SRU-K1-2015-8

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-1141
30 juli 2015

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
wonende aan [adres]
te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. I.A. Nazier, advocaat,

tegen

DWT PUBLISHING N.V.,
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
en kantoorhoudende aan de Wagenwegstraat no. 57.
te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Det verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 16 maart 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusies van dupliek en uitlating producties.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Tussen eiser en gedaagde is er op 22 januari 2013 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van een jaar, ingaande 1 februari 2013 en eindigende op 31 januari 2014, in de functie van waarnemend Hoofdredacteur Digitaal, een en ander tegen betaling van een aanvangssalaris van SRD 3.500,- aangevuld met onder andere een waarnemingstoelage van SRD 1.300,-.

2.2 Op deze arbeidsovereenkomst zijn voorts van toepassing de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) tussen DWT Publishing NV en De Ware Tijd Werknemersbond. Eiser heeft zich gedurende deze dienstbetrekking naar volle tevredenheid van gedaagde van zijn taken gekweten;

2.3 Op 16 januari 2015 ontving eiser een schrijven van gedaagde waarin aan hem werd medegedeeld dat:

– de gesloten arbeidsovereenkomst van 22 januari 2013 met een termijn van 1 jaar stilzwijgend is verlengd naar 31 januari 2015;
– de overeenkomst niet meer wordt verlengd;
– de arbeidsovereenkomst per 31 januari 2015 expireert.

  1. De standpunten van partijen

3.1 Eiser vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser door te betalen het laatstgenoten loon en emolumenten, met ingang van 1 februari 2015 totdat het dienstverband tussen partijen op een rechtens juiste wijze is beëindigd en vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert eiser doorbetaling van de verhoging van het laatstgenoten loon ingevolge artikel 1614q BW vanwege te late betaling en vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens vordert eiser dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak de dienstbetrekking met eiser te herstellen, althans hem toe te laten tot zijn werk en aan eiser de gelegenheid te bieden zijn werk optimaal en ongewijzigd uit te oefenen tegen het aan eiser toekomend salaris en toekomende voorzieningen als overeengekomen. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,= per dag. Eveneens wordt gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het proces;

3.2 Aan de vordering legt eiser – naast voormelde vaststaande feiten – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat deze arbeidsovereenkomst hierna werd verlengd tot 30 april 2016, waarbij eiser werd aangesteld in de functie van Hoofdredacteur. Reeds vóór de expiratie van de overeenkomst op 30 januari 2014 zijn partijen gestart met het bespreken van nieuwe casu quo gewijzigde voorwaarden voor verlenging van het contract. Eiser is onder de vroegere voorwaarden na 30 januari 2014 door blijven werken. Op 18 april 2014 werd eiser in zijn functie positief door gedaagde beoordeeld en werd vervolgens op 1 mei 2014 aangesteld in de functie van Hoofdredacteur Digitaal. De reeds gemaakte afspraken en voorstellen werden vervolgens vastgelegd in een conceptovereenkomst d.d. 14 mei 2014, met als einddatum 30 april 2016. Eiser ging akkoord doch waren partijen nog aan het onderhandelen over de beloning. Over de einddatum van de overeenkomst hadden partijen in ieder geval al overeenstemming bereikt, namelijk 30 april 2016 en bestaat er daarover geen twijfel. Eiser heeft tegen het schrijven de dato 16 januari 2015 met klem geprotesteerd. De overeenkomst is niet geëxpireerd op 31 januari 2015 omdat: a) er geen sprake is van een stilzwijgende verlenging, b) indien er sprake was van een stilzwijgende verlenging, quod non, dan zou gedaagde alleen kunnen opzeggen na verkregen ontslagvergunning. Gezien het voorgaande is het gegeven ontslag casu quo de beëindiging van het dienstverband nietig. Deze onrechtmatige beëindiging van het dienstverband met eiser is des te klemmender voor eiser nu eiser zich steeds naar behoren en naar volle tevredenheid van gedaagde, zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd. Eiser heeft in verband met die positieve evaluaties hoge verwachtingen bij eiser gewekt waaronder een langdurige arbeidsrelatie. Eiser heeft ook zijn functie als docent op de Anton de Kom Universiteit van Suriname opgezegd om zich volledig in te zetten voor zijn werkzaamheden bij gedaagde. Eiser heeft daarom ook meermaals geprotesteerd tegen dit onrechtmatig ontslag. Eiser heeft ook de tussen partijen over en weer gevoerde correspondentie d.d. 20 januari 2015, 22 januari 2015, 23 januari 2015, 26 januari 2015 en 03 februari 2015 bij zijn inleidend rekest in het geding gebracht. Eiser heeft zich ook steeds ter beschikking gesteld voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Ook al zou gedaagde thans ontslagvergunning aanvragen, dan nog is er geen enkel reden aanwezig om het dienstverband met eiser te beëindigen. Naar aan alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal er dan ook geen ontslagvergunning worden verleend. Simpelweg omdat de grondige reden voor ontslag ontbreekt. Bij exploit no. 089 de dato 21 januari 2015 van deurwaarder Dasimin Toekimin en het schrijven d.d. 3 februari 2015 heeft eiser gedaagde gesommeerd en in gebreke gesteld om het loon en de emolumenten aan eiser na 31 januari 2015 maandelijks door te betalen totdat het dienstverband rechtmatig is beëindigd. Gedaagde heeft niet aan deze sommatie voldaan en heeft eiser desondanks de aanspraak op het loon en de emolumenten onthouden. Door alzo te handelen pleegt gedaagde wanprestatie casu quo een onrechtmatige daad jegens eiser, als gevolg waarvan eiser schade lijdt en voor welke schade gedaagde aansprakelijk is;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen;

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd en aangegeven – kort gezegd en voor zover voor de beslissing van belang – dat uit de relevante rechtsfeiten volgt dat de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615e lid 1 BW juncto artikel 1615e lid 2 sub 3 BW op 31 januari 2015 van rechtswege is beëindigd. Eiser maakt vanaf 1 februari 2015 mitsdien geen aanspraak meer op loonbetaling uit dienstbetrekking en het gevorderde dient dan ook integraal aan hem te worden ontzegd. Voorts heeft gedaagde aangevoerd – kort gezegd – dat er geen verlenging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou hebben plaatsgevonden tot 30 april 2016 en dat gedaagde de verlengde arbeidsovereenkomst aan eiser heeft “opgezegd”, als bedoeld in artikel 1615e lid 2 sub 3 BW, nu haar schrijven van 16 januari 2015 als zodanig moet worden uitgelegd. De stelling van eiser dat voor een dergelijke opzegging een ontslagvergunning vereist zou zijn, als bedoeld in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, vindt geen enkele steun in het recht;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er in casu twee centrale vragen die partijen verdeeld houden. Ten eerste betreft het de vraag of er tussen partijen al dan niet een arbeidsovereenkomst de dato 14 mei 2014 tot stand is gekomen. Eiser beantwoordt voormelde vraag in bevestigende zin terwijl gedaagde die in ontkennende zin beantwoordt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er op voormelde datum geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen. Immers is de overeenkomst niet ondertekend door partijen en stelt eiser zelf dat partijen nog aan het onderhandelen waren over de beloning. Zoals gedaagde terecht heeft aangevoerd is het loon één der essentialia van een arbeidsovereenkomst en als er tussen partijen daaromtrent geen overeenstemming bestaat, kan er geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het door eiser geschetste feitenrelaas doet aan het voorgaande niet af en adstrueert in de visie van de kantonrechter dat partijen nog in de onderhandelingsfase verkeerden vooruitlopend op een eventuele nadere arbeidsovereenkomst. Dat er enkele onderdelen van de concept- overeenkomst vooruitlopend reeds werden uitgevoerd doet aan voorgaande vaststelling van de kantonrechter niet af;

4.4 De tweede centrale vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of er al dan niet een ontslagvergunning vereist was om de litigieuze (verlengde) arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen. Eiser beantwoordt deze vraag in bevestigende zin terwijl gedaagde die in ontkennende zin beantwoordt. Het gaat in casu om het navolgende. Eiser is met ingang van 01 februari 2013 een schriftelijke arbeidsovereenkomst met gedaagde aangegaan voor de duur van een jaar en derhalve eindigende op 31 januari 2014. Onder het kopje Termijn van voormelde overeenkomst is aangegeven dat verlenging van het contract mogelijk is met expliciete instemming van beide partijen. Er is dus geen sprake van een stilzwijgende verlenging van het contract. In weerwil van voormelde bepaling in de overeenkomst is de arbeidsovereenkomst tussen partijen stilzwijgend voortgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1615f BW wordt de overeenkomst geacht voor dezelfde duur, doch voor telkens ten hoogste een jaar op de vroegere voorwaarden te zijn verlengd. Toegespitst op de onderhavige casus wordt de arbeidsovereenkomst geacht verlengd te zijn tot 31 januari 2015. Op 06 januari 2015 bericht gedaagde schriftelijk aan eiser dat bij het expireren van de dienstbetrekking op 31 januari 2015 geen verdere voortzetting van de dienstbetrekking zal plaatsvinden. Eiser beroept zich op het bepaalde in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning en stelt zich op het standpunt dat gedaagde verplicht was om over een ontslagvergunning te beschikken alvorens de dienstbetrekking met eiser te kunnen beëindigen terwijl gedaagde van een tegenovergestelde opvatting uitgaat;

4.5 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient voormelde vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. Het betreft immers een overeenkomst voor een bepaalde tijd aangegaan en die eindigt in beginsel van rechtswege bij het verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan tenzij het stilzwijgend wordt verlengd. Nu de kantonrechter onder 4.4. heeft vastgesteld dat er in casu sprake is van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingevolge het bepaalde in artikel 1615f BW duurde de arbeidsovereenkomst dus door tot 31 januari 2015 en zou op die datum dus in beginsel expireren tenzij het wederom stilzwijgend zou worden verlengd. Nu heeft gedaagde op 06 januari 2015 aan eiser kenbaar gemaakt dat de dienstbetrekking met eiser niet zal worden voortgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1615e lid 2 onder 3 BW was deze voorafgaande opzegging vereist en ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder b van de Wet Ontslagvergunning lijdt de algemene regel van artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning uitzondering indien het betreft een beëindiging van de dienstbetrekking van rechtswege als bedoeld in artikel 1615e BW;

4.6 Gelet op al het voorgaande is de slotsom gerechtvaardigd dat gedaagde rechtsgeldig schriftelijk de dienstbetrekking met eiser heeft opgezegd en daartoe niet over een ontslagvergunning verleend door of namens de Minister van Arbeid hoefde te beschikken. De grondslag van het gevorderde is derhalve niet in rechte komen vast te staan en derhalve zullen de gevraagde voorzieningen aan eiser worden geweigerd, met zijn veroordeling – als de in het ongelijk gestelde partij – in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.7 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

  1. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter;

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2 Veroordeelt eiser in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 30 juli 2015 door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A. Charan w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2015-7

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 09 3643
16 juni 2015

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. F.W.M. Thijm, advocaat,

tegen

N.V. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

De Kantonrechter — Plaatsvervanger in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnissen de dato 19 oktober 2010 en 20 december 2011.

 

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de op 05 april 2012 gehouden comparitie van partijen en het proces — verbaal daarvan;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen aan de zijde van eiser, met producties;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties aan de zijde van gedaagde, met een productie;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating productie aan de zijde van eiser, met producties;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating producties aan de zijde van gedaagde;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 De kantonrechter volhardt bij de inhoud van de in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnissen de dato 19 oktober 2010 en 20 december 2011.

2.2 Zoals reeds onder punt 2.2 van het tussenvonnis de dato 20 december 2011 is overwogen, werd eiser met ingang van 1 januari 2002 belast met de waarneming van de functie van Manager Casino Operations. Dit feit is door de kantonrechter in voormeld tussenvonnis als vaststaand aangenomen. Al hetgeen gedaagde in het kader van de waarneming van eiser heeft aangevoerd, wordt derhalve verworpen. Bovendien blijkt uit de door eiser overgelegde producties, namelijk de brief van 09 juni 2009 betreffende buitenfunctiestelling, de werkgeversverklaring de dato 15 oktober 2005 en de brief van 30 juni 2009, die overigens interne stukken gedaagde van zijn, dat eiser heeft waargenomen in voormelde functie.

2.3 Op de 05 april 2012 gehouden comparitie van partijen heeft eiser zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang — verklaard dat hij met ingang van 01 januari 2002 was belast met de waarneming in de functie van Manager Casino Operations en dat hij in het jaar 2008 is ontheven uit deze functie. Verder heeft eiser verklaard dat hij op 01 januari 2012 met pensioen is gegaan.
Gelet 015 voormelde stellingen van eiser, komt de kantonrechter tot de conclusie dat eiser ingaande 01 januari 2002 tot en met 2008 heeft waargenomen in betreffende functie. Hieruit volgt dat — alhoewel gedaagde niet ertoe is overgegaan om eiser definitief te benoemen in de functie van Manager Casino Operations — eiser in beginsel recht heeft op vergoeding van de meerwerkzaamheden die hij in voormelde periode heeft verricht.

2.4 Ten aanzien van de hoogte van de waarnemingstoelage wordt het volgende overwogen. Volgens eiser bedraagt ingevolge artikel 7.7 onder punt 7 van de cao de waarnemingstoelage 60% van zijn dagloon voor elke dag van waarneming.
Gedaagde heeft hiertegen aangevoerd dat eiser geen lid is van de vereniging van werknemers, de Torarica Werknemers Bond, en dat op hem de bepalingen van de cao niet van toepassing zijn.
Eiser heeft niet ontkend dat hij geen lid is van de Torarica Werknemers Bond met wie gedaagde een cao heeft gesloten, waardoor dit tussen partijen in confesso is. Dit betekent dat eiser in beginsel niet is gebonden aan de cao en dat hij derhalve geen nakoming van de cao van gedaagde kan vorderen. Hieruit volgt dat het beroep van eiser op het bepaalde in artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst faalt. De kantonrechter gaat eveneens aan de stelling van eiser dat de cao bepaling strekkende tot waarneming als een gebruik, althans een bestendig gebruikelijk beding is, daar eiser deze onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Met name heeft eiser nagelaten te stellen in welke in Suriname gesloten cao’s een zodanige bepaling voorkomt. De verwijzing van eiser naar de Personeelswet is echter onjuist, daar deze van toepassing is op ambtenaren en niet op particulieren.

2.5 Nu gebleken is dat aan eiser ingevolge artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeids- overeenkomst geen zelfstandig recht toekomt om zich te beroepen op de bepalingen van de cao, betekent dit dat de vordering van eiser dient te worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

2.6 De overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter — als niet langer relevant zijnde — achterwege laten.

  1. De beslissing

3.1 Wijst de vordering af.

3.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Sonai, kantonrechter — plaatsvervanger in het Eerste Kanton en bij vervroeging uitgesproken door de kantonrechter — plaatsvervanger in het Eerste Kanton mr. S.S. Nanhoe — Gangadin op dinsdag 16 juni 2015 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-1998-5

Kantonrechter Eerste Kanton
29 juni 1998, A.R. 982402
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser],
wonende aan [adres] te [district]
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advocaat, eiser in kort geding,

tegen

De Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,
gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Ir. Adhinstraat (Flora, Industrieterrein no. 21),
voor wie als gemachtigden optreden, Mr. J. Kraag en Mr. H.P. Boldewijn, advokaten, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad:

I.
Primair
Gedaagde zal worden bevolen om binnen een uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans de betekening daarvan, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, eiser in de gelegenheid te stellen zijn functie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke eiser zulks zou beletten of zulks zou verstoren.

Subsidiair

A. Het besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van gedaagde d.d. 4 juni 1998, waarbij eiser als algemeen direkteur van gedaagde werd ontslagen, zal worden geschorst, althans in haar werking zal worden opgeschort, totdat de rechter omtrent de rechtsgeldigheid van voormeld besluit uiteindelijk en definitief heeft beslist.
B. Gedaagde zal worden bevolen om binnen een uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans de betekening daarvan, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, eiser in de gelegenheid te stellen zijn functie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke eiser zulks zou beletten of zulks zou verstoren.

II.
Gedaagde zal worden veroordeeld om voor elke dag en/of elke keer, dat zij het sub I onder primair, danwel het sub I onder subsidiair sub B te geven bevel niet nakomt, aan eiser ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van F.5.000.000,– (vijf miljoen gulden).

Kosten Rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, de advokaten Mr. F. Kruisland, Mr. J. Kraag en Mr. H.P. Boldewijn ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser overeenkomstig het verzoekschrift voor eis heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 15 juni en 22 juni 1998 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in de daarvan door Ons opgemaakte, hier als ingelast te beschouwen, processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering genoegzaam uit de daaraan ten grondslag gelegde feiten blijkt;

Overwegende, dat eiser primair onder I van het petitum heeft gevorderd, dat gedaagde zal worden bevolen binnen een uur na de uitspraak van dit vonnis, althans de betekening daarvan, althans binnen een door Ons te bepalen termijn, hem – eiser – in de gelegenheid te stellen zijn functie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke hem – eiser – zulks zou beletten of zulks zou verstoren; en onder II gedaagde te veroordelen voor elke dag en/of elke keer, dat zij het sub I onder primair, danwel het sub I onder subsidiair sub B te geven bevel niet nakomt, aan eiser ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van f.5.000.000,– (vijf miljoen gulden).

Overwegende, dat eiser onder meer aan zijn primaire vordering ten grondslag heeft gelegd, dat de relatie tussen hem en gedaagde een arbeidsovereenkomst is, als bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek en wel voor onbepaalde tijd; dat ingevolge artikel 1 van het Decreet Ontslagvergunning ook de bepalingen daarvan van toepassing zijn op voormelde relatie; dat ingevolge artikel 2 van voormeld decreet mitsdien voor het ontslag van hem eiser althans de beëindiging van voormelde relatie, een vergunning van de Minister van Arbeid vereist was; dat een dergelijke vergunning echter niet is verleend; dat het aan eiser gegeven ontslag ingevolge art. 7 van voormeld decreet van rechtswege nietig is;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist tussen partijen rechtens in confesso is, dat eiser, overeenkomstig artikel 109 van het Wetboek van Koophandel, bij de akte van oprichting van gedaagde verleden voor de te Paramaribo residerende notaris R.S. Hirasing op 13 december 1980 voor onbepaalde tijd benoemd is tot direkteur van gedaagde; dat voormelde akte van oprichting, die naderhand gewijzigd werd bij onderhandse akte de dato 1 augustus 1987, tevens inhoudt de statuten van gedaagde; dat naderhand de arbeidsvoorwaarden van hem, eiser, als direkteur van gedaagde schriftelijk zijn vastgelegd in een onderhandse akte, verleden door eiser en het ingevolge artikel 7 lid 3 van voormelde statuten daartoe bevoegde orgaan van gedaagde, de Raad van Commissarissen; dat uit die akte blijkt dat tussen eiser en gedaagde een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan; dat ingevolge artikel 103 van het Wetboek van Koophandel het bestuur van een naamloze vennootschap, zoals gedaagde is, belast is met het besturen van de vennootschap; dat in de praktijk en ook in de statuten van gedaagde (artikel 6) het bestuur van een naamloze vennootschap wordt aangeduid als ”direktie” en de leden daarvan als ”direkteur”, waarbij nog nadere aanduiding van de direkteursfunctie kan worden gegeven zoals ”algemeen direkteur”, ”hoofddirekteur”, ”president-direkteur”, zoals in artikel 7 van de statuten van gedaagde is geschied; dat eiser bij gedaagde de vennootschappelijke functie van ”algemeen-direkteur” bekleedde en hij als zodanig op grond van artikel 7 lid 1 van de statuten van gedaagde tevens voorzitter van de direktie van gedaagde was;

Overwegende, dat als erkend althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist, tussen partijen rechtens in confesso is, dat eiser bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders de dato 4 juni 1998, als algemeen-direkteur van gedaagde met onmiddellijke ingang, i.e. 4 juni 1998, is ontslagen;

Overwegende, dat eiser voormeld besluit aanvechtend, wijders gesteld heeft dat het non-existent, althans nietig en van onwaarde is en elk rechtsgevolg ontbeert, althans dat voormeld besluit vernietigbaar is, onder meer op grond van eerder aangehaalde in het 14e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde feiten;

Overwegende, dat Wij in casu er van uit zullen gaan dat de Staat Suriname, rechtspersoon, de enige aandeelhouder is in gedaagde, nu de eiser op generlei wijze aannemelijk heeft kunnen maken, dat de Stichting Planburo Suriname mede-aandeelhouder is in gedaagde,

Overwegende, dat Wij de vraag of het ontslagdecreet waar eiser zich uitdrukkelijk op beroepen heeft in casu inachtgenomen had moeten worden, bevestigend beantwoorden blijkende immers uit de zich in het procesdossier bevindende niet betwiste arbeidsovereenkomst de dato 13 maart 1987 tussen eiser en gedaagde, dat eiser tegen loon werkzaam was en dat hij dientengevolge arbeider in dienst van gedaagde was en dat deze rechtsbetrekking tot gedaagde onder meer betekende, dat de artikelen 1613a e.v. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing waren nu daarvan in het Wetboek van Koophandel niet blijkt te zijn afgeweken;

Overwegende, dat gedaagde in casu, niet in acht blijkt te hebben genomen het bepaalde in artikel 3 lid 2 van het decreet E-39A (S.B. 1984 No. 102) luidende: ”Indien ontslag wordt verleend wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek, is de werkgever verplicht dit binnen vier dagen schriftelijk te melden bij het Hoofd der Arbeidsinspectie onder opgave van de dringende reden”;

Overwegende, dat als niet althans niet gemotiveerd weersproken tussen partijen rechtens vaststaat, dat gedaagde voormelde wettelijke bepaling heeft veronachtzaamd althans niet inachtgenomen heeft, wat zij juist had moeten doen;

Overwegende, dat de consequentie van deze omissie is, dat het aan eiser als algemeen direkteur van gedaagde op 4 juni 1998 met onmiddellijke ingang verleend ontslag bij besluit van de Algemene Vergadering, welk besluit, naar de eiser terecht heeft gesteld een besluit is van gedaagde zelf, als in strijd met de wet c.q. voormeld decreet van rechtswege nietig is en elk rechtsgevolg ontbeert;

Overwegende, dat eiser mitsdien algemeen direkteur gebleven is;

Overwegende, dat Wij in verband met het onder I van het primair gevorderde opmerken, dat het antwoord op de vraag of de werkgever verplicht is de werknemer in staat te stellen de overeengekomen arbeid te verrichten in het kader van de in artikel 1614ij van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichting van de werkgever zich als een ”goed werkgever” te gedragen, van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid, alsmede van de bijzondere omstandigheden afhangt;

Overwegende, dat nu gedaagde naar Ons gebleken is, geen rechtens relevante feiten en omstandigheden heeft aangedragen, die indien genoegzaam aannemelijk gemaakt, Ons tot het oordeel zouden doen komen dat het belang van de eiser bij het hem in de gelegenheid stellen zijn functie als algemeen directeur uit te oefenen overeenkomstig de ter zake relevante wettelijke en statutaire bepalingen in het onderhavige geval wijken moet voor het belang van gedaagde bij handhaving van haar, overigens beslist niet genoegzaam met feiten onderbouwd en bovendien zowel in wettelijk als in statutair opzicht volkomen onjuist, standpunt met betrekking tot het binnen haar bedrijf te voeren c.q. gevoerde beleid aangaande versnelde ontwikkeling c.q. productieverhoging als in het 4e ”Dat” van de conclusie van antwoord weergegeven, dient te worden beslist als in het dictum van dit vonnis te melden, onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in kort geding
Bevelen gedaagde binnen een uur na deze uitspraak, eiser in de gelegenheid te stellen zijn funktie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke eiser zulks zou beletten of zulks zou verstoren.

Veroordelen gedaagde om voor elke dag, dat zij voormeld bevel niet nakomt, aan eiser ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van f.5.000.000,– (vijf miljoen gulden) per dag;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.7.781,– (zevenduizend zevenhonderd en een en tachtig gulden);

Weigeren het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2016-13

Kantonrechter in Kortgeding
A.R. no. 163991
16 augustus 2016

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende te [district 2] , gescheiden echtgenote van [naam],
eiseres in kortgeding,
gemachtigde: mr. Ch. N. Mijnals, advocaat,

tegen

A. [gedaagde A], wonende in het [district 1],
B. [gedaagde B], wonende in het [district 1],
C. [gedaagde C], wonende in het [district 1],
D. [gedaagde D], notaris, wonende te [district 2],
E. [gedaagde E], notaris wonende te [district 2],
gedaagden in kortgeding,
gedaagden sub A en B: procederend in persoon,
gemachtigde voor gedaagde sub C: mr. S. Mangre, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub E: mr. F. Thijm, advocaat,
gedaagde sub D: niet verschenen.

1. Het procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties, dat op 12 augustus 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– tegen de niet verschenen gedaagde sub D is verstek verleend;
– de mondelinge conclusie van antwoord zijdens respectievelijk gedaagden sub A, B, C en E, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2016;
– de mondelinge conclusie van repliek, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2016;
– de mondelinge conclusie van dupliek zijdens respectievelijke gedaagden sub A, B, C en E, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres was in gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde sub A.
2.2 Bij vonnis van 2 juni 2014 in de zaak met arno. 123891 is gedaagde sub A veroordeeld om over te gaan tot scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederen- gemeenschap.
2.3 In dat vonnis is als notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling moest plaatsvinden aangewezen notaris, [gedaagde sub E]. Ook is een onzijdig persoon aangewezen.
2.4 Tot de ontbonden gemeenschap hoort ten rekeste vermeld perceelland groot vijfhonderd zes en zestig acht/honderdste vierkante meter gelegen in het district Wanica ten noorden van de Nieuw Weergevondenweg.
2.5 Bij schrijven van 11 december 2015 heeft de gemachtigde van eiseres aan notaris [gedaagde sub E] het verzoek gedaan over te gaan tot de scheiding en deling van de gemeenschap.
2.6 Notaris [gedaagde sub E] heeft bij schrijven van 18 december 2015 de gedaagde sub A opgroepen om op 21 januari 2016 om 11.00 uur op haar kantoor aanwezig te zijn bij de bespreking van de scheiding en deling.
2.7 Tijdens de bespreking heeft gedaagde sub A aangegeven slechts bereid te zijn tot scheiding en deling waarbij aan eiseres een bedrag van SRD 5.000,= zou worden uitgekeerd. Hierdoor is het op die dag niet tot de scheiding en deling gekomen.
2.8 De gemachtigde van eiseres heeft hierna aan notaris [gedaagde sub E] het verzoek gedaan om de procedure tot scheiding en deling voort te zetten.
2.9 Bij exploit van 8 augustus 2016 is eiseres de executie aangezegd van het perceel op grond van een hypothecaire schuld van SRD 51.550,= , welk hypotheek was gevestigd op 13 juli 2009 ten behoeve van gedaagde sub C ten laste van gedaagden sub A en B. De openbare verkoop is aangezegd voor 16 augustus 2016.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– de opschorting gelast van de door gedaagde sub D voorgenomen executoriale verkoop op 16 augustus 2016 van het genoemd onroerend goed totdat in een bodemgeschil over het bestaan van een hypothecaire schuld daarop definitief zal zijn beslist;
– gedaagde sub E gelast uitvoering te geven aan het vonnis van de kantonrechter d.d. 2 juni 2014 onder arno. 123891;
– gedaagde sub C gelast het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen totdat in bodem het bestaan van een openstaande hypothecaire schuld zal zijn vastgesteld;
– gedaagde sub A en B gelast de uitvoering van het vonnis te gehengen en te gedogen alsmede de uitvoering van het vonnis van 2 juni 2014 onder arno. 123981 door gedaagde sub E;
– gedaagden sub A, B, C, D en E veroordeelt tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat zij nalatig blijven om uitvoering te geven aan het vonnis en voorts
– gedaagden sub A, B, C, D en E veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor het gevorderde het volgende aangeroerd:

  1. Dat de openbare verkoop niet op de juiste wijze aan haar is betekend; het is op 8 augustus 2016 aan haar betekend terwijl de openbare verkoop op 16 augustus 2016 zal plaatsvinden; de wettelijke termijn is hierdoor niet in acht genomen;
  2. Notaris [gedaagde sub E] had op grond van het vonnis de scheiding en deling moeten uitvoeren, immers was in het vonnis een onzijdig persoon genoemd, en had de notaris met gebruikmaking van de onzijdig persoon de scheiding en deling kunnen afronden; door dit niet te doen heeft notaris [gedaagde sub E] onrechtmatig gehandeld jegens eiseres als gevolg waarvan eiseres schade dreigt te lijden;
  3. Notaris [gedaagde sub E] kan nog steeds op grond van het vonnis de scheiding en deling uitvoeren;
  4. De schuld aan gedaagde sub C is volledig voldaan, inclusief de rente, eiseres heeft de kwitanties gezien waar dat uit blijkt; het enige dat nog moest gebeuren was dat de hypotheek geroyeerd moest worden; de openbare verkoop is daarom niet rechtmatig en dient enkel en alleen om eiseres te benadelen bij de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap;
  5. Gedaagde sub A heeft stelselmatig geprobeerd om de rechten van eiseres in de huwelijksgoederengemeenschap te ontkennen en gaf zelfs aan dat er niets meer te verdelen valt; ook door die houding tracht gedaagde sub A eiseres te benadelen.

4. Het verweer
Gedaagden hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling
5.1 De kantonrechter overweegt dat gedaagde sub D niet is verschenen, doch dat het verzoekschrift voor wat betreft deze gedaagde niet voldoet aan de vereisten der wet, immers zijn ten aanzien van gedaagde sub D niet vermeld de voornamen, zoals voorgeschreven in artikel 111 WBRv. Om die reden zal eiseres niet ontvankelijk verklaard worden in haar vordering jegens gedaagde sub D.
5.2 Gedaagde sub A heeft in zijn verweer onder andere het volgende naar voren gebracht:

  1. dat de hypotheek voor het huwelijk was gevestigd;
  2. dat eiseres slechts twee maanden met hem heeft gewoond;
  3. dat hij de schuld niet kan voldoen en dat het niet juist is dat de schuld reeds is afgelost;
  4. dat hij het er niet mee eens is dat eiseres tracht de veiling stop te zetten;
  5. dat hij niet wenst dat notaris [gedaagde sub E] overgaat tot scheiding en deling.

5.3 Gedaagde sub B heeft in zijn verweer onder andere het volgende naar voren gebracht:

  1. dat de hypotheek voor het huwelijk was gevestigd;
  2. dat hij de schuld niet kan betalen en dat het niet juist is dat de schuld reeds is afgelost;
  3. dat hij het niet eens is met een scheiding en deling omdat hij zijn aandeel ook wenst; dat hij heel veel heeft geïnvesteerd op het perceel.

5.4 Gedaagde sub C heeft in zijn verweer o.a. het volgende naar voren gebracht:

  1. dat de schuld niet is voldaan en hij zijn hypotheekrecht mag uitoefenen;
  2. dat de zaken rond de termijn door mr. [gedaagde sub D] zijn geregeld;
  3. dat in gelijksoortige zaken nagegaan wordt of men tijdig reageert op de oproep;
  4. dat de publicatie in de dagbladen plaats heeft gevonden;
  5. dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechter voor wat betreft de scheiding en deling.

5.5 Gedaagde sub E heeft in haar verweer onder andere het volgende naar voren gebracht:

  1. dat zij wel het vonnis heeft uitgevoerd; zij heeft gedaagde sub A opgeroepen en nadat bleek dat er zwarigheden waren, heeft zij een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt welke moet worden ingediend bij de kantonrechter;
  2. de kantonrechter zal in de zwarigheden moeten oordelen; de notaris moet bij zwarigheden die zwarigheden- procedure beginnen, waarna de kantonrechter beslist over hoe de scheiding en deling plaats moet vinden;
  3. er is geen grond voor toewijzing van het gevorderde jegens haar nu zij het vonnis heeft uitgevoerd en de procedure van de wet heeft gevolgd.

5.6 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het eerste deel van de grondslag, namelijk dat bij aanzegging van de veiling aan eiseres als mede-eigenaar in het verbonden goed, niet de juiste termijnen in acht zijn genomen, dat gedaagden op dat deel van de grondslag geen relevant verweer hebben gevoerd. Er is slechts door gedaagde sub C opgemerkt dat de notaris belast was met de voorbereidingen van de veiling en dat in soortgelijke gevallen men nagaat of tijdig is gereageerd op de oproep.
5.7 De kantonrechter overweegt dat, nu gedaagden op dit deel van de grondslag geen verweer hebben gevoerd, althans geen relevant verweer, aannemelijk is geworden dat niet de juiste termijn in acht is genomen bij de aanzegging van de veiling aan eiseres als mede eigenaar van het verbonden goed.
5.8 Om die reden zal het gevorderde worden toegewezen met dien verstande dat de veiling niet zal worden opgeschort, doch zal worden verboden op grond van de door eiseres aangevoerde grond met betrekking tot de termijn.
5.9 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het tweede deel en het derde deel van de grondslag, namelijk het deel betrekking hebbende op de veroordeling van de gedaagde sub E, om over te gaan tot scheiding en deling, dat gelijk gedaagde sub E aanvoert er wel uitvoering is gegeven aan het vonnis, indien de partijen zijn opgeroepen ten kantore van de notaris en de notaris van gerezen zwarigheden een proces-verbaal heeft opgemaakt. Dit proces-verbaal zal conform de wet moeten worden behandeld door de kantonrechter, die uiteindelijk een oordeel zal geven over de wijze waarop de scheiding en deling dient plaats te vinden. De notaris kan na het rijzen van zwarigheden de scheiding en deling niet meer voortzetten alsof er geen zwarigheden zijn. Om die reden zal het gevorderde onder B van het petitum niet kunnen worden toegewezen.
5.10 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het vierde deel van de grondslag, namelijk dat de schuld reeds is voldaan, dat eiseres enerzijds stelt dat de schuld reeds is voldaan, en gedaagden sub A, B en C daarop als verweer aanvoeren dat de schuld nog niet is betaald. Echter zijn door eiseres geen documenten overgelegd waaruit haar stelling aannemelijk wordt waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat de schuld wel reeds is voldaan. Om die reden zal het gevorderde onder A en C, voor zover betrekking hebbende op het opschorten totdat in bodem over het bestaan van een hypothecaire schuld is beslist, niet worden toegewezen.
5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de gedaagden sub A, B en C, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde sub D;
6.2 Verbiedt de bij exploit van deurwaarder S.W. Niekoop van maandag acht augustus 2016, met nummer 1061, aan eiseres aangezegde openbare verkoop van het in dat exploit genoemd onroerend goed, welke openbare verkoop gehouden zou worden ten kantore van de notaris mr. D.S.P. [gedaagde sub D] op dinsdag 16 augustus 2016, om 10.00 uur des voormiddags.
6.3 Veroordeelt de gedaagden sub A, B en C, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te boven gaand, voor elke dag dat gedaagden in strijd handelen met het onder 6.2 van dit vonnis genoemd verbod;
6.4 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorrad;
6.5 Veroordeelt de gedaagden sub A, B en C in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 544,= (vijfhonderd vier en veertig Surinaamse dollar);
6.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 16 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 16-4129
25 augustus 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] in het [district],
eiser,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name
A. HET MINISTERIE VAN DEFENSIE en
B. HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- en BOSBEHEER,
beiden ten deze domicilie kiezend ten parkette van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde voor gedaagde sub A: majoor mr. Th.E. Roos, jurist en
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
– Eiser heeft op 19 augustus 2016 het inleidend verzoekschrift met producties bij de Griffie der kantongerechten ingediend.
– Vervolgens heeft eiser op de eerste dag van de behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting d.d. 23 augustus 2016 voor eis geconcludeerd, overeenkomstig de stellingen en de vordering zoals vermeld in het inleiden verzoekschrift.
– Vanwege de spoedeisendheid van de zaak hebben eiser en gedaagden op 23 augustus 2016 mondeling gepleit, waarbij gedaagde sub B bij het pleiten producties heeft overgelegd en eiser in de gelegenheid is gesteld zich over de inhoud van de overgelegde producties uit te laten.

1.2 In verband met de spoedeisendheid van de zaak is de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 30 juni 2016 heeft de kantonrechter in het derde kanton in de kortgeding zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 16-3004 vonnis gewezen, in welk vonnis het dictum luidt als volgt:

“6. De beslissing in conventie in kort geding

De kantonrechter:
6.1 Wijst de vordering af.
6.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten van dit geding en tot op heden begroot op nihil.

7. De beslissing in reconventie in kort geding

De kantonrechter:
7.1 Veroordeelt gedaagde, de heer [naam 1], om binnen twee maanden na uitspraak van dit vonnis, het perceelland met daarop staande woning gelegen op de hoek van de [straat 1] en [straat 2] [nummer 4], deel uitmakende van [gebied] in het [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven, eiser sub a (De Staat Suriname, in deze het Ministerie van Defensie) gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.
7.2 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.”

2.2 Gedaagden hebben het hiervoor vermeld vonnis op 13 augustus 2016 bij exploit no. 430 van de deurwaarder Charmila Natazia Sitaram aan eiser betekend.

2.3 Tegen het hiervoor vermeld vonnis heeft eiser het rechtsmiddels van hoger beroep aangewend. Tevens heeft eiser middels het indienen van een verzoekschrift ex-artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht om de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis van 30 juni 2016 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 16-3004, op te schorten totdat het Hof van Justitie beslist heeft op de vordering ex artikel 272 Rv van eiser.

3.2 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan zijn vordering ten grondslag dat niet te verwachten is dat het Hof van Justitie tijdig een beslissing neemt op het verzoek ex artikel 272 Rv. Hij heeft er alle recht op en belang bij een voorziening bij voorraad.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit het gevorderde, met name dat eiser uiterlijk op 30 augustus 2016 de woning als vermeld in het aan hem betekend vonnis dient te ontruimen. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagden hebben als formeel verweer opgeworpen dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening. Daartoe hebben zij, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
– eiser heeft niet voldaan aan zijn stelplicht, en wel in die zin dat eiser heeft nagelaten de rechtsgronden van hetgeen gij vordert te stellen;
– eiser maakt misbruik van procesrecht, omdat de door eiser ingestelde vordering veel weg heeft van een verkapte vorm van appel.

In reactie op dit formeel verweer heeft eiser betoogd dat hij wel heeft voldaan aan zijn stelplicht. In dat kader heeft hij aangevoerd dat de grondslag van de vordering is vermeld in het inleidend verzoekschrift, welke grondslag erop neerkomt dat het niet verwachtbaar is dat het Hof van Justitie tijdig een beslissing neemt op het verzoek ex- artikel 272 Rv.

4.3 Terzake het door eiser gestelde en het door gedaagden opgeworpen verweer, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie in kort geding kan staking of schorsing van de executie van een vonnis slechts worden bevolen, indien sprake zou zijn van misbruik van recht. Dit kan het geval zijn, indien:
– het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust;
– de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde in casu eiser, een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;
– er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant in casu gedaagde in redelijkheid geen gebruik mag maken van het exclusieve recht tot executie van het vonnis in kwestie.

Hetgeen hiervoor voorop is gesteld, brengt de kantonrechter tot de slotsom dat het door eiser gestelde geen grondslag is voor het door hem gevorderde. Om die reden zal de door eiser gevraagde voorziening als ongegrond worden geweigerd. Zulks betekent dat gedaagden slagen in het door hun opgeworpen verweer.

4.4 Eiser, zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 25 augustus 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-1999-1

RA 2007, 30
Kantonrechter Eerste Kanton
11 januari 1999, A.R. 985274
(Mr. J.R. von Niesewand)

  1. [eiser sub 1];
  2. [eiser sub 2];
  3. [eiser sub 3];
  4. [eiser sub 4];
  5. [eiser sub 5];
  6. [eiser sub 6];
  7. [eiser sub 7];
  8. [eiser sub 8];
  9. [eiser sub 9];
  10. [eiser sub 10];
  11. [eiser sub 11];
  12. [eiser sub 12];
  13. [eiser sub 13];
  14. [eiser sub 14];
  15. [eiser sub 15];
  16. [eiser sub 16];
  17. [eiser sub 17];
  18. [eiser sub 18];
  19. [eiser sub 19];
  20. [eiser sub 20];
  21. [eiser sub 21];
  22. [eiser sub 22];
  23. [eiser sub 23];
  24. [eiser sub 24];
  25. [eiser sub 25];
  26. [eiser sub 26];
  27. [eiser sub 27];
  28. [eiser sub 28];
  29. [eiser sub 29];
  30. [eiser sub 30];
  31. [eiser sub 31];
  32. [eiser sub 32];
  33. [eiser sub 33];
  34. [eiser sub 34];
  35. [eiser sub 35];
  36. [eiser sub 36];
  37. [eiser sub 37];
  38. [eiser sub 38];
  39. [eiser sub 39];
  40. [eiser sub 40];
  41. [eiser sub 41];
  42. [eiser sub 42];
  43. [eiser sub 43];
  44. [eiser sub 44];
  45. [eiser sub 45];
  46. [eiser sub 46];
  47. [eiser sub 47];
  48. [eiser sub 48];
  49. [eiser sub 49];
  50. [eiser sub 50];
  51. [eiser sub 51];
  52. [eiser sub 52];
  53. [eiser sub 53];
  54. [eiser sub 54];
  55. [eiser sub 55];
  56. [eiser sub 56];
  57. [eiser sub 57];
  58. [eiser sub 58];
  59. [eiser sub 59];
  60. [eiser sub 60];
  61. [eiser sub 61];
  62. [eiser sub 62];
  63. [eiser sub 63];
  64. [eiser sub 64];
  65. [eiser sub 65];
  66. [eiser sub 66];

    II.
  67. [eiser sub 67];
  68. [eiser sub 68];
  69. [eiser sub 69]
  70. [eiser sub 70]
  71. [eiser sub 71];
  72. [eiser sub 72];
  73. [eiser sub 73], allen wonende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt. Mr. A.R. Baarh, advokaat, eisers in Kort Geding,tegen

A. N.V. Meelmaatschappij de Molen;
B. N.V. Veevoerbedrijf Vesu, beiden kantoorhoudende te Paramaribo aan de Saramaccadoorsteek-Sluizencomplex, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F.F.P. Truideman, advokaat, gedaagden in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden voor zover haar aangaat en des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, als ten rekeste omschreven, zullen worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen:

  1. het loon plus toelagen en bijlagen over de maand november 1998;
  2. maandelijks op de 25e dag van de maand het loon plus toelagen en bijslagen toekomende aan eisers zolang het dienstverband niet overeenkomstig de wet is beëindigd.
  3. medische voorzieningen voor eisers en hun gezin conform hetgeen voor het onwettige ontslag d.d. 17 november 1998, gegolden heeft voor eisers en hun gezin;
  4. gedaagden zullen worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van f.5.000.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagden weigeren mochten uitvoering te geven aan het onder punt 3 van het petitum gevorderde.
  5. gedaagden zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advokaten, Mr. A.R. Baarh en Mr. F.F.P. Truideman ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 11 januari 1999 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt – en hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat Wij zullen verstaan, dat eisers sub. 19, 46 en 64. ter terechtzitting van 4 januari 1999 hun vorderingen tegen gedaagde sub. A hebben ingetrokken;

Overwegende, dat Wij voorts zullen verstaan, dat eisers sub 4, 5, 6, 7, 11, 12, 16, 21, 34, 37, 41, 42, 43, 47, 48, 51, 54, 58, 65 en 71 ter gemelde terechtzitting hun vorderingen tegen gedaagde sub. B hebben ingetrokken;

Overwegende, dat Wij overeenkomstig de wens der overige eisers, te weten de eisers sub. 1, 2 3, 8, 9, 10, 13, 14, 15, 17 tot en met 28, 30 tot en met 33, 35, 36, 38 tot en met 40, 44, tot en met 46, 49, 50, 50, 52, 53, 55 tot en met 57, 59 tot en met 64, 66 tot en met 70, 72 en 73 hun tegen gedaagde sub A ingestelde vorderingen aan een bespreking zullen onderwerpen;

Overwegende, dat nu, naar tussen partijen rechtens vaststaat, de Minister van Arbeid bij diens beschikking d.d. 30 november 1998 no. 449 bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag van eisers met onmiddellijke ingang, wat hier op neerkomt dat hij niet ingestemd heeft met de opgegeven reden, heeft het ontslag ingevolge artikel 3 lid 3 van Decreet E-39A, geen rechtskracht en is de dienstbetrekking van rechtswege blijven voortduren;

Overwegende, dat de omstandigheid dat gemelde beschikking een deugdelijke motivering zou ontberen op door gedaagde sub A aangehaalde gronden in het proces-verbaal vermeld, aan het zo juist overwogene geen afbreuk doet omdat die beschikking op grond daarvan niet nietig en van onwaarde zou zijn;

Overwegende, dat de loonaanspraken van eisers als gevolg van de beslissing van de Minister van Arbeid zijn blijven voortduren;

Overwegende, dat nu de overige weren van gedaagde sub A Ons voorkomen als te zijn irrelevant, dient bespreking van die weren in het midden te blijven;

Overwegende, dat Wij zullen beslissen als in het dictum te melden onder mitigeren van de dwangsom tot f.50.000,– per dag, achtende Wij daartoe termen aanwezig en onder verwijzing van gedaagde sub A als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in kort geding
Verstaan, dat eisers sub 19, 46 en 64 hun vorderingen tegen gedaagde sub A hebben ingetrokken;

Verstaan tevens, dat eisers sub 4, 5, 6, 7, 11, 12, 16, 29, 34, 37, 41 tot en met 43, 47, 48, 51, 54, 58, 65 en 71 hun vorderingen tegen gedaagde sub B hebben ingetrokken;

Veroordelen gedaagde sub A aan eisers sub 1 tot en met 3, 8 tot en met 10, 13 tot en met 15, 17 tot en met 28, 30 tot en met 33, 35, 36, 38 tot en met 40, 44 tot en met 46, 49, 50, 52, 53, 55 tot en met 57, 59 tot en met 64, 66 tot en met 70, 72 en 73

  • te betalen het loon plus toelagen en bijlagen over de maand november 1998;
  • te betalen maandelijks en wel op de 25e dag van de maand het loon plus toelagen en bijslagen toekomende aan voornoemde eisers zolang het dienstverband niet overeenkomstig de wet is beëindigd;
  • te treffen medische voorzieningen voor voornoemde eisers en hun gezin conform hetgeen voor het onwettig ontslag de dato 17 november 1998 gegolden heeft voor voornoemde eisers en hun gezin;

Veroordelen gedaagde sub A tot het betalen van een dwangsom van f.50.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde sub A weigeren mocht uitvoering te geven aan de onder punt 3 van dit dictum verleende voorziening;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden sub A in de kosten van dit proces aan de zijde van voornoemde eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.30,75 (dertig en 75/100 gulden);

Wijzen af het meer of anders gevorderde

SRU-K1-2016-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-4052
22 augustus 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1], Nederland, tijdelijk verblijvende aan [adres 2] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district] in het appartementencomplex aan [adres 3],
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 15 augustus 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 augustus 2016;
– de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 16 augustus 2016;
– de rolbeschikking d.d. 16 augustus 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 17 augustus 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen, waarbij gedaagde producties heeft overgelegd;
– het proces-verbaal d.d. 18 augustus 2016 betreffende het verhoor van de minderjarige;
– de conclusie tot uitlating over de gehouden comparitie van partijen aan de zijde van eiser d.d. 18 augustus 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk tussen partijen is in Nederland ontbonden.

2.2 Tijdens het huwelijk tussen partijen is geboren de thans nog minderjarige: [naam], geboren te [plaats] op [datum].

2.3 Gedaagde is in Suriname geboren en woont in Suriname.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te veroordelen om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de minderjarige geheten: [naam], af te staan aan eiser;
b) gedaagde te verbieden, op welke wijze dan ook, eiser te verhinderen c.q. te beletten op de geplande vertrekdatum met de minderjarige terug te keren naar Nederland;
c) eiser te machtigen, voor zover gedaagde weigert daaraan haar medewerking te verlenen, om alle daartoe vereiste documenten te doen opmaken, teneinde de terugreis van de minderjarige naar Nederland te garanderen c.q. te bewerkstelligen en dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partij verklaring van gedaagde in bedoelde documenten;
d) eiser te machtigen onderdeel a van het vonnis uit te voeren, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien gedaagde weigert daaraan uitvoering te geven.

Voorts om gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:
– in juli 2016 is hij met de minderjarige naar Suriname afgereisd voor het houden van vakantie;
– met gedaagde zou eiser hebben afgesproken dat de minderjarige elk weekend bij haar mocht doorbrengen;
– thans weigert gedaagde de minderjarige aan hem af te staan, terwijl de minderjarige al geruime tijd onafgebroken met hem in Nederland woont. Hierdoor schaadt gedaagde het geestelijk belang van de minderjarige;
– eiser oefent op grond van de artikel 251 e.v van het Nederlands Burgerlijk Wetboek het gezag over de minderjarige uit, totdat bij rechterlijk vonnis anders zal zijn beslist;
– de vakantie van eiser en de minderjarige neemt een einde en is het vertrek van beiden gepland voor 23 augustus 2016, waarbij de minderjarige gelijk bij aankomst in Nederland een aanvang dient te maken met de school.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser zelf. Daarom zal hij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Tussen partijen bestaat er een geschil over het hoofdverblijf van de minderjarige, dan wel bij welke der partijen de minderjarige zou mogen verblijven.
Ter comparitie van partijen d.d. 17 augustus 2016 en het verhoor van de minderjarige in raadkamer d.d. 18 augustus 2016 is het volgende aan het licht gekomen. In tegenstelling tot wat eiser heeft gesteld oefent hij niet alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige, doch zijn zowel hij als gedaagde belast met ouderlijk gezag over de minderjarige.
De minderjarige, die thans acht jaren jong is en in november van dit jaar negen jaar oud wordt, is in Nederland geboren. Ongeveer zeven maanden na de geboorte is hij met gedaagde naar Suriname teruggekeerd. Sedertdien verbleef de minderjarige in Suriname en genoot hij het nodige onderwijs en de nodige medische voorzieningen in Suriname, en wel tot bijkans het jaar 2014. Gedurende die periode kwam eiser regelmatig naar Suriname en had regelmatig contact met de minderjarige. In het jaar 2014 is de minderjarige met zijn grootmoeder (die thans wijlen is) naar Nederland afgereisd en is vanaf die periode tot juli 2016 bij eiser in Nederland gebleven. Gedurende die periode genoot de minderjarige onderwijs in Nederland, tot het moment dat hij in juli 2016 met eiser naar Suriname is afgereisd voor het houden van vakantie. Daar in juli 2016 de schoolvakantie nog niet was aangevangen en de minderjarige het schooljaar diende af te ronden, heeft eiser hem hier te lande ingeschreven op een lagere school te [wijk], te weten [naam school].

4.3 Tijdens het verhoor van de minderjarige in raadkamer d.d. 18 augustus 2016 is aan het licht gekomen dat, in tegenstelling tot wat eiser heeft gesteld, de minderjarige niet traag is in zijn denkvermogen. Volgens eigen waarneming van de kantonrechter praat de minderjarige vlot en kan de minderjarige duidelijk zijn eigen mening ventileren. Daarbij heeft de minderjarige meerdere malen duidelijk gemaakt bij zijn moeder te willen blijven en niet naar Nederland wenst terug te keren. Als reden heeft hij opgegeven dat hij zijn moeder gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gemist en hij het niet prettig vindt om in Nederland te wonen. Volgens zijn verklaring heeft hij geen vriendjes in Nederland. Voorts kan hij niet tegen de kou en wordt hij in Nederland vaker verkouden of ziek.
Op de uitdrukkelijke vraag van de kantonrechter of zijn moeder hem heeft aangeleerd wat hij aan de kantonrechter moet vertellen, was het antwoord van de minderjarige “neen”.
Op de uitdrukkelijke vraag van de kantonrechter hoe hij zich zou voelen als hij met de vader terugmoet naar Nederland, antwoordde hij dat hij zich verdrietig zal voelen en bleef er de nadruk op leggen dat hij bij zijn moeder in Suriname wil blijven, waarbij de minderjarige begon te huilen.

4.4 Bij het beoordelen van de vraag of het raadzaam is de minderjarige met eiser terug te laten gaan naar Nederland, dan wel met eiser in Nederland te doen verblijven, heeft de kantonrechter de volgende feiten en omstandigheden meegenomen:
– de minderjarige heeft vanaf hij zeven maandjes oud was tot zijn zesde jaar in Suriname bij de moeder gewoond, is grotendeels door de moeder verzorgd en opgevoed en in Suriname naar school gegaan, waarna hij naar Nederland is vertrokken en nu na bijkans 1 jaar en 6 maanden terug is in Suriname;
– de minderjarige heeft kenbaar gemaakt dat hij niet tegen de kou kan en hij vaak verkouden wordt in Nederland. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat het klimaat in Nederland vermoedelijk een negatieve invloed heeft op de gezondheid van de minderjarige en hij nog niet kan wennen aan de omgeving aldaar;
– de minderjarige wenst hier te lande naar school te gaan. Volgens zijn verklaring zou hij op dezelfde school kunnen worden ingeschreven alwaar hij vóór zijn vertrek naar Nederland in het jaar 2014 was ingeschreven;
– gedaagde is bezig de nodige voorbereidingen te treffen om de minderjarige in te schrijven voor het genieten van onderwijs en het doen sluiten van een ziektekosten verzekering voor de minderjarige;
– zowel eiser als gedaagden hebben een baan en zijn in staat de minderjarige te verzorgen;
– de minderjarige heeft op de dag van het verhoor in raadkamer meerdere malen in het bijzijn van eiser en gedaagde kenbaar gemaakt bij gedaagde te willen blijven in Suriname. Op dat moment wenste de minderjarige, blijkens eigen waarneming van de kantonrechter, niet met eiser te vertrekken uit de raadkamer, maar met gedaagde. Nadat hij de vader, zijnde eiser, in raadkamer een omhelzing heeft gegeven, heeft hij zich gelijk nadien gevoegd bij zijn moeder, zijnde gedaagde.

4.5 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en de eigen waarneming van de kantonrechter in raadkamer bij het verhoor van de minderjarige, acht de kantonrechter het in het belang van de minderjarige raadzaam hem niet aan eiser af te staan en hem niet naar Nederland met eiser te doen terugkeren. Daarbij heeft de kantonrechter rekening gehouden met de mogelijkheid dat de minderjarige zich zou kunnen verzetten tegen eiser en het met de harde hand aanpakken of dwingen van de minderjarige om met eiser terug te keren naar Nederland, psychische schade zou kunnen berokkenen aan de minderjarige.
Tevens heeft de kantonrechter ook in overweging genomen dat, zoals de stellingen door eiser zijn verwoord in het inleidend verzoekschrift dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, de indruk wordt gewekt dat de minderjarige als een goed in de zin van de wet wordt beschouwd en aldus in eigendom aan eiser toebehoort. Dit, terwijl de minderjarige in de zin van de wet een natuurlijke persoon is met twee wettelijke vertegenwoordigers, zijnde de ouders. In casu kan er dus om die reden geen sprake zijn van een onrechtmatige daad gepleegd door gedaagde jegens eiser. Uit het voorgaande vloeit voort dat de door eiser gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.6 De kantonrechter begrijpt dat het voor eiser als vader pijnlijk is dat de minderjarige niet aan hem zal worden afgestaan, doch brengt de kantonrechter hem in herinnering dat de allereerste zorg het belang van de minderjarige is en de plicht van partijen als ouders om de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Onder het belang van de minderjarige valt niet alleen het materiële, maar ook het geestelijk welzijn van de minderjarige en de plaats waar de minderjarige zich thuis voelt.
Met inachtneming van de plicht die zowel op eiser als gedaagde rust om de minderjarige te verzorgen en op te voeden, adviseert de kantonrechter dat eiser in het belang van de minderjarige de nodige medewerking aan gedaagde verleent, ingeval zij documenten voor de minderjarige nodig mocht hebben voor het doen inschrijven van de minderjarige op school en het in orde maken van de ziektekostendekking. Op gedaagde wordt een beroep gedaan om, indien de minderjarige dat wenst, de minderjarige alle ruimte te bieden om regelmatig in contact met eiser te blijven, hetzij telefonisch, hetzij via app.

4.6 Daar partijen de ouders van de minderjarige zijn en zij het belang van de minderjarige voorop dienen te stellen, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen hen te compenseren. De compensatie bestaat daarin, dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 22 augustus 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-10

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 165056
25 oktober 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

De Stichting “Stichting Sandstone”,
gevestigd in het district Commewijne,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: dhr. S.P. Abhelakh, advocaat,

tegen

Stichting Chacha,
gevestigd in het district Nickerie,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 18 oktober 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 juli 2009 heeft gedaagde aan eiseres ter leen verstrekt, gelijk eiseres van gedaagde ter leen heeft ontvangen een bedrag van US$ 60.000,=, tegen een rente van 30% per jaar.

2.2 Tot zekerheid voor de voldoening van het geleend bedrag heeft eiseres ten behoeve van gedaagde krediethypotheek gevestigd op een aan eiseres in erfpacht gegeven perceel gelegen in het district Commewijne en aan partijen nader bekend (hierna het perceel).

2.3 Gedaagde heeft de openbare verkoop van het perceel bepaald op 26 oktober 2016.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. nietig te verklaren c.q. te vernietigen het exploot van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 augustus 2016 no. 1133;
  2. stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop van het perceel;
  3. het opleggen van een verbod aan gedaagde om opnieuw over te gaan tot de openbare verkoop van het perceel totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid van de hypotheekakte heeft beslist;
  4. veroordeling van gedaagde tot betaling van alle kosten die betrekking hebben op de stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop alsmede de proceskosten.

3.2 Eisers heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Zij, eiseres heeft nimmer een aanzegging gehad voor de openbare verkoop van het perceel. Zij heeft via de dagbladen vernomen dat het perceel openbaar zal worden verkocht. Achteraf is gebleken dat de aanzegging van de openbare verkoop gedaan is aan de persoon van [naam 1]. Laatstgenoemde is echter geen bestuurslid meer van eiseres, en gedaagde is daarvan op de hoogte. Gedaagde weet dat de persoon van [naam 2] het huidig bestuurslid is van eiseres. De aanzegging is derhalve niet rechtsgeldig. Eiseres heeft nimmer de bij de aanzegging onderliggende stukken ontvangen.
De persoon van [naam 2] en gedaagde hebben sinds 2008 een zakelijke relatie met elkaar gehad, welke relatie thans abrupt is beëindigd zonder dat partijen met elkaar hebben afgerekend. Gedaagde is, uit hoofde van de tussen partijen bestaand hebbende zakelijke relatie, nog een groot geldbedrag verschuldigd aan die [naam 2]
Gedaagde heeft bijna acht jaren stilgezeten en pas nadat de relatie tussen partijen is verstoord, is gedaagde ertoe overgegaan om de openbare verkoop van het perceel aan te kondigen.
De openbare verkoop van het perceel is aangezegd voor de leensom van US$ 72.000,=. Eiseres heeft niet US$ 72.000,= geleend maar US$ 60.000,=.
Gedaagde heeft geen saldo opgave betekend aan eiseres.
Gedaagde heeft eiseres nimmer aangemaand om de verschuldigde rente te betalen en heeft evenmin schade beperkend opgetreden als gevolg waarvan de schuld onnodig is opgelopen. Eiseres beroept zich uitdrukkelijk op artikel 1996 BW (Burgerlijk Wetboek) inzake de verjaring van interesten en van geleende geldsommen.
De opgebrachte rente van 30% per jaar kan worden aangemerkt als woekerrente. Een dergelijke woekerrente staat een rechtsgeldige titel in de weg, en kan niet geëxecuteerd worden. Ingevolge artikel 3 van de Woekerwet van1939 is de hypotheekakte dus nietig.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De Kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De boordeling

4.1 De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van gedaagde dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.
De onderhavige vordering heeft tot doel stopzetting van de op 26 oktober 2016 aangekondigde openbare verkoop.
Een dergelijke vordering is naar haar aard spoedeisend.

4.2 De aanzegging
Gedaagde voert aan dat de aanzegging wel ingevolgde de wet is gedaan. Het exploot, van deurwaarder J.E. Febis, d.d. 22 augustus 2016 nr. 1133, is namelijk uitgebracht bij de Procureur-Generaal omdat, naar de kantonrechter begrijpt, het enig bestuurslid van eiseres, [naam 1], niet op zijn woonadres is aangetroffen. Gedaagde ontkent dat de persoon van [naam 2] thans enig bestuurslid is van eiseres.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer.
Uit een door eiseres overgelegde kopie uittreksel uit het Openbaar Stichtingenregister, gedateerd 13 september 2016, blijkt dat de persoon van [naam 2], als enig bestuurslid van eiseres staat ingeschreven en wel vanaf 29 oktober 2009. Gedaagde heeft de inhoud van dit stuk niet althans niet gemotiveerd betwist zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Nu het exploot van aanzegging van de openbare verkoop is gericht aan de persoon van [naam 1], in de hoedanigheid van enig bestuurslid, concludeert de kantonrechter dat de aanzegging niet ingevolge de wet is geschied. Het exploot is derhalve nietig. Het gevolg hiervan is dat de openbare verkoop dient te worden stopgezet. Het onder sub 1 en 2 van het petitum gevorderde zijn derhalve toewijsbaar.

4.3 Het opnieuw aanzeggen van de openbare verkoop van het perceel
Thans is aan de orde de vraag of de openbare verkoop van het perceel al dan niet opnieuw kan worden aangezegd.
Eiseres heeft gesteld dat gedaagde bijna acht jaren heeft stilgezeten en pas nadat de relatie tussen partijen is verstoord, is gedaagde ertoe overgegaan om de openbare verkoop van het perceel aan te kondigen. Volgens eiseres heeft gedaagde haar nimmer aangemaand om de verschuldigde rente te betalen en heeft zij evenmin schade beperkend opgetreden als gevolg waarvan de schuld onnodig is opgelopen.
Eiseres beroept zich uitdrukkelijk op artikel 1996 BW (Burgerlijk Wetboek) inzake de verjaring van interesten en van geleende geldsommen. Volgens gedaagde zijn partijen vrijwel altijd met elkaar in contact geweest om over de terugbetaling te praten. Gedaagde voert voorts aan dat de wet niet aangeeft op welke wijze de invorderingsactie moet geschieden.

Het is de kantonrechter vooralsnog onduidelijk waarom gedaagde pas nu, bijkans 8 jaren later, actie onderneemt om haar vordering op eiseres te verhalen terwijl eiseres nimmer enige poging heeft ondernomen om te voldoen aan haar betalingsverplichting jegens gedaagde. Aan de zijde van de schuldeiser mag worden verwacht dat hij binnen niet al te lange tijd actie onderneemt tegen de schuldenaar die totaal niet voldoet aan zijn betalingsverplichting. Immers de schuldeiser heeft de verplichting om schadebeperkend op te treden. Door na bijkans 8 jaren te hebben stilgezeten en abrupt de openbare veiling van het perceel aan te kondigen wegens het niet voldoen aan haar betalingsverplichting, maakt gedaagde, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, misbruik van haar executierecht.

Daarnaast is het van belang dat grondig onderzoek wordt gedaan naar het beroep van eiseres op verjaring van interesten en van geleende geldsommen, hetgeen bij de bodemrechter zal moeten gebeuren. Gezien de aard van dit geding is onderzoek daartoe niet mogelijk.

Om voormelde redenen is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde de beslissing van de bodemrechter dient af te wachten alvorens wederom over te gaan tot executie van het perceel. Het onder sub 3 van het petitum gevorderde is dus ook toewijsbaar.

4.4 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten, inclusief de veilingkosten, moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Verklaart nietig het exploot van deurwaarder J.E. Febis dd. 22 augustus 2016 no. 1133;

5.2 Gelast de stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop van het perceel zoals omschreven in het exploot van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 augustus 2016 no. 1133 en nader aan partijen bekend, welke openbare verkoop is bepaald op 26 oktober 2016 ten kantore van notaris, mr. K.E. Olff.

5.3 Verbiedt gedaagde om opnieuw over te gaan tot de openbare verkoop van het perceel totdat de bodemrechter in rechte zal hebben beslist over de rechtsvraag met betrekking tot de verjaring van de rente en leensommen uit hoofde van de schuldbekentenis d.d. 21 juli 2009;

5.4 Bepaalt dat eiseres binnen twee maanden na de uitspraak van dit vonnis een vordering bij de bodemrechter zal indienen, met betrekking tot de rechtsvraag over het al dan niet verjaard zijn van de rente en leensommen uit hoofde van de tussen partijen bestaande schuldbekentenis d.d. 21 juli 2009, bij gebreke waarvan eiseres geen beroep meer kan doen op dit vonnis voor wat betreft hetgeen is beslist onder 5.3 hiervoor.

5.5 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 316,= (driehonderd en zestien Surinaamse Dollar), en tevens de veilingkosten.

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van dinsdag 25 oktober 2016 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D.Ramdin w.g. mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2016-9

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 14-2222
27 oktober 2016

Vonnis in kort geding inzake:

[eiseres],
wonende te [district]
aan de [adres],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2],
te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 16 mei 2014 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating productie;
– Het schrijven afkomstig van advocaat mr. G.R. Sewcharan de dato 11 augustus 2016 waarbij hij – kort gezegd – heeft aangegeven zich als procesgemachtigde van eiseres aan de zaak te onttrekken;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 juni 2016 doch nader op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

Eiseres heeft bij akte van schenking een aanneming d.d. 11 februari 2010 het recht van eigendom verkregen van het perceelland, groot tweehonderd vijftig, tien/honderdste vierkante meter gelegen in het district Paramaribo, ten zuiden van de Industrieweg, op de kaart van de landmeter E. Emanuels van vier december negentienhonderd twee en zeventig, aangeduid met de letters A B C D en bekend onder nummer 34c, van het complex Saron-Zuid en de daarop staande woning;

3. De standpunten van partijen

3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden gelast om tot ontruiming van de litigieuze woning en het perceelland over te gaan, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Daarnaast vordert zij dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

3.2 Aan de vordering legt eiseres – naast voormeld vaststaand feit – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat gedaagde door de vorige eigenaar reeds uit de litigieuze woning was verwijderd maar heeft op enig moment wederom zijn intrek erin genomen. Eiseres heeft gedaagde nimmer toestemming gegeven om in de woning te verblijven, noch bestaat er tussen partijen een overeenkomst waaraan hij enig recht of titel voor het verblijf in de woning kan ontlenen. Eiseres heeft gedaagde gesommeerd om de woning te ontruimen en te verlaten, laatstelijk bij schrijven d.d. 26 februari 2010 van deurwaarder M. Sitaram. Echter heeft gedaagde geweigerd hieraan gevolg te geven. Eiseres heeft het perceel, inclusief de woning, thans dringend nodig voor eigen gebruikt. De woning waarin zij thans verblijft dient zij namelijk op korte termijn te verlaten. Gelet op het voorgaande heeft eiseres een spoedeisend belang bij het gevorderde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Allereerst heeft gedaagde aangevoerd dat eiseres prematuur is met het instellen van onderhavige vordering en derhalve op grond hiervan niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Hij heeft nimmer een schrijven ontvangen van eiseres en is pas bij de oproeping voor dit geding geconfronteerd met eiseres die pretendeert een belang te hebben;

4.2 Naar het oordeel van de kantonrechter is voormeld verweer gegrond. Immers blijkt uit de inhoud van productie 2 dat bij het inleidend rekest is overgelegd wel duidelijk het voornemen tot ingebrekestelling van gedaagde maar blijkt nergens uit dat voormeld schrijven aangetekend naar gedaagde is verzonden per post. Er ontbreekt een bewijs van ter post bezorging zodat de kantonrechter niet kan vaststellen of het desbetreffend bescheid daadwerkelijk is verzonden naar gedaagde. Op grond van het voorgaande is eiseres prematuur met het rauwelijks dagvaarden van gedaagde en zal eiseres derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de ingestelde vordering. Daarenboven ontgaat het de kantonrechter waarom eiseres bijkans vier jaren heeft stilgezeten om daarna in 2014 onderhavig kortgeding in te stellen daarbij stellende dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.3 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter derhalve niet toe;

5. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

5.1 Verklaart eiseres niet-ontvankelijk in de ingestelde vordering;

5.2 Veroordeelt eiseres in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 27 oktober 2016 door mr. S.M.M. Chu, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. R. Mangal w.g. A. Charan
w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2017-11

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 164971
20 juli 2017

Vonnis in de zaak van

[eiser],

Ca

A. [gedaagde A],
B. de Staat Suriname

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 14 november 2016.

1. Het verdere proces verloop;

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 6 december 2016;
de respectieve conclusies tot uitlating na de comparitie, zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan
Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoorderling
In conventie
3.1 [eiser] vordert dat de Staat veroordeeld wordt om onmiddellijk bij beschikking met terugwerkende kracht in te trekken de beschikking van 29 februari 2016 ten name van [gedaagde A] en voorts de Staat gelast tot uitgifte van het aangevraagde recht van grondhuur op het ten rekeste omschreven perceelland aan [eiser]. Voorts vordert [eiser] dat [gedaagde A] veroordeeld wordt om alle activiteiten op het litigieuze perceelland stop te zetten en het perceelland te ontruimen.

3.2 [eiser] heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de echtgenoot van [gedaagde A] in 1991 een bereidverklaring heeft ontvangen van de Staat waarna de echtgenoot met medeweten van [gedaagde A] de beterschap op het perceel heeft verkocht aan [eiser]. Daarbij heeft [eiser] duizenden guldens in het perceel geïnvesteerd en een opstal erop gebouwd. In 2003 heeft [eiser] na de koop het perceel aangevraagd in grondhuur. Tot zijn verbazing heeft de Staat in 2016 het perceel in grondhuur uitgegeven aan [gedaagde A], die bovendien wist dat [eiser] het perceel van haar en haar man had gekocht en had aangevraagd en de afgelopen jaren heeft bewerkt.

3.3 [eiser] voert voorts aan dat de Staat op de hoogte was van de feiten rond het perceel en de instanties hadden alle al positief geadviseerd over het verzoek van [eiser] in 2003. Ook was [eiser] de eerste aanvrager en de bewerker van het perceel waardoor het uitgeven aan [gedaagde A] in strijd is met de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.4 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de afspraken tussen de partijen en niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Dat er weliswaar tussen het echtpaar en [eiser] afspraken waren gemaakt over het gebruik van het perceelland, doch dat de Staat daarvan niet op de hoogte was en dat op het tijdstip waarop de afspraken gemaakt zijn, noch [naam], noch [gedaagde A] enige titel op de grond hadden. De Staat voert aan dat zij er niet van op de hoogte was dat [eiser] sedert 2003 de grond in cultuur brengt of investeringen op de grond heeft gepleegd. De Staat voert aan dat de bereidverklaring aan [naam] relevant was en dat [naam] geen afstand had gedaan van zijn verzoek. Toen [gedaagde A] als weduwe van [naam] zelf het perceel aangevraagd had is het perceel en na onderzoek aan haar toegewezen. De Staat stelt dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

3.5 [gedaagde A] heeft als verweer aangevoerd dat zij het perceel ettelijke jaren met haar man heeft bewoond en bewerkt en dat zij nimmer het perceel wilde verkopen aan [eiser], doch dat [eiser] haar man wist te overhalen door hem te manipuleren omdat hij, haar man dus, alcoholverslaafd was. Zij voert aan dat [eiser] op die manier misbruik maakte van de omstandigheden. Zij voert aan dat zij onder dwang een overeenkomst heeft ondertekend en niet in vrije wil. Zij voert aan dat zij na het overlijden van haar man het perceel heeft aangevraagd en dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

3.6 De kantonrechter overweegt dat, nu de Staat betwist dat zij op de hoogte was van de afspraken, haar geen onrechtmatig handelen kan worden verweten.

3.7 De kantonrechter overweegt dat uit de inlichtingen, verschaft tijdens de comparitie van partijen, ook geen duidelijkheid is ontstaan over de vraag waarom in 1991 niet op het verzoek van [naam] is beslist en in 2003 niet op het verzoek van [eiser] is beslist. Ook is niet duidelijk geworden waarom uiteindelijk pas in 2016 het perceel is uitgegeven aan [gedaagde A] als weduwe van de rechthebbende.

3.8 De kantonrechter is van oordeel dat, nu niet aannemelijk is geworden dat de Staat op de hoogte was van de afspraken noch dat de Staat rekening had moeten houden met de afspraken gemaakt tussen [eiser] en [naam], en [gedaagde A] zich beroept op wilsgebreken tijdens de afspraken, niet voldoende gronden aanwezig zijn om het gevorderde toe te wijzen. Partijen zullen de beoordeling van de bodemrechter moeten afwachten, die, zoals tijdens de comparitie is gebleken, reeds de zaak in onderzoek heeft.

3.9 Het gevorderde zal daarom worden afgewezen en [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie
3.10 [gedaagde A] vordert primair dat [eiser] wordt veroordeeld om aan haar te betalen de som van SRD.172.500,= en subsidiair dat [eiser] wordt verboden om [gedaagde A] te storen in de uitoefening van het recht dat zij verworven heeft. Zij voert als grondslag daarvoor aan dat haar man op 20 maart 2003 is overleden en dat de overeenkomst overgelegd door [eiser] niet in vrije wil is ondertekend. Zij betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

3.11 De kantonrechter overweegt dat [eiser] de geldvordering betwist waardoor deze door de bodemrechter zal moeten worden beoordeeld.

3.12 Voor wat het subsidiair gevorderde betreft, overweegt de kantonrechter dat nu in conventie reeds is geoordeeld dat onrechtmatig handelen van de Staat niet aannemelijk is geworden, en het conventioneel gevorderde niet kan worden toegewezen, het gevorderde in reconventie kan worden toegewezen, immers is [gedaagde A] in het bezit van een rechtsgeldige titel. De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd, achtende de kantonrechter het bij petitum gevorderde bovenmatig.

3.13 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en [eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing

In conventie
6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2.Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat en [gedaagde A] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

In reconventie
6.3 Verbiedt [eiser] om [gedaagde A] te hinderen in haar uitoefening van het recht dat zij heeft verworven op het ten rekeste vermeld perceelland, namelijk het recht van grondhuur, op straffe van een dwangsom van SRD.1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.100.000,= (eenhonderd duizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat [eiser] in strijd handelt met dit verbod;

6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde A] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. I. S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 20 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran