SRU-K1-2019-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-2819

18 juli 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres] te [district],
gemachtigden: mr. M.D. Lau-Kerssenberg en mr. M. Dubois, advocaten,
eiser,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 12 juli 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met de producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 15 juli 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de aantekeningen van de griffier betreffende hetgeen partijen op 17 juli 2019 tijdens het mondeling afpleiten na antwoord hebben aangevoerd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden

2. De feiten

2.1 Bij ministeriele beschikking d.d. 30 juni 2011, [no.], heeft eiser op grond van de Vreemdelingenwet een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van gedaagde verkregen.

2.2 Eiser is twee jaren terug wegens onder andere verdenking van deelneming aan een criminele organisatie, financiering van terrorisme en het illegaal bezitten van patronen, in detentie. Hij is ter zake op 14 juni 2019 in de strafzaak die tegen hem liep integraal vrijgesproken door de strafrechter.

2.3 Op 22 juni 2019 heeft gedaagde een persbericht met betrekking tot eiser op de website van gedaagde geplaatst. Dit persbericht luidt – voor zover voor de beslissing van belang – onder meer als volgt:

“Het ministerie van Justitie en Politie wenst de samenleving te informeren dat zij geheel volgens haar bevoegdheid zoals vastgelegd in de Vreemdelingenwet en andere wettelijke regelingen, genoodzaakt is geweest om de twee broers, [naam] en [eiser] tot ongewenste personen te verklaren voor ons grondgebied.
Na het vonnis van de Kantonrechter op 14 juni 2019 in de strafzaken tegen deze broers, heeft het ministerie besloten de vestigingsvergunning op naam van [eiser] in te trekken. (…)

Het ministerie wil hierbij ten overvloede erop wijzen, dat vreemdelingen die in aanmerking zijn gekomen voor een verblijf- of vestigingsvergunning, zich aan de voorwaarden, zoals gesteld in de vergunning dienen te houden. Het is het ministerie van Justitie en Politie na gedegen onderzoek gebleken, dat ook vreemdelingen zich de laatste jaren schuldig maken aan criminele activiteiten en niet zelden als onderdeel van internationaal georganiseerde criminele organisaties met diverse effecten en invloeden op onze Surinaamse gemeenschap en de nationale veiligheid in gevaar brengen. De overheid zal voor wat dit fenomeen betreft alsook de strijd tegen elke vorm van georganiseerde misdaad, een zero tolerance beleid blijven voeren.

De recente uitzettingen van vreemdelingen met een crimineel verleden en of zich bezighouden met criminele activiteiten moet dan ook tegen deze achtergrond gezien worden. Het ministerie van Justitie en alle andere diensten in de keten van nationale veiligheid zullen met de inzet van alle hun ten dienste staande middelen er alles aan doen, opdat elke vorm van criminaliteit op gepaste wijze wordt aangepakt. Hiermede wordt het pad van preventief beleid niet verlaten en zal de integrale aanpak voor een beheersbare veiligheid de grootste prioriteit blijven genieten van de regering.”

2.4 Bij Ministeriele beschikking d.d. 21 juni 2019 is de onder 2.1 vermelde beschikking door gedaagde ingetrokken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

  1. gedaagde te verbieden om handelingen te plegen in strijd met de gegeven beschikking [no.] d.d. 30 juni 2011 en op de wijze welke de kantonrechter geraden mocht oordelen;
  2. gedaagde te bevelen zich in de toekomst te onthouden van elke gedraging of handelingen welke de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van eiser aantasten;
  3. gedaagde te veroordelen om bij wege van dwangsom aan eiser te betalen het bedrag groot SRD 1.000.000,-, of een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor elke keer of dag, dat gedaagde in strijd mocht handelen met het gevorderde onder 1 en 2.

Mede is gevorderd om gedaagde in de proceskosten te veroordelen.

3.2 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan zijn vordering ten grondslag:

  • ondanks het feit dat hij is vrijgesproken door de strafrechter, wordt hij toch als een “terrorist” bestempeld;
  • hij heeft geen enkel bescheid ontvangen dat de verblijfsvergunning is ingetrokken;
  • hij wenst duidelijkheid van gedaagde over zijn positie.

Als spoedeisend belang stelt eiser dat bij hem de vrees bestaat dat hij evenals zijn broer genaamd, [naam], onterecht uitgezet zal worden uit Suriname.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt, voor zover relevant, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde zelf, met name de mogelijke dreiging tot uitzetting van eiser uit Suriname. Daarom is eiser in het kort geding ontvangen.

4.2 Niet in geschil is dat eiser de beschikking van gedaagde heeft ontvangen betreffende de intrekking van zijn verblijfsvergunning c.q. vestigingsvergunning. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van eiser dat hij zich verzet tegen de intrekking van de verblijfsvergunning c.q. vestigingsvergunning die aan hem is verleend, omdat hij ter zake hetgeen hij werd verdacht is vrijgesproken.
Ter zake oordeelt de kantonrechter dat eiser niet bij de kantonrechter dient te zijn om zich daartegen te verzetten, doch dient hij ingevolge artikel 32 van de Vreemdelingenwet daartegen in verzet te gaan bij de President van de Republiek Suriname middels het schriftelijk indienen van een verzoek tot herziening.
Reeds om die reden dient de gevraagde voorziening onder 1 te worden geweigerd.
Voor zover bij eiser de vrees bestaat dat hij vanwege deze intrekking gedurende de tijd dat hij het verzoek tot herziening indient het land zal worden uitgezet, verwijst de kantonrechter partijen naar artikel 34 lid 1 van de Vreemdelingenwet. Blijkens dit artikel blijft de uitzetting van vreemdelingen achterwege, zolang er nog geen beslissing is gegeven op het verzoek tot herziening. Hieruit volgt dat elke vreemdeling die herziening wenst te verzoeken, het land niet kan worden uitgezet vanaf het moment dat de termijn voor het indienen van herziening ingaat tot het moment dat op de herziening mocht zijn beslist.

4.3 Voor wat betreft de gevraagde voorziening onder 2, is de kantonrechter van oordeel dat eiser niet voldoende heeft voldaan aan zijn stelplicht. Met name heeft hij nagelaten te stellen of gedaagde het oogmerk had om zijn eer en goede naam aan te tasten, dan wel te beledigen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde met het plaatsen van het persbericht gehandeld in het algemeen belang op de voet van artikel 1397 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Dit, op grond van informatie die gedaagde van de instanties die belast zijn met het handhaven van de Nationale Veiligheid in het land heeft verkregen dat het blijven vertoeven van eiser in ons land de Nationale Veiligheid in gevaar brengt.

4.4 Nu de gevraagde voorzieningen onder 1 en 2 zullen worden geweigerd, dient daaruit voortvloeiend de gevraagde voorziening onder 3 ook te worden geweigerd.

4.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

4.6 De overige stellingen en weren, die irrelevant zijn voor de beoordeling in de onderhavige zaak, behoeven geen bespreking. Die zullen immers tot geen enkel ander uitkomst in de onderhavige zaak leiden.

5. De Beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 18 juli 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-18

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 173707
5 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

Sol Suriname N.V.
hierna te noemen Sol,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. D.M. Peterhof, advocaat,

tegen

[gedaagde],
hierna te noemen [gedaagde],
wonende te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties gedateerd 22 augustus 2017 dat ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie met producties;
  • de conclusie van dupliek in reconventie.

2. De feiten
2.1 [gedaagde] is gedurende 21 jaren bij Sol in dienst geweest.

2.2 In 2016 is [gedaagde] met vervroegd pensioen gegaan.

2.3 Sol is bij Service Level Agreement (SLA) d.d. 31 december 2016 met [gedaagde] overeengekomen dat laatstgenoemde ten behoeve van Sol gedurende een jaar werkzaamheden in de hoedanigheid van consultant Commercial Sales Executive zal uitvoeren.

2.4 Op 1 juni 2017 heeft [gedaagde] het contract met Sol opgezegd.

2.5 [gedaagde] is per 1 augustus 2017 een dienstverband aangegaan met GOw2 Energy Company Suriname N.V. (hierna GOw2), die een concurrent is van Sol.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 In conventie vordert Sol bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
Primair:

a. het opleggen van een verbod aan [gedaagde] om contact op te nemen met klanten van Sol, alsook gebruik te maken van de door Sol gehanteerde offerte strategieën, prijzen en de calculatiemethoden onder verbeurte van een dwangsom.
b. het opleggen van een verbod aan [gedaagde] om op enigerlei wijze gebruik te maken van relevante informatie, z.a. namen contactpersonen, adressen en telefoonnummers van klanten van eiseres, eveneens op straffe van een dwangsom.

Subsidiair:
Veroordeling van [gedaagde] om zich te houden aan haar geheimhoudingsplicht jegens eiseres, zoals opgenomen in de SLA, d.d. 31 december 2015, onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 Sol heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd:
Ingevolge de tussen [gedaagde] en Sol gesloten SLA geldt er een geheimhoudingsplicht voor [gedaagde], zowel tijdens als na het dienstverband met Sol.
Na haar indiensttreding bij GOw2 heeft [gedaagde] zich niet gehouden aan haar geheimhoudingsplicht. [gedaagde] is in haar huidige functie, ertoe overgegaan klanten van Sol te benaderen teneinde producten van GOw2 af te nemen in plaats van Sol.
Door de functie die [gedaagde] bekleedde bij Sol, was zij bekend met alle door Sol gehanteerde offerte strategieën, prijzen en de calculatiemethoden, waardoor zij dit gemakkelijk kan doorspelen aan haar huidige werkgever met alle negatieve gevolgen van dien voor Sol. Daarnaast beschikt [gedaagde] over relevante informatie, zoals namen, contactpersonen, adressen en telefoonnummers van klanten van Sol en is zij ook op de hoogte van lopende en te sluiten contracten met klanten van Sol. Door de handelingen van [gedaagde] kan Sol mogelijk grote financiële schade lijden.

3.3 In reconventie vordert [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Sol tot betaling van een bedrag van SRD 10.000,= vermeerderd met de wettelijke rente en omzetbelasting.

3.4 Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 [gedaagde] voert – zover van belang – het volgende verweer. Zij ontkent dat zij haar geheimhoudingsplicht jegens Sol heeft geschonden. [gedaagde] voert aan dat Sol de begrippen concurrentiebeding, relatie beding en geheimhoudingsplicht met elkaar verwart. Volgens haar is er nimmer een concurrentie- c.q. relatiebeding tussen partijen tot stand gekomen. Zij ontkent data en informatie te hebben gebruikt om klanten van Sol te benaderen. [gedaagde] voert voorts aan dat Sol advertenties heeft doen plaatsen in de dagbladen, waarin Sol bekend maakte dat [gedaagde] niet langer verbonden is aan Sol en derhalve niet bevoegd is om handelingen namens haar te plegen. Daarnaast is ook onder de aandacht van het publiek gebracht dat Sol niet aansprakelijk is voor handelingen door [gedaagde] gepleegd na 1 augustus 2017. [gedaagde] betoogt dat de door Sol geplaatste advertenties volkomen misplaatst zijn, en slechts bedoeld zijn om haar goede reputatie te schaden c.q. haar goede naam en eer aan te tasten nu zij nimmer enige handeling voor en/of namens Sol heeft gepleegd vanaf 1 augustus 2017.
Tenslotte voert [gedaagde] aan dat zij schade lijdt vanwege de onderhavige vordering nu zij kosten heeft moeten maken voor het inroepen van juridische bijstand. Deze kosten is Sol gehouden te vergoeden.

4.2.1 Naar de kantonrechter ontkent Sol dat zij zich beroept op schending van concurrentie- c.q. relatiebeding van [gedaagde] jegens haar, doch blijft Sol bij haar stelling dat [gedaagde] haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden.
De kantonrechter zal de onderhavige vordering dan ook beoordelen op rechtsvraag of er in casu al dan geen sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht van [gedaagde] jegens Sol.

4.3 Tussen partijen is niet in het geding dat [gedaagde] een geheimhoudingsplicht jegens Sol.
Op de ontkenning van [gedaagde] heeft Sol ter motivering van haar stelling dat er wel sprake is van schending van voormelde geheimhoudingsplicht nader gesteld dat [gedaagde] contact heeft opgenomen met klanten van Sol waarvan zij wist althans behoorde te weten dat zij in onderhandeling waren met Sol voor het tekenen van een contract. Daarbij heeft [gedaagde] niet aangegeven dat zij bij de concurrent werkzaam was en leefden de klanten in de veronderstelling dat [gedaagde] uit hoofde van haar functie met Sol contact met hen heeft opgezocht. Ter onderbouwing van het voorgaande beroept Sol zich op een app bericht afkomstig van een van haar klanten, welk bericht in feite bedoeld was voor gedaagde, terwijl zij niet langer in dienst was van Sol. Het bericht is volgens Sol per abuis verzonden naar een werknemer van haar. In het hiervoor vermelde bericht is het volgende opgenomen:
“[gedaagde],
Good afternoon. I am sorry to inform you that my boss asked me to have meeting tomorrow morning. So our appointment has to be postponed to Tuesday morning. Thanks”

4.3.1 De kantonrechter stelt voorop dat de geheimhoudingsplicht de werknemer uitsluitend verbiedt om vertrouwelijke gegevens over de onderneming van de werkgever naar buiten te brengen.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft Sol niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] vertrouwelijke gegevens over Sol naar buiten heeft gebracht. Los van de vraag of het door Sol gestelde, blijkt in ieder geval ook niet dat dat bericht betrekking heeft op het naar buiten brengen van vertrouwelijke gegevens als bedoeld.

Op grond van het voorgaande dient de door Sol in conventie gevraagde voorzieningen te worden geweigerd.

4.4 De in reconventie gevraagde voorziening zal eveneens worden geweigerd, nu de kortgedingprocedure geen ruimte laat voor een dergelijke vordering.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Nu beide partijen in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt, zowel in conventie als in reconventie.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

De kantonrechter
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt, zowel in conventie als in reconventie.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 5 oktober 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding, mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

SRU-K1-2016-25

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 162265
19 mei 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. Naamloze Vennootschap City Entertainment,
B. [eiseres B],
gevestigd en kantoorhoudende c.q. wonende in [district],
hierna te noemen City Entertainment respectievelijk [eiseres B],
eiseres in conventie en gedaagden in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
tegen

A. NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME,
B. DE STAAT SURINAME,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
beide kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen EBS respectievelijk de Staat,
gedaagden in conventie en eisers in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het hierna volgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 12 mei 2016 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;
  • de mondelinge conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie met producties;
  • de mondelinge conclusie van dupliek in reconventie met uitlating productie;
  • het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen;
  • de conclusies tot uitlating zijdens City Entertainment en [eiseres B];
  • de conclusie tot uitlating zijdens EBS en de Staat.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 City Entertainment is eigenaar van het zeven etages tellende gebouw (hierna het pand) staande en gelegen aan de Domineestraat no. 7-9, te Paramaribo.

2.2 In voormeld pand worden diverse activiteiten ontplooid waaronder een hotelmaatschappij onder de naam “Wyndham Garden Hotel”.

2.3 Het pand heeft 3 aansluitingen bij EBS. Deze aansluitingen staan geregistreerd op de volgende namen:

  • [aansluitnummer 1] op naam van [eiseres B];
  • [aansluitnummer 2] op naam van City Entertainment;
  • [aansluitnummer 3] op naam van King Princess Casino (hierna Princess Casino).

2.4 Princess Casino is in juni 2014 vertrokken uit het pand, terwijl het aansluitnummer bij de EBS is blijven staan op naam van Princess Casino.

2.5 Na vertrek van Princess Casino uit het pand is City Entertainment de aansluiting op naam van Princess Casino blijven gebruiken. City Entertainment betaalde ook de rekeningen van dit aansluitnummer.

2.6 Op de [aansluitnummers 1 en 2] zijn er achterstanden in betaling van de rekeningen ontstaan, en wel vanaf januari 2016 tot aan de maand april daaropvolgend.

2.7 Naar aanleiding van voormelde achterstanden, heeft EBS de stroomtoevoer naar de [aansluitnummers 1 en 2] afgesloten.

2.8 Op het [aansluitnummer 3] zijn geen achterstanden in betaling van de rekeningen.

2.9 Op 4 mei 2016 heeft de algemeen directeur van EBS een schrijven gericht aan de directeur van Princess Casino. In dit schrijven is het volgende verwoord:
“Geachte heer/mevrouw,
Op 2 mei j.l. is door de medewerkers van de N.V. Energiebedrijven Suriname (EBS) een elektrische inspectie uitgevoerd op alle geregistreerde aansluitingen aan de Domineestraat 7-9. Het resultaat van genoemde inspectie heeft uitgewezen dat de aansluiting bekend onder [aansluitnummer 3], gekoppeld aan King Princess Casino, de aansluiting met [aansluitnummer 2], gekoppeld aan City Entertainment N.V., voorziet van elektriciteit zonder medeweten van EBS, hetgeen in strijd is met onze Algemene Voorwaarden.
Het is evident dat u zich hierdoor schuldig maakt aan illegale uitbreiding c.q. levering van elektriciteit aan derden. U wordt derhalve gesommeerd om binnen 24 uur na ontvangst van dit schrijven de voormelde gemaakte koppeling ongedaan te maken, bij gebreke waarvan wij conform onze Algemene Voorwaarden de energielevering zullen staken.
Hoogachtend,
N.V. Energie Bedrijven Suriname
Drs. Rabindre T. Parmessar
Algemeen directeur”.

2.10 Naar aanleiding van het hiervoor genoemde schrijven heeft de gemachtigde van Princess Casino, mr. A.E. Debipersad, bij schrijven d.d. 5 mei 2016 – zo ver van belang – het volgende bericht aan de directeur van EBS:
“…. Geachte directeur,
Mijn cliënte, Princess Casino, bericht mij het volgende: In uw brief d.d. 4 mei 2016 stelt u dat “de aansluiting bekend onder nummer [aansluitnummer 3], gekoppeld aan King Princess Casino, de aansluiting met [aansluitnummer 2], gekoppeld aan City Entertainment n.v., voorziet van elektriciteit, zonder medeweten van EBS.” Mijn cliënte is sedert 9 juni 2014 niet meer in het pand en heeft gedurende de huurperiode geen handelingen verricht ter aanpassing of uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Alle voorzieningen zijn op initiatief en in opdracht van de verhuurder. Tot slot deel ik u mede dat mijn cliënte alle openstaande rekeningen die aan haar werden gedeclareerd (lees: heeft) voldaan. Zij heeft derhalve geen bemoeienissen (gehad) tav de gestelde aansluitingen….”.

2.11 Op 9 mei 2016 heft de algemeen directeur van EBS gereageerd op het schrijven dd. 5 mei 2016, afkomstig van de machtigde van Princess Casino.
In dit schrijven is – voor zover hier relevant – het volgende verwoord:
“…Weledelgestrenge vrouwe,
Referte uw reactie schrijven d.d. 5 mei 2016……..
Alhoewel U stelt dat uw cliënt, King Princess Casino, zich sinds 19 juni 2014 niet meer in het pand staande en gelegen aan de Domineestraat no. 7-9 bevindt, waaraan de aansluiting met [aansluitnummer 3] is gekoppeld, heeft er bij de n.v. EBS geen opzegging c.q. beëindiging van de stroomlevering zijdens uw cliënt plaatsgevonden. Voormelde aansluiting staat derhalve thans nog geregistreerd ten name van uw cliënt, hetgeen betekent dat uw cliënt aansprakelijk gehouden kan worden voor alle vanuit onderhavige aansluiting verrichte, doch verboden handelingen alsmede de daaraan gekoppelde stroomrekeningen.
Uw cliënt wordt hierbij in de gelegenheid gesteld zich alsnog te melden bij een van de dienstencentra van de EBS voor de opzegging c.q. beëindiging van de stroomlevering en wel binnen 24 uur na ontvangst van onderhavig schrijven. Echter attenderen wij erop dat de opzegging c.q. beëindiging van de stroomlevering uw cliënt niet vrijwaart van de betaling van eventueel openstaande rekeningen…..”.

2.12 Bij brief d.d. 10 mei 2016, heeft de finance manager van Princess Casino een schrijven gericht aan de directeur van EBS, waarin – voor zover hier relevant – het volgende is verwoord:
“…. Geachte heer Parmessar,
Hiermede wenst de gemachtigde van de afnemer de energielevering van de onderstaande bij de n.v. Energiebedrijven Suriname (n.v. EBS) geregistreerde aansluiting met ingang (lees: van) 1 mei 2016 op te zeggen, teneinde de stroomleveringsovereenkomst tussen n.v. EBS en de afnemer te beëindigen…”.

2.13 Mede naar aanleiding van het hiervoor vermelde schrijven van Princess Casino d.d. 10 mei 2016, is EBS ertoe overgegaan om de stroomtoevoer naar [aansluitnummer 3] af te sluiten met ingang van 11 mei 2016.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 City Entertainment en [eiseres B] vorderen in conventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van EBS:
a. om de stroomtoelevering op [aansluitnummer 3] behorend bij [klantnummer] ten name van eiseres sub A, binnen 1 x 24 uur na de uitspraak open te stellen;
b. om een betalingsregeling te treffen naar draagkracht ten behoeve van eiseres sub A;
c. om de stroomtoelevering op [aansluitnummers 2 en 3] behorend bij [klantnummer] ten name van eiseres sub A, binnen 1 x 24 uur na de uitspraak open te stellen;
d. tot betaling van een dwangsom.

3.2 City Entertainment en [eiseres B] hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd.
Op het [aansluitnummer 3] is er geen achterstand in betaling. Naar aanleiding van het verzoek van Princess Casino aan de EBS tot opzegging van de op haar naam geregistreerde aansluiting met [aansluitnummer 3], heeft City Entertainment op 11 mei 2016 schriftelijk het verzoek gedaan aan de EBS om de naamswijziging te doen. EBS heeft geweigerd het verzoek van City Entertainment te honoreren en is in plaats daarvan ertoe overgegaan om de stroomtoevoer op voormelde aansluitnummer af te sluiten, terwijl er gasten waren in het hotel. De dienstverlening naar de gasten is abrupt stil komen te liggen, aangezien de gehele hoteloperatie afhankelijk is van de aanwezigheid van stroom. Het gevolg van dit handelen is dat enkele hotelgasten terstond elders een onderkomen moesten zoeken.
Als gevolg van de handelingen van de EBS lijdt City Entertainment schade, voor welke schade EBS aansprakelijk is.

3.3 In conventie vordert EBS veroordeling van City Entertainment en [eiseres B] tot betaling van het bedrag van SRD 300.000,=.

3.4 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 De kantonrechter heeft getracht een minnelijke schikking tussen partijen te bewerkstelligen. Partijen zijn niet tot een schikking gekomen. De kantonrechter zal dan ook een voorziening geven op grond van de tussen partijen gewisselde gedingstukken.

Formele verweren
4.3 EBS en de Staat hebben als formeel verweer aangevoerd dat er geen enkele vordering is ingesteld tegen de staat, zodat City Entertainment en [eiseres B] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering tegen de Staat.
Dit verweer slaagt. Nu gesteld noch gebleken is dat de Staat zich onrechtmatig heeft gedragen tegen City Entertainment en [eiseres B] en er evenmin een voorziening ten aanzien van de Staat is gevorderd, zullen City Entertainment en [eiseres B] niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tegen de Staat.

4.4 EBS heeft voorts aangevoerd dat het onduidelijk is wat de rol van [eiseres B] is bij de onderhavige vordering, nu er niets is gevorderd ten behoeve van deze eiser. De kantonrechter begrijpt uit dit verweer dat EBS van mening is dat [eiseres B] geen belang heeft bij de onderhavige vordering. EBS concludeert tot niet ontvankelijkheid van [eiseres B].
Dit verweer zal worden verworpen. Door EBS is zelf aangevoerd dat het [aansluitnummer 1] is geregistreerd op naam van [eiseres B]. Uit de in conventie gevraagde voorzieningen blijkt dat eveneens gevorderd is veroordeling van EBS om de stroomtoevoer naar het hiervoor vermelde aansluitnummer open te stellen. [eiseres B] heeft dus wel degelijk een belang bij de onderhavige vordering en is dus ontvankelijk daarin.

Materiële verweren
4.6 Voor een goed overzicht zullen de gevraagde voorzieningen ten aanzien van de twee aansluitnummers, [aansluitnummers 1 en 2], eerst worden beoordeeld waarna de beoordeling van de gevraagde voorzieningen ten aanzien van het [aansluitnummer 3] zal volgen.

Ten aanzien van de [aansluitnummers 1 en 2]
4.7 Tussen partijen staat rechtens vast dat er een betalingsachterstand is van ruim 4 maanden op deze aansluitnummers en wel tot een bedrag van SRD 22.805,80 respectievelijk SRD 285.695,90.
[eiseres B] en City Entertainment vorderen veroordeling van EBS tot het treffen van een betalingsregeling naar draagkracht van City Entertainment.
[eiseres B] en City Entertainment beroepen zich erop dat er tussen partijen afspraken waren dat de achterstand in betaling van de energierekeningen mocht oplopen tot 3 maanden.
EBS ontkent dat er afspraken met [eiseres B] en City Entertainment zijn met betrekking tot een eventuele achterstand van drie maanden, zoals door hen gesteld. EBS heeft verder, bij monde van haar gevolmachtigde mr. D.M. Haakmat, aangegeven dat zij in het verleden een gedoogbeleid voerde en daardoor toleranter omging met eventuele achterstanden van bedrijven terzake betaling van de energielevering. Deze, naar de kantonrechter uit de bewoordingen van EBS begrijpt, coulante houding van EBS aangeduid, heeft erin geresulteerd dat bedrijven betalingsachterstanden hadden van bijkans een jaar. Volgens EBS zit zij thans in een transformatiefase en is zij bezig na te gaan hoe zij deze achterstanden kan innen. In het onderhavige geval zijn [eiseres B] en City Entertainment aangemaand om een achterstand van 3 maanden in te lopen, doch is er geen reactie daarop gekomen.
Aangezien EBS zelf heeft aangegeven dat er in het verleden een gedoogbeleid werd gevoerd ten aanzien van eventuele achterstanden van bedrijven, mocht van EBS worden verwacht dat zij op zijn minst een betalingsregeling met [eiseres B] en City Entertainment trof met betrekking tot de achterstanden, nu laatstgenoemden expliciet om een betalingsregeling hebben gevraagd. Zeker nu niet is gesteld en ook niet is gebleken dat EBS, [eiseres B] en City Entertainment in kennis heeft gesteld dat zij vanwege een transformatiefase genoodzaakt is af te stappen van de coulante houding die ze in het verleden heeft gehad ten aanzien van bedrijven waaronder ook [eiseres B] en City Entertainment begrepen.
Evenwel kan EBS, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet de verplichting worden opgelegd om een betalingsregeling te treffen met [eiseres B] en City Entertainment. Het treffen van een betalingsregeling met de schuldenaar kan slechts worden gezien als “goodwill” van de schuldeiser, in deze EBS, maar is geen verplichting. De in conventie gevraagde voorziening ten aanzien van deze twee aansluitnummers zal daarom worden geweigerd.

Ten aanzien van [aansluitnummer 3]
4.8 EBS betoogt dat het [aansluitnummer 3] niet geregistreerd is op naam van [eiseres B] en City Entertainment, doch op naam van Princess Casino, die inmiddels deze aansluiting heeft opgezegd. Op de [aansluitnummers 1 en 2], die geregistreerd zijn op naam van [eiseres B] respectievelijk City Entertainment, zijn er betalingsachterstanden vanaf januari 2016 tot en met april 2016. Daarnaast is er een koppeling gemaakt vanuit het [aansluitnummer 2] naar het [aansluitnummer 3], zonder medeweten van EBS, aldus EBS.
Volgens EBS hebben [eiseres B] en City Entertainment in strijd gehandeld met de artikelen 12 lid 1 sub e en 13 van de Algemene Voorwaarden, en ingevolge deze Algemene Voorwaarden was EBS ook gerechtigd om de stroomtoevoer naar het [aansluitnummer 3] stop te zetten.

4.8.1 Om het hiervoor gevoerde verweer te beoordelen, is het van belang om na te gaan wat de Algemene Voorwaarden bepalen.

  • Artikel 12 lid 1 sub e bepaalt – zover hier relevant – het volgende:
    “EBS kan het tot stand brengen van een aansluiting, levering en hervatting van de levering weigeren, indien: …
    e. E.B.S. op de aanvrager of op degene te wiens behoeve of mede te wiens behoeve de aansluiting of de levering is aangevraagd, nog een vordering heeft met welker voldoening deze in gebreke is, waaronder begrepen ook andere vorderingen verband houdende met energielevering….”.
  • Artikel 13 bepaalt – zover hier relevant – het volgende:
    “1. Het is een afnemer verboden:…
    b. de aansluiting, de meetinrichting of andere door E.B.S. aangebrachte toestellen en toebehoren, te verplaatsen of te beschadigen; onder dit laatste wordt begrepen elke handeling waardoor de oorspronkelijke toestand wordt gewijzigd of waardoor invloed kan worden uitgeoefend op het normale functioneren van de meetinrichting of andere toestellen en toebehoren en/of op de juiste toepassing der vastgestelde tarieven…
    e. Energie door te leveren aan derden, tenzij E.B.S. zulks toelaat ….

4.8.2 In het onderhavige geval staat rechtens tussen partijen vast dat City Entertainment en [eiseres B] openstaande rekeningen hebben op de [aansluitnummers 1 en 2]. Tevens staat rechtens tussen partijen vast dat, nadat Princess Casino in juni 2014 is vertrokken uit het pand, City Entertainment vanaf dat moment gebruik maakte van het [aansluitnummer 3] en de rekeningen ten aanzien van dit nummer ook maandelijks voldeed aan de EBS. Er was dus geen achterstand in de betaling van de rekeningen op dit aansluitnummer.
Nu er wel een betalingsachterstand was ten aanzien van de [aansluitnummers 1 en 2], die geregistreerd staan op naam van [eiseres B] respectievelijk City Entertainment, is EBS, ingevolge artikel 12 lid 1 sub e van de Algemene Voorwaarden in beginsel bevoegd om het tot stand brengen van een aansluiting, levering en hervatting van de energielevering te weigeren.

4.8.3 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd weersproken staat rechtens tussen partijen vast dat er een koppeling is gemaakt vanuit het [aansluitnummer 2] naar het [aansluitnummer 3], zonder medeweten van EBS.
Hieruit concludeert de kantonrechter dat [eiseres B] en City Entertainment met deze handeling de oorspronkelijke toestand van de aansluiting ([aansluitnummer 3]) hebben gewijzigd en voorts dat energie is geleverd aan een derde, in ieder geval aan een ander aansluitnummer, zonder medeweten van EBS.
[eiseres B] en City Entertainment hebben met deze handeling in strijd gehandeld met de verboden zoals omschreven in artikel 13 lid 1 sub b en e van de Algemene Voorwaarden.

4.9 Thans is aan de orde de vraag of EBS als gevolg van het nalaten, zoals omschreven onder 4.8.2. en van de handelingen van [eiseres B] en City Entertainment, zoals omschreven onder 4.8.3 al dan niet de bevoegdheid had om over te gaan tot staking van de stroomtoevoer naar het [aansluitnummer 3].
Om deze vraag te beantwoorden wordt aansluiting gezocht bij de Algemene Voorwaarden.
In dit kader bepaalt artikel 16 van de Algemene Voorwaarden – zover hier relevant – het volgende:

“1. Indien – naar het oordeel van de E.B.S. – één of meer bepalingen dezer voorwaarden worden overtreden of daarop berustende voorschriften en aanwijzingen niet worden opgevolgd, kan E.B.S. …. de levering staken en desnoods al haar werken terugnemen…..
3. tot staking van de levering wordt – behoudens in spoedeisende gevallen naar het oordeel van E.B.S. – slechts (onderstreping door de kantonrechter) overgegaan, nadat E.B.S. het voornemen daartoe aan de afnemer heeft kenbaar gemaakt en deze aan de daarbij gestelde voorwaarden niet heeft voldaan….”.

