SRU-HvJ-1971-5

HOF VAN JUSTITIE,
Civiele Kamer,
1 okt. 1971.

N.V. Assurantie Mij De Nederlanden van 1845,
gevestigd in Nederland, mede-kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante,
adv. G.J.C. van der Schroeff,

TEGEN :

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
adv. Mr. S.A. Thijm,

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :

O., dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat verzoeker de hem in eigendom toebehorende auto merk Chevrolet Impala bij polis no. 5013-1672 had verzekerd bij verweerster de N.V. De Nederlanden van 1845, o.a. tegen wettelijke aansprakelijkheid;

dat verzoeker met voormelde auto omstreeks 1965 zekere [slachtoffer] heeft aangereden met verzoekers schuld daaraan en verzoeker tengevolge van deze onrechtmatige daad is veroordeeld als schadevergoeding aan genoemde [slachtoffer] wegens lichamelijk letsel te betalen ƒ 25.000.— met de rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 3 februari 1966 tot de voldoening en de gedingkosten;

dat voormelde veroordeling heeft plaatsgevonden door de Kantonrechter in het Eerste Kanton dd. 21 november 1967 A.R. No. 302/1966, welk vonnis door het Hof van Justitie is bevestigd bij vonnis van 17 januari 1969;

dat de genoemde verzekering nog van kracht was en gold tussen partijen toen deze aanrijding plaats vond;

dat als rechtskundig adviseur van verzoeker in de genoemde gedingen optrad de rechtskundig adviseur van verweerster, advokaat G.J.C. van der Schroeff en wel op verzoek en aanwijzing van verweerster;

dat in feite verweerster verweer gevoerd heeft in bedoelde gedingen gelijk ook blijkt uit het feit, dat verweerster de proceskosten waartoe verzoeker was veroordeeld heeft voldaan;

dat volgens gemelde polis, waarvan fotocopie hierbij wordt overgelegd, het verzekerde bedrag voor wettelijk aansprakelijkheid, uit te keren door verweerster ƒ 20.000.— bedroeg ingeval van lichamelijk letsel;

dat verweerster nu wel deze ƒ 20.000.— heeft betaald doch weigert de rente daarover ad 6% ’s jaars als in gemeld vonnis is gesteld te voldoen;

dat verweerster echter wel verplicht is deze rente te voldoen;

dat toch verweerster niet vóór de aanvang der procedure, hoewel daartoe aangemaand, het bedrag van ƒ 20.000.— aan verzoeker c.q. [slachtoffer] heeft uitgekeerd, doch het op een proces heeft aangestuurd door niet te betalen;

dat verweerster de vruchten en inkomsten van dit geld gedurende de loop van de procedure tot aan de voldoening voor zich heeft behouden, welke meer dan 6% ’s jaars bedragen;

dat verder in feite verweerster middels haar advokaat heeft geprocedeerd terwijl, indien verzoeker zijn eigen advokaat had kunnen nemen, hij verweerster voor het bedrag van ƒ 20.000.— in vrijwaring had opgeroepen waarna verweerster ook veroordeeld was om 6% ’s jaars rente te betalen tot de voldoening;

dat intussen verzoeker deze rente aan [slachtoffer] heeft voldaan omdat deze laatste met de executie van het vonnis inclusief de totaal verschuldigde rente begonnen was;

dat verweerster heeft betaald als volgt: enz.

dat verweerster derhalve de rente ad 6% ’s jaars vanaf 3 februari 1966 moet betalen, belopende deze ƒ 3.534.25; enz.

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verweerster zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van ƒ 3.534.25 (DRIE DUIZEND VIJF HONDERD VIER EN DERTIG 25/100 GULDEN) invoege en terzake als voormeld door verweerster aan verzoeker verschuldigd met rente en kosten volgens de Wet;

O., dat de N.V. ASSURANTIE MAATSCHAPPIJ DE NEDERLANDEN VAN 1845 als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord heeft gezegd:

dat gedaagde de ingestelde vordering in al zijn onderdelen betwist, zowel wat de rechtsgronden betreft als de feiten, tenzij uitdrukkelijk anders erkend;

dat de rechtsgrond van de onderhavige vordering geheel in strijd is met de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst tegen Wettelijke Aansprakelijkheid;

dat het juist is hetgeen eiser heeft gesteld in de alinea’s 1 t/m 8;

dat krachtens de verzekeringspolis gedaagde gehouden is ƒ 20.000.— uit te keren wegens W.A. van eiser en zij zich hieraan ook geheel heeft gehouden;

dat eiser geen aanspraak maakt op een hoger bedrag dan ƒ 20.000.—;

dat volgens de polis gedaagde het verweer mag overnemen en gedaagde dan ook de kosten voor juridische bijstand heeft betaald boven het zo juist vermeld bedrag van ƒ 20.000.—;

dat de vordering was ingesteld voor ƒ 84.000.— en door het gevoerde verweer, of mede tengevolge van het gevoerde verweer de vordering werd verminderd tot ƒ 25.000.—;

dat eiser geen aanspraak maakt op rente of op rentederving zoals hij doet en eiser niet kan betwisten dat gedaagde het recht heeft om verweer te voeren, teneinde vermindering van de ingestelde vordering te verkrijgen;

dat indien gedaagde geen verweer had gevoerd de mogelijkheid zeer reëel is dat een hoger bedrag dan ƒ 25.000.— zou zijn toegewezen;

dat onder alle omstandigheden de limiet van gedaagde’s plicht is ƒ 20.000.— en gedaagde niet begrijpt waarom eiser meer dan ƒ 20.000— meent te vorderen te hebben;

dat de renteberekening is onjuist en niet terzake doet;

dat gedaagde alles ontkent hetgeen niet door haar uitdrukkelijk is erkend;

O., dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, kosten rechtens; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 15 december 1970 de ingestelde vordering heeft toegewezen; enz.

O., dat de N.V. ASSURANTIE MAATSCHAPPIJ DE NEDERLANDEN VAN 1845 in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 15 december 1970; enz.

O., dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

O., dat als tussen partijen in confesso, mede in verband met de overgelegde stukken, rechtens vaststaat:

dat appellante de geintimeerde tegen de gevolgen van diens wettelijke aansprakelijkheid als bestuurder van een personenauto had verzekerd, voor een bedrag van ƒ 20.000.— ingeval van lichamelijk letsel of dood van één persoon;

dat geintimeerde hierna als bestuurder van een auto met zijn schuld daaraan zekere [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft toegebracht en geintimeerde bij vonnis in kracht van gewijsde is veroordeeld aan genoemd slachtoffer een schadevergoeding van ƒ 25.000.— met rente ad 6% per jaar vanaf 3 februari 1966 tot de voldoening te betalen, zijnde die rente over ƒ 20.000.—, zoals in appèl niet langer is bestreden, opgelopen tot ƒ 3534.25;

O., dat appellante, stellende dat geintimeerde krachtens voormelde verzekeringsovereenkomst in het zich thans voordoende geval van lichamelijk letsel van één persoon tegenover haar geen aanspraak vermag te maken op meer dan ƒ 20.000.—, ontkent tot betaling aan hem van genoemd rentebedrag te zijn gehouden;

O. daaromtrent:

dat geintimeerde wegens de door hem ten opzichte van voormelde gelaedeerde gepleegde onrechtmatige daad schadevergoeding aan hem was verschuldigd vanaf het tijdstip van het toebrengen van deze schade, waarin de omstandigheid dat de omvang van die schade alstoen nog niet vaststond en het verantwoord was daarover te procederen, geen verandering brengt;

dat nu is komen vast te staan, dat geintimeerde als bestuurder van een personenauto, aan het slachtoffer een schade van meer dan ƒ 20.000.— heeft toegebracht, appellante krachtens de polis geacht moet worden deze ƒ 20.000.— vanaf het toebrengen van de onder de verzekeringsovereen- komst vallende schade aan haar verzekerde, de geintimeerde, schuldig te zijn geweest;

dat waar rechtens vaststaat, dat appellante deze som niet aan geintimeerde of de gelaedeerde vanaf genoemd tijdstip ter beschikking heeft gesteld, zij gehouden is rente daarover te vergoeden, hebbende de Kantonrechter terecht overwogen, dat de limiet van ƒ 20.000.— in de polis betreft E de rechtstreeks ingeval van letsel van één persoon veroorzaakte schade en niet schade, veroorzaakt door betaling op een later tijdstip dan deze geacht moet worden verschuldigd te zijn geweest;

dat appellante hiertegen bij memorie van grieven wel heeft aangevoerd, dat zij onmiddellijk na het vonnis in hoogste instantie tot betaling is overgegaan en de polis geen verplichting voor haar inhoudt hangende het geding een schadebedrag aan te bieden, maar dit alles niet wegneemt dat appellante, zich ondanks het vaststaan van schade van eerdere betaling aan geintimeerde of de gelaedeerde onthoudende, de gevolgen, daarvan voor wat betreft de opgelopen rente dient te dragen;

dat ten overvloede dit standpunt, zoals geintimeerde terecht heeft aangevoerd, met redelijkheid en billijkheid in overeenstemming is, aangezien appellante, de betaling uitstellende totdat in hoogste instantie de omvang van de schade is vastgesteld, de beschikking over het schadebedrag hangende het geding heeft behouden en daarvan rente heeft kunnen kweken; enz.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 15 december 1970 tussen partijen gewezen, waarvan beroep; enz.

SRU-K1-2014-11

Kantongerecht in het eerste Kanton
A.R. no. 134330
31 maart 2014

Beschikking in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

1. Het procesverloop:

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • Het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het kantongerecht op 9 oktober 2013,
  • Het verweerschrift zijdens gedaagde, met producties,
  • Het proces-verbaal van het verhoor van partijen;
  • De respectieve conclusies tot uitlating na verhoor van partijen zijdens elk der partijen, zijdens eiser, met producties.

2. De feiten

2.1 Gedaagde is vanaf 1991 als jeugdtandverzorgster in dienst van eiser, die een tandartsenpraktijk heeft.

2.2 Eiser is thans 74 jaar oud en heeft aan gedaagde aangegeven dat hij reeds geruime tijd sukkelt met zijn gezondheid.

2.3 Gedaagde is in juli 2013 ernstig ziek geworden en in het buitenland behandeld voor haar ziekte. In september 2013 zou zij haar werkzaamheden weer aanvangen.

2.4 In september 2013 heeft eiser aan gedaagde aangeboden om de dienstbetrekking tot beëindigen waarbij een afkoopsom van 4 maanden salaris is aangeboden.

2.5 Gedaagde ging niet accoord met het aanbod en gaf aan dat zij wenste te blijven werken. Zij was inmiddels genezen en kon weer haar werkzaamheden aanvangen. Zij heeft daarna aan eiser bericht dat zij ter beschikking is om haar werkzaamheden te hervatten.

2.6 Eiser heeft hierna geen gebruik gemaakt van de diensten van gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering

Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter bij beschikking:

A. De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen ontbindt althans ontbonden verklaard en voorts
B. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De Grondslag

Eiser heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zijn leeftijd thans zodanig gevorderd is en zijn gezondheid zodanig achteruit is gegaan dat hij zijn tandartsenpraktijk zal moeten afbouwen. Dat hij daar al mee is begonnen en zijn werkzaamheden als tandarts aanmerkelijk heeft moeten terugbrengen. Dat hij ook van zijn doktoren heeft vernomen dat hij zijn werkzaamheden dient te beperken qua belasting en duur en zo gauw als mogelijk – een der medici indiceert, binnen een jaar – moet stoppen met zijn beroep als tandarts.

Eiser voert aan dat hij hiermee een gewichtige reden heeft voor het ontbinden van de arbeidsovereenkomst en kan van hem billijkheidshalve niet worden verwacht dat hij de dienstbetrekking voortzet.

3.3 Het verweer

Gedaagde heeft aangegeven dat de gewichtige reden niet bestaat. Zij voert aan dat hij drogredenenen aanvoert voor de beeindiging. Zij verwijst daarvoor naar het feit dat zij ziek is geworden in juli 2013 en dat hij haar na haar ziekte heeft aangeboden de dienstbetrekking te beeindigen. Voorts voert zij aan dat niemand anders uit de praktijk is gevraagd om te stoppen met werken.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter heeft tijdens het verhoor van partijen van beide partijen hun standpunten vernomen.

4.2 Eiser voerde op het verweer van gedaagde aan dat de personen die nog werken noodzakelijkerwijs moeten werken omdat de poli nog open is. Echter hebben deze andere personen ook vernomen dat hij de poli aan het afbouwen is. Eiser heeft ter adstructie van dat gestelde een verklaring overgelegd. Hij betwist dat de gezondheidstoestand van gedaagde de reden van de ontbinding is en blijft bij zijn gronden, die hij ook met verklaringen van twee medici heeft onderbouwd.

4.3 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaringen van de medici blijkt dat eiser zijn gezondheid van dien aard is dat hij op korte termijn zal moeten stoppen met werken. Ook blijkt uit de verklaring van gedaagde dat hij haar vanaf 2012 al heeft voorbereid op het afbouwen van de poli, waarbij zelfs alternatieven zijn besproken.

4.4 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene, de gewichtige reden – namelijk dat zijn persoonlijke omstandigheden zodanig zijn veranderd dat hij de poli niet langer kan voortzetten en zal moeten afbouwen – in rechte is komen vast te staan. Het gevorderde zal worden toegewezen onder de voorwaarde dat aan gedaagde een uitkering zal worden toegekend. De rechtspraak heeft zich in Suriname zodanig ontwikkeld dat bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, vooral wanneer het betreft een heel lange arbeidsrelatie, als compensatie een uitkering wordt toegewezen naar redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter acht in casu, gezien de aard van de organisatie van de werkgever, een uitkering vastgesteld aan de hand van het aantal dienstjaren vermenigvuldigd met een week, redelijk en billijk, waardoor aan gedaagde zal moeten worden uitgekeerd 29 jaren maal een week, neerkomende op zes en een halve maand salaris, namelijk SRD.5.200,= maal 6,5 hetgeen gelijk is aan SRD.33.800,=.

4.5 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken en op grond van de aard van de vordering, de proceskosten compenseren in dier voege dat elk der partijen zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2014;

5.2 Kent aan gedaagde ten laste van eiser een uitkering toe gelijk aan zes en een halve maand salaris, hetgeen neerkomt op het bedrag van SRD.33.800,= (drie en dertig duizend achthonderd Surinaamse dollar) en veroordeelt eiser tot betaling van deze uitkering aan gedaagde;

5.3 Compenseert de proces-kosten tussen partijen in dier voege dat elk der partijen zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en in raadkamer te Paramaribo uitgesproken op maandag 31 maart 2014 in tegenwoordigheid van mr. D.Ramdin, fungerend-griffier.

SRU-K1-2013-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 124100
3 oktober 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

A. De Staatsolie Maatschappij Suriname n.v.,
B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu,
beiden kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. R. Sohansingh, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. M. Kandhai-Ramai, jurist,
gedaagden.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 19 oktober 2012 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusies van antwoord met producties zijdens gedaagden;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van dupliek met producties zijdens gedaagde sub B:
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres;
– de op 11 februari 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 12 februari 2013 gehouden comparitie van partijen;
– de conclusies tot uitlating zijdens partijen;
– de op 27 juni 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 21 augustus 2013 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is in het jaar 1989 in dienst getreden van gedaagde sub A.

2.2 Bij schrijven dd. 16 januari 2009 heeft gedaagde sub A, eiseres bericht dat zij overgeplaatst zal worden naar de afdeling HSEQ, en dat zij gedurende een periode van 1 jaar met een verhoogde frequentie van 1 keer per twee maanden zal worden beoordeeld door de directe leidinggevende van genoemde afdeling.

2.3 Op 15 december 2010 wordt eiseres door gedaagde sub A bericht dat zij het proces tot ontslag zal inzetten.

2.4 Op 28 maart 2012 heeft gedaagde sub A, het verzoek gedaan aan gedaagde sub B om in aanmerking te komen voor een ontslagvergunning.

2.5 Bij beschikking dd. 25 april 2012 heeft gedaagde sub B toestemming verleend aan gedaagde sub A om de dienstbetrekking met eiseres te beëindigen.

2.6 Gedaagde sub A heeft eiseres ontslagen met ingang van 2 november 2012.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

Schorsing van de werking van de beschikking met als kenmerk: OC [nummer], dd. 25 april 2012, totdat in bodemgeschil daarover zal zijn beslist;

Subsidiair:

a. Verbod aan gedaagde sub A om gebruik te maken van de hiervoor genoemde beschikking;
b. Veroordeling van gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom.

3.2 Eiseres stelt dat de beschikking van gedaagde sub A in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Gebruik daarvan door gedaagde sub A is dan ook onrechtmatig.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stelling van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Aangezien getracht is partijen bij elkaar te brengen middels een minnelijke schikking, en dit niet is gelukt zal de kantonrechter recht doen op grond van de tussen partijen gewisselde stukken.

4.3 Het primair gevorderde strekt tot schorsing van de beschikking met als kenmerk OC [nummer], dd. 25 april 2012, waarbij door gedaagde sub B toestemming aan gedaagde sub A is verleend om de dienstbetrekking met eiseres te beëindigen.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient dit gevorderde te worden geweigerd, nu er geen beroep open staat tegen de genoemde beschikking. Nu eiseres van mening is dat de door gedaagde sub B gegeven beschikking in strijd is gegeven met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, heeft zij slechts de mogelijkheid tot een vordering terzake schadevergoeding tegen gedaagde sub B.

4.4 Ook de subsidiaire vordering tot het opleggen van een verbod aan gedaagde sub A om gebruik te maken van de hiervoor genoemde beschikking, dient te worden afgewezen. Immers heeft gedaagde sub A reeds uitvoering gegeven aan de beschikking waardoor de beschikking is uitgewerkt, met als resultaat het ontslag. Op grond hiervan had eiseres slechts de mogelijkheid om schorsing van het aan haar gegeven ontslag te vragen. Nu zij dat niet heeft gevorderd is het overbodig om verder daarop in te gaan.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 3 oktober 2013 door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. A. Charan in tegenwoordigheid van de griffier.

EISERES IN KORT GEDING IS IN PERSOON BIJ DE UITSPRAAK TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN DE GEDAAGDE SUB A IS NOCH IN PERSOON NOCH BIJ GEMACHTIGDE VERSCHENEN EN DE GEDAAGDE SUB B IS BIJGESTAAN DOOR HAAR GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-2012-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no: 122506
1 november 2012

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

International Telecommunication Suriname N.V., afgekort Intelsur N.V., h.o.d.n. Uniqa,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

Partijen worden hierna aangeduid met respectievelijk [eiseres] en UNIQA.

De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uitgesproken.

1. De procesgang

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 19 juni 2012 met bijbehorende producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet betwist, mede blijkende uit de in zoverre erkende en met betwiste inhoud van overgelegde producties, staat het volgende ten processe vast:

2.1 [eiseres] is per 19 maart 2012 voor de duur van 6 maanden in dienst getreden van UNIQA in de functie van Communication Assistant.

2.2 Bij schrijven van 28 mei 2012 heeft UNIQA aan [eiseres] ontslag aangezegd wegens dringende reden, grove belediging, schending van het vertrouwen en desavouering van het gezag van de werkgever.

2.3 Bij exploot van 31 mei 2012 van deurwaarder Louise Tran van Can-Doesburg is aan Uniqa betekend een schrijven van de gemachtigde van [eiseres] waarin UNIQA is gesommeerd binnen 2 dagen na ontvangst van het schrijven het salaris van [eiseres] prompt te betalen en daarmee door te gaan totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is geëindigd.

2.4 UNIQA heeft bij schrijven van 1 juni 2012 de gemachtigde van [eiseres] in reactie op het onder 2.3 genoemd schrijven voorgesteld het besluit van het Hoofd van de dienst Arbeidsinspectie af te wachten.

2.5 Het Hoofd van de Arbeidsinspectie heeft namens de Minister van Arbeid en Technologische Ontwikkeling bij beschikking van 11 juni 2012 [nummer] bezwaar aangetekend tegen het ontslag wegens dingende reden van [eiseres].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiseres] heeft gevorderd om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:

a. UNIQA te gelasten om de dienstbetrekking met haar te herstellen;
b. UNIQA te gelasten om binnen 1 *24 uur na de uitspraak het (nieuwe) salaris inclusief alle emolumenten, vakantie-uitkering en winstuitkering eventueel vermeerderd met de boete ex art. 1614q BW aan haar uit te betalen, c.q. te doen toekomen en daarmede voort te gaan totdat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn geëindigd;
c. UNIQA te verbieden om in de toekomst het salaris alsmede de emolumenten van haar te blokkeren;
d. haar in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op normale wijze te kunnen vervullen, zonder enige hindernis zijdens UNIQA;
e. UNIQA te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat UNIQA onrechtmatig haar het recht op loon en het recht op arbeid ontzegd. UNIQA pleegt hierdoor een onrechtmatige daad waardoor zij schade lijdt en nog zal lijden.

3.3 UNIQA heeft de vordering weersproken.

De kantonrechter komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 UNIQA heeft aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is omdat zij niet gesteld heeft dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.
Dit verweer treft geen doel aangezien uit de aard van de vordering, uitbetaling van het loon, reeds het spoedeisend belang blijkt.

4.2 De door [eiseres] gevraagde voorziening tot herstel van de dienstbetrekking, zoals onder a van het petitum is weergegeven, zal worden geweigerd nu gesteld noch gebleken is dat er in casu sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, hetgeen wel vereist is bij zo een vordering.

4.3 UNIQA heeft als verweer aangevoerd dat het verschuldigd loon normaal aan [eiseres] is uitbetaald en heeft ter adstructie een verklaring van de Domestic Department van de Hakrinbank N.V. d.d. 11 juli 2012 overgelegd waarin staat dat op 25 juni 2012 ten behoeve van [eiseres] het bedrag groot SRD 1.222,11, zijnde het netto salaris bedrag, is overgemaakt.
[eiseres] heeft naar aanleiding van dit verweer van UNIQA niet ontkend dat het salaris over de maanden mei en juni 2012 aan haar is uitbetaald.
Hieruit leidt de kantonrechter af dat de doorbetaling van het salaris aan [eiseres] niet is beëindigd. Immers, UNIQA heeft zelf aangevoerd dat nu de dienst Arbeidsinspectie bezwaar heeft aangetekend tegen het aan [eiseres] verleende ontslag wegens dringende redenen, de dienstbetrekking tussen partijen nog in stand is en [eiseres]recht heeft op doorbetaling van haar loon. Het ligt dan ook in de lijn der verwachtingen dat UNIQA het loon van [eiseres] zal blijven doorbetalen totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] geen belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening tot doorbetaling van het loon, en het verbod aan UNIQA om het salaris te blokkeren. Deze gevraagde voorzieningen (b en c), zullen derhalve worden geweigerd.

4.4 UNIQA heeft voorts aangevoerd dat zij, gezien de omstandigheden, niet verplicht is [eiseres] toe te laten tot het werk.

Overwogen wordt dat het door [eiseres] gesteld “recht op arbeid” niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 1614 b BW geeft immers het uitgangspunt: geen loon is verschuldigd als de arbeid niet is verricht.

Artikel 1614 d BW geeft een uitzondering hierop. Ingevolge dit artikel is het loon wel verschuldigd als geen arbeid is verricht, terwijl de werknemer hiertoe bereid was en de werkgever hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat in het systeem van de wet ervan wordt uitgegaan dat de werkgever niet de plicht heeft om de werknemer de arbeid te laten verrichten. In het onderhavig geval heeft UNIQA dus niet de plicht om [eiseres] toe te laten tot het werk. De onder sub d van het petitum gevraagde voorziening zal dan ook het zelfde lot ondergaan, als de voorzieningen onder a, b en c.

4.5 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeeld [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van UNIQA gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van 1 november 2012 door de kantonrechter in het eerste kanton mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2012-14

A.R. no. 111711
26 januari 2012
Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
Wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat,

tegen

De Stichting Onderwijs der Evangelische Broedergemeente in Suriname, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 21 april 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusies van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser was in dienst van gedaagde.

2.2 Bij beschikking dd. 23 november 2010 is aan gedaagde toestemming verleend om eiser te ontslaan (hierna ontslagvergunning).

2.3 Bij exploot van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg dd. 13 januari 2011 no. J-29 heeft gedaagde de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2011 op grond van de aan haar verleende ontslagvergunning.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen:

A. om eiser in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en op normale wijze volgens dienstrooster te verrichten totdat in bodemgeschil definitief zal zijn beslist over het aan eiser verleende ontslag.
B. tot doorbetaling van zijn loon met bijbehorende emolumenten totdat in bodemgeschil definitief zal zijn beslist over het aan eiser verleende ontslag.
C. tot betaling van een dwangsom, indien hij weigert aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eiser stelt dat het aan hem verleende ontslag nietig is omdat de ontslagvergunning in strijd is met de wet. Volgens eiser blijft de dienstbetrekking tussen partijen ook na 1 augustus 2011 bestaan.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser en het door hem gevorderde.

4.2 Aangezien gedaagde beschikte over de daartoe vereiste ontslagvergunning, en het door gedaagde aan eiser verleende ontslag is geschied op grond van die vergunning, is het ontslag naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter rechtmatig. De stelling van eiser dat er sprake is van een nietig ontslag is dus onjuist. Nu eiser het niet eens is met het aan hem verleende ontslag zou hij zich moeten beroepen op kennelijk onredelijk ontslag. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan bij kennelijk onredelijk ontslag worden gevorderd schadevergoeding naar billijkheid (1615s BW) of herstel van de dienstbetrekking (1615t lid 1).

Hetgeen eiser heeft gevorderd kan slechts op grond van een nietige ontslag, waarvan er in casu geen sprake is.

4.3 De omstandigheid dat eiser het niet eens is met de inhoud van de ontslagvergunning danwel de wijze waarop die tot stand is gekomen, maakt het aan hem verleende ontslag ook niet nietig.

4.4 Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de vordering van eiser niet gedragen wordt door de daaraan ten grondslag gelegde feiten, zodat de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd.

4.5 Gezien het voorgaande acht de kantonrechter bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 26 januari 2012 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1165
29 juni 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

NV CHABHIE LOGISTIEK & DISTRIBUTIE SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

NV ENERGIEBEDRIJVEN SURINAME, handelende onder de namen EBS en Ogane,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. N. Bergraaf, jurist.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 19 maart 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis, die mondeling is genomen op 22 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek en uitlating;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is hoofddepothouder. Vanaf het jaar 1971 maakte gedaagde gebruik van de diensten van de voorganger van eiseres.

Daar gedaagde nog gebruik wenste te maken van de diensten van eiseres en eiseres op haar beurt de dienstverlening aan gedaagde wenste voor te zetten, hebben partijen hun onderlinge rechtsverhouding op 15 juli 2015 nader geregeld bij overeenkomst.

In de overeenkomst is, voor zover voor de beslissing van belang, in artikel 1 lid 3 opgenomen: “Het rayon van de hoofddepothouder omvat het volgende gebied in de Districten Paramaribo en Wanica, in het noorden begrensd door het Saramaccakanaal, in het westen door de Bomaweg, in het zuiden de Helena Christinaweg, in het oosten door de Surinamerivier, inclusief Livorno, Dijkveld, Domburg La Vigilantia. In het laatstgenoemd rayon zijn de in bijlage 1 aan deze overeenkomst genoemde depothouders actief. De N.V. EBS behoud zich het recht voor om gascylinders te leveren in onderhavig rayon.”,

in artikel 1 lid 4:
De N.V. EBS is bevoegd hetzij in het kader van een door te voeren algehele of regionale reorganisatie der bestaande rayon-indeling, hetzij in verband met de aanstelling van nieuwe depothouders – in dat geval in overleg met de hoofddepothouder en steeds zoveel mogelijk rekening houdende met de belangen van de hoofddepothouder en de door deze gekweekte goodwill – de grenzen van het in lid 3 van dit artikel genoemde rayon te wijzigen en opnieuw vast te stellen.
Wijzigingen zullen steeds schriftelijk aan de hoofddepothouder worden medegedeeld en daarna gacht integrerend deel uit te maken van deze overeenkomst”,

in artikel 11:
De hoofddepothouder is verplicht de N.V. EBS onverwijld schriftelijk in kennis te stellen, indien de distributie in diens rayon stagneert en maatregelen ter opheffing van de stagnatie voor te stellen. Tevens moet de hoofddepothouder ervoor zorgdragen dat de stagnatie zo snel en efficient mogelijk wordt opgeheven.”,

en in artikel 13:
1. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.Partijen zijn bevoegd deze overeenkomst tussentijds bij aangetekend schrijven te beëindigen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van 3 (drie) maanden.

3. (…)

4. Indien één de partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen onder deze overeenkomst en de tekortkoming niet ongedaan kan worden gemaakt of niet ongedaan wordt gemaakt binnen redelijk termijn, nadat zij door de andere partij schriftelijk in gebreke is gesteld, is de ander partij bevoegd, deze overeenkomst zonder tussenkomst van de rechter te beëindigen.

2.2 In december 2016 heeft gedaagde aan alle hoofddepothouders, inclusief eiseres, kenbaar gemaakt over te zullen stappen naar een nieuw distributiesysteem en uit dien hoofde de overeenkomst met de depothouders zal wijzigen. In dat kader heeft eiseres op diverse data respectievelijk d.d. 20 januari 2017, 03 juli 2017,
17 augustus 2017, 23 augustus 2017, 02 september 2017 en 27 november 2017 haar standpunten ter zake per email aan gedaagde kenbaar gemaakt.

2.3 Op 27 november 2017 heeft gedaagde als volgt op de laatste mail van eiseres gereageerd:
Hierbij delen wij u mede dat in aanloop op ons nieuw distributie systeem, u vooralsnog verantwoordelijk wordt gesteld voor de distributie van gas. In de bijlage vind u de depothouders. Door het wegvallen van een aantal depothouders, vanwege het niet tekenen van onze nieuw aangeboden overeenkomst, heeft er een verschuiving plaatsgevonden.
Bij deze het verzoek om binnen uw omgeving, nieuwe depothouders te identificeren om zodoende de gasvoorziening naar de samenleving toe te optimaliseren.

2.5 Vanaf 05 maart 2018 krijgt eiseres geen ladingen meer van gedaagde.
Op 07 maart 2018 heeft eiseres gedaagde in gebreke gesteld om de overeenkomst op juiste wijze na te komen. In navolging daarop ontvangt eiseres op 13 maart 2018 bij exploit van een deurwaarder een schrijven van gedaagde, met de mededeling dat de overeenkomst op 15 juli 2015 wordt beëindigd en de samenwerking op 12 juni 2018. Als reden tot opzegging heeft gedaagde het volgende in het schrijven vermeld:
(…)
De inhoud van uw email bericht dat wij op 07 maart 2018 hebben ontvangen is tegen de achtergrond van het bovenstaande volstrekt onbegrijpelijk, aangezien u op 01 maart jl., moedwillig en zonder voorafgaande mededeling aan de verantwoordelijken op het emplacement van Ogane, geweigerd heeft om de op u rustende contractuele verplichting tot distributie van het gas te vervullen, waardoor de distributie door uw weigering ernstig in gevaar is gebracht.

Uw weigering is als een complete verassing aangekomen, aangezien uw vertegenwoordiger, althans de vertegenwoordiger van Chabhie N.V. op aangeven van de leiding van Ogane op voornoemde datum op het emplacement aanwezig was met 2 trucks en bijkans 1000 stuks gascilinders.

In het telefonisch onderhoud dat hierop is gevolgd heeft u geweigerd om het gas te distribueren, om redenen alszou de distributie in kwestie verlieslatend zijn vanwege het feit dat de arbeiders dubbel zouden moeten worden betaald.

Deze houding heeft de distributie ernstig in gevaar gebracht en is dan ook volstrekt onacceptabel en in strijd met de tussen partijen bestaande overeenkomst. Het vertrouwen in een richtige en correcte uitvoering van de overeenkomst is volledig komen weg te vallen.

Het verwijt dat u de N.V. EBS maakt, als zou zij de overeenkomst hebben geschonden en of te kwader trouw zou zijn uitgevoerd wordt dan ook met klem ontkend. Integendeel bent u degene die heeft nagelaten om uw hoofdverplichting, nl. De distributie van het gas, te vervullen.

Voortzetting van de overeenkomst is dan ook niet langer gewenst.

De N.V. EBS ziet zich in het algemeen belang en mede vanwege haar maatschappelijke verantwoordelijkheid genoodzaakt de overeenkomst d.d. 15 juli 2015 conform artikel 13 lid 2 met u te beeindigen, met in achtneming van een opzegtermijn van 3 maanden, met dien verstande dat de samenwerking tussen de N.V. EBS en u, althans de N.V. Chabhie Logistiek en Distributie Suriname, officieel zal eindigen op 12 juni 2018.

Lopende zaken zullen in deze periode moeten worden afgewikkeld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te gelasten om binnen 1×24 uur na het wijzen van dit vonnis de overeenkomst met eiseres na te leven in dier voege dat eiseres wederom in de gelegenheid wordt gesteld om op de gebruikelijke in de overeenkomst genoemde wijze, conform de in de overeenkomst genoemde voorwaarden als ook in de daarvoor aangewezen gebieden gasbommen namens gedaagde te distribueren, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ad SRD 5.000,- voor iedere dag of keer dat gedaagde in gebreke mocht blijven gevolg te geven aan dit vonnis.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • de opzeggingsbrief vanuit Ogane d.d. 27 november 2017 is niet rechtsgeldig, omdat de overeenkomst van 15 juli 2015 uitsluitend door de directie van gedaagde kan worden opgezegd, ontbonden of anderszins worden aangepast;
  • het nieuw ingevoerde distributie systeem is onrechtmatig. De uitvoering daarvan is onredelijk en in strijd met de goede trouw; de overeenkomst is een duurovereenkomst en dient volgens staande jurisprudentie bij de uitvoering van een overeenkomst de duur van de overeenkomst, de wijze van naleving en de figuur van de persoon mee te wegen bij de uitvoering c.q. aanpassing van een overeenkomst;
  • als gevolg van dit handelen van gedaagde lijdt eiseres schade.

Als spoedeisend belang stelt eiseres dat gedaagde haar bewust elke mogelijkheid ontneemt om inkomsten te genereren waardoor het voortbestaan van haar bedrijf in gevaar wordt gebracht.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van de vordering zelf. Daarom zal zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Eiseres bestempelt het schrijven van gedaagde d.d. 27 november 2017 als te zijn een opzegging aan de zijde van gedaagde van de overeenkomst, welke opzegging zij niet rechtsgeldig acht. Uit de inhoud van dit schrijven leidt de kantonrechter geenszins af dat de overeenkomst van 15 juni 2017 is opgezegd. Wat de kantonrechter wel uit de inhoud van deze brief afleidt is het nieuw door gedaagde in te voeren distributiesysteem. In dat kader had gedaagde, zoals de kantonrechter uit de inhoud van de emails van eiseres gericht aan gedaagde kan afleiden, de overeenkomst gewijzigd. Uit de inhoud van de emails die eiseres aan gedaagde heeft verricht blijkt ondubbelzinnig dat eiseres zich vanaf het begin tegen het nieuwe distributiesysteem heeft verzet, omdat zij zich daarin niet kan terugvinden. Dat eiseres zich steeds hiertegen heeft verzet leidt de kantonrechter uit de volgende passages van de emails, in het bijzonder uit de mail van:

  • 20 januari 2017: “Uit bovenstaande moge het duidelijk zijn dat wij maandag 23 januari 2017 de nieuwe overeenkomst niet zullen tekenen. Wij zullen dat niet publiekelijk bekend maken, want wij zijn van mening dat onderhandelingen tussen 2 partijen besloten moeten zijn.”;
  • 03 juli 2017: “Wij dachten dat onze feiten en argumenten u overtuigd hadden en dat u daarom de in juni 2015 getekende overeenkomst, ongemoeid heeft gelaten. Nu uw standpunt kennelijk anders is verzoek ik u schriftelijk te reageren op onze beide brieven/mails. Ons standpunt was en is dat wij eind Juni 2015 een overeenkomst hebben getekend en binnen 2 jaar een nieuwe overeenkomst aangaan onnodig is.”;
  • 23 augustus 2017: “Wij willen u ook verzoeken om voorstellen schriftelijk te doen, per mail naar mij. Gesprekken kunnen tot misverstanden lijden. Wij wensen u veel sterkte en wijsheid bij het oplossen van de vele problemen die u heeft.”;
  • 27 november 2017: “Wij verschillen van mening over de werkwijze. Oplossingen voor problemen die lijden tot slechtere distributie en ellende zijn geen oplossingen. Wij kennen het land, het werk, de spelers en de gevaren. In het uiterste geval zullen wij, zeer tegen onze zin, over moeten gaan tot binnen dan wel buitengerechtelijke acties om Ogane zich aan de overeenkomst te houden.
    (…) Wij hopen dat u de wijzigingen aan ons voorbij laat gaan en anders deze schriftelijk voor te stellen. Vooralsnog zeggen wij tegen alle mondelinge verzoeken en voorstellen: NEE..”.

4.3 Gedaagde voert aan dat zij zich op grond van artikel 1 lid 4 van de overeenkomst het recht heeft voorbehouden om indien nodig en of noodzakelijk blijkt, de rayon indeling te reorganiseren. Tevens op artikel 1 lid 3 dat gedaagde zich het recht heeft voorbehouden om binnen het rayon dat voor de implementatie van het nieuwe distributiesysteem aan eiseres was toegewezen gascilinders te leveren.

Het uitgangspunt van artikel 1 lid 4 is dat de regie van de distributie en de bevoorrading een aangelegenheid van gedaage behoort te zijn om in het bijzonder schaarste uit te sluiten. Vanwege de problemen waarmee gedaagde bij de distributie op basis van de rayon-indeling geconfronteerd werd, welke problemen van dien aard waren dat de dienstverlening naar de winkeliers en de samenleving in ernstige mate te wensen overliet en mitsdien de distributie van het gas niet optimaal geschiedde met als gevolg dat er telkens en bij herhaling een schaarste dreigde te ontstaan, was gedaagde genoodzaakt tot een nieuw distributiesysteem over te gaan. Deze problemen waren bij eiseres bekend.

In het nieuw distributiesysteem, met welk systeem op 15 januari 2018 van start is gegaan, is gedaagde afgestapt van het rayonsysteem en is de distributie thans gebaseerd op een rouleersysteem, waardoor winkeliers de mogelijkheid hebben om un bestelling bij gedaagde te plaatsen en beter kan worden ingespeeld op de behoefte van de consument door erop toe te zien dat er een gelijke spreiding van gas plaatsvindt naar gelang de behoefte in de verschilldende gebieden.

In het nieuw distributiesysteem heeft gedaagde de hoofddepothouders ontlast van de verplichting om controle uit te oefenen op de depothouders betreffende de naleving van de ter zake geldende regels en bestaande afspraken en berust de verantwoordelijkheid thans geheel bij gedaagde.

Voorts voert gedaagde aan dat zij voldoende overlegmomenten met de hoofddepothouders heeft ingebouwd en het steeds eiseres is geweest die bij die overlegmomenten verstek heeft laten gaan.

Vanwege deze niet constructieve houding van eiseres en het incident van 01 maart 2018 heeft zij geen vertrouwen meer in eiseres en heeft zij de overeenkomst bij schrijven op 13 maart 2018 met ingang van 05 juli 2018 opgezegd. Tegen dit gemotiveerd verweer heeft eiseres niet veel ingebracht dan te blijven volharden in haar stelling dat op grond van artikel 1 lid 4 de wijzigingen schriftelijk dienen te geschieden. De kantonrechter stelt voorop dat een heel essentieel bouwsteen in elke rechtsrelatie vertrouwen is. Uit de inhoud van de emails van eiseres in reactie op het door gedaagde aangekondigde nieuw in te voeren distributiesysteem leidt de kantonrechter af dat eiseres zich, zoals gedaagde terecht opwerpt, niet constructief heeft opgesteld, met het gevolg dat er spanningen tussen partijen zijn ontstaan. Het opzeggen van de overeenkomst onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar. Gedaagde heeft overigens met inachtneming van artikel 13 lid 2 van de overeenkomst de opzegtermijn in acht genomen. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde met het opzeggen van de overeenkomst rechtsgeldig is en dus niet onrechtmatig. Om die reden kan de door eiseres gevraagde voorziening niet worden toegewezen.

4.4 Eiseres zal, in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezenen ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 29 juni 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend- griffier.

SRU-K1-2018-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-0791
26 april 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district 1],
eiser,
gemachtigde: mr. K.V. Alakhramsing, advocaat,

tegen

DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 februari 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 22 februari 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij notariële akte d.d. 30 oktober 2008 is Stichting Nashville, hierna aangeduid als de Stichting, opgericht. Blijkens de Statuten was bij de oprichting van de Stichting [naam variant – eiser] de voorzitter en [persoon] de secretaris/penningmeester.

2.2 Tussen [naam variant – eiser], hierna te noemen de vader, en [persoon], hierna te noemen de zoon, bestaat een vader-zoonrelatie. Op 03 maart 2017 heeft de zoon bij de kantonrechter een vordering tegen de vader ingediend om de vader als voorzitter te ontslaan. De zaak staat bekend onder A.R. No. 17-1023.

2.3 Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 16 augustus 2017 is de vordering van de zoon toegewezen. De vader is door de kantonrechter ontslagen als voorzitter en de zoon is door de kantonrechter benoemd tot voorzitter.

2.4 De uittreding van de vader als voorzitter is ingeschreven in het openbaar stichtingenregister van gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, om:
– gedaagde te veroordelen tot doorhaling van de onjuiste inschrijving in het openbaar Stichtingenregister, als vermeld in de uittreksels van het openbaar stichtingenregister d.d. 19 januari 2018 en 25 januari 2018, namelijk de bestuurswijziging d.d. 15 september 2017 bij bestuursbesluit van 16 augustus 2017 inhoudende de uittreding van eiser als voorzitter, de uittreding van [zoon] als secretaris/penningmeester en benoeming van [zoon] tot voorzitter van Stichting Nashville, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag die gedaagde aan eiser zal verbeuren voor iedere dag die zij in gebreke is aan dit vonnis te voldoen.

3.1.1 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, de hierna volgende feiten aan zijn vordering ten grondslag:
– hij is nog steeds voorzitter van de Stichting Nashville, omdat de vordering in de zaak bekend onder A.R. No. 17-1023 niet tegen hem is ingesteld, doch tegen [eiser];
– de inschrijving van zijn uittreding op grond van de beschikking van 16 augustus 2017 in het openbaar stichtingenregister is daarom onrechtmatig en mag hij, eiser op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet op Stichtingen vorderen om deze inschrijving te doen doorhalen in het openbaar stichtingenregister.

Eiser stelt als spoedeisend belang dat hij ernstig nadeel ondervindt van de onjuiste inschrijving van de bestuurswijziging, en wel in die zin dat hij niet kan beschikken over de gelden en of de goederen van de bedoelde Stichting. Hij is voor de dagelijkse kosten voor het levensonderhoud van zichzelf en zijn bedlegerige echtgenote afhankelijk van de inkomsten van de Stichting.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert als meest verstrekkend formeel verweer dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Daartoe stelt gedaagde dat eiser heeft verzuimd de mede belanghebbenden die de inschrijving hebben doen plaatsvinden, te weten de zoon, mede in het proces te betrekken. Zoals de kantonrechter de stellingen van eiser begrijpt, stelt hij zich op het standpunt dat degene aan wie ontslag is verleend, een ander persoon is dan de voorzitter en de inschrijving ter zake onterecht is geschied. Ter zake constateert de kantonrechter het volgende. Blijkens de Statuten van oprichting staat als voorzitter vermeld: “[naam variant – eiser], geboren op [datum] in [district 2]”. Blijkens het ten processe door eiser overgelegd uittreksel van het Bureau voor Burgerzaken is eiser geheten “[eiser]” en is hij geboren op [datum]. Deze constatering brengt de kantonrechter tot de gerechtvaardigde conclusie dat de naam vermeld in de Statuten en de naam op het uittreksel betrekking heeft op één en dezelfde persoon, zijnde eiser tevens vader van gedaagde, en dat er reeds in de Statuten en vanaf het begin van de inschrijving een schrijffout met de naam van eiser is gemaakt. Met deze gemaakte schrijffout is doorgewerkt in de zaak bekend onder A.R. No. 17-1023. Echter heeft deze schrijffout naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geenszins tot gevolg dat de beschikking van 16 augustus 2017 enige rechtskracht ontbeert. Ingevolge artikel 24 van de Wet op Stichtingen had eiser de mogelijkheid om binnen een maand na dagtekening van de beschikking hoger beroep tegen de beschikking aan te tekenen of verzet. Gesteld noch gebleken is dat eiser in beroep of verzet is gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter, waaruit voortvloeit dat de beschikking, zoals gedaagde terecht heeft opgeworpen in kracht van gewijsde is gegaan, en eiser geen voorzitter meer is van de Stichting. Indien eiser beoogt te stellen dat hij onterecht als voorzitter is ontslagen door de kantonrechter, dan zou hij dit in rechte horen aan te vechten. Doorhaling van de inschrijving van de uittreding als voorzitter zal geenszins tot gevolg hebben dat eiser wederom voorzitter is.

4.2 Nu gedaagde niets van doen heeft met het ontslag van eiser bij de bedoelde beschikking en gedaagde dient uit te gaan van wat de beschikking vermeldt, zal eiser niet ontvankelijk worden verklaard in de gevraagde voorziening. Eiser beroept zich er evenwel op dat hij op grond van artikel 10 lid 2 Wet op Stichtingen bevoegd is de doorhaling te vorderen, doch kan hij zulks doen als er enig besluit is waaruit blijkt dat hij nog voorzitter is.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 26 april 2018 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2010-15

A.R. no. 104042
23 december 2010

[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat, eiseres in kort geding,

tegen,

DE ANTON DE KOM UNIVERSITEIT VAN SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in kortgeding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

1. Het proces verloop;
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 6 oktober 2010 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met productie,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is op 10 maart 2008 een arbeidsovereenkomst aangegaan met gedaagde voor de duur van 6 maanden.

2.2 Bij overeenkomst van 11 september 2008 is de arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar verlengd, ingaande derhalve op 10 september 2008.

2.3 Bij overeenkomst, ondertekend op 12 januari 2010, is de arbeidsovereenkomst wederom verlengd voor een periode van een jaar, ingaande 10 september 2009.

2.4 Bij schrijven van 7 juli 2010 heeft gedaagde aan eiseres medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst die zou expireren in september 2010 niet zal verlengen waarbij als reden werd opgegeven dat eiseres een hoog ziekteverzuim had, als gevolg waarvan met eiseres enkele keren is gesproken over haar verdere inzet, en dat geconstateerd is door gedaagde dat er weinig zicht is op haar verdere inzet.

2.5 Eiseres heeft op deze opzegging gereageerd en aangegeven dat zij het niet eens is met de opzegging en bereid is verder te werken.

2.6 Gedaagde heeft bij het Ministerie van Arbeid Technologische ontwikkeling en Milieu een aanvraag voor een ontslagvergunning ingediend in augustus 2010.

2.7 De Ontslagcommissie heeft op 2 september 2010 beschikking gewezen waarbij zij de ontslagvergunning niet heeft verleend.

2.8 Gedaagde heeft bij schrijven van 9 september 2010 aan eiseres medegedeeld dat de overeenkomst niet zal worden verlengd.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering:
Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Gedaagde gelast om de dienstbetrekking met eiseres binnen een uur na deze uitspraak te hervatten totdat deze op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,= voor elke dag dat gedaagde geen gevolg geeft aan dit vonnis;
b. Gedaagde veroordeelt om aan eiseres het salaris en emolumenten over de maand september 2010 te betalen e.e.a. vermeerderd met de rente daarover ingevole artikiel 1614 q BW;
c. Gedaagde veroordeelt om eiseres haar loon uit te betalen totdat de dienstbetrekking op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd;
d. Gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag:
Eiseres heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat gedaagde geen ontslagvergunning heeft gekregen. Zij voert aan dat voor het ontslag een vergunning nodig was. Het handelen van gedaagde merkt zij aan als wanprestatie en als onrechtmatig handelen jegens haar.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling:
5.1 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat in casu sprake is van een overeenkomst die steeds uitdrukkelijk is verlengd waardoor er geen opzegging nodig was en daardoor ook geen ontslagvergunning. Zij verwijst daarbij naar artikel 1615e BW en naar de rechtspraak waarbij zij enkele vonnissen heeft overgelegd.

5.2 Eiseres heeft op het verweer gereageerd door aan te geven dat er juist wel een ontslagvergunning vereist was en verwijst daarbij naar een vonnis in de zaak met arno.071503. Zij stelt tevens dat het niet de heersende rechtsopvatting is dat in gevallen als het onderhavige opzegging niet vereist is.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag is of bij het beëindigen van een overeenkomst als de onderhavige ingevolge de wet opzegging vereist is of niet.

5.4 De kantonrechter overweegt allereerst dat het door eiseres aangehaald vonnis een arbeidsovereenkomst betrof waarbij enkele andere zaken speelden dan in de onderhavige zaak: het betrof een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en een werkgever waarbij na een paar jaar de werkgever veranderde, doordat het bedrijf overgenomen werd door een ander bedrijf. In die zaak werd getwist over de status van de arbeidsovereenkomst direct na de overname, voorts de status van de overeenkomst nadat deze verstreken was en niet gelijk schriftelijk is verlengd, het effect van een overplaatsing naar een andere afdeling op de overeenkomst en over de vraag of gedaagde in die zaak uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij een nieuwe overeenkomst aanging met eiseres in die zaak. De kantonrechter heeft ten slotte geoordeeld dat in dat geval sprake was van een overeenkomst die zonder tegenspraak is voortgezet.

5.5 De kantonrechter overweegt dat in casu andere feiten en omstandigheden aan de orde zijn. De beantwoording van de vraag of er opzegging nodig was zal moeten geschieden aan de hand van de feiten en omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn, namelijk dat eiseres een overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, welke twee maal uitdrukkelijk is voortgezet voor een periode van een jaar.

5.6 De kantonrechter overweegt dat in de artikelen 1615 e en 1615 f van het BW is geregeld wanneer voorafgaande opzegging nodig is. Deze opzegging is niet nodig wanneer het een overeenkomst betreft voor bepaalde tijd. In dat geval eindigt de overeenkomst van rechtswege na het verstrijken van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan.

Voorts geldt het vereiste van voorafgaande opzegging toch wel wanneer het een overeenkomst voor bepaalde tijd betreft die zonder tegenspraak is voortgezet (artikel 1615e lid 3 BW jo artikel 1615 f leden 1 en 2 BW). Er wordt dan uitgegaan van een stilzwijgende voortzetting.

5.7 De kantonrechter overweegt dat blijkens de overgelegde overeenkomsten de arbeidsovereenkomst twee maal uitdrukkelijk is voortgezet en niet stilzwijgend, waardoor van het geval genoemd in artikel 1615 f geen sprake is en voorafgaande opzegging niet noodzakelijk is. De overeenkomst eindigde van rechtswege na het verloop van de termijn. De gang van gedaagde naar de ontslagcommissie is naar het oordeel van de kantonrechter daardoor overbodig geweest. Het niet verlenen van de vergunning heeft hierdoor geen invloed op de rechtsgeldigheid van het ontslag.

5.8 De kantonrechter overweegt dat, nu het ontslag als rechtsgeldig moet worden aangemerkt het gevorderde moet worden geweigerd.

5.9 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

6. De beslissing
6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter- plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 23 december 2010, in tegenwoordigheid van mr. D. Ramdin, fungerend-griffier.

SRU-K1-2002-3

Betalend
A.R. NO. 021174
30 mei 2002

PARBONET N.V.,
gevestigd te Paramaribo
en kantoorhoudend aldaar aan de
Heerenstraat no. 2E,
gemachtigde Mr. E. Naarendorp, advocaat,
eiseres in kort geding.

tegen

HET TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo aan het Vaillantsplein no.1 , gemachtigde Mr. F. Kruisland, advocaat.
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

Overwegende ten aan zien van de feiten;
Bij het op 15 maart 2002 ter griffie van dit Kantongerecht ingediend verzoekschrift heeft eiseres gesteld en gevorderd dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minute, gedaagde zal worden verboden over te gaan tot inbeslagname van de inrichtingen die door eiseres in samenwerking met ICMS zijn gebezigd bij het opzetten van haar draadloos netwerk voor internetdiensten, op straffe van een dwangsom van SRG. 10.000.000,= (Tien Miljoen Gulden Surinaams Courant) voor iedere keer of iedere dag dat gedaagden dit verbod overtreden. Kosten rechtens.

