SRU-K1-2017-15

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 15-5273
01 juni 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiseres sub A],
B. [eiser sub B],
wonende te [district] aan [adres 1],
eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie,
hierna te noemen: de kopers,
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A],
wonende aan [adres 2] Nederland,
B. [gedaagde sub B],
C. [gedaagde sub C],
D. [gedaagde sub D],
E. [gedaagde sub E],
F. [gedaagde sub F],
G. [gedaagde sub G],
gedaagden B tot en met G zonder bekende woon- of verblijfplaats in/of buiten Suriname,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie,
hierna te noemen: de erfgenamen,
allen procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
In conventie en in reconventie
1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 27 november 2015 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 14 januari 2016;
– de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie d.d. 05 mei 2016, met producties;
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie d.d. 23 juni 2016, met producties;
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie d.d. 13 oktober 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
In conventie en in reconventie
2.1 Op 20 oktober 1997 hebben de kopers onderhands een koopovereenkomst met [verkoper 1] en [verkoper 2], hierna te noemen de verkopers, gesloten betreffende de koop/verkoop van het hierna omschreven onroerend goed:
“het perceelland, groot 500m², gelegen te [district] aan [adres 1], aangeduid op de uitmetingskaart van [landmeter] d.d. 24 juni 1970 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d 24 juni 1970 met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage]”.

2.2 De verkopers hadden aan [naam] volmacht gegeven om namens hun het onroerend goed te verkopen en te leveren aan de kopers.
Op 20 oktober 1997 hadden de kopers in het kader van de koop van het onroerend goed een bedrag ad NF 32.000,- aan de verkopers betaald. Zij wonen inmiddels al ruim 17 jaren op het onroerend goed.

2.3 In de volmacht d.d. 20 oktober 1997 staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende vermeld:
1. de heer [verkoper 1], …
2. mevrouw [verkoper 2] …

(….) verklaren hierbij last en volmacht te geven aan:
De heer [naam], ambtenaar, …

Speciaal om voor en namens ondergetekenden over te gaan tot de verkoop en levering van:
“het perceelland, groot 500m², gelegen te [district] aan [adres 1], aangeduid op de uitmetingskaart van [landmeter] d.d. 24 juni 1970 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d 24 juni 1970 met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage]”.

Aan de heer [eiser sub B], administratief medewerker geboren op [datum] te [district], wonende te [district],
Houder van Surinaamse …

Voor de koopsom van NF. 17.500,- (Zeventienduizend vijfhonderd Nederlands Courant), de koopsom te ontvangen en daarvoor te kwijten, alle nodige akten en stukken te passeren en te tekenen, het verkochte te leveren in eigendom en verder alles te doen wat tot voormeld einde nog nodig zal zijn, zonder enige nadere lastgeving te behoeven, alles met de macht van substitutie”.

2.4 Op 23 juli 2010 hebben de kopers met betrekking tot het onroerend goed een schrijven aan één der erfgenamen gericht. In dat schrijven hebben de kopers het volgende vermeld:
“(…)
In 1997 hebben wij van uw vader, heer [verkoper 1] een perceel gekocht aan [adres 1] op de [plantage].
Door tal van omstandigheden hebben wij de overdracht van het perceel niet kunnen realiseren.
Nu moeten wij vanwege de overheid het perceel overgeschreven krijgen.
Bij navraag naar heer [naam] (gemachtigde) kregen wij te horen, dat uw ouders en de gemachtigde (moge hun ziel in vrede rusten) ons zijn voorgegaan.
Aan u het verzoek om samen met eventuele overige kinderen van uw ouders mee te werken, zodat wij het perceel overgedragen kunnen krijgen.
Ingesloten treft u de copies en ook de copie van onze notaris in voor de overige benodigde stukken.”

2.5 Op 03 december 2013 hebben de erfgenamen als volgt op het schrijven van de kopers gereageerd:
“(…)
Zoals ik u beloofd had zou ik met alle erfgenamen praten en hun verzoeken om samen een oplossing te vinden voor uw vraag.

Wij hebben alle stukken nogmaals bestudeerd en zijn tot de volgende conclusie gekomen:
U had voornemens het perceel aan [adres 1] te kopen, uit stukken blijkt dat deze koop niet verder is afgerond omdat u de desbetreffende laatste bedrag t.w. 17500 Nederlandse gulden NIET heeft betaald. Bij betaling hiervan zou het perceel op uw naam worden overgeschreven.

Wij zien de betaling die u voorheen heeft gedaan tw. 32.000 Surinaamse guldens als huur van het perceel tot op heden. Om dien reden hebben wij de volgende beslissing genomen.

WIJ, DE ERGENAMEN VAN DHR. [verkoper 1] EN MEVROUW [verkoper 2], ZIJN TOT DE VOLGENDE BESLUIT GEKOMEN:
1 Het perceel [adres 1] gelegen te [district], zal te allen tijden EIGENDOM BLIJVEN VAN DE ERFGENAMEN.
2 Wij verlenen jullie uit coulantie de mogelijkheid om op deze perceel te blijven wonen, en hier jullie oude dag door te brengen.

2.6 Bij schrijven d.d. 09 september 2015 heeft de gemachtigde van de kopers het volgende aan de erfgenamen medegedeeld:
“(…)
Blijkens de volmacht d.d. 20 oktober 1997 had de heer [verkoper 1], thans wijlen, de heer [naam] gemachtigd om voor hem te verkopen en te leveren het perceelland groot 500m² gelegen te [district] aan [adres 1], aangeduid op de uitmetingskaart d.d. 24 juni 1970 van [landmeter], met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 24 juni 1970 met het [nummer], deel uitmakende van de [plantage].

Blijkens de kwitantie d.d. 20 oktober 1997 is het perceel door mevrouw [naam variant eiseres sub A] en haar echtgenoot gekocht voor een koopprijs van NF 32.000,-, waarvoor tevens kwijting is verleend. Mevrouw [naam variant eiseres sub A] en haar gezin wonen al sinds 1998 op het bovenvermeld perceel, echter heeft de juridische levering wegens omstandigheden nooit plaatsgevonden.

Volgens bekomen informatie van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) is de heer [verkoper 1] op 15 januari 2009 overleden. Zijn echtgenote, mevrouw [verkoper 2], was reeds op 12 november 20015 overleden. Als gevolg hiervan rust thans op u allen, de erfgenamen van [verkoper 1], de verplichting om over te gaan tot de juridische levering van het perceel.

Namens cliënte wordt u hierbij verzocht om binnen 1 week na ontvangst van dit schrijven in contact te treden met mijn kantoor, ter finalisering van de juridische overdracht van het perceel gelegen aan [adres 1] te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie
3.1 In conventie hebben de kopers gevorderd, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
Primair:
– de erfgenamen te veroordelen om binnen een maand na dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen termijn, over te gaan tot de juridische levering van het perceel;

Subsidiair:
– de kopers te machtigen om, indien de erfgenamen in gebreke blijven aan het primair gevorderde te voldoen, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende verklaringen of handtekeningen van de kopers, zodat de juridische levering aan de kopers kan plaatsvinden;
– de erfgenamen te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 In conventie hebben de kopers tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:
– de overeengekomen koopsom bedroeg NF 32.000,-. Zij hebben de koopsom volledig voldaan, doch heeft de juridische overdracht tot heden niet plaatsgevonden;
– in de akte staat wel vermeld dat de koopprijs NF 17.500,- bedraagt, doch hebben partijen zulks gedaan om de overdrachtskosten laag te houden.

Als spoedeisend belang stellen de kopers dat zij inmiddels bijna de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en er alle belang bij hebben dat de juridische levering daadwerkelijk plaatsvindt.

3.3 In conventie hebben de erfgenamen verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

3.4 In reconventie hebben de erfgenamen gevorderd dat de kopers:
– het perceel verlaten;
– worden veroordeeld tot betaling van de kosten zie zij hebben gemaakt in het kader van dit kort geding, zijnde een bedrag beraamd op € 7.500,-.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

In conventie
4.1 Eerst zal de vraag worden beantwoord of de kopers een spoedeisend belang hebben bij een voorziening bij voorraad strekkende tot juridische overdracht van het perceel.

Zoals de kantonrechter de erfgenamen begrijpt, weerspreken zij het spoedeisend belang van de kopers. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de kopers pas na het overlijden van de verkopers, en wel na 13 jaren, met de vordering komen tot juridische overdracht van het perceel. Zij hebben weersproken dat de kopers de koopsom volledig hebben voldaan. In dat licht hebben zij aangevoerd dat de kopers nog het bedrag ad NF 17.500,- moeten voldoen en dat om die reden de juridische overdracht nog niet kan plaatsvinden.

In reactie op deze weerspreking blijven de kopers in hun stelling volharden dat zij reeds volledig hebben voldaan aan hun betalingsverplichtingen en beroepen zich ter staving hiervan op de kwitantie van betaling die zij hebben overgelegd als productie. Verder hebben zij gesteld dat de juridische overdracht toen niet heeft plaatsgevonden, omdat zij op dat moment niet beschikten over de financiën om de overdrachtskosten te betalen en zulks hun door de jaren heen aan hun aandacht is ontsnapt. Tevens hebben zij gesteld dat zij het perceel niet zullen ontruimen, omdat zij de woning op het perceel hebben gebouwd.

4.2 Uit de stellingen van de kopers begrijpt de kantonrechter dat zij een woning op het perceel hebben gebouwd, doch valt door de kantonrechter niet te begrijpen waarom de kopers ervoor hebben gekozen om eerst op het perceel te bouwen en niet ervoor hebben gekozen om eerst de juridische overdracht van het perceel te doen plaatsvinden. Dit, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat de kosten voor juridische overdracht lager zijn dan de kosten voor het bouwen van een woning. Het enkel stellen dat het hun aan hun aandacht is ontglipt, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Daarbij brengt de kantonrechter de kopers in herinnering dat in het kader van de juridische overdracht een notaris aan te pas moet komen, aan de juridische overdracht kosten verbonden zullen zijn en deze kosten in vergelijking met 17 jaren geleden hoger zullen liggen. De kopers hebben nagelaten te stellen en middels bescheiden te onderbouwen of zij reeds over de nodige financiële middelen beschikken om de juridische overdracht te kunnen realiseren. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het spoedeisend belang van de kopers niet aannemelijk. Daarom zullen de door hun gevraagde voorzieningen geweigerd.

4.3 De kopers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

In reconventie
4.4 De kantonrechter begrijpt uit het verweer van de erfgenamen dat zij een vordering tegen de kopers hebben ingesteld. Daar de erfgenamen in persoon procederen, zal de kantonrechter de vordering kwalificeren als te zijn een vordering in reconventie, zoals weergeven onder 3.4 in dit vonnis.

4.5 De erfgenamen hebben niet gesteld wat het spoedeisend belang van het door hun gevorderde is. Tevens hebben zij nagelaten te stellen wat de grondslag van het door hun gevorderde is. Reeds om die reden kan het door hun gevorderde niet worden toegewezen.

4.6 De erfgenamen zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
In conventie en in reconventie

In conventie
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt de kopers in de proceskosten aan de zijde van de erfgenamen gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.3 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.4 Veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten aan de zijde van de kopers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr.S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan,op donderdag 01 juni 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-12

In naam van de Republiek
Arno. 11-2492

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. no. 11-2492
13 januari 2015

Vonnis inzake:

De naamloze vennootschap CLICO LIFE INSURANCE COMPANY SURINAME N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eisers in conventie tevens gedaagde in reconventie,
hierna aangeduid met ‘CLICO N.V.’,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. de naamloze vennootschap ASSURIA SCHADEVERZEKERING N.V.,
B. de naamloze vennootschap ASSURIA LEVENSVERZEKERING N.V.,
beiden rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie,
beiden hierna aangeduid met ‘ASSURIA N.V.’,
gemachtigde: mr. H. Lim A Po, advocaat,
C. CLICO AND GENERAL INSURANCE COMPANY (South America) LIMITED, rechtspersoon, kantoorhoudende te Georgetown in Guyana,
gedaagde, hierna aangeduid met ‘CLICO S.A.’,
niet verschenen.

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat met producties op 09 juni 2011 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties alsmede de eis in reconventie met producties zijdens ASSURIA N.V.;
– de conclusies van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en uitlating producties, onder overlegging van producties;
– de conclusies van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en uitlating producties;
– de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 Aan de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen CLICO S.A., is verstek verleend.

1.3 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten in conventie en in reconventie
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

2.1 Bij schrijven d.d. 12 maart 2007 heeft Tjong A Hung Belastingadviseurs voor zover van belang aan CLICO N.V. medegedeeld dat de geruisloze overgang van de 2 ondernemingen naar Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. is gehonoreerd, hetgeen inhoudt dat over de stille reserves (in het pand en in de onderneming) niet hoeft te worden afgerekend. Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. gaan op de fiscale boekwaarde verder met de ingebrachte onderneming. De levering van de onroerende zaken dient nog bij de notaris plaats te vinden. Ingesloten ontvangt U een ‘akte van levering’ waarin de 2 onderscheiden ondernemingen worden geleverd aan Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. in het kader van de geruisloze overgang. Aangezien bij het passeren van de akte van oprichting bij de notaris niet was voorzien in de wijze waarop de overgang van de onderneming zou plaatsvinden, dient de aandeelhouder van Clico Life Insurance Company N.V. en Clico General Insurance Company N.V. alsnog toestemming te geven dat inbreng in natura mag plaatsvinden.

2.2 Ten name van ASSURIA N.V. is op 12 juni 2009 conservatoir beslag ingeschreven in register D deel 72 onder nummer 3120 onder CLICO S.A. op: het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Klipstenenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter B no. 76, welk erf op de kaart van de landmeter C.F. Calor d.d. 20 december 1974 is aangeduid met de letters ABCDEFG en een oppervlakte beslaande van 922,57m² (hierna perceel A);

2.3 Bij vonnissen van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 21 januari 2010 met A.R. no.’s 09-3946 en 09-3947, is CLICO S.A. bij verstek veroordeeld om aan ASSURIA N.V. te betalen de bedragen van respectievelijk USD 141,900.00 en USD 283,800.00, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 27 mei 2009 tot aan de algehele voldoening.

2.4 Ten name van ASSURIA N.V. zijn op 11 mei 2010 de navolgende executoriale beslagen op perceel A onder CLICO S.A. ingeschreven:
– in register D deel 74 onder nummer 3345
– in register D deel 74 onder nummer 3346.

2.5 Bij vonnis d.d. 05 april 2011 van de kantonrechter in het Eerste Kanton in de zaak met A.R. no. 10-2373 van CLICO N.V. ca CLICO S.A., is CLICO S.A. bij verstek onder andere veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis ten overstaan van een te Paramaribo residerende notaris mede te werken aan de juridische levering van perceel A en het erf groot 1097m² met de daarop staande gebouwen gelegen te Paramaribo aan de Weidestraat bekend onder Nieuwe Wijk letter D no. 61 (hierna: perceel B); met machtiging op CLICO N.V. om, indien CLICO S.A. (lees: niet) verschijnt of verschenen zijnde mocht weigeren aan de juridische overdracht mee te werken, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van CLICO S.A. in de akte, met de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het aldus besliste, met bepaling dat de aldus opgemaakte transportakte(n) rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers zal (zullen) worden overgeschreven en daardoor de eigendom van genoemde perceellanden met de daarop staande gebouwen op CLICO N.V. zal overgaan.

2.6 Bij akte d.d. 10 mei 2011 verleden ten overstaan van de notaris, mr. R.B. Manna, heeft de heer [naam] in zijn hoedanigheid van direkteur van CLICO N.V. en als gevolmachtigde van CLICO S.A. krachtens vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 05 april 2011, A.R. no. 10-2373, voor zover van belang verklaard dat CLICO S.A. de eigendom van de percelen A en B heeft verkregen door overschrijving van een afschrift van de akten van verkoop en koop op respectievelijk 17 oktober 2001 in register C 1523 onder nummer 152 en 27 juni 1997 in register C 1357 onder nummer 1358; dat blijkens schrijven van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 28 februari 2007, CLICO S.A. vanaf 1 januari 2004 door geruisloze overgang is ingebracht in CLICO N.V. en in het kader van deze geruisloze inbreng de juridische levering van voornoemde percelen geëffectueerd dient te worden; voorts dat CLICO S.A. vanaf 1 januari 2004 slechts juridisch eigenares is van voornoemde percelen, in die zin dat deze in de registers ten hypotheekkantore te harer name zijn blijven staan, maar dat vanaf die datum CLICO N.V. economisch eigenares is van voornoemde percelen en dat deze constructie ook voor derden kenbaar was daar deze op de balans van CLICO N.V. was gepubliceerd; dat CLICO S.A. bij voormeld vonnis is veroordeeld tot juridische levering van voornoemde percelen; dat CLICO S.A. op 10 mei 2011 niet is verschenen ten kantore van ondergetekende notaris; dat [naam] voornoemd verklaarde over te dragen aan CLICO N.V., voor welke N.V. [naam] voornoemd, verklaarde te aanvaarden voornoemde percelen.

2.7 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 mei 2011 in de zaak met A.R. no. 11-1618 van derdenverzet van CLICO N.V. ca ASSURIA N.V. en CLICO S.A., is CLICO N.V. niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen om:
– het verstekvonnis dd. 21 januari 2010 met A.R. no.’s 09-3646 en 09-3947 te schorsen zolang niet op het verzet is beslist;
– voornoemde verstekvonnissen te vernietigen;
– verbetering van de verstekvonnissen in zoverre dat CLICO N.V. geen schade zal ondervinden van de vonnissen waarvan verzet en opheffing van gelegde executoriale beslagen op perceel A.

2.8 Bij schrijven d.d. 20 mei 2011 heeft CLICO N.V. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 mei 2011 met A.R. no. 11-1618.

3. De vorderingen, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 De vordering in conventie
CLICO N.V. vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: de onderhavige opvordering van eigendom in te willigen door voor recht te verklaren dat CLICO N.V. zich terecht verzet tegen de openbare verkoop d.d. 30 juni 2011 ten overstaan van notaris mr. M.R. Sanrochman van het onroerend goed, dat het onroerend goed ten onrechte in het beslag is betrokken en tevens de opheffing van het beslag te bevelen.

3.2 De grondslag in conventie
CLICO N.V. heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat het onroerend goed waarop op 11 mei 2010 executoriaal beslag is gelegd, in ieder geval vanaf 01 januari 2004 al door de geruisloze overgang deel uitmaakte van het vermogen van CLICO N.V. De overschrijving van het onroerend goed op naam van CLICO N.V. op 12 mei 2011 is niet te rekenen tot vervreemding in de zin van artikel 378 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bovendien heeft het onroerend goed nimmer behoort tot het vermogen van CLICO S.A. De executoriale titel ten behoeve van het beslag is immers gebaseerd op het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 15 april 2011. ASSURIA N.V. kan derhalve haar vordering op CLICO S.A. niet verhalen op het onroerend goed toebehorend aan CLICO N.V.

3.3 De vordering in reconventie
ASSURIA N.V. vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad CLICO N.V. te veroordelen:

I. om aan ASSURIA N.V. te betalen het bedrag van USD 68,016.00 met de wettelijke rente daarover vanaf 01 november 2011 tot aan de algehele voldoening;
II. om aan ASSURIA N.V. te betalen de opnieuw te maken executiekosten tot verhaal van haar vordering ad USD 283,800.00 op CLICO S.A. en de verdere schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.4 De grondslag in reconventie
ASSURIA N.V. heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat CLICO N.V. wist dat zij nimmer de eigendom van het onroerend goed had en die ook nimmer heeft verkregen, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die haar ten opzichte van ASSURIA N.V. in het maatschappelijk verkeer betaamt, door de onderhavige vordering in te stellen. CLICO N.V. is dan ook aansprakelijk voor de kosten die ASSURIA N.V. opnieuw moet maken voor de executoriale verkoop van het onroerend goed, maar ook voor de schade die ASSURIA N.V. lijdt en nog zal lijden als gevolg van het niet kunnen beschikken over het sinds 08 april 2009 aan haar door CLICO N.V. (lees CLICO S.A.) verschuldigde bedrag van USD 283,800,00.

3.5 Het verweer in conventie en in reconventie
CLICO N.V. en ASSURIA N.V. hebben over en weer verweer gevoerd, terwijl CLICO S.A. niet is verschenen en derhalve geen verweer heeft gevoerd.De kantonrechter komt bij de beoordeling indien nodig terug op het verweer van partijen.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie
In conventie
4.1 ASSURIA heeft als meest verstrekkend verweer in conventie aangevoerd dat CLICO N.V. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering jegens gedaagde sub B, omdat de procedure ex artikel 419 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) openstaat wanneer de procedure van executoriale verkoop, zoals neergelegd in de artikelen 387 e.v. Rv, reeds in gang is gezet, doch heeft gedaagde sub B een dergelijke procedure geenszins in gang gezet.

4.1.1 CLICO voert hiertegen aan dat met het leggen van een executoriaal beslag de executie reeds is aangevangen, waardoor zij niet hoeft te wachten om de vordering tot opvordering van eigendom van het in beslaggenomen goed in te stellen totdat de openbare verkoop plaats heeft.

4.1.2 De kantonrechter stelt voorop dat de executie van een executoriaal beslag aanvangt met de overschrijving van het executoriaal beslag in de hypotheekregisters, hetwelk in casu op 11 mei 2010 door beide gedaagden (sub A en B) is geschied, weshalve CLICO N.V. ontvankelijk is in haar vordering jegens gedaagde sub B en het verweer terzake wordt verworpen.

4.2 ASSURIA N.V. heeft eveneens als verweer aangevoerd dat de vervreemding c.q. overdracht door CLICO S.A. aan CLICO N.V. op 10 mei 2011, niet aan haar kan worden tegengeworpen, nu het conservatoir beslag op perceel A door haar reeds op 12 juni 2009 in de registers was ingeschreven en de executoriale beslagen op 11 mei 2010, weshalve de overdracht c.q. vervreemding in strijd is met artikel 378 Rv.

