SRU-K1-2018-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-2761
07 juni 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. V.M.S. Nooitmeer, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN OPENBARE WERKEN EN TRANSPORT,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist,

B. [gedaagde sub B],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 21 juni 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 juli 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de rolbeschikking waarbij een descente is gelast;
  • het proces-verbaal betreffende de gehouden descente;
  • de conclusie van repliek en uitlating na gehouden descente, met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating na gehouden desente, met producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties aan de zijde van eiseres, met producties;
  • de conclusie tot uitlating over de producties aan de zijde van gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde sub B is eigenaar van het perceel dat gelegen is naast het perceel alwaar eiseres woont. Op dat perceel van gedaagde bevond zich een huisje, welk huisje hij op 04 maart 2017 heeft afgebroken om een pand met drie verdiepingen te bouwen.

2.2 Gedaagde sub B heeft een bouwvergunning van gedaagde sub A verkregen om het drieverdiepingen pand te bouwen. De bouwvergunning is gedateerd 23 februari 2017.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de werking van de bouwvergunning te schorsen, althans op te schorten totdat in bodemgeschil definitief over deze kwestie zal zijn beslist;
b) gedaagde sub B te gelasten om de bouwactiviteiten onmiddellijk op te schorsen c.q. te verbieden;
c) gedaagde sub B te veroordelen het vonnis te gehengen en te gedogen;
d) gedaagden te veroordelen om aan eiseres te betalen bij wege van dwangsom het bedrag groot SRD 10.000,-, voor elke dag of keer dat gedaagden in strijd handelen met dit vonnis;
e) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Zowel ten aanzien van gedaagde sub A als gedaagde sub B, legt eiseres aan haar vordering ten grondslag dat zij een onrechtmatige daad jegens haar plegen. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, en wel voor wat gedaagde sub B betreft onder meer het volgende:

  • met de bouw van het drie verdiepingspand zal zij worden belemmerd in haar woon- en leefgenot;
  • gedaagde sub B heeft naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een vergunning aangevraagd voor de bouw en/of exploitatie van een onderneming en die bouwvergunning ook verkregen van gedaagde sub A. Met het verstrekken van de bouwvergunning maakt gedaagde sub A zich schuldig aan schending van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;
  • ondanks zij bezwaar bij gedaagde sub A heeft geopperd tegen de bouw van het drieverdiepingspand en het verzoek heeft gedaan dat de vergunning wordt gewijzigd naar de bouw van een tweeverdiepingspand, wordt dat geweigerd;
  • zij ondervindt veel last en hinder van de bouwactiviteiten van gedaagde sub B;
  • de bouwactiviteiten brengen veel stof met zich mee, waardoor eiseres verplicht is de ramen van haar woning dicht te houden. Tevens wordt haar rust verstoord door het harde geluid van het timmeren op zwaar materiaal;

De bouw van het pand kan schade toebrengen aan de woning van eiseres, met name scheuren aan de muren.

Ten aanzien van gedaagde sub A stelt eiseres onder meer het volgende:

  • gedaagde sub A heeft de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur geschonden, met name het beginsel van hoor en wederhoor. Gedaagde sub A heeft haar in strijd met artikel 5 lid 4 van de Wet vergunningen beroepen en bedrijven niet gehoord;
  • gedaagde sub A heeft de Bouwwet niet behoorlijk nageleefd.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt voldoende uit het door haar gestelde. Om die reden zal zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat schorsing van de bouwvergunning mogelijk is, indien deze in strijd met de bouwwet en het bouwbesluit is verstrekt.
Tijdens de gehouden descente, tevens gehouden comparitie van partijen en uit de inhoud van de ten processe overgelegde producties valt geenszins af te leiden dat gedaagde sub A in strijd met de huidige wettelijke regelingen, zijnde de Bouwwet en het Bouwbesluit, de bouwvergunning aan gedaagde sub B zou hebben verstrekt. Zoals de kantonrechter eiseres begrijpt, heeft zij bezwaar tegen de bouw van een drieverdiepingen pand omdat haar woning aan weerszijden zal worden ingesloten door twee hoge panden en haar woon- en levensgenot daardoor zal worden beperkt. Echter heeft zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter nagelaten te stellen met welke artikelen van de huidige bouwwetgeving gedaagde sub A in strijd zou hebben gehandeld bij het verstrekken van de bedoelde bouwvergunning. Uit de inhoud van de huidige bouwwetgeving valt immers geenszins af te leiden dat het bouwen van een pand met meerdere verdiepingen verboden is.
Voor wat betreft de stelling dat gedaagde sub A in strijd met de Wet vergunningen Bedrijven en Beroepen heeft gehandeld, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde sub A belast is met de uitvoering van de Bouwwetgeving en niet met de uitvoering van de Wet Vergunningen Beroepen en Bedrijven. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde sub A een vergunning aan gedaagde sub B heeft verstrekt voor het exploiteren van een bedrijf, zodat deze stelling van eiseres niet opgaat.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat gedaagde sub A niet in strijd heeft gehandeld met enig Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur en dus evenmin onrechtmatig jegens eiseres heeft gehandeld.

4.3 Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft gedaagde sub B een bouwvergunning van de daartoe bevoegde instantie, zijnde gedaagde sub A conform de huidige Bouwwetgeving verkregen en mag hij met inachtneming van de daarin vastgestelde voorwaarden het drieverdiepingenpand bouwen. Eiseres stelt dat zij last ondervindt van de bouw, doch is het een feit van algemene bekendheid dat bij de bouw van woningen c.q. panden buren altijd last daarvan zullen ondervinden. Het ligt op de weg van degene die bouwt, in casu gedaagde sub B, om de nodige maatregelen te treffen dat de buren zo min mogelijk last van de bouwactiviteiten ondervinden, dan wel te voorkomen dat spijkers, stenen, enzovoorts op de erven van de buren komen te vallen of een verzekering afsluiten ingeval schade aan goederen van buren mocht worden toegebracht door de bouwwerkzaamheden. Dat de muren van eiseres als gevolg van de reeds aangevangen bouwwerkzaamheden zijn beschadigd,heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt middels enig bescheid, met name middels een deskundigenrapport ter zake. Bovendien is tijdens de gehouden descente gebleken dat gedaagde sub B pas aan het prille begin is met de start van de bouwwerkzaamheden. Dat gedaagde sub B in strijd met de aan hem verstrekte bouwvergunning heeft gehandeld, is gesteld noch gebleken. Derhalve is niet aannemelijk dat gedaagde sub B een onrechtmatige daad jegens eiseres pleegt.

4.4 Nu niet aannemelijk is dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens eiseres plegen, zullen de door eiseres gevraagde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd. Eiseres zal, als de in het in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en uitgesproken ter openbare terechtzitting door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op donderdag 07 juni 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2016-30

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-6242
23 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten in de Penitentiaire Inrichting Hazard, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Frederik Derbystraat no. 13-13A, ten kantore van Sewcharan Advocaten,
eiser,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, jurist op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 december 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 december 2016;
  • partijen hebben mondeling gepleit d.d. 21 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is op 31 juli 2014 in verzekering gesteld ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbare feit en is hij ter zake bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. 26 oktober 2015 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest is doorgebracht. Tegen voormeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.2 Eiser heeft thans 2 jaren, 4 maanden en 20 dagen in detentie doorgebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I) gedaagde te gelasten om met toepassing van artikel 29 e.v. van het Wetboek van Strafrecht eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, binnen 1 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, nu eiser meer dan tweederde van zijn straftijd in gevangenschap heeft doorgebracht, onder door de gedaagde te stellen voorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde nalatig blijft uitvoering aan het vonnis te geven;
II) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt wegens strijdigheid met artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechstzekerheids-, gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Daartoe stelt eiser, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • met inachtneming van het bepaalde in artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht zou eiser effectief 28 maanden van de opgelegde straf moeten uitzitten en zou eiser reeds op 28 november 2016 in vrijheid moeten worden gesteld;
  • van een zeer ernstige misdraging van eiser na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf in de zin van artikel 30a lid c van het Wetboek van Strafrecht is eiser niet gebleken;
  • desondanks weigert gedaagde hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde werpt op dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser op advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling (CVI) is uitgesteld met zeven maanden, en wel op grond van het feit dat eiser drie tuchtstraffen opgelegd heeft gehad in de periode van respectievelijk 10-01-2015 tot en met 16-01-2015 wegens het in het bezit zijn van een mobiel en 1 bolletje vermoedelijk marihuana, 28-08-2015 tot en met 01-09-2015 wegens het in het bezit zijn van een mobiel en 06-04-2016 wegens het in bezit zijn van een mobiel. Uit dit verweer begrijpt de kantonrechter dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser niet is geweigerd, doch dat het op grond van artikel 30a lid 1 sub c van het Wetboek van Strafrecht wegens zeer ernstige misdraging is uitgesteld met zeven maanden. Nu vanwege dit verweer de grondslag van de door eiser gevraagde voorziening is komen weg te vallen, zal deze als niet gegrond worden geweigerd. De kantonrechter constateert evenwel dat partijen zich – naar aanleiding van dit verweer – in hun tweede pleitronde hebben toegespitst op de gronden tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, doch acht zij zich niet bevoegd om inhoudelijk hierover te oordelen. Dit, omdat de veroordeelde, in casu eiser, op grond van artikel 33 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht tegen een beslissing als bedoeld in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht binnen veertien dagen nadat hij hiervan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift kan indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.3 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op vrijdag 23 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-29

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-6275
28 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans gedetineerde in de strafinrichting te Duisburglaan, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no.08, ten kantore van mr. F.F.P. Truideman,
eiser,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. Campagne MLS, jurist op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 21 december 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 23 december 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 23 december 2016;
  • de conclusie van repliek d.d. 23 december 2016;
  • de conclusie van dupliek d.d. 27 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is op 09 april 2014 in verzekering gesteld ter zake een vermoedelijk gepleegd strafbare feit en is hij ter zake bij vonnis van de kantonrechter in het tweede kanton d.d. 16 april 2015 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest is doorgebracht.

2.2 Tegen voormeld vonnis heeft eiser geen hoger beroep aangetekend.

2.3 De datum van voorwaardelijke invrijheidstelling (afgekort V.I.) voor eiser zou zijn bepaald op 07 december 2016.

2.4 Op 25 augustus 2016 is een cellulair toestel in het bezit van eiser aangetroffen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
– de beslissing van de V.I. Commissie als vervat in zijn brief van 16 december 2016 te schorsen als zijnde in strijd met de wet en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser te gelasten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde nalatig blijft uitvoering van het vonnis gevolg te geven.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe stelt eiser, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • op 19 december 2016 is middels een schrijven van de directeur van de inrichting d.d 16 december 2016 aan eiser medegedeeld dat zijn V.I. datum wordt uitgesteld met drie maanden
  • het schrijven van de directeur van de inrichting is krachteloos, omdat niet de Minister de beslissing heeft genomen;
  • de V.I. Commissie heeft slechts een adviserende taak en is niet bevoegd om te bepalen dat de V.I. termijn wordt verlengd. Ingevolge artikel 30a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht komt de bevoegdheid om te bepalen of de V.I. termijn wordt verlengd, slechts de Minister van Justitie en Politie toe. De V.I. Commissie heeft daartoe niet de bevoegdheid en heeft slechts een adviserende taak;
  • de verlenging van de V.I. dient door de Minister van Justitie en Politie tenminste voor de aanvang van de V.I. termijn aan eiser te worden medegedeeld en is zulks niet geschied;
  • de verlenging van de V.I. datum is onredelijk, omdat eiser langer dan 2 jaren van zijn vrijheid is beroofd en herstel van zijn gezinsleven dringend noodzakelijk is.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de aard van de vordering zelf. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 De kantonrechter constateert het volgende. Eiser vordert dat gedaagde hem onmiddellijk in vrijheid stelt, terwijl uit de context van de stellingen die eiser aan zijn vordering ten grondslag legt, valt af te leiden dat alles draait om de V.I zoals neergelegd in artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Om redenen van proceseconomische aard en mede op grond van hetgeen hiervoor is geconstateerd, zal de kantonrechter de volgende zinsnede in de vordering “de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser te gelasten” inlezen als volgt: “om eiser conform artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid te stellen”.