Te dienende dage zijn partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

De gemachtigde van gedaagde heeft vervolgens, onder overlegging van producties, een — hier als geïnsereerd aan te merken— schriftelijke conclusie van antwoord genomen, met conclusie dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans de gevraagde voorziening als geheel ongegrond zal worden geweigerd;

De gemachtigden van partijen hebben hierna nadere stukken gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden;

Overwegende ten aanzien van het recht:
Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering blijkt uit de aard der stellingen van het inleidend rekest. Eiseres vordert in dit geding – kort samengevat – een verbod van inbeslagname door gedaagde van inrichtingen die door gedaagde in samenwerking met N.V. International Communication Management & Services (hierna ICMS te noemen) zijn gebezigd, op straffe van een dwangsom van SRG. 10.000.000,— (Tien Miljoen Gulden Surinaams Courant). Zij legt aan haar vordering ten grondslag – kort samengevat en in zoverre van belang – hetgeen gedaagde heeft aangehaald in haar brief d.d. 13 maart 2002 gericht aan de ICMS inhoudende een dreiging dat de apparatuur van eiseres in beslag zal worden genomen. Voormelde dreiging destilleert eiseres uit de navolgende passage van voormelde brief (citaat):

” Indien U aan het voorgaande [staken van het gebruik binnen 7 dagen] geen gevolg geeft zullen dezerzijds justitiële maatregelen worden getroffen.” (einde citaat)

Voorts stelt zij dat gedaagde ingevolge het bepaalde in artikel 28 van de Telegraaf en Telefoonwet 1945 belast is met de opsporing van feiten die strafbaar zijn gesteld in artikel 26 daarvan, doch dat zij noch ICMS zich aan enig feit, zoals genoemd in artikel 26 voornoemd, heeft schuldig gemaakt. Op grond van het voorgaande stelt zij dat het aangekondigde handelen van gedaagde jegens haar onrechtmatig is en aan haar grote schade zal berokkenen.

Gedaagde weerspreekt — – zakelijk weergegeven — de stellingen van eiseres onder aanvoering van het navolgende:

  1. zij geen justitiële instantie is belast met de opsporing en/of vervolging van strafbare feiten, aangezien daarmede uitsluitend het Openbaar Ministerie is belast;
  2. ingevolge artikel 82 van het Wetboek van Strafvordering is inbeslagneming in het kader van een strafvorderlijk onderzoek een opsporingshandeling, die alleen door opsporingsambtenaren of personen bedoeld in artikel 83 van voormeld wetboek worden verricht.
  3. de functionarissen van haar die ingevolge artikel 28 van de Telegraaf- en Telefoonwet 1941 opsporingsambtenaren kunnen zijn, doen daaraan niet af omdat die functionarissen in die hoedanigheid onder het Openbaar Ministerie vallen en niet onder haar.
  4. de tegen gedaagde gevraagde voorziening is bepaaldelijk prematuur en niet op de wet gegrond, aangezien zij met de door eiseres aangehaalde passage uit voormelde brief slechts heeft willen aangeven dat zij justitiële maatregelen zou initiëren, waartoe eveneens behoort het doen van aangifte op grond van artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering.

De stellingen en weren van partijen besprekend komen Wij tot het oordeel dat Wij, kantonrechter uit de inhoud van de door eiseres gewraakte passage uit vorenaangehaalde brief d.d. 13 maart 2002 niet destilleren een voornemen zijdens gedaagde om tot beslaglegging over te gaan, weshalve de dreiging die eiseres ervaart naar Ons voorlopig oordeel ongegrond is. Immers levert de term ”justitiële maatregelen” een scala aan maatregelen op,- waardoor – zoals gedaagde terecht stelt – het prematuur is om anticiperend op een mogelijke beslaglegging een dergelijke vordering in te stellen. Daarenboven is gesteld noch gebleken of en hoe reëel de dreiging van een beslaglegging in casu is. Bovendien is het de vraag of in kort geding kan worden opgekomen tegen dreigende justitiële maatregelen indien er van de zijde van eiseres of wie dan ook vermoed wordt strafbare feiten te zijn begaan, in welke gevallen het Openbaar Ministerie en haar werkarmen krachtens de wet – waaronder in casu ook de daartoe aangewezen functionarissen van Telesur behoren (zie artikel 28 van de Telegraaf- en Telefoonwet, Stb. 1983 no. 54) – zal moeten kunnen optreden. Gelet op al het voorgaande zullen Wij aan eiseres de gevraagde voorziening weigeren, met haar veroordeling – als de in het ongelijk gestelde partij – in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen. Bespreking van de overige door partijen aangevoerde stellingen en weren zullen Wij — als te zijn niet langer relevant — achterwege laten.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

Weigeren de gevraagde voorziening;

Veroordelen eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op DONDERDAG 30 mei 2002, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. S. GANGARAM PANDAY, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier Mr. L. Van Bossé.

SRU-K1-1970-2

KANTONGERECHT EERSTE KANTON, 21 april 1970.

[eiser], wonende te [district], eiser, adv. E.A. Hoost,

TEGEN :

[gedaagde], wonende te [district], gedaagde, adv. J.M. Theunissen.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Eiser, stellende sedert 1933 in dienst van gedaagde en diens rechtsvoorganger werkzaam te zijn geweest en op 13 maart 1969 op staande voet zonder wettige reden te zijn ontslagen, vorderde bij de Kantonrechter in het Eerste Kanton een schadevergoeding van ƒ 1027.— met rente en kosten. Gedaagde voerde als reden van het ontslag aan, dat eiser hem grovelijk had beledigd. Na een comparitie van partijen in persoon te hebben gehouden, overwoog de Kantonrechter:

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :
Ten processe staan als enerzijds gesteld en anderzijds erkend de navolgende feiten vast:

  1. Eiser was sinds 30 september 1933 in dienst van gedaagde, respectievelijk zijn rechtsvoorganger tegen een weekloon van ƒ 33,—;
  2. Op 13 maart 1969 heeft eiser, nadat hem een uur vrij was geweigerd, tegen gedaagde gezegd dat hij, gedaagde, hem, eiser, had bestolen, zulks klaarblijkelijk in verband met het feit, dat hij niet de verplichte 50% uitkeerde voor snipperdagen. Nadat gedaagde hem toen vroeg: ,,Ben ik dan een dief?” heeft eiser geantwoord: ,, Als u het zegt, zal ’t wel zo zijn”;
  3. Op grond hiervan en onder mededeling van deze reden is eiser op gemelde datum op staande voet door gedaagde ontslagen;

Wij zijn van oordeel dat de woorden door eiser geuit, sub 2 als vaststaand aangenomen, een dringende reden tot ontslag opleveren;
Wij achten een dergelijke uiting grof beledigend en nu deze blijkens het niet van valsheid betichte rapport van het Departement van Arbeid en Sociale Zaken in het bijzijn van andere arbeiders in dienst van gedaagde zijn gezegd, zijn Wij van oordeel dat zij voor gedaagde zo kwetsend zijn en bovendien een zo ernstige aantasting van zijn goede naam en zijn gezag in het bedrijf opleveren en bovendien zo sfeer bedervend, dat van gedaagde — ondanks de lange duur van de dienstverhouding — redelijkerwijs geen voortzetting van de arbeidsovereenkomst kan worden verlangd;

Het bovenstaande brengt met zich dat eisers vordering hem zal worden ontzegd, met zijn veroordeling in de kosten van het geding als de in het ongelijk gestelde partij.

RECHTDOENDE:
Ontzeggen eiser diens vordering; enz. (Geen Hoger Beroep ingesteld).