SRU-HvJ-2018-53

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
verder te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
verder te noemen: de man,
gemachtigden: mr. M.G.A. Vos en mr. R.V.C. Mungra, advocaten,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 15 december 2015 (A.R.No. 14-2430) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
– de verklaring d.d. 24 december 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de vrouw tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota d.d. 18 november 2016;
– de antwoordpleitnota d.d. 17 maart 2017;
– de repliekpleitnota d.d. 5 mei 2017;
– de dupliekpleitnota d.d. 7 juli 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om een zwarighedenprocedure, die volgde op een proces-verbaal van zwarigheden, opgemaakt op 21 mei 2014. Van de daar vermelde zwarigheden is er in hoger beroep nog één aan de orde. Het gaat om het volgende.

3. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Met gelden van de huwelijksgoederengemeenschap – hetzij oorspronkelijk afkomstig van de man hetzij oorspronkelijk afkomstig van diens vader en geschonken aan het echtpaar; de vrouw heeft de laatste variant niet weersproken en heeft ook niet gesteld en onderbouwd dat het geld oorspronkelijk van haar afkomstig is – is een gebouw geplaatst op een stuk grond dat door de vader van de vrouw in verband met het huwelijk aan haar was geschonken. Die schenking vond plaats onder een uitsluitingsclausule, waardoor de grond nooit in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Het gebouw is door natrekking eigendom geworden van de vrouw.
De kosten van de stichting van het gebouw leveren een vordering op van de huwelijksgoederengemeenschap op de vrouw. Die vordering valt in de huwelijksgoederengemeenschap en moet betrokken worden bij de scheiding en deling daarvan in verband met de echtscheiding tussen partijen. De helft van die vordering komt aan de man toe.
De hoofdvraag die partijen verdeeld houdt, luidt of deze vordering gewaardeerd moet worden tegen de nominale waarde daarvan (het bedrag dat destijds is besteed) dan wel op een hoger bedrag, rekening houdend met de waardestijging van het gebouw in kwestie. Het gaat om de tegenstelling tussen de nominaliteitsleer en de beleggingsleer. Een voorvraag en een aantal nevenvragen zijn daarnaast aan de orde.

De voorvraag: wat is de omvang van de rechtsstrijd?

4. Het is vaste regel in zwarighedenprocedures dat het proces-verbaal van zwarigheden de omvang van de rechtsstrijd bepaalt. Anders dan de man betoogt, kan die rechtsstrijd niet zo maar worden uitgebreid. Het is de vraag of van zo’n uitbreiding sprake is doordat de beleggingsleer in het debat naar voren is gebracht.
In het proces-verbaal van zwarigheden voert de vrouw aan dat de man recht heeft op de helft van het geïnvesteerde, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op het geheel, omdat hij destijds niet wist van de uitsluitingsclausule en de investering niet zou hebben gedaan als hij dat had geweten. Uit het proces-verbaal van zwarigheden blijkt niet dat partijen zich hebben laten bijstaan door een advocaat.
Het standpunt van de man in het proces-verbaal is juridisch onjuist. Uit het regime van een gemeenschap van goederen volgt nu eenmaal dat de echtgenoten alles gelijk delen, wat dus ook geldt voor een vordering van de gemeenschap op de vrouw die is ontstaan op de beschreven wijze. Uit het standpunt van de man, zoals weergegeven in het proces-verbaal van zwarigheden is af te leiden dat de man zich misleid voelt, omdat hij ervan uitging dat de grond (dus ook het daarop gebouwde) tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Hij was op zoek naar een compensatie, dus naar méér dan de helft van het destijds nominaal geïnvesteerde bedrag. De manier waarop hij die compensatie zocht, is juridisch onmogelijk. Gegeven dat partijen kennelijk zonder juridische bijstand hun opvattingen in het proces-verbaal van zwarigheden lieten noteren, vat het Hof onder ‘de zwarigheid’ van de man ook een beroep op de beleggingsleer, omdat deze vorm van compensatie in beginsel juridisch wel denkbaar is en de man niet bedoeld kan hebben zich in het proces-verbaal van zwarigheden op een met zekerheid juridisch onhoudbaar standpunt te hebben willen stellen.
De slotsom is dat het debat tussen partijen over de toepassing van de beleggingssfeer geacht moet worden te liggen binnen de grenzen van het debat die zij door het proces-verbaal van zwarigheden hebben getrokken. Het Hof kan dit debat dus inhoudelijk beoordelen.

De hoofdvraag: moet de nominaliteitsleer of beleggingsleer worden toegepast?

5. Partijen zijn het er terecht over eens dat met de investering door de huwelijksgoederengemeenschap (de bouw van de woning op de grond die uitsluitend aan de vrouw behoort) een vordering is ontstaan van die gemeenschap op de vrouw. Partijen zijn het er ook over eens dat aan beiden de helft van de omvang van die vordering toekomt.
Partijen geven echter een ander antwoord op de vraag hoe de waarde van de investering moet worden berekend. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de nominaliteitsleer moet worden toegepast. Die leidt ertoe dat de waarde van de toenmalige investering bepalend is. De helft daarvan komt dan aan de man toe. De man stelt zich op het standpunt dat de beleggingsleer moet worden toegepast. Die leidt ertoe dat de actuele waarde van het onroerend goed bepalend is. De helft daarvan komt aan de man toe.

6. Het uitgangspunt bij de beoordeling is het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden inzake Kriek/Smit. Daarin is bepaald dat de nominaliteitsleer moet worden toegepast, maar dat “niet geheel uitgesloten” is dat de derogerende werking van de goede trouw meebrengt dat daarvan wordt afgeweken. De leer van dit arrest geldt ook in Suriname, omdat ook in het Surinaamse recht de derogerende werking van de goede trouw als rechtsfiguur bestaat. Deze derogerende werking van de goede trouw kan leiden tot uitzonderingen op de nominaliteitsleer. Het betoog van de vrouw dat dit onder het huidige Surinaamse recht niet zou kunnen en dat dit pas mogelijk is als het nieuwe Burgerlijk Wetboek betreffende het familierecht is ingevoerd, volgt het Hof dus niet.

7. Het Hof oordeelt dat in dit geval reden is voor afwijking van de nominaliteitsleer op grond van de derogerende werking van de goede trouw. Doorslaggevend daarvoor is dat de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist heeft dat de man helemaal niet wist dat de grond die door haar vader aan haar was geschonken door een uitsluitingsclausule buiten de gemeenschap viel. De opmerking van de vrouw dat de man dit had kunnen zien in de registers is zowel feitelijk juist als veelzeggend voor haar kwade trouw. Zij heeft haar man blijkbaar niet ingelicht en stilzwijgend laten gebeuren, dat hij in haar privé vermogen investeerde, terwijl hij dacht dat geïnvesteerd werd in de huwelijksgoederengemeenschap. Zo werd zij slapende rijk, terwijl hij dacht dat dit ook voor hem gold en zij wist dat dit niet klopte, maar liet hem in de waan. Een dergelijke opstelling verdient juridisch geen prijs, reden om de beleggingsleer toe te passen: de waardestijging van het onroerend goed komt ook de man toe.

De nevenvraag: wat is de waarde van het onroerend goed?

8. Het Hof volgt hier integraal het rapport van de [deskundige]. Diverse subvragen verdienen beantwoording om deze conclusie te kunnen trekken.

Heeft de deskundige gerapporteerd buiten zijn opdracht?

9. De vrouw voert als grief aan dat de deskundige zonder opdracht van de kantonrechter heeft gerapporteerd over de (toen, in 2015) actuele waarde van het onroerend goed. Het verwijt is dat op deze wijze de beleggingsleer door de deskundige is gevolgd. De vrouw heeft echter onweersproken gelaten wat de man heeft aangevoerd over de gang van zaken op de zitting waarbij de deskundige aanwezig was, voorafgaand aan de opdracht. De deskundige heeft toen laten weten dat hij zowel de waarde van de investering in het jaar 2000 zou berekenen als de actuele waarde van de onroerende zaak. Partijen waren daarbij aanwezig en zij noch de kantonrechter hebben toen laten weten dat dit niet de bedoeling was. Daarmee staat vast dat de deskundige binnen zijn opdracht is gebleven.

Mag het rapport worden gebruikt, terwijl het niet door drie deskundigen is opgesteld?

10. De vrouw heeft erop gewezen dat het rapport van [deskundige] alleen door hem is opgesteld en dus niet door drie deskundigen. In artikel 1104 BW is bepaald dat bij een boedelscheiding de waardering van onroerende goederen door drie deskundigen wordt gedaan. Deze bepaling is niet van dwingend recht en partijen zijn hiervan blijkbaar afgeweken. Het Hof leidt dat af uit het gegeven dat vóór [deskundige] ook nog een rapport is uitgebracht, eveneens door één deskundige. Dat rapport is buiten beschouwing gelaten door de kantonrechter – om redenen die nu niet meer van belang zijn, omdat tegen die beslissing van de kantonrechter geen grief is ontwikkeld – maar het was de vrouw die juist graag wilde dat dit rapport wél zou worden gebruikt. Daaruit leidt het Hof af dat ook de vrouw wilde werken met één deskundige. Nu uit de processtukken in eerste aanleg niets blijkt van een protest tegen het voornemen van de kantonrechter met wederom één deskundige ([deskundige])te volstaan, komt het Hof tot de slotsom dat partijen van artikel 1104 BW zijn afgeweken. Dat mag en daarop kan de vrouw niet terugkomen door in hoger beroep te stellen dat het rapport van [deskundige] in strijd met artikel 1104 BW is tot stand gekomen.

Heeft de kantonrechter terecht beslist dat partijen niet meer op het rapport van de deskundige mochten ingaan voorafgaand aan het vonnis?

11. Het staat vast dat het zo is gegaan dat de kantonrechter al bij het aanstellen van de deskundige aan partijen heeft laten weten dat zij geen conclusies na deskundigenbericht mochten nemen, maar dat in plaats daarvan de kantonrechter meteen tot het wijzen van een vonnis zou overgaan. De grief die daartegen door de vrouw is aangevoerd, ligt ter beoordeling voor. De man betoogt tevergeefs dat deze grief niet meer kon worden aangevoerd, omdat deze niet in de memorie van grieven is verwoord. Het is vaste leer van het Hof dat dit niet in de weg staat aan het alsnog opvoeren van een grief in de fase van de pleitnota’s.

12. Een dergelijke afspraak is te maken, indien het deskundigenbericht door partijen wordt beschouwd als een bindend advies. Daarvan blijkt echter niets uit het procesdossier van de zaak in eerste aanleg, hoewel de man in hoger beroep stelt dat die afspraak zou zijn gemaakt. De kantonrechter lijkt de gang van zaken aan partijen te hebben opgelegd. Dat zij niet daartegen protesteerden, maakt nog niet dat zij dan geacht worden te zijn overeengekomen dat zij het rapport van de deskundige als voor hen bindend beschouwen. Het verdere verloop van de procedure bevestigt ook dat er van een bindend advies geen sprake is geweest. Als het advies voor partijen bindend zou zijn, was er voor de kantonrechter geen rol meer weggelegd, behalve als (een van) partijen had aangekaart dat het bindend advies door de inhoud of de wijze van totstandkoming niet voldeed aan de toets dat ‘geen enkele handelend deskundige tot dit rapport/advies had kunnen komen’. Maar dat konden partijen helemaal niet aan de kantonrechter voorleggen, omdat na het rapport alleen nog maar vonnis werd gewezen. Dat vonnis geeft ook geen blijk van een marginale toetsing van het rapport, maar komt neer op een vol (dus: niet marginaal) oordeel over het voorgelegde geschil zelf.

13. Uit wat is overwogen in rechtsoverweging 12 volgt dat van een afspraak tussen partijen over een bindend advies geen sprake is. Dat zo zijnde, heeft de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, door partijen niet de gelegenheid te bieden zich over het deskundigenrapport uit te laten en zonder meer tot vonniswijzing over te gaan. De grief van de vrouw hierover slaagt.

Kan het deskundigenrapport in hoger beroep gebruikt worden, hoewel de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor niet toepaste?

14. In hoger beroep heeft de vrouw de gelegenheid gehad om alsnog het deskundigenrapport van [deskundige] ter discussie te stellen. Daarmee is alsnog – zij het in tweede aanleg – de schending van het beginsel van hoor en wederhoor geheeld. De vrouw heeft deze gelegenheid benut door een eigen deskundige een rapport te laten uitbrengen. In dat andere rapport worden andere conclusies getrokken over de waarde van het onroerend goed. Maar de advocaat van de vrouw heeft verzuimd om uit te leggen waarom het rapport van [deskundige] onjuist is. Het simpelweg overleggen van een ander rapport dat tot een andere slotsom komt, volstaat niet. Waarom het andere rapport juist is en dat van [deskundige] niet, is niet door deze advocaat gemotiveerd. Dat had vanzelfsprekend wél gemoeten. Het kan namelijk net zo goed andersom zijn: het rapport van [deskundige] is correct en dat andere rapport is fout. Het Hof moet dat blijkbaar zelf maar bedenken, maar zo werkt het procesrecht niet. Het is aan de vrouw om haar grieven tegen het rapport van [deskundige] uit te werken en te onderbouwen. De uitwerking en de onderbouwing ontbreken compleet. Aldus is de vrouw tekortgeschoten in haar stelplicht. Daarom gaat het Hof aan het tegenrapport dat is opgesteld in opdracht van de vrouw voorbij en concludeert het dat het rapport van [deskundige] daarom nog steeds bepalend is.

Heeft de kantonrechter het juiste bedrag genoemd, waar hij zich op het rapport van [deskundige] baseerde?

15. De vrouw heeft aangevoerd dat de kantonrechter niet het juiste bedrag heeft toegewezen aan de man. Daarbij beroept de vrouw zich op de uitkomsten van het rapport van [deskundige]. Bij nadere beschouwing mist dit verwijt een zelfstandige inhoud, omdat de vrouw teruggrijpt op haar stellingen dat uitgegaan moest worden van de nominaliteitsleer en dat de kantonrechter de uit die leer volgende bedragen – zoals die ook staan in het rapport – had moeten gebruiken. Uit wat is overwogen, volgt dat het Hof dit standpunt van de vrouw niet volgt.
Daarnaast constateert het Hof dat de kantonrechter geen rekenfouten heeft gemaakt. De grief faalt.

De conclusie

16. Uit wat door het Hof is overwogen volgt dat de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft. Het vonnis zal daarom worden bevestigd.
Het Hof compenseert de kosten in het geschil in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Dit doet het Hof gelet op de aard van de zaak en de verhouding tussen partijen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 15 december 2015 (A.R. No. 14-2430),

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. M.G.A.Vos en mr. R.V.C. Mungra, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2009-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 063267
18 augustus 2009

Vonnis inzake:
[eiser],
wonende te [district] aan [adres],
eiser,
procederende in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën, Dienst der Belastingen,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat

Vooraf
De kantonrechter verwijst naar het op 19 november 2007 in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnis, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld de volgende producties over te leggen:
a) de beschikkingen genummerd OS 123891/ OS 123892/ OS 123893/ OS 123894/ AS 675283/ AS 675283/ AS 675284,
b) een uitdraai van de belastingdienst gedateerd 18 mei 2005,
c) het bezwaarschrift van [eiser] van mei 2005,
d) de beschikkingen van de gedaagde over de jaren: 1997, 1998, 2002, 2003, 2004, gedateerd 2 augustus 2006 en ontvangen op 10 augustus 2006.
De kantonrechter volhardt bij de inhoud van dit vonnis.

1. Het verdere verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– de conclusie tot overlegging van de producties d.d. 16 juni 2008;
– de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 7 juli 2008.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 Uit de inhoud van de beschikkingen waarvan eiser vernietiging vordert, blijkt dat gedaagde eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingesteld bezwaar, omdat hij niet binnen de bij wet gestelde termijn beroep heeft aangewend. Doordat gedaagde eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in het hem ingesteld bezwaar, is gedaagde inhoudelijk niet ingegaan op de bezwaren van eiser hetgeen overigens blijkt uit de inhoud van de beschikkingen waarvan eiser vernietiging vordert. Zoals de kantonrechter reeds in het eerder op 19 november 2007 in deze zaak gewezen tussenvonnis heeft geoordeeld, is eiser wel ontvankelijk in zijn beroep omdat de Raad van Beroep alwaar hij in beroep dient te gaan een ettelijk aantal jaren niet functioneert. Nu de kantonrechter eiser wel ontvankelijk acht in zijn bezwaar en gedaagde om die reden inhoudelijk niet is ingegaan op het bezwaar van eiser, zal gedaagde alsnog inhoudelijk moeten ingaan op het door eiser ingesteld bezwaar. Hieruit volgt dat de vordering van eiser tot vernietiging van de beschikkingen zal worden toegewezen.

2.2 De vordering terzake veroordeling van gedaagde in de kosten voor juridische adviezen, welke kosten zijn inbegrepen in de door eiser gevorderde proceskosten van SRD 750,– komen niet voor toewijzing in aanmerking. Dit, omdat deze kosten blijkens het bepaalde in artikel 61 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet vallen onder de proceskosten en dus enige wettelijke grondslag missen.

2.3 De kantonrechter constateert dat eiser heeft nagelaten het vonnis in onderhavige zaak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu de kantonrechter niet meer mag toewijzen dan gevorderd, zal het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

2.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

3.1 Vernietigt de bestreden aanslagen c.q. beschikkingen over de jaren 1997, 1998, 2002, 2003, 2004, gedateerd 2 augustus 2006 en ontvangen op 10 augustus 2006.

3.2 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser en tot aan de uitspraak begroot op SRD 112,50 (eenhonderd twaalf Surinaamse Dollar en vijftig Surinaamse dollarcent).

3.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 18 augustus 2009 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2016-8

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 164970
2 november 2016

Vonnis in de zaak van

[eiser],
wonende te Paramaribo,
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,
hierna te noemen: [eiser]

tegen

STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ NV,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,
hierna te noemen: “het Pensioenfonds”.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met producties, dat op 11 oktober 2016 ter griffie der kantonrechter is ingediend,
– de conclusie van antwoord, met productie,
– de conclusie van repliek,
– de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [eiser] is eigenaar van het ten rekeste vermeld perceelland.

2.2 Het Pensioenfonds is met de [eiser] en [naam] een overeenkomst van geldleen aangegaan bij welke overeenkomst tevens een hypotheek is gevestigd.

2.3 Bij akte van 21 juli 2000 is deze hypotheek gevestigd en is [eiser] als onderzetter opgetreden waarbij hij het ten rekeste vermeld perceelland heeft ondergezet.

2.4 Op 16 juli 2016 is de inschrijving van de hypotheek vernieuwd.

2.5 Bij exploit van 17 september 2016 heeft het Pensioenfonds [eiser] de openbare verkoop aangezegd voor donderdag 3 november 2016 om 10.00 uur des voormiddags.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

[eiser] vordert kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

– de onmiddellijke stopzetting gelast van de voor 3 november 2016 door het Pensioenfonds aangekondigde verkoop;
– het Pensioenfonds veroordeelt om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak ten behoeve van haar en ten laste van [eiser] vernieuwde hypotheek door te halen of te royeren;
– het Pensioenfonds veroordeelt tot betaling van een dwangsom en voorts
– het Pensioenfonds veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag

[eiser] heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd, dat de hypotheek op 4 augustus 2000 in het register is ingeschreven. Artikel 1220 BW schrijft voor, dat de hypotheek standhoudt gedurende 15 jaar en voor het verloop van die termijn moet worden vernieuwd. Nu de inschrijving niet binnen die termijn is vernieuwd is de hypotheek vervallen.

De inschrijving is weliswaar op 18 juli 2016 vernieuwd doch dat is te laat omdat de hypotheek reeds is vervallen. Om die reden kan de veiling geen voortgang hebben. Hij voert tevens als grondslag aan dat hij geen schuldenaar is waardoor van hem niet kan worden gevraagd om de schuld af te betalen. Hij is het Pensioenfonds niets verschuldigd. Ook om die reden is de aangezegde veiling niet juist.

4. Het verweer

Het Pensioenfonds heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling

5.1 Het Pensioenfonds heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd.

  1. Dat ingevolge de wet inderdaad een hypotheek vervalt indien de inschrijving na vijftien jaar niet vernieuwd wordt, doch dat uit de literatuur blijkt dat het weder inschrijven van de hypotheek tot gevolg heeft dat de hypotheek rechtsgeldig is; het enige gevolg dat in de literatuur wordt aangegeven aan het na de termijn van vijftien jaar vernieuwd inschrijven is, dat de rangorde kan veranderen indien er meerdere hypotheken zijn, omdat de inschrijving van de hypotheek dan pas geldt vanaf het moment van de vernieuwde inschrijving; indien de inschrijving voor het verloop van de vijftien jaar wordt vernieuwd zijn er geen gevolgen voor een eventuele rangorde met andere hypotheekhouders; om die reden is de hypotheek wel rechtsgeldig en kon het Pensioenfonds wel de veiling aanzeggen;
  2. [eiser] is als onderzetter opgetreden waardoor aan hem ook de aanzegging gedaan moest worden.

5.2 [eiser] heeft op het verweer gereageerd waarbij hij bleef bij zijn gronden.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt die is, of de hypotheek nog rechtsgeldig is of dat de hypotheek niet meer bestaat vanwege het niet tijdig vernieuwen van de inschrijving.

5.4 Het Pensioenfonds heeft verwezen naar de literatuur, onder andere Asser – van Oven waarin de achtergrond is beschreven van de inschrijving van de hypotheek en de werking en het doel welke wordt toegeschreven aan de verplichting om binnen een wettelijke termijn de inschrijving te vernieuwen.

5.5 De kantonrechter overweegt dat het standpunt van het Pensioenfonds, dat de inschrijving van de hypotheek wel kan plaatsvinden na de einddatum van de wettelijke termijn, wordt onderschreven door zowel de uiteenzetting in Asser-van Oven als de uiteenzetting in het handboek “Hoofdzaken hypotheek en veiling” van mr. dr. C.A. Kraan (2014-Paramaribo).

5.6 In Asser-van Oven (10e druk 1978, pagina 174) is de volgende uitleg opgenomen: “opnieuw werden zodanige maatregelen genomen bij wet van 2 juni 1965 krachtens welke wet n.l. alle voor 1 juli 1948 genomen hypothecaire inschrijvingen binnen twee jaar na 1 juli 1966 vernieuwd moesten worden. De bedoelde vernieuwingen verzekeren aan belanghebbenden dezelfde rang en dezelfde rechten, die zij door de oorspronkelijke inschrijving hadden. Is de vernieuwing binnen de genoemde termijn nagelaten, dan houdt de vroegere inschrijving op van kracht te zijn, en kan niet meer worden hersteld, behoudens het recht van de schuldeiser om opnieuw krachtens zijn titel een inschrijving te doen bewerkstelligen, die dan echter eerst kracht heeft en rang verleent volgens haar eigen dagtekening.

5.7 In Kraan (2014) is de volgende uitleg gegeven over het royement: “de doorhaling van de hypotheek is een administratieve handeling die alleen effect heeft, dat wil zeggen het onroerend goed alleen blijvend van de inschrijving bevrijdt, als de hypotheek teniet is gegaan. Is de hypotheek niet tenietgegaan, dan blijft deze ondanks het royement van de inschrijving in stand en kan op grond van de oorspronkelijke hypotheekakte te allen tijde een nieuwe inschrijving plaatsvinden”.

5.8 De kantonrechter overweegt dat uit de hiervoor aangehaalde literatuur het verweer van het Pensioenfonds aannemelijk is waardoor de hypotheek en de inschrijving als rechtsgeldig moeten worden aangemerkt, evenals de aanzegging voor de openbare verkoop.

5.9 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het tweede deel van de grondslag, dat gelijk het Pensioenfonds aanhaalt, aan de onderzetter die niet tevens de schuldenaar is, ook de akte van de hypotheek moet worden betekend, met de melding van de saldoschuld, een bevel om te betalen en de aanzegging voor de openbare verkoop indien niet aan het verschuldigde wordt voldaan (vide hoofdstuk 6 van het hiervoor aangehaald werk van mr. dr. C.A. Kraan).

5.10 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor gestelde de grondslag niet aannemelijk is geworden waardoor het gevorderde zal worden afgewezen.

5.11 De kantonrechter zal [eiser], als de in het gelijkgestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van het Pensioenfonds gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 2 november 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-1998-4

Kantonrechter Eerste Kanton
21 mei 1998, A.R. no. 975215
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt
mr. I.D. Kanhai, advokaat, eiser in Kort Geding,

tegen

A. Kersten & co N.V. rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Steenbakkerijstraat no. 27 te Paramaribo; voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat,

B. De Staat Suriname, rechtspersoon vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. l te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat, gedaagden in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld als volgt :

  1. zal worden opgeschort de werking van de beschikking d.d. 5 november 1997 genummerd 087/97 zoals uitgegeven door gedaagde sub b totdat in bodemgeschil bij een in kracht van gewijsde gegane vonnis zal zijn beslist over de vernietiging van bedoelde beschikking;
  2. gedaagde sub ab zullen worden veroordeeld om aan eiser te betalen zijn loon tot dat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd;
  3. aan eiser te betalen zijn vakantie tegoeden en alle andere emolumenten verbonden aan de dienstbetrekking tot dat die dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd;
  4. gedaagde zal worden gelast eiser toegang te verschaffen tot de geneeskundige voorziening binnen het bedrijf van gedaagde totdat de dienstbetrekking tussen eiser en gedaagde op rechtmatige wijze is beëindigd.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, eiser vertegenwoordigd door advokaat, mr. S. Mangroelal namens zijn gemachtigde advokaat, I. D. Kanhai en gedaagde sub a door advokaat, mr. F. Kruisland en gedaagde sub b door advokaat, mr. J. Kraag ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. S. Mangroelal namens de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 9 februari 1995 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd

Overwegende, dat ter comparitiezitting, welke op 12 maart 1998 is gehouden, zijn verschenen gemachtigden van partijen en eiser in persoon, die hebben verklaard gelijk in het door Ons opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van gedaagde sub.A schriftelijke conclusies hebben genomen, waarvan is opgemaakt een proces-verbaal, welk hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat opgemerkt zij, dat het Ons geheel ontgaat hoe gedaagde sub.a en gedaagde sub.b zo zij daartoe veroordeeld zouden worden, zouden kunnen overgaan tot opschorting van de werking van de beschikking de dato 5 november 1997 no. 087/97 van de Minister van Arbeid, nu de eiser op generlei wijze heeft gesteld of doen blijken, dat zij, gedaagde sub.a en gedaagde sub.b, daartoe gehouden zouden zijn doch dat zij zulks weigeren;

Overwegende, dat wijders opgemerkt zij, dat nu de eiser niet heeft gesteld of doen blijken, dat de beschikking de dato 5 november 1997 no. 087/97 vernietigd is, ontgaat het Ons eveneens hoe in de bodemprocedure bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zou moeten worden beslist over de vernietiging van bedoelde beschikking;

Overwegende, dat het vorenoverwogene zou moeten leiden tot afwijzing van het gevorderde onder I van het petitum waartoe Wij evenwel niet zullen overgaan, zullende Wij dat gevorderde aldus opvatten, dat eiser vordert op grond van daaraan ten grondslag gelegde feiten, opschorting van de beschikking van de Minister van Arbeid de dato 5 november 1997 in haar werking totdat omtrent de rechtsgeldigheid daarvan bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beslist, biedende de aard van de onderhavige procedure Ons daartoe die ruimte;

Overwegende, dat ook dit gevorderde niet mag leiden tot een voor de eiser gunstige beslissing nu, naar gedaagde sub.a terecht heeft gesteld, een gerechtelijke aktie van een werknemer tegen een beschikking van de Minister van Arbeid als voormeld uitgesloten is omdat de bevoegdheid van de Minister de rechtspositie van de werknemer niet raakt immers wordende de rechtspositie immers uitsluitend beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met de werkgever en de daarop van toepassing zijnde rechtsregels, neergelegd in de artikelen 1613 a. e. BW;

Overwegende, dat nu het gevorderde onder 2, 3 en 4 van het petitum, naar blijkt, een sequeel is van het gevorderde onder 1 en dit gevorderde afgewezen wordt, ondergaat het gevorderde onder 2, 3 en 4 hetzelfde lot;

Overwegende, dat Wij de eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen,

Rechtdoende in kort geding
Wijzen eisers vorderingen af;

Verwijzen de eiser in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.Nihil

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-K1-1993-2

A.R.NO. 931480
28 juni 1993.
AS.

MARS G.B, LIMITED, een vennootschap-rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, gevestigd te Melton Mowbray, Leicestershire LE4 4RS, Groot-Brittannië, ook handeldrijvende onder de naam ”Pedigree Petfoods”, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,
eiseres in Kort Geding,

tegen

[gedaagde], handelende onder de Acea Trading, zaakdoende en kantoorhoudende aan de Wanicastraat no. 159 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.P.E.Bemmel,
advokaat,
gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit;
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat hij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

I. gedaagde zal worden verboden om bij het ten verkoop en distributie aan het publiek in Suriname aanbieden ……………….van vogelvoedsel onder het merk ”VAM” of enig ander merk in welke verpakking dan ook, zonder toestemming of instemming van eiseres op die verpakking aan te geven, althans te vermelden, dat voormeld vogelvoedsel van eiseres, althans van ”Pedigree Petfoods” afkomstig is, dan wel zulks te doen uitkomen of de indruk daartoe wekken op die verpakking,en/of zonder instemming of toestemming van eiseres op die verpakking te vermelden, dat terzake ………………. van voormeld vogelvoedsel door hem ten verkoop en distributie aangeboden onder het merk ”VAM” of enig ander merk, door ”Pedigree Petfoods” enige garantie is afgegeven, althans zulks te doen uitkomen of de indruk daartoe wekken;

II. gedaagde zal worden bevolen om zorg te dragen, dat door hem aan andere personen of instellingen ter verdere verkoop en distributie geleverd of ter beschikking gesteld vogelvoedsel onder het merk ”VAM”, althans enig ander merk, waarbij dat vogelvoedsel, althans de verpakking zonder toestemming of instemming van eiseres is voorzien van de naam ”Pedigree Petfoods”, dan wel zonder toestemming of instemming van eiseres is voorzien van een garantie als zijnde afkomstig van ”Pedigree Petfoods”, dan wel zulks te doen uitkomen, niet verder of langer wordt verkocht en gedistribueerd en zulke verkoop en distributie wordt gestaakt ;

III. gedaagde zal worden verboden om op de verpakking van door hem ten verkoop en distributie aangeboden of aan te bieden vogelvoedsel onder het merk ”VAM” of enig ander merk, teksten te vermelden, welke geheel of nagenoeg geheel, dan wel in overwegende mate of substantieel gelijkluidend of gelijksoortig zijn aan die, welke eiseres heeft geplaatst en/of zal plaatsen op verpakkingen van vogel voedsel, hetwelk door haar ten verkoop en distributie wordt aangeboden onder het merk ”Trill” of enig ander aan eiseres toebehorend merk, in het bijzonder de navolgende teksten:

a. THE COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD
Trill is the ideal food for your budgie, because it’s a completely balanced diet of highest quality seeds, all: thoroughly cleaned to ensure your, budgie gets maximum food, minimum waste. Trill is carefully blended to ensure your budgie gets all the vital proteins, minerals and vitamins its needs; including the essential ’Sunshine’ vitamin D The Sunshine Grains in Trill also include vital, iodine and calcium to ensure strong bones, claws, beaks and feathers. Plus protein and vegetable oil for a healthy look. No wonder Trill makes budgies bounce with health! EVERYTHING YOUR BUDGIE NEEDS FOR PERFECT HEALTH.

b. MAKES BUDGIES BOUNCE WITH HEALTH BECAUSE TRILL IS A COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD. TRILL HAS SUNSHINE GRAINS WITH VITAL IODINE AND CALCIUM.
Guarantee:
Trill is made from quality ingredients and manufactured to the highest standards. If this products fails to give complete satisfaction, please return the part of the packaging bearing the date of manufacture with details of complaint, stating (in block capitals please) your name and full address and where and when purchased to the Consumer Service Department, Pedigree Petfoods, Freepost, Melton Mowbray, :Leics., LEI3 OBR. In the Republic of Ireland return to Master-foods, 7/8 Hartcourt Street, Dublin 2, Your Statutory rights are not affected.

c. Pedigree Petfoods, Shrewsbury Avenue, Peterborough, PE2 OBY. Trill is a complete pet food for budgerigars. Feeding Instructions: As we 11 as his daily diet of Trill, your budgie should have fresh water every day. Remove empty husks from the top of his seed tray. Don’t forget to provide cuttle-fish, grit and sand.
Ingrediënts;
Cereals, minerals, derivatives of vegetable origin, milk and milk derivatives, oils and fats, I-lysine hydrochloride.
Vitamin A/kg 2000 I.U.
Vitamin D3/kg 400 I.U.
Vitamin content guaranteed for 12 months from the date of manufacture shown on the top of the carton.

IV. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf.50,000,–(VIJFTIGDUIZEND GULDEN) voor iedere:dag of keer dat hij, gedaagde, de sub I en/of III vermelde verboden overtreedt en/of het sub II vermelde bevel niet nakomt;

Kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage partijen, eiseres vertegenwoordigd door Mr. B.A.Halfhide namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en de gedaagde vertegenwoordigd door Mr.Y.Van Trigt namens haar gemachtigde, advokaat Mr.P.E. Bemmel, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. B.A. Halfhide namens de gemachtigde van eiseres een hier als ingelast te beschouwen schriftelijke conclusie tot aanvulling van eis heeft genomen en vervolgens voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigde van gedaagde tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overge legde produktie eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie zijdens eiseres bepaald diens gemachtigde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:
Overwegende, dat het spoedeisend belang der vordering uit de aard der stellingen van eiseresses ——— inleidend rekest voortvloeit;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans als niet of niet voldoend gemotiveerd betwist-en mede blijkende uit ten processe overgelegde producties- het navolgende rechtens tussen partijen vaststaat:

  1. dat de gedaagde in Suriname vogelzaad onder het merk ”VAM’’ verkoopt en distribueert, waarbij zij niet alleen een kleurverpakking gebruikt, die nagenoeg gelijk is aan de kleurverpakking van de vogelzaad onder het merk ”Trill”, die de eiseres fabriceert en-ook in Suriname, als beschermd gerechtigde-doet, distribueren, doch dat de gedaagde in strijd met de waarheid daarbij de indruk wekt dat haar product afkomstig is van en dat de kwaliteit daarvan gegarandeerd wordt door -Pedigree Pet- foods, zijnde de handelsnaam, waaronder de eiseres bedrijfshandelingen zowel in Suriname als andere landen verricht;
  2. dat de gedaagde daarbij teksten op de verpakking heeft opgenomen-teksten die strekken tot aanbeveling voor gebruik van dat voedsel alsmede de samenstelling daarvan-welke (in overwegende mate ) ge1ijkluidend en gelijkend zijn met de teksten die de eiseres op haar verpakking heeft aangebracht;
  3. dat de gedaagde inmiddels zowel de kleur van als de teksten op de verpakking van haar product heeft gewijzigd;

Overwegende, dat de eiseres terecht stelt dat zowel de handelsnaam (Pedigree Petfoods) als de teksten die zij op de verpakking van haar vogelzaad heeft aangebracht door het recht (wet en verdragen) beschermd worden, waarop de gedaagde geen inbreuk mag maken en hoewel de gedaagde zowel de verpakking als de. teksten daarop heeft veranderd, heeft de eiseres er belang bij dat haar vorderingen worden toegewezen omdat anders haar vrees dat de gedaagde tot het onrechtmatig gebruik van de naam en de teksten opnieuw zou kunnen overgaan, bewaarheid zou kunnen worden;

Overwegende, dat Wij dan ook als na te melden recht zullen doen met veroordeling van de gedaagde,. als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten,

RECHTDOENDE:

I. Verbieden de gedaagde om bij het ten verkoop en distrubutie aan het publiek in Suriname aanbieden van vogelvoedsel onder het merk ”VAM” of enig ander merk in welke verpakking dan ook, zonder toestemming of instemming van eiseres op die ver pakking aan te geven, dat voormeld vogelvoedsel van ”Pedigree Petfoods” afkomstig is, of de indruk daartoe wekken op die verpakking, dat terzake van voormeld vogelvoedsel door hem ten verkoop en distributie aangeboden onder het merk ”VAM”, door ”Pedigree Petfoods” enige garantie is afgegeven;

II. Bevelen de gedaagde om zorg te dragen, dat door haar aan andere personen of instellingen ter verdere verkoop en distributie geleverd of ter beschikking gesteld vogelvoedsel onder het merk ”VAM”, waarbij dat vogelvoedsel is voorzien van de naam ”Pedigree Petfoods”, dan wel is voorzien van een garantie als zijnde afkomstig van ”Pedigree Petfoods” niet verder of langer wordt verkocht en gedistribueerd en zulke verkoop en distributie wordt gestaakt;

III. Verbieden de gedaagde om op de verpakking van door haar ten verkoop en distributie aangeboden of aan te bieden vogelvoedsel onder het merk ”VAM”of enig ander merk, teksten te vermelden, welke geheel of nagenoeg geheel, dan wel in overwegende mate of substantieel gelijkluidend of gelijksoortig zijn aan die,– welke eiseres heeft geplaatst op verpakkingen van vogelvoedsel, hetwelk door haar ten verkoop en distributie wordt aangeboden onder het merk ”Trill”, in het bijzonder de navolgende teksten:

a. THE COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD.
Trill is the ideal food for your budgie, because it’s a completely balanced diet of highest quality seeds, all thoroughly cleaned to ensure your budgie gets maximum food, minimum waste. Trill is carefully blended to ensure your budgie gets all the vital proteins, minerals and vitamins its needs; including the essential ’Sunshine’ vitamin D. The Sunshine Grains in Trill also include vital iodine and calcium to ensure strong bones, c1aws, beaks and feathers. Plus protein and vegetable oil for a healthy look.No wonder Trill makes budgies bounce with health! EVERYTHING YOUR BUDGIE NEEDS FOR PER F ECT HEALTH.

b. MAKES BUDGIES BOUNCE WITH HEALTH BECAUSE TRILL IS A COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD. TRILL HAS SUNSHINE GRAINS WITH VITAL IODINE AND CALCIUM.
Guarantee:
Trill is made from quality ingredients and manufactured to the highest standards. If this products fails to give complete satisfaction, p lease return the part of the packaging bearing the date of manufacture with details of complaint, stating (in block capitals please) your name and full address and where and when purchased to the consumer service Department, Pedigree Petfoods, Freepost, Melton Mowbray, Leics., LEI3 OBR. In the Republic of Ireland return to Masterfoods,7/8 Hartcourt Street Dublin 2,Your Statutory rights are not affected,

c. Pedigree Petfoods, Shrewsbury Avenue, Peter-borough,PE2 OBY, Trill is a complete pet food for budgerigars,Feeding Instructions:As well as his daily diet of Trill, your budgie should have fresh water every day. Remove empty husks trom the top of his seed tray. Don’t forget to provide cuttle-fish,grit and sand.
Ingredients :
Cereals, minerals,derivatives of vegetable origin, milk and milk derivatives, oils and fats, I-lysine hydroch1oride .
Vitamin A/kg 2000 I.U.
Vitamin D3/kg 400 I.U.
Vitamin content guaranteed for 12 months from the date of manufacture shown on the top of the carton.
Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordelen gedaagde om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van f.50.000,– (VIJFTIGDUIZEND GULDEN), voor iedere keer dat de gedaagde voormelde verboden en bevel overtreedt.

Wijzen af het meer of anders gevorderde.

Veroordelen gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.159,75 (EENHONDERD NEGEN EN VIJFTIG 75/100 GULDEN).

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van MAANDAG 28 JUNI 1993, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. S. GANGARAM-PANDAY, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,

A. CHARAN, BSc.

SRU-K1-1984-1

A.R.NO. 847654
19 november 1984.
TV.

RECKITT & COLMAN (OVERSEAS) LIMITED, vennootschap-rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, gevestigd te Hull, Yorkshire, Engeland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,
eiseres in Kort Geding,

tegen

H.J.DE VRIES N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant no.92-96, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.W.P.Siwpersad, advokaat,
gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Overwegende ten aanzien van de feiten:
Eiseres heeft bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoer-baar bij voorraad en op de minuut:

I. gedaagde zal worden verboden om (pharmaceutische) preparaten voor antiseptics desinfectants en germiciden, alsmede zepen, inclusief toiletzeep, medicinale en ontsmettende zepen en kiemdodende en insecten verdelgende middelen, althans soortgelijke waren, in Suriname in het (handels)verkeer te brengen, te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of aflevering in voorraad te hebben, onder het handelsmerk ”DESSOL” en zal worden bevolen die of soortgelijke handelingen onmiddelllijk te staken, eventueel totdat over de rechtmatigheid van die handelingen zijdens gedaagde uiteindelijk door de Rechter is beslist en eventueel onder door de Rechter te stellen voorwaarden;

II. gedaagde zal worden verboden om reinigings- en/of poetsmiddelen, althans soortgelijke waren, in Suriname in het (handels)verkeer te brengen, (aan het publiek) te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of levering (aan het publiek) in voorraad te hebben, onder het merk ”WINDOLINE” en zal worden bevolen die of soortgelijke handelin- gen onmiddellijk te staken, eventueel totdat omtrent de rechtmatigheid van voormelde handelingen zijdens gedaagde door de Rechter uiteindelijk is beslist en/of eventueel onder door de Rechter te stellen voorwaarden;

III. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres voor elke keer of elke dag, dat zij de sub I en II te geven verboden en/of bevelen overtreedt, ten titel van dwangsom zal betalen het bedrag van ƒ. 5.000,– (VIJF DUIZEND GULDEN); Kosten rechtens. Te dienende dage is eiseres vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr..F.Kruisland, ter terechtzitting verschenen, terwijl advokaat Mr.W.P.Siwperaad zich als gemachtigde van de gedaagde heeft gesteld, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig het inleidend rekest heeft geconcludeerd. De gemachtigde van gedaagde heeft hierna een schriftelijke conclusie van antwoord overgelegd. De gemachtigden van partijen hebben vervolgens middels schriftelijke conclusien over en weer gerepliceerd en gedupliceerd waar-bij zij tevens producties hebben overgelegd (gemachtigde van eiseres 1 fles dettol en 1 fles dessol en de gemachtigde van gedaagde 1 fles windoline). De gemachtigde van eiseres heeft hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating over de overgelegde producties genomen en daarbij het navolgende gezegd:,, voorzover zij bekend, heeft eiseres dit jaar haar product ”windoline” niet geïmporteerd en ook niet in de handel gebracht”.De inhoud van het een en ander wordt als hier ingelast beschouwd. Wij hadden hierna aanvankelijk vonnis bepaald op maandag 12 november 1984 doch nader op heden.

Overwegende ten aanzien van het recht:
Het spoedeisend belang van eiseres bij de onderhavige vordering blijkt uit de stellingen van het inleidend rekest, zijnde zulks door gedaagde overigens niet betwist.
Ten processe is als niet betwist
rechtens tussen partijen komen vast te staan

  1. dat eiseres eigenares is en houdster van het handelsmerk ”DETTOL”, welke zij zowel in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland als in Suriname als eerste heeft gebruikt en nog gebruikt ter onderscheiding van haar waren, met name pharmaceutische preparaten voor antiseptics, germiciden en desinfectants, kiemdodende en insecten verdelgende middelen, sanitaire bestanddelen, toiletzeep, medicinale en ontsmettende zepen, zuiveringsmiddelen en schoonmaakpreparaten, zulks blijkens gedane inschrijvingen van voormeld handelmerk zowel in Groot-Britannië als in Suriname in de daartoe wettelijk aangewezen openbare registers;
  2. dat eiseres voorts eigenares is en houdster van het handelsmerk ”WINDOLENE”, welke zij zowel in het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland als in Suriname als eerste heeft gebruikt en nog gebruikt ter onderscheiding van haar waren.met name reinigings-en poetsmiddelen, zulks eveneens blijkens gedane inshrijvingen van voormeld handelsmerk in de daartoe wettelijk aangewezen openbare registers zowel in Groot-Brittannië als in Suriname;
  3. dat op grond van het bepaalde in artikel 2 van de wet, houdende bepalingen omtrent de fabrieks- en handelsmerken, eiseres mitsdien gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de sub 1 en 2 bedoelde handelsmerken:
  4. dat eiseres voorts tot voormeld uitsluitend gebruik in Suriname gerechtigd is op grond van artikel 2 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de Industriële Eigendom (Tractatenblad voor het Koninkrijk der Nederlanden, jg. 1970 no.187), aangezien zowel het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland als Suriname deelnemer aan voormeld verdrag is en uit hoofde van voormeld verdragsartikel de nationalen van de deelnemers, zoals eiseres van het Verenigd Koninkrijk is, dezelfde bescherming genieten in het land van een andere deelnemer, zoals Suriname, indien zij, gelijk eiseres, hun handelsmerk in dat land gebruiken.Gebleken is, dat gedaagde in Suriname pharmaceutische preparaten voor antiseptics en desinfectants, althans soortgelijke waren als hierboven sub 1 vermeld, in het verkeer brengt en/of verkoopt en die waren aan het publiek in Suriname levert, althans ter aflevering en verkoop in voorraad heeft, onder het merk ”DESSOL”. Eiseres stelt, dat voormelde handeling van gedaagde een nabootsing is van, althans een soortgelijk merk is als ”DETTOL”, tot het gebruik van welk merk eiseres bij uitsluiting van ieder ander gerechtigd is; dat de merken ”DETTOL” en ”DESSOL” in hoofdzaak gelijk zijn, althans dat ”DESSOL” een nabootsing is van eiseresses merk ”DETTOL”, welke zij lang vóór gedaagde in Suriname gebruikte ter onderscheidingding van naar waren, gelijksoortig aan die welke door gedaagde wordt gebruikt; dat zulks op grond van artikel 10 van de Wet, houdende bepalingen ontrent de fabriek- en handelsmerken (G.B.1946 no.73) tegenover eiseres onrechtmatig is; dat zulks immers ook volgt uit artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs, ter bescherming van de Industriële eigendom, zijnde Suriname ook deelnemer aan dat Verdrag dat ingevolge voormelde Verdragsbepaling het gebruik namelijk van een handelsmerk, dat een reproductie of nabootsing is, welke verwarring kan wekken, onrechtmatig is.Gedaagde heeft zich tegen voormelde stellingen van eiseres verweerd, door ondermeer te stellen, dat artikel 10 van de Wet Fabrieks- en Handelsmerken hier niet van toepassing is; dat ”DESSOL” een afkorting is van de woorden ,,desinfectant” en „solution”; dat geen sprake kan zijn van verwarring met het product van eiseres, op grond van de duidelijke verschillen tussen de beiden producten, zoals opgesomd in de conclusie van antwoord.Gedaagde heeft evenwel toegegeven, dat in auditief opzicht wellicht van enige overeenstemming sprake kan zijn, echter leidt zulks niet tot de conclusie, dat er in casu sprake is van overeenstemming en wel in dien mate, dat gebruik van het woord ”DESSOL” verwarring als door eiseres stelt, sticht, althans daartoe kan leiden. Tenslotte heeft gedaagde gesteld, dat de waren die door eiseres onder de naam ”DETTOL” in Suriname op de markt gebruikt worden, sedert enige tijd niet meer mogen worden geïmporteerd, aangezien het beleid van de Surinaamse Overheid erop gericht is om import van producten die lokaal geproduceerd kunnen worden, stop te zetten. Dit laatste verweer van gedaagde is door eiseres, gestaafd met onbetwiste bescheiden, ontzenuwd, Naar Ons voorlopig oordeel ziet gedaagde over het hoofd, dat het in casu in hoofdsaak gaat om een merk, dat geheel of in hoofdzaak overeenstemt met het merk van een ander, in casu van eiseres.Naar Ons voorlopig oordeel vertonen beide merken zowel naar opschrift als auditief zodanige overeenstemming, dat sprake is van nabootsing en mitsdien verwarringstichtend.Het feit, dat de vorm van de flessen en van de etiketten daarop en van de kleur der vloeistoffen van de producten van partijen lichtelijke verschillen met elkaar vertonen, doet hieraan niets af, evenmin doet hieraan iets af het feit, dat het merk ”DETTOL” in zwarte letters op een wit achtergrond en ”DESSOL” in witte letters op een zwart achtergrond op de flessen gedrukt staat; tenslotte doet evenmin hieraan iets af het feit, dat op de fles van eiseres een zwaard voorkomt en op die van gedaagde een rood kruis.

Op grond van het voorgaande dient de gevraagde voorziening ten aanzien van het merk ”DESSOL” te worden toegewezen onder de navolgende voorwaarde.

Met betrekking tot de door gedaagde in Suriname in de handel gebracht wordende reinigings- en poetsmiddelen, althans soortgelijke waren onder het merk ”WINDOLINE” welke naar eiseres beweert eveneens jegens haar onrechtmatig zou zijn, ten opzichte van het door haar -eiseres- voor haar reinigings- en poetsmiddelen gebruikte merk ”WINDOLENE”, zijn Wij van oordeel, dat nu eiseres heeft doen zeggen, dat zij in dit jaar haar product (WINDOLENE”) niet geimporteerd heeft en ook niet in de handel heeft gebracht, zij mitsdien geen belang heeft bij haar vordering ten aanzien hiervan en haar vordering ten deze dan ook zal worden geweigerd.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

I. Weigeren de door eiseres gevraagde voorzieningen met betrekking tot het door gedaagde gebruikte merk ”WINDOLINE”.

II. Verbieden gedaagde om pharmaceutische preparaten voor antiseptics, desinfectants en gemiciden alsmede zepen, inclusief toilet zeep, medicinale en ontsmettende zepen en kiemdodende en insecten verdelgende middelen, althans soortgelijke waren in Suriname in het handelsverkeer te brengen, te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of aflevering in voorraad te hebben, onder het handelsmerk

III. Bevelen gedaagde deze of soortgelijke handelingen binnen ZES MAANDEN na heden te staken, onder voorwaarde, dat eiseres binnen EEN MAAND na heden een vordering bij de gewone Rechter indient, opdat over de rechtmatigheid van de handelingen van gedaagde door die Rechter uiteindelijk zal kunnen worden beslist.

IV. Veroordelen gedaagde om aan eiseres voor elke dag, dat zij na ZES MAANDEN na heden het aub II hierboven gegeven verbod overtreedt, ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van ƒ. 1.500,– (EENDUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN).

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld aub II tot en met IV uitvoerbaar bij voorraad.
Veroordelen gedaagde in de helft van de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen, deze helft tot aan deze uitspraak begroot op f. 25,50 (vijf en twintig 50/100 gulden) Wijzen af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van MAANDAG 19 NOVEMBER 1984, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.R.E.Th.OOSTERLING, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier, E.M.RANCHOR.

w.g.E.M.Ranchor. w.g.R.E.TH.Oosterling.

Partijen, eiseres in Kort Geding vertegenwoordigd door haar gemachtigde en de gedaagde in Kort Geding door Mr.C.Calor namens haar gemachtigde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-1997-4

Kantonrechter Eerste Kanton
2 oktober 1997, A.R. 972406
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiseres], wonende aan [adres 1], [land], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. P.E. Bemmel en Mr. S. Mangroelal, advokaten, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. B.A. Halfhide, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. zal worden geschorst in zijn werking c.q. zal worden opgeschort de tussen partijen gesloten huurovereenkomst d.d. 4 november 1995 betreffende het woonhuis aan [adres 2] te [district]; en gedaagde zal worden veroordeeld:
b. aan eiseres bij wijze van voorschot zal worden betaald de achterstallige huurpenningen tot en met mei 1997, bedragende Nƒ 5.100,– (VIJFDUIZEND EENHONDERD GULDEN NEDERLANDS COURANT);
c. het litigieuze woonhuis aan [adres 2] te [district] te ontruimen binnen een (1) week na het te wijzen vonnis, althans binnen een door Ons in goede justitie te bepalen termijn met machtiging van eiseres, zo ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advokaten Mr. S. Mangroelal en Mr. B. Halfhide ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres overeenkomstig vermeld verzoekschrift voor eis heeft geconcludeerd.
Overwegende dat de gemachtigde van partijen ter terechtzitting van 19 augustus 1997 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der daaraan ten grondslag gelegde feiten, meer in het bijzonder uit het in het 6e “dat” van het verzoekschrift gestelde, blijkt;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd betwist, gevoegd bij de door eiseres in het geding gebrachte producties, tussen partijen, voorzover ten deze van belang, vaststaat, dat eiser per 1 januari 1996 aan gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiseres alstoen heeft gehuurd het erf met daaropstaand gebouw gelegen te [district] aan [adres 2] met inboedel, aan partijen zonder nadere omschrijving volledig bekend, zulks voor de duur van een jaar en voor de prijs van Nƒ 300,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen; dat eiseres bij de gewone rechter tegen gedaagde heeft aangelegd een vordering tot onder meer ontbinding der ten rekeste gestelde huurovereenkomst en ontruiming op grond van wanprestatie, hierin bestaande dat gedaagde de verschuldigde huurpenningen ten bedrage van Nƒ 300,– per maand, niet heeft betaald en ten tijde van het instellen van de onderhavige vordering een achterstand had van Nƒ 5.100,–;

Overwegende, dat eiseres in het onderhavige proces vordert schorsing c.q. opschorting der ten rekeste gestelde huurovereenkomst, veroordeling van gedaagde bij wijze van voorschot aan haar te betalen de achterstallige huurpenningen tot en met mei 1997, ten bedrage van Nƒ 5.100,– en veroordeling van gedaagde tot ontruiming van het hem verhuurde binnen 1 (een) week na dagtekening van het vonnis althans binnen een door Ons in goede justitie te bepalen termijn, e.e.a. op grond van door gedaagde jegens haar, eiseres, gepleegde wanprestatie, bestaande in het nalaten de verschuldigde huurpenningen te betalen als gevolg waarvan een achterstand daarin is ontstaan die tot en met mei 1997 heeft bedragen Nƒ 5100,–;

Overwegende, dat gedaagde bij wege van verweer heeft aangevoerd dat eiseres in haar tegen gedaagde in de bodemprocedure ingestelde vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst niet ontvankelijk verklaard zal worden en dat Wij, daarop anticiperend, de van Ons (onder a van het petitum) verlangde voorziening dienen te weigeren, omdat de Huurbeschermingswet 1949 aan artikel 1287 BW derogeert en dat als gevolg daarvan eiseres het recht in de bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen op grond van wanprestatie mitsdien niet toekomt;

Overwegende, dat eiseres, voormelde zienswijze van gedaagde betwistend, van oordeel is dat zij wel het recht heeft ontbinding der huurovereenkomst te vorderen, kunnende het immers, aldus eiseres, nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de verhuurder geen beroep zou mogen doen op wanprestatie, door de huurder gepleegd, en op grond daarvan in rechte ontbinding van de huurovereenkomst vorderen; dat de Huurbeschermingswet 1949 niet derogeert aan artikel 1287 BW;

Overwegende, dat, naar uit hun stellingen terzake valt af te leiden, partijen in wezen aan Ons hebben voorgelegd de vraag of de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingswet 1949 aan artikel 1287 BW al dan niet derogeren;

Overwegende, dat de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingwet 1949 het einde van de huurovereenkomst van een woning uitsluitend in het geval deze huurovereenkomst een einde door opzegging neemt, regelen;

Overwegende, dat, was het nog tot voor kort zo dat Wij, evenals gedaagde, de mening waren toegedaan dat de Huurbeschermingswet 1949 aan artikel 1287 BW derogeert, thans oordelen Wij dat die mening Ons niet juist voorkomt en door Ons wordt verlaten, komende het Ons immers voor, dat de in de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingswet 1949 neergelegde regeling met betrekking tot de beëindiging van de huurovereenkomst van een woning op zichzelf niet uitsluit ontbinding van die overeenkomst op grond van de algemene bepalingen met betrekking tot de ontbinding van wederkerige overeenkomsten te vorderen;

Overwegende immers, dat de wetgever met de woorden: “wordt voor het eindigen van de huur ener woning een opzegging als bedoeld in artikel 1592 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek altijd vereist” (artikel 1) niet bedoeld heeft dat opzegging het enige middel is waardoor aan een huurovereenkomst een einde kan komen;

Overwegende, dat Wij het dan ook het met eiseres eens zijn, dat de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingswet 1949, niet derogeren aan artikel 1287 BW en dat ook een overeenkomst van huur en verhuur van een woning in de zin van artikel 9 lid 2 van de Huurbeschermingswet 1949 ontbonden kan worden op grond van wanprestatie langs de weg van artikel 1287 BW;

Overwegende, dat gedaagde Ons het verzoek gedaan heeft de huur in redelijkheid vast te stellen nu hij van de Distrikts Commissaris van Paramaribo, aan wie hij om taxatie van de huur heeft verzocht de beslissing terzake (nog) niet heeft ontvangen omdat de taxatiecommissie niet bemensd is en niet functioneert;

Overwegende, dat gedaagdes verzoek, dat, naar Ons voorkomt, gebaseerd is op artikel 7 van de Huurbeschermingswet l949, niet kan worden ingewilligd omdat de bevoegdheid om de voorwaarden naar billijkheid te wijzigen, naar Ons voorlopig oordeel, bij uitsluiting voorbehouden is aan de gewone rechter en niet aan de Kantonrechter in kort geding;

Overwegende, dat gemelde wettelijke bepaling blijkens de Memorie van Toelichting, naar het Ons eveneens voorkomt, bovendien geschreven is in het belang van de verhuurder en niet in het belang van de huurder zodat, ook al zouden Wij bevoegd zijn de voorwaarden naar billijkheid te wijzigen, Wij het door gedaagde, in casu de huurder, gedaan verzoek om vaststelling van de huur op een, aldus dat verzoek opvattend, lager bedrag dan oorspronkelijk overeengekomen, niet zouden kunnen inwilligen;

Overwegende, dat, naar tussen partijen rechtens vaststaat, gedaagde tot en met mei 1997 een achterstand in de betaling van de verschuldigde huurpenningen had van Nƒ 5.100,-, neerkomend op een periode van (Nƒ 5.100,–: Nƒ 300,– is) 19 maanden;

Overwegende, dat in casu sprake is van wanprestatie zijdens gedaagde welke wanprestatie Wij dermate ernstig achten dat van eiseres als verhuurster in redelijk niet verwacht zou mogen worden de ten rekeste gestelde huurovereenkomst langer gestand te doen en nu de gewone rechter naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid eiseres haar vordering strekkende tot onder meer ontbinding der huurovereenkomst, ontruiming door gedaagde en betaling van de niet betaalde huurpenningen zijdens gedaagde zal toewijzen, zullen Wij de van Ons verlangde voorzieningen verlenen als in het dictum van dit vonnis te melden, onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in Kort Geding:
A. Schorten op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst de dato 4 november 1995;

Veroordelen gedaagde tot:
B. ontruiming binnen een maand na dagtekening van deze uitspraak van het woonhuis staande op het erf dat gelegen is te [district] aan [adres 2] en het, na medeneming van alle zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen, ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen; met machtiging op eiseres om, indien gedaagden weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan desnoods met behulp van de Sterke Arm;
C. betaling aan eiseres bij wijze van voorschot van het bedrag van Nƒ 5.100,-;

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;
Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eiseres zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 3.791,– (Drie Duizend Zevenhonderd een en negentig gulden)
Weigeren het meer of anders gevorderde.

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-K1-2011-10

In naam van de Republiek

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 10-4699
13 januari 2011
RGR

Vonnis in het kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

A. De Staat Suriname, rechtspersoon,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],
wonende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. Lesley H.R. Rogers, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het verloop van het geding

1.1.Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 11 november 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie van eis;
– de conclusie tot toelichting van het verzoekschrift;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de repliek pleitnota;
– het bekijken en beluisteren van een DVD bevattende een verslag van de door gedaagde sub B gedane uitspraken;
– de dupliek pleitnota;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres;
– de verklaring van de raadsman van de gedaagden zoals aangetekend op de kaft van dossier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [gedaagde sub B], is Minister van [departement], en maakt als zodanig deel uit van de regering van de Republiek Suriname, gedaagde sub A.

2.2 Tijdens een officiële persconferentie van de Raad van Ministers gehouden op 12 oktober 2010 heeft de [gedaagde sub B] voornoemd ten overstaan van de pers, bestaande uit journalisten van de kranten en radio- en t.v. stations, onder meer de navolgende uitspraken gedaan, die door eiseres in het inleidend verzoekschrift zijn aangehaald en waarvan bepaalde zinsdelen in vetdruk aan de kantonrechter zijn overhandigd doch waarvan de nummering door de kantonrechter is geschied:

(a) “Aangaande [naam] is het natuurlijk jammer dat we persoonlijke dingen in de pers, in de publiciteit gaan bespreken, uitvechten, iemand bespreken die zich nu niet eens in Suriname zit om zich te verweren, maar aangezien dit nog voortsiddert en er nog vragen hierover komen en dat er nog een zogenaamde pressiegroep onder leiding van [eiseres] bezig is, is het toch nodig om aan te geven dat niet ‘s Lands heeft besloten de overeenkomst ….”

(b) “nee ik ben nog niet klaar. Maar ik heb nog veel hierover, omdat wat betreft die mevrouw die bezig is, we kennen haar zeer goed ook en we weten dat ze van koorddansen houdt. Ze begeeft zich altijd op het randje van wat nog toelaatbaar is en we hopen voor haar dat ze echt een goede koorddanseres is”.

(c) “De arts, de arts die opkomt voor [naam]”.

(d) “Jawel. Dus waarom ik dat zeg. Ik weet niet als u dat kan herinneren als pers en ik hoop dat U als pers een goed geheugen hebt. Indertijd zo een paar jaar geleden een echtpaar, een Hindoestaanse echtpaar was vermoord te [plaats]. En U weet dat deze mevrouw toen bezig was te mobiliseren om een petitie aan te bieden aan de Nationale Assemblee om doodstraf weder in te voeren, omdat met dacht dat het zou gaan over marron jongeren die dus de moord zou hebben gepleegd, toen het bleek dat het een hindoestaanse buurman was die de moord heeft gepleegd is het abrupt al die mobilisatie actie gestopt. Dus vandaar dat ik zeg dat deze mevrouw zich altijd begeeft op het, op het wel etnisch, racistische, want als het racistisch wordt denk ik dat ze geesten aan het oproepen is welke ze misschien niet zal kunnen bezweren’.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1 Eiseres vordert dat gedaagden worden veroordeeld om in met name genoemde kranten en radio- en t.v. stations een rectificatie te plaatsen en zijn verontschuldigingen aan eiseres aan te bieden.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3 Eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd de stelling dat zij door de gedane uitlatingen in haar eer, goede naam en maatschappelijke reputatie is aangerand en dat gedaagden door als zo te handelen zich onzorgvuldig en onbetamelijk jegens haar hebben gedragen.

3.4 Op het verweer van gedaagden en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Uit de aard van de stellingen en uit het door haar gevorderde is genoegzaam gebleken dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij de vordering.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat de door gedaagden niet is betwist dat in de uitspraken die door gedaagde sub B op 12 oktober 2010 zijn gedaan met “mevrouw [achternaam – eiseres]” en “die mevrouw” de eiseres wordt bedoeld.

4.3 Rechtens staat vast dat gedaagde sub B minister van [departement] is en als zodanig als orgaan van gedaagde sub A dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door gedaagde sub B gedane uitlatingen echter niet gedaan binnen de formele kring van zijn werkzaamheden als Minister van [departement] zodat zijn uitspraken niet aan de Staat, gedaagde sub A, kunnen worden toegerekend, doch slechts aan de persoon van de [gedaagde sub B], zoals ook gesteld in het 10e sustenu van het inleidend verzoekschrift. Op grond hiervan zal eiseres niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen gedaagde sub A.

4.4 Bij de toetsing van de uitspraken van gedaagde sub B op hun al dan niet onrechtmatig karakter jegens eiseres zal uitsluitend rekening worden gehouden met de letterlijke tekst die gedaagde sub B heeft uitgesproken en die is vastgelegd op een in raadkamer vertoonde DVD. Deze t.v.-verslaggeving is door verschillende televisiestations uitgezonden. Met de tekst die voorkomt in de kranten wordt geen rekening gehouden, in de eerste plaats omdat eiseres geen kranten als bewijsmateriaal heeft overgelegd en verder ook omdat, zoals de raadsman van gedaagde sub B, terecht heeft opgemerkt zijn cliënt niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de wijze waarop de schrijvende pers de uitlatingen verwerkt en samenvat en voor de wijze waarop de krantenkoppen worden geformuleerd.

4.5 De met (a) aangeduide uitspraak van gedaagde sub B acht de kantonrechter niet onrechtmatig. Een “pressiegroep” is volgens van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal “een klasse of groep van personen die druk in een bepaalde richting op het parlement of regeringsorganen uitoefenen”. In de onderhavige zaak voerde eiseres tezamen met anderen in groepsverband actie om een bepaalde medische specialist, die problemen had met de directie van het ziekenhuis waarin hij werkte, voor dat ziekenhuis c.q. voor Suriname te behouden. De door gedaagde sub B gedane uitspraak is een feitelijke constatering die op waarheid berust en die eiseres niet onnodig in een kwaad daglicht stelt zodat van onrechtmatig handelen aan de zijde van gedaagde sub B geen sprake is.

4.6 De kantonrechter vermag niet in te zien dat de met (c) aangeduide uitspraak aangehaald in het inleidend verzoekschrift, onrechtmatig is. Het betreft een feitelijke constatering die waar is die op geen enkele wijze iets over de persoon van eiseres zegt. Terecht heeft eiseres in het bij pleidooi overgelegde overzicht van in haar oordeel onrechtmatige uitlatingen deze uitspraak weggelaten.

4.7 De onder (b) en (d) gedane uitspraken tezamen beoordelend overweegt de kantonrechter dat gedaagde sub B, nadat hij eiseres ten onrechte in relatie had gebracht met een groep mensen die de effectieve wederinvoering van de doodstraf hadden bepleit, eiseres ervan beschuldigt op raciale en etnische gronden voorstander van de doodstraf te zijn en dat zij, zich altijd begevend op het randje van wat nog toelaatbaar is, zich altijd op het etnische en racistische terrein begeeft en dat zij geesten aan het oproepen is welke ze misschien niet zal kunnen bezweren.De door gedaagde sub B aan het adres van eiseres gedane beschuldiging van racisme en etniciteit is, zeker in onze multi-culturele en multi-etnische samenleving, een ernstige diskwalificatie van de persoon van eiseres en vormt een inbreuk op haar persoonlijke, beroeps- en maatschappelijke integriteit. De gedane uitspraken dienen dan ook zonder meer als onrechtmatig jegens de persoon van eiseres te worden aangemerkt.

4.8 Het verweer van gedaagde sub B dat hij niet het oogmerk had eiseres te beledigen is niet aan de orde aangezien eiseres uit onrechtmatige daad tegen gedaagden ageert. Overigens dient in acht worden genomen dat bij het opzet niet slechts de intentie van gedaagde sub B van belang is doch dat de uitspraken moeten worden geobjectiveerd, met name zal moeten worden nagegaan hoe de gedane uitlatingen in de samenleving worden opgevat, waarbij ook rekening zal moeten worden gehouden met het feit dat gedaagde sub B de uitlatingen aan het adres van eiseres heeft gedaan in het kader van het publieke debat over een zaak van algemeen belang. Eiseres heeft zich vrijwillig opgeworpen als diener van het algemeen belang en zal op grond hiervan kritiek moeten verwachten en gedogen die scherper is dan normaal, mede gelet op het aan gedaagde sub B toekomende recht van vrijheid van meningsuiting. Het kader waarbinnen de uitlatingen geplaatst en beoordeeld moeten worden aldus geschetst- en alle belangen tegen elkaar afgewogen hebbende komt de kantonrechter tot de conclusie dat de beschuldiging aan het adres van eiseres dat zij zich voortdurend schuldig maakt aan racisme feitelijk niet is onderbouwd en daarom, ook in het publieke debat, ongeoorloofd en onrechtmatig is.

4.9 Op grond van het vorenstaande acht de kantonrechter de vordering toewijsbaar zoals in het dictum van dit vonnis is aangegeven zodat dienovereenkomstig zal worden beslist onder veroordeling van gedaagde sub B, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde sub A.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub B om binnen 3 (drie) werkdagen na betekening van dit vonnis, op zijn kosten, de navolgende advertentie te doen plaatsen in de dagbladen “De Ware Tijd”, en de “Times of Suriname” en te doen omroepen door radio Apintie, radio ABC, ATV-televisie, de STVS en RBN-televisie:“Ik, [gedaagde sub B], verklaar hierbij dat de door mij op 12 oktober 2010 tijdens een persconferentie publiekelijk gedane uitspraken waarbij door mij is gesteld dat [eiseres] zich als koorddanseres altijd op het randje van wat toelaatbaar is beweegt en zich altijd op het etnische en racistische begeeft niet op waarheid berust en een ernstige inbreuk vormt op haar eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit en derhalve onrechtmatig is. Ik neem mijn woorden terug en bied [eiseres] mijn oprechte verontschuldigingen aan.”

5.2 Veroordeelt gedaagde sub B tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat hij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vonnis, met dien verstande dat de totale dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (honderdduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

5.3 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij vonnis.

5.4 Verwijst gedaagde sub B in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 195,- (honderdvijfennegentig Surinaamse Dollar).

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G.Rodrigues, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 13 januari 2011, door mr. S.S.S. Wijnhard, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues
S.S.S. Wijnhard

SRU-K2-2017-1

KANTONGERECHT
Parketnummer : 1-1-05819
Vonnisnummer : 646
Datum uitspraak : 23 november 2017
Tegenspraak
Raadsman : mr. V. Nooitmeer

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte]
geboren op [geboortedatum] in [district]
gepensioneerd
wonende aan [adres] te [district]

Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juli 2017, 10 augustus 2017 en 23 november 2017.

De dagvaarding
Bij het onderzoek is gebleken dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke gestelde eisen en derhalve geldig is.

Bevoegdheid van de kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in de weg staan. De Officier van Justitie kan dus in de vordering worden ontvangen.

Schorsing tot verdere vervolging
Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. De verdenking komt erop neer dat de verdachte op 01 november 2015 te Paramaribo, zich schuldig heeft gemaakt aan:

IA. overtreding van artikel 20 van de Rijwet 1971, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
IB. overtreding van artikel 2 van de Rijwet 1971 (gevaar of hinder op de weg).
II. overtreding van artikel 20 van de Rijwet 1971, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

De vordering van de vervolgingsambtenaar
De vervolgingsambtenaar heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de onder IA en II ten laste gelegde feiten. Zulks met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden en een proeftijd van 2 jaar. Voorts de ontzegging van de rijbevoegdheid voor de periode van 18 maanden onder aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder IA en II ten laste gelegde. De verdediging heeft aangevoerd dat de ten laste gelegde roekeloosheid en aanmerkelijke onvoorzichtigheid bij verdachte ontbreekt en daarom geen sprake is geweest van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 20 van de Rijwet 1971.

De bewezenverklaring
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder IA en II ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat het op 01 november 2015, te Paramaribo:

IA. aan haar schuld te wijten is dat bij gelegenheid van een botsing, met een door haar, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto) een ander, te weten [slachtoffer 1] is overleden, terwijl; de dood (het overlijden) van [slachtoffer 1] door die botsing is veroorzaakt, hebbende zij, verdachte immers op vermelde tijd en plaats, als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Drambrandersgracht komende uit de richting van de Tamengastraat en gaande in de richting van de J.A. Pengelstraat, daarbij gekomen ter hoogte van de kruising van wegen gevormd door de Drambrandersgracht en de J.A. Pengelstraat, alwaar er een verkeersbord volgens model 12 d van de bijlage van het Rijbesluit 1957 (stopbord) was aangebracht, niet de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen ter voorkoming van ongelukken en vervolgens met dat door haar verdachte bestuurd motorrijtuig het kruisingsvlak is opgereden zonder daarbij te stoppen en voorrang te verlenen aan het verkeer rijdende over de J.A. Pengelstraat, zulks terwijl een motorrijtuig (personenauto) bestuurd door [getuige 1] rijdend op de rechter rijhelft van de J.A. Pengelstraat, komende uit de richting van de Nieuwe Domineestraat en gaande in de richting van de Hoogestraat, die alstoen haar rechtdoorgaande rijrichting bewaarde vermelde kruising van wegen en dat door haar, verdachte bestuurd motorrijtuig alstoen dicht genaderd was, ten gevolge van welke wijze van rijden van haar verdachte er een botsing is ontstaan tussen vermelde motorrijtuigen, en zij, verdachte, van voormelde weg is geraakt en vervolgens op de berm is terechtgekomen en vervolgens tegen de persoon van [slachtoffer 1], die zich alstoen voor pandnummer [huisnummer] aan de Drambrandersgracht bevond is aangereden, waarbij die [slachtoffer 1], gewelddadig in aanraking is kwam met een of meer harde vlakken en voorwerpen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer 1] is overleden;

II. aan haar schuld te wijten is dat bij gelegenheid van een botsing, met een door haar, verdachte, bestuurd motorrijtuig (personenauto) een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk lestel heeft bekomen, waaruit tijdelijke ziekte is ontstaan, terwijl de door die [slachtoffer 2] bekomen letsels door die botsing is veroorzaakt, hebbende zij, verdachte als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), daarmede aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Drambrandersgracht komende uit de richting van de Tamengastraat en gaande in de richting van de J.A. Pengelstraat, daarbij gekomen ter hoogte van de kruising van wegen gevormd door de Drambrandersgracht en de J.A. Pengelstraat, alwaar er een verkeersbord volgens model 12d van de bijlage van het Rijbesluit 1957 (stopbord) was aangebracht, niet de nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen ter voorkoming van ongelukken en vervolgens met dat door haar, verdachte, bestuurd motorrijtuig het kruisingsvlak is opgereden zonder daarbij te stoppen en voorrang te verlenen aan het verkeer rijdende over de J.A. Pengelstraat, zulks terwijl een motorrijtuig (personenauto) bestuurd door [getuige 1] rijdend op de rechter helft van de J.A. Pengelstraat, gaande in de richting van de Hoogestraat, die alstoen haar rechtdoorgaande rijrichting bewaarde, vermelde kruising van wegen en dat door haar, verdachte bestuurd motorrijtuig alstoen dicht genaderd was, ten gevolge van welke wijze van rijden van haar verdachte er een botsing is ontstaan tussen vermelde motorrijtuigen, en zij, verdachte daarna van voormelde weg is geraakt en vervolgens op de berm is terechtgekomen en vervolgens tegen de persoon van [slachtoffer 2] die zich alstoen voor pandnummer [huisnummer] aan de Drambrandersgracht bevond is aangereden, en vervolgens is voormeld motorrijtuig uiteindelijk tegen de woning van pandnummer [huisnummer] opgebotst, tengevolge van welke botsing [slachtoffer 2] in gewelddadige aanraking is gekomen met één of meer harde vlakken en voorwerpen, waarvan die [slachtoffer 2], heeft bekomen ondermeer klinisch fractuur rechter bovenbeen; rechter onderbeen gecompliceerd fractuur; auto amputatie van de vijfde teen (pink) rechtervoet.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De kantonrechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
De kantonrechter bezigt tot bewijs van het bewezen verklaarde feit de inhoud van de navolgende wettige bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder IA en II ten laste gelegde:

De verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 10 augustus 2017 en 23 november 2017, verkort en zakelijk weergegeven- inhoudende:
Ik ben 63 jaar oud en reeds langer dan 40 jaren in het bezit van een rijbewijs. Dit is de eerste keer dat ik betrokken ben bij een verkeersongeval. Op de bewuste dag ben ik eerst gestopt voor het verkeer op de J.A. Pengelstraat, omdat ik weet dat het verkeer op die weg voorrang geniet. Ik schoof mijn voertuig naar voren, omdat ik zag dat de linker richtingwijzer van het naderde voertuig op de J.A. Pengelstraat knipperde. Ik had de veronderstelling dat de bestuurder links zou afslaan. Op het moment dat ik zag dat de bestuurder doorreed, heb ik afgeremd. De achter het eerste voertuig op de linker baan rijdende pick up, stopte om mij vóór te laten gaan. Ik trok toen weer op en reed verder het kruisingsvlak op. Vanwege de hoogte van de pick up, kon ik niet zien dat er een voertuig op de rechter rijbaan van de J.A. Pengelstraat naderde. Ik reed verder het kruisingsvlak op en kwam in botsing met een ander voertuig die over de rechter rijbaan van de J.A. Pengelstraat kwam aanrijden.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 augustus 2017 betreffende de waarnemingen van de kantonrechter bij het bekijken van het beeldmateriaal van de aanrijding.
Het beeldmateriaal opgeslagen op de camera installatie van [bedrijf] aan de J.A. Pengelstraat van 1 november 2015 om 15.12.59 uur (naar mededeling van de politie is de werkelijke tijd 19.29 uur) wordt bekeken en wordt het navolgende waargenomen:
Nabij de kruising van de Drambrandersgracht met de J.A. Pengelstraat zijn de beide rijbanen van de Drambrandersgracht gescheiden middels een verhoging op het wegdek. Over de Drambrandersgracht komt vanuit de zijde van de Tamengastraat een voertuig aanrijden. Gekomen nabij de kruising met de J.A. Pengelstraat bracht de bestuurder dit voertuig tot stilstand. Op de éénrichtingsweg, de J.A. Pengelstraat zijn op beide rijbanen verkeersstromen- voertuigen- waar te nemen. Op de linker rijbaan van de J.A. Pengelstraat komt er een personen voertuig aanrijden waarvan de linker richtingaanwijzer aan is. Gekomen ter hoogte van de verplichte afslag naar de Drambrandersgracht, slaat dit voertuig niet links af maar rijdt verder richting het weggedeelte bestemd voor het verkeer op de Drambrandersgracht (vanuit het centrum van Paramaribo).

De stilstaande bestuurder op de Drambrandersgracht trekt op maar, omdat deze kennelijk merkt dat de naderende bestuurder niet links afslaat, wordt het voertuig weer tot stilstaan gebracht waarbij de voorbanden op de rand van de J.A. Pengelstraat zijn en motorkap van het voertuig op de J.A.Pengelstraat uitsteekt. De achter het eerste voertuig op de linkerbaan rijdende pick up vrachtwagen, stopt om het voertuig uit de Drambrandersgracht vóór te laten gaan. Wanneer de bestuurder uit de Drambrandersgracht weer optrekt en doende is de rechter rijbaan van de J.A. Pengelstraat over te steken komt er op die rijbaan een voertuig aangereden. Het volgende moment komen de beide voertuigen met elkaar in botsing. Het voertuig uit de Drambrandersgracht verplaatst zich hierna richting de woning op [adres] om uiteindelijk tegen die woning tot stilstaand te komen.

Het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van [verbalisant], ambtenaar van politie, gesloten op 01 november 2015 betreffende het uittreksel rapport, voor zover inhoudende, verkort en zakelijk weergegeven (pagina 9-12 dossier I):
Op zondag 1 november 2015, omstreeks 19.30 uur, begaf ik mij na portofonische bericht te hebben ontvangen van de Centrale Meld Kamer naar de J.A. Pengelstraat en de Drambrandersgracht voor het instellen van een onderzoek bij een aanrijding plaatsgevonden op voormelde kruising.
Bij deze aanrijding waren twee personenauto’s en voetgangers (buurtbewoners) betrokken, waarbij er materiële schade en zware persoonlijke ongelukken was veroorzaakt. [slachtoffer 1] had zware letsels opgelopen aan zijn behaarde hoofd en benen. [slachtoffer 2] had zware letsels opgelopen aan zijn been. Omstreeks 21.00 uur werd bericht van de familie ontvangen dat [slachtoffer 1] is komen te overlijden op de afdeling Spoed Eisende Hulp.

Ter plaatse aangekomen trof ik ook aan een grijs gelakte personenauto van het merk Nissan X trial bouwjaar 2004, met als volgnummer [kenteken] bestuurd door [verdachte] en een zwart gelakte personenauto van het merk Suzuki Escudo bouwjaar 2006 met als volgnummer [kenteken] bestuurd door [getuige 1].

Het grijs gelakte voertuig van het merk Nissan X trial met als volgnummer [kenteken] vertoonde zware schade aan de voorzijde: voorstootbalk, motorkap, gril, beide koplampen, linker en rechter voor fender, rechter voorportier en achterportier, airbag. Het zwart gelakte personenauto van het merk Suzuki Escudo met als volgnummer [kenteken] vertoonde schade aan de voorstootbalk, linker koplamp, grill, linker fender, motorkap, linker voorwiel.

De woning op [adres] had schade opgelopen. De stenen muur van de woonkamer van ongeveer 6 bij 6 meter vertoonde scheuringen. Verder was de muur ingedrukt waardoor de voordeur niet dicht gemaakt kon worden. De muur van de slaapkamer van ongeveer 5,5 meter bij 3 meter vertoonde scheuringen.

Ter plaatse zijnde navolgende verkeersborden aangetroffen:
– model 12d (het stopbord) aangegevende dat het verkeer over de Drambrandersgracht dient te stoppen om voorrang te verlenen aan het verkeer over de J.A. Pengelstraat
– model 45 (voorrangsweg) aangegevende dat het verkeer over de J.A. Pengelstraat voorrang geniet boven het verkeer over de Drambrandersgracht.

Het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van [verbalisant], ambtenaar van politie, gesloten op 02 november 2015 betreffende verhoor van de verdachte voor zover inhoudende, verkort en zakelijk weergegeven (pagina 27-29 dossier I):
Ik ben op de hoogte dat de J.A. Pengelstraat op deze kruising voorrang geniet boven de Drambrandersgracht, welke middels verkeersborden is aangegeven. Ik reed over de Drambrandersgracht komende vanuit de richting van de Tammengastraat en gaande in de richting van de J.A. Pengelstraat. Gekomen op de kruising met de J.A. Pengelstraat stopte ik. Ik reed vervolgens het kruisingsvlak op en kwam in botsing met een ander voertuig die over de rechter rijhelft van de J.A. Pengelstraat kwam aanrijden. Als gevolg van de slag zwenkte mijn voertuig naar links. In paniek trapte ik op het gaspedaal in plaats van de rempedaal, waardoor mijn voertuig tegen de woning op [adres] botste. Voor de woning zaten er omstanders die door mijn voertuig werden geraakt.

Het ambtsedig opgemaakt proces verbaal van [verbalisant], ambtenaar van politie, gesloten op 03 november 2015, betreffende verhoor van [getuige 1], voor zover inhoudende, verkort en zakelijk weergegeven (pagina 30-31 dossier I):
Ik reed over de rechter rijhelft van de J.A. Pengelstraat komende vanuit de richting van de Gemenelandsweg en gaande in de richting van de Hoogestraat. De weg was vrij. Op afstand zag ik een grijs gelakte voertuig over de Drambrandersgracht rijden. Het voertuig kwam vanuit de richting van Tammengastraat en reed langzaam naar de richting van de kruising van de J.A. Pengelstraat en de Drambrandersgracht. Op het moment dat ik de kruising naderde, zag ik dat de bestuurder plotseling met een vaart op mij afkwam.

Het ambtsedig opgemaakt proces verbaal van [verbalisant], ambtenaar van politie, gesloten op 03 november 2015, betreffende verhoor van [getuige 2], voor zover inhoudende, verkort en zakelijk weergegeven (pagina 32-33 dossier I):
Op de bewuste dag bevond ik mij op het westelijk trottoir van de J.A. Pengelstraat, aan de overkant van mijn woning aan [adres]. Op een gegeven moment hoorde ik een gierend geluid van een voertuig. Ik keek om en zag een grijs gelakte voertuig uit de Drambrandersgracht die in botsing kwam met een voertuig welke reed over de rechter rijbaan van de J.A. Pengelstraat. Tengevolge van de slag ging het voertuig dat over de Drambrandersgracht reed naar links en reed richting mijn vader en kinderen die voor mijn woning zaten. Mijn vader en zoontje liepen ernstige letsels op. Mijn vader is op de afdeling Spoed Eisende Hulp komen te overlijden.

T.a.v. feit 1 (voorts)
Obductieverslag opgemaakt door drs. M. P. K. Chan, patholoog dd. 19 februari 2016, op naam van het slachtoffer [slachtoffer 1] inhoudende (pagina 3-4 dossier I):
Het onderbeen toonde een standafwijking ter hoogte van (t.h.v.) een onderbeensfractuur. De schedel vertoonde ter plaatse van de achterste schedelgroeve een verticaal verlopende fractuur. T.h.v. de vijfde borstwervel werd een dwars verlopende fractuur gezien van de wervelkolom. De ribben toonde aan de achterzijde rechts fractuur van de eerste tot en met de zesde rib en links fractuur van de eerste tot en met zevende rib. Het borstbeen toonde tussen de aanhechting van het eerste en tweede rib een dwars verlopende fractuur.
Het overlijden is ten gevolge van inklemming van de kleine hersenen als gevolg van uitgebreide hersenbloeding veroorzaakt door een schedelfractuur als gevolg van hoogenergetische trauma aan het hoofd.

Akte van overlijden d.d. 2 november 2015 van de burgerlijke stand van Paramaribo
Aangevende dat de persoon van [slachtoffer 1] op 01 november 2015 is overleden.

t.a.v. feit 2 (voorts)
De geneeskundige verklaring ten name van [slachtoffer 2], opgemaakt door [arts], voor zover inhoudende:
Omschrijving van de letsels:
1. klinisch fractuur van de rechterbovenbeen (rechter dij fors gezwollen en afwijkend stand)
2. onderbeen rechts gecompliceerd fractuur (open bot maakt contact met buitenwereld, rechtervoet vrijwel zonder huid, als gevolg van laceratie van de huid over de voetrug)
3. auto amputatie van de 5e teen (pink) van de rechtervoet
4. drukpijn van de bekken, mgl bekkenfractuur

De geneeskundige verklaring ten name van [slachtoffer 2], opgemaakt door de [plastisch chirurg], voor zover inhoudende:
Omschrijving van de letsels: laceratiewond rechter enkel met huiddefect met partiële amputatie dig V. Waarbij de genezingsduur voor onbepaalde tijd is.

Beoordeling van het bewijs
Ten aanzien van de vraag of er sprake is van een verkeersfout die schuld in de zin van artikel 20 van de Rijwet 1971 oplevert, overweegt de kantonrechter het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 20 Rijwet 1971 dient de kantonrechter vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander lichamelijk letsel heeft bekomen/ is overleden. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate zij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam”.

Volgens vaste jurisprudentie is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 20 Rijwet 1971, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. (zie ook HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).
Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, dient de kantonrechter dus op grond van voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 20 Rijwet 1971. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt in dat een bestuurder diens voertuig en gedrag aanpast aan de omstandigheden ter plaatse.

Uit de bekeken beelden van de aanrijding concludeert de kantonrechter dat, de verdachte de ter plaatse geldende verkeersregels in eerste instantie in acht heeft genomen. Aanvankelijk heeft zij haar rijgedrag aan de verkeerssituatie aangepast door op de Drambrandersgracht te stoppen voor de verkeersstroom op de beide rijbanen van de J.A.Pengelstraat. Na enige tijd gewacht te hebben trok verdachte op om de oversteek te maken. Naar haar verklaring op grond van de veronderstelling dat het naderend voertuig conform diens richting aanduiding linksaf de Drambrandersgracht zou inslaan.
Toen ze merkte dat die weggebruiker had afgezien van het voornemen om linksaf te slaan bracht haar voertuig onmiddellijk tot stilstaan. Haar voertuig komt met de voorbanden op de rand van de J.A. Pengelstraat en de voorzijde van het voertuig steekt daarbij uit op de J.A.Pengelstraat. De naderende bestuurder manoeuvreert zich voorlangs het voertuig van verdachte.

De achter het hiervoor genoemde voertuig op de linkerbaan van de J.A. Pengelstraat rijdende pick up vrachtwagen stopte om verdachte vóór te laten gaan. Kennelijk vond die bestuurder gelet op de wijze waarop verdachte met haar voertuig op de weg was gestopt het wenselijk om haar als niet- voorranggerechtigde voorrang te verlenen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij inderdaad voorrang had moeten verlenen maar, is afgegaan op de door de bestuurder op de linkerbaan aan haar verleende voorrang. Opgemerkt wordt dat het aan verdachte als niet- voorranggerechtigde bestuurder verleende voorrang, alleen geldt ten aanzien van die voorranggerechtigde bestuurder. Op de camera beelden wordt waargenomen dat verdachte kort voor de botsing is gestopt voor de intensieve verkeerstroom van voertuigen op beide rijbanen van de J.A. Pengelstraat. Wanneer verdachte voorrang verleend wordt is het verkeer op de rechterbaan voor haar niet te overzien. Desondanks heeft verdachte nagelaten om zich ervan te vergewissen of de verkeerssituatie op de rechterbaan het toeliet om op te trekken en/ of eventueel naderende voertuigen haar ook voorrang zou verlenen. Tengevolge waarvan zij bij het oversteken van de rechterbaan in botsing kwam met een op die baan naderend voertuig met vermeld noodlottig gevolg.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter worden gezegd dat verdachte een zodanige verkeersfout heeft gemaakt dat moet worden gezegd dat zij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De kantonrechter concludeert daarom dat in dit geval sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 20 van de Rijwet 1971.

De gedraging van verdachte leidt tot een bewezenverklaring van de onder I en IIA ten laste gelegde feiten.

De strafbaarheid van de feiten
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de navolgend strafbare feiten op:

IA. Overtreding van artikel 20 van de Rijwet 1971, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 1 en artikel 21 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971;
II. Overtreding van artikel 20 van de Rijwet 1971, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 2 en artikel 21 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:
Verdachte reed op 1 november 2015 in een auto en heeft bij het oversteken van een kruising onvoldoende op het verkeer op de kruisende voorrangsweg gelet. Zij verleende geen voorrang aan het voorrangsgerechtigde verkeer, waardoor een noodlottige aanrijding is ontstaan, als gevolg waarvan een 66 jarige grootvader en diens 7 jarige kleinzoon die voor hun woning op het trottoir zaten, zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Tengevolge van welk letsel de grootvader dezelfde avond is komen te overlijden.

De gevolgen van dit handelen zijn ingrijpend geweest voor de nabestaanden en het 7 jarige slachtoffer. Deze heeft een langdurig revalidatieproces ondergaan.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel ook gebleken dat het ongeval een grote impact heeft gehad en nog heeft op verdachte. De kantonrechter heeft bij de behandeling van de zaak ter zitting geconstateerd dat hetgeen er is gebeurd verdachte heeft aangegrepen en dat zij het ongeval en de gevolgen daarvan kennelijk nog steeds niet goed een plek heeft kunnen geven.

De kantonrechter heeft ook kennis genomen van de toenadering die verdachte direct na het ongeval naar de slachtoffers heeft gezocht en het contact dat daarna is onderhouden. Verdachte heeft zich ontfermd over het 7 jarig slachtoffer en hem gedurende zijn opname in het ziekenhuis begeleid. Als gepensioneerde [beroep] heeft ze persoonlijk ervoor gezorgd dat hij in het ziekenhuis zijn schoolrepetitie werk aangeleverd kreeg. Hierdoor heeft hij het schooljaar met goed gevolg kunnen afronden. Verdachte heeft aangegeven de nabestaanden blijvend te zullen ondersteunen en met de instemming van de moeder haalt zij de jongen nog steeds op de zondag op voor kerkbezoek. Verdachte steunt de moeder maandelijks met financiën, onder andere bestemd voor de schoolbus, taxi voor de jongen.
De kantonrechter ziet zich voor de moeilijke taak geplaatst een passende straf op te leggen, rekening houdend met de ernst van de feiten, de omstandigheden van verdachte. Zulks zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van de het slachtoffer en de nabestaanden.

In zaken als de onderhavige dient de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van de straf niet enkel te letten op de ernst van de gevolgen, maar heeft voornamelijk als uitgangspunt te gelden de ernst van de gemaakte verkeersfout. Ook moet in ogenschouw genomen worden de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden die zich na het begaan van het feit hebben voorgedaan.
In deze zaak bestond die verkeersfout er zoals gezegd in dat verdachte bij het oversteken van de voorrangsweg aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest. Deze verkeersfout wordt aangemerkt als een misdrijf. De kantonrechter overweegt dat misdrijven als de onderhavige meestal met een (voorwaardelijke) gevangenisstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid worden afgedaan. In dit geval wordt uitsluitend vanwege het gedrag van de verdachte na het noodlottig ongeval geoordeeld dat enige- verdere- straf geen toegevoegde waarde meer heeft waardoor kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (rechterlijk pardon), hetgeen betekent dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 19 en 20 van de Rijwet 1971.

DE BESLISSING:
De kantonrechter beslist als volgt:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder IA en II ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in dit vonnis heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Rechterlijk pardon

– bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting gehouden op 23e november 2017.

De fungerend griffier, De kantonrechter,

R. Singodikromo LL.B mr. D.G.W Karamat Ali (wegens ontstentenis niet instaat te ondertekenen)

SRU-K1-2010-12

In naam van de Republiek

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 10-0887

15 maart 2010

Vonnis in het kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [district 1],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [district 1],
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
B. [gedaagde sub B],
wonende in [district 2],
proecederende in persoon,
C. [gedaagde sub C],
wonende in [district 3],
niet verschenen of vertegenwoordigd,
D. Chitoe, Diepak S.P., notaris,
kantoorhoudende te Paramaribo,
niet verschenen of vertegenwoordigd,
gedaagden in kort geding.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken.

1. Het verloop van het geding

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken-handelingen:

– het verzoekschrift dat op 26 februari 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– blijkens aantekening van de griffier heeft mr. E.C.M. Hooplot zich voor alle gedaagden gesteld;
– de conclusie van antwoord met producties zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
– de conclusie van repliek met overlegging van een productie;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub A met overlegging van producties;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiseres met overlegging van producties;
– de conclusie tot uitlating producties zijdens gedaagde sub A.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij akte geldlening met hypotheekstelling op 31 oktober 2002 verleden ten overstaan van de alhier residerende notaris mr.drs. P. Bishoen heeft eiseres een perceel hypothecair verbonden tot zekerheid voor de terugbetaling van een door gedaagde sub B en zijn echtgenote bij gedaagde sub A aangegane lening van € 27.520,–.

2.2 Bij akte geldlening met hypotheekstelling op 20 november 2002 verleden ten overstaan van voormelde notaris mr.drs. P. Bishoen heeft eiseres hetzelfde perceel met een 2e hypotheek bezwaard tot zekerheid voor de terugbetaling van een door gedaagde sub B en zijn echtgenote bij gedaagde sub A aangegane lening van € 12.040,–.

2.3 Bij akte op 23 november 2005 verleden ten overstaan van de alhier residerende notaris mr. D.S.P. Chitoe heeft gedaagde sub B als gemachtigde van eiseres het eerder bedoeld perceel met een 3e hypotheek bezwaard tot zekerheid voor de terugbetaling van een door hem en zijn echtgenote bij gedaagde sub A aangegane lening van € 6.500,–. Deze hypotheek is ingeschreven in de registers van het Hypotheekkantoor op 28 november 2008 in register B [deel] onder [nummer].

2.4 Bij exploten van de deurwaarder H.B. Verwey d.d. 26 januari 2010 [nummers] zijn ten verzoeke van gedaagde sub A de grossen van voorschreven hypotheekakten aan eiseres en aan gedaagde sub B en zijn echtgenote betekend en zijn zij aangemaand om onmiddellijk te voldoen € 27.520,–., vermeerderd met de rente van 1% per maand vanaf 1 november 2002 (exploit [1]), € 12.040,–, vermeerderd met de rente van 1% per maand vanaf 21 november 2002 (exploit [2]) en € 27.520,–, vermeerderd met de rente vanaf 1 november 2002, alle bedragen onder aftrek van al hetgeen bereids mocht zijn voldaan en zijn eiseres en gedaagde sub B en zijn echtgenote door de deurwaarder, die geen betaling kreeg, aangezegd dat het onroerend goed in het openbaar zal worden verkocht op maandag 15 maart 2010 om 9.00 uur des voormiddags ten overstaan- en ten kantore van voormelde notaris mr. D.S.P. Chitoe.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1 Eiseres vordert:

a. stopzetting van de bij exploiten van de deurwaarder H.B. Verwey d.d 26 januari 2010 [nummers] aangezegde openbare verkoop, zulks op verbeurte van een dwangsom;
b. een verbod aan gedaagde sub A om opnieuw tot de openbare verkoop van het onroerend goed over te gaan totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van de hypotheekakten zal zijn beslist;
c. doorhaling van de hypotheek welke is ingeschreven in de openbare registers van het Hypotheekkantoor op 28 november 2005 in register B [deel] onder [nummer].
d. veroordeling van gedaagde sub A in alle kosten die betrekking hebben op de stopzetting van de aangezegde openbare verkoop.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat de gedaagde in de kosten van de procedure wordt verwezen.

3.3 Eiseres heeft de navolgende stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd:

a. de hypotheekakten d.d. 31 oktober 2002 en 20 november 2002 zijn materieel vals omdat daarin hogere bedragen zijn vermeld dan in werkelijkheid zijn uitgekeerd;
b. de hypotheekakte van 23 november 2005 is nietig aangezien gedaagde sub B daarbij eiseres heeft vertegenwoordigd met gebruikmaking van een onderhandse akte die bovendien uitsluitend strekte tot de verkoop en levering van een onroerend goed.
c. in de hypotheekakten d.d. 31 oktober 2002 en 20 november 2002 hebben eiseres, gedaagde sub A en gedaagde sub B en diens echtgenote voor de uitvoering der akten domicilie gekozen ten kantore van notaris Bishoen zodat de openbare verkoop ten overstaan van notaris Chitoe in strijd met de akte en dus ongeoorloofd is.
d. in de akten van 31 oktober 2002 en 20 november 2002 is overeengekomen dat bij een eventuele veiling de hypotheeknemer gemachtigd is het verbondene in grondhuur aan de koper over te dragen, terwijl het verbonden onroerend goed een eigendomsperceel is.
e. bij de betekening van de grossen der hypotheekakten en de aanmaning tot betaling van het verschuldigde heeft gedaagde sub A geen saldo-opgave aan eiseres verstrekt.

3.4 Op het verweer van gedaagden sub A en B en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Eiseres heeft het spoedeisend belang van haar vordering voldoende aannemelijk gemaakt met name blijkt zulks uit het feit dat de veiling van haar onroerend goed is aangezegd voor heden 15 maart 2010 om 9.00 uur.

4.2 Blijkens de aantekeningen van de griffier op de rol en op de kaft van dit dossier blijkt dat de rolvertegenwoordiger van de procesgemachtigde van gedaagde sub A zich op de zitting van 4 maart 2010 voor alle vier gedaagden heeft gesteld. Op grond hiervan is tegen geen der gedaagden, die allen volgens het voorschrift der wet zijn opgeroepen, verstek verleend. De procesgemachtigde van gedaagde sub A heeft ontkend dat hij zich voor de overige gedaagden heeft gesteld. Ten aanzien van gedaagde sub B heeft het probleem zich opgelost aangezien hij in persoon een conclusie van antwoord heeft genomen.De gedaagden sub C en D hebben zonder dat tegen hen verstek is verleend niet de gelegenheid gehad hun standpunt uiteen te zetten.

Zonder een schuldige aan te wijzen voor de gang van zaken constateert de kantonrechter dat de zaak procesrechtelijk niet juist is verlopen doch de kantonrechter constateert ook dat tegen de gedaagden sub C en D niets is gevorderd zodat eiseres in haar vordering tegen hen niet ontvankelijk verklaard zal worden hetgeen met zich meebrengt dat de processuele misslag niet relevant is en de kantonrechter daaraan geen consequenties zal verbinden.

4.3 De bewijskracht van notariële akten brengt dat met zich mee dat het daarin gerelateerde voor waar wordt aangenomen totdat het tegendeel is bewezen. De procedure in kort geding leent zich er niet voor eiseres thans met het bewijs te belasten van haar stelling dat in de akten gerelateerde bedragen niet overeenstemmen met hetgeen door gedaagde sub A aan gedaagde sub B is uitgekeerd zodat vooralsnog moet worden aangenomen dat de akten een juiste weergave zijn van wat als toen heeft plaatsgevonden.

4.4 Het passeren van de hypotheekakte van 23 november 2005 is geschied met gebruikmaking van een onderhandse verkoopvolmacht waardoor deze akte, als in strijd met artikel 1201 lid 2 BW, nietig is.Gedaagde sub A, dit erkennende, heeft echter aangevoerd dat eiseres de hypotheek heeft bekrachtigd door in het mede namens haar aangespannen geding bekend als A.R. 080160 deze hypotheek als volkomen rechtsgeldig te erkennen. De kantonrechter is van oordeel dat in het kader van de aan hem voorgelegde rechtsvraag onderscheid gemaakt dient te worden tussen vernietigbare en nietige rechtshandelingen. Algemeen is aanvaard dat een vernietigbare rechtshandeling achteraf kan worden bekrachtigd doch dat zulks in beginsel niet kan bij een nietige rechtshandeling.Overigens is de kantonrechter de mening toegedaan dat nu de nietigheid van de akte voortvloeit uit een vormverzuim een eventuele bekrachtiging zou moeten plaatsvinden met inachtname van de voorgeschreven vorm, in casu een notariële akte waarvan echter geen sprake is. Verder is de kantonrechter van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen opdracht heeft gegeven tot het aanhangig maken van de procedure bekend onder A.R. 080160. Als gedaagde sub B in staat is buiten haar om met een onderhandse verkoopvolmacht hypotheek te vestigen op een haar in eigendom toebehorend onroerend goed is hij zeker ook in staat, met gebruikmaking van die volmacht, mede namens eiseres doch buiten haar om een proces te initiëren. Ook naar aanleiding hiervan kan eiseres niet geacht worden de rechtshandeling te hebben bekrachtigd.Op grond van het vorenstaande is onderdeel C van het petitum toewijsbaar nu te verwachten is dat in een bodemprocedure de nietigverklaring van de hypotheekakte d.d. 23 november 2005 zal worden uitgesproken.

4.5 De domiciliekeus in de hypotheekakten heeft slechts tot doel partijen zekerheid te verschaffen dat zij elkaar over en weer kunnen bereiken met betrekking tot zaken de hypotheek betreffende. Deze bepaling zegt niets omtrent de notaris ten overstaan van wie een eventuele executie mag plaatsvinden. Zeker nu eiseres, gedaagde sub A en gedaagde sub B ter terechtzitting zijn verschenen is niemand in zijn of haar belangen geschaad zodat notaris Chitoe wel bevoegd is de veiling te houden.

4.6 Het feit dat in de akten d.d. 31 oktober 2002 en 20 november 2002 staat vermeld dat de schuldeiser zal zijn gemachtigd het verbonden onroerend goed in grondhuur aan de koper over te dragen is naar het oordeel van de kantonrechter een verschrijving die niet tot nietigheid van de akte moet leiden. Uit de context der akte blijkt dat “het verbondene” niet anders kan zijn dan het op pagina 3 (tweede blad) van de akten omschreven onroerend goed en daaruit blijkt duidelijk dat het om een eigendomsperceel gaat. Ook dit verweer van eiseres tegen de veiling wordt verworpen.

4.7 De kantonrechter onderschrijft de opvatting van eiseres dat – volgens plaatselijk gebruik – bij de aanzegging tot de openbare verkoop ex artikel 1207 lid 2 BW een nauwkeurige saldo-opgave aan de schuldenaar/onderzetter dient te worden verstrekt zodat die in staat is zulks te verifiëren en eventueel daartegen op te komen en/of wegen te zoeken de schuld alsnog te voldoen. Deze eis acht de kantonrechter dermate belangrijk dat niet nakoming daarvan resulteert in het verlies van het recht gebruik te maken van het recht tot executie op grond van de gedane aankondiging tenzij kort voor de aanzegging de schuldeiser aan de schuldenaar en de onderzetter een saldo-opgave heeft verstrekt op grond waarvan deze zich te goeder trouw niet op het ontbreken daarvan kunnen beroepen.Gedaagde sub A heeft terzake aangevoerd dat hij op 30 september 2008 aan gedaagde sub B een saldo-opgave heeft verstrekt die deze ten blijke van instemming mede heeft ondertekend en dat de saldo-opgave in het vorig geding was overgelegd en dat eiseres het toen niet heeft betwist. De kantonrechter merkt op dat bedoelde saldo-opgave één jaar en vier maanden voor de aankondiging op 26 januari 2010 van de veiling aan de schuldenaar is verstrekt en dus niet als “up to date” kan worden aangemerkt.Bovendien heeft eiseres terecht aangevoerd dat de handtekening van gedaagde sub B onder de opgave haar niet bindt omdat nergens uit blijkt dat gedaagde sub B die akte als haar gemachtigde heeft ondertekend. Verder is niet gebleken dat door toedoen van eiseres bij gedaagde sub A de schijn is gewekt dat gedaagde sub B haar vertegenwoordigde met de hypotheek. Eiseres heeft de hypotheekakten van 31 oktober- en 20 november 2002 zelf ondertekend en de volmacht die zij op gedaagde sub B heeft uitgebracht heeft betrekking op de verkoop en levering van het onroerend goed.Ook het argument dat eiseres in het geding bekend als A.R. 080160 de saldo-opgave niet heeft betwist wordt door de kantonrechter verworpen omdat hij blijkens het onder punt 4.4 van dit vonnis overwogene meegaat met het standpunt van eiseres dat zij geen opdracht heeft gegeven tot het aanhangig maken van deze procedure en dus ook geen kennis draagt van in dat proces overgelegde stukken.Het feit dat gedaagde sub A bij dupliek een saldo-opgave heeft overgelegd acht de kantonrechter niet relevant aangezien eiseres onvoldoende tijd heeft gehad de opgave te evalueren, daarover met de schuldeiseres in onderhandeling te treden en middelen te zoeken om een eventueel saldo te voldoen.Op grond van het hier voren overwogene is onderdeel A van het gevorderde toewijsbaar.

4.8 Met betrekking tot onderdeel B van het gevorderde overweegt de kantonrechter dat eiseres zelf toegeeft dat zij bereid is de eventueel openstaande schuld aan te zuiveren na overlegging van een recente saldo-opgave (vide de laatste alinea van het 2e sustenu van de conclusie van repliek) zodat gedaagde sub A de gelegenheid moet hebben om, nadat de saldo-schuld is berekend en aan eiseres en gedaagde sub B is gepresenteerd, alsnog krachtens de grosse van de 1e hypotheek tot veiling over te gaan indien gedaagde sub B en eiseres in gebreke blijven dit saldo te voldoen. Het sub B gevorderde zal op grond hiervan worden geweigerd.

4.9 Nu het sub A gevorderde zal worden toegewezen spreekt het voor zich dat gedaagde sub A alle reeds door haar gemaakte kosten voor de veiling en nog te maken kosten voor de stopzetting daarvan voor haar rekening neemt waardoor eiseres geen belang heeft bij onderdeel D van het gevorderde.

4.10 Voor wat de in onderdeel A van het petitum gevorderde dwangsom betreft overweegt de kantonrechter dat overtreding van het bevel tot stopzetting van de veiling op een bepaalde dag te weten 15 maart 2010 geen voortdurende handeling is zodat een dwangsom die voortduurt en per dag moet worden gecalculeerd niet op zijn plaats is.

4.11 Gedaagde sub A zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering tegen de gedaagden sub C en D.

5.2 Gelast de stopzetting van de bij exploiten van de deurwaarder H.B. Verwey d.d. 26 januari 2010 [nummers] aangekondigde veiling op 15 maart 2010 om 9.00 uur ten overstaan van de alhier residerende notaris mr. D.S.P. Chitoe.

5.3 Veroordeelt gedaagde sub A tot betaling van een dwangsom van SRD 20.000,– (twintigduizend Surinaamse Dollar) indien geen gevolg wordt gegeven aan het sub 5.2 van dit vonnis bepaalde.

5.4 Verklaart het vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Verwijst gedaagde sub A in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 225,– (tweehonderdvijfentwintig Surinaamse Dollar).

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van maandag 15 maart 2010, door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues , in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. L.J. van Bossé.