SRU-K1-2016-17

A.R. No. 16-159
28 april 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
hierna ook aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat

tegen

A. De STAAT SURINAME met name de Minister van Arbeid,
vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende aan de Limesgracht no. 92, te Paramaribo,
hierna ook aangeduid als de Staat,

B. de Naamloze Vennootschap N.V. ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna ook aangeduid als EBS,
gedaagden in kort geding
gemachtigde van gedaagden sub A en sub B: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft, in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

1. De procesgang
1.1 Die blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 7 januari 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– een rolbeschikking d.d. 4 februari 2016 waarbij gedaagden peremptoir in de gelegenheid zijn gesteld een conclusie van antwoord over te leggen op de rolzitting van 11 februari 2016;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek en uitlating producties met productie;
– de conclusie van dupliek en uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Vaststaande feiten

2.1 Een productie GEDATEERD 23 OKTOBER 2012 met als opschrift ARBEIDSOVEREENKOMST welke is ondertekend door [eiser] en de Raad van Commissarissen van EBS waarin ondermeer het volgende staat:

lid 1: [eiser] is met ingang van 9 mei 2012 in dienst van de EBS als Financieel Directeur.

2.2 Een brief van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen gedateerd 26 augustus 2015 waarin staat: “Aangezien er een strafrechtelijk onderzoek betrekking zal hebben op gepleegde financiële transacties door u ben ik genoodzaakt om u per onmiddellijke ingang gedurende de periode van voornoemd onderzoek te ontlasten als waarnemend algemeen directeur van de EBS NV. Gedurende uw ontlasting blijft u evenwel ter beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen”.

2.3 Een brief van de EBS gericht aan [eiser] d.d. 22 september 2012 waarin ondermeer staat: “uit een ingesteld intern onderzoek is gebleken dat u in strijd heeft gehandeld met de bepalingen overeenkomstig de contracten gesloten met Greenland Development N.V. en Superior Contracting N.V. en/of dat u in strijd heeft gehandeld met de bestaande procedure binnen de N.V. EBS. Op grond van het bovenstaande bent u op 26 augustus 2015 door en vanwege de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen als vertegenwoordiger van de Aandeelhouder ontlast van uw werkzaamheden als Financieel Directeur, belast met de tijdelijke waarneming als Algemeen Directeur…. U bent door de justitiële autoriteiten officieel als verdachte gekwalificeerd…”de Raad van Commissarissen, bijeen in vergadering d.d. 21 september 2015………..heeft op grond van al het voorgaande besloten om u, [eiser], ingevolge de vigerende statuten van de naamloze vennootschap N.V. Energie Bedrijven Suriname N.V. (EBS), met artikel 11, per onmiddellijke ingang te schorsen.

2.4 Een algemene vergadering van aandeelhouders van EBS gehouden op 15 oktober 2015 en waarin een besluit is genomen om de dienstbetrekking met [eiser] te beëindigen.

2.5 Een productie d.d. 17 november 2015 met als opschrift: MINISTERIE van ARBEID waarin ondermeer staat: heeft besloten: Op grond van het bovenstaande vergunning te verlenen ter beëindiging van de dienstbetrekking met directeur [eiser], met in achtneming van de wettelijke opzegtermijn.

2.6 Een brief gedateerd 30 november 2015 afkomstig van de EBS en gericht aan [eiser] waarin ondermeer staat: “namens de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de aandeelhouders van de EBS, wordt de dienstbetrekking per heden, 30 november 2015, met u opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn ingevolge artikel 1615iBW, waardoor de arbeidsovereenkomst met u per 4 januari 2016 zal zijn beëindigd.

2.7 Machtiging d.d. 17 september 2015 waarin staat dat de Vice President van de Republiek Suriname Ir. Adhin M.A.S. bij presidentieel besluit P.B. 78/2015, aangewezen als vertegenwoordiger van de Staat als aandeelhouder van de N.V. ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen, de heer Drs. Regillio J. Dodson, machtigt om gedurende de periode 17 september 2015 tot en met 30 november 2015 alle rechten en bevoegdheden die ingevolge de wet, de statuten van de vennootschap en de bestendige gebruiken aan de aandeelhouders toekomen, ten volle uit te oefenen.

2.8 Productie met als opschrift Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf noodstroomvoorziening N.V. Energiebedrijven Suriname.

2.9 Productie met als opschrift Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf magazijngoederen via een intermediair door de N.V. Energiebedrijven Suriname (EBS).

2.10 Productie met als opschrift Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: ASSURANCE-RAPPORT inzake onderzoek bestedingen IDB-lening N.V. Energiebedrijven Suriname.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorrad op alle dagen en uren:

I.Het besluit van de EBS d.d. 15 oktober 2015 zoals die in haar Algemene Vergadering van Aandeelhouders is genomen, inhoudende het onmiddellijke ontslag van verzoeker te schorsen, althans op te schorten totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid daarvan onherroepelijk zal zijn beslist.
II. de ontslagvergunning d.d. 17 november 2014 met [nummer] zoals die door de Staat is verleend op te schorten, althans te schorsen totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist.
III. de opzegging d.d. 30 november 2015 van het dienstverband met hem door de EBS op te schorten, althans te schorsen totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist.
IV. De EBS te veroordelen tot doorbetaling van het met eiser overeengekomen loon en andere vergoedingen en te gelasten dat eiser toegelaten wordt om de bedongen werkzaamheden te verrichten totdat in bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist.

Eiser vordert tevens dat gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.
Eiser heeft behalve de vaststaande feiten aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders nietig althans vernietigbaar is, daar de door de EBS gevolgde procedure niet conform de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst heeft plaatsgehad. Dat het besluit van de Ontslagcommissie van het Ministerie van Arbeid evenmin rechtsgeldig is omdat de grondslag van het besluit ondeugdelijk is, en het besluit niet objectief is.

3.2 Gedaagden hebben tegen de vordering verweer gevoerd. Voor zover nodig komt de kantonrechter bij de beoordeling daarop terug.

4.De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is in voldoende mate gebleken uit hetgeen eiser heeft gesteld.

4.2 Eiser heeft de grondslag van zijn vordering nader gemotiveerd en onderbouwd en heeft verder – voor zover van belang – aangevoerd dat:

a. de beschikking van de ontslagcommissie van het Ministerie van Arbeid niet rechtsgeldig is omdat in strijd is gehandeld met de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Dat in vermelde overeenkomst limitatief is opgesomd op welke gronden de dienstbetrekking met hem kan worden beëindigd, namelijk met wederzijds goedvinden, door ontbinding door de kantonrechter wegens gewichtige redenen en de opzegging door hem, [eiser],
b.hij niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord op de door de EBS gehouden Algemene Vergadering van Aandeelhouders van 15 oktober 2015 voor welke vergadering hij was geconvoceerd om 17.00 uur. Hij wenste in persoon te worden gehoord op die vergadering, maar hij was in verzekering gesteld; hij heeft gevraagd te worden gehoord wanneer hij in vrijheid zou zijn gesteld doch de EBS heeft dat niet gehonoreerd.
Zijn vorige gemachtigde heeft zich op die vergadering aangemeld om 17.15 doch is hij niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord omdat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders reeds een besluit had genomen ter zake zijn ontslag. EBS had geen redelijk belang om zijn gemachtigde niet de gelegenheid te geven hem te horen omdat de tijd dat hij te laat was niet zo ver was overschreden,
c. de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen niet bevoegd was om namens de Staat deel te nemen aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders omdat dit is voorbehouden aan de Vice President van de Republiek Suriname,
d. de grond van zijn ontslag ondeugdelijk is omdat hij niet in persoon is gehoord ten aanzien van de inhoud van de opgemaakte rapporten van het CLAD,
e. het besluit van de Ontslag Commissie ondeugdelijk is gemotiveerd en de beslissing van dit orgaan niet objectief is omdat de voorzitter van de Ontslag Commissie als directeur van arbeid een politieke functie bekleedt en hij derhalve niet objectief kan zijn, aldus eiser.

4.3 Gedaagden hebben voor zover van belang – kort aangegeven – als verweer aangevoerd dat het aan [eiser] verleend ontslag rechtsgeldig is omdat:

a. de procedure die is ingezet in verband met het ontslag conform artikel 11 van de statuten van EBS heeft plaatsgevonden daar artikel 2 lid 2 van de overeenkomst bepaalt dat de wet en de statuten van EBS prevaleren boven de bepaling van die arbeidsovereenkomst indien deze in tegenstrijd zijn met elkaar of van elkaar afwijken.
b. [eiser] in de gelegenheid is gesteld om in persoon of bij gemachtigde aanwezig te zijn op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders. [eiser] heeft niet in het vooruitzicht gesteld wanneer hij wederom in vrijheid zou worden gesteld. Gelet op het in artikel 11 van de statuten van de EBS bepaalde kon zijn verzoek niet worden ingewilligd.De toenmalige gemachtigde van eiser, heeft zich aangemeld drie kwartier nadat de vergadering was aangevangen en hij niet meer kon worden gehoord omdat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders reeds een besluit had genomen omtrent het ontslag van [eiser].
c. de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen rechtsgeldig is vertegenwoordigd op de AVAS van de EBS omdat de Vice President hem daartoe had gemachtigd.
d. er drie rapporten zijn van de ’s Lands Accountantsdienst waaruit blijkt dat [eiser] comptabele regels grovelijk heeft overtreden. [eiser] is als verdachte aangemerkt, in verzekering gesteld en het onderzoek duurt voort door het openbaar ministerie. Hierna is een verzoek ingediend bij de Ontslag Commissie, welk verzoek is ingewilligd.
e. ervan mag worden uitgegaan dat de voorzitter van de Ontslag Commissie in staat is objectief beslissingen te nemen en hetgeen door eiser ter zake is gesteld onvoldoende is om met recht aan de objectiviteit van de beslissing te twijfelen. De beschikking van de ontslagcommissie is zoals de inhoud luidt voldoende gemotiveerd.

4.4 De beoordeling van de stellingen en weren van partijen.
4.4.1 Artikel 2 van de tussen [eiser] en de EBS getekende arbeidsovereenkomst bepaalt het volgende:

lid 1: Onverminderd de bepalingen van deze overeenkomst, zal [eiser] de wettelijke en statutaire bepalingen met betrekking tot de uitoefening van zijn functie als financieel directeur, waaronder mede begrepen het geldende directiereglement, strikt in acht nemen.

lid 2: Ingeval van strijdigheid of afwijking van enige bepaling van deze overeenkomst met enige bepaling van de in lid 1 van dit artikel bedoelde wettelijke en statutaire bepalingen, zullen laatstgemelde bepalingen prevaleren en worden geacht een integrerend deel van deze overeenkomst uit te maken.

lid 3: [eiser] zal als financieel directeur conform de statuten slechts worden ontslagen wegens gewichtige reden, nadat hij redelijkerwijs de gelegenheid heeft gehad zich schriftelijk of mondeling terzake te verdedigen, doch laat een eventueel ontslag het bestaan van de arbeidsovereenkomst en de hieruit voortvloeiende verplichtingen zijdens de EBS onverlet, in ieder geval tot aan de ontbinding cq beëindiging hiervan als bedoeld in lid 4.

lid 4: De ontbinding c.q. beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan slechts op de navolgende wijze geschieden:

  1. Met wederwijs goedvinden:…..
  2. De ontbinding door de kantonrechter wegens gewichtige redenen:………..
  3. Opzegging door [eiser]:………..

4.4.2 Artikel 11 van de statuten van de EBS bepaalt ondermeer het volgende:

lid 1: De directeuren worden ontslagen en benoemd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.

lid 2: Elke aandeelhouder kan bij besluit van de Raad van Commissarissen om gewichtige redenen worden geschorst,……vermeld.

lid 3: uiterlijk binnen een maand na de schorsing zal een Algemene Vergadering van Aandeelhouders worden gehouden, teneinde, nadat de geschorste in de gelegenheid is gesteld, zich in die vergadering te verdedigen of te doen verdedigen, over de opheffing van de schorsing of over het ontslag van de geschorste te beslissen. Indien zodanige vergadering binnen de gestelde termijn niet is gehouden vervalt de schorsing van rechtswege.

4.4.3 Nu artikel 2 lid 4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de dienstbetrekking met [eiser] slechts kan worden beëindigd met wederzijds goedvinden, na ontbinding door de kantonrechter wegens gewichtige redenen en na opzegging door [eiser] terwijl artikel 11 lid I van de statuten van de EBS bepalen dat haar directeuren (dus ook [eiser]) worden ontslagen en benoemd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, is er sprake van “afwijking van enige bepalingen” als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de litigieuze arbeidsovereenkomst. De stelling van [eiser] dat de in artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst genoemde afwijkende of strijdige bepalingen geen betrekking hebben op de wijze van beëindiging van zijn dienstbetrekking maar slechts op de wijze van zijn functioneren geeft blijk van een onjuiste interpretatie van vermeld artikellid. Immers de wijze waarop artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst is geredigeerd is duidelijk. De afwijkende bepaling van de statuten prevaleren en worden geacht een integrerend deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst. De Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de EBS was daarom bevoegd om het ontslagproces ten aanzien van [eiser] in te zetten.

