SRU-HvJ-2018-55

Vonnisnummer: 61/2018
Parketnummer: 01-03-13725
Uitspraak: 24 oktober 2018
VERSTEK

APPELSTRAFKAMER
Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 18 november 2011 en uitgesproken tegen de verdachte:

[naam 1], geboren op [geboorte datum] in [land], wonende aan de [straat 1] te [district], security handlanger van beroep, thans in vrijheid gesteld.
Verdachte is niet verschenen, maar wordt bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.A.H. Pick.

Ontvankelijkheid appel
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 22 november 2011 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de verdachte op 02 december 2011 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 18 november 2011 onder aanvulling van de aangehaalde bewijsmiddelen zal bevestigen.

De verdediging heeft:
Bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 18 november 2011 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder I (het medeplegen van moord) ten laste gelegde vrijgesproken en terzake van het onder II ( het medeplegen van opzettelijk zaken bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of wegmaken voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 252 lid 1 jo artikel 72 WvSr) ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar en 6 (zes) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.

Nadere overwegingen omtrent het bewijs:
Het hof overweegt naar aanleiding van het door de verdediging gestelde dat de in de [kreek] aangetroffen motorfiets waarmee de schutter de moord zou hebben gepleegd, niet aan de verdachte kan worden gelinkt, als volgt:
Het hof slaat acht op de verklaring van de getuige [getuige] waarbij hij -onder meer- heeft verklaard dat [verdachte] (zijnde verdachte [naam 1]) hem tegen eind december had gevraagd of hij iemand kende die een man wilde vermoorden en dat hij, [naam 1], hem was komen halen aan de [straat 2] en daarbij een Via 2000 had meegenomen, omdat hij een motorfiets die daarin was geadverteerd wilde kopen. Voorts dat hij, [getuige] de motorfiets op zijn naam moest zetten en dat het [naam 1] is geweest die met de motorfiets is weggereden en op een ander moment bij het zien van de bedoelde motorfiets onder een afdakje bij [naam 2] en [naam 3] op vragen van [getuige] aan die [getuige] te kennen had gegeven: “a mang moes doe wang wroko gie mie” en dat hij het later zou vertellen. Tevens slaat het hof acht op de verklaring van [naam 4] die -onder meer- heeft aangegeven dat hij de opdracht tot het demonteren van de motorfiets had gekregen van [getuige] en dat die op zijn beurt hiertoe de opdracht had gekregen van [naam 1] alsmede de verklaringen van [naam 5] en [naam 6] die [naam 1] positief hebben aangewezen als te zijn de persoon die zij in hun verklaring hebben bedoeld als de blanke manspersoon die samen met [naam 2] de motorfiets voor reparatie had gebracht. Eveneens neemt het hof in ogenschouw de omstandigheid dat voornoemde [naam 5] daartoe in de gelegenheid gesteld om de deels gesloopte motorfiets eventueel te herkennen, deze in één oogopslag had herkend als te zijn de motorfiets van het merk Suzuki Hayabuza die door [naam 2] en de blanke man ([naam 1]) bij hem was gebracht voor reparatie, en voorts de omstandigheid dat na onderzoek is gebleken dat het chassisnummer van de verkochte motorfiets overeenkwam met het chassisnummer van de motorfiets welke was gedumpt in de [kreek]. Op grond van al het voorgaande kan door het hof niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte voornoemd zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten; immers leveren deze bewijsmiddelen in elkaars verband en samenhang beschouwd wel het wettig en overtuigend bewijs voor het hof op dat het de verdachte is geweest die bedoelde motorfiets welke bestemd was om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en weggemaakt zoals voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 252 lid 1 jo artikel 72 WvSr.
Evenals de kantonrechter en de vervolging komt het hof daarom tot het bewijs dat de verdachte zich wel heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder II van de tenlastelegging wordt verweten en is de verdachte in de visie van het hof terecht daarvoor veroordeeld door de kantonrechter.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton op 18 november 2011 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte waarvan beroep.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend-President;
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden;
bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier,
en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 24 oktober 2018.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. M.C. Mettendaf

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2017-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 09-4497
10 januari 2017

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

Texaco Caribbean Incorporated, thans geheten
Chevron Caribbean Incorporated, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: thans mr. H.R. Lim A Po, Jr.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

a) het verzoekschrift dat op 15 oktober 2009 met producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
b) de mondelinge conclusie van eis;
c) de conclusie van antwoord;
d) de conclusie van repliek, met producties;
e) de conclusie van dupliek;
f) het bij rolbeschikking gelasten van een comparitie van partijen;
g) het proces-verbaal van de op 20 januari 2014 gehouden comparitie van partijen;
h) de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens eiser;
i) de conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens gedaagde.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bij vervroeging nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser heeft in een schrijven d.d. 22 januari 2001 aan de Directeur van Texaco te kennen gegeven dat hij al jaren erg veel last heeft van verwerkte smeerolie afkomstig van het Texaco Service Station aan de [weg], dat toentertijd werd beheerd door dealer [naam]. In dit schrijven is tevens vermeld waar de last uit bestaat:

  • verwerkte olie kwam via het riool naar boven en is op het gehele erf terecht gekomen;
  • uit het washok, de badkamers en de toilettenafvoer kwam een sterke olie stank, alsook olie;
  • het erf is verzadigd geraakt waardoor er niets meer groeit en de bestaande beplanting is verdord;
  • de verflaag van de omrastering is door de olie op een bepaalde hoogte weggevreten.

Eiser heeft in dit schrijven verklaard dat de herstelkosten US$ 16.093,18 bedragen.

2.2 Eiser heeft bij schrijven d.d. 26 maart 2001 gericht aan de Directeur van Texaco wederom aandacht gevraagd voor de onderhavige kwestie.

2.3 Bij schrijven d.d. 30 maart 2001 heeft de vice president van Texaco Caribbean Inc. eiser doen weten dat het management van Texaco bereid is tot het betalen van het door hem gevorderd bedrag ad US$ 16.095,00 mits alle leden van het gezin een zogeheten “release” ondertekenen. Eiser is bij dit schrijven ook meegedeeld dat mr. F. Kruisland, juridisch adviseur van het bedrijf, is geïnstrueerd om de “release” te concipiëren en daarover in contact te treden met eiser.

2.4 Mr. F. Kruisland heeft een schrijven d.d. 19 april 2001 gericht aan eiser bij welk schrijven hij eiser een Nederlandse versie van een vaststellingsovereenkomst en schikking heeft doen toekomen met het verzoek die te ondertekenen. In dit schrijven is aan eiser meegedeeld dat de voor hem bestemde cheque voor het in de overeenkomst vermeld bedrag te zijner beschikking is op het kantoor van mr. Kruisland.

2.5 De procesgemachtigde van eiser heeft een schrijven d.d. 2 oktober 2001 gericht aan mr. F. Kruisland, advocaat, in welk schrijven er melding van is gemaakt dat eiser bereid is het door de Texaco aangeboden bedrag ad US$ 16.095,00 voor de materiële schade te ontvangen.
In voornoemd schrijven is er melding van gemaakt dat middels voornoemd bedrag de schade die eiser lijdt als gevolg van de wateroverlast met daarin vermengd de olie die door gedaagde gedurende zekere tijd in de riolering is geloosd, niet is teniet gedaan.
In dit schrijven is tevens verklaard dat zijns inziens ten aanzien van de kwantificering van de vergoeding van de immateriële schade geleden door eiser en zijn gezin overeenstemming moet worden bereikt.

2.6 In een taxatierapport d.d. 1 september 2009, opgesteld door A. Ajodhia, beëdigd makelaar-taxateur, is verklaard dat de vrijwillige verkoopwaarde van het pand inclusief perceelland op in voormeld taxatierapport aangegeven gronden, is gesteld op US$ 567.050.
Tevens is door hem verklaard dat, gelet op de negatieve consequenties die veroorzaakt is door een ondergrondse olielekkage van een pompstation, kan worden gesteld dat er een waardevermindering ontstaat die ongeveer 30% bedraagt over de economische waarde bij de momentopname, derhalve bedragend US$ 170.115.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht te verklaren dat gedaagde zich jegens eiser onrechtmatig heeft gedragen;
B. gedaagde te veroordelen tot betaling van:

  • US$ 16.095,00, zijnde de reeds vastgestelde kosten ter beperking van de geleden schade;
  • US$ 170.115,00 zijnde de geleden materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, te rekenen van de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening;
  • US$ 3.000.000,00 zijnde de geleden immateriële schade, althans een door de kantonrechter te bepalen redelijk bedrag;
  • US$ 5.000,00 voor iedere dag of keer dat gedaagde weigeren mocht aan het veroordeelde onder B gevorderde te voldoen.

C. eiser te gunnen te mogen procederen volgens het certificaat van onvermogen B.v.R. [nummer 1].

3.2 Eiser heeft, zakelijk weergegeven, het navolgende aan de vordering ten grondslag gelegd.
Eiser heeft gesteld dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld doordat brandstof en olieproducten afkomstig van gedaagde, althans van een onder het beheer van gedaagde zijnd service station, de grond van eiser heeft vervuild en verontreinigd.
Eiser heeft als gevolg van de onrechtmatige daad van gedaagde schade geleden. Gedaagde is gehouden de schade te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd.
De kantonrechter komt, indien nodig, in de beoordeling terug op het verweer.

4. De beoordeling

4.1 Eiser heeft als productie bij zijn verzoekschrift gevoegd een certificaat van onvermogen [nummer 1] afkomstig van het Hoofd van het Bureau Rechtszorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Hem zal derhalve toestemming worden verleend kosteloos te procederen.

4.2.1 Gedaagde heeft allereerst aangevoerd dat het exploot van oproeping nietig is, aangezien zij niet te Paramaribo is gevestigd.

4.2.2 Overwogen wordt dat, ook indien het exploot nietig zou zijn, het beroep daarop ingevolge artikel 93 van het Burgerlijk Wetboek zal worden verworpen, aangezien gedaagde ter terechtzitting is verschenen en er derhalve naar dezerzijds oordeel geen onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de identiteit van gedaagde. Gedaagde heeft daarnaast, ter terechtzitting verschenen zijnde, de gelegenheid gekregen zich ten aanzien van de vordering te verweren, zodat zij niet in haar verdediging is geschaad.

4.3.1 Gedaagde heeft in de conclusie van antwoord als verweer aangevoerd dat eiser in het inleidend rekest niet heeft vermeld waar het door hem bedoeld servicestation is gesitueerd, zodat gedaagde in haar verdediging ernstig is geschaad.

4.3.2 De kantonrechter gaat aan dit verweer van gedaagde voorbij. Uit de tussen eiser en gedaagde gevoerde correspondentie alsook uit het door gedaagde aan eiser aangeboden vaststellingsovereenkomst – welke stukken bij het inleidend verzoekschrift als productie zijn overgelegd – blijkt immers dat het betreft het service station gelegen aan de [weg] [nummer 2].

4.4.1 Gedaagde heeft verder als verweer aangevoerd dat zij het betreffend service station sedert 1 februari 1994 heeft verhuurd en in exploitatie gegeven aan [naam] die conform de met hem gesloten huur- en exploitatieovereenkomst verantwoordelijk en aansprakelijk is voor alle gedragingen ten opzichte van en ten aanzien van derden, welke in of vanuit dat service station zouden hebben plaatsgehad. Aangevoerd is dat gedaagde niet aansprakelijk is.

4.4.2 Allereerst wordt geconstateerd wordt dat, gelijk onder de feiten is vermeld, gedaagde zich bereid heeft verklaard de kosten voor herstel aan eiser te vergoeden. Daarnaast wordt geconstateerd dat de eiser heeft gesteld dat de door hem ondervonden last een periode van bijkans dertig jaar bestrijkt, welke periode langer is dan die waarin gedaagde een overeenkomst zou hebben met genoemde exploitant.
Daarnaast wordt geconstateerd dat gedaagde ter comparitie heeft verklaard dat de schade aan de buurtgenoten in onderling overleg is vergoed. Zulks leidt tot de conclusie dat het onder deze omstandigheden onrechtmatig is de door eiser geleden schade niet te vergoeden. Immers, eiser maakt er in zijn schrijven d.d. 22 januari 2001 melding van dat meerdere kolkenzuigers vol olie uit het rioleringssysteem zijn getrokken, alsook dat de aan hem toebehorende grond verzadigd is met olie dan wel olieproducten.
Gedaagde heeft het door eiser gestelde ontkend en betwist, doch heeft dit zonder enige motivering gedaan, zodat daaraan wordt voorbij gegaan.
Overwogen wordt tevens dat bekend moge worden verondersteld dat voor het doen verzadigen van de grond vereist is dat een grote hoeveelheid van de vloeistof in de grond terecht is gekomen. Nu het service station van gedaagde zich in de zeer nabij omgeving van de woning van eiser bevindt, en het een feit is van algemene bekendheid dat service stations grote hoeveelheden olie en olieproducten opslaan, meestal ondergronds, concludeert de kantonrechter dat de olie(producten) die op het terrein van eiser zijn terechtgekomen afkomstig zijn van het aan gedaagde toebehorend service station.
Naar dezerzijds oordeel is gedaagde dan ook gehouden de door eiser geleden schade te vergoeden.

4.5 Gedaagde heeft de door eiser gestelde materiële schade niet gemotiveerd betwist, zodat het ten aanzien daarvan gevorderd bedrag ad US$ 16.095,00 zal worden toegewezen.

4.6.1 Gedaagde heeft ten aanzien van de door eiser gestelde waardedaling van het pand inclusief perceel aangevoerd dat het door eiser overgelegd deskundigenrapport totaal ondeugdelijk is vanwege het feit dat de opsteller daarvan als makelaar in onroerend goed niet de minste notie heeft van vruchtbaarheid van de grond, een bodemstructuur, grondverzakking, brandrisico, benzinegeuren en de aard van rioleringen; de opsteller heeft zulks evenwel gebruikt als parameters voor de verstrekking van de waardedaling.

4.6.2 Overwogen word dat het een feit van algemene bekendheid is dat de aanwezigheid van olie en olieproducten een verhoogd brandrisico met zich meebrengt, alsook dat de aanwezigheid van grote hoeveelheden vloeistof in de grond een invloed heeft op de structuur van de bodem en een gevaar in zich draagt voor het ontstaan van verzakkingen in de grond. Het behoeft geen betoog dat zulks de waarde van het onroerend goed doet dalen. Nu de opsteller van het rapport deze factoren heeft meegenomen in de bepaling van de waardevermindering van het aan eiser toebehorend goed, is zulks naar dezerzijds oordeel terecht geschiedt. Het door de taxateur vastgestelde percentage wordt redelijk geacht, zodat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van US$ 170.115,00.
Ten aanzien van de over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt overwogen dat de wettelijke rente een vergoeding is van de schade ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom. Nu gedaagde eerst bij de uitspraak van dit vonnis het gevorderd bedrag verschuldigd wordt, is van een vertraging in de betaling vooralsnog geen sprake, zodat de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar wordt geacht.

4.7 De kantonrechter constateert dat eiser de vordering aan immateriële schade heeft gemotiveerd door te stellen dat hij door de geur van de olie(producten) levensvreugde heeft gederfd en de gezondheid van de gezinsleden nadelig is beïnvloed.
Naar dezerzijds oordeel is zulks onvoldoende om het aan immateriële schade gevorderd bedrag te kunnen dragen, zodat dit deel van de vordering niet toewijsbaar wordt geacht.

4.8 Gelet op het onder 4.5 en 4.6 overwogene zal gedaagde worden veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag ad US$ 186.210,00 (US$ 16.095,00 + US$ 170.115,00). Ten aanzien van de gevorderde dwangsom wordt overwogen dat zulks gelet op artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet toewijsbaar is nu de veroordeling betreft de betaling van een geldsom.

4.9 Gedaagde zal, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Staat eiser toe kosteloos te procederen.

5.2 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de totaalsom ad US$ 186.210,00 (eenhonderd zesentachtigduizend tweehonderd en tien Noord-Amerikaanse dollar).

5.3 Verklaart het onder 5.2 van dit vonnis bepaalde uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 135.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Jensen en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 10 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-HvJ-1970-2

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 4 dec. 1970.
[appellant], wonende in [district], appellant, adv. Mr. E.J. Bruma,

TEGEN:

  1. [geintimeerde 1], in privé en tot bijstand van zijn echtgenote, [geintimeerde 2],
  2. [geintimeerde 2], echtgenote van [geintimeerde 1], beiden wonende in [district], geintimeerden, adv. Mr. H.R. Lim A Po.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :

O., dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

dat verzoeker sub 1 en verzoekster sub 2 op 18 juli 1948 in het ressort Ni/BM in [district] zijn gehuwd en uit dit huwelijk is geboren in [district] op 18 juli 1948 een zoon, [naam];

dat deze zoon van verzoekers, [naam], op [datum] in [district] door de schuld en onvoorzichtigheid van gerekestreerde [appellant] ernstige verwondingen heeft opgelopen en op 6 oktober d.a.v. ten gevolge van deze verwondingen is overleden, hebbende e.e.a., zich voorgedaan op de wijze en onder de omstandigheden zoals vermeld in het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton dd. 5 december 1967, waarbij gerekestreerde terzake strafrechtelijk is veroordeeld wegens het aan zijn schuld te wijten zijn van de dood van [naam] voornoemd en van welk vonnis hierbij in fotocopy een afschrift wordt overgelegd met verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;

dat het slachtoffer [naam] ten tijde van het ongeval als chauffeur-dragline operator een inkomen genoot van Sf 6.— per dag en hieruit aan verzoeker sub 1 en aan verzoekster sub 2 wekelijks voor hun levensonderhoud elk een bedrag van Sf 10.— verstrekte, welke bedragen verzoekers, die thans respektievelijk 40 en 33 jaren oud zijn, wellicht gedurende hun gehele verdere leven van het slachtoffer zouden hebben ontvangen, doch thans moeten ontberen;

dat verzoekers behoeftig zijn, slechts zeer geringe eigen inkomsten hebben en derhalve gerechtigd zijn van gerekestreerde schadevergoeding te vorderen;

dat verzoekers de voorkeur geven aan uitkeringen ineens en deze dienen te worden gesteld voor verzoeker sub 1 op Sf 11.465.— en voor verzoekster sub 2 op Sf 12.700.—, zijnde de bedragen waartegen een op het gebied van de levensverzekering werkzame onderneming bereid is de voldoening van Sf 10.— per week tijdens het verdere leven van verzoekers, voor haar rekening te nemen;

dat verzoekers ondanks herhaalde aanmaning, in der minne geen betaling van voormelde bedragen van gerekestreerde kunnen bekomen, zodat zij gerechtigd zijn deze in rechten te vorderen; enz.

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gerekestreerde zal worden veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijke kwijting te betalen aan verzoeker sub 1 de som van Sf 11.465.— en aan verzoekster sub 2 de som van Sf 12.700.— met de wettelijke interessen over deze bedragen ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang — 13 februari 1968 — tot aan die der voldoening; enz.

O., dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord heeft gezegd:

dat de gedaagde het in het derde ,,dat” gestelde erkent;

dat hij bij gebrek aan wetenschap ontkent hetgeen de eisers in hun vierde „dat” hebben gesteld, maar er op wijzen wil, dat een vorderingsrecht toekomt aan degenen, die door het slachtoffer onderhouden werden, hetgeen zelfs als de door eisers gestelde feiten juist zouden zijn in dit geval niet kan worden gezegd van eisers;

dat het bedrag dat volgens hun eigen opgave aan de verzoekers werd gegeven zich tot hetgeen zij voor hun onderhoud nodig hebben op zodanige wijze verhoudt, dat er geen sprake van kan zijn, dat het slachtoffer beschouwd kan worden als degene, die voor hun onderhoud zorg droeg;

dat in ieder geval ten aanzien van eiseres sub 2 dit niet gezegd kan worden nu zij ten laste komt van haar echtgenoot;

dat derhalve op deze grond de vordering van eisers moet worden afgewezen, daar de Wet een vorderingsrecht in dit geval aan hen niet heeft gegeven;

dat voorts de vordering niet kan worden ontvangen nu de eisers ten aanzien van het door hen gevorderde bedrag dermate summiere gegevens hebben verstrekt, dat het de gedaagde niet mogelijk is te beoordelen op welke wijze zij tot dit bedrag zijn gekomen;

dat immers de opgave dat een levensverzekeringsmaatschappij bereid zou zijn tegen dit bedrag de uitkeringen te doen nimmer als een adequate opgave kan gelden van de eventueel geleden schade en de gedaagde dan ook ontkent dat hetgeen over de verzekeringsmaatschappij gesteld is juist is;

dat de eisers behoorlijke berekeningen hadden moeten overleggen; enz.

O., dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd tot afwijzing, althans niet ontvankelijk verklaring van de vordering, kosten rechtens; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 13 december 1968 een comparitie van partijen heeft gelast, waarna eisers in persoon ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte — als hier ingevoegd te beschouwen — proces-verbaal staat gerelateerd; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 3 december 1969 gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser sub 1 tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf 11.465.— (ELF DUIZEND VIERHONDERD EN VIJF EN ZESTIG GULDEN) en aan eiseres sub 2 de som van Sf 12.700.— (TWAALF DUIZEND EN ZEVENHONDERD GULDEN) met de rente over deze bedragen ad 6% ’s jaars vanaf 13 februari 1968 tot aan de dag der voldoening; enz.

O., dat [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis dd. 3 december 1969; enz.

O., dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

O., dat als onweersproken rechtens vaststaat, dat in oktober 1967 de zoon van geintimeerden, [naam], tengevolge van een door appellant gepleegde onrechtmatige daad het leven heeft verloren;

O., dat appellant tegen de op artikel 1391 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek gebaseerde vordering van geintimeerden tot schadevergoeding als verweer heeft aangevoerd, dat er geen sprake van was dat het slachtoffer [naam] beschouwd kon worden als degene die voor het levensonderhoud van geintimeerden zorg droeg;

O., dat het Hof bij het bespreken van dit verweer voorop wil stellen, dat in de gevallen bedoeld in artikel 1391 van genoemd wetboek weliswaar aan de daar genoemde personen een recht wordt toegekend op vergoeding van schade, die zij lijden door het derven van levensonderhoud tengevolge van de dood van degene, door wiens arbeid zij werden onderhouden, maar dat dit recht in dier voege is beperkt, dat vergoeding van de hierboven bedoelde schade niet kan worden gevorderd voor zover en voor zolang de nabestaanden, gezien hun financiële omstandigheden en de stand waarin zij leven, ondanks deze schade als niet-behoeftig zijn aan te merken (H.R. 19 juni 1970, N.J. 1970 nr. 380);

O., dat de in [district] wonende geintimeerden, die blijkens het inleidende rekest ten tijde van voormelde onrechtmatige daad respektievelijk 40 en 33 jaar oud waren, volgens hun mededelingen ter comparitie van partijen in persoon in eerste aanleg zelfstandige landbouwers zijn, die op hun perceel ter grootte van 2 ha., hetwelk zij geheel beplanten, rijst en groenten verbouwen; dat zij op dat perceel een houten huis ter waarde van ƒ 2000.— hebben staan en zij voorts twee kalveren en een tiental kippen bezitten;

O., dat geintimeerden mitsdien zijn landbouwers in de kracht van hun leven, die — nu het tegendeel niet blijkt — in dezelfde omstandigheden verkeren als de kleine landbouwers in [district] in het algemeen en niet geacht kunnen worden geldelijke steun van hun zoon te behoeven om overeenkomstig hun stand te kunnen leven;

O., dat bovendien bij pleidooi in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer [naam] met geintimeerden samenwoonde en uit het door hem aan hen wekelijks verstrekte bedrag werd onderhouden, zodat hoogstens een — niet nader aangegeven — deel daarvan aan geïntimeerden ten goede kwam;

O., dat appellants voormelde verweer mitsdien is gegrond, weshalve de vordering van geintimeerden behoort te worden ontzegd en het beroepen vonnis moet worden vernietigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Derde Kanton op 3 december 1969 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Ontzegt de oorspronkelijke vordering van geintimeerden; enz.

SRU-HvJ-1969-2

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 21 maart 1969.

[naam 1], zo in privé als in hoedanigheid van vader uitoefenende de ouderlijke macht over zijn minderjarige zoon [appellant], wonende te [district], appellant, adv. H.J. Kensenhuys,

TEGEN:

A. [geintimeerde 1].
B. [geintimeerde 2], tot machtiging en bijstand van zijn echtgenote sub A, wonende te [district], geintimeerden, adv. Mr. H.R. Lim A Po.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
O., dat [naam], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij
O. dat verweerster sub A, [geintimeerde 1] moeder-voogdes is over het door haar erkend minderjarig kind [naam 2], geboren te [district] op [geboorte datum], blijkens hierbij overgelegd uittreksel van de Burgerlijke Stand;
dat dit kind [naam 2], over wie verweerster sub A de voogdij uitoefent en dat bij haar inwoont op of omstreeks 12 april 1966 te [district] een elastiek heeft gebruikt om daarmee een spijker af te schieten op het rechteroog van verzoekers zoon, [appellant] die daardoor aan het rechteroog werd geraakt, tengevolge waarvan bedoeld oog door de oogarts moest worden verwijderd, blijkens diens hierbij overgelegde medische verklaring;
dat voormelde handeling van [naam 2], de zoon van verweerster sub A is een onrechtmatige daad, gepleegd tegen [appellant], de zoon van verzoeker;
dat zoals voorschreven [appellant] voornoemd door de schuld van [naam 2] voornoemd zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, althans voormelde onrechtmatige daad door de schuld van [naam 2] is veroorzaakt;
dat verweerster sub A als voogdes van [naam 2] aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door de minderjarige [naam 2], die bij haar ten tijde van het voorval inwoonde en over wie zij de voogdij uitoefende en nog steeds uitoefent;
dat toch verweerster sub A voornoemde destijds veertienjarige zoon zonder toezicht op de bewuste dag van het voorval thuis heeft achtergelaten in ledigheid en moest hebben voorzien dat onder die omstandigheden haar zoon allerlei kattekwaad zou kunnen uithalen of zelfs onheil stichten;
dat tengevolge van voorschreven onrechtmatige daad zoals gezegd het rechteroog van verzoekers zoon moest worden verwijderd en deze dus schade heeft geleden;
dat [appellant], verzoekers zoon, voor zijn verdere leven het rechteroog zal missen en daarmede niet zal kunnen zien;
dat het gemis van het rechteroog teweeg brengt levenslange invaliditeit voor [appellant], terwijl deze thans een kunstoog heeft, dat zijn gezicht misvormt;
dat er uit het voorgaande voor [appellant] naast geleden pijnen, grote smart en gederfde levensvreugde is ontstaan en dit zal voort duren tot zijn dood;
dat tengevolge van voorschreven onrechtmatige daad van [naam 2] jegens [appellant] deze grote schade heeft geleden en gedurende zijn hele leven nog zal lijden;
dat de schade welke verzoeker heeft geleden alsvolgt is te specificeren: enz.
O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR: verweerders zullen worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen de som van EEN EN VIJFTIG DUIZEND EENHONDERD ZES EN NEGENTIG 50/100 GULDEN met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot en met de dag van voldoening;

SUBSIDIAIR: om aan verzoeker te betalen zoveel minder als de Rechter in goede Justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens;
O., dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord hebben gezegd:
dat gedaagden niet ontkennen hetgeen de eiser gesteld heeft in het 2e t/m het 5e „dat” van de conclusie van eis;
dat gedaagden de overige posita van de eiser ontkennen, voor zover zij die hier onder niet woordelijk hebben erkend;
dat gedaagde sub A erkent dat de ten processe bedoelde minderjarige [naam 2] ten tijde van het ongeval ruim 14 jaar oud was en bij haar inwoonde, doch ontkent aansprakelijk te zijn voor de schade veroorzaakt door [naam 2], omdat zij de onrechtmatige daad niet heeft kunnen beletten;
dat gedaagde sub A ontkent, dat uit het enkele feit dat zij haar ruim 14 jarige zoon [naam 2] in de woning heeft achtergelaten zonder meer voortvloeit dat zij moest hebben voorzien dat onder die omstandigheden haar zoon allerlei kattekwaad zou kunnen uithalen;
dat [naam 2] een rustige en kalme jongen is en een zachtaardig karakter heeft; dat uit geen enkele stelling van de eiser blijkt, dat deze jongen een baldadig karakter heeft en op grond hiervan speciaal toezicht behoefde;
dat het in Suriname en zeker in de omgeving waar [naam 2] woont normaal is, dat kinderen van ruim 14 jaar voor kortere of langere tijd alleen worden achtergelaten, doch hieruit vloeit geenszins voort, gezien de normale eisen van het dagelijkse leven, gebrek aan toezicht van de zijde van de ouders of voogden, in casu van gedaagde sub A;
dat gedaagde sub A de onrechtmatige daad van haar kind niet heeft kunnen beletten, omdat zij ten tijde van het plegen van de onrechtmatige daad voor het doen van boodschappen uit was, en de leeftijd en aard van het kind niet zodanig zijn, dat het kind onder speciaal toezicht moest worden gesteld;
dat gedaagde sub A, dus noch in haar toezicht, noch in de opvoeding van het kind heeft gefaald, zodat zij de daad van haar kind niet heeft kunnen beletten, en derhalve de vordering tegen haar moet worden ontzegd;
dat, voor zoveel nodig, gedaagde sub A aanbiedt te bewijzen hetgeen in dit 5e „dat” is gesteld; enz.
O., dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:
dat eiser niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen, althans hem die zullen worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;
O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 7 mei 1968 heeft overwogen:

Uit het inleidend rekest en met name het petitum, waarin niet veroordeling van gedaagde q.q. wordt gevorderd blijkt duidelijk dat eiser q.q. zijn vordering uitsluitend wenst te baseren op de persoonlijke aansprakelijkheid van de voogd ex artikel 1388 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek en dat hij niet tevens veroordeling van de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige op grond van diens eigen aansprakelijkheid wenst. Wij zullen de vordering derhalve uitsluitend opvatten als een ex artikel 1388 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek.

Ten processe nu staan de volgende feiten als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet dan wel onvoldoende weersproken, vast:

  1. Gedaagde sub A was voogdes over de ten tijde van de gestelde onrechtmatige daad bij haar inwonende [naam 2];
  2. Genoemde minderjarige heeft een onrechtmatige daad gepleegd, waaraan hij schuld had en waardoor schade is veroorzaakt ten aanzien van eisers zoon [appellant], waarover eiser de ouderlijke macht uitoefent.

Gedaagde sub A betwist aansprakelijkheid voor deze onrechtmatige daad ex artikel 1388 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek, stellend, dat zij de daad niet heeft kunnen voorkomen.

Ten aanzien van de wijze waarop gedaagde sub A het toezicht heeft uitgeoefend staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet dan wel onvoldoende weersproken ten processe vast:

a. gedaagde sub A’s minderjarige zoon was ten tijde van de litigieuze onrechtmatige daad 14 jaar oud;
b. Deze zoon is zonder toezicht en zonder dat speciale maatregelen zijn genomen om het plegen van onrechtmatige daden te voorkomen alleen in de woning van gedaagde sub A achtergelaten;
c. De minderjarige in kwestie was rustig en had voordien door zijn gedrag geen bijzondere aanleiding gegeven om calamiteiten als de onder havige daad te verwachten.

Onder deze omstandigheden zijn Wij van oordeel dat gedaagde sub A de daad niet heeft kunnen beletten. Het is immers in Suriname normaal dat een jongen van veertien jaren, die voordien geen aanleiding tot speciale voorzichtigheid heeft gegeven, een dag alleen thuis wordt achtergelaten, zeker wanneer — gelijk ten processe is gebleken — leeftijdsgenoten in de buurt aanwezig zijn. In dit land plegen dergelijke jongelieden een zodanige mate van zelfstandigheid ontwikkeld te hebben, dat, indien de geaardheid van het kind of andere omstandigheden geen aanleiding hebben gegeven tot het verwachten van misdragingen, wanneer ouders en/of verzorgers afwezig moeten zijn, niet van hen gevergd kan worden dat zij — bij een afwezigheid van niet langer dan een dag, waarin de avond niet is begrepen — dikwijls kostbare maatregelen nemen om een voortdurend toezicht op de minderjarige te verzekeren, waarvan het succes, gelet op de bovenvermelde drang tot zelfstandigheid, trouwens twijfelachtig geacht moet worden.

Het gevolg van het bovenoverwogene is dat eiser q.q.’s vordering hem zal worden ontzegd;
O., dat de Kantonrechter op deze gronden eiser q.q. diens vordering heeft ontzegd; enz.
O., dat [naam 1] in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 7 mei 1968;
O., dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
O., dat de eerste grief feitelijke grondslag mist, aangezien de Kantonrechter de ingestelde vordering wel degelijk heeft opgevat als gebaseerd op de persoonlijke aansprakelijkheid ex artikel 1388 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek van geintimeerde sub A voor schade door haar zoon [naam 2] toegebracht;

O., dat appellant in de tweede en derde grief erover klaagt, dat de Kantonrechter ten onrechte geïntimeerde sub A niet heeft belast met het bewijs, dat zij de onrechtmatige daad van haar zoon niet heeft kunnen beletten (derde grief), doch dit bewijs reeds door de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden geleverd heeft geacht (tweede grief);

O., daaromtrent:
dat aan gezien de aansprakelijkheid der ouders of voogden in een geval als het onderhavige berust op een vermoeden van schuld, het bepaalde in artikel 1388 lid 5 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek, waarop appellant zich in voormelde grieven beroept, aldus moet worden verstaan, dat de ouders of voogden niet verantwoordelijk voor door hun kinderen of pupillen veroorzaakte schade kunnen worden gesteld, indien zij ten opzichte van hen, ter voorkoming van nadeel voor derden, een zodanige zorg hebben inacht genomen als van goede ouders of voogden, gelet op leeftijd en aard van het kind en op hun eigen levensomstandigheden in verband met de eisen van het dagelijkse leven, mocht worden verwacht;

dat te dien aanzien als erkend of niet betwist vaststaat, dat de zoon van geïntimeerde sub A [naam 2] ten tijde van het veroorzaken der schade veertien jaar oud was; dat hij een rustige kalme jongen was met een zachtaardig karakter en hij voordien door zijn gedrag geen aanleiding had gegeven om daden als de onderhavige te verwachten; dat geintimeerde sub A door haar beroep van onderwijzeres vaak uit huis pleegt te zijn en haar echtgenoot, de geintimeerde sub B, zijn werk buitenshuis heeft;

dat onder deze omstandigheden — anders dan appellant bij inleidend rekest heeft gesteld —naar ’s Hoven oordeel door geintimeerde sub A niet kon worden voorzien, dat haar zoon allerlei kattekwaad zou uithalen of onheil stichten;

dat dan ook voor geïntimeerde sub A geen aanleiding bestond op de bewuste dag het huis niet te verlaten zonder dat zij voor toezicht op haar zoon [naam 2] had gezorgd, hebbende de Kantonrechter terecht overwogen dat normaal is te achten dat een jongen van veertien jaar, die voordien geen reden tot speciale voorzichtigheid had gegeven, een dag alleen thuis wordt achtergelaten;

dat waar in het gegeven geval reeds vaststaat, dat geintimeerde sub A de in verband met de eisen van het dagelijkse leven, gelet op leeftijd en aard van haar zoon, normaal te verwachten zorg heeft in acht genomen, geen aanleiding voor de Kantonrechter bestond haar met het door appellant verlangde bewijs te belasten, weshalve de hier besproken grieven moeten worden verworpen;

O,, dat in de vierde grief erop wordt gewezen, dat de bij de bespreking van de vorige twee grieven gehanteerde criteria, gezien de toenemende jeugdcriminaliteit, een vrijbrief betekenen voor ouders en voogden het met het toezicht op hun kinderen en pupillen niet nauw te nemen;

O., dat wat er van deze grief verder ook zij, het aan de aansprakelijkheid van ouders of voogden ten grondslag liggende vermoeden van schuld dwingt tot het hanteren van criteria, waarbij het schuld-beginsel tot zijn recht komt, kunnende bij het loslaten daarvan die aansprakelijkheid slechts op het door de wetgever niet gewilde risico-beginsel worden gebaseerd;

O., dat mitsdien ook deze grief faalt;

O., dat uit het voorgaande volgt dat het beroepen vonnis, waarmede het Hof zich kan verenigen, behoort te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 7 mei 1968 tussen partijen gewezen, waarvan beroep; enz.

SRU-HvJ-1971-5

HOF VAN JUSTITIE,
Civiele Kamer,
1 okt. 1971.

N.V. Assurantie Mij De Nederlanden van 1845,
gevestigd in Nederland, mede-kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante,
adv. G.J.C. van der Schroeff,

TEGEN :

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
adv. Mr. S.A. Thijm,

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN :

O., dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat verzoeker de hem in eigendom toebehorende auto merk Chevrolet Impala bij polis no. 5013-1672 had verzekerd bij verweerster de N.V. De Nederlanden van 1845, o.a. tegen wettelijke aansprakelijkheid;

dat verzoeker met voormelde auto omstreeks 1965 zekere [slachtoffer] heeft aangereden met verzoekers schuld daaraan en verzoeker tengevolge van deze onrechtmatige daad is veroordeeld als schadevergoeding aan genoemde [slachtoffer] wegens lichamelijk letsel te betalen ƒ 25.000.— met de rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 3 februari 1966 tot de voldoening en de gedingkosten;

dat voormelde veroordeling heeft plaatsgevonden door de Kantonrechter in het Eerste Kanton dd. 21 november 1967 A.R. No. 302/1966, welk vonnis door het Hof van Justitie is bevestigd bij vonnis van 17 januari 1969;

dat de genoemde verzekering nog van kracht was en gold tussen partijen toen deze aanrijding plaats vond;

dat als rechtskundig adviseur van verzoeker in de genoemde gedingen optrad de rechtskundig adviseur van verweerster, advokaat G.J.C. van der Schroeff en wel op verzoek en aanwijzing van verweerster;

dat in feite verweerster verweer gevoerd heeft in bedoelde gedingen gelijk ook blijkt uit het feit, dat verweerster de proceskosten waartoe verzoeker was veroordeeld heeft voldaan;

dat volgens gemelde polis, waarvan fotocopie hierbij wordt overgelegd, het verzekerde bedrag voor wettelijk aansprakelijkheid, uit te keren door verweerster ƒ 20.000.— bedroeg ingeval van lichamelijk letsel;

dat verweerster nu wel deze ƒ 20.000.— heeft betaald doch weigert de rente daarover ad 6% ’s jaars als in gemeld vonnis is gesteld te voldoen;

dat verweerster echter wel verplicht is deze rente te voldoen;

dat toch verweerster niet vóór de aanvang der procedure, hoewel daartoe aangemaand, het bedrag van ƒ 20.000.— aan verzoeker c.q. [slachtoffer] heeft uitgekeerd, doch het op een proces heeft aangestuurd door niet te betalen;

dat verweerster de vruchten en inkomsten van dit geld gedurende de loop van de procedure tot aan de voldoening voor zich heeft behouden, welke meer dan 6% ’s jaars bedragen;

dat verder in feite verweerster middels haar advokaat heeft geprocedeerd terwijl, indien verzoeker zijn eigen advokaat had kunnen nemen, hij verweerster voor het bedrag van ƒ 20.000.— in vrijwaring had opgeroepen waarna verweerster ook veroordeeld was om 6% ’s jaars rente te betalen tot de voldoening;

dat intussen verzoeker deze rente aan [slachtoffer] heeft voldaan omdat deze laatste met de executie van het vonnis inclusief de totaal verschuldigde rente begonnen was;

dat verweerster heeft betaald als volgt: enz.

dat verweerster derhalve de rente ad 6% ’s jaars vanaf 3 februari 1966 moet betalen, belopende deze ƒ 3.534.25; enz.

O., dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad verweerster zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen de som van ƒ 3.534.25 (DRIE DUIZEND VIJF HONDERD VIER EN DERTIG 25/100 GULDEN) invoege en terzake als voormeld door verweerster aan verzoeker verschuldigd met rente en kosten volgens de Wet;

O., dat de N.V. ASSURANTIE MAATSCHAPPIJ DE NEDERLANDEN VAN 1845 als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord heeft gezegd:

dat gedaagde de ingestelde vordering in al zijn onderdelen betwist, zowel wat de rechtsgronden betreft als de feiten, tenzij uitdrukkelijk anders erkend;

dat de rechtsgrond van de onderhavige vordering geheel in strijd is met de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst tegen Wettelijke Aansprakelijkheid;

dat het juist is hetgeen eiser heeft gesteld in de alinea’s 1 t/m 8;

dat krachtens de verzekeringspolis gedaagde gehouden is ƒ 20.000.— uit te keren wegens W.A. van eiser en zij zich hieraan ook geheel heeft gehouden;

dat eiser geen aanspraak maakt op een hoger bedrag dan ƒ 20.000.—;

dat volgens de polis gedaagde het verweer mag overnemen en gedaagde dan ook de kosten voor juridische bijstand heeft betaald boven het zo juist vermeld bedrag van ƒ 20.000.—;

dat de vordering was ingesteld voor ƒ 84.000.— en door het gevoerde verweer, of mede tengevolge van het gevoerde verweer de vordering werd verminderd tot ƒ 25.000.—;

dat eiser geen aanspraak maakt op rente of op rentederving zoals hij doet en eiser niet kan betwisten dat gedaagde het recht heeft om verweer te voeren, teneinde vermindering van de ingestelde vordering te verkrijgen;

dat indien gedaagde geen verweer had gevoerd de mogelijkheid zeer reëel is dat een hoger bedrag dan ƒ 25.000.— zou zijn toegewezen;

dat onder alle omstandigheden de limiet van gedaagde’s plicht is ƒ 20.000.— en gedaagde niet begrijpt waarom eiser meer dan ƒ 20.000— meent te vorderen te hebben;

dat de renteberekening is onjuist en niet terzake doet;

dat gedaagde alles ontkent hetgeen niet door haar uitdrukkelijk is erkend;

O., dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen, kosten rechtens; enz.

O., dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 15 december 1970 de ingestelde vordering heeft toegewezen; enz.

O., dat de N.V. ASSURANTIE MAATSCHAPPIJ DE NEDERLANDEN VAN 1845 in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 15 december 1970; enz.

O., dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

O., dat als tussen partijen in confesso, mede in verband met de overgelegde stukken, rechtens vaststaat:

dat appellante de geintimeerde tegen de gevolgen van diens wettelijke aansprakelijkheid als bestuurder van een personenauto had verzekerd, voor een bedrag van ƒ 20.000.— ingeval van lichamelijk letsel of dood van één persoon;

dat geintimeerde hierna als bestuurder van een auto met zijn schuld daaraan zekere [slachtoffer] lichamelijk letsel heeft toegebracht en geintimeerde bij vonnis in kracht van gewijsde is veroordeeld aan genoemd slachtoffer een schadevergoeding van ƒ 25.000.— met rente ad 6% per jaar vanaf 3 februari 1966 tot de voldoening te betalen, zijnde die rente over ƒ 20.000.—, zoals in appèl niet langer is bestreden, opgelopen tot ƒ 3534.25;

O., dat appellante, stellende dat geintimeerde krachtens voormelde verzekeringsovereenkomst in het zich thans voordoende geval van lichamelijk letsel van één persoon tegenover haar geen aanspraak vermag te maken op meer dan ƒ 20.000.—, ontkent tot betaling aan hem van genoemd rentebedrag te zijn gehouden;

O. daaromtrent:

dat geintimeerde wegens de door hem ten opzichte van voormelde gelaedeerde gepleegde onrechtmatige daad schadevergoeding aan hem was verschuldigd vanaf het tijdstip van het toebrengen van deze schade, waarin de omstandigheid dat de omvang van die schade alstoen nog niet vaststond en het verantwoord was daarover te procederen, geen verandering brengt;

dat nu is komen vast te staan, dat geintimeerde als bestuurder van een personenauto, aan het slachtoffer een schade van meer dan ƒ 20.000.— heeft toegebracht, appellante krachtens de polis geacht moet worden deze ƒ 20.000.— vanaf het toebrengen van de onder de verzekeringsovereen- komst vallende schade aan haar verzekerde, de geintimeerde, schuldig te zijn geweest;

dat waar rechtens vaststaat, dat appellante deze som niet aan geintimeerde of de gelaedeerde vanaf genoemd tijdstip ter beschikking heeft gesteld, zij gehouden is rente daarover te vergoeden, hebbende de Kantonrechter terecht overwogen, dat de limiet van ƒ 20.000.— in de polis betreft E de rechtstreeks ingeval van letsel van één persoon veroorzaakte schade en niet schade, veroorzaakt door betaling op een later tijdstip dan deze geacht moet worden verschuldigd te zijn geweest;

dat appellante hiertegen bij memorie van grieven wel heeft aangevoerd, dat zij onmiddellijk na het vonnis in hoogste instantie tot betaling is overgegaan en de polis geen verplichting voor haar inhoudt hangende het geding een schadebedrag aan te bieden, maar dit alles niet wegneemt dat appellante, zich ondanks het vaststaan van schade van eerdere betaling aan geintimeerde of de gelaedeerde onthoudende, de gevolgen, daarvan voor wat betreft de opgelopen rente dient te dragen;

dat ten overvloede dit standpunt, zoals geintimeerde terecht heeft aangevoerd, met redelijkheid en billijkheid in overeenstemming is, aangezien appellante, de betaling uitstellende totdat in hoogste instantie de omvang van de schade is vastgesteld, de beschikking over het schadebedrag hangende het geding heeft behouden en daarvan rente heeft kunnen kweken; enz.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 15 december 1970 tussen partijen gewezen, waarvan beroep; enz.

SRU-K1-2014-11

Kantongerecht in het eerste Kanton
A.R. no. 134330
31 maart 2014

Beschikking in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

1. Het procesverloop:

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • Het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het kantongerecht op 9 oktober 2013,
  • Het verweerschrift zijdens gedaagde, met producties,
  • Het proces-verbaal van het verhoor van partijen;
  • De respectieve conclusies tot uitlating na verhoor van partijen zijdens elk der partijen, zijdens eiser, met producties.

2. De feiten

2.1 Gedaagde is vanaf 1991 als jeugdtandverzorgster in dienst van eiser, die een tandartsenpraktijk heeft.

2.2 Eiser is thans 74 jaar oud en heeft aan gedaagde aangegeven dat hij reeds geruime tijd sukkelt met zijn gezondheid.

2.3 Gedaagde is in juli 2013 ernstig ziek geworden en in het buitenland behandeld voor haar ziekte. In september 2013 zou zij haar werkzaamheden weer aanvangen.

2.4 In september 2013 heeft eiser aan gedaagde aangeboden om de dienstbetrekking tot beëindigen waarbij een afkoopsom van 4 maanden salaris is aangeboden.

2.5 Gedaagde ging niet accoord met het aanbod en gaf aan dat zij wenste te blijven werken. Zij was inmiddels genezen en kon weer haar werkzaamheden aanvangen. Zij heeft daarna aan eiser bericht dat zij ter beschikking is om haar werkzaamheden te hervatten.

2.6 Eiser heeft hierna geen gebruik gemaakt van de diensten van gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering

Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter bij beschikking:

A. De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen ontbindt althans ontbonden verklaard en voorts
B. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De Grondslag

Eiser heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zijn leeftijd thans zodanig gevorderd is en zijn gezondheid zodanig achteruit is gegaan dat hij zijn tandartsenpraktijk zal moeten afbouwen. Dat hij daar al mee is begonnen en zijn werkzaamheden als tandarts aanmerkelijk heeft moeten terugbrengen. Dat hij ook van zijn doktoren heeft vernomen dat hij zijn werkzaamheden dient te beperken qua belasting en duur en zo gauw als mogelijk – een der medici indiceert, binnen een jaar – moet stoppen met zijn beroep als tandarts.

Eiser voert aan dat hij hiermee een gewichtige reden heeft voor het ontbinden van de arbeidsovereenkomst en kan van hem billijkheidshalve niet worden verwacht dat hij de dienstbetrekking voortzet.

3.3 Het verweer

Gedaagde heeft aangegeven dat de gewichtige reden niet bestaat. Zij voert aan dat hij drogredenenen aanvoert voor de beeindiging. Zij verwijst daarvoor naar het feit dat zij ziek is geworden in juli 2013 en dat hij haar na haar ziekte heeft aangeboden de dienstbetrekking te beeindigen. Voorts voert zij aan dat niemand anders uit de praktijk is gevraagd om te stoppen met werken.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter heeft tijdens het verhoor van partijen van beide partijen hun standpunten vernomen.

4.2 Eiser voerde op het verweer van gedaagde aan dat de personen die nog werken noodzakelijkerwijs moeten werken omdat de poli nog open is. Echter hebben deze andere personen ook vernomen dat hij de poli aan het afbouwen is. Eiser heeft ter adstructie van dat gestelde een verklaring overgelegd. Hij betwist dat de gezondheidstoestand van gedaagde de reden van de ontbinding is en blijft bij zijn gronden, die hij ook met verklaringen van twee medici heeft onderbouwd.

4.3 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaringen van de medici blijkt dat eiser zijn gezondheid van dien aard is dat hij op korte termijn zal moeten stoppen met werken. Ook blijkt uit de verklaring van gedaagde dat hij haar vanaf 2012 al heeft voorbereid op het afbouwen van de poli, waarbij zelfs alternatieven zijn besproken.

4.4 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor overwogene, de gewichtige reden – namelijk dat zijn persoonlijke omstandigheden zodanig zijn veranderd dat hij de poli niet langer kan voortzetten en zal moeten afbouwen – in rechte is komen vast te staan. Het gevorderde zal worden toegewezen onder de voorwaarde dat aan gedaagde een uitkering zal worden toegekend. De rechtspraak heeft zich in Suriname zodanig ontwikkeld dat bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, vooral wanneer het betreft een heel lange arbeidsrelatie, als compensatie een uitkering wordt toegewezen naar redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter acht in casu, gezien de aard van de organisatie van de werkgever, een uitkering vastgesteld aan de hand van het aantal dienstjaren vermenigvuldigd met een week, redelijk en billijk, waardoor aan gedaagde zal moeten worden uitgekeerd 29 jaren maal een week, neerkomende op zes en een halve maand salaris, namelijk SRD.5.200,= maal 6,5 hetgeen gelijk is aan SRD.33.800,=.

4.5 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken en op grond van de aard van de vordering, de proceskosten compenseren in dier voege dat elk der partijen zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2014;

5.2 Kent aan gedaagde ten laste van eiser een uitkering toe gelijk aan zes en een halve maand salaris, hetgeen neerkomt op het bedrag van SRD.33.800,= (drie en dertig duizend achthonderd Surinaamse dollar) en veroordeelt eiser tot betaling van deze uitkering aan gedaagde;

5.3 Compenseert de proces-kosten tussen partijen in dier voege dat elk der partijen zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en in raadkamer te Paramaribo uitgesproken op maandag 31 maart 2014 in tegenwoordigheid van mr. D.Ramdin, fungerend-griffier.

SRU-K1-2013-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 124100
3 oktober 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

A. De Staatsolie Maatschappij Suriname n.v.,
B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu,
beiden kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. R. Sohansingh, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. M. Kandhai-Ramai, jurist,
gedaagden.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 19 oktober 2012 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusies van antwoord met producties zijdens gedaagden;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van dupliek met producties zijdens gedaagde sub B:
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres;
– de op 11 februari 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 12 februari 2013 gehouden comparitie van partijen;
– de conclusies tot uitlating zijdens partijen;
– de op 27 juni 2013 gegeven rolbeschikking;
– het proces-verbaal van de op 21 augustus 2013 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is in het jaar 1989 in dienst getreden van gedaagde sub A.

2.2 Bij schrijven dd. 16 januari 2009 heeft gedaagde sub A, eiseres bericht dat zij overgeplaatst zal worden naar de afdeling HSEQ, en dat zij gedurende een periode van 1 jaar met een verhoogde frequentie van 1 keer per twee maanden zal worden beoordeeld door de directe leidinggevende van genoemde afdeling.

2.3 Op 15 december 2010 wordt eiseres door gedaagde sub A bericht dat zij het proces tot ontslag zal inzetten.

2.4 Op 28 maart 2012 heeft gedaagde sub A, het verzoek gedaan aan gedaagde sub B om in aanmerking te komen voor een ontslagvergunning.

2.5 Bij beschikking dd. 25 april 2012 heeft gedaagde sub B toestemming verleend aan gedaagde sub A om de dienstbetrekking met eiseres te beëindigen.

2.6 Gedaagde sub A heeft eiseres ontslagen met ingang van 2 november 2012.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

Schorsing van de werking van de beschikking met als kenmerk: OC [nummer], dd. 25 april 2012, totdat in bodemgeschil daarover zal zijn beslist;

Subsidiair:

a. Verbod aan gedaagde sub A om gebruik te maken van de hiervoor genoemde beschikking;
b. Veroordeling van gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom.

3.2 Eiseres stelt dat de beschikking van gedaagde sub A in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Gebruik daarvan door gedaagde sub A is dan ook onrechtmatig.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stelling van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Aangezien getracht is partijen bij elkaar te brengen middels een minnelijke schikking, en dit niet is gelukt zal de kantonrechter recht doen op grond van de tussen partijen gewisselde stukken.

4.3 Het primair gevorderde strekt tot schorsing van de beschikking met als kenmerk OC [nummer], dd. 25 april 2012, waarbij door gedaagde sub B toestemming aan gedaagde sub A is verleend om de dienstbetrekking met eiseres te beëindigen.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient dit gevorderde te worden geweigerd, nu er geen beroep open staat tegen de genoemde beschikking. Nu eiseres van mening is dat de door gedaagde sub B gegeven beschikking in strijd is gegeven met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, heeft zij slechts de mogelijkheid tot een vordering terzake schadevergoeding tegen gedaagde sub B.

4.4 Ook de subsidiaire vordering tot het opleggen van een verbod aan gedaagde sub A om gebruik te maken van de hiervoor genoemde beschikking, dient te worden afgewezen. Immers heeft gedaagde sub A reeds uitvoering gegeven aan de beschikking waardoor de beschikking is uitgewerkt, met als resultaat het ontslag. Op grond hiervan had eiseres slechts de mogelijkheid om schorsing van het aan haar gegeven ontslag te vragen. Nu zij dat niet heeft gevorderd is het overbodig om verder daarop in te gaan.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 3 oktober 2013 door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. A. Charan in tegenwoordigheid van de griffier.

EISERES IN KORT GEDING IS IN PERSOON BIJ DE UITSPRAAK TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN DE GEDAAGDE SUB A IS NOCH IN PERSOON NOCH BIJ GEMACHTIGDE VERSCHENEN EN DE GEDAAGDE SUB B IS BIJGESTAAN DOOR HAAR GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-2012-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no: 122506
1 november 2012

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

International Telecommunication Suriname N.V., afgekort Intelsur N.V., h.o.d.n. Uniqa,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

Partijen worden hierna aangeduid met respectievelijk [eiseres] en UNIQA.

De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uitgesproken.

1. De procesgang

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 19 juni 2012 met bijbehorende producties ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet betwist, mede blijkende uit de in zoverre erkende en met betwiste inhoud van overgelegde producties, staat het volgende ten processe vast:

2.1 [eiseres] is per 19 maart 2012 voor de duur van 6 maanden in dienst getreden van UNIQA in de functie van Communication Assistant.

2.2 Bij schrijven van 28 mei 2012 heeft UNIQA aan [eiseres] ontslag aangezegd wegens dringende reden, grove belediging, schending van het vertrouwen en desavouering van het gezag van de werkgever.

2.3 Bij exploot van 31 mei 2012 van deurwaarder Louise Tran van Can-Doesburg is aan Uniqa betekend een schrijven van de gemachtigde van [eiseres] waarin UNIQA is gesommeerd binnen 2 dagen na ontvangst van het schrijven het salaris van [eiseres] prompt te betalen en daarmee door te gaan totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is geëindigd.

2.4 UNIQA heeft bij schrijven van 1 juni 2012 de gemachtigde van [eiseres] in reactie op het onder 2.3 genoemd schrijven voorgesteld het besluit van het Hoofd van de dienst Arbeidsinspectie af te wachten.

2.5 Het Hoofd van de Arbeidsinspectie heeft namens de Minister van Arbeid en Technologische Ontwikkeling bij beschikking van 11 juni 2012 [nummer] bezwaar aangetekend tegen het ontslag wegens dingende reden van [eiseres].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiseres] heeft gevorderd om bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:

a. UNIQA te gelasten om de dienstbetrekking met haar te herstellen;
b. UNIQA te gelasten om binnen 1 *24 uur na de uitspraak het (nieuwe) salaris inclusief alle emolumenten, vakantie-uitkering en winstuitkering eventueel vermeerderd met de boete ex art. 1614q BW aan haar uit te betalen, c.q. te doen toekomen en daarmede voort te gaan totdat de tussen partijen bestaande dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn geëindigd;
c. UNIQA te verbieden om in de toekomst het salaris alsmede de emolumenten van haar te blokkeren;
d. haar in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op normale wijze te kunnen vervullen, zonder enige hindernis zijdens UNIQA;
e. UNIQA te veroordelen in de proceskosten.

3.2 [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat UNIQA onrechtmatig haar het recht op loon en het recht op arbeid ontzegd. UNIQA pleegt hierdoor een onrechtmatige daad waardoor zij schade lijdt en nog zal lijden.

3.3 UNIQA heeft de vordering weersproken.

De kantonrechter komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 UNIQA heeft aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk is omdat zij niet gesteld heeft dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.
Dit verweer treft geen doel aangezien uit de aard van de vordering, uitbetaling van het loon, reeds het spoedeisend belang blijkt.

4.2 De door [eiseres] gevraagde voorziening tot herstel van de dienstbetrekking, zoals onder a van het petitum is weergegeven, zal worden geweigerd nu gesteld noch gebleken is dat er in casu sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, hetgeen wel vereist is bij zo een vordering.

4.3 UNIQA heeft als verweer aangevoerd dat het verschuldigd loon normaal aan [eiseres] is uitbetaald en heeft ter adstructie een verklaring van de Domestic Department van de Hakrinbank N.V. d.d. 11 juli 2012 overgelegd waarin staat dat op 25 juni 2012 ten behoeve van [eiseres] het bedrag groot SRD 1.222,11, zijnde het netto salaris bedrag, is overgemaakt.
[eiseres] heeft naar aanleiding van dit verweer van UNIQA niet ontkend dat het salaris over de maanden mei en juni 2012 aan haar is uitbetaald.
Hieruit leidt de kantonrechter af dat de doorbetaling van het salaris aan [eiseres] niet is beëindigd. Immers, UNIQA heeft zelf aangevoerd dat nu de dienst Arbeidsinspectie bezwaar heeft aangetekend tegen het aan [eiseres] verleende ontslag wegens dringende redenen, de dienstbetrekking tussen partijen nog in stand is en [eiseres]recht heeft op doorbetaling van haar loon. Het ligt dan ook in de lijn der verwachtingen dat UNIQA het loon van [eiseres] zal blijven doorbetalen totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] geen belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening tot doorbetaling van het loon, en het verbod aan UNIQA om het salaris te blokkeren. Deze gevraagde voorzieningen (b en c), zullen derhalve worden geweigerd.

4.4 UNIQA heeft voorts aangevoerd dat zij, gezien de omstandigheden, niet verplicht is [eiseres] toe te laten tot het werk.

Overwogen wordt dat het door [eiseres] gesteld “recht op arbeid” niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 1614 b BW geeft immers het uitgangspunt: geen loon is verschuldigd als de arbeid niet is verricht.

Artikel 1614 d BW geeft een uitzondering hierop. Ingevolge dit artikel is het loon wel verschuldigd als geen arbeid is verricht, terwijl de werknemer hiertoe bereid was en de werkgever hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat in het systeem van de wet ervan wordt uitgegaan dat de werkgever niet de plicht heeft om de werknemer de arbeid te laten verrichten. In het onderhavig geval heeft UNIQA dus niet de plicht om [eiseres] toe te laten tot het werk. De onder sub d van het petitum gevraagde voorziening zal dan ook het zelfde lot ondergaan, als de voorzieningen onder a, b en c.

4.5 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeeld [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van UNIQA gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van 1 november 2012 door de kantonrechter in het eerste kanton mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2012-14

A.R. no. 111711
26 januari 2012
Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
Wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat,

tegen

De Stichting Onderwijs der Evangelische Broedergemeente in Suriname, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 21 april 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusies van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser was in dienst van gedaagde.

2.2 Bij beschikking dd. 23 november 2010 is aan gedaagde toestemming verleend om eiser te ontslaan (hierna ontslagvergunning).

2.3 Bij exploot van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg dd. 13 januari 2011 no. J-29 heeft gedaagde de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 augustus 2011 op grond van de aan haar verleende ontslagvergunning.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen:

A. om eiser in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en op normale wijze volgens dienstrooster te verrichten totdat in bodemgeschil definitief zal zijn beslist over het aan eiser verleende ontslag.
B. tot doorbetaling van zijn loon met bijbehorende emolumenten totdat in bodemgeschil definitief zal zijn beslist over het aan eiser verleende ontslag.
C. tot betaling van een dwangsom, indien hij weigert aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eiser stelt dat het aan hem verleende ontslag nietig is omdat de ontslagvergunning in strijd is met de wet. Volgens eiser blijft de dienstbetrekking tussen partijen ook na 1 augustus 2011 bestaan.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser en het door hem gevorderde.

4.2 Aangezien gedaagde beschikte over de daartoe vereiste ontslagvergunning, en het door gedaagde aan eiser verleende ontslag is geschied op grond van die vergunning, is het ontslag naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter rechtmatig. De stelling van eiser dat er sprake is van een nietig ontslag is dus onjuist. Nu eiser het niet eens is met het aan hem verleende ontslag zou hij zich moeten beroepen op kennelijk onredelijk ontslag. Ingevolge de artikelen 1615s en 1615t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan bij kennelijk onredelijk ontslag worden gevorderd schadevergoeding naar billijkheid (1615s BW) of herstel van de dienstbetrekking (1615t lid 1).

Hetgeen eiser heeft gevorderd kan slechts op grond van een nietige ontslag, waarvan er in casu geen sprake is.

4.3 De omstandigheid dat eiser het niet eens is met de inhoud van de ontslagvergunning danwel de wijze waarop die tot stand is gekomen, maakt het aan hem verleende ontslag ook niet nietig.

4.4 Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de vordering van eiser niet gedragen wordt door de daaraan ten grondslag gelegde feiten, zodat de gevraagde voorziening dient te worden geweigerd.

4.5 Gezien het voorgaande acht de kantonrechter bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 26 januari 2012 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-1165
29 juni 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

NV CHABHIE LOGISTIEK & DISTRIBUTIE SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

NV ENERGIEBEDRIJVEN SURINAME, handelende onder de namen EBS en Ogane,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. N. Bergraaf, jurist.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 19 maart 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis, die mondeling is genomen op 22 maart 2018;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek en uitlating;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is hoofddepothouder. Vanaf het jaar 1971 maakte gedaagde gebruik van de diensten van de voorganger van eiseres.

Daar gedaagde nog gebruik wenste te maken van de diensten van eiseres en eiseres op haar beurt de dienstverlening aan gedaagde wenste voor te zetten, hebben partijen hun onderlinge rechtsverhouding op 15 juli 2015 nader geregeld bij overeenkomst.

In de overeenkomst is, voor zover voor de beslissing van belang, in artikel 1 lid 3 opgenomen: “Het rayon van de hoofddepothouder omvat het volgende gebied in de Districten Paramaribo en Wanica, in het noorden begrensd door het Saramaccakanaal, in het westen door de Bomaweg, in het zuiden de Helena Christinaweg, in het oosten door de Surinamerivier, inclusief Livorno, Dijkveld, Domburg La Vigilantia. In het laatstgenoemd rayon zijn de in bijlage 1 aan deze overeenkomst genoemde depothouders actief. De N.V. EBS behoud zich het recht voor om gascylinders te leveren in onderhavig rayon.”,

in artikel 1 lid 4:
De N.V. EBS is bevoegd hetzij in het kader van een door te voeren algehele of regionale reorganisatie der bestaande rayon-indeling, hetzij in verband met de aanstelling van nieuwe depothouders – in dat geval in overleg met de hoofddepothouder en steeds zoveel mogelijk rekening houdende met de belangen van de hoofddepothouder en de door deze gekweekte goodwill – de grenzen van het in lid 3 van dit artikel genoemde rayon te wijzigen en opnieuw vast te stellen.
Wijzigingen zullen steeds schriftelijk aan de hoofddepothouder worden medegedeeld en daarna gacht integrerend deel uit te maken van deze overeenkomst”,

in artikel 11:
De hoofddepothouder is verplicht de N.V. EBS onverwijld schriftelijk in kennis te stellen, indien de distributie in diens rayon stagneert en maatregelen ter opheffing van de stagnatie voor te stellen. Tevens moet de hoofddepothouder ervoor zorgdragen dat de stagnatie zo snel en efficient mogelijk wordt opgeheven.”,

en in artikel 13:
1. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.Partijen zijn bevoegd deze overeenkomst tussentijds bij aangetekend schrijven te beëindigen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van 3 (drie) maanden.

3. (…)

4. Indien één de partijen toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen onder deze overeenkomst en de tekortkoming niet ongedaan kan worden gemaakt of niet ongedaan wordt gemaakt binnen redelijk termijn, nadat zij door de andere partij schriftelijk in gebreke is gesteld, is de ander partij bevoegd, deze overeenkomst zonder tussenkomst van de rechter te beëindigen.

2.2 In december 2016 heeft gedaagde aan alle hoofddepothouders, inclusief eiseres, kenbaar gemaakt over te zullen stappen naar een nieuw distributiesysteem en uit dien hoofde de overeenkomst met de depothouders zal wijzigen. In dat kader heeft eiseres op diverse data respectievelijk d.d. 20 januari 2017, 03 juli 2017,
17 augustus 2017, 23 augustus 2017, 02 september 2017 en 27 november 2017 haar standpunten ter zake per email aan gedaagde kenbaar gemaakt.

2.3 Op 27 november 2017 heeft gedaagde als volgt op de laatste mail van eiseres gereageerd:
Hierbij delen wij u mede dat in aanloop op ons nieuw distributie systeem, u vooralsnog verantwoordelijk wordt gesteld voor de distributie van gas. In de bijlage vind u de depothouders. Door het wegvallen van een aantal depothouders, vanwege het niet tekenen van onze nieuw aangeboden overeenkomst, heeft er een verschuiving plaatsgevonden.
Bij deze het verzoek om binnen uw omgeving, nieuwe depothouders te identificeren om zodoende de gasvoorziening naar de samenleving toe te optimaliseren.

2.5 Vanaf 05 maart 2018 krijgt eiseres geen ladingen meer van gedaagde.
Op 07 maart 2018 heeft eiseres gedaagde in gebreke gesteld om de overeenkomst op juiste wijze na te komen. In navolging daarop ontvangt eiseres op 13 maart 2018 bij exploit van een deurwaarder een schrijven van gedaagde, met de mededeling dat de overeenkomst op 15 juli 2015 wordt beëindigd en de samenwerking op 12 juni 2018. Als reden tot opzegging heeft gedaagde het volgende in het schrijven vermeld:
(…)
De inhoud van uw email bericht dat wij op 07 maart 2018 hebben ontvangen is tegen de achtergrond van het bovenstaande volstrekt onbegrijpelijk, aangezien u op 01 maart jl., moedwillig en zonder voorafgaande mededeling aan de verantwoordelijken op het emplacement van Ogane, geweigerd heeft om de op u rustende contractuele verplichting tot distributie van het gas te vervullen, waardoor de distributie door uw weigering ernstig in gevaar is gebracht.

Uw weigering is als een complete verassing aangekomen, aangezien uw vertegenwoordiger, althans de vertegenwoordiger van Chabhie N.V. op aangeven van de leiding van Ogane op voornoemde datum op het emplacement aanwezig was met 2 trucks en bijkans 1000 stuks gascilinders.

In het telefonisch onderhoud dat hierop is gevolgd heeft u geweigerd om het gas te distribueren, om redenen alszou de distributie in kwestie verlieslatend zijn vanwege het feit dat de arbeiders dubbel zouden moeten worden betaald.

Deze houding heeft de distributie ernstig in gevaar gebracht en is dan ook volstrekt onacceptabel en in strijd met de tussen partijen bestaande overeenkomst. Het vertrouwen in een richtige en correcte uitvoering van de overeenkomst is volledig komen weg te vallen.

Het verwijt dat u de N.V. EBS maakt, als zou zij de overeenkomst hebben geschonden en of te kwader trouw zou zijn uitgevoerd wordt dan ook met klem ontkend. Integendeel bent u degene die heeft nagelaten om uw hoofdverplichting, nl. De distributie van het gas, te vervullen.

Voortzetting van de overeenkomst is dan ook niet langer gewenst.

De N.V. EBS ziet zich in het algemeen belang en mede vanwege haar maatschappelijke verantwoordelijkheid genoodzaakt de overeenkomst d.d. 15 juli 2015 conform artikel 13 lid 2 met u te beeindigen, met in achtneming van een opzegtermijn van 3 maanden, met dien verstande dat de samenwerking tussen de N.V. EBS en u, althans de N.V. Chabhie Logistiek en Distributie Suriname, officieel zal eindigen op 12 juni 2018.

Lopende zaken zullen in deze periode moeten worden afgewikkeld.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te gelasten om binnen 1×24 uur na het wijzen van dit vonnis de overeenkomst met eiseres na te leven in dier voege dat eiseres wederom in de gelegenheid wordt gesteld om op de gebruikelijke in de overeenkomst genoemde wijze, conform de in de overeenkomst genoemde voorwaarden als ook in de daarvoor aangewezen gebieden gasbommen namens gedaagde te distribueren, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom ad SRD 5.000,- voor iedere dag of keer dat gedaagde in gebreke mocht blijven gevolg te geven aan dit vonnis.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens haar pleegt. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • de opzeggingsbrief vanuit Ogane d.d. 27 november 2017 is niet rechtsgeldig, omdat de overeenkomst van 15 juli 2015 uitsluitend door de directie van gedaagde kan worden opgezegd, ontbonden of anderszins worden aangepast;
  • het nieuw ingevoerde distributie systeem is onrechtmatig. De uitvoering daarvan is onredelijk en in strijd met de goede trouw; de overeenkomst is een duurovereenkomst en dient volgens staande jurisprudentie bij de uitvoering van een overeenkomst de duur van de overeenkomst, de wijze van naleving en de figuur van de persoon mee te wegen bij de uitvoering c.q. aanpassing van een overeenkomst;
  • als gevolg van dit handelen van gedaagde lijdt eiseres schade.

Als spoedeisend belang stelt eiseres dat gedaagde haar bewust elke mogelijkheid ontneemt om inkomsten te genereren waardoor het voortbestaan van haar bedrijf in gevaar wordt gebracht.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt uit de aard van de vordering zelf. Daarom zal zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Eiseres bestempelt het schrijven van gedaagde d.d. 27 november 2017 als te zijn een opzegging aan de zijde van gedaagde van de overeenkomst, welke opzegging zij niet rechtsgeldig acht. Uit de inhoud van dit schrijven leidt de kantonrechter geenszins af dat de overeenkomst van 15 juni 2017 is opgezegd. Wat de kantonrechter wel uit de inhoud van deze brief afleidt is het nieuw door gedaagde in te voeren distributiesysteem. In dat kader had gedaagde, zoals de kantonrechter uit de inhoud van de emails van eiseres gericht aan gedaagde kan afleiden, de overeenkomst gewijzigd. Uit de inhoud van de emails die eiseres aan gedaagde heeft verricht blijkt ondubbelzinnig dat eiseres zich vanaf het begin tegen het nieuwe distributiesysteem heeft verzet, omdat zij zich daarin niet kan terugvinden. Dat eiseres zich steeds hiertegen heeft verzet leidt de kantonrechter uit de volgende passages van de emails, in het bijzonder uit de mail van:

  • 20 januari 2017: “Uit bovenstaande moge het duidelijk zijn dat wij maandag 23 januari 2017 de nieuwe overeenkomst niet zullen tekenen. Wij zullen dat niet publiekelijk bekend maken, want wij zijn van mening dat onderhandelingen tussen 2 partijen besloten moeten zijn.”;
  • 03 juli 2017: “Wij dachten dat onze feiten en argumenten u overtuigd hadden en dat u daarom de in juni 2015 getekende overeenkomst, ongemoeid heeft gelaten. Nu uw standpunt kennelijk anders is verzoek ik u schriftelijk te reageren op onze beide brieven/mails. Ons standpunt was en is dat wij eind Juni 2015 een overeenkomst hebben getekend en binnen 2 jaar een nieuwe overeenkomst aangaan onnodig is.”;
  • 23 augustus 2017: “Wij willen u ook verzoeken om voorstellen schriftelijk te doen, per mail naar mij. Gesprekken kunnen tot misverstanden lijden. Wij wensen u veel sterkte en wijsheid bij het oplossen van de vele problemen die u heeft.”;
  • 27 november 2017: “Wij verschillen van mening over de werkwijze. Oplossingen voor problemen die lijden tot slechtere distributie en ellende zijn geen oplossingen. Wij kennen het land, het werk, de spelers en de gevaren. In het uiterste geval zullen wij, zeer tegen onze zin, over moeten gaan tot binnen dan wel buitengerechtelijke acties om Ogane zich aan de overeenkomst te houden.
    (…) Wij hopen dat u de wijzigingen aan ons voorbij laat gaan en anders deze schriftelijk voor te stellen. Vooralsnog zeggen wij tegen alle mondelinge verzoeken en voorstellen: NEE..”.

4.3 Gedaagde voert aan dat zij zich op grond van artikel 1 lid 4 van de overeenkomst het recht heeft voorbehouden om indien nodig en of noodzakelijk blijkt, de rayon indeling te reorganiseren. Tevens op artikel 1 lid 3 dat gedaagde zich het recht heeft voorbehouden om binnen het rayon dat voor de implementatie van het nieuwe distributiesysteem aan eiseres was toegewezen gascilinders te leveren.

Het uitgangspunt van artikel 1 lid 4 is dat de regie van de distributie en de bevoorrading een aangelegenheid van gedaage behoort te zijn om in het bijzonder schaarste uit te sluiten. Vanwege de problemen waarmee gedaagde bij de distributie op basis van de rayon-indeling geconfronteerd werd, welke problemen van dien aard waren dat de dienstverlening naar de winkeliers en de samenleving in ernstige mate te wensen overliet en mitsdien de distributie van het gas niet optimaal geschiedde met als gevolg dat er telkens en bij herhaling een schaarste dreigde te ontstaan, was gedaagde genoodzaakt tot een nieuw distributiesysteem over te gaan. Deze problemen waren bij eiseres bekend.

In het nieuw distributiesysteem, met welk systeem op 15 januari 2018 van start is gegaan, is gedaagde afgestapt van het rayonsysteem en is de distributie thans gebaseerd op een rouleersysteem, waardoor winkeliers de mogelijkheid hebben om un bestelling bij gedaagde te plaatsen en beter kan worden ingespeeld op de behoefte van de consument door erop toe te zien dat er een gelijke spreiding van gas plaatsvindt naar gelang de behoefte in de verschilldende gebieden.

In het nieuw distributiesysteem heeft gedaagde de hoofddepothouders ontlast van de verplichting om controle uit te oefenen op de depothouders betreffende de naleving van de ter zake geldende regels en bestaande afspraken en berust de verantwoordelijkheid thans geheel bij gedaagde.

Voorts voert gedaagde aan dat zij voldoende overlegmomenten met de hoofddepothouders heeft ingebouwd en het steeds eiseres is geweest die bij die overlegmomenten verstek heeft laten gaan.

Vanwege deze niet constructieve houding van eiseres en het incident van 01 maart 2018 heeft zij geen vertrouwen meer in eiseres en heeft zij de overeenkomst bij schrijven op 13 maart 2018 met ingang van 05 juli 2018 opgezegd. Tegen dit gemotiveerd verweer heeft eiseres niet veel ingebracht dan te blijven volharden in haar stelling dat op grond van artikel 1 lid 4 de wijzigingen schriftelijk dienen te geschieden. De kantonrechter stelt voorop dat een heel essentieel bouwsteen in elke rechtsrelatie vertrouwen is. Uit de inhoud van de emails van eiseres in reactie op het door gedaagde aangekondigde nieuw in te voeren distributiesysteem leidt de kantonrechter af dat eiseres zich, zoals gedaagde terecht opwerpt, niet constructief heeft opgesteld, met het gevolg dat er spanningen tussen partijen zijn ontstaan. Het opzeggen van de overeenkomst onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar. Gedaagde heeft overigens met inachtneming van artikel 13 lid 2 van de overeenkomst de opzegtermijn in acht genomen. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de kantonrechter tot het voorlopig oordeel dat gedaagde met het opzeggen van de overeenkomst rechtsgeldig is en dus niet onrechtmatig. Om die reden kan de door eiseres gevraagde voorziening niet worden toegewezen.

4.4 Eiseres zal, in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezenen ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 29 juni 2018 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend- griffier.