Kantonrechter Eerste Kanton
16 juli 1987, A.R. 872887
(Mr. S. Gangaram-Panday)
A. De Paranam Werknemers Bond, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo;
B. 1. [eiser b1], wonende te [district],
2. [eiser b2], wonende te [district],
C.1.[eiser c1], wonende te [district],
2. [eiser c2], wonende te [district],
D. 1.[eiser d1], wonende te [district],
2. [eiser d2], wonende te [district],
E. 1. [eiser e1], wonende te [district],
2. [eiser e2], wonende te [district],
3. [eiser e3], wonende te [district],
F. 1. [eiser f1], wonende te [district],
2. [eiser f2], wonende te [district],
door wie tot hun aller gemachtigden is gesteld, Mr. H.E. Struiken, advokaat, eisers in kort geding,
tegen
De Suriname Aluminum Company N.V., een vennootschap naar het recht van de Staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika en gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington in de Staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika, mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de van ’t Hogerhuystraat no. 55 in Suriname voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. S.A. Thijm, advokaat, gedaagde in kort geding,
De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;
Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld om ter zake als ten rekeste omschreven:
Primair:
a. de opgeschorte danwel geschorste arbeidsovereenkomsten te herstellen met ingang van 2 maart 1987, althans met ingang van het ten deze te wijzen vonnis.
b. met ingang van 2 maart 1987, althans met ingang van de dag van de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis, op de bij gedaagde normale en gebruikelijke loonbetalingstijdstippen, althans op zodanige tijdstippen als de Rechter in goede justitie gerade mocht achten of billijken, aan alle uur- en weekloners althans alle werknemers die vallen onder de inmiddels geëxpireerde CAO en in dienst zijn van gedaagde doch met wie gedaagde het dienstverband eenzijdig heeft opgeschort, tweewekelijks te betalen bij wege van voorschot het voor ieder van hen naar tijdsruimte vastgesteld basisloon, althans een door de Rechter naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag e.e.a. totdat gedaagde van de door ieder van hen aangeboden arbeid gebruik zal maken en tot vrijwillige loonbetaling overgaat.
Subsidiair:
dat bij vonnis in het kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde zal worden veroordeeld:
a. met ingang van 2 maart 1987 althans met ingang van het ten deze te wijzen vonnis de met eisers sub B t/m F opgeschorte dan wel geschorste arbeidsovereenkomsten te herstellen.
b. aan eisers sub B t/m F terzake als ten rekeste omschreven bij wege van voorschot te betalen in de volgorde als in de aanhef vermeld de navolgende sommen van f.4.041,60; f.5.188,80; f.5.208,–; f.3.811,20; f.6.696,–; f.5.952,– f.5.380,80 vermeerderd met de rente ad 6 % ’s jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.
c. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers sub B t/m F met ingang van 25 mei 1987, althans met ingang van de dag van de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis tweewekelijks althans op zodanige tijdstippen als de Rechter in goede Justitie gerade mocht achten of billijken te betalen bij wege van voorschot in de volgende als in de aanhef vermeld de sommen van f.673,60; f.636,80; f.673,60; f.675,20; f.673,60; f.864,60; f.868,–; f.635,20; f.1.116,–; f.992; f.896,80 e.e.a. totdat gedaagde van de door ieder der eisers sub B t/m F aangeboden arbeid gebruik zal maken tot vrijwillige loonbetaling overgaat.
Kosten rechtens.
Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. H.E. Struiken en Mr. A.S. Thijm, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers, alvorens voor eis te concluderen om aanvulling van het subsidiair gevorderde sub c van het petitum heeft verzocht, met dien verstande dat tussen de letter “F” en het woord “met” worde ingevoegd “met ingang van 25 mei 1987 althans”, waarna de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke conclusie van antwoord vergezeld van produkties heeft overgelegd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens nadere stukken hebben gewisseld, waarbij de gemachtigde van eisers tevens produkties heeft overgelegd;
Overwegende, dat de inhoud van alle stukken als hier ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat Wij hierna aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 2 juli 1987, doch nader op heden;
Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend belang van de eisers [eiser b1], [eiser b2], [eiser c1],
[eiser c2] en [eiser d2] uit de aard der stellingen blijkt;
Overwegende, dat nu de [eiser e2] sinds 1juni 1987 weer aan het werk is bij de gedaagde, hij geen spoedeisend belang meer heeft bij deze vordering en dus daarin niet ontvankelijk zal worden verklaard;
Overwegende, dat nu voorts de eisers [eiser d1], [eiser e1], [eiser e3], [eiser f1] en [eiser f2] hun vordering hebben ingetrokken, hen daarvan akte zal worden verleend;
Overwegende, dat de eiser sub A, de Paranam Werknemers Bond, zijn vordering op tweeërlei grondslag heeft ingesteld, te weten:
- namens alle overige uur- en weekloners in dienst van de gedaagde voorzover die niet in het bedrijf van de gedaagde te Moengo te werk zijn gesteld, omdat zij vanaf 16 maart 1987 geen loon meer van de gedaagde ontvangen, daardoor hun (vaak groot) gezin niet (meer) kunnen onderhouden, hun (lang en kort lopende) schulden niet (meer) kunnen aflossen, althans betalen en hun gezinsleden verstoken blijven van de essentiële medische voorzieningen en
- voor zichzelf, omdat hij door de stopzetting van de loonbetaling geen contributie (meer) ontvangt van die werknemers van de gedaagde, die leden van de bond zijn;
Overwegende, dat zo een algemene vordering van de eiser sub A namens de uur- en weekloners bovengenoemd zich niet leent voor behandeling in kort geding, omdat toch elk specifiek geval van een werknemer van de gedaagde, van wie de loonbetaling is stopgezet, op zijn eigen merites zal moeten worden beoordeeld omdat de omstandigheden van ieder hunner van geval tot geval toch van elkaar zullen verschillen, hetgeen in casu dus niet mogelijk is en voorts omdat
- een groot aantal werknemers van de gedaagde, waaronder ook uur- en weekloners, inmiddels gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om vrijwillig met ontslag te gaan na acceptatie van financiële voorzieningen hen door de gedaagde geboden,
- een aantal van hen met vervroegd pensioen is gegaan en
- een groot aantal van hen weer aan het werk is bij de gedaagde, hebbende een en ander tot gevolg dat de eiser sub A in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is;
Overwegende, dat de eiser sub A ook in zijn contributie vordering, die hij via de gedaagde van zijn leden ontvangt, niet ontvankelijk is omdat hij verzuimd heeft zijn spoedeisend belang daarbij aan te geven;
Overwegende, dat derhalve de eiser B.1., B.2., C.1., C.2. en D.2. slechts in hun vordering strekkende tot loonbetaling ontvankelijk zijn, omdat zij met betrekking tot de medische- en tandheelkundige voorzieningen in het petitum voor hen en voor hun gezin niets gevorderd hebben (zij hebben zelfs verzuimd aan te geven of zij een gezin hebben ), waaraan dan verder ook zal worden voorbij gegaan;
Overwegende, dat tussen deze eisers en de gedaagde, inzoverre hier van belang, rechtens vaststaat – als enerzijds gesteld en anderzijds erkend – dat:
- de tussen eiser sub A als vakbond en de gedaagde een collectieve arbeidsovereenkomst (C.A.O.) heeft bestaan van 1 april 1985 tot en met 29 maart 1987;
- ondanks de expiratie van de C.A.O. haar bepalingen, met uitzondering van enkele, van rechtswege deel uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten tussen de gedaagde en haar werknemers, (waaronder de bovengenoemde eisers), die niet met ontslag of pensioen zijn gegaan;
- de gedaagde aan deze eisers vanaf 16 maart 1987 geen loon meer heeft uitbetaald op grond dat zij buiten schuld van partijen geen gebruik van hun diensten heeft kunnen maken vanwege: a. het opblazen van een drietal hoogspanningsmasten door derden op 25 januari 1987 op de stroomvoorzieningslijn Afobakka naar Paranam, waardoor de stroomvoorziening van de aluminium smelterij is komen weg te vallen, hetgeen tot sluiting hiervan heeft geleid en b. het vernielen door een aantal werknemers van de gedaagde van de bedrijfsinstallaties van de aluinaarde-fabriek van de gedaagde, waardoor deze tijdelijk werd stilgelegd en nog steeds niet op volle toeren draait;
Overwegende, dat de vraag die partijen verdeeld houdt, deze is of de gedaagde op grond van de hierboven onder 3 genoemde omstandigheden gerechtigd was en is de loonbetaling aan de eisers, bovengenoemd, stop te zetten;
Overwegende, dat artikel 1615b B.W. bepaalt dat geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht, en artikel 1614d lid 1 Burgerlijk Wetboek, daarop voortbouwend, zegt dat de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdsruimte vastgesteld loon niet verliest, indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt, het zij door eigen schuld of zelfs ten gevolge van, een hem persoonlijk betreffende, toevallige verhindering;
Overwegende, dat dit laatste aldus dient te worden verstaan dat de werknemer zijn aanspraak op loon behoudt, indien de bedongen arbeid niet kan worden gebruikt ten gevolge van een omstandigheid die in de verhouding van partijen meer in de risicosfeer van de werkgever of dienst bedrijf ligt dan in die van de werknemer;
Overwegende, dat van de eerste bovengenoemde omstandigheid (vernieling hoogspanningsmasten door derden), naar Ons voorlopig oordeel niet gezegd kan worden dat die in de risicosfeer van een van de partijen (de werkgever of de werknemers) ligt – en dus ook niet meer in die van de werkgever dan in die van de werknemers – op grond waarvan niet gezegd kan worden dat de werknemers, waaronder de eisers bovengenoemd die nog niet te werk gesteld zijn in het bedrijf van de gedaagde, hun aanspraak op loon jegens de gedaagde behouden;
Overwegende, dat van de tweede bovengenoemde omstandigheid (vernieling door een aantal werknemers van de gedaagde van de bedrijfsinstallaties van de aluinaardefabriek) naar Ons voorlopig oordeel wel gezegd kan worden dat die meer in de risicosfeer van de werknemers dan in die van de werkgever ligt, ook al heeft slechts een klein deel van de werknemers daaraan deelgenomen, omdat degenen die de vernieling gepleegd hebben toch hadden moeten begrijpen dat die tot gevolg zou hebben dat de aluminiumproduktie, zij het tijdelijk, zou worden stopgezet, hetgeen consequenties voor de (mede) werknemers tot gevolg zou hebben, hetgeen in de vorm van stopzetting van de loonbetaling zij het voor een deel van de werknemers ook niet is uitgebleven;
Overwegende, dat het karakter van dit geding met zich medebrengt dat niet kan worden nagegaan welke werknemers van de gedaagde wel en welke niet voor daadwerkelijke wederinzetting in het arbeidsproces van de gedaagde in aanmerking komen en ook niet of de gedaagde over genoegzame andere vormen van energie dan hydro-energie beschikt om de smelterij weder op te starten en aldus de daarbij werkzame werknemers daadwerkelijk aan het arbeidsproces wederom te laten deelnemen;
Overwegende, dat op grond van het bovenoverwogene aan de bovengenoemde eisers de gevraagde loonvoorzieningen zullen worden geweigerd, met hun veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;
Rechtdoende in kort geding
Verklaren de eisers Sub A en E.2., niet ontvankelijk in hun vordering.
Verlenen de eisers sub D.1., E.1., E.3., F.1., en F.2. akte van vermindering van hun vordering.
Weigeren aan de eisers sub B.1., B.2., C.1., C.2., en D.2. de gevraagde voorzieningen.
Veroordelen de eisers sub B.1., B.2., C.1., C.2. en D.2. in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. enz.