4.4.4 Onbetwist is dat [eiser] is medegedeeld dat hij in de gelegenheid was om in persoon te worden gehoord of middels een gemachtigde. Nu eiser niet heeft gesteld dat er een indicatie was binnen welke termijn hij in vrijheid zou worden gesteld kon van de EBS, mede gelet op het bepaalde in artikel 11 lid 3 van de Statuten van de EBS, niet worden verlangd dat een andere vergadering zou worden uitgeschreven waarop het ontslag van [eiser] zou worden besproken. Immers zou van rechtswege de schorsing die aan [eiser] was opgelegd, vervallen.
Er is niet gesteld en evenmin is gebleken dat op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders d.d. 15 oktober 2015 van de agenda is afgeweken. Het besluit tot ontslag van [eiser] was reeds genomen door de Algemene Vergadering toen de toenmalige raadsman van eiser zich aanmeldde en terecht kon deze niet meer worden gehoord ten aanzien van het besluit.

4.4.5 Eiser heeft niets overgelegd waaruit zou moeten blijken dat aan de Vice President van de Republiek Suriname enige beperking is opgelegd bij het presidentieel besluit P.B. 78/2015 als genoemd in de machtiging sub 2.7 van dit vonnis. De Minister van Natuurlijke Hulpbronnen was daarom bevoegd de Staat te vertegenwoordigen als aandeelhouder op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de EBS op 15 oktober 2015.

4.4.6 [eiser] heeft aangevoerd dat hij niet is gehoord met betrekking tot de inhoud van door gedaagde overgelegde CLAD-rapporten. Dat hij met toestemming van de Raad van Commissarissen van EBS heeft gehandeld en daarom de grondslag van het besluit van zijn ontslag ondeugdelijk is, aldus [eiser].
Deze verweren worden verworpen omdat [eiser] hiermede niet had mogen volstaan. Immers, gedaagde heeft bij haar conclusie van antwoord de volgende gedetailleerde onderbouwde rapporten overgelegd:

Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf noodstroomvoorziening N.V. Energiebedrijven Suriname

Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: aanbieding assurance-rapport inzake onderzoek aanschaf magazijngoederen via een intermediair door de N.V. Energiebedrijven Suriname (EBS) en

Centrale Accountantsdienst.
Onderwerp: assurance-rapport inzake onderzoek bestedingen IDB-lening N.V. Energiebedrijven Suriname.

Eiser is hierdoor in de gelegenheid gesteld gemotiveerd en/of onderbouwd verweer te voeren en het was dus voor hem mogelijk om gedetailleerd in onderhavig geding in te gaan op de inhoud van de rapporten. Dit heeft hij echter nagelaten. Tevens heeft hij nagelaten te motiveren wanneer en op welke wijze hij de door hem gestelde toestemming heeft verkregen van de RvC. Hierdoor is de inhoud van vermelde rapporten aannemelijk, namelijk dat gedaagde ondermeer kan worden verweten:

  1. onregelmatigheden bij afwikkeling leveringscontracten,
  2. afwijking en omzeiling van de interne (EBS) procedure die geldt bij de aanvraag van goederen en diensten,
  3. onregelmatigheden bij de besteding van de IDB leensom.

Van EBS kan daarom niet worden verwacht dat zij de dienstbetrekking met EBS voortzet.

4.4.7 Het verweer dat de beschikking van de ontslagcommissie niet objectief zou zijn wordt als niet deugdelijk gemotiveerd of onderbouwd verworden. De kantonrechter acht de motivering van de beschikking voldoende en duidelijk.

4.5 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de vordering worden afgewezen en zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen komen niet voor verdere bespreking in aanmerking omdat de beoordeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

5. De beslissing
5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, kantonrechter in het eerste kanton, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 28 april 2016 door mr. A. Johanns, kantonrechter in het eerste kanton, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.D.Ramdin w.g. S.S.S. Wijnhard
w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-16

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 16 – 0307
30 maart 2016

Beschikking in de zaak van:

[eiseres], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
eiseres,
gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton geeft in deze zaak, in naam van de Republiek Suriname, de navolgende beschikking.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijlagen dat op 20 januari 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis de dato 16 februari 2016;
– het op 16 februari 2016 gehouden verhoor van partijen en het proces-verbaal daarvan.

1.2. De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten
Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde producties, een en ander voor zover niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist, staat tussen partijen het volgende vast:

2.1 Gedaagde is medeoprichter van eiseres en is op de dag van de oprichting de dato 03 augustus 2001 benoemd tot mededirecteur van eiseres.

2.2 Bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van eiseres de dato 17 januari 2015 is gedaagde met onmiddellijke ingang ontheven als directeur van eiseres.

2.3 Gedaagde heeft een voertuig van het merk Honda CRV, een laptop met een software en een bedrijfstelefoon, toebehorende aan eiseres, in zijn bezit.

De vordering en het verweer
3.1 De vordering
Eiseres heeft – kort en zakelijk weergegeven – gevorderd om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 31 januari 2016, althans op een door de kantonrechter te bepalen tijdstip.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft aan haar vordering – kort en zakelijk weergegeven – onder meer ten grondslag gelegd dat:
– gedaagde tegen de andere directeur, medeaandeelhouder van eiseres, [naam], aangifte wegens fraude heeft gedaan, zonder dat er sprake is geweest van een strafbaar feit;
– gedaagde onrechtmatige handelingen jegens haar pleegt. Gedaagde houdt kantoor bij [bedrijf 1] aan [adres] en van daaruit organiseert gedaagde in samenwerking met [bedrijf 2] en [bedrijf 3] trainingen;
– gedaagde malverserende handelingen in het kader van de bedrijfsvoering heeft gepleegd, waardoor schade is ontstaan.

3.3 Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover nodig, terug­komt bij de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Tijdens het verhoor van partijen en uit de inhoud van de overgelegde producties is gebleken dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog in tact is en dat geen van de partijen met elkaar wenst samen te werken. Beide partijen wensen ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Derhalve zal de gevorderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen onder de hierna gestelde voorwaarden voor ontbonden verklaren.
Eiseres heeft verzocht om de arbeidsovereenkomst met ingang van 31 januari 2016 te ontbinden, doch de door eiseres verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal ingaan op 31 mei 2016, omdat ontbinding van een arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht niet mogelijk is. De kantonrechter acht – gelet op het aantal dienstjaren van gedaagde alsmede de mate van de gewichtige redenen – het redelijk en billijk de ingangsdatum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vast te stellen op 31 mei 2016.

4.2 Alhoewel artikel 1615x van het Burgerlijk Wetboek de kantonrechter de bevoegdheid niet geeft, heeft zich in de Surinaamse rechtspraktijk de regel ontwikkeld dat in gevallen van ontbinding van arbeidsovereenkomsten wegens gewichtige redenen wel een uitkering kan worden vastgesteld en wel op basis van de redelijkheid en billijkheid.
Deze uitkering wordt in principe toegekend op basis van het aantal dienstjaren dat de werknemer in dienst is geweest, waarbij voor elk dienstjaar aan de werknemer een bedrag wordt toegewezen van één maand salaris plus emolumenten. Naar analogie van de Surinaamse jurisprudentie zal de kantonrechter op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitkering voor gedaagde vaststellen.
Nu vaststaat dat gedaagde sedert 03 augustus 2001 in dienst is van eiseres en tot de ingangsdatum van de ontbonden verklaring van de arbeidsovereenkomst 14 dienstjaren en 9 dienstmaanden van de ontbonden verklaring van de arbeidsovereenkomst zou hebben, zal eiseres een uitkering van afgerond 15 maal het maandsalaris aan gedaagde dienen te voldoen. Bij het vaststellen van de uitkering neemt de kantonrechter mede in overweging dat het aan beide partijen te wijten is dat de arbeidsrelatie tussen hen is verstoord. Zo is door eiseres niet ontkend de stelling van gedaagde dat de medeaandeelhouder [naam] gelden ten bedrage van SRD 600.000,-, € 200.000,- en US$ 250.000,- vanuit de rekening van eiseres op zijn privérekening heeft doen storten en dat eiseres als rechtspersoon daarbij geen maatregelen heeft getroffen.

4.3 De kantonrechter acht het redelijk en billijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. Derhalve zullen partijen daartoe worden veroordeeld en wel in dier voege dat elke partij de eigen kosten voldoet.

5.De beslissing
5.1 Verklaart ontbonden de tussen partijen van kracht zijnde arbeidsovereenkomst de dato 03 augustus 2001 met ingang van 31 mei 2016.

5.2 Bepaalt dat deze ontbondenverklaring is geschied onder de voorwaarde dat eiseres aan gedaagde een uitkering doet van 15 maal zijn maandsalaris inclusief emolumenten.

5.3 Compenseren de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat elke partij de eigen kosten voldoet.

Aldus gegeven en uitgesproken door mr. I. Sonai, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie op woensdag 30 maart 2016 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.Z.Moeradji w.g. I. Sonai

SRU-K1-2014-7

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 13-4785
18 december 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van:

FIRM ENGINEERING N.V.,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

[gedaagde]
wonende te [district], gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. L.T. Patterson, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
het verzoekschrift met producties dat op 04 november 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
de schriftelijke conclusie van antwoord, met producties;
de schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, met producties;
de schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties;

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 06 juli 2013 omstreeks 22.25 uur vond een aanrijding plaats,waarbij partijen betrokken waren.

2.2 Kort voor het ongeval reed gedaagde over de [straat 1], komende vanuit de richting van de [straat 2] en gaande in die van de [straat 3].
De bestuurder van het voertuig van eiseres, zijnde de werknemer van eiseres en die [naam] is geheten, reed over de zuidelijke rijbaan van de [straat 3] en wel op de linker rijhelft, komende vanuit de richting van de [straat 4] en gaande in die van de [straat 5].

2.3 Het verkeer over de [straat 3] geniet voorrang.

2.4 Gekomen op de kruising gevormd door de [straat 3] en de [straat 1], verzuimde gedaagde voorrang te verlenen aan het verkeer over de [straat 3], in deze de bestuurder [naam], met als gevolg de aanrijding.

2.5 Door de botsing verloor de bestuurder [naam] de controle over het stuur en botste hij op tegen de betonnen versteviging van de mast van de verkeerslichteninstallatie.

2.6 Op de dag van de aanrijding waren de verkeerslichten op de kruising van de [straat 3] en de [straat 1] buiten werking.

2.7 De politie heeft gedaagde als veroorzaker van de aanrijding aangemerkt.

2.8 Het voertuig van gedaagde, zijnde een Toyota Cresta, bouwjaar 1996 en kenteken [nummer 1] was ten tijde van het ongeval niet verzekerd conform de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen.

2.9 Het voertuig van eiseres, zijnde een Isuzu D -MAX, bouwjaar 2007 en kenteken [nummer 2] is na inspectie door de verzekeraar van eiseres ’’total loss” verklaard.

3. De vordering. de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
Eiseres heeft gevorderd om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen het bedrag van SRD 43.000,- als voorschot op het door haar van gedaagde te vorderen schadebedrag wegens onrechtmatige daad, vermeerderd, met de wettelijke rente;
II. gedaagde te veroordelen tot vergoeding aan haar van de schade bestaande uit de incassokosten berekend op 15% van het schadebedrag voor een bedrag ad SRD 6.468, 84;
III. gedaagde te veroordelen in de proceskosten, door de kantonrechter vast te stellen.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft naast voormelde vaststaande feiten, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat gedaagde, ondanks aanmaningen, weigert om het schadebedrag aan haar te betalen. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiseres en is zij daardoor aansprakelijk voor de schade die door haar is veroorzaakt. Eiseres heeft ter zake de incasso van haar schade kosten moeten maken, waaronder advocaat -en deurwaarderskosten. Gedaagde is gehouden om die te vergoeden.

3.3 Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover nodig,terug komt bij de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres is in voldoende mate aannemelijk geworden.

4.2 De vordering van eiseres betreft een geldvordering. Met betrekking tot een veroordeling tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Voor toewijzing van dergelijke vorderingen in kort geding is slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist. Bij de afweging van de belangen van partijen moet mede worden betrokken het restitutierisico.

4.3 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat zij niet de veroorzaker is van de aanrijding. Volgens gedaagde is de aanrijding aan het gevaarzettend rijgedrag van de bestuurder [naam] te· wijten, daar hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een snelheid van circa 90 of 100 km per uur moet hebben gereden bij het naderen van de samenkomst van wegen (kruising) gevormd door de [straat 3] en de [straat 1], in ieder geval boven de toegestane maximumsnelheid op bedoelde kruising. Volgens gedaagde heeft zij voorgesorteerd in het vak voor het recht-doorgaand verkeer gaande over de [straat 1] naar de [straat 6], waarbij op hetzelfde tijdstip naast haar een lijnbus in het voorsorteervak voor het naar rechtsafslaand verkeer richting de [straat 3] gesorteerd was. Gedaagde had daardoor gedeeltelijk zicht op het van rechtskomend verkeer, doch mocht erop vertrouwen dat toen de bestuurder van de lijnbus, die volledig zicht had op het van rechtskomend verkeer, zijn lijnbus optrok teneinde rechtsaf te slaan naar de [straat 3], het in voldoende mate voor gedaagde veilig was om eveneens op te trekken, teneinde de oversteek van de kruising te doen.

Gedaagde heeft verder aangevoerd dat de bestuurder [naam] vanuit een afstand zou kunnen hebben gezien dat de verkeerslichten niet werkten, althans gele knipperlichten vertoonden en dat van hem kon worden verwacht de nodige voorzichtigheid in acht te nemen. Ook heeft hij op geen enkel moment zijn snelheid aangepast aan de gewijzigde verkeerssituatie

4.4 Uit de weren van gedaagde, zoals onder 4.3 is weergegeven, begrijpt de kantonrechter dat gedaagde ontkent schuld te hebben aan de aanrijding. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de stellingen en weren van partijen voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde schuld heeft aan de aanrijding. Dit blijkt met name uit de omstandigheid dat gedaagde geen voorrang heeft verleend aan het verkeer over de [straat 3]. De schuld van gedaagde is eveneens gegeven, gelet op de stelling van gedaagde dat doordat de lijnbus naast haar is komen sorteren, zij gedeeltelijk zicht had op het verkeer rijdend over de [straat 3]. Ondanks het feit dat gedaagde geen volledig zicht had op het verkeer, heeft zij ervoor gekozen om de kruising op te rijden, met alle gevolgen van dien. Voorbij wordt gegaan aan de stelling van gedaagde dat de manoeuvre die door haar is uitgevoerd, met name het gelijktijdig optrekken met de lijnbus een in de praktijk veelvuldig toegepaste maatregel is, daar dit niet op de wet is gestoeld. Naar het oordeel van de kantonrechterkan gedaagde met het voorgaande haar onschuld niet aantonen. Van gedaagde wordt immers als verkeersdeelnemer verwacht dat zij zich zelf ervan diende te vergewissen dat het verkeer over de [straat 3] vrij was, waardoor zij kon optrekken. Gedaagde is afgegaan op een kennelijk verkeerde waarneming van de bestuurder van de lijnbus met alle gevolgen van dien.

4.5 Ingevolge artikel 10 van het Rijbesluit 1957 zal de bestuurder die een splitsing, een kruising of een samenkomst van wegen nadert, in de eerste plaats bijzondere voorzorgen treffen ter vermijding van ongelukken, ook wanneer hij recht van voorrang heeft.

Uit de omstandigheid dat door de botsing de bestuurder [naam] de controle over het stuur heeft verloren en hij tegen de betonnen versteviging van de mast van de verkeerslichteninstallatie is opgebotst alsmede uit de omstandigheid dat het door [naam] bestuurd voertuig ”total loss” is verklaard, is het voor de kantonrechter in voldoende mate aannemelijk geworden dat de bestuurder [naam] met een snelheid boven de toegestane maximumsnelheid de kruising is opgereden. Ook is aannemelijk geworden dat de bestuurder [naam] geen gevolg heeft gegeven aan wat van hem, gegeven de omstandigheden ter plaatse, ingevolge artikel 10 van het Rijbesluit 1957 werd verwacht. Hiermee is de medeschuld van de bestuurder [naam] dan ook in beginsel gegeven.

4.6 Nu gebleken is dat de bestuurder [naam] medeschuldig is aan het veroorzaken van de aanrijding, dient in casu te worden onderzocht de mate van aansprake1ijkheid van beide partijen. Dit hangt af van de mate waarin de aan gedaagde en aan de bestuurder [naam] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Nu in casu niet is komen vast te staan met welke snelheid de bestuurder [naam] op die bewuste avond heeft gereden, kan de mate van zijn aansprakelijkheid niet worden berekend. Hiertoe is nader onderzoek vereist door de ter zake deskundige van de verkeersdienst van het Korps Politie Suriname. De aard van het kort geding verzet zich echter tegen een deskundigen derzoek in casu.

4.7 Uit al het voorgaande, komt de kantonrechter tot de slotsom dat eiseres de grondslag van de vordering niet voldoende aannemelijk heeft kunnen maken, waardoor de gevraagde voorzieningen dan ook zullen worden geweigerd. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding en uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran op donderdag 18 december 2014 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2017-12

Kantonrechter in kort geding

A.R. no. 152150
27 juli 2017

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende in het [district],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “[eiseres]”,

tegen

A. [gedaagde 1], ten rechte geheten [gedaagde 1], wonende in het [district 2],
B. [gedaagde 1] , ten rechte geheten [gedaagde 1], in zijn hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de Nationale Democratische Partij, wonende in het [district 2],
C. DE VERENIGING NATIONALE DEMOCRATISCHE PARTIJ, rechtspersoon, ten rechte geheten DE POLITIEKE ORGANISATIE DE NATIONALE DEMOCRATISCHE PARTIJ, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. N.U. Van Dijk, advocaat,
gedaagden in kort geding,
hierna te noemen: “[gedaagde 1] en de NDP”.

1.Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 11 mei 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de incidentele conclusie tot afvoeren van de vordering vanwege relatieve incompetentie en verkeerd oproepen van de gedaagde;
– de conclusie van antwoord, met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [gedaagde 1] heeft op 30 april 2015 en 1 mei 2015 tijdens een bijeenkomst van de NDP uitspraken gedaan die betrekking hebben op [eiseres];

2.2 De uitspraken luiden onder andere als volgt: “deze crimineel [eiseres]” “genoeg geld heeft uit de drugswereld en wapensmokkel” “die boten en die motoren die daar waren, waren op naam van [eiseres]” en “[eiseres] die samen criminele activiteiten heeft ontplooid met [naam 1]….”.

2.3 De uitspraken zijn gelijk na 30 april en 1 mei 2015 gepubliceerd door verschillende media waardoor zij het breder publiek bereikt hebben.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
[eiseres] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad gedaagde beveelt:

I. [gedaagde 1] en/of de NDP veroordeelt om binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis op dezelfde wijze en plaats als die waarop die uitspraken onder 2.3. hierboven genoemd zijn gedaan, het volgende te verklaren:

“Ik, [gedaagde 1], geboren op [datum], houder van Id [nummer], wonende aan de [adres] in het [district 2], heb ten onrechte [eiseres] een crimineel genoemd, ook heb ik haar ten onrechte beschuldigd van drugshandel en wapensmokkel, althans met woorden van gelijke strekking besproken, alsook haar overleden echtgenoot beschuldigd van het trainen van mannen om [naam 2] te elimineren. Tevens heb ik, [gedaagde 1], ten onrechte publiekelijk gezegd: “dat de boten den motoren die daar waren, waren op naam van [eiseres] en dat [eiseres] samen criminele activiteiten heeft ontplooid met [naam 1]” alsook “sang eng zoon doe, a kiri, vermoord en volgende ochtend a mang verdwijn. [eiseres] je weet toch dat jouw zoon een moord heeft gepleegd en de volgende dag via Cayenne naar Nederland is gegaan en joe rij eng go na Cayenne of Albina”. Deze uitspraken van mij in het Nederlands en in het Sranang Tongo gedaan, berusten helemaal niet op de waarheid; ik zeg daarom ook: ik heb heel erg gelogen, zomaar mi tak den san disi, en ik beken spijt voor wat ik heb gezegd, beloof het niet meer te zullen doen en bied aan [eiseres] en al haar gezinsleden mijn oprechte en welgemeende verontschuldiging aan; ook aan het publiek zeg ik sorry, ik heb u onwaarheden verteld; dit zal ik niet meer doen”;

II [gedaagde 1] en de NDP gelast dat zij tenminste twee dagbladen, te weten de Ware Tijd en Times of Suriname alsook twee radiostations, te weten: Radio Apintie en Radio 10 onmiddellijk na de uitspraak in deze schriftelijk uitnodigen om de gelegenheid waarop [gedaagde 1] de voormelde teksten zal uitspreken, bij te wonen;

III. [gedaagde 1] en de NDP gelast de gelegenheid waarbij de onder I geformuleerde tekst wordt uitgesproken, te filmen en de opname binnen twee dagen te plaatsen op You Tube en die, de geformuleerde teksten, ter publicatie aan te bieden aan Starnieuws en tevens aan de presentator van Bakana Torie schriftelijk het verzoek te doen de tekst in zijn programma te mogen uitspreken;

IV. [gedaagde 1] en de NDP veroordeelt tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat zij nalaten aan het vonnis te voldoen;

V. Gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
[eiseres] heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat de uitspraken die [gedaagde 1] heeft gedaan schadelijk zijn voor de eer en goede naam van haar. Dat zij zich verkiesbaar heeft gesteld bij de algemene verkiezingen en daarom een spoedeisend belang heeft bij een rectificatie voor de verkiezingen die op 25 mei 2015 gehouden zullen worden.
Zij voert voorts aan dat [gedaagde 1] de uitspraken heeft gedaan op een bijeenkomst van de NDP en dat [gedaagde 1] hoofdbestuurslid is van de NDP waardoor de NDP mede-verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de uitspraken van [gedaagde 1] en voor de schade die door de uitspraken is veroorzaakt.

4. Het verweer
Gedaagden hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling
Incidenteel verzoek

5.1 De raadsvrouwe van [gedaagde 1] en de NDP heeft alvorens te antwoorden het incidenteel verzoek gedaan tot het afvoeren van de vordering vanwege relatieve incompetentie van de kantonrechter en het verkeerd oproepen van gedaagden. Verzocht is over het incidenteel verzoek te oordelen nog voordat tot behandeling van de hoofdzaak wordt overgegaan.

5.2 De kantonrechter heeft naar aanleiding van dat verzoek overwogen dat artikel 95 WBRv de keus aan een eisende partij laat om, indien er sprake is van gedaagden die in verschillende kantons hun woonplaats hebben, de zaak in een der kantons in te dienen en te laten behandelen. Nu de gedaagden sub 1 en 2 in het derde kanton en gedaagde sub 3 in het eerste kanton de woonplaats hebben, had de eiseres de keus om in het eerste kanton of in het derde kanton de zaak in te dienen.

5.3 De kantonrechter heeft naar aanleiding van het standpunt van gedaagden dat er verkeerd is opgeroepen overwogen dat de verschijning van gedaagden op de eerste rechtsdag eventuele nietigheid dekt.

5.4 De kantonrechter heeft op grond van het hiervoor overwogene het incidenteel verzoek afgewezen en heeft een aanvang gemaakt met de behandeling van de zaak.

Het verweer van gedaagden

5.5 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

5.6 [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] de passages in zijn speech heeft opgenomen met het oogmerk om de eer en goede naam van haar te schaden. Hiermee, zo stelt zij, heeft [gedaagde 1] onrechtmatig jegens haar gehandeld.

5.7 De [gedaagde 1] en de NDP hebben de grondslag betwist en hebben in hun conclusies van antwoord en dupliek, voor zover betrekking hebbend op de grondslag, het volgende naar voren gebracht:

  1. Dat de uitspraken waartegen [eiseres] bezwaar maakt niet tegen haar in persoon zijn gericht maar tegen haar in de hoedanigheid van Commissaris van Politie; om die reden heeft [eiseres] in een verkeerde hoedanigheid de vordering ingesteld; zij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering;
  2. [gedaagde 1] heeft op de betreffende bijeenkomst in zijn hoedanigheid van parlementeriër gesproken; om die reden is hij niet in de juiste hoedanigheid opgeroepen;
  3. De tekst die [eiseres] in haar vordering wil laten uitspreken ‘door [gedaagde 1] bevat ook privé gegevens van [gedaagde 1] waardoor de tekst in strijd is met het recht op privacy; de uitspraken zijn gedaan in verkiezingstijd waardoor een eventuele rectificatie niet kan in dezelfde tijd en op dezelfde plaats, immers is het geen verkiezingstijd meer; er is niets gevorderd van [gedaagde 1] qq en van de NDP;
  4. De zaak leent zich niet voor behandeling in kort geding omdat in kort geding niet kan worden onderzocht of de uitspraken onrechtmatig zijn;
  5. Er is geen sprake meer van spoedeisend belang, immers zijn de verkiezingen al gehouden en is zij gekozen.
  6. [eiseres] heeft tijdens een radio gesprek enkele dagen na de uitlatingen van [gedaagde 1] niet eens getracht de uitlatingen te weerleggen; integendeel heeft zij aangegeven dat zij zich niet druk maakt om haar naam omdat haar naam onaangetast zal blijven; zij heeft geen gebruik gemaakt om tijdens dit radio gesprek van de gelegenheid gebruik te maken om eventuele schade aan haar naam te beperken.
  7. De opnamen die als productie zijn overgelegd zijn een verzameling van verschillende toespraken van [gedaagde 1]; [eiseres] probeert met deze productie zaken uit hun verband te halen;
  8. Drie dagen na de uitlatingen van [gedaagde 1] is op een V7 vergadering uitgebreid ingegaan op zijn uitspraken; [eiseres] heeft zich hierdoor reeds kunnen verdedigen op een politiek podium in hetzelfde kiesdistrict alwaar [gedaagde 1] de uitspraken heeft gedaan;
  9. Politici dienen te accepteren dat zij kritisch benaderd zullen worden in de maatschappij, vooral tijdens verkiezingstijd;
  10. Niet alleen [gedaagde 1], doch ook de persoon van [ naam 3] en [ naam 4] hebben uitlatingen over [eiseres] gedaan; op een eerder tijdstip in 2006 had [gedaagde 1] overigens ook al dezelfde uitlatingen gedaan in Nationale Assemblee toen [eiseres] nog politie commissaris was;
  11. Indien [eiseres] ervoor kiest om zichzelf als voorbeeldige vrouw te presenteren zou zij moeten verwachten dat tegenstanders tijdens de verkiezingscampagne feiten zouden aandragen die die bewering ontkrachten; er waren ernstige zorgpunten betreffende de integriteit van haar als commissaris van politie; [gedaagde 1] had de maatschappelijke plicht om deze informatie over de handel en wandel van haar kenbaar te maken aan de gemeenschap;
  12. [eiseres] is geen voorbeeldige vrouw, hetgeen onder andere blijkt uit de verklaringen van [naam 5], [naam 3] en [naam 4]; de uitspraken van [gedaagde 1] berusten op waarheid waardoor er geen sprake is van onrechtmatig handelen;
  13. [eiseres] heeft niet gesteld waar haar schade uit bestaat;
  14. [gedaagde 1] diende het publiek te informeren in het algemeen belang en heeft op basis van de grondwet het recht op vrije meningsuiting; als parlementariër geniet hij volgens de rechtspraak een nog krachtiger bescherming van het recht op vrije meningsuiting; dit geldt ook voor uitspraken gedaan buiten het parlement.

5.8 [eiseres] heeft op het verweer gereageerd waarbij zij onder andere het volgende naar voren bracht:

  1. [eiseres] heeft de vordering in de juiste hoedanigheid ingesteld en heeft gedaagden ook in de juiste hoedanigheid in recht betrokken; zij is daarom wel ontvankelijk;
  2. De persoonsgegevens van [gedaagde 1] zijn bekend waardoor de tekst in het verzoekschrift kan worden toegewezen;
  3. De zaak leent zich wel voor behandeling in kort geding; er zijn beledigende uitspraken gedaan waarvoor rectificatie gevraagd wordt; dat is geen ingewikkelde zaak;
  4. Het spoedeisend belang is er nog, immers nu [eiseres] gekozen is, is het nog belangrijker dat haar eer en goede naam niet geschonden worden;
  5. [gedaagde 1] heeft de uitspraken bevestigd waardoor de vordering tegen hem kan worden ingesteld; dat andere personen ook zulke uitspraken gedaan zouden hebben doet daar niets aan af;
  6. Het is juist dat politici moeten gedogen dat zij onder een vergrootglas worden gelegd; echter hoeven zij niet te gedogen dat hun eer en goede naam wordt geschonden; [gedaagde 1] heeft verdachtmakingen geuit, suggestieve insinuaties gedaan die nergens zijn aangetoond; er is nimmer aangifte gedaan tegen haar en ook geen politie onderzoek gedaan; alle aantijgingen zijn puur laster en pure leugens; ook de verklaringen die door [gedaagde 1] zijn overgelegd zijn vals en onwaar en zijn geen bewijs voor hetgeen [gedaagde 1] stelt;
  7. Dat [gedaagde 1] de intentie had om de goede naam en eer te schenden blijkt uit zijn antwoord waarin hij stelt dat [eiseres] had moeten verwachten dat politieke tegenstanders zouden proberen haar bewering dat zij voorbeeldig is te ontkrachten, nochvan algemeen belang noch van noodzakelijke verdediging is sprake waardoor de uitlatingen wel onrechtmatig zijn.

Het verweerpunt met betrekking tot de hoedanigheid

5.9 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het eerst verweerpunt alsvolgt: voor de beoordeling van dit verweerpunt dient onderscheid gemaakt te worden tussen de formele procespartij en de materiële procespartij (vide het handboek “het Nederlands Procesrecht”- 2007 – pagina 76 – Prof. Mr. H.J. Snijders en anderen – en “Compendium van het Burgerlijk Procesrecht, 6e druk, pagina 52). Het onderscheid is van belang wanneer een partij in een proces optreedt doch dat doet voor een ander. De formele procespartij is degene die namens de andere (materiële procespartij) de benodigde beslissingen in de procedure neemt, de materiële procespartij is degene die gebonden en gerechtigd wordt door de uiteindelijke uitspraak van de rechter. Dit doet zich voor bij voogden van minderjarigen, de voogd treedt op in de hoedanigheid van voogd over de minderjarige waardoor uiteindelijk de minderjarige gebonden of gerechtigd wordt en niet de voogd. De voogd is de formele procespartij en de minderjarige is de materiële procespartij. Hetzelfde geldt voor een situatie waarbij een NV de materiële procespartij is doch waarbij de directeur in zijn hoedanigheid van directeur van die NV op de zitting wordt toegelaten als formele procespartij. Zijn verklaringen in de hoedanigheid van de directeur van de NV tijdens bijvoorbeeld een comparitie afgelegd worden aangemerkt als verklaringen afgelegd door de NV.

5.10 De kantonrechter overweegt dat in casu als verweer wordt opgeworpen dat [eiseres] in de hoedanigheid van Commissaris van Politie de vordering had moeten instellen.

5.11 De kantonrechter overweegt dat onder andere in het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 1997 in de zaak bekend onder arno. 964305 dit onderscheid aan de orde is gesteld waarin de kantonrechter overwoog: “Met de uitdrukking “in hoedanigheid optreden”in een rechtsgeding wordt, naar algemeen wordt aangenomen, niet bedoeld de hoedanigheid van bijvoorbeeld koper, vruchtgebruiker, uitlener of in het algemeen kwaliteiten die uit het materiële recht voortspruiten, maar de hoedanigheid van voogd, curator, gemachtigde of in het algemeen kwaliteiten die de bevoegdheid geven om namens en ten behoeve van een ander rechten uit te oefenen. Wie in hoedanigheid in een rechtsgeding optreedt (formele procespartij) treedt dus op ten behoeve van een ander (materiële procespartij). Een rechtspersoon, zoals een vereniging, treedt in eigen naam op……. uit de stellingen volgt niet dat, wanneer partijen het hebben over het aanspreken “in hoedanigheid”of het aannemen dan wel niet aannemen van een hoedanigheid, zij bedoelen te zeggen dat zij als formele procespartij ten behoeve van de vereniging optreden. Het is eerder aan te nemen dat zij bedoelen dat bij de opsomming van de naam van de procespartijen ook hun bestuursfuncties moeten worden genoemd, echter berust een dergelijk vereiste niet op de wet”.

5.12 De kantonrechter overweegt dat in het voornoemd geding in 1997 ook door één der partijen werd gesteld dat procespartijen, natuurlijke personen, moesten worden aangeduid met hun naam met daarnaast de vermelding van hun functie in een organisatie (een vereniging), welke organisatie overigens zelf geen procespartij was, met vermelding dat zij in het geding, “in die hoedanigheid” optreden. De kantonrechter oordeelde, gelijk ook blijkt uit de eerder aangehaalde handboeken, dat dat vereiste niet op de wet is gestoeld.

5.13 De kantonrechter overweegt dat ook in het onderhavig kort geding, het vermelden van een functie van iemand naast de naam niet een vereiste is dat op de wet is gestoeld.

5.14 De kantonrechter is van oordeel dat noch voor de procespartij [eiseres] noch voor de procespartij [gedaagde 1] een wettelijk vereiste bestaat dat bij het instellen van een proces of het betrekken van een gedaagde in het proces een hoedanigheid wordt vermeld, of de functie van die persoon. Het betreft twee natuurlijke personen die procespartij zijn voor zich zelf en die niet namens een ander optreden in het proces.

5.15 De kantonrechter zal om die reden voorbij gaan aan dat verweer.

De toets die voortvloeit uit de wet en de rechtspraak

5.16 De toets die voortvloeit uit de artikelen 1393 BW en 1397 BW is die of er sprake is van schending van de eer en goede naam van de verzoekster door de uitspraken en of het doen van de uitspraken als een onrechtmatig handelen moet worden aangemerkt. Artikel 1397 BW bepaalt dat het oogmerk om te beledigen niet wordt aangenomen indien er is gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

5.17 Bij de vraag of er sprake is van onrechtmatig handelen komt in dit soort zaken de botsing aan de orde tussen twee fundamentele rechten, het recht op vrije meningsuiting van een burger en het recht op bescherming van de eer en goede naam van een burger waarbij een burger erop mag vertrouwen dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen door andere burgers (vide: “Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek boek 6; zevende druk pagina 2479).

Het verweerpunt met betrekking tot de krachtige bescherming van het recht van vrije meningsuiting die [gedaagde 1] geniet vanwege het feit dat hij DNA-lid is.

5.18 [gedaagde 1] heeft aangevoerd en met rechtspraak onderbouwd dat hij een krachtige bescherming geniet van zijn recht op vrije meningsuiting omdat hij DNA-lid is. Hij verwijst daarbij naar een arrest van 11 november 2011 (LJN BU3917) waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de uitlatingen in die zaak gedaan door een politicus die lid is van de gemeenteraad, alhoewel die uitlatingen zijn gedaan buiten een gemeenteraadsvergadering, niet onrechtmatig zijn, onder andere omdat het gemeenteraadslid mede als taak heeft wethouders te controleren.

5.19 De kantonrechter overweegt dat het in die betreffende zaak een uitlating betrof waarbij het gemeenteraadslid de wethouder ervan beschuldigde dat deze corruptieve handelingen had gepleegd, met name van zijn positie als wethouder misbruik had gemaakt door te dreigen dat als bepaalde informatie naar buiten zou komen er ernstige repercussies van zijn zijde zouden volgen. De wethouder ontkende de corruptie.

5.20 [eiseres] heeft op dit verweerpunt gereageerd waarbij zij aanvoerde dat kritiek uiten inderdaad is toegestaan, zeer scherpe kritiek ook. Dat is neergelegd in de mensenrechtenverdragen. Echter mogen uitlatingen niet onrechtmatig zijn. Indien er schade zou zijn aan de eer en goede naam van een burger, moet de betreffende publicatie in het belang zijn van de samenleving. Dit is in casu niet zo. [gedaagde 1] heeft moedwillig getracht de goede naam en eer van [eiseres] aan te tasten zonder dat er sprake was van het dienen van het algemeen belang of van noodzakelijke verdediging. Het oogmerk was haar zwart te maken met beschuldigingen die niet juist zijn.

5.21 De kantonrechter overweegt dat uit de rechtspraak de normen kunnen worden afgeleid waaraan de onderhavige uitlatingen getoetst moeten worden. Inderdaad heeft de Hoge Raad in het arrest van 11 november 2011 het Hof in die zaak geciteerd waarbij het Hof had overwogen: “die vrijheid beschouwt het EHRM als een van de fundamentele peilers van een democratisch bestel, in het bijzonder als het gaat om het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting van een volksvertegenwoordiger in het politieke debat. Politici genieten in het kader van artikel 10 EVRM dan ook een krachtige bescherming. Met inachtneming van pluralisme, tolerantie en verdraagzaamheid als waarborgen van een democratische samenleving heeft de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat niet alleen betrekking op de inhoud, maar ook op de vorm, die mag zelfs “offend, shock or disturb”…..”.

5.22 De kantonrechter overweegt dat verder door het Hof in die zaak was overwogen: “Het politieke debat moet in beginsel op het scherpst van de snede gevoerd kunnen worden. Aan de vrijheid van meningsuiting komt evenwel ook in het politieke debat niet een absoluut karakter toe. Door de rechter kunnen zekere beperkingen daarvan en bepaalde sancties worden opgelegd, maar zulke beperkingen en sancties moeten met een grootst mogelijke terughoudendheid worden toegepast en steeds opnieuw in het licht van artikel 10, 2e lid EVRM worden beoordeeld”. De Hoge Raad heeft in haar arrest geoordeeld dat deze rechtsopvattingen niet onjuist zijn en heeft geoordeeld dat het Hof op juiste wijze de afweging heeft gemaakt van de twee tegenover elkaar staande hoogwaardige en in beginsel gelijkwaardige belangen.

5.23 Door dit arrest wordt in beginsel het standpunt van zowel [gedaagde 1] als [eiseres] aan de orde gesteld. De vrijheid van meningsuiting wordt krachtig beschermd doch is niet absoluut.

5.24 Ook in het onderhavig geschil zal naar beide tegenover elkaar staande belangen moeten worden gekeken, ook indien het een volksvertegenwoordiger betreft die de uitlatingen heeft gedaan.

Het verweerpunt met betrekking tot de onrechtmatigheid van de uitlatingen

5.25 Onder 5.17 hierboven waren de belangen reeds genoemd, doch in de rechtspraak is er een nuancering aangebracht voor wat betreft personen die een publieke functie bekleden: “aan de ene kant het belang van individuele burgers niet door publicaties in de pers te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en aan de andere kant het belang dat misstanden die de samenleving kunnen raken niet mogen blijven voortbestaan door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek”. (vide arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1983 NJ 1984 no. 801, van 11 november 2011 – LJN BU3917 en van 11 mei 2012 – LJN BV1031).

5.26 In het arrest van 11 mei 2012 (LJN BV1031) betrof het een politicus die in het openbaar werd beschuldigd van misdrijven. In dat arrest is in 3.4 door de Hoge Raad verwezen naar een overweging van het Hof in die zaak welke als volgt luidt: Het Hof stelt voorop dat de maatschappelijke zorgvuldigheid meebrengt dat een mening die een aantasting vormt van eer en goede naam, slechts dan in het openbaar mag worden geuit indien daarvoor een voldoende feitelijke onderbouwing is. Dit brengt met zich dat de bewering dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een of meerdere stafbare feiten of andere laakbare gedragingen, alleen in openbaarheid geuit mogen worden indien zij onderbouwd kan worden met feitelijke gedragingen van de desbetreffende persoon die inderdaad als strafbaar feit dan wel laakbare gedraging gekwalificeerd kunnen worden, met andere woorden moet worden getoetst de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal.

5.27 In casu zal aan de hand van de rechtspraak de toets gedaan worden of [gedaagde 1] bij het gebruik van zijn recht niet de grens van het rechtmatige heeft overschreden. Voorts moet worden beoordeeld of de NDP, indien de grens door [gedaagde 1] is overschreden, daar mede aansprakelijk voor moet worden gesteld.

5.28 Welk van de twee belangen de doorslag behoren te geven hangt af van omstandigheden die door de rechtspraak (HR 1984 no. 801) alsvolgt zijn geformuleerd (vide eveneens: Tekst en Commentaar Burgerlijk Wetboek boek 6; zevende druk pagina 2480).

  1. de aard van de gepubliceerde verdenkingen;
  2. de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben;
  3. de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak probeert te stellen;
  4. de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal;
  5. de inkleding van de verdenkingen;
  6. de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;
  7. de kans dat de betreffende informatie ook zonder de verweten ter beschikking stelling aan de pers, in de publicatie zou zijn gekomen.

5.29 Indien na een beoordeling van de hiervoor genoemde omstandigheden blijkt dat het belang van [eiseres] de doorslag moet geven zullen de uitspraken van [gedaagde 1] als onrechtmatig moeten worden aangemerkt en zal een rectificatie worden bevolen. Indien het belang van [gedaagde 1] de doorslag moet geven zullen de uitlatingen niet als onrechtmatig worden aangemerkt en zal geen rectificatie worden bevolen.

5.30 De gewraakte uitlatingen luiden als volgt: “deze crimineel [eiseres]” “genoeg geld heeft uit de drugswereld en wapensmokkel” “die boten en motoren die daar waren, waren op naam van [eiseres]” en “[eiseres] die samen criminele activiteiten heeft ontplooid met [naam 1]”. “sang eng zoon doe, a kiri, vermoord en volgende ochtend a mang verdwijn. [eiseres] je weet toch dat jouw zoon een moord heeft gepleegd en de volgende dag via Cayenne naar Nederland is gegaan en joe rij eng go na Cayenne of Albina”.

5.31 Deze uitspraken toetsend komt de kantonrechter tot het oordeel dat de uitspraken de suggestie wekken dat [eiseres] een crimineel is die veel geld heeft verdiend met drugs criminaliteit en wapensmokkel en haar zoon die een strafbaar feit gepleegd zou hebben heeft geholpen om het land uit te vluchten.

5.32 Bij de beoordeling van de omstandigheden zoals in de rechtspraak ontwikkeld ontstaat het volgende beeld:

5.33 De aard van de gepubliceerde verdenkingen: zoals hierboven reeds opgemerkt suggereren de publicaties dat [eiseres] een crimineel is die veel geld heeft verdiend met drugs criminaliteit en wapensmokkel en haar zoon die een strafbaar feit gepleegd zou hebben heeft geholpen om het land uit te vluchten. Het betreft dus wel uitspraken die een zodanige aard hebben dat zij de eer en goede naam van [eiseres] schaden.

5.34 De ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben: de gevolgen van deze verdenkingen voor [eiseres] zijn dat zij door [gedaagde 1] publiekelijk is neergezet als een persoon die kandidaat is voor De Nationale Assemblee, die commissaris van politie was en zich voordeed als voorbeeldig persoon, doch die eigenlijk criminele activiteiten heeft ontplooid en daarmee veel geld heeft verdiend en voorts dat zij haar zoon die een misdrijf zou hebben gepleegd, heeft geholpen het land uit te vluchten; het te verwachten gevolg is schade aan haar eer en goede naam en haar maatschappelijke reputatie;

5.35 De ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak probeert te stellen: de misstand door [gedaagde 1] aan de kaak gesteld is ernstig; indien een persoon die commissaris van politie was zich verkiesbaar stelt als lid van De Nationale Assemblee, verwacht de samenleving dat het betreft een persoon van onbesproken gedrag; indien een dergelijk persoon zich voordoet als voorbeeldig persoon doch van wie achteraf blijkt dat die zich bezig gehouden heeft met criminele activiteiten, zoals drugshandel en illegale wapenhandel en daarnaast een familielid dat een misdrijf gepleegd heeft, helpt om het land uit te vluchten, is het van bijzonder belang, en daarmee in het algemeen belang, dat de samenleving daarvan op de hoogste wordt gesteld; het zou ernstig zijn als dergelijke informatie, indien het waar zou zijn, niet aan het publiek kenbaar zou worden gemaakt; daardoor zou de kans ontstaan dat mensen die zich schuldig maken aan criminele feiten of hebben gemaakt aan criminele feiten, deel zouden gaan uitmaken van hoge organen van Staat zoals de leiding van de politie of De Nationale Assemblee.

5.36 De mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feiten materiaal; het belang van deze omstandigheid is hierboven reeds uiteengezet; de vraag die in dit verband aan de orde is, is in hoeverre [gedaagde 1] feiten had die de verdenkingen ten tijde van de publicatie ondersteunden; immers, indien er geen sprake zou zijn van een omstandigheid dat de feiten de verdenkingen bevestigden, moet de uitlating als onrechtmatig worden aangemerkt en indien er sprake is van een omstandigheid dat de feiten de verdenkingen bevestigden, is er geen sprake van een situatie die onrechtmatig is; immers, de misstand die aan de orde is gesteld is ernstig zoals hierboven onder 5.35 reeds is vermeld.

5.37 [gedaagde 1] heeft in zijn verweer het volgende naar voren gebracht: gedaagden beschikken over zeer veel informatie ter staving van de gedane uitspraken en zijn bereid die aan te dragen, zowel door middel van geschrift, beeld- en geluidsopnamen, alsook getuigen; helaas is het onvermijdelijk dat met het in een openbaar geding kenbaar maken van deze informatie een ernstige smet zal worden geworpen op de integriteit van verschillende instituten, waaronder het Korps Politie Suriname en het Nationaal Leger.

5.38 In het tweede en derde sustenu van de conclusie van antwoord verwijst [gedaagde 1] naar een aantal producties waarmee hij onderbouwt dat de uitlatingen die hij heeft gedaan juist zijn namelijk:

  1. Een audio-opname van een speech van [naam 3];
  2. Een audio opname van een speech van [ naam 4], ook wel genoemd [ naam 4 variant] ;
  3. Een beeld-opname van een verklaring van de [naam 5] , ex-agent van politie;
  4. Een beeldopname van de speech van [gedaagde 1] waarin hij [naam 1] naar voren roept;
  5. Een krantenartikel uit Times of Suriname van 12 april 2006;
  6. Een verklaring afgelegd bij notaris Blom door [ naam 6 ];
  7. Een verklaring afgelegd bij notaris Bishoen door [naam 3];
  8. Een verklaring afgelegd bij notaris Bishoen door [naam 4].

5.39 In het achtste sustenu van zijn conclusie van antwoord somt [gedaagde 1] onder de punten 1 tot en met 14 op wat uit de producties blijkt, namelijk dat de uitlatingen van [gedaagde 1] op waarheid berusten, althans dat het aannemelijk is dat hetgeen [gedaagde 1] op die vergadering heeft geuit, daadwerkelijk de waarheid is.

5.40 De kantonrechter overweegt dat [eiseres] op de overgelegde beeldopnamen en verklaringen heeft gereageerd waarbij zij aanvoerde dat de verklaringen leugenachtig zijn.

5.41 De kantonrechter overweegt dat de verklaringen die zijn overgelegd zich voornamelijk richten op het justitieel onderzoek dat tegen de overleden echtgenoot van [eiseres] zou aanvangen en op de wijze waarop zij daarop heeft gereageerd. Echter zal er, gelijk [gedaagde 1] in zijn verweer aanvoert, diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden teneinde de toedracht van de genoemde gebeurtenissen en het verband met de door [gedaagde 1] gedane uitlatingen te beoordelen. Ook zal diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden naar de toedracht met betrekking tot de uitlating van [gedaagde 1] betreffende het wegbrengen van de zoon die een misdrijf zou hebben gepleegd, immers stelt [gedaagde 1] daarover dat [eiseres] willens en wetens haar zoon heeft geholpen het land te verlaten terwijl hij een misdrijf gepleegd zou hebben en heeft zij, [eiseres], daarop aangevoerd dat het niet juist is.

5.42 De kantonrechter overweegt dat derhalve zowel de door [gedaagde 1] aangevoerde weren en overgelegde producties als de door [eiseres] daarop gegeven reactie diepgaand onderzocht moeten worden, alvorens een oordeel gegeven kan worden over de vraag in hoeverre de uitspraken van [gedaagde 1] onrechtmatig zijn.

5.43 De kantonrechter komt op grond van het hiervoor overwogene niet toe aan de verdere bespreking van de in de rechtspraak bedoelde omstandigheden en ook niet aan de overige stellingen en weren van partijen.

5.44 De kantonrechter zal het gevorderde afwijzen en [eiseres] verwijzen naar de gewone wijze van rechtspleging.

5.45 Zij zal tevens worden veroordeeld in de kosten van het geding.

6.De beslissing
6.1 Wijst af het gevorderde.

6.2 Veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding en uitgesproken door mr. S.M.M. Chu, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 27 juli 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns
w.g. S.M. Chu

 

SRU-K1-2016-15

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 155520
21 januari 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. RAPID INTERNATIONAL N.V., kantoorhoudende te [district 1],
B. [naam], wonende in het [district 2],
hierna te noemen Rapid International e.a.,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

STICHTING GARNIZOENSPAD,
kantoorhoudende in het [district 2] ,
hierna te noemen Stichting Garnizoenspad,
gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in kort geding,
gemachtigde voorheen: mr.R.Z. Mohab Ali-Ghafoerkan, advocaat,
gemachtigde thans: mr. R. Denz, advocaat.

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit.

1.Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 16 december 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties;
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie;
– de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Aan Rapid International n.v. behoort in eigendom toe het perceelland met al hetgeen daarop staat groot driehonderd vier en tachtig, vijf en negentig/honderdste vierkante meter, gelegen in het [district 1] aan [adres] op de kaart van de landmeter Ir. W.A. Oldenstam d.d. 28 april 1994 aangeduid met de letters ABCJIFGH, welk perceel deel uitmaakt van het erf, met de daarop staande gebouwen groot vijfhonderd acht en twintig vierkante meter instede van vierhonderd en vijftig vierkante meter, gelegen te [district 1] aan [adres] bekend onder [gebied 1] Letter C [nummer] [gebied 2] letter D [nummer] (hierna het perceel).

2.2 Tussen Rapid Interantional n.v. en Stichting Garnizoenspad bestaat er een geldovereenkomst gedateerd 28 augustus 2012, waarbij laatstgenoemde aan Rapid International n.v. ter leen heeft verstrekt gelijk deze van Stichting Garnizoenspad ter leen heeft ontvangen het bedrag groot € 200.00,=.

2.3 Ter verzekering tot voldoening van het hiervoor genoemd bedrag heeft Rapid International n.v. hypotheek doen vestigen op het perceel ten behoeve van Stichting Garnizoenspad.

2.4 [naam] is directeur van Rapid Interntional n.v.

2.5 Stichting Garnizoenspad heeft eerder aan Rapid International n.v. de veiling van het perceel aangezegd, welke veiling zou worden gehouden op dinsdag 7 juli 2015 ten kantore van notaris mr. R.B. Manna.

2.6 Rapid International e.a hebben bij verzoekschrift gedateerd 29 juni 2015 een vordering ingesteld bij de kantonrechter ter stopzetting van de veiling. Deze vordering is bekend onder AR no. 152893.

2.7 Partijen hebben ten overstaan van de kantonrechter, in bijzijn van hun respectieve gemachtigde – zover van belang – de volgende afspraken met elkaar gemaakt:
– op 6 juli 2015 zal het bedrag van € 45.000= worden overgemaakt op rekening van notaris Manna t.b.v. Stichting Garnizoenspad;
– de kosten van de veiling komen voor rekening van [naam];
– het restant van de hoofdsom en de rente worden door [naam] aan aan Stichting Garnizoenspad betaald en wel binnen een jaar, beginnende eind juli 2015 en lopende tot eind juni 2016 in kavels van tussen € 6.000,= en €7.000,=;
– indien 2 achtereenvolgende maanden niet worden betaald zal de gedaagde gerechtigd zijn terstond tot excecutie over te gaan;
– de kosten van rechtsbijstand worden in onderling overleg door de gemachtigde van partijen bepaald.

2.8 Stichting Garnizoenspad heeft wederom de openbare verkoop van het perceel aangekondigd, welke gehouden zal worden op 26 januari 2016 ten kantore notaris mr. R.B. Manna.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Rapid International e.a. vorderen na eiswijziging in conventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:

a. stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop zoals omschreven onder 2.8 van de feiten;
b.veroordeling van Stichting Garnizoenspad om het bedrag van € 64.463,=, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse Dollar, in ontvangst te nemen bij het notariaat van mr. G.R.M. Ramautar tegen overlegging van een bewijs van kwijting en verlening van royement op het gevestigde hypotheek op het perceel, onder verbeurte van een dwangsom.
c. veroordeling van gedaagde tot betaling van de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten ad SRD 7.500,=.

3.2 Rapid International e.a. hebben het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd. Zij wensen de schuld in een keer af te lossen aan Stichting Garnizoenspad, doch deze weigert het verschuldigde bedrag te ontvangen. Laatstgenoemde verschilt van mening met Rapid International e.a. over de hoogte van het nog verschuldigde bedrag. Door het gedrag van Stichting Garnizoenspad worden Rapid International e.a. onnodig in de kosten gejaagd, voor welke kosten Stichting Garnizoenspad zal moeten opdraaien.

3.3 In reconventie vordert Stichting Garnizoenspad, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Rapid International e.a. tot betaling van:
– € 63.500,=, vermeerderd met de boeterente zoals overeengekomen ad 2 ½ % vanaf december 2015 tot aan de dag der voldoening;
– € 15.512,50 zijnde de rente vanaf mei 2015 tot en met november 2015;
– € 1.125,= zijnde de kosten van de raadsvrouw, zoals overeengekomen in de zaak bekend onder AR no. 152893;
– SRD 6.824,68 zijnde de veilingkosten van 7 juli 2015 en van 26 januari 2016;
– € 1.975,31 zijnde de kosten van de raadsvrouw in de onderhavige zaak.

3.4 Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
4.1 Het spoedeisend belang blijkt de stellingen en het gevorderde.

4.2 Stichting Garnizoenspad heeft het volgende verweer gevoerd:
Partijen zijn ter comparitie d.d. 7 juli 2015 in de zaak bekend onder AR no. 152893 onder meer overeengekomen dat het saldobedrag binnen een jaar betaald moest worden vermeerderd met de rente.
Volgens Stichting Garnizoenspad bedraagt het saldobedrag per 30 september 2015 € 63.500,=. Daarnaast was de rente over de maanden mei en juni 2015 nog niet betaald. De rente over deze periode bedroeg € 6.500,=. De Stichting voert voorts aan dat de rente over oktober en november 2015, tot een totaal bedrag van € 3.175,=, nog niet is voldaan. Tenslotte zijn partijen ter comparitie overeengekomen dat Rapid International e.a. ook dienen te betalen de kosten van de raadsvrouw in de zaak bekend onder AR no. 152893 ad € 1.125,= en de veilingkosten van 7 juli 2015 en 26 januari 2016, ad SRD 6.824,68, aldus Stichting Garnizoenspad.
Rapid International e.a. betwisten dat zij de door Stichting Garnizoenspad genoemde bedragen aan haar verschuldigd zijn.

4.3 Rapid International wenst de schuld in zijn geheel te voldoen, doch partijen twisten over de hoogte van de saldoschuld. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juli 2015, waarbij er en comparitie van partijen is gehouden, concludeert de kantonrechter dat partijen afspraken hebben gemaakt over de verdere aflossing van de schuld, en wel op de wijze zoals omschreven in overweging 2.7 hiervoor. De kantonrechter zal voor de berekening van de saldoschuld uitgaan van de inhoud van dat proces-verbaal.

4.4 Partijen zijn het erover eens dat de saldoschuld per 6 juli 2015 bedroeg € 130.00,= en dat Rapid International e.a. de volgende aflossingen heeft gedaan op de saldoschuld:

7 juli 2015 € 45.000,=
30 juli 2015 7.000,=
30 aug. 2015 7.500,=
30 sept. 2015 7.000,=
Totaal afgelost € 66.500,=

4.4.1 Uitgaande van de saldoschuld van € 130.000,= en een aflossing van € 66.500,=, bedraagt de saldoschuld per 30 september 2015 € 63.500,=,. Daarbij dient ook de rente te worden opgeteld over de maanden juli, augustus en september 2015.
Partijen twisten over de hoogte van de rente. Rapid International e.a. stelt zich op het standpunt dat de rente bedraagt 0,5%. Stichting Garnizoenspad is van mening dat een boeterente van 2 ½ % moet worden betaald.
De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van Stichting Garnizoenspad over de te betalen boeterente. Immers, blijkt uit het proces-verbaal van 7 juli 2015 dat partijen slechts over de rente en niet over de boeterente afspraken hebben gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient vooralsnog te worden uitgegaan van de tussen partijen overeengekomen rente van 0,5% per maand.
De kantonrechter acht het door Rapid International e.a. berekende saldoschuld per december 2014, zoals verwoord in de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, ad € 65.322,06,= dan ook aannemelijk.

4.5 Uit het procesverbaal van 7 juli 2015 blijkt dat Rapid Intrnational e.a. ook gehouden waren om de veilingkosten te betalen. Het komt de kantonrechter voor dat daarmee bedoeld is de veilingkosten van 7 juli 2015. Uit een door Stichting Garnizoenspad overgelegde overzicht van notariaat Jadnanansingh blijkt dat de kosten van de veiling van 7 juli 2015 bedragen SRD 3.245,68. De door Rapid International e.a. te betalen veilingkosten worden dan ook gehouden op dit bedrag.

4.6 Naar de kantonrechter begrijpt stelt Stichting Garnizoenspad zich op het standpunt dat Rapid International e.a. ook de veilingkosten van 26 januari 2016 ad SRD 3.579,= dienen te betalen.
De kantonrechter deelt deze mening niet.
Uit het door Stichting Garnizoenspad in de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie vermelde overzicht blijkt dat Rapid International e.a. op regelmatige tijden betalingen heeft gedaan aan Stichting Garnizoenspad, en wel zoals tussen partijen was afgesproken bij de kantonrechter en verwoord in het proces-verbaal van 7 juli 2015.
Gesteld en evenmin is gebleken dat Rapid International e.a. waren afgeweken van de op 7 juli 2015 bij de kantonrechter gemaakte afspraken, als gevolg waarvan Stichting Garnizoenspad gerechtigd zou zijn om de openbare verkoop van het perceel aan te zeggen.
Daarnaast heeft Stichting Garnizoenspad niet, althans niet gemotiveerd weersproken dat Rapid International e.a. haar herhaaldelijk betaling van de saldoschuld heeft aangeboden en laatstelijk nog bij schrijven van 1 december 2015, zodat dat aannemelijk is.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, had Stichting Garnizoenspad, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, geen enkele reden om opnieuw de openbare verkoop van het perceel aan te zeggen voor 26 januari 2016. Om deze reden zijn Rapid International e.a. ook niet gehouden om deze veilingkosten te betalen, zodat het verweer terzake zal worden verworpen.

4.7 Stichting Garnizoenspad is van mening dat Rapid International ook gehouden is om de kosten van de raadsvrouw te betalen, ingevolge de tussen partijen ten overstaan van de kantonrechter op 7 juli 2015 gemaakte afspraken.
De kantonrechter deelt deze mening niet.
Zoals uit het proces-verbaal blijkt, zijn partijen bij de kantonrechter overeengekomen dat de kosten van rechtsbijstand in onderling overleg door de gemachtigde van partijen zal worden bepaald. Gesteld en evenmin is gebleken dat partijen overeenstemming terzake hebben gehad. Ook dit verweer van Stichting Garnizoenspad zal worden verworpen.

4.8 Tussen partijen is ook in het geding welke tegenwaarde dient te worden gehanteerd voor de Euro indien Rapid International e.a. de saldoschuld in Surinaamse Dollar wenst te voldoen.
In de akte van hypotheekstelling verleden ten overstaan van notaris mr. R.B. Manna, d.d. 28 augustus 2012, is op pagina 4 verwoord dat “bij een eventuele excecutie de hoegrootheid van de vordering van de partij ter ener bepaald zal worden op basis van de marktconforme koers van de Euro ten opzichte van de Surinaamse Dollar op de dag van de excecutie….”.
Thans dient de vraag te worden beantwoord wat partijen bedoeld hebben met de bewoordingen “marktconforme koers”. Volgens Rapid International e.a. wordt met deze bewoordingen bedoeld de koers van de Centrale Bank van Suriname op het moment van betaling terwijl Stichting Garnizoenspad ervan uitgaat dat daarmee wordt bedoeld de koers welke op de “vrije” markt wordt gehanteerd.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan niet worden uitgegaan van een “vrije” markt koers. Ten tijde van de totstandkoming van de akte van hypotheekstelling waren de gehanteerde koersen op de “vrije” markt min of meer gelijk aan de koers van de Centrale Bank van Suriname. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat partijen met de bewoordingen van “marktconforme koers” bedoeld hebben, de koers van welke gehanteerd wordt door de Centrale Bank van Suriname. Dat er thans een wezenlijk verschil is in de door de Centrale Bank van Suriname vastgestelde wisselkoers en de koers die op de “vrije” valuta markt wordt gehanteerd, ligt in de risicosfeer van Stichting Garnizoenspad als schuldeiser, en kan Rapid International e.a. niet worden tegengeworpen.
De Stichting Garnizoenspad is voorts van mening dat partijen nimmer zijn overeengekomen dat Rapid International e.a. de tegenwaarde van het verschuldigde bedrag in Surinaamse Dollar mocht betalen.
Ook aan dit verweer gaat de kantonrechter voorbij. De Surinaamse Dollar is wettig betaalmiddel in Suriname, en een schuldenaar kan niet gedwongen worden om betalingen in vreemde valuta te voldoen. Immers, bepaalt artikel 3 van de Muntwet 1960 (SB 2003 no. 88 en 90), dat de munten en muntbiljetten van Suriname wettig betaalmiddelen zijn tot een beperkt bedrag.

4.9 Op grond van het voren overwogene, in onderlinge samenhang beschouwd, is de kantonrechter van oordeel dat de door Rapid International e.a. in conventie gevraagde voorziening toewijsbaar is en wel zoals in het dictum vermeld. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden geweigerd, nu er in het onderhavige geding geen ruimte is voor toewijzing daarvan.

4.10 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.11 Stichting Garnizoenspad zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen, zo in conventie als in reconventie.

5. De beslissing

in conventie
5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploot van deurwaarder D.E. Hew A Kee d.d. 11 december 2015, aangekondigde verkoop van het perceel zoals verder omschreven onder 2.1 van de feiten, en welke openbare verkoop zal plaatsvinden op dinsdag 26 januari 2016 om 10.00 uur des voormiddags ten kantore van notaris mr. R.B. Manna aan de Grote Hofstraat no. 07 te Paramaribo, mits Rapid International e.a. aan Stichting Garnizoenspad betaalt het bedrag van € 65.322,06,= (vijfenzestigduizend en driehonderd en tweeëntwintig 06/100 Euro), althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse Dollar tegen de koers van de Centrale Bank van Suriname op de dag van de betaling en SRD 3.245,68 (drieduizend tweehonderd en vijfenveertig 68/100 Surinaamse Dollar).

5.2 Veroordeelt Stichting Garnizoenspad om royement te verlenen van de op het perceel gevestigde hypotheek, en wel op het moment waarop door Stichting Rapid International e.a. de onder 5.1 genoemde betalingen aan Stichting Garnizoenspad voldoet.

5.3 Veroordeelt Stichting Garnizoenspad tot betaling van een eenmalige dwangsom van SRD 500.000,= (Vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) indien zij in strijd handelt met dit vonnis.

5.4 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie
5.5 Weigert de gevraagde voorziening.

In conventie en reconventie
5.6 Veroordeelt Stichting Garnizoenspad in de proceskosten aan de zijde van Rapid International e.a. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 250,= (tweehonderd en vijftig Surinaamse Dollar).

5.7. Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 21 januari 2016 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.G.R.Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2016-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3723
08 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan [adres] te [district],
eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

tegen

[gedaagde],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,
gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 27 juli 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 04 augustus 2016;
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie d.d. 11 augustus 2016, met de producties;
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie d.d. 18 augustus 2016;
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie d.d. 25 augustus 2016;
– de conclusie van dupliek in reconventie d.d. 31 augustus 2016;
– de rolbeschikking d.d. 06 oktober 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 19 oktober 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
– het proces-verbaal d.d. 01 december 2016 betreffende de evaluatie van het wenningsproces van de minderjarige met eiseres.

1.2 Nadat op de dag van de evaluatie op de comparitiezitting d.d. 01 december 2016 geen schikking tussen partijen kon worden bewerkstelligd, is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Partijen hadden een liefdesrelatie met elkaar. Uit die relatie is op [datum] uit de vrouw geboren de thans nog minderjarige: [naam]. De minderjarige is thans twee jaartjes jong.

2.2 Op 20 juni 2015 heeft de man het kind erkend.

2.3 Voor, tijdens en na de geboorte van kind woonde de vrouw in bij haar moeder. Bijkans een jaar na de geboorte van het kind, verliet de vrouw vanwege spanning tussen haar en haar moeder de ouderlijke woning.

2.4 Na het verlaten van de ouderlijke woning heeft de vrouw het kind aan de man afgestaan.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie vordert de vrouw, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de man te veroordelen om binnen 1 uur na uitspraak het minderjarig kind genaamd [naam] af te geven aan de vrouw, en daarna met de vrouw een voorlopige omgangsregeling af te spreken totdat in een in te stellen bodemprocedure de bodemrechter een definitieve omgangsregeling vaststelt;
b) de vrouw te machtigen om indien de man niet meewerkt aan de afgifte van het kind aan haar danwel aan het naleven van de bezoekregeling, deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
c) de man te veroordelen tot het betalen van alle koten betrekking hebbende op dit onderhavig proces inclusief de deurwaarderskosten.

3.2 De vrouw legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag:
– sedert 01 maart 2016 heeft zij een baan en heeft zij thans een eigen woning;
– tegen afspraken in weigert de man het kind aan de vrouw af te staan;
– de man weigert de vrouw enig contact met het kind te hebben en heeft zij daardoor het kind 3 maanden lang niet gezien, noch gehoord;
– de man en zijn moeder zijn verhuisd naar een voor de vrouw onbekend adres;
– zij mist het kind en gaat daardoor kapot van verdriet, zowel geestelijk als lichamelijk;
– zij heeft recht op omgang met het kind en omgekeerd heeft het kind recht op warmte en contact met haar.

3.3 In conventie heeft de man verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie vordert de man, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) het door de vrouw uitgeoefende voogdijschap over het kind voor het geheel te schorsen, totdat de rechter ten principale over de opvolging in de voogdij zal hebben beslist;
b) de man met de feitlijke verzorging en opvoeding van het kind te belasten, totdat de rechter ten pricipale over de opvolging in de voogdij zal hebben beslist;
c) de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

3.5 In reconventie legt de man het volgende aan zijn vordering ten grondslag:
– de vrouw maakt misbruik van het voogdijschap;
– de vrouw heeft niet getoond in staat te zijn het kind te kunnen verzorgen;
– er bestaat gegronde vrees dat de vrouw het kind zal verwaarlozen als het kind aan de vrouw zal worden afgestaan;
– vanwege de hiervoor vermelde vrees heeft de man op 16 juni 2016 een vordering ingediend tot voogdijopvolging

3.6 In reconventie heeft de vrouw verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 In het belang van de minderjarige en vanwege het feit dat het niet raadzaam is de minderjarige terstond uit haar vertrouwde omgeving weg te halen, is een comparitie van partijen gelast. De comparitie van partijen had tot doel:
– het vaststellen van een omgangsregeling zodat de minderjarige stapsgewijs aan eiseres kan gaan wennen en de band tussen moeder en kind op te bouwen. Verwoede pogingen van de kantonrechter om het beoogde doel te kunnen bewerkstelligen, hebben niet mogen baten. Dit, vanwege het feit dat eiseres continu verwijten aan het adres van de [tante van eiseres] die de zus is van de moeder van de vrouw, en aan het adres van gedaagde bleef maken. Als gevolg hiervan was de hiervoor genoemde tante die bereid om haar volledige medewerking te verlenen als neutrale tussenpersoon, niet meer bereid haar medewerking in deze te verlenen. De keus voor de hiervoor vermelde tante was gemaakt, omdat zij de zus van de moeder van vrouw is en zij de vrouw had opgevangen toen zij problemen had met haar moeder.
Nu er geen schikking tot stand is gekomen en de spanningen tussen de vrouw en man groot zijn, is er geen andere keus dan dat het Bureau voor Familierechtelijke Zaken (hierna afgekort BUFAZ), zijnde het bureau dat opkomt voor alle minderjarigen in Suriname, rapportage in de onderhavige zaak brengt. Daar voor het uitbrengen van rapportage voldoende ruimte nodig zal zijn en daardoor het spoedeisend karakater komt weg te vallen, zal de onderhavige zaak worden verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging. Daarbij neemt de kantonrechter in overweging dat de onderhavige zaak over de minderjarige reeds bij de voogdijrechter in behandeling is en in die zaak reeds een datum is bepaald waarop BUFAZ rapportage aan de voogdijrechter zal uitbrengen. Uit het voorgaande volgt, dat de door de vrouw gevraagde voorzieningen in conventie zullen worden geweigerd.

4.2 Zoals reeds hiervoor onder 4.1 is overwogen, acht de kantonrechter het niet raadzaam de minderjarige terstond uit haar vertrouwde omgeving weg te halen omdat zulks psychische schade aan de minderjarige kan berokkenen. Om die reden en vanwege de spanningen tussen partijen en de familie van partijen, is de kantonrechter genoodzaakt om in het belang van de minderjarige de door de man gevraagde voorzieningen in reconventie toe te wijzen totdat de voogdijrechter over dit geschil zal hebben beslist.

4.3 De vrouw zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie
5.1 In conventie
5.1.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.1.2 Veroordeelt de vrouw in de proceskosten aan de zijde van de man gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5.2 In reconventie
5.2.1 Schorst voor het geheel het door de vrouw uitgeoefende voogdijschap over de minderjarige, [naam] geboren op [datum] te [district], totdat de rechter ten principale over de opvolging in de voogdij zal hebben beslist.

5.2.2 Belast de man met de feitelijke verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [datum] te [district], totdat de rechter ten principale over de opvolging in de voogdij zal hebben beslist.

5.2.3 Veroordeelt de vrouw in de proceskosten aan de zijde van de man gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 08 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-10

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 150064
4 juni 2015

Vonnis in de zaak van

[eiser], handelende onder de naam New Line Construction, wonende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: voorheen mr. D. Moerahoe, advocaat, thans: mr. E. Mohangoo, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het proces verloop:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 7 januari 2015 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek,
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij schrijven van 29 december 2014 heeft eiser aan gedaagde medegedeeld dat hij voor een waarde van SRD.2.493.970,= diensten heeft verleend aan gedaagde. Gedaagde wordt in dat schrijven gesommeerd om het verschuldigd bedrag vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten te betalen aan eiser.

2.2 Aan deze sommatie heeft gedaagde geen gevolg gegeven.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eiser vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– gedaagde veroordeelt om tegen behoorlijk gewijs van kwijting aan eiseer te betalen het bedrag van SRD.2.493.900,=, vermeerderd met de wettelijke rente,
– gedaagde veroordeelt om aan eiser te betalen de buitengerechtelijke kosten en voorts
– gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiser voert als grondslag aan dat hij diensten heeft verleend ten behoeve van gedaagde en dat gedaagde door het niet voldoen van de facturen, jegens eiser wanprestatie pleegt.

3.3 Het verweer
Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat zij de werkzaamheden die zouden zijn aangevoerd betwist. Zij betwist tevens de overgelegde producties, waaruit zou moeten blijken dat er goedkeuring is gegeven voor de werkzaamheden en voorts waaruit zou moeten blijken dat de werken zijn opgeleverd. Gedaagde beticht de overgelegde documenten van valsheid.

4. De beoordeling
4.1 De kantonrechter overweegt dat, nu eiser stelt dat hij de werkzaamheden heeft uitgevoerd en de gedaagde deze grondslag betwist, partijen moeten worden verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging, immers leent het kort geding zich niet voor het diepgaand onderzoek dat noodzakelijk is in geval van een betwisting zoals door gedaagde gedaan. Als gevolg van de betwisting zal moeten worden nagegaan of de overgelegde documenten echt zijn, gedaagde stelt in haar verweer namelijk dat zij valselijk zijn opgemaakt.

4.2 De kantonrechter is van oordeel dat deze zaak zich derhalve niet leent voor behandeling in kort geding en zal het gevorderde dan ook afwijzen.

5. De Beslissing
5.1 Wijst af het gevorderde;
5.2 Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. A. Charan, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 4 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

SRU-K1-2014-6

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. no. 131866
9 januari 2014

Vonnis in het incident in de zaak van

[stichting], gevestigd en kantoor houdende te [district],
tussenkomende partij, eiseres in het incident,
hierna te noemen: “de Stichting”,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

[eiser sub A], wonende te [district],
[eiser sub B], wonende te [district],
eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het incident,
hierna te noemen: “ [eiser sub A] en [eiser sub B]”,
gemachtigde: mr. E. A. Glunder, advocaat,

en tegen

DE HYPOTHEEKBEWAARDER, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in de hoofdzaak en gedaagde in het incident,
gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat.

1. Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 3 mei 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging, met producties;
– de conclusie van antwoord in het incident zijdens [eiser sub A] en [eiser sub B];
– de conclusie van antwoord in het incident zijdens de hypotheekbewaarder.

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

2. De vordering en de grondslag daarvan in de hoofdzaak en het incident
2.1 De vordering in de hoofdzaak:
[eiser sub A] en [eiser sub B] vorderen kort gezegd, dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. nietig verklaart of vernietigt de akte opgemaakt door [eiser sub A] en verleden op 6 oktober 2011, op grond van het feit dat voornoemde akte in strijd is met de bepalingen zoals die staan vermeld in de notariele volmacht van 30 november 2010 met alle wettelijke gevolgen van dien;

b. de hypohteekbewaarder gelast om de overschrijving van bedoelde akte welke op 2 november 2011 is geschied in [register en nummer] ten name van [stichting] door te halen, met gevolg herstel in oude toestand.

2.2 De Grondslag in de hoofdzaak
[eiser sub A] en [eiser sub B] hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat bij het opmaken en verlijden van de notariele akte waarvan vernietiging wordt gevraagd een fout is gemaakt, in dier voege dat geen rekening is gehouden met het feit dat in de gebruikte volmacht het vervreemden van onroerende goederen was uitgesloten, en in de akte onroerend goed door de gevolmachtigde werd vervreemd. Hierdoor is de verkoop nietig en van onwaarde, zijnde die handeling door een onbevoegde persoon gepleegd.

2.3 De vordering in het incident
[stichting] vordert dat zij wordt toegelaten om tussen te komen in het geding tussen [eiser sub A] en [eiser sub B] als verzoekers en de hypotheekbewaarder als gedaagde.

2.4 De grondslag in het incident
[stichting] voert als grondslag aan dat zij het onroerend goed waarover de akte waarvan vernietiging wordt gevraagd handelt, heeft gekocht van [eiser sub B] en thans de zakelijk gerechtigde is op het onroerend goed en er op haar rechten inbreuk gemaakt kan worden indien zij niet in het geding tussenkomt.

3. De beoordeling
3.1 [eiser sub A] en [eiser sub B] hebben op het verzoek tot tussenkomst gereageerd en daarbij aangegeven dat het noodzakelijk is dat de fout wordt gerectificeerd. Zij achten het duidelijk dat derden niet kunnen intervenieren om het proces van rectificatie en herstel van de vergissing te ‘frustreren’. Indien de tussenkomende partij van mening is dat zij in haar belang kan worden geschaad door het herstel van de vergissing, dient zij tegen de gevolmachtigde juridische maatregelen te treffen.

3.2 De Hypotheekbewaarder heeft geantwoord in het incident en zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

3.3 De kantonrechter overweegt dat de tussenkomst moet worden toegestaan indien blijkt van een belang van [stichting] om in dit geding op te treden teneinde benadeling of verlies van een hem toekomend recht te voorkomen. Getoetst zal worden of van een dergelijk belang blijkt.

3.4 [stichting] baseert haar vordering tot tussenkomst op het feit dat zij het onroerend goed waarover de akte handelt, heeft gekocht en dat het onroerend goed aan haar is overgedragen. Door vernietiging van de akte zal dat recht van haar verloren gaan. Om die reden heeft zij er belang bij in het proces betrokken te worden.

3.5 De kantonrechter is van oordeel dat, nu [stichting] zich erop beroept dat zij thans de zakelijk gerechtigde is op het perceelland waarover de akte handelt waarvan vernietiging wordt gevraagd, haar belang is aangetoond waardoor de tussenkomst zal worden toegestaan.

3.6 In de hoofdzaak zal worden voortgeprocedeerd.

4. De beslissing
In het incident
4.1. Wijst toe het verzoek tot tussenkomst van [stichting];

In de hoofdzaken :
4.2 Bepaalt dat in de hoofdzaken zal worden voortgeprocedeerd en wel alsvolgt;

In de oorspronkelijke zaak van [eiser sub A] en [eiser sub B] tegen de Hypotheekbewaarder:
– De Hypotheekbewaarder zal in de gelegenheid gesteld worden te antwoorden op het verzoekschrift van [eiser sub A] en [eiser sub B];

In de tussenkomst, de zaak van [stichting] tegen [eiser sub A] en [eiser sub B] en de Hypotheekbewaarder:
– [stichting] zal in de gelegenheid gesteld worden voor eis te concluderen;

4.3 Roept deze zaak daarvoor af voor de terechtzitting van de kantonrechter in het eerste kanton van donderdag 13 februari 2014 om 09.00 uur des voormiddags;

4.4 Houdt iedere verdere beslissing aan

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 9 januari 2014, in tegenwoordigheid van mr. S. Tika, substituut-griffier.

SRU-HvJ-2018-54

Vonnisnummer: 60/2018
Parketnummer: 01-01- 05817
Uitspraak: 24 oktober 2018
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 04 juli 2013 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte],
geboren op [datum] te [district],
visser van beroep, wonende aan [adres] te [district], thans in verzekerde bewaring gesteld.

Verdachte is verschenen en wordt tevens bijgestaan door zijn raadslieden, mr. B.A.H. Pick en mr. R.R. Lobo.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 05 juli 2013 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 11 juli 2013 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 04 juli 2013 zal bevestigen.

De verdediging heeft:

Primair bepleit dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.

Subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 04 juli 2013 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder A ( het medeplegen van moord) ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.

Nadere overwegingen omtrent het bewijs:

Het hof acht naar aanleiding van het door de verdediging primair gestelde in casu voldoende om aan te geven dat de [verdachte] voornoemd, reeds door de politie was aangehouden toen de [getuige] bedoelde belastende verklaringen jegens hem, verdachte aflegde en zijn deze verklaringen tesamen met de overige verklaringen van getuigen in samenhang bekeken en zal het hof daarom aan dit verweer voorbij gaan.

Voorts overweegt het Hof naar aanleiding van het door de verdediging subsidiair gestelde dat de verdachte niet de persoon is geweest die het [slachtoffer] van zijn leven heeft beroofd, als volgt:
De ontkenning van de verdachte geplaatst tegen de achtergrond van de in het vonnis in eerste aanleg aangehaalde bewijsmiddelen met name de verklaringen van de verschillende getuigen in het bijzonder de getuigen [getuige], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] alsook van de verbalisanten [verbalisant], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kan niet anders worden opgevat dan een kennelijk leugenachtige verklaring bedoeld om de waarheid te bemantelen. Het door de verdachte opgeworpen alibi dat hij zich op die bewuste avond op een feest zou hebben bevonden is ook nader onderzocht en ongegrond gebleken. Het is namelijk niet komen vast te staan dat de verdachte onafgebroken en voortdurend op voornoemde feest aanwezig is geweest.
Het is het hof bij de behandeling van de zaak in hoger beroep verder ook van geen enkele tegenstrijdigheid in de verklaringen van de genoemde getuigen gebleken; reden waarom er bij het hof dan ook geen twijfel bestaat dat het de verdachte is geweest die op die bewuste dag op de motorfiets met een tot nog toe onbekend gebleven persoon is gereden naar het adres van [slachtoffer] voornoemd en hem, [slachtoffer], vervolgens heeft geroepen en vervolgens met een vuurwapen gericht meerdere schoten op hem heeft gelost, waardoor [slachtoffer] voornoemd tengevolge van die verwondingen is komen te overlijden.
Ook de door de verdediging geopperde omstandigheden dat het vuurwapen reeds door de Franse autoriteiten was vernietigd en daardoor niet bewezen zou kunnen worden dat daarmee de dodelijke schoten zouden zijn gelost alsook de omstandigheid dat niemand de verdachte positief heeft kunnen herkennen, doet niets af aan het bewijs; immers leveren de bewijsmiddelen in elkaars verband en samenhang beschouwd wel het wettig en overtuigend bewijs voor het hof op dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] voornoemd van het leven heeft beroofd. Ten aanzien van het vuurwapen liggen de omschrijving daarvan door de Franse autoriteiten en de door de getuigen afgelegde verklaringen in hoger beroep in elkaars verlengde en is er ten aanzien van het al dan niet positief herkennen van de verdachte door de getuigen wel een omschrijving van het postuur en de kleding van de verdachte gegeven die overeenkomt met andere verklaringen van getuigen omtrent postuur en kleding van de verdachte op die avond.

Evenals de kantonrechter en de vervolging komt het hof tot het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder A van de tenlastelegging wordt verweten en is de verdachte in de visie van het hof terecht daarvoor veroordeeld door de kantonrechter.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton op 04 juli 2013 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte waarvan beroep.

Handhaaft de gevangenhouding van de verdachte

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend-President;
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden;
bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier,
en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 24 oktober 2018.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. M.C. Mettendaf

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2015-9

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-4909
26 november 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van

STICHTING SANDSTONE
gevestigd te Voorland te Meerzorg
in het district Commewijne,
eiseres in kort geding,
vertegenwoordigd door haar enig bestuurslid: dhr. [naam 1],

tegen

STICHTING CHACHA,
gevestigd aan de Oostkanaalstraat no. 11 boven
te Nickerie en ten deze domicilie kiezende ten kantore van
de notaris mr. J.R.K. Vishnudatt, kantoor houdende aan de
Van Roseveltkade 24 te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 05 november 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord;
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusie van dupliek;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

2. Waarvan kan worden uitgegaan
2.1 Eiseres heeft door tussenkomst van haar toenmalig bestuurslid [naam 2] op 21 juli 2009 van gedaagde geleend het bedrag van 60.000,- US DOLLARS althans heeft eiseres dit bedrag van haar in handen gehad, zoals wordt vermeld in de daaraan voorafgaande schuldbekentenis;

2.2 Eiseres heeft ter waarborging van de richtige voldoening van de in de akte vermelde maximale leensom en renten “erfpachtsrecht – vervallende twee april tweeduizendvijfentwintig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 410,47 m2 gelegen in het district Commewijne deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats Meerzorg en nader aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 26 januari 1976 met de letters AFGHK”, verhypothekeerd aan gedaagde;

2.3 De vorm van deze hypotheek betreft een krediethypotheek en uit voormelde akte blijkt dat er door de gedaagde inschrijving is genomen tot een bedrag van maximaal 72.000,- US dollars;

2.4 Gedaagde heeft middels een deurwaardersexploit d.d. 26 september 2015 van deurwaarder R. Bhoelan, eiseres aangezegd dat haar onroerend goed op DONDERDAG 26 NOVEMBER 2015 in het openbaar zal worden verkocht ten kantore van notaris mr.J.R.K. Vishnudatt, ter zake een vermeende leensom van US$ 72.000,-, exclusief de rente en kosten die sinds 21 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening nog aan haar verschuldigd zijn;

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de stopzetting zal worden gelast van de bij het exploit no. 579 van 26 september 2015 van deurwaarder Radijnderkoemar Bhoelan aangezegde openbare verkoop van het daarin omschreven erfpachtsrecht. Daarnaast vordert zij dat gedaagde zal worden verboden opnieuw tot de openbare verkoop van voormeld onroerend goed over te gaan totdat er in de door eiseres ingestelde bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid dan wel nietigheid van de hypotheekakte. Tevens vordert zij veroordeling van gedaagde in betaling van alle kosten die betrekking hebben op de ophouding c.q. stopzetting van de aangezegde openbare verkoop alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Aan haar vordering legt eiseres – naast voormelde feiten – ten grondslag zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat zij nimmer een hoofdsom van 72.000,- US dollars heeft geleend zoals uit de door gedaagde nog over te leggen schuldbekentenis zal blijken. Gedaagde heeft volgens de hypotheekakte slechts een verhaalsrecht tot een bedrag van 72.000 US dollars. De (notaris) wet schrijft voor dat de grosse van de hypotheekakte aan de eiseres diende te worden betekend door de gedaagde.
Het document dat de eiseres heeft ontvangen van de deurwaarder is geen grosse en er zat ook geen saldo-opgave bij. Verder ontbreekt de voor een grosse voorgeschreven aanhef “in naam van de republiek” en tevens blijkt dat deze “grosse” in 2009 niet door de notaris is uitgereikt aan de schuldeiser is casu de gedaagde – zoals eveneens wettelijke vereist is – doch aan de heer [naam 1] niet zijnde gedaagde. Dus zelfs als zou dit document mogen doorgaan als een rechtsgeldige grosse – quod non – dan nog blijkt deze “grosse” niet gebruikt te kunnen worden aangezien zij een gebrek vertoont dan wel niet in het bezit is van de gedaagde. Eiseres heeft tot op heden van de gedaagde nimmer een gespecificeerde saldo-opgave en/of aanmaning c.q.ingebrekestelling ontvangen en weet tot op de dag van vandaag niet hoeveel zij precies schuldig is.

Deze ingebrekestellingsverplichting vloeit echter voort uit artikel 1207 lid 2 BW. Uit het vonnis AR 10-0887 [naam 3] versus Stichting Randiersing Ghauwhaan blijkt bovendien dat de gedaagde er zorg voor diende te dragen dat er een gespecificeerde saldo-opgave aanwezig was. Indien zij daarmede in gebreke is gebleven heeft zij dan niet voldaan aan de formaliteiten met betrekking tot de op handen zijnde openbare verkoop. Inachtneming van alle formaliteiten is echter een voorwaarde voor het houden van een rechtsgeldige openbare verkoop op grond van artikel 1207 lid 2 BW, aldus dit vonnis. De schuldeiser, in casu gedaagde, is slechts bevoegd om zijn schuldenaar aan te manen en in gebreke te stellen voor de werkelijke schuld der geldlening en in ieder geval niet voor een hogere hoofdsom dan de werkelijk verschuldigde hoofdsom.

Voorts heeft eiseres aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de rente is verjaard en dat de hypotheekakte nietig is vanwege woekerrente. Tenslotte heeft eiseres aangevoerd dat de door gedaagde aan eiseres verstrekte geldlening nooit middels een aangetekend schrijven en/of deurwaardersexploit is opgezegd noch heeft gedaagde ooit enig schrijven aan eiseres verzonden dat melding maakt van een beëindiging van de geldlening. Gedaagde heeft juist jarenlang stilgezeten en aangezien de geldlening nimmer is opgezegd door gedaagde is zij niet gerechtigd om gebruik te maken van haar bevoegdheid tot openbare verkoop;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 Gedaagde heeft eerstens ten verwere aangevoerd – kort gezegd – dat gedaagde is gevestigd aan de Oostkanaalstraat no. 11 boven in het district Nickerie. Het district Nickerie valt volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onder de competentie van de kantonrechter in het derde kanton. Het enkele feit dat gedaagde tot aan het uiteinde der executie domicilie gekozen heeft ten kantor van de executerende notaris in Paramaribo, brengt niet met zich mee dat zij ook haar vestigingsplaats heeft gewijzigd. De vordering had ingesteld dienen te worden in het derde kanton en niet in het eerste kanton. De kantonrechter in het eerste kanton is derhalve onbevoegd om van de vordering kennis te nemen aangezien het in het onderhavige geding niet gaat om het onroerend goed zelve en speelt de ligging van het onroerend goed in deze geen enkele rol;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is het formeel verweer van gedaagde ongegrond en gedoemd te stranden. Immers staat het eiseres ingevolge het bepaalde in artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – zoals eiseres terecht heeft aangevoerd – vrij om indien er woonplaats is gekozen te kiezen tussen de kantonrechter van de gekozen woonplaats en de kantonrechter van de werkelijke woonplaats van de gedaagde. Nu eiseres heeft gekozen voor de kantonrechter van de gekozen woonplaats van de gedaagde is er derhalve geen vuiltje aan de lucht en zal het daartoe strekkend verweer van gedaagde worden verworpen;

4.4. Materieel heeft gedaagde aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover van belang voor het geschil – dat eiseres haar betalingsverplichting niet is nagekomen en is daarmee de bevoegdheid van eiseres (de kantonrechter leest: gedaagde) gegeven het tot zekerheid gegeven onroerend goed in het openbaar te verkopen teneinde haar vordering te innen.Het wettelijk recht van parate executie mag dus niet ondergeschikt gemaakt worden aan mogelijk volgens eiseres bestaande formele fouten. Het is overduidelijk dat de deurwaarder bij de aanmaning een fout heeft gemaakt, welke echter geenszins tot stopzetting van de executie kan leiden omdat ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de hypotheekakte op gedaagde niet eens een plicht rust tot aanmaning en/of ingebrekestelling. Eiseres is door deze fout echter in het geheel niet geschaad;

4.5 Het materieel verweer aan een beschouwing onderwerpend, komt de kantonrechter tot de slotsom dat het recht van parate executie van gedaagde overeind staat en dat naar dezerzijds voorlopig oordeel daar niet aan getornd kan worden. Immers staat onomstotelijk vast dat eiseres het bedrag van US$ 60.000,- heeft ontvangen. Van enige aflossing zijdens eiseres is gesteld noch gebleken. Simpel beredeneerd is eiseres gehouden in elk geval de hoofdsom vermeerderd met rente en kosten te betalen aan gedaagde. Immers is gesteld noch gebleken dat gedaagde een filantropische instelling is die in het kader van liefdadigheid voormeld bedrag ad US$ 60.000,- aan eiseres ter hand heeft gesteld. Het gaat om een puur zakelijke transactie en het siert eiseres niet om zich in allerlei bochten te wringen teneinde aan haar terugbetalingsverplichting te ontkomen. Voor zover de overeengekomen rente als zijnde exorbitant hoog wordt ervaren door eiseres, staat dat naar dezerzijds voorlopig oordeel niet er aan in de weg dat eiseres in elk geval de hoofdsom ad US$ 60.000,- zou moeten beginnen af te lossen en eventueel dat deel van de rente dat als redelijk en billijk wordt ervaren vermeerder met de door gedaagde gemaakte kosten. Ten aanzien van het eventuele verschil van inzicht omtrent de overeengekomen rente kan dan het oordeel van de bodemrechter afgewacht worden;

4.6 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter snijdt het spreekwoordelijke mes ook in deze zaak aan beide kanten. Aan de zijde van gedaagde lijkt het de kantonrechter geïndiceerd dat bij het uitoefenen van haar recht van parate executie door gedaagde, zij de door de wet en/of het plaatselijk gebruik dan wel de jurisprudentie voorgeschreven formaliteiten in acht dient te nemen. Tot deze formaliteit behoort sowieso een correcte betekening van het nauwkeurig en gespecificeerd aangegeven vermeend verschuldigd bedrag door of vanwege gedaagde aan eiseres. Naar het oordeel van de kantonrechter kleven er ernstige gebreken aan voormelde betekening door de deurwaarder namens gedaagde aan eiseres. Niet alleen is de hoofdsom daarin verkeerd opgenomen maar is er evenmin een gespecificeerde saldo-opgave mede betekend waaruit de opbouw van het verschuldigd bedrag blijkt. Eiseres is derhalve niet in staat om de hoogte van het bedrag te verifiëren en eventueel daartegen op te komen en/of bronnen aan te boren teneinde de schuld alsnog te voldoen. Het voorgaande acht de kantonrechter van een dergelijke importantie dat niet nakoming daarvan resulteert in het verlies van het recht om gebruik te maken van het recht tot executie op grond van de gedane aankondiging tenzij kort voor de aanzegging de schuldeiser aan de schuldenaar en de onderzetter een saldo-opgave heeft verstrekt, op grond waarvan deze zich niet te goeder trouw op het ontbreken daarvan kan beroepen. Van het laatste is gesteld noch gebleken.

4.7 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het gevorderde zal worden toegewezen in voege als na te melden. Hetgeen mede is gevorderd onder sub 2 van het petitum van het inleidend rekest zal worden afgewezen nu toewijzing daarvan een uitholling van het recht van parate executie van gedaagde teweeg zal brengen terwijl het op de weg van eiseres ligt om in elk geval terug te betalen het deel dat zij erkent, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen. Eveneens zal het onderdeel van het gevorderde onder sub 3 van het petitum van het inleidend rekest worden afgewezen dat betreft de kosten die betrekking hebben op de stopzetting van de aangezegde openbare verkoop, aangezien gesteld noch gebleken is op grond waarvan die voor rekening van gedaagde zouden dienen te komen;

4.8 De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen, die over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, te compenseren in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

5.1 Gelast de stopzetting van de bij het exploit no. 579 van 26 september 2015 van deurwaarder Radjinderkoemar Bhoelan aangezegde openbare verkoop van: “het erfpachtsrecht – vervallende op twee april tweeduizendenvijftig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 410,47 m2 gelegen in het district Commewijne deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats Meerzorg en nader aangeduid o de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 26 januari 1976 met de letters AFGHK”, ten kantore van notaris mr. Jennifer R.K. Vishnudatt;

5.2 Veroordeelt gedaagde om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van SRD 20.000,- (Twintigduizend Surinaamse Dollars) per dag voor elke dag dat zij nalatig blijft zich te houden aan voormeld bevel, tot een maximum van SRD 200.000,- (Tweehonderdduizend Surinaamse Dollars);

5.3 Verklaart dit vonnis voorzover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet;

5.5 Wijst af al hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 26 november 2015 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. A. Charan