SRU-K1-2010-13

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. no. 082344
13 juli 2010

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende in [district 1],
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
hierna te noemen: “[eiseres]”,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,
hierna te noemen: “de Bank”.

1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 6 juni 2008 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, met producties;
  • de conclusie van uitlating in conventie en dupliek in reconventie.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en reconventie
2.1 [eiseres] is een der erfgenamen van [persoon], overleden op 21 februari 2006.

2.2 De bank is op 28 augustus 2003 een kredietarrangement aangegaan met [persoon] voor het bedrag van EUR.5.000,= welk arrangement in de boeken van de Bank is geadministreerd onder [rekeningnummer].

2.3 Het krediet werd blijkens artikel 4 van de bijzondere voorwaarden die van toepassing zijn op het krediet gedekt door: 1. Een eerste krediethypotheek tot een maximum bedrag van EUR.6.500,= ten behoeve van de Bank ten laste van [eiseres], eiseres dus, op het recht van grondhuur op het perceelland groot 0.3781 ha gelegen in [district 2] te [gebied], deel uitmakende van het perceelland bekend als Serie A [nummer 1]; 2. Een van het agentschap van de Bank op het leven van [persoon] af te sluiten overlijdens- risicoverzekering tot een bedrag van EUR.5.000,=.

2.4 In verband met het krediet is met ingang van 11 november 2003 een overlijdensrisicoverzekering gesloten bij Fatum welk een looptijd had tot 11 november 2005. Deze overeenkomst is na de looptijd niet geprolongeerd.

2.5 Ook in verband met het krediet is ingaande 1 augustus 2004 bij Assuria een overlijdens- risicoverzekering gesloten voor het bedrag van EUR.3.000,=.

2.6 Bij overeenkomst van 6 september 2005 is het krediet verhoogd naar EUR.10.000,=.

2.7 In verband met de verhoging van het krediet is op het bovenvermeld onroerend goed een tweede krediethypotheek gevestigd bij akte van 12 september 2005.

2.8 Na het overlijden van [persoon] is door Assuria het bedrag van EUR.3.000,= aan de bank uitgekeerd.

2.9 [eiseres] heeft in kort geding gevorderd dat de Bank haar het bedrag van EUR.2.682,= als schadevergoeding uitkeerde, waarbij zij als grondslag aanvoerde dat de Bank door het niet in orde maken van de overlijdensrisicoverzekering wanprestatie heeft gepleegd als gevolg van welke wanprestatie zij schade heeft geleden.

2.10 De kantonrechter in kort geding heeft de vordering bij vonnis van 23 maart 2007 toegewezen.

2.11 [eiseres] heeft in 2009 wederom een vordering ingediend tegen de Bank waarin zij vordert de openbare verkoop van bovenvermeld onroerend goed stop te zetten.

2.12 De kantonrechter in kort geding heeft de vordering bij vonnis van 30 juli 2009 toegewezen.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering in conventie
[eiseres] vordert, kort samengevat, dat de Kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

A.
Primair:
Voor recht verklaart dat de vorderingen van de Bank krachtens de met de erflater van [eiseres] gesloten kredietarrangementen d.d. 28 augustus 2003 en 6 september 2005 evenals de ten laste van [eiseres] gevestigde hypotheken te niet zijn gegaan.
Subsidiair:
Voor recht verklaart dat [eiseres] sinds het overlijden van [persoon] niet langer gehouden is de hypothecaire dekking met haar voorschreven onroerend goed in stand te houden ten behoeve van gedaagde;

B.De Bank beveelt binnen een week na de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis te royeren en door te halen deze ten laste van [eiseres] en ten behoeve van de Bank op haar onroerend goed gevestigde hypotheken.

C.Gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD.10.000,= voor iedere dag waarop zij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

III Gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
[eiseres] voert als grondslag voor haar vordering aan dat de Bank door het niet in orde maken van de overlijdensrisicoverzekering wanprestatie heeft gepleegd jegens [persoon] en onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar als onderzetter. Het gevolg van die wanprestatie en het onrechtmatig handelen is dat het verzekeringsbedrag dat is uitgekeerd niet de gehele saldoschuld bedroeg van [persoon], doch slechts een deel daarvan, terwijl bij een adequate overlijdensrisicoverzekering de gehele saldoschuld zou zijn uitgekeerd en de Bank niet zou overgaan tot uitwinning van het ondergezet onroerend goed. Om die reden is [eiseres] van mening dat de Bank niet mag overgaan tot uitwinning van haar onroerend goed en moet de hypotheek geroyeerd worden.

3.3 De vordering in reconventie
De Bank vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het door haar, de Bank, omstreeks 22 september 2007 aan [eiseres] betaalde bedrag van EUR.2.682,= door haar, de Bank, onverschuldigd is betaald;

II. [eiseres] veroordeelt om aan de Bank te betalen het bedrag van EUR.2.682,= met de wettelijke interessen daarover ad 6% ‘s jaars vanaf 10 februari 2009 tot aan de algehele voldoening.

3.4 De grondslag in reconventie
De Bank voert als grondslag aan dat de veroordeling tot betaling van EUR.2.682,= niet juist is en dat deze veroordeling in hoger beroep zal worden vernietigd. Zij voert aan dat zij geen enkele rechtsplicht had jegens [eiseres] en [persoon] en dat het onterecht is dat de kantonrechter die rechtsplicht heeft aangenomen.

3.5 Het verweer
Zowel de Bank als [eiseres] hebben, respectievelijk in conventie en reconventie, verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, terugkomt.

4. De beoordeling
In conventie
4.1 De Bank heeft als verweer aangevoerd dat haar door [eiseres] onterecht het verwijt wordt gemaakt dat zij ervoor had moeten zorgdragen dat het krediet voldoende was afgedekt door een overlijdensrisicoverzekering. Zij voert daarbij aan dat een dergelijke verplichting jegens [eiseres] of [persoon] niet bestaat en dat zij reeds genoeg dekking had door de gevestigde hypotheken. Zij stelt dat om die reden haar niet verweten kan worden dat door de afwezigheid van een adequate overlijdensrisicoverzekering [eiseres] thans schade lijdt.

4.2 [eiseres] heeft op dat verweer gereageerd door te stellen dat die verplichting wel bestond en verwijst daarbij naar de volgende documenten en feiten:1. Het kredietarrangement d.d. 28 augustus 2003 waarin is opgenomen dat als dekking via het agentschap van de Bank op het leven van [persoon] een overlijdensrisicoverzekering zal worden afgesloten; 2. De bepaling in dat arrangement dat de polis met de kwitanties gedurende de looptijd van het krediet onder berusting van de Bank zullen blijven; 3. Het schrijven d.d. 10 oktober 2005 van Fatum aan de bank waaruit blijkt dat ten aanzien van de verzekering de correspondentie loopt via de Bank; 4. Datzelfde schrijven d.d. 10 oktober 2005 van Fatum aan de Bank waarin aan de Bank kennis wordt gegeven van het feit dat de verzekering zal verlopen; 5. De algemene voorwaarden waarin in artikel 2 staat “de Bank en de cliënten zullen bij de uitvoering van transactie de nodige zorgvuldigheid in acht nemen en daarbij naar beste vermogen rekening houden met elkaars belangen”; 6. Het feit dat de Bank de premie voldeed en dan die premiebetaling op de rekening van [persoon] verhaalde; 7. Het kredietarrangement d.d. 6 september 2005 waarin is opgenomen “De voorwaarden en bepalingen zoals vastgelegd in ons arrangement van 28 augustus 2003 en onze aanvullende brieven van 8 april 2004 en 1 december 2004 blijven voor zover hiervan in het bovenstaande niet uitdrukkelijk wordt afgeweken, onveranderd op het krediet aan U van toepassing.”

4.3 [eiseres] stelt met bovenstaande verwijzingen dat uit alles blijkt dat het op de weg van de Bank heeft gelegen om de overlijdensrisicoverzekering bij termijnverloop te verlengen en bij verhogingen van het krediet te verhogen. Zij verwijt de Bank wanprestatie.

4.4 De Bank heeft op deze stellingen van [eiseres] haar standpunt gehandhaafd en aangevoerd dat zij niet degene is die de levensverzekeringsovereenkomsten had moeten sluiten, dat dat op de weg ligt van de cliënt die de kredietovereenkomst sluit.

4.5 De kantonrechter overweegt dat de Bank de stellingen van [eiseres] dat de voorwaarde voor een overlijdensrisicoverzekering gold voor alle kredietovereenkomsten, dat de polis en de kwitanties onder berusting van de Bank bleven tijdens de looptijd van het krediet en dat de correspondentie van de verzekeraar met de Bank werd gevoerd niet heeft weersproken.

4.6 De kantonrechter overweegt dat zij het eens is met [eiseres] haar standpunt dat de Bank onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door het niet afsluiten van een adequate levensverzekeringen ten behoeve van [persoon] en wel op grond van de volgende omstandigheden:

  1. Uit de overgelegde kredietarrangementen blijkt dat de DSB en [persoon] als voorwaarden overeen zijn gekomen dat als dekking een overlijdensrisicoverzekering gesloten zal worden: wie die overlijdensrisicoverzekering zou moeten beschermen is tussen partijen een discussiepunt geworden, doch is in beginsel niet relevant, nu het tussen partijen was overeengekomen als voorwaarde;
  2. Uit de overgelegde documenten en conclusies blijkt dat het de Bank is die de correspondentie met de verzekeraar voert;
  3. Uit de overgelegde documenten en conclusies blijkt dat de Bank de administratieve handelingen rond de levensverzekering pleegt, immers blijven de documenten onder hun beheer en dragen zij de premie af, waarna zij de rekening van de cliënt daarna belast voor het betaalde premiebedrag; daarnevens blijkt dat zelfs de kennisgevingen voor de prolongatie van de verzekering aan de Bank worden verzonden en niet aan de cliënt, waardoor ervan uitgegaan moet worden dat in de praktijk de handelingen rond het aangaan, de betaling, de verlenging, kennisgevingen en dergelijke steeds door de Bank worden gepleegd, in ieder geval geïnitieerd.;
  4. Dat de in het eerste kredietarrangement opgenomen voorwaarden ook golden voor de andere wijzigingen van het kredietplafond waardoor tussen partijen was overeengekomen dat voor alle wijzigingen een adequate overlijdensrisicoverzekering had moeten worden gesloten.

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van bovenvermelde omstandigheden het in rechte is komen vast te staan dat de Bank de partij was die er zorg voor moest dragen dat de overlijdensrisicoverzekering in orde was voor het totale kredietbedrag en dat de Bank door daar geen zorg voor te dragen onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en jegens [persoon] wanprestatie heeft gepleegd.

4.8 De kantonrechter is van oordeel dat door het onzorgvuldig handelen van de Bank, de situatie is ontstaan dat bij het overlijden van [persoon] het saldo van het krediet niet volledig is uitgekeerd. Hierdoor is het aan de Bank zelf te wijten, althans is het door het toedoen van de Bank zelf, dat na het overlijden geen volledige uitkering van het saldo van het krediet heeft plaatsgevonden.

4.9 De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor het beroep van [eiseres] op de wanprestatie van de Bank en het onrechtmatig handelen van de Bank op zijn plaats is en dat [eiseres] er terecht tegen opkomt dat alsnog het door haar ondergezette onroerend goed wordt uitgewonnen.

4.10 De kantonrechter is van oordeel dat de grondslag van [eiseres] is komen vast te staan waardoor het subsidiair gevorderde zal worden toegewezen.

4.11 Het primair gevorderde zal niet worden toegewezen nu niet kan worden gesteld dat de kredietarrangementen en de hypotheken te niet zijn gegaan.

4.12 Het subsidiair gevorderde kan wel worden toegewezen nu het in rechte is komen vast te staan dat de Bank jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Door dit handelen is het aan de Bank zelf te wijten dat zij geen uitkering heeft ontvangen ter hoogte van het saldo van het krediet en kan van [eiseres] niet gevergd worden dat zij daarvoor opdraait; zij is derhalve niet gehouden de hypothecaire dekking in stand te houden.

4.13 Ook het onder B en C gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu deze de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

In reconventie
4.14 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het reconventioneel gevorderde dat [eiseres] als verweer aanvoert dat de uitkering van het bedrag is gedaan op grond van een veroordelend vonnis. Om die reden kan niet gesteld worden dat het bedrag onverschuldigd is voldaan, zo stelt [eiseres].

4.15 De kantonrchter is het eens met [eiseres] dat het bedrag is betaald op grond van een veroordelend vonnis. Alleen op die grond reeds zal niet kunnen worden gesteld dat het bedrag onverschuldigd is betaald. Die onverschuldigde betaling zou pas kunnen worden aangenomen wanneer in hoger beroep of in een bodemgeschil zou komen vast te staan dat de Bank dat bedrag aan schadevergoeding niet verschuldigd is aan [eiseres].

4.16 De kantonrechter overweegt dat door de Bank echter geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan beoordeeld kan worden of de schadevergoeding aan [eiseres] terecht dan wel onterecht is uitgekeerd. De Bank beroept zich slechts op het feit dat er geen rechtsplicht bestond bij de Bank om de overlijdensrisicoverzekering te sluiten, hetgeen de kantonrechter in conventie reeds heeft besproken.

4.17 De kantonrechter zal het reconventioneel gevorderde dan ook afwijzen.

In conventie en reconventie
4.18 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de Bank als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.

5. De beslissing
In conventie
5.1 Verklaart voor recht dat [eiseres] sinds het overlijden van [persoon] niet langer gehouden is de hypothecaire dekking met haar voorschreven onroerend goed in stand te houden ten behoeve van gedaagde;

5.2 Beveelt de Bank om binnen één week na betekening van dit vonnis te royeren of te doen royeren en door te halen deze ten laste van [eiseres en ten behoeve van de Bank op haar na te melden onroerend goed gevestigde hypotheken d.d. 17 september 2003 bij akte verleden ten overstaan van notaris mr. R.A. Soerdjbali en ten hypotheekkantore ingeschreven in register B [deel 1] onder [nummer 2] en bij akte van 12 september 2005, verleden ten overstaan van notaris mr. R.A. Soerdjbali, ingeschreven ten hypotheekkantore in register B [deel 2] onder [nummer 3] op 19 september 2005 op: – het recht van grondhuur vervallende 4 mei 2034 op het perceelland groot 0.3781 ha, gelegen in [district 2] te [gebied], deel uitmakende van het perceeelland, bekend als Serie A [nummer 1], nader aangeduid op de in viervoud overgelegde kaart van de landmeter in Suriname Ir. K.R. Koole d.d. 15 april 1993 met de letters ABCD en blijkens de in dorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 11 mei 1993, thans bekend als [gebied] Serie A [nummer 4];

5.3 Veroordeelt de bank tot betaling van een dwangsom van SRD1.000,=(eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het bedrag van SRD100.000,= (honderduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat de Bank in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

5.4 Verklaart dit vonnis voor wat het condemnatoir gedeelte uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie
5.6 Wijst af het gevorderde.

In conventie en reconventie
5.7 Veroordeelt de bank in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 172,= (honderd twee en zeventig Surinaamse dollar);

In conventie en reconventie
Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en uitgesproken door Mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 13 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. G. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A.C. Johanns
I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2014-10

In naam van de Republiek
Arno.143896
Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 143896
1 december 2014

Vonnis in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gemachtigde: mr.dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 1 september 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord, met producties,
– conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is toegelaten tot de raio opleiding 2009 – 2014 en heeft deze opleiding doorlopen tot juli 2014.

2.2 Tijdens de opleiding is zij door de verschillende mentoren beoordeeld.

2.3 Op 1 februari 2014 heeft de “Raad voor Selectie en opleiding ten behoeve van de rechterlijke macht”, hierna te noemen “de Raio Raad”, aan de Minister meegedeeld dat in de afgelopen jaren de termijnen van drie leden in de Raio Raad zijn verlopen. Voorts is aan de Minister meegedeeld dat in augustus en december 2013 personen zijn voorgedragen om te worden benoemd in de plaats van de leden, waarvan de termijn is verstreken, doch dat de Minister ondanks dat gegeven deze personen niet heeft benoemd. Ook is aangegeven dat de stilzwijgende herbenoeming van twee personen nog niet heeft plaatsgevonden zoals door de Raad was gevraagd in haar schrijven van 16 januari 2013. Voorts brengt de Raio Raad onder de aandacht van de Minister dat door het niet benoemen van de voorgedragen leden en de stilzwijgende benoeming van de twee genoemde personen er geen besluiten kunnen worden genomen binnen de Raio Raad. Hierdoor kan de Raad niet functioneren overeenkomstig haar taakstelling en heeft zij het besluit genomen om het mandaat terug te geven.

2.4 De Raio Raad heeft, voordat schriftelijk het mandaat werd teruggegeven, aan gedaagde overeenkomstig artikel 31 van het Staatsbesluit houdende vaststelling van het reglement selectie en opleiding rechterlijke macht van 5 oktober 1976 (SB 1976 no. 54), positief advies uitgebracht aan gedaagde over eiseres, omtrent benoeming van eiseres tot lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie.

2.5 Bij schrijven van 4 maart 2014 heeft het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 142 lid 2 van de Grondwet geadviseerd dat eiseres door de regering tot lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie wordt benoemd.

2.6 Gedaagde, met name de Minister van Justitie en Politie, heeft op 24 februari 2014 met zes raio’s, eiseres was uitgenodigd doch afwezig vanwege uitlandigheid, een bespreking gehad waarbij tevens aanwezig waren de directeur van het Ministerie, de onder directeur Rechtsaangelegenheden en de secretaris van het Ministerie.

2.7 Tijdens dit gesprek is aan de zes raio’s voorgehouden dat de zittingsduur van de Raio Raad is geëxpireerd terwijl de raio opleiding nog gaande is. Gedaagde heeft aangegeven dat met de mentoren van de opleiding is gesproken en dat afspraken zijn gemaakt over het opleidingstraject vanaf maart 2014. Voorts dat er een milieu- en antecedenten onderzoek zal worden ingesteld en een psychologische test zal worden afgenomen. Aan eiseres is de inhoud van voormeld gesprek na haar terugkomst voorgehouden en tevens is haar voorgehouden dat na binnenkomst van de resultaten van de onderzoeken zal worden besloten of eiseres zal worden voorgedragen voor benoeming.

2.8 Gedaagde heeft aan een evaluatie commissie bestaande uit drie personen de opdracht gegeven hem te adviseren omtrent de voordracht tot benoeming.

2.9 Genoemde evaluatie commissie heeft op 4 juni 2014 de Minister bericht dat zij op grond van de resultaten van haar evaluatie adviseert eiseres niet voor te dragen voor benoeming.

2.10 Gedaagde heeft dit advies overgenomen en aan eiseres tijdens een gesprek op 18 juli 2014 aan haar meegedeeld dat is besloten dat eiseres niet zal worden voorgedragen voor benoeming en te rekenen van 18 juli 2014 niet meer als Raio verbonden is aan de Raio-opleiding.

2.11 Bij schrijven van 22 juli 2014 heeft gedaagde deze mededeling schriftelijk aan eiseres gedaan.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering

Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
A. Schorst of opschort het besluit of de werking van het besluit van gedaagde d.d. 22 juli 2014 met [kenmerk], totdat is beslist op de bij het Hof van Justitie ingestelde vordering bekend onder het nummer A-863;
B. Gedaagde veroordeelt om eiseres indien en voorzover nodig deel te laten nemen aan alle activiteiten die in het kader van de Raio opleiding ten behoeve van de zittende magistratuur 2009-2014 worden georganiseerd onder verbeurte van een dwangsom van SRD.10.000,= per dag voor iedere dag waarop gedaagde in strijd met het vonnis handelt en voorts
C. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor haar vordering het volgende aangevoerd:

  1. Dat de Minister de bevoegdheid mist om de aanstelling van eiseres als Raio te beëindigen omdat zij door de President van de Republiek met ingang van 1 januari 2010 te werk is gesteld op de griffie van het Hof van Justitie teneinde de opleiding voor een functie bij de rechterlijke macht te volgen; de President is derhalve het bevoegd gezag om over de aanstelling van eiseres te beslissen;
  2. dat de Minister de bevoegdheid mist om een evaluatie commissie in te stellen; dat de Minister alleen de bevoegdheid heeft om een Raio Raad in te stellen; dat het besluit van de Minister gestoeld is op een advies van deze commissie en daarom in strijd met de wet tot stand is gekomen; dat het besluit om die reden vernietigt dient te worden;
  3. dat een Raio slechts geschorst of ontslagen mag worden nadat daarover overleg is geweest met de Raio Raad; in casu heeft gedaagde geen overleg gepleegd met de Raio Raad over het ontslag; ook dat besluit is daarom in strijd met de wet;
  4. dat het Hof van Justitie op grond van artikel 141 lid 2 van de Grondwet het advies had gegeven om eiseres te benoemen tot lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie; ondanks dit schrijven heeft gedaagde gemeend de aanstelling van eiseres als Raio te beëindigen; dit besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel;
  5. dat het besluit in strijd is met de grondwettelijke bepaling opgenomen in artikel 141 lid 2, immers, de strekking van die bepaling is dat de uitvoerende macht niet geheel vrij wordt gelaten om te bepalen welke persoon wel en welke niet tot rechter wordt benoemd; het advies van het Hof van Justitie dient immers als waarborg voor het deugdelijk functioneren van de persoon in kwestie als rechter; eiseres is door de mentoren bedoeld in artikel 19 van het staatsbesluit al goedgekeurd waardoor het besluit van gedaagde ook om die reden in strijd is met het vertrouwensbeginsel;
  6. dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, immers heeft de minister niet duidelijk aangegeven op basis van welke gronden hij het besluit heeft genomen; geen van de zaken die vermeld staan in de brief leveren concrete gronden op voor het besluit in kwestie;
  7. dat de minister van een onjuiste zienswijze uitgaat indien hij van mening is dat hij de bevoegdheid heeft om alleen te bepalen wie wel of niet tot rechter benoemd wordt; deze zienswijze is in strijd met artikel 141 van de Grondwet en verder in strijd met de artikelen 8 en 25 van het Amerikaans Verdrag voor de rechten van de mens.

4. Het antwoord
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen, met name het feit dat eiseres vordert wederom tot de opleiding te worden toegelaten.

5.2 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. De minister heeft op grond van artikel 29 van het Staatsbesluit de bevoegdheid om te beslissen dat een Raio niet wordt benoemd en daarmee om een evaluatie commissie in het leven te roepen om hem terzake te adviseren en een besluit te nemen omtrent de Raio;
  2. De Raio Raad had haar mandaat teruggegeven en om die reden heeft de Minister gehandeld als in casu;
  3. De evaluatie commissie heeft een gemotiveerd schriftelijk advies uitgebracht ten aanzien van eiseres;
  4. Gedaagde heeft aan eiseres tijdens en gesprek medegedeeld dat zij van de opleiding was verwijderd waarna eiseres heeft aangegeven dat zij gaarne op het Hof van Justitie wenst te blijven werken;
  5. het advies van het Hof van Justitie van 4 maart 2014 is slechts een advies en hetgeen in het schrijven staat is niet juist; met name de zinsnede “dat verzoeker goede beoordelingen van al haar docenten heeft gehad”; dat uit het dossier van eiseres het tegendeel blijkt; het advies van het Hof was niet op de werkelijkheid gestoeld blijkens de beoordelingen in het dossier van eiseres;

5.3 De vraag die partijen primair verdeeld houdt is in de conclusie van repliek in het vijfde sustenu geformuleerd: “is de Minister van Justitie en Politie (niet zijnde de rechterlijke macht, of onderdeel uitmakende van de rechterlijke macht, doch deel uitmakende van de uitvoerende macht) bevoegd om een Raio uit het opleidingstraject te plaatsen?” Eiseres stelt van niet althans, eiseres stelt dat in een rechtsstaat de Minister van Justitie en Politie de bevoegdheid niet behoort toe te komen. Nu Suriname een rechtsstaat is behoort hij dat niet alleen op papier te zijn.

5.4 De Staat betoogt dat artikel 29 van het Staatsbesluit van 1976 op deze vraag positief antwoord geeft. En betoogt daarnaast dat, nu de Raio Raad haar mandaat had teruggegeven, er geen Raio Raad meer was om overleg mee te voeren voor schorsing of ontslag.
5.5 Eiseres heeft op dit verweer onder andere aangevoerd dat zij erbij blijft dat er geen wettelijke bepaling bestaat die bevoegdheid aan de minister geeft om zelfstandig een Raio te ontheffen.

5.6 De kantonrechter overweegt dat naar aanleiding van het voorgaande nagegaan moet worden welke bevoegdheid blijkt uit de wet, in casu het Staatsbesluit, met betrekking tot het beëindigen van een opleidingstraject van een Raio.

5.7 De kantonrechter zal aanvangen met het eerste verweerpunt van gedaagde ten aanzien daarvan, namelijk het beroep op artikel 29 van het Staatsbesluit dat door eiseres betwist wordt.

5.8 De kantonrechter overweegt ten aanzien van dat beroep dat dat artikel staat onder het kopje betreffende de “rechtspositie van de rechterlijke ambtenaar in opleiding”. Onder dit kopje is geregeld in artikel 27 dat de kandidaat wiens geschiktheid is onderzocht wordt benoemd tot rechterlijk ambtenaar in opleiding. Dat de aanstelling geschied in een bepaalde rang en dat de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 onder e van de Personeelswet. Namelijk tijdelijke dienst op proef. (artikel 28). Hierna volgt het artikel 29 waarin een bepaling staat met betrekking tot de aanstelling in vaste dienst. Deze bepaling betreffende de aanstelling in vaste dienst zou naar het oordeel van de kantonrechter moeten worden geplaatst in het licht van artikel 14 lid 1 onder e en artikel 14 lid 3 van de Personeelswet welke bepaalt dat de aanstelling in tijdelijke dienst op proef niet langer dan twee jaar mag duren. Hierna zou een omzetting in vast dienst moeten volgen.

5.9 Op grond van de redaktie van het artikel en de artikelen ervoor is de kantonrechter van oordeel dat artikel 29 in samenhang gelezen met de voorgaande artikelen, geen betrekking heeft op de voordracht en benoeming tot lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie (de laatste fase na voltooiing van de opleiding), doch op het “voorzien van een aanstelling in vaste dienst van een rechterlijk ambtenaar in opleiding”, nadat de selectie procedure heeft plaatsgevonden en advies door de raad is uitgebracht zoals bedoelt in artikel 16 van het Staatsbesluit en nadat twee jaren op proef zijn verstreken. Eiseres is reeds voorzien van een aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding na advies van de raad, waardoor een dergelijke aanstelling niet meer aan de orde is.

5.10 Dat deze bepaling de ambtenaar in opleiding betreft blijkt tevens uit het feit dat niet de Minister een Raio van een aanstelling bij de rechterlijke macht voorziet, doch de Regering ingevolge de Grondwet. Op grond daarvan blijkt derhalve ook dat in artikel 29 van het Staatsbesluit niet gedoeld wordt op het “niet voorzien van een aanstelling bij de rechterlijke macht”, doch op het “niet voorzien van een vaste aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding”.

5.11 Om die reden kan het beroep van gedaagde op artikel 29 van het Staatsbesluit niet slagen.

5.12 In casu is aan de orde een volgende fase in de procedure, namelijk de fase waarbij de Raad heeft aangegeven dat de Raio kan worden voorgedragen voor benoeming tot lid- plaatsvervanger. Die fase is in artikel 31 beschreven.

5.13 Voorts is aan de orde de beëindiging van de aanstelling tot rechterlijk ambtenaar in opleiding, zoals in artikel 30 wordt bedoeld. De kantonrechter overweegt dat in casu “ontslag zoals wordt bedoeld in de Personeelswet” niet aan de orde is, immers heeft gedaagde de Raio niet ontslagen, doch is aan de orde beëindiging van aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding en daarmee beëindiging van de opleiding van de Raio, en wel nadat de Raad een positief advies heeft uitgebracht.

5.14 De kantonrechter overweegt dat eiseres zich beroept op artikel 30 van het Staatsbesluit namelijk dat op grond van dat artikel de gedaagde het besluit niet had mogen nemen zonder eerst te overleggen met de Raio Raad. Op grond daarvan is het besluit genomen zonder daarbij de wettelijk voorgeschreven procedure na te leven, stelt eiseres.

5.15 Uit de redactie van artikel 30 van het Staatsbesluit moet begrepen worden dat de wetgever met het woord “ontslag”ook op het oog had de beëindiging van de aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding en dat bij de beëindiging van die aanstelling de minister eerst overleg dient te plegen met de Raio Raad.

5.16 Gedaagde heeft zich voor wat dat punt betreft op het standpunt gesteld dat zij inderdaad zou moeten overleggen met de Raio Raad doch dat dat niet mogelijk was omdat de Raad haar mandaat had teruggegeven.

5.17 Naar het oordeel van de kantonrechter moeten in casu thans nog twee zaken beoordeeld worden. Ten eerste: Heeft de Minister de bevoegdheid om aan het advies van de Raio Raad voorbij te gaan en te besluiten om een Raio niet te benoemen? En ten tweede: heeft de Minister de bevoegdheid om de aanstelling als rechterlijk ambtenaar van de Raio daarna te beëindigen zonder overleg met de Raio Raad te plegen.

5.18 Uit de redactie van artikel 30 blijkt dat de Minister de aanstelling van een Raio als rechterlijk ambtenaar in opleiding slechts kan beëindigen nadat hij daaromtrent overleg heeft gepleegd met de Raio Raad.

5.19 Uit de redactie van artikel 30 en artikel 31 blijkt echter niet dat de Minister gehouden is het advies van de Raio Raad op te volgen.

5.20 In beginsel zou de Minister derhalve, mochten hem na het advies van de Raio Raad van redenen zijn gebleken die naar zijn beoordeling tot een conclusie zouden leiden dat het niet verantwoord is de Raio uiteindelijk te benoemen in een functie bij de rechterlijke macht, omtrent deze redenen overleg moeten plegen met de Raio Raad.

5.21 Nadat hij daaromtrent met de Raad heeft overlegd zou de Minister in beginsel mogen beslissen niet over te gaan tot de voorbereidingen voor de benoeming. Het betreft in zo een geval voorbereidingen plegen voor de benoeming, immers, niet de Minister benoemd, doch de regering benoemt ingevolge de Grondwet.

5.22 Uit het Staatsbesluit blijkt derhalve niet dat de Minister niet voorbij mag gaan aan het advies van de Raio Raad. Echter dient hij, indien hij het voornemen heeft de betrekking van de Raio als rechterlijk ambtenaar in opleiding te beëindigen of hem te schorsen of te ontslaan, wel overleg te plegen met de Raio Raad.

5.23 In casu is dat niet gebeurd.

5.24 De kantonrechter overweegt dat gedaagde met betrekking tot dat deel van de grondslag een beroep heeft gedaan op het feit dat de Raio Raad haar mandaat had teruggegeven. Hierdoor, zo stelt zij, kon de Minister niet anders dan zelf beslissen, hij had immers door het teruggeven van het mandaat ruimere bevoegdheden.

5.25 Ten aanzien van dat verweer overweegt de kantonrechter als volgt:

5.26 Gelijk eiseres stelt, kan de vraag worden opgeworpen of gedaagde zich kan beroepen op het teruggeven van het mandaat door de Raio Raad, nu het de Minister zelf is die in die benoeming van de leden van de Raio Raad had moeten voorzien, immers blijkt uit het schrijven van 1 februari 2014 dat er al voordrachten waren gedaan voor de aanvulling van de Raad vanaf augustus 2013 respectievelijk december 2013. Eiseres stelt dat de brief van 1 februari 2014 eerder zou moeten worden begrepen als een schrijven waarin de Raad aan de Minister meedeelt dat er voordrachten zijn gedaan, doch dat de Minister niet tot benoeming overgaat waardoor de overgebleven leden van de Raad geen andere keus blijft dan het mandaat terug te geven.

5.27 De kantonrechter neemt dit standpunt van eiseres over en overweegt dat om die reden de opvatting van gedaagde dat er sprake was van – zoals gedaagde dat stelt op pagina 3 van haar dupliek – een situatie waarbij “de Raad een reeds varend schip in de steek heeft gelaten” en “de Minister heeft getracht de zaak enigszins te redden door een andere commissie in te stellen” niet gegrond is, immers was hij degene die de voor de Raio Raad voorgedragen leden na de voordracht gewoon had kunnen benoemen. Van gedaagdes zijde zijn geen redenen genoemd waarom de Minister niet is overgegaan tot benoeming van de voorgedragen personen namelijk: vanuit de Orde van Advocaten mr. M. Tjong Jaw Chong en vanuit het Openbaar Ministerie de personen van mr. R. Baynath Panday en mr. C. Rasam, en voorts de personen die moesten worden herbenoemd, mr. I. Huyzen-Sedney en mr. M. Chin A Fat.

5.28 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde zich daarom niet kan beroepen op het feit dat de Raio Raad het mandaat had teruggegeven, omdat het mandaat blijkens het schrijven is teruggegeven omdat de Minister niet overging tot het benoemen van de reeds voorgedragen kandidaat leden, waartoe hij conform de wet gehouden was.

5.29 Op grond hiervan wordt, ondanks het feit dat er sprake was van het teruggeven van het mandaat, geoordeeld dat het beëindigen van de aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding niet conform de wet is geschied nu niet eerst overleg is gepleegd met de Raio Raad en de wet voorschrijft dat dat slechts mogelijk is na overleg met de Raio Raad.

5.30 De kantonrechter overweegt dat zij als kort geding rechter niet kan beoordelen of de redenen welke in dit geding door de Minister zijn aangehaald welke tot het beëindigen van de aanstelling als Raio hebben geleid, gegrond zijn. Daar zal geen uitspraak over gedaan kunnen worden.

5.31 De kantonrechter is echter wel van oordeel dat de Minister over de gronden die hebben geleid tot zijn besluit overleg had moeten plegen met de Raio Raad, nadat die door hem was aangevuld, zoals de wet voorschrijft.

5.32 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het deel van de grondslag dat handelt over het motiveringsbeginsel, dat zowel uit de stellingen als de weren en de producties blijkt, dat aan eiseres tijdens het gesprek van 18 juli 2014 geen concrete redenen zijn doorgegeven die op haar als Raio betrekking hadden. Evenmin zijn in het schrijven van 22 juli 2014 redenen genoemd, in welk schrijven is opgemerkt dat er geen aanleiding is gevonden in de informatie die de Minister heeft bekomen om de voordracht tot lid- plaatsvervanger te honoreren. Ten aanzien van die informatie is in een schrijven verder aangegeven dat die op de juistheid is getoetst, doch dat indien de commissie die informatie kenbaar zou maken, de melding daarvan een zodanige impact zou hebben op het leven van eiseres dat het haar haar leven lang kan achtervolgen. Die informatie is dus niet aan eiseres doorgegeven.

5.3 De kantonrechter is van oordeel dat bij het besluit derhalve niet het motiveringsbeginsel in acht is genomen, welk beginsel een waarborg inhoudt voor een rechtzoekende om tegen een besluit op te kunnen komen, immers indien een orgaan het besluit niet motiveert, de redenen die tot het besluit hebben geleid niet aan de persoon kenbaar maakt, heeft die persoon de mogelijkheid niet tegen het besluit op te komen, immers weet hij niet op grond waarvan het besluit is genomen en kan hij geen gerichte bezwaren tegen het besluit formuleren.

5.34 De kantonrechter is van oordeel dat, nu het besluit is genomen zonder eerst overleg te plegen met de Raio Raad, het aannemelijk is geworden dat het besluit in strijd is genomen met de wet. Voorts is aannemelijk geworden dat het besluit niet is gemotiveerd. De gronsdslag is hierdoor aannemelijk geworden, waardoor het besluit geschorst zal worden totdat het Ambtenarengerecht over het besluit definitief heeft beslist.

5.35 De kantonrechter zal het overig gevorderde niet toewijzen nu niet concreet in het petitum is aangegeven op welke activiteiten eiseres doelt. Een veroordeling zonder concreet aan te geven welke activiteiten het betreft is niet goed mogelijk.

5.36 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Schort de werking van het besluit van gedaagde d.d. 22 juli 2014 met [kenmerk] op, totdat is beslist op de bij het Hof van Justitie als Ambtenarengerecht ingestelde vordering bekend onder het nummer A-863;

6.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

6.3 Veroordeelt gedaagde inde kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 264,= (tweehonderd vier en zestig Surinaamse dollar);

6.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 1 december 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 163027
21 juli 2016
Vonnis in kort geding in de zaak van

A. [eiser sub A],
B. [eiseres sub B],
beiden wonende te [district],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,

tegen

[gedaagde],
domicilie gekozen hebbende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 17 juni 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 4 december 2006 hebben eisers een koopovereenkomst gesloten met Stichting Danny. Daarbij hebben eisers van Stichting Danny gekocht gelijk deze aan eisers heeft verkocht het recht van grondhuur op het perceelland met [kavelnummer], en nader bij partijen bekend (hierna het perceel [nummer 1]).

2.2 Eisers zijn eigenaar geworden van het recht van grondhuur op het perceel [nummer 1] middels overschrijving van de koopovereenkomst in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore op 26 mei 2016.

2.2 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 26 mei 2011 bekend onder AR no. 102285, tussen gedaagde enerzijds (toen eiser) en Stichting Danny anderzijds (toen gedaagde) heeft de kantonrechter als volgt beslist:

“ 5.1 schort op de werking van de tussen partijen bestaande koopovereenkomsten van respectievelijk 14 augustus 2008 en 18 december 2008, onder voorwaarde dat [achternaam gedaagde] binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de vordering tot hetzij ontbinding van de koopovereenkomsten, hetzij vernietiging van de koopovereenkomsten in bodemprocedure instelt.
5.2 Veroordeelt de Stichting om aan [achternaam gedaagde] tegen kwijting te betalen het bedrag van € 53.000,= (…) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 31 mei 2010 tot aan die der algehele voldoening.
5.3 Veroordeelt de Stichting om aan [achternaam gedaagde] tegen kwijting te betalen het bedrag van € 7.950,= zijnde de advocaatkosten;
5.4 Verklaart hetgeen onder 5.2 en 5.3 beslist uitvoerbaar bij voorraad………”.

2.3 Op 3 augustus 2011 heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen op het aan Stichting Danny in eigendom toebehorend recht van grondhuur op het stuk grond groot 25 ha, gelegen in het district Paramaribo ten oosten van de Nieuwe Charlesburgweg, ten westen van de voormalige plantage Wolfenbuttel, op de kaart van P.W. Lcs d.d. 15 augustus 1994 met de letters ABCDEFGHIK, deel uitmakende van het recht van grondhuur groot 325.6569 ha, bekend als ten oosten van de Nieuwe Charlesburgweg no. 1 (met uitzondering van de per de datum van beslaglegging reeds verkochte en overgedragen delen), waarvan de bestemming met toestemming per 16 april 1999 is gewijzigd in bebouwing en bewoning in stede van uitoefening van landbouw (hierna het perceel).

2.4 Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155306 tussen eisers enerzijds (toen gedaagden) en gedaagde anderzijds (toen eiser) heeft de kantonrechter als volgt beschikt:
“ Verleent akte van niet verschjining tegen de niet verschenen gedaagden;
Beveelt dat:
Het recht van grondhuur …… in het openbaar zal worden verkocht ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris mr. T. Jaipersaud-Badal op een door deze vast te stellen dag en uur en volgens plaatselijke gebruiken.
Bepaalt voorts dat van deze beschikking binnen 4 (vier) weken na heden aan gedaagde zal worden kennis gegeven…..”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
Schorsing van de executie van de beschikking d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155308 totdat in de verzetzaak daarover zal zijn beslist.

3.2 Eisers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:
Zij hebben het perceel met [nummer 1] gekocht van Stichting Danny en zijn sindsdien (december 2006) economisch eigenaar van het perceel. Vanwege stagnatie aan de kant van Stichting Danny, is het perceel met [nummer 1] pas op 26 mei 2016 overgeschreven op hun naam. De koopovereenkomsten van gedaagde dateren van 14 augustus 2008 en 16 december 2009. Gedaagde heeft zijn percelen veel later dan eisers aangeschaft. Het door gedaagde gelegde executoriaal beslag op het aan Stichting Danny toebehorend perceel met name voor wat betreft perceel [nummer 1] is ten onrechte gelegd omdat gedaagde wist dat dit perceel reeds verkocht was en het niet ging om een vrije kavel. Gedaagde handelt dus onrechtmatig jegens eisers, aldus eisers.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat tegen de beschikking d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155308, waarbij aan gedaagde toestemming is verleend om het perceel in het openbaar te verkopen, geen beroepsmogelijkheden openstaan.
Dat betekent dat schorsing van een dergelijke beschikking niet mogelijk is. Evenwel zou aan gedaagde een verbod kunnen worden opgelegd om tot verdere executie van de beschikking over te gaan, bij wege van voorlopige voorziening, indien gedaagde misbruik zou maken van zijn executiebevoegdheid. In het onderhavige geding zal worden nagegaan in hoeverre gedaagde misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid, indien hij verder gaat met de ten uitvoerlegging van de hiervoor genoemde beschikking.

4.3 Het door gedaagde gelegde executoriaal beslag op het perceel (inclusief perceel [nummer 1]) is gelegd nog voordat aan eisers het perceel met [nummer 1] in eigendom was overgedragen. Dit betekent dat ten tijde van de beslaglegging eisers nog geen juridische eigenaar waren van het perceel met [nummer 1].

Naar het oordeel van de kantonrechter brengt de omstandigheid dat eisers de economische eigendom van het perceel met [nummer 1] hadden, geen wijziging in de juridische eigendomsverhoudingen. Het onroerend goed blijft onverkort geschikt als beslagobject voor schulden van de juridische eigenaar. Gedaagde mocht dus wel executoriaal beslag leggen ten laste van de juridische eigenaar, in deze Stichting Danny, als schuldenaar. Onder deze omstandigheden maakt gedaagde geen misbruik van zijn executiebevoegdheid bij de executie van de beschikking d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155308.

4.4 Eisers beroepen zich er ook op dat gedaagde de beschikking niet binnen 4 weken zoals vermeld in die beschikking heeft betekend aan hem.
Tusen partijen staat rechtens vast dat de beschikking is gegeven op 18 mei 2016 en dat gedaagde deze beschikking bij exploot van deurwaarder G.F.N. Halfhuid d.d. 15 juni 2016 heeft betekend aan eisers.

Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt, terecht zoals door eisers gesteld, dat aan eisers kennis moet worden gegeven van de beschikking binnen 4 (vier) weken na 18 mei 2016. Uit de beschikking blijkt echter niet welke consequentie zal volgen indien gedaagde zich niet houdt aan de gestelde termijn van vier weken. In ieder geval blijkt uit de beschikking niet dat gedaagde na voormelde vier weken geen gebruik meer zal mogen maken van zijn executiebevoegdheid voortvloeiende uit voormelde beschikking. Ook om deze reden maakt gedaagde geen misbruik van zijn executie bevoegdheid, voortvloeiende uit voormelde beschikking.

4.5 Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, dient de door eisers gevraagde voorziening te worden geweigerd.

4.6 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 21 juli 2016 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2017-17

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 172569
5 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

Rosebel Gold Mines N.V.,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hiernavolgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 12 juni 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen hebben op 14 april 2015 een arbeidsovereenkomst gesloten met elkaar voor de duur van 6 maanden en dus eindigende op 13 oktober 2015.

2.2 Partijen hebben voormelde overeenkomst schriftelijk voortgezet en verlengd met ingang van 14 oktober 2015 voor de duur van 6 maanden en eindigende op 13 april 2016.

2.3 Partijen hebben voormelde overeenkomst wederom schriftelijk voortgezet en verlengd voor de duur van 12 maanden gedurende de periode van 14 april 2016 tot en met 13 april 2017.

2.4 Gedaagde heeft eiseres in maart 2017 medegedeeld dat de tussen partijen bestaande overeenkomst niet zal worden voortgezet en dat het dienstverband tussen partijen op 13 april 2017 eindigt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde om eiseres maandelijks haar loon met alle bijbehorende emolumenten uit te betalen inclusief de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente, vanaf 14 april 2017 totdat de dienstbetrekking tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

3.2 Eiseres stelt dat de dienstbetrekking tussen partijen eenzijdig is beëindigd door gedaagde en dus niet ingevolge de wet. Gedaagde heeft geen ontslagvergunning om de dienstbetrekking te beëindigen en evenmin een gerechtvaardigde reden daarvoor. Daarnaast heeft gedaagde ook geen reden aan eiseres opgegeven voor het ontslag.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt voor zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 In het onderhavige geval dient de rechtsvraag te worden beantwoord of de dienstbetrekking tussen partijen al dan niet van rechtsweg is beëindigd.
Om deze vraag te beantwoorden zal eerst worden nagegaan op welke wijze de wetgever dit onderwerp heeft geregeld. Daarnaast dient in acht te worden genomen de feiten en omstandigheden die in casu aan de orde zijn.
Artikel 1615e van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende:
“1. De dienstbetrekking eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald.
2. Voorafgaande opzegging is in dit geval alleen nodig:
1˚. indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement is bedongen;
2˚. indien volgens wettelijk voorschrift of volgens gebruik, ook bij vooraf bepaalde duur opzegging behoort plaats te hebben, en partijen daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement zijn afgeweken.
3˚. indien de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615f geacht wordt voor een bepaalde tijd te zijn voortgezet”.

4.2.1 Artikel 1615e lid 1 bepaalt onder meer dat de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst bepaald. In lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald onder welke omstandigheden voorafgaande opzegging nodig is. In het onderhavige geval hebben partijen de arbeidsovereenkomst tweemaal uitdrukkelijk verlengd voor bepaalde tijd, en wel voor het laatst voor de duur van 12 maanden gedurende de periode van 14 april 2016 tot en met 13 april 2017.
Met inachtneming van artikel 1615e lid 1 BW betekent dit dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt na het verstrijken van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan, tenzij één van de situaties in lid 2 van hetzelfde artikel aan de orde is.
Gesteld en evenmin is gebleken dat van het laatste sprake is, zodat aannemelijk is dat de litigieuze arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 13 april 2017.

4.3 Eiseres beroept zich op jurisprudentie van de Hoge Raad en Surinaamse Rechtspraak ter verdediging van haar standpunt. Eiseres legt hierbij hierover een vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 13 augustus 2015 bekend onder AR no. 15-2707.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de feiten in het hiervoor genoemd vonnis niet identiek aan de feiten in de onderhavige zaak. Voormeld vonnis heeft betrekking op een arbeidsovereenkomst die stilzwijgend is verlengd, terwijl in de onderhavige zaak er sprake is van een uitdrukkelijke voortzetting van de arbeidsovereenkomst.
Het beroep van eiseres op voormeld vonnis faalt derhalve. De kantonrechter gaat voorbij aan het beroep van eiseres op jurisprudentie van de Hoge Raad en literatuur, nu zij heeft nagelaten om de door haar genoemde documenten over te leggen.

4.4 Eiseres heeft bij conclusie van repliek gevorderd haar eis te wijzigen, in dier voege dat haar wordt toegestaan om enkele alinea’s toe te voegen aan haar verzoek.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit verzoek in strijd met artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv). Immers, het verzoek van eiseres heeft tot gevolg dat het onderwerp van eis wordt veranderd hetgeen niet is toegestaan in artikel 109 BRv. Evenwel zal de kantonrechter om proceseconomische redenen het verzoek van eiseres toestaan, nu gedaagde niet in haar verweer wordt geschaad.

4.5 Eiseres doet een beroep op artikel 8 lid 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst. In dit artikel is zover van belang het volgende opgenomen:
“……4. Werknemers die een dienstbetrekking voor bepaalde tijd hebben, verkrijgen na twee (2) jaar onafgebroken dienstverband, een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd….”.
De kantonrechter begrijpt deze bepaling zo dat indien eiseres “langer” dan twee jaar (onafgebroken) in dienst was van gedaagde, zij een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd zou verkrijgen.
Tussen partijen staat rechtens vast dat de arbeidsovereenkomst tussen hen is aangevangen op 14 april 2015 en, na twee keren uitdrukkelijk te zijn verlengd, beëindigd is op 13 april 2017.
Op 13 april 2017 was eiseres dus twee jaar onafgebroken in dienst van gedaagde. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt eiseres pas een beroep toe op de hiervoor genoemde bepaling (artikel 8 lid 4) van de collectieve arbeidsovereenkomst indien gedaagde besloten had de arbeidsovereenkomst met haar voort te zetten. Immers, pas dan zou zij “langer” dan twee jaar in dienst zijn van gedaagde.
Nu dit niet het geval is faalt het beroep van eiseres op voormelde bepaling.

4.6 De door eiseres gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd een en ander zoals hiervoor overwogen.

4.7 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.8 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Eerste Kanton van donderdag 5 oktober 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. A.Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. A. Charan

SRU-K1-2011-16

Kantongerecht in het Eerste Kanton

[eiser], wonende in [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Shantie Sheombar, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 30 juli 2010 met producties is ingediend ter griffie;
  • het tegen de gedaagde verleende verstek;
  • de zuivering van het verstek;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij beschikking van de minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 8 april 1988 [nummer 1], waarvan een afschrift is overgeschreven ten Hypotheekkantore op 3 mei 1988 in [register deel en nummer 1], is aan eiser voor de duur van 40 jaren, ter uitoefening van de tuinbouw, in grondhuur afgestaan het perceelland groot 0,5911 ha, gelegen in [district] aan de [plaats], uitmakende het zuidelijk deel van het perceel bekend als [gebied en serie nummer 1], thans bekend als [gebied en serie nummer 2].

2.2 Bij huurovereenkomst d.d. 24 september 2008 heeft eiser, voor een huursom van € 300,– per maand, als winkelruimte aan gedaagde verhuurd gelijk gedaagde van eiser heeft gehuurd de op het perceel staande bedrijfsruimte.De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 (vijf) jaren ingaande 1 september 2008 en derhalve eindigende op 1 september 2013. (lees: 31 augustus 2013).

2.3 Bij beschikking van de minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 11 augustus 2010 [nummer 2] heeft de Staat zich bereid verklaard – ter bebouwing en bewoning – aan gedaagde in grondhuur af te staan het perceelland groot 650 m2, gelegen in [district] op de hoek van [plaats] en de [weg], deel uitmakende van het perceel bekend als [gebied en serie nummer 2].

2.4 De door eiser aan gedaagde verhuurde bedrijfsruimte staat op voorschreven perceel van 650 m2.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan.
3.1 Eiser vordert – zakelijk weergegeven – dat:
1. voorschreven huurovereenkomst wordt geschorst;
2. gedaagde wordt veroordeeld binnen 1 x 24 uren na de uitspraak het gehuurde te ontruimen en hem, eiser te machtigen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, op kosten van gedaagde, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
3. gedaagde wordt veroordeeld om, gerekend vanf 1 september 2010, maandelijks aan hem te betalen de som van € 300,– en wel tot aan de ontruiming.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3 Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de stelling dat hij in Nederland woonde doch wegens gezondheidsredenen naar Suriname is geremigreerd, alwaar hem een verblijfsvergunning is verleend, en dat hij om in zijn onderhoud te voorzien een lening heeft moeten aangaan bij een lokale bank en dat de huuropbrengsten niet toereikend zijn om aan zijn verplichtingen ten opzichte van de bank te voldoen. Op grond hiervan heeft hij de huurovereenkomst bij brief d.d. 28 mei 2010, die bij exploot van de deurwaarder L. Gangaram Panday van 29 mei 2010 [nummer 3] aan gedaagde is betekend, opgezegd en gedaagde gesommeerd het gehuurde binnen 2 (twee) maanden te ontruimen. Gedaagde heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.

3.4 Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Eiser heeft het spoedeisend belang van zijn vordering voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2 Als meest verstrekkend verweer tegen de vordering heeft gedaagde aangevoerd dat eiser inmiddels de Surinaamse nationaliteit heeft verloren en als gevolg daarvan het aan hem verleende grondhuurrecht van rechtswege is vervallen, zodat hij geen belang heeft bij de vordering.
Ten aanzien van deze stelling overweegt de kantonrechter dat bij wet van 28 januari 2003 (S.B. 2003 no. 7) artikel 5 van het Decreet Uitgifte Domeingrond is vervallen. Vanaf de inwerkingtreding van deze wetswijziging vervalt het recht van grondhuur dus niet als de betrokkene daarna een vreemde nationaliteit verwerft dan wel geen ingezetene meer van Suriname is.
In de onderhaivge zaak staat vast dat eiser lang voor de inwerkingtreding van de wetswijziging naar Nederland was vertrokken en ook voor 2003 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen zodat kan worden beargumenteerd dat het recht van grondhuur reeds toen, dat is voor de inwerkingtreding van de wetswijziging, van rechtswege is vervallen.

4.3 Het dogmatisch probleem dat zich echter voordoet met betrekking tot de regel dat het grondhuurrecht van rechtswege vervalt is dat zulks in strijd is met het systeem van het zakenrecht betrekkelijk onroerend goed. Dit systeem brengt immers met zich mee dat een zakelijk recht op een onroerend goed slechts dan vervalt (eindigt) door de overschrijving van een akte in de registers van het Hypotheekkantoor, zodat het vervallen van het recht aan derden bekend wordt (vide de Memorie van Toelichting op voorschreven wet).

4.4 Door gedaagde is niet gesteld en ten processe is ook niet gebleken dat de Staat enige akte heeft doen overschrijven in de openbare registers van het Hypotheekkantoor waaruit blijkt dat het aan eiser verleende grondhuurrecht is komen te vervallen. Op grond hiervan is de kantonrechter, de wetstekst van artikel 5 (oud) van het Decreet Uitgifte Domeingrond ten spijt, van oordeel dat het recht van grondhuur van eiser niet is geëindigd, zodat het ter zake door gedaagde aangevoerde verweer dient te worden verworpen.

4.5 Het feit dat de Overheid zich bereid verklaard heeft een gedeelte van het perceel dat aan eiser in grondhuur is uitgegeven nu in grondhuur aan gedaagde uit te geven is naar het oordeel van de kanonrechter rechtens niet relevant, omdat zulks een inbreuk op het recht van eiser zou inhouden.

4.6 Blijkens het huurcontract is de overeenkomst aangegaan voor een periode van vijf jaren en is opzegging pas mogelijk tegen het einde van de huurperiode en met inachtneming van een termijn van tenminste één jaar. Op grond hiervan heeft de opzegging van de overeenkomst bij exploot d.d. 29 mei 2010 geen rechtsgevolgen.

4.7 De kantonrechter verstaat verder dat eiser aan zijn vordering ook ten grondslag heeft gelegd dat door gewijzigde omstandigheden (zie punt 3.3 van dit vonnis) de overeenkomst niet ongewijzigd kan blijven voort bestaan en dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat de overeenkomst moet worden gewijzigd in die zin dat hij wel de bevoegdheid heeft het contract vóór het verstrijken daarvan tussentijds op te zeggen. Naar het oordeel van de kantonrechter betreffen de gewijzigde omstandigheden de persoon van eiser en komen deze omstandigheden volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening zodat het beroep op de gewijzigde omstandigheden zal worden verworpen.

4.8 Op grond van het hiervoor overwogene zal de vordering tot opschorting van de huurovereenkomst en tot ontruiming worden geweigerd.

4.9 Zowel in het inleidend verzoekschrift (8e sustenu) als in de conclusie van repliek (4e sustenu) stelt eiser dat gedaagde aan zijn betalingsverplichtingen betreffende de huur heeft voldaan. De vordering tot betaling van de huur vanaf september 2010 tot aan de ontruiming steunt derhalve niet op de in het verzoekschrift gestelde feiten, zodat toewijzing daarvan niet mogelijk is. Uit het 4e sustenu van de conclusie van dupliek begrijpt de kantonrechter dat gedaagde van af het verkrijgen van de bereidverklaring op 11 augustus 2010 geen huur meer betaalt. Dit feit heeft eiser echter niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd en kan daarom niet dienen tot opschorting van de huurovereenkomst en veroordeling van gedaagde om het gehuurde te ontruimen en de achterstallige huurpenningen te betalen.

4.10 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De Kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Verwijst eiser in kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 17 maart 2011, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2018-5

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 180015
25 januari 2018

Vonnis in de zaak van

CENTRAL FREIGHT SERVICES N.V., gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. A. R. Baarh, advocaat,
hierna te noemen: “de NV”,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. R. Schurman, advocaat,
hierna te noemen: “ [gedaagde]”.

Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 2 januari 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van 11 augustus 2016 is de NV veroordeeld om binnen een maand na dagtekening van het vonnis de eerste vrachtlading van Bher betreffende de kantoorinrichting en uitgebreide literatuur/boeken collectie aan [gedaagde] af te geven, onder verbeurte van een dwangsom.

2.2 Bij schrijven van 16 september 2016 heeft de gemachtigde van de NV een viertal documenten aan de gemachtigde van [gedaagde] verzonden.

2.3 Het vonnis is bij exploit van 19 september 2016 aan de NV betekend in welk exploit ook het bevel is opgenomen om de goederen af te geven.

2.4 Bij exploit van 15 december 2017 is wederom het vonnis betekend waarbij tevens aan de NV is bevolen over te gaan tot betaling van de verbeurde dwangsommen.

2.5 Aan laatstgenoemd bevel heeft de NV geen gevolg gegeven.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
De NV vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– [gedaagde] veroordeelt om de aangevangen executie van de dwangsommen te staken onder verbeurte van een dwangsom en voorts
– [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
De NV heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat er geen dwangsommen zijn verbeurd omdat zij wel heeft voldaan aan het vonnis. Met het opsturen van de documenten heeft zij voldaan aan het vonnis. Hierdoor zijn geen dwangsommen verbeurd en is de executie van dwangsommen ongegrond en onrechtmatig.

4. Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 [gedaagde] heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. Dat er niet voldaan is aan het vonnis; dat de NV de goederen aan hem had moeten afgeven, hetgeen de NV niet heeft gedaan; dat hij inderdaad in september 2016 documenten heeft ontvangen van de NV, doch dat hij met de documenten de goederen niet heeft ontvangen; dat hij dit kenbaar heeft gemaakt aan de NV, doch dat deze daarna de goederen ook niet aan hem heeft afgestaan; dat hierdoor de NV niet heeft voldaan aan het vonnis; 2. Dat op een later tijdstip heeft vernomen dat de goederen zijn geveild waardoor hij enorme schade heeft geleden.

5.2 De kantonrechter overweegt dat de vraag die in casu beantwoord moet worden de vraag betreft of de NV heeft voldaan aan het vonnis.

5.3 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast teneinde nader ingelicht te worden hoe de NV en [gedaagde] in de praktijk zijn omgegaan met het vonnis en wat [gedaagde] van de NV had mogen verwachten uitgaande van het vonnis. Immers stelt de NV zich op het standpunt dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen ingevolge het vonnis en stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat dat niet het geval is.

5.4 Tijdens de comparitie van partijen heeft de NV onder andere – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – verklaard: “ Wij hebben de stukken in orde gemaakt. Het is nooit opgehaald. Wij hebben de stukken in 2016 aan gedaagde betekend. Hij moest met die stukken naar de Haven. Na het vonnis is gedaagde gekomen. De gedaagde is niet naar de nieuwe haven gegaan. Na de betekening is hij bij ons op kantoor gekomen. Na de betekening van het vonnis aan ons op 19 september 2016 hebben wij niets gedaan omdat wij de stukken al hadden gestuurd voor hem. Wij hadden de goederen niet aan hem gegeven omdat zij op de haven waren.”

5.5 [gedaagde] heeft onder andere – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – verklaard: “wij hebben de vier documenten ontvangen maar konden de goederen daarmee niet krijgen; wij hebben toen gelijk het vonnis aan de NV betekend; na de betekening hebben wij niets van hun vernomen.”

5.6 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaringen aannemelijk is geworden dat het enkel opsturen van de documenten niet heeft geleid tot de afgifte. Nu de NV was veroordeeld tot afgifte kunnen zij zich naar het oordeel van de kantonrechter, na de betekening van het vonnis, niet erop beroepen dat zij enkele dagen eerder documenten hadden gestuurd en daarmee hadden voldaan aan de veroordeling. Zij hadden zich na de betekening van het vonnis ervan moeten vergewissen dat de afgifte had plaatsgevonden, nu zij veroordeeld zijn tot afgifte van de goederen en zij wisten waar de goederen zich bevonden. [gedaagde] had van de NV mogen verwachten dat de NV zich samen met hem en de documenten op de Haven, waar de goederen toen lagen, begaf teneinde erop toe te zien dat de goederen werden afgegeven, immers heeft [gedaagde] verklaard dat met de documenten alleen de goederen niet werden afgegeven. Het lag dan op de weg van NV om alle nodige inspanningen te plegen teneinde er zorg voor te dragen dat de goederen, die op de haven lagen, uiteindelijk – zij het door de NV zelf of anderzins – aan [gedaagde] werd afgegeven. De opvatting van de NV, dat zij met het enkele opsturen van de documenten voldoende gevolg had gegeven aan de veroordeling opgenomen in het vonnis, is derhalve niet juist.

5.7 De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de NV geen uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling waardoor de dwangsommen zijn verbeurd.

5.8 De kantonrechter zal dan ook het gevorderde afwijzen en de NV als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt de NV in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 25 januari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2004-6

A.R.No. 041994
31 AUGUSTUS 2004
A.S.

B.V. KOFFIEBRANDERIJ EN THEEHANDEL ” HET KLAVERBLAD”, rechtspersoon naar het recht van het Koninkrijk der Nederlanden, gevestigd te Ridderkerk, Nederland, en kantoorhoudende aldaar aan de Ridderpoort 18, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F. H. R. Lim A Postraat no. 14, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

A. [gedaagde sub A] N.V. i.o., gevestigd en kantoorhoudende te [district 1] aan [adres 1];
B. [gedaagde sub B], wonende in [district 2] aan [adres 2];
C. [gedaagde sub C], wonende te [district 2] aan [adres 3]. Gedaagden sub B en C zijn de vennoten van gedaagde sub A en alszodanig verantwoordelijk en aansprakelijk voor de door gedaagde sub A verrichte handelingen, door wie tot hun allen gemachtigde optreedt, Mr. A. R. Baarh, advocaat,
gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton, Gezien de stukken, Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten;
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C zal worden verboden thee op de markt in Suriname te brengen in een groene doos, rechthoekig van afmeting, met daarop aangebracht RICH BREAKFAST TEA, ” RICH ” in gele letters en ” BREAKFAST TEA” in witte letters, op een rode vierkant, omsloten door gele banden of lijnen, met de volgende gebruiksaanwijzing: ”Gebruiksaanwijzing: Bij voorkeur een stenen theepot gebruiken. Vooraf de theepot omspoelen met heet water. De theepot vullen met vers, kokend water en daarna twee theezakjes in de pot hangen en tussen de 4 en 6 minuten laten trekken. De zakjes verwijderen en de thee serveren. Belangrijk: Reinig de theepot altijd met schoon, heet water en gebruik nooit een afwas middel. N.B.: In de gebieden met ”hard” leiding water het water 3 minuten laten door koken” en voormelde handelingen, althans handeling gestaakt te houden, met veroordeling van gedaagden om voor elke dag, dat zij voormelde verboden, althans voormeld verbod overtreden aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van SRD 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd Surinaamse Dollar);

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten Mr. F. Kruisland en Mr. A R Baarh, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd,

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagden een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, onder overlegging van producties, waarvan de inhoud, alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben afgepleit, waar is opgemaakt een proces-verbaal waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden aangemerkt;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging productie zijdens eiseres bepaald, diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens gedaagde bepaald, diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor comparitie van partijen en uitlating zijdens eiseres over de door gedaagden overgelegde productie bepaald, de comparitie is gehouden en heeft gemachtigde van eiseres zich uitgelaten over de door gedaagden overgelegde productie, waarvan de inhoud als ingelast wordt aangemerkt;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:
Overwegende, dat gedaagden hun formeel verweer- voorzover ten deze van belang-hiertoe strekt, dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij de onderhavige vordering omdat gedaagde sub A reeds vanaf 31 januari 2001 thee in de litigieuze dozen in Suriname in de handel brengt; dat eiseres langer dan drie jaren stilgezeten heeft en niets tegen gedaagden althans gedaagde sub A heeft ondernomen;

Overwegende, aangaande voormeld verweer: Eiseres heeft in het 7e ”sustenu” van het verzoekschrift gesteld, dat gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C onrechtmatig jegens haar handelen en dat zij- eiseres-dan ook recht en belang heeft redressering van het aldus aan haar aangedaan wordende onrecht in rechte te vorderen, dat zij -eiseres- door voormeld handelen van gedaagden grote schade lijdt doordat onder meer haar bedrijfsdebiet ernstig wordt aangetast in Suriname;

Overwegende, dat, nog daargelaten dat eiseres voormeld verweer van gedaagden als onjuist heeft weersproken, zij -eiseres- blijkens het zojuist gestelde in verband met het zijdens haar gevorderde, in het onderhavige geding maatregelen vraagt tot het beëindigen van de zijdens haar gestelde onrechtmatige toestand en het spoedeisend karakter harer vordering dan ook duidelijk daardoor heeft aangegeven;

Overwegende, dat Wij ter zake door gedaagden gevoerd verweer dan ook als onjuist en ongegrond verwerpen;

Overwegende toch, dat uit het procesdossier ondubbelzinnig blijkt, dat het Artikel ”Breakfast Thee” vanaf mei 1989 hier te lande op de markt wordt gebracht door Subisco International NV.;

Overwegende, dat, anders dan gedaagden hebben beweerd, niet Subisco International N.V., daarom gerechtigd is tot gebruik van het merk ” Breakfast Thee”, luidende artikel 2 van de Wet op de Industriële Eigendom aldus dat degene die een merk het eerst gebruikt ter onderscheiding van zijn fabrieks- of handelswaar, gerechtigd is tot exclusief gebruik daarvan, zijnde de thee, die onder het merk ”Breakfast Thee” door Subisco International N. V. vanaf mei 1989 van eiseres wordt afgenomen blijkens de Fax de dato 7 juni 2004, die niet zijdens gedaagden is betwist, de fabrieks- of handelswaar van eiseres en eiseres daar dan ook terecht gebruik van maakt, ook hier te lande;

Overwegende, dat, naar uit het zich in het procesdossier bevindend certificaat de dato 28 december 2001 blijkt, eiseres op 25 mei 2000 in het Merkenregister heeft doen inschrijven het litigieuze merk, alsgevolg waarvan zij ingevolge artikel 2 van de Wet op de Industriële Eigendom geacht wordt de eerste gebruiker te zijn, zijnde zijdens gedaagden – naar Ons gebleken is- op generlei wijze aangevoerd, dat eiseres dat niet is;

Overwegende, dat eiseres op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden, heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op minuut en op alle dagen en uren, gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C te verbieden thee op de markt in Suriname te brengen in een groene doos, rechthoekig van afmeting, met daarop aangebracht Rich Breakfast Tea, ”Rich” in gele letters en ”Breakfast Tea” in witte letters, op een rode vierkant, omsloten door gele banden of lijnen, met de volgende gebruiksaanwijzing:

Bij voorkeur een stenen theepot gebruiken. Vooraf de theepot omspoelen met heet water. De theepot vullen met vers, kokend water en daarna twee theezakjes in de pot hangen en tussen de 4 en 6 minuten laten trekken. De zakjes verwijderen en de thee serveren. Belangrijk: Reinig de theepot altijd met schoon, heet water en gebruik nooit een afwas middel. N.B.: In de gebieden met ”hard” leiding water het water 3 minuten laten door koken”.

Overwegende, dat Wij in het zijdens eiseres in het 4e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde gerede aanleiding vinden aan de orde te stellen en- zo mogelijk- te beantwoorden de navolgende vragen te weten:

  1. wat houdt het onderscheidend vermogen van een merk in en
  2. is de mate van onderscheidend vermogen van een merk van invloed op zijn beschermingsomvang;

Overwegende, dat Wij, overgaande tot beantwoording van de eerste vraag opmerken, dat een teken geacht kan worden het wettelijk vereiste onderscheidend vermogen te hebben, indien het geschikt is om de waar of de waren van de merkhouder van soortgelijke waren te onderscheiden;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot de tweede vraag voorts opmerken, dat Wij het bestaan van een zogenaamde zwak merk, dat wil zeggen een merk met een gering onderscheidend vermogen, dat zijn funktie ( de waar te onderscheiden van een soortgelijke waar) minder goed vervult. Dat geringe onderscheidend vermogen is van invloed op de beschermingsomvang. Een zwak merk is minder spoedig overeenstemmend met een ander merk of teken, omdat het minder spoedig door het gebruik van een ander teken in herinnering van het publiek zal worden teruggeroepen. Derhalve luidt het antwoord op het eerste onderdeel van de tweede vraag dat, naarmate het onderscheidend vermogen van een merk geringer is, tussen het merk en een conflicterend teken een grote mate van gelijkenis moet bestaan, wil dat teken als met het merk overeenstemmend kunnen worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij, ofschoon voormeld antwoord, in overeenstemming is met de heersende leer, betwijfelen of het gesteund kan worden op de stelling dat een conflicterend teken minder spoedig het zwakke merk in herinnering zal terugroepen danwel daarmede zal worden geassocieerd;

Overwegende, dat, naar Ons oordeel de kans op associatie bij zwakke merken even groot is als bij merken, met een normaal onderscheidend vermogen, hoewel hiertegen kan worden ingebracht dat het ondoenlijk is met enige mate van zekerheid vast te stellen of in een bepaald geval een associatie van een teken met het eisende merk althans een in herinnering terugroepen van het merk, spoedig dan wel minder spoedig ( minder vaak, minder omvangrijk, minder aannemelijk) plaatsvindt;

Overwegende, dat Wij niettemin juist achten de opvatting dat wie een zwak merk kiest, dat toespelend van aard is, als in dit cas, zo een merk slechts beschermd ziet tegen een overname in zodanige uiterlijke vorm dat, los van de begripsmatige overeenstemming, zowel visueel als auditief gelijkenis bestaat;

Overwegende, dat de door Ons gepleegde waarnemingen van de door partijen in het onderhavige geding gebrachte dozen, Ons tot dit oordeel doen komen, dat het uiterlijk en de samenstelling van de dozen afkomstig van en door eiseres in het onderhavige geding gebracht, in dit cas bescherming verdienen tegen overname door gedaagden in zodanige uiterlijke en samenstellende vorm dat, afgezien van de begripsmatige overeenstemming, zowel visueel als auditief gelijkenis bestaat;

Overwegende, dat Wij het bovendien niet billijk vinden eiseres, die, naar Wij aannemen, ten koste van vele inspanningen in het bijzonder haar merk zo bekend en geliefd heeft gemaakt, dat het publiek (gesteund door pers en televisie) dit als naam van het produkt is gaan gebruiken, niet ( meer) tegen inbreuk te beschermen;

Overwegende, dat Wij, bespreking van de overige stellingen van partijen geheel in het midden latend als niet langer relevant, dan ook beslissen zullen als in het dictum te melden, onder verwijzing van gedaagde sub A en gedaagde sub B en gedaagde sub C als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Verbieden gedaagde sub A en gedaagde sub B en gedaagde sub C thee op de markt in Suriname te brengen in een groene doos, rechthoekig van afmeting, met daarop aangebracht Rich Breakfast Tea ”Rich” in gele letters en ” Breakfast Tea” in witte letters, op een rode vierkant, omsloten door gele banden en lijnen, met de volgende gebruiksaanwijzing: ”Gebruiksaanwijzing: Bij voorkeur een stenen theepot gebruiken. Vooraf de theepot omspoelen met heet water. De theepot vullen met vers, kokend water en daarna twee theezakjes in de pot hangen en tussen de 4 en 6 minuten laten trekken. De zakjes verwijderen en de thee serveren. Belangrijk: Reinig de theepot altijd met schoon, heet water en gebruik nooit een afwasmiddel. N.B. In de gebieden met ”hard” leiding water het water 3 minuten laten door koken” en voormelde handelingen gestaakt te houden, met veroordeling van gedaagden voor elke dag dat zij voormelde verboden overtreden aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van SRD 2500,- (Tweeduizend en vijfhonderd Surinaamse Dollar).

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eisere gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.

Weigeren het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag 31 augustus 2004, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.J.R.Von Niesewand, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, Mr.S.Tika.

SRU-K1-2017-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 17- 4072
26 september 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

SPORT VERENIGING OEMA SOSO, afgekort SV “Oemasoso”, rechtspersoon,
kantoorhoudende aan de Eduardstraat no. 21 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

tegen

SURINAAMSE VOETBAL BOND, afgekort S.V.B., rechtspersoon,
kantoorhoudende aan de Leatitia Vriesdelaan no. 07 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
Eiseres heeft op 22 september 2017 het inleidend verzoekschrift met producties op de Griffie der kantongerechten ingediend. Vervolgens heeft eiseres op de eerste dag van de behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting d.d. 22 september 2017 voor eis geconcludeerd, overeenkomstig de stellingen en de vordering zoals vermeld in het inleidend verzoekschrift.

Vanwege de spoedeisendheid van de zaak hebben partijen mondeling gepleit, en hebben producties overgelegd.

Na het mondeling pleiten hebben partijen, na daartoe de behoefte kenbaar te hebben gemaakt, zich op 25 september 2017 middels het nemen van een conclusie schriftelijk uitgelaten over de producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde is een vereniging met rechtspersoonlijkheid dat zich ten doel stelt het beoefenen van de voetbalsport in Suriname in de ruimste zin des woords en in al haar verschijningsvormen en daarbij de saamhorigheid, het spelpeil en de sportiviteit te bevorderen, te coördineren en te begeleiden.

2.2 Eiseres is een vrouwen voetbalteam. De speelsters [speelster 1], [speelster 2] en [speelster 3] maken deel uit van het voetbalteam van eiseres.

2.3 Eiseres heeft in maart 2017 van gedaagde een uitnodiging ontvangen voor deelname aan de “Vrouwenvoetbalcompetitie”.

2.4 Op 03 september 2017 heeft zich kort na afloop van een voetbalwedstrijd een incident op het voetbalveld voorgedaan tussen de hiervoor onder 2.2 genoemde speelsters van eiseres.
Vanwege dit incident heeft gedaagde op 06 september 2017 aan eiseres per email de volgende mededeling gedaan:
“Middels deze deelt de administratie van de SVB U mede, dat aan de hand van het rapport van de Match Commissioner de speelsters [speelster 3], [speelster 1] en [speelster 2] zich hebben misdragen na de wedstrijd Oema Soso – Ascona dd. 03 september 2017.

Bovengenoemde speelsters zijn ongerechtigd uit te komen in de eerst volgende wedstrijd.

Zij moeten op zaterdag 09 september 2017 verschijnen voor het Tuchtcollege in het Bondsgebouw van de SVB om 10.00u v.m.”

2.5 De eerstvolgende wedstrijd vond plaats op 08 september 2017 tussen eiseres en Dosko, zonder de bedoelde speelsters van eiseres.

2.6 Op 09 september 2017 zijn de bedoelde speelsters voor het tuchtcollege van gedaagde verschenen. Het college heeft elk van de speelsters afzonderlijk op grond van ernstig wangedrag een tuchtstraf opgelegd, te weten:
[speelster 1]: 3 wedstrijden onvoorwaardelijk;
[speelster 2]: 3 wedstrijden onvoorwaardelijk;
[speelster 3]: 5 wedstrijden onvoorwaardelijk.
Tegen de uitspraak van het tuchtcollege heeft eiseres beroep aangetekend. Op 16 september 2017 heeft gedaagde de uitspraak van het tuchtcollege bevestigd.

2.7 Vanwege de opgelegde tuchtstraf mogen de bedoelde speelsters – die als de 3 belangrijke basisspeelsters door eiseres worden aangemerkt – niet deelnemen aan 3 dan wel 5 wedstrijden, en hebben zij totnogtoe aan 2 wedstrijden niet kunnen deelnemen, waaronder de kampioenwedstrijd tussen eiseres en Ascona. Op 12 september 2017 vond de kampioenwedstrijd – zonder de drie speelsters -tussen eiseres en Ascona plaats, doch onder protest van eiseres.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de werking van de beslissingen (uitspraken) van het Tuchtcollege van de S.V.B. d.d. 09 september 2017 getekend door de Voorzitter D. Muntslag, waarbij onder het punt “UITSPRAAK” resp. is aangegeven:
speelster [speelster 1] 3(drie) wedstrijden onvoorwaardelijk;
speelster [speelster 2] 3 (drie) wedstrijden onvoorwaardelijk;
speelster [speelster 3] 5 (vijf) wedstrijden onvoorwaardelijk,
te schorsen danwel op te schorten totdat door de bodemrechter is beslist over de rechtmatigheid hiervan;
b) eiseres toe te staan dat de kampioenwedstrijd van dinsdag 12 september 2017 van SV Oema Soso tegen Ascona opnieuw wordt uitgespeeld, met inbegrip van de hiervoor genoemde speelsters;
c) gedaagde te veroordelen om binnen 48 uur na de uitspraak in samenspraak met eiseres dag, tijdstip, locatie en voorwaarden te bepalen voor het opnieuw doen spelen van de wedstrijd van 12 september 2017, te weten SV Oema Soso tegen Ascona, welke wedstrijd uiterlijk 30 september 2017 dient te worden gespeeld, met alle gevolgen van dien voor de volgorde op de ranglijst, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 50.000,- voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft hieraan te voldoen;
d) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde onbevoegd is tuchtstraffen aan de speelsters op te leggen en de opgelegde tuchtstraf dus onrechtmatig is. Daartoe stelt zij, tegen de achtergond van de feiten vermeld onder 2, dat de door gedaagde vastgestelde regels in de Statuten, het Huishoudelijk Reglement en het Reglement voor de Jaarlijkse Nationale Competitie niet op haar en haar speelsters van toepassing zijn. Dit, omdat zij geen lid is van gedaagde.
Als gevolg van de door gedaagde onbevoegd genomen uitspraak jegens de speelsters lijdt eiseres schade, en wel in die zin dat zij vanwege het niet kunnen inzetten van de drie voor haar belangrijke speelsters voor de kampioenwedstrijd zij die wedstrijd heeft verloren.
Als spoedeisend belang stelt eiseres dat begin oktober 2017 de transferperiode voor voetbalverenigingen plaatsvindt en zal om die reden de opnieuw te spelen wedstrijd vóór de transferperiode en dus uiterlijk 30 september 2017 moeten worden afgewerkt.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover dat voor de beslissing van de belang is, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiseres, met name de transferperiode die begin oktober van dit jaar zal plaatsvinden. Vanwege dat spoedeisend belang zal eiseres worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiseres niet ontvankelijk is in de onderhavige vordering. Daartoe heeft gedaagde eerstens aangevoerd dat eiseres geen rechtspersoonlijkheid bezit. In reactie op dit verweer heeft eiseres ter staving van haar stelling dat zij wel rechtspersoonlijkheid bezit, een fotokopie van haar statuten en van het Advertentieblad van de Republiek Suriname waarin de publicatie ter zake heeft plaatsgevonden ten processe overgelegd. Nu deze producties niet van valsheid zijn beticht, is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat eiseres wel een vereniging is die rechtspersoonlijkheid bezit. Om die reden wordt het ter zake door gedaagde opgeworpen verweer verworpen.

4.3 Vervolgens heeft gedaagde in het kader van het door haar opgeworpen niet -ontvankelijkheidsverweer het hierna volgende aangevoerd:
– als eiseres stelt dat gedaagde onbevoegd is een tuchtstraf aan de speelsters op te leggen, dan kan zij geen schorsing vorderen, omdat het besluit dan nietig is;
– eiseres heeft nagelaten te stellen en vorderen welke spelregels van toepassing zouden moeten zijn voor de wedstrijd die zij opnieuw wenst te spelen. Dient de wedstrijd – aldus de vraag c.q. het verweer van gedaagde – te geschieden, hetzij conform de spelregels van gedaagde, hetzij zonder spelregels of de spelregels van eiseres?;
– eiseres diende ook Ascona in het proces te betrekken, omdat de derde waartegen eiseres de kampioenwedstrijd opnieuw wenst te spelen zich ook zal moeten committeren aan de nog vast te stellen voorwaarden c.q. spelregels;
– eiseres heeft geen belang bij het indienen van de onderhavige vordering, omdat het drie van haar speelsters zijn die een tuchtstraf opgelegd hebben gekregen, en niet eiseres of haar bestuursleden met vertegenwoordigingsbevoegdheid belast. Eiseres heeft zich niet opgeworpen om de speelsters te vertegenwoordigen bij de Tuchtcommissie en nergens uit de Statuten van eiseres blijkt dat zij de individuele leden in rechte vertegenwoordigt.

4.4 Evenals gedaagde, kan de kantonrechter de grondslag van de door eiseres gevraagde voorzieningen niet volgen. Eiseres zelf betoogt dat zij geen lid van gedaagde is en dat om die reden de regels van gedaagde niet op haar en haar speelsters van toepassing zijn. Dit betoog maakt het voor de kantonrechter volstrekt onbegrijpelijk waarom eiseres dan schorsing van de door gedaagde aan de bedoelde speelsters opgelegde tuchtmaatregel aanvecht. Uitgaande van het betoog van eiseres, zou eiseres naar het oordeel van de kantonrechter de aan haar speelsters opgelegde tuchtmaatregel naast zich kunnen neerleggen en de speelsters gewoon laten deelnemen aan de kampioenwedstrijd of zelfs kunnen afzien van verdere deelname aan de kampioenwedstrijd en andere nog door gedaagde te houden voetbalwedstrijden. Immers, eiseres heeft op uitnodiging van gedaagde en dus uit vrije wil deelgenomen aan de wedstrijd en zou zij naar het oordeel van de kantonrechter dus ook uit vrije wil kunnen afzien voor verdere deelname aan wedstrijden van gedaagde.
Daar de grondslag volstrekt onbegrijpelijk is, zal de kantonrechter de door eiseres gevraagde voorzieningen als een obscuur libel dienen aan te merken. Hieruit vloeit voort dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de gevraagde voorzieningen.

4.5 Ten overvloede oordeelt de kantonrechter, dat ook al zou eiseres van inzichten zijn veranderd dat de door gedaagde vastgestelde regels wel op haar en haar speelsters van toepassing zouden zijn, zij dan nog niet ontvankelijk zou worden verklaard in de door haar gevraagde voorzieningen, en wel op grond van de hierna volgende overweging.
Niet aan eiseres als voetbalteam is een tuchtstraf opgelegd, doch aan drie van en voor haar belangrijke speelsters. Dit betekent dat eiseres dus wel heeft kunnen deelnemen aan de wedstrijd, zijnde de kampioenwedstrijd. Zoals de kantonrechter eiseres begrijpt, heeft haar voetbalteam vanwege de uitsluiting van de drie voor haar belangrijke speelsters voor deelname aan de kampioenwedstrijd, die wedstrijd verloren en dient deze wedstrijd om die reden opnieuw gespeeld te worden. Deze redenering kan de kantonrechter niet volgen, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat elk team reserve spelers heeft ingeval een andere speler wegens een overmachtssituatie (blessure, ziekte, etc.) komt weg te vallen.
Ook de stelling van eiseres dat zij opkomt voor de belangen van de drie speelsters en zij in dat kader het door gedaagde onbevoegd genomen besluit aanvecht, kan de kantonrechter niet volgen. Dit, omdat geenszins uit haar Statuten of enige wettelijke bepaling is gebleken dat zij als voetbalvereniging bevoegd is namens de drie voor haar belangrijkste speelsters te procederen. Het zou anders zijn als eiseres de wettelijke vertegenwoordigster (ouder, voogd, curator) van de drie speelsters was, indien deze minderjarig zouden zijn of onder curatele waren, doch doet zulks zich in het onderhavige geval niet voor.

4.6 Nu eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar gevorderde, behoeven de overige stellingen en weren geen verdere bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zouden leiden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de door haar gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 26 september 2017 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2011-15

A.R. no. 103584
14 juli 2011

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiseres sub a], gehuwd [achternaam 1],
B. [eiseres sub b],
beiden wonende te [district],
eiseressen in kort geding,
gemachtigde: mr. A.E. Veldema, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district]
gedaagde in kort geding,
gevolmachtigde: dhr. M.H. Visser.

De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uitgesproken.

1. Het verloop van het geding
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/ -handelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 30 augustus 2010 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek met producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Feit
Gedaagde woont aan [adres 1].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde.
3.1 Eiseressen vorderen om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. gedaagde te veroordelen om binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis het beneden gedeelte van het pand gelegen te [district] aan [adres 2] geheel te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle zich zijnentwege bevindende personen en goederen onder afgifte van de sleutels aan eiseressen en of hun gemachtigde,
b. eiseressen te machtigen om indien gedaagde met de ontruiming in gebreke blijft, deze ontruiming zelf uit te voeren desnoods met behulp van de sterke arm.

Eiseressen vorderen tevens dat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Eiseressen hebben behalve de vaststaande feiten aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft en zich jegens hen schuldig maakt aan een onrechtmatige daad. Dat zij zelf gebruik wensen te maken van hun eigendom omdat zij dringend behoefte hebben aan woonruimte.

3.2 Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd.
Voor zover nodig zal de kantonrechter hieronder daarop terugkomen.

4. De beoordeling
4.1 Eiseressen stellen ter motivering van hetgeen zij aan hun vordering ten grondslag leggen dat zij tezamen, elk voor 6/12 aandeel gerechtigd zijn tot het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot driehonderd drie en zestig, zestig/honderste vierkante meter, gelegen in [district] aan de [straat] en aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname J.G. van der Jagt van 2 september 2004 met de letters ABCD en bekend als [wijk] [nummer], welk perceelland heeft toebehoord aan [persoon].
Zij leggen ter ondersteuning onder meer over, een verklaring van erfrecht waarin staat dat laatstgenoemde bij testament van vijf en twintig augustus negentienhonderd drie en veertig zijn echtgenote [naam 1] tot zijn enige erfgename heeft benoemd. Tevens staat daarin dat vermelde [naam 1] in aanmerking genomen, de legitieme portie van de wettige erfgenamen van [persoon] voornoemd bevoegd was om te beschikken over tien/twaalfde deel van de ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap tussen haar en [persoon]. Voorts staat daarin dat [naam 1] is overleden op 10 oktober negentienhonderd drie en tachtig en bij testament het woonhuis aan [adres 3] te [district] heeft gelegateerd gezamenlijk en voor gelijke delen aan [achternaam 2] geboren [achternaam 3] en [naam 2] geboren [achternaam 3] en heeft zij [eiseres sub a], gehuwd [achternaam 1] (toevoeging: rechter eiseres, sub A dus), benoemd als haar enige erfgenaam van haar gehele nalatenschap.

4.2 Onbetwist is dat eiseres sub B een der wettige erfgenamen is van de persoon van [naam 2] geboren [achternaam 3] in vermelde de verklaring van erfrecht genoemd als [naam 3].

4.3 Gedaagde voert als verweer aan dat eiseressen de ontruiming vorderen van het beneden gedeelte van het pand gelegen te [district] aan [adres 2], het nummer waarop hij woont, maar dat uit de door eiseressen overgelegde producties niet blijkt dat het perceel dat zij “geërfd” hebben hetzelfde perceel is waarvan de ontruiming wordt gevorderd.Eiseressen reageren hierop door te stellen dat in de overgelegde verklaring van erfrecht uitdrukkelijk staat vermeld: het woonhuis [adres 3] te [district] of mijn aandeel daarin wordt bedoeld het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen aan de [straat], bekend als [wijk] [nummer]. Met deze stelling is niet komen vast te staan dat eiseressen enig recht toekomt om de ontruiming te vorderen van gedaagde die woont aan [adres 2].Eiseressen worden daarom geacht geen belang te hebben bij het vorderen van de ontruiming van gedaagde van de woning gelegen aan [adres 2]. Eiseressen zullen daarom niet ontvangen worden in hun vordering.

4.4 De kantonrechter overweegt ten overloede dat ook indien er geen twist bestond tussen partijen omtrent de kadastrale aanduiding van het perceelland deze vordering geen kans van slagen zou hebben omdat de kantonrechter het eens is met het verweer van gedaagde welk erop neerkomt dat eiseres sub A noch eiseres sub B enig zakelijk recht hebben op het onroerend goed waarvan zij de ontruiming vorderen. Dat immers eiseres sub A met betrekking tot vermeld onroerend goed slechts gehouden is tot levering van dit perceel als legaat aan onder andere eiseres sub B en dat laatstgenoemde met betrekking tot het litigieuze onroerend goed slechts een vorderingsrecht heeft. De stelling dat zij zelf gebruik wensen te maken van hun eigendom is daarom onjuist.

4.5 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zullen eiseressen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

4.6 Eiseressen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing in kort geding
5.1 Verklaart eiseressen niet ontvankelijk in hun vordering.

5.2 Veroordeelt eiseressen in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton te Paramaribo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 14 juli 2011 door mr. R.G. Rodrigues, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de substituut griffier mr. L.J. van Bossé.

w.g. L.J. van Bossé. w.g. S.S.S. Wijnhard
R.G. Rodrigues

SRU-K1-2012-13

Vonnis in kort geding in de zaak van
A.R. no. 111883
26 januari 2012

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A], h.o.d.n. BodyNsoul Photography,
B. [gedaagde sub B],
beiden wonende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, Jr. advocaat,

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 9 mei 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 BodyNsoul Photography is een onderneming op het gebied van fotografie, welke in december 2006 door gedaagde sub A werd opgericht.

2.2 In januari 2009 is BodyNsoul Photography een samenwerkingsverband aangegaan met o.a. eiser. Eiser heeft dit samenwerkingsverband met BodyNsoul Photography per 1 september 2010 beëindigd.

2.3 Eiser heeft bij de beëindiging van het samenwerkingsverband met BodyNsoul Photography files en back-up files meegenomen.

2.4 Op 10 december 2010 heeft gedaagde sub A op de website www.bodynsoulphoto-graphy.com, het volgende bericht gepubliceerd: “[voornaam eiser] departure as a partner did not go without any troubles, as he left with many files that were taken in joint copyright ownership.The partnership as agreed between the partners in 2009 ensured joint copyrights. BodyNsoul Photography is taking proper action to ensure the availability of the files for her clients and to protect her assets. BodyNsoul Photography is by no means responsible for any transactions with [eiser] now or in the last 2 years, unless there is a duty signed agreement with BodyNsoul Photography”.

2.5 Op 11 december 2010 heeft gedaagde sub B de volgende publicatie gedaan op facebook: “oplichterij van ex-partner [eiser]…”.

2.6 Op 11 december 2010 heeft gedaagde sub A op faceboook gepubliceerd: “Eigenlijk een verhaal van Greed, Ego, Verraad, Diefstal, Oplichterij en alle andere slechte dingen die een mens kan hebben. Heb het nu van zo dichtbij meegemaakt, hoe een vriend en partner, die ik in me huis heb genomen, je kan verraden, oplichten, achter je rug om dingen kan doen, messteken in de rug kan geven terwijl hij met je lacht”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagden tot verwijdering en rectificatie van de geplaatste berichten en voorts tot betaling van schadevergoeding.

3.2 Eiser stelt dat gedaagden met de door hen gepubliceerde berichten zich hebben schuldig gemaakt aan laster of belediging jegens hem. Met de aantijgingen op het internet hebben gedaagden de goede naam en eer van eiser aangerand. Eiser meent schade te hebben geleden door de handelingen van gedaagden. Volgens eiser dienen gedaagden de door hem geleden schade te betalen.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Toewijzing van de vorderingen van eiser, waaronder die tot het plaatsen van een rectificatie, zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ), vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ook wel artikel 19 van het BUPO-Verdrag). Een dergelijke beperking is ingevolgde artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn.

4.3 Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagden onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen.

4.4 Over der vraag of de inhoud van het artikel steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Alhoewel partijen het er over eens zijn dat eiser files en back-up files heeft meegenomen bij zijn vertrek, is het niet aannemelijke geworden dat eiser toestemming van gedaagden daarvoor nodig had. Evenmin is gebleken dat eiser zich door voornoemde handelingen heeft schuldig gemaakt aan diefstal, verraad en oplichting, zoals in de publicaties wordt geïnsinueerd. Ten onrechte stellen gedaagden zich dan ook op het standpunt dat de uitspraken op waarheid berusten.

4.5 Gedaagden hebben voorts betoogd dat de betekenis die aan de woorden moeten worden gehecht niet die betekenis is zoals omschreven in art. 411 en 412 WvSr. (Wetboek van Strafrecht) – verraad -, art. 386 WvSr. – oplichting – en art. 370WvSr. – diefstal. Volgens hen dient de betekenis die hieraan gegeven moet worden die welke gangbaar is in het maatschappelijk verkeer. Deze zienswijze van gedaagden wordt niet gevolgd. Het is de kantonrechter onduidelijk aan welke betekenis in het maatschappelijk verkeer de door gedaagden gebruikte woorden dienen te worden gekoppeld. De gebruikte woorden zijn heel duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en zeker niet in de context waarin ze zijn gebruikt. Het is dan ook onterecht dat gedaagden ervan uitgaan dat de uitspraken geenszins een beledigend karakter hebben.

4.6 De conclusie tot zover is dat de door gedaagden gebezigde woorden wel onrechtmatig jegens eiser worden geacht. Het enkele feit dat gedaagden hebben gehandeld naar hun positie binnen de maatschappij, zoals zij betogen, ontneemt aan de gepubliceerde berichten niet het onrechtmatig karakter.

4.7 Over de toewijsbaarheid van de verschillende vorderingen wordt voorts het volgende overwogen.

4.7.1 Voldoende aannemelijk is dat eiser door het gebruik van de gepubliceerde berichten schade heeft geleden en, voor zover deze nog op facebook en de website te zien zijn, nog lijdt. Een voorziening met een hierna in het dictum vermelde inhoud, is dan ook op zijn plaats. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat in de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht. Het belang van gedaagden niet te worden beknot in hun vrijheid van meningsuiting, weegt, mede in het licht van de beperkte strekking van de te geven voorziening in dit geval niet op tegen het belang van eiser om gevrijwaard te blijven van ongegronde beschuldigingen.

4.8 Alhoewel eiser geen dwangsom heeft gevorderd, acht de kantonrechter toewijzing daarvan onder de gegeven omstandigheden toewijsbaar.

4.9 Voor de vordering tot schadevergoeding geldt dat voor toewijzing daarvan slechts plaats is, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Eiser vordert een schadebedrag van US$ 4.400,= vermeerderd met de wettelijke rente. Hij stelt dat de schade betreft de daling van zijn gemiddelde maandomzet als gevolg van de door gedaagden geplaatste berichten.

4.9.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de door eiser overgelegde lijst ter onderbouwing van de door hem geleden schade onvoldoende om een eventueel geleden schade vast te stellen, nu deze gemotiveerd is betwist door gedaagden en er geen aanknopingspunten zijn om de door eiser genoemde bedragen te verifiëren. Geconcludeerd wordt dat de schade niet aannemelijk is geworden, en dient te worden afgewezen.

4.10 Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

4.11 Op grond van het voorgaande wordt bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig geacht.

5. De beslissing
5.1 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis bij de exploitanten van Facebook een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van het op http.www.facebook.com gepubliceerd bericht: “Eigenlijk een verhaal van Greed, Ego, Verraad, Diefstal, Oplichterij en alle andere slechte dingen die een mens kan hebben. Heb het nu van zo dichtbij meegemaakt, hoe een vriend en partner, die ik in me huis heb genomen, je kan verraden, oplichten, achter je rug om dingen kan doen, messteken in de rug kan geven terwijl hij met je lacht”.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub A om gelijktijdig een afschrift van het onder 5.1 omschreven schriftelijk verzoek aan eiser te doen toekomen;

5.3 Veroordeelt gedaagde sub B om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd houden het op de website www.bodynsoulphotography.com, gepubliceerde bericht te weten: “[eiser] departure as a partner did not go without any troubles, as he left with many files that were taken in joint copyright ownership. The partnership as agreed between the partners in 2009 ensured joint copyrights. BodyNsoul Photography is taking proper action to ensure the availability of the files for her clients and to protect her assets. BodyNsoul Photography is by no means responsible for any transactions with [eiser] now or in the last 2 years, unless there is a duty signed agreement with BodyNsoul Photography”.

5.4 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis, gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag één maand, op de eerste pagina van een door hem te (her)openen profiel op www.facebook.com, een rectificatie te plaatsen met uitsluitend de navolgende inhoud zonder toevoeging van enig commentaar, voor wat opmaak en de inhoud betreft in hetzelfde lettertype als het artikel en op de zelfde pagina als het artikel:“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]:In een publicatie op mijn facebook profiel heb ik in december 2010 mededelingen gedaan over de persoon van [eiser]. De kantonrechter in kort geding heeft bij vonnis van 26 januari 2012 geoordeeld dat de mededelingen onrechtmatig zijn jegens [eiser], aangezien de suggestie wordt gewekt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, verduistering en/of oplichterij. Ook zijn er overige verdachtmakingen gemaakt jegens [eiser]. Deze suggesties vinden naar het oordeel van de kantonrechter geen steun in het thans beschikbare feitenmateriaal. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op facebook. [gedaagde sub A], h.o.d.n. BodyNsoulPhotography”.

5.5 Veroordeelt gedaagde sub B om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis, gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag één maand, op de eerste pagina van een door hem te (her)openen profiel op www.facebook.com, een rectificatie te plaatsen met uitsluitend de navolgende inhoud zonder toevoeging van enig commentaar, voor wat opmaak en de inhoud betreft in hetzelfde lettertype als het artikel en op de zelfde pagina als het artikel:“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]:In een publicatie op mijn facebook profiel heb ik in december 2010 mededelingen gedaan over de persoon van [eiser]. De kantonrechter in kort geding heeft bij vonnis van 26 januari 2012 geoordeeld dat de mededelingen onrechtmatig zijn jegens [eiser], aangezien de suggestie wordt gewekt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichterij. Deze suggestie vindt naar het oordeel van de kantonrechter geen steun in het thans beschikbare feitenmateriaal. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op facebook.[gedaagde sub B]”.

5.6 Veroordeelt gedaagden ieder afzonderlijk, tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar).

5.7 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.8 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 350,= (driehonderd vijftig Surinaamse Dollar).

5.9. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 26 januari 2012 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan