SRU-K1-1995-1

A.R.NO. 956489
27 NOVEMBER 1995
C.G.

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in de zaak aanhangig tussen:

  1. [eiser 1], wonende aan de [straat 1] te [district],
  2. [eiser 2], wonende aan [adres 1] te [district], en
  3. [eiser 3], wonende aan [adres 2] te [district],
    gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advokaat,
    eisers in kort geding,

tegen

CANTECH LABORATORIES INC., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Canada, mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kleine Waterstraat no. 2-6 te Paramaribo,
gemachtigde: Mr. F.KRUISLAND, advokaat,
gedaagde in kort geding,

PROCESGANG
Bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie d.d. 14 november 1995, hebben eisers gevorderd dat de Kantonrechter,

a. eisers zal vergunnen kosteloos te proceduren
b. gedaagde zal veroordelen aan eiser bij wijze van voorschot te voldoen 80% van hun salaris zoals genoten in de laatste maand voor de ontslagaanzegging totdat de dienstbetrekking met eisers op regelmatige wijze is beëindigd.
c. aan eisers uit te keren bij wijze van voorschot 80% van het vakantiegeld, waarop eisers recht hebben;
d. eisers toegang te verlenen tot het gebruik maken van de in gedaagdes bedrijf voorkomende voorzieningen zoals medische behandeling;

Alsmede gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwang-som van sf.100.000 voor iedere keer, dat zij gedaagde zich niet mocht houden aan de in deze te geven beslissing, met uitvoerbaarverklaring van de gevraagde voorzieningen op de minuut en op alle dagen en uren.
Gedaagde heeft op 21 november 1995 mondeling geantwoord onder overlegging van een produktie waarna partijen mondeling hebben gerepliceerd en gedupliceerd op dezelfde datum.
Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd waarvan de uitspraak bepaald is op heden.

2. MOTIVERING

2.1. Vaststaande feiten.
Tussen partijen is in rechte als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende komen vast te staan:

  1. Eisers sub 1 en 2 hebben met gedaagde sedert hun indiensttreding in april 1993 opéénvolgende arbeidskontrakten voor enkele maanden gesloten, laatstelijk voor de duur van 5.5. maanden, ingaande 1 mei 1995 en eindigend op 15 oktober 1995. Eiser sub 3 heeft, sedert zijn indiensttreding in oktober 1992 opéénvolgende arbeidskontrakten met gedaagde gesloten voor de duur van enkele maanden, blijkens door gedaagde overgelegde produkties laatstelijk voor 1.5. maand, ingaande 1 juli 1995 en eindigend op 15 augustus 1995;
  2. Gedaagde heeft per deurwaardersexploit d.d. 11 oktober 1995 eisers sub 1 en 2 bericht dat hun arbeidsovereenkomst, die op 15 oktober zou expireren, niet zou worden verlengd.Gedaagde heeft per deurwaardersexploit van dezelfde datum eiser sub 3 bericht dat een bedrag van sf.13.709,41, zijnde de restitutie loonbelasting, op zijn rekening was gestort en dat gedaagde ” hiermede de zaken met eiser sub 3 definitief afsloot” .

2.2 Standpunten van partijen

Standpunt eisers sub 1 t/m 3;
Eisers stellen dat het door gedaagde aan hen verleend ontslag onrechtmatig is. Hierbij beroepen zij zich erop dat:

  1. artikel 1615 f. lid 3 S.BW aldus wordt ontdoken;
  2. de wijze van opzegging, niet in overeenstemming is met dwingendrechtelijke bepalingen terzake, ondermeer aangaande de wettelijk voorgeschreven opzeggingstermijn, zoals bepaald in artikel 1615 i lid 7 S.BW
  3. ingevolge het Decreet ontslagvergunning (SB 1983 NO.10), met name artikel 2, voor het ontslag een vergunning van de betrokken Minister is vereist.
  4. het vermoeden bestaat dat vanwege de vorming van een vakbond door eisers gedaagde ertoe overgegaan, is de dienstbetrekking niet hen te beëindigen .

STANDPUNT GEDAAGDE:
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat:

  1. Sprake is van dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd, die van rechtswege expireren krachtens het bepaalde in artikel 1615 e lid 1 BW;
  2. het in deze derhalve niet gaat om ontslag of opzegging, doch gedaagde eisers sub 1 en 2 per deurwaardersexploit d.d. 11-10-1995 heeft bevestigd dat het dienstverband met hen per genoemde datum van rechtswege zou eindigen en ten aanzien van eiser sub 3 een finale afrekening inhield;
  3. krachtens het Decreet ontslagvergunning (SB 1983 NO.10) is voor beëindiging van overeenkomsten voor bepaalde tijd geen ontslagvergunning vereist;
  4. de opéénvolgende kontrakten met eisers voor de duur van enige maanden sedert hun indiensttreding hun oorzaak vinden in beleidsredenen met betrekking tot de bedrijfsvoering en konti- nuiteit van gedaagdes onderneming.

BEOORDELING VAN HET GESCHIL:
De Kantonrechter is van mening dat de spoedeisendheid uit de aard van eisers hun stellingen genoegzaam blijkt;
De Kantonrechter is wijders van oordeel dat in rechte is komen vast te staan op grond van de door gedaagde in het geding gebrachte produkties, die als hier letterlijk herhaald en geinsereerd worden beschouwd, dat tussen gedaagde en de eisers arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn gesloten, die inmiddels zijn geëxpireerd.
Immers ingevolge het bepaalde in artikel 1615 e lid 1 S B W expireren arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, na/van de overeengekomen termijn van rechtswege, zonder dat opzegging of ontslag vereist is.
Voorts is ingevolge het ontslagdecreet (SB 1983 NO.10) met name het bepaalde in artikel 3 sub b voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen ontslagvergunning vereist.
In beginsel staat het in het algemeen een werkgever en zijn werknemer vrij, in het licht van de kontraktsvrijheid, vrijwillig opéénvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te sluiten.
Door eisers is voorts geen beroep gedaan op vernietiging van de arbeidsovereenkomsten wegens gebreken bij de totstandkoming of anderzins, zodat de Kantonrechter aanneemt dat sprake is van geldige kontrakten, die vrijwillig tot stand zijn gekomen.
Het beroep van eisers op ontduiking door gedaagde van het bepaalde in de artikelen 1615 f lid 3 en 1615 i lid 7 SBW, faalt eveneens.
Het bepaalde in artikel 1615 f lid 3 B.W (welk lid overigens is komen te vervallen bij een nadere wijziging van het SBW, zie G.B. 1975 no.23, artikel I.B.)- regardeert het geval dat een dienstbetrekking na ommekomst van de overeengekomen termijn zonder tegenspraak wordt voortgezet.
Het bepaalde in artikel 1615 i lid 7 SBW, betreft een optelling van perioden van dienstbetrekkingen in het licht van de termijn van opzegging, derhalve indien sprake is van opzegging, welke in casu niet het geval is;
Op grond van het vorenoverwogene is de Kantonrechter van oordeel dat eisers geen juridische grondslag voor toewijzing van hun vorderingen hebben aangedragen, weshalve de Kantonrechter de gevraagde voorzieningen zal weigeren en de eisers als de in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de kosten van dit proces;

DE KANTONRECHTER, RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Weigert de gevraagde voorziening.
Veroordeelt de eisers sub 1 t/m 3 in de kosten van dit proces tot op heden begroot op sf.nihil

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.J.R.VON NIESEWAND d.d. 27 november 1995 in aanwezigheid van de Fungeren- Griffier Mr.M.PITTI.

SRU-K1-2018-19

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. no. 182000
12 juni 2018

Vonnis in de zaak van
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N.V. JUSESUR h.o.d.n. Sewcharan advocaten,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “ Jusesur”

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP BLUE WING AIRLINE N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo
B. [gedaagde],
wonende te [district], in persoon en in zijn hoedanigheid van directeur van Blue Wing,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.
gedaagde in kort geding,
hierna te noemen: “Blue Wing”

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift met producties, dat op 11 mei 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij verzoekschrift van 16 oktober 2017 heeft Jusesur in kort geding gevorderd dat Blue Wing en [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling aan Jusesur van het bedrag van US$ 575.000,-. Die zaak staat bekend onder het arno 174395. Als grondslag voor het gevorderde heeft Jusesur aangevoerd dat Blue Wing en [gedaagde] in januari 2014 aan Jusesur een opdracht hebben gegeven voor juridische bijstand in een conflict dat was ontstaan tussen Blue Wing en [gedaagde] enerzijds en de Staat Suriname anderzijds. Alhoewel de opdracht in oktober 2013 is opgezegd is deze in februari 2014 weer gegeven. Jusesur heeft de werkzaamheden in het kader van de opdracht uitgevoerd en het is tot een schikking gekomen tussen Blue Wing en [gedaagde] en de Staat. Hierna hebben, zo voert Jusesur aan, Blue Wing en [gedaagde] het honorarium dat zij verschuldigd waren aan Jusesur, nimmer voldaan.

2.2 Bij vonnis van 15 februari 2018 heeft de kantonrechter in de zaak met arno. 174395 Blue Wing en [gedaagde] veroordeeld tot betaling van US$ 575.000,=.

2.3 Jusesur heeft na de uitspraak middels executoriale beslaglegging een aanvang gemaakt met de executie van het vonnis. Er is bij exploiten van 1 maart 2018 en 5 maart 2018 executoriaal derdenbelsag gelegd onder een zestal banken en onder de Staat. Ook is bij exploit van 7 maart 2018 executoriaal beslag gelegd op roerende goederen toebehorend aan Blue Wing en [gedaagde].

2.4 Bij verzoekschrift van 15 maart 2018 hebben Blue Wing en [gedaagde] tegen Jusesur een vordering ingesteld, bekend onder arno. 181158 waarbij zij vorderen dat de executie van het vonnis in de zaak met arno. 174395 wordt geschorst en de executoriale beslagen worden opgeheven. Voorts vorderen zij dat Jusesur hen vergoedt voor het feit dat zij door de executie genoodzaakt zijn geworden om een advocaat in de arm te nemen waardoor zij schade hebben geleden welke schade bestaat uit de advocaatkosten en de omzetbelasting over de advocaatkosten, neerkomende op het bedrag van US$ 2.160,=.

2.5 Blue Wing en [gedaagde] hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het vonnis van 15 februari 2018 in de zaak bekend onder arno 174395 apert onjuist is, Zij stellen daarbij dat de overweging van de kantonrechter dat er een schikking zou zijn bereikt onjuist is en een juridische misslag is. Zij voeren voorts aan dat door de tenuitvoerlegging een juridische noodtoestand is ontstaan.

2.6 Bij vonnis van 29 maart 2018 is de executie van het vonnis van 15 februari 2018 geschort, zijn de beslagen opgeheven en is Jusesur veroordeeld tot betaling van het bedrag van US$ 2.160,=.

2.7 Blue Wing en [gedaagde] hebben het vonnis bij exploit van 24 april 2018 aan Jusesur betekend en haar aangezegd tot betaling van het bedrag van US$ 2.160,=.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Jusesur vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Het vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2018 in de zaak bekend onder arno. 181158 in haar werking schorst en de executie van het vonnis staakt totdat in hoger beroep erover is beslist en voorts
  • Gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Jusesur heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het vonnis op een aperte juridische misslag gebaseerd is omdat de kantonrechter in de zaak met arno. 181158 in een volledige herbeoordeling is getreden van dezelfde feiten die ten grondslag hebben gelegen aan de zaak die heeft geleid tot het vonnis in de zaak met arno. 174395. Hiermee heeft de kantonrechter in de zaak met arno. 181158 zich de bevoegdheid aangemeten van de appelrechter hetgeen een processuele en daardoor juridische misslag is. Ook feitelijk is er sprake van een aperte misslag doordaat de kantonrechter in de zaak met arno. 181158 ervan uitgaat dat er geen schikking tot stand is gekomen tussen de Saat en Blue Wing. Hierdoor is ook de veroordeling in de advocaatkosten gebaseerd op een aperte juridische misslag. De veroordeling in de advocaatkosten is voorts een aperte misslag omdat Jusesur een rechterlijk vonnis executeerde, waardoor de executiehandelingen niet als onrechtmatig handelen kunnen worden aangemerkt. De beoordeling van de kantonrechter dat door onrechtmatig handelen Blue Wing en [gedaagde] genoodzaakt waren een advocaat in de hand te nemen is daarom apert onjuist. Door executie zal Jusesur in een noodtoestand komen te verkeren doordat beslagen zullen leiden tot problemen met het waarborgen van de geheimhoudingsplicht jegens haar clienten.

4. Het verweer
Blue Wing en [gedaagde] hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling

5.1 Blue Wing en [gedaagde] hebben als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. dat het vonnis in de zaak met arno. 181158 niet is gebaseerd op een aperte misslag; dat het vonnis in die zaak juist is en dat Jusesur ten onrechte argumenten uit de vonnissen met elkaar vergelijkt;
  2. dat er geen sprake is van een nieuw feit of van een dreigende noodtoestand waardoor ook op grond daarvan het gevorderde niet toegewezen kan worden;
  3. dat uit punt 4.3 van het vonnis duidelijk blijkt dat de rechter in de zaak met arno. 181158 slechts feitelijke misslagen heeft beoordeeld die waren aangevoerd voor de vordering tot schorsing van de executie en verder niet alle feiten die aan de hoofdzaak ten grondslag lagen heeft herbeoordeeld;

5.2 De kantonrechter overweegt dat de staking van de executie van een vonnis, gelijk partijen stellen in hun conclusies, volgens de heersende rechtsopvatting, onder andere neergelegd in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 1983, slechts bevolen kan worden indien tegen het vonnis een rechtsmiddel is aangewend en het te executeren vonnis:

5.3 klaarblijkelijk op een juridische of feitelijk misslag berust (een apert onjuist vonnis is) of

5.4 indien de uitvoering op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten (nova) klaarblijkelijk aan de zijde van de geexecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

5.5 De kantonrechter overweegt dat de casus in dit geding thans getoetst zal moeten worden aan de criteria hierboven vermeld, na welke toetsing, indien van één der criteria sprake is, naar heersende rechtsopvatting schorsing of het verbod zou mogen volgen, en indien er geen sprake van één der criteria is, naar heersende rechtsopvatting, afwijzing van het gevorderde zal moeten volgen.

5.5 De kantonrechter overweegt voorts dat de bedoeling van deze criteria geen andere kan zijn dat te voorkomen dat een partij die het niet eens is met een uitspraak, in kort geding opkomt tegen die uitspraak, waardoor als een “verkapt appèl” of een “verkapt verzet” het geschil opnieuw wordt beoordeeld door de kort geding rechter, hetgeen zou neerkomen op een inbreuk op het gesloten systeem der rechtsmiddelen dat ons rechtssysteem kent.

5.7 De kantonrechter overweegt dat gevorderd wordt dat de executie van het vonnis met arno. 181158 wordt geschorst. Als grondslag wordt genoemd dat de kantonrechter opnieuw in de beoordeling van de stellingen en weren is getreden terwijl slechts de appelrechter dat kan doen. Ook wordt gesteld dat het vonnis apert onjuist is omdat de kantonrechter ervan uit gaat dat er geen schikking tot stand is gekomen. Om die redenen moet de werking van het vonnis worden geschorst.

5.8 De kantonrechter overweegt dat het enkele standpunt van een partij dat het vonnis van een rechter niet juist is nog niet inhoudt dat dat vonnis apert onjuist is zoals bedoeld in de criteria zoals hierboven genoemd. Bij de vraag of in casu gesproken kan worden van een juridische misslag die schorsing tot gevolg zou mogen hebben, moet nagegaan worden wat in de literauur en de rechtspraak wordt bedoeld met een aperte onjuistheid of een kennelijke juridische of feitelijke misslag.

5.9 Uit de literatuur en rechtspraak blijkt dat de aperte misslag of onjuistheid kan zijn een onjuiste juridische aak of een on juiste feitelijkheid. Zo zou voor wat het laatste betreft in het vonnis bijvoorbeeld een verkeerd huisnummer geplaatst kunnen zijn. Of een verkeerde telling zijn gehanteerd bij een termijn. Een dergelijke misslag is apert, hetgeen betekent dat het onmiskenbaar is en direct in het oog springt, dus voor een ieder duidelijk is.

5.10 Datzelfde geldt voor een juridische misslag, het moet betreffen een direct in het oog springende juridische misslag gemaakt door de rechter, die onmiskenbaar is en voor ieder duidelijk is en duidt op een vergissing van de kantonrechter of op iets dat door de kantonrechter over het hoofd is gezien. Een interpretatie door de rechter van een bepaald artikel, of een opvatting over hoe omgegaan moet worden met handelingen van een partij, of een opvatting over de aannemelijkheid van een stelling of een grondslag hoort daar niet bij.

5.11 In de zaak bekend onder arno. 181158 heeft de kantonrechter onderzoek gedaan naar de grondslag van het gevorderde, namelijk of de kantonrechter in de zaak met arno. 174395 een aperte misslag heeft begaan. De kantonrechter heeft de stellingen en weren van partijen besproken, evenals de correspondentie tussen partijen en de overgelegde producties en is tot het oordeel gekomen dat er wel sprake is van een vergissing die in het oog springt. De kantonrechter heeft gemotiveerd waarom zij tot het oordeel komt dat de executie van het vonnis gestaakt moet worden en op grond waarvan zij de vordering tot schadevergoeding toewijst.

5.12 Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van het voorgaande niet worden uitgegaan van een in het oog springende misslag of vergissing van de kantonrechter en zal Jusesur haar grieven tegen het vonnis aan de appelrechter moeten voorleggen.

5.13 Het gevorderde zal op grond van het hiervoor overwogene worden afgewezen en Jusesur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt Jusesur in de kosten van dit geding aan de zijde van Blue Wing en [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter plaatsvervanger in kortgeding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 12 juni 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2019-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0229
28 januari 2019

Vonnis in de zaak van:
DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-generaal,
domicilie kiezende aan de Julianastraat no. 63 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

DE ALGEMENE BOND VAN PERSONEEL MILIEUBEHEER, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Kernkampweg no. 62 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigden: 1) H. Blanker, voorzitter van het bestuur, 2) Schattevo, Vivien, secretaris 3) J. Blokland-Ramdin, penningmeester.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 22 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 januari 2019;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de mondelinge behandeling ter terechtzitting d.d. 25 januari 2019, waarbij partijen de zaak mondeling hebben bepleit en waarna bij rolbeschikking een comparitie van partijen is bepaald;
  • de comparitie van partijen die op 25 januari 2019 is gehouden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Gedaagde komt op voor de belangen van het administratief en technisch personeel van het directoraat Openbaar Groen, voorheen directoraat Milieubeheer. Dit Directoraat is tot vier maal toe overgeheveld van het ene Ministerie naar het andere Ministerie en valt thans onder het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie, hierna afgekort OWTC.

2.2 Vanaf 2010 tot en met 2018 heeft gedaagde aan zowel het administratief personeel als het technisch personeel van het directoraat kledinggelden uitgekeerd. Het kledinggeld wordt aan het begin van elk jaar uitgekeerd.

2.3 Over het jaar 2019 heeft gedaagde nog geen kledingtoelage aan het personeel uitgekeerd. Dit, vanwege het feit dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat het administratief personeel geen aanspraak maakt op kledingtoelage en thans een onderzoek is ingesteld of er enige documentatie is waaruit blijkt dat zij hierop aanspraak maakt.

2.4 Op 07 januari 2019 heeft gedaagde ter zake de uitbetaling van de kledinggelden van het personeel van het directoraat een schrijven aan de Minister van OWTC, zijnde gedaagde, gericht. In dat schrijven heeft gedaagde het volgende vermeld:
“Het bestuur van de ABPM nadert u ten einde raad langs deze weg om aandacht te vragen voor de completering van alle potentiële aangelegenheden en tijdige uitbetaling van kleding geld aan de medewerkers van het directoraat Milieubeheer/”Openbaar Groen”.
In de communicatie met uw ministerie heeft de ABPM hier harde toezeggingen over Zoals u weet heeft de ABPM tevergeefs geprobeerd u langs verschillende geëigende kanalen te bereiken hierover. Blijkbaar stelt u dat de wnd. Directeur van dit directoraat, mevr. [naam 1] en dhr. [naam 2] – onderdirecteur belast met Personele- en Financiële aangelegenheden (doorgaans) belast zijn met aanvaardbare afhandeling/voorbereiding van onder andere het onderhavige.
Het bestuur van de A.B.P.M. blijft vooralsnog voorstander van het harmonisch model, waarbij korte effectieve communicatie-lijnen noodzakelijk zijn bij de daadkrachtige belangenbehartiging. Zij stuit bij hen evenwel bij herhaling op het fenomeen van “mandaatbeperkingen” bij uw functionarissen, aangaande de realisatie van de belangen van de medewerkers.
De ABPM protesteert hierbij bij u zijnde haar aanspreekpunt nadrukkelijk tegen de “ping pong” bejegening, die uw ministerie tevergeefs jegens het bondsbestuur wil toepassen. Mits uw duidelijk en werkbaar mandaat, aan in aanmerking komende functionarissen zal de ABPM zich uitsluitend tot u wenden voor ver effectieve belangenbehartiging.
Wij verwachten dat u erop helpt toezien dat de kledinggeld over 2019 in elk geval aan de medewerkers die hiervoor in aanmerking komen daadwerkelijk uitbetaald worden. Immers ook deze voorziening is gestoeld op een overeenkomst en de consistente uitvoering daardoor gegarandeerd is/dient te zijn.Nog steeds in de overtuiging dat u zult toezien op garanties aangaande de spoedige en adequate relatie van de uitbetaling en wel met de uitkering van het salaris over 2019
U gelieve er rekening mee te houden dat het ABPM-bestuur alle handelingen, die leden in deze collectief ontplooien.”

2.5 Op 11 januari 2019 heeft gedaagde wederom een schrijven ter zake het uitbetalen van de kledinggelden van de werknemers van Openbaar Groen aan de Minister van OWTC gericht, luidende onder meer als volgt:
“Onder verwijzing naar onze brief d.d. 07 januari 2019 betreffende het onderwerpelijke, gaarne uw dringende aandacht voor het volgende:
Leden van de ABPM hebben op heden Bondsbestuur geklaagd over onduidelijkheid rondom de tijdige uitbetaling van hun rechtmatig kleding geld.
Het bestuur van de ABPM heeft deze actie met onmiddellijke ingang overgenomen en na gedachtewisseling met de leden het volgend besluit genomen:
Contact ondernomen met de wnd. Directeur van “Openbaar Groen” heeft niet geleidt tot de noodzakelijke duidelijkheid over de uitbetaling aan de potentiële rechthebbenden.
Het bondsbestuur brengt u op de hoogte van het volgend besluit en doet op u het beroep dit te willen doorgeven aan de wnd. Directeur:

  1. De medewerkers zullen alvast ingaande heden naar hun verschillende locatie gaan en berichten via het bondsbestuur afwachten over de tijdige uitbetaling van kleding geld.
  2. Indien de aanvaardbare reactie op heden 11 januari 2019 nog uitblijft, zal de ABPM op maandag 14 janauri 2019 om 8.00u een spoed alv beleggen om definitieve standpunten hierover te nemen.

Wij vestigen uw aandacht op dat het in deze betreft alle medewerkers en waarbij ook de mobilisatie en informatie aan de middagploeg en districten op gang wordt gebracht.”

2.6 Op 15 januari 2019 reageert de Minister van OWTC als volgt op de brieven van gedaagde:
“Ik ben per 6 april 2018 aangesteld als Minister van Openbare Werken, Transport en Communicatie (OWTC). Ogenblikkelijk nadat de issue over kledingtoelage aan het administratief personeel bij OG door u aan mij is voorgelegd, ben ik met mijn directie en staf bezig geweest om na te gaan of en hoe dit in orde kan worden gemaakt.
Ik moet u echter aangeven dat de toekenning van toelagen overigens een vrij formele aangelegenheid is, waarin Biza een voorname rol vervult. Bij de toekenning van toelagen aan ambtenaren wordt er eerst advies ingewonnen bij Biza, over het al of niet in aanmerking komen voor de toelage. Met het positieve advies wordt er een raadsvoorstel voorbereid en ter goedkeuring aangeboden aan de Raad van Ministers (RvM). Met de goedkeuring, machtigt RvM de Minister tot formalisering van de toelage in een beschikking.
Deze procedure dient stringent te worden gevolgd. Ik ontkom er derhalve niet aan om u het volgende voor te houden naar aanleiding van het onderzoek, dat wij hebben ingesteld over de issue met kledingtoelage:
Op 11 februari 2000 is door RvM goedkeuring verleend voor het toekennen van kledingtoelage aan ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid. Voor de kledingtoelage kwamen onder andere in aanmerking het Technisch-, Administratief en schoonmaakpersoneel terwerkgesteld op de afdelingen Personeelszaken, Salarisadministratie, Technische Dienst en Algemene Zaken van de Directie en Centrale Administratie van het Ministerie van Volksgezondheid.
Nagenoeg in dezelfde periode vond de toekenning van kledingtoelage aan het administratief personeel van het vroegere Milieu Beheer onder het Ministerie van Volksgezondheid plaats. Wij hebben echter geen grondslag kunnen vinden voor deze toekenning.
Eerder was bij missive de Vice President, Voorzitter van de Raad van Ministers d.d. 19 oktober 1994, ook reeds kledingtoelage toegekend aan ambtenaren van Milieu Beheer. Het betrof in deze gevallen van verplichte uniform kleding en schoeisel, verplichte uniform kleding zonder schoeisel en gevallen waarbij aangepaste werkkleding vereist is (niet noodzakelijk uniform). Deze missive regelde dus een kledingtoelage en technisch personeel.
Het moge duidelijk zijn dat de missive van de Vice President, Voorzitter van de Raad van Ministers d.d. 11 februari 2000, niet als grondslag dienen voor het toekennen van kledingtoelage aan de administratieve ambtenaren van het vroegere Milieu Beheer, nu deze niet zijn genoemd. Voorzover die missive abusievelijk als grondslag was aangehaald voor de toekenning van de kledingtoelage, dan nog had bij de overheveling van Milieu Beheer naar Biza, de kledingtoelage moeten worden omgezet in een overgangstoelage. Dit simpel omdat Milieu Beheer niet langer deel uitmaakte van het Ministerie van Volksgezondheid en de Missive van februari 2000 specifiek was geschreven voor de administratieve ambtenaren bepaalde afdelingen van Volksgezondheid.
Voor wat betreft uw verzoek voor adequate uitvoering van kleding geld, moet ik u helaas mededelen dat er in zoverre geen grondslag te achterhalen is voor wat betreft het administratieve personeel en dat voor een eventuele toekenning, thans de formele procedure zal moeten worden ingezet. Het zal enige tijd in beslag nemen, alvorens de formele procedure zal moeten worden ingezet.”

2.7 Tevens heeft de Minister van OWTC een schrijven aan gedaagde gericht betreffende de aangekondigde acties, inhoudende onder meer als volgt:
“Met aandacht voor aangehechte circulaire, deel ik u voor de goede orde mede dat ik met mijn directie en staf bezig ben om na te gaan of het administratief personeel bij het Directoraat Openbaar Groen in aanmerking komt voor kledingtoelage. De zaak is aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken voorgelegd en wij wachten op het advies ter zake.
Het komt mij voor dat het personeel bij het directoraat Openbaar Groen sedert gisteren 14 januari 2019 in beraad is over deze kwestie en dat de werkzaamheden niet worden uitgevoerd.
Mijn inziens is deze actie niet rechtmatig en ik zal er derhalve niet voor schromen om het principe “no work, no pay” stringent toe te passen.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te veroordelen om binnen een uur na de uitspraak de staking die vanaf 14 januari 2019 wordt gevoerd te beëindigen met aanzegging aan het actievoerend personeel om de reguliere werkzaamheden per onmiddellijk te hervatten;
b) gedaagde te verbieden te staken over kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen totdat er duidelijkheid is gekomen in de rechtmatigheid van de uitbetaling van kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagde nalaat aan dit verbod te voldoen;
c) gedaagde te veroordelen om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 2.400,- zijnde geleden schade als gevolg van de staking.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • zij is bezig te onderzoeken of het administratief personeel bij Openbaar Groen in aanmerking komt voor kledingtoelage;
  • gedaagde wenst haar geen ruimte te bieden om het onderzoek af te ronden en heeft vanaf 14 januari 2019 gelijk gegrepen naar het middel om te staken;
  • als gevolg van de acties wordt de stad niet schoongemaakt.

Als spoedeisend belang stelt gedaagde dat zij als gevolg van de staking dagelijks schade lijdt. De schade bestaat daarin dat zij genoodzaakt is kosten te maken voor het inschakelen van derden tot het verrichten van schoonmaak werkzaamheden ad SRD 2.400,- per dag.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de vordering zelf. Om die reden wordt eiseres in het kort geding ontvangen.

4.2 Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat het personeel van het directoraat sedert 14 januari 2019 tot 11.00 uur werkzaamheden verricht. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat sprake is van een collectieve werk neerlegging van het personeel van het directoraat na 11.00 uur.

4.3 Uitgangspunt bij het stakingsrecht is artikel 33 van de Grondwet van de Republiek Suriname dat het wordt erkend, doch behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. De beperkingen die ten aanzien van het stakingsrecht uit het recht voortvloeien zijn ontwikkeld in de jurisprudentie waarbij de kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2000, (Douwe Egberts arrest).
Met name geldt als eerste voorwaarde dat partijen in onderhandeling met elkaar moeten zijn over arbeidsvoorwaarden en in geval partijen tijdens de onderhandelingen in een impasse geraken dan kan de werknemersbond, in casu gedaagde, gebruik maken van het stakingsrecht als uiterste middel, doch met inachtneming van:

  • een tijdige aanzegging aan de werkgever dat tot staking zal worden overgegaan en wat de staking zal inhouden (om onnodige bedrijfsschade te voorkomen en de belangen te beschermen van degenen die op de dienstverlening van de werkgever zijn aangewezen);
  • de belangen van de werkgever die door de staking kunnen worden geschaad. Met name mag de staking niet leiden tot buitenproportionele schade aan de werkgever en derden.
    Nu de kantonrechter dient te oordelen of de acties die gedaagde momenteel voert al dan niet rechtmatig zijn, zal de kantonrechter zich op hetgeen hiervoor als uitgangspunt is weergegeven toespitsen.

4.4 Uit de stellingen en weren van partijen leidt de kantonrechter af dat tussen partijen een geschil bestaat over de beantwoording van de vraag of het administratief personeel al dan niet aanspraak maakt op uitbetaling van kledinggeld. Ter comparitie van partijen is aan het licht gekomen dat het personeel in oktober 2018 geen zicht had op uitbetaling van het kledinggeld en nadien door gedaagde is medegedeeld dat het administratief personeel geen aanspraak maakt op uitbetaling van het kledinggeld, er om die reden een onderzoek ter zake zal worden ingesteld, het kledinggeld nog niet zal worden uitbetaald en aan gedaagde het verzoek is gedaan om eiseres de ruimte te bieden het onderzoek ter zake af te ronden. Dit is onder meer aanleiding voor gedaagde geweest om over te gaan tot de acties. Ofschoon eiseres in deze geen schoonheidsprijs verdient met betrekking tot de bejegening naar gedaagde toe en in het bijzonder met het niet in acht nemen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, acht de kantonrechter de acties die gedaagde thans voert in strijd met de in de jurisprudentie ontwikkelde procedureregels die hiervoor onder 4.3 in dit vonnis zijn weergegeven. Duidelijk is dat partijen momenteel niet in een onderhandelingsfase verkeren, doch dat er een verschil van opvatting bestaat over de uitleg van de overeenkomst betreffende kledinggeld die partijen met elkaar hadden gesloten. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter mocht gedaagde in dit specifiek geval niet grijpen naar het stakingsrecht als uiterste middel. Gedaagde had in dit specifiek geval de mogelijkheid om ter zake dit dispuut een vordering ter zake tegen eiseres in te stellen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de gevraagde voorziening onder a worden toegewezen.

4.5 Ter comparitie van partijen heeft de vertegenwoordiger van gedaagde, zijnde de onder directeur van OWTC verklaard dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken reeds advies heeft uitgebracht op grond van het ingestelde onderzoek en dit advies door de Minister van OWTC aan gedaagde zal worden kenbaar gemaakt. Een indicatie uiterlijk wanneer dit advies aan gedaagde zal worden kenbaar gemaakt, heeft eiseres niet kunnen geven. Daar het advies al rond is en gedaagde volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel) dient te weten waar zij aan toe is, zal de gevraagde voorziening onder b aangepast worden toegewezen als hierna in de beslissing vermeld.

4.6 Het gevorderde onder c zal worden geweigerd, en wel op grond van de hierna vermelde overwegingen. Het personeel aangesloten bij gedaagde heeft wel halve dagen gewerkt. Eiseres stelt dat zij als gevolg van de staking schade heeft geleden, waarbij zij zich beroept op twee kwitanties van betalingen. Echter acht de kantonrechter het beroep op deze kwitanties niet aannemelijk om de schade te staven. Eiseres heeft nagelaten te stellen of het noodzakelijk was om een derde in te schakelen voor het verrichten van de werkzaamheden, welke impact het niet uitvoeren van deze werkzaamheden op de samenleving zou hebben, in welke omgeving de ingeschakelde derde de werkzaamheden heeft verricht, wie controle heeft uitgeoefend op die werkzaamheden en gedurende welke tijden de werkzaamheden zijn verricht.