4.3 Gedaagde weerspreekt in strijd te hebben gehandeld met enig Algemene Beginsel van Behoorlijk Bestuur. Daartoe werpt gedaagde op dat de V.I. Commissie bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie is ingesteld en tot doel heeft de V.I. van hen die daarvoor in aanmerking komen, te beoordelen en de nodige administratieve handelingen daartoe te plegen. In dat kader is de V.I. Commissie bevoegd de V.I. aan te houden of zelfs te weigeren.Naar aanleiding van de stellingen en weren van partijen constateert de kantonrechter het volgende.Partijen maken gewag van de begrippen verlenging van de V.I en aanhouden van de V.I. Uit artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht blijkt, dat de wetgever de terminologie “uitstel” of achterwege laten” van de V.I bezigt. De kantonrechter zal, gelet op de terminologie die de wetgever in het hiervoor vermeld artikel bezigt, het ervoor houden dat partijen met de door hun gebezigde begrippen bedoelen dat de V.I. van eiser met drie maanden is uitgesteld.

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter stelt eiser zich terecht op het standpunt dat slechts de Minister van Justitie en Politie de bevoegdheid toekomt om te bepalen dat de VI wordt uitgesteld of achterwege gelaten, doch komt deze bevoegdheid de Minister toe nadat de VI Commissie ter zake advies heeft uitgebracht. Dat de bevoegdheid de Minister van Justitie en Politie toekomt en wanneer deze bevoegdheid de Minister toekomt, leidt de kantonrechter af uit het bepaalde in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht. Daarom wordt het verweer van gedaagde ter zake verworpen.

4.5 Aan de orde is nu de vraag of de mededeling van de directeur van de inrichting bij schrijven d.d. 16 december 2016 kan worden aangemerkt als te zijn een mededeling betreffende een door de V.I. Commissie genomen besluit over uitstel van de V.I.
In het hiervoor bedoeld schrijven is de mededeling die aan eiser is gedaan, verwoord als volgt:“Middels deze deel ik, Mr. A. Ramadhin, de directeur van de bovengenoemde inrichting, aan de gedetineerde [eiser] mede, dat op de V.I. vergadering van 13 december 2016 is geadviseerd om zijn V.I. aan te houden voor 3 (drie) maanden.
(…)”.

Uit de inhoud van dit schrijven leidt de kantonrechter ondubbelzinnig af dat aan eiser het advies van de V.I. Commissie over de V.I is medegedeeld. Dat de V.I. Commissie een besluit ter zake heeft genomen, kan geenszins uit dit schrijven worden afgeleid. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat het hiervoor bedoeld schrijven niet in strijd is met de wet en evenmin krachteloos is. Hieruit vloeit voort dat de gevraagde voorziening ter zake zal worden geweigerd.

4.6 Voor zover eiser met zijn stellingen betoogt dat de Minister van Justitie en Politie nog geen besluit over het uitstel van de V.I. heeft genomen en dit nalaten in strijd is met de wet, zijnde artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht, dan rijst de vraag of dit nalaten onmiddellijk dient te leiden tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van eiser.Naar het oordeel van de kantonrechter is het antwoord op deze vraag te vinden in artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het bepaalde in lid 1 van dit artikel leidt de kantonrechter af dat de veroordeelde pas aanspraak maakt op de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling wanneer de beslissing ter zake met daarin vermeld de duur van de proeftijd alsmede de algemene en bijzondere voorwaarden aan hem in persoon is betekend. Is er geen beslissing betekend op de dag dat de veroordeelde ex artikel 29 in vrijheid had moeten worden gesteld, dan wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling geacht te zijn geweigerd.Op grond van dit artikel kan de door eiser gevraagde voorziening om hem voorwaardelijk in vrijheid te doen stellen niet worden toegewezen.

4.7 Ten aanzien van de stelling van eiser dat het uitstellen van de VI met drie maanden onredelijk is, brengt de kantonrechter eiser in herinnering dat hij op grond van artikel 33 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht tegen een beslissing als bedoeld in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht binnen veertien dagen nadat hij hiervan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift kan indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hieruit volgt dat de kantonrechter in kort geding niet bevoegd is om van een geschil betreffende weigering c.q. uitstel of achterwege laten van de VI kennis te nemen en zal de kantonrechter om die reden de vraag of het uitstel al dan niet onredelijk is niet beoordelen.

4.8 Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat voor zover eiser met zijn stellingen ook betoogt dat het besluit niet aan hem is betekend en hij daardoor niet in beroep kan gaan, dat deze stelling niet opgaat. Dit, omdat het eiser nu al bekend is dat de V.I. wordt geacht te zijn geweigerd en aan hem reeds een indicatie is gegeven dat de V.I. datum met drie maanden is uitgesteld.In dat het licht verwijst de kantonrechter naar de Memorie van Toelichting op bladzijde 164, op welke bladzijde de volgende toelichting op artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht is gegeven:“In die bepaling wordt de mogelijkheid geboden om tegen diverse in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling of namens de Minister genomen beslissingen een bezwaarschrift in te dienen.In het derde lid van artikel 33 wordt gesproken van een periode van veertien dagen nadat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing. Met opzet is hierbij niet bepaald dat die termijn begint te lopen op het moment van betekening van de beslissing (hoewel dat in de meeste gevallen wel het geval zal zijn), aangezien niet elke beslissing kan worden betekend, waarbij met name wordt gedacht aan de fictieve weigering als bedoeld in de laatste volzin van het eerste lid. Het ligt voor de hand dat de rechter de termijn van veertien dagen in die gevallen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren.

Het derde en vierde lid van artikel 33 zien op de veroordeelde die gebruik maakt of overweegt gebruik te maken van zijn recht om een bezwaarschrift in te dienen en die zich van zijn vrijheid beroofd weet. Enerzijds zal deze in afwachting van de behandeling van zijn zaak in beginsel niet in vrijheid worden gesteld en anderzijds zal hem een raadsman worden toegevoegd.”

4.9 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op woensdag 28 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-5621
24 december 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
domicilie kiezende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. P. Campagne, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 22 december 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 22 december 2015;
  • het antwoordpleidooi d.d. 22 december 2015;
  • het repliekpleidooi d.d. 22 december 2015;
  • het dupliekpleidooi d.d. 22 december 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 19 mei 1999 is eiser aangehouden en in verzekering gesteld.
Op 03 augustus 1999 heeft eiser zich onttrokken aan zijn detentie.

2.2. Eiser is in eerste aanleg bij vonnis van de kantonrechter d.d. 6 juni 2000 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die hem reeds in voorarrest is doorgebracht.

2.3 Op 10 juli 2012 is hij weder aangehouden en ingesloten in het cellenhuis van het politiestation te Leiding 9A en vanaf 4 oktober 2012 in de penitentiaire inrichting te Santo Boma.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten om met toepassing van artikel 29 e.v. Sr eiser voorwaardelijk in vrijheid te stellen, binnen 1 uur na de uitspraak in dezen, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, nu eiser ruim meer dan tweederde van zijn straftijd in gevangenschap heeft doorgebracht, onder door gedaagde te stellen voorwaarden en onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van dit vonnis gevolg te geven;
b) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, in die zin dat gedaagde in strijd handelt met het verbod van willekeur, rechtszekerheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginselen, zijnde de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt hij, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • aan hem is medegedeeld dat indien hij zich goed gedraagt binnen de inrichting hij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling;
  • hij heeft reeds tweederde deel van zijn werkelijke straftijd uitgezeten en heeft zich goed gedragen. Op grond van ex artikel 29 e.v Sr komt eiser in aanmerking voor de VI regeling en moet hij daarom voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden.

Ondanks hij zich goed heeft gedragen en reeds tweederde deel van zijn werkelijke straftijd heeft uitgezeten, onthoudt gedaagde hem die voorwaardelijke invrijheidstelling.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiser, zodat hij in zijn vordering zal worden ontvangen.

4.2 Gedaagde werpt op dat de VI Commissie negatief advies heeft uitgebracht ten aanzien van eiser, omdat hij tijdens zijn detentie twee straffen opgelegd heeft gekregen. Reden voor het opleggen van de straf tijdens zijn detentie is dat hij tijdens zijn detentie een brief naar buiten heeft gesmokkeld en een cellulair bij zich had. Om die reden komt eiser niet in aanmerking voor de Voorwaardelijke Invrijheidstelling.
In reactie op dit verweer stelt eiser dat ingeval een interne straf wordt gegeven de Voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt afgewezen, doch met enkele weken wordt aangehouden. Voorts stelt eiser dat artikel 29 Sr geen gewag maakt van een recidivist, maar van goed gedrag.

4.3 Uit de stelling van eiser begrijpt de kantonrechter dat eiser zich niet kan terugvinden in het negatief uitgebracht advies van de VI Commissie, omdat er gevallen bekend zijn dat gedaagde bij soortgelijke interne straffen de Voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft afgewezen. Eiser heeft nagelaten die gevallen die bij hem bekend zijn te noemen waardoor de kantonrechter geen vergelijkend materiaal heeft om de stelling van eiser te toetsen.
Daarnaast neemt de kantonrechter ook in overweging dat met de bepaling inzake Voorwaardelijke Invrijheidstelling de wetgever het voorkomen van recidive beoogt. Gesteld noch gebleken is of eiser zich bij terugkeer in de samenleving zal verbeteren, op welke wijze hij hieraan zal werken en wie hem daarin zal begeleiden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat gedaagde zich aan schending van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur heeft schuldig gemaakt.
Aan eiser is wel de mededeling gedaan dat indien hij zich goed gedraagt hij in aanmerking komt voor de Voorwaardelijke Invrijheidstelling, doch is hem geen toezegging daartoe gedaan. Om die reden zal de door eiser gevraagde voorziening worden geweigerd.
Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat bij het inwilligen van een verzoek tot voorwaardelijke Invrijheidstelling er voorwaarden horen te worden gekoppeld als controlemechanisme op de veroordeelde na zijn terugkeer in de samenleving en is de kantonrechter niet de bevoegde instantie om die voorwaarden te stellen en controle op naleving daarvan uit te oefenen.

4.4 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 24 december 2015 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-3359
29 september 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

ROCK & DIRT MOVING N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.R. Wouter, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen en uitgesproken tussenvonnis d.d. 24 augustus 2017;
  • de conclusie tot overlegging productie d.d. 30 augustus 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Partijen hebben op 30 december 2013 een aannemingsovereenkomst gesloten, betreffende het leveren en installeren van duurzame taludbeschermingen middels composiet damwanden (hierna gemakshalve aangeduid als damwanden) aan de [locatie 1] (kavel 1A) en de [locatie 2] (kavel 1B), conform het bestek [nummer 1].
Eiseres is de aannemer en gedaagde de opdrachtgever.

2.2 De overeengekomen aanneemsom bedroeg SRD 19.400.000,- en de uitvoeringsperiode van de werkzaamheden bedroeg 135 werkbare werkdagen.

2.3 Ter zake de betaling van de aanneemsom is in artikel VI van de aannemingsovereenkomst het volgende bepaald:

“ Voor het naar behoren uitvoeren van de bovengenoemde werkzaamheden zal aan de aannemer een totaal bedrag van SRD. 19.400.000,- (…) inclusief een stelpost van SRD. 100.000,- worden uitbetaald, welke als volgt zal geschieden:

  • Bij contractondertekening zal ten behoeve van de eerste materiaal productie een voorschot van SRD 10.500.500,- (…) tegen overlegging van een voorschotsgarantie worden uitbetaald;
  • De overige betalingen zullen geschieden conform par. 42 van UWS 1996.”.

2.4 Ter zake de verplichting van de aannemer, zijnde eiseres, is in artikel VII van de aannemingsovereenkomst het volgende bepaald:

“ 1. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst, zonder aanspraak op verrekening, bijbetaling of schadevergoeding te kunnen doen gelden dan in gevallen waarin dat bepaaldelijk voorgeschreven of kennelijk bedoeld is.
2. Het werk en de uitvoering daarvan zijn voor rekening van de aannemer met ingang van de datum van aanvang of zoveel eerder als de aannemer ingevolge artikel IV met het werk begint, tot en met de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in artikel V als voor de eerste maal opgeleverd wordt beschouwd.
3. De aannemer blijft ten volle verantwoordelijk voor de wijze van uitvoeren van het werk, ook al is deze door de directie goedgekeurd of volgens haar aanwijzingen gewijzigd. Een en ander ontheft hem niet van de verplichtingen om het werk naar de eis uit te voeren en tijdig te voltooien.”

