SRU-K1-2004-5

Kantonrechter Eerste Kanton
12 juli 2004 AR 034856
(Mr. A.I. Ramnewash)

A. [adoptant sub A] (hierna te noemen: [adoptant sub A])
B. [adoptant sub B] (hierna te noemen: [adoptant sub B]), beiden wonende te [district], adoptanten,
Gemachtigde: mr. M.R. Carrilho, advocaat,

l. Het verloop van het geding:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:
– het verzoekschrift met producties dat op 10 december 2003 ter Griffie der kantongerechten zijdens verzoekers is ingediend, strekkende tot het uitspreken van adoptie van het minderjarig [kind];
– de beschikking van de kantonrechter gedateerd 14 mei 2003 waarbij [adoptant sub A] is benoemd tot voogdes en [adoptant sub B] tot toeziende voogd van voornoemde minderjarige;
– het rapport (tevens advies) zijdens het bureau voor familierechtelijke zaken (hierna te noemen: BUFAZ), dat op 17 mei 2004 ter terechtzitting is overgelegd. Ten aanzien van het verzoek tot inwilliging refereert BUFAZ zich aan het oordeel van de rechter;
– te dienende dage van familieverhoor (met gesloten deuren) zijn gehoord:
aan de zijde van [adoptant sub A]:
a. [persoon 1] en [persoon 2].
aan de zijde van [adoptant sub B]:
b. [persoon 3] en [persoon 4]
c. [biologische moeder] van het natuurlijk niet erkend kind genaamd: [kind];
– adoptanten persisteren door tussenkomst van hun gemachtigde bij hun stellingen en het advies van BUFAZ.

1.2. Adoptanten hebben daarna vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten:

2.1. Op 20 december 2002 is uit [biologische moeder] geboren het natuurlijk niet erkend minderjarig [kind];

2.2. [adoptant sub A] en [adoptant sub B] zijn op 23 mei 1997 te [woonplaats] (Nederland) met elkaar gehuwd. Het huwelijk tussen adoptanten bestaat thans 7 jaar. Uit dit huwelijk zijn er geen kinderen geboren.

2.3. [adoptant sub A] is op 27 juni 1954 geboren en is derhalve meer dan 40 jaar ouder dan [kind]. [adoptant sub B] is geboren op 23 november 1961. Adoptanten zijn beide ouder dan 18 jaar dan [kind].

2.4. [adoptant sub A] is op 14 mei 2003 door de kantonrechter benoemd tot voogdes en [adoptant sub B] tot toeziende voogd van [kind];

2.5. [kind] is vanaf haar geboorte (thans langer dan 06 maanden) aan de feitelijke verzorging en opvoeding van verzoekers toevertrouwd. Adoptanten wonen met [kind] sinds het jaar 2002 aan [adres]. Tussen [kind] en [biologische moeder], bestaat generlei contact;

2.6. Bij notariële akte hebben [biologische moeder] (de bij beschikking gedateerd 22 april 2003 benoemde) voogdes en de toeziende voogd van [biologische moeder], respectievelijk geheten: [naam 1] en [naam 2], verklaard geen bezwaar te hebben tegen de adoptie van [kind] door adoptanten;

2.7. [kind] is geen wettige of natuurlijke afstammeling van adoptanten.

3. De beoordeling:
3.1. Te dienende dage is [biologische moeder] door de kantonrechter gehoord en heeft zij het adoptieverzoek van [kind] niet tegengesproken.

3.2. Vast staat dat aan de voorwaarde voor adoptie vermeld in artikel 342 L Lid l sub d BW niet is voldaan, aangezien het leeftijdsverschil tussen [kind] en [adoptant sub A], de vrouw, meer dan veertig jaar bedraagt. Aan de orde is de vraag of dit leeftijdsverschil in het onderhavige geval een beletsel voor adoptie moet zijn. De achterliggende gedachte van een te stellen leeftijdsvoorwaarde is dat het adoptief gezin een waardig pedagogisch verantwoord substituut moet zijn voor het natuurlijk gezin.

3.3. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding te zijn af te wijken van de wettelijke regel dat er een maximale leeftijdsverschil (voor de vrouw) van veertig jaar dient te zijn. Bij adoptie staat voorop dat deze slechts kan worden uitgesproken indien het in het kennelijk belang van het kind is.
Bedacht moet worden dat de wet de mogelijkheid van adoptie in het leven heeft geroepen in het belang van de te adopteren minderjarige en de aan adoptie gestelde voorwaarden zullen datzelfde belang dienen.
Onder andere vindt de beoordeling plaats aan de hand van de situatie waarin het kind zich bevindt, welke is geschetst door BUFAZ in zijn advies, namelijk:

o dat [kind] sedert haar geboorte door de adoptanten met zorg als een eigen kind wordt opgevoed en dat zij garant staan voor een gezonde, stabiele leef – en ontwikkelingsomgeving. De adoptanten wensen [kind] de status van wettig kind te geven;
o dat [kind] in de toekomst bij [biologische moeder] niets heeft te verwachten. Vooral nu zij met werkt en volkomen afhankelijk is van de verwekker van [kind].

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de wetgever een verschil in leeftijd tussen één der adoptanten en de adoptandus binnen bepaalde grenzen noodzakelijk geacht, aangezien die grenzen uiteraard ergens gesteld moesten worden. Daarin steekt een zekere willekeurigheid die in gevallen waar daartoe een klemmende reden bestaat, aanleiding kan geven deze regel buiten werking te stellen in het concrete geval. Bij een mogelijk verschil van interpretatie van de desbetreffende wetsbepaling in de geest van de wet, dient echter in het belang van de adoptandus de ruimst mogelijke interpretatie als de juiste te worden aanvaard. Uiteraard moet wel aan alle andere voorwaarden zijn voldaan (Vgl. Hoge Raad 30 juni 2000, NJ 2001#103).

3.4. In dit geval is [kind] sedert haar geboorte opgenomen bij adoptanten. Het is aannemelijk dat zij een hechtingsgedrag met adoptanten heeft ontwikkeld. Ook is aannemelijk dat zij zich daardoor heeft gericht op en gebonden is geraakt met adoptanten en er bestaat dus interactie tussen hen en hun overige familieleden. Het kind kan ook vertrouwen in zichzelf ontwikkelen als blijkt dat haar gedrag effectief is en de hechtingspersoon geeft wat het kind nodig heeft aan verzorging, liefde en aandacht. Mede gelet op het feit dat er van moet woorden uitgegaan dat [kind] bij [biologische moeder] niet veel heeft te verwachten, kan het wegnemen van [kind] uit de hechtingsrelatie (dat is de duurzame beschikbaarheid van een persoon die voorziet in de behoeften van het kind aan zorg en aandacht, nu en in de toekomst) met adoptanten in het nadeel van haar en dus niet in het belang van haar zijn. Het is tevens in het belang van de minderjarige dat zij weet dat de relatie met de adoptanten bestendig is en zij een volwaardig lid van het adoptief – gezin, en in breder verband de hele familie – is.

Naar het oordeel van de kantonrechter vloeit uit vorenstaande feiten voort, dat het in het kennelijke belang van [kind] is, dat zij in haar huidige omgeving verder opgroeit als een wettig kind van adoptanten. Ten deze is het leeftijdsverschil tussen [adoptant sub A] en [kind] niet als een adoptie – verhinderende omstandigheid aan te merken en kan het adoptieverzoek derhalve worden toegewezen.

4. De beslissing:
De Kantonrechter:
4.1. Spreekt uit de adoptie van het natuurlijk niet erkend minderjarig [kind], geboren op 20 december 2002 te [district] uit [biologische moeder], door [adoptant sub A] en [adoptant sub B], zijnde adoptanten van voornoemde minderjarige;

4.2. Verklaart [kind] te zijn wettig kind van de echtelieden [adoptant sub A] en [adoptant sub B].

SRU-K1-2011-13

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 100200
28 april 2011

Vonnis in de zaak van

INTERVAST SURINAME NV, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.D. Soedamah, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “Intervast”,

tegen

A. [gedaagde a],
B. [gedaagde b], beiden wonende in Nederland,
C. PROJCT GROEP SURINAMDE 2003 NV, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagden in kortgeding,
gemachtigde voor gedaagden: mr. M.F.S. Ishaak, advocaat,
hierna te noemen: ” [gedaagde a], [gedaagde b] en de Project Groep”,

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 5 augustus 2010.

1. Het verdere proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 januari 2011, aangetekend op de kaft van het proces-dossier;
– De respectieve conclusies tot uitlating na niet gehouden comparitie zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan
Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoordeling
3.1 De kantonrechter overweegt dat Intervast vordert dat gedaagden wordt verboden om de naam van Intervast Nederland te voeren. Intervast voert daarbij als grondslag aan dat zij reeds 10 jaar lang het intellectueel eigendom bezit van de handelsnaam “Intervast Suriname NV”.

3.2 Gedaagden hebben als verweer aangevoerd dat [gedaagde a] en [gedaagde b] reeds op 1 januari 1995 in het Handelsregister in Nederland het bedrijf Intervast VOF hebben ingeschreven. Zij beroepen zich op het Verdrag van Parijs waaruit voortvloeit dat ook in Suriname hun inschrijving van de handelsnaam Intervast VOF beschermd dient te worden. Eigenlijk, zo stellen gedaagden, is Intervast Nederland al vanaf 1994 actief en opgericht door de heer [naam 1]. De heer [naam 2], broer van [naam 1], heeft op een gegeven moment Intervast Suriname opgericht, terwijl het juist de bedoeling was dat hij het bedrijf van zijn broer [naam 1], in Suriname bekendheid zou geven en het bedrijf van de broer in Suriname zou inschrijven ten behoeve van dat bedrijf. Het is gebleken, zo stellen gedaagden, dat [naam 2], in tegenstelling tot wat van hem verwacht werd, de naam voor zichzelf heeft ingeschreven in Suriname en een eigen bedrijf begon. Zij voeren aan dat het juist [naam 2] is die geen gebruik zou mogen maken van de naam Intervast. Intervast Nederland werkt al lang op de markt in Suriname en indien er verwarring ontstaat, dan is dat geheel te wijten aan [naam 2] en Intervast Suriname. Zij voeren aan dat zij zich niet onrechtmatig gedragen jegens Intervast Suriname. Zij voeren voorts aan dat Intervast Suriname het logo niet heeft ingeschreven waardoor de vordering betreffende het logo niet kan worden gehonoreerd.

3.3 De kantonrechter overweegt dat Intervast op het verweer van gedaagden heeft geregeerd door te stellen dat de inschrijving van Intervast Nederland in Nederland niet relevant is voor Suriname omdat de onderhavige zaak betreft het gebruik van de naam in Suriname. Zij maakt onderscheid tussen inschrijving op grond van de handelsnaamwet, welke alleen bescherming geeft in het land zelf, en inschrijving op grond van de Wet Intellectuele Eigendom, welke inschrijving internationale bescherming biedt. Nu alleen Intervast Suriname de naam heeft ingeschreven op grond van de Wet Intellectueel Eigendom in 1999, wordt Intervast Suriname beschermd door de wet.

3.4 Gedaagden hebben op die reactie aangegeven dat het verdrag wel bescherming biedt aan bedrijven die onder de handelsnaamwet zijn ingeschreven en verwijzen daarbij naar artikel 8 van het verdrag van Parijs: “de handelsnaam zal in alle landen der Unie, zonder verplichting van depot of inschrijving beschermd worden, onverschillig of hij al dan niet deel uitmaakt van een fabrieks of handelsmerk”. Hiermee, zo stellen gedaagden, weerleggen zij de stellingen van Intervast, als zou slechts Intervast bescherming genieten onder dit verdrag.

3.5 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast tijdens welke comparitie gedaagden niet zijn verschenen vanwege verschillende omstandigheden. De comparitie heeft daardoor geen voortgang gehad.

3.6 De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde producties blijkt dat, inderdaad Intervast Nederland eerst is ingeschreven in Nederland en Intervast Suriname daarna in Suriname. Voorts blijkt dat beide bedrijven in beide landen werken, althans wensen te werken. Daarnevens blijkt dat partijen daarover eerder afspraken hebben gemaakt, waaronder de afspraak dat Intervast Nederland in Nederland de naam voert en Intervast Suriname in Suriname. Hierna, zo blijkt het, zijn partijen toch in het andere land gaan werken waardoor zij elkaar ervan beschuldigen voor de verwarring te zorgen.

3.7 De kantonrechter overweegt dat de vraag die uiteindelijk partijen verdeeld houdt die is of Intervast Nederland zich op enige bescherming mag beroepen in Suriname, waardoor zij door haar inschrijving in Nederland ook het recht heeft om in Suriname de handelsnaam te gebruiken. Hierdoor kan de vordering voor het verbod niet worden toegewezen.

3.8 De kantonrechter overweegt dat het tussen partijen vaststaat dat Intervast Nederland zich in 1995 heeft ingeschreven onder de naam Bureau Intervast V.O.F. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Den Haag.

3.9 De kantonrechter overweegt voorts dat door gedaagden is aangevoerd en dat door Intervast betwist, dat artikel 8 van het verdrag van Parijs bescherming biedt in alle landen van de Unie, waaronder ook Suriname.

3.10 De kantonrechter is van oordeel dat hiermee gedaagden hun verweer aannemelijk hebben gemaakt, dat zij de naam in Suriname mogen dragen en daar niet toe verboden kunnen worden.

3.11 De kantonrechter zal om die reden dan ook het gevorderde weigeren en Intervast, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

4.1 Wijst af het gevorderde;

4.2 Veroordeelt Intervast in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. M. Mettendaf, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 28 april 2011, in tegenwoordigheid van mr. D. Ramdin, fungerend-griffier.

 

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

w.g. M. Mettendaf

SRU-K1-2013-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 130690
15 augustus 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. N.V. Graniet,
B. [eiser sub B],
gevestigd c.q. wonende te [district],
eisers in kort geding
gemachtigde: mr. P.R. Sohansingh, advocaat,

tegen

Surgoed Makelaardij n.v.
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
[gevolmachtigde]

1. De procesgang
1.1 deze blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 11 februari 203 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating met producties zijdens eisers;
– de conclusie tot uitlating met producties zijdens gedaagde;
– de conclusie tot uitlating zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser sub B is directeur van eiseres sub A en voorzitteer van de Stichting Alfat. De Stichting Alfat en eiseres sub A hebben dezelfde vestigingsplaats.

2.2 Gedaagde heeft als bemiddelaar opgetreden bij de verhuur van een onroerend goed staande en gelegen aan [adres]. Gedaagde meent uit hoofde van deze bemiddelingsovereenkomst een vordering te hebben op eiseres en/of Stichting Alfat.

2.3 Gedaagde heeft na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, bij exploten no. 662 t/m 666 dd. 10 december 2012 conservatoir derden beslag doen leggen ten laste van eisers en/of Stichting Alfat.

3. De vordering, de grondslag daavan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van de door gedaagde ten laste van hen, bij exploten no. 662 t/m 666 dd. 10 december 2012 gelegde conservatoir derden beslag onder de in die exploiten genoemde instellingen.

3.2 Eisers stellen nimmer een bemiddelingsovereenkomst met gedaagde te zijn aangegaan. Volgens hen is de Stichting Alfat de bemiddelingsovereenkomst met gedaagde aangegaan. Zij zijn derhalve niets verschuldigd aan gedaagde. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben eisers overgelegd een bemiddelingsovereenkomst waaruit zou moeten blijken dat die is gesloten tussen Stichting Alfat en gedaagde. Eisers menen derhalve dat de ten laste van hen gelegde beslagen onrechtmatig zijn. Bovendien zijn eisers van mening dat de beslagen bovenmatig zijn gezien de hoogte van de vermeende vordering van gedaagde.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.2 Gedaagde heeft het volgende aangevoerd:
Uit alle gevoerde correspondentie tussen eisers en gedaagde blijkt duidelijk dat vanaf de ingang van de bemiddelingsovereenkomst het emailadres van eiseres sub A is gebruikt. Eisers hebben de schijn opgewekt hij zaken deed met eisers. Hij, gedaagde, is te goeder trouw ervan uitgegaan dat hij zaken deed met eisers. De naam van Stichting Alfat is pas gevallen bij de ondertekening van de overeenkomst op 28 maart 2011. Daarvoor hebben eisers haar nimmer voorgehouden en evenmin heeft hij het idee gehad dat hij de overeenkomst aanging met de Stichting Alfat. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter slaagt het verweer van gedaagde. Van eiser sub B, die directeur en voorzitter is van eiseres sub A respectievelijk Stichting Alfat, mocht worden verwacht dat hij vanaf de aanvang van de overeenkomst met gedaagde duidelijk kenbaar had gemaakt aan gedaagde wie zijn contractpartner was bij de bemiddelingsovereenkomst, zodat daarover geen verwarring ontstond. Door dat na te laten is hij zelf verantwoordelijk voor de ontstane verwarring, en zijn zowel hij als eiseres sub A verantwoordelijk voor de schade die door gedaagde wordt geleden als gevolg van de niet nakoming van de bemiddelingsovereenkomst. Ten onrechte gaan eisers ervan uit dat gedaagde een onderzoeksplicht heeft om na te gaan met wie zij de overeenkomst sluit. Immers, mocht gedaagde er gerechtvaardigd van zijn dat hij de overeenkomst aanging met degene waarmee hij correspondeerde; in deze dus eisers nu de correspondentie plaatsvond via het emailadres van gedaagde sub A in de persoon van gedaagde sub B, terwijl volgens gedaagde ook een werknemer van eiseres sub A in de persoon van ene mevrouw [naam] de communicatie met hem voerde. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter de door gedaagde ten laste van eisers gelegde conservatoire derdenbeslagen niet onrechtmatig.

4.3 Bij nadere conclusie hebben eisers een kopie van borgstelling welke verstrekt is door de Coöperatieve Spaar- en Kredietbank Godo G.A. overgelegd tot de hoogte waarvan het beslag is gelegd.
In de verklaring is zover van belang het volgende opgenomen:
“Op verzoek van onze cliënt, de heer [eiser sub B] handelende in privé en als directeur/enige aandeelhouder van de N.V. Graniet en als enig bestuurslid van de Stichting Alfat, stellen wij ons tegenover U garant voor de richtige betaling tot een bedrag van maximaal € 2.512,50, indien genoemde cliënt in het momenteel met U gevoerd proces, bekend onder no. A.R. no.124455 bij onherroepelijk in kracht van gewijsde gegaan vonnis wordt veroordeeld tot betaling van het hierboven genoemd maximum van € 2.512,50…

Deze garantie vervalt 30 (dertig) dagen nadat het hiervoor bedoeld rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan….
Volgens eisers dienen de gelegde beslagen thans te worden opgeheven nu er een garantieverklaring is gegeven.

4.3.1 Ingevolge artikel 599 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WvBrv.) zal de rechter de conservatoire beslagen moeten opheffen indien behoorlijke borgstelling heeft plaatsgehad voor het beloop van de som.
Anders dan eisers is de kantonrechter van oordeel dat de door hen verstrekte borgstelling, zoals weergegeven onder 4.3 hiervoor, onredelijk is nu daaruit valt af te leiden dat de betaling pas zal plaatsvinden nadat het vonnis in de zaak bekend onder AR no. 124455 onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat indien eisers worden veroordeeld in de bodemgeschil procedure, niet direct tot betaling zal worden overgegaan indien eisers in beroep gaan tegen het genoemd vonnis. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er dus geen sprake van een behoorlijke borgstelling in de zin van artikel 599 W.v.Brv. als gevolg waarvan de beslagen zouden moeten worden opgeheven.

4.4 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dienen de door eisers gevraagde voorzieningen te worden geweigerd.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 15 augustus 2013 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding, mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

SRU-K1-2011-12

[eiser] ca [gedaagde], Ktr. 11 augustus 2011, A.R. 103954

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 103954
11 augustus 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende in [land],
eiser,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district 1],
gedaagde,
gevolmachtigde: M.H. Visser, consultant.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 30 september 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 21 oktober 2010;
– de conclusie van antwoord d.d. 16 december 2010, met de producties;
– de conclusies van repliek d.d. 10 februari 2011, met de productie;
– de conclusie van dupliek d.d. 7 april 2011, met de productie;
– de conclusie tot uitlating d.d. 5 mei 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 30 oktober 2008 is eiser bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 075454 onder meer het volgende verbod opgelegd:
“Om het resterend deel van het perceelland groot zeven hectaren en tien aren, gedeelte van het perceelland groot zeven hectaren en achtentwintig aren, gelegen aan het [pad] in [district 2], ten westen van de [plantage] en bekend als afdeling I Sectie [plantage] [nummer 1], vroeger bekend als [nummer 2], waarvan op vijftien maart negentien vijf en tachtig een perceelkaart is vervaardigd door de landmeter in Suriname waaruit blijkt dat het resterend deel een oppervlakte heeft van twee hectaren, zestien aren en veertig centiaren en aangeduid met de letters ADEF te vervreemden, zolang niet in bodemprocedure uiteindelijk is beslist over de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst, die beweerdelijk tussen gedaagde en eiser totstand is gekomen met betrekking tot dit perceelgedeelte en naar aanleiding van welke koopovereenkomst is opgemaakt de akte, die op 26 september 2005 ten overstaan van notaris J.G. Kemp is verleden”.

In de hiervoor vermelde zaak, die gedaagde (toen eiser) tegen eiser (toen gedaagde) aanhangig had gemaakt is eiser bij verstek veroordeeld.

2.2 In het register op het Hypotheekkantoor is op grond van het hiervoor vermeld vonnis een aantekening gemaakt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert:
Primair:
– hem te ontvangen in zijn kort geding c.q. hem toe te staan in kort geding te procederen;
– het oproepexploit in de zaak arno 075454 voor oproep van eiser voor de dag der eerste behandeling nietig te verklaren;
– het betekeningsexploit waarbij het vonnis arno 075454 aan eiser is betekend nietig te verklaren;
– het gelasten van de doorhaling van de aantekening in het hypotheekregister, ingeschreven onder A244/2484 in de registers en eiser bij vonnis te machtigen die doorhaling te doen geschieden op kosten van gedaagde;
– veroordeling van gedaagde in de kosten van het proces.

Subsidiar:
– veroordeling van gedaagde om binnen een week na uitspaak de doorhaling van de aantekening in het hypotheekregister, ingeschreven onder A244/2484 in de registers te doen geschieden op kosten van gedaagde en onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per dag voor elke dag dat gedaagde weigerachtig blijft aan het vonnis te voldoen.

