SRU-K1-2014-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 142157
12 juni 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

tegen

De Staat Suriname (het Ministerie van R.O.G.B.), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Ch.N. Mijnals, advocaat,

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 15 mei 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek;
– de op 10 juni 2014 gegeven rolbeschikking tot het houden van een descente;
– overlegging van een productie aan de zijde van gedaagde;
– de mondelinge conclusie tot uitlating zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 13 juni 2014 doch bij vervroeging op heden.

2. De beoordeling

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd weersproken staat in rechte tussen partijen het volgende vast:

2.2 Bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen dd. 31 oktober 1994 no. D. [nummer 1] (de oorspronkelijke beschikking), is aan eiser in grondhuur verstrekt, ter uitoefening van de landbouw, voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 28,97 ha, gelegen in [district], ten oosten van [weg], nader aangeduid op de in 4-voud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek dd. 14 mei 1992, met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekening van landmeter Ing. H. Kalloe dd. 14 mei 1992 thans bekend als de percelen ten oosten van de [adres 1] (hierna het perceel).

2.3 Voornoemd recht van grondhuur is aan eiser verleend onder, onder meer de voorwaarde dat het perceel binnen 3 jaar na te zijn verstrekt in grondhuur, in cultuur moet worden gebracht en wel als volgt:

a. in het eerste jaar : ongeveer ¼ deel van het perceel;
b. in het tweede jaar : ongeveer ½ deel van het perceel;
c. in het derde jaar : ongeveer ¾ deel van het perceel.

2.4 Bij beschikking van 25 juni 1998 no. D [nummer 2] (hierna beschikking I) is aan eiser toestemming verleend om het deel groot 9, 2704 ha deel uitmakend van het perceel mede te bestemmen ter bebouwing en bewoning.

2.5 Bij beschikking van 29 januari 2009 no. D [nummer 3] (hierna beschikking II) is aan eiser toestemming verleend om de bestemming op het perceelland groot 7, 7350 ha deel uitmakend van het perceel te wijzigen in bebouwing en bewoning.

2.6 Bij beschikking dd. 29 januari 2009 no. D[ nummer 4] (hierna beschikking III) is aan eiser toestemming verleend om de bestemming van het perceelland groot 11,9646 ha deel uitmakend van het perceel te wijzigen in bebouwing en bewoning.

2.7 De beschikkingen I, II en III moesten binnen 4 maanden na dagtekening worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore op straffe van verval.

2.8 Eiser is in gebreke gebleven om de beschikkingen I, II en III te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore.

2.9 Eiser heeft bij brieven gedateerd 15 april 2013 , 7 oktober 2013 en 11 april 2014 aan gedaagde het verzoek gedaan om de termijn van registratie van de beschikkingen I, II en III ten hypotheekkantore te verlengen dan wel een nieuwe bestemmingswijzigingsbeschikking te verstrekken.

2.10 Bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014 no. 168 is aan eiser betekend een ingebrekestelling (de ingebrekestelling) afkomstig van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer (ROGB) dd. 8 april 2014 G.I. [nummer 5] en G.I. [nummer 6]. Daarbij is besloten dat het aan eiser in grondhuur gegeven perceel, vervallen zal worden verklaard indien hij niet binnen 4 weken heeft voldaan aan zijn cultuurplicht.

3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde te verbieden om over te gaan tot het treffen van maatregelen die zouden moeten leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceel, met bevel tot verstrekking van (een) nieuwe beschikking(en) houdende bestemmingswijziging voor bebouwing en bewoning t.a.v. de delen groot 9,2704 ha, 7,7350 ha en 11,89646 ha deel uitmakende van het perceel.

II. Primiar: gedaagde te verbieden om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen die zouden moeten of kunnen leiden tot het vervallen verklaren van het recht van grondhuur op het perceel.

Subsidiair: gedaagde te verbieden om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen die zouden moeten of kunnen leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceel, totdat de bodemrechter definitief daarover zal hebben beslist.

III. gedaagde te verbieden om zich te onthouden van elk handelen of nalaten, dat inbreuk zou kunnen maken op de reeds door eiser op het perceel gepleegde investeringen en aangebrachte beterschap.

IV. gedaagde te verbieden om het recht van grondhuur op het perceel dan wel delen daarvan uit te geven aan derden onder welke titel dan ook of deze aan te wenden voor zichzelf of anderszins totdat tussen partijen definitief de hoogte van de waarde van de aangebrachte beterschap op het perceel zal zijn overeengekomen en zal zijn uitgekeerd aan eiser.

V. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

4.1 Eiser heeft ondermeer het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Alhoewel gedaagde ontsluitingskosten in rekening heeft gebracht bij de uitgifte van het perceel aan eiser, heeft gedaagde nimmer zorg gedragen voor de infrastructuur. Eiser heeft geïnvesteerd op het perceel, door het te ontsluiten en dammen en kanalen aan te leggen. Hij heeft miljoenen kubieke meters zand aangevoerd om het totale perceel op te hogen en volgens de gewijzigde bestemming aan te wenden. Daarnaast heeft hij een riante woning op het perceel gezet tot een waarde van € 175.000,=, alwaar bedrijfsarchieven worden opgeslagen. Hij, eiser, heeft ruim 12 km aan wegen aangelegd, op basis van het vertrouwen uit hoofde van de bestemmingswijziging. Vanwege omstandigheden is de bestemmingswijziging niet in de hypotheekregisters aangetekend. Toen eiser dit constateerde heeft hij diverse brieven gericht aan gedaagde met het verzoek om de registratie van de beschikkingen I, II en III ter zake bestemmingswijziging te verlengen dan wel (een) nieuwe beschikking(en) aan hem te verstrekken. Gedaagde heeft nimmer gereageerd op deze brieven. Gedaagde heeft toestemming verleend tot bestemmingswijziging van het perceel, en eiser heeft diverse investeringen daarop gepleegd uit dien hoofde. Door zich thans erop te beroepen dat eiser niet heeft voldaan aan de cultuurplicht met name land- en tuinbouw handelt gedaagde niet te goeder trouw jegens eiser. Op enig moment heeft gedaagde de toegangsweg welke leidde naar het perceel, zonder mededeling daarvan aan eiser, open gegraven als gevolg waarvan eiser het perceel niet meer kon bereiken om verdere activiteiten te ontplooien. Als gevolg van de ontstane situatie hebben eiser en/of zijn raadsman diverse brieven gericht aan gedaagde (het Ministerie van Openbare Werken) om hem te ontvangen voor een onderhoud danwel om het daarheen te leiden dat eiser het perceel kan bereiken. Ten einde raad hebben eisers een kortgeding procedure aanhangig gemaakt tegen gedaagde welke procedure bekend is onder AR no. 134557 en thans nog in behandeling is.

Eiser heeft vanwege zijn activiteiten op het perceel schulden gemaakt in de vorm van leningen. Hij, eiser, heeft het idee dat hij tegengewerkt wordt door de huidige regering vanwege zijn politieke kleur. Volgens eiser is hij het slachtoffer geworden van politieke rancune. Hij beroept zich erop dat de handelingen van gedaagde jegens hem in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gedaagde gedraagt zich aldus onrechtmatig jegens eiser.

4.2 In het onderhavig geval dient te worden beantwoord de vraag of het al dan niet gerechtvaardigd is dat gedaagde het aan eiser in grondhuur gegeven perceel vervallen wenst te verklaren zoals vastgelegd in de ingebrekestelling van de minister van ROGB. Om deze vraag te beantwoorden is het van belang om na te gaan, wat de reden is geweest die ertoe heeft geleid dat gedaagde een dergelijke maatregel wenst te treffen tegen eiser. Deze reden kan worden afgeleid uit de ingebrekestelling.

In de ingebrekestelling is zover van belang het volgende verwoord:

“……De Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer.

– Gelezen het veldrapport van de dienst Grondinspectie dd. 3 april 2014.
– Herlezen de beschikking van 31 oktober 1994 no. D [nummer 1].
– Gehoord de directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer.
Gelet op:
Het Decreet Uitgifte Domeingrond (S.B. 1982 no. 11), zoals zij luidt na wijziging en aanvulling laatstelijk bij wet van 28 januari 2003 (S.B. 2003 no. 7).

Overwegende:
Dat aan [eiser] bij beschikking van 31 oktober 1994 no. D [nummer 1] in grondhuur ter uitoefening van de landbouw- voor de duur van 40 jaren – is afgestaan het perceelland groot 28,97 ha gelegen in het [district], ten oosten van de [weg] bekend als percelen ten oosten van de [adres 1], welke beschikking ten kantore van de bewaarder van het Management Instituut GLIS is overgeschreven op 11 november 1994 in register C [nummer 7].Dat uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat het voormeld perceel land niet is bewerkt en beplant, zodat [eiser] is gebreke is gebleven om te voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf II.5 van de uitgiftebeschikking, althans niet heeft voldaan aan de cultuurplicht.

Heeft besloten:
I. Aan [eiser] – wonende aan de [adres 2] in [district] – wegens het niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in paragraaf II.5 van meergenoemde beschikking, althans wegens het niet voldoen van de cultuurplicht, bij deurwaardersexploit mededeling te doen van het voornemen tot vervallen verklaring van voren vermeld recht van grondhuur, indien binnen 4 weken na dagtekening van bedoeld exploit niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan …”.

4.3 Vast staat dat het perceel oorspronkelijk in grondhuur is uitgegeven aan eiser ter uitoefening van de landbouw. Hierna is de bestemming van het perceel door middel van drie beschikkingen (I, II en III) gewijzigd in bebouwing en bewoning. Eiser heeft verzuimd om deze wijziging, binnen de gestelde termijn van 4 maanden, te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore.

Anders dan gedaagde meent kan, niet simpelweg ervan worden uitgegaan dat de niet-inschrijving van de beschikkingen I, II en III in de daartoe bestemde registers als gevolg heeft dat het recht van grondhuur op het perceel ook vervallen is. Immers, blijkt uit de genoemde beschikkingen zelf, dat indien de overschrijving van de beschikking niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, die beschikking van rechtswege vervalt.

Het van rechtswege vervallen van die beschikking tot bestemmingswijziging, heeft tot gevolg dat geen beroep meer kan worden gedaan op die beschikking en zal dus in beginsel de bestemming van de oorspronkelijke beschikking, te weten uitoefening van landbouw, weer herleven. Dat is kennelijk ook de reden geweest dat gedaagde in de ingebrekestelling heeft doen opnemen dat “uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat het perceelland niet is bewerkt en beplant, zodat [eiser] in gebreke is gebleven om te voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf II.5 van de uitgiftebeschikking”.

Het verweer van gedaagde dat de ingebrekestelling overbodig is, omdat het recht van grondhuur door de niet inschrijving van de bestemmingswijzigingsbeschikking automatisch vervallen is, is dus niet juist en dient te worden verworpen.Het verweer van gedaagde dat eiser de juridische grondslag mist om als titelgerechtigde de onderhavige vordering in te stellen, zal om dezelfde reden ook worden verworpen.

4.4 Dan is van belang de vraag of de omstandigheid dat eiser niet althans niet volledig heeft voldaan aan zijn cultuurplicht uit hoofde van de oorspronkelijke beschikking te weten uitoefening van landbouw, tot consequentie moet hebben dat het aan hem gegeven recht van grondhuur op het perceel dient te worden vervallen verklaard. Niet is betwist, dat nadat eiser toestemming had van gedaagde tot bestemmingswijziging van het perceel, eiser ertoe is overgegaan het perceel na die bestemmingswijziging tot bebouwing en bewoning in te richten. Volgens eiser heeft hij diverse investeringen gepleegd om het perceel daartoe in te richten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser overgelegd een rapport van Makelaardij & Taxatiebureau D. Lachmon, gedateerd 10 december 2013.
In dit rapport is zover van belang het volgende verwoord:
“Taxatieobject: een onbebouwd perceelland groot 29,97 ha en gelegen ten oosten van de [weg] te [district] ….
Bezichtigingsdatum: 8 december 2013 ……
Omschrijving : het onderwerpelijk perceelland is gelegen ten oosten van de [weg]. Circa 24 ha ervan is reeds opgehoogd met opvul-zand, het resterend deel moet nog worden opgehoogd. Aan alle vier zijden van het perceelland zijn er afwateringsdammen opgeworpen. Zo te zien is het perceelland goed geïrrigeerd. De grond wordt klaargemaakt om te verkavelen. Bereids zijn er bomen en hoge struik- gewassen verwijderd van de grond….

Opstallen : op het onderwerpelijke perceelland staan er twee opstallen. Bekeken vanuit de westelijke dam van het perceelland. Aan de rechterkant een nieuw hoogbouw woonhuis, in steen opgetrokken en beslaande een totale bouwoppervlakte van 200 m² …. Het aanhorige erf heeft een oppervlakte van 1.208 m², is helemaal betegeld met straatklinkers en heeft aan alle vier zijden stenen muren.

Aan de linkerkant van het terrein is er een loods, (15x20m), de constructie is van beton, terwijl de muren met zinkplaten zijnafgewerkt. De vloer is belegd met straatklinkers.

Stand/ligging : het aanhorige erf van beide opstallen is samen circa 2500 m² groot, is netjes opgehoogd met klinkzand en is nagenoeg even hoog als de kruin van de voorlangs lopende weg……

Omrastering : Omrastering is niet aanwezig, doch het terrein wordt begrensd door dammen en lozingen. En uit eigen waarneming kan gesteld worden dat de directe omgeving goed voorzien is van ontwateringssystemen

Waardering : gelet op de hiervoren aangehaalde bevindingen, als courantheid, alsook andere relevante, waardebeinvloedingsfactoren, wordt aan het hierboven in beschouwing zijnde perceelland een onderhandse verkoopwaarde ad € 17,= per vierkante meter toegekend, hetgeen neerkomt voor het totale perceelland op ….€ 4.924.900,=… Het stenen hoogbouwwoonhuis, inclusief de omrastering en aanwezige voorzieningen wordt gewaardeerd op € 80.000,=….

De loods € 22.500,=….

De totale waarde van het perceelland en de opstallen bedraagt €5.027.400,=.

Executiewaarde : de executiewaarde bedraagt € 4.021.920,=…”.

4.5 Gedaagde heeft de inhoud van het hiervoor genoemde taxatierapport niet althans niet gemotiveerd weersproken zodat de inhoud daarvan aannemelijk wordt geacht. Uit het taxatierapport kan worden geconcludeerd dat eiser reeds enorme investeringen heeft gepleegd op het perceel uit hoofde van de aan hem gegeven toestemming tot bestemmingswijziging van het perceel. Op grond van het voorgaande is het, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat gedaagde maatregelen wenst te treffen tegen eiser met als argument dat eiser niet heeft voldaan aan de cultuurplicht uit hoofde van de oorspronkelijke beschikking, en evenmin uit hoofde van de beschikkingen I, II en III met betrekking tot de bestemmingswijziging, ook nu het perceel niet is bebouwd en bewoond, zoals in de wijzigingsbeschikking is vereist.

Daarbij wordt ook in acht genomen dat toen eiser het perceel in grondhuur verkreeg dit perceel geheel door eiser is ontbost, hetgeen gedaagde niet heeft weersproken.Daarnaast heeft gedaagde evenmin weersproken dat alhoewel gedaagde ontsluitingskosten in rekening heeft gebracht bij de uitgifte van het perceel aan eiser, hij nimmer zorg heeft gedragen voor de infrastructuur. Door zelf niet te voldoen aan zijn verplichtingen jegens eiser is het dus onredelijk van en in strijd met alle redelijkheid dat gedaagde maatregelen tegen eiser treft vanwege diens tekortkomingen.

De kantonrechter overweegt voorts dat het eveneens onredelijk is dat gedaagde een termijn van 4 weken aan eiser gunt om alsnog te voldoen aan zijn cultuurplicht, wetende dat een perceel met een grootte van 28,97 ha onmogelijk binnen 4 weken in cultuur kan worden gebracht.

4.7 Gedurende het proces heeft de gemachtigde van gedaagde het verzoek gedaan hem de ruimte te bieden om, de bij wege van de (mondelinge) conclusie van repliek geplaatste kanttekeningen zijdens eiser, te bespreken met de gedaagde. Gezien de omstandigheid dat aan eiser slechts 4 weken de ruimte is geboden om alsnog te voldoen aan zijn cultuurplicht, bij gebreke waarvan het recht van grondhuur vervallen zou worden verklaard, heeft de onderhavige zaak een bijzonder spoedeisend karakter, met dien verstande dat voordat er een maatregel op grond van de ingebrekestelling zou worden genomen, een vonnis werd verwacht. Dat betekent dat er een uitspraak diende te worden gedaan in de voorliggende zaak vóór 4 juni 2014, de laatste dag waarop eiser volgens de ingebrekestelling nog de ruimte had om te voldoen aan zijn cultuurplicht.

Naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde van gedaagde, zoals hiervoor reeds verwoord, is aan de gemachtigde van gedaagde voorgehouden dat de door hem gevraagde ruimte kan worden geboden onder de voorwaarde dat ook gedaagde een pas op de plaats zou maken voor het treffen van maatregelen uit hoofde van de ingebrekestelling. Aan de kantonrechter is nimmer voorgehouden dat gedaagde zich, om welke reden dan ook, niet wenste te confirmeren aan de gestelde voorwaarde. Het is dan ook zeer onethisch dat de kantonrechter, gedurende de behandeling van de zaak, te horen krijgt dat door gedaagde een vervallenverklaringsbeschikking met betrekking tot het perceel, is opgemaakt door gedaagde, te meer daar aan de gemachtigde wel de door hem gevraagde ruimte is geboden. Dit kan niet anders worden aangemerkt dan een schoffering van de rechterlijke macht door gedaagde.Bij het nemen van een beslissing in de onderhavige zaak, zal dan ook rekening worden gehouden met deze nieuwe ontwikkeling gedurende de behandeling van de onderhavige zaak.

4.8 Door gedaagde is een kopie van de vervallenverklaringsbeschikking overgelegd. Deze beschikking is gedateerd 10 juni 2014. Uit deze beschikking blijkt dat het recht van grondhuur van genoemd perceel vervallen is verklaard. Volgens eiser is deze beschikking niet aan hem betekend. Het is ook niet duidelijk geworden of deze beschikking reeds is verwerkt in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore.

4.9 Nu reeds is overwogen dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat gedaagde maatregelen treft tegen eiser met als argument dat laatstgenoemde niet heeft voldaan aan zijn cultuurplicht uit hoofde van de oorspronkelijke beschikking, zal gedaagde dan ook worden verboden om maatregelen tegen eiser te treffen uit hoofde van de ingebrekestelling welke ter kennis van eiser is gebracht bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014 no. 166.

De kantonrechter zal ook rekening houden met de omstandigheid dat inmiddels reeds een vervallenverklaringsbeschikking is opgemaakt. In dit kader zal gedaagde worden verboden om deze laatste beschikking te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, en voor zover deze beschikking is ingeschreven zal de doorhaling daarvan worden gelast. Gezien de nieuwe ontwikkelingen in de onderhavige zaak acht de kantonrechter in kort geding zich bevoegd, en wel uit hoofde van haar ruime bevoegdheid in kort geding, om rekening te houden met mogelijke onrechtmatige handelingen van gedaagde tegen eiser, en als zodanig ook een voorziening te treffen.

4.10 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.11 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Verbiedt gedaagde – zover er nog geen (verdere) maatregelen zijn getroffen – om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen, die zouden moeten of kunnen leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceelland, groot 28,97 ha, gelegen in [district], ten oosten van [weg], bekend als de percelen ten oosten van de [adres 1], welke bij beschikking ten kantore van de bewaarder van het Management Instituut GLIS is overgeschreven op 11 november 1994 in register C [nummer 7], op basis van de ingebrekestellingsbeschikking dd. 8 april 2014 G.I. [nummer 5] en G.I. [nummer 6] , welke aan eiser betekend is bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014, no. 168, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.2 Verbiedt gedaagde om de vervallenverklaringsbeschikking gedateerd 10 juni 2014, met betrekking tot het onder 5.1 omschreven perceelland, tegen eiser te gebruiken en/of te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.3 Gelast de doorhaling van de inschrijving van de vervallenverklaringsbeschikking gedateerd 10 juni 2014 in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore voor zover deze reeds is ingeschreven, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.4 Veroordeelt gedaagde om, binnen een maand na betekening van dit vonnis, aan eiser te verstrekken nieuwe beschikkingen houdende bestemmingswijziging voor bebouwing en bewoning ten aanzien van de delen groot 9,2704 ha, 7,7350 ha een 11,9646 ha deel uitmakende van het onder 5.1 omschreven perceelland zoals door eiser is verzocht.

5.5 Veroordeelt gedaagde om zich te onthouden van elk handelen of nalaten, dat inbreuk zou kunnen maken op het onder 5.1 omschreven perceelland en de daarop aangebrachte beterschap.

5.6 Verbiedt gedaagde om delen van het onder 5.1 omschreven perceelland aan derden te doen verstrekken, onder welke titel dan ook.

5.7 Veroordeelt gedaagde om hetgeen onder 5.3 is beslist te gehengen en te gedogen.

5.8 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een eenmalige dwangsom van SRD 50.000.000,= (vijftig miljoen Surinaamse Dollar), indien zij in strijd handelt met dit vonnis.

5.9 Verklaart dit vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.10 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 275,= (tweehonderd en vijfenzeventig Surinaamse Dollar).

5.11 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdaag 12 juni 2014 door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2013-7

In naam van de Republiek
Arno. 134864
Kantonrechter in Kort Geding
A.R. no. 134864
27 november 2013

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende te [district],
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat
eiseres in kort geding,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [gedaagde B], wonende te [district],
C. [gedaagde C], woonplaats gekozen hebbende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. Ch.N. Mijnals, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. R.V.C. Mungra, advocaat,
gedaagde sub C: niet verschenen.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 13 november 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de rolbeschikking d.d. 15 november 2013 aangetekend op de kaft van het proces-dossier;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
– het proces-verbaal van de descente gehouden op 20 november 2013;
– de mondelinge conclusies van repliek zijdens gedaagde sub A en dupliek jegens gedaagde sub A, aangetekend in het proces-verbaal van 20 november 2013;
– de mondelinge conclusie van repliek zijdens gedaagde sub B en van dupliek jegens gedaagde sub B;
– de mondelinge aanvulling op het antwoord en dupliek zijdens gedaagde sub A, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2013;
– de mondelinge conclusie tot uitlating over de aanvulling, zijdens eiseres, eveneens aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2013;
– tegen de niet verschenen gedaagden sub C is verstek verleend.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Aan eiseres is in grondhuur verleend voor bebouwing en bewoning het perceel groot 749,80 vierkante meter aan [adres] te [woonplaats].

2.2 Aan gedaagde C is het perceel allernaast het perceel van eiseres in grondhuur uitgegeven.

2.3 Gedaagde sub B heeft bij beschikking van 10 april 2013 vergunning verkregen om een magazijn te bouwen op het perceel van gedaagde sub C.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Gedaagde sub A beveelt om binnen 24 uren na uitspraak in te trekken althans te doen intrekken de aan gedaagden sub B en C verleende toestemming of vergunning om een ander bouwsel dan ter bewoning te bouwen c.q. te doen bouwen op het ten rekeste vermeld perceel;
b. Gedaagde sub A te verbieden om met betrekking tot de bouw op het perceel een andere vergunning te verstrekken dan tot de bouw van een woning en wat daarmede in direct verband staat zoals de afrastering;
c. Gedaagden sub B en C te bevelen om de aangevangen bouw op laatstvermeld perceelland van een ander bouwsel dan een woning onmiddellijk te staken en de bouw slechts te hervatten voor zover betreft een gebouw ter bewoning;
d. Gedaagden te bevelen om binnen een week na uitspraak van dit vonnis af te breken en af te voeren al hetgeen zij op meergemeld perceelland hebben gebouwd als onderdeel van een bedrijfsgebouw;
e. Al het voorgaande op straffe van een dwangsom en voorts
f. Gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat aan haar het perceel in grondhuur is uitgegeven ter bebouwing en bewoning evenals de andere percelen in de buurt. Dat ook aan gedaagden sub C en D het perceel is uitgegeven ter bebouwing en bewoning. Dat het bouwen van een zakenpand derhalve in strijd is met de bestemming en daardoor onwettig. Voorts is het bouwen van een zakenpand allernaast eiseres onrechtmatig omdat dat een ernstige inbreuk maakt op haar woongenot, haar woonomstandigheden zullen ernstig worden verstoord. Daarbij stelt zij voorts dat het exploiteren van een magazijn of bedrijfspand naast een woning de marktwaarde van de woning ernstig doet dalen, waardoor zij ook in materieel opzicht enorme schade zal lijden. Gedaagde sub A handelt onrechtmatig door een bouwvergunning te verstrekken welke in strijd is met de bestemming van het perceel.

4. Het antwoord van gedaagde sub A
Gedaagde sub A heeft in antwoord op het gevorderde aangevoerd dat intern een kort onderzoek is gedaan en dat het niet is gebleken dat er wijziging van bestemming is aangevraagd. Voorts heeft gedaagde sub A aangevoerd dat een wijziging van de bestemming in een woonwijk slechts dan zou kunnen worden toegestaan indien die bestemmingswijziging ten gunste van de woonwijk zou komen, hetgeen in casu niet is gebleken. Gedaagde concludeert dat in casu in strijd met de bestemming is gehandeld en refereert zich verder aan het oordeel van de kantonrechter.

5. Het verweer van gedaagde sub B
Gedaagde sub B heeft als verweer aangevoerd dat hij als burger de bouwvergunning heeft aangevraagd en op een verstrekte bouwvergunning had mogen afgaan. Nu de staat de vergunning heeft verleend kan gedaagde sub B geen onrechtmatig handelen worden verweten. Bovendien, zo stelt gedaagde sub B, heeft eiseres gedoogd dat het bouwwerk werd opgezet omdat er reeds vanaf maart of april voorbereidingen werden getroffen. Om die reden heeft eiseres geen spoedeisend belang. Gedaagde sub B voert aan dat hem niets verweten kan worden nu de gedaagde sub A vergunning heeft verleend. Hij handelt dan ook in overeenstemming met de wet. Gedaagde sub B voert tevens aan dat het gebruik is dat er magazijnen worden gebouwd op percelen die zijn uitgegeven voor bebouwing en bewoning en voert aan dat het Ministerie van Openbare Werken slechts dan een bestemmingswijziging vraagt wanneer het om tuinbouwactiviteiten gaat. Nu het om het bouwen van een loods gaat is het geen gebruik bij het Ministerie van Openbare Werken om een bestemmingswijziging te vragen. Op grond van al het voorgaande kan gedaagde sub B geen onrechtmatig handelen worden verweten, immers heeft hij in goed vertrouwen het bouwwerk opgezet. Daarnaast is de schade die eiseres stelt niet onderbouwd.

6. De beoordeling

6.1 Eiseres heeft op het verweer van gedaagde sub B gereageerd door te stellen dat door gedaagde sub A en B is erkend dat er geen sprake is van een bestemmingswijziging. Hiermee is de grondslag voor het gevorderde aannemelijk geworden. Het beroep van gedaagde sub B op de vergunning is niet geoorloofd, immers heeft gedaagde sub B geweten dat de bestemming van het perceel “bebouwing en bewoning” is en heeft hij ondanks dat in strijd met de bestemming en daarmee, in strijd met de wet, de verguninning aangevraagd. Nu hij de vergunning heeft verkregen kan hij zich niet erop beroepen dat hij op die vergunning had mogen afgaan. Het feit dat de vergunning en de bouw in strijd zijn met de wet staat immers recht overeind.

6.2 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde sub A en eiseres aanvoeren, het bouwen in strijd is met de bestemming in strijd is met de wet waardoor aannemelijk is geworden dat gedaagde sub B onrechtmatig handelde jegens eiseres. Ook is aannemelijk geworden dat de gevolgen van het plaatsen van een magazijn in een woonwijk een inbreuk maakt op het woongenot van de omwonenden, immers zal het zakenpand met zich meebrengen dat er zakenverkeer aan en afgaat, inclusief containervrachtwagens zoals door eiseres wordt gesteld. De sfeer van de woonwijk wordt hierdoor aangetast.Zoals door gedaagde sub A is aangevoerd is een wijziging in de bestemming van een perceel in een woonwijk pas dan geoorloofd wanneer het de woonwijk ten goede zou komen. Gedaagde sub A heeft aangevoerd dat daar in casu geen sprake van is. Gedaagde sub A voert aan dat de vergunning niet verstrekt had mogen worden. Ook deze stelling van gedaagde sub A draagt bij aan de aannemelijkheid van de grondslag, namelijk dat het bouwen van een zakenpand of magazijn op een perceel voor “bebouwing en bewoning” als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

6.3 De kantonrechter acht de grondslag aannemelijk en zal het gevorderde toewijzen, met uitzondering van het gevorderde onder B, nu de kantonrechter in dit geding niet tot een oordeel kan komen omtrent de vergunningen welke in de toekomst door gedaagde sub A zouden worden uitgegeven. Iedere uitgegeven vergunning moet immers worden getoetst alvorens daarover een oordeel te kunnen hebben.

6.4 Gedaagde sub C is tot twee keer toe opgeroepen doch niet verschenen, derhalve zal het gevorderde jegens haar ook worden toegewezen, achtende de kantonrechter dat gevorderde noch onrechtmatig, noch ongegrond.

6.5 De kantonrechter zal de gevorderde termijnen en dwangsommen naar redelijkheid en billijkheid aanpassen en gedaagden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

7. De beslissing

7.1 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen een week na betekening van het vonnis in te trekken de bouwvergunning d.d. 10 april 2013 verleend aan gedaagde sub B om een loods annex magazijn op te zetten op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 749,80 vierkante meter gelegen te [plaats], ten zuiden van de [straat 1] en ten westen van het verlengde van [straat 2], deel uitmakende van het perceelland bekend als [wijk] [nummer], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs d.d. 4 december 1998, met de letters ABCD en het nummer I blijkens de in dorso gestelde aantekening van landmeter Ing. H. Kalloe d.d. 18 december 2002, thans bekend als [wijk] [nummer], op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor elke dag dat gedaagde sub A nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

7.2 Beveelt gedaagden sub B en C om de aangevangen bouw op laatstgemeld perceelland van een ander bouwsel dan een woning, binnen 24 (vier en twintig) uur na betekening van dit vonnis te staken;

7.3 Beveelt gedaagden sub B en C om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gebouwde zakenpand af te breken en af te voeren;

7.4 Veroordeelt gedaagden sub B en C, indien zij niet voldoen aan het bevel zoals gegeven hierboven onder 7.2 en 7.3 tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal van SRD 300.000,= (driehonderdduizend Surinaamse dollar) niet te boven gaand, voor iedere dag dat zij weigeren te voldoen aan het bevel zoals gegeven hierboven onder 7.2 en 7.3;

7.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

7.6 Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 697,20 (zeshonderd zeven en negentig 20/100 Surinaamse dollar);

7.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting, van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 27 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.
w.g. D. Ramdin w.g A.C. Johanns

SRU-K1-2016-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 15-0211
08 augustus 2016

Vonnis in de hoofdzaak en in het incident inzake:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] te [district],
doch feitelijk verblijf houdende aan de [adres 2] in het [district],|
eiseres in de hoofdzaak tevens gedaagde in het incident,
hierna aangeduid met ‘[eiseres]’,
gemachtigde: (voorheen: mr. M.G.A. Vos, advocaat),
thans: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 1] te [district],
gedaagde in de hoofdzaak tevens eiser in het incident,
hierna aangeduid met ‘[gedaagde]’,
gemachtigden: voorheen: mr. K. Kraag-Brandon en mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaten,
thans: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat.

Vooraf
Dit vonnis bouwt voort op de in deze zaak gewezen tussenvonnissen op 10 augustus 2015 en 23 mei 2016.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verder verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 13 juni 2016 van de gehouden enquête;
  • de conclusie tot overlegging schriftelijk bewijs, met producties;
  • de processen-verbaal d.d. 11 juli 2016 en 25 juli 2016 van de gehouden contra-enquête;
  • de conclusies tot overlegging producties zijdens partijen, met producties;
  • de conclusies tot uitlating na gehouden enquête en contra-enquête en uitlating producties zijdens partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling in de hoofdzaak en in het incident

2.1 [eiseres] is bij hoger genoemd tussenvonnis d.d. 23 mei 2016, bij de inhoud waarvan wordt volhard, toegelaten tot bewijs door alle middelen rechtens van haar stelling dat het huwelijk tussen partijen al jaren ontwricht was vanwege het dominante, jaloerse gedrag van gedaagde en zijn alcoholmisbruik en de psychische mishandeling als gevolg daarvan.

2.2 Ter voldoening aan voormelde bewijsopdracht heeft [eiseres] drie getuigen opgebracht, waarvan twee ingevolge artikel 1931 BW onbekwaam waren om te getuigen, omdat het in casu ging om de moeder en de dochter van [eiseres]. Hierdoor is slechts de getuige [naam 1] ter enquête-zitting gehoord geworden. [eiseres] heeft aanvullend schriftelijk bewijs overgelegd, alsmede audio materiaal van een gesprek tussen [eiseres] en haar dochter. De kantonrechter heeft ingevolge artikel 1931 BW het audio materiaal niet meegenomen bij de bewijswaardering.

2.3 Volgens de getuige [naam 1] voornoemd, heeft zij met partijen te maken gehad in het jaar 2009, toen zij werkzaam was bij Stichting Ilse Henar Hewitt voor juridische bijstand. Volgens de getuige is [eiseres] toen, overstuur, bij haar gekomen voor nadere informatie over echtscheiding.De getuige heeft toen met beide partijen gesproken, die vertelden dat er relatieproblemen waren,waarbij het ging om huwelijksproblemen, aandacht en dat haar partner jaloers was. Er was namelijk ruzie ontstaan toen zij op een avond thuis waren geweest. De getuige verklaarde voorts dat beiden bereid waren te werken aan de relatie en dat zij hen na 2 of 3 sessies niet meer heeft gezien. Volgens de getuige werd zij na 1 of 2 jaren wederom gebeld door [eiseres] voor bemiddeling, doch heeft zij haar niet meer geholpen, aangezien zij intussen haar eigen adviesbureau had geopend. De getuige kon zich niet meer herinneren als er over drankprobleem was gesproken. Het ging volgens de getuige meer om aandacht. De getuige verklaarde voorts dat zij niet had kunnen waarnemen of [gedaagde] jaloers en dronken was.

2.4 [eiseres] heeft voorts als bewijs overgelegd een schrijven d.d. 03 november 2014 afkomstig van de voormalige procesgemachtigde van [eiseres], waarbij [gedaagde] werd opgeroepen voor een gesprek naar aanleiding van het verzoek van [eiseres] voor een vordering tot echtscheiding.

2.5 [eiseres] heeft voorts als schriftelijk bewijs overgelegd enkele bankafschriften van de en/of rekening van partijen bij de ING-bank, waaruit blijkt dat er gelden daarvan zijn opgenomen in oktober 2014, november 2014 en januari 2015. De kantonrechter overweegt dat de bankafschriften geen bewijs leveren van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan. Bovendien betrof het een en/of rekening van partijen.

2.6 [eiseres] heeft tevens als schriftelijk bewijs overgelegd een verklaring van haar moeder d.d. 16 juni 2016 met betrekking tot de relatie tussen partijen. De kantonrechter zal hieraan echter voorbij gaan, nu de moeder ingevolge artikel 1932 BW in casu onbekwaam is om te getuigen.

2.7 [gedaagde] heeft in contra-enquête twee getuigen doen horen, de heer [naam 2] en de heer [naam 3], die beiden in beginsel slechts [gedaagde] kennen en [eiseres] niet of nauwelijks kennen, terwijl zij niets weten over de relatieproblemen van partijen. De getuigen hebben wel verklaard [gedaagde] niet als een agressieve persoon te kennen, met wie zij af en toe een borreltje of twee pakken bij de zwemvereniging Oase na het sporten.

2.8 Bij conclusie na gehouden enquête heeft [eiseres] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de 2 door haar opgebrachte getuigen als onbekwaam heeft aangemerkt, aangezien het in casu gaat om een zaak betreffende voorziening in levensonderhoud conform boek 1 BW, zodat artikel 1931 lid 2 sub 2 BW van toepassing is en de getuigen wel bekwaam zouden zijn om te getuigen. Voorts kunnen de getuigenissen van de vrienden van [gedaagde] volgens [eiseres] niet als objectief worden bestempeld aangezien zij niet bekend zijn met de huwelijksproblemen tussen partijen.

2.9 Bij conclusie na gehouden enquête heeft [gedaagde] aangevoerd dat de kantonrechter terecht de moeder en de dochter van [eiseres] als onbekwaam heeft aangemerkt. Ter adstructie verwijst [gedaagde] naar het academisch proefschrift van mr. J.C. de Miranda Jr.: ‘Het bewijs door getuigen in Burgerlijke zaken’. [gedaagde] verzoekt daarom voorbij te gaan aan de verklaring van de moeder en het audiomateriaal. Voorts leveren de overgelegde bankafschriften geen bewijs van de ontwrichting van het huwelijk, zodat ook daaraan voorbij dient te worden gegaan.

2.10 De kantonrechter stelt voorop dat het in casu betreft bewijs ten aanzien van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk, zodat ingevolge artikel 1931 BW naar het oordeel van de kantonrechter getuigen in de rechte linie onbekwaam zijn om te getuigen.

2.11 De kantonrechter overweegt dat, nu beide partijen hebben erkend dat er vaker ruzies tussen hun waren, dit rechtens tussen hun vaststaat. Voorts staat als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist vast, mede gelet op de verklaring van de getuige [naam 1] en het schrijven van de voormalige procesgemachtigde van [eiseres] d.d. 14 november 2014, dat [eiseres] tot twee keren toe stappen heeft ondernomen om een echtscheiding aan te vragen en/of te overwegen. Eveneens staat als niet, althans niet voldoende gemotiveerd vast dat na beide pogingen voornoemd, partijen hebben meegewerkt dan wel bereid waren mee te werken aan herstel van de relatie, hetgeen wordt bevestigd door de getuige [naam 1] en de mediation van de voormalige procesgemachtigde van [eiseres] tussen partijen op 28 november 2014 volgens [gedaagde] (incidentele conclusie), waardoor het niet is gekomen tot een daadwerkelijke vordering tot echtscheiding zijdens [eiseres]. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, houdt de kantonrechter het ervoor dat het huwelijk tussen partijen reeds duurzaam was ontwricht, voordat het incident van 24 december 2014 zich had voorgedaan, zodat naar het oordeel van de kantonrechter de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in ieder geval niet in overwegende mate aan [eiseres] te wijten is geweest. De kantonrechter overweegt dat voor het overige de schuldvraag niet langer relevant is nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht en beiden wensen te scheiden.

2.12 Gelet op het hetgeen is overwogen onder 2.11, gaat het beroep van [gedaagde] op artikel 278 BW niet op, weshalve [eiseres] aanspraak maakt op partneralimentatie. Met betrekking tot de gestelde behoeftigheid van [eiseres] over weegt de kantonrechter dat uit de stellingen en weren van partijen is komen vast te staan dat partijen een bepaalde levensstandaard gewend zijn geweest en dat het geenszins de bedoeling kan zijn dat een partij na het huwelijk achteruit gaat in zijn of haar levensstandaard. Als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist staat vast dat [gedaagde] in ieder geval meer dan SRD 4.500,- per maand verdient, nu niet is betwist dat hij drie lorerende bedrijven heeft, althans aldaar werkzaam is, zodat [gedaagde] in staat moet worden geacht te voorzien in de behoefte van [eiseres]. Gelet op de door [eiseres] ingediende onkostenstaat, mede in acht nemende het 23-jarig huwelijk tussen partijen, acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat [gedaagde] tenminste in de kosten van de huur van de woning van [eiseres] bijdraagt, zijnde het bedrag van USD 500,-, zijnde het reeds bij beschikking toegewezen en vastgesteld bedrag. De kantonrechter stelt derhalve de door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen alimentatie vast op USD 500,- per maand ter voorziening in aar levensonderhoud vanaf de dag van betekening van dit vonnis.

2.13 De kantonrechter overweegt dat op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen de incidentele vordering zal worden afgewezen.

2.14 De kantonrechter heeft ambtshalve kennis genomen van de uitspraak in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.no. 15-0041, waarin het overig door [eiseres] gevorderde reeds is toegewezen, zodat [eiseres] in het overig door haar gevorderde met uitzondering van de gevorderde partneralimentatie, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.15 Aangezien partijen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hun worden gecompenseerd.

3. De beslissing in het incident en in de hoofdzaak

De Kantonrechter:

In het incident

3.1 Wijst de vordering af.

In de hoofdzaak

3.2 Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het bedrag van USD 500,- (vijfhonderd Noordamerikaanse Dollar) per maand ter voorziening in haar levensonderhoud.

3.3 Verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in het overig door haar gevorderde.

3.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kostendraagt.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, op de terechtzitting van maandag 08 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. M.S. Wesenhagen.

SRU-K1-2012-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 07-2614
21 februari 2012

Vonnis in de zaak van:
A. [eiseres sub A], echtgenote van [eiser sub B], ten deze optredende in privé en als moedervoogdes over [het minderjarige kind],
B. [eiser sub B],beiden wonende te [district 1],
eisers,
gemachtigde: mr. N. Tjin A Djie, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A],wonende in het [dorp] bij de [stad] in het [district 2] in [land], niet verschenen,
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling Centraal Bureau voor Burgerzaken,ten deze vertegenwoordigd wordende door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudende te Paramaribo,gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat,
gedaagden.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

– Het verzoekschrift dat op 11 juni 2007 met producties in ingediend ter griffie;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de tegen de gedaagde sub A verleende verstek;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub B.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres sub A en gedaagde sub A zijn op 26 maart 1999 in [land] met elkaar in het huwelijk getreden, welk huwelijk op 20 april 2001 is ontbonden.

2.2 Eiseres sub A is op 29 augustus 2000 in Suriname aangekomen. Haar toenmalige echtgenoot, gedaagde sub A, is achtergebleven in [land].

2.3 Op 11 januari 2002 is te [district 1] uit eiseres sub A, gescheiden echtgenote van gedaagde sub A, geboren [het minderjarige kind].

2.4 Aangezien dit kind geboren is binnen 306 dagen na de ontbinding van het huwelijk van eiseres sub A en gedaagde sub A wordt het, op grond van de Surinaamse wetgeving, te weten artikel 303 juncto artikel 308 van het BW, geacht een wettig kind van gedaagde sub A te zijn.

2.5 Eiseres sub A is op 7 mei 2005 gehuwd met eiser sub B, uit welk huwelijk op 2 juni 2005 te [district 1] een kind is geboren genaamd [naam].

2.6 Eisers en [de minderjarigen kinderen] wonen samen in gezinsverband.

3. Het gevorderde, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers, eiseres sub A handelende als gemeld, vorderen – zakelijk weergegeven – dat:

I. Voor recht verklaard wordt dat:

a. gedaagde sub A niet de vader is van [het minderjarige kind];
b. de status van voormelde minderjarige die van natuurlijk kind is,

II. De doorhaling wordt gelast door of vanwege gedaagde sub B in de registers van geboorten gehouden door het Centraal Bureau voor Burgerzaken van iedere vermelding en/of registratie, onder meer in folio [nummer] daarvan, van gedaagde sub A als de vader van [het minderjarige kind], geboren te [district 1] op 11 januari 2002.

III. Gedaagde sub B wordt gelast:

a. na verzoek van eiser sub B een akte van erkenning op te maken waaruit blijkt van de erkenning door hem van [het minderjarige kind];
b. deze akte van erkenning in te schrijven in het doorvoor bestemde register;
c. van voormelde erkenning melding te maken op de kant van de akte van geboorte van de minderjarige.

IV. Gedaagden worden veroordeeld het sub I, II en III gevorderde te gehengen en te gedogen.

3.2 Mede is gevorderd dat gedaagden in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

3.3 Eisers hebben het navolgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:

1. gedaagde sub A is niet de biologische vader van de minderjarige;
2. gedaagde sub A weigert een procedure tot ontkenning van de wettigheid op basis van de huidige Surinaamse wetgeving aanhangig te maken.
3. op grond van deze omstandigheden wordt het recht van de minderjarige op vaststelling van zijn afstamming en van zijn juiste identiteit geschonden en vindt er schending plaats van het recht op een family-life van eisers en de minderjarige.

3.4 Op het verweer van gedaagde sub B en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde sub B heeft, bij gebrek aan wetenschap, ontkent dat niet gedaagde sub A doch verzoeker sub B de biologische vader van de minderjarige is. De kantonrechter constateert dat gedaagde sub B niet is ingegaan op de ter zake door eisers gestelde feiten te weten dat het huwelijk tussen eiseres sub A en gedaagde sub A een verstandshuwelijk was dat zonder trouwfeest is gesloten, dat zij niet hebben samengewoond en nooit een werkelijk huwelijksleven hebben geleid en zelf geen contact met elkaar hebben gehad, dat eiseres sub A op 28 augustus 2000 alleen in Suriname is gearriveerd en dat gedaagde sub A vanaf het sluiten van het huwelijk in [land] verblijft. De kantonrechter acht op grond hiervan de ontkenning van gedaagde sub B onvoldoende gemotiveerd en gaat op grond daarvan daaraan voorbij. Naar aanleiding hiervan overweegt de kantonrechter dat hierdoor rechtens is komen vast te staan dat eiser sub B en niet gedaagde sub A de biologische vader van de minderjarige is.

4.2 Voorts staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist rechtens vast dat gedaagde sub A, die in [land] woont, niet in het levensonderhoud en de opvoeding van de minderjarige voorziet en op geen enkele manier contact met hem heeft of wil hebben en dat de minderjarige tezamen met zijn moeder, eiseres sub A, en zijn biologische vader, eiser sub B, die inmiddels met elkaar in het huwelijk zijn getreden, in Suriname in gezinsverband samenleeft en dat tot dat gezin ook is gaan behoren een uit het huwelijk van zijn ouders geboren broertje.

4.3 Nu gedaagde sub B weigert een vordering tot ontkenning van de wettigheid in te stellen en de wet deze mogelijkheid niet aan eiseres sub A als moeder van de minderjarige of aan de minderjarige zelf toekent concludeert de kantonrechter dat artikel 304 BW een zodanige leemte vertoont dat daardoor de rechten van het kind op de vaststelling van zijn afstamming en zijn juiste identiteit worden geschonden alsmede aantasting plaatsvindt van het recht van eisers en de minderjarige op eerbiediging van hun gezin, aangezien het, volgens de huidige wetgeving, onmogelijk is geworden dat er familierechtelijke betrekkingen worden gevestigd tussen de minderjarige en zijn verwekker, met wie de moeder en het kind in een ‘family’ samenleven (Vide: J. de Boer, SJB december 2004 No. 3, pg. 36).

4.4 Aangezien voormelde rechten van de minderjarige en van eisers uit hoofde van artikel 17 van de Grondwet bescherming genieten is de kantonrechter op grond van artikel 80 lid 2 juncto artikel 137 van de Grondwet bevoegd de toepassing van de wettelijke bepaling dat alleen aan gedaagde sub A de bevoegdheid toekomt een vordering tot ontkenning van de wettigheid in te stellen, in dit concrete geval ongeoorloofd te verklaren.

4.5 De kantonrechter is op grond van het hierboven overwogene en na afweging van de belangen van de minderjarige en van eisers van oordeel dat de vordering toewijsbaar is met dien verstande evenwel dat de kantonrechter met betrekking tot onderdeel II van het petitum overweegt dat in de geboorteakte van de minderjarige gedaagde sub A niet expliciet staat vermeld als te zijn de vader van de minderjarige zodat de bijvoeging dat eiseres sub A ten tijde van de geboorte van de minderjarige gescheiden echtgenote was van gedaagde sub A zal worden geschrapt.

4.6 Op grond van het vorenstaande behoeft het verweer van gedaagde sub B dat de door eisers aangehaalde verdragsbepalingen, te weten artikel 8 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, de artikelen 2, 24 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, de artikelen 17, 18, 19, 24 en 25 van de American Convention on Human Rights en artikel 16 lid 1 sub d van het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen, toepassing missen en/of geen waarborgnormen doch slechts instructienormen bevatten, als zijnde niet langer relevant, geen nadere beoordeling.

4.7 Gezien de aard van de procedure acht de kantonrechter termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren in dier voege dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Verklaart voor recht dat gedaagde sub A niet de vader is van [het minderjarige kind], die op 11 januari 2002 te [district] is geboren uit eiseres sub A en dat de status van de minderjarige die van een natuurlijk kind is.

5.2 Gelast doorhaling door of vanwege gedaagde sub B in de registers van geboorten van [district 1] van het jaar 2002, folio [nummer], van de zinsnede “sedert twintig april tweeduizend gescheiden echtgenote van: [gedaagde sub B], zonder beroep, wonende in [land]”.

5.3 Gelast dat door of vanwege gedaagde sub B, na een daartoe gedaan verzoek van eiser sub B en met toestemming van eiseres sub A, wordt opgemaakt de akte van erkenning waaruit blijkt van de erkenning door verzoeker sub B van [het minderjarige kind].

5.4 Gelast dat deze akte van erkenning door of vanwege gedaagde sub B wordt ingeschreven in het daarvoor bestemde openbare register.

5.5 Gelast dat door of vanwege gedaagde sub B van dezer erkenning melding wordt gemaakt op de kant van de akte van geboorte van [het minderjarige kind], geboren te [district 1] op 11 januari 2002.

5.6 Veroordeelt gedaagden het sub 5.1 tot en met 5.5. van dit vonnis bepaalde te gehengen en te gedogen.

5.7 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. R.G. Rodrigues, en is in het openbaar uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 21 februari 2012 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. R.G. Rodrigues
w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2016-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 15-3518
08 augustus 2016

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende aan de [adres] in het [district], eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres] in het [district], gedaagde,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 06 augustus 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de schriftelijke conclusie van antwoord en uitlating producties;
  • de schriftelijke conclusie van repliek, met producties;
  • de schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties;
  • de schriftelijke conclusie tot uitlating producties;
  • de rolbeschikking d.d. 11 juli 2016 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
  • het proces-verbaal d.d. 25 juli 2016 van de gehouden comparitie van partijen;
  • het verzoek van eiser om te mogen concluderen na gehouden comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal d.d. 05 augustus 2016 van het gesprek met de procesgemachtigden naar aanleiding van het door eiser ingediend verzoek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 januari 2005, te Paramaribo, bij [akte no], [folio no].

2.2 Uit het huwelijk tussen partijen is het navolgend thans nog minderjarig kind geboren:
– [naam], geboren op 06 juni 2005 te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert – kort samengevat – dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
– de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
– met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden, alsmede
– om gedaagde te veroordelen om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat gedaagde reeds langer dan een jaar iedere fysieke relatie met hem weigert zonder dat daarvoor enig reden is aan te wijzen. Volgens eiser houdt gedaagde vol dat zij niet meer van eiser houdt en dat alle gevoelens voor eiser dood zijn voor haar. Bemiddeling door familieleden aan beide zijden heeft niet mogen baten. Eiser stelt dat hij sinds 2 weken de echtelijke kamer heeft verlaten en zijn intrek heeft genomen in een andere kamer. Volgens eiser kan hij vanwege deze factoren niet meer met gedaagde samenwonen en is herstel van het huwelijk niet meer mogelijk.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, waarop de kantonrechter – voor zover van belang – in de beoordeling zal terugkomen.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde erkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, doch betwist de gronden die eiser daaraan ten grondslag heeft gelegd. Volgens gedaagde is de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen aan eiser te wijten geweest, met name vanwege zijn onredelijk c.q.wangedrag jegens haar. Gedaagde heeft de door eiser aangevoerde gronden gemotiveerd betwist en heeft derhalve bezwaar tegen de vordering van eiser met een beroept zich op artikel 263 BW.

4.2 Eiser persisteert bij zijn stellingen en heeft de door gedaagde aangevoerde feiten gemotiveerd betwist.

4.3 Gedaagde persisteert bij haar stellingen en haar beroep op artikel 263 BW.

4.4 De kantonrechter heeft in de stellingen en weren van partijen aanleiding gevonden om een comparitie van partijen te gelasten. Tijdens de gehouden comparitie van partijen hebben partijen gepersisteerd bij hun stellingen en standpunten. Gedaagde heeft tevens gepersisteerd in haar beroep op artikel 263 BW.

4.5 In het gesprek met de procesgemachtigden van partijen is namens partijen aangegeven dat partijen – met het oog op met name het belang van het minderjarig kind en om zo spoedig mogelijk een eind te maken aan de emotionele strijd tussen partijen die nu reeds een jaar duurt, zodat partijen een nieuwe start kunnen maken met hun respectieve levens – hoewel er wordt gepersisteerd bij de stellingen en de schuldvraag met betrekking tot de duurzame ontwrichting van het huwelijk, partijen zich met betrekking tot de vordering refereren aan het oordeel van de kantonrechter en zo spoedig mogelijk de zaak middels vonnis wensen te beëindigen.

4.6 De kantonrechter overweegt dat, nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht, terwijl gedaagde zich, naar de kantonrechter begrijpt, niet langer verzet tegen de vordering van eiser, deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen in voege als na te melden.

4.7 De beslissing omtrent de voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over het minderjarig kind, zal worden aangehouden tot de datum zoals bepaald in de beslissing.

4.8 Nu partijen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De Kantonrechter:

5.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen [eiser] en [gedaagde], in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 januari 2005, te Paramaribo, bij [akte no.], [folio no.].

5.2 Bepaalt dat het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij ten aanzien van het minderjarig kind, te weten:
– [naam], geboren op 06 juni 2005 te Paramaribo,
zal plaatsvinden op dinsdag 13 december 2016 des voormiddags te 09.30 uur in èèn der zalen van het Gerechtsgebouw aan de Grote Combeweg no. 02 te Paramaribo.

5.3 Beveelt de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn geweest.

5.4 Benoemt, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit echtscheidingsvonnis geen overeenstemming omtrent de keuze van een notaris zullen hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden, J.G. Kemp, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.5 Benoemt, voor het geval een der partijen weigerachtig mocht blijken aan de verdeling mede te werken, tot onzijdige personen volgens de wet:

  • voor eiser: H.A. Wekker, advocaat,
  • voor gedaagde: A.E. Veldman, advocaat.

5.6 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

5.7 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 08 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. M.S. Wesenhagen.

SRU-K1-2011-11

ALGEMEEN REGISTER NO. 10-475
DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

Verzoeker I en zijn echtgenote Verzoeker II,
beiden wonende te [district] aan de …,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. Marja I. Vos, advocaat;

Verzoekers tot adoptie van de minderjarige:

Minderjarige, geboren te [district] op [geboortedag];

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

De Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord verzoekers;
Gehoord de moeder en de grootmoeder van moederszijde der minderjarige.

Gelet op het proces-verbaal van verhoor d.d. 24 oktober 2011, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Ten aanzien van de feiten:
Verzoekers hebben bij verzoekschrift op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gevorderd dat zal worden ingewilligd het verzoek tot de adoptie van:

Minderjarige, geboren te [district] op [geboortedag];

Bij beschikking van de Kantonrechter dd. 10 december 2008, A.R. No. 084511 zijn verzoekers tot respectievelijk voogd en toeziende voogdes over voornoemde minderjarige benoemd;

De inhoud van het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken moeten hier als ingelast worden aangemerkt;

Ten dage voor behandeling van de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren bepaald, zijn verschenen:
Verzoekers;
Mr. M. Djokarso-Wesenhagen als vertegenwoordiger van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken;
De familie van pleegouders en de minderjarige, die ieder afzonderlijk, doch eensluidend hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het gedane verzoek.
De Kantonrechter heeft terstond vonnis gewezen en uitgesproken.

Ten aanzien van het recht:
Nu de pleegmoeder meer dan 40 jaren in leeftijd verschilt met de minderjarige is niet voldaan aan het vereiste als omschreven in artikel 342 1 lid 1 sub d van het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Dat echter de Kantonrechter dit leeftijdsvereiste in het belang van de minderjarige opzij dient te zetten. Immers de minderjarige woont sinds kort na de geboorte bij de pleegouders die thans de voordij over haar uitoefenen. Uit het rapport van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken blijkt dat de minderjarige wordt omringd door liefde van haar pleegouders. Dat die in staat zijn haar een veilige woon- en leefsituatie te bieden. Dat gelet op de omstandigheden waaronder de minderjarige ter wereld is gekomen en de wens om haar bestaan geheim te houden, het duidelijk is dat de moeder der minderjarige geen rol in haar leven wenst te vervullen. Dat de minderjarige een zodanige band heeft ontwikkeld met haar pleegouders die zich altijd over haar hebben ontfermd. Dat in het belang wordt geacht dat deze band wordt verstevigd, ook in juridische zin. Dat door de adoptie juridische betrekkingen ontstaan tussen de minderjarige en de pleegouders en dat de kantonrechter van oordeel is dat het leeftijdsverschil onder de zojuist hiervoor beschreven redenen geen beletsel mag zijn om de adoptie uit te spreken. Dat de adoptie in het belang van de minderjarige wordt geacht. De Kantonrechter zal het verzoek tot adoptie inwilligen, nu aan alle overige wettelijke formaliteiten is voldaan en het gedane verzoek in het belang van de minderjarige wordt geacht.

Rechtdoende:
Willigen het verzoek tot adoptie in van:
Minderjarige, geboren te [district] op [geboortedag]
Als natuurlijk kind van …, door de pleegouders Verzoeker I en Verzoeker II, beiden
wonende aan de … te [district].

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo op heden, maandag 24 oktober 2011, door de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton mr. S.S.S. Wijnhard, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.S.S. Wijnhard

SRU-K1-2016-18

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 15-0211
23 mei 2016

Vonnis inzake:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] te [district 1],
doch feitelijk verblijf houdende aan de [adres 2]
in het [district 2], eiseres,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 1] te [district 1],
ten rechte wonende aan de [adres 3] te [district 1], gedaagde,
gemachtigden: mr. K. Kraag-Brandon en mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaten.

Vooraf
Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis op 10 augustus 2015.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

-het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 15 januari 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord met producties;
– de incidentele conclusie tot wijziging voorlopige beschikking, met een productie;
– de schriftelijke conclusie van antwoord in het incident;
– het vonnis in het incident d.d. 10 augustus 2015;
– de schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
– de schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties,
– de rolbeschikking d.d. 23 november 2015 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 22 februari 2016;
– de conclusies na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres is op 21 december 1991 in het ressort Sur/TH==1991, onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met gedaagde, ingeschreven onder no. 21 van het huwelijksregister van voormeld ressort.

2.2 Uit het huwelijk tussen partijen zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
– [naam 1] geboren op 20 januari 1998 op Curaçao;
– [naam 2], geboren op 03 april 1999 op Curaçao.

2.3 Bij beschikking d.d. 13 maart 2015 in de zaak met A.R.no. 15-0211 is gedaagde bij wege van voorlopige voorziening veroordeeld om aan eiseres te betalen USD 500,- per maand ter voorziening in haar levensonderhoud totdat de rechter uiteindelijk heeft beslist daarover.

2.4 Bij tussenvonnis d.d. 10 augustus 2015 in de onderhavige zaak is de incidentele vordering van gedaagde tot opheffing van de verplichting tot betaling van alimentatie aan eiseres, afgewezen onder de overweging dat de schuldvraag in de onderhavige kwestie nog niet beantwoord kan worden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis:

– de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
– plaats, dag en uur te bepalen waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden;
– gedaagde te veroordelen om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege een samenspel van factoren, waardoor het samenwonen niet meer mogelijk is. Voormelde ontwrichting is volgens eiseres te wijten aan het drankgedrag van gedaagde die daarna agressief gedrag vertoont en eiseres voor vies en vuil uitscheldt, alsmede beledigende opmerkingen naar eiseres toe maakt, zelfs in bijzijn van de kinderen en derden. Het huwelijk is volgens eiseres verder ontwricht door de ongezonde jaloezie en bezitterigheid van gedaagde, die zij altijd als benauwend heeft ervaren. Eiseres stelt dat partijen reeds geruime tijd niet meer samenwonen en ook constant ruzie hebben, waardoor communicatie tussen hun reeds geruime tijd zeer slecht is. Op 24 december 2014 heeft gedaagde haar zelfs de toegang tot de echtelijke woning ontzegd, daar zij in gezelschap van een andere man verkeerde. Het huwelijk van partijen is volgens eiseres stukgelopen en is herstel ervan niet te verwachten. Eiseres stelt voorts dat zij in behoeftige omstandigheden verkeert, terwijl gedaagde gezien zijn inkomen in staat moet worden geacht haar maandelijks het bedrag van SRD 4.800,- te alimenteren, nu zij genoodzaakt is een woning te huren terwijl gedaagde gebruik maakt van de echtelijke woning.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter –voor zover voor de beslissing van belang- in het hierna volgende zal terug komen.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde voert bij antwoord aan dat partijen onder huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd en legt ter adstructie voornoemde akte d.d. 18 december 1991 over, zodat de gevorderde scheiding en deling niet worden toegewezen. Gedaagde erkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, doch ontkent dat zulks in overwegende mate aan hem te wijten is geweest. Gedaagde voert hiertoe aan dat hij een gelegenheidsdrinker is en niet bovenmatig drinkt, voorts voert gedaagde aan dat hij een zelfstandige ondernemer is en nooit met de justitie in aanraking is gekomen. Gedaagde erkent dat er ruzies tussen partijen zijn geweest. Volgens gedaagde is het juist eiseres die vaak erg beledigend is in haar taalgebruik en agressief gedrag vertoont, en zelfs bedreigt. Gedaagde voert verder aan dat zijn ‘jaloezie’ een reactie is op, althans te maken heeft met het gedrag van eiseres tegenover mannen, alsmede dat hij niet ongezond jaloers is. Volgens gedaagde heeft hij de hulp van een psycholoog ingeroepen om zijn huwelijk en gezin te redden. Ten slotte ontkent gedaagde dat het reeds geruime tijd niet goed gaat tussen partijen, ter adstructie waarvan hij een overzicht van foto’s gezins- en andere activiteiten van hem en eiseres samen ondernomen in de afgelopen tijd, zelfs nog in november 2014, heeft overgelegd. Volgens gedaagde bleek eiseres lang voor oktober 2014 een buitenechtelijke relatie te hebben, waardoor zij steeds onaangenamer en agressiever tegenover hem werd en zelfs ronduit tegen hem heeft gezegd dat zij hem niet kan verdragen in haar nabijheid en dat hij haar irriteert. Het gezin werd verwaarloosd door eiseres en was zij vaak afwezig, waarbij zij zich continu van leugens bediende, zoals: dat ze in de Mall was of bij ‘De Dolfijn’, wat achteraf niet klopte. Op24 december 2014 heeft gedaagde eiseres laten achtervolgen door een vriend van hem, die foto’s heeft gemaakt van het hele voorval. Gedaagde heeft eiseres op die bewuste dag uit een motel zien komen met een andere man en heeft hen daarna toen klemgereden. Gedaagde voert aan dat hij eiseres gelijk daarna naar haar ouderlijke woning heeft gereden en haar daar heeft afgezet.
Volgens gedaagde is deze buitenechtelijke relatie de directe oorzaak geweest van het stuk gaan van het huwelijk tussen partijen. De duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen derhalve aan eiseres te wijten geweest en heeft zij daarom geen recht op partneralimentatie. Voorts ontkent gedaagde dat eiseres behoeftig is, daar zij sinds 01 oktober 2014 directeur is van [organisatie] en een salaris krijgt van USD 50.983,- per jaar.

4.2 Eiseres voert in reactie hierop aan dat gedaagde als geen ander weet dat het huwelijk reedsgeruime tijd problemen vertoont door het bovenmatig alcohol gebruik van gedaagde en zijn extreme dominantie en jaloezie. Volgens eiseres heeft gedaagde haar vaker in bijzijn van familie en vrienden beledigd en/of vernederd. Eiseres heeft 15 jaren geleden op Curaçao reeds de hulp van een huwelijkstherapeut ingeroepen en is zij in 2008 bij Stichting Ilse Henar-Hewitt voor Juridische Bijstand voor vrouwen, te rade gegaan na de zoveelste escalatie. Volgens eiseres heeft gedaagde daarbij toegegeven zich aan voormeld gedrag te hebben schuldig gemaakt en eiseres niet correct te hebben behandeld. Na elke escalatie beloofde gedaagde verbetering, doch verviel hij weer in zijn oud gedrag. In september 2014 tijdens een familievakantie was het voor eiseres de druppel die de emmer heeft doen overlopen en heeft zij in oktober 2014 haar echtscheidingsintenties kenbaar gemaakt aan gedaagde. Van een relatie met een derde was er volgens eiseres helemaal geen sprake. Eiseres voert aan dat de foto’s een momentopname zijn en misleidend. Eiseres biedt uitdrukkelijk bewijs van haar stelling aan. Volgens eiseres ontvangt zij USD 3.257,35 per maand, terwijl zij USD 1.400,- aan huur moet betalen voor een woning.

4.3 Gedaagde ontkent hetgeen eiseres bij repliek heeft aangevoerd en persisteert dat de buitenechtelijke relatie van eiseres heeft geresulteerd in het stuk lopen van het huwelijk tussen hen. Volgens gedaagde geven de foto’s de realiteit weer en heeft eiseres haar vordering ingediend op 15 januari 2015, terwijl zij op 24 december 2014 is gefotografeerd met de andere man bij de Short Stay Inn. Voorts voert gedaagde aan dat eiseres intussen in een goedkopere woning woont, waardoor de huursom niet meer valide is. Gedaagde persisteert dat eiseres geen recht heeft op partneralimentatie.

4.4 De kantonrechter overweegt dat nu, eiseres ook na gehouden comparitie van partijen persisteert dat het huwelijk tussen partijen al jaren ontwricht was vanwege het dominante, jaloerse gedrag van gedaagde en zijn alcoholmisbruik en de psychische mishandeling als gevolg daarvan, zal zij, nu dit gemotiveerd is betwist door gedaagde, conform bewijsaanbod en conform de regels van het bewijsrecht worden toegelaten tot bewijs van haar stelling voornoemd door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigenverhoor, en wel zoals geformuleerd in de beslissing.

4.5 Hangende de bewijsopdracht zal iedere andere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing

De Kantonrechter:

5.1 Laat eiseres toe tot bewijs, door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door getuigenverhoor, van haar stelling dat het huwelijk tussen partijen reeds jaren duurzaam is ontwricht vanwege het dominante, jaloerse gedrag van gedaagde en zijn alcoholmisbruik en depsychische mishandeling als gevolg daarvan.

5.2 Bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden op maandag 13 juni 2016, om 11.30 uur des voormiddags in de enquêtezaal in het gebouw van de griffie der kantongerechten aan de Grote Combéweg no. 2 te Paramaribo.

5.3 Bepaalt dat indien de te horen getuigen de Nederlandse taal niet machtig zijn, partijen er zorg voor dienen te dragen dat een beëdigde tolk ter enquête aanwezig is om hen bij te staan voor de vertolking van al hetgeen ter enquête wordt verklaard in een voor hun verstaanbare taal.

5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, op de terechtzitting van maandag 23 mei 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. O.S. Apai.

SRU-K1-2017-13

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-5312
10 mei 2017

Beschikking in de zaak van:

[eiser],
wonende in [woonplaats], Nederland,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat,

tegen

[gedaagde],
Wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton geeft in deze zaak, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Eiser heeft bij het op 02 december 2015 ingediende verzoekschrift gevorderd dat het daarin nader omschreven onroerend goed in het openbaar zal worden verkocht;

Gelet op de processen-verbaal van verhoor ter raadkamerzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton d.d. 16 maart 2016 en 08 maart 2017;

Overwegende, dat bij het verhoor in Raadkamer de dato 16 maart 2016 partijen in de gelegenheid zijn gesteld om de mogelijkheid van een schikking te bezien. Bij de conclusie tot uitlating schikking de dato 13 juli 2016 heeft gedaagde aangevoerd dat er geen schikking tussen partijen kan volgen, omdat er twaalf beslagen op het perceel rusten. Verder heeft gedaagde aangevoerd dat hij tezamen met enkele andere bewoners van het project in een heel groot probleem is beland nu zij reeds op het perceelland hebben gebouwd en thans met een veiling worden bedreigd;

Overwegende, dat uit het verhoor in Raadkamer is gebleken dat gedaagde in 2006/2007 op het perceelland heeft gebouwd en dat hij bij de overdracht van het perceelland op zijn naam in 2008, door de betreffende notaris is voorgehouden dat het perceeelland thans is bezwaard met executoriaal beslag, welke door eiser is gelegd. Hieruit volgt dat gedaagde bij de overdracht bij de notaris wist dat het perceelland reeds bezwaard is met executoriaal beslag ten behoeve van eiser. Nu gebleken is dat gedaagde in 2006/2007 met de bouw is gestart en het perceelland ten tijde van de bouw niet was bezwaard met het executoriaal beslag ten behoeve van eiser, zal de kantonrechter in casu – mede gelet op de wederzijdse belangen – de vordering tot openbare verkoop niet toewijzen. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt het belang van gedaagde zwaarder dan het belang van eiser om het perceelland te veilen. Eiser heeft immers de mogelijkheid om de percelen te veilen waarop er geen bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd.

BESCHIKKENDE
Wijst de vordering af.

Aldus gegeven en uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie, mr. I. Sonai te Paramaribo op woensdag 10 mei 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. Z. Moeradjie w.g. I. Sonai

SRU-K1-2012-10

A.R. No. 120502
20 februari 2012

De kantonrechter in het eerste kanton
Vonnis in kort geding in de zaak van

  1. [eiseres sub 1], weduwe van [persoon],
  2. [eiseres sub 2],
  3. [eiseres sub 3],
  4. [eiser sub 4],
  5. [eiseres sub 5],
  6. [eiser sub 6],
  7. [eiser sub 7],
  8. [eiseres sub 8],
  9. [eiseres sub 9],
  10. [eiseres sub 10],
  11. [eiser sub 11],
  12. [eiseres sub 12],
  13. [eiser sub 13],
  14. [eiseres sub 14],
  15. [eiser sub 15],

Allen domicilie gekozen hebbende te Paramaribo,eisers in kort geding, gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie en het Ministerie en van Regionale Ontwikkeling, de Districts-Commissaris van het district Sipaliwini, Bestuursressort Boven Suriname, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
Kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1.Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen
– het verzoekschrift dat op 3 februari 2012 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– het proces-verbaal van het op 8 februari 2012 gehouden pleidooi;
– de mondelinge conclusie van repliek en dupliek;
– het proces-verbaal van de op 15 februari 2012 gehouden descente en comparitie van partijen;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [persoon] (hierna [persoon]) is overleden op 6 november 2011. Hij en zijn familie behoren tot de [stam] van de Saramaccaners.

2.2 Eiseres sub 1 is de weduwe van [persoon]. De overige eisers zijn nabestaanden en tevens erfgenamen van [persoon].

2.3 [persoon] is respectievelijk broer van [naam 1], neef van [naam 2] en oom van [naam 3] (hierna de overige familie van [persoon]).

2.4 Eisers enerzijds en de overige familie van [persoon] anderszijds zijn in een dispuut geraakt met betrekking tot de plaats waar [persoon] zal worden begraven vanwege zijn geloofsovertuiging.

2.5 [persoon] beleed voor zijn overlijden het Volle Evangelie. Hij woonde vanaf 1984 met zijn gezin (ongeveer 14 personen) te [plaats]. Dit is een plaats gelegen aan de bovenloop van de Surinamerivier.

2.6 Voor zijn overlijden heeft [persoon] aan zijn vrouw en kinderen kenbaar gemaakt dat hij begraven wil worden volgens de gebruiken van de Volle Evangelie Gemeente op zijn woonplaats te [plaats].

2.7 Te [plaats] is er geen begraafplaats. Wel zijn er ongeveer 75-100 jaar geleden twee (aan land gespoelde) lijken begraven.

Eisers wensen [persoon] overeenkomstig zijn wens te begraven te [plaats] volgens de gebruiken van de Volle Evangelie Gemeente.

2.8 De overige familie van [persoon] zijn tegen dit besluit van de eisers. Volgens hen dient [persoon] te worden begraven op de begraafplaats te [dorp]. Dit is ook een dorp aan de bovenloop van de Surinamerivier.

2.9 Vanwege dit dispuut hebben de eisers een vordering aanhangig gemaakt bij de kantonrechter in het derde kanton tegen de overige familie [persoon]. Deze vordering is bekend onder AR no. 115245.

De vordering strekte onder meer tot het verbieden van de overige familie [persoon] om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van eisers tot uitvoering daarvan om het stoffelijk overschot van [persoon] te begraven te [plaats] conform diens geloof, onder verbeurte van een dwangsom.

2.10 Bij vonnis van de kantonrechter in het derde kanton, dd. 27 december 2011 bekend onder AR no. 115245 heeft de kantonrechter als volgt beslist:
“5.1 Verbiedt gedaagden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van eisers en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [persoon] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Surinamerivier in [district] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie Gemeente;

5.2 Machtigt eisers, indien gedaagden zich niet houden aan het verbod genoemd onder 5.1 hierboven, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis….”(hierna het vonnis).

2.11 Het vonnis is tevens uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.12 Eisers wensen thans het vonnis ten uitvoer te leggen. Ze willen dus overgaan tot het begraven van de overledene [persoon] te [plaats]. Zij hebben daartoe de hulp van de Sterke Arm ingeroepen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde tot het verlenen van hulp van de sterke arm als bepaald in het vonnis, met dien verstande dat deze bijstand voldoende berekenend moet zijn om de ernstige verstoring van de openbare orde, rust en orde te handhaven, onder verbeurte van een dwangsom.

3.2 Eisers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij over willen gaan tot het begraven van hun overleden [persoon], maar dat zij gehinderd worden door de personen van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] en hun familie, ondanks veroordeling zoals vastgelegd in het vonnis.

Als gevolg hiervan hebben zij herhaaldelijk het verzoek gedaan aan de Districts-Commissaris van [district], de politie en de Procureur-Generaal als werkarmen van gedaagde, om de nodige bijstand te verlenen, zoals bepaald in het vonnis. Voornoemde instanties weigeren echter de benodigde bijstand te verlenen. Door de weigering van de werkarmen van gedaagde lijden zij schade.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug op het verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Het gaat in dit geding om de vraag of gedaagde jegens eisers onrechtmatig handelt, nu hij weigert om de hulp van de sterke arm te bieden bij de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter in het derde kanton, dd. 27 december 2011 bekend onder AR no. 115245.

4.3 Bij de beantwoording van deze vraag moet van het volgende worden uitgegaan.

4.3.1 Op een gehouden descente te [plaats], is gebleken dat er aldaar geen begraafplaats is aangelegd. Daar hebben enkele eisers onder meer verklaard dat de reden om [persoon] aldaar te begraven primair is voor de opening van de begraafplaats te [plaats]. Op de tweede plaats is dit voor de Volle Evangelie Christenen, zodat zij voor haar gelovigen in een dorp van de [stam] een plaats vinden voor hun begrafenis. Ook hebben eisers gesteld dat [persoon] toestemming had van de Granman voor het vestigen van de begraafplaats te [plaats]. Met name was aan hem de toestemming gegeven dat hij, bij zijn overlijden mocht worden begraven te [plaats], volgens de gebruiken van het Volle Evangelie. Ter staving van deze toestemming hebben eisers een DVD overgelegd. Volgens eisers is er toestemming gegeven door het traditioneel gezag en wel conform de geldende tradities binnen de gemeenschap. Eisers zijn van mening dat gegeven deze toestemming zij alle recht hebben om [persoon] te [plaats] te begraven.

4.3.2 Tijdens genoemde descente, zijn te [dorp], bij een gehouden ‘krutu’, verschillende (hoofd)kapiteins en basjas van enkele dorpen van de [stam] gehoord. Ook is de Districts-Commissaris van [district], te weten dhr. [naam 4], gehoord. Uit het verhoor van de verschillende (hoofd)kapiteins en basjas komt naar voren dat de gemeenschap absoluut tegen het besluit van eisers is, om [persoon] te [plaats] te begraven en wel uit hoofde van traditionele overwegingen. Deze overwegingen hebben onder meer te maken met de omstandigheid dat de gemeenschap te [dorp] van mening is dat [plaats] geen begraafplaats heeft; dat er ook geen begraafplaats aldaar kan worden aangelegd omdat [plaats] geen dorp is doch slechts een “kostgrond” waar [persoon] met zijn gezin leefde. Om een begraafplaats aan te leggen dient er eerst sprake te zijn van een dorp. Volgens hen is er sprake van een dorp als er een kapitein en/of basja aan het hoofd is, aldus de (hoofd)kapiteins en basjas.

4.4 Zoals reeds eerder is overwogen wensen eisers thans over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter in het derde kanton, dd. 27 december 2011 bekend onder AR no. 115245, waarbij aan eisers toestemming is gegeven om [persoon] te begraven te [plaats]. De onderhavige vordering strekt ertoe de Staat (gedaagde) te veroordelen tot het bieden van hulp door middel van de sterke arm bij de tenuitvoerlegging van het vonnis voornoemd.

4.4.1 De voorzieningenrechter overweegt primair dat de tenuitvoerlegging van rechterlijke vonnissen een taak is van de Staat, waarmee in het bijzonder de deurwaarder is belast. De deurwaarder kan zich daarbij doen bijstaan door de “sterke arm”, waaronder wordt verstaan de politie. De verplichting van de Staat om deze hulp te bieden, kan worden afgeleid uit artikel 305 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordeing (WBRv) en artikel 131 van de Grondwet, waarin respectievelijk is bepaald dat de grossen van gewezen vonnissen aan het hoofd de woorden “In naam van de President” moeten voeren en dat er in Suriname recht wordt gesproken in naam van de Republiek. Dit voorgaande impliceert naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bevel tot tenuitvoerlegging. Ook wordt in rechterlijke vonnissen in het algemeen een machtiging vermeld om het vonnis zo nodig met de sterke arm ten uitvoer te leggen.

4.4.2 Indien de hulp van de sterke arm wordt ingeroepen heeft de Staat in beginsel de rechtsplicht om mee te werken aan de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak. Ten aanzien van het al dan niet inzetten van politie bestaat geen beleidsvrijheid. Wel bestaat beleidsvrijheid ten aanzien van de wijze en het tijdstip waarop die medewerking wordt verleend, in het bijzonder ter vermijding van onnodig gevaar voor personen of goederen.In een extreem geëscaleerde situatie is het denkbaaar dat de tenuitvoerlegging voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld, vooral als kan worden verwacht dat de gemoederen na verloop van tijd tot rust zullen komen en de tenuitvoerlegging later met minder gevaar kan worden uitgevoerd.

4.5 In het onderhavig geval heeft gedaagde (de Staat) aangevoerd dat er in casu sprake is van een zeer bijzondere situatie welke ertoe noopt dat er bijzondere belangenafweging wordt gemaakt. Volgens gedaagde zijn de mogelijkheden van het moment niet van dien aard dat de machtsmiddelen niet kunnen worden ingezet teneinde de begrafenis te doen geschieden, doch dient te worden voorkomen dat er een orde verstorende situatie wordt gecreëerd in het betreffend gebied.

4.5.1 Aan de Staat komt met betrekking tot de ernst van de dreiging van de ordeverstoring binnen de gemeenschap van [dorp], beleids- en beoordelingsruimte toe.Bij de beoordeling door de voorzieningenrechter van de ernst van het dreigingrisico en in verband daarmee de weigering van gedaagde om de hulp van de sterke arm te bieden bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, zal moeten worden onderzocht of de Staat in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de dreiging aan de ene kant en de weigering aan de andere kant, van dien aard zijn, dat de weigering tot het bieden van hulp van de sterke arm met het oog op de tenuitvoerlegging van het vonnis verantwoord is.In dat verband zal de Staat feiten en omstandigheden dienen te stellen – en zo nodig aannemelijk dienen te maken – waaruit kan volgen dat hij in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de weigering om de hulp van de sterke arm te bieden bij de tenuitvoerlegging van het vonnis noodzakelijk en verantwoord is.

4.5.2 Dienaangaande heeft de Districts-Commissaris van [district], te weten dhr. [naam 4], in het kort samengevat, verklaard dat gezien de traditionele principes, er geen draagvlak is binnen de gemeenschap te [dorp], om [persoon] te begraven te [plaats]. Voorts is door de gemeenschap aan hem te kennen gegeven dat er een oorlog kan worden verwacht en dat het een 2e “Moiwana” zou worden. Verder is er gedreigd dat alles te [plaats] zal worden plat gebrand en dat het lijk zou worden opgegraven en te [dorp] zal worden begraven. Volgens de Districts-Commissaris acht hij de gemeenschap in staat om die bedreigingen uit te voeren.Met de verklaring van de Districts-Commissaris is het aannemelijk geworden dat er een orde verstorende situatie kan optreden te [dorp], indien gedaagde de hulp van de sterke arm biedt bij de begrafenis van [persoon], en dus bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.Deze aannemelijkheid wordt versterkt door de verklaringen van de verschillende (hoofd)kapiteins en basjas, nu uit die verklaringen kan worden geconcludeerd dat er geen draagvlak is binnen de gemeenschap van [dorp] om [persoon] te begraven te [plaats].

4.6 Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de weigering van gedaagde om de hulp van de sterke arm te bieden bij de tenuitvoerlegging van het vonnis niet onrechtmatig is jegens eisers, hoezeer eisers ook van mening zijn dat zij toestemming hebben gehad conform de gebruiken van het traditioneel gezag. Bovendien zijn alleen eisers enerzijds en de overige familie [persoon] anderzijds partij bij het vonnis waarbij aan eisers de toestemming is gegeven om [persoon] te begraven te [plaats]. Dit betekent dat het vonnis slechts geldt tussen deze partijen en dus slechts kan worden uitgevoerd tegen deze bij naam genoemde personen. Bieden van hulp door de Staat met de sterke arm in dit specifiek geval, zou betekenen dat het vonnis tegen de gehele gemeenschap zou worden uitgevoerd, aangezien vrijwel de gehele gemeenschap te [dorp] tegen de begrafenis is. Op grond van het voorgaande dienen de door eisers gevraagde voorzieningen te worden geweigerd.

4.7 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagd voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van maandag 20 februari 2012 te Paramaribo door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. L.J. van Bossé w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2016-17

A.R. No. 16-159
28 april 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
hierna ook aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat

tegen

A. De STAAT SURINAME met name de Minister van Arbeid,
vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende aan de Limesgracht no. 92, te Paramaribo,
hierna ook aangeduid als de Staat,

B. de Naamloze Vennootschap N.V. ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna ook aangeduid als EBS,
gedaagden in kort geding
gemachtigde van gedaagden sub A en sub B: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft, in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

1. De procesgang
1.1 Die blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 7 januari 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– een rolbeschikking d.d. 4 februari 2016 waarbij gedaagden peremptoir in de gelegenheid zijn gesteld een conclusie van antwoord over te leggen op de rolzitting van 11 februari 2016;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek en uitlating producties met productie;
– de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Vaststaande feiten

2.1 Een productie GEDATEERD 23 OKTOBER 2012 met als opschrift ARBEIDSOVEREENKOMST welke is ondertekend door [eiser] en de Raad van Commissarissen van EBS waarin ondermeer het volgende staat:

lid 1: [eiser] is met ingang van 9 mei 2012 in dienst van de EBS als Financieel Directeur.

2.2 Een brief van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen gedateerd 26 augustus 2015 waarin staat: “Aangezien er een strafrechtelijk onderzoek betrekking zal hebben op gepleegde financiële transacties door u ben ik genoodzaakt om u per onmiddellijke ingang gedurende de periode van voornoemd onderzoek te ontlasten als waarnemend algemeen directeur van de EBS NV. Gedurende uw ontlasting blijft u evenwel ter beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen”.

2.3 Een brief van de EBS gericht aan [eiser] d.d. 22 september 2012 waarin ondermeer staat: “uit een ingesteld intern onderzoek is gebleken dat u in strijd heeft gehandeld met de bepalingen overeenkomstig de contracten gesloten met Greenland Development N.V. en Superior Contracting N.V. en/of dat u in strijd heeft gehandeld met de bestaande procedure binnen de N.V. EBS. Op grond van het bovenstaande bent u op 26 augustus 2015 door en vanwege de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen als vertegenwoordiger van de Aandeelhouder ontlast van uw werkzaamheden als Financieel Directeur, belast met de tijdelijke waarneming als Algemeen Directeur…. U bent door de justitiële autoriteiten officieel als verdachte gekwalificeerd…”de Raad van Commissarissen, bijeen in vergadering d.d. 21 september 2015………..heeft op grond van al het voorgaande besloten om u, [eiser], ingevolge de vigerende statuten van de naamloze vennootschap N.V. Energie Bedrijven Suriname N.V. (EBS), met artikel 11, per onmiddellijke ingang te schorsen.

2.4 Een algemene vergadering van aandeelhouders van EBS gehouden op 15 oktober 2015 en waarin een besluit is genomen om de dienstbetrekking met [eiser] te beëindigen.

2.5 Een productie d.d. 17 november 2015 met als opschrift: MINISTERIE van ARBEID waarin ondermeer staat: heeft besloten: Op grond van het bovenstaande vergunning te verlenen ter beëindiging van de dienstbetrekking met directeur [eiser], met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn.

2.6 Een brief gedateerd 30 november 2015 afkomstig van de EBS en gericht aan [eiser] waarin ondermeer staat: “namens de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de aandeelhouders van de EBS, wordt de dienstbetrekking per heden, 30 november 2015, met u opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn ingevolge artikel 1615iBW, waardoor de arbeidsovereenkomst met u per 4 januari 2016 zal zijn beëindigd.

2.7 Machtiging d.d. 17 september 2015 waarin staat dat de Vice President van de Republiek Suriname Ir. Adhin M.A.S. bij presidentieel besluit P.B. 78/2015, aangewezen als vertegenwoordiger van de Staat als aandeelhouder van de N.V. ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, de heer Drs. Regillio J. Dodson, machtigt om gedurende de periode 17 september 2015 tot en met 30 november 2015 alle rechten en bevoegdheden die ingevolge de wet, de statuten van de vennootschap en de bestendige gebruiken aan de aandeelhouders toekomen, ten volle uit te oefenen.

2.8 Productie met als opschrift Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf noodstroomvoorziening N.V. Energiebedrijven Suriname.

2.9 Productie met als opschrift Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf magazijngoederen via een intermediair door de N.V. Energiebedrijven Suriname (EBS).

2.10 Productie met als opschrift Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: ASSURANCE-RAPPORT inzake onderzoek bestedingen IDB-lening N.V. Energiebedrijven Suriname.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorrad op alle dagen en uren:

I.Het besluit van de EBS d.d. 15 oktober 2015 zoals die in haar Algemene Vergadering van Aandeelhouders is genomen, inhoudende het onmiddellijke ontslag van verzoeker te schorsen, althans op te schorten totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid daarvan onherroepelijk zal zijn beslist.
II. de ontslagvergunning d.d. 17 november 2014 met [nummer] zoals die door de Staat is verleend op te schorten, althans te schorsen totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist.
III. de opzegging d.d. 30 november 2015 van het dienstverband met hem door de EBS op te schorten, althans te schorsen totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist.
IV. De EBS te veroordelen tot doorbetaling van het met eiser overeengekomen loon en andere vergoedingen en te gelasten dat eiser toegelaten wordt om de bedongen werkzaamheden te verrichten totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist.

Eiser vordert tevens dat gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.
Eiser heeft behalve de vaststaande feiten aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders nietig althans vernietigbaar is, daar de door de EBS gevolgde procedure niet conform de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst heeft plaatsgehad. Dat het besluit van de Ontslagcommissie van het Ministerie van Arbeid evenmin rechtsgeldig is omdat de grondslag van het besluit ondeugdelijk is, en het besluit niet objectief is.

3.2 Gedaagden hebben tegen de vordering verweer gevoerd. Voor zover nodig komt de kantonrechter bij de beoordeling daarop terug.

4.De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is in voldoende mate gebleken uit hetgeen eiser heeft gesteld.

4.2 Eiser heeft de grondslag van zijn vordering nader gemotiveerd en onderbouwd en heeft verder – voor zover van belang – aangevoerd dat:

a. de beschikking van de ontslagcommissie van het Ministerie van Arbeid niet rechtsgeldig is omdat in strijd is gehandeld met de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Dat in vermelde overeenkomst limitatief is opgesomd op welke gronden de dienstbetrekking met hem kan worden beëindigd, namelijk met wederzijds goedvinden, door ontbinding door de kantonrechter wegens gewichtige redenen en de opzegging door hem, [eiser],
b.hij niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord op de door de EBS gehouden Algemene Vergadering van Aandeelhouders van 15 oktober 2015 voor welke vergadering hij was geconvoceerd om 17.00 uur. Hij wenste in persoon te worden gehoord op die vergadering, maar hij was in verzekering gesteld; hij heeft gevraagd te worden gehoord wanneer hij in vrijheid zou zijn gesteld doch de EBS heeft dat niet gehonoreerd.
Zijn vorige gemachtigde heeft zich op die vergadering aangemeld om 17.15 doch is hij niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord omdat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders reeds een besluit had genomen ter zake zijn ontslag. EBS had geen redelijk belang om zijn gemachtigde niet de gelegenheid te geven hem te horen omdat de tijd dat hij te laat was niet zo ver was overschreden,
c. de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen niet bevoegd was om namens de Staat deel te nemen aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders omdat dit is voorbehouden aan de Vice President van de Republiek Suriname,
d. de grond van zijn ontslag ondeugdelijk is omdat hij niet in persoon is gehoord ten aanzien van de inhoud van de opgemaakte rapporten van het CLAD,
e. het besluit van de Ontslag Commissie ondeugdelijk is gemotiveerd en de beslissing van dit orgaan niet objectief is omdat de voorzitter van de Ontslag Commissie als directeur van arbeid een politieke functie bekleedt en hij derhalve niet objectief kan zijn, aldus eiser.

4.3 Gedaagden hebben voor zover van belang – kort aangegeven – als verweer aangevoerd dat het aan [eiser] verleend ontslag rechtsgeldig is omdat:

a. de procedure die is ingezet in verband met het ontslag conform artikel 11 van de statuten van EBS heeft plaatsgevonden daar artikel 2 lid 2 van de overeenkomst bepaalt dat de wet en de statuten van EBS prevaleren boven de bepaling van die arbeidsovereenkomst indien deze in tegenstrijd zijn met elkaar of van elkaar afwijken.
b. [eiser] in de gelegenheid is gesteld om in persoon of bij gemachtigde aanwezig te zijn op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders. [eiser] heeft niet in het vooruitzicht gesteld wanneer hij wederom in vrijheid zou worden gesteld. Gelet op het in artikel 11 van de statuten van de EBS bepaalde kon zijn verzoek niet worden ingewilligd.De toenmalige gemachtigde van eiser, heeft zich aangemeld drie kwartier nadat de vergadering was aangevangen en hij niet meer kon worden gehoord omdat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders reeds een besluit had genomen omtrent het ontslag van [eiser].
c. de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen rechtsgeldig is vertegenwoordigd op de AVAS van de EBS omdat de Vice President hem daartoe had gemachtigd.
d. er drie rapporten zijn van de ’s Lands Accountantsdienst waaruit blijkt dat [eiser] comptabele regels grovelijk heeft overtreden. [eiser] is als verdachte aangemerkt, in verzekering gesteld en het onderzoek duurt voort door het openbaar ministerie. Hierna is een verzoek ingediend bij de Ontslag Commissie, welk verzoek is ingewilligd.
e. ervan mag worden uitgegaan dat de voorzitter van de Ontslag Commissie in staat is objectief beslissingen te nemen en hetgeen door eiser ter zake is gesteld onvoldoende is om met recht aan de objectiviteit van de beslissing te twijfelen. De beschikking van de ontslagcommissie is zoals de inhoud luidt voldoende gemotiveerd.

4.4 De beoordeling van de stellingen en weren van partijen.
4.4.1 Artikel 2 van de tussen [eiser] en de EBS getekende arbeidsovereenkomst bepaalt het volgende:

lid 1: Onverminderd de bepalingen van deze overeenkomst, zal [eiser] de wettelijke en statutaire bepalingen met betrekking tot de uitoefening van zijn functie als financieel directeur, waaronder mede begrepen het geldende directiereglement, strikt in acht nemen.

lid 2: Ingeval van strijdigheid of afwijking van enige bepaling van deze overeenkomst met enige bepaling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde wettelijke en statutaire bepalingen, zullen laatstgemelde bepalingen prevaleren en worden geacht een integrerend deel van deze overeenkomst uit te maken.

lid 3: [eiser] zal als financieel directeur conform de statuten slechts worden ontslagen wegens gewichtige reden, nadat hij redelijkerwijs de gelegenheid heeft gehad zich schriftelijk of mondeling terzake te verdedigen, doch laat een eventueel ontslag het bestaan van de arbeidsovereenkomst en de hieruit voortvloeiende verplichtingen zijdens de EBS onverlet, in ieder geval tot aan de ontbinding cq beëindiging hiervan als bedoeld in lid 4.

lid 4: De ontbinding c.q. beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan slechts op de navolgende wijze geschieden:

  1. Met wederwijs goedvinden:…..
  2. De ontbinding door de kantonrechter wegens gewichtige redenen:………..
  3. Opzegging door [eiser]:………..

4.4.2 Artikel 11 van de statuten van de EBS bepaalt ondermeer het volgende:

lid 1: De directeuren worden ontslagen en benoemd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

lid 2: Elke aandeelhouder kan bij besluit van de Raad van Commissarissen om gewichtige redenen worden geschorst,……vermeld.

lid 3: uiterlijk binnen een maand na de schorsing zal een Algemene Vergadering van Aandeelhouders worden gehouden, teneinde, nadat de geschorste in de gelegenheid is gesteld, zich in die vergadering te verdedigen of te doen verdedigen, over de opheffing van de schorsing of over het ontslag van de geschorste te beslissen. Indien zodanige vergadering binnen de gestelde termijn niet is gehouden vervalt de schorsing van rechtswege.

4.4.3 Nu artikel 2 lid 4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de dienstbetrekking met [eiser] slechts kan worden beëindigd met wederzijds goedvinden, na ontbinding door de kantonrechter wegens gewichtige redenen en na opzegging door [eiser] terwijl artikel 11 lid I van de statuten van de EBS bepalen dat haar directeuren (dus ook [eiser]) worden ontslagen en benoemd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, is er sprake van “afwijking van enige bepalingen” als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de litigieuze arbeidsovereenkomst. De stelling van [eiser] dat de in artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst genoemde afwijkende of strijdige bepalingen geen betrekking hebben op de wijze van beëindiging van zijn dienstbetrekking maar slechts op de wijze van zijn functioneren geeft blijk van een onjuiste interpretatie van vermeld artikellid. Immers de wijze waarop artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst is geredigeerd is duidelijk. De afwijkende bepaling van de statuten prevaleren en worden geacht een integrerend deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst. De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de EBS was daarom bevoegd om het ontslagproces ten aanzien van [eiser] in te zetten.

4.4.4 Onbetwist is dat [eiser] is medegedeeld dat hij in de gelegenheid was om in persoon te worden gehoord of middels een gemachtigde. Nu eiser niet heeft gesteld dat er een indicatie was binnen welke termijn hij in vrijheid zou worden gesteld kon van de EBS, mede gelet op het bepaalde in artikel 11 lid 3 van de Statuten van de EBS, niet worden verlangd dat een andere vergadering zou worden uitgeschreven waarop het ontslag van [eiser] zou worden besproken. Immers zou van rechtswege de schorsing die aan [eiser] was opgelegd, vervallen.
Er is niet gesteld en evenmin is gebleken dat op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 15 oktober 2015 van de agenda is afgeweken. Het besluit tot ontslag van [eiser] was reeds genomen door de Algemene Vergadering toen de toenmalige raadsman van eiser zich aanmeldde en terecht kon deze niet meer worden gehoord ten aanzien van het besluit.

4.4.5 Eiser heeft niets overgelegd waaruit zou moeten blijken dat aan de Vice President van de Republiek Suriname enige beperking is opgelegd bij het presidentieel besluit P.B. 78/2015 als genoemd in de machtiging sub 2.7 van dit vonnis. De Minister van Natuurlijke Hulpbronnen was daarom bevoegd de Staat te vertegenwoordigen als aandeelhouder op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de EBS op 15 oktober 2015.

4.4.6 [eiser] heeft aangevoerd dat hij niet is gehoord met betrekking tot de inhoud van door gedaagde overgelegde CLAD-rapporten. Dat hij met toestemming van de Raad van Commissarissen van EBS heeft gehandeld en daarom de grondslag van het besluit van zijn ontslag ondeugdelijk is, aldus [eiser].
Deze verweren worden verworpen omdat [eiser] hiermede niet had mogen volstaan. Immers, gedaagde heeft bij haar conclusie van antwoord de volgende gedetailleerde onderbouwde rapporten overgelegd:

Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf noodstroomvoorziening N.V. Energiebedrijven Suriname

Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf magazijngoederen via een intermediair door de N.V. Energiebedrijven Suriname (EBS) en

Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: assurance-rapport inzake onderzoek bestedingen IDB-lening N.V. Energiebedrijven Suriname.

Eiser is hierdoor in de gelegenheid gesteld gemotiveerd en/of onderbouwd verweer te voeren en het was dus voor hem mogelijk om gedetailleerd in onderhavig geding in te gaan op de inhoud van de rapporten. Dit heeft hij echter nagelaten. Tevens heeft hij nagelaten te motiveren wanneer en op welke wijze hij de door hem gestelde toestemming heeft verkregen van de RvC. Hierdoor is de inhoud van vermelde rapporten aannemelijk, namelijk dat gedaagde ondermeer kan worden verweten:

  1. onregelmatigheden bij afwikkeling leveringscontracten,
  2. afwijking en omzeiling van de interne (EBS) procedure die geldt bij de aanvraag van goederen en diensten,
  3. onregelmatigheden bij de besteding van de IDB leensom.

Van EBS kan daarom niet worden verwacht dat zij de dienstbetrekking met EBS voortzet.

4.4.7 Het verweer dat de beschikking van de ontslagcommissie niet objectief zou zijn wordt als niet deugdelijk gemotiveerd of onderbouwd verworden. De kantonrechter acht de motivering van de beschikking voldoende en duidelijk.

4.5 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de vordering worden afgewezen en zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen komen niet voor verdere bespreking in aanmerking omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

5. De beslissing
5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, kantonrechter in het eerste kanton, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 28 april 2016 door mr. A. Johanns, kantonrechter in het eerste kanton, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.D.Ramdin w.g. S.S.S. Wijnhard
w.g. A.C. Johanns