2.5 Ter uitvoering van de aanemingsovereenkomst heeft eiseres op 03 januari 2014 met Equilibium NV, hierna te noemen de leverancier, een overeenkomst gesloten voor de levering van de damwanden. Ter zake staat in de overeenkomst met de leverancier het volgende vermeld:

  • “dat Equilibrium als exclusieve vertegenwoordiger van Gulf Synthetics composiet damwanden, alle goederen bestemd voor het bovengenoemd project dient te leveren aan Rock and Dirt.
  • Dat Rock and Dirt bij onderhandse akte van Cessie d.d. 03 januari 2014 haar vorderingen op de Staat Suriname met name het Ministerie van Openbare Werken heeft gecedeerd aan Equilibrium als betaling van de levering van de goederen bestemd voor het bovengenoemd project.
  • Dat Equilibrium aan Rock and Dirt alle kosten voor het installeren en aanbrengen van de materialen voor bovengenoemd project dient te vergoeden conform bestek [nummer 1].”

2.6 In het kader van de overeenkomst tot levering van de damwanden hebben eiseres en de leverancier op 03 januari 2014 een akte van cessie getekend, bij welke akte van cessie zij het volgende zijn overeengekomen:

“ I. Ter effectuering van hetgeen is vermeld in de considerans van deze overeenkomst draagt Rock and Dirt aan Equilibrium over, welke overdracht Equilibrium hierbij aanvaardt, al hetgeen Rock and Dirt te vorderen heeft uit de eerder gemelde aannemingsovereenkomst met De Staat Suriname, met name het Ministerie van Openbare Werken namelijk:

Het project welke aan Rock and Dirt is gegund per brief van 16 december 2013 afkomstig van het Ministerie van Openbare Werken (ref. [nummer 2]) meer bekend als “deelgunning voor het leveren en installeren van duurzame taludbescherming middels compost damwanden (subkavel 1A: [locatie 1], subkavel IB: [locatie 2] conform bestek [nummer 1]”

II. Equilibrium is gerechtigd om terstond na ondertekening door partijen van deze akte van cessie deze ter kennis van voornoemde schuldenaar van Rock and Dirt, zijnde de Staat Suriname, te stellen opdat uit de aan Rock and Dirt toekomende gelden de vordering van Equilibrim op Rock and Dirt wordt voldaan middels overmaking op rekening[nummer 2] bij de De Surinaamsche Bank N.V. gevestigd aan de Henck Arronstraat # 26 ten name van Equilibrium;

III. Rock and Dirt verklaart in te staan voor de rechtsgeldigheid van voormelde vordering en financiele aanspraken en rechten uit hoofde van voormelde aannemingsovereenkomst als ook het nog in stand zijn daarvan;

IV. Indien om welke reden dan ook na de ter kennis stelling van onderhavige akte van cessie zoals aangegeven in artikel II er geen betaling plaatsvindt aan Equilibrium binnen een (1) week is Equilibrium gerechtigd een debetrente van 0,25% per week op het uitstaande saldo in rekening te brengen ten laste van Rock and Dirt;”.

2.8 Op 29 januari 2016 heeft eiseres vanwege het uitblijven van de levering van de damwanden door de leverancier een schrijven aan gedaagde gericht, met het verzoek de betalingen aan de leverancier stop te zetten. Ter zake heeft eiseres onder meer het volgende in het schrijven verwoord:
‘(…)
De werkzaamheden op bovengenoemd project, kunnen voor als nog niet gecontinueerd worden, omdat de leverancier N.V. Equilibrium de benodigde materialen nog steeds niet heeft aangeleverd.
Het e.e.a. hebben wij d.d. 8 januari 2016 middels schrijven reeds aan de waarnemend directeur voorgelegd. (zie bijlage brief)
Op grond daarvan vragen wij U alle betalingen aan N.V. Equilibrium vanwege wanprestatie van de enige en exclusieve leverancier stop te zetten.
N.V. Rock & Dirt Moving heeft bij onderhandse akte van cessie d.d. 3 januari 2014 haar vordering op de staat gecedeerd aan N.V. Equilibrium.”

2.9 Gedaagde heeft:

  1. bij exploot van deurwaarder,L. Gangaram Panday, no. 11 d.d. 20 juli 2017, ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde conservatoir derden beslag gelegd onder de Republic Bank Suriname N.V. en De Surinaamsche Bank NV, op alle gelden, geldswaarden en/of goederen, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of verkrijgen, althans aan eiseres verschuldigd zijn en/of zullen worden;
  2. bij exploit van deurwaarder,L. Gangaram Panday, no. 15, d.d. 21 juli 2017, ten laste van eiseres en ten gunste van zichzelf conservatoir beslag doen leggen onder zichzelf op alle gelden, geldswaarden en/of goederen welke zij van eiseres onder zich heeft en/of zal verkrijgen, althans aan eiseres verschuldigd zijn en/of zal worden;
  3. bij exploot van deurwaarder, L. Gangaram Panday, no. 19, d.d. 20 juli 2017 conservatoir beslag doen leggen op de hierna aan eiseres in eigendom toebehorende onroerende goederen:

    a) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 619,49m², gelegen te [district] op de hoek van de [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter R. W.A. Oldenstam van 10 augustus 1987 met de letters ABCD en met het nummer 362, deel uitmakende van het perceelland groot tweehonderd negenennegentig hectaren en zeven aren, aangeduid op de kaart van de landmeter Calor van 19 maart 1980 met de letters CDEFGHIJKLMNOPQ, gelegen te [district] ten westen van de [rivier] en ten noorden grenzende aan de [plantage 1] en ten zuiden van de [plantage 2] en deel uitmakende van de [plantage 3] met uitzondering van een deel groot negen en vijftig hectaren en zeven aren, in de aantekening van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song vanaf 4 februari 1981 met de letters CDD’Q, wordende in gemelde aantekening het overblijvende deel, groot tweehonderd en veertig hectaren, aangeduid met de letters D’EFGHIJKLMNOPQQ’;b) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 274,10m², gelegen te [district] ten westen van de [straat], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 23 juli 1962 met de letters ABCD en het nummer 66, benevens het deel van de daarvoor lopende weg op voormelde kaart aangeduid met de letters Abba, welk perceel deel uitmaakt van het perceelland, groot 3 hectaren en 21 aren, gelegen te [district] ten westen van de [laan], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 09 mei 1962, vervaardigd naar de kaart van de landmeter F. Emanuels van 15 september 1953 met de letters ABCDEF, deel uitmakende van een perceelland, groot 23 hectaren en 50 aren, met uitzondering van enkele gedeelten gelegen te [district] deel uitmakende van de [plantage 4] op de kaart van de landmeter F. Emanuels van 03 augustus 1953 aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

2.10 De hiervoor vermelde beslagen heeft gedaagde doen leggen, na daartoe toestemming van de kantonrechter te hebben verkregen. Aan het verzoek tot het doen leggen van het beslag heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat eiseres wanprestatie heeft gepleegd en heeft daartoe onder meer het volgende gesteld:

  • op 12 december 2013 is aan eiseres door gedaagde de werkzaamheden gegund voor het leveren en installeren van damwanden;
  • uit hoofde van deze gunning hebben partijen een aannemingsovereenkomst op 30 december 2013 gesloten, waarbij de overeengekomen aanneemsom SRD 19.400.00,- bedroeg;
  • aan eiseres heeft gedaagde bij het sluiten van de overeenkomst een voorschot ad SRD 10.500.500,- op de aanneemsom betaald;
  • eiseres diende uiterlijk op 07 januari 2014 met de werkzaamheden te starten, doch is pas op 29 april 2015 daarmede gestart;
  • eiseres zou in het jaar 2015 de werkzaamheden moeten opleveren;
  • vanaf augustus 2015 tot heden heeft eiseres geen werkzaamheden meer verricht. Dit, ondanks zij daartoe door gedaagde zou zijn aangemaand;
  • op 17 februari 2014 heeft eiseres een bedrag van SRD 3.749.924,47 gedeclareerd en van gedaagde ontvangen en in oktober 2015 een bedrag van SRD 1.299.040,-;
  • eiseres heeft werkzaamheden uitgevoerd voor een bedrag ad SRD 1.251.598,23, terwijl hij ter zake in totaal het bedrag ad SRD 19.298.533,33 van eiseres heeft ontvangen;
  • gedaagde heeft dus SRD 18.046.935,10 teveel aan eiseres betaald, welk bedrag zij aan gedaagde terug dient te betalen;
  • tevens dient eiseres een boete ad SRD 970.000,- aan gedaagde te betalen, vanwege de niet tijdige oplevering van het project c.q. afronding van de werkzaamheden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de onmiddellijke opheffing te gelasten van het bij exploot no. 11, d.d. 20 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde conservatoir derden beslag gelegd onder de Republic Bank Suriname N.V. en de Surinaamsche Bank NV.;
b) de onmiddellijke opheffing te gelasten van het bij exploot no. 15 d.d. 21 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag onder zichzelf;
c) de onmiddellijke opheffing te gelasten van het bij exploot no. 19 d.d. 20 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag op de onroerende goederen.

3.2 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde misbruik maakt van recht c.q. misbruik van een overwichtssituatie. Daartoe heeft zij tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2 het volgende gesteld:

  • gedaagde wist dat voor de voltooiing van het project alleen damwandmateriaal van Gulf Synthetic kan worden gebruikt en dat de exclusieve vertegenwoordiger van dit materiaal, zijnde de leverancier, niet tijdig heeft voldaan aan haar leveringsplicht;
  • dat de leverancier niet tijdig heeft voldaan aan haar leveringsplicht kan eiseres in alle redelijkheid en billijkheid niet worden aangerekend, omdat gedaagde tijdig in kennis is gesteld van de ontstane situatie en kennis droeg van de ontstane situatie;
  • gedaagde zelf in strijd met het contract de betaling van het voorschot niet heeft betaald zoals is overeengekomen.

Als spoedeisend belang heeft eiseres gesteld dat vanwege de beslagleggingen de continuiteit van haar bedrijf in gevaar is gekomen, omdat haar bedrijfsvoering en het daarmee gepaard gaande verkeer volledig plat is komen te liggen. Zij is thans niet in staat de bij haar in dienst zijnde arbeiders hun loon uit te betalen, alsook andere dringende betalingsverplichtingen jegens derden.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Eiseres heeft ter uitvoering van het in de onderhavige zaak tussen partijen gewezen tussenvonnis d.d. 24 augustus 2017 een fotokopie van het beslagrekest ten processe overgelegd, op grond waarvan gedaagde de bedoelde beslagen heeft gelegd en zal de kantonrechter thans overgaan tot het nemen van een eindbeslissing in de onderhavige zaak.

4.2 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van haar vordering en zal zij om die reden in het kort geding worden ontvangen.

4.3 Gedaagde heeft opgeworpen dat het niet opleveren van de werkzaamheden voor rekening en risico van eiseres dient te komen. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:

  • eiseres heeft de keuze gemaakt om damwandmaterialen afkomstig van Gulf Synthetics USA te gebruiken, terwijl zij ingevolge 108.2 van de bestekvoorwaarden niet gehouden is om die damwandmaterialen voor de uitvoering van haar opdracht te gebruiken. Zij heeft de mogelijkheid om damwandmateriaal gelijkwaardig aan dat van Gulf Synthetics USA te gebruiken. Van dit alternatief heeft eiseres geen gebruik gemaakt;
  • uit de akte van cessie kan worden afgeleid dat eiseres reeds een schuldenaar was van de leverancier en middels dit project haar kans schoon zag haar betalingsverplichting jegens de leverancier te voldoen. De gelden die gedaagde heeft overgemaakt naar de leverancier dienen te worden beschouwd als betalingen gepleegd aan eiseres;
  • de betaling van het voorschot ad SRD 10.500.000,- heeft daadwerkelijk pas in januari 2017 plaatsgevonden, doch is eiseres in gebreke geweest om gedaagde hiervan op de hoogte te stellen.

