SRU-K1-1987-1

Kantonrechter Eerste Kanton
16 juli 1987, A.R. 872887
(Mr. S. Gangaram-Panday)

A. De Paranam Werknemers Bond, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo;

B. 1. [eiser b1], wonende te [district],
2. [eiser b2], wonende te [district],

C.1.[eiser c1], wonende te [district],
2. [eiser c2], wonende te [district],

D. 1.[eiser d1], wonende te [district],
2. [eiser d2], wonende te [district],

E. 1. [eiser e1], wonende te [district],
2. [eiser e2], wonende te [district],
3. [eiser e3], wonende te [district],

F. 1. [eiser f1], wonende te [district],
2. [eiser f2], wonende te [district],
door wie tot hun aller gemachtigden is gesteld, Mr. H.E. Struiken, advokaat, eisers in kort geding,

tegen

De Suriname Aluminum Company N.V., een vennootschap naar het recht van de Staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika en gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington in de Staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika, mede kantoorhoudende te Paramaribo aan de van ’t Hogerhuystraat no. 55 in Suriname voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. S.A. Thijm, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld om ter zake als ten rekeste omschreven:
Primair:
a. de opgeschorte danwel geschorste arbeidsovereenkomsten te herstellen met ingang van 2 maart 1987, althans met ingang van het ten deze te wijzen vonnis.
b. met ingang van 2 maart 1987, althans met ingang van de dag van de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis, op de bij gedaagde normale en gebruikelijke loonbetalingstijdstippen, althans op zodanige tijdstippen als de Rechter in goede justitie gerade mocht achten of billijken, aan alle uur- en weekloners althans alle werknemers die vallen onder de inmiddels geëxpireerde CAO en in dienst zijn van gedaagde doch met wie gedaagde het dienstverband eenzijdig heeft opgeschort, tweewekelijks te betalen bij wege van voorschot het voor ieder van hen naar tijdsruimte vastgesteld basisloon, althans een door de Rechter naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag e.e.a. totdat gedaagde van de door ieder van hen aangeboden arbeid gebruik zal maken en tot vrijwillige loonbetaling overgaat.

Subsidiair:
dat bij vonnis in het kort geding uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde zal worden veroordeeld:

a. met ingang van 2 maart 1987 althans met ingang van het ten deze te wijzen vonnis de met eisers sub B t/m F opgeschorte dan wel geschorste arbeidsovereenkomsten te herstellen.
b. aan eisers sub B t/m F terzake als ten rekeste omschreven bij wege van voorschot te betalen in de volgorde als in de aanhef vermeld de navolgende sommen van f.4.041,60; f.5.188,80; f.5.208,–; f.3.811,20; f.6.696,–; f.5.952,– f.5.380,80 vermeerderd met de rente ad 6 % ’s jaar vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.
c. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers sub B t/m F met ingang van 25 mei 1987, althans met ingang van de dag van de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis tweewekelijks althans op zodanige tijdstippen als de Rechter in goede Justitie gerade mocht achten of billijken te betalen bij wege van voorschot in de volgende als in de aanhef vermeld de sommen van f.673,60; f.636,80; f.673,60; f.675,20; f.673,60; f.864,60; f.868,–; f.635,20; f.1.116,–; f.992; f.896,80 e.e.a. totdat gedaagde van de door ieder der eisers sub B t/m F aangeboden arbeid gebruik zal maken tot vrijwillige loonbetaling overgaat.

Kosten rechtens.
Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr. H.E. Struiken en Mr. A.S. Thijm, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers, alvorens voor eis te concluderen om aanvulling van het subsidiair gevorderde sub c van het petitum heeft verzocht, met dien verstande dat tussen de letter “F” en het woord “met” worde ingevoegd “met ingang van 25 mei 1987 althans”, waarna de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke conclusie van antwoord vergezeld van produkties heeft overgelegd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens nadere stukken hebben gewisseld, waarbij de gemachtigde van eisers tevens produkties heeft overgelegd;
Overwegende, dat de inhoud van alle stukken als hier ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat Wij hierna aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 2 juli 1987, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend belang van de eisers [eiser b1], [eiser b2], [eiser c1],
[eiser c2] en [eiser d2] uit de aard der stellingen blijkt;
Overwegende, dat nu de [eiser e2] sinds 1juni 1987 weer aan het werk is bij de gedaagde, hij geen spoedeisend belang meer heeft bij deze vordering en dus daarin niet ontvankelijk zal worden verklaard;
Overwegende, dat nu voorts de eisers [eiser d1], [eiser e1], [eiser e3], [eiser f1] en [eiser f2] hun vordering hebben ingetrokken, hen daarvan akte zal worden verleend;
Overwegende, dat de eiser sub A, de Paranam Werknemers Bond, zijn vordering op tweeërlei grondslag heeft ingesteld, te weten:

  1. namens alle overige uur- en weekloners in dienst van de gedaagde voorzover die niet in het bedrijf van de gedaagde te Moengo te werk zijn gesteld, omdat zij vanaf 16 maart 1987 geen loon meer van de gedaagde ontvangen, daardoor hun (vaak groot) gezin niet (meer) kunnen onderhouden, hun (lang en kort lopende) schulden niet (meer) kunnen aflossen, althans betalen en hun gezinsleden verstoken blijven van de essentiële medische voorzieningen en
  2. voor zichzelf, omdat hij door de stopzetting van de loonbetaling geen contributie (meer) ontvangt van die werknemers van de gedaagde, die leden van de bond zijn;

Overwegende, dat zo een algemene vordering van de eiser sub A namens de uur- en weekloners bovengenoemd zich niet leent voor behandeling in kort geding, omdat toch elk specifiek geval van een werknemer van de gedaagde, van wie de loonbetaling is stopgezet, op zijn eigen merites zal moeten worden beoordeeld omdat de omstandigheden van ieder hunner van geval tot geval toch van elkaar zullen verschillen, hetgeen in casu dus niet mogelijk is en voorts omdat

  1. een groot aantal werknemers van de gedaagde, waaronder ook uur- en weekloners, inmiddels gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om vrijwillig met ontslag te gaan na acceptatie van financiële voorzieningen hen door de gedaagde geboden,
  2. een aantal van hen met vervroegd pensioen is gegaan en
  3. een groot aantal van hen weer aan het werk is bij de gedaagde, hebbende een en ander tot gevolg dat de eiser sub A in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is;

Overwegende, dat de eiser sub A ook in zijn contributie vordering, die hij via de gedaagde van zijn leden ontvangt, niet ontvankelijk is omdat hij verzuimd heeft zijn spoedeisend belang daarbij aan te geven;
Overwegende, dat derhalve de eiser B.1., B.2., C.1., C.2. en D.2. slechts in hun vordering strekkende tot loonbetaling ontvankelijk zijn, omdat zij met betrekking tot de medische- en tandheelkundige voorzieningen in het petitum voor hen en voor hun gezin niets gevorderd hebben (zij hebben zelfs verzuimd aan te geven of zij een gezin hebben ), waaraan dan verder ook zal worden voorbij gegaan;
Overwegende, dat tussen deze eisers en de gedaagde, inzoverre hier van belang, rechtens vaststaat – als enerzijds gesteld en anderzijds erkend – dat:

  1. de tussen eiser sub A als vakbond en de gedaagde een collectieve arbeidsovereenkomst (C.A.O.) heeft bestaan van 1 april 1985 tot en met 29 maart 1987;
  2. ondanks de expiratie van de C.A.O. haar bepalingen, met uitzondering van enkele, van rechtswege deel uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten tussen de gedaagde en haar werknemers, (waaronder de bovengenoemde eisers), die niet met ontslag of pensioen zijn gegaan;
  3. de gedaagde aan deze eisers vanaf 16 maart 1987 geen loon meer heeft uitbetaald op grond dat zij buiten schuld van partijen geen gebruik van hun diensten heeft kunnen maken vanwege: a. het opblazen van een drietal hoogspanningsmasten door derden op 25 januari 1987 op de stroomvoorzieningslijn Afobakka naar Paranam, waardoor de stroomvoorziening van de aluminium smelterij is komen weg te vallen, hetgeen tot sluiting hiervan heeft geleid en b. het vernielen door een aantal werknemers van de gedaagde van de bedrijfsinstallaties van de aluinaarde-fabriek van de gedaagde, waardoor deze tijdelijk werd stilgelegd en nog steeds niet op volle toeren draait;

Overwegende, dat de vraag die partijen verdeeld houdt, deze is of de gedaagde op grond van de hierboven onder 3 genoemde omstandigheden gerechtigd was en is de loonbetaling aan de eisers, bovengenoemd, stop te zetten;
Overwegende, dat artikel 1615b B.W. bepaalt dat geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht, en artikel 1614d lid 1 Burgerlijk Wetboek, daarop voortbouwend, zegt dat de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdsruimte vastgesteld loon niet verliest, indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt, het zij door eigen schuld of zelfs ten gevolge van, een hem persoonlijk betreffende, toevallige verhindering;
Overwegende, dat dit laatste aldus dient te worden verstaan dat de werknemer zijn aanspraak op loon behoudt, indien de bedongen arbeid niet kan worden gebruikt ten gevolge van een omstandigheid die in de verhouding van partijen meer in de risicosfeer van de werkgever of dienst bedrijf ligt dan in die van de werknemer;
Overwegende, dat van de eerste bovengenoemde omstandigheid (vernieling hoogspanningsmasten door derden), naar Ons voorlopig oordeel niet gezegd kan worden dat die in de risicosfeer van een van de partijen (de werkgever of de werknemers) ligt – en dus ook niet meer in die van de werkgever dan in die van de werknemers – op grond waarvan niet gezegd kan worden dat de werknemers, waaronder de eisers bovengenoemd die nog niet te werk gesteld zijn in het bedrijf van de gedaagde, hun aanspraak op loon jegens de gedaagde behouden;
Overwegende, dat van de tweede bovengenoemde omstandigheid (vernieling door een aantal werknemers van de gedaagde van de bedrijfsinstallaties van de aluinaardefabriek) naar Ons voorlopig oordeel wel gezegd kan worden dat die meer in de risicosfeer van de werknemers dan in die van de werkgever ligt, ook al heeft slechts een klein deel van de werknemers daaraan deelgenomen, omdat degenen die de vernieling gepleegd hebben toch hadden moeten begrijpen dat die tot gevolg zou hebben dat de aluminiumproduktie, zij het tijdelijk, zou worden stopgezet, hetgeen consequenties voor de (mede) werknemers tot gevolg zou hebben, hetgeen in de vorm van stopzetting van de loonbetaling zij het voor een deel van de werknemers ook niet is uitgebleven;
Overwegende, dat het karakter van dit geding met zich medebrengt dat niet kan worden nagegaan welke werknemers van de gedaagde wel en welke niet voor daadwerkelijke wederinzetting in het arbeidsproces van de gedaagde in aanmerking komen en ook niet of de gedaagde over genoegzame andere vormen van energie dan hydro-energie beschikt om de smelterij weder op te starten en aldus de daarbij werkzame werknemers daadwerkelijk aan het arbeidsproces wederom te laten deelnemen;
Overwegende, dat op grond van het bovenoverwogene aan de bovengenoemde eisers de gevraagde loonvoorzieningen zullen worden geweigerd, met hun veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

Rechtdoende in kort geding
Verklaren de eisers Sub A en E.2., niet ontvankelijk in hun vordering.
Verlenen de eisers sub D.1., E.1., E.3., F.1., en F.2. akte van vermindering van hun vordering.
Weigeren aan de eisers sub B.1., B.2., C.1., C.2., en D.2. de gevraagde voorzieningen.
Veroordelen de eisers sub B.1., B.2., C.1., C.2. en D.2. in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. enz.

SRU-K1-2018-7

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 180789
29 maart 2018
Vonnis in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. [eiser], gevestigd in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,
hierna te noemen: “ [eiser]”,
tegen

[gedaagde], wonende in [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. R. Schurman, advocaat,
hierna te noemen: “ [gedaagde]”.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 9 februari 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord, met producties,
– de conclusie van repliek,
– de conclusie van dupliek, met productie,
– de conclusie tot uitlating productie zijdens [eiser].

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen waren verwikkeld in een geschil in verband met een aanrijding waarbij [eiser] [gedaagde] heeft aangereden.
2.2 [eiser] heeft geclaimed bij zijn verzekeringsmaatschappij waarna de verzekeringsmaatschappij aan [gedaagde] een uitkering heeft gedaan.
2.3 [gedaagde] heeft bij de kantonrechter een vordering ingesteld naar aanleiding van de aanrijding welke vordering bekend staat onder arno. 155052.
2.4 In dit geding is op 21 januari 2016 vonnis gewezen waarbij [eiser] veroordeeld is tot betaling van SRD.6.732,74 aan [gedaagde] en tevens betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
2.5 Uit hoofde van dit vonnis heeft [gedaagde] bij exploit van 26 januari 2018 executoriaal beslag gelegd onder de Republic Bank ten laste van [eiser].

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
[eiser] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– [gedaagde] veroordeelt om het gelegd beslag op te heffen op straffe van een dwangsom;
– [eiser] machtigt om het beslag zelf op te heffen;
– Schorst, althans opschort de werking van het bij verstek gewezen vonnis in de zaak bekend onder arno. 155052 en voorts
– [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
[eiser] heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat het vonnis niet juist is omdat de volledige schade welke door de aanrijding is ontstaan reeds is vergoed door de verzekeraar. Om die reden is het vonnis niet juist en het beslag onrechtmatig.

4. Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 [gedaagde] heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd; 1. dat de oproeping voor de zaak met arno. 155052 persoonlijk aan [eiser] is uitgereikt en dat hij niet op de zitting is verschenen; dat hij derhalve op de hoogte was van de vordering doch verstek heeft laten gaan waardoor het vonnis is uitgesproken; 2. dat [eiser] geen verzet heeft aangetekend tegen het vonnis waardoor het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en niet kan worden geschorst; 3. dat [eiser] geen gronden heeft genoemd welke zouden kunnen leiden tot schorsing van de werking van het vonnis.
5.2 [eiser] heeft niet betwist dat hij geen verzet heeft aangetekend tegen het vonnis waardoor de schorsing van de werking van het vonnis niet kan worden toegewezen, immers, de schorsing van de werking van een vonnis kan slechts overwogen worden indien tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangetekend.
5.3 De kantonrechter zal om die reden de gevorderde schorsing niet kunnen toewijzen, evenmin als de toewijzing van de gevorderde opheffing van het executoriaal beslag, nu dit beslag het gevolg is van de ten uitvoerlegging van het eerderbedoeld vonnis.
5.4 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing
6.1 Wijst af het gevorderde;
6.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 29 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2005-5

A.R. no.013903
VONNIS inzake

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie
gemachtigde: thans mr. D. Chocolaad, advocaat

tegen

A. DE STICHTING DE ZILVEREN AKKER, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in conventie,
procederend in persoon, met bijstand van A.R. Asmus, gemachtigde,

B. [gedaagde sub B],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. A. E. Debipersad, advocaat.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser], de Zilveren Akker en [gedaagde sub B].

Vooraf
Voorafgaande aan deze procedure heeft [eiser] na rechterlijk verlof, door deurwaarder H. Debipersad op 7 december 2001 onder [nummer 1] conservatoir beslag doen leggen op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 382.5 m2 gelegen te [district] ten noorden van de [weg], overgeschreven in [register deel en nummer 1].

1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat op 13 december 2001 ter griffie der kantongerechten is ingediend waaraan gehecht enkele producties;
  • de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub A;
  • de conclusie van antwoord en eis in conventie zijdens gedaagde sub B;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie zijdens gedaagde sub B;
  • de conclusie van dupliek in reconventie;

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. [eiser] verkreeg middels overschrijving ten hypotheekkantore op 4 augustus 1993 van een akte van scheiding en deling d.d. 22 juli 1993, gepasseerd ten overstaan van notaris mr. L.D. Hira Sing de eigendom van het perceelland groot 382.5 m2 gelegen te [district] aangeduid op de kaart van de landmeter H. Raatgever d.d. 4 januari 1966 met de letters ABCD en genummerd [nummer 2] instede van [serie], deel uitmakende van het perceel groot 52.5748 ha, aangeduid met de letters ABCDEF en bekend als [grond en nummer], welk perceel deel uitmaakt van het resterend gedeelte van de [grond], gelegen ten noorden van de [weg], overgeschreven in [register deel en nummer 1].

2.2. Volgens akte van geldlening met hypotheekstelling d.d. 26 oktober 1999, verleden ten overstaan van notaris Ramdew Ramautar ontving [persoon] van de ZILVEREN AKKER, de som van NF 18.200,= (achttien duizend tweehonderd gulden Nederlandse courant).

2.3. Voor de onder 2.2. genoemde schuld is [eiser] als onderzetter opgetreden waarbij het onder 2.1. vermelde onroerend goed als hypothecaire dekking werd verbonden en is ingeschreven ten hypotheekkantore op 28 oktober 1999 in [register deel en nummer 2].

2.4 Krachtens de akte van geldlening met hypotheekstelling diende de schuldenares de lening terug te betalen binnen 6 (zes) maanden na 26 oktober 1999, met bijbetaling van 1% rente per maand; dus NF 14.000,= lening hoofdsom en NF 4.200,= aan rente (NF 700,=) per maand.

2.5. Door de schuldenares zijn de navolgende betalingen gedaan:

1e betaling ad. NF 700,= 26 november 1999
2e betaling ad. NF 3.500,= 25 mei 2000
3e betaling ad. NF 10.000,= 27 november 2000

2.6. De vierde en tevens laatste betaling ad. NF.4.000,= heeft niet plaatsgevonden.

2.7 Op 4 mei 2001 werd het onder 2.1. vermelde onroerend goed krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek in het openbaar verkocht.

2.8 Door koop op deze openbare veiling en de daarop volgende overschrijving in de hypothecaire registers van de akte van openbare veiling en toewijzing is [gedaagde sub B] eigenaar geworden van het ligitieuze onroerend goed.

3. De vordering, grondslag van de vordering en het verweer
3.1. [eiser] vordert alsvolgt primair in conventie:

A). Dat nietig zal worden verklaard althans vernietigd zal worden de openbare veiling welke gehouden is ten overstaan van notaris R. Ramautar d.d. 4 mei 2001 en de daarop gevolgde overschrijving van de akte van openbare verkoop op 17 mei 2001 in de registers van het hypotheekkantoor met name [registernummer]
B). Dat de doorhaling zal worden gelast van de overschrijving van de akte van openbare veiling d.d. 4 mei 2001 zoals geschied in [registernummer] ten hypotheekkantore op 17 mei 2001;
C). Dat [gedaagde sub B] zal worden gelast de gegeven beslissingen te gehengen en te gedogen.

3.2. Subsidiar wordt verkort weergegeven gevorderd:

  • veroordelen van DE ZILVEREN AKKER tot betaling van de som van Sf. 19.000.000,= terzake van schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente ad. 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  • DE ZILVEREN AKKER en [gedaagde sub B] te veroordelen in de kosten van het geding en de beslagkosten;
  • vanwaardeverklaring van het gelegd conservatoir beslag.

3.3. [eiser] stelt daartoe in conventie:

  • dat de schuldenares volgens de akte van geldlening met hypotheekstelling van DE ZILVEREN AKKER ter leen heeft ontvangen de som groot NF. 18.200,= maar dat zij na aftrek van administratiekosten slechts een bedrag van NF.12.500,= heeft ontvangen;
  • dat de schuldenares de lening terug diende te betalen binnen zes maanden na 26 oktober 1999 (kantonrechter: uiterlijk op 26 april 2000);
  • dat in afwijking van deze terugbetalingsafspraak, door hem met de directie van DE ZILVEREN AKKER een nadere betalingsafspraak is overeengekomen inhoudende dat over de terugbetaling langer mocht worden gedaan indien de daarop volgende zes maanden de rente werd voldaan. Volgens deze afspraak zou de laatste betaling op uiterlijk 26 mei 2001 plaatshebben;
  • dat de wettelijke termijn zoals opgenomen in artikel 10 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering niet in acht is genomen bij het betekenen van het exploit inzake de veiling.

3.4. DE ZILVEREN AKKER stelt dat uit de ondertekende hypotheekakte de grootte van het ontvangen bedrag blijkt. Bovendien heeft de hypotheeknemer na diverse mondelinge en schriftelijke aanmaningen niet binnen de gestelde termijn aan haar verplichtingen voldaan. [gedaagde sub B] ontkent dat er misslagen zijn begaan bij de procedure die tot de veiling moest leiden en stelt voorts dat termijn voor aanzegging c.q. oproep bedoeld in artikel 10 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing is op executie krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek.

3.5. [gedaagde sub B] vordert in reconventie verkort weergegeven alsvolgt:

I. Het door deurwaarder D. Hieralal bij exploit [nummer 1] d.d. 7 december 2001 gelegd conservatoir beslag op te heffen.
II. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde sub B] te voldoen alle andere door hem geleden schade, voortvloeiende uit het onder I bedoelde beslag, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens wet.

3.6. Op het verweer van [eiser] in reconventie komt de kantonrechter voor zover nodig terug.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. [eiser] heeft zelf aangegeven dat de betalingsverplichting niet binnen de oorspronkelijke vastgestelde termijn is afgerond (kantonrechter: uiterlijk 26 april 2000). In het 5e en 6e onderdeel van zijn verzoekschrift stelt [eiser] verder dat volgens nadere afspraak met DE ZILVEREN AKKER over de terugbetaling langer mocht worden gedaan. Daarbij zou de laatste betaling ad. NF. 4.000,= op uiterlijk 26 mei 2001 plaatshebben.

4.2. DE ZILVREN AKKER heeft dit laaste verweer niet gemotiveerd betwist maar, volstaan met de stelling dat de hypotheeknemer (kantonrechter: kennelijk hypotheekgever) in gebreke is gebleven binnen de gestelde termijn aan zijn verplichtingen voldoen.

4.3. Gelet op de datum van de veiling (4 mei 2001) kan die stelling alleen betrekking hebben op de oorspronkelijke betalingsregeling.

4.4. Hieruit volgt dat DE ZILVEREN AKKER de nadere door eiser gestelde afspraak niet heeft betwist. Daarom is in rechte komen vast te staan dat partijen een andere uiterste betaaltermijn zijn overeengekomen.

4.5. Uit [eiser]’s stellingen leidt de kantonrechter af dat hij kennelijk een beroep doet op het feit dat DE ZILVEREN AKKER niet bevoegd was het verbonden goed voor 26 mei 2001 in het openbaar te verkopen. Zulks, daar [eiser] voor deze datum althans uiterlijk op die dag zijn schuld kon voldoen en hij dus op de veilingdag (4 mei 2001) niet in gebreke was om aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.6. De kantonrechter concludeert dat de hoofdvordering nog niet opeisbaar was ten tijde van de veiling op 4 mei 2001 en DE ZILVEREN AKKER niet gerechtigd was tot openbare verkoop van het verbonden goed. DE ZILVEREN AKKER heeft aldus onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig jegens [eiser].

4.7. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat de veiling en de toewijzing in strijd met de wet hebben plaatsgevonden. Geconcludeerd wordt dat de veiling rechtsgeldig is en [gedaagde sub B] koper te goede trouw is. Omdat degene die het de zin van artikel 639 van het Burgerlijk wetboek, was [gedaagde sub B] gerechtigd het proces-verbaal van de veiling ter overschrijving van de hypotheekregisters aan te bieden.

4.8. Uitgaande van de mogelijke nietigheid van de gehouden veiling heeft [eiser] conservatoir beslag doen leggen op het onroerend goed. Deze nietigheid is niet gebleken waardoor niet is voldaan aan een voorwaarde voor de vanwaardeverkaring van het gelegd conservatoir beslag. De vordering daartoe dient dus te worden afgewezen.

4.9. DE ZILVEREN AKKER zal als de in ongelijk gestelde partij, verwezen worden in de proceskosten.

In reconventie

4.10 [gedaagde sub B] heeft gesteld dat hij als gevolg van het door [eiser] gelegd conservatoir beslag schade lijdt en zal lijden. Hij vordert opheffing van het gelegd beslag en wenst de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de schadeprocedure.

4.11 Aan de voorwaarden voor de vanwaardeverklaring van het gelegd conservatoir beslag is niet voldaan. Daarom zal het gelegd beslag worden opgeheven.

4.12 [gedaagde sub B] heeft gesteld dat hij als gevolg van het gelegd beslag schade lijdt en zal lijden, maar heeft deze stelling niet feitelijk onderbouwd. Derhalve is niet in rechte komen vast te staan dat de schade aannemelijk is en zal vordering tot het nader opmaken van de schade bij staat worden afgewezen.

5. De beslissing
De Kantonrechter:

In conventie

5.1. Wijst af het primair gevorderde.

5.2. Veroordeelt DE ZILVEREN AKKER om aan [eiser] terzake schadevergoeding te betalen de som van SRD 19.000,= (negentien duizend Surinaamse Dollars) vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 13 december 2001 tot aan de algehele voldoening.

5.3. Veroordeelt DE ZILVEREN AKKER in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan de uispraak begroot op SRD 115,10 (eenhonderd en vijftien 10/100 Surinaamse Dollar).

5.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.5. Heft op het door deurwaarder H. Debipersad op 7 december 2001 onder [nummer 1] gelegd conservatoir beslag.

5.6. Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub B] en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.7. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen op heden dinsdag 26 juli 2005, door de kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo, mr. drs. C.C.I.A. Valstein-Montnor, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier mr. D. Ramdin.

SRU-K1-2018-6

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 151860
15 februari 2018
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

A. [eiser],
B. [eiseres], echtelieden, beiden wonende in Nederland,
eisers in conventie en gedaagden in reconventie en in het incident in kort geding,
gemachtigde: mr. A. R. Baarh, advocaat,
hierna te noemen: “het echtpaar”,

tegen

A. ROYAL BANK OF TRINIDAD EN TOBAGO SURINAME N.V., gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
B. RBC ROYAL BANK (SURINAME) N.V., thans genaamd REPUBLIC BANK (SURINAME) N.V., gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
C. [gedaagde sub C], wonende in [dictrict 1],
D. DE BEWAARDER VAN HET HYPOTHEEKREGISTER, kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagden in conventie, gedaagde sub B tevens eiseres in reconventie en gedaagden sub A en B tevens eisers in het incident in kort geding,
gemachtigde voor gedaagden sub A en B: mr. H. Lim A Po, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub D: mr. C. B. Lachman, advocaat,
gedaagde sub C: niet verschenen,
hierna te noemen: “RBTT, RBS, [gedaagde sub C] en de hypotheekbewaarder”.

1. Het proces verloop:
In conventie, in reconventie en in het incident:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 21 april 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, zijdens RBS;
– de conclusie van antwoord zijdens de hypotheekbewaarder,
– de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring zijdens de RBTT en RBS,
– de conclusie van antwoord in het incident zijdens het echtpaar,’
– de conclusie tot uitlating zijdens de hypotheekbewaarder.

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Het echtpaar is eigenaar van het ten rekeste vermeld perceelland groot 1 hectare gelegen in [district 2].
2.2 Het perceelland is blijkens een overgelegd uittreksel uit het hypotheekregister bezwaard met een hypotheek ten behoeve van de RBTT. Bij de vestiging van de hypotheek is [gedaagde sub C] als gevolmachtigde opgetreden van het echtpaar.
2.3 De volmacht uitgebracht door het echtpaar op [gedaagde sub C] bezat een beperking.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering in conventie
Het echtpaar vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Schorst of opschort de rechtshandeling tot vestiging van hypotheek vervat in de akte van [notaris] te Paramariob verleden op 3 juni 2011;
– De hypotheekbewaarder gelast om het vonnis te gehengen en te gedogen en voorts
– De gedaagden veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Het echtpaar heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat [gedaagde sub C] vanwege de beperking in de volmacht geen hypotheek had mogen vestigen voor het bedrag van SRD.100.000,=. Door het perceel toch voor zo een hoog bedrag te bezwaren heeft hij het echtpaar schade toegebracht. De RBTT was op de hoogte van de beperking in de volmacht doch heeft toch toegestaan dat het perceel voor een hoger bedrag werd bezwaard. Hiermee heeft RBTT onrechtmatig gehandeld jegens het echtpaar. De RBS is als rechtsopvolger van de RBTT gehouden om in te staan voor de gevolgen van het onrechtmatig handelen van de RBTT.

3.3 De vordering in reconventie
RBS vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Het echtpaar, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt om aan de RBS te betalen de totale uitstaande schuld zoals door de kantonrechter wordt vastgesteld, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2 De grondslag
De RBS heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat, indien de hypotheekstelling zou worden geschorst in haar werking of anderszins mocht worden aangetast, dan is de hele schuld gelijk opeisbaar. Om die reden zal het echtpaar bij toewijzing van de vordering in conventie, veroordeeld moeten worden tot betaling van de schuld.

3.5 De vordering in het incident
De RBTT en RBS vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– Gelast dat in vrijwaring wordt opgeroepen de persoon van [notaris].

3.2 De grondslag
De RBTT en RBS hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij nimmer aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een eventuele overschrijding van de beperking van de volmacht. De notaris dient in dit geding betrokken te worden omdat hij de akte heeft verleden. Indien mocht blijken dat de rechtshandeling nietig is, dan moet het echtpaar de notaris aanspreken en niet de RBS. De notaris dient in te staan voor mogelijke tekort komingen bij de vervulling van zijn ambt.

4. Het verweer
De RBTT, RBS en de hypotheekbewaarder hebben verweer gevoerd in conventie.
Het echtpaar heeft verweer gevoerd in het incident.

5. De Beoordeling
In het incident
5.1 Het echtpaar heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechter met betrekking tot de incidentele vordering.
5.2 De kantonrechter overweegt dat voor een oproeping in vrijwaring, door de incidenteel eiser moeten worden aangetoond dat tussen hem en de op te roepen waarborg een zodanige rechtsverhouding bestaat, dat de waarborg de incidenteel eiser dient vrij te houden van de nadelige gevolgen van het verliezen van de hoofdzaak.
5.3 RBTT en RBS hebben als grondslag voor het gevorderde eigenlijk aangevoerd dat niet zij zouden moeten worden aangesproken bij eventuele schade, doch de notaris.
5.4 De kantonrechter overweegt dat in casu slechts de schorsing van de werking van de hypotheek wordt gevorderd en geen schadevergoeding. Reeds om die reden hebben RBTT en RBS niet aannemelijk kunnen maken dat er een grondslag is voor het gevorderde.
5.5 Om die reden zal de kantonrechter het gevorderde afwijzen.

In de hoofdzaak
5.6 Partijen zullen in de gelegenheid gesteld worden om verder te procederen in de hoofdzaak.

6 De Beslissing
In het incident
5.1 Wijst af het gevorderde;

In de hoofdzaak
In conventie en reconventie
5.2 Stelt het echtpaar in de gelegenheid de conclusie van repliek jegens de hypotheekbewaarder en de RBTT te nemen en de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie jegens de RBS;
5.3 Roept daartoe deze zaak af voor de terechtzitting van donderdag 8 maart 2018 om 09.00 uur des voormiddags;
5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. I. S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 15 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2010-13

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. no. 082344
13 juli 2010

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende in [district 1],
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
hierna te noemen: “[eiseres]”,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,
hierna te noemen: “de Bank”.

1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift, met producties, dat op 6 juni 2008 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, met producties;
  • de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties;
  • de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, met producties;
  • de conclusie van uitlating in conventie en dupliek in reconventie.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en reconventie
2.1 [eiseres] is een der erfgenamen van [persoon], overleden op 21 februari 2006.

2.2 De bank is op 28 augustus 2003 een kredietarrangement aangegaan met [persoon] voor het bedrag van EUR.5.000,= welk arrangement in de boeken van de Bank is geadministreerd onder [rekeningnummer].

2.3 Het krediet werd blijkens artikel 4 van de bijzondere voorwaarden die van toepassing zijn op het krediet gedekt door: 1. Een eerste krediethypotheek tot een maximum bedrag van EUR.6.500,= ten behoeve van de Bank ten laste van [eiseres], eiseres dus, op het recht van grondhuur op het perceelland groot 0.3781 ha gelegen in [district 2] te [gebied], deel uitmakende van het perceelland bekend als Serie A [nummer 1]; 2. Een van het agentschap van de Bank op het leven van [persoon] af te sluiten overlijdens- risicoverzekering tot een bedrag van EUR.5.000,=.

2.4 In verband met het krediet is met ingang van 11 november 2003 een overlijdensrisicoverzekering gesloten bij Fatum welk een looptijd had tot 11 november 2005. Deze overeenkomst is na de looptijd niet geprolongeerd.

2.5 Ook in verband met het krediet is ingaande 1 augustus 2004 bij Assuria een overlijdens- risicoverzekering gesloten voor het bedrag van EUR.3.000,=.

2.6 Bij overeenkomst van 6 september 2005 is het krediet verhoogd naar EUR.10.000,=.

2.7 In verband met de verhoging van het krediet is op het bovenvermeld onroerend goed een tweede krediethypotheek gevestigd bij akte van 12 september 2005.

2.8 Na het overlijden van [persoon] is door Assuria het bedrag van EUR.3.000,= aan de bank uitgekeerd.

2.9 [eiseres] heeft in kort geding gevorderd dat de Bank haar het bedrag van EUR.2.682,= als schadevergoeding uitkeerde, waarbij zij als grondslag aanvoerde dat de Bank door het niet in orde maken van de overlijdensrisicoverzekering wanprestatie heeft gepleegd als gevolg van welke wanprestatie zij schade heeft geleden.

2.10 De kantonrechter in kort geding heeft de vordering bij vonnis van 23 maart 2007 toegewezen.

2.11 [eiseres] heeft in 2009 wederom een vordering ingediend tegen de Bank waarin zij vordert de openbare verkoop van bovenvermeld onroerend goed stop te zetten.

2.12 De kantonrechter in kort geding heeft de vordering bij vonnis van 30 juli 2009 toegewezen.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering in conventie
[eiseres] vordert, kort samengevat, dat de Kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

A.
Primair:
Voor recht verklaart dat de vorderingen van de Bank krachtens de met de erflater van [eiseres] gesloten kredietarrangementen d.d. 28 augustus 2003 en 6 september 2005 evenals de ten laste van [eiseres] gevestigde hypotheken te niet zijn gegaan.
Subsidiair:
Voor recht verklaart dat [eiseres] sinds het overlijden van [persoon] niet langer gehouden is de hypothecaire dekking met haar voorschreven onroerend goed in stand te houden ten behoeve van gedaagde;

B.De Bank beveelt binnen een week na de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis te royeren en door te halen deze ten laste van [eiseres] en ten behoeve van de Bank op haar onroerend goed gevestigde hypotheken.

C.Gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD.10.000,= voor iedere dag waarop zij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

III Gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag
[eiseres] voert als grondslag voor haar vordering aan dat de Bank door het niet in orde maken van de overlijdensrisicoverzekering wanprestatie heeft gepleegd jegens [persoon] en onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar als onderzetter. Het gevolg van die wanprestatie en het onrechtmatig handelen is dat het verzekeringsbedrag dat is uitgekeerd niet de gehele saldoschuld bedroeg van [persoon], doch slechts een deel daarvan, terwijl bij een adequate overlijdensrisicoverzekering de gehele saldoschuld zou zijn uitgekeerd en de Bank niet zou overgaan tot uitwinning van het ondergezet onroerend goed. Om die reden is [eiseres] van mening dat de Bank niet mag overgaan tot uitwinning van haar onroerend goed en moet de hypotheek geroyeerd worden.

3.3 De vordering in reconventie
De Bank vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het door haar, de Bank, omstreeks 22 september 2007 aan [eiseres] betaalde bedrag van EUR.2.682,= door haar, de Bank, onverschuldigd is betaald;

II. [eiseres] veroordeelt om aan de Bank te betalen het bedrag van EUR.2.682,= met de wettelijke interessen daarover ad 6% ‘s jaars vanaf 10 februari 2009 tot aan de algehele voldoening.

3.4 De grondslag in reconventie
De Bank voert als grondslag aan dat de veroordeling tot betaling van EUR.2.682,= niet juist is en dat deze veroordeling in hoger beroep zal worden vernietigd. Zij voert aan dat zij geen enkele rechtsplicht had jegens [eiseres] en [persoon] en dat het onterecht is dat de kantonrechter die rechtsplicht heeft aangenomen.

3.5 Het verweer
Zowel de Bank als [eiseres] hebben, respectievelijk in conventie en reconventie, verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, terugkomt.

4. De beoordeling
In conventie
4.1 De Bank heeft als verweer aangevoerd dat haar door [eiseres] onterecht het verwijt wordt gemaakt dat zij ervoor had moeten zorgdragen dat het krediet voldoende was afgedekt door een overlijdensrisicoverzekering. Zij voert daarbij aan dat een dergelijke verplichting jegens [eiseres] of [persoon] niet bestaat en dat zij reeds genoeg dekking had door de gevestigde hypotheken. Zij stelt dat om die reden haar niet verweten kan worden dat door de afwezigheid van een adequate overlijdensrisicoverzekering [eiseres] thans schade lijdt.

4.2 [eiseres] heeft op dat verweer gereageerd door te stellen dat die verplichting wel bestond en verwijst daarbij naar de volgende documenten en feiten:1. Het kredietarrangement d.d. 28 augustus 2003 waarin is opgenomen dat als dekking via het agentschap van de Bank op het leven van [persoon] een overlijdensrisicoverzekering zal worden afgesloten; 2. De bepaling in dat arrangement dat de polis met de kwitanties gedurende de looptijd van het krediet onder berusting van de Bank zullen blijven; 3. Het schrijven d.d. 10 oktober 2005 van Fatum aan de bank waaruit blijkt dat ten aanzien van de verzekering de correspondentie loopt via de Bank; 4. Datzelfde schrijven d.d. 10 oktober 2005 van Fatum aan de Bank waarin aan de Bank kennis wordt gegeven van het feit dat de verzekering zal verlopen; 5. De algemene voorwaarden waarin in artikel 2 staat “de Bank en de cliënten zullen bij de uitvoering van transactie de nodige zorgvuldigheid in acht nemen en daarbij naar beste vermogen rekening houden met elkaars belangen”; 6. Het feit dat de Bank de premie voldeed en dan die premiebetaling op de rekening van [persoon] verhaalde; 7. Het kredietarrangement d.d. 6 september 2005 waarin is opgenomen “De voorwaarden en bepalingen zoals vastgelegd in ons arrangement van 28 augustus 2003 en onze aanvullende brieven van 8 april 2004 en 1 december 2004 blijven voor zover hiervan in het bovenstaande niet uitdrukkelijk wordt afgeweken, onveranderd op het krediet aan U van toepassing.”

4.3 [eiseres] stelt met bovenstaande verwijzingen dat uit alles blijkt dat het op de weg van de Bank heeft gelegen om de overlijdensrisicoverzekering bij termijnverloop te verlengen en bij verhogingen van het krediet te verhogen. Zij verwijt de Bank wanprestatie.

4.4 De Bank heeft op deze stellingen van [eiseres] haar standpunt gehandhaafd en aangevoerd dat zij niet degene is die de levensverzekeringsovereenkomsten had moeten sluiten, dat dat op de weg ligt van de cliënt die de kredietovereenkomst sluit.

4.5 De kantonrechter overweegt dat de Bank de stellingen van [eiseres] dat de voorwaarde voor een overlijdensrisicoverzekering gold voor alle kredietovereenkomsten, dat de polis en de kwitanties onder berusting van de Bank bleven tijdens de looptijd van het krediet en dat de correspondentie van de verzekeraar met de Bank werd gevoerd niet heeft weersproken.

4.6 De kantonrechter overweegt dat zij het eens is met [eiseres] haar standpunt dat de Bank onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door het niet afsluiten van een adequate levensverzekeringen ten behoeve van [persoon] en wel op grond van de volgende omstandigheden:

  1. Uit de overgelegde kredietarrangementen blijkt dat de DSB en [persoon] als voorwaarden overeen zijn gekomen dat als dekking een overlijdensrisicoverzekering gesloten zal worden: wie die overlijdensrisicoverzekering zou moeten beschermen is tussen partijen een discussiepunt geworden, doch is in beginsel niet relevant, nu het tussen partijen was overeengekomen als voorwaarde;
  2. Uit de overgelegde documenten en conclusies blijkt dat het de Bank is die de correspondentie met de verzekeraar voert;
  3. Uit de overgelegde documenten en conclusies blijkt dat de Bank de administratieve handelingen rond de levensverzekering pleegt, immers blijven de documenten onder hun beheer en dragen zij de premie af, waarna zij de rekening van de cliënt daarna belast voor het betaalde premiebedrag; daarnevens blijkt dat zelfs de kennisgevingen voor de prolongatie van de verzekering aan de Bank worden verzonden en niet aan de cliënt, waardoor ervan uitgegaan moet worden dat in de praktijk de handelingen rond het aangaan, de betaling, de verlenging, kennisgevingen en dergelijke steeds door de Bank worden gepleegd, in ieder geval geïnitieerd.;
  4. Dat de in het eerste kredietarrangement opgenomen voorwaarden ook golden voor de andere wijzigingen van het kredietplafond waardoor tussen partijen was overeengekomen dat voor alle wijzigingen een adequate overlijdensrisicoverzekering had moeten worden gesloten.

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van bovenvermelde omstandigheden het in rechte is komen vast te staan dat de Bank de partij was die er zorg voor moest dragen dat de overlijdensrisicoverzekering in orde was voor het totale kredietbedrag en dat de Bank door daar geen zorg voor te dragen onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en jegens [persoon] wanprestatie heeft gepleegd.

4.8 De kantonrechter is van oordeel dat door het onzorgvuldig handelen van de Bank, de situatie is ontstaan dat bij het overlijden van [persoon] het saldo van het krediet niet volledig is uitgekeerd. Hierdoor is het aan de Bank zelf te wijten, althans is het door het toedoen van de Bank zelf, dat na het overlijden geen volledige uitkering van het saldo van het krediet heeft plaatsgevonden.

4.9 De kantonrechter is van oordeel dat hierdoor het beroep van [eiseres] op de wanprestatie van de Bank en het onrechtmatig handelen van de Bank op zijn plaats is en dat [eiseres] er terecht tegen opkomt dat alsnog het door haar ondergezette onroerend goed wordt uitgewonnen.

4.10 De kantonrechter is van oordeel dat de grondslag van [eiseres] is komen vast te staan waardoor het subsidiair gevorderde zal worden toegewezen.

4.11 Het primair gevorderde zal niet worden toegewezen nu niet kan worden gesteld dat de kredietarrangementen en de hypotheken te niet zijn gegaan.

4.12 Het subsidiair gevorderde kan wel worden toegewezen nu het in rechte is komen vast te staan dat de Bank jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Door dit handelen is het aan de Bank zelf te wijten dat zij geen uitkering heeft ontvangen ter hoogte van het saldo van het krediet en kan van [eiseres] niet gevergd worden dat zij daarvoor opdraait; zij is derhalve niet gehouden de hypothecaire dekking in stand te houden.

4.13 Ook het onder B en C gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu deze de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

In reconventie
4.14 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het reconventioneel gevorderde dat [eiseres] als verweer aanvoert dat de uitkering van het bedrag is gedaan op grond van een veroordelend vonnis. Om die reden kan niet gesteld worden dat het bedrag onverschuldigd is voldaan, zo stelt [eiseres].

4.15 De kantonrchter is het eens met [eiseres] dat het bedrag is betaald op grond van een veroordelend vonnis. Alleen op die grond reeds zal niet kunnen worden gesteld dat het bedrag onverschuldigd is betaald. Die onverschuldigde betaling zou pas kunnen worden aangenomen wanneer in hoger beroep of in een bodemgeschil zou komen vast te staan dat de Bank dat bedrag aan schadevergoeding niet verschuldigd is aan [eiseres].

4.16 De kantonrechter overweegt dat door de Bank echter geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan beoordeeld kan worden of de schadevergoeding aan [eiseres] terecht dan wel onterecht is uitgekeerd. De Bank beroept zich slechts op het feit dat er geen rechtsplicht bestond bij de Bank om de overlijdensrisicoverzekering te sluiten, hetgeen de kantonrechter in conventie reeds heeft besproken.

4.17 De kantonrechter zal het reconventioneel gevorderde dan ook afwijzen.

In conventie en reconventie
4.18 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de Bank als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.

5. De beslissing
In conventie
5.1 Verklaart voor recht dat [eiseres] sinds het overlijden van [persoon] niet langer gehouden is de hypothecaire dekking met haar voorschreven onroerend goed in stand te houden ten behoeve van gedaagde;

5.2 Beveelt de Bank om binnen één week na betekening van dit vonnis te royeren of te doen royeren en door te halen deze ten laste van [eiseres en ten behoeve van de Bank op haar na te melden onroerend goed gevestigde hypotheken d.d. 17 september 2003 bij akte verleden ten overstaan van notaris mr. R.A. Soerdjbali en ten hypotheekkantore ingeschreven in register B [deel 1] onder [nummer 2] en bij akte van 12 september 2005, verleden ten overstaan van notaris mr. R.A. Soerdjbali, ingeschreven ten hypotheekkantore in register B [deel 2] onder [nummer 3] op 19 september 2005 op: – het recht van grondhuur vervallende 4 mei 2034 op het perceelland groot 0.3781 ha, gelegen in [district 2] te [gebied], deel uitmakende van het perceeelland, bekend als Serie A [nummer 1], nader aangeduid op de in viervoud overgelegde kaart van de landmeter in Suriname Ir. K.R. Koole d.d. 15 april 1993 met de letters ABCD en blijkens de in dorso gestelde aantekening van de landmeter in Suriname Ing. H. Kalloe d.d. 11 mei 1993, thans bekend als [gebied] Serie A [nummer 4];

5.3 Veroordeelt de bank tot betaling van een dwangsom van SRD1.000,=(eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het bedrag van SRD100.000,= (honderduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat de Bank in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

5.4 Verklaart dit vonnis voor wat het condemnatoir gedeelte uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie
5.6 Wijst af het gevorderde.

In conventie en reconventie
5.7 Veroordeelt de bank in de kosten van dit geding aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 172,= (honderd twee en zeventig Surinaamse dollar);

In conventie en reconventie
Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en uitgesproken door Mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 13 juli 2010, in tegenwoordigheid van mr. G. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A.C. Johanns
I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2014-10

In naam van de Republiek
Arno.143896
Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 143896
1 december 2014

Vonnis in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gemachtigde: mr.dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,
gedaagde in kort geding.

1. Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 1 september 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord, met producties,
– conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres is toegelaten tot de raio opleiding 2009 – 2014 en heeft deze opleiding doorlopen tot juli 2014.

2.2 Tijdens de opleiding is zij door de verschillende mentoren beoordeeld.

2.3 Op 1 februari 2014 heeft de “Raad voor Selectie en opleiding ten behoeve van de rechterlijke macht”, hierna te noemen “de Raio Raad”, aan de Minister meegedeeld dat in de afgelopen jaren de termijnen van drie leden in de Raio Raad zijn verlopen. Voorts is aan de Minister meegedeeld dat in augustus en december 2013 personen zijn voorgedragen om te worden benoemd in de plaats van de leden, waarvan de termijn is verstreken, doch dat de Minister ondanks dat gegeven deze personen niet heeft benoemd. Ook is aangegeven dat de stilzwijgende herbenoeming van twee personen nog niet heeft plaatsgevonden zoals door de Raad was gevraagd in haar schrijven van 16 januari 2013. Voorts brengt de Raio Raad onder de aandacht van de Minister dat door het niet benoemen van de voorgedragen leden en de stilzwijgende benoeming van de twee genoemde personen er geen besluiten kunnen worden genomen binnen de Raio Raad. Hierdoor kan de Raad niet functioneren overeenkomstig haar taakstelling en heeft zij het besluit genomen om het mandaat terug te geven.

2.4 De Raio Raad heeft, voordat schriftelijk het mandaat werd teruggegeven, aan gedaagde overeenkomstig artikel 31 van het Staatsbesluit houdende vaststelling van het reglement selectie en opleiding rechterlijke macht van 5 oktober 1976 (SB 1976 no. 54), positief advies uitgebracht aan gedaagde over eiseres, omtrent benoeming van eiseres tot lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie.

2.5 Bij schrijven van 4 maart 2014 heeft het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 142 lid 2 van de Grondwet geadviseerd dat eiseres door de regering tot lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie wordt benoemd.

2.6 Gedaagde, met name de Minister van Justitie en Politie, heeft op 24 februari 2014 met zes raio’s, eiseres was uitgenodigd doch afwezig vanwege uitlandigheid, een bespreking gehad waarbij tevens aanwezig waren de directeur van het Ministerie, de onder directeur Rechtsaangelegenheden en de secretaris van het Ministerie.

2.7 Tijdens dit gesprek is aan de zes raio’s voorgehouden dat de zittingsduur van de Raio Raad is geëxpireerd terwijl de raio opleiding nog gaande is. Gedaagde heeft aangegeven dat met de mentoren van de opleiding is gesproken en dat afspraken zijn gemaakt over het opleidingstraject vanaf maart 2014. Voorts dat er een milieu- en antecedenten onderzoek zal worden ingesteld en een psychologische test zal worden afgenomen. Aan eiseres is de inhoud van voormeld gesprek na haar terugkomst voorgehouden en tevens is haar voorgehouden dat na binnenkomst van de resultaten van de onderzoeken zal worden besloten of eiseres zal worden voorgedragen voor benoeming.

2.8 Gedaagde heeft aan een evaluatie commissie bestaande uit drie personen de opdracht gegeven hem te adviseren omtrent de voordracht tot benoeming.

2.9 Genoemde evaluatie commissie heeft op 4 juni 2014 de Minister bericht dat zij op grond van de resultaten van haar evaluatie adviseert eiseres niet voor te dragen voor benoeming.

2.10 Gedaagde heeft dit advies overgenomen en aan eiseres tijdens een gesprek op 18 juli 2014 aan haar meegedeeld dat is besloten dat eiseres niet zal worden voorgedragen voor benoeming en te rekenen van 18 juli 2014 niet meer als Raio verbonden is aan de Raio-opleiding.

2.11 Bij schrijven van 22 juli 2014 heeft gedaagde deze mededeling schriftelijk aan eiseres gedaan.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering

Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
A. Schorst of opschort het besluit of de werking van het besluit van gedaagde d.d. 22 juli 2014 met [kenmerk], totdat is beslist op de bij het Hof van Justitie ingestelde vordering bekend onder het nummer A-863;
B. Gedaagde veroordeelt om eiseres indien en voorzover nodig deel te laten nemen aan alle activiteiten die in het kader van de Raio opleiding ten behoeve van de zittende magistratuur 2009-2014 worden georganiseerd onder verbeurte van een dwangsom van SRD.10.000,= per dag voor iedere dag waarop gedaagde in strijd met het vonnis handelt en voorts
C. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor haar vordering het volgende aangevoerd:

  1. Dat de Minister de bevoegdheid mist om de aanstelling van eiseres als Raio te beëindigen omdat zij door de President van de Republiek met ingang van 1 januari 2010 te werk is gesteld op de griffie van het Hof van Justitie teneinde de opleiding voor een functie bij de rechterlijke macht te volgen; de President is derhalve het bevoegd gezag om over de aanstelling van eiseres te beslissen;
  2. dat de Minister de bevoegdheid mist om een evaluatie commissie in te stellen; dat de Minister alleen de bevoegdheid heeft om een Raio Raad in te stellen; dat het besluit van de Minister gestoeld is op een advies van deze commissie en daarom in strijd met de wet tot stand is gekomen; dat het besluit om die reden vernietigt dient te worden;
  3. dat een Raio slechts geschorst of ontslagen mag worden nadat daarover overleg is geweest met de Raio Raad; in casu heeft gedaagde geen overleg gepleegd met de Raio Raad over het ontslag; ook dat besluit is daarom in strijd met de wet;
  4. dat het Hof van Justitie op grond van artikel 141 lid 2 van de Grondwet het advies had gegeven om eiseres te benoemen tot lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie; ondanks dit schrijven heeft gedaagde gemeend de aanstelling van eiseres als Raio te beëindigen; dit besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel;
  5. dat het besluit in strijd is met de grondwettelijke bepaling opgenomen in artikel 141 lid 2, immers, de strekking van die bepaling is dat de uitvoerende macht niet geheel vrij wordt gelaten om te bepalen welke persoon wel en welke niet tot rechter wordt benoemd; het advies van het Hof van Justitie dient immers als waarborg voor het deugdelijk functioneren van de persoon in kwestie als rechter; eiseres is door de mentoren bedoeld in artikel 19 van het staatsbesluit al goedgekeurd waardoor het besluit van gedaagde ook om die reden in strijd is met het vertrouwensbeginsel;
  6. dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, immers heeft de minister niet duidelijk aangegeven op basis van welke gronden hij het besluit heeft genomen; geen van de zaken die vermeld staan in de brief leveren concrete gronden op voor het besluit in kwestie;
  7. dat de minister van een onjuiste zienswijze uitgaat indien hij van mening is dat hij de bevoegdheid heeft om alleen te bepalen wie wel of niet tot rechter benoemd wordt; deze zienswijze is in strijd met artikel 141 van de Grondwet en verder in strijd met de artikelen 8 en 25 van het Amerikaans Verdrag voor de rechten van de mens.

4. Het antwoord
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen, met name het feit dat eiseres vordert wederom tot de opleiding te worden toegelaten.

5.2 Gedaagde heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd:

  1. De minister heeft op grond van artikel 29 van het Staatsbesluit de bevoegdheid om te beslissen dat een Raio niet wordt benoemd en daarmee om een evaluatie commissie in het leven te roepen om hem terzake te adviseren en een besluit te nemen omtrent de Raio;
  2. De Raio Raad had haar mandaat teruggegeven en om die reden heeft de Minister gehandeld als in casu;
  3. De evaluatie commissie heeft een gemotiveerd schriftelijk advies uitgebracht ten aanzien van eiseres;
  4. Gedaagde heeft aan eiseres tijdens en gesprek medegedeeld dat zij van de opleiding was verwijderd waarna eiseres heeft aangegeven dat zij gaarne op het Hof van Justitie wenst te blijven werken;
  5. het advies van het Hof van Justitie van 4 maart 2014 is slechts een advies en hetgeen in het schrijven staat is niet juist; met name de zinsnede “dat verzoeker goede beoordelingen van al haar docenten heeft gehad”; dat uit het dossier van eiseres het tegendeel blijkt; het advies van het Hof was niet op de werkelijkheid gestoeld blijkens de beoordelingen in het dossier van eiseres;

5.3 De vraag die partijen primair verdeeld houdt is in de conclusie van repliek in het vijfde sustenu geformuleerd: “is de Minister van Justitie en Politie (niet zijnde de rechterlijke macht, of onderdeel uitmakende van de rechterlijke macht, doch deel uitmakende van de uitvoerende macht) bevoegd om een Raio uit het opleidingstraject te plaatsen?” Eiseres stelt van niet althans, eiseres stelt dat in een rechtsstaat de Minister van Justitie en Politie de bevoegdheid niet behoort toe te komen. Nu Suriname een rechtsstaat is behoort hij dat niet alleen op papier te zijn.

5.4 De Staat betoogt dat artikel 29 van het Staatsbesluit van 1976 op deze vraag positief antwoord geeft. En betoogt daarnaast dat, nu de Raio Raad haar mandaat had teruggegeven, er geen Raio Raad meer was om overleg mee te voeren voor schorsing of ontslag.
5.5 Eiseres heeft op dit verweer onder andere aangevoerd dat zij erbij blijft dat er geen wettelijke bepaling bestaat die bevoegdheid aan de minister geeft om zelfstandig een Raio te ontheffen.

5.6 De kantonrechter overweegt dat naar aanleiding van het voorgaande nagegaan moet worden welke bevoegdheid blijkt uit de wet, in casu het Staatsbesluit, met betrekking tot het beëindigen van een opleidingstraject van een Raio.

5.7 De kantonrechter zal aanvangen met het eerste verweerpunt van gedaagde ten aanzien daarvan, namelijk het beroep op artikel 29 van het Staatsbesluit dat door eiseres betwist wordt.

5.8 De kantonrechter overweegt ten aanzien van dat beroep dat dat artikel staat onder het kopje betreffende de “rechtspositie van de rechterlijke ambtenaar in opleiding”. Onder dit kopje is geregeld in artikel 27 dat de kandidaat wiens geschiktheid is onderzocht wordt benoemd tot rechterlijk ambtenaar in opleiding. Dat de aanstelling geschied in een bepaalde rang en dat de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 onder e van de Personeelswet. Namelijk tijdelijke dienst op proef. (artikel 28). Hierna volgt het artikel 29 waarin een bepaling staat met betrekking tot de aanstelling in vaste dienst. Deze bepaling betreffende de aanstelling in vaste dienst zou naar het oordeel van de kantonrechter moeten worden geplaatst in het licht van artikel 14 lid 1 onder e en artikel 14 lid 3 van de Personeelswet welke bepaalt dat de aanstelling in tijdelijke dienst op proef niet langer dan twee jaar mag duren. Hierna zou een omzetting in vast dienst moeten volgen.

5.9 Op grond van de redaktie van het artikel en de artikelen ervoor is de kantonrechter van oordeel dat artikel 29 in samenhang gelezen met de voorgaande artikelen, geen betrekking heeft op de voordracht en benoeming tot lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie (de laatste fase na voltooiing van de opleiding), doch op het “voorzien van een aanstelling in vaste dienst van een rechterlijk ambtenaar in opleiding”, nadat de selectie procedure heeft plaatsgevonden en advies door de raad is uitgebracht zoals bedoelt in artikel 16 van het Staatsbesluit en nadat twee jaren op proef zijn verstreken. Eiseres is reeds voorzien van een aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding na advies van de raad, waardoor een dergelijke aanstelling niet meer aan de orde is.

5.10 Dat deze bepaling de ambtenaar in opleiding betreft blijkt tevens uit het feit dat niet de Minister een Raio van een aanstelling bij de rechterlijke macht voorziet, doch de Regering ingevolge de Grondwet. Op grond daarvan blijkt derhalve ook dat in artikel 29 van het Staatsbesluit niet gedoeld wordt op het “niet voorzien van een aanstelling bij de rechterlijke macht”, doch op het “niet voorzien van een vaste aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding”.

5.11 Om die reden kan het beroep van gedaagde op artikel 29 van het Staatsbesluit niet slagen.

5.12 In casu is aan de orde een volgende fase in de procedure, namelijk de fase waarbij de Raad heeft aangegeven dat de Raio kan worden voorgedragen voor benoeming tot lid- plaatsvervanger. Die fase is in artikel 31 beschreven.

5.13 Voorts is aan de orde de beëindiging van de aanstelling tot rechterlijk ambtenaar in opleiding, zoals in artikel 30 wordt bedoeld. De kantonrechter overweegt dat in casu “ontslag zoals wordt bedoeld in de Personeelswet” niet aan de orde is, immers heeft gedaagde de Raio niet ontslagen, doch is aan de orde beëindiging van aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding en daarmee beëindiging van de opleiding van de Raio, en wel nadat de Raad een positief advies heeft uitgebracht.

5.14 De kantonrechter overweegt dat eiseres zich beroept op artikel 30 van het Staatsbesluit namelijk dat op grond van dat artikel de gedaagde het besluit niet had mogen nemen zonder eerst te overleggen met de Raio Raad. Op grond daarvan is het besluit genomen zonder daarbij de wettelijk voorgeschreven procedure na te leven, stelt eiseres.

5.15 Uit de redactie van artikel 30 van het Staatsbesluit moet begrepen worden dat de wetgever met het woord “ontslag”ook op het oog had de beëindiging van de aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding en dat bij de beëindiging van die aanstelling de minister eerst overleg dient te plegen met de Raio Raad.

5.16 Gedaagde heeft zich voor wat dat punt betreft op het standpunt gesteld dat zij inderdaad zou moeten overleggen met de Raio Raad doch dat dat niet mogelijk was omdat de Raad haar mandaat had teruggegeven.

5.17 Naar het oordeel van de kantonrechter moeten in casu thans nog twee zaken beoordeeld worden. Ten eerste: Heeft de Minister de bevoegdheid om aan het advies van de Raio Raad voorbij te gaan en te besluiten om een Raio niet te benoemen? En ten tweede: heeft de Minister de bevoegdheid om de aanstelling als rechterlijk ambtenaar van de Raio daarna te beëindigen zonder overleg met de Raio Raad te plegen.

5.18 Uit de redactie van artikel 30 blijkt dat de Minister de aanstelling van een Raio als rechterlijk ambtenaar in opleiding slechts kan beëindigen nadat hij daaromtrent overleg heeft gepleegd met de Raio Raad.

5.19 Uit de redactie van artikel 30 en artikel 31 blijkt echter niet dat de Minister gehouden is het advies van de Raio Raad op te volgen.

5.20 In beginsel zou de Minister derhalve, mochten hem na het advies van de Raio Raad van redenen zijn gebleken die naar zijn beoordeling tot een conclusie zouden leiden dat het niet verantwoord is de Raio uiteindelijk te benoemen in een functie bij de rechterlijke macht, omtrent deze redenen overleg moeten plegen met de Raio Raad.

5.21 Nadat hij daaromtrent met de Raad heeft overlegd zou de Minister in beginsel mogen beslissen niet over te gaan tot de voorbereidingen voor de benoeming. Het betreft in zo een geval voorbereidingen plegen voor de benoeming, immers, niet de Minister benoemd, doch de regering benoemt ingevolge de Grondwet.

5.22 Uit het Staatsbesluit blijkt derhalve niet dat de Minister niet voorbij mag gaan aan het advies van de Raio Raad. Echter dient hij, indien hij het voornemen heeft de betrekking van de Raio als rechterlijk ambtenaar in opleiding te beëindigen of hem te schorsen of te ontslaan, wel overleg te plegen met de Raio Raad.

5.23 In casu is dat niet gebeurd.

5.24 De kantonrechter overweegt dat gedaagde met betrekking tot dat deel van de grondslag een beroep heeft gedaan op het feit dat de Raio Raad haar mandaat had teruggegeven. Hierdoor, zo stelt zij, kon de Minister niet anders dan zelf beslissen, hij had immers door het teruggeven van het mandaat ruimere bevoegdheden.

5.25 Ten aanzien van dat verweer overweegt de kantonrechter als volgt:

5.26 Gelijk eiseres stelt, kan de vraag worden opgeworpen of gedaagde zich kan beroepen op het teruggeven van het mandaat door de Raio Raad, nu het de Minister zelf is die in die benoeming van de leden van de Raio Raad had moeten voorzien, immers blijkt uit het schrijven van 1 februari 2014 dat er al voordrachten waren gedaan voor de aanvulling van de Raad vanaf augustus 2013 respectievelijk december 2013. Eiseres stelt dat de brief van 1 februari 2014 eerder zou moeten worden begrepen als een schrijven waarin de Raad aan de Minister meedeelt dat er voordrachten zijn gedaan, doch dat de Minister niet tot benoeming overgaat waardoor de overgebleven leden van de Raad geen andere keus blijft dan het mandaat terug te geven.

5.27 De kantonrechter neemt dit standpunt van eiseres over en overweegt dat om die reden de opvatting van gedaagde dat er sprake was van – zoals gedaagde dat stelt op pagina 3 van haar dupliek – een situatie waarbij “de Raad een reeds varend schip in de steek heeft gelaten” en “de Minister heeft getracht de zaak enigszins te redden door een andere commissie in te stellen” niet gegrond is, immers was hij degene die de voor de Raio Raad voorgedragen leden na de voordracht gewoon had kunnen benoemen. Van gedaagdes zijde zijn geen redenen genoemd waarom de Minister niet is overgegaan tot benoeming van de voorgedragen personen namelijk: vanuit de Orde van Advocaten mr. M. Tjong Jaw Chong en vanuit het Openbaar Ministerie de personen van mr. R. Baynath Panday en mr. C. Rasam, en voorts de personen die moesten worden herbenoemd, mr. I. Huyzen-Sedney en mr. M. Chin A Fat.

5.28 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde zich daarom niet kan beroepen op het feit dat de Raio Raad het mandaat had teruggegeven, omdat het mandaat blijkens het schrijven is teruggegeven omdat de Minister niet overging tot het benoemen van de reeds voorgedragen kandidaat leden, waartoe hij conform de wet gehouden was.

5.29 Op grond hiervan wordt, ondanks het feit dat er sprake was van het teruggeven van het mandaat, geoordeeld dat het beëindigen van de aanstelling als rechterlijk ambtenaar in opleiding niet conform de wet is geschied nu niet eerst overleg is gepleegd met de Raio Raad en de wet voorschrijft dat dat slechts mogelijk is na overleg met de Raio Raad.

5.30 De kantonrechter overweegt dat zij als kort geding rechter niet kan beoordelen of de redenen welke in dit geding door de Minister zijn aangehaald welke tot het beëindigen van de aanstelling als Raio hebben geleid, gegrond zijn. Daar zal geen uitspraak over gedaan kunnen worden.

5.31 De kantonrechter is echter wel van oordeel dat de Minister over de gronden die hebben geleid tot zijn besluit overleg had moeten plegen met de Raio Raad, nadat die door hem was aangevuld, zoals de wet voorschrijft.

5.32 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het deel van de grondslag dat handelt over het motiveringsbeginsel, dat zowel uit de stellingen als de weren en de producties blijkt, dat aan eiseres tijdens het gesprek van 18 juli 2014 geen concrete redenen zijn doorgegeven die op haar als Raio betrekking hadden. Evenmin zijn in het schrijven van 22 juli 2014 redenen genoemd, in welk schrijven is opgemerkt dat er geen aanleiding is gevonden in de informatie die de Minister heeft bekomen om de voordracht tot lid- plaatsvervanger te honoreren. Ten aanzien van die informatie is in een schrijven verder aangegeven dat die op de juistheid is getoetst, doch dat indien de commissie die informatie kenbaar zou maken, de melding daarvan een zodanige impact zou hebben op het leven van eiseres dat het haar haar leven lang kan achtervolgen. Die informatie is dus niet aan eiseres doorgegeven.

5.3 De kantonrechter is van oordeel dat bij het besluit derhalve niet het motiveringsbeginsel in acht is genomen, welk beginsel een waarborg inhoudt voor een rechtzoekende om tegen een besluit op te kunnen komen, immers indien een orgaan het besluit niet motiveert, de redenen die tot het besluit hebben geleid niet aan de persoon kenbaar maakt, heeft die persoon de mogelijkheid niet tegen het besluit op te komen, immers weet hij niet op grond waarvan het besluit is genomen en kan hij geen gerichte bezwaren tegen het besluit formuleren.

5.34 De kantonrechter is van oordeel dat, nu het besluit is genomen zonder eerst overleg te plegen met de Raio Raad, het aannemelijk is geworden dat het besluit in strijd is genomen met de wet. Voorts is aannemelijk geworden dat het besluit niet is gemotiveerd. De gronsdslag is hierdoor aannemelijk geworden, waardoor het besluit geschorst zal worden totdat het Ambtenarengerecht over het besluit definitief heeft beslist.

5.35 De kantonrechter zal het overig gevorderde niet toewijzen nu niet concreet in het petitum is aangegeven op welke activiteiten eiseres doelt. Een veroordeling zonder concreet aan te geven welke activiteiten het betreft is niet goed mogelijk.

5.36 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Schort de werking van het besluit van gedaagde d.d. 22 juli 2014 met [kenmerk] op, totdat is beslist op de bij het Hof van Justitie als Ambtenarengerecht ingestelde vordering bekend onder het nummer A-863;

6.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

6.3 Veroordeelt gedaagde inde kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 264,= (tweehonderd vier en zestig Surinaamse dollar);

6.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van maandag 1 december 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-24

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 163027
21 juli 2016
Vonnis in kort geding in de zaak van

A. [eiser sub A],
B. [eiseres sub B],
beiden wonende te [district],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,

tegen

[gedaagde],
domicilie gekozen hebbende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 17 juni 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op 4 december 2006 hebben eisers een koopovereenkomst gesloten met Stichting Danny. Daarbij hebben eisers van Stichting Danny gekocht gelijk deze aan eisers heeft verkocht het recht van grondhuur op het perceelland met [kavelnummer], en nader bij partijen bekend (hierna het perceel [nummer 1]).

2.2 Eisers zijn eigenaar geworden van het recht van grondhuur op het perceel [nummer 1] middels overschrijving van de koopovereenkomst in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore op 26 mei 2016.

2.2 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 26 mei 2011 bekend onder AR no. 102285, tussen gedaagde enerzijds (toen eiser) en Stichting Danny anderzijds (toen gedaagde) heeft de kantonrechter als volgt beslist:

“ 5.1 schort op de werking van de tussen partijen bestaande koopovereenkomsten van respectievelijk 14 augustus 2008 en 18 december 2008, onder voorwaarde dat [achternaam gedaagde] binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de vordering tot hetzij ontbinding van de koopovereenkomsten, hetzij vernietiging van de koopovereenkomsten in bodemprocedure instelt.
5.2 Veroordeelt de Stichting om aan [achternaam gedaagde] tegen kwijting te betalen het bedrag van € 53.000,= (…) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 31 mei 2010 tot aan die der algehele voldoening.
5.3 Veroordeelt de Stichting om aan [achternaam gedaagde] tegen kwijting te betalen het bedrag van € 7.950,= zijnde de advocaatkosten;
5.4 Verklaart hetgeen onder 5.2 en 5.3 beslist uitvoerbaar bij voorraad………”.

2.3 Op 3 augustus 2011 heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen op het aan Stichting Danny in eigendom toebehorend recht van grondhuur op het stuk grond groot 25 ha, gelegen in het district Paramaribo ten oosten van de Nieuwe Charlesburgweg, ten westen van de voormalige plantage Wolfenbuttel, op de kaart van P.W. Lcs d.d. 15 augustus 1994 met de letters ABCDEFGHIK, deel uitmakende van het recht van grondhuur groot 325.6569 ha, bekend als ten oosten van de Nieuwe Charlesburgweg no. 1 (met uitzondering van de per de datum van beslaglegging reeds verkochte en overgedragen delen), waarvan de bestemming met toestemming per 16 april 1999 is gewijzigd in bebouwing en bewoning in stede van uitoefening van landbouw (hierna het perceel).

2.4 Bij beschikking van de kantonrechter d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155306 tussen eisers enerzijds (toen gedaagden) en gedaagde anderzijds (toen eiser) heeft de kantonrechter als volgt beschikt:
“ Verleent akte van niet verschjining tegen de niet verschenen gedaagden;
Beveelt dat:
Het recht van grondhuur …… in het openbaar zal worden verkocht ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris mr. T. Jaipersaud-Badal op een door deze vast te stellen dag en uur en volgens plaatselijke gebruiken.
Bepaalt voorts dat van deze beschikking binnen 4 (vier) weken na heden aan gedaagde zal worden kennis gegeven…..”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
Schorsing van de executie van de beschikking d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155308 totdat in de verzetzaak daarover zal zijn beslist.

3.2 Eisers hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:
Zij hebben het perceel met [nummer 1] gekocht van Stichting Danny en zijn sindsdien (december 2006) economisch eigenaar van het perceel. Vanwege stagnatie aan de kant van Stichting Danny, is het perceel met [nummer 1] pas op 26 mei 2016 overgeschreven op hun naam. De koopovereenkomsten van gedaagde dateren van 14 augustus 2008 en 16 december 2009. Gedaagde heeft zijn percelen veel later dan eisers aangeschaft. Het door gedaagde gelegde executoriaal beslag op het aan Stichting Danny toebehorend perceel met name voor wat betreft perceel [nummer 1] is ten onrechte gelegd omdat gedaagde wist dat dit perceel reeds verkocht was en het niet ging om een vrije kavel. Gedaagde handelt dus onrechtmatig jegens eisers, aldus eisers.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat tegen de beschikking d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155308, waarbij aan gedaagde toestemming is verleend om het perceel in het openbaar te verkopen, geen beroepsmogelijkheden openstaan.
Dat betekent dat schorsing van een dergelijke beschikking niet mogelijk is. Evenwel zou aan gedaagde een verbod kunnen worden opgelegd om tot verdere executie van de beschikking over te gaan, bij wege van voorlopige voorziening, indien gedaagde misbruik zou maken van zijn executiebevoegdheid. In het onderhavige geding zal worden nagegaan in hoeverre gedaagde misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid, indien hij verder gaat met de ten uitvoerlegging van de hiervoor genoemde beschikking.

4.3 Het door gedaagde gelegde executoriaal beslag op het perceel (inclusief perceel [nummer 1]) is gelegd nog voordat aan eisers het perceel met [nummer 1] in eigendom was overgedragen. Dit betekent dat ten tijde van de beslaglegging eisers nog geen juridische eigenaar waren van het perceel met [nummer 1].

Naar het oordeel van de kantonrechter brengt de omstandigheid dat eisers de economische eigendom van het perceel met [nummer 1] hadden, geen wijziging in de juridische eigendomsverhoudingen. Het onroerend goed blijft onverkort geschikt als beslagobject voor schulden van de juridische eigenaar. Gedaagde mocht dus wel executoriaal beslag leggen ten laste van de juridische eigenaar, in deze Stichting Danny, als schuldenaar. Onder deze omstandigheden maakt gedaagde geen misbruik van zijn executiebevoegdheid bij de executie van de beschikking d.d. 18 mei 2016 bekend onder AR no. 155308.

4.4 Eisers beroepen zich er ook op dat gedaagde de beschikking niet binnen 4 weken zoals vermeld in die beschikking heeft betekend aan hem.
Tusen partijen staat rechtens vast dat de beschikking is gegeven op 18 mei 2016 en dat gedaagde deze beschikking bij exploot van deurwaarder G.F.N. Halfhuid d.d. 15 juni 2016 heeft betekend aan eisers.

Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt, terecht zoals door eisers gesteld, dat aan eisers kennis moet worden gegeven van de beschikking binnen 4 (vier) weken na 18 mei 2016. Uit de beschikking blijkt echter niet welke consequentie zal volgen indien gedaagde zich niet houdt aan de gestelde termijn van vier weken. In ieder geval blijkt uit de beschikking niet dat gedaagde na voormelde vier weken geen gebruik meer zal mogen maken van zijn executiebevoegdheid voortvloeiende uit voormelde beschikking. Ook om deze reden maakt gedaagde geen misbruik van zijn executie bevoegdheid, voortvloeiende uit voormelde beschikking.

4.5 Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, dient de door eisers gevraagde voorziening te worden geweigerd.

4.6 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 21 juli 2016 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2017-17

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 172569
5 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

Rosebel Gold Mines N.V.,
wonende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hiernavolgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 12 juni 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen hebben op 14 april 2015 een arbeidsovereenkomst gesloten met elkaar voor de duur van 6 maanden en dus eindigende op 13 oktober 2015.

2.2 Partijen hebben voormelde overeenkomst schriftelijk voortgezet en verlengd met ingang van 14 oktober 2015 voor de duur van 6 maanden en eindigende op 13 april 2016.

2.3 Partijen hebben voormelde overeenkomst wederom schriftelijk voortgezet en verlengd voor de duur van 12 maanden gedurende de periode van 14 april 2016 tot en met 13 april 2017.

2.4 Gedaagde heeft eiseres in maart 2017 medegedeeld dat de tussen partijen bestaande overeenkomst niet zal worden voortgezet en dat het dienstverband tussen partijen op 13 april 2017 eindigt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde om eiseres maandelijks haar loon met alle bijbehorende emolumenten uit te betalen inclusief de verhoging ex artikel 1614q BW en de wettelijke rente, vanaf 14 april 2017 totdat de dienstbetrekking tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

3.2 Eiseres stelt dat de dienstbetrekking tussen partijen eenzijdig is beëindigd door gedaagde en dus niet ingevolge de wet. Gedaagde heeft geen ontslagvergunning om de dienstbetrekking te beëindigen en evenmin een gerechtvaardigde reden daarvoor. Daarnaast heeft gedaagde ook geen reden aan eiseres opgegeven voor het ontslag.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt voor zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 In het onderhavige geval dient de rechtsvraag te worden beantwoord of de dienstbetrekking tussen partijen al dan niet van rechtsweg is beëindigd.
Om deze vraag te beantwoorden zal eerst worden nagegaan op welke wijze de wetgever dit onderwerp heeft geregeld. Daarnaast dient in acht te worden genomen de feiten en omstandigheden die in casu aan de orde zijn.
Artikel 1615e van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende:
“1. De dienstbetrekking eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald.
2. Voorafgaande opzegging is in dit geval alleen nodig:
1˚. indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement is bedongen;
2˚. indien volgens wettelijk voorschrift of volgens gebruik, ook bij vooraf bepaalde duur opzegging behoort plaats te hebben, en partijen daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement zijn afgeweken.
3˚. indien de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615f geacht wordt voor een bepaalde tijd te zijn voortgezet”.

4.2.1 Artikel 1615e lid 1 bepaalt onder meer dat de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst bepaald. In lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald onder welke omstandigheden voorafgaande opzegging nodig is. In het onderhavige geval hebben partijen de arbeidsovereenkomst tweemaal uitdrukkelijk verlengd voor bepaalde tijd, en wel voor het laatst voor de duur van 12 maanden gedurende de periode van 14 april 2016 tot en met 13 april 2017.
Met inachtneming van artikel 1615e lid 1 BW betekent dit dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt na het verstrijken van de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan, tenzij één van de situaties in lid 2 van hetzelfde artikel aan de orde is.
Gesteld en evenmin is gebleken dat van het laatste sprake is, zodat aannemelijk is dat de litigieuze arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 13 april 2017.

4.3 Eiseres beroept zich op jurisprudentie van de Hoge Raad en Surinaamse Rechtspraak ter verdediging van haar standpunt. Eiseres legt hierbij hierover een vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 13 augustus 2015 bekend onder AR no. 15-2707.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de feiten in het hiervoor genoemd vonnis niet identiek aan de feiten in de onderhavige zaak. Voormeld vonnis heeft betrekking op een arbeidsovereenkomst die stilzwijgend is verlengd, terwijl in de onderhavige zaak er sprake is van een uitdrukkelijke voortzetting van de arbeidsovereenkomst.
Het beroep van eiseres op voormeld vonnis faalt derhalve. De kantonrechter gaat voorbij aan het beroep van eiseres op jurisprudentie van de Hoge Raad en literatuur, nu zij heeft nagelaten om de door haar genoemde documenten over te leggen.

4.4 Eiseres heeft bij conclusie van repliek gevorderd haar eis te wijzigen, in dier voege dat haar wordt toegestaan om enkele alinea’s toe te voegen aan haar verzoek.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit verzoek in strijd met artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv). Immers, het verzoek van eiseres heeft tot gevolg dat het onderwerp van eis wordt veranderd hetgeen niet is toegestaan in artikel 109 BRv. Evenwel zal de kantonrechter om proceseconomische redenen het verzoek van eiseres toestaan, nu gedaagde niet in haar verweer wordt geschaad.

4.5 Eiseres doet een beroep op artikel 8 lid 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst. In dit artikel is zover van belang het volgende opgenomen:
“……4. Werknemers die een dienstbetrekking voor bepaalde tijd hebben, verkrijgen na twee (2) jaar onafgebroken dienstverband, een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd….”.
De kantonrechter begrijpt deze bepaling zo dat indien eiseres “langer” dan twee jaar (onafgebroken) in dienst was van gedaagde, zij een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd zou verkrijgen.
Tussen partijen staat rechtens vast dat de arbeidsovereenkomst tussen hen is aangevangen op 14 april 2015 en, na twee keren uitdrukkelijk te zijn verlengd, beëindigd is op 13 april 2017.
Op 13 april 2017 was eiseres dus twee jaar onafgebroken in dienst van gedaagde. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt eiseres pas een beroep toe op de hiervoor genoemde bepaling (artikel 8 lid 4) van de collectieve arbeidsovereenkomst indien gedaagde besloten had de arbeidsovereenkomst met haar voort te zetten. Immers, pas dan zou zij “langer” dan twee jaar in dienst zijn van gedaagde.
Nu dit niet het geval is faalt het beroep van eiseres op voormelde bepaling.

4.6 De door eiseres gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd een en ander zoals hiervoor overwogen.

4.7 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.8 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Eerste Kanton van donderdag 5 oktober 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. A.Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. A. Charan

SRU-K1-2011-16

Kantongerecht in het Eerste Kanton

[eiser], wonende in [district],
eiser,
gemachtigde: mr. Shantie Sheombar, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 30 juli 2010 met producties is ingediend ter griffie;
  • het tegen de gedaagde verleende verstek;
  • de zuivering van het verstek;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij beschikking van de minister van Natuurlijke Hulpbronnen en Energie d.d. 8 april 1988 [nummer 1], waarvan een afschrift is overgeschreven ten Hypotheekkantore op 3 mei 1988 in [register deel en nummer 1], is aan eiser voor de duur van 40 jaren, ter uitoefening van de tuinbouw, in grondhuur afgestaan het perceelland groot 0,5911 ha, gelegen in [district] aan de [plaats], uitmakende het zuidelijk deel van het perceel bekend als [gebied en serie nummer 1], thans bekend als [gebied en serie nummer 2].

2.2 Bij huurovereenkomst d.d. 24 september 2008 heeft eiser, voor een huursom van € 300,– per maand, als winkelruimte aan gedaagde verhuurd gelijk gedaagde van eiser heeft gehuurd de op het perceel staande bedrijfsruimte.De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 5 (vijf) jaren ingaande 1 september 2008 en derhalve eindigende op 1 september 2013. (lees: 31 augustus 2013).

2.3 Bij beschikking van de minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 11 augustus 2010 [nummer 2] heeft de Staat zich bereid verklaard – ter bebouwing en bewoning – aan gedaagde in grondhuur af te staan het perceelland groot 650 m2, gelegen in [district] op de hoek van [plaats] en de [weg], deel uitmakende van het perceel bekend als [gebied en serie nummer 2].

2.4 De door eiser aan gedaagde verhuurde bedrijfsruimte staat op voorschreven perceel van 650 m2.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan.
3.1 Eiser vordert – zakelijk weergegeven – dat:
1. voorschreven huurovereenkomst wordt geschorst;
2. gedaagde wordt veroordeeld binnen 1 x 24 uren na de uitspraak het gehuurde te ontruimen en hem, eiser te machtigen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, op kosten van gedaagde, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien gedaagde in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
3. gedaagde wordt veroordeeld om, gerekend vanf 1 september 2010, maandelijks aan hem te betalen de som van € 300,– en wel tot aan de ontruiming.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3 Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de stelling dat hij in Nederland woonde doch wegens gezondheidsredenen naar Suriname is geremigreerd, alwaar hem een verblijfsvergunning is verleend, en dat hij om in zijn onderhoud te voorzien een lening heeft moeten aangaan bij een lokale bank en dat de huuropbrengsten niet toereikend zijn om aan zijn verplichtingen ten opzichte van de bank te voldoen. Op grond hiervan heeft hij de huurovereenkomst bij brief d.d. 28 mei 2010, die bij exploot van de deurwaarder L. Gangaram Panday van 29 mei 2010 [nummer 3] aan gedaagde is betekend, opgezegd en gedaagde gesommeerd het gehuurde binnen 2 (twee) maanden te ontruimen. Gedaagde heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.

3.4 Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Eiser heeft het spoedeisend belang van zijn vordering voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2 Als meest verstrekkend verweer tegen de vordering heeft gedaagde aangevoerd dat eiser inmiddels de Surinaamse nationaliteit heeft verloren en als gevolg daarvan het aan hem verleende grondhuurrecht van rechtswege is vervallen, zodat hij geen belang heeft bij de vordering.
Ten aanzien van deze stelling overweegt de kantonrechter dat bij wet van 28 januari 2003 (S.B. 2003 no. 7) artikel 5 van het Decreet Uitgifte Domeingrond is vervallen. Vanaf de inwerkingtreding van deze wetswijziging vervalt het recht van grondhuur dus niet als de betrokkene daarna een vreemde nationaliteit verwerft dan wel geen ingezetene meer van Suriname is.
In de onderhaivge zaak staat vast dat eiser lang voor de inwerkingtreding van de wetswijziging naar Nederland was vertrokken en ook voor 2003 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen zodat kan worden beargumenteerd dat het recht van grondhuur reeds toen, dat is voor de inwerkingtreding van de wetswijziging, van rechtswege is vervallen.

4.3 Het dogmatisch probleem dat zich echter voordoet met betrekking tot de regel dat het grondhuurrecht van rechtswege vervalt is dat zulks in strijd is met het systeem van het zakenrecht betrekkelijk onroerend goed. Dit systeem brengt immers met zich mee dat een zakelijk recht op een onroerend goed slechts dan vervalt (eindigt) door de overschrijving van een akte in de registers van het Hypotheekkantoor, zodat het vervallen van het recht aan derden bekend wordt (vide de Memorie van Toelichting op voorschreven wet).

4.4 Door gedaagde is niet gesteld en ten processe is ook niet gebleken dat de Staat enige akte heeft doen overschrijven in de openbare registers van het Hypotheekkantoor waaruit blijkt dat het aan eiser verleende grondhuurrecht is komen te vervallen. Op grond hiervan is de kantonrechter, de wetstekst van artikel 5 (oud) van het Decreet Uitgifte Domeingrond ten spijt, van oordeel dat het recht van grondhuur van eiser niet is geëindigd, zodat het ter zake door gedaagde aangevoerde verweer dient te worden verworpen.

4.5 Het feit dat de Overheid zich bereid verklaard heeft een gedeelte van het perceel dat aan eiser in grondhuur is uitgegeven nu in grondhuur aan gedaagde uit te geven is naar het oordeel van de kanonrechter rechtens niet relevant, omdat zulks een inbreuk op het recht van eiser zou inhouden.

4.6 Blijkens het huurcontract is de overeenkomst aangegaan voor een periode van vijf jaren en is opzegging pas mogelijk tegen het einde van de huurperiode en met inachtneming van een termijn van tenminste één jaar. Op grond hiervan heeft de opzegging van de overeenkomst bij exploot d.d. 29 mei 2010 geen rechtsgevolgen.

4.7 De kantonrechter verstaat verder dat eiser aan zijn vordering ook ten grondslag heeft gelegd dat door gewijzigde omstandigheden (zie punt 3.3 van dit vonnis) de overeenkomst niet ongewijzigd kan blijven voort bestaan en dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat de overeenkomst moet worden gewijzigd in die zin dat hij wel de bevoegdheid heeft het contract vóór het verstrijken daarvan tussentijds op te zeggen. Naar het oordeel van de kantonrechter betreffen de gewijzigde omstandigheden de persoon van eiser en komen deze omstandigheden volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening zodat het beroep op de gewijzigde omstandigheden zal worden verworpen.

4.8 Op grond van het hiervoor overwogene zal de vordering tot opschorting van de huurovereenkomst en tot ontruiming worden geweigerd.

4.9 Zowel in het inleidend verzoekschrift (8e sustenu) als in de conclusie van repliek (4e sustenu) stelt eiser dat gedaagde aan zijn betalingsverplichtingen betreffende de huur heeft voldaan. De vordering tot betaling van de huur vanaf september 2010 tot aan de ontruiming steunt derhalve niet op de in het verzoekschrift gestelde feiten, zodat toewijzing daarvan niet mogelijk is. Uit het 4e sustenu van de conclusie van dupliek begrijpt de kantonrechter dat gedaagde van af het verkrijgen van de bereidverklaring op 11 augustus 2010 geen huur meer betaalt. Dit feit heeft eiser echter niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd en kan daarom niet dienen tot opschorting van de huurovereenkomst en veroordeling van gedaagde om het gehuurde te ontruimen en de achterstallige huurpenningen te betalen.

4.10 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
De Kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Verwijst eiser in kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 17 maart 2011, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2018-5

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 180015
25 januari 2018

Vonnis in de zaak van

CENTRAL FREIGHT SERVICES N.V., gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. A. R. Baarh, advocaat,
hierna te noemen: “de NV”,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. R. Schurman, advocaat,
hierna te noemen: “ [gedaagde]”.

Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 2 januari 2018 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek, met producties,
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van 11 augustus 2016 is de NV veroordeeld om binnen een maand na dagtekening van het vonnis de eerste vrachtlading van Bher betreffende de kantoorinrichting en uitgebreide literatuur/boeken collectie aan [gedaagde] af te geven, onder verbeurte van een dwangsom.

2.2 Bij schrijven van 16 september 2016 heeft de gemachtigde van de NV een viertal documenten aan de gemachtigde van [gedaagde] verzonden.

2.3 Het vonnis is bij exploit van 19 september 2016 aan de NV betekend in welk exploit ook het bevel is opgenomen om de goederen af te geven.

2.4 Bij exploit van 15 december 2017 is wederom het vonnis betekend waarbij tevens aan de NV is bevolen over te gaan tot betaling van de verbeurde dwangsommen.

2.5 Aan laatstgenoemd bevel heeft de NV geen gevolg gegeven.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
De NV vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– [gedaagde] veroordeelt om de aangevangen executie van de dwangsommen te staken onder verbeurte van een dwangsom en voorts
– [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
De NV heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat er geen dwangsommen zijn verbeurd omdat zij wel heeft voldaan aan het vonnis. Met het opsturen van de documenten heeft zij voldaan aan het vonnis. Hierdoor zijn geen dwangsommen verbeurd en is de executie van dwangsommen ongegrond en onrechtmatig.

4. Het verweer
[gedaagde] heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling
5.1 [gedaagde] heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. Dat er niet voldaan is aan het vonnis; dat de NV de goederen aan hem had moeten afgeven, hetgeen de NV niet heeft gedaan; dat hij inderdaad in september 2016 documenten heeft ontvangen van de NV, doch dat hij met de documenten de goederen niet heeft ontvangen; dat hij dit kenbaar heeft gemaakt aan de NV, doch dat deze daarna de goederen ook niet aan hem heeft afgestaan; dat hierdoor de NV niet heeft voldaan aan het vonnis; 2. Dat op een later tijdstip heeft vernomen dat de goederen zijn geveild waardoor hij enorme schade heeft geleden.

5.2 De kantonrechter overweegt dat de vraag die in casu beantwoord moet worden de vraag betreft of de NV heeft voldaan aan het vonnis.

5.3 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast teneinde nader ingelicht te worden hoe de NV en [gedaagde] in de praktijk zijn omgegaan met het vonnis en wat [gedaagde] van de NV had mogen verwachten uitgaande van het vonnis. Immers stelt de NV zich op het standpunt dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen ingevolge het vonnis en stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat dat niet het geval is.

5.4 Tijdens de comparitie van partijen heeft de NV onder andere – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – verklaard: “ Wij hebben de stukken in orde gemaakt. Het is nooit opgehaald. Wij hebben de stukken in 2016 aan gedaagde betekend. Hij moest met die stukken naar de Haven. Na het vonnis is gedaagde gekomen. De gedaagde is niet naar de nieuwe haven gegaan. Na de betekening is hij bij ons op kantoor gekomen. Na de betekening van het vonnis aan ons op 19 september 2016 hebben wij niets gedaan omdat wij de stukken al hadden gestuurd voor hem. Wij hadden de goederen niet aan hem gegeven omdat zij op de haven waren.”

5.5 [gedaagde] heeft onder andere – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – verklaard: “wij hebben de vier documenten ontvangen maar konden de goederen daarmee niet krijgen; wij hebben toen gelijk het vonnis aan de NV betekend; na de betekening hebben wij niets van hun vernomen.”

5.6 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaringen aannemelijk is geworden dat het enkel opsturen van de documenten niet heeft geleid tot de afgifte. Nu de NV was veroordeeld tot afgifte kunnen zij zich naar het oordeel van de kantonrechter, na de betekening van het vonnis, niet erop beroepen dat zij enkele dagen eerder documenten hadden gestuurd en daarmee hadden voldaan aan de veroordeling. Zij hadden zich na de betekening van het vonnis ervan moeten vergewissen dat de afgifte had plaatsgevonden, nu zij veroordeeld zijn tot afgifte van de goederen en zij wisten waar de goederen zich bevonden. [gedaagde] had van de NV mogen verwachten dat de NV zich samen met hem en de documenten op de Haven, waar de goederen toen lagen, begaf teneinde erop toe te zien dat de goederen werden afgegeven, immers heeft [gedaagde] verklaard dat met de documenten alleen de goederen niet werden afgegeven. Het lag dan op de weg van NV om alle nodige inspanningen te plegen teneinde er zorg voor te dragen dat de goederen, die op de haven lagen, uiteindelijk – zij het door de NV zelf of anderzins – aan [gedaagde] werd afgegeven. De opvatting van de NV, dat zij met het enkele opsturen van de documenten voldoende gevolg had gegeven aan de veroordeling opgenomen in het vonnis, is derhalve niet juist.

5.7 De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de NV geen uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling waardoor de dwangsommen zijn verbeurd.

5.8 De kantonrechter zal dan ook het gevorderde afwijzen en de NV als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt de NV in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 25 januari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.