4.7 In het onderhavige geval acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 2 (Twee) uren na de uitspraak de acties die vanaf 14 januari 2019 worden gevoerd te beëindigen, met aanzegging aan het actievoerend personeel om de reguliere werkzaamheden per onmiddellijk te hervatten.

5.2 Verbiedt gedaagde te staken over kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen totdat eiseres per schrijven aan gedaagde heeft mede gedeeld of de uitbetaling van kledingtoelage aan administratief personeel van Openbaar Groen al dan niet rechtmatig is, met dien verstande dat eiseres uiterlijk binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis het resultaat van het door haar ingestelde onderzoek met betrekking tot het onderhavige onderwerp schriftelijk aan gedaagde mededeelt.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot een eenmalige dwangsom ad SRD 25.000,- (Vijfentwintigduizend Surinaamse Dollar), indien zij niet voldoet aan de veroordeling zoals beslist onder 5.1 in dit vonnis en in indien zij het verbod vermeld onder 5.2 in dit vonnis overtreedt.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 28 januari 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0354
05 maart 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser 1];
B. [eiser 2], weduwnaar van [naam 1],
wonende aan [adres 1] te [district 1],
C. [eiser 3],
wonende aan [adres 2] in [district 2],
D. [eiser 4], gehuwd met [naam 2],
wonende aan [adres 2] in [district 2],
eisers,
gemachtigde: S.M. Ramman Bsc. , advocaat,

tegen

A. [gedaagde 1],
wonende aan het [adres 3] te [district 1],
B. [gedaagde 2],
wonende aan [adres 4] te [district 1],
gedaagden,
gemachtigde van beiden: mr. Ch. Algoe, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 04 februari 2019;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 17 mei 2013 heeft gedaagde sub A aan eiseres sub A het geldbedrag ad US$ 100.000,- geleend. Dit bedrag zou eiseres sub A binnen een maand moeten terugbetalen aan gedaagde sub A, zonder rente.Als zekerheid tot betaling van dit geldbedrag is ten behoeve van gedaagden en ten laste van eisers een hypotheek gevestigd op “het recht van grondhuur – ter uitoefening van de Tuinbouw – op het perceelland groot 6.9318ha, instede van 6.9348ha, gelegen in [district 1], ten oosten van de [weg 1], aan de [weg 2] en bekend als [adres 5], nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, H. Soedhwa Lcs, d.d. 8 september 2010 met de letters ABCD”.

2.2 Eiseres sub A is op 28 februari 2014 komen te overlijden.

2.3 Bij exploot van deurwaarder, S.W. Niekoop d.d. 12 januari 2019 no.’s R. 37 en R. 38 zijn eisers aangemaand om alsnog te voldoen aan hun plicht tot terugbetaling van het geleend bedrag, waarbij tevens de openbare verkoop van het hiervoor omschreven onroerend goed aan eisers is aangezegd. De openbare verkoop zal plaatsvinden op woensdag 06 maart 2019, om 10.00 uur des voormiddag te Paramaribo, door en ten kantore van de notaris mr. R.B. Babb of diens waarnemer of opvolger aan de Slangenhoutstraat no. 55.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
a) de stopzetting te gelasten van de aangekondigde openbare verkoop voortvloeiende uit de krediethypotheekakte, welke verleden is op 17 mei 2013 met daarin het omschreven perceelland hetwelk bij exploot d.d 12 januari 2019 no’s R. 37 en R. 38 van deurwaarder bij het Hof van Justitie, S.W.Niekoop is aangezegd aan eisers, op straffe van een dwangsom van US$ 10.000,- voor iedere dag of keer dat gedaagden weigeren of nalaten c.q. weigerachtig blijven of nalatig blijven om aan dit vonnis uitvoering te geven of tegenstrijdig daarmee handelen;

b) gedaagden te veroordelen mee te werken aan het royement van het perceelland omschreven onder 2.1 in dit vonnis, met machtiging aan eisers om, indien gedaagden in gebreke mochten blijven aan het voorgaande te voldoen, of te dien einde mochten weigeren dan wel weigerachtig mochten blijven, het royement zelf te bewerkstelligen door dit vonnis in de plaats te stellen van de ontbrekende verklaring c.q. medewerking van gedaagden;

c) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding voorlopig begroot op SRD 7.939,-.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens hem plegen. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • eiseres sub A heeft op 28 juni 2013 de schuld volledig aan eisers voldaan;
  • gedaagden hebben, nadat de schuld volledig was voldaan, aan eisers toegezegd dat zij het royement in orde zouden maken;
  • eisers hebben nimmer een schriftelijke aanmaning of telefonische melding van gedaagde sub A gehad tot terugbetaling van het geldbedrag;
  • als gevolg van dit onrechtmatig handelen lijden eisers schade, daarin bestaande dat zij genoodzaakt waren een advocaat in de arm te nemen om hen rechtsbijstand te verlenen. De kosten voor het verlenen van rechtsbijstand zijn voorlopig begroot op SRD 7.938,-.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer,voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eisers, in het bijzonder uit de stelling dat de openbare verkoop van het perceelland op woensdag 06 maart 2019 zal plaatsvinden.

4.2 Tussen partijen is in geschil of eisers reeds hebben voldaan aan hun plicht tot terugbetaling van het bedrag dat zij van gedaagde sub A hebben geleend. Ter staving van hun stelling dat zij reeds hebben voldaan aan hun terugbetalingsverplichting beroepen eisers zich op een kwitantie van betaling d.d. 28 juni 2013, van welke kwitantie zij een fotokopie ten processe hebben overgelegd. Gedaagden daarentegen weerspreken dat eisers de schuld hebben voldaan en betichtigen de kwitantie van valsheid. In dat kader voeren zij aan dat de kwitantie niet door gedaagde sub A is uitgeschreven en evenmin door hem is ondertekend. In reactie op dit verweer voeren eisers bij conclusie van repliek aan dat gedaagden geen verificatoren hebben overgelegd bij de betwisting van de echtheid van de kwitantie. Bij conclusie van dupliek zijn gedaagden blijven volharden in hun verweer dat de kwitantie valselijk is opgemaakt.

4.3 Uit de stellingen van eisers begrijpt de kantonrechter dat deze zich erop beroepen dat de kwitantie van betaling echt en onvervalst is en uit het verweer van gedaagden dat het vervalst is, zodat op de voet van artikel 128 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een onderzoek naar de (on)echtheid van de kwitantie van betaling zal dienen plaats te vinden. Nu het karakter van het kort geding zich tegen een dergelijk onderzoek verzet en gedaagden niet veel hebben ingebracht om de valsheid van de kwitantie van betaling aannemelijk te maken, is voor de kantonrechter voorshands aannemelijk dat eisers de schuld aan gedaagden hebben terugbetaald. Rekening houdend met het echtheidsonderzoek dat nog in bodemprocedure zal moeten volgen en rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van partijen, zal de kantonrechter op grond van de bevoegdheid die haar in kort geding toekomt de gevraagde voorziening onder a aangepast toewijzen zoals hierna in de beslissing vermeld.

4.4 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, komt de gevraagde voorziening onder b niet voor toewijzing in aanmerking. In dat licht benadrukt de kantonrechter dat zolang de echtheid van de kwitantie van betaling nog niet is vastgesteld, het royement van de hypotheek niet kan plaatsvinden.

4.5 Daar eisers slechts voor een klein deel in het gelijk zullen worden gesteld, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. De compensatie bestaat daarin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:
5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploot van de deurwaarder S.W. Niekoop, d.d. 29 januari 2019 no’s R. 37 en R. 38 aangezegde openbare verkoop van het in het exploot omschreven perceelland, welke openbare verkoop op woensdag 06 maart 2019 om 10.00 uur des voormiddag te Paramaribo, door en ten kantore van de notaris mr. R.B. Babb of diens waarnemer of opvolger aan de Slangenhoutstraat no. 55, zal plaatsvinden, totdat de kantonrechter in bodemprocedure heeft vastgesteld of eisers daadwerkelijk hebben voldaan aan hun plicht tot terugbetaling van de schuld op 28 juni 2013, dan wel het onderzoek betreffende de echtheid van de kwitantie van betaling in bodemprocedure is afgerond.

5.2 Verbiedt gedaagden tot openbare verkoop van het onroerend goed over te gaan, totdat de kantonrechter in bodemprocedure heeft vastgesteld of eisers daadwerkelijk hebben voldaan aan de voldoening van de schuld op 28 juni 2013, dan wel het onderzoek betreffende de echtheid van de kwitantie van betaling in bodemprocedure is afgerond.

5.3 Veroordeelt gedaagden tot betaling van een eenmalige dwangsom van
SRD 5.000.000,- (Vijf miljoen Surinaamse Dollar), indien gedaagden in strijd mochten handelen met het besliste onder 5.1 en het verbod onder 5.2.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op dinsdag 05 maart 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2018-56

Vonnisnummer: 60/2018
Parketnummer: 01-01- 05817
Uitspraak: 24 oktober 2018
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 04 juli 2013 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] te [district], [beroep], wonende aan [adres] te [district], thans in verzekerde bewaring gesteld.

Verdachte is verschenen en wordt tevens bijgestaan door zijn raadslieden,
mr. B.A.H. Pick en mr. R.R. Lobo.

Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 05 juli 2013 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 11 juli 2013 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 04 juli 2013 zal bevestigen.

De verdediging heeft:
Primair bepleit dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
Subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 04 juli 2013 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder A ( het medeplegen van moord) ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust. Nadere overwegingen omtrent het bewijs: Het hof acht naar aanleiding van het door de verdediging primair gestelde in casu voldoende om aan te geven dat de verdachte [verdachte] voornoemd, reeds door de politie was aangehouden toen de getuige [getuige 1] bedoelde belastende verklaringen jegens hem, verdachte aflegde en zijn deze verklaringen tesamen met de overige verklaringen van getuigen in samenhang bekeken en zal het hof daarom aan dit verweer voorbij gaan.Voorts overweegt het Hof naar aanleiding van het door de verdediging subsidiair gestelde dat de verdachte niet de persoon is geweest die het slachtoffer [slachtoffer] van zijn leven heeft beroofd, als volgt: De ontkenning van de verdachte geplaatst tegen de achtergrond van de in het vonnis in eerste aanleg aangehaalde bewijsmiddelen met name de verklaringen van de verschillende getuigen in het bijzonder de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] alsook van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kan niet anders worden opgevat dan een kennelijk leugenachtige verklaring bedoeld om de waarheid te bemantelen. Het door de verdachte opgeworpen alibi dat hij zich op die bewuste avond op een feest zou hebben bevonden is ook nader onderzocht en ongegrond gebleken. Het is namelijk niet komen vast te staan dat de verdachte onafgebroken en voortdurend op voornoemde feest aanwezig is geweest. Het is het hof bij de behandeling van de zaak in hoger beroep verder ook van geen enkele tegenstrijdigheid in de verklaringen van de genoemde getuigen gebleken; reden waarom er bij het hof dan ook geen twijfel bestaat dat het de verdachte is geweest die op die bewuste dag op de motorfiets met een tot nog toe onbekend gebleven persoon is gereden naar het adres van [slachtoffer] voornoemd en hem, [slachtoffer], vervolgens heeft geroepen en vervolgens met een vuurwapen gericht meerdere schoten op hem heeft gelost, waardoor [slachtoffer] voornoemd tengevolge van die verwondingen is komen te overlijden. Ook de door de verdediging geopperde omstandigheden dat het vuurwapen reeds door de Franse autoriteiten was vernietigd en daardoor niet bewezen zou kunnen worden dat daarmee de dodelijke schoten zouden zijn gelost alsook de omstandigheid dat niemand de verdachte positief heeft kunnen herkennen, doet niets af aan het bewijs; immers leveren de bewijsmiddelen in elkaars verband en samenhang beschouwd wel het wettig en overtuigend bewijs voor het hof op dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] voornoemd van het leven heeft beroofd. Ten aanzien van het vuurwapen liggen de omschrijving daarvan door de Franse autoriteiten en de door de getuigen afgelegde verklaringen in hoger beroep in elkaars verlengde en is er ten aanzien van het al dan niet positief herkennen van de verdachte door de getuigen wel een omschrijving van het postuur en de kleding van de verdachte gegeven die overeenkomt met andere verklaringen van getuigen omtrent postuur en kleding van de verdachte op die avond.Evenals de kantonrechter en de vervolging komt het hof tot het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder A van de tenlastelegging wordt verweten en is de verdachte in de visie van het hof terecht daarvoor veroordeeld door de kantonrechter.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton op 04 juli 2013 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte waarvan beroep.

Handhaaft de gevangenhouding van de verdachte

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend-President;
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden;
bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier,
en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 24 oktober 2018.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. M.C. Mettendaf

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2016-28

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-5663
28 november 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres], gehuwd [naam 1],
wonende aan [adres] te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID,
ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 21 november 2016 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 22 november 2016;
  • de conclusie van antwoord d.d. 23 november 2016;
  • de rolbeschikking d.d. 23 november 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal d.d. 23 november 2016, betreffende de gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen d.d. 23 november 2016, welke conclusie mondeling is genomen.

1.2 Nadat partijen hebben kenbaar gemaakt geen behoefte hebben om zich uit te laten over de gehouden comparitie van partijen, is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is verpleegkundige A en werkzaam in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo. In het jaar 2011 is eiseres gestart met de Centrale Opleiding voor Verloskundigen in Suriname om opgeleid te worden tot Verloskundige.

2.2 Op grond van artikel 8 lid 2 van het Reglement voor de Centrale Opleiding Verloskundigen in Suriname (hierna afgekort RCOV), is eiseres in het jaar als hiervoor vermeld toegelaten tot de tweede leerperiode van de bedoelde opleiding. Eiseres heeft de tweede leerperiode 2011- 2012, derde leerperiode 2012 – 2013 en vierde leerperiode 2013- 2014 met succes doorlopen.

2.3 Eiseres heeft na de vierde leerperiode deelgenomen aan het eindexamen, en wel in maart 2015. Het eindexamen bestaat uit een theoretisch en praktisch gedeelte.
Eiseres is voor het eindexamen dat in maart 2015 is afgenomen geslaagd voor het theoretisch gedeelte, bestaande uit een mondeling examen en een scriptie. Voor het praktisch gedeelte is eiseres afgewezen.

2.4 Op grond van artikel 11 lid 6 van RCOV heeft de examencommissie eiseres een herkansing gegeven in het praktische gedeelte van het eindexamen. Zij is hiervoor afgewezen.

2.5 In juli 2015 is eiseres ten tweede male een herkansing geboden tot deelname aan het praktische deel van het eindexamen, doch wederom zonder succes.

2.6 Hierna is eiseres op 10 november 2016 in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het herexamen in het vak Verloskunde, en is zij ook daarvoor afgewezen.

2.7 Op 11 juli 2016 heeft eiseres per schrijven een verzoek aan de waarnemend directeur van Volksgezondheid gericht om haar in de gelegenheid te stellen de opleiding voor verloskundigen te doen afronden. In dat schrijven heeft eiseres het volgende verwoord:
“Zeer geachte directeur,

Op 3 december 2015 heb ik u een brief gericht voor aanvraag van dispensatie voor het afleggen van het laatste examen in de opleiding voor verloskundigen. Helaas is dit niet gehonoreerd. Aangezien ik heel veel kennis en ervaring heb opgedaan gedurende 5 jaren en deze graag wilt gebruiken om het verloskundig werk in Suriname te ondersteunen, nader ik u met het verzoek om mij toestemming te verlenen om de opleiding alsnog af te ronden. Ik zou graag in de groep die in oktober/november 2016 met het 4e leerjaar begint, terug geplaatst willen worden.
Een gesprek met u om u van meer informatie te voorzien, zal heel geruststellend zijn voor mij.

(…)”

2.8 Vanwege het uitblijven op het hiervoor vermeld verzoek van eiseres, heeft de gemachtigde van eiseres op 06 oktober 2016 een rappelschrijven aan de waarnemend directeur van Volksgezondheid gericht, welk schrijven hij per exploit van een deurwaarder d.d. 06 oktober 2016 aan de waarnemend directeur heeft doen betekenen. In dat rappelschrijven heeft de gemachtigde namens eiseres het volgende vermeld:

“(…)

Cliënte heeft u een schrijven d.d. 11 juli 2016 doen toekomen, waarvan voor de goede orde u hierbij een fotokopie aantreft.Voormeld schrijven komt in het kort erop neer: dat cliënte u het verzoek doet haar toestemming te verlenen om de opleiding voor verloskundigen alsnog af te ronden. Tevens doet zij u het verzoek haar te willen ontvangen voor een gesprek teneinde u te willen informeren omtrent het onderhavige. Tot op heden, ruim twee maanden na dato, heeft zij echter geen reactie van u gehad.Aangezien reeds in oktober/november 2016 een aanvang wordt gemaakt met voormelde opleiding, heeft cliënte belang bij een spoedige reactie.

(…).”

2.9 Op 27 oktober 2016 heeft de waarnemend directeur van Volksgezondheid per schrijven gereageerd op het rappelschrijven van de gemachtigde van eiseres. De reactie van de waarnemend directeur luidt, onder meer als volgt:
“Met verwijzing naar Uw schrijven de dato 6 oktober 2016 inzake hogervermeld onderwerp deel ik U mede dat uit onderzoek is gebleken dat er geen gronden aanwezig zijn om te voldoen aan het verzoek van Uw cliënte.

Bijgaand doe ik U in fotokopie toekomen een schrijven gericht aan Uw cliënte de dato 19 februari 2016 no. 3413/15, naar de inhoud waarvan ik U verwijs.”

2.10 In het schrijven d.d. 19 februari 2016, no. 3413/15, waarvan de waarnemend directeur van Volksgezondheid melding maakt in haar schriftelijke reactie als hiervoor vermeld, staat het volgende vermeld:
“Geachte mevr. [eiser],

Na ontvangst en doorlezen van uw aanvraag voor dispensatie heb ik mij doen informeren door [naam 2], coördinator van de opleiding en [naam 3], docent en gynaecoloog/obstetricus.
Alsook de afgevaardigde van de Geneeskundige Commissie in de Examencommissie.
Uit de aldus bekomen informatie; inclusief wat in uw schrijven vermeld staat, concludeer ik dat er geen gronden bestaan om uw aanvraag voor dispensatie te honoreren.”.

2.11 Artikel 11 lid 6 RCOV luidt als volgt:
“De student die niet geslaagd is voor het eindexamen krijgt een herkansing.
Indien hij toch is afgewezen dient hij de laatste leerperiode opnieuw te doen.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde te veroordelen om haar in de gelegenheid te stellen de vierde leerperiode alsmede het eindexamen opnieuw te doen;

II) gedaagde te veroordelen een dwangsom te verbeuren van SRD 50.000,- voor elke dag of keer dat gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van dit vonnis gevolg te geven.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag gelegd, dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten, vermeld onder 2, het volgende:

  • gedaagde heeft in strijd met artikel 11 lid 6 RCOV geweigerd om eiseres in de gelegenheid te stellen de vierde leerperiode evenals het eindexamen opnieuw te doen;
  • ingevolge artikel 7 van RCOV zal de student de vierde leerperiode kunnen doen pas als er een behoefte bestaat aan verloskundigen binnen de gezondheidszorg;
  • er bestaat thans een leergroep en eindnovember 2016 zal een aanvang met de vierde leerperiode worden gemaakt;
  • eiseres is gerechtigd de vierde periode alsmede het eindexamen opnieuw te doen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord het spoedeisend belang van eiseres weersproken door aan te voeren, dat de nieuwe groep sedert twee weken geleden is aangevangen met de laatste leerperiode. Echter heeft de comparitiegevolmachtigde van gedaagde tijdens de comparitie van partijen verklaard dat er op 30 november 2016 een nieuwe groep van start gaat met de vierde leerperiode, en wel de groep studenten die is overgegaan van de derde leerperiode naar de vierde leerperiode. Het hiervoor vermelde maakt het spoedeisend belang van eiseres voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiseres zal daarom worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de comparitie van partijen is duidelijk aan het licht gekomen dat eiseres het verzoek doet om conform artikel 11 lid 6 RCOV in de gelegenheid gesteld te worden de vierde leerperiode, zijnde de laatste leerperiode, en daaruit voortvloeiend het eindexamen opnieuw te doen. Daarom zal de kantonrechter zich toespitsen op het in de gelegenheid doen stellen van een student tot het opnieuw doen van de laatste leerperiode en niet op de verzochte dispensatie. Immers is in RCOV geen enkele bepaling opgenomen betreffende dispensatie, doch van een herkansing en het opnieuw doen van de laatste leerperiode, zijnde zoals de kantonrechter het begrijpt de vierde leerperiode.

4.3 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiseres niet in de gelegenheid kan worden gesteld om de vierde leerperiode opnieuw te doen, omdat zij ingevolge artikel 11 RCOV een herkansing diende te krijgen, doch heeft zij in afwijking van dit artikel drie herkansingen aan eiseres geboden. Ondanks deze drie herkansingen, heeft eiseres het eindexamen nadien niet behaald. Dit, terwijl zij ingevolge het RCOV hierna moest worden afgeschreven.Voorts heeft gedaagde, zoals de kantonrechter het verweer begrijpt, opgeworpen dat zij verantwoordelijk is voor het garanderen van een goede gezondheidszorg naar de samenleving toe en eiseres vanwege het niet behalen het eindexamen na de herkansingen niet met de verantwoordelijkheid kan worden belast om als verloskundige op te treden.Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter diende eiseres zoals het RCOV dat voorschrijft in de gelegenheid te worden gesteld tot het opnieuw doen van de vierde leerperiode, omdat zij na de herkansing het eindexamen niet heeft behaald. Dat zij in stede hiervan drie herkansingen van gedaagde heeft gehad en moest worden afgeschreven doet hieraan niet af. Dit, omdat geenszins is gesteld of gebleken dat eiseres van de opleiding is afgeschreven. Eiseres dient dus nog als student van de bedoelde opleiding te worden aangemerkt. Tevens neemt de kantonrechter ook mede in overweging dat de continuering van de opleiding afhangt van de behoefte aan verloskundigen en er in dat kader nog geen groep studenten was voor de vierde leerperiode 2015 – 2016. Het is gedurende deze periode dat eiseres verzoeken tot het verlenen van dispensatie aan gedaagde heeft gericht, op welke verzoeken gedaagde slechts aan eiseres heeft kenbaar gemaakt dat er geen gronden bestaan om haar verzoek in te willigen. Dit alles in onderling verband en samenhang beschouwd en gelezen, brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde wel in strijd met het bepaalde in artikel 11 lid 6 RCOV heeft gehandeld. Hieruit vloeit voort dat de door eiseres gevraagde voorzieningen zullen worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat gedaagde verantwoordelijk is voor het afleveren van beroepsbeoefenaars die kundig en vakbekwaam horen te zijn, doch zijn er voldoende waarborgen om de kwaliteit van de opleiding te garanderen. Die waarborgen zijn de criteria waaraan een student dient te voldoen voor het behalen van de examens in al de vakken en het eindexamen binnen een vooraf door gedaagde vastgestelde periode. Daarnaast bestaat voor gedaagde de mogelijkheid om de student die niet meer voldoet aan de criteria van de opleiding af te schrijven, welke afschrijving volgens de ongeschreven regels van behoorlijk bestuur tijdig aan de student kenbaar hoort te worden gemaakt.

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten de kosten voor oproep per deurwaardersexploit ad SRD 260,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om eiseres in de gelegenheid te stellen de vierde leerperiode, alsmede het eindexamen opnieuw te doen.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag of keer dat gedaagde geen uitvoering geeft aan het besliste onder 5.1 in dit vonnis, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen niet het bedrag van SRD 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollar) overschrijden.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 310,- (Driehonderd en Tien Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 28 november 2016 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 13-3217
10 april 2018

Vonnis in de zaak van:

[vrouw],
wonende te [district],
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna aangeduid als “[vrouw]”,
gemachtigde: mr. L.T. Patterson, advocaat,

tegen

[man],
wonende te [district],
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna aangeduid als “[man]”,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) het verzoekschrift dat op 25 juli 2013 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
b) de mondelinge conclusie van eis;
c) de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;
d) de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
e) het voor dupliek in conventie, repliek in reconventie en uitlating persisteren zijdens [man] ;
f) de schriftelijke rolbeschikking d.d. 2 februari 2016, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de stand van zaken in de procedure bekend onder A.R. no. 13-2294 en, indien daarin reeds vonnis is gewezen, een goed leesbare kopie van het vonnis pen processe over te leggen;
g) de conclusie tot uitlating in conventie en in reconventie zijdens [vrouw];
h) de conclusie tot uitlating in conventie en in reconventie zijdens [man];
i) de conclusie tot overlegging productie in conventie en in reconventie zijdens [vrouw];
j) de conclusie tot overlegging productie in conventie en in reconventie zijdens [man];
k) de schriftelijke rolbeschikking d.d. 13 juni 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
l) de op 6 oktober 2017 gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal;
m) de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie zijdens [man].

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [vrouw] en [man] hebben een buitenechtelijke relatie met elkaar gehad.

2.2 [man] heeft op 14 oktober 2008 bij akte verleden voor mr. Loyd Djaiprakash Hira Sing, notaris in Suriname, onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik te zijner behoeve, het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 485,80 m², gelegen te [district] ten noorden van de [weg], op de kaart van de landmeter S.O. Esajas, d.d. 29 oktober 1981 aangeduid met de letters ABCD, hierna aangeduid als “het perceelland”, verkocht aan [vrouw].

2.3 Op het perceelland is ten behoeve van de Surinaamsche Bank een hypotheek gevestigd voor een hoofdsom ad SRD 110.000,00. Daarnaast is op het perceelland een hypotheek gevestigd ten behoeve van de Stichting Pensioenfonds van de Surinaamsche Bank N.V. voor een hoofdsom van SRD 18.000,00.

2.4 [man] heeft in kort geding in een procedure bekend onder A.R. nr. 13-2294 de ontruiming van [vrouw] gevorderd. [vrouw] heeft in die procedure in reconventie gevorderd het recht van vruchtgebruik onder het beheer van haar, [vrouw], danwel een door de Kantonrechter te benoemen bewindvoerder te stellen, totdat de bodemrechter zal hebben beslist over de rechtmatigheid, de schorsing van het recht op afgifte van het in vruchtgebruik gegeven onroerend goed en de veroordeling van [man] om de bestemming van de woning c.q. het recht van gebruik en bewoning van [vrouw] te gehengen en te gedogen.
De in conventie en in reconventie gevorderde voorzieningen zijn bij vonnis in kort geding van 4 december 2014 geweigerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

In conventie:

3.1 [vrouw] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. haar toestemming te verlenen kosteloos te mogen procederen;
b. het recht van vruchtgebruik van [man], zoals gevestigd bij de akte van koop en verkoop d.d. 14 oktober 2008 te vernietigen c.q. vervallen te verklaren op grond van misbruik van het genot;
c. [man] te veroordelen om het vonnis te gehengen en te gedogen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,00 per dag voor iedere dag, waarop hij nalaat aan het te wijzen vonnis uitvoering te geven;
d. [man] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 [vrouw] heeft, tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd: Gesteld is dat tussen partijen is afgesproken dat [man] zou bijdragen in de aflossingen van de hypotheekschulden; [man] heeft dit slechts voor korte tijd gedaan. Verder is gesteld dat [vrouw] het recht van bewoning voor zichzelf heeft bedwongen van [man], hetgeen blijkt uit de hypotheekakte van 29 april 2009 onder punt 2 van de voorwaarden waarbij de bank uitdrukkelijk heeft gesteld dat de woning door [vrouw] zelf bewoond moest worden en dat elke vorm van verhuur of bewoning door een derde en in het algemeen elke commerciële aanwending van het woonhuis verboden is. Gesteld is dat [man] hiermee akkoord is gegaan door de vestiging van de hypotheken toe te staan.
[vrouw] heeft gesteld dat [man] door zich niet te houden aan zijn financiële verplichtingen jegens haar heeft gewanpresteerd en heeft de vraag opgeworpen in hoeverre het recht van vruchtgebruik zich uitstrekt tot de door haar gebouwde woning.
Verder is gesteld is dat [man] in gebreke is gebleven om ingevolge artikel 810 leden 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) terzake van zijn recht van vruchtgebruik een beschrijving op te maken van het onroerend goed. Tevens is gesteld dat [man] heeft nagelaten aan zijn wettelijke verplichting tot zekerheidstelling (artt. 811 en 812 BW) te voldoen
Voorts is gesteld is dat [man] misbruik maakt van zijn recht van vruchtgebruik.

3.3 [man] heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

In reconventie:

3.4 [man] heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [vrouw] te veroordelen alle goederen van hem die zich in de woning aan de [adres] te [district] bevonden wederom in de woning te plaatsen en die woning binnen 1 week na ontvangst van dit schrijven te ontruimen en te verlaten en ter algehele beschikking van hem te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,00 per dag voor elke dag waarop [vrouw] nalaat aan het te wijzen vonnis uitvoering te geven.

3.5 [man] heeft, tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd.
[man] heeft gesteld dat partijen samen een woning hebben gebouwd in welke woning zij in 2011 hun intrek hebben genomen. [vrouw] heeft hem belemmerd de woning te betreden en heeft in augustus 2012 de sloten van de deuren die toegang tot de woning verschaffen vervangen en de garage gebarricadeerd om hem zo doende te beletten de woning te betreden.
Verder is gesteld dat [vrouw] goederen die aan [man] toebehoren uit de woning heeft gehaald en in de garage heeft geplaatst en bloot gesteld aan weer en wind, met alle nadelige gevolgen daarvan voor hem, [man].
Ten slotte is gesteld dat [vrouw] door te weigeren de woning te ontruimen, een inbreuk maakt op zijn recht van vruchtgebruik en derhalve jegens hem onrechtmatig handelt.

3.6 [vrouw] heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

4. De beoordeling

In reconventie:

4.1 De gemachtigde van [man] heeft ter comparitie verklaard dat [man] afziet van zijn vordering. Zijdens [vrouw] zijn geen bezwaren hiertegen geopperd, zodat de kantonrechter verstaat dat de vordering is ingetrokken.

In conventie:

Kosteloos procederen
4.2 [vrouw] heeft als productie bij haar verzoekschrift gevoegd een certificaat van onvermogen [nummer] afkomstig van het Hoofd van het Bureau Rechtszorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Haar zal derhalve toestemming worden verleend kosteloos te procederen.

Vruchtgebruik op de woning?
4.3 De kantonrechter is ten aanzien van de door [vrouw] opgeworpen vraag of het recht van vruchtgebruik tevens omvat de op het perceel staande woning, van oordeel dat deze bevestigend dient te worden beantwoord. De natrekkingsregeling heeft immers tot gevolg dat de woning deelt in de toestand van het perceelland waar het op staat; het op het perceelland gevestigd recht van vruchtgebruik behelst derhalve eveneens de daarop staande woning.

Recht van bewoning en financiële afspraken
4.4 [man] heeft ontkend dat aan [vrouw] het recht van bewoning toekomt, alsook dat hij zich ertoe zou hebben verplicht bij te dragen in de aflossing van de hypotheekschulden.

4.5 Geconstateerd wordt dat in de door [vrouw] overgelegde hypotheekakten er geen melding van wordt gemaakt dat [vrouw] de woning dient te bewonen. Ook indien dit echter het geval zou zijn geweest, is dat naar dezerzijds oordeel geen aanleiding [man] het recht van vruchtgebruik te ontnemen. Hiertoe is evenmin aanleiding indien [man] afspraken, die tussen partijen zouden zijn gemaakt ten aanzien van de afbetaling van de hypotheek, zo die in rechte zouden komen vast te staan, niet zou zijn nagekomen. In de artikelen 836 en volgende van het BW is immers bepaald hoe het recht van vruchtgebruik eindigt; wanprestatie maakt daar geen deel van uit.

Zekerheidstelling
4.6 Het door [vrouw] ten aanzien van de zekerheidsstelling gestelde gaat mank, aangezien in artikel 812 BW is bepaald dat diegenen die hun goed onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten geschenke hebben gegeven, niet gehouden zijn om zekerheid te stellen.
Nu [man] zijn perceelland onder voorbehoud van vruchtgebruik heeft verkocht, is hij dus niet gehouden om zekerheid te stellen.

Beschrijving van het onroerend goed
4.7 [man] heeft als verweer gesteld dat de beschrijving van het onroerend goed overbodig en irrelevant is daar partijen na de koop/verkoop een woning hebben gebouwd op het perceelland, zodat het logisch is dat het om een bloot perceelland ging.

4.8 De kantonrechter merkt op dat de beschrijving ingevolge de artikel 810 leden 1 en 2 BW betreft de staat van het onroerend goed waar het recht van vruchtgebruik op is gevestigd. Ook indien het een bloot perceelland betreft, is een dergelijke beschrijving naar dezerzijds oordeel geboden zodat tussen partijen vast staat in welke staat het perceelland zich bevond ten tijde van de aanvang van het recht van vruchtgebruik.
Het ontbreken van een dergelijke beschrijving kan evenwel niet leiden tot vernietiging van het recht van vruchtgebruik nu een dergelijke sanctie daar niet op is gesteld.

Misbruik van het recht van vruchtgebruik
4.9 In artikel 844 van het BW is bepaald dat het vruchtgebruik ook kan eindigen indien de vruchtgebruiker misbruik van zijn genot maakt, hetzij door het goed te beschadigen, hetzij door het goed, bij gebreke van genoegzame herstelling en onderhoud, te laten vervallen.
[man] heeft ten aanzien van de door [vrouw] gestelde door hem aan de woning aangebrachte vernielingen verklaard dat hij die heeft moeten aanbrengen nadat [vrouw] de sloten aangebracht op de deuren die toegang geven tot de woning, heeft veranderd om hem zodoende de toegang tot de woning te ontzeggen.

4.10 [vrouw] heeft in de conclusie van repliek gesteld dat [man] ten onrechte meent dat hij geen andere keus had dan de sloten open te breken; hij had toen reeds een rechtszaak aanhangig kunnen maken en hoefde niet over te gaan tot de vernieling van de sloten.
[vrouw] heeft tevens gesteld dat zij ook heeft overgelegd fotokopieën van fotos van andere vernielingen die [man] eerder heeft gepleegd en die niets met het betreden van de woning te maken hadden.

4.11 Geconstateerd wordt dat [vrouw] niet heeft ontkend dat [man] vernielingen heeft aangebracht nadat zij hem door het veranderen van de sloten, de toegang tot de woning wilde ontzeggen, zodat zulks in rechte tussen partijen vast staat.
Verder wordt geconstateerd dat zijdens [vrouw] bij inleidend verzoekschrift als productie V een zevental fotokopieën van fotos is overgelegd. Voorts wordt geconstateerd dat vijf van de overgelegde kopieën betreffen vernielingen aan deuren en een hangslot, alsook dat op de overige twee kopieën enige vernieling niet duidelijk valt waar te nemen.
Aan het verweer van [vrouw] dat het tevens betreft vernielingen die niet te maken hebben met het verkrijgen van toegang tot de woning wordt dan ook voorbij gegaan.
Overwogen wordt dat [man], geconfronteerd met de situatie dat hij de woning ten aanzien waarvan hij het recht van vruchtgebruik heeft, niet kon binnengaan, gerechtigd was die maatregelen te treffen om dat binnentreden mogelijk te maken, gelijk hij ook heeft gedaan. De daardoor veroorzaakte vernielingen kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het recht van vruchtgebruik.

4.12 Ten aanzien van het door [vrouw] gestelde gebrek aan onderhoud is de Kantonrechter van oordeel dat ook indien [man] een lekkage in het toilet niet heeft verholpen, zulks niet kan leiden tot de vernietiging van het recht van vruchtgebruik, aangezien dat een niet-proportionele reactie zou zijn. Niet nader is gedefinieerd welke kleine en grote reparaties dienden te worden verricht, zodat niet kan worden nagegaan of het niet verrichten van die reparaties kan leiden tot een dergelijke mate van verwaarlozing van het goed dat vernietiging van het recht van vruchtgebruik dient te volgen.

4.13 Gelet op al het hiervoor overwogene wordt geconcludeerd dat het door [vrouw] gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.14 [vrouw] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie:

5.3 Verstaat dat de vordering is ingetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 10 april 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 14-1795
03 december 2018

Vonnis in de zaak van:
A. [eiser 1],
B. [eiser 2],
beiden wonende aan de [straat 1] te [district 1],
opposanten in conventie en eisers in reconventie,
hierna te noemen: “[eiser 1] en [eiser 2]”, gemachtigde: mr. D.P.A. Langdvreugd, advocaat,

tegen

STICHTING BIGELOW,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geopposeerde in conventie en gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: “Bigelow”
gemachtigden: mr. E.A. Glunder en mr. S. Mangre, advocaten.

Vooraf:
Bij verstekvonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding d.d. 09 oktober 2014, gewezen en uitgesproken tussen Bigelow als eiseres en [eiser 1] en [eiser 2] als gedaagden is de volgende beslissing gegeven:
3.1 Veroordeelt gedaagden om binnen drie maanden na betekening van het vonnis, ondanks verzet of hoger beroep het huis en erf staande en gelegen aan de [straat 2] te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van eiseres te laten.
3.2 Machtigt eiseres om, indien gedaagden weigeren mochten aan voormelde veroordeling te voldoen, de ontruiming zelf ter hand te nemen, met behulp van de Sterke Arm.
3.3 Verwijst gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 200,- (Tweehonderd Surinaamse Dollar).

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verstekvonnis van 09 oktober 2014;
  • het verzet rekest tevens houdende een eis in reconventie dat op 15 augustus 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend met productie;
  • de conclusie van antwoord in oppositie d.d. 14 februari 2017 met producties;
  • de rolbeschikking d.d. 06 november 2017 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
  • het procesverbaal van de comparitie van partijen d.d. 02 februari 2018;
  • de conclusie na gehouden comparitie zijdens Bigelow d.d. 05 maart 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang het volgende vast.

03 september 2007
2.1 Voor mr. D.S. P Chitoe, notaris, is op 03 september 2007 verleden een akte van geldlening waarbij [naam 1] als mondeling gevolmachtigde van de stichting PRASHAANT de som van € 16.000, – ter leen heeft gegeven aan [eiser 1], [eiser 2], gehuwde echtelieden, beiden wonende aan de [straat 1] te [district 1] en [naam 2], wonende aan [adres 1] in [district 2]. Bij onderzetting is verbonden het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2] (hierna ook “het perceel”).

21 februari 2011
2.2 Op verzoek van stichting SIEDDHAARTH is bij deurwaardersexploot van 21 februari 2011 met het nummer [nummer 1] aan [eiser 1] en [eiser 2] wonende aan de [straat 1] te [district 1] een grosse van de in executoriale vorm uitgegeven akte van geldlening met hypotheekstelling van 03 september 2007 betekend. [eiser 1] en [eiser 2] zijn daarbij aangemaand te betalen de som van € 16.000, – met bijbetaling van de rente van 2% per maand vanaf 4 september 2007, en de daarop verlopen boete-rente van 2% per maand, met aanzegging van een openbare verkoop te houden op dinsdag 10 mei 2011.

10 mei 2011
2.3 Bij onderhandse akte van lastgeving door stichting PRASHAANT aan [naam 3] verleend, heeft laatstgenoemde bij de gehouden openbare verkoop op 10 mei 2011 stichting PRASHAANT vertegenwoordigd. Volgens de door mr. D.S.P. Chitoe, notaris, opgemaakte akte van openbare verkoop is bij deurwaardersexploot van 21 en 22 februari 2011 aan [eiser 1] en [eiser 2] bevel gedaan onmiddellijk de som van € 20.000, – te betalen, zijnde de hoofdsom met bijbetaling van de rente van 2% per maand vanaf 20 augustus 2007 en de daarop verlopen boeterente van 2% per maand.

2.4 [naam 1] , handelend in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van stichting BIGELOW heeft het onroerend goed als onder 2.1 hiervoor omschreven op de veiling van 10 mei 2011 gekocht voor de som van SRD 125.00, -.

26 augustus 2011
2.5 Voor mr. D.S.P. Chitoe, notaris, is op 26 augustus 2011 verleden een akte van verkoop en koop waarbij [naam 1] in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van stichting BIGELOW aan [naam 4] als mondeling gevolmachtigde van stichting HARRY NARAYAN heeft verkocht het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als Nieuwe Wijk Letter B nummer 11a 29 voor de koopsom van SRD 25.000,-.

14 september 2011
Stichting HARRY NARAYAN verkrijgt het hiervoor omschreven onroerend goed in eigendom door overschrijving van een afschrift van de akte van verkoop en koop van 26 augustus 2011 op 14 september 2011 in het openbaar register C 2090 onder [nummer 2].

17 april 2014
Stichting BIGELOW stelt op 17 april 2015 een vordering tot ontruiming in Kort Geding in tegen [eiser 1] en [eiser 2]. Op 09 oktober 2014 worden [eiser 1] en [eiser 2] bij verstek tot ontruiming veroordeeld.

28 oktober 2014
Volgens het deurwaardersexploit van 28 oktober 2014 met het nummer 1729 in de zaak met het A.R. nr. 14-1584 is op verzoek van de stichting “Harrynarayan” aan [eiser 1], [eiser 2] en [naam 2], allen wonende aan de [straat 2] te [district] de grosse van het vonnis van 07 augustus 2014 niet betekend omdat op het adres niemand is aangetroffen aan wie rechtsgeldig het stuk kon worden achtergelaten en is vervolgens afschrift gelaten aan de Procureur-Generaal.
Volgens voormeld exploot luidt het dictum van het daarin aangehaald vonnis:

“3.1 Veroordeelt gedaagden om binnen 1 (een) maand na betekening van dit vonnis, het huis en erf staande en gelegen aan de [straat 2] te [district 1] te ontruimen en te verlaten met medeneming van al degenen en al hetgeen zich daar mochten bevinden en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

3.2 Machtigt eiseres om binnen, indien gedaagden met de ontruiming in gebreke blijven deze zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

3.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

3.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 225,- (Tweehonderd en vijfentwintig Surinaamse Dollar);

3.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Met aanzegging van executie van het vonnis met behulp van de Sterke Arm, alsmede middels executoriaal beslag en verkoop van de roerende goederen”.

05 februari 2015
Deurwaarder J.E. Febis heeft op 05 februari 2015 [eiser 1] en [eiser 2] aangezegd om te verhuizen. Op last van stichting HARRY NARAYANA is de woning van [eiser] en [eiser 2] daarop afgebroken.

21 mei 2015
2.10 Voor mr. K.E. Astwood-Olff, notaris, is op 21 mei 2015 verleden een akte van verkoop en koop waarbij stichting HARRY NARAYAN aan stichting FRESH WORLD heeft verkocht het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2]. De kale grondwaarde is daarbij gesteld op SRD 6,75 per m².

21 maart 2016
2.11 Bij schrijven van 21 maart 2016 van D.S.P. Chitoe, notaris, aan mr. D.P.A. Langvreugd, advocaat, deelt de notaris betreffende de “de veiling Stg. Sieddhaarth ca [eiser 1].[eiser 2]” mee dat op 10 mei 2011 een openbare verkoop van een onroerend goed heeft plaatsgevonden dat aan de clienten van de advocaat heeft toebehoord.
Verder staat in bedoeld schrijven onder meer:
“Bijna vijf (5) jaren geleden is het een en ander reeds afgewikkeld.
Blijkens verklaring van de schuldeisers was de schuld destijds bij de openbare verkoping € 28.705, – (…)
Aangezien het hoogste bod werd gedaan voor SRD 125.000, = (…) is er derhalve een negatief saldo. Het is aan de schuldeiseres welke aktie zij alsnog wenst in te stellen tegen uw clienten.”

In conventie

In oppositie

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gevorderd het vonnis waarvan verzet te vernietigen en Bigelow in de buitengerechtelijke kosten en proceskosten te veroordelen.

3.2 De grondslag
Aan haar oorspronkelijke, bij verstek toegewezen eis heeft Bigelow de grondslag gelegd, dat [eiser 1] en [eiser 2] haar eigendom zonder recht of titel bewonen. Bigelow heeft de woning op de veiling gekocht. Zij is mondeling noch schriftelijk een overeenkomst met [eiser 1] en [eiser 2] aangegaan die hun aanwezigheid in de woning rechtvaardigt. [eiser 1] en [eiser 2] plegen een inbreuk op het eigendomsrecht van Bigelow.

3.3 Het verweer
In oppositie hebben [eiser 1] en [eiser 2] hiertegen verweer gevoerd.

In reconventie

3.4 De vordering
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. de veiling van 10 mei 2011 te vernietigen dan wel nietig te verklaren;
  2. de (rechts)gevolgen van de veiling van 10 mei 2011 te vernietigen dan wel nietig te verklaren;
  3. de verkoop van het onroerend goed door Bigelow aan stichting Harry Narayan te vernietigen dan wel nietig te verklaren;

Veroordeling van Bigelow om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen:

a. het bedrag van USD 135.000, – voor de herbouw van de woning;
b. het bedrag van USD 10.500, – voor geleden schade;
c. het bedrag van SRD 9.180, – voor kosten rechtsbijstand;
en voorts:
d. veroordeling van Bigelow om binnen 1 uur na de uitspraak [eiser 1] en [eiser 2] op kosten van Bigelow te huisvesten in een geriefelijke en beveiligde woning voorzien van nutsvoorzieningen in [district 1];

subsidiair:
veroordeling van Bigelow tot vergoeding van de door [eiser 1] en [eiser 2] geleden materiele en immateriele schade nader op te maken bij staat met de wettelijke rente;
e.e.a. onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000, – voor elk uur dat Bigelow het vonnis of een deel daarvan niet naleeft;
veroordeling van Bigelow in de proceskosten in reconventie.

3.5 De grondslag
Aan hun vordering in reconventie leggen [eiser 1] en [eiser 2], samengevat, het volgende ten grondslag. Op de veiling van 10 mei 2011 is niet de woning aan de [straat 1] geveild. Bigelow die heeft gekocht op de veiling, is daarom niet de eigenaar daarvan geworden. Op grond van de uitspraak bij verstekvonnis van 09 oktober 2014 heeft Bigelow een titel tot ontruiming van een perceel gelegen aan de [straat 2]. Bigelow heeft recht noch titel om [eiser 1] en [eiser 2] die aan de [straat 1] wonen te ontruimen. Daarnasat kan Stichting Harry Narayan geen rechten ontlenen aan het vonnis dat tussen Bigelow als eiseres en [eiser 1] en [eiser 2] als gedaagden is gewezen. Aan haar ontbreekt de bevoegdheid om het verstekvonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] te betekenen of aan de Procureur-Generaal ter hand te stellen. Er is een schijnverkoop ad SRD 200.000, – tussen stichting Harry Narayan als koper en Bigelow als verkoper geconstrueerd om laatstgenoemde buiten de ontruiming van [eiser 1] en [eiser 2] te houden. Bigelow heeft door haar onwettig en onbehoorlijk handelen [eiser 1] en [eiser 2] in een noodtoestand gebracht, waardoor zij schade lijden.

3.6 Het verweer
Bigelow voert als verweer dat [eiser 1] en [eiser 2] niet ontvankelijk zijn in hun vordering in reconventie. Voor geleden schade moeten zij vorderen van de notaris D.P.S. Chitoe en de stichting Prashaant. De gevorderde bedragen wegens geleden schade zijn uit de lucht gegrepen. Verder stelt Bigelow zich op het standpunt dat de ontruiming in opdracht van de stichting Harry Narayan is uitgevoerd aan wie het onroerend goed is doorverkocht met de kadastrale gegevens waarvan het BR [nummer 3] luidt.

In reconventie

In oppositie

4. De beoordeling
4.1 Bigelow heeft zich slechts afgevraagd of [eiser 1] en [eiser 2] de wettellijke verzet termijn hebben overschreden. De kantonrechter is van oordeel dat het enkel “zich afvragen” zonder daartoe feiten aan te voegen geen verweer in de zin van artikel 120 Rv is. Evenmin kan hieruit een blote ontkenning van de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde feiten worden begrepen. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat Bigelow over de verzet termijn geen verweer heeft gevoerd en overweegt als volgt.

4.2 [eiser 1] en [eiser 2] stellen gemotiveerd dat het bij verstek gewezen vonnis van 09 oktober 2014 nimmer aan hen is betekend. Verder voeren zij aan dat de oproep om op 19 juni 2014 ter terechtzitting te verschijnen de openbare veiling van het perceel aan de [straat 2] betrof, terwijl zij, [eiser 1] en [eiser 2] op perceel [nummer 4] hun woning hebben staan waar zij ook in verblijven.

4.3 De kantonrechter stelt vast dat het deurwaardersexploot van 28 oktober 2014 (hiervoor onder 2.8) is betekend aan [eiser 1], [eiser 2] en [naam 1], allen wonende aan de [straat 2] te [district 1], terwijl onweersproken vaststaat dat [eiser 1] en [eiser 2] wonen aan de [straat 1] te [district 1]. Het exploot betreft kennelijk een zaak met het A.R. nr. 14-1584, zoals in de rechterbovenhoek van het exploot vermeld staat en niet de onderhavige zaak met het A.R. no. 14-1795.
Voorts stelt de kantonrechter vast dat in voormeld deurwaardersexploot niet het dictum van het gewezen en uitgesproken vonnis van 09 oktober 2014 is aangehaald. Het bij deurwaardersexploot van 28 oktober 2014 gerelateerd dictum bestaat uit vijf deelbeslissingen (hiervoor onder 2.8), terwijl het verstekvonnis waarvan verzet drie deelbeslissingen telt zoals hiervoor onder het kopje “Vooraf” is aangehaald.
De kantonrechter oordeelt dat het deurwaardersexploot op voorgaande gronden nietig is.

4.4 De nietigheid van het deurwaardersexploot d.d. 28 oktober 2014 brengt met zich mee dat het vonnis van 09 oktober 2014 nimmer aan [eiser 1] en [eiser 2] is betekend.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben onweersproken gesteld dat zij pas na onderzoek door hun gemachtigde de omvang en strekking van de gebeurtenissen die hen zijn overkomen hebben begrepen en eerst toen van het verstekvonnis van 09 oktober 2014 in verzet hebben kunnen komen.

4.5 De kantonrechter oveweegt dat ex artikel 84Rv de gedaagde bevoegd is om binnen veertien dagen na het plegen van enige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is, daartegen verzet te doen. Uit het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [eiser 1] en [eiser 2] zodra zij deugdelijk kennis droegen van bedoeld vonnis, daarvan verzet hebben gedaan. [eiser 1] en [eiser 2] zijn aldus ontvankelijk in hun verzet.

4.6 Bigelow heeft als eiseres tegen [eiser 1] en [eiser 2] als gedaagden bij verzoekschrift van 17 april 2014 in kort geding een vordering tot ontruiming ingesteld. Bigelow vordert in de positie van eigenaar van het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2], de ontruiming van [eiser 1] en [eiser 2]. Bigelow stelt daarbij dat [eiser 1] en [eiser 2] zonder recht of titel haar eigendom bewonen en een ernstige inbreuk plegen op haar zakelijk recht.

4.7 [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat Bigelow nimmer eigenaar is geworden van het perceel omdat de veiling en de daarvan opgemaakte akte nietig zijn. Zij voeren ter onderbouwing onder meer aan dat stichting Sieddhaart niet de positie heeft van eerste hypothecaire schuldeiser, omdat geen stukken van overdracht van de rechten uit de schuldvordering door stichting Prashaant aan stichting Siedhaarth zijn betekend aan [eiser 1] en [eiser 2] en laatstgenoemden een dergelijke overdracht nimmer hebben erkend noch bevestigd. Stichting Sieddhaarth mist daarom de bevoegdheid tot sommatie en de aanzegging van de veiling op 10 mei 2011.

4.8 [eiser 1] en [eiser 2] voeren verder dat zij nimmer in gebreke zijn gesteld, aan hen geen termijn van betaling is geboden noch de saldoschuld aan hen is betekend. In tegenstelling tot de sommatie en aanzegging van de veiling door stichting Sieddhaarth, is de akte van de openbare veiling van 10 mei 2011 opgemaakt met de vermelding dat de veiling op verzoek van stichting Prashaant plaatsvindt.

4.9 De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] aldus dat een cessie tussen stichting Prashaant en stichting Sieddhaarth zou moeten hebben plaatsgehad, omdat het anders niet begrijpelijk is dat stichting Sieddhaarth hen heeft gesommeerd en de veiling heeft aangezegd. [eiser] en [eiser 2] zijn van een cessie evenwel niet op de hoogte gebracht, terwijl zij in het geval van een cessie deze zouden moeten hebben erkend dan wel bevestigd, omdat voor hen als hypotheekgevers niet onverschillig is wie de schuldeiser is.

4.10 Naar het oordeel van de kamntonrechter is het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] niet onjuist. Nu echter noch uit de processtukken noch uit de stellingen van Bigelow van die cessie blijkt, staat een dergelijke overdracht niet vast en wordt aan een beoordeling daarvan dan ook niet toegekomen. Dat stichting Sieddhaarth uit anderen hoofde de bevoegdheid toekwam is evenmin gesteld of gebleken. In het onderhavig proces is geen andere sommatie of aanzegging overgelegd dan het exploot als hiervoor onder 2.2 aangehaald. Dat de notaris in zijn schrijven van 21 maart 2016 de veiling van stichting Sieddhaart contra [eiser 1] en [eiser 2] op 10 mei 2011 bespreekt kan in dit verband op zijn minst als onoplettendheid van de notaris worden aangemerkt en maakt de hiervoor overwogen feiten en omstandigheden niet anders. De conclusie is dan ook dat stichting Sieddhaarth onbevoegd was om [eiser 1] en [eiser 2] het bevel tot betaling te doen en de openbare verkoop op dinsdag 10 mei 2011 aan te zeggen.

4.11 Als onweersproken staat aldus vast dat de openbare veiling van 10 mei 2011 op verzoek van stichting Prashaant heeft plaatsgehad (hiervoor 2.3). Echter, uitvoorgaande overwegingen vloeit tevens voort dat stichting Prashaant [eiser 1] en [eiser 2] nimmer een bevel tot betaling van de saldoschuld heeft gedaan noch hen de veiling heeft aangezegd. Aldus staat vast dat [eiser 1] en [eiser 2] niet in gebreke zijn gesteld ex artikel 1207 jo artikel 1239 BW. [eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich er terecht op dat een bevel tot betaling aan hen gedaan moest worden. Voor zover van belang merkt de kantonrechter in dit verband nog op dat naar de gewone regels van het verbintenissenrecht de crediteur alvorens er van wanprestatie sprake is de debiteur een ingebrekestelling met doen toekomen. In de hypotheek-geldleningsakte van 03 september 2007 is onder “Ten zevende” bedongen dat de schuldeisers gemachtigd zullen zijn om het verbondene in het openbaar te verkopen indien niet terstond wordt voldaan aan de vordering tot betaling van hoofdsom met interesten en kosten. Niet is gesteld noch is gebleken dat de verplichting tot het vorderen van de betaling is opgeheven doordat partijen hebben bedongen, dat de debiteur in gebreke zal zijn door het enkel verloop van de termijn zonder dat daartoe enige ingebrekestelling nodig zal zijn.

4.12 Op grond van alle hiervoor behandelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd staat vast dat de veiling van dinsdag 10 mei 2011 ten kantore van notaris mr. D.S.P. Chitoe ter openbare verkoop van het perceel nietig is. Bigelow is als gevolg van de nietigheid van de veiling geen eigenaar geworden van het perceel.

4.13 In dit verband overweegt de kantonrechter voorts dat uit de processtukken blijkt dat Bigelow op 26 augustus 2011 aan de stichting Harry Narayan het perceel heeft verkocht en inschrijving van de akte heeft plaatsgehad op 14 september 2011. Gesteld noch gebleken is dat Bigelow tussen 14 september 2011 en 17 april 2014 het perceel heeft (door)verkocht. Eerst op 21 mei 2015 heeft stichting Harry Narayan het perceel verkocht aan stichting Fresh World. Nu bovendien vaststaat dat de veiling van 10 mei 2011 nietig is en Bigelow nimmer de eigendom van het perceel heeft verkregen, kan dan ook niet anders dan geconcludeerd worden dat Bigelow zich geheel te kwader trouw in kort geding bij verzoekschrift van 17 april 2014 als eigenaar van het perceel heeft gesteld.

4.14 Het vorenstaande leidt ertoe dat [eiser 1] en [eiser 2] zich terecht en op goede gronden tot de kantonrechter hebben gewend om te worden ontheven van de veroordeling tegen hen uitgesproken bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding d.d. 09 oktober 2014. De vordering van Bigelow zal worden afgewezen.

4.15 De vordering om Bigelow in de buitengerechtelijke kosten te veroordelen hebben [eiser 1] en [eiser 2] met specifieke feiten en daarop betrekking hebbende rechtspraak gemotiveerd. Bigelow heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten zal als gegrond worden toegewezen.

4.16 Bigelow zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie
4.17 De kantonrechter overweegt als volgt:
In conventie is komen vast te staan dat de op 10 mei 2011 gehouden veiling ten kantore van notaris mr. D.S.P. Chitoe ter openbare verkoop van het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2] nietig is.
Bigelow is daarom geen eigenaar geworden van het perceel. Bigelow kon aldus geen eigendomsrecht ten aanzien van het perceel overdragen aan stichting Harry Narayan.
De verkoop- en koopovereenkomst tussen Bigelow als verkoper en stichting Harry Narayan als koper van 26 augustus 2011 en de daaropvolgende levering van 14 september 2011 zijn aldus zonder rechtsgevolg gebleven.
In conventie is tevens komen vast te staan dat Bigelow op ondeugdelijke gronden een executoriale titel tot ontruiming heeft verkregen. Het verstekvonnis van 09 oktober 2014 is in conventie vernietigd.

4.18 [eiser 1] en [eiser 2] vorderen in reconventie vergoeding van geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van Bigelow, hierin bestaande dat inbreuk is gemaakt op hun eigendomsrecht door hen te ontruimen en hun woning aan de [straat 1] af te breken.
De kantonrechter overweegt in dit verband dat op de comparitie van partijen op 02 februari 2018 Gesser onder meer heeft verklaard:
“Mijn huis stond op perceel [nummer 4]. Wij zijn ontruimd geworden en ons huis – een 6 kamer woning – is meteen afgebroken (…) Mijn man was blind en ziek aan zijn hart.”
Voorts overweegt de kantonrechter dat op voormelde compartitie de voorzitter van Bigelow, de heer [naam 1], de verklaring van [eiser 2] niet heeft weersproken en onder meer heeft verklaard:
“Ik had de deurwaarder het huis aangewezen aan de [straat 1] (…). Ik weet dat eisers onder een boom wonen zoals u mij toont op de foto’s…”

4.19 [eiser 1] en [eiser 2] vorderen in reconventie een vergoeding ad USD 135.000, – wegens de herbouwwaarde van de woning en de schade wegens diefstal en beschadiging van hun inboedel ad USD 10.500, -. Bigelow heeft als verweer aangevoerd dat de bedragen absurd en uit de lucht gegrepen zijn. Aan dit verweer gaat de kantonrechter voorbij nu Bigelow geen nadere concrete en specifieke feiten ter betwisting van de schade heeft aangedragen.

4.20 De kantonrechter oordeelt dat naar de in het verkeer geldende opvattingen bij de thans vaststaande feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie, de omstandigheden waarin [eiser 1] en [eiser 2] zijn komen te verkeren niet anders dan voor rekening van Bigelow komen. Ook overweegt de kantonrechter dat de rechter die over de feiten oordeelt de vrijheid heeft om schade reeds aannemelijk te achten op grond van het vaststaan van feiten waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid en om vervolgens de omvang van die schade te schatten (HR 28 juni 1991, NJ 1991, 746).

4.21 Het voorgaande leidt dan ook tot toewijzing van het primair onder “a” en “b” gevorderde. Het primair onder “d” gevorderde zal worden afgewezen, nu na toewijzing van de onderdelen “a’ en “b” [eiser 1] en [eiser 2] bij de vordering onder “d” geen zelfstandig belang meer hebben.

4.22 De vordering van Bigelow in de kosten voor rechtsbijstand te veroordelen hebben [eiser 1] en [eiser 2] met specifieke feiten en daarop betrekking hebbende rechtspraak gemotiveerd, wat Bigelow niet heeft betwist.
De primaire vordering tot betaling van de kosten onder “c” zal daarom als onweersproken worden toegewezen.

4.23 Aan een beoordeling van het susidiair gevorderde komt de kantonrechter na toewijzing van het primair gevorderde onder “a”, “b” en “c” niet meer toe.

4.24 Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht kan onbesproken blijven, omdat dat niet tot een ander oordeel leidt.

4.25 Bigelow zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

In conventie

In oppositie

5. De beslissing

5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding d.d. 09 oktober 2014 bekend onder A.R. no. 14-1795 waarvan verzet.
en opnieuw rechtdoende:

5.2 Wijst af de vordering van stichting Bigelow.

5.3 Veroordeelt stichting Bigelow tot betaling van de buitengerechtelijke kosten.

5.4 Veroordeelt stichting Bigelow in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD….

In reconventie

De kantonrechter:

5.5 Verklaart nietig de veiling van 10 mei 2011 ten kantore van van mr. D.S.P. Chitoe ter openbare verkoop van het perceelland groot 280,88 m² met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district 1] aan de [straat 1], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter ir. E.S. Devid d.d. 05 oktober 1984 met de letters ABCD en bekend als [adres 2].

5.6 Verklaart nietig de verkoop van het onder 5.5 voorschreven onroerend goed door stichting Bigelow aan stichting Harry Narayan.

5.7 Veroordeelt stichting Bigelow om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen het bedrag van USD 135.000, – (honderdvijfendertig duizend Noord-Amerikaanse Dollar) voor de herbouw van hun woning.

5.8 Veroordeelt stichting Bigelow om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen het bedrag van USD 10.500, – (tienduizend vijfhonderd Noord-Amerikaanse Dollar) voor beschadiging en diefstal van hun inboedel.

5.9 Veroordeelt stichting Bigelow om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eise 1] en [eiser 2] te betalen het bedrag van SRD 9.180, – (negenduizend honderd en tachtig Surinaamse Dollar) voor rechtsbijstand.

5.10 Verklaart de beslissingen onder 5.7, 5.8 en 5.9 uitvoerbaar bij voorraad.

5.11 Veroordeelt stichting Bigelow in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.12 Wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, lid-plaatsvervanger en ter openbare zitting uitgesproken op maandag 03 december 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier, mr. G.T. Moerlie.

w.g. G.T. Moerlie w.g. S.J.S. Bradley

SRU-K1-2018-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1158
29 maart 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. BLUE WING AIRLINES N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [eiseres sub B],
wonende te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

N.V. JUSESUR h.o.d.n. SEWCHARAN ADVOCATEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 15 maart 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres sub A is een luchtvaartonderneming. Op 17 mei 2010 had de Staat in verband met een vliegtuigongeluk aan eiseres sub A een vliegverbod opgelegd om met 2 vliegtuigen haar luchtvaartoperaties te verrichten. Als gevolg van dit verbod dat achteraf volgens het standpunt van eiseres sub A onrechtmatig bleek te zijn, heeft eiseres sub A schade geleden.

In dat licht heeft eiseres sub B zich op 17 januari 2013 namens eiseres sub A tot gedaagde gewend voor juridische bijstand om de geleden schade van de Staat te incasseren.

2.2 Gedaagde heeft middels een schrijven d.d. 07 mei 2013 aan eiseres sub A kenbaar gemaakt de opdracht om haar juridische bijstand te verlenen te hebben aanvaard. In dat schrijven heeft gedaagde de declareergrondslag als volgt verwoord.

“ Ik stel voor om twee percentages met Blue Wing Arilines N.V. af te spreken:
– Indien de inning van de geleden schade door middel van onderhandelen, ongeacht de duur en de intensiteit, zal zijn geschied, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van rechtsingang, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 en een fee van US$ 7.500

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van rechtsingang, dupliek, repliek bij comparitie van de Rechter, bedraagt het honorrium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 plus een fee van US$ 25.000

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van een vonnis van de Kantonrechter, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief US$ 75.00 plus een fee van 5%

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van een vonnis van de Kantonrechter, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 plus een fee van 5%

– Indien de inning van de geleden schade door middel geschiedt na verkrijging van een vonnis van het Hof van Justitie, bedraagt het honorarium op basis van een uurtarief van US$ 75.00 plus een fee van 7,5% van het werkelijk geind bedrag.

Deze tarieven zijn exclusief overige kosten (onder andere deurwaarders- en vastrechtkosten).

Voor het geval er helemaal geen positief resultaat wordt bereikt, met andere woorden er wordt uiteindelijk na onderhandelen en/of procederen niets geind, niets moet worden uitgesloten, dan stel ik voor dat mijn vergoeding gebaseerd wordt op een sterk verlaagd uurtarief ad US$ 75,- voor de aan de zaak bestede tijd. Dit uurtarief exclusief 8% omzetbelasting en exclusief overige kosten”.

2.3 Bij schrijven d.d. 31 juli 2013 heeft gedaagde de Minister van TCT in kennis gesteld van zijn betrokkenheid bij het geschil tussen eiseres sub A en de Staat Suriname.

2.4 Op 07 oktober 2013 heeft gedaagde aan eiseres sub A een prijsvoorstel gedaan van de in de zaak verrichtte en te verrichten werkzaamheden en heeft eiseres sub A bij schrijven d.d. 13 oktober 2103 aan gedaagde een tegenvoorstel gedaan. Daar partijen geen overeenstemming konden bereiken, heeft eiseres sub A de aan gedaagde gegeven opdracht opgezegd welke opzegging gedaagde op 29 oktober 2013 heeft aanvaard.

2.5 Op 11 februari 2014 heeft eiseres sub A opnieuw dezelfde opdracht aan gedaagde gegeven. Bij schrijven d.d. 15 maart 2014 heeft gedaagde de opdracht aanvaard. In dat schrijven heeft gedaagde de prijsafspraken als volgt vastgelegd:
“(….)
Ik bevestig voor de goede orde de gemaakte prijsafspraken. Deze zijn overeenkomstig het schrijven d.d. 7 oktober 2013 mijnerzijds, met dien verstande dat het daarin opgenomen percentage is gesteld op 7% in plaats van 7,5%”.

2.6 Vanaf februari 2014 is gedaagde in onderhandeling met het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme (hierna afgekort TCT) geweest, welke onderhandeling op 12 maart 2014 heeft geresulteerd in het totstandkomen van een Raadsvoorstel dat is opgemaakt door de minister van TCT met [nummer]. In het Raadsvoorstel is opgenomen het voorstel om een bedrag ad US$ 11.500.000,- als schade aan eiseres sub A uit te keren. Dit Raadsvoorstel diende de minister van TCT nog aan de Raad van Ministers ter goedkeuring aan te bieden.

2.6 Bij schrijven van 24 maart 2016 heeft eiseres sub A aan gedaagde medegedeeld dat mr. H.R. Schurman door haar is aangewezen voor afhandeling van de rechtszaak tegen de Staat Suriname. In dat schrijven heeft eiseres sub A aan gedaagde gevraagd de einddeclaratie volgens het afgesproken uurtarief voor haar op te sturen.

2.7 Bij schrijven d.d. 06 februari 2017 is aan gedaagde medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden dient te declareren op basis van gewerkte uren. Ter zake heeft de gemachtigde van eiseres sub A het volgende in het schrijven vermeld:

“ Naar aanleiding van een tussen u en mijn cliente onstaan dispuut heeft mijn cliente u zowel mondeling als schriftelijk bericht dat zij geen prijs meer stelt op uw rechtskundige hulp bij opgemelde zaak.

Tevens heeft zij u gevraagd om uw factuur bij haar in te dienen waarin u gespecificeerd uw tot dan toe verrichte werkzaamheden omschrijft op basis van de gewerkte uren. Na ontvangst van deze factuur zal cliente uw factuur reviewen waarna ik u hierover nader bericht.

Gelet op de financieel precaire situatie waarin het bedrijf zich thans bevindt, vraag ik dringend uw medewerking binnen 8 (acht) dagen na heden de factuur aan mij te willen doen toekomen. Indien de factuur mij niet binnen 8 (acht) dagen na heden heeft bereikt, zal mijn cliente u US$ 1.500,- (…) betalen voor naar schatting 20 gewerkte uren. Daarna is hij u niets meer verschuldigd”.

2.8 Bij schrijven d.d. 20 juni 2017 heeft gedaagde de factuur d.d. 20 juni 2017 met nr. 17.06.333 aan eiseres sub A en diens gemachtigde opgestuurd. In dat schrijven heeft gedaagde onder meer het volgende vermeld:
“(….)
Uw stelling in de eerste alinea van uw schrijven gaat, zoals u zelf behoort te weten, niet op want er is geind, dus het tarief van US$ 75,- per uur is niet van toepassing.

Dat de inning niet door Sewcharan Advocaten is gedaan, doet daar niets aan af. Sewcharan Advocaten heeft wel al de onderhandelingen gevoerd, adviezen gegeven en werkzaamheden verricht die de inning door uw cliente thans mogelijk hebben gemaakt.
(….)
Voor wat betreft het honorarium waarop Sewcharan Advocaten aanspraak maakt, kan op geen enkele wijze en onder geen enkele voorwaarde akkoord gegaan worden met het voorstel van uw cliente ad US$ 1.500,-.
Vaststaat immers dat uw cliente geind heeft en vaststaat ook dat er niet geprocedeerd is. Vaststaat ook dat Sewcharan Advocaten tot aan de tostandkoming van de schikking de overeengekomen diensten correct heeft verleend. Ik doe u hierbij een afschrift toekomen van mijn schrijven d.d. 7 oktober 2013, waaruit de gemaakte prijsafspraak blijkt.
Het als honorarium te hanteren vergoeding, is zoals overeengekomen daarom 5% van het geinde bedrag. Het is Sewcharan Advocaten niet bekend welk bedrag door haar gewezen, thans uw cliente, uiteindelijk is geind.
Wel is het Sewcharan Advocaten bekend dat de zaak geschikt was voor een bedrag van US$ 11.500.000,-. Zoals u weet, heeft uw cliente kort voordat de inning zou plaatsvinden, in ieder geval nadat de deal rond was, zonder reden, de bijstandsverlening door Sewcharan Advocaten opgezegd.

Indien er dus niet een minnelijke settlement wordt bereikt in dezen zal Sewcharan Advocaten genoodzaakt zijn het aan haar toekomende honorarium ad US$ 575.000,- door tussenkomst van de rechter van uw cliente te vorderen. De factuur bestemd voor uw cliente doe ik u hierbij alvast toekomen (bijlage 2). Is er een ander bedrag geind dan de US$ 11.500.000,- waarvoor er was geschikt, dan verneem ik zulks van u, waarna de factuur dienovereenkomstig aangepast zal worden”.

2.9 Per exploot van een deurwarader d.d. 11 juli 2017 is eiseres sub A in gebreke gesteld tot betaling van het bedrag af US$ 575.000,-. Daar de uitbetaling uitbleef heeft gedaagde een vordering ter zake tegen eisers ingesteld in de kort geding zaak bekend onder A.R.No. 17-4395.

2.10 Op 15 februari 2018 heeft de kantonrechter in kort geding vonnis gewezen in de hiervoor vermelde zaak en zijn eisers veroordeeld om aan gedaagde tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van US$ 575.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 16 oktober 2017 en tot betaling van de proceskosten ad SRD 790,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.11 In het hiervoor vermeld vonnis heeft de kantonrechter ter zake het tussen partijen bestaande geschil, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende overwogen:

‘ 4.4.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft eiseres (lees thans gedaagde) voldoende aannemelijk gemaakt dat er een schikking tot stand is gekomen tussen gedaagden en de Staat. Dit blijkt met name uit het onder 4.2 hiervoor omschreven raadsvoorstel van de minister van TCT en voorts uit de brief van de minister van Financien d.d. 3 juli 2007, in welke brief deze minister impliciet aangeeft dat er wel een schikking is bereikt tussen gedaagde sub A en de Staat. Alhoewel de minister van Financien in voormelde brief heeft aangegeven dat de argumenten en werkzaamheden van mr. G. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wing Airlines N.V., acht de kantonrechter dit niet aannemelijk nu genoemde minister eerder niet heeft uitgeweid over de vraag hoe de schikking met gedaagde A dan wel tot stand is gekomen. Dit had wel verwacht mogen worden nu vast staat dat door inspanningen van eiseres er een raadsvoorstel door de minister van TCT is opgemaakt ter zake het bereiken van een schikking tussen gedaagden en de Staat Suriname. Onduidelijk is waarom dit raadsvoorstel niet verder is uitgewerkt – zoals de kantonrechter begrijpt uit het verweer van gedaagden. Het had op de weg van gedaagden gelegen om over deze onduidelijkheid informatie te verschaffen hetgeen zij hebben nagelaten. Het nader bij dupliek gevoerde verweer door gedaagden dat zij hun openstaande rekeningen over de afgelopen 6 jaren betaald hebben gekregen is te laat gevoerd (pas bij dupliek) als gevolg waarvan eiseres zich niet meer heeft kunnen uitlaten. Dit is in strijd met de regels van een goede procesorde.
Bovendien komt dit verweer de kantonrechter ook niet geloofwaardig over. Nu vast staat dat er een schikking tussen gedaagden en de Staat tot stand is gekomen door de minister van TCT en voorts ook vast staat dat gedaagden een financiele uitkering hebben gehad van de Staat (zoals bij dupliek door gedaagden aangevoerd ligt het voor de hand dat de door gedaagden van de Staat ontvangen financiele uitkering is geschied op grond van het raadsvoorstel van de minister van TCT”.

2.12 Eisers hebben hoger beroep aangewend tegen dit vonnis.

2.13 Gedaagde is middels het leggen van beslag reeds gestart met het tenuitvoerleggen van het vonnis. Op basis van het vonnis heeft gedaagde bij exploot van de deurwaarder, L. Tran van Can-Doesburg:

  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-50 – executoriaal beslag doen leggen onder eiseres sub A op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of verschuldigd mochten worden;
  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-51 executoriaal beslag doen leggen op de in het exploit omschreven roerende goederen van eiseres sub A;
  • d.d. 01 maart 2018, no’s Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 executoriaal derdenbeslag gelegd onder respectievelijk:
    • a) de Hakrinbank N.V.
    • b) de Surinaamsche Bank N.V.
    • c) de Finabank N.V.
    • d) Republic Bank (Suriname) N.V.,
    • e) Surichange Bank N.V.
  • d.d. 05 maart 2018 no. Q-48 en Q-49 executoriaal derdenbeslag gelegd onder respectievelijk: de Staat Suriname met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, en de Staat Suriname met name het Ministerie van Financien,
  • op alle gelden, geldswaarden, waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eisers onder zich hebben en/of zullen verkrijgen verschuldigd mochten worden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

a) de schorsing van de executie te gelasten van het vonnis gewezen d.d. 15 februari 2018, bekend onder A.R. No. 17-4395;
b) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-51 onder de in het exploit genoemde roerende goederen;
c) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Doesburg d.d. 01 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 en op 05 maart 2018, bekend onder no. Q-48 en Q-49 gelegd executoriaal derdenbeslag onder de 2.11 genoemde instellingen.
d) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder no. Q-50 gelegd executoriaal derden beslag onder eiseres sub A ten laste van eiser sub B;
e) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te voldoen het bedrag ad US$ 2.160,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per maand, vanaf de dag der indiening tot de dag der algehele voldoening;
f) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

Subsidiar:

a) de schorsing vsn het vonnis te gelasten van het vonnis gewezen d.d. 22 december 2016, bekend onder A.R. No. 16-2737;
b) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-51 onder de in het exploit genoemde roerende goederen;
c) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Doesburg d.d. 01 maart 2018, bekend onder A.R. No. Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 en op 05 maart 2018, bekend onder no. Q-48 en Q-49 gelegd executoriaal derdenbeslag onder de 2.11 genoemde instellingen;
d) de opheffing te gelasten van het door deurwaarder Tran van Can-Doesburg d.d. 07 maart 2018, bekend onder no. Q-50 gelegd executoriaal derden beslag onder eiseres sub A ten laste van eiser sub B;
e) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te voldoen het bedrag ad US$ 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per maand, vanaf de dag der indiening tot de dag der algehele voldoening;
f) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat het vonnis van de kantonrechter d.d. 15 februari 2018 apert onjuist is. Daartoe voeren zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder andere het volgende aan:

  • de overweging van de kantonrechter dat er een schikking zou zijn bereikt is een juridische misslag, omdat het Raadsvoorstel door de Raad van Ministers, de President en Vice president moet worden goedgekeurd. Het Raadsvoorstel is geen schikkingsovereenkomst en daraaan kunnen derden geen rechten ontlenen;
  • eiser sub B heeft in de hoedanigheid van directeur van eiseres sub A aan gedaagde de opdracht verleend. Hij is dus niet persoonlijk aansprakelijk voor de overeenkomsten aangegaan door eiseres sub A en diende gedaagde om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard jegens eiser sub B;
  • eisers hebben geen gelden geïnd van de Staat;
  • het onverwijld tenuitvoerleggen zal tot gevolg hebben dat eiseres sub A haar gehele bedrijfsvoering wordt lamgelegd. Zij heeft een groot arbeidsbestand, waaronder piloten, mecaniciens, administratief medewerkers, laders, lossers etc., wiens loon op het spel komt te zitten;
  • als gevolg van het onrechtmatig gedrag van gedaagde lijden eisers schade, daarin bestaande dat zij genoodzaakt waren een advocaat in de arm te nemen voor juridische bijstand. Deze schade ad US$ 2.160,-, bestaande uit advocaatkosten ad US$ 2.000,- en de omzetbelasting ad 8% over dit bedrag, dient gedaagde aan eisers voldoen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en stelt daartoe dat de stellingen van eisers veel weg hebben van een verkapt appèl. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de de aard van de vordering zelf, in het bijzonder uit het feit dat gedaagde reeds bezig is met de executie van het vonnis dat tussen partijen is gewezen d.d. 15 februari 2018, in de zaak bekend onder A.R. No. 17-4395 en het feit dat gedaagde op vrijdag 23 maart 2018 over zal gaan tot openbare verkoop van de in beslag genomen roerende goederen van eisers, welke openbare verkoop op de eerste dag van de behandeling van de onderhavige zaak door gedaagde met twee weken is aangehouden. Daarom worden eisers in het kort geding ontvangen.

4.2 Zoals de kantonrechter de stellingen van eisers begrijpt, kan de onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 februari 2018 niet worden aanvaard, omdat daarin sprake is van een klaarblijkelijk juridische of feitelijke misslag. Voorts dat de onverwijlde tenuitvoerlegging door gedaagde een noodtoestand aan de zijde van eisers zal doen ontstaan, Hiervan uitgaande, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Naar analogie van de vaste jurisprudentie, waarbij wordt verwezen naar H.R. 22 april 1983, NJ 1984, no. 145 en H.R. 22 december 2006, NJ 2007, no. 173 kan de kantonrechter in kortgeding de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant, in casu gedaagde, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde, in casu eisers, die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (het zogeheten in de jurisprudentie ontwikkelde Ritzen/Hoekstrat-criterium).
Ditzelfde criterium wordt gehanteerd bij opheffing van executoriaal beslag dat als vexatoir of onrechtmatig kan worden aangemerkt.

4.3 Allereerst ligt ter beantwoording de vraag of sprake is van een “ klaarblijkelijk juridische of feitelijke misslag”. Hiervan is pas sprake als de vergissing in het recht of in de feiten zó in het oog springt, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. De stellingen van eisers worden tegen deze achtergrond beoordeeld. De kantonrechter constateert dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat het Raadsvoorstel tot bewijs dient dat een schikking met de Staat is tot stand gekomen en eisers op grond van dit Raadsvoorstel het met de Staat overeengekomen bedrag ad US$ 11.500.00,- daadwerkelijk hebben geïnd. Dit standpunt is in het tussen partijen gewezen vonnis van 15 februari 2018 aangenomen.

Naar het voorlopig oordeel kan een Raadsvoorstel niet tot bewijs dienen dat er een schikking is getroffen. Dit, omdat – zoals eisers terecht hebben betoogd – een Raadsvoorstel niet het karakter draagt van een schikkingsovereenkomst en derden geen rechten daaraan kunnen ontlenen.

Dat het Raadsvoorstel geen schikkingsovereenkomst kan zijn valt bovendien af te leiden uit de inhoud van punt 3 en punt 7 in het bedoelde Raadsvoorstel. Met name staat in punt 3 van het Raadsvoorstel het volgende vermeld: “ Goed te keuren dat aan de Minister van TCT goedkeuring wordt verleend een schikking aan te gaan met BlueWing Airlines Ltd m.b.t. het rechtsgeding Blue Wing Airline Ltd contra de Staat Suriname in casu het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme tot een bedrag van US$ 11.500.00,-,” en in punt 7: “ Na goedkeuring van de RvM zal in contact met Financien worden getreden voor de afhandeling”.

Hieruit valt duidelijk af te leiden dat aan de Minister van TCT geen goedkeuring was verleend om met eiseres sub A een schikking te treffen, omdat eerst goedkeuring moest worden verleend door de Raad van Ministers, hierna afgekort RvM.

Dat de Miniser van TCT goedkeuring van RvM had en heeft verkregen om in onderhandeling met eiseres sub A te treden, is in het onderhavige proces geenszins gesteld en evenmin uit enig ander bescheid gebleken.
Evenmin kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter het schrijven van de Minister van Financien d.d. 3 juli 2017 gericht aan de gemachtigde van eisers tot bewijs dienen dat tussen eiseres sub A en de Staat een schikking is getroffen, omdat dit niet in de brief staat vermeld. In de brief staat onder meer het volgende vermeld: “ Met referte aan uw schrijven van 28 juni 2017 kan ik u berichten dat de argumenten en werkzaamheden van mr. G. Sewcharan op geen enkele wijze hebben geleid tot een schikking tussen de Staat Suriname en Blue Wings Airlines N.V.. De schikking die is bereikt heeft buiten mr. G.Sewcharan plaatsgevonden”.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voor de kantonrechter aannemelijk dat hetgeen onder 4.4.1 in het vonnis van 15 februari 2018 is overwogen op een “klaarblijkelijke feitelijke misslag” berust.

4.4 Wat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ook op een “ klaarblijkelijke feitelijke misslag” in het vonnis berust, is de veroordeling van eiser sub B tot betaling van het in het vonnis vermelde bedrag aan gedaagden, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Uit de tussen partijen gevoerde correspondenties valt zó in het oog op dat gedaagde door eiser sub B in diens hoedanigheid van directeur van eiseres sub A was benaderd om eiseres sub A juridische bijstand te verlenen in het geschil tussen eiseres sub A en de Staat. Duidelijk is dat niet aan eiser sub B juridische bijstand is verleend, doch aan eiseres sub A en zou eiser sub B om die reden niet moeten worden veroordeeld tot betaling. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het vaste jurisprudentie is dat in kort geding een geldvordering slechts voor toewijzing in aanmerking komt, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn terwijl voorts uit onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling – bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, heeft gedaagde naar het oordeel van de kantonrechter geen in redelijkheid te respecteren belang bij de verdere tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 februari 2018, en daarbij voortvloeiend tot handhaving van de opgelegde executoriale beslagen. Dit, omdat voldoende aannemelijk is dat de gelegde executoriale beslagleggingen tot gevolg hebben dat de gehele bedrijfsvoering van eiseres sub A in gevaar dreigt te komen en het onverwijld executeren van de gelden en goederen door gedaagde een noodtoestand aan de zijde van eisers zal doen ontstaan. De noodtoestand zal daarin bestaan dat eiseres sub A van wie voldoende aannemelijk is dat zij een groot arbeidsbestand heeft, in financieel opzicht volledig zal worden lamgelegd.

4.6 Voor de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat eisers als gevolg van de beslagleggingen, van welke beslagleggingen aannemelijk is dat die vexatoir en onrechtmatig zijn, schade hebben geleden. Nu gedaagden de hoogte van de schade niet hebben weersproken, zal zulks worden toegewezen, doch met uitzondering van de mede gevorderde wettelijke rente over de gevorderde schade.

4.7 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 100,- en de kosten voor oproep per exploit van een deurwaarder ad SRD 250,-.

5. De beslissing

5.1 Schorst de executie van het vonnis gewezen d.d. 15 februari 2018, bekend onder A.R. No. 17-4395, totdat daarop in hoger beroep is beslist.

5.2 Heft op het door gedaagde bij exploot van de deurwaarder, L. Van Tran van Can-Doesburg:

  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-51 gelegd executoriaal beslag op het in het exploit omschreven roerende goederen;
  • d.d. 07 maart 2018, no. Q-50 – gelegd executoriaal derdenbeslag onder eiseres sub A op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich heeft en/of zal verkrijgen en/of verschuldigd mocht worden;
  • d.d. 01 maart 2018, no’s Q-43, Q-44, Q-45, Q-46, Q-47 gelegd executoriaal derdenbeslag onder respectievelijk:
    • a) de Hakrinbank N.V.
    • b) de Surinaamsche Bank N.V.
    • c) de Finabank N.V.
    • d) Republic Bank (Suriname) N.V.,
    • e) Surichange Bank N.V., op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of verschuldigd mochten worden;
  • d.d. 05 maart 2018 no. Q-48 en Q-49 gelegd executoriaal derdenbeslag onder respectievelijk: de Staat Suriname met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, en de Staat Suriname met name het Ministerie van Financien, op alle gelden, geldswaarden waardevolle goederen en/of andere emolumenten, welke zij van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen en/of verschuldigd mochten worden;

5.3 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan eisers te voldoen het bedrag as US$ 2.160,- (Tweeduizend Eenhonderd en Zestig Amerikaanse Dollar).

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.2 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot een deze uitspraak begroot op SRD 350,-(Driehonderd en Vijftig SurinaamseDollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 29 maart 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

w.g. D. Ramdin w.g S.M.M. Chu

SRU-K1-2017-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 10-5078
14 november 2017

Vonnis in de zaak van:

[werknemer],
wonende te [district],
eiseres in conventie, verweerder in reconventie,
hierna aangeduid als “de werknemer”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

de Bolivariaanse Republiek Venezuela, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna aangeduid als “de werkgever”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het door de Kantonrechter in het Eerste kanton op 12 mei 2015 in onderhavige procedure gewezen tussenvonnis.

1. Het verder procesverloop

Het verder procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) de conclusie tot overlegging bescheiden zijdens de werkgever, met producties;
b) de conclusie tot uitlating producties zijdens de werknemer.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling
In conventie:

Het primair onder A gevorderde: de betaling van de boete, dan wel verhoging van 50% van het loon over de maanden februari tot en met mei (de kantonrechter begrijpt: 2010), zijnde een bedrag van USD 3.786,00.

2.1 De werkgever heeft in de conclusie van antwoord melding gemaakt van het vonnis in kort geding gewezen op 6 oktober 2011, A.R. no. 105085 en heeft verklaard dat de verhoging ad USD 3.785,00 onverplicht aan de werknemer is betaald.

2.2 De werknemer heeft niet ontkend of betwist dat de door de werkgever aangevoerde betaling heeft plaats gehad, zodat dit tussen partijen in rechte vast staat.
Het primair onder A gevorderde is derhalve niet toewijsbaar.

Het primair onder B gevorderde: betaling van het loon over de maanden juli tot en met november 2010, vermeerderd met de boete dan wel verhoging ex artikel 1614q BW.

2.3 De werknemer heeft gesteld dat de opzegging van de dienstbetrekking aan de werknemer in persoon moet geschieden. Verder is gesteld dat, nu de opzegging aan de procesgemachtigde van de werknemer is gericht en aangeboden, de dienstbetrekking niet rechtsgeldig is opgezegd, zodat de werknemer nog in dienst is van de werkgever en zij aanspraak maakt op tijdige uitbetaling van haar salaris.

2.4 De werkgever heeft in de conclusie van antwoord aangevoerd dat blijkens het bij deze conclusie als productie 6 overgelegd exploot van deurwaarder R. Sontono d.d. 28 januari 2010 de werknemer domicilie heeft gekozen ten kantore van “Schurman advocaten”
De werkgever heeft daarbij geïndiceerd dat niet wettelijk is vereist dat een opzegging in persoon moet geschieden.

2.5 De werknemer heeft hierop in de conclusie van repliek gesteld dat krachtens de wet (art. 1615a BW) een arbeidsovereenkomst strikt persoonlijk is, zodat, nu het een persoonlijke relatie betreft tussen de werkgever en werknemer – en de procesgemachtigde geen partij is bij die overeenkomst – er niet bij de procesgemachtigde kan worden opgezegd, nog minder aan een collega/kantoorgenoot van de procesgemachtigde.
Tevens is gesteld dat het kiezen van domicilie slechts betrof de betaling van de achterstallige honoraria en alles daaromtrent, maar niet de rechtsrelatie tussen werkgever en werknemer. Dit blijkt, aldus de werknemer, uit productie C overgelegd bij het inleidend verzoekschrift.

2.6 De werkgever heeft hierop in de conclusie van dupliek verklaart dat artikel 1615a BW uitsluitend ziet op wie de bedongen arbeid moet verrichten. Tevens is ten aanzien van de gekozen woonplaats verwezen naar artikelen 74 tot en met 77 BW en artikelen 1 en 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Aangevoerd is dat de domicilie keuze vermeld in het onder 2.4 van dit vonnis vermeld exploot algemeen is, zodat de beperking die de werknemer wenst aan te brengen in strijd met de waarheid is.

2.7 De kantonrechter merkt op dat als productie C bij het inleidend verzoekschrift is overgelegd een kwitantie d.d. 8 april 2010 verstrekt door de procesgemachtigde van de werknemer als wettelijk vertegenwoordiger. Deze kwitantie heeft betrekking op de ontvangst van een cheque d.d. 9 maart 2010 behorend tot de betaling van het salaris van de werknemer over de maand februari 2010 en een cheque d.d. 30 maart 2010, behorend tot de betaling van het salaris van de werknemer over de maand maart 2010. Naar dezerzijds oordeel blijkt uit dit bescheid de door de werknemer gestelde beperking van de domiciliekeuze niet.
De kantonrechter constateert dat in hoofde van het exploot van deurwaarder R. Sontono van 28 januari 2010 no. 60, bij welk exploot een schrijven van de procesgemachtigde van de werknemer is betekend aan de werkgever, is vermeld als volgt:
“[werknemer](…) ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 32, bij Schurman Advocaten, voor wie Mr. H.R. SCHURMAN, advocaat, als gemachtigde optreedt”.
De kantonrechter overweegt dat uit voornoemd citaat blijkt dat de werknemer domicilie heeft gekozen aan de Watermolenstraat no 32, bij Schurman Advocaten.
Noch uit betreffend exploot, noch uit het schrijven dat bij betreffend exploot aan de werkgever is betekend blijkt de beperking die thans door de werknemer wordt gesteld.
Nu de schriftelijke opzegging ná 28 januari 2010 is gedaan ten kantore van Schurman Advocaten aan de Watermolenstraat no. 32, is zij naar dezerzijds oordeel rechtsgeldig geschied zodat de dienstbetrekking tussen de werknemer en de werkgever na ommekomst van de opzeggingsperiode is beëindigd. Geconstateerd is dat de werkgever er in de schriftelijke opzegging van 10 februari 2010 heeft verklaard dat de dienstbetrekking zes maanden na 15 februari 2010 eindigt.
Geconcludeerd wordt derhalve dat de dienstbetrekking is beëindigd op 15 augustus 2010, zodat de werknemer aanspraak maakt op het salaris over de maanden juli en de helft van de maand augustus 2010.
Geconstateerd wordt dat bij conclusie van repliek de volgende ten behoeve van de werknemer uitgeschreven cheques d.d. 23 augustus 2010 zijn overgelegd:

1. Chequenummer 125-9246 voor USD 1.893,00
2. Chequenummer 125-9247 voor USD 1.893,00
3. Chequenummer 125-9248 voor USD 3.726,00
4. Chequenummer 125-9249 voor USD 931,50.

Niet in het geding is dat het salaris over de maanden april mei en juni 2010 is voldaan op 28 juni 2010. De kantonrechter concludeert derhalve dat het salaris over de maanden juli en augustus is voldaan op 23 augustus 2010.
De werkgever is de werkgever derhalve geen salaris meer verschuldigd, zodat het primair onder B gevorderde niet toewijsbaar wordt geacht.

Het primair onder C, D en E gevorderde: betaling van het loon vanaf juli tot en met november 2010, vermeerderd met de boete dan wel verhoging ex artikel 1614q BW, de werknemer gelasten de werknemer in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te kunnen hervatten en de werkgever veroordelen in de kosten van het geding.

2.8 Gelijk hiervoor onder 2.7 is overwogen is het salaris over de maanden juli en augustus 2010 reeds aan de werknemer uitgekeerd. Nu de werkrelatie tussen partijen in augustus 2010 is beëindigd maakt de werknemer geen aanspraak op loon vanaf de maand augustus 2010. Ook de gevorderde hervatting van de werkzaamheden wordt niet toewijsbaar geacht.
Nu geen veroordeling van de werkgever zal worden gegeven, is voor haar veroordeling in de kosten van het geding geen plaats.

Het subsidiair gevorderde: schadevergoeding ad USD 136.296,00 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar

2.9 Gesteld is dat door de werkgever als ontslagreden is opgegeven “geschonden vertrouwen waardoor van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht de dienstbetrekking te laten voortduren”, waarbij de werknemer het verwijt is gemaakt dat zij:

a. zonder afstemming met de ambassadeleiding een blanco blad met brievenhoofd van de ambassade en voorzien van een stempel verzonden heeft naar de ambassadeur die is teruggeroepen;
b. gevoelige informatie die de diplomatieke betrekkingen tussen Suriname en Venezuela zouden kunnen schaden, onrechtmatig verstuurd heeft naar de media, oppositionele partijen en de teruggeroepen ambassadeur.
Verder is gesteld dat de werknemer heeft ontkend zich te hebben schuldig gemaakt aan het verzenden van de onder b genoemde gevoelige informatie.
De werknemer heeft erkend een blanco brievenhoofd van de ambassade, voorzien van een stempel te hebben gezonden aan een ambassadeur en heeft aangevoerd dat zulks niet onrechtmatig is geschied aangezien het haar niet bekend was dat hij was terug geroepen.
Door de werknemer is gesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat:

  1. zij 59 jaar oud is en zij op haar 65e jaar met pensioen zou gaan; de werkgever heeft geen adequate voorzieningen voor haar getroffen;
  2. zij is ontslagen na 31 jaar trouwe dienst en haar werk over het algemeen naar volle tevredenheid heeft verricht;
  3. de kans dat de werknemer een andere dienstbetrekking zal kunnen bemachtigen vrij miniem is;
  4. het ontslag desastreuze gevolgen heeft voor de werknemer: zij is een alleenstaande vrouw die in haar eigen levensonderhoud moet voorzien en heeft maandelijkse vaste lasten en verplichtingen welke zij zal dienen te voldoen.

Gesteld is dat afgewogen tegen de aard en de ernst van de handelingen die zij heeft gepleegd, terwijl zij in de veronderstelling leefde de mail te hebben verzonden aan een nog aanzittende ambassadeur, het nadeel van de werknemer onevenredig groot is.
Tenslotte is gesteld dat de werkgever zich niet heeft gehouden aan de wettelijke eis van goed werkgeverschap (artikel 1614ij BW): de werkgever moest erop toezien dat de toe te passen disciplinaire maatregen in evenredigheid was met de ernst van het verwijt aan de werknemer. De maatregel van ontslag diende pas genomen te worden als de andere disciplinaire maatregelen geen soelaas boden.

2.10 De werkgever heeft in reactie hierop erkend dat de werknemer als executive secretary in dienst was en heeft verklaard dat alle vertrouwelijke en geheime correspondentie van de Ambassade in Suriname hetzij eerst bij de werknemer in handen komen, hetzij vanaf de voorbereiding tot de expeditie onder de werknemer berusten.
De werkgever heeft betwist dat de werknemer er niet van op de hoogte was dat de ambassadeur was teruggeroepen, aanvoerende dat de fax van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Venezuela d.d. 24 april 2009 betreffende de nota inhoudende dat [naam] met ingang van 23 april 2009 als tijdelijk zaakwaarnemer van de diplomatieke missie in Suriname zou fungeren, het eerst in handen van de werknemer is gekomen.
Daarnaast is aangevoerd dat de werknemer voormelde nota, na kennisneming en instructie van de zaakgelastigde, administratief heeft afgehandeld met het Ministerie van Buitenlandse Zaken hier te lande, alsook dat het bericht betreffende de tijdelijke zaakwaarnemer ter kennis is gebracht van het personeel, inclusief de werknemer.

2.11 De kantonrechter constateert dat de werknemer het onder 2.10 weergegeven verweer niet heeft bestreden. Hierdoor is tussen partijen komen vast te staan dat de werknemer, wetende dat de ambassadeur was teruggeroepen, een blanco brievenhoofd van de ambassade voorzien van een stempel aan hem heeft gezonden.
Zulks is naar het oordeel van de kantonrechter een zeer ernstig vergrijp, hetgeen voor de werknemer, mede gezien haar lange dienstverband, eveneens duidelijk moet zijn geweest.
Nu de werknemer zich daardoor niet heeft laten weerhouden, is het aan haar verleend ontslag naar dezerzijds oordeel een passende maatregel, zodat van een kennelijk onredelijk ontslag geen sprake is. Het subsidiair gevorderde wordt dan ook niet toewijsbaar geacht.

2.12 De werknemer zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

In reconventie:
2.13 De kantonrechter constateert dat in de procedure bekend onder A.R. no. 105085 de werknemer onder meer heeft gevorderd dat de werkgever ertoe wordt veroordeeld de boete van 50% ex artikel 1614q BW vanwege vertraging in de betaling van het loon over de maanden februari tot en met mei 2010 ad USD 3.786,00 te betalen, welke vordering bij vonnis van 6 oktober 2011 is toegewezen. Voornoemd vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Nu de werkgever zich op het standpunt heeft gesteld dat zij het op de verhoging wegens vertraging in de betaling van het loon over de maanden februari tot en met mei 2010 onverplicht heeft betaald, gaat de kantonrechter ervan uit dat de betaling daarvan niet vrijwillig, doch ter nakoming van het vonnis van 6 oktober 2011, A.R. 105085 is geschied, zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.

2.14 De werkgever, zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:
3.1 Wijst het primair en subsidiair gevorderde af.

3.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie:
3.3 Wijst de vordering af.

3.4 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 14 november 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.