4.4 Naar aanleiding van de stellingen en het verweer van gedaagde stelt de kantonrechter het volgende voorop.
Volgens artikel 596 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is. Dit brengt blijkens HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen in de kortgedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zou kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.5 Uitgaande van hetgeen hiervoor onder 4.4 is vooropgesteld, rijst de vraag of de vordering die gedaagde meent op eiseres te hebben ondeugdelijk is. Ter comparitie van partijen en tijdens de gehouden descente heeft eiseres verklaard dat gedaagde bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst als voorwaarde had gesteld dat zij de overeenkomst tot het leveren van damwanden met de leverancier moest sluiten en daaruit voortvloeiend de akte van cessie, zodat de gelden rechtstreeks aan de leverancier konden worden overgemaakt. Dit ook, ter bescherming van eiseres zelf dat hem geen verwijt zou kunnen worden gemaakt dat hij de gelden voor andere doeleinden zou hebben aangewend. Op deze stelling is gedaagde niet ingegaan en zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde de hiervoor vermelde voorwaarde aan eiseres heeft gesteld bij het sluiten van de aanneemovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, gedaagde in redelijkheid niet opwerpen dat de door hem gepleegde betalingen aan de leverancier als betalingen van gedaagde aan eiseres moeten worden beschouwd en kan gedaagde in redelijkheid deze gelden niet van eiseres terugvorderen. Dit, temeer daar gedaagde er kennis van droeg dat de leverancier niet had voldaan aan zijn plicht tot levering van de damwanden en gedaagde ondanks deze wetenschap en ondanks het schrijven van eiseres d.d. 29 januari 2016 om in dat kader de storting van de gelden naar de leverancier toe stop te zetten, die gelden toch heeft gestort voor de leverancier.

4.6 Gedaagde heeft erkend dat hij in strijd met de overeenkomst het voorschot ad SRD 10.500.000,- pas op 17 januari 2017 de leverancier heeft uitbetaald, dus op een veel latere datum dan was overeengekomen. Dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat eiseres hem in kennis hoorde te stellen van het feit dat het voorschot nog niet was uitbetaald en het gangbaar is dat de aannemer het bedrag tot aanschaf van materiaal voorschiet, is volstrekt onbegrijpelijk voor de kantonrechter. Volstrekt onbegrijpelijk, omdat vanwege de rechtstreekse betalingen naar de leverancier eiseres geen zicht op heeft gehad of de betalingen voor aanschaf van de damwanden tijdig door gedaagde aan de leverancier geschiedde en van een aannemer in redelijkheid niet verwacht kan worden dat deze de kosten voor het verrichten van de werkzaamheden van de opdrachtgever voorschiet. Om die reden en mede vanwege het feit dat gedaagde het voorschot pas op 17 januari 2017 aan de leverancier heeft overgemaakt, kan gedaagde in redelijkheid niet van eiseres verwachten dat zij de werkzaamheden binnen de overeengekomen termijn diende op te leveren en dient het niet opleveren van de werkzaamheden binnen de overeengekomen termijn, die overigens niet als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor rekening en risico van gedaagde te komen. Deze overweging brengt de kantonrechter ook tot het oordeel dat de door gedaagde gevorderde overeengekomen boete in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan eiseres is opgelegd. Bovendien is tijdens de gehouden comparitie van partijen en descente gebleken dat eiseres dat deel van de werkzaamheden die zij heeft verricht, keurig en naar tevredenheid van gedaagde heeft verricht. Tevens is gebleken dat er mogelijkheden c.q. alternatieven voor eiseres zijn om alsnog de werkzaamheden voor gedaagde af te ronden, doch ligt het aan gedaagde of hij eiseres daartoe in de gelegenheid wenst te stellen.

4.7 Op grond van hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, heeft eiseres naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen wanprestatie jegens gedaagde gepleegd en wordt de door gedaagde op eiseres vermeende vordering ondeugdelijk geacht. Hieruit vloeit voort dat de door gedaagde gelegde beslagen dienen te worden opgeheven en zullen de gevraagde voorzieningen ter zake daarom worden toegewezen.

4.8 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten omvatten tot de dag van de uitspraak: de kosten voor oproep per exploot van en deurwaarder ad SRD 265,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing

5.1 Heft op:

  • het bij exploit no. 11 d.d. 20 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegde conservatoir derden beslag onder de Republic Bank Suriname N.V. en De Surinaamsche Bank N.V.;
  • het bij exploit no. 15 d.d. 21 juli 2017, afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag onder zichzelf;
  • het bij exploot no. 19 d.d. 21 juli 2017 afkomstig van deurwaarder L. Gangaram Panday ten laste van eiseres en ten gunste van gedaagde gelegd conservatoir beslag op:

a) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 619,49m², gelegen te [district] op de hoek van de [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter R. W.A. Oldenstam van 10 augustus 1987 met de letters ABCD en met het nummer 362, deel uitmakende van het perceelland groot tweehonderd negenennegentig hectaren en zeven aren, aangeduid op de kaart van de landmeter Calor van 19 maart 1980 met de letters CDEFGHIJKLMNOPQ, gelegen te [district] ten westen van de [rivier] en ten noorden grenzende aan de [plantage 1] en ten zuiden van de [plantage 2] en deel uitmakende van de [plantage 3] met uitzondering van een deel groot negen en vijftig hectaren en zeven aren, in de aantekening van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song vanaf 4 februari 1981 met de letters CDD’Q, wordende in gemelde aantekening het overblijvende deel, groot tweehonderd en veertig hectaren, aangeduid met de letters D’EFGHIJKLMNOPQQ’;

b) het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 274,10m², gelegen te [district] ten westen van de [straat], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 23 juli 1962 met de letters ABCD en het nummer 66, benevens het deel van de daarvoor lopende weg op voormelde kaart aangeduid met de letters Abba, welk perceel deel uitmaakt van het perceelland, groot 3 hectaren en 21 aren, gelegen te [district] ten westen van de [laan], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor van 09 mei 1962, vervaardigd naar de kaart van de landmeter F. Emanuels van 15 september 1953 met de letters ABCDEF, deel uitmakende van een perceelland, groot 23 hectaren en 50 aren, met uitzondering van enkele gedeelten gelegen te [district] deel uitmakende van de [plantage 4] op de kaart van de landmeter F. Emanuels van 03 augustus 1953 aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 315,- (Driehonderd en Vijftien Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M.Chu, op vrijdag 29 september 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-27

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 17-0802
27 februari 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. De naamloze vennootschap NITEX TRADING N.V., rechtspersoon,
gevestigd in het district Saramacca,
B. De naamloze vennootschap DELTA PROJEKT ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ N.V., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
C. [eiser],
wonende in [district 1],
eisers,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het verzoekschrift dat met de producties op 20 februari 2017 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 februari 2017;
  • de conclusie van antwoord d.d. 22 februari 2017;
  • de conclusie van repliek d.d. 23 februari 2017;
  • de conclusie van dupliek d.d. 24 februari 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres sub A is eigenares van de twee hierna omschreven onroerende goederen:

  • “het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.795,50m², gelegen in [district 1] aan de [rivier] en de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas d.d. 27 november 1981, met de letters ABCD en met het no. 4;
  • het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.808,13m², gelegen in [district 2], thans [district 3] aan de [rivier] en de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas, d.d. 27 november 1981, met de letters ABCD en met het no. 5, welke beide percelen sub 3 en sub 4, d.u.v. het perceelland, groot 8.210,57m², gelegen in [district 1] aan de [rivier] en de [weg] aangeduid op de kaart van de landmeter S.O. Esajas, d.d. 5 augustus 1981, met de letters ABCDE, welk perceel d.u.v. het perceelland, groot 14,04ha, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor, d.d. 4 juli 1964, met de letters OPQR, d.u.v. vier samengevoegde percelen van de grond [gebied], m.u.v. twee verkochte gedeelten resp., groot 2.066,80m², en 900m².”

2.2 Eiseres sub B is eigenaresse van drie hierna omschreven onroerende goederen:

  • “het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, verv. 24 april 2038, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 2,5776 ha., gelegen in [district 1] aan de weerszijden van de [weg], d.u.v. het perceelland, groot 13,9239 ha, aangeduid op de kaart van de landmeter W.A. Oldenstam, d.d. 3 januari 1998, met de letters ABCD, GEDEELTE VAN DE PLANTAGE [gebied], m.u.v. de daardoor lopende delen, goot 5.296,22 m², en 1.132,61m², resp. aangeduid met de letters abdefghijklm en opqe;
  • het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 769,05m², gelegen in [district 1] tussen de [weg] en de [rivier], op de kaart van de landmeter G.Kanhai d.d. 5 augustus 1974 met de letters KLMN, d.u.v. het perceelland, groot 14,04 ha., aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d 4 juli 1964 met de letters STUVW, d.u.v. de grond [gebied];
  • het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 574,95m², gelegen in [district 1] tussen de [weg] en de [rivier], aangeduid op de kaart van de landmeter G. Kanhai d.d 5 augustus 1974 met de letters MNOP, d.u.v. het perceelland, groot 14,04 ha., aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 4 juni 1964 met de letters STUVW, d.u.v. de grond [gebied].”

2.3 Eiseres sub C is eigenares van het hierna omschreven onroerend goed:

  • “het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, verv. 7 mei 2038, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.109,30m², gelegen in [district 1], aan de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans, d.d 10 mei 2004, met de letters ABCD, d.u.v. het perceelland, groot 2,2205 ha., gelegen in [district 1] aan weerszijden van de [weg], welk perceel d.u.v. het perceelland, groot 15,9254ha, zijnde een gedeelte van de plantage [gebied] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ir. W.A. Oldenstam, d.d. 3 januari 1998, met de letters ABCDE, evenwel m.u.v. de daardoor lopende delen, groot 2.815,73m², en 1.091,69m² en 999,66m², resp. aangeduid met de letters abcdefgh, ijkl en aAFG.”

2.4 Gedaagde heeft twee kredieten aan eiseres sub B verschaft. In dat licht hebben eisers sub A en sub C hypotheek gevestigd op de aan hun in eigendom toebehorende onroerende goederen ten behoeve van gedaagde. Ook eiseres sub B heeft in het kader van de aan haar verschafte kredieten hypotheek doen vestigen op de aan haar in eigendom toebehorende onroerende goederen ten behoeve van gedaagde.

2.5 Gedaagde sub B heeft niet voldaan aan haar terugbetalingsverplichting jegens gedaagde, dit ondanks zij daartoe in gebreke zou zijn gesteld.
Bij exploit d.d. 13 januari 2017 no. 53 is aan eisers de openbare verkoop van de aan hun in eigendom toebehorende onroerende goederen aangezegd, welke openbare verkoop op 28 februari 2017 om 10.00uur ten kantore van de notaris mr. D. Alexander zal plaatsvinden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

I) gedaagde te verbieden om op dinsdag 28 februari 2017 om 10.00 uur ten overstaan van notaris mr. Derrick Alexander of diens waarnemer de zestal in het exploit omschreven onroerende goederen in het openbaar te verkopen;
II) op straffe van een aan eisers te betalen dwangsom van € 7.500.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, indien gedaagde in strijd met het te geven verbod handelt;
III) kosten rechtens.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • het exploit betreffende de aanzegging van de openbare verkoop is nietig, omdat het niet in persoon is betekend aan eiseres sub C, hetgeen in strijd is met de wet;
  • de procesgemachtigde van eiseres sub B heeft bij schrijven d.d.13 februari 2017 aan DSB het verzoek gedaan om hem afschriften van de kredietarrangementen te doen toekomen en om de aangezegde openbare verkoop voor de duur van dertig aan te houden, omdat zij in die periode de achterstand in de kredietaflossing zal hebben ingelopen.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde erkent dat de betekening van de openbare verkoop aan eiseres sub C niet op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden, doch is zulks niet van invloed op de betekening aan eiseres sub A en sub B, zodat de openbare verkoop van de onroerende goederen van eisers sub A en sub B normaal voortgang kunnen vinden.In reactie op dit verweer stellen eisers dat een nietige betekening aan één van de onderzetter het gehele exploit nietig maakt, dus kan volgens hun betoog om die reden de openbare verkoop in zijn geheel geen voorgang vinden.Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaan eisers uit van een onjuiste opvatting. Eisers zijn drie verschillende rechtspersonen c.q. natuurlijke personen en vormen niet een geheel, zodat de onjuiste betekening aan één van hen de betekening niet in het geheel nietig maakt, doch slechts partieel en wel ten aanzien van degene tegen wie de betekening op onjuiste wijze is geschied.Derhalve slaagt gedaagde in het door haar opgeworpen verweer.