4.9.1 Uit de hiervoor genoemde bepaling kan worden geconcludeerd dat EBS de verplichting had om aan [eiseres B] en City Entertainment voorwaarden op te leggen ter correctie van hun handelingen dan wel nalaten, en bij niet voldoening door City Entertainment en [eiseres B], haar voornemen tot staking van de energielevering aan het [aansluitnummer 3] aan [eiseres B] en City Entertainment kenbaar te maken, tenzij sprake was van een spoedeisend geval, welke EBS zou ontslaan van de verplichting tot mededeling van het voornemen tot staking van de energielevering.
Een dergelijk spoedeisend geval is in casu gesteld en evenmin gebleken.
Niet is gesteld en ook niet is gebleken dat EBS voorwaarden heeft gesteld aan [eiseres B] en City Entertainment en hun daarbij een redelijke termijn heeft geboden om aan die voorwaarden te voldoen, ter voorkoming van een op handen zijnde staking van de energielevering.
EBS had daarom ingevolge artikel 16 van de Algemene Voorwaarden niet de bevoegdheid om op een dergelijke rigoureuze manier de energielevering naar het [aansluitnummer 3] te staken. Niet alleen de afnemer is gebonden aan de Algemene Voorwaarden doch ook EBS is gebonden aan de door haar zelf en eenzijdig vastgestelde Algemene Voorwaarden. Het siert EBS niet om zich te beroepen op de verplichting van de afnemer om zich te houden aan de Algemene Voorwaarden terwijl zij, EBS, zelf haar eigen Algemene Voorwaarden naast zich neerlegt.
Daarnaast mocht ook van EBS worden verwacht dat zij bij het nemen van een dergelijk besluit, zich had vergewist van de schade die City Entertainment kon oplopen. Op geen enkele manier is gebleken dat EBS met het voorgaande rekening heeft gehouden dan wel heeft willen houden. Het voorgaande mocht van EBS worden verwacht, omdat op het [aansluitnummer 3] geen achterstand is in de betaling van de energierekening. Het verweer van EBS dat het aansluitnummer aan een derde toebehoort en niet aan City Entertainment gaat evenmin op, nu EBS ervan op de hoogte was dat voormelde aansluitnummer slechts geregistreerd was op naam van Princess Casino doch vanaf juni 2014 in gebruik was bij City Entertainment.
Op grond van het voorgaande is de in conventie gevraagde voorziening ten aanzien van het [aansluitnummer 3] toewijsbaar als in het dictum te melden.

4.10 De vordering in reconventie zal worden geweigerd, nu gevorderd is veroordeling van City Entertainment en [eiseres B] tot betaling van het totaal bedrag van SRD 300.000,= zonder te specificeren welk bedrag City Entertainment en welk bedrag [eiseres B] moet betalen.

4.11 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.12 EBS zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen, zo in conventie als in reconventie.

5. De beslissing
In conventie
5.1 Verklaart City Entertainment en [eiseres B] niet ontvankelijk in de door hen gevraagde voorzieningen ten aanzien van de Staat.

5.2 Veroordeelt EBS om de stroomtoelevering op [aansluitnummer 3] behorend bij [klantnummer] binnen 1 x 24 uur na de uitspraak open te stellen.

5.3 Veroordeelt EBS tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,= (TIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor iedere dag dat zij weigert aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,= (VIJFHONDERDDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR).

5.4 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt EBS in de proceskosten aan de zijde van City Entertainment en [eiseres B] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 250,= (TWEEHONDERD EN VIJFTIG SURINAAMSE DOLLAR).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.7 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.8 Veroordeelt EBS in de proceskosten aan de zijde van City Entertainment en [eiseres B] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In conventie en in reconventie
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 19 mei 2016 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K2-2019-2

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-03045
Vonnisnummer : …
Datum uitspraak :14 juni 2019
Tegenspraak
Raadslieden : mr. M. Dubois en mr. M. Lau-Kerssenberg

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houden te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [datum 1] in [land],
van [beroep],
wonende aan [adres] te [district],

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 januari 2018, 20 februari 2018, 11 april 2018, 14 juni 2018, 16 juli 2018, 17 augustus 2018, 31 oktober 2018, 28 november 2018, 31 januari 2019, 28 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019 en 17 mei 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder I, II, III en IV te veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen munitie en telefoontoestellen.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) Dat niet is bewezen dat verdachte deel uitmaakt van een criminele organisatie; de rechtspraak die de vervolging aanhaalt van de rechtbank Rotterdam (2017:2258) en de Hoge Raad (BW5178) betreft een geheel andere casus, namelijk een casus waar de verdachte heeft toegegeven dat hij zich bij de terreur organisatie heeft aangesloten en handelingen heeft gepleegd om naar Syrië af te reizen; de verdachte heeft nimmer toegegeven zich bij IS te hebben aangesloten; de verdediging verwijst naar de beslissing van de Hoge Raad (BW5161 en 2017:413) ook verwijst de verdediging naar de beslissing van de Rechtbank Limburg (2018:4494); uit deze rechtspraak blijkt dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat er sprake is van strafbare deelneming;
b) Dat het niet juist is dat verdachte de persoon van [naam 1] heeft geronseld; uit geen enkele getuigenverklaring blijkt dat verdachte hem heeft geronseld; wat blijkt is dat [naam 1] is geradicaliseerd vanaf zijn bezoeken aan de Moskee gevestigd aan de [straat] en toen, als gevolg van de predikingen van de iman van die moskee, het idee heeft opgevat om naar Syrië af te reizen; verdachte heeft slechts contact met hem gehad in Suriname en ook toen hij al in Turkije was waarbij hij hem ter ondersteuning in zijn levensonderhoud geld heeft gestuurd; van ronselen was geen sprake;
c) Ook is er geen sprake geweest van het ronselen van de personen van [naam 2], [naam 3] of van [naam 4] of [naam 5]; dat blijkt niet alleen uit de verklaringen van deze personen zelf doch ook uit de rechtspraak, met name de beslissing van de Hoge Raad (2018:897);
d) Dat niet is gebleken dat verdachte heeft bijgedragen aan de terroristische strijd, hij heeft slechts eenmalig een bedrag voor de kosten van levensonderhoud overgemaakt ten behoeve van [naam 1], die om hulp had gevraagd omdat hij geen geld meer had; het handelen van verdachte was niet gericht op enige terrorristische strijd.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Bespreking van de verweren

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat het ten laste gelegde feit is gepleegd.
De verdediging heeft, verwijzend naar de rechtspraak aangevoerd dat niet is bewezen dat verdachte deel uitmaakt van een criminele organisatie. Immers, zo stelt de verdediging , blijkt uit de rechtspraak dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat er sprake is van strafbare deelneming. Ook is niet bewezen dat verdachte [naam 1] heeft geronseld; uit geen enkele getuigenverklaring blijkt dat verdachte hem heeft geronseld; wat blijkt is dat [naam 1] is geradicaliseerd vanaf zijn bezoeken aan de Moskee gevestigd aan de [straat] en toen, als gevolg van de predikingen van de iman van die moskee, het idee heeft opgevat om naar Syrie af te reizen; verdachte heeft slechts contact met hem gehad in Suriname en ook toen hij al in Turkije was waarbij hij hem ter ondersteuning in zijn levensonderhoud geld heeft gestuurd; van ronselen was geen sprake;
Ook is er geen sprake geweest van het ronselen van andere personen; dat blijkt niet alleen uit de verklaringen van deze personen zelf doch ook uit de rechtspraak.
Ook is niet gebleken dat verdachte heeft bijgedragen aan de terroristische strijd, hij heeft slechts eenmalig een bedrag voor de kosten van levensonderhoud overgemaakt ten behoeve van [naam 1], die om hulp had gevraagd omdat hij geen geld meer had; het handelen van verdachte was niet gericht op enige terrorristische strijd.

4.1 De rechtspraak
Zowel de vervolging als de verdediging hebben verwezen naar de jurisprudentie, met name de Nederlandse jurisprudentie.

De volgende jurisprudentie is aangevoerd voor wat betreft de deelneming aan een terroristische organisatie en werving voor een gewelddadige strijd:

De uitspraak van de Hoge Raad van 3 juli 2012 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2012 : BW5161:
Van deelneming is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
De verdachte dient in dat verband te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Ook is niet nodig dat de verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn gewest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Elke bijdrage aan de organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het plegen van enig misdrijf maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

De uitspraak van de Hoge Raad van 14 maart 2017 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2017:413 en de daarbij behorende conclusie van het Parket bij de Hoge Raad van 20 december 2016 gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2016:1510

De beoordeling door het Hof: Verdachte moet lid zijn geweeest van of hebben behoord tot het betreffende duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs. De verdachte heeft weliswaar veel interesse gehad in en onderzoek gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties wier gedachten goed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij lid was van of behoorde tot het samenwerkingsverband. Zij heeft naar het oordeel van het hof als buitenstaander geld opgestuurd naar tussenpersonen die waren verbonden aan deze organisaties.

De conclusie van de Procureur-Generaal:
Er moet sprake zijn van enige naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreven. Het lidmaatschap dat louter passief is zal niet zonder meer deelneming opleveren.

In deze zaak staat vast dat verdachte geldelijke steun (een al dan niet religieus geinspireerde donatie) heeft verleend. Het gaat hier om de vraag of dat op zich reeds voldoende is voor deelneming of dat daarenboven de betrokkenheid bij het samenwerkingsverband nog een afzonderlijk vereiste is. De steller meent dat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie kan worden aangemerkt als deelneming.

Deelname of steun kan zodanig gewicht hebben dat daaruit ook de betrokkenheid, het lidmaatschapsvereiste, blijkt. Inderdaad kan aangenomen worden dat een structurele bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie een sterke aanwijzing oplevert. Wanneer daarvan sprake is zal echter van geval tot geval moeten worden beoordeeld en is dus volledig afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De uitspraak van de Rechtbank Limburg van 15 mei 2018 gepubliceerd onder ECLI:NL:RBLIM:2018:4494
Het hebben van dit soort radicale ideeën is op zichzelf in onze rechtstaat niet strafbaar. Het ronselen voor gewapende strijd op basis daarvan is dat wel.
Werven voor IS betekent werven voor een organisatie die op grote en grove schaal mensenrechten schendt en terreuraanslagen pleegt.

De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 23 maart 2017 gepubliceerd onder ECLI:NL: RBROT: 2017: 2258
Alhoewel de verdachte een weloverwogen keuze heeft gemaakt om zich aan te sluiten wordt bij de strafoplegging in zijn voordeel meegewogen dat er geen aanzwijzingen zijn in hoeverre hij aldaar actief betrokken is geweest bij gevechtshandelingen waarbij mensen zijn gedood, dat hij nadat hij tot inzicht is gekomen het strijdgebied van IS heeft verlaten en dat er geen directe aanwijzingen zijn dat hij in Nederland een misdrijf zal gaan plegen.

De uitspraak van de Hoge Raad van 12 juni 2018 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2018:897
De werving moet aldus de daadwerkelijke deelname aan dan wel de rechtstreekse inzet bij de strijd beogen. Enkel financiele ondersteuning valt hier niet onder. Niet alleen eigenlijke gevechtshandelingen maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten, zoals het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag vallen onder het deelnemen aan de gewapende strijd.

Het enkele moreel ideologisch of financieel ondersteunen van de strijd of de strijders, het trouwen met een strijder of het zorgen voor de bezittingen het huishouden en de kinderen zijn echter niet aan te merken als rechtstreekse inzet ten behoeve van en derhalve als deelnemen aan de gewapende strijd.

Beoogd wordt om ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen welke betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake zal zijn van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband.

Het werven van personen voor het zorgen voor de bezittingen het huishouden en de kinderen van de strijder is niet zonder meer aan te merken als werven van iemand voor de gewapende strijd.

De uitspraak van het Gerechtshof ‘sGravenhage van 2 oktober 2008 gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987 en de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2011 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2011:BP7585
Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor de gewapende strijd. Het komt derhalve aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven op dat moment tegenover die strijd staat, en of het werven resultaat heeft of niet.

Het hof overweegt dat het werven over het algemeen geen eenmalige handeling zal betreffen, doch veeleer een proces omvat dat begint met het spotten van een mogelijke bevattelijke rekruut en via het wekken van vertrouwen en kweken van liefde voor de jihad, niet zelden door het tonen van oorlogsfilmpjes eindigt met het daadwerkelijk bewegen van iemand tot deelname aan een gewelddadige strijd.
…………………
Bovenstaande feiten vinden steun in de overige bewijsmiddelen. Gelet op het bovenstaande, feiten en omstandigheden, en gelet op de context waarbinnen zij zich afspeelden, kan, naar het oordeel van het Hof, worden vastgesteld dat de verdachte handelingen heeft verricht die niet anders kunnen worden geduid dan strekkende tot het bewegen van betrokkene tot aansluiting bij dan wel die zagen op het bespelen, beinvloeden en ideologisch rijp maken van betrokkene voor de gewapende strijd.

4.2 De feiten die in de zaak van verdachte als vaststaand kunnen worden beschouwd:

Uit de door de door de vervolging gepresenteerde bewijsmiddelen komen de volgende feiten vast te staan:
– de verdachte had de volle wetenschap van het terroristisch oogmerk van de organisatie IS;
– de verdachte nam deel aan chats met de medeverdachte waarin het gedachtengoed van IS werd ondersteund
– de verdachte heeft tijdens een chat met zijn vriendin geprobeerd haar te interesseren om met hem naar Syrië te gaan;
– de verdachte heeft met zijn [zoon] gesproken over de gewelddadige strijd in Syrië en aan zijn zoon te kennen gegeven dat zij met zijn allen daar naartoe zullen gaan;
– de verdachte heeft tijdens een gesprek met een getuige de opmerking gemaakt dat er niets mis is met de aanslagen van IS en dat hij bommen zal gooien en men hun daarna pas serieus zal nemen;
– de verdachte heeft [naam 1] onderdak geboden de dag voor zijn vertrek en naar Zanderij gebracht toen hij via Turkije naar Syrië ging;
– de verdachte heeft met anderen geld verzameld toen [naam 1] in Turkije in geldnood zat.

Deze handelingen zijn, tegen het licht gehouden van de hiervoor genoemde rechtspraak, niet voldoende om het bewijs te leveren van deelneming aan een criminele organisatie.

De kantonrechter acht ook niet bewezen het onder II en III ten laste gelegde omdat ten aanzien van het vertrek van [naam 1] weliswaar verklaringen zijn afgelegd door getuigen dat volgens hun [naam 1] door verdachte en de medeverdachte is geradicaliseerd, doch wordt dat niet bevestigd door andere feiten. Het lijkt erop dat het weliswaar een sterk vermoeden is van de familieleden van [naam 1] en van de anonieme getuigen, doch zijn uit de bewijsmiddelen geen feiten gebleken die bevestigen dat [naam 1] door verdachte is geworven. Dat blijkt ook niet uit de chats tussen [naam 1] en anderen die in het dossier zijn aangetroffen. Wat wel blijkt is dat verdachte betrokken is geweest bij het vertrek van [naam 1], doch verder is uit geen enkel bewijsmiddel concreet gebleken dat [naam 1] door verdachte is geradicaliseerd en gerekruteerd om naar Syrië te gaan.

Ook het werven van de andere in de ten laste legging genoemde personen is niet komen vast te staan omdat ten aanzien van die personen niet voldoende feiten zijn aangedragen die hun eventuele gang naar Syrië in verband brengen met het plegen van terroristische daden. Ten aanzien van de genoemde personen blijkt uit de getuigenverklaringen dat zij naar Syrië zouden gaan om gewonden te verplegen of om zich in gezinsverband bij de verdachte te voegen indien die zou gaan.

Ook is uit de bewijsmiddelen niet gebleken dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd nu het niet is gebleken dat aan hem geldbedragen zijn gestuurd en dat het geldsbedrag dat hij voor [naam 1] heeft verzameld in verband gebracht kan worden met daden van terrorisme.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de feiten I, II en III.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde onder IV, namelijk de overtreding van de vuurwapenwet, dat uit het proces-verbaal van het onderzoek in de woning van de medeverdachte het volgende blijkt:

Het proces-verbaal van het onderzoek in de woning van de [medeverdachte] aan [adres] op 23 juli 2017 opgemaakt door [agent]: “ In de slaapkamer van [medeverdachte] zijn de navolgende goederen in beslag genomen, namelijk: een Laptop van het merk HP, vier dozen 9 mm patronen met in totaal 194 patronen, zes kaliber S&W .40 patronen…..
In de slaapkamer van de broer van genoemde verdachte, genaamd [verdachte], zijn de navolgende goederen in beslag genomen namelijk: … een .223 flessenhals patroon (volgens de [medeverdachte] is dit patroon van hem) ……………… “.

De kantonrechter overweegt dat uit het dossier blijkt dat verdachte aan de [weg] woonachtig is. Ook zijn woning is onderzocht. Echter zijn er geen patronen in zijn woning gevonden.

Door het voorgaande bestaat er onduidelijkheid over de vraag of het patroon wel bij de verdachte is aangetroffen, immers het is in de woning van de medeverdachte gevonden. Deze onduidelijkheid is ook ontstaan omdat de medeverdachte blijkens het process-verbaal van 23 juli 2017 heeft verklaard dat het patroon aan hem toebehoort.

Op grond van het voorgaande zal de verdachte ook van feit IV worden vrijgesproken.

5. De beslissing

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder I, II, III en IV van de ten laste legging heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, A.A.Kalloe BSc.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,

A. Kalloe LLB mr. A. C. Johanns

SRU-K2-2019-1

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK

Parketnummer : 1-1-03044
Vonnisnummer :
Datum uitspraak :14 juni 2019
Tegenspraak

Raadslieden : mr. M. Dubois en mr. M. Lau-Kerssenberg

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo
inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte],
geboren op [datum 1] in [land],
van [beroep],
wonende aan [adres] te [district],

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
22 januari 2018, 20 februari 2018, 11 april 2018, 14 juni 2018, 16 juli 2018, 17 augustus 2018, 31 oktober 2018, 28 november 2018, 31 januari 2019, 28 februari 2019, 22 maart 2019, 25 april 2019 en 17 mei 2019.

De officier van Justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder I, II, III en IV te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen munitie en telefoontoestellen en verbeurd verklaring van het in beslag genomen bedrag van USD.800,=.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit:

a) Dat niet is bewezen dat verdachte deel uitmaakt van een criminele organisatie; de rechtspraak die de vervolging aanhaalt van de rechtbank Rotterdam (2017:2258) en de Hoge Raad (BW5178) betreft een geheel andere casus, namelijk een casus waar de verdachte heeft toegegeven dat hij zich bij de terreur organisatie heeft aangesloten en handelingen heeft gepleegd om naar Syrië af te reizen; de verdachte heeft nimmer toegegeven zich bij IS te hebben aangesloten; de verdediging verwijst naar de beslissing van de Hoge Raad (BW5161 en 2017:413) ook verwijst de verdediging naar de beslissing van de Rechtbank Limburg (2018:4494); uit deze rechtspraak blijkt dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat er sprake is van strafbare deelneming;
b) Dat het niet juist is dat verdachte de persoon van [naam 1] heeft geronseld; uit geen enkele getuigenverklaring blijkt dat verdachte hem heeft geronseld; wat blijkt is dat [naam 1] is geradicaliseerd vanaf zijn bezoeken aan de Moskee gevestigd aan de [straat 1] en toen, als gevolg van de predikingen van de iman van die moskee, het idee heeft opgevat om naar Syrië af te reizen; verdachte heeft slechts contact met hem gehad in Suriname en ook toen hij al in Turkije was waarbij hij hem ter ondersteuning in zijn levensonderhoud geld heeft gestuurd; van ronselen was geen sprake;
c) Ook is er geen sprake geweest van het ronselen van de personen van [naam 2], [naam 3] of van [naam 4] of [naam 5]; dat blijkt niet alleen uit de verklaringen van deze personen zelf doch ook uit de rechtspraak, met name de beslissing van de Hoge Raad (2018:897);
d) Dat niet is gebleken dat verdachte heeft bijgedragen aan de terroristische strijd, hij heeft slechts eenmalig een bedrag voor de kosten van levensonderhoud overgemaakt ten behoeve van [naam 1], die om hulp had gevraagd omdat hij geen geld meer had; het handelen van verdachte was niet gericht op enige terrorristische strijd.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn er geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Bespreking van de verweren

De vervolging heeft bewijsmiddelen aangevoerd waarmee zij bewezen achtte dat het ten laste gelegde feit is gepleegd.
De verdediging heeft, verwijzend naar de rechtspraak aangevoerd dat niet is bewezen dat verdachte deel uitmaakt van een criminele organisatie. Immers, zo stelt de verdediging , blijkt uit de rechtspraak dat niet zondermeer kan worden aangenomen dat er sprake is van strafbare deelneming. Ook is niet bewezen dat verdachte [naam 1] heeft geronseld; uit geen enkele getuigenverklaring blijkt dat verdachte hem heeft geronseld; wat blijkt is dat [naam 1] is geradicaliseerd vanaf zijn bezoeken aan de Moskee gevestigd aan de [straat 1] en toen, als gevolg van de predikingen van de iman van die moskee, het idee heeft opgevat om naar Syrie af te reizen; verdachte heeft slechts contact met hem gehad in Suriname en ook toen hij al in Turkije was waarbij hij hem ter ondersteuning in zijn levensonderhoud geld heeft gestuurd; van ronselen was geen sprake;
Ook is er geen sprake geweest van het ronselen van andere personen; dat blijkt niet alleen uit de verklaringen van deze personen zelf doch ook uit de rechtspraak.
Ook is niet gebleken dat verdachte heeft bijgedragen aan de terroristische strijd, hij heeft slechts eenmalig een bedrag voor de kosten van levensonderhoud overgemaakt ten behoeve van [naam 1], die om hulp had gevraagd omdat hij geen geld meer had; het handelen van verdachte was niet gericht op enige terrorristische strijd.

4.1 De rechtspraak
Zowel de vervolging als de verdediging hebben verwezen naar de jurisprudentie, met name de Nederlandse Jurisprudentie.

De volgende jurisprudentie is aangevoerd voor wat betreft de deelneming aan een terroristische organisatie en werving voor een gewelddadige strijd:

De uitspraak van de Hoge Raad van 3 juli 2012 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2012 : BW5161:
Van deelneming is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
De verdachte dient in dat verband te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Ook is niet nodig dat de verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn gewest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Elke bijdrage aan de organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het plegen van enig misdrijf maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.

De uitspraak van de Hoge Raad van 14 maart 2017 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2017:413 en de daarbij behorende conclusie van het Parket bij de Hoge Raad van 20 december 2016 gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2016:1510

De beoordeling door het Hof: Verdachte moet lid zijn geweeest van of hebben behoord tot het betreffende duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband. Daarvoor bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs. De verdachte heeft weliswaar veel interesse gehad in en onderzoek gedaan naar de gewapende strijd en diverse terroristische organisaties wier gedachten goed en doelstelling zij wellicht ook aanhing en wilde ondersteunen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij lid was van of behoorde tot het samenwerkingsverband. Zij heeft naar het oordeel van het hof als buitenstaander geld opgestuurd naar tussenpersonen die waren verbonden aan deze organisaties.

De conclusie van de Procureur-Generaal:
Er moet sprake zijn van enige naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreven. Het lidmaatschap dat louter passief is zal niet zonder meer deelneming opleveren.

In deze zaak staat vast dat verdachte geldelijke steun (een al dan niet religieus geinspireerde donatie) heeft verleend. Het gaat hier om de vraag of dat op zich reeds voldoende is voor deelneming of dat daarenboven de betrokkenheid bij het samenwerkingsverband nog een afzonderlijk vereiste is. De steller meent dat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een terroristische organisatie kan worden aangemerkt als deelneming.

Deelname of steun kan zodanig gewicht hebben dat daaruit ook de betrokkenheid, het lidmaatschapsvereiste, blijkt. Inderdaad kan aangenomen worden dat een structurele bijdrage aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie een sterke aanwijzing oplevert. Wanneer daarvan sprake is zal echter van geval tot geval moeten worden beoordeeld en is dus volledig afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De uitspraak van de Rechtbank Limburg van 15 mei 2018 gepubliceerd onder ECLI:NL:RBLIM:2018:4494
Het hebben van dit soort radicale ideeën is op zichzelf in onze rechtstaat niet strafbaar. Het ronselen voor gewapende strijd op basis daarvan is dat wel.
Werven voor IS betekent werven voor een organisatie die op grote en grove schaal mensenrechten schendt en terreuraanslagen pleegt.

De uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 23 maart 2017 gepubliceerd onder ECLI:NL: RBROT: 2017: 2258
Alhoewel de verdachte een weloverwogen keuze heeft gemaakt om zich aan te sluiten wordt bij de strafoplegging in zijn voordeel meegewogen dat er geen aanzwijzingen zijn in hoeverre hij aldaar actief betrokken is geweest bij gevechtshandelingen waarbij mensen zijn gedood, dat hij nadat hij tot inzicht is gekomen het strijdgebied van IS heeft verlaten en dat er geen directe aanwijzingen zijn dat hij in Nederland een misdrijf zal gaan plegen.

De uitspraak van de Hoge Raad van 12 juni 2018 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2018:897
De werving moet aldus de daadwerkelijke deelname aan dan wel de rechtstreekse inzet bij de strijd beogen. Enkel financiele ondersteuning valt hier niet onder. Niet alleen eigenlijke gevechtshandelingen maar ook het verlenen van concrete hand- en spandiensten, zoals het fouilleren van personen, het controleren van voertuigen en het verlenen van hulp bij het plegen van een aanslag vallen onder het deelnemen aan de gewapende strijd.

Het enkele moreel ideologisch of financieel ondersteunen van de strijd of de strijders, het trouwen met een strijder of het zorgen voor de bezittingen het huishouden en de kinderen zijn echter niet aan te merken als rechtstreekse inzet ten behoeve van en derhalve als deelnemen aan de gewapende strijd.

Beoogd wordt om ook rekruteringsactiviteiten strafbaar te stellen welke betrekking hebben op het werven van personen met het oog op hun rechtstreekse inzet ten behoeve van de islamitische of een anderszins gewapende en gewelddadige strijd zonder dat daarbij aantoonbaar sprake zal zijn van deelneming aan enige groep of samenwerkingsverband.

Het werven van personen voor het zorgen voor de bezittingen het huishouden en de kinderen van de strijder is niet zonder meer aan te merken als werven van iemand voor de gewapende strijd.

De uitspraak van het Gerechtshof ‘sGravenhage van 2 oktober 2008 gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSGR:2008:BF3987 en de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2011 gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2011:BP7585
Voor het ontstaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid volstaat het enkele ronselen van personen voor de gewapende strijd. Het komt derhalve aan op de gedraging van degene die werft, zonder dat op zichzelf van belang is hoe degene die wordt geworven op dat moment tegenover die strijd staat, en of het werven resultaat heeft of niet.

Het hof overweegt dat het werven over het algemeen geen eenmalige handeling zal betreffen, doch veeleer een proces omvat dat begint met het spotten van een mogelijke bevattelijke rekruut en via het wekken van vertrouwen en kweken van liefde voor de jihad, niet zelden door het tonen van oorlogsfilmpjes eindigt met het daadwerkelijk bewegen van iemand tot deelname aan een gewelddadige strijd.
…………………
Bovenstaande feiten vinden steun in de overige bewijsmiddelen. Gelet op het bovenstaande, feiten en omstandigheden, en gelet op de context waarbinnen zij zich afspeelden, kan, naar het oordeel van het Hof, worden vastgesteld dat de verdachte handelingen heeft verricht die niet anders kunnen worden geduid dan strekkende tot het bewegen van betrokkene tot aansluiting bij dan wel die zagen op het bespelen, beinvloeden en ideologisch rijp maken van betrokkene voor de gewapende strijd.

4.2 De feiten die in de zaak van verdachte als vaststaand kunnen worden beschouwd:

  • de verdachte had de volle wetenschap van het terroristisch oogmerk van de organisatie IS;
  • de verdachte hemelde in gesprekken met personen en op social media IS op en probeerde moslims te mobiliseren ten behoeve van IS;
  • de verdachte verspreidde via Facebook, Threema, Telegram en Whatsapp propagandamateriaal van IS waarop onder andere beelden van executies stonden;
  • de verdachte bracht een persoon in Suriname in contact met personen in Syrie waardoor geregeld werd dat bij de grens tussen Turkije en Syrie de persoon kon worden opgevangen door mensen in dat gebied en verder begeleid konden worden naar IS gebied;
  • de verdachte stond in contact met personen in het strijdgebied die hem op de hoogte hielden van de situatie van [naam 1] die naar het gebied was getrokken voor de gewelddadige strijd en gaf de informatie die hij ontving door aan de familie;
  • de verdachte heeft bij een reisbureau een ticket gekocht om af te reizen naar Turkije, voor welk ticket een voorschot is betaald;
  • de verdachte heeft tijdens een chat met de persoon van de organisatie afspraken gemaakt over het financieren van zijn reis naar Syrie en zijn vrouw en kinderen naar Nederland; de persoon van de organisatie heeft geld toegezegd;
  • de verdachte heeft in de periode 2015, 2016 en 2017 gelden overgemaakt naar verschillende personen in de Fillipijnen, Colombia, Guyana en Turkije en heeft gelden ontvangen van verschillende personen uit Zuid Afrika, Trinidad en Maleisië.

5. De bewezenverklaring

5.1 Feit I van de ten laste legging: de deelneming
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een terroristische organisatie, immers blijkt uit de feiten dat hij op de hoogte was van het gedachtengoed van IS, het oogmerk en de gewelddadige activiteiten van IS, dat hij ter ondersteuning van die activiteiten middels verschillende kanalen het gedachtengoed verspreidde en daar propaganda voor maakte, daarnaast ten behoeve van personen die doende waren naar Syrië voor de gewelddadige strijd af te reizen, contacten legde met personen in Syrië, althans personen aangesloten bij IS, en samen met die personen ondersteuning verleende aan de personen die naar Syrië of Irak afreisden of zouden afreizen, daarnevens ten behoeve van die personen gelden vroeg aan de personen in Syrië of Irak, althans personen aangesloten bij IS, ten behoeve van [naam 1], die op weg was naar Syrië, gelden opstuurde voor zijn levensonderhoud in Turkije en een ticket heeft geboekt en deels betaald om zelf naar Syrië af te reizen.
Hiermee is bewezen dat er sprake is van deelneming aan een criminele organisatie zoals in de rechtspraak nader is omschreven namelijk : “Van deelneming is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel onderrsteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organsiatie.
De verdachte dient in dat verband te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehald op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Ook is niet nodig dat de verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn gewest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Elke bijdrage aan de organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het plegen van enig misdrijf maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.”

5.2 Feit II van de ten laste legging: de werving
De kantonrechter acht niet bewezen het onder II ten laste gelegde omdat ten aanzien van het vertrek van [naam 1] weliswaar verklaringen zijn afgelegd door getuigen dat volgens hun [naam 1] door verdachte is geradicaliseerd, doch wordt dat niet bevestigd door andere feiten, waardoor er twijfel bestaat over de vraag of [naam 1] door de Iman van de [straat 1] is geradicaliseerd en gemotiveerd om naar Syrië te gaan of dat [naam 1] door verdachte is geradicaliseerd en gerecruteerd om naar Syrië te gaan. In de eerste aangifte in verband met het vertrek van [naam 1] is door de vrouw van [naam 1] aan de politie verklaard dat zij het idee heeft dat [naam 1] door de Imam van de moskee aan de [straat 1] is geradicaliseerd.
Uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat er bij hun een sterk vermoeden bestaat dat verdachte [naam 1] heeft geradicaliseerd. Wat echter uit de bewijsmiddelen slechts blijkt is dat verdachte betrokken is geweest bij het vertrek van [naam 1], doch verder is uit geen enkel bewijsmiddel concreet gebleken dat [naam 1] door verdachte is gerekruteerd om naar Syrië te gaan.
Ook het werven van de andere in de ten laste legging genoemde personen is niet komen vast te staan omdat ten aanzien van die personen niet voldoende feiten zijn aangedragen die hun eventuele gang naar Syrië in verband brengen met het plegen van terroristische daden. Ten aanzien van de genoemde personen zijn verklaringen aanwezig die erop duiden dat zij naar Syrië zouden gaan om gewonden te verplegen of om zich in gezinsverband bij de verdachte te voegen indien die zou gaan.

Feit III van de ten laste legging: de voorbereidingshandelingen door het verzenden of ontvangen van geldsbedragen
Uit de gepresenteerde bewijsmiddelen is niet gebleken dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd nu ten aanzien van de betalingen door de vervolging opgenomen in de ten laste legging niet voldoende blijkt dat zij in verband gebracht kunnen worden met daden van terrorisme.
Ten aanzien van de overmakingen van verdachte naar anderen is niet gebleken dat deze overmakingen in verband kunnen worden gebracht met de gewelddadige strijd. De overmaking naar [naam 1] was volgens verklaringen van verdachte en de getuige [naam 2] een geldsbedrag voor zijn verblijf in Turkije voor levensonderhoud. Ten aanzien van de geldsbedragen die verdachte heeft ontvangen is uit verklaringen en chats te begrijpen dat deze waren voor de aanschaf van een ticket. Dat is echter niet voldoende om als vaststaand aan te nemen dat er sprake was van voorbereidingshandelingen van terroristische misdrijven.

Feit IV van de ten laste legging: overtreding van de Vuurwapenwet
Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte de Vuurwapenwet heeft overtreden, immers, hij had munitie in zijn bezit terwijl hij daar geen machtiging voor had.

6. De gebezigde bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

1.
De verklaring van de anonieme getuige X bij de politie op 12 juli 2017 en bij de Rechter-commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek op 24 november 2017:
“Ik gaf de politie informatie dat [verdachte], die ik in mijn verdere verklaring [verdachte] zal noemen, mensen zoekt om zich aan te sluiten bij de terroristische groeping IS in Syrië. ….. tijdens het gesprek dat ik met hem voerde was het mij opgevallen dat [verdachte] mij steeds interesseerde om de terreurbeweging de IS te ondersteunen ……Uit zijn praten begreep ik dat hij in elk geval alle moslims probeert te mobiliseren om de IS te volgen. Voorts probeert hij de moslims die hij kent tot is strijders te maken om te vechten tegen de mensen, die volgens zijn zeggen het moslim geloof onderdrukken. Tot zover het mij bekend is is het hem gelukt twee mensen te overhalen om zich aan te sluiten bij de IS in Syrië. De eerste persoon is een javaanse vrouwspersoon wiens naam mij onbekend is die op de grens van Turkije en een voor mij onbekend land is aangehouden en terug is gestuurd naar Suriname. De tweede pesoon die hij heeft kunnen overhalen om zich aan te sluiten bij de IS is [naam 1]. Als ik het goed heb heeft hij zich in de maand mei van dit jaar bij IS in Syrië aangesloten. …….”

2.
De verklaring van anonieme getuige Y bij de politie op 13 juli 2017 en bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 24 november 2017: “ ik sta nog steeds achter mijn verklaring bij de politie ……. ongeveer twee jaar terug heeft [verdachte] in de [kapperszaak] de uitlating gedaan dat hij zich kan aansluiten bij de IS en in staat is om voor de Islam en de IS een bom te vervaardigen waarmee hij zichzelf en anderen kan opblazen. …. hij was doodserieus toen hij die uitlating deed… wij hadden op dat moment een discussie over de Islam ….”

3.
De verklaring van de anonieme getuige B bij de politie op 30 oktober 2017 en bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 27 november 2017: “ het is mij bekend dat [verdachte] een fervente aanhanger is van IS. Dat heeft hij vaak openlijk te kennen gegeven en ook op zijn facebook pagina, waarop hij IS gerelateerde berichten , foto’s en video’s deelde. ……. dat was ook duidelijk gebleken toen er op facebook een filmpje werd verspreid van een piloot van de coalitietroepen, die levend werd verbrand door leden van IS, nadat hij gevangen was genomen en in een kooi was geplaatst. [verdachte] vond dit geweldig en keurde het goed. Anderen die ertegen waren werden door hem bedreigd. ……. [verdachte] had aangegeven de tegenhangers van het fimpje te zullen doden door hun hoofd af te hakken….”

4.
De verklaring van de anonieme getuige C bij de politie op 9 november 2017 en bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 24 november 2017: “Ik blijf bij de door mij afgelegde verklaring bij de politie; ….. dat [verdachte] is gelieerd aan IS zeg ik naar aanleiding van het feit dat hij IS promoot en vindt dat wij, de Surinaamse moslims, wakker moeten worden door ons aan te sluiten bij de IS. Hij is de mening toegedaan dat wij die de IS niet volgen “non moslims” zijn. Ik heb een volledige Whatsappchat tussen mij en [verdachte] waarin zijn steun aan de IS duidelijk tot uiting komt…. [verdachte] en ik hebben vele discussies gevoerd via Whatsapp omdat hij vindt dat op de manier hoe de IS de islam ziet of interpreteert de juiste wijze is en niet hoe ik dat doe…… hij heeft ook kenbaar gemaakt dat hij via Telegram in contact staat met een eigen medianetwerk van IS, waarin [naam 6] en [naam 7] persoonlijk berichten plaatsen en ook reageren ……. doordat hij mij had aangegeven dat hij mij in contact kon brengen met de IS neem ik aan dat hij banden heeft met de IS……; …. ”

5.
De verklaring van de getuige [naam 8] bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 27 oktober 2017: “[verdachte] en [naam 9] zijn in de periode 2013 begonnen met het recruteren van personen voor terroristische groepen. Zij zijn hiermee begonnen bij de [moskee] aan de [straat 2]. ……. “

6.
De verklaring [naam 10], de vader van [naam 1], bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 25 oktober 2017: “ ik sta volledig achter de verklaringen afgelegd op 25 juli 2017 en 29 september 2017 bij de politie…….[naam 1] was aanvankelijk aangesloten bij de moskee waar ik ben aangesloten. Naderhand is hij vandaar weggegaan en is hij samen met [verdachte] en [naam 9] veschillende moskeeën gaan bezoeken. Hij had altijd kritiek op die verschillende moskeeën. Bij mij had hij niet direct kenbaar gemaakt dat hij belangstelling had voor IS. Ik kreeg dan ook de schirk te pakken toen ik te horen kreeg dat hij in Syrië was. Ik zie het zo dat de aanwezigheid van [naam 1] in Syrië te wijten is onder andere door toedoen van [verdachte] en [naam 9]. …. “ “ ….ik moet aan u verklaren dat [naam 1] zijn denkwijze omtrent het geloof veranderde toen hij in contact kwam met [verdachte] en [naam 1] en toen hij de moskee aan de [straat 1] begon te bezoeken….”

7.
De verklaring van [naam 11] bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 17 oktober 2017 en bij de politie op 25 juli 2017: “ik heb in totaal vier keren een verklaring afgelegd bij de politie en ik blijf bij die verklaringen….. op de vraag of ik intussen weet wie achter het plotselinge vertrek van [naam 1] naar Syrië zit moet ik u verklaren dat ik wel een vermoeden heb op [verdachte] en zijn broer. Dat heb ik u al eerder gezegd ….. ongeveer een anderhalf jaar terug hebben [verdachte] en [naam 9] hem, [naam 1] geintroduceerd bij een oom van hun, die de imam is van een moskee aan de [straat 1]. De naam van die oom is mij niet bekend …. [naam 1] had aan mijn gezegd, dat wij [verdachte] het één en ander konden vragen over zijn vertrek naar Syrië omdat [verdachte] daarvan veel afweet. ….hij heeft ook gezegd dat [verdachte] er zorg voor kan dragen dat ik in Syrië kan belanden. Deze Threema berichten heb ik nog in mijn telefoontoestel ….”

8.
De verklaring van de getuige [naam 12] afgelegd bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 26 oktober 2017: “[naam 1] ging van kleins af aan altijd met mijn vader naar de moskee. Nadat hij [verdachte] en [naam 9] heeft leren kennen was dat ineens niet meer goed. Het feit dat wij geprobeerd hebben om [naam 1] terug te laten komen naar Suriname en dat hij eerst wel bereid was daartoe en daarna terughoudend reageerde. [verdachte] had te kennen gegeven dat terugkomen naar Suriname niet zo gemakkelijk ging en dat er geduld moest worden betracht. [naam 1] bemoeide alleen met [verdachte] en [naam 9]. Hij had geen andere vrienden. Als ik al deze feiten op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie dat [verdachte] en [naam 9] hebben bewerkstelligd dat [naam 1] naar Syrië is vertrokken om zich aan te sluiten bij de IS. …. Pas op 1 april 2017 heb ik geweten dat [naam 1] in Syrië zat. Bij het afzetten van [naam 1] bij het universteitscomplex wist ik niet dat hij naar Syrië zou gaan…”

9.
De verklaring van de getuige [naam 2] bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO op 17 oktober 2019 en bij de politie op 1, 3, 8 en 22 augustus 2017: “ ik sta achter de verklaring door mij afgelegd bij de politie …… ja, toen ik in het jaar 2015 naar Syriëe was vertrokken had [verdachte] mij in contact gebracht met [naam 13] van IS. Hij, [naam 13] heeft mij geholpen om Syrië te kunnen bereiken, maar jammer genoeg heeft de politie mij in Turkije aangehouden. Zodoende heb ik hem niet persoonlijk ontmoet. Hij was de persoon die mij verder zou begeleiden naar Syrië. De USD.1.000,= heb ik ook van hem gehad. Op de vraag waar [naam 13] thans is moet ik aan u verklaren dat hij is komen te overlijden bij bombardementen van de Amerikanen. Dat heb ik van [verdachte] vernomen want hij stond ook in contact met hem. Op de vraag hoe ik met hem in contact stond moet ik aan u verklaren middels facebook whatsapp en telegram. ….. ik aan [verdachte] had verteld dat ik bereid was om mij aan te sluiten bij IS in Syrië. Toen heeft hij mij in contact gebracht met [naam 13]. …op de vraag of [verdachte] mij met meerdere personen van IS in contact heeft gebracht moet ik aan u verklaren ja. Dit jaar heeft hij mij ook in contact gebracht met een ander lid van IS, die heet [naam 14]. Dat heeft plaatsgevonden nadat ik aan [verdachte] wederom te kennen had gegeven naar Syrië te willen gaan om mij aan te sluiten. ….. op de vraag of het mij bekend is dat [verdachte] ook anderen heeft geinteresseerd om zich aan te sluiten bij IS moet ik u verklaren ja [naam 1]. Op de vraag of het mij bekend is op welke manier [verdachte] zulks heeft gedaan moet ik aan u verklaren, nee maar ik denk op dezelfde wijze als bij mij. Op de vraag of [naam 1] een bekende van mij is moet ik aan u verklaren ja, [verdachte] heeft ons met elkaar in contact gebracht. ….. op uw vraag of aan de hand van mijn antwoorden gevoeglijk kan worden aangenomen dat [verdachte] hier in Suriname de contact persoon is van de IS moet ik aan u verklaren ja, hij brengt ons in contact met hen. [verdachte] kent de personen van de IS en zij vertrouwen hem ook. Zonder de hulp van [verdachte] zou ik de eerste keer niet helemaal in Turkije zijn beland……” . “ … U houdt mij voor het proces-verbaal van nader verhoor van mijn persoon van 3 augustus 2017 … om exact te zijn is de waarheid dat er USD.2.000,= naar mij is verzonden. Daarvan is USD.80,= door Western Union als administratie kosten afgetrokken en heb ik USD.1920,= ontvangen. Dit geld had ik ontvangen deels als compensatie voor de reis die ik eerder heb ondernomen naar Turkije. Een ander deel van het geld was bestemd voor het geval ik weer zou afreizen naar Syrië, om kosten in verband daarmee te betalen….” . “. Op de vraag of ik nog weet wie [naam 14] is moet ik u verklaren ja, hij is de man van IS of althans de contactpersoon van IS die met [verdachte] in contact staat of stond. Deze man heeft de contacten of lijnen om je in Syrië te laten belanden. ……. ik wist wel of weet wel dat [verdachte] banden onderhoudt met mensen van de IS. Omdat hij mij in 2015 in contact had gebracht met [naam 13] heb ik hem recentelijk weer benaderd of hij mij in contact kan brengen met iemand net als [naam 13] en die persoon bleek [naam 14] te zijn. …… u houdt aan mij voor de volgende berichten: ‘ there is a sister her akhi who [naam 13] also helped and she asked me if I can bring her in contact with u akhi…she already made hijrah but was caugt on de border of Turkey’ ; ‘u can bring her in contact with me no problem [naam 13] told me of her issue ; give my TG and ask her to contact me in sha allah’ ;’ I first told her no because I wanted to defend the honor of [naam 13] ; she will contact you today’:” ; op de vraag of ik op die dag contact heb gemaakt met [naam 14] verklaar ik dat ik mij zulks niet kan heugen maar ik heb wel contact met hem gemaakt….. ik had met [naam 14] afgesproken dat ik op een seintje van hem zou moeten wachten om naar Syrië te kunnen reizen. hij zou naar een geschikt moment zoeken. Ik neem aan dat hij [verdachte] zeker zou melden omdat ik vandaag heb kunnen lezen, dat hij alles dat hij met mij besprak ook met [verdachte] deelde. ..op de vraag of ik geld heb opgestuurd voor [naam 1] nadat die naar Syrië was vertrokken verklaar ik ja ik heb met USD. 400,= geholpen. Hij had contact met mij gemaakt toen hij in Turkije. Hij had geen geld en sliep op straat. Ik heb toen mijn taak als moslim volbracht namelijk een broeder in nood helpen. … omdat ik [naam 1] wilde helpen heb ik met [verdachte] gebeld om te zeggen dat ik ook geld wilde sturen voor [naam 1] …”

10.
De verklaring van de getuige [naam 15] bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO: “ik ken de persoon van [verdachte] doordat hij op kantoor is gekomen om de prijzen op te vragen voor een vliegticket van Paramaribo naar Brazilië en van Brazilië naar Turkije. Hij gaf aan naar een aktieticket voor 1 persoon te zoeken voor die periode. Ik heb verschillende offertes opgemaakt …. als hij via Brazilië zou reizen dan hoefde hij niet via de immigratie autoriteiten te gaan. De route die ik heb geboekt was via Amsterdam met de KLM omdat zulks toch goedkoper uitkwam. Ik kan mij niet meer heugen voor welke periode … er is een voorschot betaald voor zijn reis. Uiteindelijk is hij niet meer afgereisd.”

11.
De verklaring van de getuige van [naam 4] bij de rechter-commissaris in het kader van het GVO en bij de politie op 22 augustus 2017, 23 augustus 2017 en 16 september 2017: “ik sta volledig achter de verklaring …… [verdachte] had samen met een vriend een kanaal [kanaal 1] waar ze nieuws verspreidden over de IS. Die vriend maakte pdf bestanden waarin bewijzen stonden waarom IS goed was. Als er bijvoobeel executies zoals verbranden en onthoofden van mensen plaatsvonden door IS bewees hij door overleveringen van geleerden en teksten uit de Koran, dat het correct is ……[verdachte] en ik verspreidden nieuw over de IS. We plaatsten gewelddadige films waarin mensen werden gedood, verzen uit de Koran en verzen waarin stond dat strijden en jihad verplicht zijn voor elke moslim, omdat de islam wordt aangevallen door ongelovigen. Verder werd de IS door ons gepromoot op de kanalen. …. ik wil aangeven hoe [verdachte] mij zover heeft weten te krijgen om te vertalen en te participeren in die kanalen….. ik had hem vaker erop gewezen dat ik het gevaarlijk vond om te vertalen maar hij bleef maar aan mijn hoofd praten en zei dat het geen probleem was. Hij dreigde mij vaker en zei altijd dat hij weet waar ik te vinden ben. Op den duur leek het alsof ik het onder dwang moest doen. Ik was ook bang om hem tegen te spreken want dan werd hij zo kwaad ….ik denk tot een maand voor de aanhouding in de maand juni 2017 waren wij voor het laatst op deze kanalen. Daarna had ik ze verwijderd. Dit deed ik omdat een blogger een column over [verdachte] zijn [kanaal 2] en [kanaal 3] had geschreven. Daarin had hij een kanaal als het ware geanalyseerd en ontmaskerd. Daarbij plaatste hij een foto waarbij het gezicht van [verdachte] half te zien is met een pet op zijn hoofd ….. ik kan u verklaren dat [verdachte] inderdaad recepten van bommen geplaatst heeft op [kanaal 2]… ik vond dit heel erg, dat dit alles gebeurde …. de chat no. 40 van 18 juli 2017 omstreeds 14.44 …… verder verklaar ik u dat hij naar Syrië zou gaan om zich aan te sluiten bij IS … hij was heel wispelturig daarover, het ene moment wilde hij naar Syrië gaan en het ander moment niet ……..het verschil is dat ik in bijzijn van [verdachte] moet doen zaols hij wil dat ik moet zijn, radicaal zijn, terwijl wanneer hij niet erbij is ik normaal kan doen en mezelf kan zijn …. ik vind het erg dat ik in een relatie zat met iemand waarbij ik dit soort uitspraken moet doen alleen om hem tevreden te stellen …. ik meende niks van wat ik heb gezegd …. ik sta niet achter die woorden. Ik ben niet in staat mezelf op te blazen of mensen te overrijden….”

12.
Het proces-verbaal van de analyse van het chatbericht tussen [naam 11] en [naam 1] opgemaakt op 26 juli 2017 door [agent 1]: “in dit bericht is duidelijk te lezen dat hij op 1 april 2017 in Syrië is aangekomen. Hij is daarna aan het radicaliseren en praat steeds over de IS, bommen, oorlog en ook dat er meteen met [verdachte] moeten worden gebeld als er iets is.”

13.
Het proces-verbaal van de analyse van het chatbericht tussen verdachte en ene [naam 14] opgemaakt op 2 augustus 2017 door [agent 1]: “ aan de hand van deze chat kan gevoeglijk worden aangenomen dat [naam 14] en [naam 13] financiële mogelijkheden creëerden voor broeders en zusters die hijrah willen doen naar Syrië om zich aan te sluiten bij IS….”

14.
Het proces-verbaal van de analyse van het chatbericht no. 186 tussen verdachte en ene [naam 16], opgemaakt op 20 september 2017 door [agent 2]: “In dit bericht stuurt [naam 16] de woorden Western Union voor verdachte. Het vermoeden bestaat dat hij hiermee het geldovermakingsbedrijf bedoeld. .. Het bovenstaande is een video opname die verdachte heeft gemaakt en verstuurd naar [naam 16]. In deze vido opname toont de verdachte de kwitantie waar er geld op zijn naam is overgemaakt. … verdachte geeft hier aan naar een goedkoop vliegticket uit te kijken om zo spoedig mogelijk te vertrekken . ..Uit de analyse van deze berichten blijkt dat [naam 17] of [naam 14] aan verdachte door geeft dat deze geld zal ontvangen van een broeder uit Zuid Afrika voor zijn reis naar Turkije. ….”

15.
Het proces-verbaal van de analyse d.d. 7 januari 2018 van het chatbericht met nummer 518 tussen verdachte en ene [naam 18] opgemaakt door [brigadier van politie]: “ verdachte zegt hierop dat hij zal posten. Vermoedelijk bedoelt hij dat hij de links oftewel de oproepingen zal verspreiden via de nieuwskanalen die hij beheerd….”

16.
Het proces-verbaal van het onderzoek in de woning van de verdachte aan [adres] op 23 juli 2017 opgemaakt door [agent 1]: “ In de slaapkamer van verdachte zijn de navolgende goederen in beslag genomen, namelijk: een Laptop van het merk HP, vier dozen 9 mm patronen met in totaal 194 patronen, zes kaiber S&W .40 patronen…..
In de slaapkamer van de broer van genoemde verdachte, genaamd [naam 11], zijn de navolgende goederen in beslag genomen namelijk: … een .223 flessenhals patroon (volgens de [verdachte] is dit patroon van hem) ……………… “.

17.
De verklaring van de [Onder Inspecteur van politie] waaruit blijkt dat verdachte niet in het bezit is van een vuurwapenvergunning.

7. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

– Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft, het plegen van terroristische misdrijven, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188a van het Wetboek van Strafrecht.
– Overtreding van de vuurwapenwet

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

8. Motivering van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van handelingen die de organisatie IS ondersteunen, terwijl hij ervan op de hoogte was dat IS op een gewelddadige wijze aanslagen pleegt in verschillende landen die zij als vijandig bestempelen en daarmee groepen of individuele andersdenkenden om het leven brengt. Zijn beroep op het feit dat hij niet op de hoogte was van de daden van IS en de gevolgen die die daden hebben voor de verschillende gemeenschappen waarin de daden gepleegd worden, kan niet worden geloofd omdat uit de telefoons en computers die van hem in beslag zijn genomen blijkt dat hij daar wel van op de hoogte was. Er zijn ook getuigenverklaringen waaruit blijkt dat hij het geweld van IS tentoonstelde en goedkeurde.

De verdachte heeft tijdens de zittingen verklaard dat hij momenteel heel anders over de zaken denkt en zelf ook afkeurt dat IS geweld pleegt tegen anderen.
Het door de verdachte aangevoerde standpunt dat hij in de veronderstelling leefde dat hij samen met gelijkdenkenden moet opkomen voor broeders en zusters die door anderen worden onderdrukt en gebombardeerd is een standpunt dat weliswaar, blijkens de inhoud van het dossier door meerderen wordt ingenomen, doch dat mag nimmer leiden tot overtreding van de strafwet, hetgeen in casu wel is gebeurd.

De kantonrechter zal voor de strafbare feiten een straf opleggen die past bij de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 11, 17, 18, 44 en 188a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 15 en 23 van de Vuurwapenwet.

10. De Beslissing:

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder I en IV ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage I van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 2 (twee) jaren waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

Bepaalt dat het voorwaardelijk gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit..

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 23 juli 2017 in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen goederen:
het telefoontoestel van het merk Samsung voorzien van het [aansluitnummer],
de laptop van het merk HP,
een memorystick 8 GB en
USD.800,=.

Onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen goederen:
vier dozen 9 mm patronen,
een .223 flessenhals patroon,
zes kaliber S&W .40 patronen.

Beveelt de onmiddelijke invrijheidstelling

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2019 door de kantonrechter – plaatsvervanger in het Tweede kanton, mr. A.C.Johanns, bijgestaan door de fungerend griffier, A.A.Kalloe BSc.

De griffier, De kantonrechter-plaatsvervanger,

A.A. Kalloe LLB, fg. mr. A.C. Johanns

SRU-K1-2019-5

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 192075
25 juli 2019

Vonnis in de zaak van

ROS NATIONAL FISHERY N.V., gevestigd en kantoor houdende aan de J. D. Gompertstraat no. 92 B te Paramaribo,
gemachtigden: mr. L. Punwasi-Raghoebier en mr. F.M.S. Ishaak, advocaten,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “de NV”,
tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
A1 HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, VEETEELT EN VISSERIJ, gevestigd aan de Letitia Vriesdelaan no. 8 – 10 te Paramaribo,
A2 HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, meer in het bijzonder de Kustwacht, kantoor houdende aan de Cornelis Jongbawstraat no. 2 te Paramaribo,
gemachtigden: mr. M. G. A. Vos en mr. D. S. Kraag, advocaten,
gedaagden in kort geding,
hierna te noemen: “De Staat”.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 10 juni 2019.

1. Het verdere proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken

  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 11 juni 2019;
  • de respectieve conclusies tot uitlating na de comparitie zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan
Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoordeling
3.1 De NV vordert dat de kantonrechter de Staat veroordeelt tot intrekking van elke beslissing van de aangezegde verwijdering van de aan de NV toebehorende vaartuigen, althans tot opschorting van de gewraakte aanzegging tot verwijdering van de aan de NV toebehorende vaartuigen bekend als Fu Yuan Yu 9808, Fu Yuan Yu 9809, Fu Yuan Yu 9810, Fu Yuan Yu 9811, Fu Yuan Yu 9812 en Fu Yuan Yu 9813, op straffe van een dwangsom.

3.2 Zij heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de NV, als Surinaams bedrijf een verzoek heeft ingediend om in aanmerking te komen voor visvergunningen en op een later tijdstip heeft gevraagd 6 trawlervergunningen die haar waren toegezegd om te zetten in mid sea trawlervergunningen.
Zij heeft daarna toestemming van de autoriteiten gekregen om de 6 trawlers naar de haven van Cevihas te varen voor de inspectie. Met het voorgaande is bij de NV het vertrouwen gewekt door de Staat dat de omzetting van de trawlervergunning naar de mid sea trawlervergunning zou plaatsvinden.
Door hierna bij schrijven van 15 mei 2019 van de kustwacht de NV te sommeren de trawlers binnen 7 dagen uit de Surinaamse wateren te verwijderen, handelt de Staat onrechtmatig jegens de NV.
De NV voert daarbij tevens aan dat zij een naar Surinaams recht opgerichte rechtspersoon is die is gevestigd in Suriname. Haar vaartuigen moeten aangemerkt worden als Surinaamse vaartuigen waardoor het niet mogelijk is om de NV als Surinaams bedrijf te sommeren haar Surinaamse vaartuigen uit Surinaamse wateren te verwijderen.

3.3 De Staat heeft als verweer onder andere aangevoerd dat de Zeevisserijwet een dwingendrechtelijke procedure voorschrijft ter verkrijging van een registratiebewijs en van visvergunning ten behoeve van vissersvaartuigen. De Staat voerde voorts aan dat na de inspectie van de trawlers van de NV bleek dat de trawlers een motorvermogen hadden van meer dan 3000 pk, waardoor zij niet voldeden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld bij wet. Hierdoor is geen toestemming verleend voor registratie van de vaartuigen. Het voorgaande is bij schrijven van 3 januari 2019 van de Minister van LVV aan de NV medegedeeld. De Staat voert tevens aan dat de Kustwacht niet onrechtmatig handelt door geen toestemming te verlenen voor registratie en ook niet door de NV te vragen de vaartuigen te verwijderen uit de Surinaamse wateren. De Staat stelt voorts dat het argument van de NV, dat het vertrouwen bij de NV is gewekt, niet opgaat omdat de beschikking is gepubliceerd en van een bedrijf verwacht mag worden dat zij zich verdiept in de regelgeving welke betrekking heeft op de sector waarin het bedrijf actief is. De NV had hierdoor zelf moeten nagaan of de vaartuigen wel voldeden aan de vereisten die door de wet worden voorgeschreven.

3.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de Staat onrechtmatig handelt door de NV te sommeren de vaartuigen uit de Surinaamse wateren te verwijderen.
Daarbij moet tevens de vraag beantwoord worden of de vaartuigen voldoen aan de vereisten om zich in de Surinaamse wateren te bevinden, dan wel of de Staat het vertrouwen heeft opgewekt dat met betrekking tot de zes vaartuigen een vergunning zou worden verleend en dat de vaartuigen geregistreerd zouden worden, immers, dat is wat de NV als grondslag heeft aangevoerd.

3.5 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast en na de comparitie partijen in de gelegenheid gesteld na te gaan of het mogelijk is op minnelijke wijze het geschil op te lossen. Partijen zijn niet tot een minnelijke oplossing gekomen waardoor de vordering en de grondslag beoordeeld zullen worden.

3.6 Tijdens de comparitie van partijen is door de Staat onder andere naar voren gebracht dat voor de registratie van vaartuigen een aantal documenten noodzakelijk zijn.
De documenten die de Staat noemde zijn:

  1. een bewijs dat het vaartuig is uitgeschreven uit het register, waar het vaartuig was ingeschreven, omdat het meestal om een buitenlands vaartuig gaat (bewijs van uitschrijving);
  2. documentatie van de rederij van het vaartuig, althans de exploitant van het vaartuig, waaronder informatie over de aandelenverhouding, welke verhouding belangrijk is voor de vaststelling of een vaartuig een vreemd vaartuig is of een Surinaams vaartuig;
  3. een bemanningslijst;
  4. documenten van de douane ten aanzien van de inklaring en
  5. een meetbrief, waaruit de afmetingen van het vaartuig blijken.

3.7 De kantonrechter heeft tijdens de comparitie aan de NV gevraagd of deze de documenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de registratie.

3.8 Op deze vraag heeft de NV als volgt gereageerd: “Bepaalde documenten hebben wij niet overgelegd voor de registratie. Als wij de vaartuigen inklaren onder Surinaamse vlag dan zijn wij nog niet zeker of wij de vergunning zouden krijgen. Wanneer wij de vergunning zouden krijgen zouden wij de vaartuigen wel registreren. Ook vanwege het feit dat de inklaringskosten hoog zijn.” “Bij ons ging het meer om de aanvraag van de visvergunning en naderhand zouden wij de vaartuigen laten registreren.”
“Wij wisten niet dat het vaartuig geregistreerd moest worden en wij hebben ook geen aanvraag daartoe gedaan.” “Dit alles is vrij nieuw voor ons.”….. “De documenten van de douane zijn wel overgelegd. Maar een bewijs dat het vaartuig is uitgeschreven uit het land waar het was geregistreerd is niet overgelegd.”

Op de vraag van de kantonrechter of de aandelenverhouding is doorgegeven verklaarde de NV:“Nee wij hebben de aandelen verhoudingen niet doorgegeven aan de Staat.”

3.9 De kantonrechter overweegt dat uit het relaas van de NV aannemelijk is geworden dat de NV zelf geen verzoek heeft ingediend voor het registreren van de vaartuigen, daar niet de nodige documenten voor heeft ingediend en ook niet het voornemen had de vaartuigen als Surinaamse vaartuigen te doen registreren.
Noch de documenten betreffende de uitschrijving uit het land van herkomst, noch de documenten met betrekking tot de aandelenverhouding zijn overgelegd terwijl dat een vereiste is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor registratie.
De NV heeft daarnaast ook verklaard dat zij geen aanvraag heeft gedaan voor registratie omdat zij zich richtte op de visserijvergunningen voor de mid sea trawler visserij.

3.10 De kantonrechter overweegt dat, nu de NV heeft gesteld dat zij niet de benodigde documenten heeft ingediend voor de registratie en ook niet ervan op de hoogte was dat zij de documenten moest indienen voor de registratie, de Staat geen verwijt treft voor het feit dat de vaartuigen niet geregistreerd worden. Van onrechtmatig handelen zijdens de Staat is het dan ook niet gebleken.

3.11 De uitlatingen van de NV, met betrekking tot het gestelde van de Staat dat zij voor de registratie ook vraagt dat er een visserijvergunning zal worden verleend, zijn daardoor niet relevant en zullen niet verder besproken worden.

3.12 De kantonrechter overweegt voorts dat de Staat met betrekking tot het verzoek voor de mid sea trawler visserij als volgt heeft verklaard: “Er is een brief op 03 januari 2019 gestuurd naar Ros zijdens LVV, waarin staat opgenomen dat de vergunning geweigerd wordt voor de mid sea trawlers. In die brief staat 03 januari 2018 vermeld, maar eigenlijk moet het 03 januari 2019 zijn. Mid sea trawler visserij bestaat niet in Suriname. Het is ook niet opgenomen in de beschikking van 2018.”

3.13 De NV heeft in haar conclusie tot uitlating aangevoerd dat er wel mid sea trawler visserij vergunningen zijn verstrekt en heeft ter adstructie daarvan een productie overgelegd.

3.14 De Staat heeft daarop gereageerd en aangevoerd dat er door de vorige Minister van LVV een pilot project is geïnitiëerd, welk project uiteindelijk geen voortgang heeft gehad.

3.15 De kantonrechter overweegt dat uit het voorgaande aannemelijk wordt dat er vooralsnog in Suriname geen vergunningen worden verstrekt voor mid sea trawler visserij. Hierdoor treft de Staat geen verwijt en handelt zij niet onrechtmatig indien zij voor de zes vaartuigen geen mid sea trawler vergunning verleent.

3.16 Op grond van het voorgaande en het feit dat de mid sea trawler visserij niet is opgenomen in de beschikking van 2 februari 2018 (SB2018 no. 21) inzake vaststelling van het aantal visvergunningen, visvergunningsvoorwaarden en de hoogte van de visvergunningsrechten voor het dienstjaar 2018, is het ook niet aannemelijk dat de Staat het vertrouwen heeft opgewekt dat zij aan de NV dergelijke vergunningen zou verstrekken.

3.17 De kantonrechter overweegt voorts dat de Staat tijdens de comparitie van partijen met betrekking tot het optreden, zoals gemeld in het schrijven van 14 mei 2019 afkomstig van de Kustwacht, alsvolgt heeft verklaard:
“De schepen van ROS liggen thans in de visserijzône, zoals bedoeld in de Zeevisserijwet, voor de kust.”
“Artikel 22 lid 1 van de Zeevisserijwet geeft aan dat de kapitein van een vissersvaartuig niet zijnde een vreemd vissersvaartuig, verplicht is er zorg voor te dragen dat aan boord van zijn schip aanwezig zijn een exemplaar van het registratie bewijs en origineel en duplicaat van een vergunning; het certificaat van deugdelijkheid.
Lid 2: de kapitein van een vreemd vissersvaartuig is verplicht er zorg voor te dragen dat aan boord van zijn schip origineel of duplicaat exemplaar van de vergunning aanwezig is. Lid 3: op de eerste vordering van een vervolgingsambtenaar dient het registratiebewijs, de vergunning of het certificaat van deugdelijkheid van deze te worden vertoond en des gevraagd te worden afgegeven. ”
“Er was een verzoek van de waarnemend Directeur binnen gekomen. Daarbij was medegedeeld dat de vissersvaartuigen die ten anker lagen bij het Lichtschip, die geen vergunning zouden hebben, bezig waren te vissen. Op grond daarvan is het verzoek gedaan als de Kustwacht zou kunnen optreden.”
“De Kustwacht mag onder gezag van de Procureur-Generaal optreden. Dus zijn wij ervan uit gegaan dat alle wettelijke mogelijkheden toegepast moeten worden bij elke handeling die in strijd is met de wet.”
“Ten eerste erop toezien dat de vaartuigen die daar zonder vergunning zijn zich niet in de visserijzône begeven.”
De procedure die door ons met afstemming van de Procureur-Generaal gevolgd wordt, is ook een instructie van de Procureur-Generaal geweest. Dit houdt namelijk in dat wij controle uitvoeren op het illegaal aanwezig zijn van vaartuigen door de nodige papieren op te vragen.
Ten slotten willen wij er nog op wijzen dat het wettelijk kader voor het verwijderen van het vaartuig uit de wateren artikel 10 van de Wet maritieme zônes is en artikel 73 van het Zeerecht verdrag (UNCLOS). Dat is een algemeen recht dat de Kustwacht heeft.”

3.18 Het gestelde tijdens de comparitie van partijen maakt aannemelijk dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door de vergunningen niet te verlenen en maakt ook aannemelijk dat de Staat, nu de vaartuigen in de visserijzône liggen, mag optreden op grond van artikel 28 van de Zeevisserijwet.

3.19 De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de grondslag niet aannemeijk is geworden en zal het gevorderde weigeren.

3.20 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de NV, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

4. De beslissing
4.1 Weigert de gevraagde voorzieningen
4.2 Veroordeelt Ros in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 25 juli 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-1987-1

Kantonrechter Eerste Kanton
16 juli 1987, A.R. 872887
(Mr. S. Gangaram-Panday)

A. De Paranam Werknemers Bond, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo;

B. 1. [eiser b1], wonende te [district],
2. [eiser b2], wonende te [district],

C.1.[eiser c1], wonende te [district],
2. [eiser c2], wonende te [district],

D. 1.[eiser d1], wonende te [district],
2. [eiser d2], wonende te [district],

E. 1. [eiser e1], wonende te [district],
2. [eiser e2], wonende te [district],
3. [eiser e3], wonende te [district],

F. 1. [eiser f1], wonende te [district],
2. [eiser f2], wonende te [district],
door wie tot hun aller gemachtigden is gesteld, Mr. H.E. Struiken, advokaat, eisers in kort geding,

tegen

De Suriname Aluminum Company N.V., een vennootschap naar het recht van de Staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika en gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington in de Staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika, mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de van ’t Hogerhuystraat no. 55 in Suriname voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. S.A. Thijm, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld om ter zake als ten rekeste omschreven:
Primair:
a. de opgeschorte danwel geschorste arbeidsovereenkomsten te herstellen met ingang van 2 maart 1987, althans met ingang van het ten deze te wijzen vonnis.
b. met ingang van 2 maart 1987, althans met ingang van de dag van de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis, op de bij gedaagde normale en gebruikelijke loonbetalingstijdstippen, althans op zodanige tijdstippen als de Rechter in goede justitie gerade mocht achten of billijken, aan alle uur- en weekloners althans alle werknemers die vallen onder de inmiddels geëxpireerde CAO en in dienst zijn van gedaagde doch met wie gedaagde het dienstverband eenzijdig heeft opgeschort, tweewekelijks te betalen bij wege van voorschot het voor ieder van hen naar tijdsruimte vastgesteld basisloon, althans een door de Rechter naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag e.e.a. totdat gedaagde van de door ieder van hen aangeboden arbeid gebruik zal maken en tot vrijwillige loonbetaling overgaat.

Subsidiair:
dat bij vonnis in het kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde zal worden veroordeeld:

a. met ingang van 2 maart 1987 althans met ingang van het ten deze te wijzen vonnis de met eisers sub B t/m F opgeschorte dan wel geschorste arbeidsovereenkomsten te herstellen.
b. aan eisers sub B t/m F terzake als ten rekeste omschreven bij wege van voorschot te betalen in de volgorde als in de aanhef vermeld de navolgende sommen van f.4.041,60; f.5.188,80; f.5.208,–; f.3.811,20; f.6.696,–; f.5.952,– f.5.380,80 vermeerderd met de rente ad 6 % ’s jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.
c. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers sub B t/m F met ingang van 25 mei 1987, althans met ingang van de dag van de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis tweewekelijks althans op zodanige tijdstippen als de Rechter in goede Justitie gerade mocht achten of billijken te betalen bij wege van voorschot in de volgende als in de aanhef vermeld de sommen van f.673,60; f.636,80; f.673,60; f.675,20; f.673,60; f.864,60; f.868,–; f.635,20; f.1.116,–; f.992; f.896,80 e.e.a. totdat gedaagde van de door ieder der eisers sub B t/m F aangeboden arbeid gebruik zal maken tot vrijwillige loonbetaling overgaat.

Kosten rechtens.
Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. H.E. Struiken en Mr. A.S. Thijm, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers, alvorens voor eis te concluderen om aanvulling van het subsidiair gevorderde sub c van het petitum heeft verzocht, met dien verstande dat tussen de letter “F” en het woord “met” worde ingevoegd “met ingang van 25 mei 1987 althans”, waarna de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke conclusie van antwoord vergezeld van produkties heeft overgelegd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens nadere stukken hebben gewisseld, waarbij de gemachtigde van eisers tevens produkties heeft overgelegd;
Overwegende, dat de inhoud van alle stukken als hier ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat Wij hierna aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 2 juli 1987, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend belang van de eisers [eiser b1], [eiser b2], [eiser c1],
[eiser c2] en [eiser d2] uit de aard der stellingen blijkt;
Overwegende, dat nu de [eiser e2] sinds 1juni 1987 weer aan het werk is bij de gedaagde, hij geen spoedeisend belang meer heeft bij deze vordering en dus daarin niet ontvankelijk zal worden verklaard;
Overwegende, dat nu voorts de eisers [eiser d1], [eiser e1], [eiser e3], [eiser f1] en [eiser f2] hun vordering hebben ingetrokken, hen daarvan akte zal worden verleend;
Overwegende, dat de eiser sub A, de Paranam Werknemers Bond, zijn vordering op tweeërlei grondslag heeft ingesteld, te weten:

  1. namens alle overige uur- en weekloners in dienst van de gedaagde voorzover die niet in het bedrijf van de gedaagde te Moengo te werk zijn gesteld, omdat zij vanaf 16 maart 1987 geen loon meer van de gedaagde ontvangen, daardoor hun (vaak groot) gezin niet (meer) kunnen onderhouden, hun (lang en kort lopende) schulden niet (meer) kunnen aflossen, althans betalen en hun gezinsleden verstoken blijven van de essentiële medische voorzieningen en
  2. voor zichzelf, omdat hij door de stopzetting van de loonbetaling geen contributie (meer) ontvangt van die werknemers van de gedaagde, die leden van de bond zijn;

Overwegende, dat zo een algemene vordering van de eiser sub A namens de uur- en weekloners bovengenoemd zich niet leent voor behandeling in kort geding, omdat toch elk specifiek geval van een werknemer van de gedaagde, van wie de loonbetaling is stopgezet, op zijn eigen merites zal moeten worden beoordeeld omdat de omstandigheden van ieder hunner van geval tot geval toch van elkaar zullen verschillen, hetgeen in casu dus niet mogelijk is en voorts omdat

  1. een groot aantal werknemers van de gedaagde, waaronder ook uur- en weekloners, inmiddels gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om vrijwillig met ontslag te gaan na acceptatie van financiële voorzieningen hen door de gedaagde geboden,
  2. een aantal van hen met vervroegd pensioen is gegaan en
  3. een groot aantal van hen weer aan het werk is bij de gedaagde, hebbende een en ander tot gevolg dat de eiser sub A in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is;

Overwegende, dat de eiser sub A ook in zijn contributie vordering, die hij via de gedaagde van zijn leden ontvangt, niet ontvankelijk is omdat hij verzuimd heeft zijn spoedeisend belang daarbij aan te geven;
Overwegende, dat derhalve de eiser B.1., B.2., C.1., C.2. en D.2. slechts in hun vordering strekkende tot loonbetaling ontvankelijk zijn, omdat zij met betrekking tot de medische- en tandheelkundige voorzieningen in het petitum voor hen en voor hun gezin niets gevorderd hebben (zij hebben zelfs verzuimd aan te geven of zij een gezin hebben ), waaraan dan verder ook zal worden voorbij gegaan;
Overwegende, dat tussen deze eisers en de gedaagde, inzoverre hier van belang, rechtens vaststaat – als enerzijds gesteld en anderzijds erkend – dat:

  1. de tussen eiser sub A als vakbond en de gedaagde een collectieve arbeidsovereenkomst (C.A.O.) heeft bestaan van 1 april 1985 tot en met 29 maart 1987;
  2. ondanks de expiratie van de C.A.O. haar bepalingen, met uitzondering van enkele, van rechtswege deel uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten tussen de gedaagde en haar werknemers, (waaronder de bovengenoemde eisers), die niet met ontslag of pensioen zijn gegaan;
  3. de gedaagde aan deze eisers vanaf 16 maart 1987 geen loon meer heeft uitbetaald op grond dat zij buiten schuld van partijen geen gebruik van hun diensten heeft kunnen maken vanwege: a. het opblazen van een drietal hoogspanningsmasten door derden op 25 januari 1987 op de stroomvoorzieningslijn Afobakka naar Paranam, waardoor de stroomvoorziening van de aluminium smelterij is komen weg te vallen, hetgeen tot sluiting hiervan heeft geleid en b. het vernielen door een aantal werknemers van de gedaagde van de bedrijfsinstallaties van de aluinaarde-fabriek van de gedaagde, waardoor deze tijdelijk werd stilgelegd en nog steeds niet op volle toeren draait;

Overwegende, dat de vraag die partijen verdeeld houdt, deze is of de gedaagde op grond van de hierboven onder 3 genoemde omstandigheden gerechtigd was en is de loonbetaling aan de eisers, bovengenoemd, stop te zetten;
Overwegende, dat artikel 1615b B.W. bepaalt dat geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht, en artikel 1614d lid 1 Burgerlijk Wetboek, daarop voortbouwend, zegt dat de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdsruimte vastgesteld loon niet verliest, indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt, het zij door eigen schuld of zelfs ten gevolge van, een hem persoonlijk betreffende, toevallige verhindering;
Overwegende, dat dit laatste aldus dient te worden verstaan dat de werknemer zijn aanspraak op loon behoudt, indien de bedongen arbeid niet kan worden gebruikt ten gevolge van een omstandigheid die in de verhouding van partijen meer in de risicosfeer van de werkgever of dienst bedrijf ligt dan in die van de werknemer;
Overwegende, dat van de eerste bovengenoemde omstandigheid (vernieling hoogspanningsmasten door derden), naar Ons voorlopig oordeel niet gezegd kan worden dat die in de risicosfeer van een van de partijen (de werkgever of de werknemers) ligt – en dus ook niet meer in die van de werkgever dan in die van de werknemers – op grond waarvan niet gezegd kan worden dat de werknemers, waaronder de eisers bovengenoemd die nog niet te werk gesteld zijn in het bedrijf van de gedaagde, hun aanspraak op loon jegens de gedaagde behouden;
Overwegende, dat van de tweede bovengenoemde omstandigheid (vernieling door een aantal werknemers van de gedaagde van de bedrijfsinstallaties van de aluinaardefabriek) naar Ons voorlopig oordeel wel gezegd kan worden dat die meer in de risicosfeer van de werknemers dan in die van de werkgever ligt, ook al heeft slechts een klein deel van de werknemers daaraan deelgenomen, omdat degenen die de vernieling gepleegd hebben toch hadden moeten begrijpen dat die tot gevolg zou hebben dat de aluminiumproduktie, zij het tijdelijk, zou worden stopgezet, hetgeen consequenties voor de (mede) werknemers tot gevolg zou hebben, hetgeen in de vorm van stopzetting van de loonbetaling zij het voor een deel van de werknemers ook niet is uitgebleven;
Overwegende, dat het karakter van dit geding met zich medebrengt dat niet kan worden nagegaan welke werknemers van de gedaagde wel en welke niet voor daadwerkelijke wederinzetting in het arbeidsproces van de gedaagde in aanmerking komen en ook niet of de gedaagde over genoegzame andere vormen van energie dan hydro-energie beschikt om de smelterij weder op te starten en aldus de daarbij werkzame werknemers daadwerkelijk aan het arbeidsproces wederom te laten deelnemen;
Overwegende, dat op grond van het bovenoverwogene aan de bovengenoemde eisers de gevraagde loonvoorzieningen zullen worden geweigerd, met hun veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

Rechtdoende in kort geding
Verklaren de eisers Sub A en E.2., niet ontvankelijk in hun vordering.
Verlenen de eisers sub D.1., E.1., E.3., F.1., en F.2. akte van vermindering van hun vordering.
Weigeren aan de eisers sub B.1., B.2., C.1., C.2., en D.2. de gevraagde voorzieningen.
Veroordelen de eisers sub B.1., B.2., C.1., C.2. en D.2. in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. enz.

SRU-K1-2018-7

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 180789
29 maart 2018
Vonnis in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. [eiser], gevestigd in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,
hierna te noemen: “ [eiser]”,
tegen

[gedaagde], wonende in [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. R. Schurman, advocaat,
hierna te noemen: “ [gedaagde]”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 9 februari 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord, met producties,
– de conclusie van repliek,
– de conclusie van dupliek, met productie,
– de conclusie tot uitlating productie zijdens [eiser].

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen waren verwikkeld in een geschil in verband met een aanrijding waarbij [eiser] [gedaagde] heeft aangereden.
2.2 [eiser] heeft geclaimed bij zijn verzekeringsmaatschappij waarna de verzekeringsmaatschappij aan [gedaagde] een uitkering heeft gedaan.
2.3 [gedaagde] heeft bij de kantonrechter een vordering ingesteld naar aanleiding van de aanrijding welke vordering bekend staat onder arno. 155052.
2.4 In dit geding is op 21 januari 2016 vonnis gewezen waarbij [eiser] veroordeeld is tot betaling van SRD.6.732,74 aan [gedaagde] en tevens betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
2.5 Uit hoofde van dit vonnis heeft [gedaagde] bij exploit van 26 januari 2018 executoriaal beslag gelegd onder de Republic Bank ten laste van [eiser].

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
[eiser] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– [gedaagde] veroordeelt om het gelegd beslag op te heffen op straffe van een dwangsom;
– [eiser] machtigt om het beslag zelf op te heffen;
– Schorst, althans opschort de werking van het bij verstek gewezen vonnis in de zaak bekend onder arno. 155052 en voorts
– [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
[eiser] heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het vonnis niet juist is omdat de volledige schade welke door de aanrijding is ontstaan reeds is vergoed door de verzekeraar. Om die reden is het vonnis niet juist en het beslag onrechtmatig.

4. Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 [gedaagde] heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd; 1. dat de oproeping voor de zaak met arno. 155052 persoonlijk aan [eiser] is uitgereikt en dat hij niet op de zitting is verschenen; dat hij derhalve op de hoogte was van de vordering doch verstek heeft laten gaan waardoor het vonnis is uitgesproken; 2. dat [eiser] geen verzet heeft aangetekend tegen het vonnis waardoor het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en niet kan worden geschorst; 3. dat [eiser] geen gronden heeft genoemd welke zouden kunnen leiden tot schorsing van de werking van het vonnis.
5.2 [eiser] heeft niet betwist dat hij geen verzet heeft aangetekend tegen het vonnis waardoor de schorsing van de werking van het vonnis niet kan worden toegewezen, immers, de schorsing van de werking van een vonnis kan slechts overwogen worden indien tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangetekend.
5.3 De kantonrechter zal om die reden de gevorderde schorsing niet kunnen toewijzen, evenmin als de toewijzing van de gevorderde opheffing van het executoriaal beslag, nu dit beslag het gevolg is van de ten uitvoerlegging van het eerderbedoeld vonnis.
5.4 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing
6.1 Wijst af het gevorderde;
6.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 29 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2005-5

A.R. no.013903
VONNIS inzake

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie
gemachtigde: thans mr. D. Chocolaad, advocaat

tegen

A. DE STICHTING DE ZILVEREN AKKER, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie,
procederend in persoon, met bijstand van A.R. Asmus, gemachtigde,

B. [gedaagde sub B],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. A. E. Debipersad, advocaat.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser], de Zilveren Akker en [gedaagde sub B].

Vooraf
Voorafgaande aan deze procedure heeft [eiser] na rechterlijk verlof, door deurwaarder H. Debipersad op 7 december 2001 onder [nummer 1] conservatoir beslag doen leggen op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 382.5 m2 gelegen te [district] ten noorden van de [weg], overgeschreven in [register deel en nummer 1].

1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat op 13 december 2001 ter griffie der kantongerechten is ingediend waaraan gehecht enkele producties;
  • de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub A;
  • de conclusie van antwoord en eis in conventie zijdens gedaagde sub B;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie zijdens gedaagde sub B;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. [eiser] verkreeg middels overschrijving ten hypotheekkantore op 4 augustus 1993 van een akte van scheiding en deling d.d. 22 juli 1993, gepasseerd ten overstaan van notaris mr. L.D. Hira Sing de eigendom van het perceelland groot 382.5 m2 gelegen te [district] aangeduid op de kaart van de landmeter H. Raatgever d.d. 4 januari 1966 met de letters ABCD en genummerd [nummer 2] instede van [serie], deel uitmakende van het perceel groot 52.5748 ha, aangeduid met de letters ABCDEF en bekend als [grond en nummer], welk perceel deel uitmaakt van het resterend gedeelte van de [grond], gelegen ten noorden van de [weg], overgeschreven in [register deel en nummer 1].

2.2. Volgens akte van geldlening met hypotheekstelling d.d. 26 oktober 1999, verleden ten overstaan van notaris Ramdew Ramautar ontving [persoon] van de ZILVEREN AKKER, de som van NF 18.200,= (achttien duizend tweehonderd gulden Nederlandse courant).

2.3. Voor de onder 2.2. genoemde schuld is [eiser] als onderzetter opgetreden waarbij het onder 2.1. vermelde onroerend goed als hypothecaire dekking werd verbonden en is ingeschreven ten hypotheekkantore op 28 oktober 1999 in [register deel en nummer 2].

2.4 Krachtens de akte van geldlening met hypotheekstelling diende de schuldenares de lening terug te betalen binnen 6 (zes) maanden na 26 oktober 1999, met bijbetaling van 1% rente per maand; dus NF 14.000,= lening hoofdsom en NF 4.200,= aan rente (NF 700,=) per maand.

2.5. Door de schuldenares zijn de navolgende betalingen gedaan:

1e betaling ad. NF 700,= 26 november 1999
2e betaling ad. NF 3.500,= 25 mei 2000
3e betaling ad. NF 10.000,= 27 november 2000

2.6. De vierde en tevens laatste betaling ad. NF.4.000,= heeft niet plaatsgevonden.

2.7 Op 4 mei 2001 werd het onder 2.1. vermelde onroerend goed krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek in het openbaar verkocht.

2.8 Door koop op deze openbare veiling en de daarop volgende overschrijving in de hypothecaire registers van de akte van openbare veiling en toewijzing is [gedaagde sub B] eigenaar geworden van het ligitieuze onroerend goed.

3. De vordering, grondslag van de vordering en het verweer
3.1. [eiser] vordert alsvolgt primair in conventie:

A). Dat nietig zal worden verklaard althans vernietigd zal worden de openbare veiling welke gehouden is ten overstaan van notaris R. Ramautar d.d. 4 mei 2001 en de daarop gevolgde overschrijving van de akte van openbare verkoop op 17 mei 2001 in de registers van het hypotheekkantoor met name [registernummer]
B). Dat de doorhaling zal worden gelast van de overschrijving van de akte van openbare veiling d.d. 4 mei 2001 zoals geschied in [registernummer] ten hypotheekkantore op 17 mei 2001;
C). Dat [gedaagde sub B] zal worden gelast de gegeven beslissingen te gehengen en te gedogen.

3.2. Subsidiar wordt verkort weergegeven gevorderd:

  • veroordelen van DE ZILVEREN AKKER tot betaling van de som van Sf. 19.000.000,= terzake van schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente ad. 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  • DE ZILVEREN AKKER en [gedaagde sub B] te veroordelen in de kosten van het geding en de beslagkosten;
  • vanwaardeverklaring van het gelegd conservatoir beslag.

3.3. [eiser] stelt daartoe in conventie:

  • dat de schuldenares volgens de akte van geldlening met hypotheekstelling van DE ZILVEREN AKKER ter leen heeft ontvangen de som groot NF. 18.200,= maar dat zij na aftrek van administratiekosten slechts een bedrag van NF.12.500,= heeft ontvangen;
  • dat de schuldenares de lening terug diende te betalen binnen zes maanden na 26 oktober 1999 (kantonrechter: uiterlijk op 26 april 2000);
  • dat in afwijking van deze terugbetalingsafspraak, door hem met de directie van DE ZILVEREN AKKER een nadere betalingsafspraak is overeengekomen inhoudende dat over de terugbetaling langer mocht worden gedaan indien de daarop volgende zes maanden de rente werd voldaan. Volgens deze afspraak zou de laatste betaling op uiterlijk 26 mei 2001 plaatshebben;
  • dat de wettelijke termijn zoals opgenomen in artikel 10 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering niet in acht is genomen bij het betekenen van het exploit inzake de veiling.

3.4. DE ZILVEREN AKKER stelt dat uit de ondertekende hypotheekakte de grootte van het ontvangen bedrag blijkt. Bovendien heeft de hypotheeknemer na diverse mondelinge en schriftelijke aanmaningen niet binnen de gestelde termijn aan haar verplichtingen voldaan. [gedaagde sub B] ontkent dat er misslagen zijn begaan bij de procedure die tot de veiling moest leiden en stelt voorts dat termijn voor aanzegging c.q. oproep bedoeld in artikel 10 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing is op executie krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek.

3.5. [gedaagde sub B] vordert in reconventie verkort weergegeven alsvolgt:

I. Het door deurwaarder D. Hieralal bij exploit [nummer 1] d.d. 7 december 2001 gelegd conservatoir beslag op te heffen.
II. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde sub B] te voldoen alle andere door hem geleden schade, voortvloeiende uit het onder I bedoelde beslag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens wet.

3.6. Op het verweer van [eiser] in reconventie komt de kantonrechter voor zover nodig terug.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. [eiser] heeft zelf aangegeven dat de betalingsverplichting niet binnen de oorspronkelijke vastgestelde termijn is afgerond (kantonrechter: uiterlijk 26 april 2000). In het 5e en 6e onderdeel van zijn verzoekschrift stelt [eiser] verder dat volgens nadere afspraak met DE ZILVEREN AKKER over de terugbetaling langer mocht worden gedaan. Daarbij zou de laatste betaling ad. NF. 4.000,= op uiterlijk 26 mei 2001 plaatshebben.

4.2. DE ZILVREN AKKER heeft dit laaste verweer niet gemotiveerd betwist maar, volstaan met de stelling dat de hypotheeknemer (kantonrechter: kennelijk hypotheekgever) in gebreke is gebleven binnen de gestelde termijn aan zijn verplichtingen voldoen.

4.3. Gelet op de datum van de veiling (4 mei 2001) kan die stelling alleen betrekking hebben op de oorspronkelijke betalingsregeling.

4.4. Hieruit volgt dat DE ZILVEREN AKKER de nadere door eiser gestelde afspraak niet heeft betwist. Daarom is in rechte komen vast te staan dat partijen een andere uiterste betaaltermijn zijn overeengekomen.

4.5. Uit [eiser]’s stellingen leidt de kantonrechter af dat hij kennelijk een beroep doet op het feit dat DE ZILVEREN AKKER niet bevoegd was het verbonden goed voor 26 mei 2001 in het openbaar te verkopen. Zulks, daar [eiser] voor deze datum althans uiterlijk op die dag zijn schuld kon voldoen en hij dus op de veilingdag (4 mei 2001) niet in gebreke was om aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.6. De kantonrechter concludeert dat de hoofdvordering nog niet opeisbaar was ten tijde van de veiling op 4 mei 2001 en DE ZILVEREN AKKER niet gerechtigd was tot openbare verkoop van het verbonden goed. DE ZILVEREN AKKER heeft aldus onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig jegens [eiser].

4.7. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat de veiling en de toewijzing in strijd met de wet hebben plaatsgevonden. Geconcludeerd wordt dat de veiling rechtsgeldig is en [gedaagde sub B] koper te goede trouw is. Omdat degene die het de zin van artikel 639 van het Burgerlijk wetboek, was [gedaagde sub B] gerechtigd het proces-verbaal van de veiling ter overschrijving van de hypotheekregisters aan te bieden.

4.8. Uitgaande van de mogelijke nietigheid van de gehouden veiling heeft [eiser] conservatoir beslag doen leggen op het onroerend goed. Deze nietigheid is niet gebleken waardoor niet is voldaan aan een voorwaarde voor de vanwaardeverkaring van het gelegd conservatoir beslag. De vordering daartoe dient dus te worden afgewezen.

4.9. DE ZILVEREN AKKER zal als de in ongelijk gestelde partij, verwezen worden in de proceskosten.

In reconventie

4.10 [gedaagde sub B] heeft gesteld dat hij als gevolg van het door [eiser] gelegd conservatoir beslag schade lijdt en zal lijden. Hij vordert opheffing van het gelegd beslag en wenst de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de schadeprocedure.

4.11 Aan de voorwaarden voor de vanwaardeverklaring van het gelegd conservatoir beslag is niet voldaan. Daarom zal het gelegd beslag worden opgeheven.

4.12 [gedaagde sub B] heeft gesteld dat hij als gevolg van het gelegd beslag schade lijdt en zal lijden, maar heeft deze stelling niet feitelijk onderbouwd. Derhalve is niet in rechte komen vast te staan dat de schade aannemelijk is en zal vordering tot het nader opmaken van de schade bij staat worden afgewezen.

5. De beslissing
De Kantonrechter:

In conventie

5.1. Wijst af het primair gevorderde.

5.2. Veroordeelt DE ZILVEREN AKKER om aan [eiser] terzake schadevergoeding te betalen de som van SRD 19.000,= (negentien duizend Surinaamse Dollars) vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 13 december 2001 tot aan de algehele voldoening.

5.3. Veroordeelt DE ZILVEREN AKKER in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan de uispraak begroot op SRD 115,10 (eenhonderd en vijftien 10/100 Surinaamse Dollar).

5.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.5. Heft op het door deurwaarder H. Debipersad op 7 december 2001 onder [nummer 1] gelegd conservatoir beslag.

5.6. Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub B] en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.7. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen op heden dinsdag 26 juli 2005, door de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo, mr. drs. C.C.I.A. Valstein-Montnor, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier mr. D. Ramdin.

SRU-K1-2018-6

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 151860
15 februari 2018
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

A. [eiser],
B. [eiseres], echtelieden, beiden wonende in Nederland,
eisers in conventie en gedaagden in reconventie en in het incident in kort geding,
gemachtigde: mr. A. R. Baarh, advocaat,
hierna te noemen: “het echtpaar”,

tegen

A. ROYAL BANK OF TRINIDAD EN TOBAGO SURINAME N.V., gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
B. RBC ROYAL BANK (SURINAME) N.V., thans genaamd REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V., gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
C. [gedaagde sub C], wonende in [dictrict 1],
D. DE BEWAARDER VAN HET HYPOTHEEKREGISTER, kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagden in conventie, gedaagde sub B tevens eiseres in reconventie en gedaagden sub A en B tevens eisers in het incident in kort geding,
gemachtigde voor gedaagden sub A en B: mr. H. Lim A Po, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub D: mr. C. B. Lachman, advocaat,
gedaagde sub C: niet verschenen,
hierna te noemen: “RBTT, RBS, [gedaagde sub C] en de hypotheekbewaarder”.

1. Het proces verloop:
In conventie, in reconventie en in het incident:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 21 april 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, zijdens RBS;
– de conclusie van antwoord zijdens de hypotheekbewaarder,
– de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring zijdens de RBTT en RBS,
– de conclusie van antwoord in het incident zijdens het echtpaar,’
– de conclusie tot uitlating zijdens de hypotheekbewaarder.

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Het echtpaar is eigenaar van het ten rekeste vermeld perceelland groot 1 hectare gelegen in [district 2].
2.2 Het perceelland is blijkens een overgelegd uittreksel uit het hypotheekregister bezwaard met een hypotheek ten behoeve van de RBTT. Bij de vestiging van de hypotheek is [gedaagde sub C] als gevolmachtigde opgetreden van het echtpaar.
2.3 De volmacht uitgebracht door het echtpaar op [gedaagde sub C] bezat een beperking.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering in conventie
Het echtpaar vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Schorst of opschort de rechtshandeling tot vestiging van hypotheek vervat in de akte van [notaris] te Paramariob verleden op 3 juni 2011;
– De hypotheekbewaarder gelast om het vonnis te gehengen en te gedogen en voorts
– De gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Het echtpaar heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat [gedaagde sub C] vanwege de beperking in de volmacht geen hypotheek had mogen vestigen voor het bedrag van SRD.100.000,=. Door het perceel toch voor zo een hoog bedrag te bezwaren heeft hij het echtpaar schade toegebracht. De RBTT was op de hoogte van de beperking in de volmacht doch heeft toch toegestaan dat het perceel voor een hoger bedrag werd bezwaard. Hiermee heeft RBTT onrechtmatig gehandeld jegens het echtpaar. De RBS is als rechtsopvolger van de RBTT gehouden om in te staan voor de gevolgen van het onrechtmatig handelen van de RBTT.

3.3 De vordering in reconventie
RBS vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Het echtpaar, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt om aan de RBS te betalen de totale uitstaande schuld zoals door de kantonrechter wordt vastgesteld, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2 De grondslag
De RBS heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat, indien de hypotheekstelling zou worden geschorst in haar werking of anderszins mocht worden aangetast, dan is de hele schuld gelijk opeisbaar. Om die reden zal het echtpaar bij toewijzing van de vordering in conventie, veroordeeld moeten worden tot betaling van de schuld.

3.5 De vordering in het incident
De RBTT en RBS vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Gelast dat in vrijwaring wordt opgeroepen de persoon van [notaris].

3.2 De grondslag
De RBTT en RBS hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij nimmer aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een eventuele overschrijding van de beperking van de volmacht. De notaris dient in dit geding betrokken te worden omdat hij de akte heeft verleden. Indien mocht blijken dat de rechtshandeling nietig is, dan moet het echtpaar de notaris aanspreken en niet de RBS. De notaris dient in te staan voor mogelijke tekort komingen bij de vervulling van zijn ambt.

4. Het verweer
De RBTT, RBS en de hypotheekbewaarder hebben verweer gevoerd in conventie.
Het echtpaar heeft verweer gevoerd in het incident.

5. De Beoordeling
In het incident
5.1 Het echtpaar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechter met betrekking tot de incidentele vordering.
5.2 De kantonrechter overweegt dat voor een oproeping in vrijwaring, door de incidenteel eiser moeten worden aangetoond dat tussen hem en de op te roepen waarborg een zodanige rechtsverhouding bestaat, dat de waarborg de incidenteel eiser dient vrij te houden van de nadelige gevolgen van het verliezen van de hoofdzaak.
5.3 RBTT en RBS hebben als grondslag voor het gevorderde eigenlijk aangevoerd dat niet zij zouden moeten worden aangesproken bij eventuele schade, doch de notaris.
5.4 De kantonrechter overweegt dat in casu slechts de schorsing van de werking van de hypotheek wordt gevorderd en geen schadevergoeding. Reeds om die reden hebben RBTT en RBS niet aannemelijk kunnen maken dat er een grondslag is voor het gevorderde.
5.5 Om die reden zal de kantonrechter het gevorderde afwijzen.

In de hoofdzaak
5.6 Partijen zullen in de gelegenheid gesteld worden om verder te procederen in de hoofdzaak.

6 De Beslissing
In het incident
5.1 Wijst af het gevorderde;

In de hoofdzaak
In conventie en reconventie
5.2 Stelt het echtpaar in de gelegenheid de conclusie van repliek jegens de hypotheekbewaarder en de RBTT te nemen en de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie jegens de RBS;
5.3 Roept daartoe deze zaak af voor de terechtzitting van donderdag 8 maart 2018 om 09.00 uur des voormiddags;
5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. I. S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 15 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.