SRU-K1-2019-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-1731
13 mei 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE STAAT SURINAME meer specifiek het MINISTERIE VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN,
rechtspersoon in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelend aan de Limesgracht 92 te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,

tegen

N.V. NATURE BEAUTY,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Tweekinderenweg 46 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigden: S.R. Ramman BSc en mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaten.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 03 mei 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend met producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 mei 2019;
  • de conclusie tot aanvulling eis met producties;
  • de conclusie van antwoord en uitlating aanvulling eis;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek;
  • de overlegging van een productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1 Bij vonnis van 24 november 2017 van de kantonrechter in het eerste kanton in de zaak met het A.R. no 17-4478 is eiser – kort gezegd – veroordeeld om binnen een week na de uitspraak aan gedaagde een tweede verlenging van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen op het perceelland groot 17.645ha te verstrekken, en de aan derden uitgegeven beschikkingen ter uitoefening van mijnbouwrechten op het perceelland groot 17.645ha in te trekken onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000, – tot maximaal SRD 10.000.000, -.

2.2 Bij vonnis van 08 februari 2018 heeft de kantonrechter in het eerste kanton in de zaak met het A.R. no 18-0001 – kort gezegd – de bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen, [GMD no. 1] van 30 november 2017 ten name van gedaagde geschorst, en eiser verboden om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede exploratiebeschikking van gedaagde tot gevolg heeft anders dan wanneer gedaagde in strijd zou handelen met eerdere beschikkingen, [GMD no.2] en [GMD no. 3] of indien gedaagde in strijd zou handelen met de tweede verlengingsbeschikking na schorsing van de voorwaarden en bepalingen casu quo aanvullingen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000, – tot maximaal SRD 10.000.000, -.

2.3 Eiser heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van 08 februari 2018 in de zaak met het A.R. no 18-0001.

2.4 Bij vonnis van 07 maart 2019 van de kantonrechter in het eerste kanton in de zaak met het A.R. no 18-2496 is – kort gezegd – de opheffing gelast van de executoriale derdenbeslagen van 16 mei 2018 met de nummers [Q-1] en [Q-2] en van 17 mei 2018 met het nummer [Q-3] onder:
a. Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,
b. Rosebel Gold Mines N.V.,
c. Newmont Suriname LLC.

2.5 Bij exploot van 11 april 2019 [no.] is bevel gedaan tot opheffing van de hiervoor onder 2.4 vermelde beslagen.

2.6 Op 17 mei 2018, 20 februari 2019, 25 maart 2019, 17 en 18 april 2019 heeft gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd, respectievelijk onder:

a. De Centrale Bank van Suriname,
b. Surinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V.,
c. Newmont Suriname LLC,
d. N.V. Grassalco,
e. Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,
f. Rosebel Goldmines N.V.,
g. N.V. Luchthavenbeheer,
h. N.V. Havenbeheer,
i. Centrale Vissershaven Suriname N.V.

2.7 Het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, Geologisch Mijnbouwkundige Dienst, heeft bij schrijven van 15 april 2019 aan de minister van Natuurlijke Hulpbronnen bevestigd dat het mijnbouwrecht aan gedaagde is verstrekt onder het [GMD no. 1] met een oppervlakte van 17.645ha op maandag 04 december 2017. Het recht betreft exploitatie naar goud en andere mineralen, gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Saramaccarivier, zoals aangeduid op de figuratieve kaart van landmeter J.O.A. Mans, d.d. 04 oktober 2016. De heer [naam] heeft de beschikking in ontvangst genomen. Voorts is in voormeld schrijven van het ministerie verklaard dat het perceelland conform het Mijnbouwdecreet E-58, artikel 29 lid 3 aan geen ander dan Nature Beauty N.V. in exploratie is toegewezen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert bij eiswijziging – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  • de opheffing gelast van de gelegde executoriale derdenbeslagen;
  • gedaagde veroordeelt tot betaling van SRD 30.000.000, – als voorschot op de door eiser opgelopen schade vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van eerste beslaglegging;
  • gedaagde verbiedt om vanaf de uitspraak tot aan de dag van een in gezag van gewijsde gegane uitspraak over te gaan tot het executeren van vermeende dwangsommen uit hoofde van de vonnissen bekend onder de A.R. nummers 17-4478 en 18-0001 op straffe van een dwangsom van SRD 500.000.000, – voor iedere dag of keer dat gedaagde zich niet aan de beslissing houdt;
  • gedaagde veroordeelt in gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ad SRD 15.000, -;

subsidiair

  • de opheffing gelast van de gelegde executoriale derdenbeslagen;
  • gedaagde veroordeelt tot betaling van SRD 30.000.000, – als voorschot op de door eiser opgelopen schade vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van eerste beslaglegging;
  • opschort of schorst de werking van de vonnissen bekend onder de A.R. nummers 17-4478 en 18-0001 totdat hierover definitief is beslist;
  • gedaagde veroordeelt in gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ad SRD 15.000, -.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gelegde executoriale derdenbeslagen vexatoir en in strijd met de beginselen van een goede rechtsorde zijn. Daartoe voert eiser kort gezegd aan dat:

  • geen dwangsommen verbeurd zijn, omdat hij, eiser, uitvoering heeft gegeven aan de veroordelingen in de zaken met de A.R. nummers 17-4478 en 18-0001 inhoudende de verlening en afgifte van de verlengingsbeschikking aan gedaagde. Aan het tweede deel van de vordering in het vonnis van 24 november 2017 kan eiser geen uitvoering geven, omdat geen exploratie- of andere rechten aan derden zijn toegewezen in het betreffende gebied;
  • gedaagde geen hoger beroep heeft aangetekend maar in plaats daarvan wederom executoriaal derdenbeslag heeft gelegd en daarmee het vonnis tussen partijen gewezen op 07 januari 2019 met het A.R. no. 18-2496 heeft genegeerd;
  • gedaagde bij het leggen van de beslagen de bepalingen in artikel 313 jo artikel 314, 316 jo artikel 324 en 344 Rv niet in acht heeft genomen;
  • gedaagde, in strijd met de wet, beslag heeft gelegd op goederen van de staat die bestemd zijn voor de openbare dienst.

3.3 Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen. Het verweer zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiser. Om die reden zal hij worden ontvangen in het kort geding.

4.1.1 Middels de hiervoor onder 2.6 genoemde executoriale derdenbeslagen wil gedaagde op grond van een door de kantonrechter gewezen vonnis van 24 november 2017 een totale som aan dwangsommen ad SRD 20.000.000,- incasseren. In het onderhavig kort geding vordert eiser opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen en een vergoeding wegens geleden schade ad SRD 30.000.000,-.

4.2 Allereerst overweegt de kantonrechter dat bij de beoordeling van onderhavig geschil, ingevolge vaste jurisprudentie ter beantwoording van de vraag of een bij rechterlijk bevel veroordeelde behoorlijk uitvoering heeft gegeven aan dat bevel, met daaraan verbonden een dwangsom, plaats dient te vinden door hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot uitgangspunt te worden genomen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (Vgl. Hoge Raad 15 november 2002, NJ 2004, 410).

4.2.1 Gedaagde heeft eisers stelling niet betwist, dat de tweede verlengingsbeschikking op 30 november 2017 is ondertekend, zes dagen na vonniswijzing in de zaak met het A.R. no.17-4478 (zie hiervoor onder 2.1). Uit het vonnis in de zaak met het A.R. no. 18-0001 van 08 februari 2018 blijkt bovendien dat gedaagde de verlengingsbeschikking van 30 november 2017 aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. De kantonrechter is het met eiser eens dat indien gedaagde eerst op 4 december 2017 de betreffende beschikking heeft afgehaald zulks hem, eiser, niet treft. Uit het exploot van 17 mei 2018 met het nummer [Q-4] blijkt evenwel onweersproken dat gedaagde tegen beter weten in de dwangsommen rekent vanaf 02 december 2017. Op 02 januari 2018 dient gedaagde het verzoekschrift in de zaak met het A.R. no. 18-0001 in. De vordering is – samengevat – dat de kantonrechter bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking opschort of schorst en dat eiser verboden wordt om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede beschikking van gedaagde tot gevolg zouden hebben. Uit het vonnis van 08 februari 2018, A.R. no. 18-0001, vloeit voort dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden gesteld dat eiser volledig aan de veroordeling bij vonnis van 24 november 2017, A.R. no. 17-4478 heeft voldaan. Conclusie van het vorenstaande is dat voorshands aannemelijk is dat eiser dwangsommen verbeurd heeft.

4.3 Voorts merkt de kantonrechter op dat een schuldeiser voor het executeren van dwangsommen op dezelfde wijze te werk dient te gaan als bij elke andere executie van geldvordering. Ook met betrekking tot verbeurde dwangsommen moet de executie daarvan aanvangen met een bevel tot betaling ex artikel 313 lid 2 Rv (Hoge Raad 26-03-1999, NJ 1999, 447).

4.3.1 Uit de productie genummerd 6, door eiser bij verzoekschrift overgelegd, blijkt dat bij exploot van 17 mei 2018 met het nummer [Q-4] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, L. Tran Van Can-Doesburg, is gerelateerd dat de dwangsommen, gerekend vanaf 02 december 2017 tot en met 07 mei 2018 zijn opgelopen tot een bedrag van SRD 20.000.000, -. Aan voormeld exploot, zoals in het proces gebracht, ontbreekt evenwel een bevel tot betaling aan eiser.
Ook de overige, als productie overgelegde exploten respectievelijk van voornoemde deurwaarder (no. [Q-5]) en de deurwaarders bij het Hof van Justitie, R. Sontono ([nummers]) en D.J. Chocolaad ([no.]) houden geen bevel aan eiser in om binnen twee dagen betaling van inmiddels verbeurde dwangsommen te voldoen. Aldus is niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde zich heeft gehouden aan het vereiste van artikel 313 lid 2 RV.

4.3.2 De kantonrechter oordeelt verder als volgt. Gedaagde voert aan dat de verbeurde dwangsommen betrekking hebben op het gewezen vonnis in de zaak met het A.R. no. 17-4478. In haar verweer stelt zij evenwel geen feiten die ertoe hebben geleid dat zij thans wederom tot beslaglegging is overgegaan nadat de kantonrechter in de zaak met het A.R. no. 18-2496 drie van de vier gelegde executoriale derdenbeslagen heeft opgeheven. Gedaagde betrekt in haar verweer nota bene de overweging van de kantonrechter in laatstgenoemd vonnis dat één executoriaal derdenbeslag gedaagde voldoende zekerheid biedt.

4.3.3 Gedaagde heeft voorts in dit verband als verweer aangevoerd dat zij niet uit balorigheid appèl aantekent tegen kort geding vonnissen. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde in casu niet alleen zoals door eiser gesteld een gewezen vonnis waarin drie gelegde beslagen zijn opgeheven genegeerd, maar is zij ook voorbijgegaan aan het bepaalde in artikel 232 Rv. Immers, op dezelfde gronden heeft gedaagde in totaal onder acht instanties executoriaal derdenbeslag gelegd, waarvan drie van de acht instanties derden betreffen waarvan de kantonrechter het beslag bij voornoemd vonnis heeft opgeheven. Van een dergelijk handelen kan zonder dat nieuwe en concrete feiten zijn gesteld die de aanleiding hiertoe vormen, niet beoordeeld worden of de handeling van gedaagde gerechtvaardigd is, en kwalificeert die handeling dan ook als misbruik van bevoegdheid. De kantonrechter overweegt mee dat eiser als gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij in de zaak met A.R. no. 18-2496 gemotiveerd heeft verklaard daarvan geen hoger beroep aan te tekenen.

4.4 Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter niet toe aan bespreking van de overige standpunten van partijen nu deze alle voortborduren op een kennelijk onjuiste rechtsopvatting van gedaagde als hiervoor onder 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.3 overwogen.

4.5 De primair gevorderde opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen zal op voorgaande gronden worden toegewezen.

4.6 De primair gevorderde betaling tot schade van SRD 30.000.000,- zal als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.7 De kantonrechter zal de gevorderde dwangsom mitigeren als hierna te melden.

4.8 De buitengerechtelijke kosten zullen als ongegrond worden afgewezen.

4.9 De toewijzing van primaire vorderingen als hiervoor overwogen brengt met zich dat het subsidiair gevorderde zal worden afgewezen.

4.10 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:

  • het vastrecht ad. SRD 50, -,
  • de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 300, -,
  • en zijn in totaal begroot op SRD 350, -.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Heft op de gelegde executoriale derdenbeslagen zoals in het verzoekschrift omschreven onder de navolgende derde beslagenen:

a) De Surinaamse Luchtvaartmaatschappij (SLM)
b) Newmont Suriname LLC
c) N.V. Grassalco
d) Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.
e) Rosebel Goldmines N.V.
f) De Centrale Bank van Suriname
g) N.V. Luchthavenbeheer
h) N.V. Havenbeheer
i) Centrale Vissershaven Suriname (CEVIHAS).

5.2 Veroordeelt gedaagde om het executeren van vermeende dwangsommen uit hoofde van de vonnissen bekend onder A.R. no. 17-4478 en A.R. no. 18-0001 stop te zetten en aan te houden met ingang van de dag van deze uitspraak tot aan de dag waarop in een bodemprocedure of in hoger beroep definitief zal zijn beslist in voornoemde zaken of in een der voornoemde zaken en gedaagde tot executie daarvan bevoegd zal zijn verklaard op straffe van een dwangsom van SRD 100.000, – (honderdduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag of keer dat gedaagde in strijd handelt met deze beslissing, tot een maximum bedrag van SRD 10.000.000.,- (tien miljoen Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser tot aan deze uitspraak begroot op SRD 350, – (driehonderdvijftig Surinaamse Dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het eerste kanton en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 13 mei 2019 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-2688
25 juli 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

DE STICHTING REGIONALE GEZONDHEIDSDIENST,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Johan Adolf Pengelstraat 188 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres] te [distrikt],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 04 juli 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 05 juli 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met een productie;
  • de conclusie van dupliek met producties;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens eiseres.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 08 augustus 2016 is eiseres bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 16-2870 veroordeeld, onder meer om:

  • aan gedaagde uit te betalen over de maand mei 2016, de gebruikelijke aan haar toekomende vergoedingen zoals vermeld in de loonslip en de arbeidsovereenkomst, welke nog niet aan haar waren uitgekeerd, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 7 juni 2016;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten over de maanden juni en juli 2016, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten vanaf augustus 2016 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • te honoreren alle aan gedaagde toekomende rechten en voorzieningen op grond van de arbeidsovereenkomst, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • een dwangsom te betalen van SRD 1.000, – per dag, het maximum van SRD 50.000, – niet te boven gaand, voor elke dag dat eiseres in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis.

2.2 Volgens de statuten van eiseres, zoals bepaald in artikel elf, gewijzigd op 01 januari 1995, bestaat de directie van eiseres uit een directeur en een of meerdere onderdirecteuren. In lid 2 van dit artikel is voorts bepaald dat de directeur op voordracht van het Bestuur -gehoord de directeur van Volksgezondheid – benoemd, geschorst en ontslagen wordt door de minister van Volksgezondheid. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de directeur worden op voordracht van het bestuur, gehoord de directeur van Volksgezondheid, door de minister vastgesteld. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de onderdirecteuren worden, op voordracht van de directeur, door het bestuur vastgesteld.

2.3 De minister van Volksgezondheid, krachtens de statuten van eiseres, is met gedaagde een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangegaan in de functie van algemeen directeur van eiseres, voor een periode van drie jaren aanvangende op 01 augustus 2001, en onder dezelfde voorwaarden verlengd te rekenen van 1 augustus 2004 tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van gedaagde.

2.4 Bij deurwaardersexploot van 18 oktober 2016 met het [nummer] heeft gedaagde eiseres aangezegd om binnen twee dagen aan haar te betalen diverse looncomponenten voor een totaal bedrag van SRD 70.193,97, opgelopen dwangsommen ad SRD 50.000, -proceskosten zijnde een bedrag ad SRD 370, -, betekeningskosten ad SRD 260, – en overige kosten.

2.5 Bij deurwaardersexploot van 21 juni 2019 met het [nummer] heeft gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd onder Surinaamsche Bank N.V., Stichting Surinaamse Volkscredietbank, Hakrinbank N.V., Republic Bank Suriname N.V. en Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van eiseres ter verzekering van betaling ad SRD 50.000, – zijnde opgelopen dwangsommen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert -samengevat- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen onder verbeurte van een dwangsom;
  • veroordeling van gedaagde om haar als voorschot te betalen het bedrag van SRD 66.469,41 vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van de rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  • veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eiseres heeft kort gezegd het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Op 22 november 2016 heeft zij aan gedaagde het bedrag van SRD 158.519,93 uitbetaald ter uitvoering van het vonnis van 08 augustus 2016, inclusief de verbeurde dwangsommen tegen een bedrag van SRD 50.000, -. Hierna heeft eiseres betalingen aan gedaagde gedaan die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Gedaagde maakt misbruik van haar executiebevoegdheid. Eiseres ondervindt stagnatie in haar bedrijfsvoering als gevolg van de gelegde beslagen. Zij kan niet aan haar betalingsverplichtingen jegens derden voldoen en geen lonen aan personeel uitkeren. Als gevolg van het beslag lijdt eiseres schade, nu zij niet aan haar financiële middelen bij de bank kan komen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang, wordt hierop in de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eiseres zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 De kantonrechter zal verstaan, zoals gedaagde bij conclusie van antwoord onder overlegging van producties en overigens onweersproken heeft aangevoerd, dat het executoriaal derdenbeslag is opgeheven.

4.3 Gedaagde weerspreekt het gevorderde voorschot wegens geleden schade en voert aan dat eiseres daar geen spoedeisend belang bij heeft. Ook voldoet volgens gedaagde de vordering van eiseres niet aan de vereisten van aannemelijkheid en restitutierisico.

4.4 Overwogen wordt dat de veroordeling tot betaling van dwangsommen oplopend tot het maximaal bedrag van SRD 50.000, – (zie hiervoor onder 2.1) een in het oog springende vergissing is ex artikel 492 lid 1 Rv., nu in casu geen sprake is van een veroordeling tot iets anders dan tot de betaling van een geldsom. Blijkens de onweersproken producties 4, 5, 6 en 7 bij verzoekschrift, heeft eiseres aan gedaagde ter uitvoering van het vonnis van 08 augustus 2016 onder meer de opgelopen dwangsommen betaald. Gedaagde heeft deze betaling niet weersproken. Dit brengt met zich dat voorshands voldoende is komen vast te staan dat eiseres conform het vonnis van de kortgedingrechter van 08 augustus 2016 in ieder geval een bedrag van SRD 50.000, – wegens opgelopen dwangsommen aan gedaagde heeft betaald. Gelet op het voorgaande, alsmede op het feit dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij betaling van voornoemd voorschot, is de kantonrechter van oordeel dat het door gedaagde aangevoerde restitutierisico onder voornoemde omstandigheden niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. De vordering van eiseres tot betaling van geleden schade zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van SRD 50.000, -.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Verstaat dat de executoriaal derdenbeslagen gelegd bij deurwaardersexploot van 21 juni 2019 met het nummer 429 onder Surinaamsche Bank N.V., Stichting Surinaamse Volkscredietbank, Hakrinbank N.V., Republic Bank Suriname N.V. en Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van de Stichting Regionale Gezondheidsdienst zijn opgeheven.

5.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiseres bij wege van voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van SRD 50.000, – (vijftigduizend Surinaamse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 04 juli 2019 tot aan de dag van algehele voldoening.
5.3 Verklaart de beslissing onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op SRD 710, – (zevenhonderdtien Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 25 juli 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2019-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-2758
25 juli 2019

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

DE STICHTING REGIONALE GEZONDHEIDSDIENST,
gevestigd en kantoorhoudend aan de Johan Adolf Pengelstraat 188 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan [adres] te [distrikt],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 10 juli 2019 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 11 juli 2019;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 08 augustus 2016 is eiseres bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 16-2870 veroordeeld, onder meer om:

  • aan gedaagde uit te betalen over de maand mei 2016, de gebruikelijke aan haar toekomende vergoedingen zoals vermeld in de loonslip en de arbeidsovereenkomst, welke nog niet aan haar waren uitgekeerd, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 7 juni 2016;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten over de maanden juni en juli 2016, vermeerderd met de verhoging ex artikel 1614q BW;
  • aan gedaagde uit te betalen haar salaris met alle emolumenten vanaf augustus 2016 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • te honoreren alle aan gedaagde toekomende rechten en voorzieningen op grond van de arbeidsovereenkomst, totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze is beëindigd;
  • een dwangsom te betalen van SRD 1.000, – per dag, het maximum van SRD 50.000, – niet te boven gaand, voor elke dag dat eiseres in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis.

2.2 Volgens de statuten van eiseres, zoals bepaald in artikel elf, gewijzigd op 01 januari 1995, bestaat de directie van eiseres uit een directeur en een of meerdere onderdirecteuren. In lid 2 van dit artikel is voorts bepaald dat de directeur op voordracht van het Bestuur -gehoord de directeur van Volksgezondheid- benoemd, geschorst en ontslagen wordt door de minister van Volksgezondheid. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de directeur worden op voordracht van het bestuur, gehoord de directeur van Volksgezondheid, door de minister vastgesteld. Het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de onderdirecteuren worden, op voordracht van de directeur, door het bestuur vastgesteld.

2.3 De minister van Volksgezondheid, krachtens de statuten van eiseres, is met gedaagde een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangegaan in de functie van algemeen directeur van eiseres, voor een periode van drie jaren aanvangende op 01 augustus 2001, en onder dezelfde voorwaarden verlengd te rekenen van 01 augustus 2004 tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van gedaagde.

2.4 Bij deurwaardersexploot van 09 juli 2019 met het [nummer] heeft gedaagde executoriaal derdenbeslag gelegd onder Surinaamsche Bank N.V., Stichting Surinaamse Volkscredietbank, Hakrinbank N.V., Republic Bank Suriname N.V. en Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van eiseres ter verzekering van betaling ad SRD 164.897,93 en kosten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert -samengevat- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de opheffing van de gelegde executoriale derdenbeslagen op straffe van een dwangsom ad SRD 10.000, – per dag met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eiseres heeft kort gezegd het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Op 11 augustus 2016 heeft gedaagde bij deurwaardersexploot het vonnis van 12 augustus 2016 aan haar betekend en bij deurwaardersexploot van 31 mei 2019 een schrijven van 30 mei 2019 met aanzegging om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan gedaagde te betalen:

  • de volledige jubileumuitkering van zes maanden salaris;
  • de medische kosten ad SRD 480, -;
  • 60 liter brandstof per week;
  • het volledig loon inclusief 10% loonsverhoging ingaande 1 januari 2019.

Eiseres is niets verschuldigd aan gedaagde. Zij heeft steeds conform de geldende regelingen, goedgekeurd door de minister van Volksgezondheid, aan gedaagde uitbetaald. Aan het vonnis d.d. 08 augustus 2016 geeft zij conform de veroordeling uitvoering. Gedaagde maakt misbruik van haar executiebevoegdheid. Eiseres ondervindt stagnatie in haar bedrijfsvoering als gevolg van de gelegde beslagen. Zij kan niet aan haar betalingsverplichtingen jegens derden voldoen en geen lonen aan personeel uitkeren.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang, wordt hierop in de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van het gevorderde is voldoende aannemelijk en eiseres zal in het kort geding worden ontvangen.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (zie ook HR 22 december 2006, NJ 2007, 173) de kantonrechter in kort geding bij executoriaal beslag slechts in de executie zal mogen ingrijpen indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Een executoriaal beslag zou tot een dergelijke situatie kunnen leiden.

4.3 Gedaagde weerspreekt het spoedeisend belang en de gestelde stagnatie van bedrijfsactiviteiten door eiseres. Volgens gedaagde vinden de activiteiten van eiseres normaal plaats. De kantonrechter gaat aan die constatering van gedaagde voorbij nu nergens uit blijkt welke exercitie door gedaagde gepleegd, deze bevinding kan dragen. Het verweer van gedaagde voorts dat betaling van lonen niet aan de orde is omdat die aan het eind van de maand plaatsvindt, is onbegrijpelijk. Een dergelijke opvatting strookt immers niet met de verplichting die ex artikel 1614 BW op de werkgever rust om er zorg voor te dragen dat lonen tijdig, op bepaalde tijd, aan werknemers kunnen worden betaald. De kantonrechter passeert het verweer.

4.4 Eiseres heeft gemotiveerd gesteld dat zij niets aan gedaagde verschuldigd is en dat er geen tekortkomingen zijn opgetreden in de uitvoering van het vonnis van 08 augustus 2016. De kantonrechter overweegt daarbij dat onweersproken is dat gedaagde eerder, in de zaak bekend onder A.R. No. 19-2688, executoriaal beslag door haar gelegd ter inning van opgelopen dwangsommen, heeft doen opheffen. Opgemerkt wordt dat in het geval van de opgelegde dwangsommen, sprake is van een in het oog springende vergissing ex artikel 492 lid 1 Rv. Thans concludeert gedaagde bij antwoord, ook overigens zonder nadere onderbouwing, bereid te zijn het beslag te beperken tot het bedrag van SRD 186.807,43 terwijl het executoriaal derdenbeslag is gelegd voor de som van SRD 164.897,93. Deze omstandigheden en de daarbij wisselende standpunten van gedaagde, maken niet aannemelijk dat sprake is van een inschuld zoals voorgeschreven in artikel 347a lid 1 Rv, maar geven veeleer blijk van het koste wat het kost willen uitoefenen van executiebevoegdheid. Dit leidt er dan ook toe dat het gelegd beslag zal worden opgeheven. Nu de kantonrechter het beslag zelf opheft, hoeft daaraan geen dwangsom te worden verbonden.

4.5 Om de overige gestelde geschilpunten te kunnen beoordelen is diepgaander feitenonderzoek nodig en de gevolgen van een te geven beslissing zijn voor de kantonrechter niet te overzien. Immers, een kort geding leent zich niet hiervoor. Aan een beoordeling wordt daarom niet toegekomen.

4.6 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Heft op de executoriaal derdenbeslagen gelegd bij deurwaardersexploot d.d. 09 juli 2019 met het [nummer] van de deurwaarder Rawan Sontono onder de Surinaamsche Bank N.V., de Stichting Surinaamse Volkscredietbank, de Hakrinbank N.V., de Republic Bank N.V. en de Surinaamse Postspaarbank op alle gelden, geldswaarden en of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden aan of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van de Stichting Regionale Gezondheidsdienst.

5.2 Verklaart de beslissing onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op SRD 520, – (vijfhonderdtwintig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in het eerste kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 25 juli 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-27

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 162316
24 mei 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [plaats] in Nederland,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

tegen

STICHTING SOEREKE, rechtspersoon,
gevestigd in het district Wanica,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde voorheen: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat.

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende gefourneerde processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 12 mei 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Stichting Dewta heeft op 13 juni 2007 aan eiseres ter leen verstrekt, gelijk zij ter leen heeft ontvangen een bedrag van € 20.000, = (de leensom). Over het bedrag diende eiseres een rente van 2,5% per maand te voldoen. Dit bedrag diende eiseres binnen 1 jaar af te lossen.

2.2 Ter zekerheidsstelling voor de terugbetaling van de leensom heeft eiseres hypotheek doen vestigen ten laste van Stichting Dewta op een aan haar in eigendom toebehorend perceel.

2.3 Bij akte van cessie gedateerd 8 oktober 2014, verleden ten overstaan van [notaris] is de hypothecaire schuldvordering overgedragen aan gedaagde.

2.4 Bij exploot van [deurwaarder] d.d. 16 februari 2016 is aan eiseres de openbare verkoop van het perceel aangezegd welke zal plaatsvinden op 24 mei 2016 des voormiddags te 9.00 uur.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
a. schorsing dan wel opschorting van de aangekondigde openbare verkoop totdat in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist over de hoegrootheid van de werkelijke schuld.
b. veroordeling van gedaagde tot doorhaling van de ingeschreven hypotheek in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd:
Zij heeft niet € 21.500, = ter leen ontvangen maar € 20.000, =. Zj heeft vanaf de aanvang van de lening maandelijks een bedrag van € 500, = afgelost en heeft zij thans zelf een tegoed van € 2.368,36 welke zij terug dient te ontvangen. Daarnaast is de rente van 2,5% moreel niet aanvaardbaar en is in strijd met de goede zeden. De voorgenomen openbare verkoop is derhalve onrechtmatig. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres een overzicht overgelegd van de door haar gepleegde aflossingen, en het pro resto verschuldigde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft het volgende verweer gevoerd.
Zij betwist het door eiseres overgelegde overzicht. Volgens gedaagde is de lening aangegaan op 13 juni 2007 met een rente van 2,5% per maand. Eiseres heeft tussen juni 2007 en september 2008 geen aflossingen gepleegd waardoor de schuld met rente in die periode is opgelopen. De totale schuld bedraagt thans € 125.494,48.
De door haar aan eiseres betekende saldo – opgave d.d. 4 februari 2016 voor het bedrag van € 29.562,50 is als volgt opgebouwd:

  • Het geleend bedrag inclusief kosten bedraagt € 21.500, =,
  • Indien eiseres tijdig en conform de overeenkomst had afgelost zou de rente bedragen € 8.062,50.

Nu eiseres de lening niet tijdig had afgelost, dient zij het thans verschuldigde bedrag van € 125.494,48 te betalen.

4.3 Alhoewel het partijen vrij staat om een overeenkomst aan te gaan en de inhoud van die overeenkomst zelf te bepalen, is de kantonrechter het eens met eiseres dat een rente van 2,5% per maand, in strijd is met de goede zeden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zal deze dan ook moeten worden teruggebracht tot de gangbare rente van 18% per jaar. Een hoge rente maakt de aangekondigde veiling echter niet onrechtmatig. Doch zal gedaagde bij de berekening van de saldoschuld rekening moeten houden met de gangbare rente.

4.4 Ten aanzien van het bedrag van € 21.500, =, welk bedrag als leensom inclusief kosten door gedaagde is aangemerkt, oordeelt de kantonrechter als volgt. Gedaagde heeft niet althans niet gemotiveerd weersproken dat de leensom bedroeg € 20.000, =, zodat van dat bedrag dient te worden uitgegaan bij de berekening van de saldoschuld en niet het bedrag van € 21.500, =. De omstandigheid dat gedaagde uitgaat van een ander bedrag bij de berekening van de saldoschuld dan van de leensom zelf, maakt de aangekondigde openbare verkoop ook niet onrechtmatig.

4.5 De stelling van eiseres, dat gedaagde een systeem heeft gehanteerd van rente op rente bij de berekening van de saldoschuld, gaat niet op en dient te worden verworpen. Immers blijkt uit de akte van geldlening van 13 juni 2007, dat de interest zal worden betaald over het pro resto verschuldigde. Hieruit concludeert de kantonrechter, terecht zoals door gedaagde is aangevoerd, dat de renteberekening over de gestapelde rente niet onrechtmatig is.

4.6 Eiseres heeft haar stelling dat zij niets meer verschuldigd is aan gedaagde uit hoofde van de akte van geldlening van 13 juni 2017 niet aannemelijk kunnen maken zodat de door haar gevraagde voorziening dient te worden geweigerd.

4.7 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.8 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van dinsdag 24 mei 2016 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2016-26

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 163283
21 juli 2016

Vonnis in de zaak van

RAMA’S CAR PALACE NV, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
gemachtigde: mr. N. Rapprecht-Lui, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 28 juni 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de conclusie van repliek, met productie,
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij verzoekschrift van 4 december 2015 heeft gedaagde een vordering tegen eiseres ingesteld.

2.2 Op de dag van de eerste behandeling is eiseres niet verschenen waardoor tegen haar verstek is verleend en is bepaald dat op 17 maart 2016 vonnis zal worden gewezen. De zaak staat bekend onder AR no. 15-5399.

2.3 Bij schrijven van 5 februari 2016 heeft de gemachtigde van eiseres aan de griffier, met een kopie naar gedaagde, zijn gemachtigde, aangegeven dat het verstek op 17 maart door haar gezuiverd zal worden.

2.4 Op 17 maart 2016 is verstekvonnis gewezen waarbij eiseres is veroordeeld om binnen een maand na betekening van dit vonnis de overschrijving van het voertuig te bewerkstelligen. Ook is eiseres veroordeeld tot betaling van het bedrag van US$ 195,= aan gedaagde.

2.5 Het vonnis is aan eiseres betekend op 10 juni 2016.

2.6 Tegen dit vonnis heeft eiseres verzet aangetekend op 22 juni 2016.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  • Schorst, of opschort, de executie van het vonnis van 17 maart 2016 in de zaak bekend onder AR no. 15-5399, totdat in de verzetzaak zal zijn beslist, op straffe van een dwangsom en voorts
  • Gedaagde veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij geen overeenkomst van huurkoop heeft met gedaagde. Voorts voert zij aan dat er een zuiveringsbrief is gestuurd naar de rechter waardoor zij in de gelegenheid gesteld had moeten worden om verweer te voeren. Ondanks dit schrijven is toch verstekvonnis gewezen.

4. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling
5.1 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat hij niet op de hoogte is van een zuiveringsschrijven. Voorts voert gedaagde aan dat er wel sprake is van een huurkoopovereenkomst met eiseres.

5.2 De kantonrechter overweegt dat de schorsing van de executie van een vonnis pas dan kan worden toegewezen wanneer er sprake is van een aperte misslag of van een situatie waarbij de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geexecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

5.3 De kantonrechter is dan ook gehouden de onderhavige vordering tot schorsing van de werking van het vonnis aan deze criteria te toetsen. Mocht er sprake zijn van één van deze criteria (aperte misslag of een nieuw aan het licht gekomen feit), dan zal schorsing van een executie mogen volgen. Indien er geen sprake is van een van deze criteria, dan zal het gevorderde moeten worden afgewezen en zullen partijen de behandeling in de verzetprocedure moeten afwachten.

5.4 De kantonrechter overweegt dat eiseres in haar grondslag een beroep erop doet dat zij het verstek had gezuiverd middels een schrijven gedateerd 5 februari 2016, voor de datum van het verstekvonnis.

5.5 De kantonrechter overweegt dat dit feit gezien kan worden als een nieuw feit welke aan het licht is gekomen na het vonnis en waarvan aangenomen kan worden dat, indien de kantonrechter daarvan op de hoogte was, het feit ertoe zou leiden dat er geen verstekvonnis gewezen zou worden.

5.6 De kantonrechter is van oordeel dat er in casu wel sprake is van een na het verstekvonnis aan het licht gekomen feit of omstandigheid die tot de conclusie leidt dat de executie van het vonnis kan worden geschorst.

5.7 De kantonrechter zal daarom het gevorderde toewijzen.

5.8 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Schorst de werking van het verstekvonnis gewezen op 17 maart 2016 in de zaak bekend onder AR no. 15-5399 totdat er definitief zal zijn beslist in de betreffende verzetsprocedure;

6.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiseres een dwangsom te betalen van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat hij in strijd handelt met dit vonnis;

6.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 250,= (tweehonderd en vijftig Surinaamse dollar).

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 21 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2018-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-0314
25 januari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
B. [eiser sub B],
beiden wonende aan [adres 1] te [district],
C. de naamloze vennootschap SURISHOPPING N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Wilhelminastraat no. 45-47 te Paramaribo,
eisers,
allen procederend in persoon,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V., voorheen geheten de RBC ROYAL BANK (SURINAME) N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 01 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 23 januari 2018 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 24 januari 2018;
  • de conclusie tot overlegging producties aan de zijde van eisers d.d. 24 januari 2018;
  • de conclusie tot uitlating aan de zijde van gedaagde over de producties d.d. 24 januari 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1 Bij exploot van een deurwaarder d.d. 07 december 2017 heeft gedaagde aan eisers haar voornemen tot de openbare verkoop van de in dat exploit omschreven onroerende goederen op donderdag 25 januari 2018, des voormiddag om 11.00 (elf) uur,ten kantore van [notaris 1], waarnemende het kantoor van de alhier geresideerd hebbende [notaris], aan [adres 2], aangezegd. Middels dit exploot heeft gedaagde tevens aan eisers doen betekenen:
a) de grosse van een akte krediethypotheek d.d. 09 juli 2014;
b)de grosse van een akte krediethypotheek d.d. 13 augustus 2014.

Tevens is in het bedoelde exploit vermeld dat aan eisers per diezelfde datum is betekend een saldo opgave d.d. 09 november 2017 waarin is vermeld dat de totale schuld van eisers tot 09 november 2017 US$ 1.474.216,91 bedraagt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

Primair:
– te gelasten de stopzetting van de openbare verkoop van de registergoederen zoals vermeld in het exploit d.d. 07 december 2017 [nummer], welke openbare verkoop zal plaatsvinden op donderdag 25 januari 2018 om 11.00 uur des voormiddag ten overstaan van [notaris 1], vervangende het vacante kantoor van de alhier geresideerd hebbende [notaris 2], op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,-;

Subsidiair:
– de tenuitvoerlegging van de in het inleidend rekest omschreven akten van krediethypotheek te schorsen althans op te schorten, totdat bij wege van een in kracht van gewijsde gegane vonnis door de gewone rechter zal zijn beslist omtrent de rechtmatigheid van de voorgenomen openbare verkoop.

3.2 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:

  • in tegenstelling tot wat in het exploit staat vermeld, heeft gedaagde geen saldo opgave c.q. een financieel overzicht aan eisers verstrekt. Hierdoor maken eisers zich schuldig aan schuldeisers verzuim. Dit verzuim maakt het exploit van aanzegging d.d 07 december 2017 nietig;
  • gedaagde maakt misbruik van het recht van executie, daarin bestaande dat gedaagde onzorgvuldig naar hen toe heeft gehandeld. Met name hadden eisers sinds juli 2015 aan gedaagde het verzoek gedaan om het pand te [plaats] onderhands te verkopen aan een derde voor een bedrag van US$ 500.000, doch zou gedaagde hen pas op 16 januari 2016 toestemming daartoe hebben gegeven voor de onderhandse verkoop, waardoor de potentiële koper niet meer geïnteresseerd was in de koop. Zij zijn bereid en in staat om middels onderhandse verkoop van de vermogensbestanddelen de totale schuld bij gedaagde af te lossen om een grotere restschuld te voorkomen. Vanuit dit oogpunt dient gedaagde hen de gelegenheid te bieden het onroerend goed onderhands te verkopen;
  • de laatst gehouden veiling had slechts US$ 226.000,- opgebracht en heeft gedaagde om die reden de toewijzing aangehouden.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de omstandigheid dat de veiling van de in het exploit omschreven onroerende goederen is aangekondigd op 25 januari 2018 en dat eisers verwachten dat de onroerende goederen aanzienlijk minder zullen opleveren dan het door gedaagde opgegeven verschuldigde saldobedrag, te vermeerderen met rente en kosten), waardoor zij met een aanzienlijke restschuld zullen blijven zitten en in nog meer financiële problemen zullen geraken.

4.2 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord, die vanwege het korte tijdbestek en spoedeisend karakter mondeling is genomen, opgeworpen dat eisers middels brieven regelmatig op de hoogte zijn gehouden van het door hun verschuldigde bedrag. In reactie op dit verweer hebben eisers bij conclusie van repliek, die eveneens vanwege het korte tijdbestek en het spoedeisend karakter mondeling is genomen, gesteld dat gedaagde slechts een totaal bedrag heeft vermeld en geen specifieke saldo opgave heeft ontvangen. Met name moest, aldus eisers, de saldo opgave per rekeningnummer geschieden. In reactie hierop heeft gedaagde betoogd dat eisers twee zaken door elkaar halen, te weten saldo opgave en specificatie. Zoals de kantonrechter de stelling van eisers als hiervoor verwoord begrijpt, waarbij zij tijdens het mondeling concluderen voor repliek ter verduidelijking van het door hun gestelde een door hun bijgehouden overzicht van gepleegde aflossingen hebben getoond, zijn er verschillende kredieten die geregistreerd staan onder verschillende rekeningnummers aan hen verstrekt en diende gedaagde in de saldo opgave specifiek te vermelden wat de hoogte is van het saldo bij elk van de rekeningnummers. Echter hebben eisers naar het oordeel van de kantonrechter nagelaten te stellen welke kredieten het betreft en wat de rekeningnummers zijn. Dit, terwijl het volgens de algemene regels van het procesrecht op hun weg had gelegen om die feiten te stellen. Nu zij niet voldoende hebben voldaan aan hun stelplicht, rest de kantonrechter geen andere keus dan aan deze stelling voorbij te gaan.

4.3 Naar het voorlopig oodeel van de kantonrechter gaat het beroep van eisers op nietigheid van het exploit van aanzegging d.d. 07 december 2017 niet op. Dit, omdat in artikel 92 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna afgekort Rv) een limitatieve opsomming is gegeven in welke gevallen een expoit nietig is. Dit betekent dat er buiten dit artikel om er geen andere gronden zijn die leiden tot nietigheid van een exploit. Zoals blijkt uit de inhoud van het hiervoor vermelde artikel valt schuldeisersverzuim of het niet vermelden van een gespecificeerde saldo opgave niet onder de limitatieve opsomming.

4.4 De kantonrechter begrijpt uit de door eisers gevraagde voorzieningen dat zij stopzetting van de aangezegde openbare verkoop van de in het exploit omschreven onroerende goederen beogen. In dat licht stelt de kantonrechter het volgende voorop. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek is de hypotheekhouder (in casu gedaagde) bevoegd om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar (in casu eisers) in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. Dit kan volgens vaste jurisprudentie evenwel anders zijn, indien de hypotheekhouder – mede gelet op de belangen van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van die bevoegdheid. Dan is sprake van misbruik van recht. De kantonrechter zal zich nu de vordering stopzetting van een openbare verkoop betreft, zich daarom slechts toespitsen op hetgeen hiervoor is vooropgesteld.

4.5 Niet in geding is of eisers een achterstand hebben in aflossing van aan hun verstrekte kredieten. Ter zake constateert de kantonrechter het hierna volgende. Eisers betwisten wel de hoogte van het nog af te lossen bedrag, doch hebben zij zelf nagelaten te stellen wat de hoogte van het nog door hun aan gedaagde verschuldigde bedrag zou horen te zijn. Daarom zal de kantonrechter het ervoor moeten aannemen dat eisers tot 09 november 2017 het in de saldo opgave vermelde bedrag aan gedaagde verschuldigd is. Uit de ten processe door eisers zelf opgemaakte en overgelegde aflossingsstaat blijkt dat eisers vanaf april 2016 tot en met de dag van indiening van de onderhavige vordering geen aflossingen meer hebben gepleegd. Op grond van hetgeen hiervoor is geconstateerd komt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat eisers in gebreke zijn met het aflossen van de schuld en gedaagde om die reden ingevolge artikel 1207 lid 2 BW wel mag overgaan tot de openbare verkoop.

4.6 Gedaagde heeft weersproken dat zij misbruik maakt van het recht van executie. Daartoe heeft zij aangevoerd dat eisers geen onderliggende producties, dan wel geen enkele producties hebben overgelegd ter onderbouwing van hun stelling dat zij reeds een koper hebben om het pand te [wijk] onderhands te kunnen verkopen. In reactie hierop hebben eisers gesteld dat zij van hun zijde vele pogingen hebben ondernomen om voorstellen aan gedaagde te doen voor het kunnen afkopen van de schuld, doch dat gedaagde nimmer op hun voorstellen zou hebben gereageerd. Zoals de kantonrechter de stelling van eisers begrijpt, zijn zij in staat om het pand te [wijk] onderhands te verkopen en de schuld af te lossen, doch hebben zij naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet concreet gesteld wat de stand van zaken is met betrekking tot de onderhandse verkoop, waarmede zij sedert het jaar 2015 bezig zijn. Evenmin hebben zij producties overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij met diverse kopers aan het onderhandelen zijn, of een perceels ID reeds is aangevraagd voor het onderhands kunnen verkopen, de overeengekomen koopsom, de termijn waarbinnen de koopsom zal plaatsvinden en op welke wijze de betaling van de koopsom zal plaatsvinden. Zij stellen evenwel dat vanwege het laat reageren van gedaagde op het voorstel tot onderhandse verkoop de koper geen belangstelling meer had, doch kunnen eisers dit naar het oordeel van de kantonrechter niet aan gedaagde opwerpen. Dit, omdat eisers ook van de gelegenheid gebruik konden hebben gemaakt om in de tussentijd naar andere kopers uit te kijken. Gesteld noch gebleken is dat eisers zulks hebben gedaan. Gelet op het betalingsgedrag van eisers, waarbij zij vanaf april 2016 geen aflossingen meer hebben gepleegd, hebben zij nagelaten te stellen of zij nog aflossingen zullen plegen en welke bron van inkomsten zij hebben om thans aflossingen te plegen en binnen welke termijn zij het saldobedrag nog zouden kunnen aflossen. Het lag op de weg van eisers om met een concreet uitgewerkt voorstel tot aflossing, met daaraan gekoppelde termijnen tot aflossingen, op tafel te komen om het vertrouwen van gedaagde als bankinstelling in de relatie te herstellen ter voorkoming van een executoriale verkoop. Eisers stellen wel dat zij daartoe serieuze pogingen hebben ondernomen, doch hebben dat niet voldoende geconcretiseerd en onderbouwd met stukken, zodat de kantonrechter geen andere keus heeft dan aan deze stelling voorbij te gaan.

4.7 Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt dat de kantonrechter geen feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan voorshands geoordeeld zou moeten worden dat de voorgenomen executieveiling onrechtmatig is te achten, dan wel dat deze als misbruik van recht kan worden gekwalificeerd. Derhalve kunnen de door eisers gevraagde voorzieningen niet worden toegewezen.

4.8 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 25 januari 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2018-11

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 18-0001
08 februari 2018

Vonnis in kort geding inzake:

N.V. NATURE BEAUTY
rechtspersoon, gevestigd aan de Twee Kinderenweg no. 46
te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
te dezen vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal
bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de
Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 02 januari 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • De mondelinge conclusie van eis;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van productie;
  • De mondelinge conclusies van re- en dupliek respectievelijk uitlating producties;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
2.1 Op 24 november 2017 heeft de Kantonrechter gedaagde veroordeeld om:
A. binnen 1 (een) week na uitspraak van dit vonnis aan eiseres bij beschikking de tweede verlenging van het recht tot exploratie naar goud en andere mineralen te verstrekken en thans bekend is als [GMD no.1] op het perceelland vermoedelijk groot 17.645 hectaren, deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectare gelegen in het district Sipaliwini ten Oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,= per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 10.000.000,= niet te boven gaan.

B. De aan derden uitgegeven beschikkingen ter uitoefening van mijnbouwrechten op het perceelland vermoedelijk groot 17.645 hectaren, deel uitmakende van het perceelland groot 26.467 hectaren gelegen in het district Sipaliwini ten Oosten van de Saramaccarivier en aan weerszijden van de Kleine Saramaccarivier in te trekken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000,= per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 10.000.000,= niet te boven gaan.

2.2 Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

2.3 Vermeld vonnis is op 24 november 2017 aan gedaagde betekend;

2.4 Op 4 december 2017 in de middag is er een “tweede verlengingsbeschikking” verstrekt (de kantonrechter begrijpt: aan eiseres);

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad primair zal worden opgeschort/geschorst de in het petitum van het inleidend rekest nader genoemde bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking van het recht tot Exploratie naar Goud en andere Mineralen, [GMD no. 1], gedateerd 30 november 2017, ten name van eiseres. Voorts vordert zij dat gedaagde zal worden verboden om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede exploratiebeschikking van eiseres tot gevolg heeft anders dan wanneer eiseres in strijd zou handelen met de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de eerdere beschikkingen bekend onder [GMD no. 2] en [GMD no.3] en indien eiseres in strijd zou handelen met de tweede verlengingsbeschikking na schorsing casu quo opschorting van de voorwaarden en bepalingen casu quo aanvullingen zoals onder het 4e sustenu en punt A van het petitum vermeld, op straffe van een dwangsom van per dag die gedaagde aan eiseres zal verbeuren voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen. Subsidiair vordert eiseres – kort samengevat – dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na uitspraak de door haar aan eiseres verstrekte tweede verlengingsbeschikking gedateerd 30 november 2017 [GMD no.1] te corrigeren, in dier voege dat de in het petitum genoemde voorwaarden, bepalingen en aanvullingen uit de beschikking [GMD no. 1] worden verwijderd casu quo ongedaan worden gemaakt, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,= per dag. Tenslotte vordert zij dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 Aan de vordering legt eiseres – naast voormelde vaststaande feiten – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat uit de overgelegde beschikking blijkt dat gedaagde niet, althans niet geheel heeft voldaan aan de wet en het vonnis. Gedaagde heeft namelijk bij deze beschikking een aantal nieuwe bepalingen en voorwaarden opgenomen casu quo aanvullingen gepleegd, als gevolg waarvan eiseres ernstig beperkt wordt in de uitoefening van haar exploratieactiviteiten, zodanig zelfs dat het door gedaagde aan haar verstrekte exploratierecht (gedeeltelijk) illusoir is gemaakt. Vergeleken met de oorspronkelijke beschikkingen de data 5 augustus 2010 ( [GMD no. 2]) en 10 januari 2014 ([GMD no.3]) blijkt namelijk dat gedaagde in de “tweede verlengingsbeschikking”de navolgende bepalingen en voorwaarden heeft toegevoegd, althans aanvullingen heeft gedaan:
a. Pagina 1 punt 6: “Jurisprudentie m.n. het Samaaka en Kalina/Lokono vonnis”.

b. Pagina 2 onder II:

  1. Punt a is gewijzigd c.q. aangevuld met “van de aldaar in stam verband wonende “tribale en inheemse volkeren
  2. Onder punt f is toegevoegd: “naleving van de milieustandaarden van de Wereldbank”. Op deze pagina onder g staat in de voorwaarden dat de verlenging van het recht van exploratie slechts mogelijk zal zijn, zolang Nature Beauty zal voldoen aan de punten b, c, d, e en f. Aan deze bepaling is dus onder punt f genoemde voorwaarde toegevoegd.

c. Pagina 2 en 3 onder III:

  1. Onder b is toegevoegd: “en/of ministeriele beschikking”.
  2. Onder d is toegevoegd: “waarbij er met in achtneming van de waarden en normen van de plaatselijke gemeenschappen gehandeld zal worden”.
  3. Onder f is een nieuwe voorwaarde opgenomen: “de aanvraag van het recht van exploitatie slechts gegeven kan worden indien er consultatie en toestemming is van de aldaar in stamverband wonende tribale en inheemse volkeren”.
  4. Onder g is toegevoegd: “.. en verder aan punt III”.
  5. Onder j heeft gedaagde een nieuwe voorwaarde toegevoegd: “de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht”.
  6. Onder k is een voorwaarde toegevoegd die overigens reeds in artikel 11 van het decreet Mijnbouw staat: “bij overdracht en verhuur van dit mijnbouwrecht schriftelijke goedkeuring vooraf is vereist van het gezag dat tot verlening van dit recht bevoegd is”.

Deze bepalingen en voorwaarden waren dus niet in de eerste twee beschikkingen opgenomen. De nieuwe bepalingen en voorwaarden in de tweede verlengingsbeschikking zijn in strijd met de wet en het vonnis, aangezien een verlengingsbeschikking een prolongatie inhoudt en er daarbij geen ruimte is voor het invoegen van nieuwe bepalingen en het stellen van nieuwe voorwaarden anders dan de wet toelaat, terwijl daar er ook geen enkel in rechte te respecteren belang mee gemoeid is. Met de verlenging diende slechts alleen de tijdsduur en de grootte van het terrein te worden aangepast, doch mochten er geen nieuwe bepalingen en voorwaarden aan de beschikking worden toegevoegd. Met en aantal van deze nieuwe bepalingen en voorwaarden heeft gedaagde het vonnis van de kantonrechter ondermijnd en wordt eiseres ernstig beperkt in de uitoefening van haar exploratieactiviteiten, zelfs zodanig dat het door gedaagde aan haar verstrekte exploratierecht (gedeeltelijk) illusoir is gemaakt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de nieuwe voorwaarde die gedaagde aan eiseres oplegt dat zij “de milieu standaarden van de Wereldbank” zal naleven en de bepaling waarin wordt gesteld dat “de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht”. Voornoemde beperkingen die gedaagde thans in de tweede verlengingsbeschikking heeft opgenomen hebben tot gevolg dat er geen sprake is van een verlenging van een eerder afgegeven vergunning als bedoeld met het vonnis en de wet, doch dat gedaagde een geheel nieuwe vergunning heeft afgegeven met daarin zodanige bepalingen en voorwaarden, waardoor eiseres niet op dezelfde wijze als onder de eerste twee beschikkingen haar activiteiten kan uitvoeren. Gedaagde heeft geen enkele onderbouwing gegeven voor zijn beslissing om deze nieuwe voorwaarden en bepalingen in de laatst afgegeven beschikking toe te voegen. Hiermee handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiseres, zijnde dat er hier sprake is van in strijd handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwens-, motiverings-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres vreest dat gedaagde met deze nieuwe bepaling en voorwaarden tracht het eiseres onmogelijk te maken om activiteiten te ontplooien en erger nog, om het eiseres in de toekomst onmogelijk te maken in aanmerking te kunnen komen voor een exploitatiebeschikking, dan wel daarover in de toekomst te kunnen beschikken. Het is in het vorig proces reeds gebleken dat er door gedaagde alles aan wordt gedaan om bedoeld exploratiegebied terug te nemen teneinde het aan derden te verstrekken. Hierdoor zal eiseres enorme schade lijden, ondanks de opgelopen en verbeurde dwangsom. Eiseres heft enorme investeringen gedaan en dreigt dan een grote schade te lijden door toedoen van gedaagde;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hiernavolgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen;

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen gedaagde bloot heeft aangevoerd ter afwering daarvan

4.2 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd-kort gezegd en voor zover voor de beslissing van belang–dat zij wel degelijk voldaan heeft aan het vonnis van de kantonrechter de dato 24 november 2017. Anders dan eiseres beweert is er geen sprake van geheel nieuwe voorwaarden oftewel nieuwe bepalingen in de verlengingsbeschikking. Gedaagde heeft inderdaad belangrijke aanvullingen aangebracht in de beschikking. Echter is dit geheel conform jurisprudentie en de laatste internationale- en nationale ontwikkelingen in het mijnbouwrecht. Echter is er aan de essentie van de beschikking niets veranderd. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat artikel 27 lid 4 van het Decreet Mijnbouw E-58 als volgt luidt: “Alvorens tot verlenging van het recht tot exploratie over te gaan, kan de Minister een overeenkomst met de aanvrager aangaan inzake de bijzondere voorwaarden waaronder het recht tot exploratie zal worden uitgeoefend”. Alhoewel de Minister in onderhavige casus niet een dergelijke overeenkomst is aangegaan, impliceert dit artikel dat het tot de discretionaire bevoegdheid van de Minister behoort om nadere voorwaarden te koppelen aan de uitgifte van een beschikking. Het aanvullen van een beschikking behoort wel tot de discretionaire bevoegdheid van de Minister, des te meer er niets veranderd is aan de essentie van de beschikking. Voorts heeft gedaagde aangegeven dat eiseres de verlengingsbeschikking reeds heeft ingeschreven waarmee zij blijk heeft gegeven zich te berusten in de verlengingsbeschikking immers had zij anders het recht niet ingeschreven;

4.3 Waar gaat het in dit geding om? Gedaagde is bij vonnis van de kortgedingrechter d.d. 24 november 2017 veroordeeld zoals hiervoor onder 2.1 van dit vonnis is aangegeven. Voormeld vonnis is op 24 november 2017 aan gedaagde betekend. Gedaagde heeft pas op 04 december 2017 uitvoering gegeven aan het bepaalde in voormeld vonnis (dus bijkans 10 dagen na betekening van het vonnis) terwijl in het vonnis een termijn van een week was opgenomen. Daarenboven zijn er aanvullende casu quo nieuwe voorwaarden zijdens gedaagde opgenomen in de verlengingsbeschikking waartegen eiseres ageert in dit geding terwijl gedaagde aanvoert dat er geen vuiltje aan de lucht is aangezien de essentie van de verlengingsbeschikking ongewijzigd is gebleven en gedaagde daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad;

4.4 Na doorname van de gedingstukken komt de kantonrechter tot de navolgende slotsom. In casu is er reeds een beslissing van Onze Ambtsgenote de dato 24 november 2017 weshalve deze kantonrechter in dezelfde instantie niet zal treden in de beoordeling van voormeld vonnis. Evenwel schijnt er in de executiefase van voormeld vonnis een geschil gerezen te zijn. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter blijkt uit de handelingen van gedaagde in onderhavige zaak van het begin af aan een zekere mate van onwilligheid zijdens gedaagde om de tweede verlengingsbeschikking aan eiseres te verstrekken. Bij de aanvraag daarvan werden volgens de stellingen van eiseres, welke niet zijn weersproken door gedaagde, additionele eisen gesteld waaraan voldaan diende te worden door eiseres. Nadat aan deze additionele eisen was voldaan bleek gedaagde niet bereid om tot een tweede verlenging van de beschikking van eisers over te gaan en was er daarvoor een kortgedingprocedure nodig teneinde afgifte van de tweede verlengingsbeschikking te bewerkstelligen. Nadat gedaagde daartoe was veroordeeld besloot gedaagde “aanvullende”voorwaarden in de tweede verlengingsbeschikking op te nemen die in feite – in de visie van de kantonrechter – geheel nieuwe voorwaarden blijken te zijn, zoals onder andere de voorwaarde strekkende tot naleving van de milieustandaarden van de Wereldbank alsmede de voorwaarde strekkende tot inachtneming van de waarden en normen van de plaatselijke gemeenschappen. Voorts is ook bepaald door gedaagde dat de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht. Deze nieuwe voorwaarden blijken –zoals eiseres terecht heeft aangevoerd– een vergaande beperking casu quo inperking van het aan eiseres verleende recht van exploratie in te houden. In de visie van de kantonrechter dient een tweede verlengingsbeschikking inhoudelijk in hoofdlijnen voort te borduren op de oorspronkelijke beschikking en dienen additionele voorwaarden niet als donderslag bij heldere hemel aan belanghebbenden te worden opgedrongen, die uitgaande van de wettelijke bepalingen en anticiperend op de goedkeuring van hun verlengingsaanvraag ruime investeringen hebben gepleegd. Immers is de wetgever kennelijk van hetzelfde standpunt uitgegaan waarbij in artikel 27 lid 4 van Decreet Mijnbouw (E-58) is aangegeven dat de Minister een overeenkomst met de aanvrager kan aangaan inzake de bijzondere voorwaarden waaronder het recht tot exploratie zal worden uitgeoefend. Indien gedaagde meent in voormeld wetsartikel een discretionaire bevoegdheid voor de Minister te constateren waarbij die eenzijdig nadere bijzondere voorwaarden kan opnemen in een verlengingsbeschikking, getuigt dat in de visie van de kantonrechter van een onjuiste rechtsopvatting. De kantonrechter zal derhalve voorbijgaan aan al hetgeen gedaagde dienaangaande heeft aangevoerd.

4.5 Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens beslissingen heeft gegeven ten aanzien van de in stamverband levende volkeren en dat daarmede rekening dient te worden gehouden bij de uitgifte van vergunningen. Eveneens heeft gedaagde aangevoerd dat de mensenrechtenverdragen rechtstreekse werking hebben. Dienaangaande overweegt de kantonrechter dat wat daar ook van zij het in dit geding bevreemding wekt dat gedaagde zich plotseling in allerlei bochten wringt met een beroep op mensenrechtenverdragen waar Suriname al een hele tijd partij bij is casu quo jurisprudentie van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens. Immers had het op de weg van gedaagde gelegen om het voorgaande ruimschoots van tevoren kenbaar te maken aan belanghebbenden en deze zaken met een vooraf aangekondigde ingangsdatum te implementeren zodat belanghebbenden niet verrast zouden worden zoals in casu het geval is geweest. Door het voorgaande als donderslag bij heldere hemel (“out of the blue sky”) te implementeren voor een specifiek geval laadt gedaagde het odium op zich van willekeurig handelen en het creëren van rechtsonzekerheid. Daarenboven is gesteld doch niet gebleken dat voornoemde voorwaarden standaard in elke beschikking worden opgenomen. Aangezien gedaagde ter adstructie daarvan slechts één (1) beschikking ten processe ter inzage heeft overgelegd, waaruit dus geenszins de conclusie kan worden getrokken dat het opnemen van voornoemde voorwaarden een vaste gedragslijn van gedaagde is. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het daartoe strekkend verweer van gedaagde verwerpen;

4.7 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de grondslag van het gevorderde aannemelijk is geworden in rechte en dat het primair gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. Door nieuwe voorwaarden in de verlengingsbeschikking op te nemen heeft gedaagde onrechtmatig gehandeld jegens eiseres die erop mocht vertrouwen dat de tweede verlengingsbeschikking onder dezelfde voorwaarden als de oorspronkelijke beschikking aan haar zou worden verleend. De kantonrechter ziet aanleiding om de mede gevorderde dwangsom te limiteren tot SRD. 10.000.000,= hetgeen inmiddels een vaste gedragslijn van de kantonrechter is. Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.8 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing in kort geding
De kantonrechter:
5.1 Schorst de navolgende bepalingen en voorwaarden casu quo aanvullingen in de tweede verlengingsbeschikking van het recht tot Exploratie naar Goud en andere Mineralen, [GMD no. 1], gedateerd 30 november 2017, ten name van eiseres:

Op pagina 1 punt 6: “Jurisprudentie m.n. het Samaaka en Kalina/Lokono vonnis”.

Op pagina 2:

  • onder ll punt a: “van de aldaar in stam verband wonende “tribale en inheemse volkeren
  • onder punt f: “naleving van de milieustandaarden van de Wereldbank”.
  • onder g derde regel “en f”;.
  • punt lll b: “en/of ministeriële beschikking”.
  • onder lll onder d: “waarbij er met in achtneming van de waarden en normen van de plaatselijke gemeenschappen gehandeld zal worden”.

Op pagina 3:

  • onder lll f : “de aanvraag van het recht van exploitatie slechts gegeven kan worden indien er consultatie en toestemming is van de aldaar in stamverband wonende tribale en inheemse volkeren”.
  • onder lll g: “.. en verder aan punt lll”.
  • onder lll j: “de waterwegen geen onderdeel zijn van dit mijnbouwrecht”.
  • onder lll k: “bij overdracht en verhuur van dit mijnbouwrecht schriftelijke goedkeuring vooraf is vereist van het gezag dat tot verlening van dit recht bevoegd is”.

5.2 Verbiedt gedaagde om handelingen te plegen die enige beperking en/of stopzetting van de tweede exploratiebeschikking van eiseres tot gevolg heeft anders dan wanneer eiseres in strijd zou handelen met de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de eerdere beschikkingen bekend onder [GMD no. 2] en [GMD no. 3] of indien eiseres in strijd zou handelen met de tweede verlengingsbeschikking na schorsing van de voorwaarden en bepalingen casu quo aanvullingen zoals onder 5.1 van dit vonnis is vermeld, op straffe van een dwangsom van SRD 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollars) per dag die gedaagde aan eiseres zal verbeuren voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan het bepaalde in dit vonnis te voldoen, het bedrag van SRD 10.000.000,= (tien miljoen Surinaamse Dollars) niet te boven gaand;

5.3 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 313,= (driehonderd en dertien Surinaamse Dollars).

5.5 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 08 februari door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton in kort geding in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. J. Pinas w.g. A.Charan

w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2005-6

BETALEND
A.R. no. 051974
24 mei 2005
F.H

I. [eiser sub I], wonende aan [adres 1], te [district],
II. [eiseres sub II], wonende aan [adres 2], te [district],
III. [eiseres sub III], wonende aan [adres 3] te [plaats],
IV. [eiser sub IV], wonende aan [adres 4], te [plaats] in Nederland,
V. SOCIAAL CULTURELE VERENIGING SHIVA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, aan de Kwattaweg 353-c,
VI. VERENIGING VAN REIZIGERS (VVR), rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend te 6535 XC Nijmegen aan de Goselingstraat no. 3, in Nederland mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no. 353-c, hierna eiseres VVR en/of VI,
VII. [stichting], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district], aan [adres 5], door wie tot hun allen gemachtigde is gesteld, mr. E.Ch. de Noten, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

DE REPUBLIEK SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo, aan de Henck Arronstraat 3 hierna de Staat Suriname en/of Suriname, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis is kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis in kort geding verzocht:

PRIMAIR:
I. de Staat Suriname te gelasten en/of te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis (voor eisers sub I, II, III en IV en hun gezinnen);

a) onvoorwaardelijk tot Suriname toe te laten en eisers in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) te behandelen;
b) eisers sub I, II & III niet te discrimineren bij de aanvraag en verlening van bedrijfsvergunningen, overheidspercelen etc. ten opzichte van een Surinamer;
c) eisers sub I, II, III & IV en hun gezinnen te allen tijde visumvrij (onvoorwaardelijk) tot Suriname toe te laten;
d) eisers sub I, II & III en hun gezinnen in Suriname actief en passief kiesrecht toe te kennen door opneming op de Kiezerslijst (administratie) opdat dezen in de verkiezingen van 25 mei 2005 kunnen deelnemen;
e) dat een ieder die onder Artikel 5 lid 2 TO valt onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname wordt toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) wordt behandeld;
f) dat een ieder die onder Artikel 5 lid 2 TO valt en in Suriname woont in de Kiezerslijst (administratie) voor de verkiezingen van 25 mei 2005 door de Staat Suriname wordt opgenomen;
g) dat indien eisers sub I, II & III door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten (Burgerrechten) op 25 mei 2005 en erna, de komende verkiezingen als onverbindend te verklaren c.q. dat deze ongeldig zullen zijn;
h) dat de overige in Suriname wonende personen die onder Artikel 5 lid 2 TO vallen indien door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten op 25 mei 2005, de komende verkiezingen van 25 mei 2005 en erna, dezen onverbindend te verklaren c.q. dat dezen ongeldig zullen zijn;

II. ten aanzien van eisers sub I, II, III, V, VI & VII, de verkiezingen van 25 mei 2005 en hierna uit te stellen totdat de Kiesregeling in overeenstemming zal zijn gebracht met de Grondwet van Suriname, voor zover die in strijd zijn met UVRM, BUPO, IVUR & OAS; zulks op verbeurte van een dwangsom van SRD 20.000,= (dit bedrag staat ongeveer gelijk met de dagelijks ten onrechte geïncasseerde visumgelden te Amsterdam) voor iedere dag, dat gedaagde, nadat twee dagen na voormelde betekening zijn verstreken, in gebreke blijft aan in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

III. te verklaren voor recht dat de Staat Suriname onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, door voornoemde handelingen;

IV. de Staat Suriname te veroordelen in de kosten van dit geding;

V. de Staat Suriname te veroordelen in de te maken proceskosten zijdens eisers hetgeen op € 1.500,= is begroot;

VI. dit vonnis voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut uitvoerbaar verklaren;

Subsidiair:
I. tegen de Staat Suriname in goede justitie één of meerdere beslissing (en) te nemen.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advocaten, mr. E.Ch. de Noten en mr. A.R. Baarh ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift en de conclusie tot rectificatie en uitbreiding van eis d.d. 20/5/’05 heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ten dage voor afpleiten bepaald de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter van de primaire vordering uit de aard van de daaraan ten grondslag gelegde feiten blijkt;

Overwegende, dat eisers op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden primair hebben gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding:
– de beslissingen, althans besluiten, van de President van de Republiek Suriname (de Staat Suriname) van 30 maart 2005, voorzien van de [nummers] gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname (ARS) van 30 maart 2005 [nummer] te vernietigen en te beslissen dat alle onder Artikel 5 lid 2 vallende personen alsnog op Kiezerslijsten voor de verkiezingen van 25 mei 2005 worden geplaatst;

I. gedaagde te gelasten en/of te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis (voor eisers sub I, II, III en IV en hun gezinnen);

a. onvoorwaardelijk tot Suriname toe te laten en eisers in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) te behandelen;
b. eisers sub I, II en III niet te discrimineren bij de aanvraag en verlening van bedrijfsvergunningen, overheidspercelen et cetera, ten opzichte van een Surinamer;
c. eisers sub I, II, II en IV en hun gezinnen te allen tijde visumvrij (onvoorwaardelijk) tot Suriname toe te laten;
d. eisers sub I, II en III en hun gezinnen in Suriname actief en passief kiesrecht toe te kennen door opneming op de Kiezerslijst (in de administratie) opdat dezen aan de verkiezingen van 25 mei 2005 kunnen deelnemen;
e. dat een ieder die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst valt onvoorwaardelijk tot de Republiek wordt toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer (Surinaams Staatsburger) wordt behandeld;
f. dat een ieder die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst valt en in Suriname woont op de Kiezerslijst (in de administratie) voor de verkiezingen van 25 mei 2005 door de Staat Suriname wordt opgenomen;
g. dat, indien eisers sub I, II en III door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten (Burgerrechten) op 25 mei 2005 en erna, de komende verkiezingen als onverbindend worden verklaard c.q. dat dezen ongeldig zullen zijn;
h. dat indien de overige in Suriname wonende personen die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst vallen, door toedoen van de Staat Suriname geen gebruik kunnen maken van hun Kiezersrechten op 25 mei 2005, de komende verkiezingen van 25 mei 2005 en erna, dezen onverbindend worden verklaard c.q. dat dezen ongeldig zullen zijn;

II. ten aanzien van eisers sub I, II, III en IV, de verkiezingen van 25 mei 2005 en hierna uit te stellen totdat de Kiesregeling in overeenstemming zal zijn gebracht met de Grondwet van Suriname, voor zover die in strijd is met UVRM, BUPO, IVUR en OAS, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 20.000,= voor iedere dag dat gedaagde, nadat twee dagen na voormelde betekening zijn verstreken, in gebreke blijft aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen.

III. te verklaren voor recht dat de Staat Suriname onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, door voornoemde handelingen;

IV. de Staat Suriname te veroordelen in de kosten van dit geding;

V. de Staat Suriname te veroordelen in de te maken proceskosten zijdens eisers hetgeen op EUR.1.500,= is begroot;

VI. dit vonnis voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut uitvoerbaar verklaren;

Subsidiar:
1. tegen gedaagde één of meerdere beslissingen in goede justitie te nemen:

Overwegende, dat gedaagde, naar uit de aan zijn verweer ten grondslag gelegde stellingen blijkt, welke stellingen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt, zich tegen het geven van de door eisers gevraagde voorzieningen heeft verzet en verzocht die voorzieningen te weigeren althans eisers’ vorderingen met een niet ontvankelijkheid te begroeten;

Overwegende, dat hoewel die stellingen relevant zijn, zij toch niet aan een bespreking hoeven te worden onderworpen als geheel overbodig, omdat, ook al zou een onderzoek de juistheid van die stellingen uitwijzen, Wij reeds enkel op grond van de aard van hetgeen in het petitum gevorderd is, in staat zijn een eindbeslissing te geven, welke Wij ook zullen geven;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het medegevorderde: “en hun gezinnen” in onderdeel I (aanhef) sub c sub d van het petitum opmerken, dat nu, naar Ons gebleken is, eisers sub I, II, III en IV niet mede namens hun respectieve echtgenoten en kind(eren), onder vermelding van hun namen, voornamen, en ten aanzien van de kinderen, hun leeftijden, dat gevorderde hebben ingesteld als gevolg waarvan die echtgenoten en kind(eren) niet mede zijn de eisers, dienen de eisers sub I, II, II en IV, wat dat deel van dat mede-gevorderde betreft, daarin niet te worden ontvangen;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde strekkende tot vernietiging van de beslissingen casu quo besluiten van de President van de Republiek Suriname van 30 maart 2005 met de [nummers], gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname (ARS) van 30 maart 2005 [nummer], opmerken, dat, ook al zouden de feiten c.q. gronden, aan dat gevorderde ten grondslag gelegd, in rechte tussen partijen zijn komen vast te staan, dan nog zouden Wij dat gevorderde niet kunnen toewijzen c.q. die terzake gevraagde voorziening niet kunnen geven, nu hetgeen de eisers sub. I, tot en met VII van ons verlangen, beslissingen welke van constitutieve en van declaratoire aard zijn, die Wij als Kantonrechter in Kort Geding niet kunnen geven; een constitutieve niet omdat een zodanige beslissing in zichzelve een definitief karakter heeft en reeds uit dien hoofde aan het Kort Geding is ontzegd; een declaratoire evenmin omdat met de aard van het vonnis in Kort Geding, als provisionele voorziening welke niet de rechtsverhouding tussen partijen ten principale beslist, onverenigbaar is dat de Kantonrechter in kortgeding een declaratoire beslissing zou geven;

Overwegende, dat, naar Ons gebleken is, het sub a. van het in onderdeel I van het petitum gevorderde ruim geformuleerd is en wel zo ruim dat bij bespreking daarvan het gevorderde in het bijzonder onder b, c, en d van dat onderdeel geacht wordt gelijk te zijn betrokken in die bespreking en dat derhalve Ons oordeel over het sub a gevorderde, ook over het gevorderde onder b, c en d van gemeld onderdeel geldt;

Overwegende, dat Wij, overgaande tot bespreking van het gevorderde sub a in onderdeel I van het petitum, opmerken, dat wat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn, dat gevorderde naar Ons voorlopig oordeel, niet toewijsbaar is nu de beslissingen van de President van de Republiek Suriname die van 30 maart 2005 dateren en onder de [nummers] 2005 gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname (ARS) van 30 maart 2005 [nummer], onaantastbaar en mitsdien onherroepelijk zijn geworden en dientengevolge toewijzing van het gevorderde sub a in onderdeel I van het petitum in de weg staan;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde onder e en f in onderdeel I van het petitum opmerken, dat nu niet gesteld is door eisers dat zij voor en namens:”een ieder die onder artikel 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst valt”, de onderhavige vordering instellen, nog daargelaten dat zij de namen en voornamen c.q. de persoonsgegevens van die personen niet hebben vermeld, wat had gemoeten, ontgaat het Ons geheel hoe toewijzing van gemeld gevorderde zou kunnen volgen zonder in strijd te handelen met de Wet;

Overwegende, dat Wij, wat het gevorderde sub q en h in onderdeel I van het petitum betreft, opmerken, dat, wat dat gevorderde ook moge zijn, toewijzing daarvan niet kan volgen zonder beslissingen te geven van zowel constitutieve, als van declaratoire aard, waartoe wij als Kantonrechter in kort geding niet bevoegd zijn;

Overwegende, dat Wij ten aanzien van het gevorderde in onderdeel II van het petitum opmerken, dat, nu Wij als Kantonrechter in kort geding de gevolgen van een toewijzende beslissing niet kunnen overzien, Wij de gevraagde voorziening reeds op grond daarvan zullen weigeren;

Overwegende, dat nu Wij op hetgeen in onderdeel III van het petitum gevorderd is, een beslissing zouden moeten geven die declaratoir van aard is, doch die Wij als Kantonrechter in kort geding niet mogen geven, omdat zij niet is een voorlopige voorziening, zal toewijzing van dat gevorderde niet volgen;

Overwegende, dat Wij ten aanzien van het gevorderde in onderdeel V van het petitum opmerken, dat, nu de eisers, wat dat gevorderde betreft, niet aan hun stelplicht hebben voldaan, toewijzing daarvan achterwege dient te blijven;

Overwegende, dat Wij, wat het susidiair gevorderde betreft, opmerken dat toewijzing daarvan niet kan volgen nu de feiten daaraan ten grondslag gelegd, geenszins tot die toewijzing kunnen leiden, vanwege gebrek aan correlatie tussen het fundamentum petendi en het petitum;

Overwegende, dat hetgeen in de Pleitaantekeningen de dato 23 mei 2005 is vastgelegd, geacht wordt in Onze bespreking te zijn meegenomen en in Ons oordeel mede zijn betrokken;

Overwegende, dat Wij mitsdien beslissen zullen als in het dictum te melden, onder verwijzing van de eisers als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten ;

Rechtdoende in Kort Geding:

Weigeren zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Verwijzen de eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag, 24 mei 2005, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. J.R. von Niesewand, in tegenwoordigheid van mr. S. Tika, Fungerend Griffier.

w.g. S. Tika w.g. J.R. von Niesewand

SRU-K1-2010-14

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 090229
11 februari 2010
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

De Centrale Bank van Suriname, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis d.d. 5 november 2009 strekkende tot overlegging door gedaagde van relevante jurisprudentie.

1. Het verdere verloop van het geding
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken-handelingen:

  • de conclusie tot overlegging van jurisprudentie zijdens gedaagde.
  • De conclusie tot uitlating zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nadir bepaald op heden.

2. De beoordeling
2.1 De kantonrechter neemt over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis.

2.2 De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of in de gevallen als bedoeld in artikel 1615 e lid 2 sub 3 BW een ontslagvergunning is vereist.

2.3 Op grond van artikel 3 lid 1 sub b van de Wet Ontslagvergunning is een ontslagvergunning niet vereist als de dienstbetrekking van rechtswege wordt beëindigd als bedoeld in artikel 1615 e BW.
Krachtens artikel 1615 e lid 1 BW eindigt een dienstbetrekking die voor bepaalde tijd is aangegaan van rechtswege door het verstrijken van die tijd.
In de gevallen voornoemd in lid 2 van gemeld wetsartikel is bovendien vereist dat de dienstbetrekking vooraf wordt opgezegd. Aan dit vereiste moet naar het oordeel van de kantonrechter slechts de betokening van een administratieve handeling worden toegekend te weten een “reminder” aan de wederpartij dat het einde van de dienstbetrekking nadert zodat men daarop is voorbereid. De arbeidsovereenkomst wordt echter ook in deze gevallen van rechtswege beëindigd door het verstrijken van de tijd, omdat anders in feite sprake zou zijn van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, aangezien beëindiging daarvan buiten partijen om afhankelijk zou zijn van een overheidsorgaan. (Vide: F. Kruisland in het Surinaams Juristen Blad, juli 2008 no. 2, pg’s 17 t/m 20).

2.4 Nu gedaagde de dienstbetrekking bij brief d.d. 13 juni 2008 heeft opgezegd en, zoals hierboven is gebleken, geen ontslagvergunning was vereist is naar het oordeel van de kantonrechter de dienstbetrekking rechtmatig beëindigd zodat de vordering moet worden afgewezen.

2.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden verwezen.

3. De beslissing in kort geding

3.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

3.2 Verwijst eiser in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 11 februari 2010, door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-1970-1

KANTONGERECHT EERSTE KANTON, 21 april 1970.

[eiser], wonende in het [Distrikt], eiser, adv. E.A. Hoost,

TEGEN:

N.V. Glenn Super Market, gevestigd te Paramaribo, gedaagde, adv. H.J. Kensenhuys.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Eiser vorderde bij de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van zijn werkgeefster, de gedaagde, een schadevergoeding van ƒ 405.— met rente en kosten op de navolgende gronden:
Dat eiser op 1 december 1968 een arbeidsovereenkomst met gedaagde is aangegaan voor onbepaalde tijd tegen een aanvangssalaris van ƒ 225.— per maand;
dat gedaagde op 5 maart 1969 bij monde van haar bedrijfsleider in opdracht van de Direkteur aan eiser zonder opgaaf van wettige reden ontslag heeft aangezegd per 5 maart 1969;
dat de handeling van gedaagde in casu waarbij zij de dienstbetrekking zonder inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen heeft doen eindigen en zonder dat eiser daarin toestemde en daarbij werd schadeloosgesteld als bedoeld in artikel 1615 r Sur. B.W. onrechtmatig is en gedaagde derhalve gehouden is aan eiser te vergoeden alle door haar schuld veroorzaakte schade;
dat gedaagde alsgevolg van haar onrechtmatig handelen aan eiser verschuldigd is salaris over de maanden maart en april 1969 ad ƒ 225.— per maand (cf. art. 1615 i Sur. B.W.);
dat gedaagde aan eiser 5 dagen salaris over de maand maart 1969 heeft uitbetaald groot ƒ 45.—;
dat eiser alzo van gedaagde heeft te vorderen de som van 2 x ƒ 225.— minus ƒ 45.— = ƒ 405.—;
dat gedaagde ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne weigert, althans in gebreke blijft voormeld bedrag aan eiser te betalen;

De NAAMLOZE VENNOOTSCHAP GLENN SUPER MARKET heeft als gedaagde partij voor antwoord gezegd:
dat gedaagde het 2e „dat” erkent;
dat gedaagde alle overige stellingen van eiser ontkent en betwist;
dat toch wat tussen partijen is voorgevallen is, dat eiser op 4 maart 1969 aan gedaagde verzocht om in verband met zijn 70ste verjaardag op 5 maart 1969 de gehele dag vrijaf te krijgen, waarop hem werd medegedeeld dat de dienst dit niet toeliet, doch dat hij vrijaf kon krijgen naar zijn keuze of des voormiddags of des namiddags van zijn jaardag;
dat eiser hiertegen bezwaren inbracht, die geen wijziging konden brengen in het standpunt van gedaagde, en eiser toen op 5 maart 1969 de gehele dag van het werk is weggebleven zonder meer;
dat toen eiser op 6 maart 1969 op het werk verscheen en geen geldige reden kon opgeven waarom hij, in strijd met de instructies van gedaagde, op 5 maart 1969 de gehele dag van het werk was weggebleven, hem werd medegedeeld, dat hij op staande voet ontslagen werd wegens de gehele dag wegblijven van het werk, terwijl hij wist dat hij minstens de halve dag op het werk moest zijn en aldaar een halve dag werd verwacht;
dat eiser het hem toekomende loon daarop van gedaagde heeft in ontvangst genomen zonder verder halen en trekken, bewust als hij was, dat hij op grove wijze de plichten welke de arbeidsovereenkomst hem oplegde, had veronachtzaamd;
dat de vordering van eiser derhalve is ongegrond;
Na een comparitie van partijen te hebben gehouden, overwoog de Kantonrechter:

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Ten processe staan als enerzijds gesteld en anderzijds erkend de navolgende feiten vast:

  1. Eiser is op 1 december 1968 in dienst getreden van gedaagde tegen een salaris van ƒ 225,—;
  2. Op 5 maart 1969 werd eiser 70 jaar;
  3. Eiser had die dag in verband met zijn verjaardag vrij gevraagd, doch hem was slechts een halve dag toegestaan, omdat de in gedaagde’s bedrijf geldende regels slechts een halve dag vrij toestonden;
  4. Eiser is niettemin een hele dag weggebleven;
  5. De volgende dag is eiser op staande voet ontslagen onder de mededeling „dat hij wel wist waarom”;
  6. Hem is slechts 5 dagen salaris over de maand maart uitgekeerd.

De mededeling, die ten 5e als ten processe vaststaat is aangenomen, achten Wij gelet op de omstandigheden voldoende duidelijk:
Eiser moet daaruit begrepen hebben dat zijn wegblijven de vorige dag als dringende reden tot ontslag op staande voet werd aangevoerd.
Wij zijn echter van oordeel dat eisers handelwijze geen dringende reden tot ontslag in de zin der wet voor gedaagde opleverde: Hoezeer ook in het algemeen eigenmachtig wegblijven van het werk, nadat voor de desbetreffende tijd verlof geweigerd is, als ernstig plichtsverzuim zal moeten worden aan gemerkt, de omstandigheid dat eiser zijn 70ste verjaardag vierde maakt dit plichtsverzuim minder ernstig.
Gelijk algemeen bekend pleegt het bereiken van die leeftijd in dit land met grote festiviteiten gepaard te gaan waarbij naar Surinaamse opvatting de aanwezigheid van de jarige voortdurend vereist is.
Dit in aanmerking genomen was niet uit eisers wegblijven af te leiden dat hij zijn plicht zover verwaarloosde dat redelijker wijze voortzetting van de dienstbetrekking van gedaagde niet kon worden verlangd.
Immers uit eisers wegblijven was niet af te leiden dat zulks zich spoedig zou herhalen, daar toch het vieren van een dergelijk kroonjaar niet dagelijks en zelfs niet jaarlijks voorkomt.
Ware het nu zo, dat bijzonder drukke werkzaamheden in het bedrijf van gedaagde, haar eiser wist, niet toelieten dat hij een hele dag vrijnam, dan zou mogelijk Ons oordeel anders uitvallen, doch gedaagde heeft ter comparitie uitdrukkelijk verklaard dat de weigering voor de tweede halve dag slechts gebaseerd was op de geldende reglementen.
Voor een zo kort werkverzuim achten Wij onder deze omstandigheden ontslag op staande voet een te zware repercussie. Wij achten dit ontslag dan ook onrechtmatig.
De omstandigheid, dat eiser niet tegen het ontslag heeft geprotesteerd is niet voldoende om daarin berusting of afstand van recht te zien. De verhouding werkgever-werknemer, die ondergeschiktheid inhoudt, maakt begrijpelijk dat de werknemer rechtstreeks protest niet wenselijk acht en verkiest zijn argumenten zonder verder overleg met de werkgever aan de rechter voor te leggen.

Eisers vordering, die met geen andere gronden wordt bestreden, is derhalve toewijsbaar met veroordeling in de kosten van het geding van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij.

RECHTDOENDE :
Veroordelen gedaagde om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 405, — (VIERHONDERD EN VIJF GULDEN), met de rente hierover ad 6% ’s jaars, vanaf 3 juli 1969 tot aan de dag der voldoening; enz.

(Dit vonnis is op 4 december 1970 door het Hof van Justitie in Hoger Beroep bevestigd).