4.3 Gedaagde voert aan dat zij middels een schrijven aan de notaris de opdracht zal geven om de openbare verkoop van het onroerend goed van eiseres sub C stop te zetten, doch is geen indicatie gegeven wanneer het schrijven aan de notaris zal worden gericht. Veiligheidshalve zal de kantonrechter de gevorderde stopzetting van het onroerend goed van eiseres sub C, zijnde het onroerend goed zoals omschreven onder 2.3 in dit vonnis, toewijzen.
De medegevorderde dwangsom acht de kantonrechter niet redelijk en billijk, omdat het wettig betaalmiddel hier te lande Surinaamse Dollar is en de dwangsom exorbitant is. Daarom zal de kantonrechter de dwangsom mitigeren tot een eenmalige dwangsom van SRD 100.000,-.Gedaagde zal ten aanzien van eiseres sub C, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten de kosten voor oproep bij exploit van de deurwaarder en het vastrecht, welke voor alle drie eisers neerkomt op een totaal bedrag van SRD 270,- + SRD 50,- = SRD 320,-. De proceskosten waartoe eiseres sub C zal worden veroordeeld zal naar evenredigheid worden vastgesteld op SRD 106,-.

4.4 Vaststaat dat gedaagde als bankinstelling twee kredietleningen aan eiseres sub B heeft verschaft en eisers sub A en C als zekerheid tot voldoening van deze leningen ten behoeve van gedaagde hypotheek op de aan hun in eigendom toebehorende onroerende goederen hebben gevestigd. Tevens staat vast dat eiseres sub B een achterstand heeft in betaling van deze kredietleningen en tot heden tekort is geschoten in haar plicht tot betaling van deze achterstand.Ter zake stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen danwel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat en zal gedaagde – zoals door haar bij eisers is aangekondigd – vanwege het tekortschieten van eiseres sub B in haar betalingsverplichting thans overgaan tot het gebruik maken van deze aan haar toekomende bevoegdheid. Alleen wanneer gedaagde van deze bevoegdheid misbruik zou maken, zou hierover anders geoordeeld kunnen worden.

4.5 De kantonrechter gaat voorbij aan de stellingen van eisers sub A en sub B dat gedaagde hen geen afschriften van de kredietovereenkomsten heeft doen toekomen, omdat zulks geen grond oplevert tot wanprestatie of een onrechtmatige daad en evenmin valt onder het misbruik maken van de aan gedaagde toekomende bevoegdheid om tot openbare verkoop over te gaan.

4.6 Eisers sub A en sub B stellen dat zij uiterlijk 30 maart 2017 de achterstanden aan gedaagde zullen betalen, doch hebben zij tot heden nagelaten te stellen welke alternatieven zij hebben om de achterstanden in te kunnen lopen en wat hun bron van inkomsten zullen zijn, waardoor de kantonrechter niet kan beoordelen of zij op uiterlijk 30 maart 2017 in staat zullen zijn aan hun betalingsverplichting jegens gedaagde te kunnen voldoen. Om die reden en mede op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen grond om de gevraagde voorzieningen van eisers sub A en sub B toe te wijzen.

4.7 Eisers sub A en sub B zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
Ten aanzien van eisers sub A en sub B
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers sub A en sub B in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Ten aanzien van eiseres sub C
5.3 Verbiedt gedaagde om op dinsdag 28 februari 2017 om 10.00uur ten overstaan van notaris mr. Derrick Alexander of diens waarnemer in het openbaar te verkopen het hierna aan eiseres sub C toebehorend onroerend goed: “het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, verv. 7 mei 2038, op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 1.109,30m², gelegen in [district 1], aan de [weg], aangeduid op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans, d.d 10 mei 2004, met de letters ABCD, d.u.v. het perceelland, groot 2,2205 ha., gelegen in [district 1] aan weerszijden van de [weg], welk perceel d.u.v. het perceelland, groot 15,9254ha, zijnde een gedeelte van de plantage [gebied] en nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ir. W.A. Oldenstam, d.d. 3 januari 1998, met de letters ABCDE, evenwel m.u.v. de daardoor lopende delen, groot 2.815,73m², en 1.091,69m² en 999,66m², resp. aangeduid met de letters abcdefgh, ijkl en aAFG”, zulks op straffe van een eenmalige dwangsom ad SRD 100.000,- (Eenhonderd en Duizend Surinaamse Dollar indien gedaagde in strijd handelt met dit verbod.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres sub C gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 106,- (Eenhonderd en Zes Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 27 februari 2017 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2017-26

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-4237
15 juni 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 21 september 2015 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 01 oktober 2015;
  • de conclusie van antwoord d.d. 21 april 2016;
  • de conclusie van repliek d.d. 16 juni 2016;
  • de conclusie van dupliek d.d. 26 januari 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis was bepaald op 09 november 2017, doch op verzoek van eiser bij vervroeging op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is eigenaar-directeur van [bedrijf] aan [adres 2] te [district].

2.2 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, hierna aangeduid als de toewijzingsbeschikking, is aan eiser uitgegeven: “het recht van grondhuur voor het aanleggen van een parkeerplaats voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 278,63m², gelegen in [district], ten noorden van [adres 2], ten noorden grenzend aan het perceel bekend als N.W. La B [nummer 1], deel uitmakende van de Plantage [plantage] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, Ing. H. Kalloe d.d. 11 januari 2010, thans bekend als N.W. La [nummer 2].”

2.3 Bij vonnis in kort geding d.d. 15 mei 2012, in de zaak bekend onder A.R. No. 10-5172, heeft de kantonrechter op vordering van [naam 1], [naam 2] en [naam 3], hierna te noemen de [naam 4], de toewijzingsbeschikking geschorst.

2.4 Eiser heeft hoger beroep aangetekend tegen het hiervoor tussen hem en de [naam 4] gewezen vonnis.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,:

I) het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, in kort geding, [naam 2] en [naam 3] contra [eiser] te schorsen, althans de schorsing op te heffen van de toewijzingsbeschikking;
II) gedaagde te veroordelen het te wijzen vonnis te gehengen en gedogen en elke handeling zal nalaten, die daarop een inbreuk kan plegen danwel alszodanig kan worden gekwalificeerd, desnoods onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor elke keer en dag, waarop de inbreuk plaatsvindt en voortduurt.

3.2 Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij thans eigenaar is van het perceel van de [naam 4] en de [naam 4] hierdoor geen belang meer hebben bij de schorsing van de toewijzingsbeschikking. Als spoedeisend belang heeft eiser gesteld dat hij ernstig wordt gehinderd door de schorsing. Met name wordt hij vanwege de schorsing belemmerd in een herschikking en uitbreiding van zijn totale krediethypotheek.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de stellingen van eiser. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord kenbaar gemaakt zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter constateert het hierna volgende. In de zaak bekend onder A.R. No. 10-5172 is de eisende partij de [naam 4] geweest. Het zijn de [naam 4] geweest die in de hiervoor bedoelde zaak de vordering tegen zowel eiser (in de zaak toen gedaagde ) als gedaagde hebben ingesteld. Eiser was dus niet de tegenpartij van gedaagde en omgekeerd was gedaagde niet de tegenpartij van eiser. Hieruit volgt dat eiser de onderhavige vordering tegen de [naam 4] diende in te stellen en niet tegen gedaagde. Op grond hiervan zal eiser niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S. M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting bij vervroeging uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, op donderdag 15 juni 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-25

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1163
03 april 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

PRESTIGE IMPORTS N.V.,
gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 19 maart 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde heeft middels het indienen van een verzoekschrift d.d. 06 maart 2018 in de zaak bekend onder A.R. No. 18-0949, welk verzoekschrift zich richt tot A) Flex Cars N.V., B) Flex Wholesale & Retail N.V., C) [naam 1] h.o.d.n. Flex Luxuries, D) Prestige Imports N.V., zijnde eiseres, E) Flex Phones N.V. en F) Surglobe Trading N.V., aan de kantonrechter in het eerste kanton het verzoek gedaan tot het mogen leggen van conservatoir derden beslag. Aan dit verzoek heeft gedaagde het volgende ten grondslag gelegd:

  • zij heeft in het jaar 2014 aan Flex Cars N.V. en Flex Wholesale & retail N.V., hierna gezamenlijk te noemen de schuldenaars, een krediet verschaft;
  • de schuldenaars hebben niet voldaan aan hun terugbetalingsverplichtingen van het aan hun verschafte krediet. Instede daarvan kanaliseren zij financiële middelen naar [naam 1] en eiseres;
  • om het verhaalsrecht van gedaagde illusoir te maken, hebben de schuldenaars wijzigingen aangebracht in het team van eiseres, waarbij [naam 2], die tevens directeur van de schuldenaars is, werd vervangen door ene [naam 3]. Vanwege deze verwevenheid worden de gelden tussen de schuldenaars en eiseres heen en weer geschoven, welk handelen paulianeus is. Vanwege deze paulianeuze handeling zijn [naam 1] en eiseres mede aansprakelijk voor het terugbetalen van de verschuldigde bedragen aan gedaagde.

2.2 Gedaagde heeft, na daartoe verkregen toestemming bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 08 maart 2018, bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.S. Olensky,:

  • d.d. 09 maart 2018, no. 224-18, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder
    A) De Staat Suriname, met name het Ministerie van Handel en Industrie,
    B) De Staat Suriname, met name het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij,
    C) De Staat Suriname, met name het Ministerie van Financiën, op alle gelden/geldswaarden ten laste van eiseres;
  • d.d. 13 maart 2018, no. 228-18, conservatoir derdenbeslag onder
    B) Hakrinbank N.V.,
    C) RBC Royal Bank (Suriname) N.V., thans geheten Republic Bank (Suriname) N.V.,
    D) Surichange Bank N.V.,
    E) De Finanbank N.V.,
    F) Surinaamsche Volkscredietbank N.V.,
    G) Godo Cooperatieve Spaar- en Kredietbank G.A.,
    H) Surinaamse Postspaarbank N.V.,
    I) Soutern Commercial Bank N.V., op alle gelden, geldswaarden ten laste van eiseres;
  • d.d. 13 maart 2018, no. 229-18, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder zichzelf op alle gelden, geldswaarden ten laste van eiseres.
    De hiervoor gelegde beslagen zijn ter verzekering tot betaling van de bedragen respectievelijk ad SRD 20.000.000,-, USD 3.000.000,- en Euro 19.500,- aan gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de opheffing te gelasten van de onder 2.2 van de feiten vermelde gelegde conservatoir derdenbeslagen;
b) gedaagde te veroordelen om binnen een uur na betekening van dit vonnis aan eiseres te betalen US$ 80.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening tot aan de dag der algehele voldoening;
c) gedaagde te veroordelen om aan eiseres de geleden schade ad US$ 32.640,- te betalen;
d) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat de gelegde conservatoir derdenbeslagen vexatoir en onrechtmatig zijn. Daartoe stelt zij, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • zij is niet aansprakelijk voor de gelden die de schuldenaars van gedaagde hebben geleend;
  • zij ontkent dat de schuldenaars gelden naar haar hebben gekanaliseerd;
  • zij kan thans niet over het bedrag van US$ 80.000,- beschikkingen, waardoor zij niet op adequate wijze haar bedrijfsactiviteiten kan voortzetten;
  • als gevolg van de gelegde beslagen lijdt zij schade, bestaande uit gederfde inkomsten ad US$ 24.000,- en advocaatkosten met daarover omzetbelasting totaal ad US$ 8.640,-.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van de vordering zelf, met name uit het feit dat eiseres vanwege de beslagleggingen haar bedrijfsactiviteiten niet kan ontplooien. Om die reden wordt zij in het kort geding ontvangen.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of de schuldenaars gelden hebben gekanaliseerd naar eiseres. In reactie op de stellingen van eiseres ter zake is gedaagde in het door haar gestelde bij het inleidend beslagrekest blijven volharden, zonder echter te onderbouwen vanaf welke periode de schuldenaars gelden naar eiseres hebben gekanaliseerd, wat de hoogte van de geldbedragen zijn die naar eiseres zouden zijn gekanaliseerd, via welke bankrekeningen deze gelden van de schuldenaars naar eiseres zouden zijn gekanaliseerd, en wat het totaal bedrag is dat de schuldenaars naar eiseres hebben gekanaliseerd tot het moment van de beslaglegging op de bankrekeningen van de schuldenaars. Evenmin heeft gedaagde zich enige moeite getroost om middels bescheiden te staven dan wel aannemelijk te maken dat de schuldenaars gelden naar eiseres hebben gekanaliseerd en wat de hoogte is van de gelden die tot en met de datum van de beslaglegging op de gelden van de schuldenaars naar eiseres is gekanaliseerd. Het enkel blijven volharden in deze stelling met als enige onderbouwing de verwevenheid van de directieleden van de schuldenaars met eiseres acht de kantonrechter niet voldoende. Van gedaagde als bankinstelling bij wie zowel de schuldenaars als eiseres rekeninghouders zijn, mocht worden verwacht dat zij middels een financieel overzicht zou kunnen staven dat vanuit het rekeningnummer van de schuldenaars gelden zijn overgemaakt of overgeheveld naar bankrekeningnummers van eiseres. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat in casu van een paulianeuze handeling geen sprake is. Bovendien gaat gedaagde uit van een onjuiste opvatting om eiseres op grond van een paulianeuze handeling en een verwevenheid van directieleden van de bedoelde entiteiten mede aansprakelijk te stellen voor terugbetaling van de aan de schuldenaars verstrekte kredieten. Bij een geslaagd beroep op een paulianeuze handeling is schadevergoeding mogelijk, en die schadevergoeding kan onmogelijk omvatten het mede aansprakelijk stellen voor de terugbetaling van het volledig bedrag aan verstrekte kredieten. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen grond om de gelegde beslagen te blijven handhaven, zodat de gevraagde voorziening onder a reeds voor toewijzing gereed ligt.

4.3 Gedaagde weerspreekt het bedrag ad US$ 80.000,- aan eiseres verschuldigd te zijn. Daartoe voert zij aan dat dit geldbedrag op de rekening van eiseres voorkomt en eiseres minstens opheffing van het beslag zou kunnen vorderen zodat dit bedrag wederom tot haar beschikking komt. Bij conclusie van repliek is eiseres niet voldoende ingegaan op dit gemotiveerd verweer van gedaagde en zal de gevraagde voorziening onder b om die reden worden geweigerd. Daarbij brengt de kantonrechter eiseres in herinnering dat voor toewijzing van een geldvordering in kortgeding slechts plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat. De stellingen die eiseres aan dit onderdeel van de vordering ten grondslag heeft gelegd, voldoen niet aan de hiervoor vermelde criteria en zal zij dit onderdeel van het geschil in bodemprocedure verder dienen te beslechten.

4.4 Gedaagde weerspreekt dat eiseres als gevolg van de beslagleggingen schade heeft geleden en stelt daartoe dat eiseres zelf heeft gesteld dat zij sedert februari 2018 moest voldoen aan betalingsverplichtingen in het buitenland. Dit, terwijl de beslagleggingen op 13 maart 2018 hebben plaatsgevonden. Ook op dit gemotiveerd verweer is eiseres niet voldoende ingegaan, zodat de door eiseres vermeend geleden schade niet aannemelijk is. Om die reden zal de gevraagde voorziening onder c worden geweigerd, eveneens met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.3 aan eiseres in herinnering is gebracht ten aanzien van geldvorderingen.

4.5 Daar eiseres slechts voor één onderdeel in het gelijk is gesteld, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. Het compenseren van de proceskosten bestaat daarin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Heft op het bij deurwaardersexploten d.d 09 maart 2018, no. 224-18, d.d. 13 maart 2018 no. 228-18 en d.d. 13 maart 2018 no. 229-18, afkomstig van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, Patrick Stanley Olensky, gelegd conservatoir derdenbeslag, ten verzoeke van gedaagde en ten laste van eiseres, onder De Surinaamsche Bank N.V., Hakrinbank N.V., RBC Royal Bank Suriname N.V., thans Republic Bank (Suriname) N.V., Surichange Bank N.V., Finabank N.V., Surinaamse Volkscredietbank N.V., Godo Coöperatieve Spaar- en Kredietbank G.A., Surinaamse Postspaarbank N.V., de Staat Suriname, met name de ministeries van Handel en Industrie, Landbouw Veeteelt en Visserij en Financiën op alle gelden en/of geldswaarden die zij aan eiseres verschuldigd zijn/of mochten worden.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 03 april 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2017-25

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-4777
22 juni 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

De naamloze vennootschap N.V. CULTUURONDERNEMING (N.V. Con), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Nickerie,
eiseres,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap YAMUNA N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Margrietstraat no. 03,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 03 oktober 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de akte van aanvulling c.q. wijziging van eis d.d. 20 oktober 2016;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20 oktober 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 05 januari 2017, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 02 februari 2017, met producties;
  • de conclusie van dupliek d.d. 02 maart 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties d.d. 06 april 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 01 augustus 1997 heeft eiseres met gedaagde een huurovereenkomst gesloten, betreffende de huur van 520 ha landbouwarealen voor 4 padieseizoenen ingaande 04 augustus 1997 tot en met eind november 1999. Eiseres was de verhuurster en gedaagde de huurster.Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst was [naam 1] de directeur van eiseres en [naam 2] (hierna aangeduid als [naam 2]) de directeur van gedaagde.

2.2 In de hiervoor bedoelde huurovereenkomst is in artikel 4 lid 2 het volgende neergelegd:
“Het is de huurder ten strengste verboden om het gehuurde perceel onder te verhuren of aan derden af te staan of in gebruik te geven.”

2.3 Op 13 december 1997 heeft gedaagde het gehuurde onderverhuurd aan ene [naam 3].

2.4 Op 04 maart 1998 heeft eiseres de huurovereenkomst met gedaagde opgezegd. Reden daartoe is het feit dat gedaagde in strijd met de huurovereenkomst het gehuurde aan een derde heeft onderverhuurd.

2.5 In reactie op de opzegging heeft gedaagde aan eiseres kenbaar gemaakt dat eiseres het gedaagde onmogelijk maakte om op het gehuurde te werken en zij als gevolg daarvan schade had geleden.Op 03 maart 1999 is eiseres door gedaagde gesommeerd tot betaling van de door haar vermeend geleden schade, zijnde winstderving over 4 padieseizoenen, totaal begroot op USD 748.380,-.

2.6 Op 30 september 1999 kwam de toenmalige directeur van eiseres te overlijden en is [naam 3], die nog directeur van gedaagde was, op 17 december 1999 benoemd tot directeur van eiseres.

2.7 Op de algemene vergadering van aandeelhouders van eiseres d.d. 12 mei 2003 is [naam 4] benoemd tot directeur van eiseres.

2.8 De benoeming van de hiervoor genoemde [naam 4] is op vordering van de aandeelhouders bij vonnis van de kantonrechter d.d. 04 februari 2004 in de zaak bekend onder A.R. No. 03-4006 nietig verklaard.Als gevolg hiervan werd [naam 3] wederom als directeur van eiseres in het KKF-register ingeschreven en trad hij ook op als directeur van eiseres.

2.9 Op 14 december 2007 heeft gedaagde een vordering in de zaak bekend onder A.R. No. 07-5354 tegen eiseres ingesteld, inhoudende ontbinding van de huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997 en vergoeding van de door haar vermeend geleden schade. Ten tijde van de indiening van de hiervoor bedoelde vordering was [naam 3] directeur van zowel eiseres als gedaagde.

2.10 Op 16 juni 2008 heeft [naam 3] zijn zoon, [naam 5], hierna aangeduid als [naam 5], benoemd tot directeur van gedaagde.

2.11 Op 19 december 2008 heeft eiseres een overeenkomst met gedaagde gesloten, inhoudende dat eiseres de door gedaagde gestelde schade geheel en onvoorwaardelijk erkent en dat eiseres het bedrag groot € 800.000,- zal betalen, dan wel dat eiseres dat bedrag aan gedaagde betaalt middels uitgifte van 42 extra aandelen.

2.12 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 26 februari 2009 in de zaak bekend onder A.R. No. 09-0011, is aan [naam 6] toestemming verleend om een algemene vergadering van aandeelhouders te beleggen. Op 08 juli 2011 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van eiseres plaatsgevonden, op welke vergadering [naam 6] is benoemd tot directeur van eiseres.

2.13 Op 16 juni 2009 heeft eiseres, met als directeur [naam 3], aan gedaagde medegedeeld dat zij niet aan haar verplichtingen kan voldoen.

2.14 Op 24 maart 2015 heeft de kantonrechter bij vonnis in het incident en in de hoofdzaak in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 07-5354 onder meer het volgende beslist:“ In het incident

5.1 Verklaart incidentele eisers niet ontvankelijk in hun incidentele vordering;

5.2 Veroordeelt incidentele eisers in de proceskosten aan de zijde van Yamuna N.V. en N.V. Con gevallen tot aan de uitspraak begroot op nihil.

In de hoofdzaak

5.3 Ontbindt de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997.

5.4 Veroordeelt N.V. CON om aan Yamuna N.V. te betalen:

  1. de som van € 80.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede om, om de zes maanden voor het eerst op 29 juli 2010 aan Yamuna N.V. te betalen het bedrag van € 40.000,- totdat het bedrag van € 80.000,- algeheel of volledig zal zijn voldaan.
  2. de buitengerechtelijke kosten ad € 120.000,-.”

2.15 Op 15 juli 2015 heeft gedaagde het hiervoor vermeld vonnis bij exploit van een deurwaarder aan eiseres doen betekenen, waarbij eiseres is gesommeerd tot betaling van de hiervoor vermelde bedragen waartoe zij is veroordeeld.

2.16 Op 23 juni 2015 heeft eiseres hoger beroep aangetekend tegen het vonnis vermeld onder 2.14. De aandeelhouders van eiseres die in de procedure zijn tussengekomen, hebben op 07 juli 2015 ook hoger beroep tegen het vonnis aangetekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) de werking van het vonnis d.d. 24 maart 2015 bekend onder A.R. No. 07-5354 te schorsen dan wel op te schorten;
II) de bereids aangevangen executie van het vonnis d.d. 24 maart 2015 bekend onder A.R. No. 07-5354 te schorsen dan wel op te schorten totdat in de door eiseres ingestelde hoger beroep procedures bekend onder G.R. No’s: 15138 en 15139 zal zijn beslist;
III) de werking van de overeenkomst tussen de partijen d.d. 19 december 2008 te schorsen dan wel op te schorten;
IV) tevens te bepalen dat gedaagde aan eiseres een dwangsom verschuldigd zal zijn van SRD 1.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat gedaagde weigert aan dit vonnis te voldoen en de in gang gezette executie voortzet;
V) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zich na de procedure omstandigheden hebben voorgedaan en/of dat er feiten aan het licht zijn gekomen waardoor er sprake van is dat het vonnis op zowel een feitelijke als juridische misslag berust, althans dat door de executie daarvan te bevelen aan de zijde van geёxecuteerde, in casu eiseres, een noodtoestand zal ontstaan dan wel dat er andere feiten en/of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant, in casu gedaagde, in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar recht tot executie van het vonnis.

Daartoe heeft zij tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende gesteld:

  • bij de benoeming van [naam 3] tot directeur van eiseres, zijn de overige erfgenamen van de overleden directeur [naam 1] c.q. aandeelhouders met [naam 3] mondeling overeengekomen dat hij als directeur van gedaagde alle door gedaagde ingestelde schadeclaims in verband met de huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997 zou intrekken;
  • [naam 3] heeft onrechtmatig jegens eiseres gehandeld, in die zin dat hij in strijd met hetgeen hij bij de benoeming tot directeur van eiseres was overeengekomen de bedoelde schadeclaims niet heeft ingetrokken. [naam 3] heeft in stede daarvan de overeenkomst d.d. 19 december 2008, zoals bedoeld onder 2.11 in dit vonnis, met gedaagde gesloten met het oog om eiseres en haar aandeelhouders c.q erfgenamen te benadelen;
  • [naam 3] heeft in strijd met artikel 4 lid 5 van de Statuten van eiseres een besluit over de uitgifte van aandelen genomen.

Als spoedeisend belang heeft eiseres gesteld dat door de onverwijlde tenuitvoerlegging van de executie van het litigieuze vonnis de voortgang van de bedrijfsvoering ernstig in gevaar wordt gebracht.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft opgeworpen dat de wijziging van eis onrechtmatig is, omdat het een vermeerdering van eis inhoudt en het niet aan haar is betekend.De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat eiseres bij de wijziging van eis het onderwerp van het geschil, danwel de grondslag niet heeft verlaten. Tevens is de wijziging van eis op de rolzitting van 20 oktober 2016 aan de gemachtigde van gedaagde ter hand gesteld voordat van eis is geconcludeerd, waardoor gedaagde niet in haar verweer is geschaad. Daarom is de wijziging van eis, zoals onder 3.1 is weergegeven, toegestaan.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiseres misbruik maakt van procesrecht, omdat er in de onderhavige zaak reeds vonnis in een bodemprocedure is gewezen.Tevens heeft gedaagde opgeworpen dat eiseres in strijd handelt met het ne bis in idem-beginsel door een zaak, waarover reeds is beslist, opnieuw aan de kantonrechter voor te leggen.Gedaagde heeft in reactie op dit verweer gesteld dat het civiele recht geen ne bis in idem-beginsel kent en dat er daar al dan niet sprake is van gezag van gewijsde.Ter zake is de kantonrechter het volgende van oordeel. Zoals de kantonrechter het verweer begrijpt, beroept gedaagde zich erop dat de bodemrechter reeds heeft beslist in het geschil tussen partijen en eiseres door het instellen van de onderhavige vordering misbruik maakt van het procesrecht.Dit verweer van gedaagde gaat, zoals eiseres terecht heeft gesteld, niet op. Dit, omdat eiseres hoger beroep heeft aangetekend tegen het bedoelde vonnis en het dus nog geen gezag van gewijsde heeft. Ook gaat gedaagde uit van een onjuist standpunt dat de onderhavige vordering niet mag worden ingesteld en brengt de kantonrechter gedaagde in dat kader in herinnering dat volgens vaste jurisprudentie staking of schorsing van de executie van een vonnis slechts kan worden bevolen, indien sprake zou zijn van misbruik van recht. Dit kan het geval zijn, indien:

  • het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust;
  • de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde in casu eiser, een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;
  • er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant in casu gedaagde in redelijkheid geen gebruik mag maken van het exclusieve recht tot executie van het vonnis in kwestie.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de kantonrechter het verweer van gedaagde.

4.3 Tevens heeft gedaagde opgeworpen dat eiseres tardief is met het indienen van de onderhavige vordering en er geen spoedeisend belang is. De kantonrechter verwerpt dit verweer, omdat de wetgever aan de vordering tot schorsing c.q. opschorting van de tenuitvoerlegging c.q. verdere tenuitvoerlegging van een vonnis geen termijn heeft gekoppeld. Voor zover gedaagde betoogt op te werpen dat reeds een aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van het vonnis en eiseres daardoor aldus tardief is met de onderhavige vordering, gaat zulks evenmin op. Dit, omdat eiseres nog doende is het vonnis ten uitvoer te leggen.Daar gedaagde doende is het bedoelde vonnis tenuitvoer te leggen en eiseres heeft betoogd dat gedaagde misbruik maakt van het bedoelde vonnis, waartegen zij hoger beroep heeft ingesteld, acht de kantonrechter het spoedeisend belang van eiseres wel aannemelijk.

4.4 Thans ligt ter beantwoording de vraag of na het vonnis feiten en omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen, die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde in casu eiseres, een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis niet kan worden aanvaard.Zoals de kantonrechter eiseres begrijpt hebben [naam 3] en diens zoon hangende het geding in de zaak bekend onder A.R. No. 07-56354 door het sluiten van de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2008 een paulianeuze handeling in de zin van artikel 1362 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek verricht en hebben zij daardoor aldus onrechtmatig jegens de overige aandeelhouders en eiseres gehandeld. Daar [naam 3] deze handeling heeft verricht, dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter [naam 3] voor deze handeling en de vermeende schade die hieruit voor eiseres c.q de overige aandeelhouders mocht voortvloeien in persoon te worden aangesproken. Aantasting van de hiervoor bedoelde overeenkomst op grond van een paulianeuze handeling zal naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter weinig kans van slagen hebben, omdat [naam 3] de overeenkomst in de hoedanigheid van directeur van eiseres met gedaagde heeft gesloten. Daarbij neemt de kantonrechter ook de hierna volgende feiten en omstandigheden in overweging. Ofschoon eiseres er kennis van droeg dat [naam 3] vanaf het jaar 1997 directeur van gedaagde was en daardoor nauw betrokken was bij gedaagde, heeft eiseres er toch voor gekozen om [naam 3] te benoemen tot directeur van eiseres. Dit alles met, zoals uit haar eigen stellingen blijkt, het oog op intrekking van de schadeclaims die gedaagde reeds tegen haar had lopen.Uit de inhoud van de overeenkomst die eiseres met gedaagde op 19 december 2008 heeft gesloten blijkt, dat eiseres een vordering tot schorsing van de huurovereenkomst van 01 augustus 1997 tegen gedaagde had ingesteld in de kort geding zaak bekend onder A.R. No. 98-1231 en dat de kantonrechter de vordering ter zake bij vonnis van 30 november 2000 heeft geweigerd. Hieruit leidt de kantonrechter af dat eiseres in het jaar 1998, en wel voordat [naam 3] tot directeur van eiseres werd benoemd, een vordering tegen gedaagde had ingesteld. Hieruit trekt de kantonrechter de conclusie dat er sedertdien over en weer geschillen tussen partijen gaande waren, en eiseres dan wel haar aandeelhouders er dan nog voor heeft/hebben gekozen om [naam 3], die toentertijd nog directeur was van gedaagde, te benoemen tot directeur.Hetgeen hiervoor in onderling samenhang beschouwd en gelezen is overwogen, brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat de feiten waarop eiseres zich beroept, zich reeds hadden voltrokken en deze toen al bij eiseres bekend waren, zodat het beroep op nieuw aan het licht voorgevallen feiten na het vonnis niet opgaat. Daarom zullen om die reden de door eiseres gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.5 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, op donderdag 22 juni 2017 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-0130
19 januari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A.STICHTING CERPA, rechtspersoon,
B.STICHTING COLARES, rechtspersoon,
C. [eiser sub C],
D. [eiser sub D],
eisers sub A en sub B gevestigd in het district Wanica,
eisers sub C en sub D wonende aan de [adres] in het [district 1],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP LANDBOUWBANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 38 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtige: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 12 januari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 15 januari 2018;
  • de conclusie van antwoord d.d. 16 januari 2018, met producties;
  • de conclusie van repliek d.d. 17 januari 2018;
  • de conclusie van dupliek d.d. 17 januari 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1 Eiser sub C is enig bestuurslid van eisers sub A en sub B.

2.2 Eisers sub A en sub B zijn de eigenaars van het zakelijk recht van grondhuur op:
“ – het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vijftien hectaren, zes en dertig aren en dertien centiaren, gelegen in het [district 2] , ten noorden van het [pad], achter- en grenzende aan het [project], op de kaart van de landmeter in Suriname lic. Reg. R.I. Amelo Lcs. de dato achttien maart tweeduizend negen, aangeduid met de letters A’BB’C’KI en met het nummer 1, welk perceelland blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname de dato vier en twintig April tweeduizend negen, voortaan bekend zal zijn als [adres 2], welk perceelland deel uitmaakt van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw – vervallende zestien november tweeduizend twee en dertig – op het perceelland, groot tweehonderd zeven en veertig hectaren, veertig aren en twaalf centiaren instede van tweehonderd vijftig hectaren, gelegen in het [district 2], ten noorden van het [pad] achter – en grenzende aan het [project], evenwel met uitzondering van de voor weg bestemde strook grond groot vier hectaren (figuur aBbcd), nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek de dato zes juni negentienhonderd twee en negentig door de figuur ABCDEFGH en blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe de dato negen juli negentienhonderd twee en negentig, thans bekend als [adres 3], met uitzondering van de overgedragen delen alsmede met uitzondering van de verkochte en nog niet overgedragen delen, te weten nummers 505, 518, 519, 522 en 529;

– het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vier en twintig hectaren, vier en dertig aren en acht centiaren, gelegen in het [district 2], ten noorden van het [pad], achter- en grenzende aan het [project], op de kaart van de landmeter in Suriname lic. Reg. R.I. Amelo Lcs. de dato achttien maart tweeduizend negen, aangeduid met de letters Zihe en met het nummer 9, welk perceelland blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe de dato vier en twintig April tweeduizend negen, voortaan bekend zal zijn als [adres 4], welk perceelland deel uitmaakt van het recht van grondhuur ter uitoefening van de landbouw – vervallende zestien november tweeduizend twee en dertig – op het perceelland, groot tweehonderd zeven en veertig hectaren, veertig aren en twaalf centiaren instede van tweehonderd vijftig hectaren, gelegen in het [district 2] , ten noorden van het [pad] achter – en grenzende aan het [project], evenwel met uitzondering van de voor weg bestemde strook grond groot vier hectaren (figuur aBbcd), nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek de dato zes juni negentienhonderd twee en negentig door de figuur ABCDEFGH en blijkens de indorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe de dato negen juli negentienhonderd twee en negentig, thans bekend als [adres 3].”

2.3 Op 11 juli 2014 heeft gedaagde twee kredieten aan eisers sub C en sub D verstrekt, respectievelijk een investeringskrediet ad SRD 173.250,- voor het bezanden van de wegen van een verkavelingsproject en een rekening-courantkrediet ad SRD 75.000,- voor het financieren van operationele kosten van een verkavelingsproject.
Partijen zijn overeengekomen dat het investeringskrediet, vermeerderd met rente ad 13% per jaar en kosten, maandelijks zal worden afgelost voor een bedrag van SD 4.035,-. De eerste aflossing zou geschieden ultimo 2014 en de laatste aflossing op 30 juni 2019.

2.4 Tot zekerheid voor de voldoening van deze leningen hebben eisers sub A en sub B ten behoeve van gedaagde een hypotheek gevestigd op de hiervoor onder 2.2 omschreven zakelijke zekerheidsrechten tot een bedrag van SRD 900.000,-.

2.5 De hiervoor vermelde kredieten zijn verstrekt naar aanleiding van de door eisers sub C en sub D ingediende kredietaanvraag bij gedaagde. Ter zake deze aanvraag heeft gedaagde op 17 april 2014 het hierna volgende aan eisers sub C en sub D medegedeeld:
“Voor de goede orde bevestigen wij hiermee hetgeen door onze functionaris (…) aan u is medegedeeld met betrekking tot de voorwaarde om te komen tot formalisering van uw kredietaanvraag, met als doel het afronden van het verkavelingsproject op het grondhuur terrein groot ± 14,449HA gelegen aan het [adres 2], meer bekend als het [project].

Tevens bevestigen wij uw informatie dat u, ter voldoening aan deze voorwaarde, het verzoek voor verlenging van de termijn om het recht van grondhuur over te dragen aan derden, heeft ingediend bij het Ministerie van Regionale Ontwikkeling en Grond Beheer (Ministerie ROGB).

Wij verzoeken u dan ook bij het Ministerie van ROGB aan te dringen op spoedige uitvoering van het voorgaande, omdat zonder deze toestemming, de notariële overdrachten van kavels niet zullen kunnen geschieden, met alle consequenties voor u, voor de kavel kopers en voor onze instelling.

Zodra aan deze voorwaarde is voldaan en wij daarvan in kennis zijn gesteld, zullen wij uw goedgekeurde kredietaanvraag formaliseren, waarna u over de betreffende geldmiddelen kunt beschikken.