3.1.1 Mede is gevorderd uitvoerbaar verklaring van het vonnis bij voorraad.

3.2 Eiser legt, naast de feiten vermeld onder 2, aan zijn vordering ten grondslag dat het oproepingsexploit in de zaak bekend onder A.R. No. 075454 nietig is, omdat gedaagde hem opzettelijk op een verkeerd adres heeft doen oproepen. Met name heeft gedaagde hem op het adres aan [adres 1], [woonplaats] [land] doen oproepen, terwijl het bij gedaagde bekend is dat eiser sedert 2002 woont op het adres aan [adres 2], postcode [nummer 3] in de [woonplaats] [land]. Om die reden kan het vonnis niet langer stand houden omdat het op grond van een nietig exploit is gewezen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd welk verweer voor zover voor de beslissing van belang, hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Eiser stelt als spoedeisend belang dat hij vanwege de in het hypotheekregister gemaakte aantekening in zijn economisch handelen wordt belemmerd en wel in die zin dat hij geen leningen kan nemen en evenmin over zijn eigendommen kan beschikken. Gedaagde weerspreekt het spoedeisend belang van eiser en voert daartoe zoals de kantonrechter in kort geding haar begrijpt aan, dat eiser sedert 28 oktober 2009 bij het aanvragen van een hypothecair uittreksel bekend is geworden met het vonnis, doch dat hij heeft nagelaten onmiddellijk verzet daartegen te wenden. Voor zover gedaagde op het oog heeft dat eiser een jaar lang heeft stilgezeten en aldus geen spoedeisend belang heeft, gaat dit verweer naar het oordeel van de kantonrechter in kort geding niet op. Dit, omdat het belemmerd worden in het economisch handelen reeds een spoedeisend belang aangeeft. Nu gedaagde de stelling ter zake de belemmering in het economisch handelen niet heeft weersproken en die stelling volgens de algemene regels van het procesrecht als niet weersproken vaststaat zal eiser wel worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Als niet weersproken staat vast dat gedaagde eiser in de zaak bekend onder A.R,. no.075454 op het verkeerde adres heeft doen oproepen en kennis droeg van het juiste verblijfadres van eiser, doch heeft het rechtsgtevolg wat eiser met deze stellingen beoogt pas kans van slagen als hij nog de mogelijkheid van verzet heeft tegen het bedoeld vonnis. Gedaagde werpt tegen dat eiser zelf stelt dat formeel de verzettermijn reeds is verstreken en om die reden deze procedure in kort geding niet door eiser gebruikt kan worden om alsnog op verkapte wijze tegen het bedoelde vonnis in verzet te willen komen. Zoals de kantonrechter in kort geding dit verweer van gedaagde begrijpt stelt zij zich op het standpunt dat eiser middels het instellen van de onderhavige vordering een verkapte vorm van verzet instelt en misbruik maakt van het procesrecht omdat eiser volgens de regels van het procesrecht niet meer in verzet kan gaan. In reactie op dit verweer stelt eiser dat hij nimmer heeft gesteld dat hij niet meer in verzet kan komen, doch constateert de kantonrechter in kort geding dat eiser zichzelf weerspreekt. Zoals blijkt uit de stelling van eiser onder 15 van het inleidend verzoekschrift stelt hij zelf dat hij niet meer in verzet kan komen, vanwege het feit dat formeel de verzettermijn verstreken is. Nu eiser aanvoert dat hij dit nimmer heeft gesteld neemt de kantonrechter in kort geding aan dat eiser terugkomt op zijn stelling, zodat thans ter beoordeling ligt of eiser nog in verzet tegen dit vonnis zal kunnen gaan. In dat licht stelt de kantonrechter in kort geding voorop dat blijkens het bepaalde in artikel 84 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de verzettermijn veertien dagen is en die termijn begint te lopen òf na de aanzegging van het vonnis òf na van enige uit kracht daarvan opgemaakte òf ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, òf na het plegen door deze van enige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.Vaststaat, en zoals dat uit het ten processe door eiser overgelegde uittreksel uit het Hypotheekkantoor blijkt, dat eiser sedert 28 oktober 2009 kennis droeg van het bedoelde vonnis. Gesteld noch gebleken is dat eiser sedert die datum tot heden in verzet tegen het bedoelde vonnis is gegaan. Integendeel heeft eiser in stede van het kiezen van het in verzet gaan ervoor gekozen de onderhavige vordering in kort geding tegen gedaagde in te stellen. Dit alles, in onderling samenhang beschouwd met het bepaalde in artikel 84 Rv, brengt de kantonrechter in kort geding tot het oordeel dat eiser geen kans meer heeft om verzet tegen het bedoelde vonnis aan te wenden, zodat hij niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering.

5.2.1 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues, op donderdag 11 augustus 2011 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu
R.G. Rodrigues

SRU-K1-2013-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R No. 10-5340
07 mei 2013

Vonnis in de zaak van:

FATUM SCHADEVERZEKERING N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 december 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 15 februari 2011;
– het tegen de op 15 februari 2011 niet verschenen gedaagde verleende verstek;
– de zuivering van het verstek door gedaagde d.d. 03 mei 2011, waarbij een termijn om te concluderen van antwoord is verzocht;
– de conclusie van antwoord d.d. 01 november 2011, nadat op verzoek van gedaagde op 06 juli 2010 uitstel tot concluderen daartoe was verleend;
– de conclusie van repliek d.d. 06 maart 2012, met de producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 06 november 2012, nadat op verzoek van gedaagde op 03 juli 2012 uitstel tot concluderen daartoe was verleend.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 29 juli 2009 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen het voertuig van eiser met het voertuig van ene [naam 1]. Ter zake deze aanrijding staat het volgende in het uittrekselrapport/WAM d.d. 04 augustus 2009, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld:
“Kort voor de aanrijding reden beide bestuurders over de [straat 1], komende uit de richting van de [plaats 1] en gaande in die van de [straat 2], met dien verstande dat de bestuurder [naam 1] voorreed, gevolgd door [gedaagde]. Gekomen ter hoogte van [plaats 2] bracht de bestuurder [naam 1] zijn voertuig tot stilstand. [gedaagde] die niet de onderlinge afstand achter [naam 1] hield, kon door onoplettendheid zijn voertuig niet tijdig afremmen met als gevolg de aanrijding”.

2.2. Ten tijde van de aanrijding was gedaagde in het bezit van een Nederlands rijbewijs, doch niet in het bezit van een geldig Surinaams Rijbewijs, en was het door hem bestuurd voertuig bij eiseres verzekerd onder polisnummer PKWBE [nummer] tegen wettelijke aansprakelijkheid.

2.3 In artikel 5.1 is in de algemene voorwaarden, voor zover voor de beslissing van belang onder meer het volgende neergelegd: “Indien de maatschappij haar tarieven en/of voorwaarden voor verzekeringen van dezelfde soort als deze verzekering herziet en in gewijzigde vorm bekend maakt en toepast, is zij gerechtigd de aanpassing van deze verzekering te vorderen aan die nieuwe tarieven en/of voorwaarden met ingang van de eerste premievervaldag na de invoering van de wijziging in de tarieven en/of voorwaarden. De maatschappij zal, indien zij van dit recht gebruik wenst te maken hiervan tenminste vijf dagen voor de premievervaldag mededeling doen aan de verzekeringnemer”.

2.4 In artikel 12.1 onder k staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld:
“(…) Verder bestaat geen recht op schadevergoeding als een of meer van de volgende uitsluitingsgronden van toepassing zijn:
(….)
k. schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder van het motorrijtuig:
geen houder was van een geldig, voor het motorrijtuig voorgeschreven rijbewijs (waarmee wordt gelijkgesteld een voor het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs, dat niet langer dan zes (6) maanden voor de gebeurtenis is verlopen, doordat verzuimd werd het te verlengen, dan wel de voor het besturen van het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven leeftijd niet had bereikt;
(….)
De uitsluitingen onder k, l en m gelden niet indien de verzekerde aantoont, dat de daarin bedoelde omstandigheden zich buiten zijn weten of tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem ter zake van deze omstandigheden geen verwijt treft.”

2.5 In artikel 14.1 lid 1 onder k staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld:
“Zodra de verzekeraar ingevolge de WAM schadevergoeding verschuldigd is en een verzekerde geen aanspraak maakt op dekking, heeft de verzekeraar het recht het door haar verschuldigde, met inbegrip van de kosten, te verhalen op:
– de aansprakelijke verzekerden en/of
– de verzekeringnemer.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting haar te betalen het bedrag van SRD 1.826,48, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar ingaande heden tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2 Eiseres legt, naast de feiten vermeld onder 2, ook het volgende aan haar vordering ten grondslag:
– ingevolge de WAM was zij verplicht tot uitkering van de schade ad SRD 1.467,20 aan de benadeelde;
– gedaagde was niet in het bezit van een geldig Surinaams rijbewijs en heeft zij, eiseres, op grond van artikel 9 lid 3 WAM en artikel 14.1 van de Algemene Voorwaarden Motorrijtuigen het recht de door haar vergoede schade ad SRD 1.467,20, de deurwaarderskosten ad SRD 139,20 en incassokosten ad SRD 220,08 van gedaagde terug te vorderen;
– ondanks gedaagde daartoe in gebreke is gesteld, weigert hij de hiervoor vermelde bedragen te voldoen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat gedaagde niet gemotiveerd heeft weersproken schuld te hebben aan de aanrijding, zodat deze stelling als niet gemotiveerd weersproken tussen partijen vaststaat. Evenmin heeft hij de hoogte van de door gedaagde vergoede schade ad SRD 1.460,20 aan de benadeelde weersproken. Derhalve staan deze stellingen als niet weersproken tussen partijen vast.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of eiseres zich met succes kan beroepen op artikel 9 lid 3 WAM en artikel 14.1 van de Algemene Voorwarden.
Gedaagde beroept zich erop dat hij bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst alle daarvoor benodigde inlichtingen en bescheiden aan eiseres heeft gegeven, waaronder zijn geldig Nederlands rijbewijs. Ondanks eiseres er kennis van droeg dat gedaagde in het bezit was van een Nederlands rijbewijs heeft zij nimmer gedaagde in kennis gesteld van enige grond tot uitsluiting van haar uitkeringsverplichting. Dit, terwijl hij wel stipt zijn verplichtingen jegens eiseres is nagekomen.
Voorts beroept gedaagde zich erop dat eiseres in strijd met artikel 328 juncto 326 WvK, inhoudende het verstrekken van de Algemene Polisvoorwaarden binnen 24 uur aan gedaagde, heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat hij nimmer de Algemene Polisvoorwaarden Motorrijtuigen van eiseres heeft ontvangen, en was hij ook niet anders bekend met die Algemene Polisvoorwaarden noch was hij in de gelegenheid gesteld daarvan kennis te nemen. Eiseres heeft hem, gedaagde, pas na het verkeersongeval ervan op de hoogte gesteld dat het rijden met een Nederlands rijbewijs niet onder de dekking van de WAM viel.
Op het hiervoor onderbouwd verweer is eiseres niet ingegaan, zodat de kantonrechter het ervoor zal moeten houden dat gedaagde nimmer in kennis is gesteld van de bedoelde uitsluitingsgrond waarop eiseres zich beroept en bij gedaagde de indruk is gewekt dat hij met het Nederlands rijbewijs aan het verkeer mocht deelnemen. Dat die indruk werd gewekt, leidt de kantonrechter ook af uit het verweer van gedaagde dat hij van de dienstdoende politieagent die het proces-verbaal van het verkeersongeluk had opgemaakt, normaal verder mocht rijden, op welk verweer eiseres evenmin is ingegaan. Dit gegeven brengt de kantonrechter tot het oordeel dat gedaagde in deze geen verwijt treft. Zoals blijkt uit artikel 12.1 lid 2 van de Algemene Voorwaarden, zoals weergegeven onder 2.4 in dit vonnis, geldt de uitsluitingsgrond waarop eiseres zich beroept niet ingeval de verzekerde, in casu gedaagde, aantoont dat hem geen verwijt treft. Zoals blijkt uit artikel 12.1 lid 2 van de Algemene Voorwaarden, zoals weergegeven onder 2.4 in dit vonnis, geldt de uitsluitingsgrond waarop eiseres zich beroept niet ingeval de verzekerde, in casu gedaagde, aantoont dat hem geen verwijt treft. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slaagt gedaagde in het door hem opgeworpen verweer, waaruit voortvloeit dat de vordering van eiseres dient te worden afgewezen.

