SRU-K1-2011-18

KANTONRECHTER IN KORT GEDING
A.R. no 113513
23 september 2011

VONNIS IN DE ZAAK VAN

[eiser], wonende te [district],
Gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,
Eiser in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
Hierna te noemen: “[eiser]”,

Tegen

A. DE STAAT SURINAME, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo, met name het Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu,
B. N.V. HAVENBEHEER, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
Gedaagden in kort geding,
Gedaagde sub B tevens eiser in reconventie,
Gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. A.W. van der San, advocaat,
Gemachtigden voor gedaagde sub B: mr. Dr. J.W. van Dijk-SIlos en mr. H. Lowe, advocaten,
Hierna te noemen: “de Staat” en “Havenbeheer”

Het proces verloop:
1.1.Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • Het verzoekschrift, met producties, dat op 12 augustus 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • De conclusie tot aanvulling van eis en de toelichting daarop, genomen voor de conclusie van eis,
  • De conclusie van antwoordt zijdens de Staat,
  • De conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie zijdens Havenbeheer, met producties,
  • De conclusie van repliek jegens de Staat, met producties,
  • De conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, jegens Havenbeheer, met producties,
  • De conclusie van dupliek, zijdens de Staat, met productie,
  • De conclusie tot uitlating productie zijdens [eiser],
  • De conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, zijdens Havenbeheer,
  • De conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en reconventie
2.1. [eiser] is bij overeenkomst van 6 mei 1996 als Directeur in dienst van Havenbeheer aangesteld.

2.2. Bij schrijven van 28 maart 2011 is aan [eiser] door de Waarnemend President-commissaris van Havenbeheer medegedeeld dat is besloten de overeenkomst met [eiser] tussentijds op te zeggen vanwege het feit dat zijn functioneren binnen het bedrijf zeer onregelmatig en wispelturig is vanwege zijn werkzaamheden als lid van de Nationale Assemblee. In het schrijven staat voorts dat het voor het bedrijf niet meer verantwoord is om te gedogen dat de werkzaamheden in de Nationale Assemblee boven de werkzaamheden bij Havenbeheer worden gesteld, gelet op de toekomstplannen van het bedrijf. Aan [eiser] is medegedeeld dat hij wordt ontlast van de werkzaamheden vooruitlopend op de toestemming van het ontslag.

2.3. Bij beschikking van 28 april 2011 is aan Havenbeheer door de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, vergunning verleend voor het ontslag van [eiser].

2.4. Bij schrijven van 24 mei 2011, afkomstig van de waarnemend President-commissaris van Havenbeheer, gericht aan [eiser], is het dienstverband met [eiser] met inachtneming van een opzegtermijn van 4 maanden opgezegd.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1. De vordering in conventie
[eiser] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
1. Het besluit van de Staat d.d. 28 april 2011 schorst, althans opschort totdat de gewone rechter daaromtrent heeft beslist;
2. Het besluit van Havenbeheer d.d. 24 mei 2011 schorst, althans opschort totdat de gewone rechter uiteindelijk zal hebben beslist;
3. Havenbeheer veroordeelt eiser alle gelegenheid te bieden zijn werkzaamheden als Commercieel Directeur van gedaagde sub A te verrichten een en ander onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per dage en voorts
4. Gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. De grondslag
[eiser] heeft de volgende zaken als grondslag aangevoerd:
t.a.v het besluit van de Staat:

  1. Dat de 1e overweging in de beschikking – n.l. dat als reden is opgegeven dat [eiser] onregelmatig en wispelturig functioneert binnen het bedrijf als gevolg van de werkzaamheden in de politiek en de Nationale Assemblee – in strijd is met de Grondwet en met het BUPO verdrag;
  2. Dat er geen personen bij de Ontslagcommissie waren die de werkgever mogen vertegenwoordigen;
  3. Dat het besluit in de AVA van 22 maart 2011 heel andere redenen bevat;
  4. Dat er nooit eerder klachten waren en hij nooit is aangesproken over tekortkomingen;
  5. Dat zijn werkzaamheden als parlementariër nimmer een rol hebben gespeeld bij het functioneren bij Havenbeheer;
  6. Dat de uitspraak in de 10e overweging geen uitspraak van de Hoge Raad betreft;
  7. Dat vanwege de vorengenoemde punten het besluit van de Staat nietig of vernietigbaar is omdat het in strijd is met de Grondwet en met het BUPO verdrag;

t.a.v. het besluit van Havenbeheer:

  1. Dat op Havenbeheer ingevolge de wet de plicht rust om al datgene te doen en na te laten, wat een goed werkgever in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten;
  2. Dat het besluit een kenbare motivering moet hebben die op feitelijke juiste gronden rust, hetgeen niet het geval is in casu;
  3. Dat gewijzigde beleidsinzichten geen reden tot ontslag zijn;
  4. Dat [eiser] niet de gelegenheid heeft gehad om zich tegen de verwijten te weren en dat daarmee het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden;
  5. Dat Havenbeheer bij onvoldoende uitvoering van werk of wangedrag [eiser] eerst had moeten waarschuwen en niet gelijk de uiterste maatregel had moeten treffen, hetgeen in strijd is met de waarschuwingsplicht;
  6. Dat het treffen van de uiterste disciplinaire maatregel ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel;
  7. Dat er gehandeld is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

[eiser] voert voorts aan dat hij door de besluiten schade zal lijden, met name zal hij inkomsten derven vanaf 1 oktober 2011 wanneer het ontslag ingaat.

De vordering in reconventie
Havenbeheer vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [eiser] veroordeelt tot afgifte van de hierna genoemde goederen aan Havenbeheer binnen 1×24 uur na uitspraak: een laptop van het HP DV 4-2145 DZ; een laptop van het HP PZ 8934A#ABA; een set kantoorsleutels; een motorvoertuig van het merk Nissan X-Trail 4 WD-X-GradeQR 250, met [kentekennummer]; een dienstwapen, merk Browning (78U 47073) en 9 stuks 7,65 mm patronne;
  2. [eiser] veroordeelt tot een dwangsom van SRD. 10.000,= per dag voor elke dag dat hij nalatig blijft te voldoen aan hetgeen gevorderd is onder 1 en voorts
  3. [eiser] veroordeelt in de kosten van dit geding.

De grondslag
Havenbeheer voert als grondslag voor het gevorderde aan de goederen, die [eiser] onder zich had vanwege zijn functie thans, in verband met zijn ontslag, teruggegeven moeten worden aan Havenbeheer, die de eigenaar is van de goederen. [eiser] weigert echter ondanks het verzoek van Havenbeheer om de goederen af te geven. Door deze weigering maakt [eiser] inbreuk op het eigendomsrecht van Havenbeheer.

4. Het verweer
De Staat heeft verweer gevoerd. Ook Havenbeheer heeft verweer gevoerd in conventie, evenals [eiser], die verweer heeft gevoerd in reconventie. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terug.

5. De beoordeling
In conventie
5.1. Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

5.2. De Staat heeft onder andere het volgende verweer gevoerd:

  1. Dat de door [eiser] genoemde artikelen uit de Grondwet en het Bupo verdrag in casu niet aan de orde zijn, immers betreft het hier een arbeidsovereenkomst waarbij de werkgever van mening was dat de werknemer onregelmatig functioneert binnen het bedrijf als gevolg van werkzaamheden in de politiek;
  2. Dat zij de opgegeven ontslagredenen conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.

5.3. Havenbeheer heeft onder andere het volgende verweer gevoerd:

  1. Dat de werkgever wel rechtsgeldig was vertegenwoordigd bij de behandeling van de ontslag vergunningsaanvraag;
  2. Dat de beschikking van de ontslagcommissie wel rechtsgeldig is en dat de opgesomde gronden betreffende de Grondwetsartikelen en het Bupoverdrag in casu niet opgaan;
  3. Dat er wel een reden voor het ontslag is en dat zijn schaarse aanwezigheid op het werk de bedrijfsvoering zwaar bemoeilijkt, hetgeen niet langer geaccepteerd kan worden;
  4. Dat [eiser] nergens heeft aangegeven waarom het ontslag onrechtmatig is, dat de onrechtmatigheid slechts een blote bewering is;
  5. Dat er geen gronden zijn aangevoerd die tot nietigheid van het ontslagbesluit zouden moeten leiden.

5.4. Ten aanzien van het verweer van de Staat dat de Grondwetsartikelen en de Verdragsartikelen niet aan de orde zijn overweegt de kantonrechter dat, gelijk de Staat aanvoert, in casu niet aan de orde is dat [eiser] wordt beperkt in zijn rechten om politieke activiteiten te ontplooien, doch dat aan [eiser] wordt verweten dat hij die politieke activiteiten ontplooit in de tijd dat hij werkzaamheden voor de werkgever zou moeten verrichten ingevolge de arbeidsovereenkomst.

5.5. De kantonrechter overweegt dat [eiser] aanhaalt artikelen 8 GW, 26 GW, 27 lid 1b GW en 28 GW. Deze artikelen handelen over respectievelijk “het recht om niet gediscrimineerd te worden op grond van politieke overtuiging”, “het recht op werk”, “de plicht van de Staat om te waarborgen dat iemand niet zonder gegronde redenen of op grond van politieke overtuiging wordt ontslagen” en “het recht van werknemers op het verrichten van hun taak ongeacht hun politieke overtuiging”. Ook heeft [eiser] aangehaald artikel 26 van het Bupo verdrag betreffende “het verbod tot discriminatie op grond van – onder andere- politieke overtuiging”.

5.6. De kantonrechter overweegt dat door de Ontslagcommissie in casu de ontslaggrond, n.l. dat [eiser] zijn functioneren binnen het bedrijf onregelmatig en wispelturig was en het niet verwachtbaar is dat deze situatie in de komende jaren zal veranderen, is onderzocht.

5.7. De kantonrechter is van oordeel dat het hanteren van een dergelijke grond voor ontslag geen inbreuk pleegt op een persoons recht om politieke vrijheid te beleven, doch slechts duidt op een onvrede vanuit de werkgever dat de werknemer niet voldoende functioneert binnen het bedrijf omdat hij onregelmatig aanwezig is.

5.8. De kantonrechter is van oordeel dat de reden van het onregelmatig en wispelturig functioneren in casu aan de orde is en niet de reden die door de werkgever is aangedragen waarom hij onregelmatig en wispelturig functioneert. Dat functioneren is naar oordeel van de kantonrechter door de Ontslagcommissie getoetst, waarna de beschikking is gegeven.

5.9. De kantonrechter acht dat eerste verweer van de Staat derhalve gegrond, namelijk dat de beschikking niet in strijd is met de Grondwet of met het Bupoverdrag. Ook het tweede verweer acht de kantonrechter gegrond, namelijk dat bij het nemen van de beslissing van de Ontslagcommissie niet strijd is gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur, immers is de grond onderzocht en is hoor en wederhoor gepleegd. Voorts is de beschikking voldoende gemotiveerd.

5.10. De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken van onwetmatigheden bij de tot standkoming van het besluit van de Ontslagcommissie, waardoor er ook geen gronden aannemelijk zijn geworden waardoor nietigheid of vernietiging van het besluit bij de bodemrechter zou kunnen worden gevorderd. Om die reden zal het onder 1 gevorderde worden afgewezen.

Het besluit van Havenbeheer

5.11. De kantonrechter overweegt dat [eiser] ook schorsing van het besluit van Havenbeheer vordert.

5.12. De kantonrechter overweegt dat, gelijk in de rechtspraak wel vaker naar voren is gekomen (vide onder andere Hof van Justitie 12 augustus 1994 GR. 13395 Gesser vs. Surinaamse Waterleiding Maatschappij en de Staat [SRU-HVJ-1994-1]) het mogelijk is dat, weliswaar de ontslagprocedure volgens de regels heeft plaatsgevonden, en het ontslag daarmee als rechtsgeldig moet worden aangemerkt, toch de bodemrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

5.13. Aan zijn vordering toT schorsing van het besluit van Havenbeheer heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het besluit in strijd is met de Grondwet en het Bupoverdrag en dat Havenbeheer de beginselen van goed werkgeverschap heeft geschonden waaronder de waarschuwingsplicht en het evenredigheidsbeginsel.

5.14. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de schending van de Grondwet en het Bupoverdrag dat daar onder punt 5.4 e.v. hierboven reeds is geoordeeld.

5.15. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de schending van de beginselen van goed werkgeverschap, dat Havenbeheer op die gronden niet heeft gereageerd waardoor die gronden aannemelijk zijn geworden. Zo beroept [eiser] zich erop dat hij nimmer door Havenbeheer is gewezen op het feit dat zijn activiteiten als parlementariër niet getolereerd kunnen worden en een dermate negatieve invloed hebben op zijn functioneren als directeur van Havenbeheer dat zij, Havenbeheer, maatregelen moeten treffen. Die waarschuwing is achterwege gebleven en [eiser] is geconfronteerd geworden met een ontslag op die grond zonder in de gelegenheid te zijn geweest zich eerder over die grond uit te laten, zich te verweren tegen standpunten van de werkgever over die grond en zonder de gelegenheid gehad te hebben eventueel zijn activiteiten als parlementariër zodanig aan te passen dat zijn functioneren als directeur daar niet meer onder zou lijden.

5.16. De kantonrechter is van oordeel dat om die reden aannemelijk is geworden dat het ontslag door Havenbeheer in strijd is met de algemene beginselen van goed werkgeverschap en derhalve als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt.

5.17. De kantonrechter overweegt dat het echter in casu op zijn plaats is het onderscheid te noemen tussen een ontslagbesluit waarbij de bodemrechter “nietigheid” kan worden gevorderd en een ontslagbesluit waarbij de bodemrechter kan worden gevorderd dat het ontslag als “kennelijk onredelijk” moet worden aangemerkt.

5.18. Bij de vordering van [eiser] is dit onderscheid noodzakelijk omdat een vordering tot “nietigheid” bij de bodemrechter andere gevolgen heeft dan een vordering betreffende “kennelijk onredelijk ontslag”. Bij een vordering tot nietigheid zal, indien die nietigheid wordt toegewezen, er sprake zijn van een situatie waarbij er uiteindelijk geen ontslag is gegeven. Het dienstverband loopt dan door. In zo een geval zou schorsing van het besluit kunnen worden gevorderd in kort geding. Bij een vordering betreffende “kennelijk onredelijk ontslag” zal ingevolge de wet, met name de artikelen 1615s en 1615t BW, gevorderd kunnen worden een schade vergoeding en/of herstel van de dienstbetrekking (vide hierboven aangehaald vonnis van het Hof van Justitie en het vonnis van de kantonrechter in die zaak onder Arno. 921788 van 6 april 1993). In lid 3 van artikel 1615t zijn de mogelijkheden opgesomd die in het bodemgeschil aan de orde kunnen komen. In zo een geval kan geen schorsing toegewezen worden in kort geding.

5.19. Doordat [eiser] vraagt om schorsing van het ontslagbesluit zal er onderzocht moeten worden of er sprake is van een besluit dat bij de bodemrechter eventueel nietig of vernietigbaar zal worden geacht. Alleen dan kan immers schorsing gelast worden.

5.20. De kantonrechter overweegt dat bij een ontslagbesluit gronden voor nietigverklaring of vernietiging van het besluit zijn:

  1. Het niet hebben van een ontslagvergunning of
  2. Het feit dat het ontslag in strijd is met een wettelijk ontslag verbod is gegeven (bijvoorbeeld tijdens ziekte gedurende een bepaalde periode).

5.21. Daar is in casu geen sprake van. In casu betreft het, zoals hierboven reeds aangegeven, gronden die zouden kunnen leiden tot een oordeel van kennelijk onredelijk ontslag.

5.22. Om die redenen zal ook geen schorsing van het besluit van Havenbeheer kunnen volgen.

5.23. De kantonrechter zal ook dit gevorderde van derhalve [eiser] afwijzen.

In reconventie
5.24. [eiser] heeft als verweer aangevoerd dat het ontslag niet rechtsgeldig is om dat de persoon die het ontslag heeft afgehandeld, de President- commissaris, niet gemachtigd was daartoe waardoor het ontslag niet rechtsgeldig is afgehandeld en er geen sprake is van ontslag. Nu er geen sprake is van ontslag, zo stelt [eiser], is er ook geen reden om de goederen af te geven.

5.25. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de grondslag van het gevorderde dat, nu in conventie is overwogen dat de besluiten van de Ontslagcommissie en Havenbeheer niet voor schorsing in aanmerking komen, het ontslag zal ingaan en het in reconventie gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd, achtende de kantonrechter de gevorderde dwangsom bovenmatig.

In conventie en reconventie
5.26. De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van de partijen niet verder bespreken en [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

6. De beslissing
In conventie
6.1.Wijst af het gevorderde;

In reconventie
6.2.Veroordeelt [eiser] om binnen twee (2) weken na betekening van dit vonnis de volgende goederen aan Havenbeheer af te geven:

  • Een laptop van het merk HP DV 4 – 2145 DX;
  • Een laptop van het merk HP PZ8934A#ABA;
  • Een set kantoorsleutels;
  • Een motorvoertuig van het merk Nissan X – Trail 4 WD – X – GradeQR 250 met [kentekennummer];
  • Een dienstwapen, merk Browning 78U 47073 en 9 stuks 7.65 mm patronen;

6.3.Veroordeelt [eiser] tot betaling van een dwangsom van SRD. 1000,= (eenduizend Surinaamse Dollar) per dag, het bedrag van SRD. 100.000,= (Eenhonderduizend Surinaamse Dollar) niet te bovengaand, voor elke dag dat hij nalaat aan de veroordeling onder 6.2. van dit vonnis te voldoen;

6.4.Verklaart dit vonnis voor wat het condemnatoir gedeelte betreft uitvoerbaar bij voorraad;

In conventie en reconventie
6.5.Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter–plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerst kanton te Paramaribo van vrijdag 23 september 2011, in tegenwoordigheid van mr. A. Sewgobind, fungerend–griffier.

SRU-K1-2018-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-4437
26 oktober 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans onder zwaar arrest in het cellenhuis verbonden aan de Brigade van de Militaire Politie,
eiser,
gemachtigden: mr. C.A.F. Meijnaar en mr. B.A. Pick, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. D.G. Duurham, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 25 oktober 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 26 oktober 2018;
  • de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 26 oktober 2018
  • de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 26 oktober 2018;
  • de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 26 oktober 2018;
  • de rolbeschikking d.d. 26 oktober 2018, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 26 oktober 2018.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 30 juli 2018 heeft eiser bij gedaagde het verzoek ingediend om aan hem met ingang van 01 september 2018 eervol ontslag uit militaire dienst te verlenen.

2.2 Op 23 oktober 2018 heeft gedaagde aan eiser de tuchtstraf van zwaar arrest opgelegd voor de duur van 15 dagen.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
I) gedaagde te gelasten eiser onmiddellijk in vrijheid te stellen, binnen een uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000,- per dag, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
II) gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt en in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt hij tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2 dat hij vanaf 01 september 2018 met ontslag is, geen militair meer is en gedaagde hem onterecht een militaire tuchtstraf heeft opgelegd. Het opleggen van de tuchtstraf is in strijd met de wet en aldus onrechtmatig.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt uit de aard van de stellingen, in het bijzonder uit de stelling dat hij vanaf 23 oktober 2018 onder zwaar arrest is.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of mag worden aangenomen dat eiser reeds met ontslag is, dan wel nog in militaire dienst is. Volgens de stelling van eiser is hij geen militair meer, omdat hij vanaf 01 september 2018 niet meer in militaire dienst is. Gedaagde daarentegen stelt zich op het standpunt dat gedaagde nog in militaire dienst is, omdat er zoals de kantonrechter gedaagde begrijpt, nog geen ontslagresolutie is waaruit dat blijkt. In dat licht heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast voor het inwinnen van inlichtingen. Dit ook, temeer daar het een feit van algemene bekendheid is dat het formaliseren van ontslagresoluties binnen het overheidsbestuur maanden kan duren.

4.3 Ter comparitie van partijen d.d. 26 oktober 2018 zijn de volgende feiten aan het licht gekomen:

  • eiser heeft zijn resterende verlofdagen opgenomen, met goedkeuring van zijn meerdere en is in aansluiting daarop per 01 september 2018 niet meer aan het werk verschenen. Eiser is ervan uitgegaan dat hij per die datum met ontslag is, omdat zulks hem zou zijn medegedeeld;
  • vanaf 01 september 2018 heeft eiser geen gebruik kunnen maken van de geneeskundige voorzieningen waarop militairen aanspraak maken;
  • vanaf 01 september 2018 ontvangt eiser geen salaris meer van gedaagde;
  • eiser heeft zijn standaarduitrusting reeds bij gedaagde ingeleverd;
  • eiser is vanaf 01 september 2018 elders werkzaam.

Deze feiten in onderling samenhang beschouwd en gelezen, maken het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat eiser met ingang van 01 september 2018 met ontslag is en sedertdien niet meer de status van militair heeft. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat gedaagde op 23 oktober 2018 onterecht de Wet Militair Tuchtrecht op eiser heeft toegepast en aldus onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld, met alle nadelige gevolgen van dien voor eiser.

4.4 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen zal de door eiser gevraagde voorziening worden toegewezen.

4.5 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 250,-.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Veroordeelt gedaagde om eiser op heden d.d. 26 oktober 2018 om uiterlijk 19.30 uur in vrijheid te stellen.

5.2 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom ad SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per uur, voor elk uur gedaagde nalaat aan de beslissing onder 5.1 te voldoen.

5.3 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 300,- (Driehonderd Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op vrijdag 26 oktober 2018 te Paramaribo, in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K2-2006-1

Kantongerecht

Parketnummer : 1-1-2820
Vonnisnummer : 370
Datum uitspraak : 21 april 2006
Raadslieden : mr. J.G.O. KOULEN en Mr. F.F.P.TRUIDEMAN

EIND – VONNIS
Van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zittinghoudende te Paramaribo, inzake de Vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte]
Geboren op [geboortedatum] te [plaats 1]
Wonende aan [adres] in [district]
van beroep Industrieel
thans in vrijheid gesteld

Het verdere onderzoek van de zaak ter terechtzitting:
In deze zaak zijn er op 12 december 2005 en 13 maart 2006 tussenvonnissen gewezen. In laatstgemeld vonnis is afwijzend beslist op de vordering van de vervolgingsambtenaar ex artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht tot splitsing van de zaken, gemakshalve te noemen [zaak 1] en [zaak 2] en de aldus gesplitste [zaak 2]terug te verwijzen naar de Rechter-Commissaris voor nadere onderzoekshandelingen op de voet van artikel 302 van het wetboek van Strafvordering en de [zaak 1] af te handelen op een nader te bepalen zittingsdag;

Het onderzoek in deze zaak is daarna voortgezet ter terechtzitting van 13 maart 2006, 27 maart en 31 maart 2006.

Ter terechtzitting van 27 maart 2006 heeft de Vervolgingsambtenaar requisitoir gehouden en ter terechtzitting van 31 maart 2006 tijdens repliek gevorderd dat de Kantonrechter haar machtigt tot het instellen van een strafrechtelijk – financieel onderzoek tegen de verdachte;

De tenlastelegging:
De Kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis d.d. 12 december 2005 bereids verwezen naar de in deze zaak tegen verdachte uitgebrachte dagvaarding. Noch met betrekking tot deze dagvaarding, noch de bevoegdheid van de Kantonrechter zijn excepties opgeworpen. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Ontvankelijkheid van de Vervolgingsambtenaar:
Uit het ten pleidooie betoogde leidt de Kantonrechter af dat de verdediging zich erop wenst te beroepen, zakelijk weergegeven, dat de Vervolgingsambtenaar niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging, vermits het Openbaar Ministerie het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play danwel enig ander beginsel van een goede strafrechtsorde heeft geschonden middels de toelating van opsporingsmethoden en technieken door Nederlandse casu quo buitenlandse opsporingsambtenaren welke in de Surinaamse rechtssfeer (het strafprocesrecht) verboden zijn casu quo niet geregeld zijn bij wet (art. 1 WvSv).

Ook indien het juist mocht zijn dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld zoals de verdediging aangeeft, dannog kan dat niet leiden tot het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van de Vervolgingsambtenaar in haar vervolging tegen deze verdachte, vermits het de Kantonrechter uit de processtukken is gebleken dat de toegepaste opsporingsmethoden en technieken door het Nederlandse onderzoeksteam hier te lande gebaseerd zijn op (klein) rechtshulpverzoeken vanuit Nederland op grond van het Rechtshulpverdrag tussen Nederland en Suriname van 1976.

De bij dergelijke rechtshulpverzoeken gehanteerde opsporingsmethoden door de verzoekende Staat in en met inachtneming van de aangezochte Staat kunnen, ook indien die niet zijn gebaseerd op de wetten van de aangezochte Staat, zoals artikel 21 van het rechtshulpverdrag 1976 voorschrijft, in beginsel niet met zich meebrengen dat vervolging van personen in de aangezochte Staat onder andere op basis van de door die methoden verkregen bewijsmiddelen, in strijd komt te verkeren met het vertrouwensbeginsel of het fair-playbeginsel danwel enige andere beginsel van een behoorlijke strafprocesorde. De omstandigheid dat de Nederlandse opsporingsambtenaren opsporingsmethoden en technieken hebben toegepast die vreemd zijn aan de Surinaamse Strafprocesorde, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de vervolgingsambtenaar daardoor ipso jure elke vervolgings recht ontzegd zou dienen te worden tegen verdachte met betrekking tot strafbare feiten die daaruit zijn gebleken en aan hem zijn telastegelegd.

Evenmin is dit het geval indien de verzoekende Staat bij het hanteren van de opsporingsmethoden in de aangezochte Staat, in strijd zou hebben gehandeld met de eigen terzake geldende wettelijke voorschriften.

Bewezenverklaring
Het verweer van de verdediging dat het bewijsmateriaal in [zaak 2], behelzende het telastgelegde onder III en IV van de dagvaarding, onrechtmatig is verkregen, omdat opsporingsmethoden zijn gehanteerd door het Nederlands Onderzoeksteam in Suriname, zonder dat het Surinaams Wetboek van Strafvordering daarin voorziet treft, naar het de Kantonrechter voorkomt, inzoverre doel, dat aldus in strijd is gehandeld met artikel 21 van gemelde Rechtshulpverdrag van 1976. Bijgevolg kan dat materiaal dat door de Vervolgingsambtenaar op haar beurt verkregen is uit een rechtshulpverzoek aan de Nederlandse justitiele autoriteiten, derhalve niet bijdragen tot het bewijs van het telastegelegde onder III en IV van de dagvaarding.

Bij gebrek aan andersoortig bewijsmateriaal terzake het onder III en IV telastegelegde alsook van bewijsmateriaal terzake het onder I telastegelegde, zal de verdachte daarvan dienen te worden vrijgesproken.

Daarentegen wordt dit verweer verworpen terzake het telastegelegde onder II van de dagvaarding, vermits via het rechtshulpverzoek verkregen telefoon-taps van de Nederlandse Justitiele autoriteiten, niet valt onder de vigeur van artikel 21 van het Rechtshulpverdrag; immers zijn deze telefoon-taps in Nederland, van Nederlandse telefoonnummers, niet verkregen en behoefden overigens ook niet verkregen te worden met rechtshulp-instemming van Surinaamse Justitiele autoriteiten, gelijk dat artikel verlangt. Dergelijk bewijsmateriaal dat officeel verkregen is uit rechtshulpverzoeken, gebaseerd op een rechtshulpverdrag, zoals in onderhavig geval, kunnen – ook indien in den vreemde toegepaste onderzoeksmethode niet in de nationale wetgeving van de verzoekende Staat geregeld is – wel dienstbaar zijn voor het bewijs op gelijke voet als alle overige bewijsmiddelen, in het bijzonder het bewijsmiddel zoals omschreven in artikel 325 lid 1 sub 5o van het Wetboek van Strafvordering.

De Kantonrechter acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd onder IIA van de dagvaarding, in dier voege dat hij:
Op 19 juni 2004 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] opzettelijk vanuit Suriname naar Nederland, althans het buitenland heeft uitgevoerd 2.977,5 (twee duizend negenhonderd zeven en zeventig en vijf tiende) gram cocaine zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 onder punt a en/of onder A van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14);
hebbende hij verdachte opzettelijk één of meer telefonische gesprekken met die [MEDEVERDACHTE 3] en [MEDEVERDACHTE 4] gevoerd over eventueel te gebruiken systemen bij het vervoer althans de uitvoer van voormelde hoeveelheid cocaïne en vervolgens die [MEDEVERDACHTE 3] en [MEDEVERDACHTE 4] en [MEDEVERDACHTE 5] voorgehouden dat bij het plaatsen van loden platen in een koffer voormelde hoeveelheid cocaïne niet ontdekt zou worden.
hebbende die [MEDEVERDACHTE 2] – nadat die [MEDEVERDACHTE 1] een koffer van vermelde loden platen had voorzien en vermelde cocaïne had geplaatst in voormelde koffer – zich begeven naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven in het district Para, met in zijn bezit voormelde koffer inhoudende ondermeer de cocaïne als voormeld, teneinde naar Nederland te vertrekken en vervolgens zich aangemeld bij de visitatie post van de douane op voormelde Luchthaven en vervolgens zich in een vliegtuig – voor vertrekkende passagiers naar Nederland begeven – en aldus opzettelijk voormelde cocaïne naar Nederland uitgevoerd.

Voorzover in het bewezenverklaarde taal en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging;

Het aan verdachte onder IIA meer of anders telastegelegde dan hiervoren als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken;

Bewijsmiddelen
De beslissing dat verdachte het bewezene heeft begaan is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat

Ten aanzien van het telastegelegde onder IIA:
De verklaring van de getuige, [GETUIGE 1], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van de periode vóór 20 juli 2004 was de persoon van [VERDACHTE] nog niet in beeld. Onder de infiltranten bevonden zich drie politie functionarissen uit Nederland . De [VERDACHTE] was eerder aangehouden in de Amsterdam-zaak. Na informatie uit Nederland ontvangen te hebben zijn wij hier met een onderzoek gestart. Het rechtshulp verzoek dateerde van februari 2005, waarbij er werd gevraagd relevante stukken op te sturen met betrekking tot de [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 2]. Op last van de Rechter-Commissaris was de verdachte eerder in vrijheid gesteld inzake de zaak waarbij [MEDEVERDACHTE 2] in Nederland was aangehouden voor ongeveer 3 kg cocaïne. De [VERDACHTE] is daarna wederom aangehouden. Ik heb de [VERDACHTE] één keer verhoord. Uit het onderzoek is gebleken dat er in een gesprek tussen [PERSOON 1] en [VERDACHTE] de volgende woorden zijn gevallen “lading en eten”. Die woorden heeft [PERSOON 1] gebezigd. [VERDACHTE] is in eerste instantie aangehouden in verband met de 2300 gram cocaïne, waarbij [MEDEVERDACHTE 2] in een loden koffer cocaïne had gesmokkeld. Wij hebben de informatie van deze uitvoer op 13 april 2005 gehad en hebben deze informatie op 20 april 2005 in het dossier geplaatst naar aanleiding waarvoor [VERDACHTE] was aangehouden voor de eerste maal. Kort voor de invrijheidstelling van de verdachte door de Officier van Justitie mr. G. PARAGSINGH, hebben wij andere informatie uit Nederland ontvangen over eerdere transporten waar [VERDACHTE] bij betrokken zou zijn. Op grond van deze nieuwe feiten is in opdracht van de Officier van Justitie mr. C. KLEIN, de verdachte [VERDACHTE] na zijn invrijheidstelling opnieuw aangehouden. De invrijheidstelling van de verdachte is alsvolgt geschied: de verdachte is naar de straat gebracht, waarbij de beschikking aan hem is uitgereikt, waarna hij ogenblikkelijk is aangehouden in verband met het overtreden van de Wet Verdovende Middelen en deelname aan een criminele organisatie.
In Suriname is het tappen van gesprekken in deze zaak niet gebeurd. In de uitvoeringsstukken staat dat landbouwprodukten als deklading zouden kunnen dienen om cocaïne te vervoeren, waarna 1 kg cocaïne aan de infltrant is getoond.

De verklaring van de getuige, [MEDEVERDACHTE 2], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voozover van belang en zakelijk weergegeven:
Met betrekking tot het strafbare feit, waarbij ik op 20 juni 2004 in Nederland ben aangehouden met 3 kg cocaïne kan ik U als volgt verklaren. De verdachte [MEDEVERDACHTE 1] ken ik van een neef van mij. [MEDEVERDACHTE 1] heeft mij de koffer met cocaïne gegeven om naar Nederland te brengen. [MEDEVERDACHTE 1] heeft mij naar een hotel op Lelydorp gebracht, van waaruit ik naar Zanderij ben vertrokken. Ik had geen werk en zat in geldnood. Vandaar dat hij mij het verzoek deed, de cocaïne naar Nederland te brengen, ik zou er 6000 Euro voor ontvangen. [MEDEVERDACHTE 1] was ook mijn paspoort komen afhalen. [MEDEVERDACHTE 1] heeft ook nog enkele kledingstukken voor me gekocht, die hij bij zich hield. [MEDEVERDACHTE 1] gaf ook nog de code van de koffer. Ik moest bij Tout Lui Faut op hem wachten, waarna wij naar Lely hills Hotel gingen. Vandaar uit is er een taxi mij komen ophalen en werd ik naar Zanderij vervoerd. Voorts kan ik verklaren dat ik niet weet door wie ik op Schiphol zou worden opgehaald.

De verklaring van [GETUIGE 2], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb in deze zaak de [MEDEVERDACHTE 1], [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 2] gehoord. Ik ben op de afdeling B.O.T. ingedeeld. De verdachte [MEDEVERDACHTE 1] ontkende alles. Hij gaf toe visum voor [MEDEVERDACHTE 2] te hebben geregeld. [MEDEVERDACHTE 1] verklaarde [VERDACHTE]te hebben leren kennen via zijn baas. De [MEDEVERDACHTE 1] is gegaan naar ene [PERSOON 2] om een werkgeversverklaring voor [MEDEVERDACHTE 2] te verkrijgen. [MEDEVERDACHTE 2] heeft mij gezegd dat hij naar Zanderij is gebracht door een taxi-chauffeur, die door [MEDEVERDACHTE 1] was gestuurd. Na [MEDEVERDACHTE 1] hiermede geconfronteerd te hebben, reageerde hij door te zeggen dat hij de mensen in Nederland goed kent.

De verklaring van [GETUIGE 3], afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2005, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was belast met de aanhouding van de [MEDEVERDACHTE 2] en het opmaken van de processen-verbaal van de verhoren van de [VERDACHTE]. Wij hebben stukken uit Nederland ontvangen, omdat de [MEDEVERDACHTE 2] in de maand februari of maart van dit jaar 3 kilogram cocaïne in een koffer met dubbele bodem had uitgevoerd. Hij vertelde dat hij benaderd was door een zekere [PERSOON 3] of [MEDEVERDACHTE 1]. Vanaf het begin had hij het over [PERSOON 3] die hem benaderd had bij Lely Hills Hotel. De verdachte heeft de persoon van [MEDEVERDACHTE 1] beschreven. Hij heeft ook door gegeven dat de persoon van [MEDEVERDACHTE 1]/[PERSOON 3] de kledingstukken voor hem heeft gekocht en een koffer met dubbele bodem.

Het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, belast met de instructie in strafzaken, opgemaakt d.d. 1 februari 2006, behelzende de ten overstaan van hem afgelegde verklaring onder ede van [MEDEVERDACHTE 4], voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ken [VERDACHTE], hij is geen familie van mij. [VERDACHTE], zoals ik [VERDACHTE] zal noemen ken ik al twee jaren tijdens mijn verblijf in Suriname. U laat mij een afbeelding zien van de persoon van [VERDACHTE] en verklaar ik U dat ik deze persoon bedoel. Ik 2003 heb ik [VERDACHTE] in Nederland ontmoet. Naar ik mij kan herinneren logeerde [VERDACHTE] in een hotel in Amsterdam en heb ik hem daar twee keer samen met mijn ex-vriend [PERSOON 1] ontmoet. Het is mij bekend dat [PERSOON 1] in 2004 in Suriname was. Ik denk dat [PERSOON 1] alleen naar Suriname is gegaan. U moet weten dat ik na beëindiging van de relatie met [PERSOON 1] de afspraak had dat wij met elkaar in contact zouden blijven. Het is juist dat wij vrijwel dagelijks telefonisch contact met elkaar hadden. [PERSOON 1] was de enige waarmee ik telefonisch contact had. Op 3 mei 2004 belt [VOORNAAM PERSOON 1] ([PERSOON 1]) mij vanuit Suriname op en geeft mij door dat [VERDACHTE] naar Nederland komt. [VERDACHTE] heeft mij wel gebeld en hield hij mij voor dat hij mij wilde ontmoeten [VERDACHTE] heeft mij ook opgebeld om te bewerkstelligen dat zijn terugreis naar Suriname werd bevestigd. Ik heb dat niet zelf gedaan, maar heb gebeld naar [PERSOON 1] in Suriname die het één en ander in orde had gemaakt. Bij [VERDACHTE] heb ik de indruk gewekt alsof ik het in orde heb gemaakt.

Het is wel juist dat ik op 20 juni 2004 op Schiphol was. In opdracht van [PERSOON 1] heb ik mijn [JONGERE BROER] gezegd dat hij ook op Schiphol aanwezig moest zijn. [JONGERE BROER] is zelf daar naartoe gegaan. Het is geen opdracht van mij geweest. Ik had niet het minste vermoeden waarom [JONGERE BROER] ook op Schiphol aanwezig moest zijn. Ik heb in één van de telefonische gesprekken met [PERSOON 1] hem gezegd om geld voor mij mee te nemen. Ik communiceerde zowel in het Hindi als Nederlands met [PERSOON 1]. Ik heb tegen [PERSOON 1] gezegd dat hij 33.000 Euro voor mij moest meenemen. De politie heeft er 3,3 van gemaakt en geassocieerd met 3 kilo cocaïne.
Het is mij bekend dat [PERSOON 1] op 20 juni 2004, nadat het vliegtuig geland was en hij buiten was gebeld heeft naar [VERDACHTE]. Ik zat in de auto en was bezig een tijdschrift te lezen. Ik heb wel het één en ander kunnen opvangen. In ving onder andere op “een koffer en lood”. Ik neem aan dat [PERSOON 1] heeft gebeld naar [VERDACHTE]. U moet weten dat [PERSOON 1] nog voor hij met [VERDACHTE] had gesproken mij het één en ander had doorgegeven. Dit gesprek heeft plaatsgevonden tijdens het rijden naar huis. [PERSOON 1] zat aan het stuur. [PERSOON 1] had mij te kennen gegeven, dat [VERDACHTE] ook met mij wilde praten. U moet zich voorstellen dat ik dingen als scannen en lood wel in de mond heb genomen, maar ik moet direct aangeven dat ik dit van [PERSOON 1] heb begrepen. Ik weet dan ook niet waarom ik dit aan [VERDACHTE] heb verteld. Ik ken de persoon van [NAAM 1], maar wist niet dat hij [MEDEVERDACHTE 1] van z’n familienaam heette. Ik weet wel dat hij in dezelfde buurt van [PERSOON 1] te [plaats 2] woont. U laat mij nog een afbeelding zien, die herken ik als [MEDEVERDACHTE 1].

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 november 2005, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb niets met de zaak te maken. Ik ken wel enkele mensen uit de dagvaarding, maar de rest ken ik niet. Ik ben erin geluisd. Dhr. [MEDEVERDACHTE 1] heb ik bij de RC leren kennen. Ik kende hem eerder niet. Ik heb hem nooit in een andere relatie gekend. [NAAM 2] ken ik van mijn borrelvrienden; hij woonde hier in Suriname. [MEDEVERDACHTE 3] ken ik van een borreltent in Suriname. Ik ken [PERSOON 4]. [NAAM 2] heb ik leren kennen in een borreltent bij [plaats 3]. We waren bijna elk weekend aan de borreltafel. Een heel enkele keer heeft hij mij gebeld vanuit het Buitenland. Ik heb ook telefonisch contact met hem gehad. Ik kan mij de inhoud van de gesprekken niet meer heugen. Ik zie hem vaker in [plaats 4]. Ik heb [NAAM 2] vaker tezamen met [PERSOON 4] ontmoet in [plaats 4]. Ik heb eens een advies gegeven omtrent het vervoeren van goud naar het Buitenland, maar ik heb niet gezegd dat er cocaïne bij moest worden gezet. [PERSOON 4] heeft mij gevraagd hoe hij het goud moest meenemen naar het Buitenland. Ik zei dat hij het in lood moest verpakken. Ik weet niet of hij mijn advies heeft gebruikt en hoe hij het heeft gebruikt. Op het eerste moment op 1 maart 2005 ben ik aangehouden samen met [PERSOON 4].

Het schriftelijk bescheid, zijnde een rapport, opgemaakt en getekend d.d. 8 juli 2004 door [gerechtelijk deskundige] te Rijswijk, Nederland, onder meer inhoudende het resultaat van het laboratorium onderzoek naar het bij [MEDEVERDACHTE 2] op 20 juni 2004 op Schiphol inbeslaggenomen materiaal.
Op 23 juni 2004 werden aanvraag en materiaal (1 monster crèmekleurige poeder) ontvangen van de Regio politie Rotterdam-Rijnmond. Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen welke vallen onder de bepalingen van de opiumwet. Het onderzoeksresultaat: het monster bevat cocaïne.

Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, d.d. 17 maart 2005 door de [Brigadier van politie], onder meer inhoudende de op 17 maart 2005 ten overstaan van hem verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte – zakelijk weergegeven -:
Ik heb inderdaad meerdere gesprekken met [PERSOON 1] en [NAAM 3] vanuit Suriname gevoerd, maar ik heb nimmer over drugs met hun gesproken. Toendertijd had [PERSOON 1] mij, omdat ik technisch goed aangelegd ben, wel gevraagd hoe hij goud kon vervoeren, zonder dat men het kon zien. Ik had hem toen voorgehouden, dat wanneer hij het goud in lood verwerkt althans bewaart, dan kan dit niet door anderen worden ontdekt. [PERSOON 1] had mij wel gezegd, dat hij het goud vanuit Suriname naar Nederland zou vervoeren. Ik had [PERSOON 1] alleen een advies gegeven hoe hij goud op een veilige manier kon vervoeren. Ik had inderdaad over een bedrag van drie miljoen met [PERSOON 1] gesproken. Dit was als beloning voor mijn advies. Het ging in deze om Surinaams bedrag (drie miljoen Surinaamse gulden van toen, geen Surinaamse dollar). [PERSOON 1] zou goud uitvoeren, hetgeen een grote waarde heeft en neem ik aan, dat hij op die gronden bereid was om te betalen.

Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, d.d. 14 april 2005 door de [Brigadier van politie], onder meer inhoudende de op 14 april 2005 ten overstaan van hem verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte – zakelijk weergegeven -:
De tapgesprekken, die ik thans heb mogen afluisteren, zijn inderdaad op 20 juni 2004 door mij met [PERSOON 1] en [NAAM 3] gevoerd. Ik werd op bedoelde dag door [PERSOON 1] gebeld en heb ik toen inderdaad een gesprek met hun gehad. Bij het afluisteren heb ik mijn stem duidelijk herkend, dat ik in gesprek was met [PERSOON 1] en [NAAM 3]. [PERSOON 1] had mij op het [telefoonnummer 1] gebeld. Het kan ook zijn, dat hij mij op kantoor had gebeld. Het nummer daarvan is [telefoonnummer 2].

Het schriftelijk bescheid, opgemaakt d.d. 21 juni 2004, door [hoofdagent van politie], werkzaam bij de dienst Nationale Recherche, unit Randstad-Zuid, ondermeer inhoudende het telefoongesprek gevoerd tussen [PERSOON 1] (R) en [VERDACHTE] (NAAM VERDACHTE VARIANT(S)), zakelijk weergegeven:
S: Hallo
R: Hallo
S: ja, met [NAAM VERDACHTE VARIANT]
R: ja, [PERSOON 1], hoe is het
S: he hoe is het
R: ja rustig
S: Ben je goed aangekomen?
R: ja maar, eeh lastig hoor
S: Hoe is het
R: Lastig
S: Maak geen grap
R: Ja geen kans op “dat systeem”. Neen, we hebben geprobeerd maar geen kans. Geen ene kans
R: he?
S: Echt, echte tori?
R: ja man, lastig lastig, “die mannen zijn wreedaardig scherp”
R: ja man, wreed, wreed, wreed, die mannen eeeeehhhh
S: Ik zat op jouw telefoontje te wachten
R: ja, ik ben net in Den Haag aangekomen maar ik dacht laat me je even bellen, maar eeehh, neen!
S: ik dacht dat je mij een goed bericht zou geven
R: ja dat hoopte ik ook, maar lastig, lastig
S: Hoe? Ik kan het niet begrijpen
R: Gewoon, die mannen zien “die tori”
S: Maak geen grap
R: ja, gelijk want ik stond eh achter die eehhman eeehhh vier, vijf mannen achter die man en dan check ik “die hele tori” eigenlijk en dan zie ik live hoe het gebeurd, joh!
S: Maak geen grap
R: ja dan eeeh een van die mannen die daar achter de machine zit eeeh die heeft gelijk een paar van die mannen geroepen dan eeeh zijn ze die man gaan checken dan hebben die mannen gechecht en toen hebben ze alles uit die eh eh dingen he? En dan eeeh een van die jongens eeeh zei eh ja maar ik zie niets maar toen zijn er twee aan komen lopen en toen hebben ze “de tobbe” gelicht (koffer) en toen vonden ze dat er nog “dingen” in waren ja joh erg lastig en toen hebben die mannen eeehhh dan eeh op een gegeven moment ben ik weggelopen weet je niet dan eeeh even buiten gewacht maar die man is niet meer naar buiten gekomen
S: hmmm
R: Lastig! Op dat “systeem” is er geen kans, helemaal niet
S: Neen he?
R: neen, neen, helemaal niet, die mannen zijn wreeddadig scherp, wreed
S: Je maakt een grap
R: Ja, daar is er geen kans. Ik had wel een kleine hoop maar eeeh zo te zien
S: Je hebt mijn spirit helemaal gebroken dus nu hang ik aan alle beide kanten (kan ik niets)
R: Ik ook. Ik ben nu alleen maar aan het denken. Hoe en wat. Lastig man!
S: Dus die anderen….
R: Ja
S: Hallo
R: Ja klem, klem
S: Shit man!
R: ja oh jongen. Maar daar is er geen kans hoor
S: Neen he?
R: Neen helemaal niet
S: Hoe werkt het systeem?
R: He?
S: werkt het systeem zo gevaarlijk?(goed)
R: Ja zo gevaarlijk ja, geen enkel kans is er, daar
Voor niemenad, niemand, [VERDACHTE]!

([NAAM 3] zegt op de achtergrond: en zeg tegen hem dat er een scan apparaat komt)

R: Eeh eh het enige is eh die mensen die eeeh eh je weet toch, die mensen (de mannen) “die eten”

(De stem van [NAAM 3] is hoorbaar op de achtergrond. Ze zegt: Neen vanaf maandag niet meer. Ze hebben een rontgenapparaat).

R: Vanaf morgen hoor ik niet meer. Dan gaan ze een body eeeh ([NAAM 3] zegt: scan)
S: Oh ja
R: ja

Vervolgens komt [NAAM 3] aan de lijn en voert een gesprek met [NAAM VERDACHTE VARIANT]. Ze noemt hem trouwens [VERDACHTE]
SH: Ze hebben het gescant en als ze het hebben gescant dan hebben ze het gezien toch?

Toch [PERSOON 1]?
([PERSOON 1] zegt: Ja ze hebben iets opvallends gezien)
SH: maar je zei dat je het met lood gedaan hebt
([PERSOON 1]: ja maar het helpt niets)
SH: Maar hebben ze die lood …misschien…Maar die lood is metaal toch?
Lood is geen metaal? Neen
Maar [VERDACHTE] ze zijn lastig.
S: Ik weet wat er gebeurd is. Neen eh je gaat iets zwarts zien wat niet normaal is begrijp je wat ik bedoel
SH: ja precies. Misschien hebben ze toch ja kijk dat ding gaat dwars door de hele bodem en ja jeetje het zal herkend zijn toch ja maar ja we hebben het nu geprobeerd dan weet je het he
S: Tuurlijk niet geprobeerd is altijd mis
S: Volgende week eh niet woensdag, na woensdag eeeeh wacht daar nog even
R: Oke is goed 100?
S: Drie miljoen

Het schriftelijk bescheid, opgemaakt d.d. 22 juni 2004, door [inspecteur] en [hoofdagent van politie], werkzaam bij de Dienst Nationale Recherche, unit Randstad-Zuid en thans deeluitmakend van het project “[naam zaak]”, ondermeer inhoudende de overname inbeslaggenomen goederen Koninklijke Marechaussee, zakelijk weergegeven:
Op 22 juni 2004 werden door ons, uit handen van [wachtmeester der Koninklijke Marechaussee], de volgende inbeslaggenomen goederen overgneomen:

  • Een hardschalige kunststofkoffer van het merk CARLTON, kleur donderblauw
  • Een doos met een hoeveelheid, vermoedelijk cocaïne, met een nettogewicht van 2.977,5 gram en verpakkingsmateriaal.

De Kantonrechter tekent hierbij aan dat de ontkenning van de verdachte – bekeken tegen de achtergrond van de in hierboven gebezigde bewijsmiddelen afgelegde verklaringen van de getuigen – niet anders moet worden beschouwd dan een poging zijnerzijds om de waarheid te bemantelen.

Strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Het medeplegen van opzettelijke overtreding van het bepaalde in artikel 3 lid 1 sub a onder A van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998 no. 14); voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 1 van genoemde Wet juncto artikel 72 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit: De verdachte is dus strafbaar

Motivering van de Sanctie
De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat de verdachte terzake het telastegelegde onder IIA zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren, onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van SRD 4000 (VIER DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR), subsidiar 12 (twaalf) maanden hechtenis;

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de kantonrechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder die is begaan, alsmede de persoon van de verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder heeft de kantonrechter het navolgende in aanmerking genomen: Verdachte heeft een vooraanstaande rol vervuld bij de uitvoer van ongeveer 3 kg cocaïne, welke aan hem toebehoorde, vanuit Suriname naar Nederland. Deze uitvoer betrof een van experimentele aard met loden platen in een koffer met een dubbele bodem. Daarbij is niet geschroomd de vrijheid en het leven van een in financiele nood verkerende drugskoerier op het spel te zetten en wel door tussenkomst van zijn “rechterarm”, de [MEDEVERDACHTE 1].
De uitgevoerde hoeveelheid cocaïne was van dien aard dat het niet anders kon of het was bestemd om in Nederland in de vrije handel te brengen en aldus de gezondheid van vele personen/gebruikers (verder) te schaden, met alle gevolgen van dien voor die personen, hun familie en de samenleving; dit tegenover simpele financiele gewin aan de zijde van de verdachte.

Voor deze categorie van de Verdovende Middelen wet-overtreders, past geen andere sanctie dan een vrijheidsbenemende van langere duur gecumuleerd met een geldboete. De kantonrechter ziet derhalve aanleiding de strafeis van de Vervolgingsambtenaar volledig over te nemen.

Strafrechtelijk – Financieel Onderzoek
De Vervolgingsambtenaar heeft ter terechtzitting d.d. 31 maart 2006 gevorderd haar te machtigen tot het instellen van een strafrechtelijk – financieel onderzoek tegen verdachte, vermits verdachte uit de door de Vervolgingsambtenaar aangehaalde strafbare feiten, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, welke hem ontnomen dient te worden.

Anders dan de verdediging betoogt, hoeft de vordering tot machtiging op grond van artikel 344 a WVSV ter instelling van het strafrechtelijk – financieel onderzoek niet betekend te worden aan de verdachte in tegenstelling tot de vordering tot instelling van dat onderzoek zelf op grond van artikel 221 a WVSV.