Wij tekenen hierbij aan dat indien u binnen 2 maanden na heden, dus uiterlijk 17 juni 2014, niet aan onze voorwaarde heeft kunnen voldoen, wij genoodzaakt zullen zijn uw aanvraag wederom in behandeling te moeten nemen.”.

2.6 Vanwege het niet voldoen door eisers aan hun aflossingsverplichting had gedaagde de openbare verkoop van de zakelijke zekerheidsrechten aangezegd voor 13 juli 2017. Op 30 juni 2017 hebben eisers sub C en sub D aan gedaagde het verzoek gedaan de openbare verkoop af te gelasten. Ter zake hebben zij het hierna volgende in hun verzoek vermeld:
“ Op 11 november 2013 heeft de ondergetekende … een projectdossier aangeboden aan de Landbouwbank n.v. ter financiering van de verdere ontwikkeling van een reeds geinitieerd verkavelingsproject. Het betreft bezanden van wegen en aanleg van de nutsvoorzieningen.
(…)
Bij schrijven van de Landbouwbank NV werd de financieringsaanvraag voor een bedrag van SRD. 900.000,- goedgekeurd onder de voorwaarde dat formalisering hiervan zou plaatsvinden

Per schrijven van 2 juni 2014 van de Landbouwbank N.V. aan het notariaat Hira Sing is opdracht gegeven tot het passeren van een akte van een eerste krediethypotheek tot een bedrag van SRD 900.000,- te laste van Stichting Cerpa en Stichting Colares.
De akte is verleden op 11 juli 2014.

Als bijlage zijn ingesloten de taxatierapporten betreffende de gronden van de Stichtingen Cerpa en Colaris, met respectievelijke verkoopwaarden van € 2.304.195,- en € 365.112,-.

Verder werd door de Landbouwbank N.V. bedongen dat naast de maandelijkse aflossingen van de hoofdsom en rente ook 60% van de verkoopwaarde van de percelen bij overdracht werd betaald aan de Bank.

In het kader van het kredietarrangement van SRD 900.000,- werden 2 kredietfaciliteiten overeengekomen, te weten een investeringskrediet en een rekeningcourantkrediet. Het saldo van deze kredieten bedraagt per 17 maart 2017, volgens opgave van de VCB, SRD 271.030,71.

Het meest belangrijke voor de ontwikkeling van het project terzake het genereren van een positieve cashflow zijn de investeringsmiddelen t.b.v. de aanleg en electriciteitsvoorzieningen. De middelen die hiervoor waren overeengekomen zijn tot op heden niet beschikbaar gesteld door de Landbouwbank N.V., met als gevolg een ernstige stagnatie in de verkoop van de bouwkavels. Hierdoor konden op den duur de verplichte aflossingen en rentebetalingen niet meer plaatsvinden en accumuleerden de schulden zich. Deze situatie leidt tot enorme verliezen.

De twee verleende kredietfaciliteiten staan in schril contrast met de getaxeerde waarde van onderzettingen ad €2.669.307.

Gezien het bovenstaande, verzoeken wij het saldo van de overeengekomen investeringsmiddelen alsnog beschikbaar te stellen om het project te finaliseren, zodat verdere financiële schade wordt voorkomen. Tevens doen wij een beroep op u de voorgenomen veiling op donderdag 13 juli 2017 af te gelasten ten behoeve van een grondig onderzoek in deze kwestie.”

2.7 Op 13 juli 2017 heeft gedaagde de aangezegde openbare verkoop stopgezet en zijn partijen per diezelfde datum een vervolgtrajekt ter afwikkeling van de leningen met elkaar overeengekomen. Met name hebben eisers sub C en sub D de volgende afspraken, die op schrift zijn gesteld, met elkaar gemaakt:

“ 1. De heer [eiser sub C] heeft enkele voorstellen gedaan om op korte termijn aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2. De bouwkavels worden tegen sterk verlaagde prijzen verkocht.
3. Het gaat om 20 kavels in oppervlakte varierend van 460m², met prijzen per kavel van Euro3.500,- en Euro 4.500,-. Hiervoor is al belangstelling ontvangen.
4. De heer [eiser sub C] is in onderhandeling voor de verkoop van 100 ha ingepolderd areaal, dat binnenkort zijn beslag moet krijgen.
5. De veiling van heden 13 juli 2017 wordt stopgezet.
6. Binnen 2 maanden (uiterlijk 13 september 2017) worden de leningen bij de bank afgewikkeld of de achterstanden worden in zijn geheel afgelost.
7. Als de client zich niet houdt aan de gemaakte afspraken wordt de veilingsprocedure weer ingezet.”

2.8 Bij exploiten van de deurwaarder L. Gangaram Panday d.d. 27 november 2017, no’s. 61 en 62, heeft gedaagde aan eisers de aanzegging gedaan dat zij zal overgaan tot executie van het onroerend goed op vrijdag 19 januari 2018 des voormiddag te 11.00 uur ten kantore van notaris mr. M.A. Nannan Panday.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde te verbieden om op vrijdag 19 januari 2018 des voormiddags om 11.00 uur ten kantore van de notaris mr. Madhuri A. Nannan Panday aan de Prins Hendrikstraat no. 56-58 te Paramaribo, door haar, de notaris, of diens plaatsvervanger in het openbaar te verkopen de onder 2.2 omschreven percelen toebehorende aan eisers sub A en sub B, onder verbeurte van een dwangsom van € 3.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, mocht gedaagde in strijd met dit vonnis handelen;
II) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • gedaagde droeg sedert de verstrekking van de kredieten er kennis van dat eisers sub C en sub D geen bronnen van inkomsten hadden en zij de aflossingen op de aan hun verstrekte kredieten zouden betalen uit de opbrengsten verkregen uit de verkoop van de percelen door eisers sub A en sub B;
  • vanwege het niet verstrekken van het restbedrag van de kredietaanvraag van SRD 900.000,- zijn eisers in problemen geraakt met de aflossing van het krediet, omdat zij van dit saldokrediet afhankelijk waren ter finalisering van het verkavelingsproject voor de verkoop van kavels;
  • vanwege het uitblijven van de verstrekking van de aanvullende kredietgelden ad SRD 612.000,- door gedaagde konden eisers sub sub C en sub D niet overgaan tot de verkoop en geen inkomsten werven. Zij hadden geen andere inkomstenbronnen. Gedaagde was bekend met deze situatie van eisers en heeft gedaagde hierdoor zelf ook het risico op zich genomen dat eisers thans niet kunnen aflossen;
  • eisers zijn thans bezig een koop-verkooptransactie te sluiten om het verschuldigde bedrag te kunnen aflossen;
  • de percelen vertegenwoordigden in januari 2016 een gezamenlijke verkoopwaarde van € 2.600.000,-. Het verschuldigde bedrag ad SRD 305.071,77, met een tegenwaarde van € 32.112,- weegt niet op tegen de getaxerde waarde van de zakelijke zekerheidsrechten.
    Tevens beroepen eisers zich er ook op dat de kredietovereenkomst nietigheid c.q. vernietigbaarheid met zich meebrengt. Daartoe stellen zij dat gedaagde wist dat eisers in de problemen zouden geraken en zij bewust de kredieten aan hen heeft verstrekt om de zakelijke zekerheidsrechten in het openbaar ten verkoop aan te bieden, waarbij het algemeen bekend is dat stromannen optreden als kopers van deze goederen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde, met name uit de stelling dat de openbare verkoop van het onroerend goed op heden d.d. 19 januari 2018 zal plaatsvinden. Daarom zullen eisers worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter gaat de stelling van eisers dat de kredietovereenkomst nietigheid c.q. vernietigbaarheid met zich meebrengt niet op, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Ingevolge het overeenkomstenrecht zijn de gronden die tot nietigheid c.q. vernietigbaarheid van een overeenkomst leiden: dwang, dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat eisers de kredietovereenkomst onder deze gronden met gedaagde hebben gesloten. Eisers zelf wisten dat zij niet in staat zouden zijn het aan hun verschafte bedrag binnen de overeengekomen termijn te kunnen aflossen, dan nog hebben zij het risico genomen om de kredietlening aan te vragen en akkoord te gaan met de voorwaarden. Dat zij de lening niet zouden kunnen aflossen en gedaagde zulks wist, kunnen zij daarom niet in redelijkheid aan gedaagde tegenwerpen.

4.3 Niet in geschil is, is dat eisers sub C en sub D niet hebben voldaan aan hun plicht tot aflossing van de aan hun verstrekte kredieten en aldus in verzuim zijn met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, zodat gedaagde ingevolge artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bevoegd is om tot openbare verkoop van de zakelijke zekerheidsrechten over te gaan.

4.4 Wat wel in geschil is, is de beantwoording van de vraag of gedaagde misbruik maakt van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan en zal de kantonrechter zich daarom daarop toespitsen.
Daar eisers reeds in verzuim waren met het voldoen aan hun aflossingsverplichtingen en vanwege dit verzuim de openbare verkoop in een eerder stadium was aangezegd voor 13 juli 2017, dient als uitgangspunt voor de kantonrechter de MEMO van 13 juli 2017 bij welke MEMO eisers zich eraan hebben verbonden de leningen binnen 2 maanden af te lossen.
In dat kader rijst de vraag of de door gedaagde aan eiseres gegeven termijn van 2 maanden tot aflossing van de leningen redelijk en billijk wordt geacht. Dit, bekeken vanuit het licht dat de verkoop van de kavels stroef verloopt en eisers bij het tekenen van de MEMO reeds met een derde aan het onderhandelen waren over een koop/verkoopovereenkomst om de schuld af te kunnen lossen, welke verkoop zoals verwoord in de MEMO binnenkort zijn beslag zou moeten krijgen.
Daar het een feit van algemene bekendheid is dat de administratieve en financiele afhandeling bij de verkoop van onroerende goederen tijd vergt, acht de kantonrechter de termijn van 2 maanden die toen aan gedaagde zou zijn verleend niet redelijk en billijk. Een termijn van 9 maanden, met ingang van 13 juli 2017, zou naar het oordeel van de kantonrechter redelijk en billijk zijn geweest. Dit, omdat gedaagde er bekend mee was dat eisers voor de aflossing van de leningen afhankelijk waren van de verkoop van de kavels, eisers reeds investeringen hebben gepleegd in de te verkopen kavels, er reeds kopers zijn van enkele van de kavels en deze factoren reeds een indicatie voor gedaagde moesten zijn dat het niet voor eisers haalbaar zou zijn om de verkoop binnen twee maanden na 13 juli 2017 te realiseren en daaruit voortvloeiend de aflossing van de leningen binnen die termijn van twee maanden volledig te voldoen. Deze omstandigheden brengen de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde misbruik maakt van het recht van executie en acht de kantonrechter het gerechtvaardigd om op heden de stopzetting van de aangekondigde executie te gelasten, zodat eisers nog 3 maanden de tijd hebben om de verkoop te kunnen realiseren en binnen die drie maanden volledig aan hun aflossingsverplichting te voldoen.
Mochten eisers er niet in slagen om binnen drie maanden na de uitspraak van dit vonnis de verkoop te realiseren en evenmin erin slagen binnen die drie maanden de leningen volledig aan gedaagde te voldoen, dan zullen zij zich niet meer met succes erop kunnen beroepen dat gedaagde misbruik maakt van het recht van executie.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploit van een deurwaarder ad SRD 320,-.

5. De beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploiten van de deurwaarder L. Gangaram Panday,d.d. 27 november 2017 met no’s 61 en 62 aangezegde openbare verkoop van de in die exploten omschreven zakelijke zekerheidsrechten, welke openbare verkoop op heden vrijdag 19 januari 2018 des voormiddags te 11.00 uur ten kantore van de notaris mr. Madhuri A. Nannanpanday, of diens plaatsvervanger, aan de Prins Hendrikstraat no. 56-59 te Paramaribo zal plaatsvinden.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een direct opeisbare dwangsom van SRD 5.000.000,- (Vijfmiljoen Surinaamse Dollar), indien gedaagde in strijd handelt met het besliste onder 5.1

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 370,- (Driehonderd en Zeventig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 19 januari 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.