SRU-K1-2016-26

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 163283
21 juli 2016

Vonnis in de zaak van

RAMA’S CAR PALACE NV, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
gemachtigde: mr. N. Rapprecht-Lui, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 28 juni 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met productie,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij verzoekschrift van 4 december 2015 heeft gedaagde een vordering tegen eiseres ingesteld.

2.2 Op de dag van de eerste behandeling is eiseres niet verschenen waardoor tegen haar verstek is verleend en is bepaald dat op 17 maart 2016 vonnis zal worden gewezen. De zaak staat bekend onder AR no. 15-5399.

2.3 Bij schrijven van 5 februari 2016 heeft de gemachtigde van eiseres aan de griffier, met een kopie naar gedaagde, zijn gemachtigde, aangegeven dat het verstek op 17 maart door haar gezuiverd zal worden.

2.4 Op 17 maart 2016 is verstekvonnis gewezen waarbij eiseres is veroordeeld om binnen een maand na betekening van dit vonnis de overschrijving van het voertuig te bewerkstelligen. Ook is eiseres veroordeeld tot betaling van het bedrag van US$ 195,= aan gedaagde.

2.5 Het vonnis is aan eiseres betekend op 10 juni 2016.

2.6 Tegen dit vonnis heeft eiseres verzet aangetekend op 22 juni 2016.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Schorst, of opschort, de executie van het vonnis van 17 maart 2016 in de zaak bekend onder AR no. 15-5399, totdat in de verzetzaak zal zijn beslist, op straffe van een dwangsom en voorts
  • Gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij geen overeenkomst van huurkoop heeft met gedaagde. Voorts voert zij aan dat er een zuiveringsbrief is gestuurd naar de rechter waardoor zij in de gelegenheid gesteld had moeten worden om verweer te voeren. Ondanks dit schrijven is toch verstekvonnis gewezen.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling
5.1 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat hij niet op de hoogte is van een zuiveringsschrijven. Voorts voert gedaagde aan dat er wel sprake is van een huurkoopovereenkomst met eiseres.

5.2 De kantonrechter overweegt dat de schorsing van de executie van een vonnis pas dan kan worden toegewezen wanneer er sprake is van een aperte misslag of van een situatie waarbij de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geexecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

5.3 De kantonrechter is dan ook gehouden de onderhavige vordering tot schorsing van de werking van het vonnis aan deze criteria te toetsen. Mocht er sprake zijn van één van deze criteria (aperte misslag of een nieuw aan het licht gekomen feit), dan zal schorsing van een executie mogen volgen. Indien er geen sprake is van een van deze criteria, dan zal het gevorderde moeten worden afgewezen en zullen partijen de behandeling in de verzetprocedure moeten afwachten.

5.4 De kantonrechter overweegt dat eiseres in haar grondslag een beroep erop doet dat zij het verstek had gezuiverd middels een schrijven gedateerd 5 februari 2016, voor de datum van het verstekvonnis.

5.5 De kantonrechter overweegt dat dit feit gezien kan worden als een nieuw feit welke aan het licht is gekomen na het vonnis en waarvan aangenomen kan worden dat, indien de kantonrechter daarvan op de hoogte was, het feit ertoe zou leiden dat er geen verstekvonnis gewezen zou worden.

5.6 De kantonrechter is van oordeel dat er in casu wel sprake is van een na het verstekvonnis aan het licht gekomen feit of omstandigheid die tot de conclusie leidt dat de executie van het vonnis kan worden geschorst.

5.7 De kantonrechter zal daarom het gevorderde toewijzen.

5.8 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Schorst de werking van het verstekvonnis gewezen op 17 maart 2016 in de zaak bekend onder AR no. 15-5399 totdat er definitief zal zijn beslist in de betreffende verzetsprocedure;

6.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiseres een dwangsom te betalen van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat hij in strijd handelt met dit vonnis;

6.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 250,= (tweehonderd en vijftig Surinaamse dollar).

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 21 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2018-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-0314
25 januari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
beiden wonende aan [adres 1] te [district],
C. de naamloze vennootschap SURISHOPPING N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Wilhelminastraat no. 45-47 te Paramaribo,
eisers,
allen procederend in persoon,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V., voorheen geheten de RBC ROYAL BANK (SURINAME) N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 01 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 23 januari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie tot overlegging producties aan de zijde van eisers d.d. 24 januari 2018;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van gedaagde over de producties d.d. 24 januari 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1 Bij exploot van een deurwaarder d.d. 07 december 2017 heeft gedaagde aan eisers haar voornemen tot de openbare verkoop van de in dat exploit omschreven onroerende goederen op donderdag 25 januari 2018, des voormiddag om 11.00 (elf) uur,ten kantore van [notaris 1], waarnemende het kantoor van de alhier geresideerd hebbende [notaris], aan [adres 2], aangezegd. Middels dit exploot heeft gedaagde tevens aan eisers doen betekenen:
a) de grosse van een akte krediethypotheek d.d. 09 juli 2014;
b)de grosse van een akte krediethypotheek d.d. 13 augustus 2014.

Tevens is in het bedoelde exploit vermeld dat aan eisers per diezelfde datum is betekend een saldo opgave d.d. 09 november 2017 waarin is vermeld dat de totale schuld van eisers tot 09 november 2017 US$ 1.474.216,91 bedraagt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:
– te gelasten de stopzetting van de openbare verkoop van de registergoederen zoals vermeld in het exploit d.d. 07 december 2017 [nummer], welke openbare verkoop zal plaatsvinden op donderdag 25 januari 2018 om 11.00 uur des voormiddag ten overstaan van [notaris 1], vervangende het vacante kantoor van de alhier geresideerd hebbende [notaris 2], op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,-;

Subsidiair:
– de tenuitvoerlegging van de in het inleidend rekest omschreven akten van krediethypotheek te schorsen althans op te schorten, totdat bij wege van een in kracht van gewijsde gegane vonnis door de gewone rechter zal zijn beslist omtrent de rechtmatigheid van de voorgenomen openbare verkoop.

3.2 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • in tegenstelling tot wat in het exploit staat vermeld, heeft gedaagde geen saldo opgave c.q. een financieel overzicht aan eisers verstrekt. Hierdoor maken eisers zich schuldig aan schuldeisers verzuim. Dit verzuim maakt het exploit van aanzegging d.d 07 december 2017 nietig;
  • gedaagde maakt misbruik van het recht van executie, daarin bestaande dat gedaagde onzorgvuldig naar hen toe heeft gehandeld. Met name hadden eisers sinds juli 2015 aan gedaagde het verzoek gedaan om het pand te [plaats] onderhands te verkopen aan een derde voor een bedrag van US$ 500.000, doch zou gedaagde hen pas op 16 januari 2016 toestemming daartoe hebben gegeven voor de onderhandse verkoop, waardoor de potentiële koper niet meer geïnteresseerd was in de koop. Zij zijn bereid en in staat om middels onderhandse verkoop van de vermogensbestanddelen de totale schuld bij gedaagde af te lossen om een grotere restschuld te voorkomen. Vanuit dit oogpunt dient gedaagde hen de gelegenheid te bieden het onroerend goed onderhands te verkopen;
  • de laatst gehouden veiling had slechts US$ 226.000,- opgebracht en heeft gedaagde om die reden de toewijzing aangehouden.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de omstandigheid dat de veiling van de in het exploit omschreven onroerende goederen is aangekondigd op 25 januari 2018 en dat eisers verwachten dat de onroerende goederen aanzienlijk minder zullen opleveren dan het door gedaagde opgegeven verschuldigde saldobedrag, te vermeerderen met rente en kosten), waardoor zij met een aanzienlijke restschuld zullen blijven zitten en in nog meer financiële problemen zullen geraken.

4.2 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord, die vanwege het korte tijdbestek en spoedeisend karakter mondeling is genomen, opgeworpen dat eisers middels brieven regelmatig op de hoogte zijn gehouden van het door hun verschuldigde bedrag. In reactie op dit verweer hebben eisers bij conclusie van repliek, die eveneens vanwege het korte tijdbestek en het spoedeisend karakter mondeling is genomen, gesteld dat gedaagde slechts een totaal bedrag heeft vermeld en geen specifieke saldo opgave heeft ontvangen. Met name moest, aldus eisers, de saldo opgave per rekeningnummer geschieden. In reactie hierop heeft gedaagde betoogd dat eisers twee zaken door elkaar halen, te weten saldo opgave en specificatie. Zoals de kantonrechter de stelling van eisers als hiervoor verwoord begrijpt, waarbij zij tijdens het mondeling concluderen voor repliek ter verduidelijking van het door hun gestelde een door hun bijgehouden overzicht van gepleegde aflossingen hebben getoond, zijn er verschillende kredieten die geregistreerd staan onder verschillende rekeningnummers aan hen verstrekt en diende gedaagde in de saldo opgave specifiek te vermelden wat de hoogte is van het saldo bij elk van de rekeningnummers. Echter hebben eisers naar het oordeel van de kantonrechter nagelaten te stellen welke kredieten het betreft en wat de rekeningnummers zijn. Dit, terwijl het volgens de algemene regels van het procesrecht op hun weg had gelegen om die feiten te stellen. Nu zij niet voldoende hebben voldaan aan hun stelplicht, rest de kantonrechter geen andere keus dan aan deze stelling voorbij te gaan.

4.3 Naar het voorlopig oodeel van de kantonrechter gaat het beroep van eisers op nietigheid van het exploit van aanzegging d.d. 07 december 2017 niet op. Dit, omdat in artikel 92 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna afgekort Rv) een limitatieve opsomming is gegeven in welke gevallen een expoit nietig is. Dit betekent dat er buiten dit artikel om er geen andere gronden zijn die leiden tot nietigheid van een exploit. Zoals blijkt uit de inhoud van het hiervoor vermelde artikel valt schuldeisersverzuim of het niet vermelden van een gespecificeerde saldo opgave niet onder de limitatieve opsomming.

4.4 De kantonrechter begrijpt uit de door eisers gevraagde voorzieningen dat zij stopzetting van de aangezegde openbare verkoop van de in het exploit omschreven onroerende goederen beogen. In dat licht stelt de kantonrechter het volgende voorop. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek is de hypotheekhouder (in casu gedaagde) bevoegd om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar (in casu eisers) in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. Dit kan volgens vaste jurisprudentie evenwel anders zijn, indien de hypotheekhouder – mede gelet op de belangen van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van die bevoegdheid. Dan is sprake van misbruik van recht. De kantonrechter zal zich nu de vordering stopzetting van een openbare verkoop betreft, zich daarom slechts toespitsen op hetgeen hiervoor is vooropgesteld.

4.5 Niet in geding is of eisers een achterstand hebben in aflossing van aan hun verstrekte kredieten. Ter zake constateert de kantonrechter het hierna volgende. Eisers betwisten wel de hoogte van het nog af te lossen bedrag, doch hebben zij zelf nagelaten te stellen wat de hoogte van het nog door hun aan gedaagde verschuldigde bedrag zou horen te zijn. Daarom zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat eisers tot 09 november 2017 het in de saldo opgave vermelde bedrag aan gedaagde verschuldigd is. Uit de ten processe door eisers zelf opgemaakte en overgelegde aflossingsstaat blijkt dat eisers vanaf april 2016 tot en met de dag van indiening van de onderhavige vordering geen aflossingen meer hebben gepleegd. Op grond van hetgeen hiervoor is geconstateerd komt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat eisers in gebreke zijn met het aflossen van de schuld en gedaagde om die reden ingevolge artikel 1207 lid 2 BW wel mag overgaan tot de openbare verkoop.

4.6 Gedaagde heeft weersproken dat zij misbruik maakt van het recht van executie. Daartoe heeft zij aangevoerd dat eisers geen onderliggende producties, dan wel geen enkele producties hebben overgelegd ter onderbouwing van hun stelling dat zij reeds een koper hebben om het pand te [wijk] onderhands te kunnen verkopen. In reactie hierop hebben eisers gesteld dat zij van hun zijde vele pogingen hebben ondernomen om voorstellen aan gedaagde te doen voor het kunnen afkopen van de schuld, doch dat gedaagde nimmer op hun voorstellen zou hebben gereageerd. Zoals de kantonrechter de stelling van eisers begrijpt, zijn zij in staat om het pand te [wijk] onderhands te verkopen en de schuld af te lossen, doch hebben zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet concreet gesteld wat de stand van zaken is met betrekking tot de onderhandse verkoop, waarmede zij sedert het jaar 2015 bezig zijn. Evenmin hebben zij producties overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij met diverse kopers aan het onderhandelen zijn, of een perceels ID reeds is aangevraagd voor het onderhands kunnen verkopen, de overeengekomen koopsom, de termijn waarbinnen de koopsom zal plaatsvinden en op welke wijze de betaling van de koopsom zal plaatsvinden. Zij stellen evenwel dat vanwege het laat reageren van gedaagde op het voorstel tot onderhandse verkoop de koper geen belangstelling meer had, doch kunnen eisers dit naar het oordeel van de kantonrechter niet aan gedaagde opwerpen. Dit, omdat eisers ook van de gelegenheid gebruik konden hebben gemaakt om in de tussentijd naar andere kopers uit te kijken. Gesteld noch gebleken is dat eisers zulks hebben gedaan. Gelet op het betalingsgedrag van eisers, waarbij zij vanaf april 2016 geen aflossingen meer hebben gepleegd, hebben zij nagelaten te stellen of zij nog aflossingen zullen plegen en welke bron van inkomsten zij hebben om thans aflossingen te plegen en binnen welke termijn zij het saldobedrag nog zouden kunnen aflossen. Het lag op de weg van eisers om met een concreet uitgewerkt voorstel tot aflossing, met daaraan gekoppelde termijnen tot aflossingen, op tafel te komen om het vertrouwen van gedaagde als bankinstelling in de relatie te herstellen ter voorkoming van een executoriale verkoop. Eisers stellen wel dat zij daartoe serieuze pogingen hebben ondernomen, doch hebben dat niet voldoende geconcretiseerd en onderbouwd met stukken, zodat de kantonrechter geen andere keus heeft dan aan deze stelling voorbij te gaan.

4.7 Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt dat de kantonrechter geen feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan voorshands geoordeeld zou moeten worden dat de voorgenomen executieveiling onrechtmatig is te achten, dan wel dat deze als misbruik van recht kan worden gekwalificeerd. Derhalve kunnen de door eisers gevraagde voorzieningen niet worden toegewezen.

4.8 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 25 januari 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-11

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-0001
08 februari 2018

Vonnis in kort geding inzake:

N.V. NATURE BEAUTY
rechtspersoon, gevestigd aan de Twee Kinderenweg no. 46
te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
te dezen vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de
Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 02 januari 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • De mondelinge conclusie van eis;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van productie;
  • De mondelinge conclusies van re- en dupliek respectievelijk uitlating producties;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
2.1 Op 24 november 2017 heeft de Kantonrechter gedaagde veroordeeld om:
A. binnen 1 (een) week na uitspraak van dit vonnis aan eiseres bij beschikking de tweede verlenging van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen te verstrekken en thans bekend is als [GMD no.1] op het perceelland vermoedelijk groot 17.645 hectaren, deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectare gelegen in het district Sipaliwini ten Oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,= per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 10.000.000,= niet te boven gaan.

B. De aan derden uitgegeven beschikkingen ter uitoefening van mijnbouwrechten op het perceelland vermoedelijk groot 17.645 hectaren, deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectaren gelegen in het district Sipaliwini ten Oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier in te trekken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,= per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 10.000.000,= niet te boven gaan.

2.2 Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

2.3 Vermeld vonnis is op 24 november 2017 aan gedaagde betekend;

2.4 Op 4 december 2017 in de middag is er een “tweede verlengingsbeschikking” verstrekt (de kantonrechter begrijpt: aan eiseres);

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad primair zal worden opgeschort/geschorst de in het petitum van het inleidend rekest nader genoemde bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking van het recht tot Exploratie naar Goud en andere Mineralen, [GMD no. 1], gedateerd 30 november 2017, ten name van eiseres. Voorts vordert zij dat gedaagde zal worden verboden om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede exploratiebeschikking van eiseres tot gevolg heeft anders dan wanneer eiseres in strijd zou handelen met de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de eerdere beschikkingen bekend onder [GMD no. 2] en [GMD no.3] en indien eiseres in strijd zou handelen met de tweede verlengingsbeschikking na schorsing casu quo opschorting van de voorwaarden en bepalingen casu quo aanvullingen zoals onder het 4e sustenu en punt A van het petitum vermeld, op straffe van een dwangsom van per dag die gedaagde aan eiseres zal verbeuren voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen. Subsidiair vordert eiseres – kort samengevat – dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na uitspraak de door haar aan eiseres verstrekte tweede verlengingsbeschikking gedateerd 30 november 2017 [GMD no.1] te corrigeren, in dier voege dat de in het petitum genoemde voorwaarden, bepalingen en aanvullingen uit de beschikking [GMD no. 1] worden verwijderd casu quo ongedaan worden gemaakt, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,= per dag. Tenslotte vordert zij dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 Aan de vordering legt eiseres – naast voormelde vaststaande feiten – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat uit de overgelegde beschikking blijkt dat gedaagde niet, althans niet geheel heeft voldaan aan de wet en het vonnis. Gedaagde heeft namelijk bij deze beschikking een aantal nieuwe bepalingen en voorwaarden opgenomen casu quo aanvullingen gepleegd, als gevolg waarvan eiseres ernstig beperkt wordt in de uitoefening van haar exploratieactiviteiten, zodanig zelfs dat het door gedaagde aan haar verstrekte exploratierecht (gedeeltelijk) illusoir is gemaakt. Vergeleken met de oorspronkelijke beschikkingen de data 5 augustus 2010 ( [GMD no. 2]) en 10 januari 2014 ([GMD no.3]) blijkt namelijk dat gedaagde in de “tweede verlengingsbeschikking”de navolgende bepalingen en voorwaarden heeft toegevoegd, althans aanvullingen heeft gedaan:
a. Pagina 1 punt 6: “Jurisprudentie m.n. het Samaaka en Kalina/Lokono vonnis”.

b. Pagina 2 onder II:

  1. Punt a is gewijzigd c.q. aangevuld met “van de aldaar in stam verband wonende “tribale en inheemse volkeren
  2. Onder punt f is toegevoegd: “naleving van de milieustandaarden van de Wereldbank”. Op deze pagina onder g staat in de voorwaarden dat de verlenging van het recht van exploratie slechts mogelijk zal zijn, zolang Nature Beauty zal voldoen aan de punten b, c, d, e en f. Aan deze bepaling is dus onder punt f genoemde voorwaarde toegevoegd.

c. Pagina 2 en 3 onder III:

  1. Onder b is toegevoegd: “en/of ministeriele beschikking”.
  2. Onder d is toegevoegd: “waarbij er met in achtneming van de waarden en normen van de plaatselijke gemeenschappen gehandeld zal worden”.
  3. Onder f is een nieuwe voorwaarde opgenomen: “de aanvraag van het recht van exploitatie slechts gegeven kan worden indien er consultatie en toestemming is van de aldaar in stamverband wonende tribale en inheemse volkeren”.
  4. Onder g is toegevoegd: “.. en verder aan punt III”.
  5. Onder j heeft gedaagde een nieuwe voorwaarde toegevoegd: “de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht”.
  6. Onder k is een voorwaarde toegevoegd die overigens reeds in artikel 11 van het decreet Mijnbouw staat: “bij overdracht en verhuur van dit mijnbouwrecht schriftelijke goedkeuring vooraf is vereist van het gezag dat tot verlening van dit recht bevoegd is”.

Deze bepalingen en voorwaarden waren dus niet in de eerste twee beschikkingen opgenomen. De nieuwe bepalingen en voorwaarden in de tweede verlengingsbeschikking zijn in strijd met de wet en het vonnis, aangezien een verlengingsbeschikking een prolongatie inhoudt en er daarbij geen ruimte is voor het invoegen van nieuwe bepalingen en het stellen van nieuwe voorwaarden anders dan de wet toelaat, terwijl daar er ook geen enkel in rechte te respecteren belang mee gemoeid is. Met de verlenging diende slechts alleen de tijdsduur en de grootte van het terrein te worden aangepast, doch mochten er geen nieuwe bepalingen en voorwaarden aan de beschikking worden toegevoegd. Met en aantal van deze nieuwe bepalingen en voorwaarden heeft gedaagde het vonnis van de kantonrechter ondermijnd en wordt eiseres ernstig beperkt in de uitoefening van haar exploratieactiviteiten, zelfs zodanig dat het door gedaagde aan haar verstrekte exploratierecht (gedeeltelijk) illusoir is gemaakt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de nieuwe voorwaarde die gedaagde aan eiseres oplegt dat zij “de milieu standaarden van de Wereldbank” zal naleven en de bepaling waarin wordt gesteld dat “de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht”. Voornoemde beperkingen die gedaagde thans in de tweede verlengingsbeschikking heeft opgenomen hebben tot gevolg dat er geen sprake is van een verlenging van een eerder afgegeven vergunning als bedoeld met het vonnis en de wet, doch dat gedaagde een geheel nieuwe vergunning heeft afgegeven met daarin zodanige bepalingen en voorwaarden, waardoor eiseres niet op dezelfde wijze als onder de eerste twee beschikkingen haar activiteiten kan uitvoeren. Gedaagde heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor zijn beslissing om deze nieuwe voorwaarden en bepalingen in de laatst afgegeven beschikking toe te voegen. Hiermee handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiseres, zijnde dat er hier sprake is van in strijd handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwens-, motiverings-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres vreest dat gedaagde met deze nieuwe bepaling en voorwaarden tracht het eiseres onmogelijk te maken om activiteiten te ontplooien en erger nog, om het eiseres in de toekomst onmogelijk te maken in aanmerking te kunnen komen voor een exploitatiebeschikking, dan wel daarover in de toekomst te kunnen beschikken. Het is in het vorig proces reeds gebleken dat er door gedaagde alles aan wordt gedaan om bedoeld exploratiegebied terug te nemen teneinde het aan derden te verstrekken. Hierdoor zal eiseres enorme schade lijden, ondanks de opgelopen en verbeurde dwangsom. Eiseres heft enorme investeringen gedaan en dreigt dan een grote schade te lijden door toedoen van gedaagde;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hiernavolgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen;

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen gedaagde bloot heeft aangevoerd ter afwering daarvan

4.2 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd-kort gezegd en voor zover voor de beslissing van belang–dat zij wel degelijk voldaan heeft aan het vonnis van de kantonrechter de dato 24 november 2017. Anders dan eiseres beweert is er geen sprake van geheel nieuwe voorwaarden oftewel nieuwe bepalingen in de verlengingsbeschikking. Gedaagde heeft inderdaad belangrijke aanvullingen aangebracht in de beschikking. Echter is dit geheel conform jurisprudentie en de laatste internationale- en nationale ontwikkelingen in het mijnbouwrecht. Echter is er aan de essentie van de beschikking niets veranderd. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat artikel 27 lid 4 van het Decreet Mijnbouw E-58 als volgt luidt: “Alvorens tot verlenging van het recht tot exploratie over te gaan, kan de Minister een overeenkomst met de aanvrager aangaan inzake de bijzondere voorwaarden waaronder het recht tot exploratie zal worden uitgeoefend”. Alhoewel de Minister in onderhavige casus niet een dergelijke overeenkomst is aangegaan, impliceert dit artikel dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de Minister behoort om nadere voorwaarden te koppelen aan de uitgifte van een beschikking. Het aanvullen van een beschikking behoort wel tot de discretionaire bevoegdheid van de Minister, des te meer er niets veranderd is aan de essentie van de beschikking. Voorts heeft gedaagde aangegeven dat eiseres de verlengingsbeschikking reeds heeft ingeschreven waarmee zij blijk heeft gegeven zich te berusten in de verlengingsbeschikking immers had zij anders het recht niet ingeschreven;

4.3 Waar gaat het in dit geding om? Gedaagde is bij vonnis van de kortgedingrechter d.d. 24 november 2017 veroordeeld zoals hiervoor onder 2.1 van dit vonnis is aangegeven. Voormeld vonnis is op 24 november 2017 aan gedaagde betekend. Gedaagde heeft pas op 04 december 2017 uitvoering gegeven aan het bepaalde in voormeld vonnis (dus bijkans 10 dagen na betekening van het vonnis) terwijl in het vonnis een termijn van een week was opgenomen. Daarenboven zijn er aanvullende casu quo nieuwe voorwaarden zijdens gedaagde opgenomen in de verlengingsbeschikking waartegen eiseres ageert in dit geding terwijl gedaagde aanvoert dat er geen vuiltje aan de lucht is aangezien de essentie van de verlengingsbeschikking ongewijzigd is gebleven en gedaagde daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad;

4.4 Na doorname van de gedingstukken komt de kantonrechter tot de navolgende slotsom. In casu is er reeds een beslissing van Onze Ambtsgenote de dato 24 november 2017 weshalve deze kantonrechter in dezelfde instantie niet zal treden in de beoordeling van voormeld vonnis. Evenwel schijnt er in de executiefase van voormeld vonnis een geschil gerezen te zijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter blijkt uit de handelingen van gedaagde in onderhavige zaak van het begin af aan een zekere mate van onwilligheid zijdens gedaagde om de tweede verlengingsbeschikking aan eiseres te verstrekken. Bij de aanvraag daarvan werden volgens de stellingen van eiseres, welke niet zijn weersproken door gedaagde, additionele eisen gesteld waaraan voldaan diende te worden door eiseres. Nadat aan deze additionele eisen was voldaan bleek gedaagde niet bereid om tot een tweede verlenging van de beschikking van eisers over te gaan en was er daarvoor een kortgedingprocedure nodig teneinde afgifte van de tweede verlengingsbeschikking te bewerkstelligen. Nadat gedaagde daartoe was veroordeeld besloot gedaagde “aanvullende”voorwaarden in de tweede verlengingsbeschikking op te nemen die in feite – in de visie van de kantonrechter – geheel nieuwe voorwaarden blijken te zijn, zoals onder andere de voorwaarde strekkende tot naleving van de milieustandaarden van de Wereldbank alsmede de voorwaarde strekkende tot inachtneming van de waarden en normen van de plaatselijke gemeenschappen. Voorts is ook bepaald door gedaagde dat de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht. Deze nieuwe voorwaarden blijken –zoals eiseres terecht heeft aangevoerd– een vergaande beperking casu quo inperking van het aan eiseres verleende recht van exploratie in te houden. In de visie van de kantonrechter dient een tweede verlengingsbeschikking inhoudelijk in hoofdlijnen voort te borduren op de oorspronkelijke beschikking en dienen additionele voorwaarden niet als donderslag bij heldere hemel aan belanghebbenden te worden opgedrongen, die uitgaande van de wettelijke bepalingen en anticiperend op de goedkeuring van hun verlengingsaanvraag ruime investeringen hebben gepleegd. Immers is de wetgever kennelijk van hetzelfde standpunt uitgegaan waarbij in artikel 27 lid 4 van Decreet Mijnbouw (E-58) is aangegeven dat de Minister een overeenkomst met de aanvrager kan aangaan inzake de bijzondere voorwaarden waaronder het recht tot exploratie zal worden uitgeoefend. Indien gedaagde meent in voormeld wetsartikel een discretionaire bevoegdheid voor de Minister te constateren waarbij die eenzijdig nadere bijzondere voorwaarden kan opnemen in een verlengingsbeschikking, getuigt dat in de visie van de kantonrechter van een onjuiste rechtsopvatting. De kantonrechter zal derhalve voorbijgaan aan al hetgeen gedaagde dienaangaande heeft aangevoerd.

4.5 Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens beslissingen heeft gegeven ten aanzien van de in stamverband levende volkeren en dat daarmede rekening dient te worden gehouden bij de uitgifte van vergunningen. Eveneens heeft gedaagde aangevoerd dat de mensenrechtenverdragen rechtstreekse werking hebben. Dienaangaande overweegt de kantonrechter dat wat daar ook van zij het in dit geding bevreemding wekt dat gedaagde zich plotseling in allerlei bochten wringt met een beroep op mensenrechtenverdragen waar Suriname al een hele tijd partij bij is casu quo jurisprudentie van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens. Immers had het op de weg van gedaagde gelegen om het voorgaande ruimschoots van tevoren kenbaar te maken aan belanghebbenden en deze zaken met een vooraf aangekondigde ingangsdatum te implementeren zodat belanghebbenden niet verrast zouden worden zoals in casu het geval is geweest. Door het voorgaande als donderslag bij heldere hemel (“out of the blue sky”) te implementeren voor een specifiek geval laadt gedaagde het odium op zich van willekeurig handelen en het creëren van rechtsonzekerheid. Daarenboven is gesteld doch niet gebleken dat voornoemde voorwaarden standaard in elke beschikking worden opgenomen. Aangezien gedaagde ter adstructie daarvan slechts één (1) beschikking ten processe ter inzage heeft overgelegd, waaruit dus geenszins de conclusie kan worden getrokken dat het opnemen van voornoemde voorwaarden een vaste gedragslijn van gedaagde is. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het daartoe strekkend verweer van gedaagde verwerpen;

4.7 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de grondslag van het gevorderde aannemelijk is geworden in rechte en dat het primair gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. Door nieuwe voorwaarden in de verlengingsbeschikking op te nemen heeft gedaagde onrechtmatig gehandeld jegens eiseres die erop mocht vertrouwen dat de tweede verlengingsbeschikking onder dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke beschikking aan haar zou worden verleend. De kantonrechter ziet aanleiding om de mede gevorderde dwangsom te limiteren tot SRD. 10.000.000,= hetgeen inmiddels een vaste gedragslijn van de kantonrechter is. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.8 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing in kort geding
De kantonrechter:
5.1 Schorst de navolgende bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking van het recht tot Exploratie naar Goud en andere Mineralen, [GMD no. 1], gedateerd 30 november 2017, ten name van eiseres:

Op pagina 1 punt 6: “Jurisprudentie m.n. het Samaaka en Kalina/Lokono vonnis”.

Op pagina 2:

  • onder ll punt a: “van de aldaar in stam verband wonende “tribale en inheemse volkeren
  • onder punt f: “naleving van de milieustandaarden van de Wereldbank”.
  • onder g derde regel “en f”;.
  • punt lll b: “en/of ministeriële beschikking”.
  • onder lll onder d: “waarbij er met in achtneming van de waarden en normen van de plaatselijke gemeenschappen gehandeld zal worden”.

Op pagina 3:

  • onder lll f : “de aanvraag van het recht van exploitatie slechts gegeven kan worden indien er consultatie en toestemming is van de aldaar in stamverband wonende tribale en inheemse volkeren”.
  • onder lll g: “.. en verder aan punt lll”.
  • onder lll j: “de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht”.
  • onder lll k: “bij overdracht en verhuur van dit mijnbouwrecht schriftelijke goedkeuring vooraf is vereist van het gezag dat tot verlening van dit recht bevoegd is”.

5.2 Verbiedt gedaagde om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede exploratiebeschikking van eiseres tot gevolg heeft anders dan wanneer eiseres in strijd zou handelen met de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de eerdere beschikkingen bekend onder [GMD no. 2] en [GMD no. 3] of indien eiseres in strijd zou handelen met de tweede verlengingsbeschikking na schorsing van de voorwaarden en bepalingen casu quo aanvullingen zoals onder 5.1 van dit vonnis is vermeld, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollars) per dag die gedaagde aan eiseres zal verbeuren voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan het bepaalde in dit vonnis te voldoen, het bedrag van SRD 10.000.000,= (tien miljoen Surinaamse Dollars) niet te boven gaand;

5.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 313,= (driehonderd en dertien Surinaamse Dollars).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 08 februari door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton in kort geding in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. J. Pinas w.g. A.Charan

w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2005-6

BETALEND
A.R. no. 051974
24 mei 2005
F.H

I. [eiser sub I], wonende aan [adres 1], te [district],
II. [eiseres sub II], wonende aan [adres 2], te [district],
III. [eiseres sub III], wonende aan [adres 3] te [plaats],
IV. [eiser sub IV], wonende aan [adres 4], te [plaats] in Nederland,
V. SOCIAAL CULTURELE VERENIGING SHIVA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, aan de Kwattaweg 353-c,
VI. VERENIGING VAN REIZIGERS (VVR), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend te 6535 XC Nijmegen aan de Goselingstraat no. 3, in Nederland mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no. 353-c, hierna eiseres VVR en/of VI,
VII. [stichting], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district], aan [adres 5], door wie tot hun allen gemachtigde is gesteld, mr. E.Ch. de Noten, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

DE REPUBLIEK SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo, aan de Henck Arronstraat 3 hierna de Staat Suriname en/of Suriname, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis is kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis in kort geding verzocht:

PRIMAIR:
I. de Staat Suriname te gelasten en/of te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis (voor eisers sub I, II, III en IV en hun gezinnen);

a) onvoorwaardelijk tot Suriname toe te laten en eisers in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) te behandelen;
b) eisers sub I, II & III niet te discrimineren bij de aanvraag en verlening van bedrijfsvergunningen, overheidspercelen etc. ten opzichte van een Surinamer;
c) eisers sub I, II, III & IV en hun gezinnen te allen tijde visumvrij (onvoorwaardelijk) tot Suriname toe te laten;
d) eisers sub I, II & III en hun gezinnen in Suriname actief en passief kiesrecht toe te kennen door opneming op de Kiezerslijst (administratie) opdat dezen in de verkiezingen van 25 mei 2005 kunnen deelnemen;
e) dat een ieder die onder Artikel 5 lid 2 TO valt onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname wordt toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) wordt behandeld;
f) dat een ieder die onder Artikel 5 lid 2 TO valt en in Suriname woont in de Kiezerslijst (administratie) voor de verkiezingen van 25 mei 2005 door de Staat Suriname wordt opgenomen;
g) dat indien eisers sub I, II & III door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten (Burgerrechten) op 25 mei 2005 en erna, de komende verkiezingen als onverbindend te verklaren c.q. dat deze ongeldig zullen zijn;
h) dat de overige in Suriname wonende personen die onder Artikel 5 lid 2 TO vallen indien door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten op 25 mei 2005, de komende verkiezingen van 25 mei 2005 en erna, dezen onverbindend te verklaren c.q. dat dezen ongeldig zullen zijn;

II. ten aanzien van eisers sub I, II, III, V, VI & VII, de verkiezingen van 25 mei 2005 en hierna uit te stellen totdat de Kiesregeling in overeenstemming zal zijn gebracht met de Grondwet van Suriname, voor zover die in strijd zijn met UVRM, BUPO, IVUR & OAS; zulks op verbeurte van een dwangsom van SRD 20.000,= (dit bedrag staat ongeveer gelijk met de dagelijks ten onrechte geïncasseerde visumgelden te Amsterdam) voor iedere dag, dat gedaagde, nadat twee dagen na voormelde betekening zijn verstreken, in gebreke blijft aan in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

III. te verklaren voor recht dat de Staat Suriname onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, door voornoemde handelingen;

IV. de Staat Suriname te veroordelen in de kosten van dit geding;

V. de Staat Suriname te veroordelen in de te maken proceskosten zijdens eisers hetgeen op € 1.500,= is begroot;

VI. dit vonnis voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut uitvoerbaar verklaren;

Subsidiair:
I. tegen de Staat Suriname in goede justitie één of meerdere beslissing (en) te nemen.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advocaten, mr. E.Ch. de Noten en mr. A.R. Baarh ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift en de conclusie tot rectificatie en uitbreiding van eis d.d. 20/5/’05 heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ten dage voor afpleiten bepaald de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter van de primaire vordering uit de aard van de daaraan ten grondslag gelegde feiten blijkt;

Overwegende, dat eisers op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden primair hebben gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding:
– de beslissingen, althans besluiten, van de President van de Republiek Suriname (de Staat Suriname) van 30 maart 2005, voorzien van de [nummers] gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname (ARS) van 30 maart 2005 [nummer] te vernietigen en te beslissen dat alle onder Artikel 5 lid 2 vallende personen alsnog op Kiezerslijsten voor de verkiezingen van 25 mei 2005 worden geplaatst;

I. gedaagde te gelasten en/of te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis (voor eisers sub I, II, III en IV en hun gezinnen);

a. onvoorwaardelijk tot Suriname toe te laten en eisers in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) te behandelen;
b. eisers sub I, II en III niet te discrimineren bij de aanvraag en verlening van bedrijfsvergunningen, overheidspercelen et cetera, ten opzichte van een Surinamer;
c. eisers sub I, II, II en IV en hun gezinnen te allen tijde visumvrij (onvoorwaardelijk) tot Suriname toe te laten;
d. eisers sub I, II en III en hun gezinnen in Suriname actief en passief kiesrecht toe te kennen door opneming op de Kiezerslijst (in de administratie) opdat dezen aan de verkiezingen van 25 mei 2005 kunnen deelnemen;
e. dat een ieder die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst valt onvoorwaardelijk tot de Republiek wordt toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) wordt behandeld;
f. dat een ieder die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst valt en in Suriname woont op de Kiezerslijst (in de administratie) voor de verkiezingen van 25 mei 2005 door de Staat Suriname wordt opgenomen;
g. dat, indien eisers sub I, II en III door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten (Burgerrechten) op 25 mei 2005 en erna, de komende verkiezingen als onverbindend worden verklaard c.q. dat dezen ongeldig zullen zijn;
h. dat indien de overige in Suriname wonende personen die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst vallen, door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten op 25 mei 2005, de komende verkiezingen van 25 mei 2005 en erna, dezen onverbindend worden verklaard c.q. dat dezen ongeldig zullen zijn;

II. ten aanzien van eisers sub I, II, III en IV, de verkiezingen van 25 mei 2005 en hierna uit te stellen totdat de Kiesregeling in overeenstemming zal zijn gebracht met de Grondwet van Suriname, voor zover die in strijd is met UVRM, BUPO, IVUR en OAS, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 20.000,= voor iedere dag dat gedaagde, nadat twee dagen na voormelde betekening zijn verstreken, in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen.

III. te verklaren voor recht dat de Staat Suriname onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, door voornoemde handelingen;

IV. de Staat Suriname te veroordelen in de kosten van dit geding;

V. de Staat Suriname te veroordelen in de te maken proceskosten zijdens eisers hetgeen op EUR.1.500,= is begroot;

VI. dit vonnis voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut uitvoerbaar verklaren;

Subsidiar:
1. tegen gedaagde één of meerdere beslissingen in goede justitie te nemen:

Overwegende, dat gedaagde, naar uit de aan zijn verweer ten grondslag gelegde stellingen blijkt, welke stellingen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt, zich tegen het geven van de door eisers gevraagde voorzieningen heeft verzet en verzocht die voorzieningen te weigeren althans eisers’ vorderingen met een niet ontvankelijkheid te begroeten;

Overwegende, dat hoewel die stellingen relevant zijn, zij toch niet aan een bespreking hoeven te worden onderworpen als geheel overbodig, omdat, ook al zou een onderzoek de juistheid van die stellingen uitwijzen, Wij reeds enkel op grond van de aard van hetgeen in het petitum gevorderd is, in staat zijn een eindbeslissing te geven, welke Wij ook zullen geven;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het medegevorderde: “en hun gezinnen” in onderdeel I (aanhef) sub c sub d van het petitum opmerken, dat nu, naar Ons gebleken is, eisers sub I, II, III en IV niet mede namens hun respectieve echtgenoten en kind(eren), onder vermelding van hun namen, voornamen, en ten aanzien van de kinderen, hun leeftijden, dat gevorderde hebben ingesteld als gevolg waarvan die echtgenoten en kind(eren) niet mede zijn de eisers, dienen de eisers sub I, II, II en IV, wat dat deel van dat mede-gevorderde betreft, daarin niet te worden ontvangen;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde strekkende tot vernietiging van de beslissingen casu quo besluiten van de President van de Republiek Suriname van 30 maart 2005 met de [nummers], gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname (ARS) van 30 maart 2005 [nummer], opmerken, dat, ook al zouden de feiten c.q. gronden, aan dat gevorderde ten grondslag gelegd, in rechte tussen partijen zijn komen vast te staan, dan nog zouden Wij dat gevorderde niet kunnen toewijzen c.q. die terzake gevraagde voorziening niet kunnen geven, nu hetgeen de eisers sub. I, tot en met VII van ons verlangen, beslissingen welke van constitutieve en van declaratoire aard zijn, die Wij als Kantonrechter in Kort Geding niet kunnen geven; een constitutieve niet omdat een zodanige beslissing in zichzelve een definitief karakter heeft en reeds uit dien hoofde aan het Kort Geding is ontzegd; een declaratoire evenmin omdat met de aard van het vonnis in Kort Geding, als provisionele voorziening welke niet de rechtsverhouding tussen partijen ten principale beslist, onverenigbaar is dat de Kantonrechter in kortgeding een declaratoire beslissing zou geven;

Overwegende, dat, naar Ons gebleken is, het sub a. van het in onderdeel I van het petitum gevorderde ruim geformuleerd is en wel zo ruim dat bij bespreking daarvan het gevorderde in het bijzonder onder b, c, en d van dat onderdeel geacht wordt gelijk te zijn betrokken in die bespreking en dat derhalve Ons oordeel over het sub a gevorderde, ook over het gevorderde onder b, c en d van gemeld onderdeel geldt;

Overwegende, dat Wij, overgaande tot bespreking van het gevorderde sub a in onderdeel I van het petitum, opmerken, dat wat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn, dat gevorderde naar Ons voorlopig oordeel, niet toewijsbaar is nu de beslissingen van de President van de Republiek Suriname die van 30 maart 2005 dateren en onder de [nummers] 2005 gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname (ARS) van 30 maart 2005 [nummer], onaantastbaar en mitsdien onherroepelijk zijn geworden en dientengevolge toewijzing van het gevorderde sub a in onderdeel I van het petitum in de weg staan;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde onder e en f in onderdeel I van het petitum opmerken, dat nu niet gesteld is door eisers dat zij voor en namens:”een ieder die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst valt”, de onderhavige vordering instellen, nog daargelaten dat zij de namen en voornamen c.q. de persoonsgegevens van die personen niet hebben vermeld, wat had gemoeten, ontgaat het Ons geheel hoe toewijzing van gemeld gevorderde zou kunnen volgen zonder in strijd te handelen met de Wet;

Overwegende, dat Wij, wat het gevorderde sub q en h in onderdeel I van het petitum betreft, opmerken, dat, wat dat gevorderde ook moge zijn, toewijzing daarvan niet kan volgen zonder beslissingen te geven van zowel constitutieve, als van declaratoire aard, waartoe wij als Kantonrechter in kort geding niet bevoegd zijn;

Overwegende, dat Wij ten aanzien van het gevorderde in onderdeel II van het petitum opmerken, dat, nu Wij als Kantonrechter in kort geding de gevolgen van een toewijzende beslissing niet kunnen overzien, Wij de gevraagde voorziening reeds op grond daarvan zullen weigeren;

Overwegende, dat nu Wij op hetgeen in onderdeel III van het petitum gevorderd is, een beslissing zouden moeten geven die declaratoir van aard is, doch die Wij als Kantonrechter in kort geding niet mogen geven, omdat zij niet is een voorlopige voorziening, zal toewijzing van dat gevorderde niet volgen;

Overwegende, dat Wij ten aanzien van het gevorderde in onderdeel V van het petitum opmerken, dat, nu de eisers, wat dat gevorderde betreft, niet aan hun stelplicht hebben voldaan, toewijzing daarvan achterwege dient te blijven;

Overwegende, dat Wij, wat het susidiair gevorderde betreft, opmerken dat toewijzing daarvan niet kan volgen nu de feiten daaraan ten grondslag gelegd, geenszins tot die toewijzing kunnen leiden, vanwege gebrek aan correlatie tussen het fundamentum petendi en het petitum;

Overwegende, dat hetgeen in de Pleitaantekeningen de dato 23 mei 2005 is vastgelegd, geacht wordt in Onze bespreking te zijn meegenomen en in Ons oordeel mede zijn betrokken;

Overwegende, dat Wij mitsdien beslissen zullen als in het dictum te melden, onder verwijzing van de eisers als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten ;

Rechtdoende in Kort Geding:

Weigeren zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Verwijzen de eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag, 24 mei 2005, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. J.R. von Niesewand, in tegenwoordigheid van mr. S. Tika, Fungerend Griffier.

w.g. S. Tika w.g. J.R. von Niesewand

SRU-K1-2010-14

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 090229
11 februari 2010
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

De Centrale Bank van Suriname, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis d.d. 5 november 2009 strekkende tot overlegging door gedaagde van relevante jurisprudentie.

1. Het verdere verloop van het geding
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken-handelingen:

  • de conclusie tot overlegging van jurisprudentie zijdens gedaagde.
  • De conclusie tot uitlating zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nadir bepaald op heden.

2. De beoordeling
2.1 De kantonrechter neemt over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis.

2.2 De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of in de gevallen als bedoeld in artikel 1615 e lid 2 sub 3 BW een ontslagvergunning is vereist.

2.3 Op grond van artikel 3 lid 1 sub b van de Wet Ontslagvergunning is een ontslagvergunning niet vereist als de dienstbetrekking van rechtswege wordt beëindigd als bedoeld in artikel 1615 e BW.
Krachtens artikel 1615 e lid 1 BW eindigt een dienstbetrekking die voor bepaalde tijd is aangegaan van rechtswege door het verstrijken van die tijd.
In de gevallen voornoemd in lid 2 van gemeld wetsartikel is bovendien vereist dat de dienstbetrekking vooraf wordt opgezegd. Aan dit vereiste moet naar het oordeel van de kantonrechter slechts de betokening van een administratieve handeling worden toegekend te weten een “reminder” aan de wederpartij dat het einde van de dienstbetrekking nadert zodat men daarop is voorbereid. De arbeidsovereenkomst wordt echter ook in deze gevallen van rechtswege beëindigd door het verstrijken van de tijd, omdat anders in feite sprake zou zijn van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, aangezien beëindiging daarvan buiten partijen om afhankelijk zou zijn van een overheidsorgaan. (Vide: F. Kruisland in het Surinaams Juristen Blad, juli 2008 no. 2, pg’s 17 t/m 20).

2.4 Nu gedaagde de dienstbetrekking bij brief d.d. 13 juni 2008 heeft opgezegd en, zoals hierboven is gebleken, geen ontslagvergunning was vereist is naar het oordeel van de kantonrechter de dienstbetrekking rechtmatig beëindigd zodat de vordering moet worden afgewezen.

2.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden verwezen.

3. De beslissing in kort geding

3.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

3.2 Verwijst eiser in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 11 februari 2010, door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-1970-1

KANTONGERECHT EERSTE KANTON, 21 april 1970.

[eiser], wonende in het [Distrikt], eiser, adv. E.A. Hoost,

TEGEN:

N.V. Glenn Super Market, gevestigd te Paramaribo, gedaagde, adv. H.J. Kensenhuys.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Eiser vorderde bij de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van zijn werkgeefster, de gedaagde, een schadevergoeding van ƒ 405.— met rente en kosten op de navolgende gronden:
Dat eiser op 1 december 1968 een arbeidsovereenkomst met gedaagde is aangegaan voor onbepaalde tijd tegen een aanvangssalaris van ƒ 225.— per maand;
dat gedaagde op 5 maart 1969 bij monde van haar bedrijfsleider in opdracht van de Direkteur aan eiser zonder opgaaf van wettige reden ontslag heeft aangezegd per 5 maart 1969;
dat de handeling van gedaagde in casu waarbij zij de dienstbetrekking zonder inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen heeft doen eindigen en zonder dat eiser daarin toestemde en daarbij werd schadeloosgesteld als bedoeld in artikel 1615 r Sur. B.W. onrechtmatig is en gedaagde derhalve gehouden is aan eiser te vergoeden alle door haar schuld veroorzaakte schade;
dat gedaagde alsgevolg van haar onrechtmatig handelen aan eiser verschuldigd is salaris over de maanden maart en april 1969 ad ƒ 225.— per maand (cf. art. 1615 i Sur. B.W.);
dat gedaagde aan eiser 5 dagen salaris over de maand maart 1969 heeft uitbetaald groot ƒ 45.—;
dat eiser alzo van gedaagde heeft te vorderen de som van 2 x ƒ 225.— minus ƒ 45.— = ƒ 405.—;
dat gedaagde ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne weigert, althans in gebreke blijft voormeld bedrag aan eiser te betalen;

De NAAMLOZE VENNOOTSCHAP GLENN SUPER MARKET heeft als gedaagde partij voor antwoord gezegd:
dat gedaagde het 2e „dat” erkent;
dat gedaagde alle overige stellingen van eiser ontkent en betwist;
dat toch wat tussen partijen is voorgevallen is, dat eiser op 4 maart 1969 aan gedaagde verzocht om in verband met zijn 70ste verjaardag op 5 maart 1969 de gehele dag vrijaf te krijgen, waarop hem werd medegedeeld dat de dienst dit niet toeliet, doch dat hij vrijaf kon krijgen naar zijn keuze of des voormiddags of des namiddags van zijn jaardag;
dat eiser hiertegen bezwaren inbracht, die geen wijziging konden brengen in het standpunt van gedaagde, en eiser toen op 5 maart 1969 de gehele dag van het werk is weggebleven zonder meer;
dat toen eiser op 6 maart 1969 op het werk verscheen en geen geldige reden kon opgeven waarom hij, in strijd met de instructies van gedaagde, op 5 maart 1969 de gehele dag van het werk was weggebleven, hem werd medegedeeld, dat hij op staande voet ontslagen werd wegens de gehele dag wegblijven van het werk, terwijl hij wist dat hij minstens de halve dag op het werk moest zijn en aldaar een halve dag werd verwacht;
dat eiser het hem toekomende loon daarop van gedaagde heeft in ontvangst genomen zonder verder halen en trekken, bewust als hij was, dat hij op grove wijze de plichten welke de arbeidsovereenkomst hem oplegde, had veronachtzaamd;
dat de vordering van eiser derhalve is ongegrond;
Na een comparitie van partijen te hebben gehouden, overwoog de Kantonrechter:

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Ten processe staan als enerzijds gesteld en anderzijds erkend de navolgende feiten vast:

  1. Eiser is op 1 december 1968 in dienst getreden van gedaagde tegen een salaris van ƒ 225,—;
  2. Op 5 maart 1969 werd eiser 70 jaar;
  3. Eiser had die dag in verband met zijn verjaardag vrij gevraagd, doch hem was slechts een halve dag toegestaan, omdat de in gedaagde’s bedrijf geldende regels slechts een halve dag vrij toestonden;
  4. Eiser is niettemin een hele dag weggebleven;
  5. De volgende dag is eiser op staande voet ontslagen onder de mededeling „dat hij wel wist waarom”;
  6. Hem is slechts 5 dagen salaris over de maand maart uitgekeerd.

De mededeling, die ten 5e als ten processe vaststaat is aangenomen, achten Wij gelet op de omstandigheden voldoende duidelijk:
Eiser moet daaruit begrepen hebben dat zijn wegblijven de vorige dag als dringende reden tot ontslag op staande voet werd aangevoerd.
Wij zijn echter van oordeel dat eisers handelwijze geen dringende reden tot ontslag in de zin der wet voor gedaagde opleverde: Hoezeer ook in het algemeen eigenmachtig wegblijven van het werk, nadat voor de desbetreffende tijd verlof geweigerd is, als ernstig plichtsverzuim zal moeten worden aan gemerkt, de omstandigheid dat eiser zijn 70ste verjaardag vierde maakt dit plichtsverzuim minder ernstig.
Gelijk algemeen bekend pleegt het bereiken van die leeftijd in dit land met grote festiviteiten gepaard te gaan waarbij naar Surinaamse opvatting de aanwezigheid van de jarige voortdurend vereist is.
Dit in aanmerking genomen was niet uit eisers wegblijven af te leiden dat hij zijn plicht zover verwaarloosde dat redelijker wijze voortzetting van de dienstbetrekking van gedaagde niet kon worden verlangd.
Immers uit eisers wegblijven was niet af te leiden dat zulks zich spoedig zou herhalen, daar toch het vieren van een dergelijk kroonjaar niet dagelijks en zelfs niet jaarlijks voorkomt.
Ware het nu zo, dat bijzonder drukke werkzaamheden in het bedrijf van gedaagde, haar eiser wist, niet toelieten dat hij een hele dag vrijnam, dan zou mogelijk Ons oordeel anders uitvallen, doch gedaagde heeft ter comparitie uitdrukkelijk verklaard dat de weigering voor de tweede halve dag slechts gebaseerd was op de geldende reglementen.
Voor een zo kort werkverzuim achten Wij onder deze omstandigheden ontslag op staande voet een te zware repercussie. Wij achten dit ontslag dan ook onrechtmatig.
De omstandigheid, dat eiser niet tegen het ontslag heeft geprotesteerd is niet voldoende om daarin berusting of afstand van recht te zien. De verhouding werkgever-werknemer, die ondergeschiktheid inhoudt, maakt begrijpelijk dat de werknemer rechtstreeks protest niet wenselijk acht en verkiest zijn argumenten zonder verder overleg met de werkgever aan de rechter voor te leggen.

Eisers vordering, die met geen andere gronden wordt bestreden, is derhalve toewijsbaar met veroordeling in de kosten van het geding van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij.

RECHTDOENDE :
Veroordelen gedaagde om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 405, — (VIERHONDERD EN VIJF GULDEN), met de rente hierover ad 6% ’s jaars, vanaf 3 juli 1969 tot aan de dag der voldoening; enz.

(Dit vonnis is op 4 december 1970 door het Hof van Justitie in Hoger Beroep bevestigd).

SRU-K1-2011-18

KANTONRECHTER IN KORT GEDING
A.R. no 113513
23 september 2011

VONNIS IN DE ZAAK VAN

[eiser], wonende te [district],
Gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,
Eiser in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
Hierna te noemen: “[eiser]”,

Tegen

A. DE STAAT SURINAME, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo, met name het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu,
B. N.V. HAVENBEHEER, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
Gedaagden in kort geding,
Gedaagde sub B tevens eiser in reconventie,
Gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. A.W. van der San, advocaat,
Gemachtigden voor gedaagde sub B: mr. Dr. J.W. van Dijk-SIlos en mr. H. Lowe, advocaten,
Hierna te noemen: “de Staat” en “Havenbeheer”

Het proces verloop:
1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • Het verzoekschrift, met producties, dat op 12 augustus 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • De conclusie tot aanvulling van eis en de toelichting daarop, genomen voor de conclusie van eis,
  • De conclusie van antwoordt zijdens de Staat,
  • De conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie zijdens Havenbeheer, met producties,
  • De conclusie van repliek jegens de Staat, met producties,
  • De conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, jegens Havenbeheer, met producties,
  • De conclusie van dupliek, zijdens de Staat, met productie,
  • De conclusie tot uitlating productie zijdens [eiser],
  • De conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, zijdens Havenbeheer,
  • De conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en reconventie
2.1. [eiser] is bij overeenkomst van 6 mei 1996 als Directeur in dienst van Havenbeheer aangesteld.

2.2. Bij schrijven van 28 maart 2011 is aan [eiser] door de Waarnemend President-commissaris van Havenbeheer medegedeeld dat is besloten de overeenkomst met [eiser] tussentijds op te zeggen vanwege het feit dat zijn functioneren binnen het bedrijf zeer onregelmatig en wispelturig is vanwege zijn werkzaamheden als lid van de Nationale Assemblee. In het schrijven staat voorts dat het voor het bedrijf niet meer verantwoord is om te gedogen dat de werkzaamheden in de Nationale Assemblee boven de werkzaamheden bij Havenbeheer worden gesteld, gelet op de toekomstplannen van het bedrijf. Aan [eiser] is medegedeeld dat hij wordt ontlast van de werkzaamheden vooruitlopend op de toestemming van het ontslag.

2.3. Bij beschikking van 28 april 2011 is aan Havenbeheer door de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, vergunning verleend voor het ontslag van [eiser].

2.4. Bij schrijven van 24 mei 2011, afkomstig van de waarnemend President-commissaris van Havenbeheer, gericht aan [eiser], is het dienstverband met [eiser] met inachtneming van een opzegtermijn van 4 maanden opgezegd.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1. De vordering in conventie
[eiser] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
1. Het besluit van de Staat d.d. 28 april 2011 schorst, althans opschort totdat de gewone rechter daaromtrent heeft beslist;
2. Het besluit van Havenbeheer d.d. 24 mei 2011 schorst, althans opschort totdat de gewone rechter uiteindelijk zal hebben beslist;
3. Havenbeheer veroordeelt eiser alle gelegenheid te bieden zijn werkzaamheden als Commercieel Directeur van gedaagde sub A te verrichten een en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per dage en voorts
4. Gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. De grondslag
[eiser] heeft de volgende zaken als grondslag aangevoerd:
t.a.v het besluit van de Staat:

  1. Dat de 1e overweging in de beschikking – n.l. dat als reden is opgegeven dat [eiser] onregelmatig en wispelturig functioneert binnen het bedrijf als gevolg van de werkzaamheden in de politiek en de Nationale Assemblee – in strijd is met de Grondwet en met het BUPO verdrag;
  2. Dat er geen personen bij de Ontslagcommissie waren die de werkgever mogen vertegenwoordigen;
  3. Dat het besluit in de AVA van 22 maart 2011 heel andere redenen bevat;
  4. Dat er nooit eerder klachten waren en hij nooit is aangesproken over tekortkomingen;
  5. Dat zijn werkzaamheden als parlementariër nimmer een rol hebben gespeeld bij het functioneren bij Havenbeheer;
  6. Dat de uitspraak in de 10e overweging geen uitspraak van de Hoge Raad betreft;
  7. Dat vanwege de vorengenoemde punten het besluit van de Staat nietig of vernietigbaar is omdat het in strijd is met de Grondwet en met het BUPO verdrag;

t.a.v. het besluit van Havenbeheer:

  1. Dat op Havenbeheer ingevolge de wet de plicht rust om al datgene te doen en na te laten, wat een goed werkgever in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten;
  2. Dat het besluit een kenbare motivering moet hebben die op feitelijke juiste gronden rust, hetgeen niet het geval is in casu;
  3. Dat gewijzigde beleidsinzichten geen reden tot ontslag zijn;
  4. Dat [eiser] niet de gelegenheid heeft gehad om zich tegen de verwijten te weren en dat daarmee het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden;
  5. Dat Havenbeheer bij onvoldoende uitvoering van werk of wangedrag [eiser] eerst had moeten waarschuwen en niet gelijk de uiterste maatregel had moeten treffen, hetgeen in strijd is met de waarschuwingsplicht;
  6. Dat het treffen van de uiterste disciplinaire maatregel ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel;
  7. Dat er gehandeld is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

[eiser] voert voorts aan dat hij door de besluiten schade zal lijden, met name zal hij inkomsten derven vanaf 1 oktober 2011 wanneer het ontslag ingaat.

De vordering in reconventie
Havenbeheer vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [eiser] veroordeelt tot afgifte van de hierna genoemde goederen aan Havenbeheer binnen 1×24 uur na uitspraak: een laptop van het HP DV 4-2145 DZ; een laptop van het HP PZ 8934A#ABA; een set kantoorsleutels; een motorvoertuig van het merk Nissan X-Trail 4 WD-X-GradeQR 250, met [kentekennummer]; een dienstwapen, merk Browning (78U 47073) en 9 stuks 7,65 mm patronne;
  2. [eiser] veroordeelt tot een dwangsom van SRD. 10.000,= per dag voor elke dag dat hij nalatig blijft te voldoen aan hetgeen gevorderd is onder 1 en voorts
  3. [eiser] veroordeelt in de kosten van dit geding.

De grondslag
Havenbeheer voert als grondslag voor het gevorderde aan de goederen, die [eiser] onder zich had vanwege zijn functie thans, in verband met zijn ontslag, teruggegeven moeten worden aan Havenbeheer, die de eigenaar is van de goederen. [eiser] weigert echter ondanks het verzoek van Havenbeheer om de goederen af te geven. Door deze weigering maakt [eiser] inbreuk op het eigendomsrecht van Havenbeheer.

4. Het verweer
De Staat heeft verweer gevoerd. Ook Havenbeheer heeft verweer gevoerd in conventie, evenals [eiser], die verweer heeft gevoerd in reconventie. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terug.

5. De beoordeling
In conventie
5.1. Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

5.2. De Staat heeft onder andere het volgende verweer gevoerd:

  1. Dat de door [eiser] genoemde artikelen uit de Grondwet en het Bupo verdrag in casu niet aan de orde zijn, immers betreft het hier een arbeidsovereenkomst waarbij de werkgever van mening was dat de werknemer onregelmatig functioneert binnen het bedrijf als gevolg van werkzaamheden in de politiek;
  2. Dat zij de opgegeven ontslagredenen conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.

5.3. Havenbeheer heeft onder andere het volgende verweer gevoerd:

  1. Dat de werkgever wel rechtsgeldig was vertegenwoordigd bij de behandeling van de ontslag vergunningsaanvraag;
  2. Dat de beschikking van de ontslagcommissie wel rechtsgeldig is en dat de opgesomde gronden betreffende de Grondwetsartikelen en het Bupoverdrag in casu niet opgaan;
  3. Dat er wel een reden voor het ontslag is en dat zijn schaarse aanwezigheid op het werk de bedrijfsvoering zwaar bemoeilijkt, hetgeen niet langer geaccepteerd kan worden;
  4. Dat [eiser] nergens heeft aangegeven waarom het ontslag onrechtmatig is, dat de onrechtmatigheid slechts een blote bewering is;
  5. Dat er geen gronden zijn aangevoerd die tot nietigheid van het ontslagbesluit zouden moeten leiden.

5.4. Ten aanzien van het verweer van de Staat dat de Grondwetsartikelen en de Verdragsartikelen niet aan de orde zijn overweegt de kantonrechter dat, gelijk de Staat aanvoert, in casu niet aan de orde is dat [eiser] wordt beperkt in zijn rechten om politieke activiteiten te ontplooien, doch dat aan [eiser] wordt verweten dat hij die politieke activiteiten ontplooit in de tijd dat hij werkzaamheden voor de werkgever zou moeten verrichten ingevolge de arbeidsovereenkomst.

5.5. De kantonrechter overweegt dat [eiser] aanhaalt artikelen 8 GW, 26 GW, 27 lid 1b GW en 28 GW. Deze artikelen handelen over respectievelijk “het recht om niet gediscrimineerd te worden op grond van politieke overtuiging”, “het recht op werk”, “de plicht van de Staat om te waarborgen dat iemand niet zonder gegronde redenen of op grond van politieke overtuiging wordt ontslagen” en “het recht van werknemers op het verrichten van hun taak ongeacht hun politieke overtuiging”. Ook heeft [eiser] aangehaald artikel 26 van het Bupo verdrag betreffende “het verbod tot discriminatie op grond van – onder andere- politieke overtuiging”.

5.6. De kantonrechter overweegt dat door de Ontslagcommissie in casu de ontslaggrond, n.l. dat [eiser] zijn functioneren binnen het bedrijf onregelmatig en wispelturig was en het niet verwachtbaar is dat deze situatie in de komende jaren zal veranderen, is onderzocht.

5.7. De kantonrechter is van oordeel dat het hanteren van een dergelijke grond voor ontslag geen inbreuk pleegt op een persoons recht om politieke vrijheid te beleven, doch slechts duidt op een onvrede vanuit de werkgever dat de werknemer niet voldoende functioneert binnen het bedrijf omdat hij onregelmatig aanwezig is.

5.8. De kantonrechter is van oordeel dat de reden van het onregelmatig en wispelturig functioneren in casu aan de orde is en niet de reden die door de werkgever is aangedragen waarom hij onregelmatig en wispelturig functioneert. Dat functioneren is naar oordeel van de kantonrechter door de Ontslagcommissie getoetst, waarna de beschikking is gegeven.

5.9. De kantonrechter acht dat eerste verweer van de Staat derhalve gegrond, namelijk dat de beschikking niet in strijd is met de Grondwet of met het Bupoverdrag. Ook het tweede verweer acht de kantonrechter gegrond, namelijk dat bij het nemen van de beslissing van de Ontslagcommissie niet strijd is gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur, immers is de grond onderzocht en is hoor en wederhoor gepleegd. Voorts is de beschikking voldoende gemotiveerd.

5.10. De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken van onwetmatigheden bij de tot standkoming van het besluit van de Ontslagcommissie, waardoor er ook geen gronden aannemelijk zijn geworden waardoor nietigheid of vernietiging van het besluit bij de bodemrechter zou kunnen worden gevorderd. Om die reden zal het onder 1 gevorderde worden afgewezen.

Het besluit van Havenbeheer

5.11. De kantonrechter overweegt dat [eiser] ook schorsing van het besluit van Havenbeheer vordert.

5.12. De kantonrechter overweegt dat, gelijk in de rechtspraak wel vaker naar voren is gekomen (vide onder andere Hof van Justitie 12 augustus 1994 GR. 13395 Gesser vs. Surinaamse Waterleiding Maatschappij en de Staat [SRU-HVJ-1994-1]) het mogelijk is dat, weliswaar de ontslagprocedure volgens de regels heeft plaatsgevonden, en het ontslag daarmee als rechtsgeldig moet worden aangemerkt, toch de bodemrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

5.13. Aan zijn vordering toT schorsing van het besluit van Havenbeheer heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het besluit in strijd is met de Grondwet en het Bupoverdrag en dat Havenbeheer de beginselen van goed werkgeverschap heeft geschonden waaronder de waarschuwingsplicht en het evenredigheidsbeginsel.

5.14. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de schending van de Grondwet en het Bupoverdrag dat daar onder punt 5.4 e.v. hierboven reeds is geoordeeld.

5.15. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de schending van de beginselen van goed werkgeverschap, dat Havenbeheer op die gronden niet heeft gereageerd waardoor die gronden aannemelijk zijn geworden. Zo beroept [eiser] zich erop dat hij nimmer door Havenbeheer is gewezen op het feit dat zijn activiteiten als parlementariër niet getolereerd kunnen worden en een dermate negatieve invloed hebben op zijn functioneren als directeur van Havenbeheer dat zij, Havenbeheer, maatregelen moeten treffen. Die waarschuwing is achterwege gebleven en [eiser] is geconfronteerd geworden met een ontslag op die grond zonder in de gelegenheid te zijn geweest zich eerder over die grond uit te laten, zich te verweren tegen standpunten van de werkgever over die grond en zonder de gelegenheid gehad te hebben eventueel zijn activiteiten als parlementariër zodanig aan te passen dat zijn functioneren als directeur daar niet meer onder zou lijden.

5.16. De kantonrechter is van oordeel dat om die reden aannemelijk is geworden dat het ontslag door Havenbeheer in strijd is met de algemene beginselen van goed werkgeverschap en derhalve als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt.

5.17. De kantonrechter overweegt dat het echter in casu op zijn plaats is het onderscheid te noemen tussen een ontslagbesluit waarbij de bodemrechter “nietigheid” kan worden gevorderd en een ontslagbesluit waarbij de bodemrechter kan worden gevorderd dat het ontslag als “kennelijk onredelijk” moet worden aangemerkt.

5.18. Bij de vordering van [eiser] is dit onderscheid noodzakelijk omdat een vordering tot “nietigheid” bij de bodemrechter andere gevolgen heeft dan een vordering betreffende “kennelijk onredelijk ontslag”. Bij een vordering tot nietigheid zal, indien die nietigheid wordt toegewezen, er sprake zijn van een situatie waarbij er uiteindelijk geen ontslag is gegeven. Het dienstverband loopt dan door. In zo een geval zou schorsing van het besluit kunnen worden gevorderd in kort geding. Bij een vordering betreffende “kennelijk onredelijk ontslag” zal ingevolge de wet, met name de artikelen 1615s en 1615t BW, gevorderd kunnen worden een schade vergoeding en/of herstel van de dienstbetrekking (vide hierboven aangehaald vonnis van het Hof van Justitie en het vonnis van de kantonrechter in die zaak onder Arno. 921788 van 6 april 1993). In lid 3 van artikel 1615t zijn de mogelijkheden opgesomd die in het bodemgeschil aan de orde kunnen komen. In zo een geval kan geen schorsing toegewezen worden in kort geding.

5.19. Doordat [eiser] vraagt om schorsing van het ontslagbesluit zal er onderzocht moeten worden of er sprake is van een besluit dat bij de bodemrechter eventueel nietig of vernietigbaar zal worden geacht. Alleen dan kan immers schorsing gelast worden.

5.20. De kantonrechter overweegt dat bij een ontslagbesluit gronden voor nietigverklaring of vernietiging van het besluit zijn:

  1. Het niet hebben van een ontslagvergunning of
  2. Het feit dat het ontslag in strijd is met een wettelijk ontslag verbod is gegeven (bijvoorbeeld tijdens ziekte gedurende een bepaalde periode).

5.21. Daar is in casu geen sprake van. In casu betreft het, zoals hierboven reeds aangegeven, gronden die zouden kunnen leiden tot een oordeel van kennelijk onredelijk ontslag.

5.22. Om die redenen zal ook geen schorsing van het besluit van Havenbeheer kunnen volgen.

5.23. De kantonrechter zal ook dit gevorderde van derhalve [eiser] afwijzen.

In reconventie
5.24. [eiser] heeft als verweer aangevoerd dat het ontslag niet rechtsgeldig is om dat de persoon die het ontslag heeft afgehandeld, de President- commissaris, niet gemachtigd was daartoe waardoor het ontslag niet rechtsgeldig is afgehandeld en er geen sprake is van ontslag. Nu er geen sprake is van ontslag, zo stelt [eiser], is er ook geen reden om de goederen af te geven.

5.25. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de grondslag van het gevorderde dat, nu in conventie is overwogen dat de besluiten van de Ontslagcommissie en Havenbeheer niet voor schorsing in aanmerking komen, het ontslag zal ingaan en het in reconventie gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd, achtende de kantonrechter de gevorderde dwangsom bovenmatig.

In conventie en reconventie
5.26. De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van de partijen niet verder bespreken en [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

6. De beslissing
In conventie
6.1.Wijst af het gevorderde;

In reconventie
6.2.Veroordeelt [eiser] om binnen twee (2) weken na betekening van dit vonnis de volgende goederen aan Havenbeheer af te geven:

  • Een laptop van het merk HP DV 4 – 2145 DX;
  • Een laptop van het merk HP PZ8934A#ABA;
  • Een set kantoorsleutels;
  • Een motorvoertuig van het merk Nissan X – Trail 4 WD – X – GradeQR 250 met [kentekennummer];
  • Een dienstwapen, merk Browning 78U 47073 en 9 stuks 7.65 mm patronen;

6.3.Veroordeelt [eiser] tot betaling van een dwangsom van SRD. 1000,= (eenduizend Surinaamse Dollar) per dag, het bedrag van SRD. 100.000,= (Eenhonderduizend Surinaamse Dollar) niet te bovengaand, voor elke dag dat hij nalaat aan de veroordeling onder 6.2. van dit vonnis te voldoen;

6.4.Verklaart dit vonnis voor wat het condemnatoir gedeelte betreft uitvoerbaar bij voorraad;

In conventie en reconventie
6.5.Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter–plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerst kanton te Paramaribo van vrijdag 23 september 2011, in tegenwoordigheid van mr. A. Sewgobind, fungerend–griffier.

SRU-K1-2018-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-4437
26 oktober 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans onder zwaar arrest in het cellenhuis verbonden aan de Brigade van de Militaire Politie,
eiser,
gemachtigden: mr. C.A.F. Meijnaar en mr. B.A. Pick, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. D.G. Duurham, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 25 oktober 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 26 oktober 2018;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 26 oktober 2018
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 26 oktober 2018;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 26 oktober 2018;
  • de rolbeschikking d.d. 26 oktober 2018, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 26 oktober 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 30 juli 2018 heeft eiser bij gedaagde het verzoek ingediend om aan hem met ingang van 01 september 2018 eervol ontslag uit militaire dienst te verlenen.

2.2 Op 23 oktober 2018 heeft gedaagde aan eiser de tuchtstraf van zwaar arrest opgelegd voor de duur van 15 dagen.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde te gelasten eiser onmiddellijk in vrijheid te stellen, binnen een uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- per dag, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
II) gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt en in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt hij tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2 dat hij vanaf 01 september 2018 met ontslag is, geen militair meer is en gedaagde hem onterecht een militaire tuchtstraf heeft opgelegd. Het opleggen van de tuchtstraf is in strijd met de wet en aldus onrechtmatig.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de aard van de stellingen, in het bijzonder uit de stelling dat hij vanaf 23 oktober 2018 onder zwaar arrest is.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of mag worden aangenomen dat eiser reeds met ontslag is, dan wel nog in militaire dienst is. Volgens de stelling van eiser is hij geen militair meer, omdat hij vanaf 01 september 2018 niet meer in militaire dienst is. Gedaagde daarentegen stelt zich op het standpunt dat gedaagde nog in militaire dienst is, omdat er zoals de kantonrechter gedaagde begrijpt, nog geen ontslagresolutie is waaruit dat blijkt. In dat licht heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast voor het inwinnen van inlichtingen. Dit ook, temeer daar het een feit van algemene bekendheid is dat het formaliseren van ontslagresoluties binnen het overheidsbestuur maanden kan duren.

4.3 Ter comparitie van partijen d.d. 26 oktober 2018 zijn de volgende feiten aan het licht gekomen:

  • eiser heeft zijn resterende verlofdagen opgenomen, met goedkeuring van zijn meerdere en is in aansluiting daarop per 01 september 2018 niet meer aan het werk verschenen. Eiser is ervan uitgegaan dat hij per die datum met ontslag is, omdat zulks hem zou zijn medegedeeld;
  • vanaf 01 september 2018 heeft eiser geen gebruik kunnen maken van de geneeskundige voorzieningen waarop militairen aanspraak maken;
  • vanaf 01 september 2018 ontvangt eiser geen salaris meer van gedaagde;
  • eiser heeft zijn standaarduitrusting reeds bij gedaagde ingeleverd;
  • eiser is vanaf 01 september 2018 elders werkzaam.

Deze feiten in onderling samenhang beschouwd en gelezen, maken het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat eiser met ingang van 01 september 2018 met ontslag is en sedertdien niet meer de status van militair heeft. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat gedaagde op 23 oktober 2018 onterecht de Wet Militair Tuchtrecht op eiser heeft toegepast en aldus onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld, met alle nadelige gevolgen van dien voor eiser.

4.4 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen zal de door eiser gevraagde voorziening worden toegewezen.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 250,-.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Veroordeelt gedaagde om eiser op heden d.d. 26 oktober 2018 om uiterlijk 19.30 uur in vrijheid te stellen.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom ad SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per uur, voor elk uur gedaagde nalaat aan de beslissing onder 5.1 te voldoen.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 300,- (Driehonderd Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 26 oktober 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K2-2006-1

Kantongerecht

Parketnummer : 1-1-2820
Vonnisnummer : 370
Datum uitspraak : 21 april 2006
Raadslieden : mr. J.G.O. KOULEN en Mr. F.F.P.TRUIDEMAN

EIND – VONNIS
Van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zittinghoudende te Paramaribo, inzake de Vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] te [plaats 1]
Wonende aan [adres] in [district]
van beroep Industrieel
thans in vrijheid gesteld

Het verdere onderzoek van de zaak ter terechtzitting:
In deze zaak zijn er op 12 december 2005 en 13 maart 2006 tussenvonnissen gewezen. In laatstgemeld vonnis is afwijzend beslist op de vordering van de vervolgingsambtenaar ex artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht tot splitsing van de zaken, gemakshalve te noemen [zaak 1] en [zaak 2] en de aldus gesplitste [zaak 2]terug te verwijzen naar de Rechter-Commissaris voor nadere onderzoekshandelingen op de voet van artikel 302 van het wetboek van Strafvordering en de [zaak 1] af te handelen op een nader te bepalen zittingsdag;

Het onderzoek in deze zaak is daarna voortgezet ter terechtzitting van 13 maart 2006, 27 maart en 31 maart 2006.

Ter terechtzitting van 27 maart 2006 heeft de Vervolgingsambtenaar requisitoir gehouden en ter terechtzitting van 31 maart 2006 tijdens repliek gevorderd dat de Kantonrechter haar machtigt tot het instellen van een strafrechtelijk – financieel onderzoek tegen de verdachte;

De tenlastelegging:
De Kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis d.d. 12 december 2005 bereids verwezen naar de in deze zaak tegen verdachte uitgebrachte dagvaarding. Noch met betrekking tot deze dagvaarding, noch de bevoegdheid van de Kantonrechter zijn excepties opgeworpen. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Ontvankelijkheid van de Vervolgingsambtenaar:
Uit het ten pleidooie betoogde leidt de Kantonrechter af dat de verdediging zich erop wenst te beroepen, zakelijk weergegeven, dat de Vervolgingsambtenaar niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging, vermits het Openbaar Ministerie het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play danwel enig ander beginsel van een goede strafrechtsorde heeft geschonden middels de toelating van opsporingsmethoden en technieken door Nederlandse casu quo buitenlandse opsporingsambtenaren welke in de Surinaamse rechtssfeer (het strafprocesrecht) verboden zijn casu quo niet geregeld zijn bij wet (art. 1 WvSv).

Ook indien het juist mocht zijn dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld zoals de verdediging aangeeft, dannog kan dat niet leiden tot het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van de Vervolgingsambtenaar in haar vervolging tegen deze verdachte, vermits het de Kantonrechter uit de processtukken is gebleken dat de toegepaste opsporingsmethoden en technieken door het Nederlandse onderzoeksteam hier te lande gebaseerd zijn op (klein) rechtshulpverzoeken vanuit Nederland op grond van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname van 1976.

De bij dergelijke rechtshulpverzoeken gehanteerde opsporingsmethoden door de verzoekende Staat in en met inachtneming van de aangezochte Staat kunnen, ook indien die niet zijn gebaseerd op de wetten van de aangezochte Staat, zoals artikel 21 van het rechtshulpverdrag 1976 voorschrijft, in beginsel niet met zich meebrengen dat vervolging van personen in de aangezochte Staat onder andere op basis van de door die methoden verkregen bewijsmiddelen, in strijd komt te verkeren met het vertrouwensbeginsel of het fair-playbeginsel danwel enige andere beginsel van een behoorlijke strafprocesorde. De omstandigheid dat de Nederlandse opsporingsambtenaren opsporingsmethoden en technieken hebben toegepast die vreemd zijn aan de Surinaamse Strafprocesorde, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de vervolgingsambtenaar daardoor ipso jure elke vervolgings recht ontzegd zou dienen te worden tegen verdachte met betrekking tot strafbare feiten die daaruit zijn gebleken en aan hem zijn telastegelegd.

Evenmin is dit het geval indien de verzoekende Staat bij het hanteren van de opsporingsmethoden in de aangezochte Staat, in strijd zou hebben gehandeld met de eigen terzake geldende wettelijke voorschriften.

Bewezenverklaring
Het verweer van de verdediging dat het bewijsmateriaal in [zaak 2], behelzende het telastgelegde onder III en IV van de dagvaarding, onrechtmatig is verkregen, omdat opsporingsmethoden zijn gehanteerd door het Nederlands Onderzoeksteam in Suriname, zonder dat het Surinaams Wetboek van Strafvordering daarin voorziet treft, naar het de Kantonrechter voorkomt, inzoverre doel, dat aldus in strijd is gehandeld met artikel 21 van gemelde Rechtshulpverdrag van 1976. Bijgevolg kan dat materiaal dat door de Vervolgingsambtenaar op haar beurt verkregen is uit een rechtshulpverzoek aan de Nederlandse justitiele autoriteiten, derhalve niet bijdragen tot het bewijs van het telastegelegde onder III en IV van de dagvaarding.

Bij gebrek aan andersoortig bewijsmateriaal terzake het onder III en IV telastegelegde alsook van bewijsmateriaal terzake het onder I telastegelegde, zal de verdachte daarvan dienen te worden vrijgesproken.

Daarentegen wordt dit verweer verworpen terzake het telastegelegde onder II van de dagvaarding, vermits via het rechtshulpverzoek verkregen telefoon-taps van de Nederlandse Justitiele autoriteiten, niet valt onder de vigeur van artikel 21 van het Rechtshulpverdrag; immers zijn deze telefoon-taps in Nederland, van Nederlandse telefoonnummers, niet verkregen en behoefden overigens ook niet verkregen te worden met rechtshulp-instemming van Surinaamse Justitiele autoriteiten, gelijk dat artikel verlangt. Dergelijk bewijsmateriaal dat officeel verkregen is uit rechtshulpverzoeken, gebaseerd op een rechtshulpverdrag, zoals in onderhavig geval, kunnen – ook indien in den vreemde toegepaste onderzoeksmethode niet in de nationale wetgeving van de verzoekende Staat geregeld is – wel dienstbaar zijn voor het bewijs op gelijke voet als alle overige bewijsmiddelen, in het bijzonder het bewijsmiddel zoals omschreven in artikel 325 lid 1 sub 5o van het Wetboek van Strafvordering.

De Kantonrechter acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd onder IIA van de dagvaarding, in dier voege dat hij:
Op 19 juni 2004 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] opzettelijk vanuit Suriname naar Nederland, althans het buitenland heeft uitgevoerd 2.977,5 (twee duizend negenhonderd zeven en zeventig en vijf tiende) gram cocaine zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 onder punt a en/of onder A van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14);
hebbende hij verdachte opzettelijk één of meer telefonische gesprekken met die [MEDEVERDACHTE 3] en [MEDEVERDACHTE 4] gevoerd over eventueel te gebruiken systemen bij het vervoer althans de uitvoer van voormelde hoeveelheid cocaïne en vervolgens die [MEDEVERDACHTE 3] en [MEDEVERDACHTE 4] en [MEDEVERDACHTE 5] voorgehouden dat bij het plaatsen van loden platen in een koffer voormelde hoeveelheid cocaïne niet ontdekt zou worden.
hebbende die [MEDEVERDACHTE 2] – nadat die [MEDEVERDACHTE 1] een koffer van vermelde loden platen had voorzien en vermelde cocaïne had geplaatst in voormelde koffer – zich begeven naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven in het district Para, met in zijn bezit voormelde koffer inhoudende ondermeer de cocaïne als voormeld, teneinde naar Nederland te vertrekken en vervolgens zich aangemeld bij de visitatie post van de douane op voormelde Luchthaven en vervolgens zich in een vliegtuig – voor vertrekkende passagiers naar Nederland begeven – en aldus opzettelijk voormelde cocaïne naar Nederland uitgevoerd.

Voorzover in het bewezenverklaarde taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging;

Het aan verdachte onder IIA meer of anders telastegelegde dan hiervoren als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken;

Bewijsmiddelen
De beslissing dat verdachte het bewezene heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat

Ten aanzien van het telastegelegde onder IIA:
De verklaring van de getuige, [GETUIGE 1], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van de periode vóór 20 juli 2004 was de persoon van [VERDACHTE] nog niet in beeld. Onder de infiltranten bevonden zich drie politie functionarissen uit Nederland . De [VERDACHTE] was eerder aangehouden in de Amsterdam-zaak. Na informatie uit Nederland ontvangen te hebben zijn wij hier met een onderzoek gestart. Het rechtshulp verzoek dateerde van februari 2005, waarbij er werd gevraagd relevante stukken op te sturen met betrekking tot de [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 2]. Op last van de Rechter-Commissaris was de verdachte eerder in vrijheid gesteld inzake de zaak waarbij [MEDEVERDACHTE 2] in Nederland was aangehouden voor ongeveer 3 kg cocaïne. De [VERDACHTE] is daarna wederom aangehouden. Ik heb de [VERDACHTE] één keer verhoord. Uit het onderzoek is gebleken dat er in een gesprek tussen [PERSOON 1] en [VERDACHTE] de volgende woorden zijn gevallen “lading en eten”. Die woorden heeft [PERSOON 1] gebezigd. [VERDACHTE] is in eerste instantie aangehouden in verband met de 2300 gram cocaïne, waarbij [MEDEVERDACHTE 2] in een loden koffer cocaïne had gesmokkeld. Wij hebben de informatie van deze uitvoer op 13 april 2005 gehad en hebben deze informatie op 20 april 2005 in het dossier geplaatst naar aanleiding waarvoor [VERDACHTE] was aangehouden voor de eerste maal. Kort voor de invrijheidstelling van de verdachte door de Officier van Justitie mr. G. PARAGSINGH, hebben wij andere informatie uit Nederland ontvangen over eerdere transporten waar [VERDACHTE] bij betrokken zou zijn. Op grond van deze nieuwe feiten is in opdracht van de Officier van Justitie mr. C. KLEIN, de verdachte [VERDACHTE] na zijn invrijheidstelling opnieuw aangehouden. De invrijheidstelling van de verdachte is alsvolgt geschied: de verdachte is naar de straat gebracht, waarbij de beschikking aan hem is uitgereikt, waarna hij ogenblikkelijk is aangehouden in verband met het overtreden van de Wet Verdovende Middelen en deelname aan een criminele organisatie.
In Suriname is het tappen van gesprekken in deze zaak niet gebeurd. In de uitvoeringsstukken staat dat landbouwprodukten als deklading zouden kunnen dienen om cocaïne te vervoeren, waarna 1 kg cocaïne aan de infltrant is getoond.

De verklaring van de getuige, [MEDEVERDACHTE 2], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voozover van belang en zakelijk weergegeven:
Met betrekking tot het strafbare feit, waarbij ik op 20 juni 2004 in Nederland ben aangehouden met 3 kg cocaïne kan ik U als volgt verklaren. De verdachte [MEDEVERDACHTE 1] ken ik van een neef van mij. [MEDEVERDACHTE 1] heeft mij de koffer met cocaïne gegeven om naar Nederland te brengen. [MEDEVERDACHTE 1] heeft mij naar een hotel op Lelydorp gebracht, van waaruit ik naar Zanderij ben vertrokken. Ik had geen werk en zat in geldnood. Vandaar dat hij mij het verzoek deed, de cocaïne naar Nederland te brengen, ik zou er 6000 Euro voor ontvangen. [MEDEVERDACHTE 1] was ook mijn paspoort komen afhalen. [MEDEVERDACHTE 1] heeft ook nog enkele kledingstukken voor me gekocht, die hij bij zich hield. [MEDEVERDACHTE 1] gaf ook nog de code van de koffer. Ik moest bij Tout Lui Faut op hem wachten, waarna wij naar Lely hills Hotel gingen. Vandaar uit is er een taxi mij komen ophalen en werd ik naar Zanderij vervoerd. Voorts kan ik verklaren dat ik niet weet door wie ik op Schiphol zou worden opgehaald.

De verklaring van [GETUIGE 2], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb in deze zaak de [MEDEVERDACHTE 1], [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 2] gehoord. Ik ben op de afdeling B.O.T. ingedeeld. De verdachte [MEDEVERDACHTE 1] ontkende alles. Hij gaf toe visum voor [MEDEVERDACHTE 2] te hebben geregeld. [MEDEVERDACHTE 1] verklaarde [VERDACHTE]te hebben leren kennen via zijn baas. De [MEDEVERDACHTE 1] is gegaan naar ene [PERSOON 2] om een werkgeversverklaring voor [MEDEVERDACHTE 2] te verkrijgen. [MEDEVERDACHTE 2] heeft mij gezegd dat hij naar Zanderij is gebracht door een taxi-chauffeur, die door [MEDEVERDACHTE 1] was gestuurd. Na [MEDEVERDACHTE 1] hiermede geconfronteerd te hebben, reageerde hij door te zeggen dat hij de mensen in Nederland goed kent.

De verklaring van [GETUIGE 3], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was belast met de aanhouding van de [MEDEVERDACHTE 2] en het opmaken van de processen-verbaal van de verhoren van de [VERDACHTE]. Wij hebben stukken uit Nederland ontvangen, omdat de [MEDEVERDACHTE 2] in de maand februari of maart van dit jaar 3 kilogram cocaïne in een koffer met dubbele bodem had uitgevoerd. Hij vertelde dat hij benaderd was door een zekere [PERSOON 3] of [MEDEVERDACHTE 1]. Vanaf het begin had hij het over [PERSOON 3] die hem benaderd had bij Lely Hills Hotel. De verdachte heeft de persoon van [MEDEVERDACHTE 1] beschreven. Hij heeft ook door gegeven dat de persoon van [MEDEVERDACHTE 1]/[PERSOON 3] de kledingstukken voor hem heeft gekocht en een koffer met dubbele bodem.

Het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, belast met de instructie in strafzaken, opgemaakt d.d. 1 februari 2006, behelzende de ten overstaan van hem afgelegde verklaring onder ede van [MEDEVERDACHTE 4], voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ken [VERDACHTE], hij is geen familie van mij. [VERDACHTE], zoals ik [VERDACHTE] zal noemen ken ik al twee jaren tijdens mijn verblijf in Suriname. U laat mij een afbeelding zien van de persoon van [VERDACHTE] en verklaar ik U dat ik deze persoon bedoel. Ik 2003 heb ik [VERDACHTE] in Nederland ontmoet. Naar ik mij kan herinneren logeerde [VERDACHTE] in een hotel in Amsterdam en heb ik hem daar twee keer samen met mijn ex-vriend [PERSOON 1] ontmoet. Het is mij bekend dat [PERSOON 1] in 2004 in Suriname was. Ik denk dat [PERSOON 1] alleen naar Suriname is gegaan. U moet weten dat ik na beëindiging van de relatie met [PERSOON 1] de afspraak had dat wij met elkaar in contact zouden blijven. Het is juist dat wij vrijwel dagelijks telefonisch contact met elkaar hadden. [PERSOON 1] was de enige waarmee ik telefonisch contact had. Op 3 mei 2004 belt [VOORNAAM PERSOON 1] ([PERSOON 1]) mij vanuit Suriname op en geeft mij door dat [VERDACHTE] naar Nederland komt. [VERDACHTE] heeft mij wel gebeld en hield hij mij voor dat hij mij wilde ontmoeten [VERDACHTE] heeft mij ook opgebeld om te bewerkstelligen dat zijn terugreis naar Suriname werd bevestigd. Ik heb dat niet zelf gedaan, maar heb gebeld naar [PERSOON 1] in Suriname die het één en ander in orde had gemaakt. Bij [VERDACHTE] heb ik de indruk gewekt alsof ik het in orde heb gemaakt.

Het is wel juist dat ik op 20 juni 2004 op Schiphol was. In opdracht van [PERSOON 1] heb ik mijn [JONGERE BROER] gezegd dat hij ook op Schiphol aanwezig moest zijn. [JONGERE BROER] is zelf daar naartoe gegaan. Het is geen opdracht van mij geweest. Ik had niet het minste vermoeden waarom [JONGERE BROER] ook op Schiphol aanwezig moest zijn. Ik heb in één van de telefonische gesprekken met [PERSOON 1] hem gezegd om geld voor mij mee te nemen. Ik communiceerde zowel in het Hindi als Nederlands met [PERSOON 1]. Ik heb tegen [PERSOON 1] gezegd dat hij 33.000 Euro voor mij moest meenemen. De politie heeft er 3,3 van gemaakt en geassocieerd met 3 kilo cocaïne.
Het is mij bekend dat [PERSOON 1] op 20 juni 2004, nadat het vliegtuig geland was en hij buiten was gebeld heeft naar [VERDACHTE]. Ik zat in de auto en was bezig een tijdschrift te lezen. Ik heb wel het één en ander kunnen opvangen. In ving onder andere op “een koffer en lood”. Ik neem aan dat [PERSOON 1] heeft gebeld naar [VERDACHTE]. U moet weten dat [PERSOON 1] nog voor hij met [VERDACHTE] had gesproken mij het één en ander had doorgegeven. Dit gesprek heeft plaatsgevonden tijdens het rijden naar huis. [PERSOON 1] zat aan het stuur. [PERSOON 1] had mij te kennen gegeven, dat [VERDACHTE] ook met mij wilde praten. U moet zich voorstellen dat ik dingen als scannen en lood wel in de mond heb genomen, maar ik moet direct aangeven dat ik dit van [PERSOON 1] heb begrepen. Ik weet dan ook niet waarom ik dit aan [VERDACHTE] heb verteld. Ik ken de persoon van [NAAM 1], maar wist niet dat hij [MEDEVERDACHTE 1] van z’n familienaam heette. Ik weet wel dat hij in dezelfde buurt van [PERSOON 1] te [plaats 2] woont. U laat mij nog een afbeelding zien, die herken ik als [MEDEVERDACHTE 1].

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2005, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb niets met de zaak te maken. Ik ken wel enkele mensen uit de dagvaarding, maar de rest ken ik niet. Ik ben erin geluisd. Dhr. [MEDEVERDACHTE 1] heb ik bij de RC leren kennen. Ik kende hem eerder niet. Ik heb hem nooit in een andere relatie gekend. [NAAM 2] ken ik van mijn borrelvrienden; hij woonde hier in Suriname. [MEDEVERDACHTE 3] ken ik van een borreltent in Suriname. Ik ken [PERSOON 4]. [NAAM 2] heb ik leren kennen in een borreltent bij [plaats 3]. We waren bijna elk weekend aan de borreltafel. Een heel enkele keer heeft hij mij gebeld vanuit het Buitenland. Ik heb ook telefonisch contact met hem gehad. Ik kan mij de inhoud van de gesprekken niet meer heugen. Ik zie hem vaker in [plaats 4]. Ik heb [NAAM 2] vaker tezamen met [PERSOON 4] ontmoet in [plaats 4]. Ik heb eens een advies gegeven omtrent het vervoeren van goud naar het Buitenland, maar ik heb niet gezegd dat er cocaïne bij moest worden gezet. [PERSOON 4] heeft mij gevraagd hoe hij het goud moest meenemen naar het Buitenland. Ik zei dat hij het in lood moest verpakken. Ik weet niet of hij mijn advies heeft gebruikt en hoe hij het heeft gebruikt. Op het eerste moment op 1 maart 2005 ben ik aangehouden samen met [PERSOON 4].

Het schriftelijk bescheid, zijnde een rapport, opgemaakt en getekend d.d. 8 juli 2004 door [gerechtelijk deskundige] te Rijswijk, Nederland, onder meer inhoudende het resultaat van het laboratorium onderzoek naar het bij [MEDEVERDACHTE 2] op 20 juni 2004 op Schiphol inbeslaggenomen materiaal.
Op 23 juni 2004 werden aanvraag en materiaal (1 monster crèmekleurige poeder) ontvangen van de Regio politie Rotterdam-Rijnmond. Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen welke vallen onder de bepalingen van de opiumwet. Het onderzoeksresultaat: het monster bevat cocaïne.

Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, d.d. 17 maart 2005 door de [Brigadier van politie], onder meer inhoudende de op 17 maart 2005 ten overstaan van hem verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte – zakelijk weergegeven -:
Ik heb inderdaad meerdere gesprekken met [PERSOON 1] en [NAAM 3] vanuit Suriname gevoerd, maar ik heb nimmer over drugs met hun gesproken. Toendertijd had [PERSOON 1] mij, omdat ik technisch goed aangelegd ben, wel gevraagd hoe hij goud kon vervoeren, zonder dat men het kon zien. Ik had hem toen voorgehouden, dat wanneer hij het goud in lood verwerkt althans bewaart, dan kan dit niet door anderen worden ontdekt. [PERSOON 1] had mij wel gezegd, dat hij het goud vanuit Suriname naar Nederland zou vervoeren. Ik had [PERSOON 1] alleen een advies gegeven hoe hij goud op een veilige manier kon vervoeren. Ik had inderdaad over een bedrag van drie miljoen met [PERSOON 1] gesproken. Dit was als beloning voor mijn advies. Het ging in deze om Surinaams bedrag (drie miljoen Surinaamse gulden van toen, geen Surinaamse dollar). [PERSOON 1] zou goud uitvoeren, hetgeen een grote waarde heeft en neem ik aan, dat hij op die gronden bereid was om te betalen.

Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, d.d. 14 april 2005 door de [Brigadier van politie], onder meer inhoudende de op 14 april 2005 ten overstaan van hem verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte – zakelijk weergegeven -:
De tapgesprekken, die ik thans heb mogen afluisteren, zijn inderdaad op 20 juni 2004 door mij met [PERSOON 1] en [NAAM 3] gevoerd. Ik werd op bedoelde dag door [PERSOON 1] gebeld en heb ik toen inderdaad een gesprek met hun gehad. Bij het afluisteren heb ik mijn stem duidelijk herkend, dat ik in gesprek was met [PERSOON 1] en [NAAM 3]. [PERSOON 1] had mij op het [telefoonnummer 1] gebeld. Het kan ook zijn, dat hij mij op kantoor had gebeld. Het nummer daarvan is [telefoonnummer 2].

Het schriftelijk bescheid, opgemaakt d.d. 21 juni 2004, door [hoofdagent van politie], werkzaam bij de dienst Nationale Recherche, unit Randstad-Zuid, ondermeer inhoudende het telefoongesprek gevoerd tussen [PERSOON 1] (R) en [VERDACHTE] (NAAM VERDACHTE VARIANT(S)), zakelijk weergegeven:
S: Hallo
R: Hallo
S: ja, met [NAAM VERDACHTE VARIANT]
R: ja, [PERSOON 1], hoe is het
S: he hoe is het
R: ja rustig
S: Ben je goed aangekomen?
R: ja maar, eeh lastig hoor
S: Hoe is het
R: Lastig
S: Maak geen grap
R: Ja geen kans op “dat systeem”. Neen, we hebben geprobeerd maar geen kans. Geen ene kans
R: he?
S: Echt, echte tori?
R: ja man, lastig lastig, “die mannen zijn wreedaardig scherp”
R: ja man, wreed, wreed, wreed, die mannen eeeeehhhh
S: Ik zat op jouw telefoontje te wachten
R: ja, ik ben net in Den Haag aangekomen maar ik dacht laat me je even bellen, maar eeehh, neen!
S: ik dacht dat je mij een goed bericht zou geven
R: ja dat hoopte ik ook, maar lastig, lastig
S: Hoe? Ik kan het niet begrijpen
R: Gewoon, die mannen zien “die tori”
S: Maak geen grap
R: ja, gelijk want ik stond eh achter die eehhman eeehhh vier, vijf mannen achter die man en dan check ik “die hele tori” eigenlijk en dan zie ik live hoe het gebeurd, joh!
S: Maak geen grap
R: ja dan eeeh een van die mannen die daar achter de machine zit eeeh die heeft gelijk een paar van die mannen geroepen dan eeeh zijn ze die man gaan checken dan hebben die mannen gechecht en toen hebben ze alles uit die eh eh dingen he? En dan eeeh een van die jongens eeeh zei eh ja maar ik zie niets maar toen zijn er twee aan komen lopen en toen hebben ze “de tobbe” gelicht (koffer) en toen vonden ze dat er nog “dingen” in waren ja joh erg lastig en toen hebben die mannen eeehhh dan eeh op een gegeven moment ben ik weggelopen weet je niet dan eeeh even buiten gewacht maar die man is niet meer naar buiten gekomen
S: hmmm
R: Lastig! Op dat “systeem” is er geen kans, helemaal niet
S: Neen he?
R: neen, neen, helemaal niet, die mannen zijn wreeddadig scherp, wreed
S: Je maakt een grap
R: Ja, daar is er geen kans. Ik had wel een kleine hoop maar eeeh zo te zien
S: Je hebt mijn spirit helemaal gebroken dus nu hang ik aan alle beide kanten (kan ik niets)
R: Ik ook. Ik ben nu alleen maar aan het denken. Hoe en wat. Lastig man!
S: Dus die anderen….
R: Ja
S: Hallo
R: Ja klem, klem
S: Shit man!
R: ja oh jongen. Maar daar is er geen kans hoor
S: Neen he?
R: Neen helemaal niet
S: Hoe werkt het systeem?
R: He?
S: werkt het systeem zo gevaarlijk?(goed)
R: Ja zo gevaarlijk ja, geen enkel kans is er, daar
Voor niemenad, niemand, [VERDACHTE]!

([NAAM 3] zegt op de achtergrond: en zeg tegen hem dat er een scan apparaat komt)

R: Eeh eh het enige is eh die mensen die eeeh eh je weet toch, die mensen (de mannen) “die eten”

(De stem van [NAAM 3] is hoorbaar op de achtergrond. Ze zegt: Neen vanaf maandag niet meer. Ze hebben een rontgenapparaat).

R: Vanaf morgen hoor ik niet meer. Dan gaan ze een body eeeh ([NAAM 3] zegt: scan)
S: Oh ja
R: ja

Vervolgens komt [NAAM 3] aan de lijn en voert een gesprek met [NAAM VERDACHTE VARIANT]. Ze noemt hem trouwens [VERDACHTE]
SH: Ze hebben het gescant en als ze het hebben gescant dan hebben ze het gezien toch?

Toch [PERSOON 1]?
([PERSOON 1] zegt: Ja ze hebben iets opvallends gezien)
SH: maar je zei dat je het met lood gedaan hebt
([PERSOON 1]: ja maar het helpt niets)
SH: Maar hebben ze die lood …misschien…Maar die lood is metaal toch?
Lood is geen metaal? Neen
Maar [VERDACHTE] ze zijn lastig.
S: Ik weet wat er gebeurd is. Neen eh je gaat iets zwarts zien wat niet normaal is begrijp je wat ik bedoel
SH: ja precies. Misschien hebben ze toch ja kijk dat ding gaat dwars door de hele bodem en ja jeetje het zal herkend zijn toch ja maar ja we hebben het nu geprobeerd dan weet je het he
S: Tuurlijk niet geprobeerd is altijd mis
S: Volgende week eh niet woensdag, na woensdag eeeeh wacht daar nog even
R: Oke is goed 100?
S: Drie miljoen

Het schriftelijk bescheid, opgemaakt d.d. 22 juni 2004, door [inspecteur] en [hoofdagent van politie], werkzaam bij de Dienst Nationale Recherche, unit Randstad-Zuid en thans deeluitmakend van het project “[naam zaak]”, ondermeer inhoudende de overname inbeslaggenomen goederen Koninklijke Marechaussee, zakelijk weergegeven:
Op 22 juni 2004 werden door ons, uit handen van [wachtmeester der Koninklijke Marechaussee], de volgende inbeslaggenomen goederen overgneomen:

  • Een hardschalige kunststofkoffer van het merk CARLTON, kleur donderblauw
  • Een doos met een hoeveelheid, vermoedelijk cocaïne, met een nettogewicht van 2.977,5 gram en verpakkingsmateriaal.

De Kantonrechter tekent hierbij aan dat de ontkenning van de verdachte – bekeken tegen de achtergrond van de in hierboven gebezigde bewijsmiddelen afgelegde verklaringen van de getuigen – niet anders moet worden beschouwd dan een poging zijnerzijds om de waarheid te bemantelen.

Strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Het medeplegen van opzettelijke overtreding van het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub a onder A van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998 no. 14); voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 1 van genoemde Wet juncto artikel 72 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit: De verdachte is dus strafbaar

Motivering van de Sanctie
De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat de verdachte terzake het telastegelegde onder IIA zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van SRD 4000 (VIER DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR), subsidiar 12 (twaalf) maanden hechtenis;

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de kantonrechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder die is begaan, alsmede de persoon van de verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder heeft de kantonrechter het navolgende in aanmerking genomen: Verdachte heeft een vooraanstaande rol vervuld bij de uitvoer van ongeveer 3 kg cocaïne, welke aan hem toebehoorde, vanuit Suriname naar Nederland. Deze uitvoer betrof een van experimentele aard met loden platen in een koffer met een dubbele bodem. Daarbij is niet geschroomd de vrijheid en het leven van een in financiele nood verkerende drugskoerier op het spel te zetten en wel door tussenkomst van zijn “rechterarm”, de [MEDEVERDACHTE 1].
De uitgevoerde hoeveelheid cocaïne was van dien aard dat het niet anders kon of het was bestemd om in Nederland in de vrije handel te brengen en aldus de gezondheid van vele personen/gebruikers (verder) te schaden, met alle gevolgen van dien voor die personen, hun familie en de samenleving; dit tegenover simpele financiele gewin aan de zijde van de verdachte.

Voor deze categorie van de Verdovende Middelen wet-overtreders, past geen andere sanctie dan een vrijheidsbenemende van langere duur gecumuleerd met een geldboete. De kantonrechter ziet derhalve aanleiding de strafeis van de Vervolgingsambtenaar volledig over te nemen.

Strafrechtelijk – Financieel Onderzoek
De Vervolgingsambtenaar heeft ter terechtzitting d.d. 31 maart 2006 gevorderd haar te machtigen tot het instellen van een strafrechtelijk – financieel onderzoek tegen verdachte, vermits verdachte uit de door de Vervolgingsambtenaar aangehaalde strafbare feiten, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, welke hem ontnomen dient te worden.

Anders dan de verdediging betoogt, hoeft de vordering tot machtiging op grond van artikel 344 a WVSV ter instelling van het strafrechtelijk – financieel onderzoek niet betekend te worden aan de verdachte in tegenstelling tot de vordering tot instelling van dat onderzoek zelf op grond van artikel 221 a WVSV.

De vordering tot machtiging zal, naar het de kantonrechter voorkomt op de voet van artikel 297 WVSV, echter niet eerst na requisitoir, zoals in onderhavig geval bij repliek, kunnen plaatsvinden, vermits de aard van die vordering niet een is die los gezien kan worden van de hoofdvordering, doch als sequeel daarvan beschouwd dient te worden en het systeem van strafvordering die ruimte niet uitdrukkelijk heeft gecreëerd. Die vordering beoogt uiteindelijk een strafrechtelijke maatregel (ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel) af te dwingen al dan niet op een later tijdstip dan waarop de hoofdvordering is afgehandeld en zal aldus uiterlijk bij het requisitoir voorgesteld moeten worden op straffe van verval van dat vorderingsrecht.

De toepasselijke Wettelijke Voorschriften
De op te leggen straffen zijn behalve op de reeds aangehaalde bepalingen, mede gegrond op de artikelen 9, 11, 40 en 44 van het Wetboek van Strafrecht.

De Beslissing
De kantonrechter in het Tweede Kanton:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder IIA van de dagvaarding is telastegelegd, zoals hiervoren bewezen is verklaard;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder I, III en IV van de dagvaarding is telastegelegd en onder IIA meer of anders is telastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart zowel het bewezene als de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2006 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

 

 

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-K1-2003-6

Kantonrechter Eerste Kanton
26 augustus 2003, A.R. 985054
(mr. J.R. Von Niesewand)

  1. [eiser sub 1], wonende in [district 1];
  2. [eiser sub 2], wonende in [district 1];
  3. [eiser sub 3], wonende in [district 1];
  4. [eiseres sub 4], wonende in [district 1];
  5. [eiser sub 5], wonende in [district 1];
  6. [eiser sub 6], wonende in [district 1];
  7. [eiser sub 7], wonende in [district 1];
  8. [eiser sub 8], wonende in [district 1];

Gemachtigde: Mr. J. Van Dijk-Silos, advokaat, voor de eisers sub 3, 4 en 6 en Mr. I.S. Asarfi-Lalji voor de eiser sub 5;
Eiser sub 1, 2, 7 en 8 hebben hun vorderingen tegen de gedaagden ingetrokken; eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie in Kort Geding,

tegen

a. De Staat Suriname met name Het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te haren parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo; gemachtigde: Mr. J. Kraag, advokaat;
b. [gedaagde sub b], wonende in [district 1] te [adres 1];
c. [gedaagde sub c], wonende te [district 2] aan [adres 2]; gemachtigde: I.D. Kanhai, advokaat;
d. [gedaagde sub d], wonende te [district 2] aan [adres 3]; gemachtigde: Mr. T.S. Sewdien, advokaat;
e. [gedaagde sub e], wonende in [district 1] aan [adres 4]; gemachtigde: Mr. J. Ferdinand, advokaat;
f. [gedaagde sub f], wonende te [district 2] aan [adres 5]; gemachtigde: Mr. J. Nannan Panday, advokaat;
g. [gedaagde sub g], wonende te [district 2] aan [adres 6]; gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advokaat;

gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie in Kort Geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek Suriname het navolgend vonnis in kort geding uitgesproken:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald afschriften d.d. 9 april 2002, 21 februari 2003, 11 maart 2003, 11 april 2003 en 20 mei 2003, tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen, alsmede proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 23 mei 2003;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat wij hier overnemen, hetgeen daaromtrent in voormelde vonnissen is overwogen;
Overwegende, dat bij de door Ons bevolen comparitie van partijen zijn verschenen, eiser sub 4, mr. J. Van Dijk-Silos, mr. I.S. Asarfi-Lalji en mr. K. Olf namens gedaagde sub A; eiser sub 4 is gehoord; hiervan is er een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk hier als ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In conventie:
Overwegende, dat eiseres sub 4, destijds huurster van perceel no. 48 een oppervlakte beslaande van 20 m breed en 70 m lang en gelegen te [adres 7] in [district 3], bij conclusie tot uitlating de dato 6 april 2000 heeft doen zeggen, dat zij met [gedaagde sub c] een schikking heeft bereikt welke alsvolgt luidt: gedaagde sub c zal aan eiseres sub 4 naast het uitgezonderd gedeelte van 20 m breed x 70 m lang, aansluitend daarop afstaan 5 m in de breedte en 30 m in de lengte hetgeen betekent dat eiseres sub c een totaal stuk perceelland van 25 m breed en 100 m lang in grondhuur zal dienen te verkrijgen;

Overwegende, dat nu eiseres sub 4 en gedaagde sub c gebonden aan zijn voormelde schikking (c.q. overeenkomst), zou zij ook hierom niet langer belang bij het mede door haar oorspronkelijk gevorderde en daarin daarom niet worden ontvangen;

Overwegende, dat, als niet langer weersproken zijdens gedaagden vaststaat; dat [eiser sub 3] huurder is van het perceel ter breedte van ± 2 ketting en 18 ketting diep, gelegen te [adres 7] in [district 3] en waarvan de huur Sf 40,– per jaar bedraagt; [eiser sub 5] huurder van het perceel ter breedte van 2 ketting en 18 ketting diep, welk perceel gelegen is te [adres 7] in [district 3] en waarvoor aan huur Sf 40,– per jaar wordt betaald, en [eiser sub 6] huurder van het perceel te [adres 7] in [district 3] ter breedte van 20 m en 17 ketting diep, ten aanzien waarvan de huur Sf 40,– per jaar bedraagt;

Overwegende, dat als niet weersproken zijdens gedaagden tevens vaststaat dat elk van genoemde eisers vele jaren gehuurd had van zekere [persoon 1], die daarna verkocht en overgedragen heeft aan zekere [persoon 2], die op zijn beurt naderhand verkocht en overgedragen heeft aan gedaagde sub a (De Staat Suriname); gedaagde sub a heeft op zijn beurt, blijkbaar na herverdeling en het in kaart hebben gebracht van in ieder geval de percelen, aan de eisers sub 3, sub 5 en sub 6 velen jaren geleden verhuurd, in grondhuur afgestaan aan, naar wij thans er van uitgaan, de gedaagde sub b en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of gedaagde sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g;

Overwegende, dat de eisers sub 3, sub 5 en sub 6 in het 12e “dat” van het verzoekschrift dan ook terecht gesteld hebben dat door de overdracht van het litigieuze stuk perceelland (d.i. het totaal van elk aan de eisers vele jaren geleden in huur afgestane perceelland, omschreven in het 2e “dat” van het verzoekschrift aan gedaagde sub a, het huurrecht van de eisers niet te niet is gegaan waardoor eisers met recht en titel het litigieuze stuk perceelland bewonen en bewerken; eisers sub 3, sub 5 en sub 6 beroepen zich blijkbaar op artikel 1597 BW, en terecht;

Overwegende, dat wij in het 13e en 14e “dat” van het verzoekschrift gestelde dan ook als niet langer gemotiveerd weersproken door gedaagden als tussen partijen rechtens vaststaand aannemen;

Overwegende, dat wij dan ook zullen beslissen als in het dictum te melden;

Rechtdoende in kort geding
In conventie:
Verklaren de eisers sub 4 alsnog niet ontvankelijk in de mede door haar ingestelde primaire en subsidiaire vordering;
En voorts

I. Verbieden gedaagde sub b en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g activiteiten te ontplooien op bij respectievelijk de eiser sub 3, de eiser sub 5 en de eiser sub 6 in huur zijnde percelen;

II. Veroordelen de gedaagde sub b, en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of gedaagde sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g tot betaling aan elk van de eisers sub 3, sub 5 en sub 6 van een dwangsom van sf. 1.000.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde sub b en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of gedaagde sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g in strijd handelt en/of handelen met de uitspraak in onderdeel I van het dictum;

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
Weigeren het meer of anders gevorderde;

 

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”