De vordering tot machtiging zal, naar het de kantonrechter voorkomt op de voet van artikel 297 WVSV, echter niet eerst na requisitoir, zoals in onderhavig geval bij repliek, kunnen plaatsvinden, vermits de aard van die vordering niet een is die los gezien kan worden van de hoofdvordering, doch als sequeel daarvan beschouwd dient te worden en het systeem van strafvordering die ruimte niet uitdrukkelijk heeft gecreëerd. Die vordering beoogt uiteindelijk een strafrechtelijke maatregel (ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel) af te dwingen al dan niet op een later tijdstip dan waarop de hoofdvordering is afgehandeld en zal aldus uiterlijk bij het requisitoir voorgesteld moeten worden op straffe van verval van dat vorderingsrecht.

De toepasselijke Wettelijke Voorschriften
De op te leggen straffen zijn behalve op de reeds aangehaalde bepalingen, mede gegrond op de artikelen 9, 11, 40 en 44 van het Wetboek van Strafrecht.

De Beslissing
De kantonrechter in het Tweede Kanton:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder IIA van de dagvaarding is telastegelegd, zoals hiervoren bewezen is verklaard;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder I, III en IV van de dagvaarding is telastegelegd en onder IIA meer of anders is telastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart zowel het bewezene als de verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2006 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

 

 

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-K1-2003-6

Kantonrechter Eerste Kanton
26 augustus 2003, A.R. 985054
(mr. J.R. Von Niesewand)

  1. [eiser sub 1], wonende in [district 1];
  2. [eiser sub 2], wonende in [district 1];
  3. [eiser sub 3], wonende in [district 1];
  4. [eiseres sub 4], wonende in [district 1];
  5. [eiser sub 5], wonende in [district 1];
  6. [eiser sub 6], wonende in [district 1];
  7. [eiser sub 7], wonende in [district 1];
  8. [eiser sub 8], wonende in [district 1];

Gemachtigde: Mr. J. Van Dijk-Silos, advokaat, voor de eisers sub 3, 4 en 6 en Mr. I.S. Asarfi-Lalji voor de eiser sub 5;
Eiser sub 1, 2, 7 en 8 hebben hun vorderingen tegen de gedaagden ingetrokken; eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie in Kort Geding,

tegen

a. De Staat Suriname met name Het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te haren parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo; gemachtigde: Mr. J. Kraag, advokaat;
b. [gedaagde sub b], wonende in [district 1] te [adres 1];
c. [gedaagde sub c], wonende te [district 2] aan [adres 2]; gemachtigde: I.D. Kanhai, advokaat;
d. [gedaagde sub d], wonende te [district 2] aan [adres 3]; gemachtigde: Mr. T.S. Sewdien, advokaat;
e. [gedaagde sub e], wonende in [district 1] aan [adres 4]; gemachtigde: Mr. J. Ferdinand, advokaat;
f. [gedaagde sub f], wonende te [district 2] aan [adres 5]; gemachtigde: Mr. J. Nannan Panday, advokaat;
g. [gedaagde sub g], wonende te [district 2] aan [adres 6]; gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advokaat;

gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie in Kort Geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek Suriname het navolgend vonnis in kort geding uitgesproken:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald afschriften d.d. 9 april 2002, 21 februari 2003, 11 maart 2003, 11 april 2003 en 20 mei 2003, tussen partijen in deze zaak gewezen vonnissen, alsmede proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 23 mei 2003;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat wij hier overnemen, hetgeen daaromtrent in voormelde vonnissen is overwogen;
Overwegende, dat bij de door Ons bevolen comparitie van partijen zijn verschenen, eiser sub 4, mr. J. Van Dijk-Silos, mr. I.S. Asarfi-Lalji en mr. K. Olf namens gedaagde sub A; eiser sub 4 is gehoord; hiervan is er een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk hier als ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
In conventie:
Overwegende, dat eiseres sub 4, destijds huurster van perceel no. 48 een oppervlakte beslaande van 20 m breed en 70 m lang en gelegen te [adres 7] in [district 3], bij conclusie tot uitlating de dato 6 april 2000 heeft doen zeggen, dat zij met [gedaagde sub c] een schikking heeft bereikt welke alsvolgt luidt: gedaagde sub c zal aan eiseres sub 4 naast het uitgezonderd gedeelte van 20 m breed x 70 m lang, aansluitend daarop afstaan 5 m in de breedte en 30 m in de lengte hetgeen betekent dat eiseres sub c een totaal stuk perceelland van 25 m breed en 100 m lang in grondhuur zal dienen te verkrijgen;

Overwegende, dat nu eiseres sub 4 en gedaagde sub c gebonden aan zijn voormelde schikking (c.q. overeenkomst), zou zij ook hierom niet langer belang bij het mede door haar oorspronkelijk gevorderde en daarin daarom niet worden ontvangen;

Overwegende, dat, als niet langer weersproken zijdens gedaagden vaststaat; dat [eiser sub 3] huurder is van het perceel ter breedte van ± 2 ketting en 18 ketting diep, gelegen te [adres 7] in [district 3] en waarvan de huur Sf 40,– per jaar bedraagt; [eiser sub 5] huurder van het perceel ter breedte van 2 ketting en 18 ketting diep, welk perceel gelegen is te [adres 7] in [district 3] en waarvoor aan huur Sf 40,– per jaar wordt betaald, en [eiser sub 6] huurder van het perceel te [adres 7] in [district 3] ter breedte van 20 m en 17 ketting diep, ten aanzien waarvan de huur Sf 40,– per jaar bedraagt;

Overwegende, dat als niet weersproken zijdens gedaagden tevens vaststaat dat elk van genoemde eisers vele jaren gehuurd had van zekere [persoon 1], die daarna verkocht en overgedragen heeft aan zekere [persoon 2], die op zijn beurt naderhand verkocht en overgedragen heeft aan gedaagde sub a (De Staat Suriname); gedaagde sub a heeft op zijn beurt, blijkbaar na herverdeling en het in kaart hebben gebracht van in ieder geval de percelen, aan de eisers sub 3, sub 5 en sub 6 velen jaren geleden verhuurd, in grondhuur afgestaan aan, naar wij thans er van uitgaan, de gedaagde sub b en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of gedaagde sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g;

Overwegende, dat de eisers sub 3, sub 5 en sub 6 in het 12e “dat” van het verzoekschrift dan ook terecht gesteld hebben dat door de overdracht van het litigieuze stuk perceelland (d.i. het totaal van elk aan de eisers vele jaren geleden in huur afgestane perceelland, omschreven in het 2e “dat” van het verzoekschrift aan gedaagde sub a, het huurrecht van de eisers niet te niet is gegaan waardoor eisers met recht en titel het litigieuze stuk perceelland bewonen en bewerken; eisers sub 3, sub 5 en sub 6 beroepen zich blijkbaar op artikel 1597 BW, en terecht;

Overwegende, dat wij in het 13e en 14e “dat” van het verzoekschrift gestelde dan ook als niet langer gemotiveerd weersproken door gedaagden als tussen partijen rechtens vaststaand aannemen;

Overwegende, dat wij dan ook zullen beslissen als in het dictum te melden;

Rechtdoende in kort geding
In conventie:
Verklaren de eisers sub 4 alsnog niet ontvankelijk in de mede door haar ingestelde primaire en subsidiaire vordering;
En voorts

I. Verbieden gedaagde sub b en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g activiteiten te ontplooien op bij respectievelijk de eiser sub 3, de eiser sub 5 en de eiser sub 6 in huur zijnde percelen;

II. Veroordelen de gedaagde sub b, en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of gedaagde sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g tot betaling aan elk van de eisers sub 3, sub 5 en sub 6 van een dwangsom van sf. 1.000.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde sub b en/of gedaagde sub c en/of gedaagde sub d en/of gedaagde sub e en/of gedaagde sub f en/of gedaagde sub g in strijd handelt en/of handelen met de uitspraak in onderdeel I van het dictum;

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
Weigeren het meer of anders gevorderde;

 

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-K1-2019-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 18-5322
03 januari 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser sub A],
wonende aan [adres] in [district],
B. STICHTING STOMIX,
gevestigd aan de Sidderogweg no. 05 in het district Wanica,
C. DE COMMANDITAIRE VENNOOTSCHAP PROFIL EN PARTNERS MANAGEMENT MASTERS,
gevestigd aan de Saramaccaweg no. 164 E in het district Saramacca,
eisers,
gemachtigde: mr. N.A.S. Ramnarain, advocaat,

tegen

HAKRINBANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 december 2018 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 02 januari 2019;
– de conclusie van antwoord, met producties;
– de aantekening van de griffier betreffende het mondeling afpleiten, de terstond gehouden comparitie van partijen en conclusie na gehouden comparitie van partijen op 02 januari 2019.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten
2.1 Gedaagde is een bankinstelling. Eisers zijn allen rekeninghouders bij haar.

2.2 Eisers hebben een abonnement op:
– de zgn online activiteit internetbanking, met als doel om gemakkelijk en snel via de digitale weg hun rekening beter te kunnen beheren,
– de digitale dagafschriften om de cashflow makkelijk en adequaat te kunnen controleren voor wat betreft de crediteuren en debiteuren.

2.3 Vanaf 05 december 2018 is de toegang voor eisers tot het gebruik maken van de hiervoor vermelde diensten geblokkeerd en is tevens de bankrelatie door gedaagde met eisers opgezegd.

2.4 Op 05 december 2018 hebben eisers het volgende emailbericht naar gedaagde verzonden:
“Ik ben nogal gebrand op snel betalen van de studenten, dus ik check iedere dag de bijboekingen op de rekening van Stichting Stomix. Maar sinds gisteravond krijg ik de melding dat het niet mogelijk is, ook vanmorgen kreeg ik geen enkele informatie. Is er wellicht een storing op internet bankieren?
Ik hoor graag per ommegaand wat het euvel is, want ik wil vandaag namelijk weer aanmanen en dan heb ik wel de laatste stand van de bijboekingen nodig.”

2.5 Op 10 december 2018 hebben eisers per mail onder meer het hierna volgende aan gedaagde bericht:
“Ik moet even bekomen van de bizarre ervaring, die ik vandaag op het hoofdkantoor van uw bank heb beleefd.
(…)Toen kwam het “slecht nieuws” gesprek als aap uit de mouw. De dame blijkt manager van de business afdeling te zijn, haar naam heb ik niet verstaan en zij gaf mij te kennen dat al mijn lopende rekeningen bij de bank zijn opgeheven. U begrijpt dat ik helemaal uit mijn dak ging en in niet mis te verstane woorden heb aangegeven, dat ik het gevoel heb bij een gekkenhuis gast te zijn. Toen ik ook om de redenen vroeg, waarom zij mij zomaar uit het systeem hebben gewipt krijg ik als antwoord dat ik niet meer voldoe aan het interne beleid en ik verder geen toelichting kreeg waarop dat beleid dan wel gestoeld is.
(…) Want, zomaar de stekker uit lopende rekeningen trekken, dat betekent nog al wat. Ik heb dringend mij te melden. Ik heb SRD 100.000,- aan te incasseren vorderingen op factuur uitstaan. Ik heb ook saldi op de rekeningen en ik moet af en toe ook betalen. En u weet een nieuwe rekening zomaar ergens openen is geen kwestie van een paar uur.”

2.6 Eisers hebben in een emailbericht d.d. 13 december 2018 aan gedaagde – voor zover voor de beslissing van belang – in het licht dat zij vanaf 05 december 2018 geen toegang tot hun rekeningen hebben het volgende bericht geschreven:
“(…) Ik wil gewoon door kunnen gaan met het inzien van mijn rekeningen. Ik wil gewoon een transitieperiode van zeker 2 maanden hebben om de leegloop van de rekeningen goed te kunnen plannen en beheersen en niet zoals nu, mij de toegang ontzeggen. Want ik zie daar totaal geen enkele reden toe om die rekeningen zo abrupt op te heffen.
(…) dat geld blijft namelijk gewoon binnenkomen op de bij de studenten bekende rekeningen. Dat heb ik ook jullie beide medewerkers afgelopen maandag aangegeven en gezegd dat zij dan maar moeten regelen, dat dat in de toekomst binnenkomend geld op een zorgvuldige manier bij onze stichting terechtkomt. Nou, dat waren ze niet van plan.”

2.7 Bij schrijven d.d. 06 december 2018 heeft gedaagde het hierna volgende aan eisers medegedeeld:
“Hakrinbank N.V. heeft haar cliënt-acceptatiebeleid aangescherpt wat onder meer inhoudt dat onze risico-appetijt m.b.t. cliënten ook is bijgesteld.
De Hakrinbank is al een aantal jaren bezig met het doorvoeren van dit beleid. Daarvoor verwijzen we onder meer naar de uitgebrachte jaarverslagen. Het aangescherpte beleid houdt in dat relaties met cliënten worden herzien en indien nodig worden beëindigd omdat die buiten onze risico-appetijt vallen.
Wij heben, zoals hierboven uiteengezet ook het profiel van DHR. [eiser sub A] H/O STOMIX doorgelicht. Daarbij is gebleken dat uw profiel niet langer aansluit op ons beleid. Als gevolg hiervan is besloten de relatie met DHR. [eiser sub A] H/O STOMIX te beëindigen.
Conform de procedure zullen de rekeningen beëindigd en met elkaar verrekend worden. Het batig saldo zal aan u of een door u aan te wijzen persoon worden uitgekeerd. Wij doen een beroep op u om binnen 4 (vier) weken na heden, doch uiterlijk 3 januari 2019, dit saldo op te halen bij de kassa op ons hoofdkantoor aan de Dr. Sophie Redmondstraat 11-13 te Paramaribo.
Indien u aan deze oproep geen gehoor geeft, zal het saldo aan u beschikbaar worden gesteld op elke wijze zoals de Hakrinbank N.V. dat geschikt acht.
Wij benadrukken dat zolang de gelden niet door u of een door u aan te wijzen derde worden opgehaald de Algemene Voorwaarden voor betrekkingen met de Hakrinbank N.V. gevestigd te Paramaribo en haar Cliënten, onverkort van toepassing blijven.”

2.8 Artikel 2 van de Algemene Voorwaarden voor de Betrekkingen tussen de Hakrinbank N.V. met cliënten luidt, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer als volgt:
“ De Bank en de cliënt zullen bij de uitvoering van transacties en in het algemeen in hun onderlinge relaties de nodige zorgvuldigheid in acht nemen en daarbij naar beste vermogen rekening houden met elkaars belangen. Bij de toepassing van de navolgende bepaling, zal dit beginsel steeds in acht worden genomen”, en
Artikel 26 luidt als volgt: “Zowel de Bank als cliënt zijn te allen tijde bevoegd de relatie door schriftelijke opzegging te doen eindigen zonder dat daarvoor een opzegtermijn in acht genomen moet worden, waardoor alle verplichtingen direct opeisbaar zijn. Een rekening courantverhouding tussen de Bank en de cliënt wordt afgesloten per de dag waarop de relatie eindigt, onder toezending van een saldo opgave aan de rekeninghouder. “

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) binnen 1×24 uur na vonniswijzing gedaagde te verbieden de vermelde rekeningen c.q. bankaccounts zoals in het verzoekschrift vermeld geblokkeerd te houden, althans deze te blokkeren, zodat eisers binnen 1×24 uur zowel uitdrukkelijk danwel via de digitale weg, het zgn. Internet bankieren toegang hebben tot de rekeningen en gelden daarop;
b) eisers binnen 1×24 uur na vonniswijzing te vergunnen een afbouwperiode tot en met 31 januari 2019, zodat eisers de nodige maatregelen kunnen treffen en eventueel de gelden kunnen overmaken waar nodig;
c) eisers de gelegenheid te bieden om de online dagafschriften tot en met 31 maar 2019 te mogen ontvangen en inzien;
d) aan eisers binnen 1×24 uur na vonniswijzing, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen het schade bedrag as SRD 2.500,- per dag, met ingang van 05 december 2018 totdat aan eisers de toegang tot de rekeningen wordt verschaft zowel uitdrukkelijk als digitaal;
e) aan eisers binnen 1×24 uur na vonniswijzing, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de advocaatkosten ad SRD 20.000,-;
f) aan eisers bij wege van dwangsom te betalen SRD 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde weigeren mocht aan het gewezen vonnis te voldoen;
g) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

  • gedaagde heeft de toegang tot het zgn. internetbankieren en het online ontvangen van dagschriften zonder opgaaf van grondige reden geblokkeerd;
  • gedaagde weigert de rekeningen van eisers te deblokkeren en hen de digitale toegang weder te verschaffen tot de vermelde bankrekeningen. Dit ondanks zij daartoe in gebreke is gesteld;
  • als gevolg van dit handelen lijden eisers schade, in die zin dat zij niet hun maandelijkse verplichtingen kunnen voldoen aan het einde van iedere maand. De door haar geleden en te lijden schade is begroot op ongeveer SRD 2.500,- per dag en advocaatkosten ad SRD 20.000,-;
  • tevens worden eisers vanwege dit handelen bemoeilijkt om de jaarrekeningen af te sluiten en in en uit te boeken voor wat betreft het crediteuren en debiteuren saldo, welk van eminent belang is aan het eind van ieder jaar, in casu december 2018.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eisers blijkt uit de aard zelf van de vorderingen. Om die reden worden eisers ontvangen in het kort geding.

4.2 Ter beantwoording ligt de vraag of de door gedaagde opgegeven reden tot het doen stopzetten van de dienstverlening en het doen beëindigen van de bankrelatie met eisers al dan niet gerechtvaardigd is.

Gedaagde weerspreekt de bankrelatie met eisers zonder opgaaf van reden te hebben beëindigd. Daartoe voert zij aan dat zij eisers bij schrijven d.d. 06 december 2018 heeft bericht dat zij op grond van compliance regels de bankrelatie met eisers zal beëindigen. Als reden tot het doen stopzetten van de dienstverlening en beëindigen van de bankrelatie geeft zij op dat:

  • eisers sub A en sub B meerdere malen in publiekelijk verband zijn gebracht met ernstige strafbare feiten, zoals pedofilie, moord, valsheid in geschrifte en oplichting. In dat verband verwijst zij naar de inhoud van een drietal door haar ten processe overgelegde artikelen die hierover zijn gepubliceerd,
  • zij op grond van de Costumer Due Diligence regelgeving voor banken, de Basil Core Principles en de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011 (S.B. 2011, no. 155), verplicht is zorg te dragen voor een integere bedrijfsvoering;
  • zij op grond van artikel 2 van haar Algemene Voorwaarden zoals opgenomen onder 2.8 in dit vonnis bevoegd is te allen tijde de bankrelatie met eisers op te zeggen.

Uit dit betoog van gedaagde begijpt de kantonrechter dat zij vanwege de hiervoor gepubliceerde uitlatingen in crimineel verband met eiser sub A zal worden geassocieerd en zal zij als gevolg hiervan integriteit- en reputatieschade lijden. Deze schade dient zij op grond van de hiervoor vermelde regelgeving te voorkomen middels het doen beëindigen van de bankrelatie en is zij zelfs, aldus haar verweer, daartoe verplicht.

Gesteld noch gebleken is dat door een derde belanghebbende aangifte tegen eisers is gedaan. Evenmin is gesteld of gebleken dat eisers strafrechtelijk zijn of worden vervolgd ter zake enig strafbare feit of dat zij ter zake enig strafbare feit zijn veroordeeld of dat de gelden die op de rekeningen van eisers bij gedaagde worden gestort van enig strafbare feit afkomstig zijn. Daar uitgegaan dient te worden van het beginsel van de onschuld van mensen tot het tegendeel is bewezen, acht de kantonrechter de door gedaagde opgegeven reden tot het met ingang van 05 december 2018 doen stopzetten van de dienstverlening naar eisers toe en het doen beëindigen van de bankrelatie met eisers op 03 januari 2019 niet gerechtvaardigd. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat gedaagde de dienstverlening eerst heeft stopgezet en dit achteraf op 10 december 2018 aan eisers heeft medegedeeld. Dit gegeven leidt de kantonrechter af uit hetgeen partijen ter comparitie van partijen hebben verklaard en uit de inhoud van de email correspondentie tussen partijen, die als producties zijn overgelegd. In dit verband brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat de rechten en verplichtingen van partijen niet alleen worden bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, doch ook door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die elke rechtsverhouding beheersen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid abrupt de dienstverlening met eisers stopgezet zonder rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van eisers. Dit, terwijl dit beginsel ook is neergelegd in artikel 2 van de Algemene Voorwaarden van gedaagde zoals opgenomen onder 2.8 in dit vonnis. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zullen de door eisers gevraagde voorzieningen worden toegewezen, doch met uitzondering van de medegevorderde schade.

4.3 De medegevorderde schade en advocaatkosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de omvang van deze schade onvoldoende is onderbouwd en het spoedeisend belang ter zake niet aannemelijk is. Eisers zullen ter zake een vordering in bodemprocedure dienen in te stellen.

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en kosten voor oproep per deurwaardersexploot ad SRD 315,-.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen een week na betekening van dit vonnis de bankrekening van eisers te deblokkeren, zodat eisers tot en met 31 maart 2019:
a) ongestoord via de digitale weg, het zgn. Internet bankieren, toegang hebben tot de rekeningen en hun gelden daarop, en
b) de nodige maatregelen kunnen treffen om eventueel de gelden te kunnen overmaken waar nodig.

5.2 Veroordeelt gedaagde om eisers de gelegenheid te bieden de dagafschriften tot en met 31 maart 2019 online te mogen ontvangen en inzien.

5.3 Veroordeelt gedaagde om aan eisers een dwangsom te betalen van SRD 25.000,- (Vijf en Twintigduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat zij niet aan de uitgesproken veroordeling onder 5.1en 5.2 voldoet, tot een maximum van SRD 500.000,- is bereikt.

5.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 365,- (Driehonderd Vijfenzestig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 03 januari 2019 te Paramaribo, door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2018-9

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
Vonnis in de gevoegde zaken van 13 februari 2018
In de zaak met A.R. No. 100424

[eiser],
wonende te [district], eiser,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,
tegen

de naamloze vennootschap
VENSUR N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

en in de zaak met A.R. No. 114849

[eiser],
wonende te [district], eiser,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

tegen

de naamloze vennootschap
VENSUR N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

1. Het procesverloop in de zaak A.R. No. 100424
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het verzoekschrift met bijlagen dat op 1 februari 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek met producties;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het procesverloop in de zaak A.R. No. 114849

Vooraf
Voorafgaande aan deze procedure heeft eiser na daartoe bekomen verlof van de kantonrechter, door deurwaarder G.O. Niekoop de navolgende beslagen doen leggen:

  • bij exploit d.d. 2 december 2011 no. 667 conservatoir beslag op het aan gedaagde toebehorend in het exploit genoemd perceelland;
  • bij exploit d.d. 7 december 2011 no. 684 conservatoir derdenbeslag onder de in het exploit genoemde rechtspersonen.

2.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het verzoekschrift met bijlagen dat op 14 december 2011 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek;
  • de rolbeschikking de dato 11 november 2014 waarbij een descente en comparitie van partijen is gelast
  • het proces-verbaal van de op 26 juni 2015 gehouden descente en comparitie van partijen
  • de conclusies na gehouden descente en comparitie van partijen, gedaagde onder overlegging van producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens eiser;
  • de rolbeschikking de dato 11 juli 2017 waarbij gedaagde is gelast de brief gedateerd 29 oktober 2009 over te leggen;
  • de conclusie tot overlegging productie zijdens gedaagde;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

2.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
Op 10 juni 2003 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten. In de overeenkomst is voorzover hier van belang het volgende bepaald:
“(….)
1. koop en verkoop
1.1 [eiser] verklaart bij deze aan Vensur te verkopen, gelijk Vensur verklaart van [eiser] te kopen, de volledige en onbewaarde eigendom van de cementplant, volledig gemonteerd, geïnstalleerd op de locatie van de vervangen cementplant, en bedrijfsklaar ingericht voor de cementproductie ten behoeve van Vensur.

1.2 Ter uitvoering van de sub 1.1 bedoelde koop verplicht [eiser] zich voor eigen rekening en risico tot de turnkey (op)levering van de cementplant aan Vensur uiterlijk 30 september 2003.

1.3 De tussen partijen afgesproken koopprijs is gelijk aan US$ 2.000.000,– (twee miljoen Amerikaanse Dollars), conform de aan deze overeenkomst gehechte prijsopgave en technische specificaties.

2. Turnkey (op)levering
2.1 [eiser] staat er voor in, en verplicht zich er voor zorg te dragen, dat de montage, de installatie en het fabrieksklaar maken van de cementplant steeds plaatsvindt onder de leiding van de fabrikant van de cementplant. Voorts staat [eiser] er voor in, en verplicht zich er voor zorg te dragen, dat de montage en het bedrijfsklaar maken van de cementplant steeds volledig conform de door de fabrikant van de cementplant voorgeschreven procedures en werkwijzen plaatsvindt.
(…..)

2.5 [eiser] staat er voor in, en verplicht zich er voor zorg te dragen, dat de cementplant geschikt is voor de door Vensur voorgenomen bedrijfsmatige productie van cement, voor het overige bij beide partijen afdoende bekend.

3. Uitvoeringsfase
3.1 [eiser] zal Vensur een tijdwerkplan doen toekomen waarin de implementatie van de cementplant wordt aangegeven. [eiser] is verplicht Vensur, wekelijks of zoveel eerder als Vensur daarom verzoekt, omstandig te informeren omtrent de voortgang of stagnatie bij de uitvoering van haar verplichtingen onder deze overeenkomst. Vensur en [eiser] zullen voor dit doel ieder voor zich een (1) of meer van hun functionarissen schriftelijk aanwijzen.
(….)

3.3 [eiser] zal bij de uitvoering van haar verplichtingen onder deze overeenkomst zoveel als mogelijk het belang van Vensur bij een ongestoorde bedrijfsvoering in acht nemen. [eiser] zal eventuele hinder, storing of stagnatie van de bedrijfsvoering van Vensur steeds tot een minimum beperken, en zal te dien einde zoveel als mogelijk vooraf met Vensur overleggen omtrent de verwachte eventuele hinder, storing of stagnatie, de verwachte tijdsduur daarvan en de eventueel door [eiser] voor eigen rekening te nemen maatregelen ter beteugeling daarvan.
(….)

4. Proefbedrijfsfase
4.1 Op aangeven van [eiser] dat de cementplant bedrijfsklaar is, zal Vensur voor risico en onder leiding van [eiser] overgaan tot inbedrijfstelling daarvan, en 500 machine-productie-draaiuren proefdraaien.

4.2 Ten tijde van dit proefbedrijf draaien zullen alle door de fabrikant van de cementplant voorschreven testprogramma’s worden uitgevoerd en zal de cementplant ten minste 500 uren storingvrij hebben gefunctioneerd en haar voorschreven productie-capaciteit in alle aspecten daarvan hebben gerealiseerd, een en ander in het licht van de door Vensur voorgenomen bedrijfsmatige productie van cement (hierna tesamen te noemen: de “testprogramma’s).

5. Overname cementplant
5.1 Indien Vensur is gebleken van de succesvolle uitvoering van de testprogramma’s, en [eiser] heeft voldaan aan al haar verplichtingen bedoeld in artikel 2, gaat Vensur over tot overname van de cementplant middels de verstrekking aan [eiser] van een door haar ondertekende take-over certificaat.

5.2 Met de overname van de cementplant door Vensur gaat het risico van de aanwending van de cementplant ten behoeve van haar cementproductie terstond over op Vensur.
(….)

7. Koopprijs en hypotheek
7.1 Vensur zal de koopprijs ad US$ 2.000.000,– als bedoeld in artikel 1.3. in Amerikaanse Dollars aan [eiser] voldoen en de koopprijs is als volgt opeisbaar:
a) US$ 125.000,– binnen drie weken na aanvoer en opslag op het bedrijfsemplacement van alle losse stukken die tesamen de cementplant uitmaken, welke som inmiddels integraal door Vensur is voldaan en waarvoor [eiser] hierbij volledige kwijting verleent;
b) US$ 175.000,– binnen drie weken na de overname van de cementplant door Vensur.
c) US$ 1.700.000,– in opeenvolgende zestig maandelijkse termijnen waarvan de eerste verschijnt op de laatste dag van de kalendermaand volgende op de kalendermaand waarin de dag van opeisbaarheid bedoeld sub b, (…)

2.2 Bij brief de dato 5 juni 2006 heeft gedaagde aan eiser voor zover van belang het volgende medegedeeld:
“(…)
Bij deze koopovereenkomst hebt u zich tegenover ons verbonden tot turnkey (op)levering van de cementplant aan ons per uiterlijk 30 september 2003. Deze turnkey (op)levering houdt onder meer (doch niet limitatief) in, (i) dat alle door de fabrikant van de cementplant voorschreven testprogamma’s dienen te zijn uitgevoerd, en (ii) dat de cementplant tenminste 500 productiedraaiuren storingvrij dient te hebben proefgedraaid met realisatie van de voorschreven productiecapaciteit in alle aspecten daarvan.
Voldoening aan genoemde punten (i) en (ii) heeft totnogtoe niet plaatsgevonden, met als gevolg dat de (op)levering door u aan ons, en onze eventuele acceptatie daarvan, is uitgebleven.
Wij hebben reeds langere tijd dringend behoefte aan de met de cementplant voorziene vergroting van onze cementproductie met 100.000 metrieke ton per jaar, en kunnen ons geen verdere vertraging veroorloven. U wordt bij deze derhalve verzocht ons per uiterlijk 15 juni 2016 schriftelijk te berichten of u nog voornemens bent tot realisatie van uw verplichting tot turnkey (op)levering, en, zo ja met inachtneming van welk tijdschema u zulks zou kunnen volbrengen (…)

2.3 In reactie op voormeld schrijven van gedaagde heeft eiser bij schrijven gedateerd 20 juni 2008 voor zover van belang als volgt gereageerd:
“(…) met referte aan uw brief d.d. 5 juni 2006 berichten wij u hierbij het navolgende.
Terstond dienen wij op te merken dat wij groot begrip hebben voor het feit dat uw bedrijf reeds langere tijd dringend behoefte heeft aan de door ons bedrijf aan u op te leveren cementplant conform hetgeen partijen zijn overeengekomen. Wij betreuren het dan ook ten zeerste dat vanwege buiten onze schuld c.q. risicosfeer opgetreden omstandigheden de overeengekomen oplevering nog niet heeft kunnen plaatsvinden. Wij stellen het dan ook ten zeerste op prijs van u dat u hiermede tot nu toe rekening heeft gehouden en wij zijn en blijven bereid zo spoedig als mogelijk tot daadwerkelijke turnkey (op)levering te geraken.
Het lijkt ons bij deze gelegenheid toch wel zinvol om u op de hoogte te brengen danwel in herinnering te brengen aan welke omstandigheden het heeft gelegen dat de turnkey (op)levering tot nu toe niet ex contract heeft plaatsgehad.
(….)

IV. Een andere oorzaak die heeft gezorgd voor stagnatie betrof het feit dat de nieuwe plant zonder enige elektriciteitsvoorziening diende te worden geïnstalleerd waardoor het bij het installatieproces niet mogelijk was de machines uit te testen. De technische engineers belast met de installatie moesten voortijdig vertrekken wegens het feit dat er geen stroom beschikbaar was. Het heeft hierna bijkans 1 jaar en twee maanden geduurd voordat alle bescheiden met betrekking tot binnenkomst hier te lande en het verblijf van de tweede ploeg engineers die het werk zouden moeten voortzetten, rond was.

De tweede ploeg engineers is het uiteindelijk na veel stagnatie gelukt om het proces af te ronden en tijdens het proefdraai-proces werd de stroomvoorziening stopgezet omdat deze voor de productie van de Vensur cementmolen aangewend moest worden. Het laatste vond plaats in de maand december 2005 en tot op heden zijn wij niet in de gelegenheid gesteld om het proefdraaiproces voort te zetten en af te ronden. Derhalve is dan ook de tweede ploeg engineers onverrichter zake teruggekeerd. Gaarne willen wij zo spoedig mogelijk het proefdraaiproces voortzetten, doch zijn wij ten aanzien daarvan aangewezen op de benodigde energie-levering. Gaarne ontvangen wij van u een uitnodiging teneinde gezamenlijk – in het kader van de verdere uitvoering van de koopovereenkomst – na te gaan op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. (…)”

2.4 In een brief gedateerd 26 oktober 2009 van de gemachtigde van eiser aan gedaagde staat voor zover van belang:
“(….)
Op 5 juni 2006 heeft u client schriftelijk benaderd met het verzoek u te willen berichten, wanneer de turnkey (op)levering zal worden gerealiseerd. In reactie hierop heeft client u bij schrijven d.d. 20 juni 2006 medegedeeld bereid te zijn het proefdraaiproces voort te zetten, teneinde de (op)levering aan u te realiseren, doch is client aangewezen op de door u te leveren elektriciteit.
Op dit schrijven is nimmer een reactie van u bekomen. Client heeft bij herhaling kenbaar gemaakt bereid te zijn tot de (op)levering van de cementplant, doch is daartoe nimmer door u in de gelegenheid gesteld.
Met client ben ik van oordeel dat het uitblijven van de (op)levering het direct gevolg is geweest van de onmisbare medewerking, welke client van u behoeft, doch tot op heden niet krijgt. Client ontkomt niet aan de indruk dat u de (op)levering bewust hebt gestagneerd, om alzo aan uw betalingsverplichtingen tegenover client te ontkomen.

De verhindering in de (op)levering heeft in ieder geval aan u gelegen met het gevolg dat client in de rechtsverhouding met u thans van zijn verplichtingen tegenover u is bevrijd, doch zijn aanspraak op de tegenprestatie, zijnde betaling door u van het saldo, inclusief de rente heeft behouden. (….)”

Bij schrijven van 29 oktober 2009 is door de gemachtigde van gedaagde gereageerd op voormeld schrijven, voor zover van belang:
“(….)
Uw client – [eiser] – was zich bij het aangaan van de turnkey koopovereenkomst volledig en terdege bewust van het resultaat waartoe hij zich heeft verbonden, en de omstandigheden en condities waaronder hij diende te presteren. Uw client heeft zich daarbij verplicht om zijn cementplant voor eigen rekening en risico per uiterlijk 30 september 2003 aan cliënte op te leveren. Niettemin heeft uw client deze opleveringsdatum onverrichterzake voorbij laten gaan, en heeft hij met name – zonder enige beperking – de voorschreven proefbedrijfsfase niet volbracht. De cementplant heeft nimmer de voorschreven 500 productiedraaiuren storingvrij proefgedraaid; integendeel: bij de inbedrijfstelling traden steeds storingen op, en de cementplant heeft niet eens acht uren aaneengesloten storingvrij proefgedraaid. Bovendien – voor de luttele uren dat de cementplant heeft proefgedraaid – schoot de efficiëntiegraad tussen grondstof en gereedproduct ernstig tekort, en was de kwaliteit van het gereedproduct ondermaats en onacceptabel voor bedrijfsmatige productie. Verder was het productieniveau ver beneden de nominale capaciteit van de cementplant.

Omdat cliënte geen vorderingen bemerkte in de prestatie van uw client, en er meerdere ernstige gebreken aan de cementplant waren geconstateerd, heeft cliënte er bij schrijven van 5 juni 2006 op aangedrongen dat uw cliënte aangeeft of hij nog voornemens is te presteren, en – zo ja – wat dan het door hem voorgesteld tijdschema is. Uw client heeft – bij schrijven van 20 juni 2006, in antwoord hierop – in wezen volstaan met de erkenning dat hij ingebreke is gebleven met de nakoming van zijn verplichtingen onder de turnkey koopovereenkomst (….)”

3. De vorderingen, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 De vorderingen
Eiser vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:
gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen:
a. het bedrag van US$ 1.718.333,20, vermeerderd met de wettelijk rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.
b. het bedrag van US$ 28.333,33 per maand vanaf 1 november 2009 t/m 1 juli 2011.
c. de rente van 10% per jaar over het bedrag van US$ 1.700.00,– vanaf 1 juli 2009 t/m 1 juli 2011.

Subsidiair:
a. te ontbinden, althans voor ontbonden te verklaren de tussen eiser en gedaagde gesloten overeenkomst van koop en verkoop d.d. 10 juni 2003.
b. gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting terzake schadevergoeding aan eiser te betalen het bedrag van USD 2.000.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

Voorts gedaagde te veroordelen in kosten aan de zijde van eiser gevallen.

3.1.2 in de zaak A.R. No. 114849
Eiser vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de onderhavige zaak te willen voegen met de zaak bekend onder A.R. No. 100424.
b. van waarde te verklaren de ten deze gelegde beslagen.

Voorts gedaagde te veroordelen in kosten aan de zijde van eiser gevallen.

3.2 De grondslag in de zaak A.R. No. 100424 en in de zaak A.R. No. 114849
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft eiser aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

Tussen partijen is een koop/verkoopovereenkomst gedateerd 10 juni 2003 tot stand gekomen, waarbij eiser aan gedaagde heeft verkocht gelijk gedaagde van eiser heeft gekocht de volledige en onbezwaarde eigendom van de cementplant volledig gemonteerd op het bedrijfsemplacement van gedaagde. De koopsom bedroeg US$ 2.000.000,–, waarvan US$ 225.000,– door gedaagde is voldaan. Het saldobedrag van US$ 1.775.000,– diende conform de overeenkomst te worden betaald. Gedaagde heeft niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan en stelt zich volgens eiser op het standpunt dat er geen overname van de cementplant heeft plaatsgevonden en zij aldus niets terzake aan eiser verschuldigd is. Volgens eiser heeft de niet sleutelklare oplevering van de cementplant plaatsgevonden in een omstandigheid zijdens gedaagde. Ten tijde dat de oplevering kon worden gerealiseerd, (december 2005) heeft gedaagde uit productie gehaald althans van het distributienet van de E.B.S. verwijderd en het aldus geheel onmogelijk gemaakt de oplevering van de cementplant te realiseren.

3.3. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt bij de beoordeling indien nodig terug op dit verweer.

4. De beoordeling in de zaken A.R. No. 100424 en in de zaak A.R. No. 114849
4.1 Op grond van de tussen partijen op 10 juni 2003 gesloten overeenkomst diende eiser voor eigen rekening en risico tot de turnkey (op)levering van de cementplant aan gedaagde uiterlijk 30 september 2003. De cementplant diende volledig gemonteerd en geïnstalleerd te zijn op de locatie van de vervangen cementplant, en bedrijfsklaar ingericht voor de cementproductie ten behoeve van gedaagde.

4.2 Eiser stelt zich op het standpunt dat de niet sleutelklare oplevering van de cementplant zijn oorzaak heeft gevonden in een omstandigheid zijdens gedaagde. Volgens eiser heeft gedaagde in december 2005 de cementplant uit productie gehaald, althans van het distributienet van de E.B.S. verwijderd en het aldus voor eiser onmogelijk gemaakt de oplevering van de cementplant te realiseren.

4.3 Gedaagde voert aan dat eiser zich heeft verplicht om zijn cementplant voor eigen rekening en risico per uiterlijk 30 september 2003 aan gedaagde op te leveren. Eiser heeft deze opleveringsdatum onverrichterzake voorbij laten gaan, en heeft hij met name – zonder enige beperking – de voorschreven proefbedrijffase niet volbracht. De cementplant heeft nimmer de voorschreven 500 productiedraaiuren storingvrij proefgedraaid. Bij de inbedrijfstelling traden steeds storingen op, en de cementplant heeft niet eens acht uren aaneengesloten storingvrij proefgedraaid. Bovendien schoot de efficiëntiegraad tussen grondstof en gereedproduct ernstig tekort, en was de kwaliteit van het gereedproduct ondermaats en onacceptabel voor bedrijfsmatige productie. Verder was het productieniveau ver beneden de nominale capaciteit van de cementplant.

4.4 Tijdens de op 26 juni 2015 gehouden descente heeft eiser verklaard de cementplant conform de overeenkomst te hebben geleverd en gedraaid. Gedurende de periode van drie maanden heeft de machine zeker 500 uren gedraaid.
De kantonrechter merkt op dat uit het verzoekschrift en de tussen partijen gevoerde correspondentie blijkt dat eiser ten aanzien van de oplevering juist stelt het te betreuren dat vanwege buiten zijn schuld c.q. risicosfeer opgetreden omstandigheden de overeengekomen oplevering nog niet heeft kunnen plaatsvinden. Eiser stelde zich bereid zo spoedig als mogelijk tot daadwerkelijke turnkey (op)levering te geraken en zou het proefdraaiproces willen voortzetten, doch gaf aan ten aanzien daarvan aangewezen te zijn op de benodigde energie-levering. Eiser stelt niet expliciet dat zijn werkzaamheden in het kader van de oplevering afhankelijk zijn van de energie-levering door gedaagde.

4.5 Gedaagde heeft zich ten aanzien van de energielevering op het standpunt gesteld (zie brief gedateerd 29 oktober 2009) dat gedaagde ervoor heeft zorggedragen dat haar bedrijfscomplex in elk geval sedert september 2005 over zoveel stroomvoorziening beschikt, dat haar eigen operationele cementplant en de cementplant van eiser tegelijk kunnen worden ingezet.

In het schrijven van 5 juni 2006 vraagt gedaagde aan eiser om gedaagde per uiterlijk 15 juni 2006 schriftelijk te berichten of hij nog voornemens is tot realisatie van zijn verplichting tot turnkey (op)levering, en, zo ja met inachtneming van welk tijdschema hij zulks zou kunnen volbrengen. Ook bij het schrijven van de gemachtigde van gedaagde d.d. 29 oktober 2009 wordt eiser gesommeerd om alsnog schriftelijk een tijdschema voor te stellen aan de hand waarvan hij voornemens is aan zijn (op)leveringsverplichtingen onder de turnkey koopovereenkomst te voldoen.

4.6 Eiser stelt zich op het standpunt (6e sustenu van het verzoekschrift) dat hij in reactie op het schrijven van 5 juni 2006 op 20 juni 2006 aan gedaagde uitdrukkelijk heeft medegedeeld tot oplevering van de cementplant bereid te zijn, doch voor de voortzetting van de werkzaamheden in het kader van de oplevering afhankelijk te zijn van de energie-levering door gedaagde. Aan gedaagde is aldus het uitdrukkelijk verzoek gedaan eiser te berichten op welke wijze tezamen invulling kan worden gegeven aan de oplevering. Volgens eiser zou de oplevering enkel en alleen kunnen worden gerealiseerd, indien de cementplant wederom door gedaagde op het elektriciteitsnet werd aangesloten. Voorafgaand hieraan een tijdschema overleggen was volgens eiser zinloos.

4.7 De kantonrechter begrijpt dat eiser een beroep doet op schuldeisersverzuim aan de zijde van gedaagde: de niet sleutelklare oplevering van de cementplant heeft zijn oorzaak gevonden in een omstandigheid zijdens gedaagde, eiser is voor de voortzetting van zijn werkzaamheden in het kader van de oplevering afhankelijk van de energie-levering door gedaagde.

De kantonrechter overweegt dat de schuldeiser in verzuim komt, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de kantonrechter verkeerde gedaagde niet in schuldeisersverzuim. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende: Dat gedaagde nakoming van verplichtingen van eiser verhindert is niet gebleken. Niets staat er aan in de weg dat de verbintenis van eiser wordt nagekomen.

4.8 De kantonrechter overweegt ten aanzien hiervan voorts als volgt. In artikel 3.3 van de overeenkomst staat dat eiser bij de uitvoering van zijn verplichtingen onder deze overeenkomst zoveel als mogelijk het belang van gedaagde bij een ongestoorde bedrijfsvoering in acht zal nemen. Eiser zal eventuele hinder, storing of stagnatie van de bedrijfsvoering van gedaagde steeds tot een minimum beperken, en zal te dien einde zoveel als mogelijk vooraf met gedaagde overleggen omtrent de verwachte eventuele hinder, storing of stagnatie, de verwachte tijdsduur daarvan en de eventueel door eiser voor eigen rekening te nemen maatregelen ter beteugeling daarvan.

De kantonrechter ziet het door gedaagde verlangde tijdschema dan ook in het kader van voormeld artikel. Als eiser een tijdschema had voorgesteld aan de hand waarvan hij voornemens was aan zijn (op)leveringsverplichtingen onder de turnkey koopovereenkomst te voldoen, kon met inachtneming van voormeld artikel uitvoering worden gegeven aan zijn verplichtingen. Aan de hand van het schema kon enerzijds de bedrijfsvoering van gedaagde zodanig worden afgestemd om met inachtneming van artikel 3.3 van de overeenkomst de eventuele hinder, storing of stagnatie van de bedrijfsvoering tot een minimum te beperken en kon anderzijds eiser zijn (op)leveringsverplichtingen onder de turnkey koopovereenkomst nakomen.

4.9 De kantonrechter overweegt dat nu vaststaat dat eiser zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst niet is nagekomen en zijn stellingen dat zulks gelegen zou zijn in de invloedssfeer van gedaagde niet in rechte zijn komen vast te staan, de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen.

Dit heeft als consequentie dat de vanwaardeverklaring van de gelegde beslagen uiteraard niet kan worden toegewezen.

4.10 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn.

4.11 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in beide zaken in de proceskosten worden veroordeeld.

4. De beslissing
4.1 In de zaak A.R. No. 100424

4.1.1 Wijst de vorderingen af.

4.1.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

4.2 In de zaak A.R. No. 114849

4.2.1 Wijst de vordering af.

4.2.2 2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Chatterpal en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter lid plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. R.M. Praag op dinsdag 13 februari 2018 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.P. Andea.

w.g. S.P. Andea w.g. R.G. Chatterpal
w.g. R.M. Praag

SRU-HvJ-2019-2

G.R.No. 15670

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

RCR Health Centre N.V.,
hierna te noemen RCR,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

A. Hakrinbank N.V.,
hierna te noemen Hakrinbank,
B. Nationale Ontwikkelingsbank van Suriname,
hierna te noemen NOB,
C. Academisch Ziekenhuis Paramaribo ten rechte geheten Academisch Ziekenhuis, rechtspersoon,
hierna te noemen AZ,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde voor geïntimeerden sub A en B: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat, gemachtigde voor geïntimeerde sub C: mr. S. Essed, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 18 april 2019 (A.R. no. 19-0773) tussen appellant, enerzijds als eiseres in het incident, eiseres in conventie tevens gedaagde in reconventie en anderzijds geïntimeerden sub A en B als gedaagden en geïntimeerde sub C als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie;

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat mr. M.G.A. Vos, advocaat, speciaal daartoe gemachtigd door RCR, namens appellant op 24 april 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hiervoor genoemde vonnis;
  • de schriftelijke nota van incident tot staking van de executie van het beroepen vonnis;
  • de pleitnota de dato 25 juni 2019 met bijgevoegde producties;
  • de antwoordpleitnota en uitlating producties de dato 3 juli 2019 met bijgevoegde producties zijdens Hakrinbank en NOB;
  • de antwoordpleitnota en uitlating producties de dato 3 juli 2019 met bijgevoegde producties zijdens AZ;
  • de repliekpleitnota en uitlating producties de dato 18 juli 2019 met bijgevoegde producties zijdens RCR;
  • de dupliekpleitnota zijdens Hakrinbank en NOB de dato 25 juli 2019;
  • de dupliekpleitnota zijdens AZ de dato 25 juli 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Blijkens aantekening van de griffier was RCR op de dag van de uitspraak d.d. 18 april 2019 ter terechtzitting aanwezig bijgestaan door haar gemachtigde.
RCR heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 24 april 2014 appèl aangetekend tegen het beroepen vonnis. Dit appèl is tijdig ingesteld zodat RCR daarin kan worden ontvangen.

3. De feiten
3.1 Aan RCR behoorde in eigendom toe:

a. het perceelland, met al hetgeen daarop staat, gelegen tussen de Surinamerivier en de Anton Dragtenweg te Paramaribo, groot 1.755 m2, aangeduid met het nummer 12, aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels, d.d. 25.10.1950 met de letters abcd, deel uitmakende van de plantage Rainville, waarvan een nieuwe perceelkaart vervaardigd is door landmeter R.R. Lieuw Kie Song, d.d. 19-08-1997, waaruit blijkt dat voormeld perceel een oppervlakte beslaat van 1.367 m2 en aangeduid is met de letters ABCD en met nummer 12a, uitmakende een deel van het voorland van de voormalige plantage Rainville, waarvan thans een nieuwe perceelkaart is vervaardigd door de landmeter Ir. W.A. Oldenstam, d.d. 19-04-2006, waaruit blijkt dat voormeld perceel bekend als nummer 12a ten gevolge van aanslibbing en aanslijking een oppervlakte beslaat van 4.350m2, en aangeduid is met de letters IBCH, deel uitmakende van het voorland van de voormalige plantage Rainville.
b. het perceelland met al hetgeen daarop staat, gelegen tussen de Surinamerivier en de Anton Dragtenweg te Paramaribo, gelegen voor het perceelland groot 1.755 m2 aangeduid met het nummer 11 aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels,
d.d. 25.10.1950 met de letters abcd, deel uitmakende van de plantage Rainville, waarvan een nieuwe perceelkaart vervaardigd is door landmeter R.R. Lieuw Kie Song,
d.d. 19-08-1997, waaruit blijkt dat voormeld perceel een oppervlakte beslaat van 1.343 m2 en aangeduid is met de letters ABCD en met nummer 11a, uitmakende een deel van het voorland van de voormalige plantage Rainville, waarvan thans een nieuwe perceelkaart is vervaardigd door de landmeter Ir. W.A. Oldenstam, d.d. 19-04-2006, waaruit blijkt dat voormeld perceel bekend als nummer 11a ten gevolge van aanslibbing en aanslijking een oppervlakte beslaat van 4.350 m2, en aangeduid is met de letters AIHD, deel uitmakende van het voorland van de voormalige plantage Rainville (hierna te noemen de onroerende goederen).

3.2 RCR is op 18 mei 2007 opgericht. Op voormelde onroerende goederen heeft zij een gebouw opgezet onder de naam “Zorghotel”. RCR exploiteert in het Zorghotel een medisch centrum dat onder andere medische, verpleegkundige en verzorgende diensten verleent.

3.3 Voor de aankoop van de onroerende goederen heeft RCR door tussenkomst van een aanverwante vennootschap een deelfinanciering ontvangen van de Rabobank Nederland. Daarnaast heeft RCR van een Nederlandse zorgorganisatie ook een geldlening ontvangen.

3.4 RCR heeft naast voormelde financieringen, ook financieringen ontvangen van Hakrinbank en NOB. Ter zekerheidstelling voor de terugbetaling heeft RCR ten behoeve van Hakrinbank en NOB hypotheek gevestigd op de onroerende goederen. Het gaat met name om de volgende financieringen:

  • de akte van krediethypotheek tot een bedrag van €3.500.000,= verleden ten overstaan van notaris mr. J. Currie op 12 februari 2010;
  • de akte van krediethypotheek tot een bedrag van €500.000,= verleden ten overstaan van notaris mr. J. Currie op 19 april 2012;
  • de akte van krediethypotheek tot een bedrag van €750.000,= verleden ten overstaan van kandidaat-notaris mr. M.H.D. Pinas waarnemende voor notaris mr. G.H.B. Blom op 28 november 2013;
  • de akte van krediethypotheek tot een bedrag van €250.000,= verleden ten overstaan van kandidaat-notaris mr. N.R.N. Lalaram waarnemende voor notaris mr. G.H.B. Blom op 29 december 2014;
  • de akte van krediethypotheek tot een bedrag van €500.000,= verleden ten overstaan van notaris mr. G.H.B. Blom op 28 april 2015;

3.5 Op 14 april 2014 heeft RCR een kredietarrangement getekend met Hakrinbank voor een bedrag van €750.000,=. Het doel hiervan was de herstructurering van het investeringskrediet, de herfinanciering van debet standen op de girorekeningen en de gedeeltelijke doorstart van RCR.
De rente werd daarbij verhoogd van 6,75% naar 7,75% en naderhand naar 8%, terwijl de looptijd korter werd.

3.6 Hakrinbank en NOB hebben bij exploot van deurwaarder R. Bhoelan d.d. 28 juni 2018 aan RCR de openbare verkoop van de onroerende goederen aangezegd voor 17 augustus 2018. Naderhand is deze datum gewijzigd naar 21 september 2018.

3.7 Bij vonnis d.d. 21 september 2018 bekend onder AR no. 18-3906 heeft de kantonrechter de onder 3.6 aangezegde openbare verkoop van de onroerende goederen opgeschort.

3.8 Hakrinbank en NOB hebben bij exploot d.d. 5 december 2018, wederom de openbare verkoop van de onroerende goederen aangezegd en wel voor 11 januari 2019.

3.9 RCR heeft ten aanzien van deze openbare verkoop wederom een vordering tot stopzetting ingediend. Deze vordering is bekend onder AR 19-0043. Partijen (RCR enerzijds en Hakrinbank en NOB anderzijds) hebben ter terechtzitting d.d. 10 januari 2019 de volgende afspraken gemaakt:

  • de totale schuld wordt afgewikkeld voor €4.800.000,=;
  • RCR stort uiterlijk donderdag 17 januari 2019 vóór 09.00 uur het bedrag van €480.000,=;
  • de aangezegde openbare verkoop wordt opgeschort tot 01 februari 2019;
  • RCR voldoet het saldobedrag (€4.800.000,- minus €480.000) ultimo februari 2019;
  • indien RCR de storting van €480.000,= niet pleegt op 17 januari 2019, zal de openbare verkoop op 1 februari 2019 plaatsvinden.

3.10 Bij schrijven van de respectievelijke advocaten van partijen (in de zaak bekend onder AR no. 19-0043) d.d. 18 januari 2019 is aan de kantonrechter de mededeling gedaan dat RCR er niet in is geslaagd te voldoen aan de voorwaarde tot storting van het bedrag van €480.000,=. De kantonrechter heeft hierna vonnis gewezen op 30 januari 2019 en de door RCR gevraagde voorzieningen geweigerd.

3.11 Op 1 februari 2019 heeft de openbare verkoop van de onroerende goederen plaatsgevonden. De onroerende goederen zijn op de veiling gekocht door en toegewezen aan AZ voor een bedrag van SRD50.000.000,= (equivalent van + €5.800.000,=).

4. In eerste aanleg
In de hoofdzaak
4.1 RCR heeft in conventie – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar:

a. zal beslissen dat hangende de behandeling van het geding, Hakrinbank, NOB en AZ worden verboden om de notariële veilingakte dan wel het proces-verbaal van openbare verkoping in te schrijven in de registers van het Management Instituut Glis althans ter overschrijving aan te bieden op straffe van een dwangsom;
b. Hakrinbank, NOB en AZ zal verbieden om de notariële veilingakte dan wel het proces-verbaal van openbare verkoping in de registers van het Management Instituut Glis te doen overschrijven althans ter overschrijving aan te bieden op straffe van een dwangsom;
c. Hakrinbank, NOB en AZ zal veroordelen om het vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom.

In het incident
4.2 RCR heeft – zakelijk weergegeven – gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad haar eis zal worden gewijzigd met dien verstande dat het petitum thans als volgt wordt gelezen:
Primair:

a. AZ zal worden verboden om – hangende de behandeling van het geding – beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot de onder overweging 3.1 hiervoor omschreven onroerende goederen, op straffe van een dwangsom;
b. de doorhaling zal worden gelast van het proces-verbaal van openbare verkoping en toewijzing althans de akte van verkoop en koop/kwijting verleden door notaris
mr. D. Kalisingh op 1 februari 2019 en overgeschreven in register C2705 onder nummer 2347; 2348;
c. Hakrinbank, NOB en AZ zullen worden veroordeeld om het vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom.

Subsidiair:

a. AZ zal worden verboden om – hangende de behandeling van het geding – beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot de in het verzoekschrift omschreven onroerende goederen, op straffe van een dwangsom;
b. AZ zal worden verboden om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot de onder overweging 3.1 hiervoor omschreven onroerende goederen en om haar te veroordelen RCR in het rustig genot te laten daarvan, totdat in bodemgeschil over de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal (lees: van de veiling) is beslist althans voor recht is verklaard dat de veilingakte nietig dan wel vernietigbaar is op straffe van een dwangsom;
c. Hakrinbank, NOB en AZ zullen worden veroordeeld om het vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom.

4.3 De kantonrechter heeft bij tussenvonnis d.d. 12 maart 2019, de gevorderde eiswijziging toegestaan en een afconcludeerschema in de hoofdzaak vastgesteld.

4.4 AZ heeft in reconventie – zakelijk weergegeven – gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad RCR zal worden veroordeeld:

I. om haar medewerking te verlenen aan het overnemen c.q. aangaan van lopende overeenkomsten met derden, waaronder patiënten, patiëntendossiers, personeel c.q. dienstverleners in relatie tot het onroerend goed in kwestie;
II. om haar medewerking te verlenen om AZ toegang te verschaffen tot het litigieuze onroerend goed, waaronder begrepen afgifte van de sleutels, met al hetgeen daarmee samenhangt;
III. tot betaling van een dwangsom;

4.5 De kantonrechter heeft bij vonnis gedateerd 18 april 2019, waarvan beroep, als volgt beslist:
“In conventie
6.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;
6.2 Veroordeelt RCR in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
In reconventie
6.3 Veroordeelt RCR om binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het overnemen c.q. aangaan van lopende overeenkomsten met derden, waaronder patiënten, patiëntendossiers, personeel c.q. dienstverleners in relatie tot het onroerend goed in kwestie;
6.4 Veroordeelt RCR om binnen 24 uur na betekening van het vonnis AZP toegang te verschaffen tot het litigieuze onroerend goed, waaronder begrepen afgifte van de sleutel, met al hetgeen daarmee samenhangt;
6.5 Veroordeelt RCR tot betaling van een dwangsom van SRD10.000,= (…) per dag, het maximum van SRD1.000.000,= (….) niet te bovengaand, voor iedere dag dat zij weigert aan de veroordelingen onder
6.3 en 6.4 van dit vonnis te voldoen;
6.6 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.7 Veroordeelt RCR in de kosten van het geding aan de zijde van AZP gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil. …”.

5. De beoordeling in hoger beroep
In het incident
5.1 In hoger beroep heeft RCR bij incidentele conclusie het verzoek gedaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep totdat het hof een eindvonnis heeft gewezen in de hoofdzaak.
Aangezien AZ heeft toegezegd dat zij gedurende het onderhavige geding geen verdere handelingen zal verrichten met betrekking tot de op de veiling gekochte onroerende goederen, heeft RCR ter terechtzitting van 27 juni 2019 kenbaar gemaakt deze vordering in het incident in te trekken.
Hakrinbank, NOB en AZ hebben zich niet verzet tegen het verzoek tot intrekking van de vordering in het incident zodat dit verzoek zal worden toegewezen. Het incidenteel verzoek van RCR wordt daarom geacht te zijn ingetrokken.

In de hoofdzaak
5.2 RCR concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis zowel in conventie als in reconventie en tot toewijzing van haar oorspronkelijke vordering.
RCR heeft hiertoe gronden en grieven aangevoerd, die hierna zullen worden besproken.

5.3 RCR heeft aangevoerd dat de kantonrechter, voor haar geheel onbegrijpelijk, AZ tot het rechtsgeding heeft toegelaten en op de door haar ingediende vorderingen (het hof begrijpt in reconventie) heeft beslist.
Het hof merkt op dat de oorspronkelijke vordering was ingesteld tegen onder meer “Academisch Ziekenhuis Paramaribo” als gedaagde sub 3, terwijl uit de kop van het beroepen vonnis blijkt dat daarin is opgenomen als gedaagde sub 3 “Academisch Ziekenhuis Paramaribo, ten rechte geheten Academisch Ziekenhuis”.

5.3.1 Anders dan RCR meent heeft de kantonrechter niet een andere procespartij toegelaten tot het geding. De kantonrechter heeft slechts de naam van de reeds in het geding betrokken procespartij “Academisch Ziekenhuis Paramaribo” gecorrigeerd in “Academisch Ziekenhuis Paramaribo ten rechte geheten Academisch Ziekenhuis”.
De rechtsvraag die hier beantwoord dient te worden is of de kantonrechter al dan niet terecht de rectificatie heeft gepleegd van de naam van Academisch Ziekenhuis Paramaribo, zoals blijkt uit de kop van het beroepen vonnis.

5.3.2 AZ heeft in haar conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie in eerste aanleg aangevoerd dat zij als oprichtingsnaam heeft “het Academisch Ziekenhuis en niet het Academisch Ziekenhuis Paramaribo”. Zij, AZ, heeft daarbij gevraagd dit te rectificeren. AZ heeft ter onderbouwing van haar verweer overgelegd een afschrift van het Landsbesluit van de oprichting van Academisch Ziekenhuis.
Als reactie op dit verweer heeft RCR nader gesteld dat volgens de website van AZ, haar brievenhoofd en andere officiële documenten, de naam Academisch Ziekenhuis Paramaribo wordt gebruikt. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van openbare verkoop en toewijzing dat ook Academisch Ziekenhuis Paramaribo de onroerende goederen op de veiling heeft gekocht en geleverd heeft gekregen en niet Academisch Ziekenhuis. Het Hof begrijpt hieruit dat RCR persisteert dat zij de vordering heeft ingesteld tegen Academisch Ziekenhuis Paramaribo en niet tegen Academisch Ziekenhuis.

5.3.3 Gezien het verweer van AZ in eerste aanleg, dat zij niet geheten is “Academisch Ziekenhuis Paramaribo” maar wel “Academisch Ziekenhuis”, mag in rechte ervan worden uitgegaan dat de betrokken procespartij geheten is “Academisch Ziekenhuis” in plaats van “Academisch Ziekenhuis Paramaribo”. De kantonrechter heeft daarom terecht de naam van AZ gecorrigeerd in de kop van het beroepen vonnis, een en ander zoals verwoord in dat vonnis. RCR is door de correctie van de kantonrechter in de kop van het vonnis niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad. Bovendien heeft RCR ook geen verificatoren overgelegd waaruit blijkt dat Academisch Ziekenhuis Paramaribo, tegen wie zij de vordering heeft ingesteld een rechtspersoon is, en dat het in casu gaat om twee totaal verschillende entiteiten.
Uitgaande hiervan concludeert het Hof dat RCR dan ook geheel ten onrechte in haar pleitnota het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP) als geïntimeerde sub C heeft opgenomen en het Academisch Ziekenhuis (AZ) als geïntimeerde sub D, nu uit het beroepen vonnis blijkt dat het om één en dezelfde rechtspersoon gaat (Academisch Ziekenhuis Paramaribo ten rechte geheten Academisch Ziekenhuis) en niet twee afzonderlijke rechtspersonen. Om deze reden heeft het Hof in de kop van dit vonnis de geïntimeerde sub C aangeduid als “Academisch Ziekenhuis Paramaribo ten rechte geheten Academisch Ziekenhuis” en de geïntimeerde sub D (zoals door RCR is opgenomen in haar pleitnota) weggelaten. Dit is geheel in lijn met de naam van die rechtspersoon zoals verwoord in het beroepen vonnis van de kantonrechter.

5.3.4 stelt verder dat de notaris een akte van rectificatie gedateerd 18 april 2019 heeft opgemaakt met betrekking tot de naam van AZ. Volgens deze akte had de koper moeten zijn het landsbedrijf Academisch Ziekenhuis in plaats van het zich in het rechtsverkeer uitgevende landsbedrijf Academisch Ziekenhuis Paramaribo en is de naam van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo gerectificeerd in Academisch Ziekenhuis.
RCR is van mening dat deze akte van rectificatie nietig is, omdat zij niet is betrokken bij deze akte terwijl dat wel had gemoeten. Zij stelt dat Hakrinbank en NOB slechts een machtiging hadden om de onroerende goederen namens RCR in het openbaar te verkopen krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek (BW), doch niet om daarna nog een akte van rectificatie namens RCR als verkoper te tekenen.
Het Hof gaat voorbij aan deze stelling van RCR. De akte van rectificatie vloeit voort uit een rechtshandeling tussen Hakrinbank en NOB enerzijds en AZ anderzijds, dit laatste op grond van een machtiging van RCR uitgebracht op Hakrinbank en NOB ingevolge artikel 1207 BW. In het verlengde daarvan hadden de banken wel de bevoegdheid om mee te werken aan de akte van rectificatie. Immers, van de oorspronkelijke eigenaar wiens onroerende goederen in het openbaar zijn verkocht is het niet verwachtbaar dat zij “vrijwillig” zou meewerken aan een akte van rectificatie.
Het Hof verwerpt hiermee ook de stelling van RCR dat de onroerende goederen verkocht en geleverd zijn aan een niet bestaande rechtspersoon.

5.4 RCR vervolgt dat de kantonrechter onder rechtsoverweging 5.1 van het beroepen vonnis ten onrechte heeft overwogen dat RCR heeft gevorderd dat de litigieuze akte nietig wordt verklaard, wat volgens RCR onjuist is.
RCR stelt hiervoor dat het haar gebleken is dat de woorden “nietig te verklaren althans te vernietigen” per abuis zijn opgenomen in het petitum en vraagt akte van rectificatie hiervan te verlenen.
Zowel AZ als Hakrinbank en NOB verzetten zich tegen de door RCR gevraagde akte van rectificatie.

5.4.1 Uit overweging 3.3 van het tussenvonnis d.d. 12 maart 2019 bekend onder AR no. 19-0773 blijkt dat RCR bij incident, eiswijziging heeft gevorderd, met dien verstande dat het petitum als volgt werd gelezen:
“3.3 …..Primair:
– ……..
– de doorhaling gelast van het proces-verbaal van de openbare verkoop en toewijzing althans de akte van verkoop en koop en kwijting verleden door notaris mr. D. Kalisingh van 1 februari 2019, overgeschreven in register C 2705 onder nummer 2347 en 2348, nietig te verklaren althans te vernietigen…….”.
In overweging 6.1 van het zelfde tussenvonnis heeft de kantonrechter de eiswijziging toegestaan.
Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte zonder meer de eiswijziging heeft toegestaan zoals door RCR gevorderd. Immers is de eiswijziging zoals gevraagd door RCR en overwogen hiervoor onder de tweede gedachtestreep grammaticaal niet correct met als gevolg dat die onduidelijk en verwarrend is. Bij de eiswijziging zoals geformuleerd door RCR, is het onduidelijk of die betrekking had op de doorhaling van de inschrijving van het proces-verbaal van openbare verkoop en toewijzing althans de akte van verkoop en koop en kwijting verleden door notaris mr. D. Kalisingh van 1 februari 2019 in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore en/of de nietigverklaring althans vernietiging van de hiervoor genoemde documenten.
Vanwege deze onduidelijkheid had de kantonrechter daarom eerst RCR in de gelegenheid moeten stellen om zich daarover uit te laten.

5.4.2 Het Hof merkt op dat ingevolge artikel 218 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bepalingen van de tweede titel van overeenkomstige toepassing zijn op het rechtsgeding voor het Hof van Justitie. Dit betekent dat ook in hoger beroep artikel 109 Rv (is een bepaling van de tweede titel) van toepassing is. Artikel 109 Rv bepaalt dat eiser bevoegd is om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerderen.
Naar het oordeel van het Hof is de door RCR gevraagde akte van rectificatie zoals overwogen onder 5.4 hiervoor, niet in strijd met artikel 109 Rv en is die daarom toelaatbaar. AZ, Hakrinbank en NOB worden hierdoor niet geschaad in hun belangen. In het petitum zullen daarom de woorden “nietig te verklaren althans te vernietigen” worden weggelaten, zoals dit reeds onder overweging 4.2 primair onder b is geschied. Het verweer van Hakrinbank en NOB dat de door RCR gevraagde rectificatie bij conclusie van incident moest plaatsvinden zal worden verworpen. Doorslaggevend is dat Hakrinbank en NOB alsook AZ de gelegenheid hebben gehad om zich uit te laten over het verzoek, waardoor zij niet zijn geschaad in hun belangen.

5.5 RCR heeft grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Het Hof zal hierna deze grieven zakelijk weergeven en beoordelen.

Grief 1
RCR stelt dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 5.1.3 van het beroepen vonnis heeft vastgesteld dat de grondslag van het gevorderde, schending van de zorgplicht door de banken is en dat zij daarmee misbruik van hun hypotheekrecht hebben gemaakt. De kantonrechter heeft hiermee misbruik van hypotheekrecht als een gevolg van de schending van de zorgplicht gekwalificeerd, terwijl het een op zichzelf staande grondslag van de vordering is.

5.5.1 Hakrinbank en NOB voeren tegen deze grief aan dat die niet kan worden aangemerkt als een grief. Volgens hen is het door RCR geconstateerde verschil in benadering niet relevant en zo miniem dat op grond daarvan niet gesteld kan worden dat de kantonrechter daardoor geen deugdelijke beoordeling heeft gegeven. Zij voeren aan dat een afzonderlijke beoordeling of een beoordeling in samenhang tot hetzelfde oordeel van de kantonrechter zouden leiden, zodat deze grief dient te worden verworpen.
Dit verweer zal worden verworpen.
De door RCR aangevoerde grieven (dus ook grief 1) zijn bezwaren die zij heeft tegen de beslissing van de kantonrechter, welke bezwaren zouden moeten leiden tot vernietiging van het vonnis. Aangezien RCR aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat Hakrinbank en NOB zich hebben schuldig gemaakt aan schending van hun zorgplicht en misbruik van hun hypotheekrecht, diende de kantonrechter deze gronden separaat te beoordelen. De kantonrechter had dus niet mogen volstaan met het kwalificeren en beoordelen van de grondslag van de vordering, in die zin dat Hakrinbank en NOB hun zorgplicht hebben geschonden en dat zij daarmee misbruik hebben gemaakt van hun hypotheekrecht. Door deze kwalificatie heeft de kantonrechter misbruik van hypotheekrecht beoordeeld als een gevolg van schending van de zorgplicht, terwijl RCR deze twee gronden separaat ten grondslag aan haar vordering heeft gelegd. Aan het voorgaande doet niet af dat er ook wel een samenhang kan zijn tussen deze twee rechtsfiguren.
Deze grief van RCR slaagt.

Grief 2
5.6 RCR betoogt dat de kantonrechter in rechtsoverweging 5.4 van het beroepen vonnis een onvolledige vaststelling heeft gepleegd van de kern van het geschil.
Volgens RCR is de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de banken hun zorgplicht hebben geschonden en of zij misbruik van hun hypotheekrecht hebben gemaakt, en als gevolg daarvan onrechtmatig (onrechtmatige daad/wanprestatie) hebben gehandeld. En ten aanzien van AZ tevens de vraag of AZ daarvan heeft geprofiteerd danwel gebruik c.q. misbruik heeft gemaakt.

5.6.1 Hakrinbank en NOB voeren hiertegen aan dat deze grief dient te worden verworpen, aangezien deze grief veel te wensen overlaat aan duidelijkheid en rechtens ook onjuist is.
Het verweer van AZ ten aanzien van deze grief komt erop neer dat zij het eens is met de formulering zoals gedaan door de kantonrechter.
Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief als volgt.
In overweging 5.4 heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
“5.4 De kern van het geschil
5.4.1 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de Hakrinbank en de NOB onrechtmatig hebben gehandeld jegens RCR dan wel of zij wanprestatie hebben gepleegd jegens RCR en, indien dat het geval zou zijn of dat gevolgen heeft voor de koop van het onroerend goed op de veiling door AZ.”
Naar het oordeel van het Hof heeft de kantonrechter met de vaststelling van de kern van het geschil zoals hiervoor vermeld, onvoldoende de kern van het geschil weergegeven. Immers, terecht zoals RCR heeft aangevoerd is de kern van het geschil de vraag of de banken hun zorgplicht hebben geschonden en misbruik van hun hypotheekrecht hebben gemaakt, en als gevolg daarvan onrechtmatig (onrechtmatige daad/wanprestatie) hebben gehandeld. En ten aanzien van AZ tevens de vraag of AZ daarvan heeft geprofiteerd danwel gebruik c.q. misbruik heeft gemaakt. Dit voorgaande komt, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende tot uiting in overweging 5.4 van het beroepen vonnis.
Deze grief slaagt eveneens.

Grief 3
5.7 Volgens RCR heeft de kantonrechter de vraag of de banken in strijd met hun zorgplicht hebben gehandeld op ondeugdelijke en beperkte wijze getoetst. De kantonrechter heeft daarmee ten onrechte in rechtsoverweging 5.5.2 en 5.6.3 van het beroepen vonnis overwogen en beslist dat de daar aangehaalde jurisprudentie niet gelijk is aan de casus van RCR en derhalve niet van belang is voor de beoordeling. De kantonrechter heeft derhalve een verkeerde uitleg gegeven aan de aangehaalde rechtspraak.

5.7.1 In eerste aanleg heeft RCR ter onderbouwing van haar stelling dat Hakrinbank en NOB hun zorgplicht jegens haar hebben geschonden onder meer een uiteenzetting gegeven over de exploitatie van het Zorghotel, de gesloten kredietovereenkomsten en de herstructurering van de kredieten door Hakrinbank en NOB.
Volgens RCR kwam de exploitatie van het Zorghotel al heel gauw in zwaar weer terecht vanwege het gewijzigd beleid van de Nederlandse overheid om de vergoeding van de kosten van nazorg van patiënten buiten de Europese Unie (AWBZ zorg) in te perken althans te schrappen. De basis waarop RCR was opgericht en het Zorghotel is opgebouwd, kwam in één klap weg te vallen.
Hakrinbank en NOB voeren hiertegen aan dat RCR van meet af aan (dus al in de fase van planning) wist, althans behoorde te weten, dat de kans dat haar AWBZ erkenning zou kunnen wegvallen aanwezig was en er daardoor ook een groot risico was dat aan het bestaan van haar bedrijf in Suriname een einde zou kunnen komen, daar haar doelgroep was in Nederland wonende Nederlanders van Surinaamse origine die in het Zorghotel in Suriname konden worden opgenomen voor nazorg. RCR heeft dus een bewuste risico genomen door haar plan desalniettemin uit te voeren, met alle gevolgen van dien waaronder het niet kunnen nakomen van haar financiële verplichtingen. Ter ondersteuning van hun verweer verwijzen Hakrinbank en NOB naar een MBA thesis met betrekking tot een onderzoek gedaan door HBO studenten, waarbij ook RCR is belicht.
Dit verweer van Hakrinbank en NOB zal worden verworpen. Immers, indien van meet af aan te voorzien was dat de kans dat de AWBZ erkenning zou kunnen wegvallen, zoals door Hakrinbank en NOB aangevoerd, dan rijst de vraag hoe het komt dat en waarom Hakrinbank en NOB toch ertoe zijn overgegaan om dit project van RCR te financieren. Hakrinbank en NOB hebben geen toelichting gegeven op deze vraag. Ook op Hakrinbank en NOB lag er een onderzoeksplicht ter zake, zeker bij zo een omvangrijke financiering van bijkans vijf miljoen Euro als de onderhavige. De bijzondere zorgplicht van de banken brengt met zich dat er niet zonder meer kredieten kunnen worden verstrekt maar dat ook de kredietwaardigheid en de aflossingsmogelijkheden van de cliënt dient te worden nagegaan.

5.7.2 Over de herstructurering van de kredieten heeft RCR – zakelijk weergegeven – het volgende gesteld. Toen zij, RCR, problemen kreeg met de aflossing van de kredieten bij de Hakrinbank en NOB heeft zij een doorstartplan ingediend bij laatstgenoemden die het krediet hebben geherstructureerd. Bij de herstructurering van het krediet is de rente door Hakrinbank en NOB verhoogd met meer dan 1% terwijl ook de looptijd van het krediet werd verkort, dit alles zonder dat RCR vooraf werd geïnformeerd. Daarnaast was zij, RCR, ook niet geïnformeerd over de wijze waarop de
Hakrinbank het krediet zou herstructureren en wist zij niet dat Hakrinbank een belangrijk deel van de verhoging zou besteden aan het wegwerken van de aflossingsachter- standen en het reserveren voor toekomstige aflossingen. Dit bleek pas nadat het kredietarrangement ter ondertekening aan RCR voor akkoord werd aangeboden. Het gevolg was dat RCR de aflossing van US$32.600,= per maand moeilijk kon opbrengen, hetgeen de Hakrinbank had kunnen voorzien.

Naast het voorgaande onderging de Surinaamse munt een enorme devaluatie. Mede hierdoor kwam RCR in aflossingsproblemen omdat de kredieten in Euro waren gedenomineerd terwijl de opbrengsten voornamelijk in Surinaamse Dollar zijn.

5.7.3 Hakrinbank en NOB hebben – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – niet althans niet gemotiveerd weersproken dat bij de herstructurering van het krediet de rente door hen is verhoogd met meer dan 1% terwijl ook de looptijd van het krediet werd verkort, dit alles zonder dat RCR vooraf werd geïnformeerd, zodat dit aannemelijk is. Niet is weersproken dat de herstructurering van het krediet tot doel had het maken van een doorstartplan door RCR en dat Hakrinbank en NOB op de hoogte waren van de moeilijke financiële positie van RCR.
Bij de herstructurering hadden de banken moeten onderzoeken of de door hen voorgenomen condities voor de te herstructureren geldleningen pasten in de financiële situatie waarin RCR inmiddels was komen te verkeren. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat Hakrinbank en NOB dit onderzoek hebben gedaan. Daarnaast komt er bij dat door de herstructurering van de kredieten, RCR in nog grotere problemen kwam omdat niet alleen de rente was verhoogd (met meer dan 1%) maar ook de looptijd werd verkort terwijl Hakrinbank een belangrijk deel van de verhoging zou besteden aan het wegwerken van de aflossingsachterstanden en het reserveren voor toekomstige aflossingen. Naast het voorgaande onderging de Surinaamse munt ook nog een enorme devaluatie, waardoor RCR in aflossingsproblemen kwam omdat de kredieten in Euro waren gedenomineerd terwijl de opbrengsten voornamelijk in Surinaamse Dollar zijn.
Gelet op dit alles is het dan ook onduidelijk hoe RCR door de herstructurering een kans kreeg om uit de benarde positie te komen, waarin deze zich al bevond. Ook is niet gebleken dat Hakrinbank en NOB de consequenties van de herstructurering aan RCR hebben voorgehouden, en deze de gelegenheid hebben geboden om een bewuste keus te maken daarvoor. Tegen deze achtergrond is het dan ook begrijpelijk dat RCR de aflossing van US$32.600,= per maand moeilijk kon opbrengen en hierdoor in nog grotere problemen kwam.
De zorgplicht van Hakrinbank en NOB brengt zeker met zich dat zij voorafgaande aan de herstructurering, wetende wat het doel daarvan was, de haalbaarheid van dat doel en de (eventuele) consequenties van de herstructurering serieus met RCR dienden te bespreken. Hakrinbank en NOB mochten er niet zonder meer van uit gaan dat (de directeur van) RCR een “doorgewinterde” zakenman was en het dus behoorde te begrijpen. Dit nalaten van Hakrinbank en NOB leidt tot de conclusie dat zij hun zorgplicht jegens RCR hebben geschonden.

5.7.4 RCR stelt verder dat zij – zoekend naar oplossingen – gesprekken heeft gevoerd met de directeur van AZ, in de persoon van mevrouw C. Redan, en dhr. Hasrat van het Staatsziekenfonds Suriname (hierna SZF). Zo waren er verregaande afspraken met AZ tot het verhuren van 50 bedden, waarbij alleen over de prijs nog onderhandeld werd. Het SZF had een betalingsachterstand bij RCR met betrekking tot de door RCR verrichtte diensten, en het SZF had besloten om hiervan SRD1.000.000,= af te lossen. RCR verwijst hiertoe naar een brief gedateerd 10 september 2018 (productie 12 aangehecht aan het verzoekschrift in eerste aanleg) van dhr. Hasrat van SZF aan de directeur van Hakrinbank. Met de huurgelden en de aflossingen van SZF zou RCR haar achterstand kunnen inlopen bij de Hakrinbank en NOB. Laatstgenoemden waren van dit voorgaande in kennis gesteld.

Terwijl (de directeur van) RCR nog op 20 september 2018 met de directeur van de Hakrinbank mogelijkheden besprak om een door Hakrinbank en NOB aangezegde veiling te stoppen kwam RCR er achter dat er op 19 september 2018 (twee dagen voor de veiling van 21 september 2018) een gesprek is geweest tussen de directeur van de Hakrinbank, de minister van Volksgezondheid, de heer Hasrat van SZF en ook mevr. Redan van het AZ. Volgens RCR is het zeer opmerkelijk dat na deze bijeenkomst de communicatie met AZ, ondanks herhaalde pogingen van RCR niet meer mogelijk was. Ook de reactie van de heer Hasrat direct na de bijeenkomst was opmerkelijk nl: “De bank werkt niet mee aan de voorgestelde oplossingen. Zij gaan gewoon veilen”. Bij RCR bestaat hierdoor het vermoeden dat er tijdens het gesprek op 19 september 2018 afspraken zijn gemaakt dat AZ en/of de Staat de onroerende goederen zouden kopen op de veiling van 21 september 2018 voor de uitstaande schuld bij de Hakrinbank en NOB.

5.7.5 Hakrinbank en NOB hebben niet althans niet gemotiveerd weersproken dat er op 19 september 2018 een gesprek is geweest tussen de directeur van de Hakrinbank, de minister van Volksgezondheid, de heer Hasrat van SZF en ook mevr. Redan (directeur) van AZ.
Alhoewel AZ ontkent dat dit gesprek heeft geleid tot het onderbreken van de onderhandelingen met RCR over de huur van een aantal bedden ontkent zij niet dat voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden.
In beschouwing nemend dat AZ de koper van de onroerende goederen is geweest op de veiling, behoefde deze “ontmoeting dan wel gesprek” – en wel 2 (twee) dagen voor de veiling – tussen de directeur van de Hakrinbank, de minister van Volksgezondheid, de heer Hasrat van SZF en ook mevr. Redan van het AZ wel enige uitleg, over met name de reden van dit gesprek. Door hierover geen uitleg te geven is de stelling van RCR, dat tijdens het gesprek op 19 september 2018 tussen voornoemde partijen afspraken zijn gemaakt dat AZ en/of de Staat het onroerend goed zouden kopen op de veiling van 21 september 2018 voor de uitstaande schuld bij de Hakrinbank en NOB, aannemelijk.

5.7.6 Het Hof constateert dat AZ pas bij dupliekpleitnota de reden heeft aangegeven van het gevoerde “overleg” met de minister van Volksgezondheid, de heer Hasrat van SZF en de directeur van Hakrinbank. Volgens AZ ging het om een regulier overleg vanwege het feit dat de verzekeringen worden uitgekeerd door SZF, welke instantie valt onder het Ministerie van Volksgezondheid, en voorts omdat zij al langer dan 20 jaren bankiert bij de Hakrinbank.
Het bevreemdt het Hof dat deze informatie pas bij de dupliekpleitnota is gegeven, juist op het moment waarop RCR niet meer de mogelijkheid heeft om hierop te reageren. In eerste aanleg en in dit hoger beroep heeft AZ bij antwoordpleidooi hiervan nimmer gewag gemaakt. AZ is dan ook tardief met het geven van deze uiteenzetting, en het Hof gaat daarom voorbij daaraan.

5.7.7 RCR stelt voorts dat zij ter stopzetting van een voor 11 januari 2019 aangekondigde veiling van de onroerende goederen, een vordering instelde bij de kantonrechter in kort geding en dat partijen ter terechtzitting het een en ander zijn overeengekomen, zoals overwogen onder 3.9 hiervoor.
Volgens RCR was het haar op 17 januari 2019 niet gelukt om het ter terechtzitting bij de kantonrechter overeengekomen bedrag van €480.000,= te storten op rekening van de Hakrinbank. Echter lukte het haar wel om op 30 januari 2019 – nog voor de openbare verkoop van 1 februari 2019 – een bedrag van €500.000,= te voldoen. Hierover heeft de directeur van RCR op 30 januari 2019 tezamen met twee investeerders een gesprek gehad met de voormalige directeur van Hakrinbank, de heer Jim Bousaid (hierna Bousaid), die op voordracht van de Hakrinbank functioneerde als bemiddelaar. Het RCR bood hem tijdens dat gesprek een half miljoen Euro aan ter aflossing zodat de veiling op 1 februari 2019 kon worden stopgezet, met inachtneming van de schikking ter terechtzitting van 10 januari 2019, namelijk dat de restant aflossing ultimo februari 2019 zal plaatsvinden. In dat gesprek gaf Bousaid aan dat Hakrinbank hiertoe bereid zou zijn maar hij stelde voor het bedrag te verhogen. Het RCR heeft met behulp van de investeerders kans gezien om €750.000,= aan te bieden en dit bedrag had zijn, Bousaid’s, goedkeuring.
Op advies van Bousaid heeft RCR diezelfde dag contact opgenomen met de waarnemend directeur van de Hakrinbank, mevrouw Keerveld, ter bespreking van een regeling, zoals met Bousaid afgesproken. Keerveld gaf te kennen dat er absoluut geen regeling meer getroffen kon worden.

5.7.8 Hakrinbank en NOB hebben ten aanzien van het voorgaande aangevoerd dat de kantonrechter nadrukkelijk had aangegeven dat, indien het bedrag van €480.000,= op donderdag 17 januari 2019 om 09.00 uur ’s morgens niet zou zijn voldaan door RCR, zij, Hakrinbank en NOB, onverkort tot veiling mochten overgaan op 1 februari 2019. Zij voeren verder aan dat onder de omstandigheden van dit geval waarbij de veiling tot twee maal toe geen voortgang heeft gevonden, eerst na een vonnis tot schorsing van de executie en de tweede keer vanwege een schikkingsvoorstel, van hen niet kon worden verlangd dat zij hun belangen langer opzij zetten ten faveure van RCR.
Het Hof verwerpt dit verweer.
Alhoewel partijen bij de kantonrechter waren overeengekomen dat indien het bedrag van €480.000,= op donderdag 17 januari 2019 om 09.00 uur ’s morgens niet zou zijn voldaan door RCR, zij, Hakrinbank en NOB, onverkort tot veiling mochten overgaan op 1 februari 2019, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat deze afspraak zo “absoluut” werd gezien door Hakrinbank en NOB. Hakrinbank en NOB mochten uit de afspraak van partijen bij de kantonrechter niet afleiden dat zij na 17 januari 2019, elk serieus bod van betaling door RCR mochten weigeren, ook indien dit bod een dag of zelfs een avond voor de veiling werd gedaan.
De vraag die hier dient te worden beantwoord is hoe “serieus” het door RCR gedane bod van betaling van het bedrag van €750.000,= – en wel een avond voor de veiling – was.

5.7.9 Naar het Hof begrijpt beroepen Hakrinbank en NOB zich erop dat niet van een serieus bod kon worden uitgegaan, nu RCR daags daarvoor (kennelijk wordt bedoeld op 17 januari 2019 zoals afgesproken bij de kantonrechter) zich niet heeft kunnen houden aan de afspraak betreffende de betaling van het voorschot van €480.000,=. Volgens Hakrinbank en NOB had de voormalig directeur Bousaid niets goedgekeurd omdat hij de bevoegdheid daartoe niet had.
Het Hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende.
Hakrinbank en NOB hebben niet weersproken dat RCR op 30 januari 2019 tezamen met twee investeerders een gesprek heeft gehad met de voormalig directeur Bousaid. Evenmin hebben zij de stelling van RCR, dat de voormalig directeur Bousaid op voordracht van de Hakrinbank als bemiddelaar functioneerde tijdens het gevoerde gesprek, weersproken. Het hof acht dan ook aannemelijk dat de voormalig directeur Bousaid op voordracht van Hakrinbank functioneerde als bemiddelaar.
Het enkele verweer van Hakrinbank en NOB dat Bousaid “geen enkel voorstel heeft goedgekeurd” omdat hij de bevoegdheid daartoe niet had acht het hof onvoldoende gemotiveerd.
Immers, nu aannemelijk is dat de voormalig directeur Bousaid op voordracht van Hakrinbank als bemiddelaar heeft opgetreden tijdens het gesprek met RCR en de investeerders mocht van Hakrinbank en NOB worden verwacht dat zij meer duidelijkheid gaven over de positie van de voormalig directeur Bousaid als bemiddelaar in deze (wat mocht hij wel en wat niet) en het resultaat van de in dit kader gevoerde “bemiddeling” door de voormalig directeur Bousaid. Hakrinbank en NOB hebben dit evenwel nagelaten, zodat zij niet hebben voldaan aan hun motiveringsplicht terzake.
De uiteenzetting van de bemiddeling zoals die is gedaan door RCR met als resultaat dat de voormalig directeur Bousaid zijn goedkeuring heeft gegeven voor een aflossingsbedrag van €750.000,=, acht het Hof dan ook aannemelijk. Hieruit begrijpt het Hof dat een aflossingsbedrag van €750.000,= acceptabel was voor Hakrinbank en NOB ter stopzetting van de veiling.
Gezien de wijze van onderhandeling tussen RCR met twee investeerders en waarbij de voormalig directeur van Hakrinbank als bemiddelaar van de Hakrinbank is opgetreden en het resultaat van de onderhandeling zoals hiervoor omschreven, acht het Hof het door RCR aan Hakrinbank gedane bod van aflossing van het bedrag van €750.000,= voldoende serieus. Hakrinbank en NOB waren dan ook gehouden om daarmee rekening te houden, en in het verlengde daarvan RCR de gelegenheid te bieden om het voornoemd bedrag af te lossen ter stopzetting van de veiling. Dit ondanks het feit dat partijen ten overstaan van de rechter een afspraak hadden gemaakt dat bij niet voldoening van het bedrag van €480.000,= op uiterlijk 17 januari 2019 de veiling normaal mocht voortgaan op 1 februari 2019. Hakrinbank en NOB hadden geen redelijk te respecteren belang om, ook na 17 januari 2019 en zelfs niet zoals in casu is geschied een dag danwel een avond voor de veiling, een serieus bod van betaling gedaan door RCR te weigeren.
Met het voorgaande gaat het Hof dan ook voorbij aan het verweer van Hakrinbank en NOB dat onder de gegeven omstandigheden dat de veiling tot tweemaal toe geen voortgang had gevonden, niet van hen mocht worden verwacht dat zij hun belangen langer opzij zetten ten faveure van het belang van RCR die structureel in gebreke bleef. Van de Hakrinbank en NOB mocht worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid in acht namen, en tot het uiterste gingen om de openbare verkoop te voorkomen. Zij dienden dus niet alleen rekening te houden met hun belangen maar ook met de gerechtvaardigde belangen van RCR.

5.7.10 RCR stelt verder dat op de dag van de veiling, te weten 1 februari 2019, een minuut voor de veiling de notaris bekend heeft gemaakt dat de hypotheekhouders (Hakrinbank en NOB) afwijken van de algemene veilingvoorwaarden voor wat betreft de toewijzing c.q. gunning en betaling van de koopsom. Daarbij is aangegeven, dat er geen termijn van beraad is, dat direct zal worden toegewezen c.q. gegund aan de hoogste bieder en, dat de koopsom direct contant, of binnen een half uur middels een garantiestelling betaald moet worden.
Er waren bijkans 20 potentiële kopers op de veiling. Na het aanhoren van de bijzondere voorwaarden zijn enkele onmiddellijk vertrokken. Het AZ heeft op de veiling de onroerende goederen gekocht als hoogste bieder. Zij heeft tegen de bankschuld gekocht althans is hiermee de bankschuld voldaan, aldus RCR.

5.7.11 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd weersproken staat rechtens tussen partijen vast dat op de dag van de veiling te weten 1 februari 2019, en wel kort voor de veiling Hakrinbank en NOB zijn afgeweken van de algemene veilingvoorwaarden, met name voor wat betreft de toewijzing c.q. gunning en betaling van de koopsom, een en ander zoals hiervoor door RCR gesteld.
De rechtsvraag die voorligt ter beantwoording is of de wijziging van de veilingvoorwaarden “kort” voor de veiling is toegestaan en of deze wijziging, zoals die in casu is geschied, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Het Hof overweegt vooraf dat het doel van de veilingvoorwaarden is om potentiële kopers in kennis te stellen van alle relevante informatie over de veiling. Naar het oordeel van het Hof is het wijzigen van de algemene veilingvoorwaarden over het algemeen niet in strijd met enige wettelijke bepaling of bestendig gebruikelijk beding. Evenwel is het Hof van oordeel dat de wijziging van de algemene veilingvoorwaarden zoals deze in casu is geschied, waarbij onder andere de betalingscondities van de koopsom zijn aangepast, wel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dit omdat niet is uitgesloten dat Hakrinbank en NOB hierdoor andere belangstellenden c.q. potentiële kopers hebben ontmoedigd danwel hebben overvallen doordat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld noodzakelijke voorzieningen te treffen teneinde een serieus bod te doen.
Daarnaast hebben zij ook niet gesteld wat de noodzaak was om de voorwaarden zo rigoureus en kort voor de veiling te wijzigen en evenmin is van enig belang daartoe gebleken. Alhoewel Hakrinbank en NOB, en ook AZ dit ontkennen, komt het het Hof voor dat het niet gebruikelijk danwel verwachtbaar is dat een adspirant koper op de veiling – zonder enige voorkennis van deze bijzondere voorwaarden – volledig voorbereid met de volledige koopsom of bankgarantie naar de veiling gaat en terstond na de veiling de betaling doet. Dit zou ook raar zijn omdat men vooraf niet op de hoogte kan zijn wat de veilingprijs is, tenzij – terecht zoals door RCR gesteld – er vooraf afspraken zijn gemaakt met de adspirant koper waardoor die volledig voorbereid naar de veiling kon gaan. Hakrinbank en NOB hebben door hun handelingen als hiervoor omschreven misbruik gemaakt van hun executierecht.

5.7.12 De vraagt rijst verder ook nog of AZ, die de onroerende goederen op de veiling heeft gekocht, wel heeft voldaan aan de bijzondere voorwaarden, in die zin dat de koopsom direct contant of binnen een half uur middels een garantiestelling door haar is betaald.
RCR heeft bij repliekpleitnota gesteld dat uit het overzicht van de Hakrinbank d.d. 16 mei 2019 blijkt dat de aflossing is geboekt op 12 februari 2019, zodat zij concludeert dat AZ niet terstond heeft betaald hetgeen in strijd is met de bijzondere veilingvoorwaarden. Daarnaast is gebleken dat slechts het bedrag van €3.668.075,30 is gestort. Dit is een gedeeltelijke aflossing van de executiekoopsom en onduidelijk is wat er met het restant bedrag in Euro is gebeurd.
Hakrinbank en NOB noch AZ hebben dit niet weersproken zodat hetgeen RCR hiervoor gesteld heeft aannemelijk is.
Uitgaande van het feit dat de veiling is gehouden op 1 februari en dat de aflossing is geboekt op 12 februari 2019 terwijl ook niet is gebleken dat deze aflossing de volledige koopsom is die de veiling heeft opgebracht met AZ als koper, acht het Hof aannemelijk dat in strijd is gehandeld met de bijzondere veilingvoorwaarden – die Hakrinbank en NOB notabene zelf op stel en sprong hebben veranderd kort voor de veiling – waarbij vereist werd dat de koopsom direct contant of binnen een half uur met garantiestelling diende te worden betaald. Naar het oordeel van Hof kan ook om deze reden de veilingsakte niet in stand kan blijven.

5.7.13 RCR stelt verder dat zij al haar vorderingen op derden heeft moeten cederen aan de banken, ondanks de onroerende goederen voldoende verhaal boden. Volgens RCR hebben Hakrinbank en NOB geen deugdelijk inzicht gegeven in de restschuld.
Gezien het voorgaande mocht van Hakrinbank en NOB worden verwacht dat zij op een deugdelijke wijze inzicht gaven in de restschuld. Met name is van belang dat zij deugdelijk inzichtelijk maakten wat er met de door RCR aan hen gecedeerde schulden op derden is gebeurd, zeker nu RCR heeft gesteld dat de vordering van haar op SZF – die eveneens is gecedeerd – voldoende verhaal bood voor de restschuld.
Ook hier zijn Hakrinbank en NOB in gebreke gebleven, om nadere uitleg over te geven.

5.7.14 RCR stelt voorts dat vóór de veiling AZ samen met haar consultant, dhr. Glenn Uiterloo (hierna Uiterloo), een repatriëringsplan met betrekking tot de dialyse patiënten van RCR hebben gemaakt, teneinde deze patiënten elders onder te brengen. AZ voert aan dat dit een pertinente onwaarheid is, dat zij geen kennis draagt van een dergelijk plan en dat voor zover Uiterloo voornoemd uitspraken zou hebben gedaan over de overdracht van patiënten, hij dit op eigen titel heeft gedaan maar niet namens of in opdracht van het AZ.
Het Hof gaat voorbij aan deze vage ontkenning van AZ, nu zij niet expliciet heeft ontkend dat haar consultant Uiterloo betrokken is geweest bij een repatriëringsplan van de dialyse patiënten. Gezien het verweer van AZ dat Uiterloo eventuele uitspraken daarover op eigen titel zou hebben gedaan versterkt dit wel het vermoeden dat dit repatriëringsplan is gemaakt. Aangezien Uiterloo als consultant in dienst is van AZ mocht van AZ worden verwacht dat zij concreet uitsluitsel daarover gaf. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen middels een verklaring van die Uiterloo. AZ heeft dit nagelaten en is hier dus tekort geschoten in haar motiveringsplicht.
Dit maakt dan ook aannemelijk dat het vrijwel zeker was dat AZ de onroerende goederen zou kopen op de veiling, en dat er afspraken met Hakrinbank en NOB daarover zijn gemaakt buiten RCR om.
In het verlengde hiervan neemt het Hof ook mee de door de procesgemachtigde van Hakrinbank en NOB met de directeur van AZ, bij Whatsapp gevoerde communicatie tijdens de comparitiezitting ten overstaan van de rechter in een der rechtszaken van RCR enerzijds tegen Hakrinbank en NOB anderzijds.
Hakrinbank en NOB hebben onweersproken gelaten, de stelling van RCR, dat in deze berichten de directeur van AZ heeft verzekerd dat AZ alle patiënten in het Zorghotel zal overnemen, na een veiling. Hakrinbank en NOB hebben ter zake hiervan aangevoerd dat zij slechts bij AZ hebben geverifieerd of bedoelde patiënten die gedialyseerd worden, in het AZ terecht konden voor dialyse.
AZ heeft aangevoerd dat de strekking van de gesprekken betrof het garanderen van medische zorg voor de patiënten zodat deze niet aan hun lot zouden worden overgelaten.
Het is het Hof onduidelijk waarom Hakrinbank en NOB direct AZ en geen andere zorginstelling(en) hebben benaderd voor de eventuele overname van patiënten, nu er ook andere dialyse instellingen zijn in Suriname waarvan de patiënten gebruik konden maken. Hakrinbank, NOB noch AZ hebben hierin duidelijkheid verschaft terwijl dit wel van ze mocht worden verwacht gezien de omstandigheid dat AZ de koper op de veiling is geweest. Bovendien is het nog maar zeer de vraag of AZ als ziekenhuis op deze wijze (dus even via Whatsapp communicatie) afspraken kan en mag maken over overname van patiënten in een andere zorginstelling, zonder dat de betrokken patiënten daarvan kennis dragen. Het Hof zal deze vraag onbeantwoord laten nu dit niet van belang is voor de verdere beoordeling van de onderhavige zaak.

Grief 4
5.8 Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5.6.4 van het beroepen vonnis overwogen en beslist dat niet aannemelijk is dat de directeur van RCR niet kundig was.
De kantonrechter heeft onder overweging 5.6.4 van het beroepen vonnis het volgende overwogen:
“Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet aannemelijk geworden dat de Hakrinbank of de NOB gronden hadden om te twijfelen aan de kundigheid van RCR om op een verantwoorde wijze om te gaan met de kredietrelatie”.
Om voormelde reden acht de kantonrechter niet aannemelijk dat de Hakrinbank en NOB als professionele dienstverleners hadden moeten inzien dat RCR niet aan de aflossingsverplichtingen zou kunnen voldoen. Om tot voormeld oordeel te komen heeft de kantonrechter verwezen naar het verweer van Hakrinbank en NOB, dat RCR nimmer de indruk heeft gewekt dat zij onkundig is of geen inzicht heeft of lichtvaardig omgaat met de hypotheek. Integendeel is RCR een onderneming met een directeur die veel ervaring heeft in het bedrijfsleven in Nederland en geen gebrek heeft aan kundigheid en inzicht wanneer het gaat om bankzaken.

5.8.1 Hakrinbank en NOB hebben hiertegen aangevoerd dat terecht mag worden verondersteld dat de directeur van RCR kundig is, nu hij vanaf 1994 als ondernemer actief is in de zorgsector in Nederland, alwaar hij in 1994 een particulier zorgcentrum heeft opgericht dat op 4 locaties vestigingen heeft. De directeur heeft vaker met banken/investeerders onderhandeld over de financiering van zijn bedrijf. Bij de financiering van het Zorghotel heeft hij evenzo persoonlijk als directeur onderhandeld en is hij hypothecaire leningen aangegaan met banken in zowel Nederland als in Suriname.
RCR heeft dit voorgaande niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan. Gezien het voorgaande heeft de kantonrechter, naar het oordeel van het Hof, in het beroepen vonnis dan ook terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat de Hakrinbank of de NOB gronden hadden om te twijfelen aan de kundigheid van RCR om op een verantwoorde wijze om te gaan met de kredietrelatie.
Evenwel is het Hof van oordeel dat bij het verstrekken van kredieten – zeker van een dergelijke omvang als de onderhavige – niet alleen dient te worden uitgegaan van de “deskundigheid” van de schuldeiser doch hebben ook de banken een eigen verantwoordelijkheid om te waken voor overkreditering.
Hierbij wordt verwezen naar overweging 5.7.3 hiervoor waarin is overwogen dat Hakrinbank en NOB in strijd hebben gehandeld met hun zorgplicht bij de herstructurering van het krediet.

Grief 5
5.9 RCR stelt dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 5.5.5 van het beroepen vonnis heeft aangenomen dat de banken gerechtigd waren om na verloop van de afgesproken periode van de schikking op 17 januari 2019 te besluiten tot executie. Alzo hanteert de kantonrechter in rechtsoverweging 5.8.7 van dat vonnis ten onrechte het uitgangspunt dat de veiling rechtmatig is geweest daar het aannemelijk is dat de banken RCR voldoende in de gelegenheid hebben gesteld om te voldoen aan de hypotheekvoorwaarden. Ook toen zij tot 17 januari 2019 de gelegenheid had een substantiële aflossing te plegen.

5.9.1 Hakrinbank en NOB hebben tegen deze grief aangevoerd dat het de kantonrechter is ten overstaan van wie met RCR de afspraak is gemaakt dat zij uiterlijk op 17 januari 2019 een bepaald bedrag van €480.000,= moesten aflossen en voorts dat indien de betaling niet uiterlijk op de afgesproken dag zou zijn voldaan, Hakrinbank en NOB mochten overgaan tot de openbare verkoop van de onroerende goederen. Volgens Hakrinbank en NOB gaat RCR eraan voorbij dat, nu zij zich niet gehouden heeft aan de harde afspraken, het ook niet geloofwaardig is dat zij een bedrag van €750.000,= op 30 januari 2019 zou aflossen.
AZ heeft tegen deze grief van RCR aangevoerd dat de banken jarenlang meer dan afdoende geduld hebben betracht en is het RCR zelf die zich structureel niet aan afspraken en schikkingsvoorstellen heeft gehouden. Tegen deze achtergrond is het zeer begrijpelijk dat de banken een avond voor de veiling een enkel telefoontje van RCR dat zij tot deelbetaling zal overgaan niet serieus neemt.

5.9.2 Hof heeft reeds eerder overwogen dat Hakrinbank en NOB niet zonder meer een serieus bod van RCR tot betaling mochten weigeren, een en ander zoals overwogen onder 5.7.8 en 5.7.9 hiervoor. Deze grief slaagt.

Grieven 6 en 7
5.10 RCR stelt dat de kantonrechter ten onrechte geen toetsing heeft gepleegd of de banken te goeder trouw zijn afgeweken van de algemene voorwaarden door het opmaken van een tweetal bijzondere veilingvoorwaarden handelende over de betalingsconditie. Mede hierdoor heeft de kantonrechter niet danwel onvoldoende getoetst of de banken misbruik van recht hebben gemaakt.
Hakrinbank en NOB hebben hiertegen aangevoerd dat afwijken van algemene voorwaarden geen misbruik is van executierecht. Volgens hen zijn bijzondere veilingvoorwaarden geldende bepalingen, vermeld in de akte van veilingvoorwaarden of in het proces-verbaal van veiling. Zij concluderen dus te hebben gehandeld geheel overeenkomstig de wet en het gebruik van hun recht om tot de openbare verkoop van het bezwaard onroerend goed over te gaan. Van misbruik van executierecht is er daarom geen sprake.
AZ voert tegen deze grief aan dat indien er sprake mocht zijn van enig onrechtmatig handelen op basis van de bijzondere veilingvoorwaarden zou dat alleen de banken kunnen worden verweten, en kan dit niet werken tegen AZ omdat zij als koper op de veiling wordt beschermd.

5.10.1 Naar het oordeel van het Hof heeft de kantonrechter ten onrechte verzuimd om de toets te doen van de stelling van RCR dat de banken niet te goede trouw zijn afgeweken van de algemene voorwaarden.
Het Hof gaat voorbij aan het verweer van Hakrinbank en NOB terzake. Het Hof heeft eerder overwogen dat Hakrinbank en NOB ten onrechte op zo een rigoureuze wijze zijn afgeweken van de algemene voorwaarden. Het Hof verwijst ten aanzien hiervan naar de rechtsoverwegingen 5.7.10 en 5.7.11.
Voor wat betreft het verweer van AZ oordeelt het Hof dat uit de handelingen van de banken en AZ gezamenlijk, zoals overwogen onder 5.7.10 tot en met 5.7.14 het aannemelijk is dat zij bewust hebben samengespannen voorafgaande aan de veiling zodat AZ de onroerende goederen tegen de bankschuld kon kopen op de veiling. Onder deze omstandigheden is zij, AZ, niet te goeder trouw en wordt zij ook niet beschermd als koper. In dit verband wordt niet alleen gekeken naar hetgeen zich heeft voltrokken tijdens de veiling, maar vooral ook voorafgaande aan de veiling waarbij er tussen de directeur van de Hakrinbank, de directeur van AZ, de heer Hasrat van SZF en de minister van Volksgezondheid gesprekken zijn gevoerd zonder dat RCR daarbij betrokken is geweest en waarvan tot heden in het duister wordt getast over de inhoud van deze gesprekken. In dit plaatje past dan ook de brief van de minister van Volksgezondheid gedateerd 25 maart 2019 gericht aan de waarnemend directeur van de Hakrinbank waarin hij vraagt het onroerend goed ter zake over te dragen aan Stichting River View Medical Care Suriname, die ‘onlangs’ werd opgericht ter exploitatie van het aangekochte Zorghotel. Merkwaardig hierbij is ook nog dat de voorzitter van deze Stichting is de heer Hasrat van het SZF. Onduidelijk is waarom de minister van Volksgezondheid dit verzoek doet aan de waarnemend directeur van Hakrinbank, terwijl AZ de koper is van het onroerend goed.
Het verweer van AZ dat de brief van de minister van Volksgezondheid dateert van lang nadat de veiling heeft plaatsgevonden en dat dit geen indicatie geeft dat AZ met de banken zou hebben samengewerkt gaat niet op. Per slot van rekening is de minister van Volksgezondheid niet pas in beeld gekomen na de veiling maar ruim vóór de veiling tijdens de “onderhandelingen” met de directeur van Hakrinbank, dhr. Hasrat van SZF en de directeur van AZ in de persoon van mevr. Redan.
Daarnaast komt ook bij kijken de rigoureuze wijziging van de algemene veilingvoorwaarden door Hakrinbank en NOB kort voor de veiling, zonder daarvoor de noodzaak aan te geven terwijl ook gebleken is dat AZ niet heeft voldaan aan de gewijzigde algemene veilingvoorwaarden, een en ander zoals overwogen onder 5.7.12. Het verweer van AZ terzake wordt daarom verworpen.

Grieven 8 en 9
5.11 RCR stelt dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 5.7.1 van het beroepen vonnis heeft overwogen en beslist dat het tot een ontwrichting van het systeem zou leiden wanneer veilingen steeds nietig zouden worden verklaard wanneer de veilingsom lager is dan de taxatiewaarde. Voorts dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 5.7.2 van het beroepen vonnis heeft overwogen en beslist dat het niet aannemelijk is dat er sprake is van een zodanige koopsom dat de toewijzing als onrechtmatig zou kunnen worden aangemerkt.

5.11.1 In overweging 5.7.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter – zo ver van belang – het volgende overwogen:
“….De rechtspraak in acht nemende is het niet aannemelijk dat er sprake is van een zodanige koopsom dat de toewijzing als onrechtmatig zou kunnen worden aangemerkt.”
Gezien deze overweging heeft de kantonrechter slechts aandacht gehad voor de koopsom die de veiling heeft opgebracht. Naar het oordeel van het Hof had de kantonrechter zich eveneens moeten toeleggen op de vraag of de hypotheekhouder en AZ onder de gegeven omstandigheden, en wel vóór, tijdens en ná de veiling te goede trouw hebben gehandeld. Dit zeker nu RCR zich beroept op een samenzwering tussen Hakrinbank en NOB enerzijds met AZ anderzijds. In het verlengde hiervan kan de vraag worden gesteld of de veilingkoopsom reëel was.
Naar het oordeel van het Hof dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Uit de overwegingen hiervoor kan worden geconcludeerd dat Hakrinbank en NOB, voorafgaand aan de veiling veel steken hebben laten vallen, zodat niet aannemelijk is dat het bedrag welke de veiling heeft opgebracht reëel is.
In dit verband wordt verwezen naar:

  • de omstandigheid dat er gebreken kleven aan de totstandkoming van de herstructurering van de kredieten;
  • de aannemelijkheid dat Hakrinbank en NOB twee dagen voorafgaande aan de veiling de afspraak hebben gemaakt met AZ dat zij dan wel de Staat de onroerende goederen zou kopen op de veiling gezien de (geheimzinnige) ontmoeting tussen de directeur van de Hakrinbank enerzijds met de directeur van AZ (mevr. Redan), de heer Hasrat van SZF en de minister van Volksgezondheid;
  • de weigering door Hakrinbank en NOB van het serieus bod van betaling van het bedrag van €750.000,= gedaan door RCR ter voorkoming van de veiling;
  • het afwijken van de algemene veilingvoorwaarden door Hakrinbank en NOB kort voor de veiling zonder duidelijke reden en het niet hebben voldaan aan gewijzigde veilingvoorwaarden door AZ;
  • de onduidelijkheid over de hoogte van de saldoschuld;
  • de aannemelijkheid dat reeds vóór de veiling het vrijwel zeker was dat AZ de onroerende goederen zou kopen op de veiling;
  • de omstandigheid dat de minister van Volksgezondheid een verzoek heeft gericht aan de directeur van Hakrinbank tot overdracht van de onroerende goederen aan de speciaal daarvoor opgerichte Stichting Medical Care;
  • de omstandigheid dat de voorzitter van de hiervoor genoemde Stichting is dhr. Hasrat van SZF.

Grief 10
5.12 RCR stelt voorts dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 5.8.6 van het beroepen vonnis heeft overwogen: “inderdaad is na september wel contact geweest over een te treffen schikking in januari 2019 en is het niet aannemelijk, gezien het feit dat RCR reeds een aantal jaren met de overheid gesprekken aan het voeren was over een oplossing van de financiële problemen van RCR”.
Naar het oordeel van het Hof is de kantonrechter ten onrechte ervan uitgegaan dat partijen na september 2018 nog in contact zijn geweest over het treffen van een schikking in januari 2019. Immers, heeft RCR terecht zoals zij stelt, juist gesteld dat alle communicatie met de banken na september 2018 was verbroken.
Deze grief slaagt.

Grief 11
5.13 RCR stelt verder dat in rechtsoverweging 5.1.3 (lees 5.1.4) derde gedachtestreep van het beroepen vonnis de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat RCR heeft gesteld dat de Hakrinbank en NOB na het uitgebrachte bod haar de gelegenheid hadden moeten bieden om na te gaan of alsnog overgegaan kon worden tot het onderhands verkopen van het onroerend goed.
Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de stellingen van RCR dat zij zich erop beroept dat Hakrinbank en NOB haar de gelegenheid niet hebben geboden om de onroerende goederen onderhands te verkopen. Echter heeft RCR niet gesteld dat haar deze kans moest worden geboden na het uitgebrachte bod, zoals door de kantonrechter overwogen in het beroepen vonnis.
Ook deze grief slaagt.

Grief 12
5.14 RCR betoogt dat de kantonrechter ten onrechte verzuimd heeft te oordelen over de gestelde samenwerking tussen AZ en de banken alsmede of AZ heeft geprofiteerd van de onrechtmatige handelingen van de banken danwel daarvan gebruik c.q. misbruik heeft gemaakt.
Deze grief slaagt. Uit het beroepen vonnis blijkt inderdaad dat de kantonrechter verzuimd heeft om te oordelen over de hiervoor genoemde stelling van RCR.

Grieven 13 en 14
5.15 Volgens RCR heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5.11 van het beroepen vonnis ten onrechte aangenomen dat ten aanzien van de naam AZP sprake is van een kennelijke schrijffout en AZ ten onrechte heeft toegelaten tot het proces. Bij die vaststelling heeft de kantonrechter niet aan haar motiveringsplicht voldaan. RCR stelt voorts dat de kantonrechter op grond van het voorgaande, met name gezien hetgeen is aangevoerd omtrent de naam van AZP, ten onrechte het primair gevorderde tot doorhaling van de veilingakte heeft afgewezen.
Deze grief faalt. Ten aanzien van deze grieven wordt verwezen naar overweging 5.3 tot en met 5.3.4 van dit vonnis.

5.16 Uit al hetgeen hiervoor is overwogen in onderlinge samenhang beschouwd, komt het Hof komt tot het oordeel dat aannemelijk is dat de banken hun zorgplicht jegens RCR hebben geschonden en tevens misbruik hebben gemaakt van hun executierecht, terwijl AZ hiervan heeft geprofiteerd. Naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal het proces-verbaal van veiling danwel de veilingakte geen stand houden in een bodemprocedure en dus worden vernietigd danwel nietig verklaard door de bodemrechter. Gelet hierop kan het beroepen vonnis van de kantonrechter niet in stand blijven en dient deze te worden vernietigd.

5.17 Het hof is van oordeel dat het in conventie onder primair a gevorderde dient te worden geweigerd wegens gebrek aan belang. Het primair onder b gevorderde zal eveneens worden geweigerd nu het Hof van oordeel is dat dit onderdeel van het gevorderde geen voorlopige voorziening betreft maar een definitieve voorziening. De gevorderde dwangsommen als ook het primair onder c gevorderde zullen worden geweigerd nu dit een sequeel is van het primair onder b gevorderde. Het subsidiair onder a gevorderde zal ook worden geweigerd wegens gebrek aan belang.

5.18 Het hof zal in het verlengde van hetgeen is overwogen onder 5.16 en 5.17 hiervoor het in conventie onder subsidiair b gevorderde toewijzen met dien verstande dat aan AZ een verbod zal worden opgelegd om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot de bedoelde onroerende goederen. Voorts zal AZ worden gelast om RCR in het rustig genot te laten van de onroerende goederen totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van veiling in rechte zal hebben beslist.

Ook zal het subsidiair onder c gevorderde worden toegewezen in die zin dat de Hakrinbank, NOB en AZ zullen worden veroordeeld om het vonnis te gehengen en te gedogen. De daarbij gevorderde dwangsom zal verder worden toegewezen als in het dictum te melden.
Dit alles heeft tot gevolg dat de door AZ in reconventie gevraagde voorzieningen dienen te worden geweigerd.

5.19 Het Hof acht bespreking van de overige grieven en weren van partijen overbodig.

5.20 Hakrinbank, NOB en AZ zullen, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

6. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 18 april 2019 bekend onder A.R. no. 19-0773, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:
6.2 In conventie

a. Staat de gevorderde eiswijziging toe, één en ander zoals overwogen onder de overwegingen 5.4 tot en met 5.4.2.
b. Verbiedt AZ om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten met betrekking tot de in overweging 3.1 hiervoor omschreven onroerende goederen totdat in bodemgeschil is beslist over de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van de veiling.
c. Veroordeelt AZ om RCR in het rustig genot te laten van de hiervoor vermelde onroerende goederen totdat in bodemgeschil is beslist over de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van de veiling.
d. Veroordeelt Hakrinbank en NOB om dit vonnis te gehengen en te gedogen.
e. Veroordeelt Hakrinbank, NOB en AZ, ieder afzonderlijk tot betaling van een dwangsom van SRD500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollars) voor elke dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen en wel tot een maximum van SRD10.000.000,= (tien miljoen Surinaamse Dollar).
f. Weigert het meer of anders gevorderde.

6.3 In reconventie
Weigert de gevraagde voorzieningen.

6.4 In conventie en in reconventie
Veroordeelt Hakrinbank, NOB en AZ in de kosten van het geding aan de zijde van RCR in beide instanties gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 2260,– (Tweeduizend tweehonderd en zestig Surinaamse Dollar).

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 7 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de Fungerend- Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. J.K. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellant en geïntimeerden sub A en B vertegenwoordigd door advocaat mr. J.K. Kraag-Brandon, gemachtigde van geïntimeerden sub A en B en geïntimeerde sub C vertegenwoordigd door advocaat mr. S.N. Essed, gemachtigde van geïntimeerde sub C, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie namens deze,

mevr. C.R. Tamsiran-Harris, LL.B, Fungerend-Griffier.

SRU-K1-2011-17

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 102026
23 augustus 2011

Vonnis in de zaak van:

A. [eiser sub a], concubaan van eiseres sub B,
B. [eiser sub b], concubine van eiser sub A en handelende als moedervoogdes over de minderjarigen
beiden wonende in [land 1],
eisers,
gemachtigde van beiden: mr.L.T. Patterson, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, in casu het Ministerie van Binnenlandse Zaken met name het Centraal Bureau voor Burgerzaken, ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. A. Hunte, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen

  • het verzoekschrift dat met de producties op 11 mei 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 15 juni 2010;
  • de conclusie van antwoord d.d. 20 juli 2010;
  • de conclusie van repliek d.d. 3 augustus 2010;
  • de conclusie van dupliek d.d. 2 november 2010;
  • de rolbeschikking d.d. 19 april 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal d.d. 7 juli 2011 betreffende de gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 2 augustus 2011, doch nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers hadden een concubinaatsrelatie met elkaar, uit welke relatie de twee hierna genoemde kinderen zijn geboren:

  1. [naam 1], en wel op [geboortedag 1] te [district], [land 2];
  2. [naam 2], en wel op [geboortedag 2] te [district], [land 2].

2.2 Bij akte d.d. 29 september 1998 heeft eiser sub A de minderjarigen erkend.

2.3 Op 17 april 2003 heeft eiser sub A in de zaak bekend onder A.R. No. 031577 een vordering tot nietigverklaring van de door hem gedane erkenning als hiervoor vermeld tegen eiseres sub B ingesteld.
Reden tot het instellen van die vordering was de breuk die toen in de relatie tussen eisers was ontstaan en er twijfels waren gerezen omtrent het vaderschap van eiser sub A.

2.4 Doordat eiseres sub B (toen gedaagde in de zaak bekend onder A.R. No. 031577) al de stellingen die eiser sub A (toen eiser in de zaak bekend onder A.R. No. 031577) aan de vordering in de zaak bekend onder A.R. No. 031577 had ten grondslag gelegd, had erkend heeft de kantonrechter in het eerste kanton bij vonnis d.d. 20 juli 2004 de bedoelde vordering tot nietigverklaring toegewezen. Dit vonnis is bij akte d.d. 27 augustus 2004 in de registers van erkenning van de Burgerlijke Stand van Paramaribo ingeschreven.

2.5 In de geboorteakten van de hiervoor genoemde minderjarigen heeft de ambtenaar van gedaagde op 20 juli 2005 de kanttekening gemaakt dat de erkenning van de minderjarigen nietig is verklaard.

2.6.1 Thans zijn partijen herenigd en wonen wederom samen. Blijkens het rapport van een bij eiser sub A gedaan DNA onderzoek d.d. 22 januari 2010 is eiser sub A de biologische vader van de hiervoor genoemde minderjarigen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vorderen onder meer:
Primair:
– gedaagde te gelasten de doorhaling te doen plaatsvinden van:

a. de akte d.d. 27 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de erkenningen van de Burgerlijke Stand van Paramaribo, waarbij het vonnis van de Plaatsvervangend Kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo van 20 juli 2004 is ingeschreven;

b. de kanttekeningen d.d. 20 juli 2005 gedaan door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op de geboorte-akten, fol. [nummer 1] ten name van [naam 1] en fol. [nummer 2] ten name van [naam 2], waarbij vermeld is dat hun erkenning nietig is verklaard;

Subsidiair:
– gedaagde te verplichten mee te werken aan de wedererkenning door eiser sub A van de kinderen [naam 1], geboren op [geboortedag 1] te [district], [land 2] en [naam 2], geboren op [geboortedag 2] te [district], [land 2].

3.1. Mede is gevorderd uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij voorraad en veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen, naast de feiten vermeld onder 2, aan hun vordering ten grondslag dat zij wederom burgerrechtelijke betrekkingen tussen eiser A en zijn kinderen willen doen ontstaan dan wel doen herleven, doch weigert gedaagde hieraan mee te werken.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, welk verweer voor zover voor de beslissing van belang, zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde werpt tegen dat eisers de onderhavige vordering in een ander proces dienden in te stellen. Voor zover gedaagde doelt op een vordering ter zake aanvulling of verbetering van de registers, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde uitgaat van een onjuist standpunt. Wat eisers wensen is (weder)erkenning van hun minderjarige kinderen van wie zij de biologische ouders zijn, doch weigert gedaagde volgens hun stelling hieraan mede te werken. Hieruit begrijpt de kantonrechter dat eisers zich op het standpunt stellen dat de erkenning een waarheidshandeling is, inhoudende dat eiser sub A de biologische vader van de hiervoor genoemde kinderen is en de erkenning zijn vaderschap weergeeft.

In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat volgens het nieuwe afstammingsrecht erkenning geen waarheidshandeling is, doch een familierechtelijke rechtshandeling die gericht is op het doen ontstaan van een familierechtelijke betrekking met een kind. De erkenning houdt een vermoeden in van verwekking door de man die het kind erkent en wordt van dat vermoeden een bewijs verlangd. Hieruit vloeit voort dat een niet-verwekker een kind rechtsgeldig kan erkennen en kan dat vermoeden van verwekkerschap worden weerlegd in de vorm van vernietiging van de erkenning, zoals partijen dat in de zaak bekend onder A.R. No. 031577 hadden gevorderd. Daar het vonnis in die zaak gezag van gewijsde heeft en is uitgevoerd, komt het primair gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking.

4.2 Volgens vaste jurisprudentie dient de erkenner de erkenning te willen, welke ingevolge artikel 335 onder b BW kan geschieden door een akte van erkenning, overeenkomstig artikel 30 BW. Als niet weersproken staat vast dat eiser sub A aan gedaagde heeft kenbaar gemaakt de hiervoor genoemde kinderen te willen erkennen, doch weigert gedaagde hieraan mede te werken. Nu eiser sub A zijn wil tot erkenning van de hiervoor genoemde kinderen kenbaar heeft gemaakt en de ambtenaar van de burgerlijke stand ingevolge artikel 30 BW slechts de bevoegdheid en de plicht heeft de akte van erkenning op te maken, zal het subsidiair gevorderde worden toegewezen. Ten overvloede wijst de kantonrechter partijen erop dat de erkenning geen terugwerkende kracht heeft en dus niet terugwerkt tot de geboorte. Slechts gerechtelijke vaststelling van het vaderschap werkt terug tot de geboorte.

4.3 Daar eisers hun eigen proceshouding tot de nietigverklaring van de erkenning van de hiervoor genoemde kinderen in de zaak bekend onder A.R. No. 031577 heeft geleid en daaruit voortvloeiend tot het instellen van de onderhavige vordering tegen gedaagde, acht de kantonrechter het niet redelijk en billijk gedaagde in de proceskosten die aan de zijde van eisers zijn gevallen te verwijzen. Om die reden zullen de proceskosten tussen partijen gecompenseerd worden.

5. De beslissing

5.1 Verplicht gedaagde mee te werken aan de (weder)erkenning door eiser sub A van de kinderen [naam 1], geboren op [geboortedag 1] te [district] [land 2] en [naam 2], geboren op [geboortedag 2] te [district], [land 2].

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 23 augustus 2011 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2019-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 19-0228
25 januari 2019

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A.ROCCO PALLAS N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Sir Winston Churchillweg BR 315 in het district Wanica,
B. [eiser sub B],
wonende aan [adres] te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

HAKRINBANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 22 januari 2019 op de griffie der kantongerechten is ingediend,met de producties;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 24 januari 2019;
  • de conclusie van antwoord.
  • de aantekening van de griffier betreffende het mondeling afpleiten voor repliek en dupliek d.d. 24 januari 2019.

1.2 De verdere behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019 in aanwezigheid van voormelde gemachtigden. De gemachtigden hebben gepleit voor repliek en dupliek. De griffier heeft van het verhandelde aantekeningen gemaakt.

Hierna is uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Tussen partijen bestaat sinds 2004 respectievelijk 2011 een overeenkomst.

Gedaagde heeft de bankrelatie met eisers opgezegd, waarbij hun zakelijke en privé rekeningen zijn opgeheven. In dat licht heeft gedaagde aan eiser sub B twee weken de tijd geboden het saldo van zijn privé-rekeningen op te nemen.

2.2 Op 15 oktober 2018 heeft eiser sub B het schrijven betreffende de opzegging ontvangen. Ditzelfde schrijven heeft eiseres sub A per email d.d. 30 oktober 2018 door tussenkomst van zijn gemachtigde ontvangen. In dat schrijven heeft gedaagde onder meer het volgende vermeld:
“Recentelijk hebben wij, in het kader van ons klant reviewbeleid, u naar actuele informatie van uw bedrijf gevraagd. Deze hebben wij in goede orde ontvangen, waarvoor onze dank.
Bij nadere controle heeft onze beoordelingscommissie besloten dat wij geen diensten meer aan Rocco Pallas NV zullen aanbieden.
Eveneens delen wij u mee dat de fixed deposito’s, geadministreerd onder (…) zullen worden opgeheven, zodra de looptijd is verstreken.
U krijgt 2 (TWEE) weken de gelegenheid het saldo van de bovengenoemde zakelijke rekeningen op te nemen. Na deze periode worden de rekeningen opgeheven.”

2.3 Op 14 november 2018 heeft gedaagde in reactie op het schrijven van de gemachtigde van eisers waarin deze om duidelijkheid vraagt, het volgende vermeld:
“Met referte aan uw schrijven d.d. 23 oktober 2018 berichten wij u het navolgende:
Uit ons Know Your Customer en Customer Due Dilligence onderzoek, is gebleken dat het risicoprofiel van Rocco Pallas N.V. op grond van onze Anti-Money-Laundering en Combating the Financing of Terrorism risicoclassificatie is gestegen en wel boven de risicotolerantie grens van onze bank.
Het vorengaande ligt dan ook ten grondslag aan onze beslissing om de bankrelatie met uw cliënte te beëindigen. In onze brief d.d. 15 oktober 2018 hebben wij uw cliënte van deze beslissing op de hoogte gesteld. Deze brief is per reguliere postzending verzonden naar uw cliënte (Rocco Pallas N.V.). In de bijlage doen wij u een kopie van voormeld schrijven toekomen.”

2.4 Bij schijven d.d 26 november 2018 hebben eisers via hun gemachtigde aan gedaagde kenbaar gemaakt de beeindiging niet te accepteren, omdat de door gedaagde opgegeven reden onduidelijk en onacceptabel is, eisers reeds jaren zaken met gedaagde doen en er geen wijziging is gekomen in de wijze waarop eisers zaken met gedaagde doen.

2.5 Bij schrijven d.d. 09 januari 2019 heeft gedaagde aan eisers kenbaar gemaakt hen de gelegenheid te bieden tot uiterlijk 25 januari 2019 de gelden van de rekeningen te lichten. Bij gebreke daarvan zal gedaagde de bedragen op de rekeningen ter beschikking van eisers stellen op elke wijze zoals gedaagde dat geschikt acht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
a) gedaagde te gelasten om de bankrelatie met eisers binnen 1 uur na vonniswijzing te continueren en na te komen, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,- per uur voor elk uur dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde wanprestatie jegens hen pleegt.Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:
– gedaagde heeft niet concreet aangegeven wat de zo zwaarwegende gronden zijn om de overeenkomst op te zeggen. Het opzeggen van de overeenkomst zonder zwaarwegende gronden is in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de stellingen en de vordering. Daarom worden eisers in het kort geding ontvangen.

4.2 Niet in geschil is of gedaagde op grond van artikel 26 van de Algemene Voorwaarden van gedaagde de bankrelatie met cliënten mag opzeggen, doch de beantwoording van de vraag of de door gedaagde opgegeven reden voldoende is om in redelijkheid over te gaan tot opzegging van de bankrelatie met eisers.

Gedaagde betoogt dat zij op grond van de door eisers aan haar verstrekte informatie en uit een nader door haar ingesteld onderzoek tot de conclusie is gekomen dat het risicoprofiel van eisers niet meer past binnen haar risicobeleid. Met name betoogt zij dat het risicoprofiel van eisers is gestegen boven haar risicotolerantie als bankinstelling. Ondanks eisers in hun tweede beurt hebben gesteld dat de opgegeven reden niet geconcretiseerd is en aldus onduidelijk en niet acceptabel is, is gedaagde in haar tweede beurt bij haar standpunt gebleven. Daarbij heeft zij verder betoogt dat zij op grond van haar risicobeleid en artikel 26 van de Algemene Voorwaarden te allen tijde bevoegd is de bankrelatie met haar cliënten op te zeggen. Tevens is zij in dat kader gebonden aan internationale bancaire regels en de richtlijnen van de Centrale Bank van Suriname. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van gedaagde dat zij zich dient te houden aan internationale bancaire regels en richtlijnen van de Centrale Bank van Suriname en dat het niet in acht nemen van deze regels zowel nationaal als internationaal risico’s voor haar bedrijfsvoering zullen hebben, doch kan gedaagde naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet slechts stellen dat het risicoprofiel van eisers niet meer past binnen haar risicobeleid en in dat kader enkel verwijzen naar de geldende regels. Zij diende middels feiten en omstandigheden te concretiseren waarom het risicoprofiel van eisers niet past binnen haar risicobeleid. Pas dan zou het voor de kantonrechter mogelijk zijn om te toetsten of die feiten en omstandigheden het besluit van gedaagde rechtvaardigen dan wel te aanvaarden zijn. Nu gedaagde geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld dan wel geen enkel inzicht heeft verschaft welke risicovolle activiteiten van eisers ertoe leiden dat de risicotolerantie van gedaagde is overschreden, zal de door eisers gevraagde voorziening worden toegewezen

4.3 De kantonrechter wenst te benadrukken dat opzegging van een bankrelatie te allen tijde mogelijk is, doch wordt dit beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zijn de omstandigheden van het geval waaronder zulks geschiedt relevant. In dat licht verwijst de kantonrechter ter zake naar het arrest van HR 10 oktober 2014, ECLI: NL: HR: 2014: 2929 ING/[naam].

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze omvatten tot de dag van de uitspraak: het vastrecht ad SRD 50,- en kosten voor oproep per deurwaardersexploot ad SRD 280,-.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
5.1 Veroordeelt gedaagde om de bankrelatie met eisers binnen 2 (Twee) uren na de uitspraak van dit vonnis te continueren en na te komen, op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,- (Vijfduizend Surinaamse Dollar) per uur dat gedaagde hiermee jegens één der eisers in gebreke blijft en maximeert de totaal te verbeuren dwangsommen op SRD 1.000.000,- (Eén Miljoen Surinaamse Dollar).

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 330,- (Driehonderd en Dertig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op vrijdag 25 januari 2019 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-14

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-5289
10 december 2015

Vonnis in kort geding inzake:

ROSEBEL GOLD MINES N.V.,
rehtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende
aan de Heerenstraat no. 8 te Paramaribo,
eiseres in conventie tevens gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

ROSEBELL GOLDMINES WERKNEMERS ORGANISATIE, afgekort R.G.W.O.,
rechtspersoon en gevestigd en kantoorhoudende aan de
Burenstraat no. 46 te Paramaribo,
gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in kort geding,
gemachtigden: mrs. S. Marica en E. van der Hilst, advocaten.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

Partijen worden in het hiernavolgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk Rosebel en RGWO;

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen;
Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 02 december 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;

  • De mondelinge conclusie van eis;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, onder overlegging van producties;
  • De mondelinge conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en uitlating producties, onder overlegging van producties;
  • De mondeling conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en uitlating producties;
  • De mondelinge conclusie van dupliek in reconventie;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

2. Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:
2.1 Rosebel haar activiteiten zijn gericht op het exploiteren van een goudmijn bedrijf, waarbij haar werkterrein voor exploitatie gelegen is in het district Brokopondo;

2.2 Per augustus 2015 waren er ongeveer 1960 personen werkzaam bij Rosebel (werknemers en contractors);

2.3 De RGWO is de vakvereniging binnen het bedrijf van Rosebel en vertegenwoordigt de bij haar aangesloten leden, zijnde de werknemers van Rosebel;

2.4 Tussen Rosebel en de RGWO is er op 02 november 2011 een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) tot stand gekomen welke tot op heden valide is;

3. De standpunten van partijen

In conventie:
3.1 Rosebel vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de RGWO zal worden bevolen om binnen één uur na de uitspraak van dit vonnis haar leden, zijnde de werknemers van Rosebel, opdracht te geven c.q. te instrueren het werk overeenkomstig hun arbeidsovereenkomst en overeenkomstig het werkschema te hervatten en voort te zetten en daarvan aan Rosebel schriftelijk mededeling te doen. Voorts vordert zij dat RGWO zal worden verboden om aan de werknemers van Rosebel opdracht te geven of aan te zetten of aanwijzingen te geven tot het verrichten van handelingen, die inbreuk maken op het eigendoms- en concessierecht en equipment van Rosebel, op de bedrijfsterreinen te Brokopondo, meer specifiek het verhinderen van de toegang tot voormeld terrein. Daarnaast vordert Rosebel dat de RGWO zal worden bevolen zich te onthouden van elke aansporing, aanzetting of uitlokking, althans elke handeling, op welke wijze of onder welke benaming dan ook, uit te voeren, welke tot strekking of gevolg heeft: – gehele of gedeeltelijke werk neerlegging of het schenden van de tussen Rosebel en haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomst. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD 250.000,00 voor elke keer of elke dag dat RGWO nalaat te voldoen aan voormelde veroordeling/of bevel/of verbod. Tevens vordert zij dat RGWO zal worden veroordeeld in de gedingkosten;

3.2 Aan de vordering legt Rosebel – naast voormelde vaststaande feiten – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat op 08 oktober 2015 tussen 8.00 en 10.00 uur de werknemers van Rosbel geïnformeerd zijn over de op handen zijnde inkrimping van personeel bij Rosebel. In totaal zouden ongeveer 160 werknemers moeten worden afgevloeid.

Hiertoe is Rosebel genoodzaakt geworden, onder andere vanwege de veranderde marktcondities, waaronder begrepen dient te worden, de scherpe daling van de internationale goudprijs, hogere productiekosten en lagere goudproductie. In de maand oktober 2015 zijn er verschillende bijeenkomsten met de RGWO geweest waarbij Rosebel heeft getracht met de RGWO tot overeenstemming te komen met betrekking tot de afvloeiingsregeling, helaas zonder resultaat. De RGWO heeft overigens geen concrete tegenvoorstellen gedaan. Rosebel heeft vervolgens het traject ingezet om met de individuele werknemers, die moesten worden afgevloeid, te geraken tot een beëindigingsovereenkomst met wederzijds goedvinden, waarbij uiteraard de werknemers een goede afkoopregeling is aangeboden. Rond 20 november 2015 hadden reeds meer dan 60 werknemers de afvloeiingsregeling geaccepteerd en was de overeenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Op 23 november 2015 is Rosebel door de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname opgeroepen om die avond om 19.00 uur daar aanwezig te zijn. Die avond werd Rosebel meegedeeld dat de RGWO de bemiddeling van de Bemiddelingsraad had gevraagd inzake 3 zaken. Op verzoek van Rosebel kreeg zij daar een kopie van deze brief gedateerd 19 november 2015. Rosebel heeft direct haar reactie ter zake gegeven erop neerkomende dat Rosebel heeft ontkend dat zij vertegenwoordigers/bestuursleden van de vakbond, tevens werknemers van de vakbond, niet toelaat tot de werkterreinen ter uitoefening van hun vakbondswerkzaamheden. Het klopt dat enkele bestuursleden, tevens werknemers, is gevraagd om thuis te blijven, doch Rosebel heeft hun op geen enkele wijze verhinderd hun vakbondsactiviteiten uit te oefenen. Hun functies zijn komen te vervallen en er is helaas geen werk meer voor hun. Ze worden wel doorbetaald, met dien verstande dat hun basisloon wordt uitbetaald aangezien zij geen overwerk verrichten. Overigens blijkt uit de cao dat ook bij verlof en ziekte de werknemer het basissalaris ontvangt (op basis van 8 uren en niet voor 12 uren). De Bemiddelingsraad heeft partijen teruggestuurd naar de onderhandelingstafel. Op 27 november 2015 hebben partijen weer gesproken waarbij de RGWO wederom dezelfde punten heeft opgenoemd en Rosebel op dezelfde wijze heeft gereageerd. Op maandag 30 november 2015 heeft Rosebel de Bemiddelingsraad schriftelijk bericht over de bijeenkomst met de RGWO en aangegeven dat zij geenszins onrechtmatig handelt en dat zij de mening is toegedaan dat de bemiddeling van de Bemiddelingsraad dan ook niet nodig is. Op dinsdag 01 december 2015 is omstreeks 2 uur in de ochtend op het werkterrein van het bedrijf te Brokopondo wederom een onrechtmatige staking onder leiding van de RGWO uitgebroken en welke staking thans voortduurt. Ongeveer 4 uren later heeft Rosebel vervolgens een schrijven gedateerd 30 november 2015 van de RGWO mogen ontvangen terwijl de staking al gaande was en is het bedrijf van Rosebel geheel platgelegd. Ondanks herhaalde oproepen zijdens Rosebel aan de RGWO en haar leden, weigeren deze het werk te hervatten. Zij gaan zelfs zo ver dat zij werkwilligen verhinderen en bedreigen om hun werkzaamheden uit te oefenen. Momenteel kunnen deze minstens 250 werkwilligen het bedrijfsterrein niet verlaten en worden tegen hun wil daar door de RGWO gehouden. Tussen Rosebel en de RGWO was eerder op 18 mei 2006, onder andere, overeengekomen dat er voor nu en voor de toekomst niet meer zou worden overgegaan tot het blokkeren, alsook dat het equipment/materieel niet zou worden gebruikt voor andere doeleinden dan strikt voor de uit te voeren werkzaamheden voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst. Eveneens was tussen partijen een procedure overeengekomen dat erop neerkwam dat bij geschillen alle oplossingsmogelijkheden eerst dienden te zijn uitgeput, alvorens men zou overgaan tot staking. Door de eigendommen/equipment van Rosebel te gebruiken anders dan voor de door Rosebel bedongen werkzaamheden, handelt RGWO onrechtmatig jegens Rosebel. De schade die Rosebel lijdt als gevolg van de staking die thans gaande is, wordt geraamd op ruim US$ 500.000,- per dag. Daarnaast dient Rosebel ook nog door te betalen het loon van de werkwilligen alsook normale overheadkosten, terwijl haar bedrijfsactiviteiten volledig waren stilgelegd. RGWO is dan ook aansprakelijk voor de schade die thans wordt geleden door Rosebel;

3.3 RGWO heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hiernavolgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen;

In reconventie
3.4 RGWO vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad Rosebel zal worden veroordeeld om er zorg voor te dragen dat zij binnen 3 uren na vonniswijzing geheel en in overeenstemming met het arbitraal beding zoals opgenomen in artikel 29 van de vigerende cao zich aanmeldt bij de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname ter oplossing van het geschil tussen partijen bestaande. Voorts vordert zij dat Rosebel zal worden verboden om de werknemers van Rosebel opdracht te geven of aan te zetten of aanwijzingen te geven tot het niet verrichten van de bedongen arbeid en/of handelingen te plegen en/of te belemmeren op de bedrijfsterreinen te Brokopondo te betreden totdat de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname alle ruimte heeft gehad om het geschil op te lossen zoals bedoeld in artikel 29 van de vigerende cao tussen partijen bestaande. Daarnaast vordert zij dat Rosebel zal worden bevolen zich te onthouden van elke aansporing, aanzetting of uitlokking, althans elke handeling op welke wijze of onder welke benaming dan ook uit te voeren welke tot strekking of als gevolg heeft inkrimping of afvloeiing van personeelsleden. Tenslotte vordert zij dat het besluit van Rosebel gericht aan de werknemers om thuis te blijven zal worden opgeschort althans geschorst totdat op het geschil tussen partijen bestaande bij de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname zal zijn beslist. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD 1.000.000,00 voor elke keer of dag dat Rosbel in strijd handelt met de veroordeling en/of het verbod en/of het bevel. Tevens vordert zij dat Rosebel zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

3.5 Aan de vordering legt RGWO – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – ten grondslag dat op 30 september 2015 Rosebel in plaats van overleg, informatie heeft verstrekt aan de RGWO met betrekking tot haar voornemens om een inkrimping c.q. afvloeiing te plegen van het personeel, werkzaam bij Rosebel. Die informatieverstrekking is in strijd met de bepalingen van de cao daar Rosebel verplicht was in overleg te treden met de RGWO. Op 8 oktober 2015 heft Rosebel zonder medeweten en/of goedkeuring van de RGWO mededelingen gedaan aan de leden van de RGWO inhoudende inkrimping c.q. afvloeiing van de leden van de RGWO. De RGWO heeft steeds getracht om tot overleg te komen met Rosebel door markante punten te noemen die zij verwerkt heeft in een raamwerk. Tijdens het overleg bleek dat Rosebel ontzettend veel problemen had met 3 punten uit het raamwerk. Toen zulks bleek heeft de RGWO conform het bepaalde in artikel 29 lid 4 sub b van de vigerende cao het geschil voorgelegd aan de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname. Partijen zijn alstoen opgeroepen door de Raad en na beëindiging van de eerste sessie met de Raad zijn partijen weer opgeroepen voor de tweede sessie welke zou plaatsvinden op 30 november 2015. Op bedoelde dag heeft Rosebel de Bemiddelingsraad aangeschreven daarbij zeggende dat zij de bemiddeling van de Raad niet nodig achtte. Door alzo te handelen heeft Rosebel de vigerende cao geschonden, welke schending door de RGWO wordt aangemerkt als te zijn wanprestatie zijdens Rosebel jegens de RGWO. Erger nog heeft Rosebel zich schuldig gemaakt aan hetgeen bepaald is in artikel 10 lid 1 en 2 van de wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst en alzo de wet geschonden, welke schending door de RGWO wordt aangemerkt als te zijn een onrechtmatige handeling jegens de RGWO met de schuld van Rosebel daaraan. Naast deze wanprestatie en onrechtmatige handelingen en/of gedragingen van Rosebel heeft Rosebel in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 3 van de wet bescherming werknemersvertegenwoordigers, vijf bestuursleden van de RGWO aangezegd thuis te blijven. Deze handeling en/of gedraging van Rosebel is niet alleen maar in strijd met de wet voornoemd, maar ook in strijd met artikel 30 en 31 van de Grondwet. Deze gedragingen en/of handelingen van Rosebel gekoppeld aan de desavouering van de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname zijn ernstige maatschappelijke onbetamelijke gedragingen die in de rechtsstaat Suriname als te onzent niet getolereerd kunnen worden. Om deze redenen heeft de RGWO recht en belang bij behandeling van deze zaak in rechte en wel in kort geding ter bekoming van een voorziening, daar er nog steeds ruimte is om het geschil te doen oplossen door de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname en er aldus ingevolge de literatuur en de rechtspraak er hier sprake is van de bereikbaarheid van spoedarbitrage;

3.6 Rosebel heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

4. De beoordeling

In conventie:
4.1 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 RGWO heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – dat er in artikel 29 lid 4 van de huidige cao ten aanzien van geschillen een arbitrale regeling is getroffen. Rosebel heeft de bedoelde cao en artikel 10 van de Wet op cao met het schrijven van 30 november 2015 op zeer ernstige wijze geschonden door de bemiddeling van de Bemiddelingsraad voor geheel Suriname niet nodig te achten. De RGWO is van mening dat alle partijen betrokken bij de cao zich moeten onderwerpen aan het arbitraal beding zoals bedoeld in artikel 29 lid 4 b van de bedoeld cao. Bovendien waren partijen bevoegd ingevolgde het gestelde in artikel 500 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zich aan het arbitraal beding te verbinden. Dit arbitraal beding is op de wet gestoeld. Aangezien thans voornoemde artikelen van de cao en de wet in casu van toepassing zijn, kan de kantonrechter in dit kort geding geen kennis nemen van dit geschil en dient zich onbevoegd te verklaren;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is voormeld meest verstrekkend verweer va RGWO ongegrond en dient te worden verworpen. Hetgeen is vastgelegd in artikel 29 lid 4 van de huidige cao behelst – zoals Rosebel terecht heeft aangevoerd bij repliek – niet een arbitraal beding waarbij partijen zich verbinden aan arbitrage, maar gelet op de redactie daarvan heeft het meer het karakter van definiëring wanneer het een geschil betreft, om welke type geschil het gaat en afhankelijk van hoe het antwoord op voormelde vragen luidt zal de daarin beschreven geschillenbeslechtingsprocedure bewandeld dienen te worden. Geenszins is daarin de bevoegdheid van de kantonrechter in kort geding aan de orde gesteld. Daarenboven ontleent de kortgedingrechter zijn bevoegdheid aan het bepaalde in artikel 226 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en gesteld nog gebleken is dat in casu daarvan zou moeten worden afgeweken;

4.4 Voorts heeft de RGWO aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – dat Rosebel geen overleg met haar heeft gehad maar in de maand september 2015 informatie heeft verstrekt aan haar waarna zij op 08 oktober 2015 de werknemers heeft geïnformeerd over de afvloeiing. Alstoen droeg de RGWO reeds de wetenschap dat Rosebel bedrijfsbreed bezig was contractarbeiders van Guyanese nationaliteit in dienst te nemen. Het betrof in totaal ongeveer 360 Guyanese arbeiders, hetgeen meer is dan het aantal werknemers dat afgevloeid zou worden. Deze Guyanese arbeiders zijn in dienst genomen tegen betaling van een loon van US$ 2.000,= en tegen deze achtergrond zijn de redenen tot inkrimping c.q. afvloeiing van personeel dan ook zeer bedenkelijk en bovendien in strijd met artikel 6 lid 13 van de bedoelde cao, waarin is opgenomen dat bij voorziening in vacatures de voorkeur moet worden gegeven aan personen binnen het bedrijf met de Surinaamse nationaliteit. Dit is een van de markante redenen waarom de RWGO niet akkoord is gegaan met het zogenaamd sociaal plan van Rosebel en heeft een plan opgesteld althans een raamwerk met drie (3) daarin bedoelde kardinale punten die zij voorgelegd heeft als te zijn geschilpunten aan de Bemiddelingsraad voor Geheel Suriname.

4.5 Naar het oordeel van de kantonrechter ligt in casu ter beantwoording de vraag of de thans gaande zijnde werkneerlegging door of namens de RGWO al dan niet rechtmatig is. Dienaangaande voert de RGWO aan – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat zij niet in actie is en dat het gaat om acties van werknemers van Rosebel die tevens bestuursleden zijn van haar en die door of vanwege Rosebel zijn aangezegd om thuis te blijven met behoud van loon.

Rosebel daarentegen stelt zich op het standpunt – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat de RGWO verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de thans aan de gang zijnde staking waarbij zelfs equipment van haar wordt ingezet om barricades op te werpen en werkwilligen worden verhinderd om het bedrijfsterrein te betreden. Naar het oordeel van de kantonrechter staat in casu ondubbelzinnig vast dat het leden van de RGWO zijn die in staking zijn en dat het niet alleen betreft de werknemers van Rosebel – tevens zijnde bestuursleden van de RGWO – die in staking zijn. Daarvoor hoeft slechts gekeken te worden naar het grote aantal deelnemers in de groep zoals is gebleken uit eigen waarneming van de kantonrechter bij de behandeling van deze zaak en mede blijkt uit berichten en beelden uit de media. Ondoenlijk zou het zijn om de mensen naar legitimatie van hun aanwezigheid in de groep te gaan vragen hoewel de ervaring leert dat er zich vaak wel enkele buitenstaanders in de groep aansluiten. Evenwel leert de ervaring eveneens dat dat vaak een kleine groep personen betreft die niets anders van doen hebben en daardoor een zee van tijd hebben. Bovendien blijkt nergens uit dat de RGWO zich heeft gedistantieerd van voormelde werkneerlegging. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het wel degelijk de leden van de RGWO zijn die feitelijk in staking zijn terwijl zij dat formeel weerspreken. De kantonrechter zal derhalve voorbij gaan aan al hetgeen door RGWO dienaangaande is aangevoerd.

4.6 De kantonrechter huldigt voorts de opvatting dat ingevolge in artikel 5 lid 1 van de cao Rosebel en de RGWO verplicht zijn de cao over en weer nauwgezet en te goeder trouw na te leven. Voorts bepaalt artikel 29 daarvan hoe concreet te handelen bij gerezen geschillen. Ingevolge lid 2 van voormeld artikel is sprake van een geschil zodra een der partijen de andere partij schriftelijk bericht dat er een geschil bestaat. Het voorgaande blijkt volgens de stellingen en weren van partijen niet te zijn geschied zodat er formeel geen sprake is van een geschil. Evenwel zijn partijen op enig ogenblik wel bij de Bemiddelingsraad beland en terwijl er aan de Bemiddelingsraad niet de gelegenheid is geboden om alle mogelijkheden te benutten voor de oplossing van het gerezen probleem tussen partijen, gaan de leden van de RGWO in staking. De RGWO heeft zich – zoals eerder aangegeven – niet gedistantieerd van deze staking. Hetgeen RWGO heeft aangevoerd met betrekking tot het in dienst nemen van Guyanezen tegen een hoger loon dan Surinamers, is na de gemotiveerde weerspreking daarvan door Rosebel onder overlegging van documentatie, niet aannemelijk geworden in dit geding. Integendeel is de RGWO daar verder niet gemotiveerd op ingegaan bij dupliek zodat de kantonrechter het er in dit geding voor zal houden dat zij het door haar aangevoerde heeft laten varen;

4.7 Tussen partijen is voorts in confesso dat Rosebel vanwege de staking disproportionele schade lijdt, hetwelk dagelijks blijft oplopen. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de werkneerlegging onrechtmatig is en dat het gevorderde zal worden toegewezen in voege als na te melden. RGWO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van Rosebel gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis. De mede gevorderde dwangsom zal ambtshalve worden verbonden aan een maximum ten bedrage van SRD 2.500.000,= hetgeen de kantonrechter redelijk en billijk voor komt;

4.8 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

In reconventie:
4.9 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.10 De kantonrechter neemt over en volhardt bij al hetgeen in conventie is overwogen en beslist. Het overwogene in conventie met betrekking tot het overeengekomene in artikel 29 van de cao brengt met zich dat het gevorderde onder sub A van het petitum van het inleidend rekest niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Daarenboven heeft Rosebel zich bereid verklaard – indien zij door de Bemiddelingsraad wordt opgeroepen – om gevolg te geven aan de oproep van de Bemiddelingsraad waardoor er geen belang (meer) is bij toewijzing van dat onderdeel van het gevorderde. Het gevorderde onder sub B van het petitum is evenmin aannemelijk geworden in rechte. Immers is niet gebleken dat Rosebel de werknemers opdracht heeft gegeven of aangezet of aanwijzingen gegeven tot het niet verrichten van de bedongen arbeid. Het overwogene in conventie geeft eerder aanleiding om van een daaraan tegengesteld uitgangspunt uit te gaan. Het gevorderde onder sub C en D betreft een discretionaire bevoegdheid van Rosebel hetwelk in de cao is vastgelegd in artikel 6 lid 13 onder e en zal bij de verdere onderhandelingen tussen partijen nader aan een bespreking dienen te worden onderworpen alvorens er een definitief besluit daaromtrent zal worden genomen. Vooralsnog kan dat niet aan een beoordeling door de kantonrechter worden onderworpen aangezien er daarvoor te weinig handvatten in het dossier aanwezig zijn. De mede gevorderde dwangsom zal, als sequeel van het gevorderde, evenmin voor toewijzing in aanmerking kunnen komen;

4.11 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de gevraagde voorzieningen dienen te worden geweigerd. RGWO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van Rosebel gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

4.12 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter derhalve niet toe;

5. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

In conventie:
5.1 Beveelt RGWO om binnen één uur na de uitspraak van dit vonnis haar leden, zijnde de werknemers van Rosebel, opdracht te geven casu quo te instrueren het werk overeenkomstig hun arbeidsovereenkomst en overeenkomstig het werkschema te hervatten en voort te zetten en daarna aan Rosebel schriftelijk mededeling te doen;

5.2 Verbiedt de RGWO om aan de werknemers van Rosebel opdracht te geven of aan te zetten of aanwijzingen te geven tot het verrichten van handelingen, die inbreuk maken op het eigendom en concessierechten en equipment van Rosebel, op de bedrijfsterreinen te Brokopondo, meer specifiek het verhinderen van de toegang tot voormeld terrein;

5.3 Beveelt de RGWO zich te onthouden van elke aansporing, aanzetting of uitlokking, althans elke handeling – op welke wijze of onder welke benaming dan ook – uit te voeren, welke tot strekking of gevolg heeft:

  • gehele of gedeeltelijke werkneerlegging;
  • het schenden van de tussen Rosebel en haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomst;

5.4 Veroordeelt RGWO om ten titel van dwangsom aan Rosebel te betalen een bedrag van SRD 250.000,= (tweehonderd en vijftigduizend Surinaamse dollars) voor elke keer of elke dag dat RGWO nalaat te voldoen aan voormelde veroordelingen/of bevel/of verbod, het totaal bedrag van SRD 2.500.000,= (twee miljoen en vijfhonderdduizend Surinaamse dollars) niet te boven gaand;

5.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:
5.6 Weigert de gevraagde voorzieningen;

In conventie en in reconventie voorts:
5.7 Veroordeelt RGWO in de gedingkosten aan de zijde van Rosebel gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 264,00 (tweehonderd en vier en zestig Surinaamse dollars);

In conventie en in reconventie:
Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 10 december 2015 door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A. Charan

w.g. A.C. Johanns