4.2.1 CLICO N.V. voert hiertegen aan dat in casu sprake is van botsende rechten nu het recht van ASSURIA N.V. om verhaal op het onroerend goed te hebben, door hen middels het executoriaal beslag is verkregen op 11 mei 2010, terwijl het recht van CLICO N.V. op levering van het onroerend goed aan haar, in ieder geval vanaf 28 februari 2007, de datum van de goedkeuring van de ‘geruisloze inbreng’, bestond. CLICO N.V. beroept zich in casu op artikel 298 boek 3 van het Nederlands BW, welke bij analoge toepassing met zich zou meebrengen dat er bij botsende rechten een belangenafweging zou moeten plaatsvinden op grond van redelijkheid en billijkheid en dat onder de gegeven omstandigheden het recht op levering aan CLICO N.V. zwaarder zou moeten wegen.

4.2.2 ASSURIA N.V. voert hiertegen aan dat er geen sprake is van botsende rechten en dat het Nederlands artikel 298 BW in de Surinaamse rechtsorde niet van toepassing is. ASSURIA N.V. persisteert dat de overdracht van perceel A in strijd is met artikel 378 Rv en dus niet tegen de beslagnemer, in casu ASSURIA N.V., mag worden ingeroepen, hetgeen geldt voor elke handeling leidende tot eigendomsoverdracht na 12 juni 2009, dus ook niet de akte d.d. 10 mei 2011.

4.2.3 De kantonrechter overweegt dat de goedkeuring van de “geruisloze overgang” bij beschikking van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 28 februari 2007, slechts een fiscale faciliteit is – zoals ook gesteld is door ASSURIA N.V. – en heeft dus geen juridische levering van perceel A met zich meegebracht. Dit brengt met zich mee dat CLICO N.V. door overschrijving van de akte d.d. 10 mei 2011, pas op 11 mei 2011 de eigendom van perceel A heeft verkregen. De beslaglegger heeft geen rekening te houden met de beschikking.

4.2.4 De kantonrechter stelt voorop dat volgens literatuur (Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 453a) “vervreemding is door partijen bewerkstelligde overgang van een goed, waaronder begrepen elke vorm van levering, vereist voor overdracht.” De kantonrechter maakt zich deze uitleg eigen. Dit brengt met zich mee dat in casu sprake is van vervreemding, nu er levering bij akte heeft plaatsgevonden, weshalve artikel 378 lid 4 Rv van toepassing is. Het gevolg hiervan is dat de overdracht door CLICO S.A. aan CLICO N.V. niet mag worden tegengeworpen aan ASSURIA N.V., hetgeen wil zeggen dat CLICO N.V. thans wel eigenaar kan zijn van perceel A tegenover derden, doch is CLICO S.A. voor ASSURIA N.V., als beslaglegger, nog steeds de eigenaar van perceel A. De overdracht bij akte d.d. 10 mei 2011, is derhalve nietig tegenover ASSURIA N.V.. CLICO N.V. kan zich daarom niet met succes beroepen op haar eigendomsrecht tegenover ASSURIA N.V., nu CLICO N.V. op de hoogte was van zowel het conservatoir als het executoriaal beslag. Het beroep van ASSURIA N.V. op artikel 378 lid 4 Rv is daarom succesvol, weshalve de vordering van CLICO N.V. in conventie als ongegrond zal worden afgewezen.

4.3 Nu de vordering van CLICO N.V. in conventie als ongegrond zal worden afgewezen, zal de kantonrechter de bespreking van de overige stellingen en weren als niet terzake doende buiten beschouwing laten.

4.4 CLICO N.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ASSURIA N.V. en CLICO S.A. gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

In reconventie
4.5 De kantonrechter overweegt dat het onrechtmatig handelen van CLICO N.V. vaststaat, nu zij wist althans behoorde te weten dat zij pas het eigendomsrecht op perceel A had verkregen door overschrijving van de akte van overdracht d.d. 10 mei 2011 in de daartoe bestemde registers op 11 mei 2011, en dat de beslagen gelegd door ASSURIA N.V. reeds voor de overdracht op perceel A waren gelegd, weshalve CLICO N.V. niet te goeder trouw is in haar opvordering van eigendom. Nu de aangekondigde openbare verkoop van perceel A op 30 juni 2011 door de instelling van de vordering in conventie op 09 juni 2011 is geschorst, waarna deze vordering is afgewezen, is CLICO N.V. schadeplichtig jegens ASSURIA N.V. ingevolge artikel 424 Rv, en wel voor de opnieuw te maken executie kosten zoals gevorderd onder II van het petitum in reconventie, alsook nadere schade, kosten en interessen, indien daartoe gronden bestaan.

4.6 Met betrekking tot de nadere schade stelt ASSURIA N.V. dat zij renteverlies heeft geleden en nog steeds lijdt aangezien zij het aan haar verschuldigde bedrag van USD 283,800.00, had kunnen uitzetten en/of beleggen bij derden tegen een rentevoet van tenminste 12% per jaar. Nu ASSURIA N.V. nog steeds niet kan beschikken over de sinds 08 april 2009 aan haar verschuldigde bedrag, lijdt zij per 01 juni 2011 terzake al een schade van USD 68,016.00.De verdere schade zal nog nader bij staat vastgesteld moeten worden, aangezien de verdere schade afhangt van de duur van de onderhavige procedure en de opnieuw te maken executiekosten.

4.7 CLICO N.V. voert met betrekking tot het niet kunnen beschikken van het aan haar verschuldigd bedrag, aan dat ASSURIA N.V. dat aan zichzelf te wijten heeft, daar CLICO N.V. herhaaldelijk aan ASSURIA N.V. betaling heeft aangeboden overeenkomstig het door de kantonrechter in een andere procedure gehomologeerd doorstartplan. Indien dit aanbod was geaccepteerd, zoals overige schuldeisers c.q. polishouders hebben gedaan, had ASSURIA N.V. reeds in 2010 50% van het aan haar verschuldigde bedrag ontvangen, terwijl het resterend bedrag en de rente geheel volgens het homologatieplan zou zijn verlopen.

4.8 ASSURIA N.V. voert hiertegen aan dat zij reeds conservatoir beslag had doen leggen op perceel A alvorens de kantonrechter bij vonnis d.d. 29 oktober 2010 de homologatie van het doorstartplan had goedgekeurd.

4.9 De kantonrechter overweegt dat ASSURIA N.V. in alle redelijkheid het niet ter beschikking stellen van het aan haar verschuldigde bedrag ad USD 283,800.00, niet aan CLICO N.V. kan tegenwerpen, nu ASSURIA N.V. geen vordering heeft op CLICO N.V., doch op CLICO S.A., zoals zij zelf heeft gesteld en hetgeen ook blijkt uit de gelegde beslagen. De gevorderde nadere schade als gevolg van renteverlies zoals gevorderd onder I van het petitum zal daarom als ongegrond worden afgewezen.

4.10 ASSURIA N.V. zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van CLICO N.V. en CLICO S.A. gevallen, zoals ander begroot in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

In conventie
5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt CLICO N.V. in de proceskosten aan de zijde van ASSURIA N.V. en CLICO S.A. gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

In reconventie
5.3 Veroordeelt CLICO N.V. aan ASSURIA N.V. te betalen de opnieuw te maken executiekosten tot verhaal van haar vordering ad USD 283,800.000 (tweehonderd drie en tachtigduizend achthonderd Amerikaanse Dollar) op CLICO S.A. en de (verdere) schade terzake voorschreven nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

5.4 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt ASSURIA N.V. in de proceskosten aan de zijde van CLICO N.V. en CLICO S.A. gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

5.5. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en reconventie
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van dinsdag 13 januari 2015, uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. D.G.W. Karamat Ali, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. L. van Bossé w.g. S.S. Nanhoe-Gangadin
w.g. D.G.W. Karamat Ali

SRU-K1-1997-5

A.R. no.971079.
KANTONRECHTER EERSTE KANTON
Vonnis in Kort Geding, 3 juli 1997

[eiser], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E. Naarendorp, advokaat, eiser in kort geding, tegen

a. [gedaagde sub a], weduwe van [naam];
b. [gedaagde sub b],
c. [gedaagde sub c],
d. [gedaagde sub d],
e. [gedaagde sub e],
f. [gedaagde sub f],
g. [gedaagde sub g],
h. [gedaagde sub h],
i. [gedaagde sub i],
j. [gedaagde sub j], allen wonende te [adres 2] te [stad], [Land], gedaagden in kort geding.

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer laatste als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in KORT GEDING uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren en dagen:

Eiser toestemming zal worden verleend c.q. zal worden gemachtigd zelf de juridische levering van ”het perceelland, met de daarop staande gebouwen, groot driehonderdentien, driehonderd vijfentachtig/honderste vierkante meters, gelegen te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3], bekend als Wijk [nummer], middels het doen overschrijven van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 5 december 1995, AR. no. 4350, in de daartoe bestemde openbare registers.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat de eiser op aan zijn vordering ten grondslag gelegde als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren en dagen, hem-eiser toestemming te verlenen c.q. te machtigen zelf de juridische levering van het perceelland, met de daarop staande gebouwen, groot driehonderdentien, driehonderd vijfentachtig/honderste vierkante meters, gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3], bekend als Wijk [nummer], middels het doen overschrijven van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 5 december 1995, A.R. no. 4350, in de daartoe bestemde openbare registers te bewerkstelligen. Overwegende, dat opgemerkt zij, dat de Wet deze mogelijkheid tot vervanging niet noemt, doch zij verbiedt die ook niet, terwijl Wij in de artikelen 382 K en 1201 BW een analoge toepassing van deze vervangingsmogelijkheid gelegen achten;

Overwegende, dat door de eiser is overgelegd een op tegenspraak gewezen vonnis van 5 december 1995 (A.R. no. 87/4350), tussen partijen gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waarbij gedaagden op grond van een tussen partijen gesloten koopovereenkomst, met betrekking tot het litigieuze perceelland veroordeeld zijn binnen l (EEN) maand na de betekening van dit vonnis ten overstaan van notaris Mr. C. A. Calor, mede te werken aan de juridische overdracht van dat perceelland tegen betaling van de som van f 28.000,–;

Overwegende, dat de onderhavige vordering tot machtiging van de eiser om, zoals Wij die opvatten, bij gebreke van de wilsverklaring van gedaagden deze in de transportakte te doen vervangen door dat vonnis van 5 december 1995, met bepaling dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor de eigendom van het onderwerpelijk perceelland op de eiser zal overgaan, mitsdien toewijsbaar is als in het dictum te melden;

Overwegende immers, dat de gewone rechter, naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, eisers vordering ook zou toewijzen;

Overwegende, dat eisers vordering Ons in zoverre noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt;

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:
Machtigen de eiser om, indien de gedaagden in gebreke mochten blijven te verschijnen ten kantore van notaris Mr. CA. Calor voor het transport van het perceelland, met de daarop staan de gebouwen, groot 310,385 m2, gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3], bekend als Wijk [nummer], of verschenen zijnde mochten weigeren aan A bedoeld transport mede te werken, een en ander overeenkomstig het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 december 1995 tussen partijen gewezen, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van gedaagden;

Bepalen, dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor de eigendom van genoemd perceelland op de eiser zal overgaan.

SRU-K1-2017-14

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-5244
12 januari 2017

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],
wonende in [district 1],
eiseres,
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, M.N. HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- EN BOSBEHEER,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 oktober 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op03 november 2016;
– de conclusie van antwoord d.d.24 november 2016;
– de conclusie van repliek d.d. 01 december 2016, met productie;
– de conclusie van dupliek d.d. 08 december 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres en haar inmiddels overleden echtgenoot zijn de rechthebbenden van “het erfpachtsrecht ter uitoefening van de landbouw voor de duur van 40 jaren op “het erfpachtsrecht ter uitoefening van de landbouw voor de duur van 40 jaren op het perceelland, groot 1.644 ha, gelegen in [district 2], ten westen van [gebied 1] en bekend als no. 54a, nader aangeduid op de kaart van de [landmeter] d.d. 26 mei 1965 met de letters EFGH

2.2 Op 15 november 2006 heeft eiseres bij verzoekschrift aan gedaagde toestemming gevraagd om het hiervoor omschreven perceelland in 8 delen te mogen afrooien en om deze in grondhuur ter bebouwing en bewoning aan een achttal in dat verzoekschrift genoemde derden uit te geven. In het bedoelde verzoekschrift heeft eiseres het volgende vermeld:

“(…)
Dat aan haar bij beschikking d.d. 17 juli 1965 [nummer], in Erfpacht is afgestaan, het perceelland, groot 1,6440 ha, gelegen in het [district 1], ten westen van [gebied 2] (voorheen [gebied 1]) en bekend als No. 54a.

Dat voormeld Erfpachtsrecht op 17 juli 2005 is komen te vervallen.

Dat zij op voormeld perceel woont en het steeds heeft onderhouden.

Dat zij U thans vanwege haar hoge leeftijd hierbij nadert met het beleefd verzoek om voormeld perceel land in 8 (acht) delen te mogen verdelen en op naam van haar kinderen wenst te stellen ter BEBOUWING en BEWONING in GRONDHUUR (…)”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

– gedaagde te veroordelen om binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, een besluit te nemen op het verzoekschrift d.d.15 november 2006, en wel onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft of nalaat uitvoering te geven aan dit vonnis.

3.2 Eiseres legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan haar vordering het volgende ten grondslag: gedaagde handelt in strijd met de Wet Uitgifte Domeingronden (hierna afgekort WUG) door niet binnen een redelijke termijn te beslissen op het door haar ingediend verzoekschrift. Dit, ondanks het feit zij gedaagde ter zake heeft aangemaand.

Als spoedeisend belang stelt eiseres dat zij thans 74 jaar oud is en recht en belang bij heeft om binnen redelijke termijn van gedaagde te vernemen welk besluit zij ten aanzien van haar verzoek heeft genomen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert als formeel verweer dat eiseres niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar gevorderde, omdat hetgeen eiseres vordert een definitief karakter heeft en toewijzing hiervan indruist tegen de aard van het kortgeding.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat gedaagde uit van een onjuist standpunt. Hetgeen eiseres vordert, houdt niets anders in dan dat gedaagde binnen een bepaalde termijn beslist op het door haar ingediende verzoekschrift. Het gevorderde zou een definitief karakter dragen, indien eiseres in het gevorderde zou opnemen welk besluit gedaagde ten aanzien van het door haar ingediende verzoekschrift zou moeten nemen. Daarom wordt het verweer van gedaagde verworpen.

4.2 Vervolgens voert gedaagde als verweer dat de kantonrechter vanwege het beginsel van Trias Politica niet bevoegd is om op de stoel van de uitvoerende macht te gaan zitten. Ook dit verweer gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Zoals reeds hiervoor onder 4.1 is overwogen heeft eiseres niet gevorderd welk besluit gedaagde ten aanzien van het door eiseres ingediende verzoekschrift zou moeten nemen en de kantonrechter daardoor dus niet op de stoel van de uitvoerende macht gaat zitten. Om die reden wordt dan ook dit verweer verworpen. In dat licht brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat ingevolge artikel 158 lid 1 van de Grondwet een ieder recht heeft om door de organen van de overheidsadministratie geïnformeerd te worden over de voortgang in de behandeling van zaken waar hij direct belang bij heeft en omtrent eindbeslissingen, met betrekking tot hem genomen. Blijft de overheidsadministratie hierin in gebreke, dan mag iedere belanghebbende zich ter zake tot de rechter wenden.

4.3 Anders dan gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisend belang van eiseres wel aannemelijk is. Het enkel opwerpen door gedaagde dat eiseres pas na tien jaren na de indiening van haar aanvraag gedaagde heeft aangemaand om haar schriftelijk in kennis te stellen als door gedaagde toestemming is verleend voor het afrooien en de uitgifte c.q. de overdracht van het betreffende perceelland acht de kantonrechter niet voldoende om het spoedeisend belang te weerspreken. Dit, temeer daar ingevolge artikel 5 WUG op gedaagde de plicht rust om iedere aanvrager van domeingrond binnen zes maanden nadat zijn aanvraag bij het Ministerie is binnengekomen per brief te berichten van de ontvangst van zijn aanvraag met vermelding van de termijn waarbinnen mogelijk een eindbeslissing op het verzoek zal worden gegeven, en gedaagde deze wettelijke plicht heeft verzaakt.

4.4 Tot slot werpt gedaagde op dat hij in voldoende mate naar redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld, omdat het verzoek van eiseres momenteel in behandeling is.Hij kan nog geen besluit nemen omdat de adviserende instanties nog advies aan hem moeten uitbrengen.

De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer, en wel op grond van de hierna volgende overweging. Uit het indieningsstrookje dat als productie ten processe is overgelegd en welke productie niet van valsheid is beticht, blijkt dat eiseres het verzoekschrift d.d. 15 november 2006 op 17 november 2006 bij gedaagde heeft ingediend en gedaagde tot op heden, dan wel na bijkans 10 jaren, nog geen besluit op het verzoekschrift van eiseres heeft genomen.

Gedaagde heeft in haar verweer geen inzicht aan de kantonrechter verschaft binnen welke termijn bij haar ingediende verzoekschriften in behandeling worden genomen, binnen welke termijn de adviserende instanties worden ingeschakeld voor het uitbrengen van advies, binnen welke termijn deze instanties advies ter zake aan hem uitbrengen en binnen welke termijn hij een besluit op ingediende verzoekschriften neemt nadat advies aan hem is uitgebracht. Evenmin heeft gedaagde gesteld op welke datum of in welk jaar hij het verzoekschrift van eiseres in behandeling heeft genomen en gedurende welke periode hij de adviserende instanties heeft benaderd tot het doen uitbrengen van advies ter zake het verzoek van eiseres.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen en mede op grond van het feit dat de kantonrechter het niet redelijk en billijk acht dat gedaagde na bijkans 10 jaren nog geen besluit heeft genomen op het verzoekschrift van eiseres en iedere belanghebben hoort te weten waar hij/zij aan toe is, zal het door eiseres gevorderde worden toegewezen met dien verstande dat gedaagde binnen twee weken na betekening van dit vonnis op het verzoekschrift zal moeten beslissen en dat de te verbeuren dwangsommen worden beperkt tot het maximum bedrag van SRD 200.000,-.

4.6 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten omvatten tot de dag van de rechtspraak: de kosten voor oproep per exploit van de deurwaarder ad SRD 200,- en het vastrecht ad SRD 50,-.

5. De beslissing
5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een besluit te nemen op het verzoekschrift van eiseres d.d. 15 november 2006, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- (Eenduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag waarop hij in gebreke mocht blijven aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de te verbeuren dwangsommen het maximumbedrag van SRD 200.000,- (Tweehonderdduizend Surinaamse Dollar) niet overschrijden.

5.2 Verklaart hetgeen hiervoor onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 250,- (Tweehonderd en Vijftig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu,en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 12 januari 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier.

SRU-K1-2004-5

Kantonrechter Eerste Kanton
12 juli 2004 AR 034856
(Mr. A.I. Ramnewash)

A. [adoptant sub A] (hierna te noemen: [adoptant sub A])
B. [adoptant sub B] (hierna te noemen: [adoptant sub B]), beiden wonende te [district], adoptanten,
Gemachtigde: mr. M.R. Carrilho, advocaat,

l. Het verloop van het geding:
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:
– het verzoekschrift met producties dat op 10 december 2003 ter Griffie der kantongerechten zijdens verzoekers is ingediend, strekkende tot het uitspreken van adoptie van het minderjarig [kind];
– de beschikking van de kantonrechter gedateerd 14 mei 2003 waarbij [adoptant sub A] is benoemd tot voogdes en [adoptant sub B] tot toeziende voogd van voornoemde minderjarige;
– het rapport (tevens advies) zijdens het bureau voor familierechtelijke zaken (hierna te noemen: BUFAZ), dat op 17 mei 2004 ter terechtzitting is overgelegd. Ten aanzien van het verzoek tot inwilliging refereert BUFAZ zich aan het oordeel van de rechter;
– te dienende dage van familieverhoor (met gesloten deuren) zijn gehoord:
aan de zijde van [adoptant sub A]:
a. [persoon 1] en [persoon 2].
aan de zijde van [adoptant sub B]:
b. [persoon 3] en [persoon 4]
c. [biologische moeder] van het natuurlijk niet erkend kind genaamd: [kind];
– adoptanten persisteren door tussenkomst van hun gemachtigde bij hun stellingen en het advies van BUFAZ.

1.2. Adoptanten hebben daarna vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten:

2.1. Op 20 december 2002 is uit [biologische moeder] geboren het natuurlijk niet erkend minderjarig [kind];

2.2. [adoptant sub A] en [adoptant sub B] zijn op 23 mei 1997 te [woonplaats] (Nederland) met elkaar gehuwd. Het huwelijk tussen adoptanten bestaat thans 7 jaar. Uit dit huwelijk zijn er geen kinderen geboren.

2.3. [adoptant sub A] is op 27 juni 1954 geboren en is derhalve meer dan 40 jaar ouder dan [kind]. [adoptant sub B] is geboren op 23 november 1961. Adoptanten zijn beide ouder dan 18 jaar dan [kind].

2.4. [adoptant sub A] is op 14 mei 2003 door de kantonrechter benoemd tot voogdes en [adoptant sub B] tot toeziende voogd van [kind];

2.5. [kind] is vanaf haar geboorte (thans langer dan 06 maanden) aan de feitelijke verzorging en opvoeding van verzoekers toevertrouwd. Adoptanten wonen met [kind] sinds het jaar 2002 aan [adres]. Tussen [kind] en [biologische moeder], bestaat generlei contact;

2.6. Bij notariële akte hebben [biologische moeder] (de bij beschikking gedateerd 22 april 2003 benoemde) voogdes en de toeziende voogd van [biologische moeder], respectievelijk geheten: [naam 1] en [naam 2], verklaard geen bezwaar te hebben tegen de adoptie van [kind] door adoptanten;

2.7. [kind] is geen wettige of natuurlijke afstammeling van adoptanten.

3. De beoordeling:
3.1. Te dienende dage is [biologische moeder] door de kantonrechter gehoord en heeft zij het adoptieverzoek van [kind] niet tegengesproken.

3.2. Vast staat dat aan de voorwaarde voor adoptie vermeld in artikel 342 L Lid l sub d BW niet is voldaan, aangezien het leeftijdsverschil tussen [kind] en [adoptant sub A], de vrouw, meer dan veertig jaar bedraagt. Aan de orde is de vraag of dit leeftijdsverschil in het onderhavige geval een beletsel voor adoptie moet zijn. De achterliggende gedachte van een te stellen leeftijdsvoorwaarde is dat het adoptief gezin een waardig pedagogisch verantwoord substituut moet zijn voor het natuurlijk gezin.

3.3. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding te zijn af te wijken van de wettelijke regel dat er een maximale leeftijdsverschil (voor de vrouw) van veertig jaar dient te zijn. Bij adoptie staat voorop dat deze slechts kan worden uitgesproken indien het in het kennelijk belang van het kind is.
Bedacht moet worden dat de wet de mogelijkheid van adoptie in het leven heeft geroepen in het belang van de te adopteren minderjarige en de aan adoptie gestelde voorwaarden zullen datzelfde belang dienen.
Onder andere vindt de beoordeling plaats aan de hand van de situatie waarin het kind zich bevindt, welke is geschetst door BUFAZ in zijn advies, namelijk:

o dat [kind] sedert haar geboorte door de adoptanten met zorg als een eigen kind wordt opgevoed en dat zij garant staan voor een gezonde, stabiele leef – en ontwikkelingsomgeving. De adoptanten wensen [kind] de status van wettig kind te geven;
o dat [kind] in de toekomst bij [biologische moeder] niets heeft te verwachten. Vooral nu zij met werkt en volkomen afhankelijk is van de verwekker van [kind].

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de wetgever een verschil in leeftijd tussen één der adoptanten en de adoptandus binnen bepaalde grenzen noodzakelijk geacht, aangezien die grenzen uiteraard ergens gesteld moesten worden. Daarin steekt een zekere willekeurigheid die in gevallen waar daartoe een klemmende reden bestaat, aanleiding kan geven deze regel buiten werking te stellen in het concrete geval. Bij een mogelijk verschil van interpretatie van de desbetreffende wetsbepaling in de geest van de wet, dient echter in het belang van de adoptandus de ruimst mogelijke interpretatie als de juiste te worden aanvaard. Uiteraard moet wel aan alle andere voorwaarden zijn voldaan (Vgl. Hoge Raad 30 juni 2000, NJ 2001#103).

3.4. In dit geval is [kind] sedert haar geboorte opgenomen bij adoptanten. Het is aannemelijk dat zij een hechtingsgedrag met adoptanten heeft ontwikkeld. Ook is aannemelijk dat zij zich daardoor heeft gericht op en gebonden is geraakt met adoptanten en er bestaat dus interactie tussen hen en hun overige familieleden. Het kind kan ook vertrouwen in zichzelf ontwikkelen als blijkt dat haar gedrag effectief is en de hechtingspersoon geeft wat het kind nodig heeft aan verzorging, liefde en aandacht. Mede gelet op het feit dat er van moet woorden uitgegaan dat [kind] bij [biologische moeder] niet veel heeft te verwachten, kan het wegnemen van [kind] uit de hechtingsrelatie (dat is de duurzame beschikbaarheid van een persoon die voorziet in de behoeften van het kind aan zorg en aandacht, nu en in de toekomst) met adoptanten in het nadeel van haar en dus niet in het belang van haar zijn. Het is tevens in het belang van de minderjarige dat zij weet dat de relatie met de adoptanten bestendig is en zij een volwaardig lid van het adoptief – gezin, en in breder verband de hele familie – is.

Naar het oordeel van de kantonrechter vloeit uit vorenstaande feiten voort, dat het in het kennelijke belang van [kind] is, dat zij in haar huidige omgeving verder opgroeit als een wettig kind van adoptanten. Ten deze is het leeftijdsverschil tussen [adoptant sub A] en [kind] niet als een adoptie – verhinderende omstandigheid aan te merken en kan het adoptieverzoek derhalve worden toegewezen.

4. De beslissing:
De Kantonrechter:
4.1. Spreekt uit de adoptie van het natuurlijk niet erkend minderjarig [kind], geboren op 20 december 2002 te [district] uit [biologische moeder], door [adoptant sub A] en [adoptant sub B], zijnde adoptanten van voornoemde minderjarige;

4.2. Verklaart [kind] te zijn wettig kind van de echtelieden [adoptant sub A] en [adoptant sub B].

SRU-K1-2011-13

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 100200
28 april 2011

Vonnis in de zaak van

INTERVAST SURINAME NV, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. A.D. Soedamah, advocaat,
eiseres in kort geding,
hierna te noemen: “Intervast”,

tegen

A. [gedaagde a],
B. [gedaagde b], beiden wonende in Nederland,
C. PROJCT GROEP SURINAMDE 2003 NV, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagden in kortgeding,
gemachtigde voor gedaagden: mr. M.F.S. Ishaak, advocaat,
hierna te noemen: ” [gedaagde a], [gedaagde b] en de Project Groep”,

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 5 augustus 2010.

1. Het verdere proces verloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– Het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 januari 2011, aangetekend op de kaft van het proces-dossier;
– De respectieve conclusies tot uitlating na niet gehouden comparitie zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan
Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoordeling
3.1 De kantonrechter overweegt dat Intervast vordert dat gedaagden wordt verboden om de naam van Intervast Nederland te voeren. Intervast voert daarbij als grondslag aan dat zij reeds 10 jaar lang het intellectueel eigendom bezit van de handelsnaam “Intervast Suriname NV”.

3.2 Gedaagden hebben als verweer aangevoerd dat [gedaagde a] en [gedaagde b] reeds op 1 januari 1995 in het Handelsregister in Nederland het bedrijf Intervast VOF hebben ingeschreven. Zij beroepen zich op het Verdrag van Parijs waaruit voortvloeit dat ook in Suriname hun inschrijving van de handelsnaam Intervast VOF beschermd dient te worden. Eigenlijk, zo stellen gedaagden, is Intervast Nederland al vanaf 1994 actief en opgericht door de heer [naam 1]. De heer [naam 2], broer van [naam 1], heeft op een gegeven moment Intervast Suriname opgericht, terwijl het juist de bedoeling was dat hij het bedrijf van zijn broer [naam 1], in Suriname bekendheid zou geven en het bedrijf van de broer in Suriname zou inschrijven ten behoeve van dat bedrijf. Het is gebleken, zo stellen gedaagden, dat [naam 2], in tegenstelling tot wat van hem verwacht werd, de naam voor zichzelf heeft ingeschreven in Suriname en een eigen bedrijf begon. Zij voeren aan dat het juist [naam 2] is die geen gebruik zou mogen maken van de naam Intervast. Intervast Nederland werkt al lang op de markt in Suriname en indien er verwarring ontstaat, dan is dat geheel te wijten aan [naam 2] en Intervast Suriname. Zij voeren aan dat zij zich niet onrechtmatig gedragen jegens Intervast Suriname. Zij voeren voorts aan dat Intervast Suriname het logo niet heeft ingeschreven waardoor de vordering betreffende het logo niet kan worden gehonoreerd.

3.3 De kantonrechter overweegt dat Intervast op het verweer van gedaagden heeft geregeerd door te stellen dat de inschrijving van Intervast Nederland in Nederland niet relevant is voor Suriname omdat de onderhavige zaak betreft het gebruik van de naam in Suriname. Zij maakt onderscheid tussen inschrijving op grond van de handelsnaamwet, welke alleen bescherming geeft in het land zelf, en inschrijving op grond van de Wet Intellectuele Eigendom, welke inschrijving internationale bescherming biedt. Nu alleen Intervast Suriname de naam heeft ingeschreven op grond van de Wet Intellectueel Eigendom in 1999, wordt Intervast Suriname beschermd door de wet.

3.4 Gedaagden hebben op die reactie aangegeven dat het verdrag wel bescherming biedt aan bedrijven die onder de handelsnaamwet zijn ingeschreven en verwijzen daarbij naar artikel 8 van het verdrag van Parijs: “de handelsnaam zal in alle landen der Unie, zonder verplichting van depot of inschrijving beschermd worden, onverschillig of hij al dan niet deel uitmaakt van een fabrieks of handelsmerk”. Hiermee, zo stellen gedaagden, weerleggen zij de stellingen van Intervast, als zou slechts Intervast bescherming genieten onder dit verdrag.

3.5 De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast tijdens welke comparitie gedaagden niet zijn verschenen vanwege verschillende omstandigheden. De comparitie heeft daardoor geen voortgang gehad.

3.6 De kantonrechter overweegt dat uit de overgelegde producties blijkt dat, inderdaad Intervast Nederland eerst is ingeschreven in Nederland en Intervast Suriname daarna in Suriname. Voorts blijkt dat beide bedrijven in beide landen werken, althans wensen te werken. Daarnevens blijkt dat partijen daarover eerder afspraken hebben gemaakt, waaronder de afspraak dat Intervast Nederland in Nederland de naam voert en Intervast Suriname in Suriname. Hierna, zo blijkt het, zijn partijen toch in het andere land gaan werken waardoor zij elkaar ervan beschuldigen voor de verwarring te zorgen.

3.7 De kantonrechter overweegt dat de vraag die uiteindelijk partijen verdeeld houdt die is of Intervast Nederland zich op enige bescherming mag beroepen in Suriname, waardoor zij door haar inschrijving in Nederland ook het recht heeft om in Suriname de handelsnaam te gebruiken. Hierdoor kan de vordering voor het verbod niet worden toegewezen.

3.8 De kantonrechter overweegt dat het tussen partijen vaststaat dat Intervast Nederland zich in 1995 heeft ingeschreven onder de naam Bureau Intervast V.O.F. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Den Haag.

3.9 De kantonrechter overweegt voorts dat door gedaagden is aangevoerd en dat door Intervast betwist, dat artikel 8 van het verdrag van Parijs bescherming biedt in alle landen van de Unie, waaronder ook Suriname.

3.10 De kantonrechter is van oordeel dat hiermee gedaagden hun verweer aannemelijk hebben gemaakt, dat zij de naam in Suriname mogen dragen en daar niet toe verboden kunnen worden.

3.11 De kantonrechter zal om die reden dan ook het gevorderde weigeren en Intervast, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

4.1 Wijst af het gevorderde;

4.2 Veroordeelt Intervast in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. M. Mettendaf, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 28 april 2011, in tegenwoordigheid van mr. D. Ramdin, fungerend-griffier.

 

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

w.g. M. Mettendaf

SRU-K1-2013-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 130690
15 augustus 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

A. N.V. Graniet,
B. [eiser sub B],
gevestigd c.q. wonende te [district],
eisers in kort geding
gemachtigde: mr. P.R. Sohansingh, advocaat,

tegen

Surgoed Makelaardij n.v.
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
[gevolmachtigde]

1. De procesgang
1.1 deze blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 11 februari 203 ter griffie van het kantongerecht is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating met producties zijdens eisers;
– de conclusie tot uitlating met producties zijdens gedaagde;
– de conclusie tot uitlating zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser sub B is directeur van eiseres sub A en voorzitteer van de Stichting Alfat. De Stichting Alfat en eiseres sub A hebben dezelfde vestigingsplaats.

2.2 Gedaagde heeft als bemiddelaar opgetreden bij de verhuur van een onroerend goed staande en gelegen aan [adres]. Gedaagde meent uit hoofde van deze bemiddelingsovereenkomst een vordering te hebben op eiseres en/of Stichting Alfat.

2.3 Gedaagde heeft na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, bij exploten no. 662 t/m 666 dd. 10 december 2012 conservatoir derden beslag doen leggen ten laste van eisers en/of Stichting Alfat.

3. De vordering, de grondslag daavan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, opheffing van de door gedaagde ten laste van hen, bij exploten no. 662 t/m 666 dd. 10 december 2012 gelegde conservatoir derden beslag onder de in die exploiten genoemde instellingen.

3.2 Eisers stellen nimmer een bemiddelingsovereenkomst met gedaagde te zijn aangegaan. Volgens hen is de Stichting Alfat de bemiddelingsovereenkomst met gedaagde aangegaan. Zij zijn derhalve niets verschuldigd aan gedaagde. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben eisers overgelegd een bemiddelingsovereenkomst waaruit zou moeten blijken dat die is gesloten tussen Stichting Alfat en gedaagde. Eisers menen derhalve dat de ten laste van hen gelegde beslagen onrechtmatig zijn. Bovendien zijn eisers van mening dat de beslagen bovenmatig zijn gezien de hoogte van de vermeende vordering van gedaagde.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.2 Gedaagde heeft het volgende aangevoerd:
Uit alle gevoerde correspondentie tussen eisers en gedaagde blijkt duidelijk dat vanaf de ingang van de bemiddelingsovereenkomst het emailadres van eiseres sub A is gebruikt. Eisers hebben de schijn opgewekt hij zaken deed met eisers. Hij, gedaagde, is te goeder trouw ervan uitgegaan dat hij zaken deed met eisers. De naam van Stichting Alfat is pas gevallen bij de ondertekening van de overeenkomst op 28 maart 2011. Daarvoor hebben eisers haar nimmer voorgehouden en evenmin heeft hij het idee gehad dat hij de overeenkomst aanging met de Stichting Alfat. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter slaagt het verweer van gedaagde. Van eiser sub B, die directeur en voorzitter is van eiseres sub A respectievelijk Stichting Alfat, mocht worden verwacht dat hij vanaf de aanvang van de overeenkomst met gedaagde duidelijk kenbaar had gemaakt aan gedaagde wie zijn contractpartner was bij de bemiddelingsovereenkomst, zodat daarover geen verwarring ontstond. Door dat na te laten is hij zelf verantwoordelijk voor de ontstane verwarring, en zijn zowel hij als eiseres sub A verantwoordelijk voor de schade die door gedaagde wordt geleden als gevolg van de niet nakoming van de bemiddelingsovereenkomst. Ten onrechte gaan eisers ervan uit dat gedaagde een onderzoeksplicht heeft om na te gaan met wie zij de overeenkomst sluit. Immers, mocht gedaagde er gerechtvaardigd van zijn dat hij de overeenkomst aanging met degene waarmee hij correspondeerde; in deze dus eisers nu de correspondentie plaatsvond via het emailadres van gedaagde sub A in de persoon van gedaagde sub B, terwijl volgens gedaagde ook een werknemer van eiseres sub A in de persoon van ene mevrouw [naam] de communicatie met hem voerde. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter de door gedaagde ten laste van eisers gelegde conservatoire derdenbeslagen niet onrechtmatig.

4.3 Bij nadere conclusie hebben eisers een kopie van borgstelling welke verstrekt is door de Coöperatieve Spaar- en Kredietbank Godo G.A. overgelegd tot de hoogte waarvan het beslag is gelegd.
In de verklaring is zover van belang het volgende opgenomen:
“Op verzoek van onze cliënt, de heer [eiser sub B] handelende in privé en als directeur/enige aandeelhouder van de N.V. Graniet en als enig bestuurslid van de Stichting Alfat, stellen wij ons tegenover U garant voor de richtige betaling tot een bedrag van maximaal € 2.512,50, indien genoemde cliënt in het momenteel met U gevoerd proces, bekend onder no. A.R. no.124455 bij onherroepelijk in kracht van gewijsde gegaan vonnis wordt veroordeeld tot betaling van het hierboven genoemd maximum van € 2.512,50…

Deze garantie vervalt 30 (dertig) dagen nadat het hiervoor bedoeld rechterlijk vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan….
Volgens eisers dienen de gelegde beslagen thans te worden opgeheven nu er een garantieverklaring is gegeven.

4.3.1 Ingevolge artikel 599 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WvBrv.) zal de rechter de conservatoire beslagen moeten opheffen indien behoorlijke borgstelling heeft plaatsgehad voor het beloop van de som.
Anders dan eisers is de kantonrechter van oordeel dat de door hen verstrekte borgstelling, zoals weergegeven onder 4.3 hiervoor, onredelijk is nu daaruit valt af te leiden dat de betaling pas zal plaatsvinden nadat het vonnis in de zaak bekend onder AR no. 124455 onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat indien eisers worden veroordeeld in de bodemgeschil procedure, niet direct tot betaling zal worden overgegaan indien eisers in beroep gaan tegen het genoemd vonnis. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er dus geen sprake van een behoorlijke borgstelling in de zin van artikel 599 W.v.Brv. als gevolg waarvan de beslagen zouden moeten worden opgeheven.

4.4 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dienen de door eisers gevraagde voorzieningen te worden geweigerd.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1. Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 15 augustus 2013 te Paramaribo, door de kantonrechter in kort geding, mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

SRU-K1-2011-12

[eiser] ca [gedaagde], Ktr. 11 augustus 2011, A.R. 103954

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 103954
11 augustus 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende in [land],
eiser,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district 1],
gedaagde,
gevolmachtigde: M.H. Visser, consultant.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 30 september 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 21 oktober 2010;
– de conclusie van antwoord d.d. 16 december 2010, met de producties;
– de conclusies van repliek d.d. 10 februari 2011, met de productie;
– de conclusie van dupliek d.d. 7 april 2011, met de productie;
– de conclusie tot uitlating d.d. 5 mei 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 30 oktober 2008 is eiser bij vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 075454 onder meer het volgende verbod opgelegd:
“Om het resterend deel van het perceelland groot zeven hectaren en tien aren, gedeelte van het perceelland groot zeven hectaren en achtentwintig aren, gelegen aan het [pad] in [district 2], ten westen van de [plantage] en bekend als afdeling I Sectie [plantage] [nummer 1], vroeger bekend als [nummer 2], waarvan op vijftien maart negentien vijf en tachtig een perceelkaart is vervaardigd door de landmeter in Suriname waaruit blijkt dat het resterend deel een oppervlakte heeft van twee hectaren, zestien aren en veertig centiaren en aangeduid met de letters ADEF te vervreemden, zolang niet in bodemprocedure uiteindelijk is beslist over de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst, die beweerdelijk tussen gedaagde en eiser totstand is gekomen met betrekking tot dit perceelgedeelte en naar aanleiding van welke koopovereenkomst is opgemaakt de akte, die op 26 september 2005 ten overstaan van notaris J.G. Kemp is verleden”.

In de hiervoor vermelde zaak, die gedaagde (toen eiser) tegen eiser (toen gedaagde) aanhangig had gemaakt is eiser bij verstek veroordeeld.

2.2 In het register op het Hypotheekkantoor is op grond van het hiervoor vermeld vonnis een aantekening gemaakt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert:
Primair:
– hem te ontvangen in zijn kort geding c.q. hem toe te staan in kort geding te procederen;
– het oproepexploit in de zaak arno 075454 voor oproep van eiser voor de dag der eerste behandeling nietig te verklaren;
– het betekeningsexploit waarbij het vonnis arno 075454 aan eiser is betekend nietig te verklaren;
– het gelasten van de doorhaling van de aantekening in het hypotheekregister, ingeschreven onder A244/2484 in de registers en eiser bij vonnis te machtigen die doorhaling te doen geschieden op kosten van gedaagde;
– veroordeling van gedaagde in de kosten van het proces.

Subsidiar:
– veroordeling van gedaagde om binnen een week na uitspaak de doorhaling van de aantekening in het hypotheekregister, ingeschreven onder A244/2484 in de registers te doen geschieden op kosten van gedaagde en onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per dag voor elke dag dat gedaagde weigerachtig blijft aan het vonnis te voldoen.

3.1.1 Mede is gevorderd uitvoerbaar verklaring van het vonnis bij voorraad.

3.2 Eiser legt, naast de feiten vermeld onder 2, aan zijn vordering ten grondslag dat het oproepingsexploit in de zaak bekend onder A.R. No. 075454 nietig is, omdat gedaagde hem opzettelijk op een verkeerd adres heeft doen oproepen. Met name heeft gedaagde hem op het adres aan [adres 1], [woonplaats] [land] doen oproepen, terwijl het bij gedaagde bekend is dat eiser sedert 2002 woont op het adres aan [adres 2], postcode [nummer 3] in de [woonplaats] [land]. Om die reden kan het vonnis niet langer stand houden omdat het op grond van een nietig exploit is gewezen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd welk verweer voor zover voor de beslissing van belang, hierna zal worden besproken.

4. De beoordeling

4.1 Eiser stelt als spoedeisend belang dat hij vanwege de in het hypotheekregister gemaakte aantekening in zijn economisch handelen wordt belemmerd en wel in die zin dat hij geen leningen kan nemen en evenmin over zijn eigendommen kan beschikken. Gedaagde weerspreekt het spoedeisend belang van eiser en voert daartoe zoals de kantonrechter in kort geding haar begrijpt aan, dat eiser sedert 28 oktober 2009 bij het aanvragen van een hypothecair uittreksel bekend is geworden met het vonnis, doch dat hij heeft nagelaten onmiddellijk verzet daartegen te wenden. Voor zover gedaagde op het oog heeft dat eiser een jaar lang heeft stilgezeten en aldus geen spoedeisend belang heeft, gaat dit verweer naar het oordeel van de kantonrechter in kort geding niet op. Dit, omdat het belemmerd worden in het economisch handelen reeds een spoedeisend belang aangeeft. Nu gedaagde de stelling ter zake de belemmering in het economisch handelen niet heeft weersproken en die stelling volgens de algemene regels van het procesrecht als niet weersproken vaststaat zal eiser wel worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Als niet weersproken staat vast dat gedaagde eiser in de zaak bekend onder A.R,. no.075454 op het verkeerde adres heeft doen oproepen en kennis droeg van het juiste verblijfadres van eiser, doch heeft het rechtsgtevolg wat eiser met deze stellingen beoogt pas kans van slagen als hij nog de mogelijkheid van verzet heeft tegen het bedoeld vonnis. Gedaagde werpt tegen dat eiser zelf stelt dat formeel de verzettermijn reeds is verstreken en om die reden deze procedure in kort geding niet door eiser gebruikt kan worden om alsnog op verkapte wijze tegen het bedoelde vonnis in verzet te willen komen. Zoals de kantonrechter in kort geding dit verweer van gedaagde begrijpt stelt zij zich op het standpunt dat eiser middels het instellen van de onderhavige vordering een verkapte vorm van verzet instelt en misbruik maakt van het procesrecht omdat eiser volgens de regels van het procesrecht niet meer in verzet kan gaan. In reactie op dit verweer stelt eiser dat hij nimmer heeft gesteld dat hij niet meer in verzet kan komen, doch constateert de kantonrechter in kort geding dat eiser zichzelf weerspreekt. Zoals blijkt uit de stelling van eiser onder 15 van het inleidend verzoekschrift stelt hij zelf dat hij niet meer in verzet kan komen, vanwege het feit dat formeel de verzettermijn verstreken is. Nu eiser aanvoert dat hij dit nimmer heeft gesteld neemt de kantonrechter in kort geding aan dat eiser terugkomt op zijn stelling, zodat thans ter beoordeling ligt of eiser nog in verzet tegen dit vonnis zal kunnen gaan. In dat licht stelt de kantonrechter in kort geding voorop dat blijkens het bepaalde in artikel 84 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de verzettermijn veertien dagen is en die termijn begint te lopen òf na de aanzegging van het vonnis òf na van enige uit kracht daarvan opgemaakte òf ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, òf na het plegen door deze van enige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.Vaststaat, en zoals dat uit het ten processe door eiser overgelegde uittreksel uit het Hypotheekkantoor blijkt, dat eiser sedert 28 oktober 2009 kennis droeg van het bedoelde vonnis. Gesteld noch gebleken is dat eiser sedert die datum tot heden in verzet tegen het bedoelde vonnis is gegaan. Integendeel heeft eiser in stede van het kiezen van het in verzet gaan ervoor gekozen de onderhavige vordering in kort geding tegen gedaagde in te stellen. Dit alles, in onderling samenhang beschouwd met het bepaalde in artikel 84 Rv, brengt de kantonrechter in kort geding tot het oordeel dat eiser geen kans meer heeft om verzet tegen het bedoelde vonnis aan te wenden, zodat hij niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in zijn vordering.

5.2.1 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues, op donderdag 11 augustus 2011 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu
R.G. Rodrigues

SRU-K1-2013-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R No. 10-5340
07 mei 2013

Vonnis in de zaak van:

FATUM SCHADEVERZEKERING N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 december 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 15 februari 2011;
– het tegen de op 15 februari 2011 niet verschenen gedaagde verleende verstek;
– de zuivering van het verstek door gedaagde d.d. 03 mei 2011, waarbij een termijn om te concluderen van antwoord is verzocht;
– de conclusie van antwoord d.d. 01 november 2011, nadat op verzoek van gedaagde op 06 juli 2010 uitstel tot concluderen daartoe was verleend;
– de conclusie van repliek d.d. 06 maart 2012, met de producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 06 november 2012, nadat op verzoek van gedaagde op 03 juli 2012 uitstel tot concluderen daartoe was verleend.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 29 juli 2009 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen het voertuig van eiser met het voertuig van ene [naam 1]. Ter zake deze aanrijding staat het volgende in het uittrekselrapport/WAM d.d. 04 augustus 2009, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld:
“Kort voor de aanrijding reden beide bestuurders over de [straat 1], komende uit de richting van de [plaats 1] en gaande in die van de [straat 2], met dien verstande dat de bestuurder [naam 1] voorreed, gevolgd door [gedaagde]. Gekomen ter hoogte van [plaats 2] bracht de bestuurder [naam 1] zijn voertuig tot stilstand. [gedaagde] die niet de onderlinge afstand achter [naam 1] hield, kon door onoplettendheid zijn voertuig niet tijdig afremmen met als gevolg de aanrijding”.

2.2. Ten tijde van de aanrijding was gedaagde in het bezit van een Nederlands rijbewijs, doch niet in het bezit van een geldig Surinaams Rijbewijs, en was het door hem bestuurd voertuig bij eiseres verzekerd onder polisnummer PKWBE [nummer] tegen wettelijke aansprakelijkheid.

2.3 In artikel 5.1 is in de algemene voorwaarden, voor zover voor de beslissing van belang onder meer het volgende neergelegd: “Indien de maatschappij haar tarieven en/of voorwaarden voor verzekeringen van dezelfde soort als deze verzekering herziet en in gewijzigde vorm bekend maakt en toepast, is zij gerechtigd de aanpassing van deze verzekering te vorderen aan die nieuwe tarieven en/of voorwaarden met ingang van de eerste premievervaldag na de invoering van de wijziging in de tarieven en/of voorwaarden. De maatschappij zal, indien zij van dit recht gebruik wenst te maken hiervan tenminste vijf dagen voor de premievervaldag mededeling doen aan de verzekeringnemer”.

2.4 In artikel 12.1 onder k staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld:
“(…) Verder bestaat geen recht op schadevergoeding als een of meer van de volgende uitsluitingsgronden van toepassing zijn:
(….)
k. schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder van het motorrijtuig:
geen houder was van een geldig, voor het motorrijtuig voorgeschreven rijbewijs (waarmee wordt gelijkgesteld een voor het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven rijbewijs, dat niet langer dan zes (6) maanden voor de gebeurtenis is verlopen, doordat verzuimd werd het te verlengen, dan wel de voor het besturen van het motorrijtuig wettelijk voorgeschreven leeftijd niet had bereikt;
(….)
De uitsluitingen onder k, l en m gelden niet indien de verzekerde aantoont, dat de daarin bedoelde omstandigheden zich buiten zijn weten of tegen zijn wil hebben voorgedaan en dat hem ter zake van deze omstandigheden geen verwijt treft.”

2.5 In artikel 14.1 lid 1 onder k staat, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld:
“Zodra de verzekeraar ingevolge de WAM schadevergoeding verschuldigd is en een verzekerde geen aanspraak maakt op dekking, heeft de verzekeraar het recht het door haar verschuldigde, met inbegrip van de kosten, te verhalen op:
– de aansprakelijke verzekerden en/of
– de verzekeringnemer.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting haar te betalen het bedrag van SRD 1.826,48, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar ingaande heden tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2 Eiseres legt, naast de feiten vermeld onder 2, ook het volgende aan haar vordering ten grondslag:
– ingevolge de WAM was zij verplicht tot uitkering van de schade ad SRD 1.467,20 aan de benadeelde;
– gedaagde was niet in het bezit van een geldig Surinaams rijbewijs en heeft zij, eiseres, op grond van artikel 9 lid 3 WAM en artikel 14.1 van de Algemene Voorwaarden Motorrijtuigen het recht de door haar vergoede schade ad SRD 1.467,20, de deurwaarderskosten ad SRD 139,20 en incassokosten ad SRD 220,08 van gedaagde terug te vorderen;
– ondanks gedaagde daartoe in gebreke is gesteld, weigert hij de hiervoor vermelde bedragen te voldoen.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Vooropgesteld wordt dat gedaagde niet gemotiveerd heeft weersproken schuld te hebben aan de aanrijding, zodat deze stelling als niet gemotiveerd weersproken tussen partijen vaststaat. Evenmin heeft hij de hoogte van de door gedaagde vergoede schade ad SRD 1.460,20 aan de benadeelde weersproken. Derhalve staan deze stellingen als niet weersproken tussen partijen vast.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of eiseres zich met succes kan beroepen op artikel 9 lid 3 WAM en artikel 14.1 van de Algemene Voorwarden.
Gedaagde beroept zich erop dat hij bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst alle daarvoor benodigde inlichtingen en bescheiden aan eiseres heeft gegeven, waaronder zijn geldig Nederlands rijbewijs. Ondanks eiseres er kennis van droeg dat gedaagde in het bezit was van een Nederlands rijbewijs heeft zij nimmer gedaagde in kennis gesteld van enige grond tot uitsluiting van haar uitkeringsverplichting. Dit, terwijl hij wel stipt zijn verplichtingen jegens eiseres is nagekomen.
Voorts beroept gedaagde zich erop dat eiseres in strijd met artikel 328 juncto 326 WvK, inhoudende het verstrekken van de Algemene Polisvoorwaarden binnen 24 uur aan gedaagde, heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat hij nimmer de Algemene Polisvoorwaarden Motorrijtuigen van eiseres heeft ontvangen, en was hij ook niet anders bekend met die Algemene Polisvoorwaarden noch was hij in de gelegenheid gesteld daarvan kennis te nemen. Eiseres heeft hem, gedaagde, pas na het verkeersongeval ervan op de hoogte gesteld dat het rijden met een Nederlands rijbewijs niet onder de dekking van de WAM viel.
Op het hiervoor onderbouwd verweer is eiseres niet ingegaan, zodat de kantonrechter het ervoor zal moeten houden dat gedaagde nimmer in kennis is gesteld van de bedoelde uitsluitingsgrond waarop eiseres zich beroept en bij gedaagde de indruk is gewekt dat hij met het Nederlands rijbewijs aan het verkeer mocht deelnemen. Dat die indruk werd gewekt, leidt de kantonrechter ook af uit het verweer van gedaagde dat hij van de dienstdoende politieagent die het proces-verbaal van het verkeersongeluk had opgemaakt, normaal verder mocht rijden, op welk verweer eiseres evenmin is ingegaan. Dit gegeven brengt de kantonrechter tot het oordeel dat gedaagde in deze geen verwijt treft. Zoals blijkt uit artikel 12.1 lid 2 van de Algemene Voorwaarden, zoals weergegeven onder 2.4 in dit vonnis, geldt de uitsluitingsgrond waarop eiseres zich beroept niet ingeval de verzekerde, in casu gedaagde, aantoont dat hem geen verwijt treft. Zoals blijkt uit artikel 12.1 lid 2 van de Algemene Voorwaarden, zoals weergegeven onder 2.4 in dit vonnis, geldt de uitsluitingsgrond waarop eiseres zich beroept niet ingeval de verzekerde, in casu gedaagde, aantoont dat hem geen verwijt treft. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slaagt gedaagde in het door hem opgeworpen verweer, waaruit voortvloeit dat de vordering van eiseres dient te worden afgewezen.

4.3 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 07 mei 2013 te Paramaribo in aanwezigheid van de fungerend-griffier, mr. D.M. Haakmat-Sniphout.

w.g. D.M. Haakmat-Sniphout. w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2016-23

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-3063
23 juni 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. [eiser 1],
B. [eiser 2],
C. [eiser 3],
D. [eiser 4],
allen wonende in het [district],
eisers,
gevolmachtigde: mr. D.D. Jairam, jurist,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V., rechtspersoon
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 20 juni 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 21 juni 2016;
– de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 22 juni 2016, waarbij producties zijn overgelegd;
– de conclusie van repliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016;
– de conclusie van dupliek die mondeling is genomen op 22 juni 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 De notariële akten respectievelijk d.d. 15 juli 2008 en 12 januari 2011 hebben eisers sub 3 en 4 ten behoeve van gedaagde hypotheek verleend op het zakelijk recht van grondhuur van eiser, zulks tot zekerheid van de voldoening van een kredietlening die gedaagde aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verstrekt.

2.2 Partijen zijn overeengekomen dat de algemene voorwaarden van gedaagde als bankinstelling op eisers van toepassing zijn. In artikel 16 van de algemene voorwaarden is, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende neergelegd:
“Al hetgeen de kliënt te eniger tijd en uit welken hoofde dan ook aan de Bank verschuldigd is, zal tenzij schriftelijk uitdrukkelijk anders is overeengekomen, dan wel enige wetsbepaling inachtneming van een termijn voorschrijft te alle tijde terstond opeisbaar en vereffenbaar zijn. Elke krediet kan ook al is een aflossings- of opzeggingstermijn overeengekomen, dan wel een bepaalde afloopdatum gesteld – zonder dat daartoe enige opzegging ingebrekestelling of enige andere formaliteit vereist zal zijn onmiddellijk opgeëist worden in de volgende gevallen.
a. indien de kliënt enige voorwaarde, waaronder een krediet verleend is, of enigerlei andere verplichting uit welken hoofde ook jegens de Bank niet, behoorlijk nakomt.
(…)
De kliënt is verplicht op de eerste aanvraag van de Bank het verschuldigde, al naar gelang de Bank vordert, geheel of gedeeltelijk te voldoen. In geval het door de kliënt aan de Bank verschuldigde onmiddellijk opeisbaar is, is de Bank gerechtigd naar haar keuze alle zekerheden of een en op de wijze die haar wenselijk voorkomt, teneinde uit de opbrengst daarvan het aan de Bank volgens haar boeken verschuldigde met rente en kosten te verhalen”.

2.3 Bij schrijven d.d. 09 november 2015 zijn eisers sub 1 en sub 2 door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Terzake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:

“Bij controle van het verloop van uw krediet hebben wij geconstateerd dat de limiet van uw investeringskrediet vervallen is. De debetstand is als volgt:

(….) SRD 1.396.093,63 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren en verzoeken u derhalve dringend, doch uiterlijk 27 november a.s. contact met onze [mevrouw] op te nemen teneinde een regeling te treffen die zal moeten leiden tot aanzuivering van de debetstanden”.

2.4 Bij schrijven d.d. 26 februari 2016 zijn eisers sub 1 en sub 2 ten tweede malen door gedaagde aangemaand tot aanzuivering van de debetstanden. Terzake staat in het schrijven onder meer het volgende verwoord:

“Voor de goede orde delen wij u mede dat de limiet van uw investeringskrediet reeds geruime tijd vervallen is. De debetstand is als volgt:

(….) SRD 1.527.647,87 (…)

Wij herinneren u eraan, dat wij u, conform ons kredietarrangement, over achterstanden boven de met u overeengekomen kredietlimiet een extra rente op basis van 2% (…) per maand in rekening brengen, welke rente eveneens maandelijks dient te worden voldaan.

U zult het met ons eens moeten zijn dat wij deze ongewenste situatie niet langer kunnen accepteren. Indien de aanzuivering niet op uiterlijk 29 februari a.s. heeft plaatsgevonden, zullen wij genoodzaakt zijn het krediet op te zeggen en over te gaan tot executie van de aan ons verbonden onroerende goederen”.

2.5 Middels een ongedateerde exploit van de deurwaarder heeft gedaagde de openbare verkoop van het hierna omschreven onroerend goed aan eiser sub 4 aangezegd, welke openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016 des voormiddags te elf uur zal plaatsvinden.

Middels het hiervoor vermeld exploit heeft gedaagde aan eiseres sub 4 kenbaar gemaakt dat eisers sub 1 en 2 in gebreke zijn gebleven om aan hun betalingsverplichting voortvloeiende uit de hypotheekakten jegens gedaagde te voldoen, waardoor de verschuldigde hoofdsom terstond en in haar geheel met renten en kosten opvorderbaar is, en is zij door gedaagde aangemaand om dadelijk tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen SRD 1.576.207,16. Deze kennisgeving is ook gedaan aan eisers sub 1 tot en met 3 bij exploit van de deurwaarder d.d. 04 mei 2016, no. 050-16.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen:

  1. op te schorten of te verbieden de aangekondigde executiemaatregelen, althans de aangekondigde openbare verkoop op vrijdag 24 juni 2016, zoals in productie 1 gemeld;
  2. om op dezelfde wijze zoals gedaagde de verkoop openbaar heeft gemaakt, ook de opschorting ervan bekend te maken;
  3. tot een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 1 te voldoen;
  4. om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de gemaakte gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten, alsmede
  5. in de kosten van het geding.

3.1.1 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde zeer onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hen handelt. Daartoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten onder 2, onder meer het volgende:
– de exploit van aanzegging is nietig, omdat het ongedateerd is en in strijd met de wet is;
– gedaagde heeft eisers niet in gebreke gesteld;
– gedaagde heeft terstond betaling van eisers gevraagd, zonder hen een termijn tot betaling te geven;
– gedaagde is zeer onzorgvuldig jegens eisers geweest, omdat zij hen niet heeft gewezen op de ernst van het niet nakomen van hun verplichtingen en de consequenties daarvan;
– zij zijn bereid hun verplichtingen jegens gedaagde na te komen, doch na goed onderling overleg.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eisers. Om die reden zullen zij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Vaststaat dat gedaagde als bankinstelling een kredietlening aan eisers sub 1 en sub 2 heeft verschaft en eisers sub 3 en 4 als zekerheid tot voldoening van deze lening ten behoeve van gedaagde hypotheek op het onroerend goed hebben gevestigd. Tevens staat vast dat eisers sub 1 en sub 2 een achterstand hebben in betaling van deze kredietlening en tot heden tekort zijn geschoten in hun plicht tot betaling van deze achterstand.

Terzake stelt de kantonrechter voorop dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1207 lid 2 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek de hypotheekhouder bevoegd is om tot openbare verkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen dan wel schuld. De hypotheekhouder, in casu gedaagde, is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment zij tot executoriale verkoop overgaat en zal gedaagde – zoals door haar bij eisers is aangekondigd – vanwege het tekortschieten van eisers sub 1 en sub 2 in hun betalingsverplichting thans overgaan tot het gebruik maken van deze aan haar toekomende bevoegdheid.

4.3 Eisers stellen zich op het standpunt dat het exploit van aanzegging van de openbare verkoop nietig is, doch gaat deze stelling naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet op. Uit de inhoud van het door eisers overgelegde exploit, welke ongedateerd is, blijkt dat het is betekend aan eiser sub 3 als onderzetter. Zoals reeds hiervoor is overwogen zijn eisers sub 1 en 2 de schuldenaren van gedaagde en heeft gedaagde middels overlegging van een exploit d.d. 04 mei 2016 gestaafd dat aan alle 4 eisers de aanzegging is gedaan.

Daar dit exploit wel voldoet aan de bij wet gestelde vereisten en eisers kennis dragen van de aangekondigde openbare verkoop, gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eisers.

4.4 Zoals de kantonrechter de stelling c.q. het betoog van eisers begrijpt, is de opzegging van de kredietrelatie door gedaagde met eisers sub 1 en sub 2 onrechtmatig, omdat zij niet in gebreke zouden zijn gesteld door gedaagde. In reactie op deze stelling heeft gedaagde opgeworpen dat zij eisers tot tweemaal toe in gebreke heeft gesteld tot het voldoen aan hun betalingsverplichting, welk verweer zij heeft gestaafd middels overlegging van de ingebrekestellingen zoals vermeld onder 2.3 en 2.4 van de feiten in dit vonnis. Eisers hebben in reactie hierop gesteld deze ingebrekestelling nimmer te hebben ontvangen, doch is zulks door gedaagde weersproken. Ter zake heeft gedaagde aangevoerd dat na de laatste ingebrekestelling eisers diverse gesprekken met de contactpersoon hebben gevoerd. Daarom is voor de kantonrechter aannemelijk dat gedaagde eisers in gebreke heeft gesteld tot betaling. Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat ook al zouden eisers niet in gebreke zijn gesteld het beroep hierop geen kans van slagen zou hebben. Dit, omdat in de kredietrelatie tussen partijen de algemene voorwaarden van gedaagde op eisers van toepassing zijn en blijkens artikel 16 van deze voorwaarden, zoals gedaagde terecht heeft opgeworpen en middels het overleggen van deze voorwaarden die niet van valsheid zijn beticht heeft gestaafd, een ingebrekestelling niet vereist is en is het verschuldigde bij een achterstand terstond opeisbaar.

4.5 Eisers stellen dat gedaagde haar zorgplicht jegens haar niet in acht heeft genomen, doch hebben zij deze stelling niet voldoende onderbouwd. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat inhoud en reikwijdte van de zorgplicht die gedaagde in acht dient te nemen van de specifieke omstandigheden van het geval afhangen, welke in de jurisprudentie op een aantal punten nader zijn uitgewerkt. Bij het beoordelen of de bank diens zorgplicht jegens diens cliënt c.q kredietnemer in acht heeft genomen, wordt meegenomen 1) de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie, 2) de vraag of sprake is van een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zijn of er voldoende dekking door zekerheid blijft bestaan; 3) het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer, in casu eisers, alsmede de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie van belang zijnde omstandigheden; 4) de mate waarin de kredietnemer toerekenbaar is tekort geschoten; 5) de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of, en in welke mate, de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd en de gedragingen van de bank waardoor verwachtingen bij de kredietnemer zijn gewekt. Eisers hebben geen van deze feiten omstandigheden gesteld dan wel niet voldoende voldaan aan hun stelplicht, waardoor eisers deze stelling niet aannemelijk hebben gemaakt.

4.6 Eisers stellen dat zij bereid zijn te betalen, doch hebben zij vanaf het moment dat zij kennis droegen van de aangezegde openbare verkoop tot heden geen enkel concreet voorstel tot betaling aan gedaagde gedaan en wat hun bron van inkomsten is, waardoor niet kan worden beoordeeld of zij op zeer korte termijn en in de toekomst in staat zullen zijn volledig aan hun betalingsverplichting te kunnen voldoen. Om die reden en mede op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, is er geen grond om de gevraagde voorzieningen toe te wijzen.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 23 juni 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g.D.Ramdin w.g. S.M.M. Chu