4.3 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 07 mei 2013 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier, mr. D.M. Haakmat-Sniphout.

w.g. D.M. Haakmat-Sniphout. w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2016-23

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-3063
23 juni 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser 1],
B. [eiser 2],
C. [eiser 3],
D. [eiser 4],
allen wonende in het [district],
eisers,
gevolmachtigde: mr. D.D. Jairam, jurist,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 20 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 juni 2016;
– de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 22 juni 2016, waarbij producties zijn overgelegd;
– de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016;
– de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De notariële akten respectievelijk d.d. 15 juli 2008 en 12 januari 2011 hebben eisers sub 3 en 4 ten behoeve van gedaagde hypotheek verleend op het zakelijk recht van grondhuur van eiser, zulks tot zekerheid van de voldoening van een kredietlening die gedaagde aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verstrekt.

2.2 Partijen zijn overeengekomen dat de algemene voorwaarden van gedaagde als bankinstelling op eisers van toepassing zijn. In artikel 16 van de algemene voorwaarden is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:
“Al hetgeen de kliënt te eniger tijd en uit welken hoofde dan ook aan de Bank verschuldigd is, zal tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen, dan wel enige wetsbepaling inachtneming van een termijn voorschrijft te alle tijde terstond opeisbaar en vereffenbaar zijn. Elke krediet kan ook al is een aflossings- of opzeggingstermijn overeengekomen, dan wel een bepaalde afloopdatum gesteld – zonder dat daartoe enige opzegging ingebrekestelling of enige andere formaliteit vereist zal zijn onmiddellijk opgeëist worden in de volgende gevallen.
a. indien de kliënt enige voorwaarde, waaronder een krediet verleend is, of enigerlei andere verplichting uit welken hoofde ook jegens de Bank niet, behoorlijk nakomt.
(…)
De kliënt is verplicht op de eerste aanvraag van de Bank het verschuldigde, al naar gelang de Bank vordert, geheel of gedeeltelijk te voldoen. In geval het door de kliënt aan de Bank verschuldigde onmiddellijk opeisbaar is, is de Bank gerechtigd naar haar keuze alle zekerheden of een en op de wijze die haar wenselijk voorkomt, teneinde uit de opbrengst daarvan het aan de Bank volgens haar boeken verschuldigde met rente en kosten te verhalen”.

2.3 Bij schrijven d.d. 09 november 2015 zijn eisers sub 1 en sub 2 door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Terzake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:

“Bij controle van het verloop van uw krediet hebben wij geconstateerd dat de limiet van uw investeringskrediet vervallen is. De debetstand is als volgt:

(….) SRD 1.396.093,63 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren en verzoeken u derhalve dringend, doch uiterlijk 27 november a.s. contact met onze [mevrouw] op te nemen teneinde een regeling te treffen die zal moeten leiden tot aanzuivering van de debetstanden”.

2.4 Bij schrijven d.d. 26 februari 2016 zijn eisers sub 1 en sub 2 ten tweede malen door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Terzake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:

“Voor de goede orde delen wij u mede dat de limiet van uw investeringskrediet reeds geruime tijd vervallen is. De debetstand is als volgt:

(….) SRD 1.527.647,87 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren. Indien de aanzuivering niet op uiterlijk 29 februari a.s. heeft plaatsgevonden, zullen wij genoodzaakt zijn het krediet op te zeggen en over te gaan tot executie van de aan ons verbonden onroerende goederen”.

2.5 Middels een ongedateerde exploit van de deurwaarder heeft gedaagde de openbare verkoop van het hierna omschreven onroerend goed aan eiser sub 4 aangezegd, welke openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016 des voormiddags te elf uur zal plaatsvinden.

Middels het hiervoor vermeld exploit heeft gedaagde aan eiseres sub 4 kenbaar gemaakt dat eisers sub 1 en 2 in gebreke zijn gebleven om aan hun betalingsverplichting voortvloeiende uit de hypotheekakten jegens gedaagde te voldoen, waardoor de verschuldigde hoofdsom terstond en in haar geheel met renten en kosten opvorderbaar is, en is zij door gedaagde aangemaand om dadelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen SRD 1.576.207,16. Deze kennisgeving is ook gedaan aan eisers sub 1 tot en met 3 bij exploit van de deurwaarder d.d. 04 mei 2016, no. 050-16.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:

  1. op te schorten of te verbieden de aangekondigde executiemaatregelen, althans de aangekondigde openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016, zoals in productie 1 gemeld;
  2. om op dezelfde wijze zoals gedaagde de verkoop openbaar heeft gemaakt, ook de opschorting ervan bekend te maken;
  3. tot een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 1 te voldoen;
  4. om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de gemaakte gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten, alsmede
  5. in de kosten van het geding.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde zeer onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hen handelt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten onder 2, onder meer het volgende:
– de exploit van aanzegging is nietig, omdat het ongedateerd is en in strijd met de wet is;
– gedaagde heeft eisers niet in gebreke gesteld;
– gedaagde heeft terstond betaling van eisers gevraagd, zonder hen een termijn tot betaling te geven;
– gedaagde is zeer onzorgvuldig jegens eisers geweest, omdat zij hen niet heeft gewezen op de ernst van het niet nakomen van hun verplichtingen en de consequenties daarvan;
– zij zijn bereid hun verplichtingen jegens gedaagde na te komen, doch na goed onderling overleg.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eisers. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Vaststaat dat gedaagde als bankinstelling een kredietlening aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verschaft en eisers sub 3 en 4 als zekerheid tot voldoening van deze lening ten behoeve van gedaagde hypotheek op het onroerend goed hebben gevestigd. Tevens staat vast dat eisers sub 1 en sub 2 een achterstand hebben in betaling van deze kredietlening en tot heden tekort zijn geschoten in hun plicht tot betaling van deze achterstand.

Terzake stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen dan wel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat en zal gedaagde – zoals door haar bij eisers is aangekondigd – vanwege het tekortschieten van eisers sub 1 en sub 2 in hun betalingsverplichting thans overgaan tot het gebruik maken van deze aan haar toekomende bevoegdheid.

4.3 Eisers stellen zich op het standpunt dat het exploit van aanzegging van de openbare verkoop nietig is, doch gaat deze stelling naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet op. Uit de inhoud van het door eisers overgelegde exploit, welke ongedateerd is, blijkt dat het is betekend aan eiser sub 3 als onderzetter. Zoals reeds hiervoor is overwogen zijn eisers sub 1 en 2 de schuldenaren van gedaagde en heeft gedaagde middels overlegging van een exploit d.d. 04 mei 2016 gestaafd dat aan alle 4 eisers de aanzegging is gedaan.

Daar dit exploit wel voldoet aan de bij wet gestelde vereisten en eisers kennis dragen van de aangekondigde openbare verkoop, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eisers.

4.4 Zoals de kantonrechter de stelling c.q. het betoog van eisers begrijpt, is de opzegging van de kredietrelatie door gedaagde met eisers sub 1 en sub 2 onrechtmatig, omdat zij niet in gebreke zouden zijn gesteld door gedaagde. In reactie op deze stelling heeft gedaagde opgeworpen dat zij eisers tot tweemaal toe in gebreke heeft gesteld tot het voldoen aan hun betalingsverplichting, welk verweer zij heeft gestaafd middels overlegging van de ingebrekestellingen zoals vermeld onder 2.3 en 2.4 van de feiten in dit vonnis. Eisers hebben in reactie hierop gesteld deze ingebrekestelling nimmer te hebben ontvangen, doch is zulks door gedaagde weersproken. Ter zake heeft gedaagde aangevoerd dat na de laatste ingebrekestelling eisers diverse gesprekken met de contactpersoon hebben gevoerd. Daarom is voor de kantonrechter aannemelijk dat gedaagde eisers in gebreke heeft gesteld tot betaling. Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat ook al zouden eisers niet in gebreke zijn gesteld het beroep hierop geen kans van slagen zou hebben. Dit, omdat in de kredietrelatie tussen partijen de algemene voorwaarden van gedaagde op eisers van toepassing zijn en blijkens artikel 16 van deze voorwaarden, zoals gedaagde terecht heeft opgeworpen en middels het overleggen van deze voorwaarden die niet van valsheid zijn beticht heeft gestaafd, een ingebrekestelling niet vereist is en is het verschuldigde bij een achterstand terstond opeisbaar.

4.5 Eisers stellen dat gedaagde haar zorgplicht jegens haar niet in acht heeft genomen, doch hebben zij deze stelling niet voldoende onderbouwd. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat inhoud en reikwijdte van de zorgplicht die gedaagde in acht dient te nemen van de specifieke omstandigheden van het geval afhangen, welke in de jurisprudentie op een aantal punten nader zijn uitgewerkt. Bij het beoordelen of de bank diens zorgplicht jegens diens cliënt c.q kredietnemer in acht heeft genomen, wordt meegenomen 1) de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie, 2) de vraag of sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan; 3) het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer, in casu eisers, alsmede de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie van belang zijnde omstandigheden; 4) de mate waarin de kredietnemer toerekenbaar is tekort geschoten; 5) de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of, en in welke mate, de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd en de gedragingen van de bank waardoor verwachtingen bij de kredietnemer zijn gewekt. Eisers hebben geen van deze feiten omstandigheden gesteld dan wel niet voldoende voldaan aan hun stelplicht, waardoor eisers deze stelling niet aannemelijk hebben gemaakt.

4.6 Eisers stellen dat zij bereid zijn te betalen, doch hebben zij vanaf het moment dat zij kennis droegen van de aangezegde openbare verkoop tot heden geen enkel concreet voorstel tot betaling aan gedaagde gedaan en wat hun bron van inkomsten is, waardoor niet kan worden beoordeeld of zij op zeer korte termijn en in de toekomst in staat zullen zijn volledig aan hun betalingsverplichting te kunnen voldoen. Om die reden en mede op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, is er geen grond om de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 juni 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.D.Ramdin w.g. S.M.M. Chu

SRU-K2-2004-1

Kantonrechter Tweede Kanton

11 maart 2004, 2004 no. 167
(Mr. A.I. Ramnewash)

Kantonrechter in het 2e Kanton, zitting houdende te Paramaribo, inzake de vervolgingsambtenaar tegen:
[verdachte] wonende te [district], thans gevangen gehouden in Buro Nieuwe Haven.

Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2003, 8 januari 2004, 26 februari 2004 en 11 maart 2004.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage l aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder II is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder l ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder l meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De kantonrechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
p.m.
Ten aanzien van feit l:
– de verklaring van het slachtoffer t.t.z.,
– de geneeskundige verklaring van de E.H.B.O- arts dd. 29 juli 2003,
– het pv van verhoor van de getuige [naam] dd. 21 augustus 2003.

Bewijsoverweging
Bij de voorgeleiding dd. 18 augustus 2003, heeft de verdachte ontkend dit feit te hebben gepleegd. Hij heeft daarbij verklaard dat hij ziek is aan zijn penis en onder behandeling is van een dokter bij de Dermatologische dienst. Hierbij heeft hij ook verklaard dat hij derhalve niet in staat is om geslachtsgemeenschap te hebben. Bij verificatie hiervan is gebleken dat de verdachte inderdaad onder behandeling is geweest, doch dat hij voor het laatst op 27 september 2002 voor behandeling is geweest voor een seksueel overdraagbare aandoening. Verder is ook aangegeven dat deze aandoening, de erectie niet kan beïnvloeden. Op 30 september 2003 heeft de verdachte wel bekend geslachtsgemeenschap met het slachtoffer te hebben gehad tegen haar wil. Ter terechtzitting van 26 februari 2004 heeft de verdachte ook verklaard geslachtsgemeenschap met het slachtoffer te hebben gehad, echter met haar toestemming. Tevens heeft de persoon van [naam] bij proces-verbaal verklaard dat ze samen met het slachtoffer was, toen deze door de verdachte werd vastgegrepen terwijl hij iets tegen haar buik gedrukt hield en haar het erf in sleurde. Na dit te hebben gezien rende deze getuige weg teneinde hulp te halen.

De kantonrechter merkt hierbij op dat de ontkennende verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is, naar aanleiding van de getuigenverklaring en vanwege de vele tegenstrijdige verklaringen van de verdachte. Het verweer van de verdachte als zou hij het feit niet hebben gepleegd, wordt derhalve verworpen.

De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder l bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder l bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:
Verkrachting. Voorzien en strafbaar gesteld in artikel 295 W.v.Sr.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:
De verdachte heeft door middel van bedreiging met geweld en tegen de wil van het slachtoffer vleselijke gemeenschap met het haar gehad. De verdachte heeft in letterlijke zin de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geweld aangedaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van deze feiten psychische problemen hiervan kunnen ondervinden.
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de kantonrechter in het bijzonder gelet op het feit dat de verdachte eerder reeds veroordeeld is geworden voor een soortgelijk misdrijf.
De kantonrechter acht, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9,11 en 44 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder l ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder l meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder l bewezen verklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbaar feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

SRU-K1-2016-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3752
08 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan [adres 1] te [district 1],
eiseres,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district 2] te [adres 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 juli 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 04 augustus 2016;
– de conclusie van antwoord d.d. 11 augustus 2016, met de producties;
– de conclusie van repliek d.d. 18 augustus 2016, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 25 augustus 2016, met producties;
– de conclusie tot uitlating over de producties d.d. 01 september 2016;
– de rolbeschikking d.d. 06 oktober 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 19 oktober 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
– het proces-verbaal d.d. 01 december 2016 betreffende de voortzetting van de comparitie van partijen.

1.2 Nadat partijen tijdens de comparitie van partijen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige omgangsregeling, is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd. Tijdens dit huwelijk tussen partijen is op [datum] geboren de thans nog minderjarige [naam].

2.2 Partijen zijn thans verwikkeld in een echtscheidingsproces, welke zaak bekend staat onder A.R. No. 16-0352. De echtscheiding tussen partijen is inmiddels al uitgesproken bij vonnis van de kantonrechter en zal de raadkamerbehandeling ter voorziening in de voogdij op 10 januari 2017 plaatsvinden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten de minderjarige onmiddellijk aan haar af te staan, onder bepaling, dat indien gedaagde weigeren mocht aan het voorgaande te voldoen eiseres gemachtigd is, om desnoods de hulp van de sterke arm in te roepen;
b) te bepalen, dat de minderjarige aan de zorg van eiseres wordt toevertrouwd, totdat er dienaangaande een definitieve voorziening is gegeven door de voorzieningrechter;
c) indien en voor zover nodig een voorlopige omgangsregeling vast te stellen t.a.v. de minderjarige en gedaagde;
d) een passende beslissing te nemen, zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.1.1 Eiseres legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag:
– vanwege de ontwrichting van het huwelijk heeft zij de echtelijke woning verlaten met medeneming van de minderjarige. Sedert zij de echtelijke woning heeft verlaten, heeft zij haar intrek genomen bij haar moeder;
– op 26 oktober 2016 heeft gedaagde in beschonken toestand de minderjarige meegenomen, terwijl zij aan het werk was. Sedertdien wordt eiseres door gedaagde belemmerd om enig contact met de minderjarige te hebben;
– zij is de meest aangewezen persoon, die belast dient te worden met de zorg van de minderjarige, omdat de minderjarige haar liefde en geborgenheid nodig heeft, gedaagde niet in staat en bij machte is de zorg over de minderjarige op zich te nemen, de minderjarige vaak hier en daar bij derden wordt achtergelaten, gedaagde frequent alcoholgebruiker is.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 In het belang van de minderjarige heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, teneinde een omgangsregeling als voorlopige voorziening tussen partijen te kunnen bewerkstelligen.
Vaststaat dat de minderjarige sedert oktober 2015 bij gedaagde verblijft. Op de compartiezitting van 19 oktober 2016 zijn partijen ten aanzien van de minderjarige ten overstaan van de kantonrechter de volgende omgangsregeling met elkaar overeengekomen. Met ingang van de hiervoor vermelde datum zou de minderjarige elk weekend bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige des vrijdags om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige des zondags om 13.00 uur weer terugbrengt op datzelfde adres bij gedaagde. Tijdens de evaluatie op de vervolgcomparitiezitting d.d. 01 december 2016 hebben partijen kenbaar gemaakt dat de omgangsregeling vlot is verlopen. Bij die evaluatie heeft gedaagde het verzoek gedaan of de minderjarige elk derde weekend met hem zou mogen doorbrengen. In dat licht en met het oog op de kerstvakantie zijn partijen op voorstel van de kantonrechter het volgende overeengekomen:

  • de minderjarige zal in het weekend van 02 december 2016 tot en met 04 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 02 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 04 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 16 december 2016 tot en met 18 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 16 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 18 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 23 december 2016 tot en met 25 december 2016 bij gedaagde vertoeven;
  • de minderjarige zal in de periode van 26 december 2016 tot en met 28 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 26 december 2016 om 08.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 28 december 2016 om 17.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • in het weekend van 29 december 2016 tot en met 01 januari 2017 zal de minderjarige bij gedaagde blijven;
  • in het weekend van 06 januari 2017 tot en met 08 januari 2017 zal de minderjarige bij eiseres verblijven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 06 januari 2017 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 08 januari 2017 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt.

De hiervoor gemaakte afspraken gelden tot 10 januari 2017, zijnde de datum waarop het verhoor in raadkamer ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij van de minderjarige zal plaatsvinden.

4.2 Gelet op de hiervoor tussen partijen gemaakte afspraken c.q. bereikte schikking, zoals hiervoor onder 4.1 is omschreven, zal de gevraagde voorziening conform deze afspraken worden toegewezen. In dit kader wordt partijen in herinnering gebracht om op vermelde datum het verzoek aan de voogdijrechter te doen een nadere omgangsregeling vast te stellen voor de periode na de datum van 10 januari 2017.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort, dat de gevraagde voorziening onder c zal worden toegewezen.
Nu in het belang van de minderjarige een schikking tussen partijen is bereikt, zullen de overige gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.3 Daar partijen beiden de ouders zijn van de minderjarige en het belang van de minderjarige voorop staat, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. De compensatie bestaat daarin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing
5.1 Stelt als voorlopige voorziening de volgende omgangsregeling vast:

  • de minderjarige zal in het weekend van 02 december 2016 tot en met 04 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 02 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij het kind op 04 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 16 december 2016 tot en met 18 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 16 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 18 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 23 december 2016 tot en met 25 december 2016 bij gedaagde vertoeven;
  • de minderjarige zal in de periode van 26 december 2016 tot en met 28 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres het kind op 26 december 2016 om 08.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 28 december 2016 om 17.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • in het weekend van 29 december 2016 tot en met 01 januari 2017 zal de minderjarige bij gedaagde verblijven;
  • in het weekend van 06 januari 2017 tot en met 08 januari 2017 zal de minderjarige bij eiseres verblijven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 06 januari 2017 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 08 januari 2017 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt.

5.2 Bepaalt dat de voorlopige voorziening zoals onder 5.1 van de beslissing is gegeven, geldt tot 10 januari 2017, zijnde de datum van het verhoor in raadkamer ter zake de voorziening in voogdij en toeziende voogdij van de minderjarige.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 08 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-21

In naam van de Republiek

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 14-4434
01 augustus 2016

Vonnis in de zaak van:

1.[eiser 1],
2.[eiser 2],
echtelieden,
beiden wonende te [district], eisers,
procederend in persoon,

tegen

1.DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, volgens artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, domicilie gekozen hebbende te zijnen kantore te Paramaribo,
2. DE WETGEVENDE MACHT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ingevolge artikel 70 van de Grondwet bestaande uit:

a. DE REGERING VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ten deze vertegenwoordigd wordende door de President van de Republiek Suriname, de heer Desi Delano Bouterse, die ingevolge artikel 90 lid 1 van de Grondwet Hoofd van de Regering is, kantoor houdende te Paramaribo aan de Kleine Combéweg 2.4,
b. DE NATIONALE ASSEMBLEE VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ten deze ingevolge artikel 7 van het Reglement van orde van de Nationale Assemblee (S.B. 1990 No. 43) naar buiten vertegenwoordigd wordende door haar Voorzitter, mevrouw drs. Jennifer Geerlings-Simons, kantoor houdende te Paramaribo aan het Onafhankelijkheidsplein 10,

gedaagden
gemachtigde: mr. S.D. Kraag, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 14 oktober 2014 met bijlagen op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 17 november 2014;
– de conclusie van antwoord d.d. 20 april 2015;
– de conclusie van repliek d.d. 18 mei 2015 met een productie;
– de conclusie van dupliek d.d. 06 juli 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet gemotiveerd weersproken, gelet op de in zoverre niet betwistte inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Bij resolutie van de president van de Republiek Suriname (hierna resolutie) van 05 januari 1985 is [eiser sub 1], te rekenen van 15 oktober 1984 belast met de functie van lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname.

2.2 Eiser sub 1 is op zijn verzoek eervol ontlast van de functie van lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname bij resolutie van 19 april 2005.

2.3 Bij resolutie van 12 oktober 2007 is eiser sub 1 te rekenen vanaf 01 oktober 2007 benoemd tot lid van het Hof van Justitie van Suriname.
In de resolutie staat onder meer:
“(…) GELET OP:
(….)
2. de “Personeelswet (G.B. 1962 no. 195), geldende tekst S.B. 1985 no. 41, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1987 no. 93;
(…)
II. Te bepalen, dat de Ministers van Justitie en Politie en van Binnenlandse Zaken belast zijn met de uitvoering van deze resolutie, waaronder begrepen is het volgens de terzake geldende regelen toekennen van de bezoldiging en van eventuele toelagen en het voorstellen van de bijdragegrondslag.”

2.4 Eiser sub 1 is op zijn verzoek bij resolutie van 11 december 2013 eervol ontslag verleend uit Staatsdienst te rekenen vanaf 01 augustus 2012 “onder dankbetuiging voor de gedurende lange tijd aan de Staat bewezen diensten”.

2.5 Bij beschikking van de minister van Binnnenlandse Zaken van 27 maart 2014 is besloten: “(…) aan de gewezen landsdienaar in de functie van Lid van het Hof van Justitie, op arbeidsovereenkomst, bij het Ministerie van Justitie en Politie,… op zijn verzoek, te rekenen van 1 mei 2013, een onderstaand uit Staatskas te verlenen, ten bedrage van SRD 14,34 (….) per maand (…)”

3. De vordering daarvan en het verweer
3.1 Samengevat houdt de vordering van eisers na de wijziging van hun eis in bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(1) eisers toestemming te verlenen gedaagden op verkorte termijn te doen dagvaarden;
(2) gedaagden te veroordelen om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis of binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de organieke wet ex art. 131 lid 3 van de Grondwet, Gw, aan te nemen en inwerking te doen treden door publicatie in het Staatsblad c.q. voornoemde organieke wet in behandeling te nemen, op voortvarende wijze af te handelen en in werking te doen treden;
(3,4) gedaagde sub 1 te veroordelen om eisers c.q. eiser sub 1 te betalen de som van: SRD 98.532,72 wegens pensioen, en SRD 68.991,33 wegens onderstand, althans in goede justitie te bepalen bedragen, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan de dag van algehele voldoening.
(5,6) gedaagde sub 1 te veroordelen om ingaande 01 oktober 2014 tot en met de inwerkingtreding van bedoelde organieke wet, maandelijks, aan eiser sub 1 wegens pensioen het bedrag van SRD 3.789,72 en wegens onderstand het bedrag van SRD 2.816, althans in goede justitie vast te stellen bedragen, te betalen;(7) gedaagde sub 1 te veroordelen om ingaande het overlijden van eiser sub 1 tot en met de inwerkingtreding van bedoelde organieke wet, maandelijks een eiseres sub 2 een bedrag gelijk aan 75% van (SRD 3.789,72+SRD 2.816,-) is gelijk aan SRD 4.954,29 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te bepalen.
(8) gedaagde sub 1 te veroordelen een bij verhoging van de bezoldiging van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, genoemde bedragen dienovereenkomstig aan te passen;
(9, 10) gedaagden te veroordelen in de proceskosten waaronder de kosten van betekening van dit vonnis en de executiekosten.

3.2 Eisers leggen aan deze vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag.
-Gedaagden handelen opzettelijk, met hun schuld daaraan, in strijd met hun rechtsplicht en handelen daardoor onrechtmatig jegens eisers, als gevolg waarvan eisers schade lijden. Aan de grondwettelijke bepaling in, de kantonrechter leest verbeterd art 141 lid 3 Gw i.p.v. art 131 lid 3 Gw, hebben gedaagden geen uitvoering gegeven, waardoor eiser sub 1 niet in aanmerking komt voor de geldelijke vergoeding en eiseres sub 2 eveneens niet na het overlijden van eiser sub 1.

– De Staat Suriname handelt discriminatoir en dus onrechtmatig jegens (gewezen) leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en hun nabestaanden, omdat voor de leden en de gewezen leden alsmede hun nabestaanden van De Nationale Assemblee, van de president en de vicepresident en van de (gewezen) ministers en onderministers ter uitvoering van de artikelen 86, 112 en 126 Gw de geldelijke rechtspositie wel bij wet is voorzien.

– Eiser sub 1 is gedurende 18 jaren en 2 ½ maand als lid-plaatsvervanger en voor een periode van 4 jaren en 10 maanden als van het Hof van Justitie werkzaam geweest.

– Eiser sub 1 heeft via brieven aan de vicepresident van 3 februari en 16 april 2013 aandacht hiervoor gevraagd en geen antwoord ontvangen. Op een brief van 14 juli 2014 gericht aan de president heeft eiser sub 1 een kopie van een brief ontvangen, afkomstig van de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de president en gericht aan de waarnemend directeur van het Pensioenfonds Suriname. Eiser sub 1 heeft aan de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de president in een brief van 14 augustus 2014 bericht dat zijn vordering is gebaseerd op het in gebreke blijven van opeenvolgende regeringen om uitvoering te geven aan art 145 lid 4 Gw 1975 en art 141 lid 3 Gw 1987. Een antwoord op laatst bedoeld schrijven heeft eiser sub 1 niet ontvangen.

– Eiser sub 1 ontvangt thans een onderstand – door het ministerie van Justitie en Politie voor hem aangevraagd – ad SRD 248,51 per maand.

3.3 Gedaagden betogen, kort samengevat, als volgt:
– Wetgeving waarin de financiële positie van rechters is geregeld is er altijd geweest. In die wetgeving zijn onder meer pensioenafdrachten waarmee pensioen wordt opgebouwd bepaald. Dat hiertoe een wet in formele zin ontbreekt, levert geen onrechtmatige daad op, omdat een bestendige regeling van toepassing is waar rechters zich op kunnen beroepen.

– Eisers kunnen niet via de rechterlijke macht de wetgevende macht dwingen een voor hen gunstige regeling bij wet in het leven te roepen; formele wetgeving is het prerogatief van de wetgever in formele zin.

– Eisers’ aanname dat wetgeving ontwikkeld zal worden tot het nivelleren van de financiële positie van rechters, president en vicepresident mist zowel een feitelijke als een reële grondslag.

– Tijdens zijn functioneren als lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie heeft eiser sub 1 tegelijkertijd het ambt van notaris uitgeoefend. Bij die omstandigheid is geen sprake van bezoldigd lidmaatschap van de rechterlijke macht ex art 7 van, de kantonrechter leest verbeterd het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht, G.B. 1935 no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1994 no. 17 i.p.v. de Wet Rechterlijke Organisaties. In bedoelde periode is geen sprake geweest van pensioenopbouw.

– In de benoemingsresolutie tot Lid van het Hof van Justitie van 12 oktober 2007 is geen bijdragegrondslag opgenomen, omdat in de aanhef van bedoelde resolutie de Ambtenarenpensioenwet niet is aangehaald en deze wet daarom niet van toepassing is.

– Eiser sub 1 heeft nimmer pensioenafdrachten gepleegd en die afdrachten hebben ook niet namens hem plaatsgevonden. Uit zijn loonstrook moet eiser sub 1 zulks hebben kunnen vaststellen, maar hij heeft hiervoor niet de aandacht van de bevoegde instanties gevraagd. Een schadeloosstelling gelijk aan de pensioenuitkering terwijl geen afdracht van de pensioenpremie heeft plaatsgevonden is in strijd met de huidige regeling voor rechters.

3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eisers in hun vordering tegen de gedaagde sub 2, omdat noch de wetgevende macht noch De Nationale Assemblee openbare rechtspersonen of bestuursorganen zijn.

4.1.1 Volgens eisers gaan gedaagden eraan voorbij dat in het Surinaams (proces)recht is geaccepteerd dat in het algemeen bestuursorganen als verwerende partij in rechte optreden. Eisers verwijzen in dit verband naar M.R. Hoever-Venoaks en L.J. Damen, 1996, waar de districts-commissaris, de procureur-generaal en de ontvanger der directe belastingen als voorbeelden zijn genoemd.

4.1.2 Eisers’ standpunt over het in rechte optredende bestuursorgaan als verwerende partij is op zichzelf niet onjuist. In het voorliggend geding zijn De Nationale Assemblee en Regering genoemd als delen waaruit de gedaagde, “de wetgevende macht”, bestaat. Ex artikel 70 Gw wordt de wetgevende macht gezamenlijk uitgeoefend door De Nationale Assemblee en Regering. Dit houdt in dat de wetgevende macht is opgedragen aan De Nationale Assemblee en de Regering, waarbij laatstgenoemde een uitvoerende taak heeft. De wetgevende macht is aldus geen bestuursorgaan, wat eisers overigens bij conclusie van repliek niet hebben weersproken. De wetgevende macht kan daarom niet als procespartij, in casu als gedaagde, in het geding optreden.

4.1.3 De wijze van duiding van de gedaagde sub 2 leidt er voorts niet toe dat de wetgevende macht, De Nationale Assemblee en de Regering als afzonderlijke procespartijen zijn gedaagd. Op die grond wordt aan een beoordeling van hen afzonderlijk als procespartij niet toegekomen.

4.1.4 Eisers zullen op grond van het voorgaande niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tegen gedaagde sub 2.

4.1.5 Suriname, de Staat Suriname, is rechtspersoon en kan in een rechtsgeding als eiser of gedaagde betrokken zijn, art 95 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv, en wordt in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, art 146 lid 2 Gw. Voor zover eisers tegen de Staat Suriname gevorderd hebben worden zij in hun vordering ontvangen. In vorderingen tegen “gedaagden”, zijn eisers ontvankelijk voor zover die vorderingen mede tegen de Staat Suriname, gedaagde sub 1, zijn ingesteld.

4.2 In deze zaak gaat het om de schade die eiser sub 1 en zijn echtgenote, eiseres sub 2 stellen te lijden als gevolg van een nalaten door gedaagde sub 1 om te voorzien in formele wetgeving ter regeling van de rechtspositie van leden van het rechtsprekende deel van de rechterlijke macht.

4.2.1 Tussen partijen is niet in geschil dat geen organieke wet tot stand is gekomen als uitvloeisel van art. 141 lid 3 Gw.

4.2.2 Gedaagde sub 1 stelt zich op het standpunt dat niet de rechterlijke macht maar de wetgever in formele zin zelf de rechtspolitieke keuze maakt over de totstandkoming van wetten zonder daartoe door de rechter geïnstrueerd te zijn. Ook beroept de Staat zich op een bestendige regeling, die voorziet in de wijze waarop rechters hun pensioen dienen op te bouwen zoals bij Ambtenarenpensioenwet is bepaald. Indien de inhoud van die bestendige regeling een persoon of enkelen in het nadeel brengt, maakt zulks het niet voorzien hebben in formele wetgeving door de Staat niet onrechtmatig.

4.2.3 Eisers stellen dat de voorliggende vordering niet strekt tot het vaststellen van de inhoud van de wet, wat immers de bevoegdheid van de wetgevende macht is. De grondslag is dat gedaagde sub 1 heeft nagelaten de constitutionele verplichting voortvloeiend uit artikel 141 lid 3 Gw voor de regeling van de geldelijke voorzieningen van rechters voor te bereiden, of de uitvoering voor te bereiden, of uit te voeren. Eisers’ standpunt in deze is dat gedaagde sub 1 zich weliswaar beroept op staatsbesluiten, maar dat voorafgaande aan die besluiten niet bij wet in formele zin in de financiële rechtspositie van de leden van de rechterlijke macht is voorzien. Dit is volgens eisers in strijd met de beginselen van de rule of law.

4.2.4 De rechter zal zich niet bevoegd achten een bevel tot wetgeving te geven in geval het beginsel dat de wet moet worden nageleefd conflicteert met een beginsel van behoorlijk bestuur. Ook in Nederlandse rechtspraak komt deze behoedzaamheid tot uiting in bijvoorbeeld het arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 21 maart 2003, NJ 2003, 691, waarin onder meer is overwogen dat:

“de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand zal komen, moet worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de erbij betrokken belangen. De evenzeer op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen brengt mee dat de rechter niet vermag in te grijpen in die procedure van politieke besluitvorming. (…) en indien moet worden aangenomen dat de Staat daarmee onrechtmatig handelt, kan de rechter niet een bevel geven binnen een door hem te bepalen termijn alsnog die wetgeving vast te stellen, Ook dan geldt nog steeds dat de vraag of wetgeving tot stand moet worden gebracht en zo ja welke inhoud deze moet hebben, noopt tot een afweging van vele belangen, ook van niet bij een procedure als de onderhavige betrokken partijen, en een politieke beoordeling vergt, waarin de rechter niet kan treden”.

In het algemeen is behoedzaamheid van de rechter geboden met het vellen van een oordeel over alles wat met wetgeving in formele zin samenhangt, ook een bevel tot vaststelling van een organieke wet (zie ook P.P.T. Bovend’Eert en C.A.J.M. Kortmann, 2008).

4.2.5 De vordering sub 2 strekt ertoe een onrechtmatige toestand op te heffen door gedaagde sub 1 te veroordelen een organieke wet aan te nemen en inwerking te doen stellen. Op de gronden als hiervoor overwogen zal deze vordering tot veroordeling van gedaagde sub 1 om de organieke wet ex artikel 1412 lid 3 Gw aan te nemen en in werking te doen stellen moeten worden afgewezen.

4.2.6 Bij afwijking van de vordering sub 2 op voorgaande gronden, met name dat de gedraging van gedaagde sub 1 op grond van afweging van belangen behoort te worden geduld, behouden de benadeelden, in casu eisers, evenwel het recht op vergoeding van de schade.

4.3 Het Hof van Justitie stelt in haar vonnis H.v.J. 17 februari 1978, A-67 vast dat pseudowetgeving (beleid) geen afbreuk doet aan wettelijke bepalingen. In het voorliggend geval is sprake van lagere wetgevingsproducten en van beleid. Bedoelde lagere wetgeving is geen nadere regeling van een organieke wet die is voortgevloeid uit artikel 141 lid 3 Gw. Voor zover gedaagde sub 1 met “bestendige regeling” op zijn beleid heeft gedoeld, zal in dat geval alsook in het geval van lagere wetgeving moeten worden getoetst aan beginselen van behoorlijk bestuur.

4.3.1 Van schending van het gelijkheidsbeginsel jegens het rechtsprekende deel van de rechterlijke macht kan volgens gedaagde sub 1 geen sprake zijn, omdat de aanname dat nivellering van de financiële positie bij wet zal worden bepaald een feitelijke en reële grondslag mist. Ook de omstandigheid dat op rechters een bestendige regeling van toepassing is en daarvan wordt afgeweken ten gunste van andere ambtsdragers waaronder de president, vice-president en ministers brengt volgens gedaagde sub 1 niet met zich dat sprake is van onrechtmatig handelen. Gedaagde sub 1 volhardt daarin dat in de resolutie d.d. 12 oktober 2007 geen bijdragegrondslag is opgenomen omdat in de aanhef van die resolutie de Ambtenarenpensioenwet niet is aangehaald. Voorts voert hij aan dat de wijze waarop eiser sub 1 tot lid van de rechterlijke macht is benoemd reden is van de situatie waarin hij, eiser sub 1, thans is beland. Voorts wordt eiser sub 1 verweten dat hij er zelf schuld aan heeft dat aan hem geen pensioen toekomt omdat hij nimmer pensioenpremie heeft gestort.

4.3.2 Uit de resolutie d.d. 12 oktober 2007 blijkt dat twee ministers, de ministers van Justitie en Politie en van Binnenlandse Zaken, zijn belast met de uitvoering van die resolutie, waaronder begrepen het toekennen van de ter zake geldende regelen van bezoldiging en het vaststellen van de bijdragegrondslag. Een en ander onder overweging van de Personeelswet. Gedaagde sub 1 geeft echter geen nadere verduidelijking of de bij resolutie genoemde ministers in overeenstemming met de aan hen gegeven instructie de bijdragegrondslag voor eiser sub 1 al dan niet hebben vastgesteld. Het verweer dat eiser sub 1 niet onder de aandacht van bevoegde instanties heeft gebracht dat in zijn geval geen pensioenafdrachten zijn gedaan en zijn situatie aan hemzelf te wijten is, snijdt in het licht van deze omstandigheden dan ook geen hout.

4.3.3 Nota bene blijkt uit de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 maart 2014 dat de Staat eiser sub 1 als landsdienaar in de functie van Lid van het Hof van Justitie, op arbeidsovereenkomst in dienst heeft doen treden bij het Ministerie van Justitie en Politie, dit in strijd met de resolutie van 12 oktober 2007. De beschikking van genoemde minister geeft voorts blijk van het geheel voorbijgaan aan de bepaling in artikel 141 lid 2 van de Grondwet. In genoemd artikel is immers voorzien dat de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast voor het leven zijn benoemd. De Staat negeert aldus het bepaalde in artikel 14a van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht, dat de pensioengerechtigde leeftijd van de president, de vice-president en de leden van het Hof van Justitie is gesteld op zeventig jaar. Het voorgaande brengt met zich mee dat de Staat onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële gevolgen van haar handelen voor eiser sub 1.

4.3.4 Een zodanige bejegening geeft geen blijk van zorgvuldig handelen. In de voorbereiding en afweging van alle relevante omstandigheden, heeft de Staat onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van eiser sub 1. Daarbij is gedaagde sub 1 volkomen voorbijgegaan aan de cruciale rol van de rechtspraak voor de maatschappij die bij Grondwet is bepaald. Wat nog meer is, uit het door gedaagde sub 1 ingenomen standpunt komt naar voren dat de Staat zich niet zal beijveren voor een behoorlijke bejegening van zijn (gewezen) rechters door middel van regelgeving voor de rechtspositie van rechters die essentieel verschilt van de (overige) ambtenaren.

4.3.5 Maar ook als gedaagde sub 1 zou menen, wat overigens zijn verweer mede behelst, dat in het onderhavige geval zijn optreden zowel publiek- als administratiefrechtelijk als rechtmatig kan worden aangemerkt, doet zich niettemin in casu de situatie voor waarin het niet redelijk is de schade als gevolg van de behartiging van een – mogelijk – zwaarder wegend algemeen belang ten laste te laten van eisers en getuigt het allerminst van behoorlijk bestuur het goed te vinden dat de benadeling eisers onevenredig zwaar treft ten opzichte van anderen.

4.4 Al het voorgaande brengt met zich dat de vordering van eisers als na te melden zal worden toegewezen.

4.5 Gedaagde sub 1 zal in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagde sub 2.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub 1 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “pensioen” te betalen de som van SRD 98.532,772 (achtennegentigduizend vijfhonderd tweeëndertig 72/100 Surinaamse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar gerekend vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt gedaagde sub 1 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “onderstand” te betalen de som van SRD 68.991,33 (achtenzestigduizend negenhonderd eenennegentig 33/100 Surinaamse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar gerekend vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.4 Veroordeelt gedaagde sub 1 om ingaande 01 oktober 2014 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “pensioen” te betalen de som van SRD 3.789.72 (drieduizend zevenhonderd negenentachtig 72/100 Surinaamse Dollar) per maand.

5.5 Veroordeelt gedaagde sub 1 om ingaande 01 oktober 2014 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “onderstand” te betalen de som van SRD 2.816,- (tweeduizend achthonderd zestien Surinaamse Dollar) per maand.

5.6 Veroordeelt gedaagde sub 1 om ingaande het overlijden van eiser sub 1, maandelijks, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag gelijk aan 75% van de onder 5.4. en 5.5 genoemde bedragen, zijnde 75% van SRD 3.789,72 (drieduizend zevenhonderd negenentachtig 72/100 Surinaamse Dollar) per maand en 75% van SRD 2.816,- (tweeduizend achthonderd zestien Surinaamse Dollar) is gelijk aan 75% van SRD 4.954,29 (vierduizend negenhonderd vierenvijftig 29/100 Surinaamse Dollar).

5.7 Veroordeelt gedaagde sub 1 om bij verhoging van de bezoldiging van de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast de bedragen genoemd onder 5.4, 5.5 en 5.6 dienovereenkomstig aan te passen.

5.8 Veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van betekening en executie van dit vonnis.

5.9 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.10 Veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van het geding aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 595,- (vijfhonderd en vijf en negentig Surinaamse Dollar).

5.11 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter lid-plaatsvervanger in het eerste kanton, en in het openbaar uitgesproken op maandag 01 augustus 2016 te Paramaribo in aanwezigheid va de fungerend griffier, mr. S.P. Andea.

w.g.S.P.Andea w.g. S.J.S. Bradley

SRU-K1-2015-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 10-0861
24 februari 2015

Vonnis inzake:

LE GRAND BALDEW N.V.,
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
eiseres, hierna aangeduid met “het vervoersbedrijf”
gemachtigde: was: mr. S. Gopalrai, advocaat,
thans: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

A. RESIDENCE INN N.V.,

B. DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V. (SLM),
rechtspersonen, gevestigd te Paramaribo,
gedaagden, hierna mede aangeduid met “het hotel” en “SLM”,
gemachtigde: was: mr. F. Kruisland, advocaat,
thans: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties dat op 24 februari 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De Feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

2.1 SLM is de directie voerende vennootschap van het hotel.

2.2 Het hotel heeft op 28 maart 2002 een overeenkomst gesloten met het vervoersbedrijf om haar hotelgasten vanuit het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven en vice versa te vervoeren, en wel ingaande 01 april 2002 voor de duur van een jaar.

2.3 Het hotel heeft op 28 maart 2003 wederom een overeenkomst gesloten met het vervoersbedrijf om haar hotelgasten vanuit het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven en vice versa te vervoeren, en wel ingaande 01 april 2003 voor de duur van een jaar, eindigende op 31 maart 2004.

2.4 In de periode 01 oktober 2003 tot en met 31 mei 2009, heeft het hotel diverse betalingen gedaan aan het vervoersbedrijf terzake vervoer van hotelgasten.

2.5 Het vervoersbedrijf heeft vanaf juni 2009 geen vervoersopdrachten meer gehad van het hotel.

2.6 Bij exploot no. II.0264 van de gerechtsdeurwaarder R. Kappel, heeft het vervoersbedrijf op 15 december 2009 gedaagden in gebreke doen stellen teneinde het vervoer van de hotelgasten te hervatten.

2.7 Op 06 januari 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van partijen ten kantore van het hotel.

2.8 In de kort geding zaak tussen partijen met A.R.no. 10-3172 zijn gedaagden gemaand tot het openen van onderhandelingen met het vervoersbedrijf om te geraken tot een minnelijke schikking, doch staat deze zaak thans voor vonnis op 13 maart 2014.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
Het vervoersbedrijf vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te gelasten dat gedaagden het vervoer van de gasten van het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven door het vervoersbedrijf doen verrichten, waarbij gedaagden dagelijks een lijst doen toekomen aan het vervoersbedrijf, met vermelding van de namen van de hotelgasten die per dag individueel of per groep in voornoemd hotel verwacht worden vanaf voornoemde luchthaven c.q. uit het hotel naar de luchthaven zullen vertrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,-voor iedere dag dat gedaagden nalaten aan het ten deze te wijzen vonnis gevolg te geven.
  2. gedaagden te verbieden het vervoer van de gasten van het hotel naar de luchthaven door anderen dan het vervoersbedrijf te doen verrichten, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat gedaagden in strijd met het in deze te wijzen vonnis handelen.
  3. gedaagde te veroordelen om aan het vervoersbedrijf tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van USD 24.000,-, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan de algehele voldoening.

3.2 De grondslag
Het vervoersbedrijf heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij bijkans negen jaren achtereen passagiers vervoert tussen het hotel en de Johan Adolf Pengel Luchthaven. In of omstreeks de maand mei 2009 is de werkrelatie tussen partijen onderbroken zonder opzegging van de jarenlange in acht genomen overeenkomst. Door de onderbreking is ineens een aanzienlijk deel van de inkomsten van het vervoersbedrijf komen weg te vallen, met groot financieel nadeel voor het vervoersbedrijf als gevolg. Een redelijke grond voor opzegging van de reeds langdurige samenwerking is voorts niet aannemelijk gemaakt. Ondanks gemaakte afspraken tijdens een bespreking op 06 januari 2010 om het vervoer van de gasten te hervatten, hebben gedaagden geen gevolg gegeven aan de gemaakte afspraken. Gedaagden maken zich aldus schuldig aan wanprestatie alsmede aan een onrechtmatige daad, met hun schuld daaraan,waardoor het vervoersbedrijf schade lijdt. Gedaagden hebben namelijk in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid waaraan zij gehouden zijn in hun relatie tot het vervoersbedrijf.

3.3 Het verweer
Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter komt indien nodig in zijn beoordeling terug op dit verweer.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagden hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tegen SLM, aangezien SLM in haar hoedanigheid van direkteur van het hotel ingevolge artikel 103 van het Wetboek van Koophandel gerechtigd en bevoegd is het hotel te besturen en te vertegenwoordigen binnen het kader van haar deelname aan het maatschappelijk verkeer, doch zijn handelingen van SLM dan handelingen van het hotel als rechtspersoon en geen handelingen van SLM als rechtssubject.

4.2 Het vervoersbedrijf voert hiertegen aan dat SLM in de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken is ingeschreven als oprichtster en directie voerende vennootschap van het hotel en zoals algemeen bekend, wordt onder directie voeren al hetgeen verstaan dat te maken heeft met de dagelijkse leiding en exploitatie van de instelling. Voorts voert het vervoersbedrijf aan dat zij meermalen rechtstreeks te maken heeft gehad met SLM in de persoon van de heer [naam], die aanzat aan de vergadertafel en zelfs uiterlijk goedkeuring gaf aan de vervoersafspraken en na alle gedetailleerde besprekingen, duidelijk maakte dat goedkeuring van SLM van de afspraken tussen het vervoersbedrijf en het hotel steeds een vereiste is geweest. Ook bij de bespreking van 06 januari 2010 heeft de heer [naam] namens SLM aangezeten.

4.3 Gedaagden voeren bij dupliek aan dat zij persisteren bij het gestelde bij conclusie van antwoord en stellen dat de positie van SLM slechts in haar hoedanigheid van bestuurder van het hotel is en niet van een afzonderlijke contractspartij naast het hotel, hetgeen overigens blijkt uit de overeenkomst d.d. 28 maart 2003, welke alleen tussen het vervoersbedrijf en het hotel is getekend.

4.4 De kantonrechter overweegt dat inderdaad – zoals door gedaagden gesteld – niet gebleken is dat er tussen SLM als rechtspersoon en het vervoersbedrijf een rechtsrelatie bestaat, nu niet is betwist dat de vervoersafspraken steeds tussen het vervoersbedrijf en het hotel zijn gemaakt. Natuurlijk zal SLM in haar hoedanigheid van directeur van het hotel goedkeuring moeten geven aan het te voeren beleid van het hotel, doch is SLM als rechtspersoon geen partij bij die overeenkomsten. Op grond hiervan moet naar het oordeel van de kantonrechter het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen SLM als rechtssubject, nu SLM niet in haar hoedanigheid van directievoerder van het hotel is aangesproken.

4.5 Met betrekking tot de vervoersovereenkomsten voert het hotel aan dat nadat de tweede vervoersovereenkomst op 31 maart 2004 was verlopen, er telkens incidentele vervoersopdrachten aan het vervoersbedrijf zijn gegeven, doch telkens op afroep.Vanaf 01 juni 2009 zijn dergelijke vervoersopdrachten niet meer aan het vervoersbedrijf gegeven. Hoewel er gesprekken zijn gevoerd op 06 januari 2010 met betrekking tot een nieuw duurcontract, hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de prijs. Er was en er is geen relatie tussen partijen op basis waarvan het hotel vergoedingen verschuldigd is aan het vervoersbedrijf.

4.6 Het vervoersbedrijf voert hiertegen bij repliek aan dat het hotel gedurende de jaren 2001 tot halverwege 2009 steeds bedragen voor vervoer heeft betaald; uit de grootte van deze bedragen, naast de regelmaat, moge blijken dat het niveau van de door het hotel beweerde ‘incidentele vervoersopdrachten’ langdurig en ruimschoots is overschreden. Op dezelfde wijze zoals in de schriftelijke tekst uitdrukkelijk en gespecificeerd is vastgelegd, heeft het vervoersbedrijf het vervoer verricht, is dit haar aangeboden en is zij daarvoor betaald. Overigens is de overeenkomst tussen partijen steeds stilzwijgend verlengd ingevolge artikel 9 lid 2 van de overeenkomst van 28 maart 2003, hetwelk bepaald dat bij niet-verlenging door beide partijen een opzegtermijn van twee maanden in acht zal worden genomen. Tot op heden heeft het vervoersbedrijf geen opzegging ontvangen, waardoor de wanprestatie van het hotel per 01 juni 2009 vaststaat.

4.7 Het hotel voert bij dupliek hiertegen aan dat de overeenkomst voor een bepaalde tijd, namelijk een jaar, was aangegaan en dat de bepaling van artikel 9 lid 2 dan ook alleen uitgelegd kan worden als te zijn een overgangsbepaling met betrekking tot het einde van de relatie, in die zin dat als geen verlenging plaatsvond, partijen gelet op hun beider belang, nog twee maanden met elkaar zouden doorgaan. Hoe zou namelijk een overeenkomst die door het verstrijken van de tijd waarvoor zij is aangegaan is geëindigd, nog kunnen en moeten worden opgezegd. Zulks klemt te meer, nu duidelijk in die bepaling is aangegeven, dat partijen op de laatste dag van de duur van de overeenkomst moesten besluiten tot al of niet verlenging. Voorts persisteert het hotel erbij dat het vervoer nadien gepleegd, incidentele opdrachten betrof, in die zin dat telkens nieuwe overeenkomsten voor vervoer op een bepaalde dag werden gesloten en het geen voortgaande relatie van duurzame aard betrof. Het hotel ontkent dat de overeenkomst mondeling zou zijn verlengd.

4.8 De kantonrechter overweegt dat de betalingsovermakingen van het hotel naar het vervoersbedrijf, zoals gesteld bij conclusie van repliek door het vervoersbedrijf, als niet betwist vast staan. Als niet betwist staat eveneens vast dat de vervoersopdrachten uitgevoerd na maart 2004, zijn uitgevoerd conform de voorwaarden en specificaties die in de voorheen geldende vervoersovereenkomsten waren overeengekomen. Op basis van deze vastgestelde feiten en op basis van de geconstateerde regelmaat van de vervoersopdrachten tussen maart 2004 en juni 2009, is naar het oordeel van de kantonrechter de vervoersovereenkomst tussen het vervoersbedrijf en het hotel voortgezet onder dezelfde voorwaarden. Niettegenstaande hetgeen in artikel 9 lid 2 van de oude overeenkomst is vastgelegd, hebben partijen door alzo te handelen een andere betekenis aan voormeld artikel toegekend. Niet gesteld of gebleken is dat de vervoersovereenkomst is opgezegd nadat deze na maart 2004 is voortgezet, weshalve de wanprestatie van het hotel jegens het vervoersbedrijf vast staat. Het vervoersbedrijf is daarom gerechtigd om nakoming te vorderen van het hotel. Tevens is het hotel aansprakelijk voor de schade die het vervoersbedrijf lijdt als gevolg van de wanprestatie van het hotel en is het hotel gehouden om het vervoersbedrijf deze schade te vergoeden, nu het hotel vanaf 15 december 2009 in gebreke is gesteld.

4.9 Uit het onder I van het petitum gevorderde begrijpt de kantonrechter dat het hotel nakoming van de vervoersovereenkomst vordert onder dezelfde voorwaarden als voorheen. Nu de wanprestatie van het hotel vast staat en er geen gronden voor overmacht zijn gesteld of gebleken, zal het gevorderde onder I worden toegewezen,met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zal worden gemaximeerd op SRD 100.000,-.

4.10 De kantonrechter overweegt dat niet gesteld of gebleken is dat de vervoersovereenkomst enige mate van exclusiviteit ten opzichte van het vervoersbedrijf inhield, in dier voege dat niet gesteld of gebleken is dat in de vervoersovereenkomst was opgenomen dat het hotel haar gasten uitsluitend door het vervoersbedrijf zou doen vervoeren, zodat het gevorderde onder II van het petitum als ongegrond zal worden afgewezen.

4.11 Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, overweegt de kantonrechter dat onder andere vanwege het ontbreken van een exclusiviteitsafspraak, het vervoersbedrijf haar investeringen in alle redelijkheid niet kan verhalen op het hotel.De gederfde inkomsten tussen de maand juni 2009 en februari 2010 is niet onderbouwd. Bovendien zou de schadevergoeding slechts vanaf de ingebrekestelling,dus vanaf 15 december 2009 kunnen worden toegekend, doch zal deze als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.12 Het hotel zal, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het vervoersbedrijf gevallen, zoals begroot in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Gelast het hotel om het vervoer van de gasten van het hotel van respectievelijk naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven door het vervoersbedrijf te doen verrichten,waarbij het hotel dagelijks een lijst doet toekomen aan het vervoersbedrijf, met vermelding van de naam van de hotelgasten die per dag individueel of per groep in voornoemd hotel verwacht worden vanaf voornoemde luchthaven c.q. uit het hotel naar de luchthaven zullen vertrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,- (éénduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat het hotel nalaat aan het ten deze te wijzen vonnis gevolg te geven, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (éénhonderd duizend Surinaamse dollar), niet zal overschrijden.

5.2 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Verklaart het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen SLM.

5.4 Veroordeelt het hotel in de proceskosten aan de zijde van het vervoersbedrijf gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 308,- (driehonderd acht Surinaamse dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton,mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van dinsdag 24 februari 2015, uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. R.G. Chatterpal, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier