SRU-K1-2015-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 10-4150
17 maart 2015

Vonnis inzake:

[persoon],
wonende te [district],
eiser in conventie en gedaagde in reconventie,
gemachtigde van eiser: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
hierna te noemen [persoon],

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUURMAATSCHAPPIJ MA RETRAITE, rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde van gedaagde A: mr. C. Baal, advocaat,
hierna te noemen Ma Retraite,

B. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP NORTH COAST REAL ESTATE, rechtspersoon,
gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
gemachtigde van gedaagde B: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,
hierna te noemen North Coast.

Vooraf:
Ter verzekering van zijn vordering heeft [persoon], na daartoe verkregen toestemming door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 oktober 2010 conservatoir beslag doen leggen op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 432,72 m², gelegen te [district] aan [straat], op de kaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 15 januari 2010 met de letters ABCD en het [nummer 1], deel uitmakende van de grond [woonplaats] – hierna te noemen het perceelland – bij exploot van de deurwaarder D.E. Hew A Kee, deurwaarder bij het Hof van Justitie, d.d. 04 november 2010 [nummer 2].

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 17 november 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van antwoord zijdens Ma Retraite;
– de conclusie van antwoord zijdens North Coast en de eis in reconventie;
– de conclusie van repliek en van antwoord in reconventie;
– de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie zijdens North Coast;
– de conclusie van dupliek zijdens Ma Retraite;
– de conclusie van dupliek in reconventie zijdens [persoon].

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 De vordering in conventie
[persoon] vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
– Van waarde te verklaren het conservatoir beslag gelegd op het perceelland;
– Nietig te verklaren, althans te vernietigen de goederenrechtelijke en zakenrechtelijke koopovereenkomst tussen Ma Retraite en North Coast ten overstaan van de notaris mr. D. Alexander bij akte d.d. 22 januari 2010 verleden aangaande het perceel;
– De doorhaling te gelasten van de inschrijving ten hypotheekkantore op 28 januari 2010 in register C 1954 onder [nummer 3] van voornoemde akte van verkoop en koop;
– North Coast te veroordelen om binnen een week na het in dezen te wijzen vonnis aan de juridische levering zijn medewerking ten overstaan van notaris mr. J.G. Kemp te verlenen van het perceelland, onder verbeurte van een dwangsom van SD 5.000,- voor elke dag waarbij Ma Retraite niet aan het vonnis voldoet.

Subsidiair:
– Ma Retraite en North Coast te veroordelen om aan [persoon] bij wege van schade te betalen het bedrag ad SRD 120.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 januari 2010, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd;
– Ma Retraite en North Coast te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2 De grondslag in conventie
[persoon] heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd:
[persoon] heeft op 30 november 1981 van Ma Retraite gekocht, het perceelland voor de koopsom van Sf 12.981,60.
Op 15 maart 1988 heeft hij de gehele koopsom voldaan. In het jaar 2008 kwam hij erachter dat het perceelland nog niet op zijn naam was overgeschreven.
Op 28 januari 2010 heeft de [heer] in de hoedanigheid van liquidateur van Ma Retraite, in liquidatie van Ma Retraite het perceelland verkocht aan North Coast.
Ma Retraite heeft wanprestatie gepleegd jegens [persoon]. [persoon] is namelijk verkort in zijn geldelijk verhaalsrecht, waardoor een beroep op de actio Pauliana openstaat.

2.3 De vordering in reconventie
North Coast vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– De opheffing te gelasten van het bij deurwaarder D.E. Hew A Kee gelegd conservatoir beslag d.d. 04 november 2010, [nummer 2] op het perceelland;
– [persoon] te veroordelen in de kosten van het geding.

2.4 De grondslag in reconventie
North Coast heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.North Coast heeft geheel te goeder trouw op 28 januari 2010 van Ma Retraite gekocht en geleverd gekregen het perceelland.
Het onroerend goed behoort niet meer tot het vermogen van Ma Retraite en kan [persoon] zich daarop niet verhalen. Het gelegd beslag kan daarom niet in stand blijven. Voorts wordt North Coast door het vexatoir beslag enorm gestoord in de ontplooiing van de economische activiteiten van voormeld perceel.

2.5 Het verweer in conventie en in reconventie
Ma Retraite en North Coast hebben in conventie verweer gevoerd. [persoon] heeft in reconventie verweer gevoerd. Op hetgeen zij hebben aangevoerd, komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

4. De beoordeling
In conventie
4.1 Ma Retraite voert als formeel verweer aan dat zij ontkent een koopovereenkomst met [persoon] te zijn aangegaan, daar het door [persoon] overgelegde aflossingsboekje op naam staat van [voorletter en achternaam persoon], terwijl [persoon] is geheten [voornamen persoon].

4.2 De kantonrechter is van oordeel dat het aflossingsboekje inderdaad op naam van [voorletter en achternaam persoon] staat en [persoon] geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad de overeenkomst met Ma Retraite is aangegaan.Echter oordeelt de kantonrechter dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat Ma Retraite op 30 november 1981 een (huur)koopovereenkomst te zijn aangegaan met ene [voorletter en achternaam persoon]. Ma Retraite die stelt de overeenkomst niet met [persoon] te zijn aangegaan, heeft nagelaten te stellen met wie zij de overeenkomst dan wel is aangegaan. Aan het verweer van Ma Retraite zal de kantonrechter, als te zijn onvoldoende onderbouwd, dan ook voorbijgaan.

4.3 Ma Retraite voert voorts als verweer dat bij de liquidatie aan alle wettelijke eisen zijn voldaan, met name het publiceren en oproepen van eventuele schuldeisers en/of crediteuren. [persoon] heeft nooit contact opgenomen met Ma Retraite of anderszins te kennen gegeven wat hij van haar te vorderen heeft. Ma Retraite ging er te goeder trouw van uit dat zij de percelen die een eigenaar hadden, ook daadwerkelijk heeft geleverd.Als gevolg van het verloop van 22 jaar is Ma Retraite eigenaar geworden van het perceelland en was zij tevens gerechtigd dit te verkopen.

4.4 De kantonrechter is van oordeel dat artikel 1984 van het Burgerkijk Wetboek niet op Ma Retraite van toepassing is; Ma Retraite is – zoals [persoon] terecht opmerkt – altijd eigenaar van voormeld perceelland gebleven en kan derhalve geen eigenaar worden door verjaring.

4.5 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat de gehele koopsom voor het perceelland in 1988 is voldaan. Ma Retraite was aldus gehouden het perceelland aan [persoon] te leveren. Ma Retraite heeft zich niet gehouden aan haar leveringsverplichting en maakt zich aldus schuldig aan wanprestatie.

4.6 [persoon] stelt zich op het standpunt dat een beroep op actio Pauliana openstaat, omdat hij, [persoon], is verkort in zijn geldelijk verhaalsrecht.

4.7 De kantonrechter overweegt dat de actio Pauliana kan worden ingeroepen, mits bewezen wordt, dat bij het verrichten der handeling zowel de schuldenaar als degene met wie of ten wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken is komen vast te staan dat bij de liquidatie van Ma Retraite zij zich aan de wettelijke vereisten heeft gehouden met name het publiceren en oproepen van eventuele schuldeisers en/of crediteuren.Eveneens is komen vast te staan dat [persoon] niet heeft gereageerd op de oproep en dat [persoon], zelfs na zijn ontdekking dat het perceelland niet was geleverd in 2008 geen contact heeft opgenomen met Ma Retraite om de levering van voornoemd perceelland te bewerkstelligen.

4.7.1 De kantonrechter is aldus van oordeel dat niet is bewezen dat Ma Retraite de intentie had zijn verhaalsmogelijkheden aan [persoon] te onttrekken of dat North Coast de wetenschap had dat daarvan benadeling van [persoon] zou volgen.

4.7.2 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de primaire vordering van [persoon] niet voor toewijzing vatbaar is.

4.8 Ma Retraite voert als verweer dat de gevorderde schadevergoeding niet onderbouwd is en derhalve niet toewijsbaar is.

4.9 De kantonrechter is van oordeel, dat gezien de wanprestatie van Ma Retraite is komen vast te staan, zij dan ook gehouden is de door [persoon] geleden schade te vergoeden.Deze schade bestaat naar het oordeel van de kantonrechter uit de huidige waarde van het bedrag dat [persoon] voor het perceelland heeft betaald. [persoon] had namelijk als belanghebbende bij de levering van het perceelland ook de verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat de levering binnen redelijke termijn plaats zou vinden. [persoon] heeft eerst na twintig jaren actie ondernomen om het gekocht perceelland geleverd te krijgen, doch zonder de verkoper, in casu Ma Retraite, hiervan op de hoogte te stellen.Het is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in strijd met de redelijkheid en de billijkheid om van Ma Retraite de geheel geleden schade in de vorm van de huidige waarde van het perceelland te vorderen.De huidige waarde van het door [persoon] betaald bedrag zal worden berekend aan de hand van de waarde van de koopsom in Noord-Amerikaanse Dollars. Uitgegaan wordt van de waarde van het perceelland ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst en wel in 1981. Dit bedrag in Noord-Amerikaanse Dollars zal tegen de huidige dollarkoers worden omgezet in Surinaamse Dollars.

4.10 De koers van de Amerikaanse Dollar bedroeg in 1981 (bij het aangaan van de koopovereenkomst) 1 op 1.80.De koopsom bedroeg Sf 12.981,60. De waarde hiervan in Noord-Amerikaanse Dollars bedroeg in 1981 dus US$ 7.212,-.US$ 7.212 is tegenwoordig waard SRD 24.160,20.De schade die [persoon] heeft geleden zal aldus worden vastgesteld op SRD 24.160,20.

4.11 Ma Retraite zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

In reconventie
4.12 Gezien al hetgeen in conventie is overwogen acht de kantonrechter het gelegd beslag ten aanzien van North Coast onrechtmatig en zal de vordering van North Coast dan ook worden toegewezen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

In conventie:
5.1 Veroordeelt Ma Retraite aan [persoon] te betalen de som van SRD 24.160,20 (VIER EN TWINTIGDUIZEND HONDERDZESTIG 20/100 SURINAAMSE DOLLAR), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, berekend vanaf 17 november 2010 tot aan de algehele voldoening van de schuld.

5.2 Veroordeelt Ma Retraite in de proceskosten aan de zijde van [persoon] gevallen en tot op heden begroot op SRD 188,- (HONDERD ACHT EN TACHTIG 0/00 SURINAAMSE DOLLARS).

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.4 Gelast de opheffing van het bij exploot d.d. 04 november 2010 [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.E. Hew A Kee gelegd conservatoir beslag op het perceelland;

5.5 Veroordeelt [persoon] in de kosten van het geding aan de zijde van North Coast gevallen en tot op heden begroot op nihil;

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde;

In conventie en in reconventie
5.7 Verklaart dit vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg en op 17 maart 2015 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.M. Nooitmeer-Rotsburg
w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2011-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 073272
2 augustus 2011

In naam van de Republiek

Vonnis in de zaak van:
A. [eiser 1],
B. [eiser 2],
beiden wonende te [district 1],
eisers,
gemachtigde van beiden: mr. E.C.M. Hooplot

tegen

[gedaagde],
wonende te [district 1],
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.R. Ramrattansing, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 19 juli 2007 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 20 november 2007;
– de conclusie van antwoord en uitlating productie d.d. 15 april 2008, met de producties;
– de conclusie van repliek en uitlating d.d. 17 juni 2008;
– de conclusie van dupliek d.d. 21 oktober 2008;
– de rolbeschikking d.d. 6 april 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 6 mei 2010 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
– de conclusie tot overlegging van de producties d.d. 20 juni 2010;
– de door eisers genomen conclusie na gehouden comparitie van partijen d.d. 6 juli 2010;
– de door gedaagde genomen conclusie na gehouden comparitie van partijen d.d. 3 augustus 2010.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

1.2 De feiten
2.1 [naam 1] was in algehele gemeenschap gehuwd met [naam 2] 231/Er. Zij waren de grootouders van gedaagden.

2.2 Sedert begin jaren veertig bewoonden en bewerkten de grootouders van eisers een gedeelte van de grond [woonplaats] gelegen aan het [gebied] in [district 2], thans [district 1], krachtens een met de toenmalige eigenaren bestaand rechthebbende pachtverhouding.

2.3 In het jaar 1946 heeft de landmeter A.E. Calor de hiervoor vermelde grond [woonplaats] uitgemeten en bij [naam 1] in gebruik zijnde gedeelten van deze grond op de uitmetingskaart aangeduid met de [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3].

2.4 [naam 1] heeft op verschillende tijdstippen de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en naderhand [nummer 3] van de toenmalige eigenaren gekocht.

2.5 Bij notariële akte d.d. 4 oktober 1962 zijn de percelen [nummer 1] en [nummer 2] aan [naam 1] juridisch overgedragen met de volgende kadastrale omschrijving:
“a. het perceelland groot een hectare vier en zestig aren en acht en dertig centiaren, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. veertien mei negentienhonderd zes en veertig door de figuur in rood en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. veertien mei negentienhonderd zes en veertig met het [numme 2], benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond, groot een are en zes en zeventig centiaren op de voormelde kaart aangeduid met de letters ABCDEF;

b. het perceelland groot een hectare een en twintig aren en vijf en zestig centiaren, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. veertien mei negentienhonderd en zes en veertig door de figuur rood en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. veertien mei negentienhonderd zes en veertig met het [nummer 1], benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond, groot twee aren en op voormelde kaart aangeduid met de letters ABCD”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eisers vorderen:

a) verklaring voor recht dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van het perceelland gelegen in [district 2], thans [district 1], deeluitmakende van de grond [woonplaats] en op de van deze grond vervaardigde verzamelkaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 14 mei 1946 aangeduid met het [nummer 3].
b) veroordeling van gedaagde dit perceelland binnen een week na de uitspraak van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich daarop van zijnentwege mocht bevinden.
c) hen te machtigen om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven de ontruiming zelf uit te voeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;
d) veroordeling van gedaagde om aan eisers tegen kwijting te betalen alle door eiseres geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet e.e.a. vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar ingaande de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.
e) veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor iedere dag waarop hij de eisers stoort in het rustig en vreedzaam genot van dit perceelland.

3.1.1 Mede is gevorderd uitvoerbaar verklaring van het vonnis bij voorraad.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij wegens verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van het perceel [nummer 3]. Daartoe stellen zij naast de feiten vermeld onder 2, dat:

  • hun grootouders voortdurend en onafgebroken ongestoord openbaar en niet dubbelzinnig het bedoelde perceel als eigenaar hebben bezeten door daarop landbouw en veeteelt activiteiten te ontplooien;
  • [naam 1] bij notariële akte d.d. 1 oktober 1965 aan zijn dochter [naam 3] het perceel [nummer 2] heeft verkocht en vervolgens bij notariële akte d.d. 7 februari 1973 het perceelland [nummer 1] aan [naam 3] heeft verkocht.
  • [naam 3] de moeder van eisers was;
  • [naam 3] vanaf haar geboorte bij [naam 1] inwoonde en hij alle drie percelen met [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] heeft geleverd, op welke percelen [naam 3] de landbouw en veeteelt activiteiten van haar vader heeft voortgezet;
  • [naam 3] hierdoor het bezit als eigenaar ook van het perceel [nummer 3] van [naam 1] heeft overgenomen en voortgezet, hetgeen ongestoord, openbaar ondubbelzinnig, voortdurende en onafgebroken heeft plaatsgevonden;
  • [naam 3] in 1981 is komen te overlijden, doch dat zij voor haar overlijden de percelen [nummer 1], [nummer 2] aan eisers, die vanaf hun geboorte bij haar inwoonden juridisch heeft overgedragen en daarmede ook feitelijk perceel [nummer 3] aan hen heeft overgedragen;
  • eisers het bezit als eigenaar van perceel [nummer 3] op dezelfde voet als hun grootouders en moeder ongestoord, openbaar ondubbelzinnig en onafgebroken hebben voortgezet;
  • eisers sedert 1946 bestaande omrastering hebben hersteld c.q. vernieuwd op welk perceel zij een veertigtal koeien houden en evenals hun grootouders en moeder andere landbouwactiviteiten ontplooien;
  • zij het perceel al langer dan 20 c.q. 30 jaar te goeder trouw bezitten en zij hun rechtsvoorgangers in de verkrijging van dit perceel zijn opgevolgd;
  • gedaagde ultimo november 2006 zonder hun toestemming de prikkeldraad afrastering en draadpalen van het perceelland [nummer 3] heeft verwijderd en vernield zonder hun toestemming het desbetreffende perceel heeft betreden;
  • gedaagde ondanks protest van eisers bouwactiviteiten op het desbetreffende perceel heeft ontplooid;
  • dat gedaagde als politieambtenaar misbruik van zijn ambtelijke bevoegdheden heeft gemaakt zonder enig recht op het bedoelde perceelland te hebben.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, welk verweer voor zover voor de beslissing van belang, hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert aan dat [naam 4] het bedoelde perceel [nummer 2] op 3 juli 1946 heeft gekocht van de heer [naam 5], doch dat de juridische overdracht daarvan tot heden niet heeft plaatsgevonden. Nu gedaagde zelf stelt dat de juridische overdracht van dit perceel tot heden niet aan de familie [naam 4] heeft plaatsgevonden, leidt dit tot de slotsom dat de eigendom van dit perceel nimmer op de familie [naam 4] is overgegaan en de familie [naam 4] tot heden geen enkele zakelijke titel op het hiervoor vermelde perceel heeft gehad en heeft. In dat licht brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat ingevolge artikel 670 van het Burgerlijk Wetboek de juridische overdracht van een onroerend goed, in casu betreft het perceel [nummer 3], geschiedt door overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers.

4.2 Gedaagde voert voorts aan dat de familie [naam 4] sedert het jaar 1935 het perceel [nummer 3] bewoont en beplant, doch spreekt zichzelf in diezelfde conclusie tegen dat de familie [naam 4] op een gegeven moment van het perceel [nummer 3] is verhuisd. Ter comparitie van partijen heeft gedaagde zelf verklaard dat de familie [naam 4] in de jaren vijftig is verhuisd van het perceel en heeft hij als deelgerechtigde in het nalatenschap van de familie [naam 4] toestemming van de overige erfgenamen verkregen om op perceel [nummer 3] een woning te bouwen. De woning heeft gedaagde, zoals hijzelf heeft verklaard, in het jaar 2006 gebouwd. Deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat de familie [naam 4], zijnde de voorouders en ouders van gedaagde sedert het jaar 1950 nimmer het bedoelde perceel hebben bewerkt en bewoond.

4.3 Gedaagde werpt tegen dat eisers geen enkel recht of titel op dat perceelland kunnen aantonen en daardoor nooit eigenaars zijn geweest van dat perceelland. Dit verweer echter, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op, omdat ook hetzelfde geldt voor gedaagde. Zoals reeds onder 4.1 is overwogen heeft de familie [naam 4] geen enkele titel op het bedoelde perceelland.Voorts gaat het verweer van gedaagde dat eisers geen enkel recht of titel op het bedoelde perceelland kunnen aantonen in dit geval niet op, omdat eisers zich erop beroepen eigenaar van het bedoelde perceelland te zijn geworden op grond van de verkrijgende verjaring. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat blijkens het bepaalde in artikel 639 van het Burgerlijk Wetboek verjaring een wijze van eigendomsverkrijging is. In dat geval wordt blijkens het bepaalde in de artikelen 1984 juncto artikel 1976 van het Burgerlijk Wetboek de eigendom van het onroerende goed middels verjaring verkregen, indien degene die zich daarop beroept te goeder trouw voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig in het bezit van de zaak is geweest. Daarbij is vereist dat degene die zich op de verkrijgen verjaring beroept te goeder trouw het bezit gedurende dertig jaren heeft gehad zonder dat hij genoodzaakt kan worden de titel te tonen.Eisers hebben middels feiten en omstandigheden hun stelling onderbouwd dat zij te goeder trouw en langer dan dertig jaren voortdurend en onafgebroken ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig in het bezit van perceel [nummer 3] zijn geweest. Op deze onderbouwde stelling heeft gedaagde geen gemotiveerd verweer gevoerd, zodat de kantonrechter het ervoor dient te houden dat zulks het geval is en slagen eisers om die reden in hun beroep op de verkrijgende verjaring.

4.4 Vaststaat dat gedaagde de omrastering van het bedoelde perceelland heeft vernield dan wel zonder toestemming van eisers de omrastering heeft verwijderd, en zonder hun toestemming het bedoelde perceelland heeft betreden om een woning op dat perceelland te bouwen. Dit, terwijl hij – zoals reeds onder 4.1 is overwogen – geen enkele zakelijke titel op het perceel bezit. Evenmin is gebleken dat gedaagde of de familie [naam 4] sedert het jaar 1950 in het bezit is van het bedoelde perceelland is geweest. Gedaagde beroept zich evenwel op dat hij vanwege zijn vermeend recht op het perceelland zich daarop mocht begeven en bouwen, doch diende hij naar het oordeel van de kantonrechter vanwege het geschil wie al dan niet eigenaar van het perceelland is een vordering tegen eisers – die toen in het bezit waren van dat perceelland – in te stellen. In stede daarvan heeft gedaagde ervoor gekozen het recht in eigen handen te nemen, hetgeen reeds een onrechtmatige daad is jegens eisers oplevert.

4.5 Nu het beroep van eisers slaagt op de verkrijgende verjaring en gebleken is dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens eisers heeft gepleegd zal de vordering van eisers als op de wet gegrond worden toegewezen.

4.6 Voor wat betreft de ontruimingstermijn acht de kantonrechter het redelijk en billijk gedaagde een termijn van twee maanden na betekening van dit vonnis te gunnen.

4.7 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Verklaart voor recht dat eisers, door verjaring eigenaars zijn geworden van het perceelland gelegen in [district 2], thans [district 1], deeluitmakende van de grond [woonplaats] en op de van deze grond vervaardigde verzamelkaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 14 mei 1946 aangeduid met het [nummer 3].

5.2 Veroordeelt gedaagde om het perceelland vermeld onder 5.1. binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich daarop zijnentwege mocht bevinden.

5.3 Machtigt eisers om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven de ontruiming zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht.

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eisers tegen kwijting te betalen alle door eisers geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar ingaande de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

5.5 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag waarop hij de eisers stoort in het rustig en vreedzaam genot van dit perceelland.

5.6 Verklaart hetgeen onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5. is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 172,- (Eenhonderd en Tweeenzeventig Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 2 augustus 2011 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g.. A. Sewgobind S.M.M. Chu

SRU-K1-2012-12

A.R. no. 120230
16 februari 2012


Vonnis in kort geding in de zaak van
[eiser],
wonende te [district 1],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat

tegen

A. [gedaagde sub A],
B. [gedaagde sub B],
beiden wonende te [district 1],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C. Hooplot, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 20 januari 2012 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton dd. 2 augustus 2012 bekend onder AR no. 073272 (hierna het gewraakte vonnis) heeft de kantonrechter in een vordering gedaagden (toen eisers) tegen eiser (toen gedaagde) als volgt beslist:
“5.1 Verklaart voor recht dat eisers, door verjaring eigenaars zijn geworden van het perceelland gelegen in [district 2], thans [district 1], deeluitmakende van de [grond] en op de van deze grond vervaardigde verzamelkaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 14 mei 1946 aangeduid met het [nummer].

5.2 Veroordeelt gedaagde om het perceelland vermeld onder 5.1. binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich daarop zijnentwege mocht bevinden.

5.3 Machtigt eisers om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven de ontruiming zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht.

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eisers tegen kwijting te betalen alle door eisers geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar ingaande de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

5.5 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag waarop hij de eisers stoort in het rustig en vreedzaam genot van dit perceelland.

5.6 Verklaart hetgeen onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5. is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 172,–.

2.2 Het gewraakte vonnis is bij exploit van deurwaarder G.O. Niekoop dd. 20 december 2011 aan eiser betekend.

2.3 Eiser heeft 15 december 2011 appel aangetekend tegen het gewraakte vonnis.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  1. Te schorsen althans schorsing van het gewraakte vonnis totdat in hoger beroep daarover zal zijn beslist;
  2. Veroordeling van gedaagden om dit vonnis te gehengen en te gedogen, op verbeurte van een dwangsom.

Subsidiair:
Gedaagde te verbieden om eiser te ontruimen krachtens het gewraakte vonnis totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist, op verbeurte van een dwangsom.

3.2 Eiser beroept zich erop dat het gewraakte vonnis apert onjuist is, danwel dat het vonnis berust op een juridische misslag. Volgens hem heeft de kantonrechter ten onrechte geconcludeerd dat gedaagden middels verjaring eigenaar zijn geworden van het onroerend goed.

3.3. Gedaagden hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend karakter blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige executiegeschil is dat het gewraakte vonnis dat inmiddels in hoger beroep is voorgelegd aan het hof, behoudens na te noemen uitzondering, thans inhoudelijk niet (opnieuw) ter discussie staat, terwijl eveneens uitgangspunt is de bevoegdheid van gedaagde tot tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis. Slechts indien sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot executie, kan de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis aan de orde zijn.

4.2.1 Van bedoeld misbruik kan sprake zijn indien het te executeren vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, of indien op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten executie klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde zou doen ontstaan (zie HR 22-4-1983, NJ 1984/145). Voor het overige dient de rechter in kort geding zich in beginsel te richten naar het oordeel van de kantonrechter zoals weergegeven in het gewraakte vonnis, zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld appel te betrekken (HR 19-5-2000, NJ 2001/407).

4.2.2 De vraag die in het onderhavig geding aan de orde is, is of gedaagden met de tenuitvoerlegging van het gewraakte vonnis misbruik maken van hun bevoegdheden tot executie van dat vonnis.Eiser beroept zich onder meer op een juridische misslag van het gewraakte vonnis. Voorts wordt gesteld dat bij de toetsing of een vonnis op een juridische misslag berust, de lat onmiskenbaar hoog dient te worden gelegd. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts sprake als de vergissing in het recht zó in het oog springt dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan.Eiser stelt onder meer dat blijkens en verklaring van de hypotheekbewaarder dd. 29 december 2011, een zestiental personen de rechtmatige eigenaren zijn van het perceel. Gedaagden moesten in hun vordering tegen eiser, ook de medegerechtigden betrekken.Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter slaagt dit beroep van eiser. Ongeacht de omstandigheid of de personen genoemd in de verklaring van de hypotheekbewaarder voornoemd, al dan niet eigenaren zijn van het perceel, oordeelt de voorzieningen rechter dat een vordering waarbij er een beroep wordt gedaan op verkrijgende verjaring (mede) dient te worden ingesteld tegen de eigenaren van dat onroerend goed. Eiser die in het proces waarvan beroep, gedaagde was, is niet de eigenaar van het perceel. Gedaagden (toen eisers) moesten dan ook niet worden ontvangen in hun vordering tegen eiser. Het gewraakte vonnis zal op grond van het voorgaande naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden vernietigd in hoger beroep.De vraag of gedaagden met de tenuitvoerlegging van het gewraakte vonnis misbruik maken van hun bevoegdheid tot executie van dat vonnis, dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.De door eiser gevraagde voorziening staat dan ook voor toewijzing gereed.

4.3 De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd als in het dictum te melden, nu deze de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

4.4 Op grond van het voorgaande wordt de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig geacht.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
5.1 Schorst de werking van het vonnis dd. 2 augustus 2011 bekend onder nummer AR no. 073272, totdat in hoger beroep zal zijn beslist.

5.2 Veroordeelt gedaagden om dit vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat zij in strijd handelen met dit vonnis tot een maximum van SRD 500.000,= (vijfhonderd duizend Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 226,= (tweehonderd en zesentwintig Surinaamse Dollar).

5.3 Wijst af het meer of andere gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kantoon van donderdag 16 februari 2012 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-1974-1

Kantonrechter Eerste Kanton, 16 september 1974, A.R. No. 743381
(Mr.H.G.U.J.Huber)

[eiser], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.G.J.C. van der Scheeff, Mr.Dr.H.M. Reeder, Mr. J. R. von Niesewand, advocaten, eiser in kortgeding ,

tegen

Het [gebied], zetelde te [district], vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, gedaagde in kortgeding,

De kantonrechter spreekt in deze zaak het navolgende vonnis in KORTGEDING uit:
Wij ,Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Overwegende ten aanzien van de feiten:
Eiser heeft bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagde zal worden bevelen om eiser binnen een bij vonnis te bepalen termijn in vrijheid te stellen;

subsidiair:
dat bij vonnis zal worden bepaald dat gedaagde aan eiser zal zijn verschuldigd een dwangsom van ƒ 1.000,- (EEN DUIZEND GULDEN) per dag voor elke keer dat zij het bepaalde in artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Srafvordering overtreedt, alles kosten rechters;
Te dienende dage zijn partijen, eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advocaat, Mr.G.J.C.van der Scheeff en gedaagde door Mr. F. Kruisland, Officier van Justitie namens de Procureur-Generaal ter terechtzitting verschenen.
De gemachtigde van eiser licht zijn vordering nader toe, waarbij hij ondermeer zegt dat hij van oordeel is dat eiser’s opsluiting in een cel niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Strafvordering.
Hij concludeert voorts voor eis overeenkomstig het inleidendrekest.
Gedaagde voor antwoord concluderend zegt dat eiser opgelast van het Openbaar Ministerie wegens verdenking van valsheid in geschrifte in bewaring is gesteld.
Daarna heeft het Openbaar Ministerie om voorlopige aanhouding gevraagd en bij het gerechtelijke vooronderzoek heeft de Rechter-Commissaris aanleiding gevonden de verdachte verder aan te houden.
Nu vraagt eiser de beslissing van de Rechter-Commissaris ongedaan te maken
Daarvoor acht ik de Kantonrechter in KORTGEDING en ten principale onbevoegd:
In het Wetboek van Strafvordering zijn er regels ter handhaving van de publieke veiligheid en de openbare orde.
Dit Wetboek geeft ook waarborgen aan de verdachte krachtens artikel 54.
Het Openbaar Ministerie hheft bevel gegeven naar haar bevoegdheid en het is aan de Rechter-Commissaris en de Kantonrechter voorbehouden de toestemming tot verlenging van de termijn tot in bewaringstelling te verlenen, en er is zelf beroep mogelijk bij het Hof van Justitie.
Dit systeem maakt duidelijk dat er een afgrensing bestaat tussen de burgerlijke Rechter en de Strafrechter.
Hierover verwijs ik naar het arrest van de H.R. 11 december 1936 NJ 1937 no. 72 waarbij de Kantonrechter in burgelijke zaken onbevoegd werd verklaard kennis te nemen van de vordering.
Zie ook President Rechtbank te Zwolle N.J. 1946 no.192.
De Kantonrechter is dan ook niet bevoegd te oordelen over de juistheid van een gegeven bevel tot gevangen houden.
Deze bevoegdheid komt zijns inziens uitsluitend aan het orgaan dat deze bevoegdheid heeft gekregen.
In dit geval kan alleen een hogere Rechter oordelen en niet een van gelijke orde volgens de absolute conpententie.
Dit zou in strijd zijn met de Wet R.O,
Een soort gelijke beslissing heeft het Hof van Justitie gegeven in de [zaak].
Over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de aanhouding van de verdachte het volgende :
De Officier van Justitie heeft een bevel tot in bewaringstelling gegeven omdat er gevaar voor ontvluchting bestond sinds de verdachte was bericht dat hij in de zaak in welke hij alsgetuige werd gehoord thans als verdachte was aangehouden omdat hij verdacht werd van valsheid in geschrifte.
Bovendien bestaat de vrees dat eiser het onderzoek na vrijlating zal belemmeren.
Dit is reeds gebeurd.
Over het ter beschikking stellen van het paspoort is het Openbaar Ministerie niets bekend, maar ook dan blijft vrees voor vlucht bestaan.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering zij het volgende gesteld:
Het petitum is te vaag om hierop een veroordeling te baseren.
Natuurlijk is het altijd mogelijk de opsluiting op minder onaangename wijze tedoen plaatsvinden, doch dat zou U zoveel meer geld en mankracht vergen indien dit voor alle voorlopig aangehoudenen zou worden toegepast, dat zulks in afweging met hen algemeen belang niet verantwoord is. Er is dan geen reden om voor eiser een uitzondering te maken.
Ik concludeer dan ook dat U eiser niet ontvankelijk zult verklaren in zijn vordering, subsidair het gevraagde zult afwijzen.
Replicerend voert eiser aan dat de Kantonrechter wel bevoegd is te oordelen.
De door gedaagde genoemde arresten zijn niet meer van toepassing door de ontwikkeling op het stuk van de menselijke rechten en vrijheden alsook het verdrag van Rome.
Ook de overheid mag geen inbreuk op deze rechten.
De bevoegdheid van de Kantonrechter in KORTGEDING is een uitgebreide, en gedaagde heeft alleen zijn verweer gebasseerd op de onbevoegdverklaring van de Kantonrechter in KORTGEDING.
Die bevoegdheid is er juist om de schade te beperken en ook de persoonlijke rechten te waarborgen.
In de beschikking van voorlopige aanhouding zijn de redenen niet vermeld, slechts “gezien de artikelen” 72 en 213a Surinaams Burgerlijk Wetboek van Strafvordering en overwegende dat de grond en de omstandigheden welke tot het uitvaardigen van bovenvermeld bevel hebben geleid, nog steeds bestaan.
Het verweer dat de Rechter op gelijk niveau geen kennis mag nemen van de vordering gaat niet op.
De kantonrechter die een invrijheidstelling gelast vernietigt ook als Rechter van gelijke rang een beschikking van de Rechter-Commissaris.
De kantonrechter in KORTGEDING moet hier een maatregel nemen.
Dat de insluiting op grond van enige gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid nodig is, heeft de gedaagde niet aangevoerd, doch alleen de vrees voor bewijsvertroebeling, en dat staat niet in de Wet.De wet zegt zelf: “ In alle andere gevallen dient de verdachte in vrijheid te worden gesteld”.(Artikel 72 Sur. Wetb. van Strafvordering).Hier moet dus het Openbaar Ministerie ook aan de wettelijke vereisten voldoen.In het verweer ligt de onmacht om artikel 72 en 45e Surinaams Wetboek van Srafvordering na te leven besloten, en dit houdt een zekere erkenning in.
De Overheid moet zich houden aan de Wettelijke voorschriften.
Tenslotte ontken ik al hetgeen niet uitdrukkelijk door mij is erkend en ben bereid bewijs te leveren van mijn stellingen.
Vervolgens concludeert gedaagde voor dupliek, bij zijn stellingen persisterend.
Daarna worden enige producties overlegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.
Eiser’s gemachtigde deelt tenslotte nog mede, dat eiser er geen bezwaar tegen heeft dat hij niet ter terechtzitting aanwezig is.
Daarna hebben partijen vonnis gevraagd, waarvan wij de uitspraak hebben bepaald op heden.

Overwegende ten aanzien van het recht:
Ten processe staat enerzijds gesteld en anderzijds erkend vast dat eiser op 02 augustus 1974 door de Rechter-Commissaris belast met de instructie van strafzaken op grond van verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van Artikel 273 en Artikel 381 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht onder de overweging dat in de loop van het onderzoek voldoende aanwijzing van schuld tegen verdachte is ontstaan en op grond van vrees voor vlucht of herhaling van het misdrijf alsook in het belang van het onderzoek termen gevonden worden om de verdachte voorlopig aan te houden, voorlopig is aangehouden alsmede dat het bevel, onder verwijzing naar voormelde gronden is verlengd voor dertig dagen op 29 augustus 974.
Er kan geen discussie over bestaan- en eiser betoogt ook niet het tegendeel- dat dit een bevel van voorlopige aanhouding van de Rechter-Commissaris is als bedoeld in Artikel 63 van het Surinaams Wetboek van Strafvordering.
Door het in het bij Artikel 63 van overeenkomstige toepassing verklaard Artikel 213A bepaalde aangaande de tijd waarbinnen dit bevel van kracht is en door de overige bepalingen in het Surinaams Wetboek van Strafvordering betreffende de voorlopige aanhouding en het einde daarvan is naar ons voorlopig oordeel buiten twijfel dat de Wetgever beoogt heeft dat geen andere rechtsmaatregelen kunnen worden genomen tegen een dergelijk bevel dan die genoemd in dat Wetboek.
Wij achten ons daarom onbevoegd om van de primaire vordering kennis te nemen.
Ons oordeel zou alleen andere kunnen luiden op grond van het bepaalde in een bindende regeling van hogere orde of algemene rechtsbeginselen, indien het Surinaams Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot opheffing van een bevel tot voorlopige aanhouding niet aan de Rechter had toegekend.
Het subsidiaire gevorderde achten wij te weinig gedifferencieerd om daarop een veroordeling te kunnen baseren.
Bovendien blijkt uit de stellingen van het inleidend rekest niet, dat gedaagde het in het petitum vermelde artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Strafvordering niet heeft nageleefd.
Het gedeelte in het 14e “dat” van het inleidend rekest betreffende insluiting in een cel en luchten gedurende slechts twee maal een half uur per dag behoeft namelijk niet met gemeld artikel in strijd te zijn, terwijl het gestelde in het 15e “dat” daargelaten de tegenstrijdigheid met hetgeen eiser in het 16e “dat” vermeld te vaag is om daarop een verdediging te baseren.
De verplichting van artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Strafvordering houdt naar ons voorlopig oordeel in dat de overheid gehouden is bij de ten uitvoerlegging van de bevelen tot voorlopige aanhouding zoveel als in redelijkheid het algemeen belang tegen dat van de verdachte afwegende te doen ter voorkoming van nodeloos ongerief voor de voorlopig aangehoudene.
Met gedaagde zijn wij van oordeel dat hoezeer ook technisch uitvoerbaar- het verdenkbaar is dat van de overheid in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij onevenredig veel geld en mankracht verslindende maatregelen neemt teneinde de vrijheidsberoving van de voorlopig aangehouden te veraangenamen, gelijk eiser wenst.
Nu niet gesteld dat de huisvesting in de cel niet aan de voor een dergelijke inrichting in redelijkheid te stellen eisen voldoet, zijn wij voorlopig oordelend van mening, dat een redelijk denkende overheid, de belangen van de voorlopig aangehoudenen tegenover het belang van het doel der aanhouding als in de Wet vermeld en de lasten die een andere wijze van opsluiting de gemeenschap oplegt afwegent, tot opsluiting als door eiser gesteld kan besluiten.
Wij zullen dan ook de subsidiaire gevorderd voorziening weigeren.
Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden verwezen.

RECHTDOENDE:
Verklaren ons onbevoegd kennis te nemen van de primaire vordering;
Weigeren de subsidiaire vordering;
Veroordelen eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Buitengewone Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo op maandag 16 september 1974, door de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. H.G.U.J. Huber, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, Lcs.W.G. Pengel.

w.g. W.C. Pengel,
w.g. H.C.U.J. Huber, f.g.

Partijen, vertegenwoordigd door haar respectieve gemachtigden zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2013-10

In naam van de Republiek
DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 13-3423
27 augustus 2013

Vonnis in kort geding inzake:
[eiseres],
wonende te [district 1]
aan [adres 1],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat

tegen

[gedaagde]
wonende in [district 2]
aan [adres 2],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 13 augustus 2013 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
Gedaagde heeft bij exploit no. 328 d.d. 22 juli 2013 van de deurwaarder Rawan Sontono ten laste van eiseres conservatoir derdenbeslag gelegd onder:
A. De Hakrinbank N.V.;
B. De Surinaamsche Bank N.V.;
C. De Surichange Bank N.V.;
D. De RBC Royal Ban (Suriname) N.V.;
E. De Finabank N.V.;
F. De Surinaamsche Postspaarbank N.V.;
G. De Landbouwbank N.V.;

op alle gelden, geldswaren (de kantonrechter leest: geldswaarden) en/of goederen welke op gemelde banken van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen;

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren de opheffing zal worden gelast, althans voormeld beslag zal worden opgeheven. Daarnevens vordert zij dat gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten;

3.2 Naast voormeld vaststaand feit legt eiseres aan haar vordering – voor zover voor de beslissing van belang en zakelijk weergegeven – ten grondslag dat voormelde beslagen onrechtmatig c.q. vexatoir zijn op zowel formele als materiële gronden;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de Kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen.

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 Als formele grond heeft eiseres aangevoerd dat met uitzondering van de betekening door de deurwaarder aan de Surinaamsche Bank N.V., welke zoals wettelijk vereist, is geschied aan de persoon van de bestuurder, in casu de Directeur van genoemde Naamloze Vennootschap, zijn de betekeningen aan de overige derde beslagenen niet geschied overeenkomstig het bepaalde in de wet, weshalve het exploit van de deurwaarder m.b.t. de betekening aan die rechtspersonen nietig en rechtens van onwaarde is. Daartegenin heeft gedaagde gedocumenteerd ingebracht dat de desbetreffende medewerk(st)ers van de diverse bankinstellingen daartoe daadwerkelijk gevolmachtigd waren door de respectieve directeuren casu quo onderdirecteuren van de bankinstellingen. De Kantonrechter overweegt dienaangaande dat – zoals eiseres terecht heeft aangevoerd – in beginsel de exploiten ten aanzien van andere (niet-openbare) rechtspersonen ingevolge het bepaalde in artikel 6 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen) aan de persoon of aan de woonplaats van een der bestuurders dienen te worden uitgebracht. In casu is dat bij 6 van de 7 bankinstellingen niet geschied en zijn de exploiten uitgebracht aan medewerk(st)ers die – naar naderhand is gebleken – daartoe wel gemachtigd waren door de bestuurders van de diverse rechtspersonen. De vraag die thans rijst is welke consequentie daaraan dient te worden verbonden. Zijn de betekeningen van de gelegde beslagen daardoor nietig? Dat is primair de kernvraag waar partijen over twisten. Naar het oordeel van eiseres dient voormelde vraag bevestigend beantwoord te worden terwijl gedaagde die ontkennend beantwoordt. Naar dezerzijds oordeel dient het antwoord op voormelde vraag ontkennend te luiden. Immers is de ratio van het bepaalde in artikel 6 lid 3 WvBRv dat de bestuurders van de rechtspersoon niet onkundig blijven van een bepaalde situatie. Nu de desbetreffende medewerk(st)ers door de directeur dan wel de onderdirecteur – en dus een deugdelijke vertegenwoordiger van de rechtspersoon – daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd zijn geworden, is naar dezerzijds oordeel daaraan tegemoet gekomen. wel had de deurwaarder – zoals eiseres terecht heeft aangevoerd – van die machtiging melding moeten maken in het exploit van beslaglegging. Dit nalaten levert echter naar dezerzijds oordeel niet de consequentie op die eiseres daaraan verbonden wenst te hebben daar het bepaalde in voormeld wetsartikel de strekking heeft een waarborg te bieden voor de bestuurders van de rechtspersoon zelve. Derhalve zal de kantonrechter aan de formele grondslag van het gevorderde voorbijgaan als ongegrond;

4.3 Als materiële grondslag voor het gevorderde heeft eiseres aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang dat gedaagde in zijn beslagrekest in punt 2 geheel ten onrechte heeft gesteld als zou hij – gedaagde – aan eiseres op 4 juni 2007 en geldsbedrag van Euro 15.000,- ter leen hebben verstrekt en wel door storting daarvan op eiseresses bankrekening no.568498070 bij de ABN AMRO Bank in Nederland. Eiseres ontkent en betwist ten stelligste gedaagde ooit enig bedrag in welke valuta dan ook ter leen te hebben gevraagd en evenmin van hem ter leen te hebben ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter behelst de materiële grondslag van eiseres de eis van summierlijke aannemelijkheid van de gepretendeerde vordering. Dienaangaande heeft eiseres naar het oordeel van de kantonrechter in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt dat haar broer, dhr. [naam 1], de beheerder is van de onderhavige rekening en zaken heeft gedaan met een broer van gedaagde, [naam 2]. In dat kader is voormeld bedrag van Euro 15.000,- op de desbetreffende rekening gestort – naar de kantonrechter begrijpt als tussenstation – en vervolgens weer overgemaakt naar een andere rekening. Naar dezerzijds oordeel kan een geldleenovereenkomst niet alleen middels overlegging van een stortingsbewijs betreffende een storting op een bankrekening summierlijk aannemelijk gemaakt worden. Daartoe is naar het oordeel van de kantonrechter nog meer vereist. Nu in dit geding aannemelijk is geworden dat de broer van eiseres de desbetreffende bankrekening beheerde en het kader waarbinnen die broer zaken heeft gedaan met een broer van gedaagde, is de materiële grondslag van de vordering in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. Immers is de door gedaagde gestelde geldleenovereenkomst op geen enkele andere wijze geadstrueerd geworden en is derhalve de vordering van gedaagde op eiseres – naar het oordeel van de kantonrechter – niet summierlijk aannemelijk geworden en dient het gelegd conservatoir derden beslag onder de diverse bankinstellingen te worden opgeheven;

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.5 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing in kort geding
De Kantonrechter:

5.1 Gelast de opheffing van de bij exploit no. 328 d.d. 2 juli 2013 van de deurwaarder Rawan Sontono te laste van eiseres gelegde conservatoire derden beslagen onder de daarin genoemde bankinstellingen, te weten:
A. De Hakrinbank N.V.;
B. De Surinaamsche Bank N.V.;
C. De Surichange Bank N.V.;
D. De RBC Royal Ban (Suriname) N.V.;
E. De Finabank N.V.;
F. De Surinaamsche Postspaarbank N.V.;
G. De Landbouwbank N.V., op alle gelden, geldswaren (de kantonrechter leest:
geldswaarden) en/of goederen welke opgemelde banken van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen;

5.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 270,– (Tweehonderde en Zeventig Surinaamse Dollars);

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van dinsdag 27 augustus 2013 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. S. Tika w.g. A. Charan

SRU-K1-2014-9

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 140594
13 februari 2014

Vonnis in de zaak van
[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. M.C. Nibte, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STICHTING DE GOEDE AARDE, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 11 februari ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusie van repliek;
– de mondelinge conclusie van dupliek.
1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is met gedaagde op 28 april 2010 een krediethypotheek aangegaan voor het bedrag van EUR.10.000,=. Eiser heeft voor dit krediet in hypotheek gegeven het ten rekeste genoemd perceelland waarop tevens zijn woonhuis staat.

2.2 Het geleend bedrag zou met rente ad 2,5% per maand, binnen een jaar worden terugbetaald. Ook is een boeterente overeengekomen van 1% per dag over het achterstallig bedrag.

2.3 Bij exploit van 28 december 2013 heeft gedaagde aan eiser doen betekenen een grosse van de krediethypotheek, een opgave van het saldo ad. EUR. 27.810,00, en een aanzegging voor de veiling van donderdag 13 februari 2014 om 10.30 uur.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering

Eiser vordert kort gezegd, dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. stopzet de voor 13 februari 2014 om 10.30 uur aangekondigde openbare verkoop van het onroerend goed, totdat in een bodemprocedure de hoogte van het saldo is komen vast te staan of subsidiair totdat door de Finabank de schuld is overgenomen nadat door de eiser aan de bankinstelling een goedgekeurde specificatie van het saldo is afgestaan en voorts
b. gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiser voert als grondslag aan dat de openbare verkoop nietig of onrechtmatig is om de volgende reden: eiser ontkent dat hij EUR.10.000,= heeft ontvangen, hij heeft slechts EUR. 8.200,= ontvangen; reeds om die reden is de overeenkomst nietig; eiser ontkent, dat het saldo EUR. 27.801,= bedraagt en ontkent de saldo-opgave; eiser heeft al EUR. 3.500,= afgelost en dat bedrag is niet meegenomen bij de saldo-opgave. Voorts is eiser doende de schuld onder te brengen bij de Finabank NV. Eiser voert voorts aan dat gedaagde ervan op de hoogte was dat hij in betalingsproblemen was met een andere lening en dat hij hem desondanks de onderhavige lening heeft aangeboden met de hoge renten, daarbij misbruik makende van de omstandigheden van eiser en van het economisch overwicht.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

4.2 Gedaagde heeft op de vordering als verweer aangevoerd dat het exploit met de aanzegging van de veiling aan eiser op 28 december 2013 is betekend, doch dat de eiser pas twee dagen voor de veiling en vordering tot stopzetting van de veiling indient. Hij heeft derhalve langer dan zes weken gewacht met het indienen van de vordering. Om die reden handelt hij in strijd met de goede procesorde. Voorts voert gedaagde aan dat:

  1. Eiser voldoende tijd heeft gehad om een deskundige in de hand te nemen om het saldo te berekenen en om de overname van de schuld door een bank in orde te maken;
  2. Eiser al 3 tot 4 jaren wanprestatie pleegt en eiser ook heeft erkend dat er een saldo is;
  3. Eiser de renten zelf is overeengekomen, doch dat uit het saldo overzicht dat door gedaagde ter zitting is overgelegd blijkt dat de boete rente veel minder is dan was overeengekomen; dat gedaagde juist minder boete rente in rekening heeft gebracht;
  4. Dat niet het perceel waar eiser woont wordt geveild;
  5. Dat de veiling rechtmatig is aangezegd en conform de wet zal worden gehouden;
  6. Dat de kwitantie en de akte het wettig bewijs leveren dat wel het bedrag van EUR. 10.000,= geleend is;
  7. Dat verzoeker niet te goeder trouw is omdat verzoeker niet eens een aanbod van betaling heeft gedaan;
  8. Dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden, noch van nietigheid van de kredietovereenkomst noch van onrechtmatigheid van de executie.

4.3 Eiser heeft op het verweer van gedaagde gereageerd waarbij hij bleef bij zijn stellingen dat de veilig onrechtmatig is omdat hij de overeenkomst heeft getekend omdat hij in problemen was, hetgeen misbruik van omstandigheden oplevert, dat de overeenkomst daarom nietig is en voorts dat hij doende is de schuld te laten overnemen door de Finabank en om die reden de veiling met twee maanden aangehouden dient te worden.

4.4 De kantonrechter overweegt dat een stopzetting van een executie pas aan de orde is wanneer zou blijken dat er geen wanprestatie is, geen saldo meer is of de wettelijk voorgeschreven procedure die tot de openbare verkoop leidt niet is gevolgd. Immers zou anders het executie recht van een hypotheekhouder illusoir worden. In casu moet derhalve nagegaan worden of er inderdaad van wanprestatie sprake is. Eiser bekent de wanprestatie en voert aan dat hij in betalingsproblemen is gekomen. Eventuele twisten over het saldo zijn geen reden tot stopzetten van de executie omdat de notaris bij de toewijzing en de afdracht van de koopsom rekening dient te houden met de werkelijke schuld, die kan altijd door de notaris worden gecontroleerd.

4.5 De kantonrechter overweegt dat onderhandelingen met een bank ook niet tot stopzetting kunnen leiden, slechts als de bank voor de veiling zou aangeven de schuld te willen overnemen zou dat tot stopzetting kunnen leiden, daar is echter in casu geen sprake van.

4.6 De kantonrechter overweegt voorts dat het niet is gebleken dat de wettelijke procedure niet is gevolgd waardoor er geen gronden zijn om de executie stop te zetten.

4.7 De kantonrechter zal op grond van het hiervoor overwogene het gevorderde afwijzen. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing
5.1 Wijst af het gevorderde;

5.2 Veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 13 februari 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2017-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-5273
01 juni 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiseres sub A],
B. [eiser sub B],
wonende te [district] aan [adres 1],
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen: de kopers,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A],
wonende aan [adres 2] Nederland,
B. [gedaagde sub B],
C. [gedaagde sub C],
D. [gedaagde sub D],
E. [gedaagde sub E],
F. [gedaagde sub F],
G. [gedaagde sub G],
gedaagden B tot en met G zonder bekende woon- of verblijfplaats in/of buiten Suriname,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna te noemen: de erfgenamen,
allen procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 27 november 2015 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 14 januari 2016;
– de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie d.d. 05 mei 2016, met producties;
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie d.d. 23 juni 2016, met producties;
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie d.d. 13 oktober 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Op 20 oktober 1997 hebben de kopers onderhands een koopovereenkomst met [verkoper 1] en [verkoper 2], hierna te noemen de verkopers, gesloten betreffende de koop/verkoop van het hierna omschreven onroerend goed:
“het perceelland, groot 500m², gelegen te [district] aan [adres 1], aangeduid op de uitmetingskaart van [landmeter] d.d. 24 juni 1970 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d 24 juni 1970 met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage]”.

2.2 De verkopers hadden aan [naam] volmacht gegeven om namens hun het onroerend goed te verkopen en te leveren aan de kopers.
Op 20 oktober 1997 hadden de kopers in het kader van de koop van het onroerend goed een bedrag ad NF 32.000,- aan de verkopers betaald. Zij wonen inmiddels al ruim 17 jaren op het onroerend goed.

2.3 In de volmacht d.d. 20 oktober 1997 staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende vermeld:
1. de heer [verkoper 1], …
2. mevrouw [verkoper 2] …

(….) verklaren hierbij last en volmacht te geven aan:
De heer [naam], ambtenaar, …

Speciaal om voor en namens ondergetekenden over te gaan tot de verkoop en levering van:
“het perceelland, groot 500m², gelegen te [district] aan [adres 1], aangeduid op de uitmetingskaart van [landmeter] d.d. 24 juni 1970 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d 24 juni 1970 met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage]”.

Aan de heer [eiser sub B], administratief medewerker geboren op [datum] te [district], wonende te [district],
Houder van Surinaamse …

Voor de koopsom van NF. 17.500,- (Zeventienduizend vijfhonderd Nederlands Courant), de koopsom te ontvangen en daarvoor te kwijten, alle nodige akten en stukken te passeren en te tekenen, het verkochte te leveren in eigendom en verder alles te doen wat tot voormeld einde nog nodig zal zijn, zonder enige nadere lastgeving te behoeven, alles met de macht van substitutie”.

2.4 Op 23 juli 2010 hebben de kopers met betrekking tot het onroerend goed een schrijven aan één der erfgenamen gericht. In dat schrijven hebben de kopers het volgende vermeld:
“(…)
In 1997 hebben wij van uw vader, heer [verkoper 1] een perceel gekocht aan [adres 1] op de [plantage].
Door tal van omstandigheden hebben wij de overdracht van het perceel niet kunnen realiseren.
Nu moeten wij vanwege de overheid het perceel overgeschreven krijgen.
Bij navraag naar heer [naam] (gemachtigde) kregen wij te horen, dat uw ouders en de gemachtigde (moge hun ziel in vrede rusten) ons zijn voorgegaan.
Aan u het verzoek om samen met eventuele overige kinderen van uw ouders mee te werken, zodat wij het perceel overgedragen kunnen krijgen.
Ingesloten treft u de copies en ook de copie van onze notaris in voor de overige benodigde stukken.”

2.5 Op 03 december 2013 hebben de erfgenamen als volgt op het schrijven van de kopers gereageerd:
“(…)
Zoals ik u beloofd had zou ik met alle erfgenamen praten en hun verzoeken om samen een oplossing te vinden voor uw vraag.

Wij hebben alle stukken nogmaals bestudeerd en zijn tot de volgende conclusie gekomen:
U had voornemens het perceel aan [adres 1] te kopen, uit stukken blijkt dat deze koop niet verder is afgerond omdat u de desbetreffende laatste bedrag t.w. 17500 Nederlandse gulden NIET heeft betaald. Bij betaling hiervan zou het perceel op uw naam worden overgeschreven.

Wij zien de betaling die u voorheen heeft gedaan tw. 32.000 Surinaamse guldens als huur van het perceel tot op heden. Om dien reden hebben wij de volgende beslissing genomen.

WIJ, DE ERGENAMEN VAN DHR. [verkoper 1] EN MEVROUW [verkoper 2], ZIJN TOT DE VOLGENDE BESLUIT GEKOMEN:
1 Het perceel [adres 1] gelegen te [district], zal te allen tijden EIGENDOM BLIJVEN VAN DE ERFGENAMEN.
2 Wij verlenen jullie uit coulantie de mogelijkheid om op deze perceel te blijven wonen, en hier jullie oude dag door te brengen.

2.6 Bij schrijven d.d. 09 september 2015 heeft de gemachtigde van de kopers het volgende aan de erfgenamen medegedeeld:
“(…)
Blijkens de volmacht d.d. 20 oktober 1997 had de heer [verkoper 1], thans wijlen, de heer [naam] gemachtigd om voor hem te verkopen en te leveren het perceelland groot 500m² gelegen te [district] aan [adres 1], aangeduid op de uitmetingskaart d.d. 24 juni 1970 van [landmeter], met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 24 juni 1970 met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage].

Blijkens de kwitantie d.d. 20 oktober 1997 is het perceel door mevrouw [naam variant eiseres sub A] en haar echtgenoot gekocht voor een koopprijs van NF 32.000,-, waarvoor tevens kwijting is verleend. Mevrouw [naam variant eiseres sub A] en haar gezin wonen al sinds 1998 op het bovenvermeld perceel, echter heeft de juridische levering wegens omstandigheden nooit plaatsgevonden.

Volgens bekomen informatie van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) is de heer [verkoper 1] op 15 januari 2009 overleden. Zijn echtgenote, mevrouw [verkoper 2], was reeds op 12 november 20015 overleden. Als gevolg hiervan rust thans op u allen, de erfgenamen van [verkoper 1], de verplichting om over te gaan tot de juridische levering van het perceel.

Namens cliënte wordt u hierbij verzocht om binnen 1 week na ontvangst van dit schrijven in contact te treden met mijn kantoor, ter finalisering van de juridische overdracht van het perceel gelegen aan [adres 1] te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie hebben de kopers gevorderd, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
Primair:
– de erfgenamen te veroordelen om binnen een maand na dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, over te gaan tot de juridische levering van het perceel;

Subsidiair:
– de kopers te machtigen om, indien de erfgenamen in gebreke blijven aan het primair gevorderde te voldoen, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende verklaringen of handtekeningen van de kopers, zodat de juridische levering aan de kopers kan plaatsvinden;
– de erfgenamen te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 In conventie hebben de kopers tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:
– de overeengekomen koopsom bedroeg NF 32.000,-. Zij hebben de koopsom volledig voldaan, doch heeft de juridische overdracht tot heden niet plaatsgevonden;
– in de akte staat wel vermeld dat de koopprijs NF 17.500,- bedraagt, doch hebben partijen zulks gedaan om de overdrachtskosten laag te houden.

Als spoedeisend belang stellen de kopers dat zij inmiddels bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en er alle belang bij hebben dat de juridische levering daadwerkelijk plaatsvindt.

3.3 In conventie hebben de erfgenamen verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie hebben de erfgenamen gevorderd dat de kopers:
– het perceel verlaten;
– worden veroordeeld tot betaling van de kosten zie zij hebben gemaakt in het kader van dit kort geding, zijnde een bedrag beraamd op € 7.500,-.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

In conventie
4.1 Eerst zal de vraag worden beantwoord of de kopers een spoedeisend belang hebben bij een voorziening bij voorraad strekkende tot juridische overdracht van het perceel.

Zoals de kantonrechter de erfgenamen begrijpt, weerspreken zij het spoedeisend belang van de kopers. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de kopers pas na het overlijden van de verkopers, en wel na 13 jaren, met de vordering komen tot juridische overdracht van het perceel. Zij hebben weersproken dat de kopers de koopsom volledig hebben voldaan. In dat licht hebben zij aangevoerd dat de kopers nog het bedrag ad NF 17.500,- moeten voldoen en dat om die reden de juridische overdracht nog niet kan plaatsvinden.

In reactie op deze weerspreking blijven de kopers in hun stelling volharden dat zij reeds volledig hebben voldaan aan hun betalingsverplichtingen en beroepen zich ter staving hiervan op de kwitantie van betaling die zij hebben overgelegd als productie. Verder hebben zij gesteld dat de juridische overdracht toen niet heeft plaatsgevonden, omdat zij op dat moment niet beschikten over de financiën om de overdrachtskosten te betalen en zulks hun door de jaren heen aan hun aandacht is ontsnapt. Tevens hebben zij gesteld dat zij het perceel niet zullen ontruimen, omdat zij de woning op het perceel hebben gebouwd.

4.2 Uit de stellingen van de kopers begrijpt de kantonrechter dat zij een woning op het perceel hebben gebouwd, doch valt door de kantonrechter niet te begrijpen waarom de kopers ervoor hebben gekozen om eerst op het perceel te bouwen en niet ervoor hebben gekozen om eerst de juridische overdracht van het perceel te doen plaatsvinden. Dit, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat de kosten voor juridische overdracht lager zijn dan de kosten voor het bouwen van een woning. Het enkel stellen dat het hun aan hun aandacht is ontglipt, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Daarbij brengt de kantonrechter de kopers in herinnering dat in het kader van de juridische overdracht een notaris aan te pas moet komen, aan de juridische overdracht kosten verbonden zullen zijn en deze kosten in vergelijking met 17 jaren geleden hoger zullen liggen. De kopers hebben nagelaten te stellen en middels bescheiden te onderbouwen of zij reeds over de nodige financiële middelen beschikken om de juridische overdracht te kunnen realiseren. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het spoedeisend belang van de kopers niet aannemelijk. Daarom zullen de door hun gevraagde voorzieningen geweigerd.

4.3 De kopers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

In reconventie
4.4 De kantonrechter begrijpt uit het verweer van de erfgenamen dat zij een vordering tegen de kopers hebben ingesteld. Daar de erfgenamen in persoon procederen, zal de kantonrechter de vordering kwalificeren als te zijn een vordering in reconventie, zoals weergeven onder 3.4 in dit vonnis.

4.5 De erfgenamen hebben niet gesteld wat het spoedeisend belang van het door hun gevorderde is. Tevens hebben zij nagelaten te stellen wat de grondslag van het door hun gevorderde is. Reeds om die reden kan het door hun gevorderde niet worden toegewezen.

4.6 De erfgenamen zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

In conventie
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt de kopers in de proceskosten aan de zijde van de erfgenamen gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.4 Veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten aan de zijde van de kopers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan,op donderdag 01 juni 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-12

In naam van de Republiek
Arno. 11-2492

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. no. 11-2492
13 januari 2015

Vonnis inzake:

De naamloze vennootschap CLICO LIFE INSURANCE COMPANY SURINAME N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eisers in conventie tevens gedaagde in reconventie,
hierna aangeduid met ‘CLICO N.V.’,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. de naamloze vennootschap ASSURIA SCHADEVERZEKERING N.V.,
B. de naamloze vennootschap ASSURIA LEVENSVERZEKERING N.V.,
beiden rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie,
beiden hierna aangeduid met ‘ASSURIA N.V.’,
gemachtigde: mr. H. Lim A Po, advocaat,
C. CLICO AND GENERAL INSURANCE COMPANY (South America) LIMITED, rechtspersoon, kantoorhoudende te Georgetown in Guyana,
gedaagde, hierna aangeduid met ‘CLICO S.A.’,
niet verschenen.

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat met producties op 09 juni 2011 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties alsmede de eis in reconventie met producties zijdens ASSURIA N.V.;
– de conclusies van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en uitlating producties, onder overlegging van producties;
– de conclusies van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en uitlating producties;
– de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 Aan de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen CLICO S.A., is verstek verleend.

1.3 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

2.1 Bij schrijven d.d. 12 maart 2007 heeft Tjong A Hung Belastingadviseurs voor zover van belang aan CLICO N.V. medegedeeld dat de geruisloze overgang van de 2 ondernemingen naar Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. is gehonoreerd, hetgeen inhoudt dat over de stille reserves (in het pand en in de onderneming) niet hoeft te worden afgerekend. Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. gaan op de fiscale boekwaarde verder met de ingebrachte onderneming. De levering van de onroerende zaken dient nog bij de notaris plaats te vinden. Ingesloten ontvangt U een ‘akte van levering’ waarin de 2 onderscheiden ondernemingen worden geleverd aan Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. in het kader van de geruisloze overgang. Aangezien bij het passeren van de akte van oprichting bij de notaris niet was voorzien in de wijze waarop de overgang van de onderneming zou plaatsvinden, dient de aandeelhouder van Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. alsnog toestemming te geven dat inbreng in natura mag plaatsvinden.

2.2 Ten name van ASSURIA N.V. is op 12 juni 2009 conservatoir beslag ingeschreven in register D deel 72 onder nummer 3120 onder CLICO S.A. op: het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Klipstenenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter B no. 76, welk erf op de kaart van de landmeter C.F. Calor d.d. 20 december 1974 is aangeduid met de letters ABCDEFG en een oppervlakte beslaande van 922,57m² (hierna perceel A);

2.3 Bij vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 21 januari 2010 met A.R. no.’s 09-3946 en 09-3947, is CLICO S.A. bij verstek veroordeeld om aan ASSURIA N.V. te betalen de bedragen van respectievelijk USD 141,900.00 en USD 283,800.00, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 27 mei 2009 tot aan de algehele voldoening.

2.4 Ten name van ASSURIA N.V. zijn op 11 mei 2010 de navolgende executoriale beslagen op perceel A onder CLICO S.A. ingeschreven:
– in register D deel 74 onder nummer 3345
– in register D deel 74 onder nummer 3346.

2.5 Bij vonnis d.d. 05 april 2011 van de kantonrechter in het Eerste Kanton in de zaak met A.R. no. 10-2373 van CLICO N.V. ca CLICO S.A., is CLICO S.A. bij verstek onder andere veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis ten overstaan van een te Paramaribo residerende notaris mede te werken aan de juridische levering van perceel A en het erf groot 1097m² met de daarop staande gebouwen gelegen te Paramaribo aan de Weidestraat bekend onder Nieuwe Wijk letter D no. 61 (hierna: perceel B); met machtiging op CLICO N.V. om, indien CLICO S.A. (lees: niet) verschijnt of verschenen zijnde mocht weigeren aan de juridische overdracht mee te werken, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van CLICO S.A. in de akte, met de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het aldus besliste, met bepaling dat de aldus opgemaakte transportakte(n) rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers zal (zullen) worden overgeschreven en daardoor de eigendom van genoemde perceellanden met de daarop staande gebouwen op CLICO N.V. zal overgaan.

2.6 Bij akte d.d. 10 mei 2011 verleden ten overstaan van de notaris, mr. R.B. Manna, heeft de heer [naam] in zijn hoedanigheid van direkteur van CLICO N.V. en als gevolmachtigde van CLICO S.A. krachtens vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 05 april 2011, A.R. no. 10-2373, voor zover van belang verklaard dat CLICO S.A. de eigendom van de percelen A en B heeft verkregen door overschrijving van een afschrift van de akten van verkoop en koop op respectievelijk 17 oktober 2001 in register C 1523 onder nummer 152 en 27 juni 1997 in register C 1357 onder nummer 1358; dat blijkens schrijven van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 28 februari 2007, CLICO S.A. vanaf 1 januari 2004 door geruisloze overgang is ingebracht in CLICO N.V. en in het kader van deze geruisloze inbreng de juridische levering van voornoemde percelen geëffectueerd dient te worden; voorts dat CLICO S.A. vanaf 1 januari 2004 slechts juridisch eigenares is van voornoemde percelen, in die zin dat deze in de registers ten hypotheekkantore te harer name zijn blijven staan, maar dat vanaf die datum CLICO N.V. economisch eigenares is van voornoemde percelen en dat deze constructie ook voor derden kenbaar was daar deze op de balans van CLICO N.V. was gepubliceerd; dat CLICO S.A. bij voormeld vonnis is veroordeeld tot juridische levering van voornoemde percelen; dat CLICO S.A. op 10 mei 2011 niet is verschenen ten kantore van ondergetekende notaris; dat [naam] voornoemd verklaarde over te dragen aan CLICO N.V., voor welke N.V. [naam] voornoemd, verklaarde te aanvaarden voornoemde percelen.

2.7 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 mei 2011 in de zaak met A.R. no. 11-1618 van derdenverzet van CLICO N.V. ca ASSURIA N.V. en CLICO S.A., is CLICO N.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen om:
– het verstekvonnis dd. 21 januari 2010 met A.R. no.’s 09-3646 en 09-3947 te schorsen zolang niet op het verzet is beslist;
– voornoemde verstekvonnissen te vernietigen;
– verbetering van de verstekvonnissen in zoverre dat CLICO N.V. geen schade zal ondervinden van de vonnissen waarvan verzet en opheffing van gelegde executoriale beslagen op perceel A.

2.8 Bij schrijven d.d. 20 mei 2011 heeft CLICO N.V. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 mei 2011 met A.R. no. 11-1618.

3. De vorderingen, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 De vordering in conventie
CLICO N.V. vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: de onderhavige opvordering van eigendom in te willigen door voor recht te verklaren dat CLICO N.V. zich terecht verzet tegen de openbare verkoop d.d. 30 juni 2011 ten overstaan van notaris mr. M.R. Sanrochman van het onroerend goed, dat het onroerend goed ten onrechte in het beslag is betrokken en tevens de opheffing van het beslag te bevelen.

3.2 De grondslag in conventie
CLICO N.V. heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat het onroerend goed waarop op 11 mei 2010 executoriaal beslag is gelegd, in ieder geval vanaf 01 januari 2004 al door de geruisloze overgang deel uitmaakte van het vermogen van CLICO N.V. De overschrijving van het onroerend goed op naam van CLICO N.V. op 12 mei 2011 is niet te rekenen tot vervreemding in de zin van artikel 378 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bovendien heeft het onroerend goed nimmer behoort tot het vermogen van CLICO S.A. De executoriale titel ten behoeve van het beslag is immers gebaseerd op het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 15 april 2011. ASSURIA N.V. kan derhalve haar vordering op CLICO S.A. niet verhalen op het onroerend goed toebehorend aan CLICO N.V.

3.3 De vordering in reconventie
ASSURIA N.V. vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad CLICO N.V. te veroordelen:

I. om aan ASSURIA N.V. te betalen het bedrag van USD 68,016.00 met de wettelijke rente daarover vanaf 01 november 2011 tot aan de algehele voldoening;
II. om aan ASSURIA N.V. te betalen de opnieuw te maken executiekosten tot verhaal van haar vordering ad USD 283,800.00 op CLICO S.A. en de verdere schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.4 De grondslag in reconventie
ASSURIA N.V. heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat CLICO N.V. wist dat zij nimmer de eigendom van het onroerend goed had en die ook nimmer heeft verkregen, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die haar ten opzichte van ASSURIA N.V. in het maatschappelijk verkeer betaamt, door de onderhavige vordering in te stellen. CLICO N.V. is dan ook aansprakelijk voor de kosten die ASSURIA N.V. opnieuw moet maken voor de executoriale verkoop van het onroerend goed, maar ook voor de schade die ASSURIA N.V. lijdt en nog zal lijden als gevolg van het niet kunnen beschikken over het sinds 08 april 2009 aan haar door CLICO N.V. (lees CLICO S.A.) verschuldigde bedrag van USD 283,800,00.

3.5 Het verweer in conventie en in reconventie
CLICO N.V. en ASSURIA N.V. hebben over en weer verweer gevoerd, terwijl CLICO S.A. niet is verschenen en derhalve geen verweer heeft gevoerd.De kantonrechter komt bij de beoordeling indien nodig terug op het verweer van partijen.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie
In conventie
4.1 ASSURIA heeft als meest verstrekkend verweer in conventie aangevoerd dat CLICO N.V. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering jegens gedaagde sub B, omdat de procedure ex artikel 419 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) openstaat wanneer de procedure van executoriale verkoop, zoals neergelegd in de artikelen 387 e.v. Rv, reeds in gang is gezet, doch heeft gedaagde sub B een dergelijke procedure geenszins in gang gezet.

4.1.1 CLICO voert hiertegen aan dat met het leggen van een executoriaal beslag de executie reeds is aangevangen, waardoor zij niet hoeft te wachten om de vordering tot opvordering van eigendom van het in beslaggenomen goed in te stellen totdat de openbare verkoop plaats heeft.

4.1.2 De kantonrechter stelt voorop dat de executie van een executoriaal beslag aanvangt met de overschrijving van het executoriaal beslag in de hypotheekregisters, hetwelk in casu op 11 mei 2010 door beide gedaagden (sub A en B) is geschied, weshalve CLICO N.V. ontvankelijk is in haar vordering jegens gedaagde sub B en het verweer terzake wordt verworpen.

4.2 ASSURIA N.V. heeft eveneens als verweer aangevoerd dat de vervreemding c.q. overdracht door CLICO S.A. aan CLICO N.V. op 10 mei 2011, niet aan haar kan worden tegengeworpen, nu het conservatoir beslag op perceel A door haar reeds op 12 juni 2009 in de registers was ingeschreven en de executoriale beslagen op 11 mei 2010, weshalve de overdracht c.q. vervreemding in strijd is met artikel 378 Rv.

4.2.1 CLICO N.V. voert hiertegen aan dat in casu sprake is van botsende rechten nu het recht van ASSURIA N.V. om verhaal op het onroerend goed te hebben, door hen middels het executoriaal beslag is verkregen op 11 mei 2010, terwijl het recht van CLICO N.V. op levering van het onroerend goed aan haar, in ieder geval vanaf 28 februari 2007, de datum van de goedkeuring van de ‘geruisloze inbreng’, bestond. CLICO N.V. beroept zich in casu op artikel 298 boek 3 van het Nederlands BW, welke bij analoge toepassing met zich zou meebrengen dat er bij botsende rechten een belangenafweging zou moeten plaatsvinden op grond van redelijkheid en billijkheid en dat onder de gegeven omstandigheden het recht op levering aan CLICO N.V. zwaarder zou moeten wegen.

4.2.2 ASSURIA N.V. voert hiertegen aan dat er geen sprake is van botsende rechten en dat het Nederlands artikel 298 BW in de Surinaamse rechtsorde niet van toepassing is. ASSURIA N.V. persisteert dat de overdracht van perceel A in strijd is met artikel 378 Rv en dus niet tegen de beslagnemer, in casu ASSURIA N.V., mag worden ingeroepen, hetgeen geldt voor elke handeling leidende tot eigendomsoverdracht na 12 juni 2009, dus ook niet de akte d.d. 10 mei 2011.

4.2.3 De kantonrechter overweegt dat de goedkeuring van de “geruisloze overgang” bij beschikking van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 28 februari 2007, slechts een fiscale faciliteit is – zoals ook gesteld is door ASSURIA N.V. – en heeft dus geen juridische levering van perceel A met zich meegebracht. Dit brengt met zich mee dat CLICO N.V. door overschrijving van de akte d.d. 10 mei 2011, pas op 11 mei 2011 de eigendom van perceel A heeft verkregen. De beslaglegger heeft geen rekening te houden met de beschikking.

4.2.4 De kantonrechter stelt voorop dat volgens literatuur (Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 453a) “vervreemding is door partijen bewerkstelligde overgang van een goed, waaronder begrepen elke vorm van levering, vereist voor overdracht.” De kantonrechter maakt zich deze uitleg eigen. Dit brengt met zich mee dat in casu sprake is van vervreemding, nu er levering bij akte heeft plaatsgevonden, weshalve artikel 378 lid 4 Rv van toepassing is. Het gevolg hiervan is dat de overdracht door CLICO S.A. aan CLICO N.V. niet mag worden tegengeworpen aan ASSURIA N.V., hetgeen wil zeggen dat CLICO N.V. thans wel eigenaar kan zijn van perceel A tegenover derden, doch is CLICO S.A. voor ASSURIA N.V., als beslaglegger, nog steeds de eigenaar van perceel A. De overdracht bij akte d.d. 10 mei 2011, is derhalve nietig tegenover ASSURIA N.V.. CLICO N.V. kan zich daarom niet met succes beroepen op haar eigendomsrecht tegenover ASSURIA N.V., nu CLICO N.V. op de hoogte was van zowel het conservatoir als het executoriaal beslag. Het beroep van ASSURIA N.V. op artikel 378 lid 4 Rv is daarom succesvol, weshalve de vordering van CLICO N.V. in conventie als ongegrond zal worden afgewezen.

4.3 Nu de vordering van CLICO N.V. in conventie als ongegrond zal worden afgewezen, zal de kantonrechter de bespreking van de overige stellingen en weren als niet terzake doende buiten beschouwing laten.

4.4 CLICO N.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ASSURIA N.V. en CLICO S.A. gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

In reconventie
4.5 De kantonrechter overweegt dat het onrechtmatig handelen van CLICO N.V. vaststaat, nu zij wist althans behoorde te weten dat zij pas het eigendomsrecht op perceel A had verkregen door overschrijving van de akte van overdracht d.d. 10 mei 2011 in de daartoe bestemde registers op 11 mei 2011, en dat de beslagen gelegd door ASSURIA N.V. reeds voor de overdracht op perceel A waren gelegd, weshalve CLICO N.V. niet te goeder trouw is in haar opvordering van eigendom. Nu de aangekondigde openbare verkoop van perceel A op 30 juni 2011 door de instelling van de vordering in conventie op 09 juni 2011 is geschorst, waarna deze vordering is afgewezen, is CLICO N.V. schadeplichtig jegens ASSURIA N.V. ingevolge artikel 424 Rv, en wel voor de opnieuw te maken executie kosten zoals gevorderd onder II van het petitum in reconventie, alsook nadere schade, kosten en interessen, indien daartoe gronden bestaan.

4.6 Met betrekking tot de nadere schade stelt ASSURIA N.V. dat zij renteverlies heeft geleden en nog steeds lijdt aangezien zij het aan haar verschuldigde bedrag van USD 283,800.00, had kunnen uitzetten en/of beleggen bij derden tegen een rentevoet van tenminste 12% per jaar. Nu ASSURIA N.V. nog steeds niet kan beschikken over de sinds 08 april 2009 aan haar verschuldigde bedrag, lijdt zij per 01 juni 2011 terzake al een schade van USD 68,016.00.De verdere schade zal nog nader bij staat vastgesteld moeten worden, aangezien de verdere schade afhangt van de duur van de onderhavige procedure en de opnieuw te maken executiekosten.

4.7 CLICO N.V. voert met betrekking tot het niet kunnen beschikken van het aan haar verschuldigd bedrag, aan dat ASSURIA N.V. dat aan zichzelf te wijten heeft, daar CLICO N.V. herhaaldelijk aan ASSURIA N.V. betaling heeft aangeboden overeenkomstig het door de kantonrechter in een andere procedure gehomologeerd doorstartplan. Indien dit aanbod was geaccepteerd, zoals overige schuldeisers c.q. polishouders hebben gedaan, had ASSURIA N.V. reeds in 2010 50% van het aan haar verschuldigde bedrag ontvangen, terwijl het resterend bedrag en de rente geheel volgens het homologatieplan zou zijn verlopen.

4.8 ASSURIA N.V. voert hiertegen aan dat zij reeds conservatoir beslag had doen leggen op perceel A alvorens de kantonrechter bij vonnis d.d. 29 oktober 2010 de homologatie van het doorstartplan had goedgekeurd.

4.9 De kantonrechter overweegt dat ASSURIA N.V. in alle redelijkheid het niet ter beschikking stellen van het aan haar verschuldigde bedrag ad USD 283,800.00, niet aan CLICO N.V. kan tegenwerpen, nu ASSURIA N.V. geen vordering heeft op CLICO N.V., doch op CLICO S.A., zoals zij zelf heeft gesteld en hetgeen ook blijkt uit de gelegde beslagen. De gevorderde nadere schade als gevolg van renteverlies zoals gevorderd onder I van het petitum zal daarom als ongegrond worden afgewezen.

4.10 ASSURIA N.V. zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van CLICO N.V. en CLICO S.A. gevallen, zoals ander begroot in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

In conventie
5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt CLICO N.V. in de proceskosten aan de zijde van ASSURIA N.V. en CLICO S.A. gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.3 Veroordeelt CLICO N.V. aan ASSURIA N.V. te betalen de opnieuw te maken executiekosten tot verhaal van haar vordering ad USD 283,800.000 (tweehonderd drie en tachtigduizend achthonderd Amerikaanse Dollar) op CLICO S.A. en de (verdere) schade terzake voorschreven nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

5.4 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt ASSURIA N.V. in de proceskosten aan de zijde van CLICO N.V. en CLICO S.A. gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

5.5. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en reconventie
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van dinsdag 13 januari 2015, uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. D.G.W. Karamat Ali, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. L. van Bossé w.g. S.S. Nanhoe-Gangadin
w.g. D.G.W. Karamat Ali

SRU-K1-1997-5

A.R. no.971079.
KANTONRECHTER EERSTE KANTON
Vonnis in Kort Geding, 3 juli 1997

[eiser], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E. Naarendorp, advokaat, eiser in kort geding, tegen

a. [gedaagde sub a], weduwe van [naam];
b. [gedaagde sub b],
c. [gedaagde sub c],
d. [gedaagde sub d],
e. [gedaagde sub e],
f. [gedaagde sub f],
g. [gedaagde sub g],
h. [gedaagde sub h],
i. [gedaagde sub i],
j. [gedaagde sub j], allen wonende te [adres 2] te [stad], [Land], gedaagden in kort geding.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer laatste als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in KORT GEDING uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren en dagen:

Eiser toestemming zal worden verleend c.q. zal worden gemachtigd zelf de juridische levering van ”het perceelland, met de daarop staande gebouwen, groot driehonderdentien, driehonderd vijfentachtig/honderste vierkante meters, gelegen te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3], bekend als Wijk [nummer], middels het doen overschrijven van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 5 december 1995, AR. no. 4350, in de daartoe bestemde openbare registers.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de eiser op aan zijn vordering ten grondslag gelegde als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren en dagen, hem-eiser toestemming te verlenen c.q. te machtigen zelf de juridische levering van het perceelland, met de daarop staande gebouwen, groot driehonderdentien, driehonderd vijfentachtig/honderste vierkante meters, gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3], bekend als Wijk [nummer], middels het doen overschrijven van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 5 december 1995, A.R. no. 4350, in de daartoe bestemde openbare registers te bewerkstelligen. Overwegende, dat opgemerkt zij, dat de Wet deze mogelijkheid tot vervanging niet noemt, doch zij verbiedt die ook niet, terwijl Wij in de artikelen 382 K en 1201 BW een analoge toepassing van deze vervangingsmogelijkheid gelegen achten;

Overwegende, dat door de eiser is overgelegd een op tegenspraak gewezen vonnis van 5 december 1995 (A.R. no. 87/4350), tussen partijen gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waarbij gedaagden op grond van een tussen partijen gesloten koopovereenkomst, met betrekking tot het litigieuze perceelland veroordeeld zijn binnen l (EEN) maand na de betekening van dit vonnis ten overstaan van notaris Mr. C. A. Calor, mede te werken aan de juridische overdracht van dat perceelland tegen betaling van de som van f 28.000,–;

Overwegende, dat de onderhavige vordering tot machtiging van de eiser om, zoals Wij die opvatten, bij gebreke van de wilsverklaring van gedaagden deze in de transportakte te doen vervangen door dat vonnis van 5 december 1995, met bepaling dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor de eigendom van het onderwerpelijk perceelland op de eiser zal overgaan, mitsdien toewijsbaar is als in het dictum te melden;

Overwegende immers, dat de gewone rechter, naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, eisers vordering ook zou toewijzen;

Overwegende, dat eisers vordering Ons in zoverre noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Machtigen de eiser om, indien de gedaagden in gebreke mochten blijven te verschijnen ten kantore van notaris Mr. CA. Calor voor het transport van het perceelland, met de daarop staan de gebouwen, groot 310,385 m2, gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3], bekend als Wijk [nummer], of verschenen zijnde mochten weigeren aan A bedoeld transport mede te werken, een en ander overeenkomstig het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 december 1995 tussen partijen gewezen, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van gedaagden;

Bepalen, dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor de eigendom van genoemd perceelland op de eiser zal overgaan.

SRU-K1-2017-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-5244
12 januari 2017

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],
wonende in [district 1],
eiseres,
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, M.N. HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- EN BOSBEHEER,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 oktober 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op03 november 2016;
– de conclusie van antwoord d.d.24 november 2016;
– de conclusie van repliek d.d. 01 december 2016, met productie;
– de conclusie van dupliek d.d. 08 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres en haar inmiddels overleden echtgenoot zijn de rechthebbenden van “het erfpachtsrecht ter uitoefening van de landbouw voor de duur van 40 jaren op “het erfpachtsrecht ter uitoefening van de landbouw voor de duur van 40 jaren op het perceelland, groot 1.644 ha, gelegen in [district 2], ten westen van [gebied 1] en bekend als no. 54a, nader aangeduid op de kaart van de [landmeter] d.d. 26 mei 1965 met de letters EFGH

2.2 Op 15 november 2006 heeft eiseres bij verzoekschrift aan gedaagde toestemming gevraagd om het hiervoor omschreven perceelland in 8 delen te mogen afrooien en om deze in grondhuur ter bebouwing en bewoning aan een achttal in dat verzoekschrift genoemde derden uit te geven. In het bedoelde verzoekschrift heeft eiseres het volgende vermeld:

“(…)
Dat aan haar bij beschikking d.d. 17 juli 1965 [nummer], in Erfpacht is afgestaan, het perceelland, groot 1,6440 ha, gelegen in het [district 1], ten westen van [gebied 2] (voorheen [gebied 1]) en bekend als No. 54a.

Dat voormeld Erfpachtsrecht op 17 juli 2005 is komen te vervallen.

Dat zij op voormeld perceel woont en het steeds heeft onderhouden.

Dat zij U thans vanwege haar hoge leeftijd hierbij nadert met het beleefd verzoek om voormeld perceel land in 8 (acht) delen te mogen verdelen en op naam van haar kinderen wenst te stellen ter BEBOUWING en BEWONING in GRONDHUUR (…)”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

– gedaagde te veroordelen om binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, een besluit te nemen op het verzoekschrift d.d.15 november 2006, en wel onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft of nalaat uitvoering te geven aan dit vonnis.

3.2 Eiseres legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan haar vordering het volgende ten grondslag: gedaagde handelt in strijd met de Wet Uitgifte Domeingronden (hierna afgekort WUG) door niet binnen een redelijke termijn te beslissen op het door haar ingediend verzoekschrift. Dit, ondanks het feit zij gedaagde ter zake heeft aangemaand.

Als spoedeisend belang stelt eiseres dat zij thans 74 jaar oud is en recht en belang bij heeft om binnen redelijke termijn van gedaagde te vernemen welk besluit zij ten aanzien van haar verzoek heeft genomen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert als formeel verweer dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar gevorderde, omdat hetgeen eiseres vordert een definitief karakter heeft en toewijzing hiervan indruist tegen de aard van het kortgeding.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat gedaagde uit van een onjuist standpunt. Hetgeen eiseres vordert, houdt niets anders in dan dat gedaagde binnen een bepaalde termijn beslist op het door haar ingediende verzoekschrift. Het gevorderde zou een definitief karakter dragen, indien eiseres in het gevorderde zou opnemen welk besluit gedaagde ten aanzien van het door haar ingediende verzoekschrift zou moeten nemen. Daarom wordt het verweer van gedaagde verworpen.

4.2 Vervolgens voert gedaagde als verweer dat de kantonrechter vanwege het beginsel van Trias Politica niet bevoegd is om op de stoel van de uitvoerende macht te gaan zitten. Ook dit verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Zoals reeds hiervoor onder 4.1 is overwogen heeft eiseres niet gevorderd welk besluit gedaagde ten aanzien van het door eiseres ingediende verzoekschrift zou moeten nemen en de kantonrechter daardoor dus niet op de stoel van de uitvoerende macht gaat zitten. Om die reden wordt dan ook dit verweer verworpen. In dat licht brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat ingevolge artikel 158 lid 1 van de Grondwet een ieder recht heeft om door de organen van de overheidsadministratie geïnformeerd te worden over de voortgang in de behandeling van zaken waar hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissingen, met betrekking tot hem genomen. Blijft de overheidsadministratie hierin in gebreke, dan mag iedere belanghebbende zich ter zake tot de rechter wenden.

4.3 Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisend belang van eiseres wel aannemelijk is. Het enkel opwerpen door gedaagde dat eiseres pas na tien jaren na de indiening van haar aanvraag gedaagde heeft aangemaand om haar schriftelijk in kennis te stellen als door gedaagde toestemming is verleend voor het afrooien en de uitgifte c.q. de overdracht van het betreffende perceelland acht de kantonrechter niet voldoende om het spoedeisend belang te weerspreken. Dit, temeer daar ingevolge artikel 5 WUG op gedaagde de plicht rust om iedere aanvrager van domeingrond binnen zes maanden nadat zijn aanvraag bij het Ministerie is binnengekomen per brief te berichten van de ontvangst van zijn aanvraag met vermelding van de termijn waarbinnen mogelijk een eindbeslissing op het verzoek zal worden gegeven, en gedaagde deze wettelijke plicht heeft verzaakt.

4.4 Tot slot werpt gedaagde op dat hij in voldoende mate naar redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld, omdat het verzoek van eiseres momenteel in behandeling is.Hij kan nog geen besluit nemen omdat de adviserende instanties nog advies aan hem moeten uitbrengen.

De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Uit het indieningsstrookje dat als productie ten processe is overgelegd en welke productie niet van valsheid is beticht, blijkt dat eiseres het verzoekschrift d.d. 15 november 2006 op 17 november 2006 bij gedaagde heeft ingediend en gedaagde tot op heden, dan wel na bijkans 10 jaren, nog geen besluit op het verzoekschrift van eiseres heeft genomen.

Gedaagde heeft in haar verweer geen inzicht aan de kantonrechter verschaft binnen welke termijn bij haar ingediende verzoekschriften in behandeling worden genomen, binnen welke termijn de adviserende instanties worden ingeschakeld voor het uitbrengen van advies, binnen welke termijn deze instanties advies ter zake aan hem uitbrengen en binnen welke termijn hij een besluit op ingediende verzoekschriften neemt nadat advies aan hem is uitgebracht. Evenmin heeft gedaagde gesteld op welke datum of in welk jaar hij het verzoekschrift van eiseres in behandeling heeft genomen en gedurende welke periode hij de adviserende instanties heeft benaderd tot het doen uitbrengen van advies ter zake het verzoek van eiseres.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen en mede op grond van het feit dat de kantonrechter het niet redelijk en billijk acht dat gedaagde na bijkans 10 jaren nog geen besluit heeft genomen op het verzoekschrift van eiseres en iedere belanghebben hoort te weten waar hij/zij aan toe is, zal het door eiseres gevorderde worden toegewezen met dien verstande dat gedaagde binnen twee weken na betekening van dit vonnis op het verzoekschrift zal moeten beslissen en dat de te verbeuren dwangsommen worden beperkt tot het maximum bedrag van SRD 200.000,-.

4.6 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten omvatten tot de dag van de rechtspraak: de kosten voor oproep per exploit van de deurwaarder ad SRD 200,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing
5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een besluit te nemen op het verzoekschrift van eiseres d.d. 15 november 2006, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- (Eenduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag waarop hij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het maximumbedrag van SRD 200.000,- (Tweehonderdduizend Surinaamse Dollar) niet overschrijden.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 250,- (Tweehonderd en Vijftig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 12 januari 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.