SRU-K1-2004-6

A.R.No. 041994
31 AUGUSTUS 2004
A.S.

B.V. KOFFIEBRANDERIJ EN THEEHANDEL ” HET KLAVERBLAD”, rechtspersoon naar het recht van het Koninkrijk der Nederlanden, gevestigd te Ridderkerk, Nederland, en kantoorhoudende aldaar aan de Ridderpoort 18, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F. H. R. Lim A Postraat no. 14, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advocaat,
eiseres in kort geding,

tegen

A. [gedaagde sub A] N.V. i.o., gevestigd en kantoorhoudende te [district 1] aan [adres 1];
B. [gedaagde sub B], wonende in [district 2] aan [adres 2];
C. [gedaagde sub C], wonende te [district 2] aan [adres 3]. Gedaagden sub B en C zijn de vennoten van gedaagde sub A en alszodanig verantwoordelijk en aansprakelijk voor de door gedaagde sub A verrichte handelingen, door wie tot hun allen gemachtigde optreedt, Mr. A. R. Baarh, advocaat,
gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton, Gezien de stukken, Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten;
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C zal worden verboden thee op de markt in Suriname te brengen in een groene doos, rechthoekig van afmeting, met daarop aangebracht RICH BREAKFAST TEA, ” RICH ” in gele letters en ” BREAKFAST TEA” in witte letters, op een rode vierkant, omsloten door gele banden of lijnen, met de volgende gebruiksaanwijzing: ”Gebruiksaanwijzing: Bij voorkeur een stenen theepot gebruiken. Vooraf de theepot omspoelen met heet water. De theepot vullen met vers, kokend water en daarna twee theezakjes in de pot hangen en tussen de 4 en 6 minuten laten trekken. De zakjes verwijderen en de thee serveren. Belangrijk: Reinig de theepot altijd met schoon, heet water en gebruik nooit een afwas middel. N.B.: In de gebieden met ”hard” leiding water het water 3 minuten laten door koken” en voormelde handelingen, althans handeling gestaakt te houden, met veroordeling van gedaagden om voor elke dag, dat zij voormelde verboden, althans voormeld verbod overtreden aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van SRD 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd Surinaamse Dollar);

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten Mr. F. Kruisland en Mr. A R Baarh, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd,

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagden een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, onder overlegging van producties, waarvan de inhoud, alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben afgepleit, waar is opgemaakt een proces-verbaal waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden aangemerkt;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging productie zijdens eiseres bepaald, diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens gedaagde bepaald, diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor comparitie van partijen en uitlating zijdens eiseres over de door gedaagden overgelegde productie bepaald, de comparitie is gehouden en heeft gemachtigde van eiseres zich uitgelaten over de door gedaagden overgelegde productie, waarvan de inhoud als ingelast wordt aangemerkt;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:
Overwegende, dat gedaagden hun formeel verweer- voorzover ten deze van belang-hiertoe strekt, dat eiseres geen spoedeisend belang heeft bij de onderhavige vordering omdat gedaagde sub A reeds vanaf 31 januari 2001 thee in de litigieuze dozen in Suriname in de handel brengt; dat eiseres langer dan drie jaren stilgezeten heeft en niets tegen gedaagden althans gedaagde sub A heeft ondernomen;

Overwegende, aangaande voormeld verweer: Eiseres heeft in het 7e ”sustenu” van het verzoekschrift gesteld, dat gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C onrechtmatig jegens haar handelen en dat zij- eiseres-dan ook recht en belang heeft redressering van het aldus aan haar aangedaan wordende onrecht in rechte te vorderen, dat zij -eiseres- door voormeld handelen van gedaagden grote schade lijdt doordat onder meer haar bedrijfsdebiet ernstig wordt aangetast in Suriname;

Overwegende, dat, nog daargelaten dat eiseres voormeld verweer van gedaagden als onjuist heeft weersproken, zij -eiseres- blijkens het zojuist gestelde in verband met het zijdens haar gevorderde, in het onderhavige geding maatregelen vraagt tot het beëindigen van de zijdens haar gestelde onrechtmatige toestand en het spoedeisend karakter harer vordering dan ook duidelijk daardoor heeft aangegeven;

Overwegende, dat Wij ter zake door gedaagden gevoerd verweer dan ook als onjuist en ongegrond verwerpen;

Overwegende toch, dat uit het procesdossier ondubbelzinnig blijkt, dat het Artikel ”Breakfast Thee” vanaf mei 1989 hier te lande op de markt wordt gebracht door Subisco International NV.;

Overwegende, dat, anders dan gedaagden hebben beweerd, niet Subisco International N.V., daarom gerechtigd is tot gebruik van het merk ” Breakfast Thee”, luidende artikel 2 van de Wet op de Industriële Eigendom aldus dat degene die een merk het eerst gebruikt ter onderscheiding van zijn fabrieks- of handelswaar, gerechtigd is tot exclusief gebruik daarvan, zijnde de thee, die onder het merk ”Breakfast Thee” door Subisco International N. V. vanaf mei 1989 van eiseres wordt afgenomen blijkens de Fax de dato 7 juni 2004, die niet zijdens gedaagden is betwist, de fabrieks- of handelswaar van eiseres en eiseres daar dan ook terecht gebruik van maakt, ook hier te lande;

Overwegende, dat, naar uit het zich in het procesdossier bevindend certificaat de dato 28 december 2001 blijkt, eiseres op 25 mei 2000 in het Merkenregister heeft doen inschrijven het litigieuze merk, alsgevolg waarvan zij ingevolge artikel 2 van de Wet op de Industriële Eigendom geacht wordt de eerste gebruiker te zijn, zijnde zijdens gedaagden – naar Ons gebleken is- op generlei wijze aangevoerd, dat eiseres dat niet is;

Overwegende, dat eiseres op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden, heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op minuut en op alle dagen en uren, gedaagde sub A en/of gedaagde sub B en/of gedaagde sub C te verbieden thee op de markt in Suriname te brengen in een groene doos, rechthoekig van afmeting, met daarop aangebracht Rich Breakfast Tea, ”Rich” in gele letters en ”Breakfast Tea” in witte letters, op een rode vierkant, omsloten door gele banden of lijnen, met de volgende gebruiksaanwijzing:

Bij voorkeur een stenen theepot gebruiken. Vooraf de theepot omspoelen met heet water. De theepot vullen met vers, kokend water en daarna twee theezakjes in de pot hangen en tussen de 4 en 6 minuten laten trekken. De zakjes verwijderen en de thee serveren. Belangrijk: Reinig de theepot altijd met schoon, heet water en gebruik nooit een afwas middel. N.B.: In de gebieden met ”hard” leiding water het water 3 minuten laten door koken”.

Overwegende, dat Wij in het zijdens eiseres in het 4e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde gerede aanleiding vinden aan de orde te stellen en- zo mogelijk- te beantwoorden de navolgende vragen te weten:

  1. wat houdt het onderscheidend vermogen van een merk in en
  2. is de mate van onderscheidend vermogen van een merk van invloed op zijn beschermingsomvang;

Overwegende, dat Wij, overgaande tot beantwoording van de eerste vraag opmerken, dat een teken geacht kan worden het wettelijk vereiste onderscheidend vermogen te hebben, indien het geschikt is om de waar of de waren van de merkhouder van soortgelijke waren te onderscheiden;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot de tweede vraag voorts opmerken, dat Wij het bestaan van een zogenaamde zwak merk, dat wil zeggen een merk met een gering onderscheidend vermogen, dat zijn funktie ( de waar te onderscheiden van een soortgelijke waar) minder goed vervult. Dat geringe onderscheidend vermogen is van invloed op de beschermingsomvang. Een zwak merk is minder spoedig overeenstemmend met een ander merk of teken, omdat het minder spoedig door het gebruik van een ander teken in herinnering van het publiek zal worden teruggeroepen. Derhalve luidt het antwoord op het eerste onderdeel van de tweede vraag dat, naarmate het onderscheidend vermogen van een merk geringer is, tussen het merk en een conflicterend teken een grote mate van gelijkenis moet bestaan, wil dat teken als met het merk overeenstemmend kunnen worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij, ofschoon voormeld antwoord, in overeenstemming is met de heersende leer, betwijfelen of het gesteund kan worden op de stelling dat een conflicterend teken minder spoedig het zwakke merk in herinnering zal terugroepen danwel daarmede zal worden geassocieerd;

Overwegende, dat, naar Ons oordeel de kans op associatie bij zwakke merken even groot is als bij merken, met een normaal onderscheidend vermogen, hoewel hiertegen kan worden ingebracht dat het ondoenlijk is met enige mate van zekerheid vast te stellen of in een bepaald geval een associatie van een teken met het eisende merk althans een in herinnering terugroepen van het merk, spoedig dan wel minder spoedig ( minder vaak, minder omvangrijk, minder aannemelijk) plaatsvindt;

Overwegende, dat Wij niettemin juist achten de opvatting dat wie een zwak merk kiest, dat toespelend van aard is, als in dit cas, zo een merk slechts beschermd ziet tegen een overname in zodanige uiterlijke vorm dat, los van de begripsmatige overeenstemming, zowel visueel als auditief gelijkenis bestaat;

Overwegende, dat de door Ons gepleegde waarnemingen van de door partijen in het onderhavige geding gebrachte dozen, Ons tot dit oordeel doen komen, dat het uiterlijk en de samenstelling van de dozen afkomstig van en door eiseres in het onderhavige geding gebracht, in dit cas bescherming verdienen tegen overname door gedaagden in zodanige uiterlijke en samenstellende vorm dat, afgezien van de begripsmatige overeenstemming, zowel visueel als auditief gelijkenis bestaat;

Overwegende, dat Wij het bovendien niet billijk vinden eiseres, die, naar Wij aannemen, ten koste van vele inspanningen in het bijzonder haar merk zo bekend en geliefd heeft gemaakt, dat het publiek (gesteund door pers en televisie) dit als naam van het produkt is gaan gebruiken, niet ( meer) tegen inbreuk te beschermen;

Overwegende, dat Wij, bespreking van de overige stellingen van partijen geheel in het midden latend als niet langer relevant, dan ook beslissen zullen als in het dictum te melden, onder verwijzing van gedaagde sub A en gedaagde sub B en gedaagde sub C als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Verbieden gedaagde sub A en gedaagde sub B en gedaagde sub C thee op de markt in Suriname te brengen in een groene doos, rechthoekig van afmeting, met daarop aangebracht Rich Breakfast Tea ”Rich” in gele letters en ” Breakfast Tea” in witte letters, op een rode vierkant, omsloten door gele banden en lijnen, met de volgende gebruiksaanwijzing: ”Gebruiksaanwijzing: Bij voorkeur een stenen theepot gebruiken. Vooraf de theepot omspoelen met heet water. De theepot vullen met vers, kokend water en daarna twee theezakjes in de pot hangen en tussen de 4 en 6 minuten laten trekken. De zakjes verwijderen en de thee serveren. Belangrijk: Reinig de theepot altijd met schoon, heet water en gebruik nooit een afwasmiddel. N.B. In de gebieden met ”hard” leiding water het water 3 minuten laten door koken” en voormelde handelingen gestaakt te houden, met veroordeling van gedaagden voor elke dag dat zij voormelde verboden overtreden aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van SRD 2500,- (Tweeduizend en vijfhonderd Surinaamse Dollar).

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eisere gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.

Weigeren het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag 31 augustus 2004, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.J.R.Von Niesewand, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, Mr.S.Tika.

SRU-K1-2017-16

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 17- 4072
26 september 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

SPORT VERENIGING OEMA SOSO, afgekort SV “Oemasoso”, rechtspersoon,
kantoorhoudende aan de Eduardstraat no. 21 te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

tegen

SURINAAMSE VOETBAL BOND, afgekort S.V.B., rechtspersoon,
kantoorhoudende aan de Leatitia Vriesdelaan no. 07 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
Eiseres heeft op 22 september 2017 het inleidend verzoekschrift met producties op de Griffie der kantongerechten ingediend. Vervolgens heeft eiseres op de eerste dag van de behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting d.d. 22 september 2017 voor eis geconcludeerd, overeenkomstig de stellingen en de vordering zoals vermeld in het inleidend verzoekschrift.

Vanwege de spoedeisendheid van de zaak hebben partijen mondeling gepleit, en hebben producties overgelegd.

Na het mondeling pleiten hebben partijen, na daartoe de behoefte kenbaar te hebben gemaakt, zich op 25 september 2017 middels het nemen van een conclusie schriftelijk uitgelaten over de producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde is een vereniging met rechtspersoonlijkheid dat zich ten doel stelt het beoefenen van de voetbalsport in Suriname in de ruimste zin des woords en in al haar verschijningsvormen en daarbij de saamhorigheid, het spelpeil en de sportiviteit te bevorderen, te coördineren en te begeleiden.

2.2 Eiseres is een vrouwen voetbalteam. De speelsters [speelster 1], [speelster 2] en [speelster 3] maken deel uit van het voetbalteam van eiseres.

2.3 Eiseres heeft in maart 2017 van gedaagde een uitnodiging ontvangen voor deelname aan de “Vrouwenvoetbalcompetitie”.

2.4 Op 03 september 2017 heeft zich kort na afloop van een voetbalwedstrijd een incident op het voetbalveld voorgedaan tussen de hiervoor onder 2.2 genoemde speelsters van eiseres.
Vanwege dit incident heeft gedaagde op 06 september 2017 aan eiseres per email de volgende mededeling gedaan:
“Middels deze deelt de administratie van de SVB U mede, dat aan de hand van het rapport van de Match Commissioner de speelsters [speelster 3], [speelster 1] en [speelster 2] zich hebben misdragen na de wedstrijd Oema Soso – Ascona dd. 03 september 2017.

Bovengenoemde speelsters zijn ongerechtigd uit te komen in de eerst volgende wedstrijd.

Zij moeten op zaterdag 09 september 2017 verschijnen voor het Tuchtcollege in het Bondsgebouw van de SVB om 10.00u v.m.”

2.5 De eerstvolgende wedstrijd vond plaats op 08 september 2017 tussen eiseres en Dosko, zonder de bedoelde speelsters van eiseres.

2.6 Op 09 september 2017 zijn de bedoelde speelsters voor het tuchtcollege van gedaagde verschenen. Het college heeft elk van de speelsters afzonderlijk op grond van ernstig wangedrag een tuchtstraf opgelegd, te weten:
[speelster 1]: 3 wedstrijden onvoorwaardelijk;
[speelster 2]: 3 wedstrijden onvoorwaardelijk;
[speelster 3]: 5 wedstrijden onvoorwaardelijk.
Tegen de uitspraak van het tuchtcollege heeft eiseres beroep aangetekend. Op 16 september 2017 heeft gedaagde de uitspraak van het tuchtcollege bevestigd.

2.7 Vanwege de opgelegde tuchtstraf mogen de bedoelde speelsters – die als de 3 belangrijke basisspeelsters door eiseres worden aangemerkt – niet deelnemen aan 3 dan wel 5 wedstrijden, en hebben zij totnogtoe aan 2 wedstrijden niet kunnen deelnemen, waaronder de kampioenwedstrijd tussen eiseres en Ascona. Op 12 september 2017 vond de kampioenwedstrijd – zonder de drie speelsters -tussen eiseres en Ascona plaats, doch onder protest van eiseres.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

a) de werking van de beslissingen (uitspraken) van het Tuchtcollege van de S.V.B. d.d. 09 september 2017 getekend door de Voorzitter D. Muntslag, waarbij onder het punt “UITSPRAAK” resp. is aangegeven:
speelster [speelster 1] 3(drie) wedstrijden onvoorwaardelijk;
speelster [speelster 2] 3 (drie) wedstrijden onvoorwaardelijk;
speelster [speelster 3] 5 (vijf) wedstrijden onvoorwaardelijk,
te schorsen danwel op te schorten totdat door de bodemrechter is beslist over de rechtmatigheid hiervan;
b) eiseres toe te staan dat de kampioenwedstrijd van dinsdag 12 september 2017 van SV Oema Soso tegen Ascona opnieuw wordt uitgespeeld, met inbegrip van de hiervoor genoemde speelsters;
c) gedaagde te veroordelen om binnen 48 uur na de uitspraak in samenspraak met eiseres dag, tijdstip, locatie en voorwaarden te bepalen voor het opnieuw doen spelen van de wedstrijd van 12 september 2017, te weten SV Oema Soso tegen Ascona, welke wedstrijd uiterlijk 30 september 2017 dient te worden gespeeld, met alle gevolgen van dien voor de volgorde op de ranglijst, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 50.000,- voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft hieraan te voldoen;
d) gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde onbevoegd is tuchtstraffen aan de speelsters op te leggen en de opgelegde tuchtstraf dus onrechtmatig is. Daartoe stelt zij, tegen de achtergond van de feiten vermeld onder 2, dat de door gedaagde vastgestelde regels in de Statuten, het Huishoudelijk Reglement en het Reglement voor de Jaarlijkse Nationale Competitie niet op haar en haar speelsters van toepassing zijn. Dit, omdat zij geen lid is van gedaagde.
Als gevolg van de door gedaagde onbevoegd genomen uitspraak jegens de speelsters lijdt eiseres schade, en wel in die zin dat zij vanwege het niet kunnen inzetten van de drie voor haar belangrijke speelsters voor de kampioenwedstrijd zij die wedstrijd heeft verloren.
Als spoedeisend belang stelt eiseres dat begin oktober 2017 de transferperiode voor voetbalverenigingen plaatsvindt en zal om die reden de opnieuw te spelen wedstrijd vóór de transferperiode en dus uiterlijk 30 september 2017 moeten worden afgewerkt.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover dat voor de beslissing van de belang is, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiseres, met name de transferperiode die begin oktober van dit jaar zal plaatsvinden. Vanwege dat spoedeisend belang zal eiseres worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiseres niet ontvankelijk is in de onderhavige vordering. Daartoe heeft gedaagde eerstens aangevoerd dat eiseres geen rechtspersoonlijkheid bezit. In reactie op dit verweer heeft eiseres ter staving van haar stelling dat zij wel rechtspersoonlijkheid bezit, een fotokopie van haar statuten en van het Advertentieblad van de Republiek Suriname waarin de publicatie ter zake heeft plaatsgevonden ten processe overgelegd. Nu deze producties niet van valsheid zijn beticht, is voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat eiseres wel een vereniging is die rechtspersoonlijkheid bezit. Om die reden wordt het ter zake door gedaagde opgeworpen verweer verworpen.

4.3 Vervolgens heeft gedaagde in het kader van het door haar opgeworpen niet -ontvankelijkheidsverweer het hierna volgende aangevoerd:
– als eiseres stelt dat gedaagde onbevoegd is een tuchtstraf aan de speelsters op te leggen, dan kan zij geen schorsing vorderen, omdat het besluit dan nietig is;
– eiseres heeft nagelaten te stellen en vorderen welke spelregels van toepassing zouden moeten zijn voor de wedstrijd die zij opnieuw wenst te spelen. Dient de wedstrijd – aldus de vraag c.q. het verweer van gedaagde – te geschieden, hetzij conform de spelregels van gedaagde, hetzij zonder spelregels of de spelregels van eiseres?;
– eiseres diende ook Ascona in het proces te betrekken, omdat de derde waartegen eiseres de kampioenwedstrijd opnieuw wenst te spelen zich ook zal moeten committeren aan de nog vast te stellen voorwaarden c.q. spelregels;
– eiseres heeft geen belang bij het indienen van de onderhavige vordering, omdat het drie van haar speelsters zijn die een tuchtstraf opgelegd hebben gekregen, en niet eiseres of haar bestuursleden met vertegenwoordigingsbevoegdheid belast. Eiseres heeft zich niet opgeworpen om de speelsters te vertegenwoordigen bij de Tuchtcommissie en nergens uit de Statuten van eiseres blijkt dat zij de individuele leden in rechte vertegenwoordigt.

4.4 Evenals gedaagde, kan de kantonrechter de grondslag van de door eiseres gevraagde voorzieningen niet volgen. Eiseres zelf betoogt dat zij geen lid van gedaagde is en dat om die reden de regels van gedaagde niet op haar en haar speelsters van toepassing zijn. Dit betoog maakt het voor de kantonrechter volstrekt onbegrijpelijk waarom eiseres dan schorsing van de door gedaagde aan de bedoelde speelsters opgelegde tuchtmaatregel aanvecht. Uitgaande van het betoog van eiseres, zou eiseres naar het oordeel van de kantonrechter de aan haar speelsters opgelegde tuchtmaatregel naast zich kunnen neerleggen en de speelsters gewoon laten deelnemen aan de kampioenwedstrijd of zelfs kunnen afzien van verdere deelname aan de kampioenwedstrijd en andere nog door gedaagde te houden voetbalwedstrijden. Immers, eiseres heeft op uitnodiging van gedaagde en dus uit vrije wil deelgenomen aan de wedstrijd en zou zij naar het oordeel van de kantonrechter dus ook uit vrije wil kunnen afzien voor verdere deelname aan wedstrijden van gedaagde.
Daar de grondslag volstrekt onbegrijpelijk is, zal de kantonrechter de door eiseres gevraagde voorzieningen als een obscuur libel dienen aan te merken. Hieruit vloeit voort dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de gevraagde voorzieningen.

4.5 Ten overvloede oordeelt de kantonrechter, dat ook al zou eiseres van inzichten zijn veranderd dat de door gedaagde vastgestelde regels wel op haar en haar speelsters van toepassing zouden zijn, zij dan nog niet ontvankelijk zou worden verklaard in de door haar gevraagde voorzieningen, en wel op grond van de hierna volgende overweging.
Niet aan eiseres als voetbalteam is een tuchtstraf opgelegd, doch aan drie van en voor haar belangrijke speelsters. Dit betekent dat eiseres dus wel heeft kunnen deelnemen aan de wedstrijd, zijnde de kampioenwedstrijd. Zoals de kantonrechter eiseres begrijpt, heeft haar voetbalteam vanwege de uitsluiting van de drie voor haar belangrijke speelsters voor deelname aan de kampioenwedstrijd, die wedstrijd verloren en dient deze wedstrijd om die reden opnieuw gespeeld te worden. Deze redenering kan de kantonrechter niet volgen, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat elk team reserve spelers heeft ingeval een andere speler wegens een overmachtssituatie (blessure, ziekte, etc.) komt weg te vallen.
Ook de stelling van eiseres dat zij opkomt voor de belangen van de drie speelsters en zij in dat kader het door gedaagde onbevoegd genomen besluit aanvecht, kan de kantonrechter niet volgen. Dit, omdat geenszins uit haar Statuten of enige wettelijke bepaling is gebleken dat zij als voetbalvereniging bevoegd is namens de drie voor haar belangrijkste speelsters te procederen. Het zou anders zijn als eiseres de wettelijke vertegenwoordigster (ouder, voogd, curator) van de drie speelsters was, indien deze minderjarig zouden zijn of onder curatele waren, doch doet zulks zich in het onderhavige geval niet voor.

4.6 Nu eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar gevorderde, behoeven de overige stellingen en weren geen verdere bespreking. Dit, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zouden leiden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de door haar gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 26 september 2017 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2011-15

A.R. no. 103584
14 juli 2011

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiseres sub a], gehuwd [achternaam 1],
B. [eiseres sub b],
beiden wonende te [district],
eiseressen in kort geding,
gemachtigde: mr. A.E. Veldema, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district]
gedaagde in kort geding,
gevolmachtigde: dhr. M.H. Visser.

De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uitgesproken.

1. Het verloop van het geding
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/ -handelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 30 augustus 2010 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek met producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Feit
Gedaagde woont aan [adres 1].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde.
3.1 Eiseressen vorderen om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. gedaagde te veroordelen om binnen een maand na de uitspraak van dit vonnis het beneden gedeelte van het pand gelegen te [district] aan [adres 2] geheel te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle zich zijnentwege bevindende personen en goederen onder afgifte van de sleutels aan eiseressen en of hun gemachtigde,
b. eiseressen te machtigen om indien gedaagde met de ontruiming in gebreke blijft, deze ontruiming zelf uit te voeren desnoods met behulp van de sterke arm.

Eiseressen vorderen tevens dat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Eiseressen hebben behalve de vaststaande feiten aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft en zich jegens hen schuldig maakt aan een onrechtmatige daad. Dat zij zelf gebruik wensen te maken van hun eigendom omdat zij dringend behoefte hebben aan woonruimte.

3.2 Gedaagde heeft tegen de vordering verweer gevoerd.
Voor zover nodig zal de kantonrechter hieronder daarop terugkomen.

4. De beoordeling
4.1 Eiseressen stellen ter motivering van hetgeen zij aan hun vordering ten grondslag leggen dat zij tezamen, elk voor 6/12 aandeel gerechtigd zijn tot het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot driehonderd drie en zestig, zestig/honderste vierkante meter, gelegen in [district] aan de [straat] en aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname J.G. van der Jagt van 2 september 2004 met de letters ABCD en bekend als [wijk] [nummer], welk perceelland heeft toebehoord aan [persoon].
Zij leggen ter ondersteuning onder meer over, een verklaring van erfrecht waarin staat dat laatstgenoemde bij testament van vijf en twintig augustus negentienhonderd drie en veertig zijn echtgenote [naam 1] tot zijn enige erfgename heeft benoemd. Tevens staat daarin dat vermelde [naam 1] in aanmerking genomen, de legitieme portie van de wettige erfgenamen van [persoon] voornoemd bevoegd was om te beschikken over tien/twaalfde deel van de ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap tussen haar en [persoon]. Voorts staat daarin dat [naam 1] is overleden op 10 oktober negentienhonderd drie en tachtig en bij testament het woonhuis aan [adres 3] te [district] heeft gelegateerd gezamenlijk en voor gelijke delen aan [achternaam 2] geboren [achternaam 3] en [naam 2] geboren [achternaam 3] en heeft zij [eiseres sub a], gehuwd [achternaam 1] (toevoeging: rechter eiseres, sub A dus), benoemd als haar enige erfgenaam van haar gehele nalatenschap.

4.2 Onbetwist is dat eiseres sub B een der wettige erfgenamen is van de persoon van [naam 2] geboren [achternaam 3] in vermelde de verklaring van erfrecht genoemd als [naam 3].

4.3 Gedaagde voert als verweer aan dat eiseressen de ontruiming vorderen van het beneden gedeelte van het pand gelegen te [district] aan [adres 2], het nummer waarop hij woont, maar dat uit de door eiseressen overgelegde producties niet blijkt dat het perceel dat zij “geërfd” hebben hetzelfde perceel is waarvan de ontruiming wordt gevorderd.Eiseressen reageren hierop door te stellen dat in de overgelegde verklaring van erfrecht uitdrukkelijk staat vermeld: het woonhuis [adres 3] te [district] of mijn aandeel daarin wordt bedoeld het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen aan de [straat], bekend als [wijk] [nummer]. Met deze stelling is niet komen vast te staan dat eiseressen enig recht toekomt om de ontruiming te vorderen van gedaagde die woont aan [adres 2].Eiseressen worden daarom geacht geen belang te hebben bij het vorderen van de ontruiming van gedaagde van de woning gelegen aan [adres 2]. Eiseressen zullen daarom niet ontvangen worden in hun vordering.

4.4 De kantonrechter overweegt ten overloede dat ook indien er geen twist bestond tussen partijen omtrent de kadastrale aanduiding van het perceelland deze vordering geen kans van slagen zou hebben omdat de kantonrechter het eens is met het verweer van gedaagde welk erop neerkomt dat eiseres sub A noch eiseres sub B enig zakelijk recht hebben op het onroerend goed waarvan zij de ontruiming vorderen. Dat immers eiseres sub A met betrekking tot vermeld onroerend goed slechts gehouden is tot levering van dit perceel als legaat aan onder andere eiseres sub B en dat laatstgenoemde met betrekking tot het litigieuze onroerend goed slechts een vorderingsrecht heeft. De stelling dat zij zelf gebruik wensen te maken van hun eigendom is daarom onjuist.

4.5 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zullen eiseressen niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

4.6 Eiseressen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing in kort geding
5.1 Verklaart eiseressen niet ontvankelijk in hun vordering.

5.2 Veroordeelt eiseressen in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton te Paramaribo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 14 juli 2011 door mr. R.G. Rodrigues, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de substituut griffier mr. L.J. van Bossé.

w.g. L.J. van Bossé. w.g. S.S.S. Wijnhard
R.G. Rodrigues

SRU-K1-2012-13

Vonnis in kort geding in de zaak van
A.R. no. 111883
26 januari 2012

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A], h.o.d.n. BodyNsoul Photography,
B. [gedaagde sub B],
beiden wonende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, Jr. advocaat,

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 9 mei 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 BodyNsoul Photography is een onderneming op het gebied van fotografie, welke in december 2006 door gedaagde sub A werd opgericht.

2.2 In januari 2009 is BodyNsoul Photography een samenwerkingsverband aangegaan met o.a. eiser. Eiser heeft dit samenwerkingsverband met BodyNsoul Photography per 1 september 2010 beëindigd.

2.3 Eiser heeft bij de beëindiging van het samenwerkingsverband met BodyNsoul Photography files en back-up files meegenomen.

2.4 Op 10 december 2010 heeft gedaagde sub A op de website www.bodynsoulphoto-graphy.com, het volgende bericht gepubliceerd: “[voornaam eiser] departure as a partner did not go without any troubles, as he left with many files that were taken in joint copyright ownership.The partnership as agreed between the partners in 2009 ensured joint copyrights. BodyNsoul Photography is taking proper action to ensure the availability of the files for her clients and to protect her assets. BodyNsoul Photography is by no means responsible for any transactions with [eiser] now or in the last 2 years, unless there is a duty signed agreement with BodyNsoul Photography”.

2.5 Op 11 december 2010 heeft gedaagde sub B de volgende publicatie gedaan op facebook: “oplichterij van ex-partner [eiser]…”.

2.6 Op 11 december 2010 heeft gedaagde sub A op faceboook gepubliceerd: “Eigenlijk een verhaal van Greed, Ego, Verraad, Diefstal, Oplichterij en alle andere slechte dingen die een mens kan hebben. Heb het nu van zo dichtbij meegemaakt, hoe een vriend en partner, die ik in me huis heb genomen, je kan verraden, oplichten, achter je rug om dingen kan doen, messteken in de rug kan geven terwijl hij met je lacht”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagden tot verwijdering en rectificatie van de geplaatste berichten en voorts tot betaling van schadevergoeding.

3.2 Eiser stelt dat gedaagden met de door hen gepubliceerde berichten zich hebben schuldig gemaakt aan laster of belediging jegens hem. Met de aantijgingen op het internet hebben gedaagden de goede naam en eer van eiser aangerand. Eiser meent schade te hebben geleden door de handelingen van gedaagden. Volgens eiser dienen gedaagden de door hem geleden schade te betalen.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Toewijzing van de vorderingen van eiser, waaronder die tot het plaatsen van een rectificatie, zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ), vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ook wel artikel 19 van het BUPO-Verdrag). Een dergelijke beperking is ingevolgde artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn.

4.3 Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagden onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen.

4.4 Over der vraag of de inhoud van het artikel steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Alhoewel partijen het er over eens zijn dat eiser files en back-up files heeft meegenomen bij zijn vertrek, is het niet aannemelijke geworden dat eiser toestemming van gedaagden daarvoor nodig had. Evenmin is gebleken dat eiser zich door voornoemde handelingen heeft schuldig gemaakt aan diefstal, verraad en oplichting, zoals in de publicaties wordt geïnsinueerd. Ten onrechte stellen gedaagden zich dan ook op het standpunt dat de uitspraken op waarheid berusten.

4.5 Gedaagden hebben voorts betoogd dat de betekenis die aan de woorden moeten worden gehecht niet die betekenis is zoals omschreven in art. 411 en 412 WvSr. (Wetboek van Strafrecht) – verraad -, art. 386 WvSr. – oplichting – en art. 370WvSr. – diefstal. Volgens hen dient de betekenis die hieraan gegeven moet worden die welke gangbaar is in het maatschappelijk verkeer. Deze zienswijze van gedaagden wordt niet gevolgd. Het is de kantonrechter onduidelijk aan welke betekenis in het maatschappelijk verkeer de door gedaagden gebruikte woorden dienen te worden gekoppeld. De gebruikte woorden zijn heel duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar en zeker niet in de context waarin ze zijn gebruikt. Het is dan ook onterecht dat gedaagden ervan uitgaan dat de uitspraken geenszins een beledigend karakter hebben.

4.6 De conclusie tot zover is dat de door gedaagden gebezigde woorden wel onrechtmatig jegens eiser worden geacht. Het enkele feit dat gedaagden hebben gehandeld naar hun positie binnen de maatschappij, zoals zij betogen, ontneemt aan de gepubliceerde berichten niet het onrechtmatig karakter.

4.7 Over de toewijsbaarheid van de verschillende vorderingen wordt voorts het volgende overwogen.

4.7.1 Voldoende aannemelijk is dat eiser door het gebruik van de gepubliceerde berichten schade heeft geleden en, voor zover deze nog op facebook en de website te zien zijn, nog lijdt. Een voorziening met een hierna in het dictum vermelde inhoud, is dan ook op zijn plaats. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat in de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht. Het belang van gedaagden niet te worden beknot in hun vrijheid van meningsuiting, weegt, mede in het licht van de beperkte strekking van de te geven voorziening in dit geval niet op tegen het belang van eiser om gevrijwaard te blijven van ongegronde beschuldigingen.

4.8 Alhoewel eiser geen dwangsom heeft gevorderd, acht de kantonrechter toewijzing daarvan onder de gegeven omstandigheden toewijsbaar.

4.9 Voor de vordering tot schadevergoeding geldt dat voor toewijzing daarvan slechts plaats is, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Eiser vordert een schadebedrag van US$ 4.400,= vermeerderd met de wettelijke rente. Hij stelt dat de schade betreft de daling van zijn gemiddelde maandomzet als gevolg van de door gedaagden geplaatste berichten.

4.9.1 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de door eiser overgelegde lijst ter onderbouwing van de door hem geleden schade onvoldoende om een eventueel geleden schade vast te stellen, nu deze gemotiveerd is betwist door gedaagden en er geen aanknopingspunten zijn om de door eiser genoemde bedragen te verifiëren. Geconcludeerd wordt dat de schade niet aannemelijk is geworden, en dient te worden afgewezen.

4.10 Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

4.11 Op grond van het voorgaande wordt bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig geacht.

5. De beslissing
5.1 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis bij de exploitanten van Facebook een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van het op http.www.facebook.com gepubliceerd bericht: “Eigenlijk een verhaal van Greed, Ego, Verraad, Diefstal, Oplichterij en alle andere slechte dingen die een mens kan hebben. Heb het nu van zo dichtbij meegemaakt, hoe een vriend en partner, die ik in me huis heb genomen, je kan verraden, oplichten, achter je rug om dingen kan doen, messteken in de rug kan geven terwijl hij met je lacht”.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub A om gelijktijdig een afschrift van het onder 5.1 omschreven schriftelijk verzoek aan eiser te doen toekomen;

5.3 Veroordeelt gedaagde sub B om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd houden het op de website www.bodynsoulphotography.com, gepubliceerde bericht te weten: “[eiser] departure as a partner did not go without any troubles, as he left with many files that were taken in joint copyright ownership. The partnership as agreed between the partners in 2009 ensured joint copyrights. BodyNsoul Photography is taking proper action to ensure the availability of the files for her clients and to protect her assets. BodyNsoul Photography is by no means responsible for any transactions with [eiser] now or in the last 2 years, unless there is a duty signed agreement with BodyNsoul Photography”.

5.4 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis, gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag één maand, op de eerste pagina van een door hem te (her)openen profiel op www.facebook.com, een rectificatie te plaatsen met uitsluitend de navolgende inhoud zonder toevoeging van enig commentaar, voor wat opmaak en de inhoud betreft in hetzelfde lettertype als het artikel en op de zelfde pagina als het artikel:“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]:In een publicatie op mijn facebook profiel heb ik in december 2010 mededelingen gedaan over de persoon van [eiser]. De kantonrechter in kort geding heeft bij vonnis van 26 januari 2012 geoordeeld dat de mededelingen onrechtmatig zijn jegens [eiser], aangezien de suggestie wordt gewekt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal, verduistering en/of oplichterij. Ook zijn er overige verdachtmakingen gemaakt jegens [eiser]. Deze suggesties vinden naar het oordeel van de kantonrechter geen steun in het thans beschikbare feitenmateriaal. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op facebook. [gedaagde sub A], h.o.d.n. BodyNsoulPhotography”.

5.5 Veroordeelt gedaagde sub B om binnen 1 (één) week na betekening van dit vonnis, gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag één maand, op de eerste pagina van een door hem te (her)openen profiel op www.facebook.com, een rectificatie te plaatsen met uitsluitend de navolgende inhoud zonder toevoeging van enig commentaar, voor wat opmaak en de inhoud betreft in hetzelfde lettertype als het artikel en op de zelfde pagina als het artikel:“RECTIFICATIE INZAKE [eiser]:In een publicatie op mijn facebook profiel heb ik in december 2010 mededelingen gedaan over de persoon van [eiser]. De kantonrechter in kort geding heeft bij vonnis van 26 januari 2012 geoordeeld dat de mededelingen onrechtmatig zijn jegens [eiser], aangezien de suggestie wordt gewekt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichterij. Deze suggestie vindt naar het oordeel van de kantonrechter geen steun in het thans beschikbare feitenmateriaal. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op facebook.[gedaagde sub B]”.

5.6 Veroordeelt gedaagden ieder afzonderlijk, tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar).

5.7 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.8 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 350,= (driehonderd vijftig Surinaamse Dollar).

5.9. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 26 januari 2012 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

SRU-K1-2015-13

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 10-4150
17 maart 2015

Vonnis inzake:

[persoon],
wonende te [district],
eiser in conventie en gedaagde in reconventie,
gemachtigde van eiser: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
hierna te noemen [persoon],

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUURMAATSCHAPPIJ MA RETRAITE, rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde van gedaagde A: mr. C. Baal, advocaat,
hierna te noemen Ma Retraite,

B. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP NORTH COAST REAL ESTATE, rechtspersoon,
gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
gemachtigde van gedaagde B: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,
hierna te noemen North Coast.

Vooraf:
Ter verzekering van zijn vordering heeft [persoon], na daartoe verkregen toestemming door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 oktober 2010 conservatoir beslag doen leggen op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 432,72 m², gelegen te [district] aan [straat], op de kaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 15 januari 2010 met de letters ABCD en het [nummer 1], deel uitmakende van de grond [woonplaats] – hierna te noemen het perceelland – bij exploot van de deurwaarder D.E. Hew A Kee, deurwaarder bij het Hof van Justitie, d.d. 04 november 2010 [nummer 2].

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 17 november 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend met producties;
– de conclusie van antwoord zijdens Ma Retraite;
– de conclusie van antwoord zijdens North Coast en de eis in reconventie;
– de conclusie van repliek en van antwoord in reconventie;
– de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie zijdens North Coast;
– de conclusie van dupliek zijdens Ma Retraite;
– de conclusie van dupliek in reconventie zijdens [persoon].

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
2.1 De vordering in conventie
[persoon] vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
– Van waarde te verklaren het conservatoir beslag gelegd op het perceelland;
– Nietig te verklaren, althans te vernietigen de goederenrechtelijke en zakenrechtelijke koopovereenkomst tussen Ma Retraite en North Coast ten overstaan van de notaris mr. D. Alexander bij akte d.d. 22 januari 2010 verleden aangaande het perceel;
– De doorhaling te gelasten van de inschrijving ten hypotheekkantore op 28 januari 2010 in register C 1954 onder [nummer 3] van voornoemde akte van verkoop en koop;
– North Coast te veroordelen om binnen een week na het in dezen te wijzen vonnis aan de juridische levering zijn medewerking ten overstaan van notaris mr. J.G. Kemp te verlenen van het perceelland, onder verbeurte van een dwangsom van SD 5.000,- voor elke dag waarbij Ma Retraite niet aan het vonnis voldoet.

Subsidiair:
– Ma Retraite en North Coast te veroordelen om aan [persoon] bij wege van schade te betalen het bedrag ad SRD 120.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 22 januari 2010, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd;
– Ma Retraite en North Coast te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2 De grondslag in conventie
[persoon] heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd:
[persoon] heeft op 30 november 1981 van Ma Retraite gekocht, het perceelland voor de koopsom van Sf 12.981,60.
Op 15 maart 1988 heeft hij de gehele koopsom voldaan. In het jaar 2008 kwam hij erachter dat het perceelland nog niet op zijn naam was overgeschreven.
Op 28 januari 2010 heeft de [heer] in de hoedanigheid van liquidateur van Ma Retraite, in liquidatie van Ma Retraite het perceelland verkocht aan North Coast.
Ma Retraite heeft wanprestatie gepleegd jegens [persoon]. [persoon] is namelijk verkort in zijn geldelijk verhaalsrecht, waardoor een beroep op de actio Pauliana openstaat.

2.3 De vordering in reconventie
North Coast vordert – kort gezegd – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– De opheffing te gelasten van het bij deurwaarder D.E. Hew A Kee gelegd conservatoir beslag d.d. 04 november 2010, [nummer 2] op het perceelland;
– [persoon] te veroordelen in de kosten van het geding.

2.4 De grondslag in reconventie
North Coast heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.North Coast heeft geheel te goeder trouw op 28 januari 2010 van Ma Retraite gekocht en geleverd gekregen het perceelland.
Het onroerend goed behoort niet meer tot het vermogen van Ma Retraite en kan [persoon] zich daarop niet verhalen. Het gelegd beslag kan daarom niet in stand blijven. Voorts wordt North Coast door het vexatoir beslag enorm gestoord in de ontplooiing van de economische activiteiten van voormeld perceel.

2.5 Het verweer in conventie en in reconventie
Ma Retraite en North Coast hebben in conventie verweer gevoerd. [persoon] heeft in reconventie verweer gevoerd. Op hetgeen zij hebben aangevoerd, komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

4. De beoordeling
In conventie
4.1 Ma Retraite voert als formeel verweer aan dat zij ontkent een koopovereenkomst met [persoon] te zijn aangegaan, daar het door [persoon] overgelegde aflossingsboekje op naam staat van [voorletter en achternaam persoon], terwijl [persoon] is geheten [voornamen persoon].

4.2 De kantonrechter is van oordeel dat het aflossingsboekje inderdaad op naam van [voorletter en achternaam persoon] staat en [persoon] geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad de overeenkomst met Ma Retraite is aangegaan.Echter oordeelt de kantonrechter dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat Ma Retraite op 30 november 1981 een (huur)koopovereenkomst te zijn aangegaan met ene [voorletter en achternaam persoon]. Ma Retraite die stelt de overeenkomst niet met [persoon] te zijn aangegaan, heeft nagelaten te stellen met wie zij de overeenkomst dan wel is aangegaan. Aan het verweer van Ma Retraite zal de kantonrechter, als te zijn onvoldoende onderbouwd, dan ook voorbijgaan.

4.3 Ma Retraite voert voorts als verweer dat bij de liquidatie aan alle wettelijke eisen zijn voldaan, met name het publiceren en oproepen van eventuele schuldeisers en/of crediteuren. [persoon] heeft nooit contact opgenomen met Ma Retraite of anderszins te kennen gegeven wat hij van haar te vorderen heeft. Ma Retraite ging er te goeder trouw van uit dat zij de percelen die een eigenaar hadden, ook daadwerkelijk heeft geleverd.Als gevolg van het verloop van 22 jaar is Ma Retraite eigenaar geworden van het perceelland en was zij tevens gerechtigd dit te verkopen.

4.4 De kantonrechter is van oordeel dat artikel 1984 van het Burgerkijk Wetboek niet op Ma Retraite van toepassing is; Ma Retraite is – zoals [persoon] terecht opmerkt – altijd eigenaar van voormeld perceelland gebleven en kan derhalve geen eigenaar worden door verjaring.

4.5 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist is komen vast te staan dat de gehele koopsom voor het perceelland in 1988 is voldaan. Ma Retraite was aldus gehouden het perceelland aan [persoon] te leveren. Ma Retraite heeft zich niet gehouden aan haar leveringsverplichting en maakt zich aldus schuldig aan wanprestatie.

4.6 [persoon] stelt zich op het standpunt dat een beroep op actio Pauliana openstaat, omdat hij, [persoon], is verkort in zijn geldelijk verhaalsrecht.

4.7 De kantonrechter overweegt dat de actio Pauliana kan worden ingeroepen, mits bewezen wordt, dat bij het verrichten der handeling zowel de schuldenaar als degene met wie of ten wiens behoeve hij handelde, de wetenschap bezat, dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn.Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken is komen vast te staan dat bij de liquidatie van Ma Retraite zij zich aan de wettelijke vereisten heeft gehouden met name het publiceren en oproepen van eventuele schuldeisers en/of crediteuren.Eveneens is komen vast te staan dat [persoon] niet heeft gereageerd op de oproep en dat [persoon], zelfs na zijn ontdekking dat het perceelland niet was geleverd in 2008 geen contact heeft opgenomen met Ma Retraite om de levering van voornoemd perceelland te bewerkstelligen.

4.7.1 De kantonrechter is aldus van oordeel dat niet is bewezen dat Ma Retraite de intentie had zijn verhaalsmogelijkheden aan [persoon] te onttrekken of dat North Coast de wetenschap had dat daarvan benadeling van [persoon] zou volgen.

4.7.2 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de primaire vordering van [persoon] niet voor toewijzing vatbaar is.

4.8 Ma Retraite voert als verweer dat de gevorderde schadevergoeding niet onderbouwd is en derhalve niet toewijsbaar is.

4.9 De kantonrechter is van oordeel, dat gezien de wanprestatie van Ma Retraite is komen vast te staan, zij dan ook gehouden is de door [persoon] geleden schade te vergoeden.Deze schade bestaat naar het oordeel van de kantonrechter uit de huidige waarde van het bedrag dat [persoon] voor het perceelland heeft betaald. [persoon] had namelijk als belanghebbende bij de levering van het perceelland ook de verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat de levering binnen redelijke termijn plaats zou vinden. [persoon] heeft eerst na twintig jaren actie ondernomen om het gekocht perceelland geleverd te krijgen, doch zonder de verkoper, in casu Ma Retraite, hiervan op de hoogte te stellen.Het is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in strijd met de redelijkheid en de billijkheid om van Ma Retraite de geheel geleden schade in de vorm van de huidige waarde van het perceelland te vorderen.De huidige waarde van het door [persoon] betaald bedrag zal worden berekend aan de hand van de waarde van de koopsom in Noord-Amerikaanse Dollars. Uitgegaan wordt van de waarde van het perceelland ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst en wel in 1981. Dit bedrag in Noord-Amerikaanse Dollars zal tegen de huidige dollarkoers worden omgezet in Surinaamse Dollars.

4.10 De koers van de Amerikaanse Dollar bedroeg in 1981 (bij het aangaan van de koopovereenkomst) 1 op 1.80.De koopsom bedroeg Sf 12.981,60. De waarde hiervan in Noord-Amerikaanse Dollars bedroeg in 1981 dus US$ 7.212,-.US$ 7.212 is tegenwoordig waard SRD 24.160,20.De schade die [persoon] heeft geleden zal aldus worden vastgesteld op SRD 24.160,20.

4.11 Ma Retraite zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

In reconventie
4.12 Gezien al hetgeen in conventie is overwogen acht de kantonrechter het gelegd beslag ten aanzien van North Coast onrechtmatig en zal de vordering van North Coast dan ook worden toegewezen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

In conventie:
5.1 Veroordeelt Ma Retraite aan [persoon] te betalen de som van SRD 24.160,20 (VIER EN TWINTIGDUIZEND HONDERDZESTIG 20/100 SURINAAMSE DOLLAR), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, berekend vanaf 17 november 2010 tot aan de algehele voldoening van de schuld.

5.2 Veroordeelt Ma Retraite in de proceskosten aan de zijde van [persoon] gevallen en tot op heden begroot op SRD 188,- (HONDERD ACHT EN TACHTIG 0/00 SURINAAMSE DOLLARS).

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie
5.4 Gelast de opheffing van het bij exploot d.d. 04 november 2010 [nummer 2] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, D.E. Hew A Kee gelegd conservatoir beslag op het perceelland;

5.5 Veroordeelt [persoon] in de kosten van het geding aan de zijde van North Coast gevallen en tot op heden begroot op nihil;

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde;

In conventie en in reconventie
5.7 Verklaart dit vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg en op 17 maart 2015 in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.M. Nooitmeer-Rotsburg
w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2011-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 073272
2 augustus 2011

In naam van de Republiek

Vonnis in de zaak van:
A. [eiser 1],
B. [eiser 2],
beiden wonende te [district 1],
eisers,
gemachtigde van beiden: mr. E.C.M. Hooplot

tegen

[gedaagde],
wonende te [district 1],
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.R. Ramrattansing, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 19 juli 2007 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 20 november 2007;
– de conclusie van antwoord en uitlating productie d.d. 15 april 2008, met de producties;
– de conclusie van repliek en uitlating d.d. 17 juni 2008;
– de conclusie van dupliek d.d. 21 oktober 2008;
– de rolbeschikking d.d. 6 april 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 6 mei 2010 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
– de conclusie tot overlegging van de producties d.d. 20 juni 2010;
– de door eisers genomen conclusie na gehouden comparitie van partijen d.d. 6 juli 2010;
– de door gedaagde genomen conclusie na gehouden comparitie van partijen d.d. 3 augustus 2010.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

1.2 De feiten
2.1 [naam 1] was in algehele gemeenschap gehuwd met [naam 2] 231/Er. Zij waren de grootouders van gedaagden.

2.2 Sedert begin jaren veertig bewoonden en bewerkten de grootouders van eisers een gedeelte van de grond [woonplaats] gelegen aan het [gebied] in [district 2], thans [district 1], krachtens een met de toenmalige eigenaren bestaand rechthebbende pachtverhouding.

2.3 In het jaar 1946 heeft de landmeter A.E. Calor de hiervoor vermelde grond [woonplaats] uitgemeten en bij [naam 1] in gebruik zijnde gedeelten van deze grond op de uitmetingskaart aangeduid met de [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3].

2.4 [naam 1] heeft op verschillende tijdstippen de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en naderhand [nummer 3] van de toenmalige eigenaren gekocht.

2.5 Bij notariële akte d.d. 4 oktober 1962 zijn de percelen [nummer 1] en [nummer 2] aan [naam 1] juridisch overgedragen met de volgende kadastrale omschrijving:
“a. het perceelland groot een hectare vier en zestig aren en acht en dertig centiaren, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. veertien mei negentienhonderd zes en veertig door de figuur in rood en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. veertien mei negentienhonderd zes en veertig met het [numme 2], benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond, groot een are en zes en zeventig centiaren op de voormelde kaart aangeduid met de letters ABCDEF;

b. het perceelland groot een hectare een en twintig aren en vijf en zestig centiaren, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. veertien mei negentienhonderd en zes en veertig door de figuur rood en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. veertien mei negentienhonderd zes en veertig met het [nummer 1], benevens de voorlangs dit perceel lopende strook grond, groot twee aren en op voormelde kaart aangeduid met de letters ABCD”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eisers vorderen:

a) verklaring voor recht dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van het perceelland gelegen in [district 2], thans [district 1], deeluitmakende van de grond [woonplaats] en op de van deze grond vervaardigde verzamelkaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 14 mei 1946 aangeduid met het [nummer 3].
b) veroordeling van gedaagde dit perceelland binnen een week na de uitspraak van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich daarop van zijnentwege mocht bevinden.
c) hen te machtigen om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven de ontruiming zelf uit te voeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;
d) veroordeling van gedaagde om aan eisers tegen kwijting te betalen alle door eiseres geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet e.e.a. vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar ingaande de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.
e) veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor iedere dag waarop hij de eisers stoort in het rustig en vreedzaam genot van dit perceelland.

3.1.1 Mede is gevorderd uitvoerbaar verklaring van het vonnis bij voorraad.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij wegens verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van het perceel [nummer 3]. Daartoe stellen zij naast de feiten vermeld onder 2, dat:

  • hun grootouders voortdurend en onafgebroken ongestoord openbaar en niet dubbelzinnig het bedoelde perceel als eigenaar hebben bezeten door daarop landbouw en veeteelt activiteiten te ontplooien;
  • [naam 1] bij notariële akte d.d. 1 oktober 1965 aan zijn dochter [naam 3] het perceel [nummer 2] heeft verkocht en vervolgens bij notariële akte d.d. 7 februari 1973 het perceelland [nummer 1] aan [naam 3] heeft verkocht.
  • [naam 3] de moeder van eisers was;
  • [naam 3] vanaf haar geboorte bij [naam 1] inwoonde en hij alle drie percelen met [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] heeft geleverd, op welke percelen [naam 3] de landbouw en veeteelt activiteiten van haar vader heeft voortgezet;
  • [naam 3] hierdoor het bezit als eigenaar ook van het perceel [nummer 3] van [naam 1] heeft overgenomen en voortgezet, hetgeen ongestoord, openbaar ondubbelzinnig, voortdurende en onafgebroken heeft plaatsgevonden;
  • [naam 3] in 1981 is komen te overlijden, doch dat zij voor haar overlijden de percelen [nummer 1], [nummer 2] aan eisers, die vanaf hun geboorte bij haar inwoonden juridisch heeft overgedragen en daarmede ook feitelijk perceel [nummer 3] aan hen heeft overgedragen;
  • eisers het bezit als eigenaar van perceel [nummer 3] op dezelfde voet als hun grootouders en moeder ongestoord, openbaar ondubbelzinnig en onafgebroken hebben voortgezet;
  • eisers sedert 1946 bestaande omrastering hebben hersteld c.q. vernieuwd op welk perceel zij een veertigtal koeien houden en evenals hun grootouders en moeder andere landbouwactiviteiten ontplooien;
  • zij het perceel al langer dan 20 c.q. 30 jaar te goeder trouw bezitten en zij hun rechtsvoorgangers in de verkrijging van dit perceel zijn opgevolgd;
  • gedaagde ultimo november 2006 zonder hun toestemming de prikkeldraad afrastering en draadpalen van het perceelland [nummer 3] heeft verwijderd en vernield zonder hun toestemming het desbetreffende perceel heeft betreden;
  • gedaagde ondanks protest van eisers bouwactiviteiten op het desbetreffende perceel heeft ontplooid;
  • dat gedaagde als politieambtenaar misbruik van zijn ambtelijke bevoegdheden heeft gemaakt zonder enig recht op het bedoelde perceelland te hebben.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, welk verweer voor zover voor de beslissing van belang, hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert aan dat [naam 4] het bedoelde perceel [nummer 2] op 3 juli 1946 heeft gekocht van de heer [naam 5], doch dat de juridische overdracht daarvan tot heden niet heeft plaatsgevonden. Nu gedaagde zelf stelt dat de juridische overdracht van dit perceel tot heden niet aan de familie [naam 4] heeft plaatsgevonden, leidt dit tot de slotsom dat de eigendom van dit perceel nimmer op de familie [naam 4] is overgegaan en de familie [naam 4] tot heden geen enkele zakelijke titel op het hiervoor vermelde perceel heeft gehad en heeft. In dat licht brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat ingevolge artikel 670 van het Burgerlijk Wetboek de juridische overdracht van een onroerend goed, in casu betreft het perceel [nummer 3], geschiedt door overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers.

4.2 Gedaagde voert voorts aan dat de familie [naam 4] sedert het jaar 1935 het perceel [nummer 3] bewoont en beplant, doch spreekt zichzelf in diezelfde conclusie tegen dat de familie [naam 4] op een gegeven moment van het perceel [nummer 3] is verhuisd. Ter comparitie van partijen heeft gedaagde zelf verklaard dat de familie [naam 4] in de jaren vijftig is verhuisd van het perceel en heeft hij als deelgerechtigde in het nalatenschap van de familie [naam 4] toestemming van de overige erfgenamen verkregen om op perceel [nummer 3] een woning te bouwen. De woning heeft gedaagde, zoals hijzelf heeft verklaard, in het jaar 2006 gebouwd. Deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat de familie [naam 4], zijnde de voorouders en ouders van gedaagde sedert het jaar 1950 nimmer het bedoelde perceel hebben bewerkt en bewoond.

4.3 Gedaagde werpt tegen dat eisers geen enkel recht of titel op dat perceelland kunnen aantonen en daardoor nooit eigenaars zijn geweest van dat perceelland. Dit verweer echter, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op, omdat ook hetzelfde geldt voor gedaagde. Zoals reeds onder 4.1 is overwogen heeft de familie [naam 4] geen enkele titel op het bedoelde perceelland.Voorts gaat het verweer van gedaagde dat eisers geen enkel recht of titel op het bedoelde perceelland kunnen aantonen in dit geval niet op, omdat eisers zich erop beroepen eigenaar van het bedoelde perceelland te zijn geworden op grond van de verkrijgende verjaring. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat blijkens het bepaalde in artikel 639 van het Burgerlijk Wetboek verjaring een wijze van eigendomsverkrijging is. In dat geval wordt blijkens het bepaalde in de artikelen 1984 juncto artikel 1976 van het Burgerlijk Wetboek de eigendom van het onroerende goed middels verjaring verkregen, indien degene die zich daarop beroept te goeder trouw voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig in het bezit van de zaak is geweest. Daarbij is vereist dat degene die zich op de verkrijgen verjaring beroept te goeder trouw het bezit gedurende dertig jaren heeft gehad zonder dat hij genoodzaakt kan worden de titel te tonen.Eisers hebben middels feiten en omstandigheden hun stelling onderbouwd dat zij te goeder trouw en langer dan dertig jaren voortdurend en onafgebroken ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig in het bezit van perceel [nummer 3] zijn geweest. Op deze onderbouwde stelling heeft gedaagde geen gemotiveerd verweer gevoerd, zodat de kantonrechter het ervoor dient te houden dat zulks het geval is en slagen eisers om die reden in hun beroep op de verkrijgende verjaring.

4.4 Vaststaat dat gedaagde de omrastering van het bedoelde perceelland heeft vernield dan wel zonder toestemming van eisers de omrastering heeft verwijderd, en zonder hun toestemming het bedoelde perceelland heeft betreden om een woning op dat perceelland te bouwen. Dit, terwijl hij – zoals reeds onder 4.1 is overwogen – geen enkele zakelijke titel op het perceel bezit. Evenmin is gebleken dat gedaagde of de familie [naam 4] sedert het jaar 1950 in het bezit is van het bedoelde perceelland is geweest. Gedaagde beroept zich evenwel op dat hij vanwege zijn vermeend recht op het perceelland zich daarop mocht begeven en bouwen, doch diende hij naar het oordeel van de kantonrechter vanwege het geschil wie al dan niet eigenaar van het perceelland is een vordering tegen eisers – die toen in het bezit waren van dat perceelland – in te stellen. In stede daarvan heeft gedaagde ervoor gekozen het recht in eigen handen te nemen, hetgeen reeds een onrechtmatige daad is jegens eisers oplevert.

4.5 Nu het beroep van eisers slaagt op de verkrijgende verjaring en gebleken is dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens eisers heeft gepleegd zal de vordering van eisers als op de wet gegrond worden toegewezen.

4.6 Voor wat betreft de ontruimingstermijn acht de kantonrechter het redelijk en billijk gedaagde een termijn van twee maanden na betekening van dit vonnis te gunnen.

4.7 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Verklaart voor recht dat eisers, door verjaring eigenaars zijn geworden van het perceelland gelegen in [district 2], thans [district 1], deeluitmakende van de grond [woonplaats] en op de van deze grond vervaardigde verzamelkaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 14 mei 1946 aangeduid met het [nummer 3].

5.2 Veroordeelt gedaagde om het perceelland vermeld onder 5.1. binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich daarop zijnentwege mocht bevinden.

5.3 Machtigt eisers om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven de ontruiming zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht.

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eisers tegen kwijting te betalen alle door eisers geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar ingaande de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

5.5 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag waarop hij de eisers stoort in het rustig en vreedzaam genot van dit perceelland.

5.6 Verklaart hetgeen onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5. is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 172,- (Eenhonderd en Tweeenzeventig Surinaamse Dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 2 augustus 2011 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g.. A. Sewgobind S.M.M. Chu

SRU-K1-2012-12

A.R. no. 120230
16 februari 2012


Vonnis in kort geding in de zaak van
[eiser],
wonende te [district 1],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat

tegen

A. [gedaagde sub A],
B. [gedaagde sub B],
beiden wonende te [district 1],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C. Hooplot, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 20 januari 2012 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton dd. 2 augustus 2012 bekend onder AR no. 073272 (hierna het gewraakte vonnis) heeft de kantonrechter in een vordering gedaagden (toen eisers) tegen eiser (toen gedaagde) als volgt beslist:
“5.1 Verklaart voor recht dat eisers, door verjaring eigenaars zijn geworden van het perceelland gelegen in [district 2], thans [district 1], deeluitmakende van de [grond] en op de van deze grond vervaardigde verzamelkaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 14 mei 1946 aangeduid met het [nummer].

5.2 Veroordeelt gedaagde om het perceelland vermeld onder 5.1. binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich daarop zijnentwege mocht bevinden.

5.3 Machtigt eisers om, indien gedaagde daarmede in gebreke mocht blijven de ontruiming zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht.

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eisers tegen kwijting te betalen alle door eisers geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet e.e.a. vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar ingaande de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening.

5.5 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- (Tienduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag waarop hij de eisers stoort in het rustig en vreedzaam genot van dit perceelland.

5.6 Verklaart hetgeen onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5. is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 172,–.

2.2 Het gewraakte vonnis is bij exploit van deurwaarder G.O. Niekoop dd. 20 december 2011 aan eiser betekend.

2.3 Eiser heeft 15 december 2011 appel aangetekend tegen het gewraakte vonnis.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  1. Te schorsen althans schorsing van het gewraakte vonnis totdat in hoger beroep daarover zal zijn beslist;
  2. Veroordeling van gedaagden om dit vonnis te gehengen en te gedogen, op verbeurte van een dwangsom.

Subsidiair:
Gedaagde te verbieden om eiser te ontruimen krachtens het gewraakte vonnis totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist, op verbeurte van een dwangsom.

3.2 Eiser beroept zich erop dat het gewraakte vonnis apert onjuist is, danwel dat het vonnis berust op een juridische misslag. Volgens hem heeft de kantonrechter ten onrechte geconcludeerd dat gedaagden middels verjaring eigenaar zijn geworden van het onroerend goed.

3.3. Gedaagden hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend karakter blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Uitgangspunt bij de beoordeling van het onderhavige executiegeschil is dat het gewraakte vonnis dat inmiddels in hoger beroep is voorgelegd aan het hof, behoudens na te noemen uitzondering, thans inhoudelijk niet (opnieuw) ter discussie staat, terwijl eveneens uitgangspunt is de bevoegdheid van gedaagde tot tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis. Slechts indien sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot executie, kan de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis aan de orde zijn.

4.2.1 Van bedoeld misbruik kan sprake zijn indien het te executeren vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag, of indien op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten executie klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde zou doen ontstaan (zie HR 22-4-1983, NJ 1984/145). Voor het overige dient de rechter in kort geding zich in beginsel te richten naar het oordeel van de kantonrechter zoals weergegeven in het gewraakte vonnis, zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld appel te betrekken (HR 19-5-2000, NJ 2001/407).

4.2.2 De vraag die in het onderhavig geding aan de orde is, is of gedaagden met de tenuitvoerlegging van het gewraakte vonnis misbruik maken van hun bevoegdheden tot executie van dat vonnis.Eiser beroept zich onder meer op een juridische misslag van het gewraakte vonnis. Voorts wordt gesteld dat bij de toetsing of een vonnis op een juridische misslag berust, de lat onmiskenbaar hoog dient te worden gelegd. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts sprake als de vergissing in het recht zó in het oog springt dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan.Eiser stelt onder meer dat blijkens en verklaring van de hypotheekbewaarder dd. 29 december 2011, een zestiental personen de rechtmatige eigenaren zijn van het perceel. Gedaagden moesten in hun vordering tegen eiser, ook de medegerechtigden betrekken.Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter slaagt dit beroep van eiser. Ongeacht de omstandigheid of de personen genoemd in de verklaring van de hypotheekbewaarder voornoemd, al dan niet eigenaren zijn van het perceel, oordeelt de voorzieningen rechter dat een vordering waarbij er een beroep wordt gedaan op verkrijgende verjaring (mede) dient te worden ingesteld tegen de eigenaren van dat onroerend goed. Eiser die in het proces waarvan beroep, gedaagde was, is niet de eigenaar van het perceel. Gedaagden (toen eisers) moesten dan ook niet worden ontvangen in hun vordering tegen eiser. Het gewraakte vonnis zal op grond van het voorgaande naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden vernietigd in hoger beroep.De vraag of gedaagden met de tenuitvoerlegging van het gewraakte vonnis misbruik maken van hun bevoegdheid tot executie van dat vonnis, dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.De door eiser gevraagde voorziening staat dan ook voor toewijzing gereed.

4.3 De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd als in het dictum te melden, nu deze de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

4.4 Op grond van het voorgaande wordt de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig geacht.

4.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
5.1 Schorst de werking van het vonnis dd. 2 augustus 2011 bekend onder nummer AR no. 073272, totdat in hoger beroep zal zijn beslist.

5.2 Veroordeelt gedaagden om dit vonnis te gehengen en te gedogen op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat zij in strijd handelen met dit vonnis tot een maximum van SRD 500.000,= (vijfhonderd duizend Surinaamse Dollar).

5.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 226,= (tweehonderd en zesentwintig Surinaamse Dollar).

5.3 Wijst af het meer of andere gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kantoon van donderdag 16 februari 2012 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-1974-1

Kantonrechter Eerste Kanton, 16 september 1974, A.R. No. 743381
(Mr.H.G.U.J.Huber)

[eiser], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.G.J.C. van der Scheeff, Mr.Dr.H.M. Reeder, Mr. J. R. von Niesewand, advocaten, eiser in kortgeding ,

tegen

Het [gebied], zetelde te [district], vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, gedaagde in kortgeding,

De kantonrechter spreekt in deze zaak het navolgende vonnis in KORTGEDING uit:
Wij ,Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Overwegende ten aanzien van de feiten:
Eiser heeft bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagde zal worden bevelen om eiser binnen een bij vonnis te bepalen termijn in vrijheid te stellen;

subsidiair:
dat bij vonnis zal worden bepaald dat gedaagde aan eiser zal zijn verschuldigd een dwangsom van ƒ 1.000,- (EEN DUIZEND GULDEN) per dag voor elke keer dat zij het bepaalde in artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Srafvordering overtreedt, alles kosten rechters;
Te dienende dage zijn partijen, eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advocaat, Mr.G.J.C.van der Scheeff en gedaagde door Mr. F. Kruisland, Officier van Justitie namens de Procureur-Generaal ter terechtzitting verschenen.
De gemachtigde van eiser licht zijn vordering nader toe, waarbij hij ondermeer zegt dat hij van oordeel is dat eiser’s opsluiting in een cel niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Strafvordering.
Hij concludeert voorts voor eis overeenkomstig het inleidendrekest.
Gedaagde voor antwoord concluderend zegt dat eiser opgelast van het Openbaar Ministerie wegens verdenking van valsheid in geschrifte in bewaring is gesteld.
Daarna heeft het Openbaar Ministerie om voorlopige aanhouding gevraagd en bij het gerechtelijke vooronderzoek heeft de Rechter-Commissaris aanleiding gevonden de verdachte verder aan te houden.
Nu vraagt eiser de beslissing van de Rechter-Commissaris ongedaan te maken
Daarvoor acht ik de Kantonrechter in KORTGEDING en ten principale onbevoegd:
In het Wetboek van Strafvordering zijn er regels ter handhaving van de publieke veiligheid en de openbare orde.
Dit Wetboek geeft ook waarborgen aan de verdachte krachtens artikel 54.
Het Openbaar Ministerie hheft bevel gegeven naar haar bevoegdheid en het is aan de Rechter-Commissaris en de Kantonrechter voorbehouden de toestemming tot verlenging van de termijn tot in bewaringstelling te verlenen, en er is zelf beroep mogelijk bij het Hof van Justitie.
Dit systeem maakt duidelijk dat er een afgrensing bestaat tussen de burgerlijke Rechter en de Strafrechter.
Hierover verwijs ik naar het arrest van de H.R. 11 december 1936 NJ 1937 no. 72 waarbij de Kantonrechter in burgelijke zaken onbevoegd werd verklaard kennis te nemen van de vordering.
Zie ook President Rechtbank te Zwolle N.J. 1946 no.192.
De Kantonrechter is dan ook niet bevoegd te oordelen over de juistheid van een gegeven bevel tot gevangen houden.
Deze bevoegdheid komt zijns inziens uitsluitend aan het orgaan dat deze bevoegdheid heeft gekregen.
In dit geval kan alleen een hogere Rechter oordelen en niet een van gelijke orde volgens de absolute conpententie.
Dit zou in strijd zijn met de Wet R.O,
Een soort gelijke beslissing heeft het Hof van Justitie gegeven in de [zaak].
Over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de aanhouding van de verdachte het volgende :
De Officier van Justitie heeft een bevel tot in bewaringstelling gegeven omdat er gevaar voor ontvluchting bestond sinds de verdachte was bericht dat hij in de zaak in welke hij alsgetuige werd gehoord thans als verdachte was aangehouden omdat hij verdacht werd van valsheid in geschrifte.
Bovendien bestaat de vrees dat eiser het onderzoek na vrijlating zal belemmeren.
Dit is reeds gebeurd.
Over het ter beschikking stellen van het paspoort is het Openbaar Ministerie niets bekend, maar ook dan blijft vrees voor vlucht bestaan.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering zij het volgende gesteld:
Het petitum is te vaag om hierop een veroordeling te baseren.
Natuurlijk is het altijd mogelijk de opsluiting op minder onaangename wijze tedoen plaatsvinden, doch dat zou U zoveel meer geld en mankracht vergen indien dit voor alle voorlopig aangehoudenen zou worden toegepast, dat zulks in afweging met hen algemeen belang niet verantwoord is. Er is dan geen reden om voor eiser een uitzondering te maken.
Ik concludeer dan ook dat U eiser niet ontvankelijk zult verklaren in zijn vordering, subsidair het gevraagde zult afwijzen.
Replicerend voert eiser aan dat de Kantonrechter wel bevoegd is te oordelen.
De door gedaagde genoemde arresten zijn niet meer van toepassing door de ontwikkeling op het stuk van de menselijke rechten en vrijheden alsook het verdrag van Rome.
Ook de overheid mag geen inbreuk op deze rechten.
De bevoegdheid van de Kantonrechter in KORTGEDING is een uitgebreide, en gedaagde heeft alleen zijn verweer gebasseerd op de onbevoegdverklaring van de Kantonrechter in KORTGEDING.
Die bevoegdheid is er juist om de schade te beperken en ook de persoonlijke rechten te waarborgen.
In de beschikking van voorlopige aanhouding zijn de redenen niet vermeld, slechts “gezien de artikelen” 72 en 213a Surinaams Burgerlijk Wetboek van Strafvordering en overwegende dat de grond en de omstandigheden welke tot het uitvaardigen van bovenvermeld bevel hebben geleid, nog steeds bestaan.
Het verweer dat de Rechter op gelijk niveau geen kennis mag nemen van de vordering gaat niet op.
De kantonrechter die een invrijheidstelling gelast vernietigt ook als Rechter van gelijke rang een beschikking van de Rechter-Commissaris.
De kantonrechter in KORTGEDING moet hier een maatregel nemen.
Dat de insluiting op grond van enige gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid nodig is, heeft de gedaagde niet aangevoerd, doch alleen de vrees voor bewijsvertroebeling, en dat staat niet in de Wet.De wet zegt zelf: “ In alle andere gevallen dient de verdachte in vrijheid te worden gesteld”.(Artikel 72 Sur. Wetb. van Strafvordering).Hier moet dus het Openbaar Ministerie ook aan de wettelijke vereisten voldoen.In het verweer ligt de onmacht om artikel 72 en 45e Surinaams Wetboek van Srafvordering na te leven besloten, en dit houdt een zekere erkenning in.
De Overheid moet zich houden aan de Wettelijke voorschriften.
Tenslotte ontken ik al hetgeen niet uitdrukkelijk door mij is erkend en ben bereid bewijs te leveren van mijn stellingen.
Vervolgens concludeert gedaagde voor dupliek, bij zijn stellingen persisterend.
Daarna worden enige producties overlegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd.
Eiser’s gemachtigde deelt tenslotte nog mede, dat eiser er geen bezwaar tegen heeft dat hij niet ter terechtzitting aanwezig is.
Daarna hebben partijen vonnis gevraagd, waarvan wij de uitspraak hebben bepaald op heden.

Overwegende ten aanzien van het recht:
Ten processe staat enerzijds gesteld en anderzijds erkend vast dat eiser op 02 augustus 1974 door de Rechter-Commissaris belast met de instructie van strafzaken op grond van verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van Artikel 273 en Artikel 381 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht onder de overweging dat in de loop van het onderzoek voldoende aanwijzing van schuld tegen verdachte is ontstaan en op grond van vrees voor vlucht of herhaling van het misdrijf alsook in het belang van het onderzoek termen gevonden worden om de verdachte voorlopig aan te houden, voorlopig is aangehouden alsmede dat het bevel, onder verwijzing naar voormelde gronden is verlengd voor dertig dagen op 29 augustus 974.
Er kan geen discussie over bestaan- en eiser betoogt ook niet het tegendeel- dat dit een bevel van voorlopige aanhouding van de Rechter-Commissaris is als bedoeld in Artikel 63 van het Surinaams Wetboek van Strafvordering.
Door het in het bij Artikel 63 van overeenkomstige toepassing verklaard Artikel 213A bepaalde aangaande de tijd waarbinnen dit bevel van kracht is en door de overige bepalingen in het Surinaams Wetboek van Strafvordering betreffende de voorlopige aanhouding en het einde daarvan is naar ons voorlopig oordeel buiten twijfel dat de Wetgever beoogt heeft dat geen andere rechtsmaatregelen kunnen worden genomen tegen een dergelijk bevel dan die genoemd in dat Wetboek.
Wij achten ons daarom onbevoegd om van de primaire vordering kennis te nemen.
Ons oordeel zou alleen andere kunnen luiden op grond van het bepaalde in een bindende regeling van hogere orde of algemene rechtsbeginselen, indien het Surinaams Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot opheffing van een bevel tot voorlopige aanhouding niet aan de Rechter had toegekend.
Het subsidiaire gevorderde achten wij te weinig gedifferencieerd om daarop een veroordeling te kunnen baseren.
Bovendien blijkt uit de stellingen van het inleidend rekest niet, dat gedaagde het in het petitum vermelde artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Strafvordering niet heeft nageleefd.
Het gedeelte in het 14e “dat” van het inleidend rekest betreffende insluiting in een cel en luchten gedurende slechts twee maal een half uur per dag behoeft namelijk niet met gemeld artikel in strijd te zijn, terwijl het gestelde in het 15e “dat” daargelaten de tegenstrijdigheid met hetgeen eiser in het 16e “dat” vermeld te vaag is om daarop een verdediging te baseren.
De verplichting van artikel 45e van het Surinaams Wetboek van Strafvordering houdt naar ons voorlopig oordeel in dat de overheid gehouden is bij de ten uitvoerlegging van de bevelen tot voorlopige aanhouding zoveel als in redelijkheid het algemeen belang tegen dat van de verdachte afwegende te doen ter voorkoming van nodeloos ongerief voor de voorlopig aangehoudene.
Met gedaagde zijn wij van oordeel dat hoezeer ook technisch uitvoerbaar- het verdenkbaar is dat van de overheid in redelijkheid niet verlangd kan worden dat hij onevenredig veel geld en mankracht verslindende maatregelen neemt teneinde de vrijheidsberoving van de voorlopig aangehouden te veraangenamen, gelijk eiser wenst.
Nu niet gesteld dat de huisvesting in de cel niet aan de voor een dergelijke inrichting in redelijkheid te stellen eisen voldoet, zijn wij voorlopig oordelend van mening, dat een redelijk denkende overheid, de belangen van de voorlopig aangehoudenen tegenover het belang van het doel der aanhouding als in de Wet vermeld en de lasten die een andere wijze van opsluiting de gemeenschap oplegt afwegent, tot opsluiting als door eiser gesteld kan besluiten.
Wij zullen dan ook de subsidiaire gevorderd voorziening weigeren.
Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden verwezen.

RECHTDOENDE:
Verklaren ons onbevoegd kennis te nemen van de primaire vordering;
Weigeren de subsidiaire vordering;
Veroordelen eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Buitengewone Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo op maandag 16 september 1974, door de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. H.G.U.J. Huber, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, Lcs.W.G. Pengel.

w.g. W.C. Pengel,
w.g. H.C.U.J. Huber, f.g.

Partijen, vertegenwoordigd door haar respectieve gemachtigden zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2013-10

In naam van de Republiek
DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 13-3423
27 augustus 2013

Vonnis in kort geding inzake:
[eiseres],
wonende te [district 1]
aan [adres 1],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat

tegen

[gedaagde]
wonende in [district 2]
aan [adres 2],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 13 augustus 2013 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
Gedaagde heeft bij exploit no. 328 d.d. 22 juli 2013 van de deurwaarder Rawan Sontono ten laste van eiseres conservatoir derdenbeslag gelegd onder:
A. De Hakrinbank N.V.;
B. De Surinaamsche Bank N.V.;
C. De Surichange Bank N.V.;
D. De RBC Royal Ban (Suriname) N.V.;
E. De Finabank N.V.;
F. De Surinaamsche Postspaarbank N.V.;
G. De Landbouwbank N.V.;

op alle gelden, geldswaren (de kantonrechter leest: geldswaarden) en/of goederen welke op gemelde banken van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen;

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren de opheffing zal worden gelast, althans voormeld beslag zal worden opgeheven. Daarnevens vordert zij dat gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten;

3.2 Naast voormeld vaststaand feit legt eiseres aan haar vordering – voor zover voor de beslissing van belang en zakelijk weergegeven – ten grondslag dat voormelde beslagen onrechtmatig c.q. vexatoir zijn op zowel formele als materiële gronden;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de Kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen.

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 Als formele grond heeft eiseres aangevoerd dat met uitzondering van de betekening door de deurwaarder aan de Surinaamsche Bank N.V., welke zoals wettelijk vereist, is geschied aan de persoon van de bestuurder, in casu de Directeur van genoemde Naamloze Vennootschap, zijn de betekeningen aan de overige derde beslagenen niet geschied overeenkomstig het bepaalde in de wet, weshalve het exploit van de deurwaarder m.b.t. de betekening aan die rechtspersonen nietig en rechtens van onwaarde is. Daartegenin heeft gedaagde gedocumenteerd ingebracht dat de desbetreffende medewerk(st)ers van de diverse bankinstellingen daartoe daadwerkelijk gevolmachtigd waren door de respectieve directeuren casu quo onderdirecteuren van de bankinstellingen. De Kantonrechter overweegt dienaangaande dat – zoals eiseres terecht heeft aangevoerd – in beginsel de exploiten ten aanzien van andere (niet-openbare) rechtspersonen ingevolge het bepaalde in artikel 6 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna WvBRv te noemen) aan de persoon of aan de woonplaats van een der bestuurders dienen te worden uitgebracht. In casu is dat bij 6 van de 7 bankinstellingen niet geschied en zijn de exploiten uitgebracht aan medewerk(st)ers die – naar naderhand is gebleken – daartoe wel gemachtigd waren door de bestuurders van de diverse rechtspersonen. De vraag die thans rijst is welke consequentie daaraan dient te worden verbonden. Zijn de betekeningen van de gelegde beslagen daardoor nietig? Dat is primair de kernvraag waar partijen over twisten. Naar het oordeel van eiseres dient voormelde vraag bevestigend beantwoord te worden terwijl gedaagde die ontkennend beantwoordt. Naar dezerzijds oordeel dient het antwoord op voormelde vraag ontkennend te luiden. Immers is de ratio van het bepaalde in artikel 6 lid 3 WvBRv dat de bestuurders van de rechtspersoon niet onkundig blijven van een bepaalde situatie. Nu de desbetreffende medewerk(st)ers door de directeur dan wel de onderdirecteur – en dus een deugdelijke vertegenwoordiger van de rechtspersoon – daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd zijn geworden, is naar dezerzijds oordeel daaraan tegemoet gekomen. wel had de deurwaarder – zoals eiseres terecht heeft aangevoerd – van die machtiging melding moeten maken in het exploit van beslaglegging. Dit nalaten levert echter naar dezerzijds oordeel niet de consequentie op die eiseres daaraan verbonden wenst te hebben daar het bepaalde in voormeld wetsartikel de strekking heeft een waarborg te bieden voor de bestuurders van de rechtspersoon zelve. Derhalve zal de kantonrechter aan de formele grondslag van het gevorderde voorbijgaan als ongegrond;

4.3 Als materiële grondslag voor het gevorderde heeft eiseres aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang dat gedaagde in zijn beslagrekest in punt 2 geheel ten onrechte heeft gesteld als zou hij – gedaagde – aan eiseres op 4 juni 2007 en geldsbedrag van Euro 15.000,- ter leen hebben verstrekt en wel door storting daarvan op eiseresses bankrekening no.568498070 bij de ABN AMRO Bank in Nederland. Eiseres ontkent en betwist ten stelligste gedaagde ooit enig bedrag in welke valuta dan ook ter leen te hebben gevraagd en evenmin van hem ter leen te hebben ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter behelst de materiële grondslag van eiseres de eis van summierlijke aannemelijkheid van de gepretendeerde vordering. Dienaangaande heeft eiseres naar het oordeel van de kantonrechter in dit geding voldoende aannemelijk gemaakt dat haar broer, dhr. [naam 1], de beheerder is van de onderhavige rekening en zaken heeft gedaan met een broer van gedaagde, [naam 2]. In dat kader is voormeld bedrag van Euro 15.000,- op de desbetreffende rekening gestort – naar de kantonrechter begrijpt als tussenstation – en vervolgens weer overgemaakt naar een andere rekening. Naar dezerzijds oordeel kan een geldleenovereenkomst niet alleen middels overlegging van een stortingsbewijs betreffende een storting op een bankrekening summierlijk aannemelijk gemaakt worden. Daartoe is naar het oordeel van de kantonrechter nog meer vereist. Nu in dit geding aannemelijk is geworden dat de broer van eiseres de desbetreffende bankrekening beheerde en het kader waarbinnen die broer zaken heeft gedaan met een broer van gedaagde, is de materiële grondslag van de vordering in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. Immers is de door gedaagde gestelde geldleenovereenkomst op geen enkele andere wijze geadstrueerd geworden en is derhalve de vordering van gedaagde op eiseres – naar het oordeel van de kantonrechter – niet summierlijk aannemelijk geworden en dient het gelegd conservatoir derden beslag onder de diverse bankinstellingen te worden opgeheven;

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.5 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing in kort geding
De Kantonrechter:

5.1 Gelast de opheffing van de bij exploit no. 328 d.d. 2 juli 2013 van de deurwaarder Rawan Sontono te laste van eiseres gelegde conservatoire derden beslagen onder de daarin genoemde bankinstellingen, te weten:
A. De Hakrinbank N.V.;
B. De Surinaamsche Bank N.V.;
C. De Surichange Bank N.V.;
D. De RBC Royal Ban (Suriname) N.V.;
E. De Finabank N.V.;
F. De Surinaamsche Postspaarbank N.V.;
G. De Landbouwbank N.V., op alle gelden, geldswaren (de kantonrechter leest:
geldswaarden) en/of goederen welke opgemelde banken van eiseres onder zich hebben en/of zullen verkrijgen;

5.2 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de gedingkosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 270,– (Tweehonderde en Zeventig Surinaamse Dollars);

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van dinsdag 27 augustus 2013 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. S. Tika w.g. A. Charan

SRU-K1-2014-9

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 140594
13 februari 2014

Vonnis in de zaak van
[eiser], wonende te [district],
gemachtigde: mr. M.C. Nibte, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STICHTING DE GOEDE AARDE, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

Het proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 11 februari ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusie van repliek;
– de mondelinge conclusie van dupliek.
1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser is met gedaagde op 28 april 2010 een krediethypotheek aangegaan voor het bedrag van EUR.10.000,=. Eiser heeft voor dit krediet in hypotheek gegeven het ten rekeste genoemd perceelland waarop tevens zijn woonhuis staat.

2.2 Het geleend bedrag zou met rente ad 2,5% per maand, binnen een jaar worden terugbetaald. Ook is een boeterente overeengekomen van 1% per dag over het achterstallig bedrag.

2.3 Bij exploit van 28 december 2013 heeft gedaagde aan eiser doen betekenen een grosse van de krediethypotheek, een opgave van het saldo ad. EUR. 27.810,00, en een aanzegging voor de veiling van donderdag 13 februari 2014 om 10.30 uur.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering

Eiser vordert kort gezegd, dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. stopzet de voor 13 februari 2014 om 10.30 uur aangekondigde openbare verkoop van het onroerend goed, totdat in een bodemprocedure de hoogte van het saldo is komen vast te staan of subsidiair totdat door de Finabank de schuld is overgenomen nadat door de eiser aan de bankinstelling een goedgekeurde specificatie van het saldo is afgestaan en voorts
b. gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiser voert als grondslag aan dat de openbare verkoop nietig of onrechtmatig is om de volgende reden: eiser ontkent dat hij EUR.10.000,= heeft ontvangen, hij heeft slechts EUR. 8.200,= ontvangen; reeds om die reden is de overeenkomst nietig; eiser ontkent, dat het saldo EUR. 27.801,= bedraagt en ontkent de saldo-opgave; eiser heeft al EUR. 3.500,= afgelost en dat bedrag is niet meegenomen bij de saldo-opgave. Voorts is eiser doende de schuld onder te brengen bij de Finabank NV. Eiser voert voorts aan dat gedaagde ervan op de hoogte was dat hij in betalingsproblemen was met een andere lening en dat hij hem desondanks de onderhavige lening heeft aangeboden met de hoge renten, daarbij misbruik makende van de omstandigheden van eiser en van het economisch overwicht.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen.

4.2 Gedaagde heeft op de vordering als verweer aangevoerd dat het exploit met de aanzegging van de veiling aan eiser op 28 december 2013 is betekend, doch dat de eiser pas twee dagen voor de veiling en vordering tot stopzetting van de veiling indient. Hij heeft derhalve langer dan zes weken gewacht met het indienen van de vordering. Om die reden handelt hij in strijd met de goede procesorde. Voorts voert gedaagde aan dat:

  1. Eiser voldoende tijd heeft gehad om een deskundige in de hand te nemen om het saldo te berekenen en om de overname van de schuld door een bank in orde te maken;
  2. Eiser al 3 tot 4 jaren wanprestatie pleegt en eiser ook heeft erkend dat er een saldo is;
  3. Eiser de renten zelf is overeengekomen, doch dat uit het saldo overzicht dat door gedaagde ter zitting is overgelegd blijkt dat de boete rente veel minder is dan was overeengekomen; dat gedaagde juist minder boete rente in rekening heeft gebracht;
  4. Dat niet het perceel waar eiser woont wordt geveild;
  5. Dat de veiling rechtmatig is aangezegd en conform de wet zal worden gehouden;
  6. Dat de kwitantie en de akte het wettig bewijs leveren dat wel het bedrag van EUR. 10.000,= geleend is;
  7. Dat verzoeker niet te goeder trouw is omdat verzoeker niet eens een aanbod van betaling heeft gedaan;
  8. Dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden, noch van nietigheid van de kredietovereenkomst noch van onrechtmatigheid van de executie.

4.3 Eiser heeft op het verweer van gedaagde gereageerd waarbij hij bleef bij zijn stellingen dat de veilig onrechtmatig is omdat hij de overeenkomst heeft getekend omdat hij in problemen was, hetgeen misbruik van omstandigheden oplevert, dat de overeenkomst daarom nietig is en voorts dat hij doende is de schuld te laten overnemen door de Finabank en om die reden de veiling met twee maanden aangehouden dient te worden.

4.4 De kantonrechter overweegt dat een stopzetting van een executie pas aan de orde is wanneer zou blijken dat er geen wanprestatie is, geen saldo meer is of de wettelijk voorgeschreven procedure die tot de openbare verkoop leidt niet is gevolgd. Immers zou anders het executie recht van een hypotheekhouder illusoir worden. In casu moet derhalve nagegaan worden of er inderdaad van wanprestatie sprake is. Eiser bekent de wanprestatie en voert aan dat hij in betalingsproblemen is gekomen. Eventuele twisten over het saldo zijn geen reden tot stopzetten van de executie omdat de notaris bij de toewijzing en de afdracht van de koopsom rekening dient te houden met de werkelijke schuld, die kan altijd door de notaris worden gecontroleerd.

4.5 De kantonrechter overweegt dat onderhandelingen met een bank ook niet tot stopzetting kunnen leiden, slechts als de bank voor de veiling zou aangeven de schuld te willen overnemen zou dat tot stopzetting kunnen leiden, daar is echter in casu geen sprake van.

4.6 De kantonrechter overweegt voorts dat het niet is gebleken dat de wettelijke procedure niet is gevolgd waardoor er geen gronden zijn om de executie stop te zetten.

4.7 De kantonrechter zal op grond van het hiervoor overwogene het gevorderde afwijzen. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing
5.1 Wijst af het gevorderde;

5.2 Veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 13 februari 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns