelen die zijn toegepast bij het verlenen van het ontslag aan [eiser], betrekking hebben op onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid en een aan de ambtenaar te wijten onmogelijkheid tot samenwerking. Het Hof constateert tevens dat [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld zich ten aanzien van deze twee ontslaggronden te verantwoorden. Dit leidt tot de slotsom dat het ontslag is verleend in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat duidt dat een ambtenaar gehoord moet worden alvorens een voor hem nadelige beslissing wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat het bij de ontslagbeschikking verleend ontslag nietig verklaard zal worden. [eiser] heeft tijdens de onderhavige procedure de gelegenheid gehad zich uit te laten over de door de Staat aangevoerde veroordeling, welke door hem is erkend. [eiser] heeft tevens erkend dat hij, wetende wat het beleid van het ministerie is ten aanzien van verdovende middelen, in zijn verweerschrift een relaas heeft opgenomen dat in strijd met de waarheid was. Naar het oordeel van het Hof is dit voldoende om aan te nemen dat er sprake is van plichtsverzuim ex artikel 61 lid 2 sub b, terwijl tevens sprake is voor onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. Het Hof zal dan ook ambtshalve krachtens artikel 82 lid 4 van de Personeelswet de naar zijn oordeel passende tuchtstraf bepalen. In overweging nemende de onherroepelijke veroordeling van [eiser] voor een drugsmisdrijf, het feit dat [eiser] heeft erkend te weten dat verdovende middelen op het ministerie niet worden gedoogd en een leugenachtige verklaring te hebben afgelegd, acht het Hof passend dat [eiser] ontslag uit staatsdienst wordt verleend te rekenen van de dag volgend op die waarop dit vonnis aan hem is betekend.

6.6 De overige stellingen van [eiser] behoeven, gezien hetgeen onder 6.5 overwogen, geen verdere bespreking.

De beslissing
Het Hof:
7.1 Verklaart het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 31 januari 2012, [nummer] nietig.

7.2 Bepaalt dat [eiser] wegens plichtsverzuim ontslag wordt verleend te rekenen van de dag volgend op die waarop dit vonnis aan hem is betekend.

7.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van vrijdag 6 januari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Rathipal namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2019-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-1731
13 mei 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE STAAT SURINAME meer specifiek het MINISTERIE VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN,
rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,

tegen

N.V. NATURE BEAUTY,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Tweekinderenweg 46 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigden: S.R. Ramman BSc en mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaten.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 03 mei 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 mei 2019;
  • de conclusie tot aanvulling eis met producties;
  • de conclusie van antwoord en uitlating aanvulling eis;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek;
  • de overlegging van een productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1 Bij vonnis van 24 november 2017 van de kantonrechter in het eerste kanton in de zaak met het A.R. no 17-4478 is eiser – kort gezegd – veroordeeld om binnen een week na de uitspraak aan gedaagde een tweede verlenging van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen op het perceelland groot 17.645ha te verstrekken, en de aan derden uitgegeven beschikkingen ter uitoefening van mijnbouwrechten op het perceelland groot 17.645ha in te trekken onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000, – tot maximaal SRD 10.000.000, -.

2.2 Bij vonnis van 08 februari 2018 heeft de kantonrechter in het eerste kanton in de zaak met het A.R. no 18-0001 – kort gezegd – de bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen, [GMD no. 1] van 30 november 2017 ten name van gedaagde geschorst, en eiser verboden om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede exploratiebeschikking van gedaagde tot gevolg heeft anders dan wanneer gedaagde in strijd zou handelen met eerdere beschikkingen, [GMD no.2] en [GMD no. 3] of indien gedaagde in strijd zou handelen met de tweede verlengingsbeschikking na schorsing van de voorwaarden en bepalingen casu quo aanvullingen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000, – tot maximaal SRD 10.000.000, -.

2.3 Eiser heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 08 februari 2018 in de zaak met het A.R. no 18-0001.

2.4 Bij vonnis van 07 maart 2019 van de kantonrechter in het eerste kanton in de zaak met het A.R. no 18-2496 is – kort gezegd – de opheffing gelast van de executoriale derdenbeslagen van 16 mei 2018 met de nummers [Q-1] en [Q-2] en van 17 mei 2018 met het nummer [Q-3] onder:
a. Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,
b. Rosebel Gold Mines N.V.,
c. Newmont Suriname LLC.

2.5 Bij exploot van 11 april 2019 [no.] is bevel gedaan tot opheffing van de hiervoor onder 2.4 vermelde beslagen.

2.6 Op 17 mei 2018, 20 februari 2019, 25 maart 2019, 17 en 18 april 2019 heeft gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd, respectievelijk onder:

a. De Centrale Bank van Suriname,
b. Surinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V.,
c. Newmont Suriname LLC,
d. N.V. Grassalco,
e. Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,
f. Rosebel Goldmines N.V.,
g. N.V. Luchthavenbeheer,
h. N.V. Havenbeheer,
i. Centrale Vissershaven Suriname N.V.

2.7 Het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, Geologisch Mijnbouwkundige Dienst, heeft bij schrijven van 15 april 2019 aan de minister van Natuurlijke Hulpbronnen bevestigd dat het mijnbouwrecht aan gedaagde is verstrekt onder het [GMD no. 1] met een oppervlakte van 17.645ha op maandag 04 december 2017. Het recht betreft exploitatie naar goud en andere mineralen, gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier, zoals aangeduid op de figuratieve kaart van landmeter J.O.A. Mans, d.d. 04 oktober 2016. De heer [naam] heeft de beschikking in ontvangst genomen. Voorts is in voormeld schrijven van het ministerie verklaard dat het perceelland conform het Mijnbouwdecreet E-58, artikel 29 lid 3 aan geen ander dan Nature Beauty N.V. in exploratie is toegewezen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert bij eiswijziging – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  • de opheffing gelast van de gelegde executoriale derdenbeslagen;
  • gedaagde veroordeelt tot betaling van SRD 30.000.000, – als voorschot op de door eiser opgelopen schade vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van eerste beslaglegging;
  • gedaagde verbiedt om vanaf de uitspraak tot aan de dag van een in gezag van gewijsde gegane uitspraak over te gaan tot het executeren van vermeende dwangsommen uit hoofde van de vonnissen bekend onder de A.R. nummers 17-4478 en 18-0001 op straffe van een dwangsom van SRD 500.000.000, – voor iedere dag of keer dat gedaagde zich niet aan de beslissing houdt;
  • gedaagde veroordeelt in gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ad SRD 15.000, -;

subsidiair

  • de opheffing gelast van de gelegde executoriale derdenbeslagen;
  • gedaagde veroordeelt tot betaling van SRD 30.000.000, – als voorschot op de door eiser opgelopen schade vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van eerste beslaglegging;
  • opschort of schorst de werking van de vonnissen bekend onder de A.R. nummers 17-4478 en 18-0001 totdat hierover definitief is beslist;
  • gedaagde veroordeelt in gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ad SRD 15.000, -.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gelegde executoriale derdenbeslagen vexatoir en in strijd met de beginselen van een goede rechtsorde zijn. Daartoe voert eiser kort gezegd aan dat:

  • geen dwangsommen verbeurd zijn, omdat hij, eiser, uitvoering heeft gegeven aan de veroordelingen in de zaken met de A.R. nummers 17-4478 en 18-0001 inhoudende de verlening en afgifte van de verlengingsbeschikking aan gedaagde. Aan het tweede deel van de vordering in het vonnis van 24 november 2017 kan eiser geen uitvoering geven, omdat geen exploratie- of andere rechten aan derden zijn toegewezen in het betreffende gebied;
  • gedaagde geen hoger beroep heeft aangetekend maar in plaats daarvan wederom executoriaal derdenbeslag heeft gelegd en daarmee het vonnis tussen partijen gewezen op 07 januari 2019 met het A.R. no. 18-2496 heeft genegeerd;
  • gedaagde bij het leggen van de beslagen de bepalingen in artikel 313 jo artikel 314, 316 jo artikel 324 en 344 Rv niet in acht heeft genomen;
  • gedaagde, in strijd met de wet, beslag heeft gelegd op goederen van de staat die bestemd zijn voor de openbare dienst.

3.3 Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen. Het verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiser. Om die reden zal hij worden ontvangen in het kort geding.

4.1.1 Middels de hiervoor onder 2.6 genoemde executoriale derdenbeslagen wil gedaagde op grond van een door de kantonrechter gewezen vonnis van 24 november 2017 een totale som aan dwangsommen ad SRD 20.000.000,- incasseren. In het onderhavig kort geding vordert eiser opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen en een vergoeding wegens geleden schade ad SRD 30.000.000,-.

4.2 Allereerst overweegt de kantonrechter dat bij de beoordeling van onderhavig geschil, ingevolge vaste jurisprudentie ter beantwoording van de vraag of een bij rechterlijk bevel veroordeelde behoorlijk uitvoering heeft gegeven aan dat bevel, met daaraan verbonden een dwangsom, plaats dient te vinden door hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot uitgangspunt te worden genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (Vgl. Hoge Raad 15 november 2002, NJ 2004, 410).

4.2.1 Gedaagde heeft eisers stelling niet betwist, dat de tweede verlengingsbeschikking op 30 november 2017 is ondertekend, zes dagen na vonniswijzing in de zaak met het A.R. no.17-4478 (zie hiervoor onder 2.1). Uit het vonnis in de zaak met het A.R. no. 18-0001 van 08 februari 2018 blijkt bovendien dat gedaagde de verlengingsbeschikking van 30 november 2017 aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. De kantonrechter is het met eiser eens dat indien gedaagde eerst op 4 december 2017 de betreffende beschikking heeft afgehaald zulks hem, eiser, niet treft. Uit het exploot van 17 mei 2018 met het nummer [Q-4] blijkt evenwel onweersproken dat gedaagde tegen beter weten in de dwangsommen rekent vanaf 02 december 2017. Op 02 januari 2018 dient gedaagde het verzoekschrift in de zaak met het A.R. no. 18-0001 in. De vordering is – samengevat – dat de kantonrechter bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking opschort of schorst en dat eiser verboden wordt om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede beschikking van gedaagde tot gevolg zouden hebben. Uit het vonnis van 08 februari 2018, A.R. no. 18-0001, vloeit voort dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden gesteld dat eiser volledig aan de veroordeling bij vonnis van 24 november 2017, A.R. no. 17-4478 heeft voldaan. Conclusie van het vorenstaande is dat voorshands aannemelijk is dat eiser dwangsommen verbeurd heeft.

4.3 Voorts merkt de kantonrechter op dat een schuldeiser voor het executeren van dwangsommen op dezelfde wijze te werk dient te gaan als bij elke andere executie van geldvordering. Ook met betrekking tot verbeurde dwangsommen moet de executie daarvan aanvangen met een bevel tot betaling ex artikel 313 lid 2 Rv (Hoge Raad 26-03-1999, NJ 1999, 447).

4.3.1 Uit de productie genummerd 6, door eiser bij verzoekschrift overgelegd, blijkt dat bij exploot van 17 mei 2018 met het nummer [Q-4] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Tran Van Can-Doesburg, is gerelateerd dat de dwangsommen, gerekend vanaf 02 december 2017 tot en met 07 mei 2018 zijn opgelopen tot een bedrag van SRD 20.000.000, -. Aan voormeld exploot, zoals in het proces gebracht, ontbreekt evenwel een bevel tot betaling aan eiser.
Ook de overige, als productie overgelegde exploten respectievelijk van voornoemde deurwaarder (no. [Q-5]) en de deurwaarders bij het Hof van Justitie, R. Sontono ([nummers]) en D.J. Chocolaad ([no.]) houden geen bevel aan eiser in om binnen twee dagen betaling van inmiddels verbeurde dwangsommen te voldoen. Aldus is niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde zich heeft gehouden aan het vereiste van artikel 313 lid 2 RV.

4.3.2 De kantonrechter oordeelt verder als volgt. Gedaagde voert aan dat de verbeurde dwangsommen betrekking hebben op het gewezen vonnis in de zaak met het A.R. no. 17-4478. In haar verweer stelt zij evenwel geen feiten die ertoe hebben geleid dat zij thans wederom tot beslaglegging is overgegaan nadat de kantonrechter in de zaak met het A.R. no. 18-2496 drie van de vier gelegde executoriale derdenbeslagen heeft opgeheven. Gedaagde betrekt in haar verweer nota bene de overweging van de kantonrechter in laatstgenoemd vonnis dat één executoriaal derdenbeslag gedaagde voldoende zekerheid biedt.

4.3.3 Gedaagde heeft voorts in dit verband als verweer aangevoerd dat zij niet uit balorigheid appèl aantekent tegen kort geding vonnissen. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde in casu niet alleen zoals door eiser gesteld een gewezen vonnis waarin drie gelegde beslagen zijn opgeheven genegeerd, maar is zij ook voorbijgegaan aan het bepaalde in artikel 232 Rv. Immers, op dezelfde gronden heeft gedaagde in totaal onder acht instanties executoriaal derdenbeslag gelegd, waarvan drie van de acht instanties derden betreffen waarvan de kantonrechter het beslag bij voornoemd vonnis heeft opgeheven. Van een dergelijk handelen kan zonder dat nieuwe en concrete feiten zijn gesteld die de aanleiding hiertoe vormen, niet beoordeeld worden of de handeling van gedaagde gerechtvaardigd is, en kwalificeert die handeling dan ook als misbruik van bevoegdheid. De kantonrechter overweegt mee dat eiser als gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij in de zaak met A.R. no. 18-2496 gemotiveerd heeft verklaard daarvan geen hoger beroep aan te tekenen.

4.4 Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter niet toe aan bespreking van de overige standpunten van partijen nu deze alle voortborduren op een kennelijk onjuiste rechtsopvatting van gedaagde als hiervoor onder 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.3 overwogen.

4.5 De primair gevorderde opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen zal op voorgaande gronden worden toegewezen.

4.6 De primair gevorderde betaling tot schade van SRD 30.000.000,- zal als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.7 De kantonrechter zal de gevorderde dwangsom mitigeren als hierna te melden.

4.8 De buitengerechtelijke kosten zullen als ongegrond worden afgewezen.

4.9 De toewijzing van primaire vorderingen als hiervoor overwogen brengt met zich dat het subsidiair gevorderde zal worden afgewezen.

4.10 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:

  • het vastrecht ad. SRD 50, -,
  • de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 300, -,
  • en zijn in totaal begroot op SRD 350, -.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Heft op de gelegde executoriale derdenbeslagen zoals in het verzoekschrift omschreven onder de navolgende derde beslagenen:

a) De Surinaamse Luchtvaartmaatschappij (SLM)
b) Newmont Suriname LLC
c) N.V. Grassalco
d) Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.
e) Rosebel Goldmines N.V.
f) De Centrale Bank van Suriname
g) N.V. Luchthavenbeheer
h) N.V. Havenbeheer
i) Centrale Vissershaven Suriname (CEVIHAS).

5.2 Veroordeelt gedaagde om het executeren van vermeende dwangsommen uit hoofde van de vonnissen bekend onder A.R. no. 17-4478 en A.R. no. 18-0001 stop te zetten en aan te houden met ingang van de dag van deze uitspraak tot aan de dag waarop in een bodemprocedure of in hoger beroep definitief zal zijn beslist in voornoemde zaken of in een der voornoemde zaken en gedaagde tot executie daarvan bevoegd zal zijn verklaard op straffe van een dwangsom van SRD 100.000, – (honderdduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag of keer dat gedaagde in strijd handelt met deze beslissing, tot een maximum bedrag van SRD 10.000.000.,- (tien miljoen Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser tot aan deze uitspraak begroot op SRD 350, – (driehonderdvijftig Surinaamse Dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 13 mei 2019 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-2688
25 juli 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

DE STICHTING REGIONALE GEZONDHEIDSDIENST,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Johan Adolf Pengelstraat 188 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres] te [distrikt],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 04 juli 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 05 juli 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met een productie;
  • de conclusie van dupliek met producties;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 08 augustus 2016 is eiseres bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 16-2870 veroordeeld, onder meer om:

  • aan gedaagde uit te betalen over de maand mei 2016, de gebruikelijke aan haar toekomende vergoedingen zoals vermeld in de loonslip en de arbeidsovereenkomst, welke nog niet aan haar waren uitgekeerd, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 7 juni 2016;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten over de maanden juni en juli 2016, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten vanaf augustus 2016 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • te honoreren alle aan gedaagde toekomende rechten en voorzieningen op grond van de arbeidsovereenkomst, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • een dwangsom te betalen van SRD 1.000, – per dag, het maximum van SRD 50.000, – niet te boven gaand, voor elke dag dat eiseres in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis.

2.2 Volgens de statuten van eiseres, zoals bepaald in artikel elf, gewijzigd op 01 januari 1995, bestaat de directie van eiseres uit een directeur en een of meerdere onderdirecteuren. In lid 2 van dit artikel is voorts bepaald dat de directeur op voordracht van het Bestuur -gehoord de directeur van Volksgezondheid – benoemd, geschorst en ontslagen wordt door de minister van Volksgezondheid. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de directeur worden op voordracht van het bestuur, gehoord de directeur van Volksgezondheid, door de minister vastgesteld. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de onderdirecteuren worden, op voordracht van de directeur, door het bestuur vastgesteld.

2.3 De minister van Volksgezondheid, krachtens de statuten van eiseres, is met gedaagde een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangegaan in de functie van algemeen directeur van eiseres, voor een periode van drie jaren aanvangende op 01 augustus 2001, en onder dezelfde voorwaarden verlengd te rekenen van 1 augustus 2004 tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van gedaagde.

2.4 Bij deurwaardersexploot van 18 oktober 2016 met het [nummer] heeft gedaagde eiseres aangezegd om binnen twee dagen aan haar te betalen diverse looncomponenten voor een totaal bedrag van SRD 70.193,97, opgelopen dwangsommen ad SRD 50.000, -proceskosten zijnde een bedrag ad SRD 370, -, betekeningskosten ad SRD 260, – en overige kosten.

2.5 Bij deurwaardersexploot van 21 juni 2019 met het [nummer] heeft gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd onder Surinaamsche Bank N.V., Stichting Surinaamse Volkscredietbank, Hakrinbank N.V., Republic Bank Suriname N.V. en Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van eiseres ter verzekering van betaling ad SRD 50.000, – zijnde opgelopen dwangsommen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert -samengevat- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen onder verbeurte van een dwangsom;
  • veroordeling van gedaagde om haar als voorschot te betalen het bedrag van SRD 66.469,41 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van de rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  • veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eiseres heeft kort gezegd het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Op 22 november 2016 heeft zij aan gedaagde het bedrag van SRD 158.519,93 uitbetaald ter uitvoering van het vonnis van 08 augustus 2016, inclusief de verbeurde dwangsommen tegen een bedrag van SRD 50.000, -. Hierna heeft eiseres betalingen aan gedaagde gedaan die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Gedaagde maakt misbruik van haar executiebevoegdheid. Eiseres ondervindt stagnatie in haar bedrijfsvoering als gevolg van de gelegde beslagen. Zij kan niet aan haar betalingsverplichtingen jegens derden voldoen en geen lonen aan personeel uitkeren. Als gevolg van het beslag lijdt eiseres schade, nu zij niet aan haar financiële middelen bij de bank kan komen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang, wordt hierop in de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eiseres zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 De kantonrechter zal verstaan, zoals gedaagde bij conclusie van antwoord onder overlegging van producties en overigens onweersproken heeft aangevoerd, dat het executoriaal derdenbeslag is opgeheven.

4.3 Gedaagde weerspreekt het gevorderde voorschot wegens geleden schade en voert aan dat eiseres daar geen spoedeisend belang bij heeft. Ook voldoet volgens gedaagde de vordering van eiseres niet aan de vereisten van aannemelijkheid en restitutierisico.

4.4 Overwogen wordt dat de veroordeling tot betaling van dwangsommen oplopend tot het maximaal bedrag van SRD 50.000, – (zie hiervoor onder 2.1) een in het oog springende vergissing is ex artikel 492 lid 1 Rv., nu in casu geen sprake is van een veroordeling tot iets anders dan tot de betaling van een geldsom. Blijkens de onweersproken producties 4, 5, 6 en 7 bij verzoekschrift, heeft eiseres aan gedaagde ter uitvoering van het vonnis van 08 augustus 2016 onder meer de opgelopen dwangsommen betaald. Gedaagde heeft deze betaling niet weersproken. Dit brengt met zich dat voorshands voldoende is komen vast te staan dat eiseres conform het vonnis van de kortgedingrechter van 08 augustus 2016 in ieder geval een bedrag van SRD 50.000, – wegens opgelopen dwangsommen aan gedaagde heeft betaald. Gelet op het voorgaande, alsmede op het feit dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij betaling van voornoemd voorschot, is de kantonrechter van oordeel dat het door gedaagde aangevoerde restitutierisico onder voornoemde omstandigheden niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. De vordering van eiseres tot betaling van geleden schade zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van SRD 50.000, -.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verstaat dat de executoriaal derdenbeslagen gelegd bij deurwaardersexploot van 21 juni 2019 met het nummer 429 onder Surinaamsche Bank N.V., Stichting Surinaamse Volkscredietbank, Hakrinbank N.V., Republic Bank Suriname N.V. en Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van de Stichting Regionale Gezondheidsdienst zijn opgeheven.

5.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiseres bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van SRD 50.000, – (vijftigduizend Surinaamse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 04 juli 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.
5.3 Verklaart de beslissing onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op SRD 710, – (zevenhonderdtien Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 25 juli 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-2758
25 juli 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

DE STICHTING REGIONALE GEZONDHEIDSDIENST,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Johan Adolf Pengelstraat 188 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres] te [distrikt],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 10 juli 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 11 juli 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 08 augustus 2016 is eiseres bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 16-2870 veroordeeld, onder meer om:

  • aan gedaagde uit te betalen over de maand mei 2016, de gebruikelijke aan haar toekomende vergoedingen zoals vermeld in de loonslip en de arbeidsovereenkomst, welke nog niet aan haar waren uitgekeerd, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 7 juni 2016;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten over de maanden juni en juli 2016, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten vanaf augustus 2016 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • te honoreren alle aan gedaagde toekomende rechten en voorzieningen op grond van de arbeidsovereenkomst, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • een dwangsom te betalen van SRD 1.000, – per dag, het maximum van SRD 50.000, – niet te boven gaand, voor elke dag dat eiseres in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis.

2.2 Volgens de statuten van eiseres, zoals bepaald in artikel elf, gewijzigd op 01 januari 1995, bestaat de directie van eiseres uit een directeur en een of meerdere onderdirecteuren. In lid 2 van dit artikel is voorts bepaald dat de directeur op voordracht van het Bestuur -gehoord de directeur van Volksgezondheid- benoemd, geschorst en ontslagen wordt door de minister van Volksgezondheid. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de directeur worden op voordracht van het bestuur, gehoord de directeur van Volksgezondheid, door de minister vastgesteld. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de onderdirecteuren worden, op voordracht van de directeur, door het bestuur vastgesteld.

2.3 De minister van Volksgezondheid, krachtens de statuten van eiseres, is met gedaagde een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangegaan in de functie van algemeen directeur van eiseres, voor een periode van drie jaren aanvangende op 01 augustus 2001, en onder dezelfde voorwaarden verlengd te rekenen van 01 augustus 2004 tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van gedaagde.

2.4 Bij deurwaardersexploot van 09 juli 2019 met het [nummer] heeft gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd onder Surinaamsche Bank N.V., Stichting Surinaamse Volkscredietbank, Hakrinbank N.V., Republic Bank Suriname N.V. en Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van eiseres ter verzekering van betaling ad SRD 164.897,93 en kosten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert -samengevat- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen op straffe van een dwangsom ad SRD 10.000, – per dag met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eiseres heeft kort gezegd het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Op 11 augustus 2016 heeft gedaagde bij deurwaardersexploot het vonnis van 12 augustus 2016 aan haar betekend en bij deurwaardersexploot van 31 mei 2019 een schrijven van 30 mei 2019 met aanzegging om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan gedaagde te betalen:

  • de volledige jubileumuitkering van zes maanden salaris;
  • de medische kosten ad SRD 480, -;
  • 60 liter brandstof per week;
  • het volledig loon inclusief 10% loonsverhoging ingaande 1 januari 2019.

Eiseres is niets verschuldigd aan gedaagde. Zij heeft steeds conform de geldende regelingen, goedgekeurd door de minister van Volksgezondheid, aan gedaagde uitbetaald. Aan het vonnis d.d. 08 augustus 2016 geeft zij conform de veroordeling uitvoering. Gedaagde maakt misbruik van haar executiebevoegdheid. Eiseres ondervindt stagnatie in haar bedrijfsvoering als gevolg van de gelegde beslagen. Zij kan niet aan haar betalingsverplichtingen jegens derden voldoen en geen lonen aan personeel uitkeren.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang, wordt hierop in de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eiseres zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (zie ook HR 22 december 2006, NJ 2007, 173) de kantonrechter in kort geding bij executoriaal beslag slechts in de executie zal mogen ingrijpen indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Een executoriaal beslag zou tot een dergelijke situatie kunnen leiden.

4.3 Gedaagde weerspreekt het spoedeisend belang en de gestelde stagnatie van bedrijfsactiviteiten door eiseres. Volgens gedaagde vinden de activiteiten van eiseres normaal plaats. De kantonrechter gaat aan die constatering van gedaagde voorbij nu nergens uit blijkt welke exercitie door gedaagde gepleegd, deze bevinding kan dragen. Het verweer van gedaagde voorts dat betaling van lonen niet aan de orde is omdat die aan het eind van de maand plaatsvindt, is onbegrijpelijk. Een dergelijke opvatting strookt immers niet met de verplichting die ex artikel 1614 BW op de werkgever rust om er zorg voor te dragen dat lonen tijdig, op bepaalde tijd, aan werknemers kunnen worden betaald. De kantonrechter passeert het verweer.

4.4 Eiseres heeft gemotiveerd gesteld dat zij niets aan gedaagde verschuldigd is en dat er geen tekortkomingen zijn opgetreden in de uitvoering van het vonnis van 08 augustus 2016. De kantonrechter overweegt daarbij dat onweersproken is dat gedaagde eerder, in de zaak bekend onder A.R. No. 19-2688, executoriaal beslag door haar gelegd ter inning van opgelopen dwangsommen, heeft doen opheffen. Opgemerkt wordt dat in het geval van de opgelegde dwangsommen, sprake is van een in het oog springende vergissing ex artikel 492 lid 1 Rv. Thans concludeert gedaagde bij antwoord, ook overigens zonder nadere onderbouwing, bereid te zijn het beslag te beperken tot het bedrag van SRD 186.807,43 terwijl het executoriaal derdenbeslag is gelegd voor de som van SRD 164.897,93. Deze omstandigheden en de daarbij wisselende standpunten van gedaagde, maken niet aannemelijk dat sprake is van een inschuld zoals voorgeschreven in artikel 347a lid 1 Rv, maar geven veeleer blijk van het koste wat het kost willen uitoefenen van executiebevoegdheid. Dit leidt er dan ook toe dat het gelegd beslag zal worden opgeheven. Nu de kantonrechter het beslag zelf opheft, hoeft daaraan geen dwangsom te worden verbonden.

4.5 Om de overige gestelde geschilpunten te kunnen beoordelen is diepgaander feitenonderzoek nodig en de gevolgen van een te geven beslissing zijn voor de kantonrechter niet te overzien. Immers, een kort geding leent zich niet hiervoor. Aan een beoordeling wordt daarom niet toegekomen.

4.6 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Heft op de executoriaal derdenbeslagen gelegd bij deurwaardersexploot d.d. 09 juli 2019 met het [nummer] van de deurwaarder Rawan Sontono onder de Surinaamsche Bank N.V., de Stichting Surinaamse Volkscredietbank, de Hakrinbank N.V., de Republic Bank N.V. en de Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van de Stichting Regionale Gezondheidsdienst.

5.2 Verklaart de beslissing onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op SRD 520, – (vijfhonderdtwintig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 25 juli 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-27

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 162316
24 mei 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [plaats] in Nederland,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

tegen

STICHTING SOEREKE, rechtspersoon,
gevestigd in het district Wanica,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde voorheen: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat.

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende gefourneerde processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 12 mei 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Stichting Dewta heeft op 13 juni 2007 aan eiseres ter leen verstrekt, gelijk zij ter leen heeft ontvangen een bedrag van € 20.000, = (de leensom). Over het bedrag diende eiseres een rente van 2,5% per maand te voldoen. Dit bedrag diende eiseres binnen 1 jaar af te lossen.

2.2 Ter zekerheidsstelling voor de terugbetaling van de leensom heeft eiseres hypotheek doen vestigen ten laste van Stichting Dewta op een aan haar in eigendom toebehorend perceel.

2.3 Bij akte van cessie gedateerd 8 oktober 2014, verleden ten overstaan van [notaris] is de hypothecaire schuldvordering overgedragen aan gedaagde.

2.4 Bij exploot van [deurwaarder] d.d. 16 februari 2016 is aan eiseres de openbare verkoop van het perceel aangezegd welke zal plaatsvinden op 24 mei 2016 des voormiddags te 9.00 uur.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
a. schorsing dan wel opschorting van de aangekondigde openbare verkoop totdat in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist over de hoegrootheid van de werkelijke schuld.
b. veroordeling van gedaagde tot doorhaling van de ingeschreven hypotheek in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd:
Zij heeft niet € 21.500, = ter leen ontvangen maar € 20.000, =. Zj heeft vanaf de aanvang van de lening maandelijks een bedrag van € 500, = afgelost en heeft zij thans zelf een tegoed van € 2.368,36 welke zij terug dient te ontvangen. Daarnaast is de rente van 2,5% moreel niet aanvaardbaar en is in strijd met de goede zeden. De voorgenomen openbare verkoop is derhalve onrechtmatig. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres een overzicht overgelegd van de door haar gepleegde aflossingen, en het pro resto verschuldigde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft het volgende verweer gevoerd.
Zij betwist het door eiseres overgelegde overzicht. Volgens gedaagde is de lening aangegaan op 13 juni 2007 met een rente van 2,5% per maand. Eiseres heeft tussen juni 2007 en september 2008 geen aflossingen gepleegd waardoor de schuld met rente in die periode is opgelopen. De totale schuld bedraagt thans € 125.494,48.
De door haar aan eiseres betekende saldo – opgave d.d. 4 februari 2016 voor het bedrag van € 29.562,50 is als volgt opgebouwd:

  • Het geleend bedrag inclusief kosten bedraagt € 21.500, =,
  • Indien eiseres tijdig en conform de overeenkomst had afgelost zou de rente bedragen € 8.062,50.

Nu eiseres de lening niet tijdig had afgelost, dient zij het thans verschuldigde bedrag van € 125.494,48 te betalen.

4.3 Alhoewel het partijen vrij staat om een overeenkomst aan te gaan en de inhoud van die overeenkomst zelf te bepalen, is de kantonrechter het eens met eiseres dat een rente van 2,5% per maand, in strijd is met de goede zeden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zal deze dan ook moeten worden teruggebracht tot de gangbare rente van 18% per jaar. Een hoge rente maakt de aangekondigde veiling echter niet onrechtmatig. Doch zal gedaagde bij de berekening van de saldoschuld rekening moeten houden met de gangbare rente.

4.4 Ten aanzien van het bedrag van € 21.500, =, welk bedrag als leensom inclusief kosten door gedaagde is aangemerkt, oordeelt de kantonrechter als volgt. Gedaagde heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat de leensom bedroeg € 20.000, =, zodat van dat bedrag dient te worden uitgegaan bij de berekening van de saldoschuld en niet het bedrag van € 21.500, =. De omstandigheid dat gedaagde uitgaat van een ander bedrag bij de berekening van de saldoschuld dan van de leensom zelf, maakt de aangekondigde openbare verkoop ook niet onrechtmatig.

4.5 De stelling van eiseres, dat gedaagde een systeem heeft gehanteerd van rente op rente bij de berekening van de saldoschuld, gaat niet op en dient te worden verworpen. Immers blijkt uit de akte van geldlening van 13 juni 2007, dat de interest zal worden betaald over het pro resto verschuldigde. Hieruit concludeert de kantonrechter, terecht zoals door gedaagde is aangevoerd, dat de renteberekening over de gestapelde rente niet onrechtmatig is.

4.6 Eiseres heeft haar stelling dat zij niets meer verschuldigd is aan gedaagde uit hoofde van de akte van geldlening van 13 juni 2017 niet aannemelijk kunnen maken zodat de door haar gevraagde voorziening dient te worden geweigerd.

4.7 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.8 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van dinsdag 24 mei 2016 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran