SRU-K1-2010-11

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. 10-1681
27 april 2010

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. De rechtspersoonlijkheid bezittende “Vereniging Broederschap en Eenheid in de Politiek”, afgekort “B.E.P.”, nader te noemen “BEP”, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging ”Algemene Bevrijdings- en Ontwikkelingspartij”, afgekort A.B.O.P., nader te noemen “ABOP”, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
C. De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging “Politieke Partij Seeka”, nader te noemen “SEEKA’, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
D. De Combinatie van Politieke Organisaties “A-Combinatie”, als bedoeld in artikel 7 van de Kiesregeling, nader te noemen “A-Combinatie”,

eisers in kort geding,
gemachtigden: mr. F. Kruisland en mr. Marja I. Vos, advocaten,

tegen

A. De Staat Suriname, rechtspersoon, nader te noemen “de Staat”, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
B. Het Hoofdstembureau van kiesdistrict I Paramaribo, als bedoeld in artikel 26 van de Kiesregeling jo. artikel 17 van het Kiesbesluit, hierna te noemen “Het Hoofdstembureau”, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,gedaagden in kort geding,
gemachtigden: mr. A.R. Baarh en mr. M.G.A. Vos, advocaten.De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken.

1. Het procesverloop

1.1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 21 april 2010 is ingediend ter griffie;
  • op de zitting van 22 april 2010 hebben eisers voor eis geconcludeerd waarna de procesgemachtigden van eisers hun eis mondeling hebben toegelicht;
  • de conclusie van antwoord d.d. 23 april 2010;
  • de conclusie van repliek d.d. 24 april 2010 met overlegging van één productie;
  • de conclusie van dupliek d.d. 24 april 2010 met overlegging van producties;
  • de conclusie d.d. 25 april 2010 tot uitlating producties zijdens eisers.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 BEP, ABOP en SEEKA zijn rechtspersoonlijkheid bezittende politieke partijen en staan als zodanig ingeschreven in het door het Onafhankelijk Kiesbureau gehouden openbaar register.

2.2 A-Combinatie is een politieke organisatie als bedoeld in artikel 7 van de Kiesregeling. Deze combinatie is, met het oog op deelname aan de op 25 mei 2010 te houden verkiezingen voor volksvertegenwoordigende lichamen, gevormd door BEP, ABOP en SEEKA, zijnde politieke organisaties die voldoen aan de in het Decreet Politieke Organisaties gestelde vereisten en die niet van deelneming aan de verkiezingen zijn uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 8 van voormeld Decreet.

Met het oog op de verkiezingen van 25 mei 2010 is A-Combinatie als zodanig geregistreerd in het door het Centraal Hoofdstembureau gehouden openbaar register.

2.3 In verband met de verkiezingen voor leden van De Nationale Assemblee, de Ressortraden en de Districtsraden die op 25 mei 2010 in Suriname zullen worden gehouden moesten de lijsten van kandidaten voor voormelde volksvertegenwoordigende lichamen op 9 april 2010 tussen 8.00 uur des voormiddags en 15.00 uur des namiddags worden ingediend op de Hoofdstembureaus van de verschillende kiesdistricten.

2.4 Het Hoofdstembureau van het kiesdistrict Paramaribo heeft geweigerd de door BEP en/of ABOP en/of SEEKA en/of A-Combinatie ingediende kandidatenlijsten in ontvangst te nemen op grond van het feit dat de indiening der lijsten na 15.00 uur des namiddags plaatsvond.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter de gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 beveelt binnen 3 (drie) uren na de uitspraak van het vonnis BEP en/of ABOP en/of SEEKA en/of A-Combinatie, al dan niet gezamenlijk, in de gelegenheid te stellen en/of te doen stellen, lijsten van kandidaten in te leveren bij het Hoofdstembureau van kiesdistrict I Paramaribo en met de lijsten vervolgens te handelen als voorgeschreven in de artikelen 46 e.v. van de Kiesregeling, met veroordeling van gedaagde sub 1 en/of gedaagde sub 2 om voor elke dag of elke keer dat zij in gebreke mochten blijven aan voormeld bevel te voldoen aan BEP en/of ABOP en/of SEEKA en/of A-Combinatie ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van SRD 10.000.000,–.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat de gedaagden in de kosten van de procedure worden verwezen.

3.3 Eisers hebben aan hun vordering de stelling ten grondslag gelegd dat het Hoofdstembureau van kiesdistrict I Paramaribo onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door te weigeren de kiezerslijsten in ontvangst te nemen.

3.4 Op het verweer van gedaagden en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De bevoegdheid van de kantonrechter

4.1 De kantonrechter dient ambtshalve te onderzoeken of hij bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering

4.2 In de Surinaamse rechtspraak is algemeen aanvaard dat, behoudens bestuursrechtelijke voorzieningen, niet het publiek- of privaatrechtelijk karakter van een geschil, maar het recht waarin de eiser vraagt beschermd te worden bepalend is voor de bevoegdheid van de burgerlijke rechter.

Nu eisers aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat gedaagden zich jegens hen aan een onrechtmatige daad hebben schuldig gemaakt en met betrekking tot de weigering en de onbevoegdverklaring geen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke voorziening openstaat, acht de kantonrechter zich bevoegd kennis te nemen van de vordering.

5. De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden

5.1 In het burgerlijk procesrecht is de hoofdregel dat slechts natuurlijke personen en rechtspersonen procespartij in een burgerlijk geding kunnen zijn doch dat dit uitgangspunt ruimte laat voor uitzonderingen.

A-Combinatie is geen natuurlijke persoon en geen rechtspersoon doch is een combinatie van politieke organisaties, die weliswaar als een zelfstandige politieke eenheid wordt aangemerkt doch aan wie noch door de Kiesregeling noch door het Decreet Politieke Organisaties noch door enige andere wettelijke bepaling expliciet procesbevoegdheid is verleend. De stelling dat A-Combinatie als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid moet worden aangemerkt wordt verworpen omdat de Surinaamse wetgeving deze rechtsfiguur niet kent.
Op grond hiervan zal eiseres sub D niet ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

5.2 Het Hoofdstembureau van het kiesdistrict Paramaribo heeft binnen het verkiezingsproces een onafhankelijke positie doch ook aan een Hoofdstembureau is geen wettelijke procesbevoegdheid gegeven zodat eisers in hun vordering tegen voormeld Hoofdstembureau, die geen natuurlijke of rechtspersoon is, niet ontvankelijk zullen worden verklaard.

6. Het spoedeisend belang

Uit de aard van de stellingen van eisers en op grond van het door hen gevorderde is het spoedeisend belang van de vordering genoegzaam gebleken.

7. De beoordeling

7.1 In de onderhavige zaak staat centraal de beantwoording van de rechtsvraag welke interpretatie aan en toepassing van de artikelen 38 lid 1, 54 lid 1 en 70 lid 1 van de Kiesregeling moet worden gegeven ter zake de in voormelde wetsartikelen voorkomende tijdsbepaling.Lezing van de Kiesregeling leert dat daarin een groot aantal, veelal korte, termijnen zijn opgenomen die, naar het de kantonrechter voorkomt, geen ander doel kunnen hebben dan ordelijke en eerlijke verkiezingen te garanderen, waarbij alle politieke organisaties daaronder begrepen alle combinaties van politieke organisaties, ter bevordering van de rechtszekerheid, op dezelfde wijze worden behandeld. Deze doelstelling is zó belangrijk dat de wettelijke termijnen dwingend van aard moeten worden geacht en op grond daarvan strikt dienen te worden nageleefd bij gebreke waarvan willekeur en bestuurlijke anarchie niet is uitgesloten.Naar het oordeel van de kantonrechter geldt dit ook ten aanzien van de termijn genoemd in de artikelen 38 lid 1, 54 lid 1 en 70 lid 1 van de Kiesregeling, te meer daar op grond van de artikelen 46, 62 en 78 van de Kiesregeling onmiddellijk na 15.00 uur des namiddags de Hoofdstembureaus een besloten zitting dienen te houden tot het onderzoeken van de lijsten. Dat in het concrete geval deze zitting op het moment van de aanbieding der lijsten na 15.00 uur nog niet was aangevangen doet niets af aan het principe dat de openbare zitting waarin de kandidatenlijsten konden worden aangeboden toen reeds was geëindigd, zodat acceptatie van de lijsten zou betekenen dat, buiten de wettelijk voorgeschreven openbare zitting van het Hoofdstembureau van het district Paramaribo om, voor de verkiezingsprocedure belangrijke rechtshandelingen zouden worden verricht.

7.2 Eisers hebben zich er verder op beroepen dat door de President van de Republiek Suriname aan het Hoofdstembureau van Paramaribo in overweging is gegeven om eisers na 15.00 uur nog gedurende korte tijd de gelegenheid te geven de lijsten in te dienen, welke overweging daarna door de President aan eisers is overgebracht.Voorts beroepen eisers zich erop dan toen één van hun gemachtigden zich omstreeks 15.15 uur bij het Hoofdstembureau van het kiesdistrict Paramaribo had aangemeld de voorzitter vroeg waar de tweede gemachtigde was.Op grond van het vorenstaande is volgens eisers bij hen het vertrouwen gewekt dat zij alsnog in de gelegenheid zouden worden gesteld de lijsten kort na 15.00 uur in te dienen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan echter nimmer gesproken worden van een gerechtvaardigd vertrouwen aangezien eisers als organisaties die politieke en bestuurlijke zeggenschap nastreven, op de hoogte waren, althans behoorden te zijn van het feit dat 15.00 uur als een fatale termijn dient te worden aangemerkt en zij te goeder trouw nimmer mochten afgaan op een door een overheidsorgaan opgewekt vertrouwen dat in strijd met dwingend voorgeschreven regels zou worden gehandeld.

8. De proceskosten

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

9. De beslissing in kort geding

9.1 Verklaart eiseres sub D niet ontvankelijk in haar vordering.

9.2 Verklaart eisers sub A, B en C niet ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagde sub 2.

9.3 Weigert de door eisers sub A, B en C jegens gedaagde sub 1 gevraagde voorzieningen.

9.4 Verwijst eisers in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van dinsdag 27 april 2010, door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. L.J. van Bossé.

SRU-K1-2012-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 11-0364
03 mei 2012

Beschikking in de zaak van:

De naamloze vennootschap Surinaamse Brouwerij N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
verzoekster,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

tegen

[gerekestreerde],
wonende in [district],
gerekestreerde,
gemachtigde: mr. Kathleen J. Kraag-Brandon, advocaat.

Partijen worden in deze beschikking aangeduid met “de Brouwerij”en “[gerekestreerde]”.
De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit.

1. Het procesverloop

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

  • het verzoekschrift dat op 26 januari 2011 met producties is ingediend ter griffie;
  • het proces-verbaal van het op 08 december 2011 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie d.d. 23 februari 2012 na verhoor van partijen zijdens de Brouwerij;
  • de conclusie d.d. 23 februari 2012 zijdens [gerekestreerde] met overlegging van een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens de Brouwerij;
  • het proces-verbaal van het nader verhoor van partijen op de terechtzitting van 28 maart 2012;
  • de conclusie d.d. 02 april 2012 zijdens de Brouwerij;
  • de conclusie d.d. 02 april zijdens [gerekestreerde].

1.2 De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [gerekestreerde] is op 27 oktober 2006 voor een periode van twee jaren in dienst getreden van de Brouwerij, welke dienstbetrekking op 08 oktober 2008 is omgezet in een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd.

2.2 Bij brief van 19 november 2010 heeft de Brouwerij aan [gerekestreerde] medegedeeld dat zij geen mogelijkheid zag de dienstbetrekking met haar te handhaven en tot beëindiging van de dienstbetrekking zou overgaan met vrijstelling van [gerekestreerde] om nog langer haar werkzaamheden te verrichten.

3. Het gevorderde, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De Brouwerij vordert dat de tussen haar en [gerekestreerde] bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden wordt verklaard met ingang van 01 februari 2011, althans op een door de Kantonrechter te bepalen datum.

3.2 Mede is gevorderd dat [gerekestreerde] in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3 De Brouwerij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd de stelling dat [gerekestreerde] bestemd was binnen haar bedrijf de functie van “brewery manager” te vervullen doch, ondanks intensieve interne en externe begeleiding, te kort bleef schieten in een voor die functie noodzakelijke eigenschap tot effectieve communicatie en het onderhouden van deugdelijk intermenselijk contact met andere medewerkers van het bedrijf. Als gevolg hiervan was het voor [gerekestreerde] uitgezette carrièrepad niet meer haalbaar terwijl er geen andere werkkring binnen het bedrijf beschikbaar was die paste bij haar niveau.

Voorts heeft de Brouwerij aangevoerd dat zij [gerekestreerde] bij voormeld schrijven had aangezegd alle lichamelijke en onlichamelijke zaken, waaronder begrepen bedrijfsinformatie en gegevensdragers, aan haar over te dragen doch dat [gerekestreerde] niet volledig aan deze sommatie heeft voldaan, zodat het voor een samenwerking in dienstverband benodigde vertrouwen in [gerekestreerde] is komen weg te vallen.

3.4 Op het verweer van [gerekestreerde] en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Tijdens de procedure is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam gebleken dat beide partijen van het contract af willen doch dat zij van mening verschillen over de voorwaarden waaronder de arbeidsrelatie dient te worden beëindigd.

De kantonrechter zal de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 01 mei 2012 voor ontbonden verklaren en in het hierna volgende een beslissing geven over de voorwaarden van de ontbinding.

4.2 De Brouwerij heeft van [gerekestreerde] geëist dat zij een geheimhoudingsverklaring tekent, hetgeen door [gerekestreerde] is geweigerd. Aangezien [gerekestreerde] onrechtmatig jegens de Brouwerij zou handelen indien zij bedrijfsgeheimen van de Brouwerij aan derden, met name concurrenten van de Brouwerij, zou doorspelen acht de kantonrechter het niet ondertekenen van zulk een beding geen essentiële voorwaarde in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking. De kantonrechter is overigens van oordeel dat het op de weg van de Brouwerij had gelegen om [gerekestreerde] bij de aanvang van de dienstbetrekking zo een verklaring te doen ondertekenen en nu zij dit heeft nagelaten is zulks voor haar risico.

4.3 De Brouwerij eist verder van [gerekestreerde] dat zij alsnog een concurrentiebeding tekent. Indien [gerekestreerde] zulks doet is zij bereid aan [gerekestreerde] een uitkering te doen van 24 maanden van haar basissalaris en bij niet ondertekening van dit beding een uitkering van 18 maanden van haar basis maandsalaris.

4.4 [gerekestreerde] heeft geweigerd het concurrentiebeding te tekenen en aangezien zij rechtens daartoe niet verplicht kan worden moet er van worden uitgegaan dat de Brouwerij haar als compensatie voor het ontslag een uitkering gelijk aan 18 maal haar maandsalaris aanbiedt.

Daar tegenover vordert [gerekestreerde] een uitkering van 36 maal het maandsalaris plus emolumenten, één en ander zoals gespecificeerd in onderdeel I. van haar conclusie d.d. 02 april 2012 alsmede andere voorzieningen, zoals gespecificeerd in de onderdelen II tot en met XI. van voormelde conclusie.

4.5 Terecht merkt de Brouwerij op dat artikel 1615x BW geen uitdrukkelijke bevoegdheid aan de rechter geeft om in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen een schadeloosstelling vast te stellen. In de Surinaamse rechtspraak heeft zich een regel ontwikkeld dat in zulke gevallen wel een compensatie kan worden vastgesteld op basis van regels van redelijkheid en billijkheid. In deze jurisprudentie wordt in principe een uitkering toegekend op basis van het aantal dienstjaren dat de werknemer in dienst is geweest en wel in dier voege dat voor elk dienstjaar aan de werknemer een bedrag wordt toegewezen van één maand salaris plus emolumenten.

In concreto zou [gerekestreerde] dus aanspraak maken op 6 maanden basissalaris en op de emolumenten over deze periode. Aangezien de waarde van de emolumenten gesteld kan worden tussen de 20% en de 30% van het basissalaris zou [gerekestreerde] naast de 6 maanden basissalaris – als vergoeding voor de emolumenten – ook aanspraak maken op een bedrag gelijk aan 1,2 à 1,8 maal het maandsalaris. Nu de Brouwerij aan [gerekestreerde] een vergoeding heeft aangeboden van 18 maal het basis maandsalaris, terwijl zij volgens de in de Surinaamse rechtspraak ontwikkelde regel zou moeten ontvangen een bedrag gelijk aan 7,2 à 7,8 maal het basissalaris acht de kantonrechter dit aanbod alleszins redelijk en billijk, zonder de emolumenten genoemd sub I, IV., V. en VI. van de conclusie d.d. 02 april 2012.

4.6 De door [gerekestreerde] in de onderdelen II., III. en XI. van haar conclusie gevorderde bedragen hebben betrekking op de periode voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vallen dus buiten het bestek van de onderhavige procedure, waarin een vergoeding wordt vastgesteld in verband met de ontbinding van de arbeidsrelatie.

Indien partijen omtrent deze punten geen overeenstemming kunnen bereiken staat de weg voor [gerekestreerde] open zich tot de rechter te wenden om de vorderingen waarop zij aanspraak meent te maken rechtens geldend te maken.

4.7 Met betrekking tot onderdeel VII. van de conclusie overweegt de kantonrechter dat ten processe onvoldoende is gebleken dat functionarissen van de Brouwerij negatieve uitlatingen over haar hebben gedaan, zodat de kantonrechter aan dit punt zal voorbijgaan. Mochten overigens functionarissen van de Brouwerij zich onrechtmatig over [gerekestreerde] uitlaten dan staat niets haar in de weg om wegens smaad c.q. belediging c.q. een onrechtmatige daad een vordering tegen de Brouwerij c.q. die functionarissen in te stellen.

4.8 De vordering dat haar een getuigschrift wordt uitgereikt (onderdeel VIII. van de conclusie) komt de kantonrechter gegrond voor en zal daarom worden toegewezen eveneens de vordering waarin gevraagd wordt (onderdeel X.) dat zij in de gelegenheid wordt gesteld haar persoonlijke spullen uit haar vroegere werkkamer te halen.

4.9 De formulering van het door [gerekestreerde] onder punt IX. gevorderde komt de kantonrechter te ruim voor aangezien de Brouwerij gebonden is aan de wettelijke regels die niet per sé het voordeligst voor [gerekestreerde] behoeven te zijn.

4.10 De kantonrechter acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De Kantonrechter beslissende:

5.1 Verklaart de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 01 mei 2012 voor ontbonden.

5.2 Bepaalt dat deze ontbondenverklaring is geschied onder de voorwaarden dat:

a. de Brouwerij aan [gerekestreerde] een uitkering doet van 18 (achttien) maal haar basismaandsalaris;
b. de Brouwerij partij [gerekestreerde] een getuigschrift verstrekt;
c. de Brouwerij [gerekestreerde] in de gelegenheid zal stellen haar persoonlijke spullen uit haar voormalige werkkamer te halen.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues en is door hem uitgesproken op de openbare zitting van donderdag 03 mei 2012 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. J.M. Foort.

w.g. J.M. Foort w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2016-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
E.K.-A.R.no. 12-1910
10 mei 2016

Vonnis inzake:
A. [man],

B. [vrouw],
echtelieden, beiden wonende te Paramaribo,
eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie,
hierna aangeduid met ‘[man]’ en ‘[vrouw]’,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. [gedaagde],
B. DE STICHTING VERMOGENSBEHEER DE RANDSTAD, rechtspersoon,
beiden wonende dan wel gevestigd te Paramaribo,
gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie,
hierna aangeduid met ‘[gedaagde]’ en ‘de stichting’,
gemachtigde: mr. C.A.F.Meijnaar, advocaat.

Vooraf
[man] en [vrouw] hebben ter verzekering van hun vordering begroot op € 35.000,- na daartoe verkregen verlof van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 21 mei 2012, door de gerechtsdeurwaarder D. Toekimin bij exploot no. 552 d.d. 30 mei 2012, in conservatoir beslag doen nemen het aan de stichting toebehorend onroerend goed.

1. Het proces verloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties dat op 05 juni 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord in conventie en de eis in reconventie en uitlating producties;
– de conclusies van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;
– de conclusies van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en uitlating producties;
– de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De Feiten in conventie en in reconventie
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

2.1 Bij akte d.d. 16 maart 2011, verleden voor de alhier residerende notaris mr. J.G. Kemp, heeft [gedaagde] handelende in prive en in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van de stichting van [man] en [vrouw] geleend het bedrag van € 30.500,- onder de navolgende voorwaarden:
– de hoofdsom wordt binnen 9 maanden renteloos afgelost;
– na de 9 maanden, zal een rente van 1 % per maand verschuldigd zijn;
– indien de hoofdsom en rente binnen een jaar na heden niet is afgelost, is de schuld met rente en kosten onmiddellijk opeisbaar.

2.2 [man] en [vrouw] hebben op 04 mei 2012 bij exploot no. 455 van de gerechtsdeurwaarder D. Toekimin aan [gedaagde] en de stichting doen betekenen een schrijven afkomstig van hun procesgemachtigde d.d. 03 mei 2012, waarbij zij in gebreke zijn gesteld en gesommeerd om op uiterlijk 08 mei 2012 het bedrag van € 28.305,49 te voldoen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
In conventie en in reconventie

3.1 De vordering in conventie
[man] en [vrouw] vorderen, zakelijk weergegeven, na vermindering van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. [gedaagde] en de stichting te veroordelen om aan hun te betalen de somma van € 28.029,68, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1% per jaar vanaf 01 mei 2012 tot aan de algehele voldoening;
B. van waarde te verklaren het ten deze gelegd beslag.

3.2 De grondslag in conventie
[man] en [vrouw] hebben tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij aan [gedaagde] en de stichting ter leen hebben verstrekt, gelijk deze van hen hebben ter leen hebben ontvangen het bedrag van € 30.500,-, renteloos af te lossen binnen 9 maanden, waarna een rente van 1 % per maand verschuldigd zou zijn, alsmede dat de hoofdsom met rente en kosten, na een jaar onmiddellijk opeisbaar zouden zijn. [man] en [vrouw] stellen dat per 30 april 2012 de openstaande schuld, inclusief rente berekend na 9 maanden – vanaf 16 december 2011 – € 28.305,49 bedraagt. Ondanks daartoe in gebreke gesteld weigeren [gedaagde] en de stichting aan hun betalingsverplichting te voldoen, weshalve zij wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad plegen jegens [man] en [vrouw] en aansprakelijk zijn voor de daaruit voor hen voortvloeiende schade.

3.3 De vordering in reconventie
[gedaagde] en de stichting vorderen, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het ten deze gelegd beslag op te heffen.

3.4 De grondslag in reconventie
[gedaagde] en de stichting hebben tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan hun vordering ten grondslag gelegd dat het ten deze gelegd beslag vexatoir is omdat [man] en [vrouw] geen vordering hebben op hen.

3.5 Het verweer in conventie en in reconventie
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. De kantonrechter komt, voor zover nodig, in de beoordeling terug op dit verweer.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Gezien de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze gezamenlijk besproken worden.

4.1 [gedaagde] en de stichting stellen zich op het standpunt dat er door [man] en [vrouw] een rekenkundige fout is gemaakt en hij dus niet het gevorderde bedrag van € 28.305,49 verschuldigd is. [gedaagde] en de stichting erkennen dat zij 4 aflossingen hebben gepleegd en beroepen zich erop dat zij vanwege een overmachtssituatie hun betalingsverplichting niet zijn nagekomen. Zij voeren tevens aan dat [man] en [vrouw] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering omdat zij vorderen dat zowel [gedaagde] als de stichting het geldsbedrag aan hun betalen, doch niet des de een betalende de ander zal zijn bevrijd. Voorts voeren zij aan dat rente van 1 % per maand slechts voor een jaar is overeengekomen. Ten slotte ontkennen [gedaagde] en de stichting enig geldsbedrag aan [man] en [vrouw] verschuldigd te zijn.

4.2 [man] en [vrouw] voeren hiertegen aan dat [gedaagde] en de stichting de lening erkennen, alsmede dat zij 4 aflossingen hebben gepleegd, terwijl het beslag is gelegd nadat [gedaagde] en de stichting behoorlijk waren aangemaand en in gebreke gesteld na 14 maanden. [man] en [vrouw] voeren voorts aan dat het beroep op overmacht niet is onderbouwd zodat daaraan voorbij dient te worden gegaan. Tevens voeren zij aan dat zij het totaal verschuldigde bedrag van [gedaagde] en de stichting vorderen, hetgeen hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk betaald dient te worden, aangezien zij tezamen de schuld zijn aangegaan en dat de kantonrechter ambtshalve zou mogen aanvullen ‘des de een betaalt de ander zal zijn bevrijd’, daar [gedaagde] en de stichting daardoor niet in hun verdediging worden geschaad, doch kan zulks nimmer tot niet-ontvankelijkheid leiden. Voorts vragen [man] en [vrouw] akte van rectificatie met betrekking tot het petitum, nu zij inderdaad een rekeningfout hebben gemaakt in de berekening van het verschuldigde bedrag, in dier voege dat het verschuldigde bedrag thans bedraagt € 28.029,68 instede van € 28.305,49. Nu de vordering vaststaat, is het beslag volgens [man] en de stichting rechtmatig.

4.3 [gedaagde] en de stichting stellen zich op het standpunt dat [man] en [vrouw] steeds de verschuldigde rente optellen bij het saldo van de hoofdsom en daarover de rente weer berekenen, zodat er rente op rente wordt berekend, waardoor zij het gevorderde bedrag niet verschuldigd zijn. Met betrekking tot de overmachtssituatie voeren zij aan dat zij de aflossingen zouden plegen door verkoop van kavels, doch zulks niet kon vanwege het daarop gelegd beslag, waardoor zij niet konden voldoen aan hun betalingsverplichting.

4.4 [man] en [vrouw] persisteren bij hun stellingen en bij de leenovereenkomst.

4.5 De kantonrechter overweegt dat de door [man] en [vrouw] gevraagde eisvermindering zal worden toegewezen, nu [gedaagde] en de stichting zich daartegen niet hebben verzet en naar het oordeel van de kantonrechter zij daardoor niet in hun verdediging worden geschaad. Hiermede is reeds rekening gehouden in het petitum onder 3.1. Tevens overweegt de kantonrechter dat hij niet ambtshalve wijzigingen in het petitum kan aanbrengen, weshalve voorbij zal worden gegaan aan het door [man] en [vrouw]aangevoerde dat de kantonrechter ambtshalve in het petitum zou mogen toevoegen ‘des de een betaalt de ander zal zijn bevrijd’, nu daarvan geen akte van wijziging is gevraagd. Naar het oordeel van de kantonrechter leidt de afwezigheid van voren vermelde zinsnede echter niet tot niet-ontvankelijkheid van [man] en [vrouw] in hun vordering, aangezien het duidelijk is dat het totaal verschuldigde bedrag wordt gevorderd van [gedaagde] en de stichting, zodat het aan hun ligt om te bepalen wie welk deel zal voldoen en dat het in ieder geval nimmer de bedoeling kan zijn dat elk van hen de totale schuld voldoet aan [man] en [vrouw], nu zij ook gezamenlijk de schuld zijn aangegaan.

4.6 De kantonrechter overweegt dat als niet althans niet voldoende gemotiveerd betwist vaststaat dat [gedaagde] en de stichting van [man] en [vrouw] op 16 maart 2011 het bedrag van € 30.500,- hebben geleend, nu de akte d.d. 16 maart 2011 niet van valsheid is beticht en de lening door [gedaagde] en de stichting wordt bevestigd. Tevens staat als niet betwist vast dat [gedaagde] en de stichting tot op heden in totaal hebben afgelost het bedrag van € 3.750,-, alsmede dat de vordering van [man] en [vrouw] opeisbaar is. Dit brengt met zich dat naar het oordeel van de kantonrechter, de wanprestatie van [gedaagde] en [man] jegens de stichting vaststaat. Het beroep van [gedaagde] en de stichting op overmacht gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op, aangezien de gestelde overmacht neerkomt op financiële onmogelijkheid om aan de betalingsverplichting te voldoen, hetgeen geen grond oplevert voor overmacht. Bovendien zijn [gedaagde] en de stichting pas op 29 november 2011, ruim 8 maanden na de ondertekening van de overeenkomst, begonnen met aflossingen, waarvan de laatste aflossing op 19 april 2012 was, terwijl het beslag van [man] en [vrouw] is gelegd op 30 mei 2012.

4.7 Op grond van navolgende citering uit de akte d.d. 16 maart 2011:
“2. Over voormelde hoofdsom of het restant daarvan is gedurende 9 (negen) maanden te rekenen vanaf heden geen rente verschuldigd. Indien de voormelde hoofdsom binnen 9 (negen) maanden te rekenen vanaf heden niet volledig is afgelost zal een rente verschuldigd zijn berekend naar 1 % (een procent) per maand, welke elke maand zal worden uitgekeerd en wel vóór de 3e dag van iedere maand en wel tot uiterlijk 1 (één) jaar te rekenen vanaf heden. Indien binnen 1 (één) jaar te rekenen vanaf heden de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente niet volledig is afgelost zal de schuld met rente en kosten onmiddellijk opeisbaar zijn;”
houdt de kantonrechter het ervoor dat [gedaagde] en de stichting tot en met 16 december 2011 geen rente verschuldigd waren aan [man] en [vrouw], alsmede dat de rente van 1 % per maand vanaf 16 december 2011 tot en met 16 maart 2012, dus voor slechts 3 maanden, was bedongen, gelet op de zinsnede ‘en wel tot uiterlijk 1 (één) jaar te rekenen vanaf heden’. Met betrekking tot de berekening van de verschuldigde rente en hoofdsom, overweegt de kantonrechter dat de rente aan het eind van iedere maand moest worden voldaan. De verschuldigde rente dient derhalve steeds opgeteld te worden bij het saldo, waarna er een nieuw saldo ontstaat en waarover opnieuw rente wordt berekend, hetgeen in casu door [man] en [vrouw] is gedaan. De berekening op zich is derhalve correct geschied, doch aangezien de rente slechts tot en met maart 2012 was verschuldigd, bedraagt het totaal door [gedaagde] en de stichting te betalen bedrag aan [man] en [vrouw]: saldo na 3e aflossing inclusief rente: € 28.118,30 minus 4e aflossing ad € 500,-= € 27.618,30. [gedaagde] en de stichting zullen dan ook worden veroordeeld om dit bedrag in totaal aan [man] en [vrouw] te voldoen.

4.8 Aangezien de wanprestatie van [gedaagde] en de stichting vaststaat, staat de door hun gestelde schade als gevolg van de wanprestatie eveneens als niet althans niet voldoende gemotiveerd betwist vast. De kantonrechter vindt hierin aanleiding om de door [man] en [vrouw] gevorderde rente van 1 % per maand, op grond van artikel 1271 BW te mitigeren naar de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf de indiening van dit verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening.

4.9 Nu, de vordering van [man] en [vrouw] deugdelijk is bevonden en voldaan is aan de vereiste formaliteiten, zal het ten deze gelegd beslag van waarde worden verklaard.

4.10 Gelet op het voren overwogene, zal de vordering in conventie als op de wet gegrond worden toegewezen zoals geformuleerd in de beslissing en zal op grond hiervan de vordering in reconventie als ongegrond worden afgewezen.

4.11 [gedaagde] en de stichting zullen, als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [man] en [vrouw] gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

5. De beslissing in conventie en in reconventie
De kantonrechter
In conventie
5.1 Veroordeelt [gedaagde] en de stichting, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [man] en [vrouw] te betalen de somma van € 27.618,30 (zevenentwintigduizend zeshonderd achttien en dertig honderdste Euro) vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf 05 juni 2012 tot aan de algehele voldoening.

5.2 Verklaart van waarde het door de gerechtsdeurwaarder D. Toekimin bij exploot no. 552, d.d. 30 mei 2012, gelegd conservatoir beslag op de allodiale eigendom en het erfelijk bezit van het perceel groot 2,8985 ha, op de kaart van de landmeter J.C. de la Parra d.d. 27-06-1944 met de letters AHKD, d.u.v. het perceel bekend als afd. I sectie Kwatta no. 315, toebehorende aan de stichting.

5.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

In reconventie
5.5 Wijst de vordering af.

In conventie en in reconventie
5.6 Veroordeelt [gedaagde] en de stichting in de proceskosten aan de zijde van [man] en [vrouw] gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 818,- (achthonderd achttien Surinaamse Dollar).

Aldus gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en in het openbaar uitgesproken door mr. R.M. Praag, kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter terechtzitting van dinsdag 10 mei 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2011-9

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 11-0700
10 maart 2011
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. Ch.N. Mijnals, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: dhr. Marnix H. Visser.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 16 februari 2011 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie tot rectificatie van het inleidend verzoekschrift;
– de conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord met een productie;
– de conclusie van repliek met een productie;
– de conclusie van dupliek met een productie;
– de conclusie tot uitlating productie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiser was eigenaar van het perceel groot 569,48 m², met de daarop staande woning, gelegen te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter R. Lieuw Kie Song d.d. 21 augustus 1969 met de letters ABCD en [nummer 1], deel uitmakende van de [grond].

2.2 Eiser is een hypothecaire lening aangegaan waarbij voorschreven onroerend goed tot zekerheid voor de terugbetaling van het ter leen ontvangen geld met hypotheek werd bezwaard.

2.3 Op 8 juli 2010 is de hypotheekhouder krachtens art. 1207 lid 2 BW, ten overstaan van notaris mr. M.R. Sanrochman, overgegaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed. Bij akte van gunning d.d. 23 augustus 2010 heeft de hypotheekhouder het perceel gegund aan de hoogste bieder op de veiling, de heer [naam].Bij akte de command d.d. 30 augustus 2010 heeft de heer [naam] voornoemd verklaard dat hij het onroerend goed heeft gekocht ten behoeve van gedaagde, die deze lastgeving heeft erkend en die dus als koper dient te worden aangemerkt. Blijkens de akte van kwijting d.d. 30 augustus 2010 heeft gedaagde de koopsom en de kosten voldaan en is haar daarvoor kwijting verleend.

2.4 Bij exploit van de deurwaarder R. Bhoelan d.d. 10 februari 2011 [nummer 2] heeft gedaagde de grossen van voormelde akten aan eiser betekend en is aan hem bevel gedaan het onroerend goed op uiterlijk 23 februari 2011 te verlaten en te ontruimen.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan
3.1 Eiser vordert – zakelijk weergegeven – dat:

A bij vonnis wordt bepaald dat de vordering tot ontruiming buiten de Kantonrechter om onrechtmatig is;
B gedaagde wordt verboden uitvoering te geven aan haar voornemen eiser te ontruimen;
C bij vonnis wordt bepaald dat pas tot ontruiming door gedaagde zal mogen worden overgegaan wanneer in laatste instantie door de Kantonrechter zal zijn beslist;
D bij vonnis wordt bepaald dat pas tot ontruiming zal mogen worden overgegaan als eiser behoorlijk in kennis is gesteld van het voornemen tot ontruiming gevolgd door een redelijke termijn;
E gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard.

3.3 Eiser heeft aan zijn vordering het navolgende ten grondslag gelegd:

a zonder een definitieve uitspraak van de Kantonrechter is geen ontruiming mogelijk;
b ten onrechte meent gedaagde aan artikel 655 BW het recht te ontlenen hem te mogen ontruimen;
c hij is nimmer vooraf aangemaand de woning te ontruimen en gedaagde heeft bij de aanzegging tot ontruiming een onredelijke tijd in acht genomen.
d hij is in een process gewikkeld met de hypotheekhouder ter zake de hoogte van de schuld en in die procedure is er nog geen definitieve beslissing aangezien eiser appèl heeft aangetekend tegen het vonnis van de Kantonrechter.

3.4 Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Eiser heeft het spoedeisend belang van zijn vordering voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2 Alvorens op de stellingen van partijen in te gaan constateert de kantonrechter dat de onderdelen A, C en D van het petitum zuiver declaratoir van aard zijn en reeds daarom niet toewijsbaar zijn in een kort geding, waarin immers slechts voorlopige voorzieningen worden gegeven.

4.3 Met betrekking tot de door gedaagde bij haar conclusie van dupliek overgelegde productie blijkt dat het slechts gaat om een hypothecair uittreksel waarin staat dat eiser de oorspronkelijke eigenaar van het onroerend goed was. Dit feit was ten processe reeds bekend en blijkt met name uit de door eiser bij zijn inleidend rekest overgelegde notariële akten. Bij de beoordeling van de zaak zal met deze feitelijkheid rekening worden gehouden terwijl het verzoek van eiser om zich alsnog over de productie uit te laten niet zal worden toegestaan, aangezien de productie slechts iets aantoont wat eiser zelf heeft beweerd.Hetzelfde geldt voor de door gedaagde bij conclusie van antwoord overgelegde veilingvoorwaarden. Eiser heeft deze voorwaarden zelf ook bij repliek overgelegd en kent de voorwaarden dus en heeft de relevante artikelen daarvan besproken zodat er geen reden bestaat hem in de gelegenheid te stellen zich alsnog hierover uit te laten.

4.4 De stelling van eiser dat zonder een rechterlijk vonnis geen ontruiming mogelijk is, is in zijn algemeenheid onjuist. Zowel in de Surinaamse rechtspraak als in de doctrine (vide: mr. S. Gangaram Panday in het Surinaams Juristenblad van december 2008 no. 3 pg. 43) is aanvaard dat na een veiling ex artikel 1207 lid 2 BW de koper de voormalige eigenaar tevens hypotheekgever kan ontruimen op basis van artikel 19 lid 1 van de door de Vereniging van Notarissen en Kandidaat-Notarissen vastgestelde “Algemene Veilingvoorwaarden voor Executieveilingen 2001”. Een der eisen die hierbij dient te worden gesteld is dat de veiling is voltooid, dus dat de processen-verbaal van veiling, gunning, command en kwijting zijn overgeschreven in de registers van het Hypotheekkantoor. In de onderhavige procedure staat rechtens vast dat dit heeft plaatsgevonden. Voorts dient het beding van artikel 19 lid 1 te zijn gemaakt voordat de veiling plaats vond. Blijkens het overgelegde proces-verbaal van de veiling d.d. 8 juli 2010 (derde blad) is uitdrukkelijk verwezen naar de “Algemene Veilingvoorwaarden”. Deze veilingvoorwaarden zijn ook vooraf bekend gemaakt (vide artikel 2 lid 2 van de Algemene Veilingvoorwaarden), althans is het tegendeel niet door eiser gesteld en is daarvan ten processe ook niet gebleken. In deze voorwaarden is in artikel 19 lid 1 uitdrukkelijk gestipuleerd dat de koper (gedaagde), indien de woning bij de hypotheekgever of zijn erfgenamen in gebruik is en derhalve niet vrij van gebruik wordt geleverd, de ontruiming kan bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm, uit kracht van de daartoe benodigde akten. Deze akten, zijn als gesteld, de processen-verbaal van veiling, gunning, command en kwijting en de grossen van deze akten zijn allen aan eiser bekend.

4.5 Het beroep dat eiser doet op artikel 19 lid 2 sub f van de Algemene Veilingvoorwaarden 2001 faalt. Het eerder aangehaalde lid 1 geldt slechts dan niet als één van de voorwaarden van lid 2 in de Bijzondere Veilingvoorwaarden zijn opgenomen. Dit is niet gebeurd en de hypotheekhouder is volkomen vrij zulks te doen, omdat hij bepaalt onder welke voorwaarden geveild zal worden, mits deze voorwaarden niet in strijd zijn met bepalingen van dwingend recht of in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden. Hiervan is in casu geen sprake. Als gevolg hiervan is artikel 19 lid 2 sub f van de Veilingvoorwaarden niet van toepassing op de onderhavige veiling krachtens welke gedaagde het onroerend goed in eigendom heeft verkregen.

4.6 De stelling van eiser dat gedaagde meent uit artikel 655 BW de bevoegdheid te putten hem te kunnen ontruimen berust op een verkeerde lezing van het exploit d.d. 10 februari 2011. Daarin staat uitdrukkelijk dat de ontruiming zal plaatsvinden ingevolge de wet en de veilingvoorwaarden en dat het onroerend goed met al hetgeen daarmee krachtens artikel 655 BW verenigd is zal worden ontruimd. Dat betekent dat niet alleen het perceel maar ook het daarop stand gebouw, dat immers met de grond verenigd is, zal worden ontruimd.

4.7 Op basis van de voorwaarden die van toepassing waren op de veiling d.d. 8 juli 2010 wist eiser dat hij bij een voltooide veiling de woning zou moeten ontruimen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter niet vereist dat hij bij apart schrijven tot de ontruiming moest worden aangemaand. Op grond van het feit dat de voorgenomen veiling reeds op 13 mei 2010 aan eiser bekend was acht de kantonrechter de door gedaagde aan hem bij exploot van 10 februari 2011 geboden ontruimingstermijn per 23 februari 2011 niet onredelijk.

4.8 Met betrekking tot de vordering die eiser meent op de hypotheekhouder te hebben overweegt de kantonrechter dat gedaagde buiten dit geschil staat. Zij heeft te goeder trouw op een openbare veiling gekocht en niet is gebleken dat de veiling nietig, althans vernietigbaar is. Indien de hypotheekhouder onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld zal dit zich oplossen in schadevergoeding. Deze zaak is thans niet aan de orde en, als gezegd, regardeert zulks gedaagde niet.

4.9 Op grond van de bovenstaande overwegingen zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd, onder veroordeling van eiser, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De Kantonrechter, recht doende in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Verwijst eiser in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 10 maart 2011, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier mr. L.J. van Bossé.

w.g L.J. van Bossé. w.g. R.G. Rodrigues

SRU-K1-2013-5

In naam van de Republiek

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 13-2307
15 augustus 2013

Vonnis in kort geding inzake:

DESIRE DELANO BOUTERSE,
in persoon en q.q. in de hoedanigheid van President van de Republiek Suriname,
wonende aan de [straat] [nr] te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[gedaagde]
verblijf houdende aan [adres]
te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigden: mrs. S. Mangroelal en S. Marica, advocaten.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 04 juni 2013 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • De schriftelijke conclusie tot wijziging van eis gevolgd door de mondelinge conclusie van eis;
  • De schriftelijke conclusie van antwoord;
  • De schriftelijke conclusie van repliek, onder overlegging van producties;
  • De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan
Op maandag 06 mei 2013 is in het dagblad Times of Suriname het artikel “President roept op tot bezuiniging, maar koopt jacht” verschenen;

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiser vordert na wijziging van eis – kort samengevat – veroordeling van gedaagde om binnen 1 (één) dag na de uitspraak althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn een daarin geformuleerde rectificatie volledig zonder aanpassingen te publiceren in alle dagbladen van Suriname, op straffe van een dwangsom van SRD 100.000,= per dag of per keer. Tevens vordert hij dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

3.2 Naast voormeld vaststaand feit legt eiser aan zijn vordering ten grondslag – zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang – dat het hem is gebleken dat gedaagde in voormeld artikel onware en schade berokkenende uitspraken ten aanzien van hem heeft laten optekenen. Uit de inhoud van voormeld artikel blijkt dat gedaagde doelbewust in het openbaar onwaarheden over eiser heeft verkondigd en wel op een zodanige wijze dat deze gezien de positie van gedaagde als assembleelid in de Surinaamse samenleving als vaststaande feiten zijn vastgelegd en alzo ook door de samenleving zijn en kunnen worden aangenomen. Gedaagde heeft in het openbaar laten optekenen dat naar aanleiding van informatie afkomstig van niet nader aangeduide bronnen “Het Kabinet van de President, terwijl het staatshoofd oproept om zuiniger te zijn met staatsmiddelen, het [jacht] van [naam] heeft gekocht”. Verder heeft gedaagde, zonder te verifiëren of de aantijgingen c.q. beweringen juist zijn, eveneens laten vastleggen dat het Kabinet van de President van de Republiek Suriname een exorbitant hoog bedrag zou hebben uitgegeven aan dit vaartuig ten behoeve van eiser. Voorts heeft gedaagde eveneens ten onrechte zoals uit de context van het voornoemd artikel en uit zijn eigen bewoordingen blijkt, met opzet willen doen voorkomen alsof eiser de aanschaf van het “jacht”zou hebben gedaan ten koste van woningbouw en andere zaken, welke prioriteit genieten althans waar het geld beter voor aangewend had kunnen worden. Eiser heeft voorts aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij uit de inhoud van dit artikel alsook de toonzetting, de geest van het artikel en context, welke zoals die geformuleerd zijn dusdanig beledigend, lasterlijk, vernietigend en schadeberokkenend zijn voor zowel eiser in persoon als in de hoedanigheid van President van de Republiek Suriname. Tevens is uit de strekking van het artikel gebleken dat het oogmerk van de beweringen die gedaagde heeft laten opnemen in het desbetreffende artikel is om eiser in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit volledig aan te tasten. Overigens is alles dat gedaagde in dit artikel heeft laten opnemen bezijdens de waarheid.

3.3 Gedaagde heeft de vordering weersproken en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

4. De beoordeling van het geschil
4.1 Alvorens van eis te concluderen heeft eiser toestemming gevraagd om zijn eis te wijzigen. Nu gedaagde zich daartegen niet heeft verzet en het verzochte met inachtneming van het bepaalde in artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geschied, zal de kantonrechter aan eiser terzake daarvan akte verlenen.

4.2 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest almede de aard van het gevorderde. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen gedaagde heeft aangevoerd ter weerspreking van het spoedeisend belang van eiser bij de ingestelde vordering en dat er op neer komt dat gedaagde pas door de overgelegde producties in dit geding heeft vernomen van de zogenaamde verspreiding via het internet en dat hij daar – althans zo vat de kantonrechter dat op – part noch deel aan heeft, immers gaat bij het spoedeisend belang – naar dezerzijds oordeel – niet om de schuldvraag maar de vraag of eiser al dan niet uit hoofde van onverwijlde spoed belang bij een onmiddellijke voorziening en die vraagt dient in casu – naar het oordeel van de kantonrechter – bevestigend te worden beantwoord.

4.3 De kantonrechter zal allereerst ingaan op het door gedaagde aangevoerd formeel verweer. Ten eerste heeft gedaagde als formeel verweer aangevoerd dat het krantenartikel dat de aanleiding vormt voor de onderhavige vordering niet is geschreven of gepubliceerd door gedaagde. Gedaagde heeft de gestelde feiten nooit en te nimmer openbaar gemaakt. Derhalve dient eiser de ingestelde vordering tegen de gedaagde niet ontvankelijk te worden verklaard. Daartegenin heeft de eiser ingebracht dat gedaagde volledig verantwoordelijk is voor de informatie die hij verspreidt. Naar het oordeel van de kantonrechter haalt dit formeel verweer het niet in rechte. Immers is door gedaagde niet ontkend dat hij de informatie aan het medium (Times of Suriname) heeft verstrekt; integendeel bevestigt hij dat in een ander medium ( De Ware Tijd). Derhalve is naar dezerzijds oordeel de slotsom gerechtvaardigd dat de beschuldigingen gericht aan het adres van eiser geacht moet worden rechtstreeks van gedaagde afkomstig te zijn en is hij derhalve daar ook volledig aansprakelijk voor;

4.4 Ten tweede heeft gedaagde als formeel verweer aangevoerd dat eiser in privé niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het bewuste artikel dat aanleiding is geweest voor het onderhavige geding niets maar dan ook niets over eiser in privé stelt. Voorts voert gedaagde aan dat eiser ook in zijn hoedanigheid van President van de Republiek Suriname niet ontvankelijk is in de ingestelde vordering aangezien de civiele rechter bevoegd is te oordelen over geschillen tussen burgers onderling. Pas wanneer de overheid als burger zou hebben gehandeld, zou hij als eiser ontvankelijk kunnen zijn in enige vordering die hij instelt tegen een (mede)burger. Daartegenin heeft eiser ingebracht dat gedaagde in het bewuste artikel consequent en uitdrukkelijk de woorden “Bouterse”en “President Bouterse” heeft gebezigd en door alzo te handelen heeft gedaagde eiser mede in persoon beschuldigd. Het eerste onderdeel van het tweede formeel verweer van gedaagde besprekend komt de kantonrechter – anders dan gedaagde – tot de slotsom dat in het bewuste artikel er wel een nauwe verwevenheid valt te bespeuren tussen enerzijds de persoon van het staatshoofd en aan de andere kant het staatshoofd zelf. Immers wordt primair gesproken casu quo geschreven over het feit dat bekend is dat het schip ruim tien jaar terug gebouwd is door de ondervoorzitter van de NDP (de partij waar de persoon Bouterse – en niet het staatshoofd – voorzitter van is). Voorts wordt in het bewuste artikel gewag gemaakt van het feit dat gedaagde er niet van uit gaat dat [naam] het vaartuig heeft geschonken aan Bouterse. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot de slotsom dat het daartoe strekkend verweer voor verwerping in aanmerking komt;

4.5 Het tweede deel van voormeld formeel verweer besprekend komt de kantonrechter tot de slotsom dat dat eveneens voor verwerping in aanmerking komt. Immers is eiser in de hoedanigheid van President van de Republiek Suriname eveneens burger van de Republiek Suriname en wordt derhalve eveneens aangeduid als “de eerste burger van het land”. Het voorgaande wordt geïllustreerd – naar het oordeel van de kantonrechter – door het feit dat bij de algemene volkstelling de President van de Republiek Suriname als eerste burger wordt geteld. Overigens wordt de door gedaagde gestelde vereenzelviging tussen het staatshoofd en de overheid nergens door gestaafd;

4.6 Thans zal de kantonrechter ingaan op het inhoudelijk verweer van gedaagde. Dienaangaande heeft gedaagde eerstens aangevoerd – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat “hoge bomen veel wind vangen”. Naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigt dat – zoals eiser terecht heeft aangevoerd – nog niet dat eiser zich dergelijke verregaande en ongegronde beschuldigingen aan zijn adres dient te laten welgevallen. Derhalve zal de kantonrechter voormeld verweer van gedaagde eveneens verwerpen;

4.7 Daarnaast heeft gedaagde aangevoerd dat de gevorderde publicatie niet is gestoeld op de wetsartikelen betrekking hebbende op de rechtsfiguur van belediging. Indien gedaagde het artikel had geschreven dan had eiser wel kunnen vorderen de verklaring van de rechter dat de publicatie beledigend is, maar dan niet in een kort gedingprocedure. Naar het oordeel van de kantonrechter is voormeld verweer eveneens gedoemd te stranden. Immers is het – zoals eiser terecht heeft aangevoerd – inmiddels vaste jurisprudentie dat dergelijke vorderingen eveneens in kort geding kunnen worden toegewezen. Dat de door eiser overgelegde Surinaamse jurisprudentie vonnissen betreffen van kantonrechters en niet van het Hof van Justitie van Suriname doet – naar dezerzijds oordeel – aan het voorgaande niet af. Immers dient ieder rechterlijk vonnis te worden geëerbiedigd zolang dat in stand is en er is in elk geval in eerste aanleg op dit stuk een vaste lijn te bespeuren. Ten aanzien van het door gedaagde gedaan beroep op het bepaalde in artikel 1393 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW te noemen) oordeelt de kantonrechter dat eiser zich in het verzoekschrift heeft toegespitst op het bepaalde in artikel 1386 van het BW (onrechtmatige daad) weshalve al hetgeen gedaagde heeft aangevoerd met betrekking tot het bepaalde in artikel 1393 BW in casu geen opgeld doet. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in casu sprake van een genus/species-situatie en geen situatie van “lex specialis” ten opzichte van “lex generalis”.

4.8 Ten aanzien van het oogmerk van gedaagde om eiser te beledigen heeft gedaagde aangevoerd dat hij het bewuste artikel niet heeft geschreven en/of gepubliceerd en nooit de intentie heeft gehad om te beledigen. Als hij al informaties in een vertrouwelijk gesprek aan een journalist heeft verstrekt, dan moet dat worden bekeken tegen zijn achtergrond als parlementariër uit hoofde waarvan hij verplicht is de gemeenschap te informeren met het oog op bescherming van het algemeen belang. Ten aanzien van het onderdeel van het verweer dat betreft het niet zelf geschreven en/of gepubliceerd hebben van het bewuste artikel volhardt de kantonrechter hij al hetgeen dienaangaande onder 4.3. van dit vonnis heeft overwogen en beslist. Derhalve zal dat onderdeel van het verweer gedoemd zijn te stranden. Met betrekking tot hetgeen gedaagde heeft aangevoerd en dat er op neer komt dat hij als hij al informaties in een vertrouwelijk gesprek aan een journalist heeft verstrekt dat in een bepaald kader – het algemeen belang – dient te worden bekeken oordeelt de kantonrechter als volgt. Ten eerste oordeelt de kantonrechter dat het als algemeen bekend wordt verondersteld in de contreien van gedaagde als assembleelid dat in de praktijk “een vertrouwelijk gesprek met een journalist” vaak een “fata morgana” zal blijken te zijn. Derhalve had gedaagde er – naar het oordeel van de kantonrechter – op bedacht moeten zijn dat de verstrekte informatie in de publiciteit zou belanden. Ten tweede oordeelt de kantonrechter dat het hem ten ene male ontgaat hoe een bewering casu quo beschuldiging in het algemeen belang gedaan kan zijn als die naderhand blijkt ongegrond te zijn casu quo niet hard gemaakt kan worden. Immers is het inmiddels “gesneden juridische koek” dat het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 19 van de Grondwet van de Republiek Suriname, niet onbegrensd is en dat het in concreto gaat om een redelijke en billijke belangenafweging. “Klokkenluiders” dienen naar dezerzijds oordeel niet de mond gesnoerd te worden maar ongefundeerde uitspraken kunnen aan de andere kant ook niet door de spreekwoordelijke beugel. Derhalve is de slotsom waar al het voorgaande toe leidt dat ook dit onderdeel van het verweer faalt. In dit geding is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde door ongeverifieerde uitspraken te doen en die naderhand niet te kunnen staven onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld waardoor laatstgenoemde (reputatie)schade heeft geleden. Een rectificatie zoals gevorderd is dan ook op zijn plaats.

4.9 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen gedaagde bij dupliek heeft aangevoerd en dat er op neer komt dat de wijze waarop de rectificatie is geformuleerd onnodig krenkend en beledigend is naar gedaagde toe en dat als een dergelijke publicatie zou worden toegestaan daardoor de eer en goede naam van gedaagde en de positie die hij inneemt in de samenleving op losse schroeven zou komen te staan en dat hij dan letterlijk voor leugenaar zou worden uitgemaakt. Immers heeft gedaagde zelf een risico genomen door voormelde ongeverifieerde uitlatingen te doen en naderhand – toen hij met de neus op de feiten werd gedrukt – “bescherming van zijn bronnen” geweigerd om openheid van zaken te geven. Derhalve zal de kantonrechter voorbij gaan aan al hetgeen gedaagde dienaangaande heeft aangevoerd;

4.10 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van eiser gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.11 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter derhalve niet toe;

5. De beslissing in kort geding
De Kantonrechter:
5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen een week na betekening van deze uitspraak de navolgende rectificatie volledig zonder aanpassingen te publiceren in alle dagbladen van Suriname middels volledige en onaangepaste publicatie op een opvallende plek, met letters met een minimale grootte van 12 en het lettertype ARIAL, van de navolgende tekst met een duidelijk zichtbare layout:

“MIDDELS DEZE PUBLICATIE GEEF IK, [gedaagde], UITDRUKKELIJK AAN DAT DE EERDER DOOR MIJ GEDANE UITSPRAAK DAT HET KABINET VAN DE PRESIDENT MET STAATSMIDDELEN EEN JACHT GENAAMD [naam jacht] TEN BEHOEVE VAN HET STAATSHOOFD OF Z.E. DESIRE DELANO BOUTERSE IN PERSOON ZOU HEBBEN GEKOCHT, NIET OP WAARHEID BERUST. OOK HEB IK NAGELATEN OM DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, Z.E. DHR. DESIRE DELANO BOUTERSE, OF HET KABINET VAN DE PRESIDENT VAN SURINAME TE HOREN ALVORENS IK DE VOORNOEMDE UITSPRAAK HEB LATEN PUBLICEREN. DEZE VOORNOEMDE UITSPRAAK IS EVENEENS ONNODIG LASTERLIJK, BELEDIGEND, GRIEVEND EN SCHADE BEROKKENEND AAN HET ADRES VAN Z.E. DHR. DESIRE DELANO BOUTERSE, PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ZOWEL IN PERSOON ALS IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN STAATSHOOFD VAN DE REPUBLIEK SURINAME. IK BIED Z.E. DHR. DESIRE DELANO BOUTERSE, IN PERSOON EN IN DE HOEDANIGHEID VAN PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, MIJN OPRECHTE EN WELGEMEENDE VERONTSCHULDIGINGEN AAN VOOR ALLE ONGERIEF, WELKE HIERDOOR IS GELEDEN. [gedaagde], PARLEMENTARIER”;

5.3 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom groot SRD 100.000,= (Eenhonderd-duizend Surinaamse Dollars) voor elke dag of keer dat gedaagde nalatig dan wel weigerachtig blijft om aan het veroordeelde onder 5.2 volledig te voldoen;

5.4 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 Veroordeelt gedaagde in de gedingkosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 298,40 (Tweehonderd en Acht en Negentig 40/100 Surinaamse Dollars);

5.6 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 15 augustus 2013 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.
w.g. D. Ramdin w.g. A. Charan

SRU-K1-2013-4

A.R. no. 133768
13 september 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres sub A]
[eiseres sub B], wonende te [district]
eisers in kort geding
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

A. Parbode Surinaams Magazine, nader te noemen Parbode,
B. [gedaagde sub B], uitgever van gedaagde sub A.
C. [gedaagde sub C],
allen gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo
gedaagden in kort geding
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 5 september 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
  • de conclusie van antwoord met producties
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres sub A is de echtgenote geweest van wijlen de heer [naam 1] (hierna [naam 1]). Eiseres sub B is de dochter van [naam 1]. [naam 1] oefende het beroep van architect uit.

2.2 [naam 1] is in het jaar 1976 middels vergiftiging om het leven gebracht. De dader hiervan is nimmer achterhaald.

2.3 Parbode is een maandblad. In de Parbode van september 2013, jaargang 8 no. 89 is gepubliceerd het artikel met als titel “Wie vermoordde [naam 1]?”(hierna het artikel). Dit artikel is geschreven door gedaagde sub C, die journalist is. In het artikel wordt eiseres sub A aangeduid met “[naam 2]” .

2.4 In het artikel is – zover in de onderhavige zaak van belang – het volgende opgenomen:
“Alle architecten hadden het moeilijk”, zegt een gepensioneerde aannemer, maar Architectenbureau [naam 1] had het extra moeilijk. Op een bepaald moment gingen de zaken zo slecht, dat [naam 1] zijn spullen moest verkopen en het personeel ontslaan. In een interview uit 1974 vertelt hij dat de overheid hem bewust heeft geprobeerd te treffen. Kort daarna volgt er een gesprek met de nieuwe minister van OWV, de NPS-minister Achmed Karamat Ali. In de krant staat het heugelijke feit dat de minister [naam 1] heeft “gered”. “Nee, zo was het niet helemaal”, zegt een kennis, “niet [naam 1] maar [naam 2] is met Karamat Ali gaan praten. Zij waren heel goed bevriend. De volgende dag had [naam 1] zijn geld al”. Als [naam 2] inderdaad zo goed bevriend was met de minister, zat [naam 1] mogelijk in een lastig parket als hij een fraude had willen openbaren.

[naam 1] hield van vrouwen, en vrouwen hielden van hem. Hij had na zijn eerste huwelijk jarenlang een relatie met [naam 3], een energieke directiesecretaresse. Maar toen kwam [naam 2] in zijn leven. Een beeldschone, gesoigneerde lichtkleurige Hindoestaanse vrouw, een paar jaar jonger dan [naam 1]. Ook zij kregen een relatie, hoewel [naam 2] toen nog getrouwd was met een ander. Toen haar echtgenoot achter de verhouding kwam, was de scheiding overigens snel geregeld. Op een bepaald moment waren zowel [naam 3] als [naam 2] zwanger van [naam 1]. Beide dames zouden bovendien in dezelfde maand gaan bevallen. Voor [naam 2], die al twee kinderen had met haar ex-man, zou het een schande betekenen om ongetrouwd een kind te krijgen. Van een Creool nota bene, want we spreken hier over 1970, het tijdperk vóór Wan Pipel. Volgens insiders heeft ze [naam 1] gedwongen met haar te trouwen. “Er was beslist sprake van chantage”, zegt een bekende van de familie. “[naam 1]” had geen keuze, met tegenzin stemde hij toe”. Het sober huwelijk – zelfs [naam 1] personeel wist van niets – vond in maart 1971 plaats. En in april werden met een dag ertussen twee meisjes [naam 4] geboren. Met [naam 2] kreeg hij korte tijd later nog een dochter. Maar de relatie met [naam 3] zou volgens sommigen veel prettiger verlopen dan de relatie met zijn wettige vrouw. “Het ging helmaal niet goed in huize [naam 1]”, vertelt een bron uit de omgeving. “[naam 1] werd zelfs mishandeld door zijn vrouw. Hij heeft meer dan eens aangifte van gedaan bij de politie”. Kort voor zijn dood zou [naam 1] zijn beste vriend verteld hebben dat hij zou gaan scheiden van [naam 2], om definitief terug te gaan naar [naam 3]. Wat zou een scheiding betekend hebben voor [naam 2]? Allereerst de schande van twee keer gescheiden te zijn natuurlijk. Mogelijk zou ze er financieel op achteruit gaan. [naam 1] had aardig wat opgebouwd aan bezit.Volgens een oud-politieman ging al snel na de moord het gerucht rond dat de wettige vrouw van [naam 1] iets met de moord te maken zou hebben. Een zeer kwetsende veronderstelling natuurlijk. Maar er zijn een paar frappante details die irritant blijven knagen. Waarom wachtte [naam 2], die een medische opleiding had voltooid, urenlang op een ambulance terwijl haar man lag te sterven? Ze was met de auto thuisgekomen, dus waarom niet direct naar het ziekenhuis gereden? Er was een aantal volwassenen in huis om te helpen [naam 1] in de auto te leggen: de tuinman, zijn familie, de nanny. [naam 1] was een tengere man van ongeveer 1.70 meter. Het zou met drie personen makkelijk gelukt zijn. Naast [naam 2] kon ook de tuinman een auto besturen. De nanny kon thuis blijven met de kinderen. En waarom is geen van de vrienden die op steenworp afstand woonden erbij gehaald? Volgens één van de aanwezigen in Boxel op de avond van de moord, was de reactie van [naam 2] toen ze haar man stervend aantrof ook opmerkelijk. “Ze leek eerder geïrriteerd dan bezorgd”. Een andere bron vertelt dat er strychnine in de woning is aangetroffen. Het zijn niet alleen ordinaire roddels die hinten richting het gezin. Ook de politieman die het dossier kent zegt met een veelzeggende blik: “Je moet je ook afvragen hoe en vooral wanneer het gif is toegediend. Voor wat wij hebben kunnen reconstrueren, is [naam 1] in elk geval niet in het Park vergiftigd. Je moet het dichter bij huis zoeken, als was het politieonderzoek niet duidelijk tot een bron terug te voeren”. Verder wil hij niets over kwijt. “Vraag het maar aan de familie. Die weet er meer van ….”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagden om onmiddellijk na de uitspraak:

a. de verkoop van Parbode van september 2013, jaargang 8 nummer 89 in en buiten Suriname onmiddellijk stop te zetten en de reeds gedistribueerde en niet verkochte exemplaren van de diverse verkooppunten te halen.
b. In de lokale dagbladen, op de website van gedaagde sub A en overige internet sites zoals onder andere Facebook en Twitter, alsook in de komende editie van Parbode de volgende rectificatie op een opvallende plek de navolgende tekst te publiceren met een minimale lettergrootte van 12 en het lettertype Arial:
Middels deze publicatie geven Parbode Magazine, haar redacteur [gedaagde sub B] en [gedaagde sub C] uitdrukkelijk aan dat het artikel gepubliceerd in de editie van september 2013, jaargang 8 no. 89 onterecht is geschied zonder voorafgaande toestemming van alle erfgenamen van wijlen [naam 1] en op onwaarheid berust. De publicatie is naar deze erfgenamen toe beledigend, tast hun goede naam en eer, alsook hun privacy aan. Wij bieden de erfgenamen dan ook onze welgemeende verontschuldigingen aan voor het ontstane ongerief welke hierdoor is geleden.
c. het bewijs van het onder a en b bevorderde direct na de stopzetting van de verkoop en publicatie van de rectificatie aan eisers te leveren.
d. tot betaling van een dwangsom.

3.2 Eisers hebben onder meer aan hun vordering ten grondslag gelegd dat zij zich beledigd voelen en in hun eer en goede naam zijn aangetast door het artikel. Gedaagden hebben zich, door de publicatie van het bericht, onrechtmatig gedragen jegens eisers.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Gedaagden hebben aangevoerd dat de vordering ten onrechte is ingesteld tegen Parbode omdat deze geen juridische entiteit is.Eisers hebben dit niet weersproken, zodat daarvan in rechte dient te worden uitgegaan. Dit betekent dat eisers niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering tegen Parbode. Het verzoek van eisers om de naam van Parbode te vervangen door Caribbean Media Group (de handelsnaam van de maatschappij die Parbode uitgeeft), zal worden geweigerd. Immers, toestaan van dit verzoek zal ertoe leiden dat een geheel ander (rechts) persoon wordt betrokken in het onderhavig proces, zonder dat die de mogelijkheid heeft (gehad) om zich te verdedigen.

4.2.1 Gedaagden betogen voorts dat eisers evenmin ontvankelijk zijn in hun vordering tegen gedaagde sub B, nu deze gedaagde niet de uitgever is van Parbode. Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat uit het colofon, achterin de Parbode is opgenomen “Uitgever: [gedaagde sub B]”, hetgeen niet is weersproken door gedaagden. Nu in Parbode zelf is opgenomen dat [gedaagde sub B], gedaagde sub B dus, de uitgever is van het blad, mag in rechte daarvan worden uitgegaan en is onderhavige de vordering terecht ingesteld mede tegen gedaagde sub B. Het verweer van gedaagden terzake zal worden verworpen.

4.2.2 Ten aanzien van gedaagde sub C wordt aangevoerd door gedaagden, dat gedaagde sub C niet in de hoedanigheid van journalist is betrokken in het proces, zodat eisers niet ontvankelijk zijn in hun vordering tegen deze gedaagde.Dit verweer dient te worden verworpen. Beide hoedanigheden van gedaagde sub C, dus in privé als in de hoedanigheid van journalist, verenigen zich in een en dezelfde persoon. Er kan dus geen onderscheid worden gemaakt tussen gedaagde sub C als materiële en formele procespartij. Het is dus ook niet nodig dat gedaagde sub C in de hoedanigheid van journalist wordt aangesproken.

4.3 Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van gedaagde sub B en C het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van eisers het recht op bescherming van hun eer en goede naam en op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Het belang van gedaagden sub B en C is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van eisers is dat zij niet worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het antwoord op de vraag welk van deze beide, in beginsel gelijkwaardige rechten in dit geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. De mate waarin de beschuldiging steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal, is één van die omstandigheden, alsmede de wijze waarop de beschuldiging is gepresenteerd.

4.4 Aanleiding voor de publicatie van het artikel is het verschijnen van een artikel in het dagblad de Ware Tijd enkele maanden geleden, waarin stond “In liefdevolle herinnering, [naam 1], vergiftigd in 1976”.Uit het artikel in Parbode wordt niet alleen geïnsinueerd dat eiseres sub A mogelijk meer van de vergiftiging van [naam 1] moet afweten, maar wordt zij zelf ook als verdachte bestempeld. Daarnaast wordt ook het privé leven van eiseres sub A beschreven, met name de manier waarop zij de relatie met [naam 1] begon en de manier waarop de relatie eruit zag. Met zoveel woorden doet het artikel ook vermoeden dat eiseres sub A ontrouw was aan haar eerste echtgenoot toen zij [naam 1] leerde kennen en een relatie met hem begon. Ook geeft het artikel aan dat zij haar echtgenoot mishandelde enz.

4.5 De ernst van de over eiseres sub A geuite beschuldigingen en de wijze waarop deze zijn gepresenteerd, namelijk door onder meer een beschrijving te geven van haar privé leven, in het veel belezen maandblad, en de daardoor te verwachten negatieve gevolgen voor eisers, vereist dat deze zijn gebaseerd op een deugdelijk journalistiek onderzoek, resulterend in een stevige onderbouwing voor de geuite beschuldiging.

4.6 De enkele omstandigheid dat het artikel, en dus ook de beschuldiging aan eiseres sub A, tot stand is gekomen na diverse interviews van personen en raadpleging van krantenartikelen (archiefstukken), zoals door gedaagden is aangevoerd, rechtvaardigt niet een dergelijke zwaarwegende beschuldiging. Het vastleggen van de woorden van derden ontslaat gedaagden sub B en C niet van hun eigen verantwoordelijkheid jegens eisers voor wat betreft de inhoud van de artikelen. Dat eisers niet hebben meegewerkt aan het verzoek van gedaagden om een reactie te geven op het artikel, doet aan het voorgaande niets af. Van eisers hoeft immers niet te worden verwacht dat zij meewerken aan de publicatie van een artikel met een dergelijke inhoud. De kantonrechter concludeert dat deze wijze van publicatie niet alleen een ernstig inbreuk is op het privé leven van eisers maar ook een ernstige aantasting van hun goede naam en eer. Deze inbreuk rechtvaardigt dan ook de door eisers onder sub a van het petitum gevraagde voorziening tot stopzetting van de verdere verkoop van het blad met het gewraakte artikel in Suriname en het terughalen van de reeds gedistribueerde en niet verkochte exemplaren van de diverse verkooppunten. Voor zover de vordering betrekking heeft op een gebied buiten Suriname, zal de kantonrechter zich onbevoegd moeten verklaren.

4.7 De gevraagde voorziening met betrekking tot het plaatsen van een rectificatie, zoals gevorderd onder sub b van het petitum, zal worden toegewezen als in het dictum te melden voor zover deze dient te worden geplaatst in de eerst volgende editie van het maandblad Parbode, nu de inbreuk via dit blad is gepleegd en niet via andere media.

4.8 De onder sub c van het petitum gevraagde voorziening zal worden geweigerd als te zijn onvoldoende gespecificeerd. De kantonrechter begrijpt uit deze vordering dat eisers het bewijs van gedaagden geleverd willen hebben dat zij hebben voldaan aan het vonnis. Eisers hebben echter nagelaten om specifiek aan te geven op welke manier zij dit bewijs geleverd willen hebben.

4.9 Tenslotte is de gevorderde dwangsom toewijsbaar met dien verstande dat deze zal worden gemitigeerd als in het dictum te melden.

4.10 Op grond van het voorgaande wordt bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig geacht.

4.11 Gedaagden sub B en C zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
5.1 De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de door eiseres gevraagde voorzieningen voor zover deze betrekking hebben op een gebied buiten Suriname.

5.2 Verklaart eisers niet ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagde sub A.

5.3 Veroordeelt gedaagden sub B n C om de verkoop van Parbode van september 2013, jaargang 8 nummer 89 binnen 1 x 24 muur na betekening van dit vonnis stop te zetten en de reeds gedistribueerde en niet verkochte exemplaren van de diverse verkooppunten te halen.

5.4 Veroordeelt gedaagden sub B eb C om in de eerstvolgende editie van Parbode de volgende rectificatie met de navolgende tekst te publiceren met een minimale lettergrootte van 12 en het lettertype Arial: RECTIFICATIE INZAKE “Wie Vermoordde [naam 1]?” Middels deze publicatie geven [gedaagde sub B] en [gedaagde sub C] uitdrukkelijk aan dat het artikel gepubliceerd in de editie van september 2013, jaargang 8 no. 89 onterecht is geschied zonder voorafgaande toestemming van alle erfgenamen van wijlen [naam 1] en op onwaarheid berust. De publicatie is naar deze erfgenamen toe beledigend, tast hun goede naam en eer, alsook hun privacy aan. Wij bieden de erfgenamen dan ook onze welgemeende verontschuldigingen aan voor het ontstane ongerief welke hierdoor is geleden.

5.5 Veroordeelt gedaagden sub B en C tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,= (vijfduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij in strijd handelen met de overwegingen 5.3 en 5.4 van de beslissing tot een maximum van SRD 100.000,= (honderd duizend Surinaamse Dollar).

5.6 Verklaart het vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.7 Veroordeelt gedaagden sub B en C in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 650,= (zeshonderd en vijftig Surinaamse Dollar).

5.8 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van vrijdag 13 september 2013 te Paramaribo door de kantonrechter in kortgeding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2014-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 12-4929
16 oktober 2014

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende te [district], eiser,
procederend in persoon, hierna te noemen eiser,

tegen

A) [gedaagde A], kantonrechter lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,

B) DE STAAT SURINAME, met name het ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo, gedaagden,
hierna respectievelijk te noemen gedaagden A en B,
gemachtigde van gedaagde A: mr. H.R. Lim A Po jr., advocaat,
gemachtigde van gedaagde B: mr. P. Campagne.

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 06 december 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de brief d.d. 22 februari 2013 zijdens gedaagde A;
– de door gedaagde sub B overgelegde machtiging d.d. 22 februari 2013;
– het proces-verbaal gedateerd 27 februari 2013;
– de brief d.d. 4 maart 2013 zijdens eiser;
– de brief d.d. 13 maart 2013 afkomstig van mr. H.R. Lim A Po Jr.;
– het proces-verbaal gedateerd 14 maart 2013;
– de door gedaagde sub B overgelegde machtiging d.d. 14 maart 2013;
– de brief d.d. 3 april 2013 afkomstig van de gemachtigde van gedaagde sub A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde B;
– de brief d.d. 10 juli 2013 zijdens eiser;
– de conclusie van repliek;
– de brief d.d. 14 augustus 2013 zijdens eiser;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde B;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde A;
– de op 25 juni 2014 gegeven rolbeschikking;
– overlegging gefourmeerd dossier zijdens eiser;
– conclusies tot uitlating zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 23 oktober 2014, doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
2.1 Bij verzoekschrift ingediend ter griffie op 30 mei 2012, heeft eiser een vordering aanhangig gemaakt bij het kantongerecht in het eerste kanton tegen de persoon van Cynthia Valstein-Montnor (hierna Valstein), in haar hoedanigheid van waarnemend president van het Hof van Justitie van Suriname.
Deze vordering staat bekend onder AR no. 122140 (hierna te noemen zaak 122140) en was in behandeling bij gedaagde A, in zijn hoedanigheid van Kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton.

2.2 Gedaagde sub A heeft bij beschikking d.d. 14 juni 2012 bepaald dat zaak 122140 zal dienen ter openbare terechtzitting in het eerste kanton op 6 augustus 2012.

2.3 Bij exploiten van deurwaarder M. Sitaram, gedateerd 2 augustus 2012 no. 1071 en no. 1072 heeft eiser in zaak 122140 respectievelijk doen oproepen:
– de Staat Suriname met name het Ministerie van Justitie en Politie en
– Valstein in privé en in haar hoedanigheid van waarnemend president van het Hof van Justitie van Suriname.

2.4 In zaak 122140, heeft gedaagde A vonnis gewezen op de terechtzitting van 1 oktober 2012, waarbij de exploten van de deurwaarder M. Sitaram met de nummers 1071 en 1072 gedateerd 02 augustus 2012 nietig zijn verklaard.
Gedaagde sub A heeft daartoe het volgende overwogen in overweging 3.5 en 3.6 van het vonnis in zaak 122140:
“3.5. De kantonrechter neemt waar dat er rechtsingang is verleend en dientengevolge bij beschikking bevel is gegeven aan de deurwaarder om op te roepen de gedaagde Cynthia Valstein-Montnor, in de hoedanigheid van waarnemend President van het Hof van Justitie van Suriname. De kantonrechter neemt tevens waar dat voor deze zaak bekend onder AR no. 122140 c.q. andere personen in rechte zijn opgeroepen. Bij deurwaardersexploot zijn eveneens als gedaagden opgeroepen, de Staat Suriname met name het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon en Valstein-Montnor (in persoon) terwijl de beschikking ter zake rechtsingang voornoemden niet regardeerde. Deze handelswijze is strijdig met het artikel 115 Rv welk artikel voorschrijft dat alle oproepingen, aanzeggingen, betekeningen en in het algemeen alle exploten, welke voor de geregelde gang van de zaak nodig zijn en aan het eindvonnis voorafgaan, geschieden door tussenkomst en op last van de kantonrechter.
3.6 Deze exploten van oproeping zouden op die grond nietig verklaard kunnen worden nu er personen zij opgeroepen zonder de voorgeschreven tussenkomst van de rechter. Echter het uitgangspunt in rechte is dat zelf als de mogelijke nietigheid van een exploit uitdrukkelijk is voorgeschreven, deze niet tot nietigheid hoeft te leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Het eigenlijke doel van het oproepingsexploit is de tegenpartij te laten verschijnen op de terechtzitting. Nu tevens niet is gebleken dat de gedaagden in persoon dan wel bij gemachtigde zijn verschenen kan niet worden gesteld dat een eventuele nietigheid is gedekt en rest niets anders dan de exploiten in rechte nietig te verklaren.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – kort weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Te verklaren dat gedaagde A onzorgvuldig tot zijn oordeel is gekomen in de zaak bekend onder AR no. 122140, en in strijd heeft gehandeld met zijn eigen rechtsplicht en daardoor fundamentele rechtsbeginselen geschonden zijn in de voorbereiding van zijn beslissing, waardoor niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en dat eiser daarbij aanzienlijke schade heeft geleden en deze nog steeds lijdt welke schade bewijsbaar is;
II. te verklaren de schendingen door gedaagde A van onder andere artikelen 13, 14 en 16 van de Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving;
III. te verklaren de persoonlijke (naast de Staat) aansprakelijkheid van gedaagde A op grond van de artikelen 1386; 1387 en 1388 wegens het bewust onjuist interpreteren van de artikelen 110 tot en met 121 Rv in de procedure die bekend staat als A.R.. 12-2140;
IV. te verklaren dat gedaagde A als orgaan van Staat willens en wetens de onrechtmatige daad heeft gepleegd, welke tevens als onrechtmatige daad van de Staat dient te worden gekwalificeerd;
V. te verklaren dat eiser tevens een met succes in te stellen vordering van rechtsweigering kan instellen op grond van de onrechtmatige rechterlijke beslissing van gedaagde A, daar rechtsweigering soortgelijke rechtsgevolgen met zich meebrengt als een afwijzende rechterlijke uitspraak of beslissing;
VI. te verklaren dat gedaagden A en B aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige rechtspraak welke door gedaagde A is gewezen op 01 oktober 2012 in voornoemde procedure;
VII. te verklaren dat gedaagde B aansprakelijk is voor de schadeveroorzakende onjuiste rechterlijke beslissingen en rechterlijke bedrijfsfouten c.q. beroepsfouten van de onder haar functionerende ambtenaren en dien ten gevolge schadeplichtig is jegens eiser;
VIII. te verklaren dat is komen vast te staan dat het vonnis gewezen door gedaagde A op 01 oktober 2012 inzake voornoemde procedure doorspekt is van partijdigheid en onbetamelijke rancune en evident onjuist is en niet in stand kan worden gehouden;
IX. te verklaren dat het voornoemd vonnis welke gewezen is door gedaagde A nietig is en vervallen wordt verklaard;
X. te verklaren dat door de thans vaststaande onrechtmatige rechtspraak gedaagde A het vertrouwen in de rechterlijke macht ernstig heeft geschonden;
XI. te verklaren dat door de thans vaststaande onrechtmatige rechtspraak gedaagde A de rechtsstaat ernstig heeft ondermijnd;
XII. gegrond te verklaren de schending van de artikelen 1, 2, 8, 24 en 25 van de OAS en de artikelen 2, 14 en 26 van IVPBR;
XIII. gedaagden te veroordelen tot onverwijlde betaling, althans betaling binnen 30 dagen na de uitspraak, aan eiser, voor de veroorzaakte schade bij eiser, nader bij staat op te maken;
XIV. te verklaren dat opnieuw vonnis in eerste aanleg moet worden gewezen inzake de procedure die bekend staat onder A.R. 12-2140 door een door het Hof van Justitie aan te wijzen onpartijdige rechter teneinde het geschonden imago van de rechterlijke macht door gedaagde A enigszins te corrigeren; dit in het belang van rechtszekerheid voor rechtszoekende burgers van Suriname;

3.2 Eiser heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

Gedaagde A is in de procedure die bekend staat als A.R. 12-2140, zonder deze (afdoende) te motiveren geheel voorbij gegaan aan alle door eiser aangevoerde stellingen en argumenten, waardoor gedaagde A onzorgvuldig tot zijn oordeel is gekomen en in strijd heeft gehandeld met zijn eigen rechtsplicht. Er kan hierdoor niet meer gesproken worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Eiser heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden en lijdt deze nog steeds. Het vonnis van gedaagde A is aldus onrechtmatig indien het orgaan van de Staat, waaronder leden van de rechterlijke macht worden begrepen – i.c. gedaagde A – een onrechtmatige daad heeft gepleegd geldt deze als een onrechtmatige daad van de Staat, gedaagde B dus. Zowel gedaagde A als gedaagde B zijn aansprakelijk voor de door eiser geleden schade.

3.3 Gedaagden A en B hebben verweer gevoerd. Op hetgeen zij hebben aangevoerd komt de kantonrechter, indien nodig, terug.

4. De beoordeling
4.1 Eiser betwist bij conclusie van repliek de aan mr. Campagne door gedaagde sub B verstrekte machtiging. Hij stelt daartoe dat de machtiging aan Campagne is verstrekt om op te treden in de zaak [eiser] contra de Staat Suriname bekend onder AR no. 124929. Deze machtiging betreft niet de vordering tussen hem, eiser ([eiser]) en de Staat Suriname, aldus eiser. Volgens eiser moeten er consequenties verbonden worden jegens gedaagde sub B.

Deze stelling van eiser zal worden verworpen. Uit de door gedaagde sub B genomen conclusies, blijkt zonder enige twijfel dat de machtiging bedoeld is om te procederen in de zaak bekend onder AR no. 124929 tussen [eiser] tegen de Staat. Het geconstateerde verschil in de voorletters van eiser’s naam kan dan ook worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.

Bovendien heeft mr. Campagne ter terechtzitting van 4 april 2013 een nieuwe volmacht gedateerd 14 maart 2013 overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om te procederen in de zaak tussen eiser en gedaagde sub B. Ook hiermee is een eventueel misverstand weggemaakt.

4.2 In het onderhavig geval is aan de orde de vraag of gedaagde sub A zich al dan niet onrechtmatig heeft gedragen jegens eiser bij de totstandkoming van het vonnis in zaak 122140, en als de uitspraak al dan niet juist is.

Ingevolge artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een actie uit onrechtmatige daad tegen een rechterlijke uitspraak slechts mogelijk als zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. De kantonrechter verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad te weten HR 08 januari 1993, NJ 1993, 558.

In zaak 122140 heeft gedaagde sub A de exploten van oproeping nietig verklaard. De kantonrechter overweegt dat er in ons rechtssysteem een gesloten stelsel van rechtsmiddelen is neergelegd, hetgeen meebrengt dat een rechterlijk vonnis op geen andere wijze kan worden aangetast dan door het instellen van een door de wet opengesteld rechtsmiddel. Ook klachten die inhouden dat de rechter geen acht zou hebben geslagen op bepaalde processtukken of zijn uitspraak onvoldoende zou hebben gemotiveerd, kunnen alleen aan de orde worden gesteld door het instellen van een rechtsmiddel. Daarnaast acht de kantonrechter het in deze onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat de in het ongelijk gestelde partij, de gelegenheid zou hebben langs de weg van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering de juistheid van de beslissing van gedaagde A tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de kantonrechter in eerste aanleg te doen toetsen.

De Hoge Raad hanteert tot op dit moment de strakke regel dat de Staat terzake van onrechtmatige rechtspleging uit hoofde van onrechtmatige daad slechts aansprakelijk kan worden gehouden, indien bij de zaak zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke, onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Zie HR 26 februari 1988, NJ 1989, 2; Franklin/Nederlandse Antillen; H.R. 29 april 1994, NJ 1995, 727; S/Staat der Nederlanden). De kantonrechter neemt deze overweging van de Hoge Raad over en maakt die tot de hare.

4.3 Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat er tegen het door gedaagde A gewezen vonnis d.d. 01 oktober 2012 onder A.R. 12-2140 geen rechtsmiddelen meer openstaan. Het is naar het oordeel van de kantonrechter dus onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat eiser de gelegenheid zou hebben langs de weg van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering de juistheid van de beslissing van gedaagde A tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de kantonrechter in eerste aanleg te doen toetsen.

De (formele eind) uitspraak van gedaagde sub A in zaak 122140 brengt met zich dat eiser via de administratie een nieuwe rechtsdag dient aan te vragen voor de behandeling van genoemde zaak.

Het was niet aan gedaagde sub A gelegen om direct na de gewraakte uitspraak een nieuwe rechtsdag te bepalen. Het bepalen van een nieuwe rechtsdag in een zaak is afhankelijk van het verzoek van de eiser daartoe via de administratie. Gedaagde sub A kan daarom niet verweten worden dat hij heeft nagelaten een nieuwe rechtsdag te bepalen na de nietigverklaring van het exploot. De stelling van eiser ter zake dient derhalve te worden verworpen.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang gezien en gelezen, dient de vordering van eiser tegen gedaagden integraal te worden afgewezen.

4.4 Naar de kantonrechter begrijpt beroept eiser zich er tevens op dat gedaagde sub A zich heeft schuldig gemaakt aan rechtsweigering.

Ingevolge artikel 728 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) dient de rechtsvordering uit hoofde van rechtsweigering tegen een kantonrechter of tegen de voorzitter of een lid van het Hof van Justitie in eerste en hoogste ressort te worden gebracht voor het Hof van Justitie. Deze vordering wordt aanhangig gemaakt door indiening van een verzoekschrift aan het Hof van Justitie.

De kantonrechter acht zich dan ook onbevoegd om kennis te nemen van dat deel van de vordering dat betrekking heeft op rechtsweigering.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 Verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het deel van eiser’s vordering dat betrekking heeft op rechtsweigering.

5.2 Wijst de vordering voor het overige af.

Aldus gewezen door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr I.S. Chhangur-Lachitjaran, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op donderdag 16 oktober 2014 door de kantonrechter mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g.I.S.Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

SRU-K1-2010-10

Kantonrechter Eerste Kanton
14 december 2010, A.R. 012519
(mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran)

A. [eiser sub A], wonende in Nederland,
B. [eiser sub B], rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo, hierna te noemen [eisers], eiseres in conventie en gedaagden in reconventie,
gemachtigde, mr. C.Ch. Bhagwandin, advocaat.

ca

A. [gedaagde sub A],
B. [gedaagde sub B],
C. [gedaagde sub C] en
D. [gedaagde sub D],

Allen wonende te Paramaribo, hierna te noemen de [erven], gedaagden in conventie en eisers in reconventie, gemachtigde: mr. B. Halfhide, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op de tussenvonnissen respectievelijk gedateerd 11 juli 2006, 24 juli 2007, 27 oktober 2009 en 27 juli 2010.

Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het proces-verbaal van de op 30 augustus 2010 gehouden enquête;
– de conclusie na gehouden enquête zijdens parijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling
In conventie en in reconventie

2.1 [eisers] zijn in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat de [erflater] zich op 9 juni 2001 “onvindbaar” heeft gemaakt en voorts dat hij geen bewijs van kwijting wilde geven voor het te ontvangen bedrag van US$200.000,=.

Ter voldoening aan het voorgaande hebben [eisers] 2 getuigen doen horen te weten [getuige 1] en [getuige 2].

2.2 [getuige 1] heeft zover van belang het volgende aangevoerd:
“Ik ben bekend met de heer [erflater]. Ik ben op de hoogte van een koopovereenkomst gesloten tussen [eiser sub A] en [erflater]. Op een dag reed ik samen met [eiser sub A] en een vriend genaamd [achternaam getuige 2] langs [erflater] op de hoek van [wegen 1]. Wij zijn toen gaan kijken naar het gebouw en zagen een contacttelefoonnummer. [eiser sub A] was geïnteresseerd in het gebouw en heeft toen op het zelfde moment gebeld op het nummer. Hij kreeg meneer [erflater] aan de telefoon en er werd een afspraak gemaakt voor de volgende dag om het pand te bezichtigen. De volgende dag zijn wij weer met zijn drieën geweest om het gebouw te bezichtigen. Wij hebben toen een rondleiding gehad van de heer [erflater]……….Ik begreep toen dat de volgende betalingen zouden worden gepleegd. Alleen weet ik niet welk bedrag zou worden betaald. Daarmee bedoel ik dat ik niet weet of het bedrag in één keer moest worden betaald danwel in delen. De volgende dag werd ik door [eiser sub A] opgehaald om ten huize van de heer [erflater] te gaan. Naar mijn weten gingen we voor de betaling, gezien de afspraken van de dag daarvoor gemaakt. Ook zag ik [eiser sub A] met een tas en ik vermoedde dat daarin geld zat. Onderweg naar de heer [erflater] hebben wij steeds gebeld, maar er werd niet opgenomen. Op een goed moment kregen we bezettoon en reden toen rechtstreeks daarnaartoe. Aldaar aangekomen belden wij aan maar er werd niet gereageerd. Na een tijdje daar te hebben aangebeld kwam de heer [erflater] naar buiten en stond hij ons te woord. Ik stond erbij toen hij aan [eiser sub A] zei dat hij kon betalen, maar geen kwitantie zou krijgen. Hij zei nog dat als [eiser sub A] niet zonder een kwitantie zou betalen, de koop niet door zou gaan……”.

[getuige 2] heeft het volgende verklaard, zo ver van belang:
“……. Op een dag reed ik richting [wegen 2] en heb ik een bord gezien aan het gebouw van [erflater] op de hoek van [wegen 1]. Op het bord stond “te koop”. Nadat ik dat had gezien heb ik dat voorgehouden aan [eiser sub A] en heb ik hem voor het pand geïnteresseerd, omdat wij samen zaken doen……… Ik ben toen samen met [eiser sub A] gegaan om het pand te bezichtigen. Aldaar heeft [eiser sub A] op contacttelefoonnummer gebeld en heeft hij met de heer [erflater] gesproken. Er is toen een afspraak gemaakt voor dezelfde dag in de middag tussen 15.00 en 15.30 uur. Wij zijn toen [getuige 1] op gaan halen en met zijn drieën naar het pand getogen ter bezichtiging. [erflater] heeft toen een rondleiding gegeven in het pand…… [eiser sub A] heeft toen met [erflater] afgesproken dat hij de volgende dag bij [erflater] zou gaan om een overeenkomst te tekenen. De overeenkomst zou in houden dat [eiser sub A] het pand zou kopen en dat [erflater] het pand zou overdragen aan [eiser sub A] wanneer deze terug zou komen uit Nederland…….. Omstreeks 19.00 uur de volgende avond ging ik samen met [eiser sub A] en [getuige 1] naar de woning van [erflater] voor het tekenen van de overeenkomst. Ik kan mij niet heugen of wij die avond hebben gebeld naar [erflater]. Wel weet ik dat we aldaar aangekomen, ongeveer 15 minuten hebben getoeterd voordat de heer [erflater] naar buiten kwam. Toen hij uiteindelijk uit de woning kwam heeft hij ons voorgehouden dat hij het pand niet meer zou verkopen. Hij heeft verder aan [eiser sub A] gezegd dat die het pand niet zou kunnen kopen. Ook heeft hij gezegd dat [eiser sub A] drugsgeld bezit. Ik weet niet wat voor afspraken partijen hadden gemaakt voor wat betreft de betaling. U houdt mij voor dat [getuge 1] heeft verklaard dat [eflater] op die bewuste avond geen kwitantie wilde geven voor kwijting van het te betalen bedrag en u vraagt mij wat ik daarover te zeggen heb. Ik verklaar u hierop dat ik niets daarover weet. U confronteert mij met [getuige 1] en ik hoor hem zeggen dat hij niets heeft gehoord, dat de heer [erflater] het pand niet meer wilde verkopen en dat hij gezegd zou hebben dat [eiser sub A] het pand niet zou kunnen kopen en dat hij drugsgelden bezat……..”

2.3 De kantonrechter constateert dat er vele tegenstrijdigheden zijn in de verklaringen van de getuigen.

De geconstateerd tegenstrijdigheden worden hieronder opgesomd:
– Het bezichtigen van het pand:
Volgens [getuige 1] reed hij samen met [eiser sub A] (eiser conventie) en een vriend genaamd [achternaam getuige 2] langs [erflater] op de hoek van de [wegen 1]. Zij zijn toen gaan kijken naar het gebouw en zagen een contacttelefoonnummer. [eiser sub A] was geïnteresseerd in het gebouw en heeft toen op hetzelfde moment gebeld op het nummer. Hij kreeg meneer [erflater] aan de telefoon en er werd een afspraak gemaakt voor de volgende dag om het pand te bezichtigen. [getuige 2] daarentegen heeft verklaard dat hij op een dag reed richting [wegen 2] toen hij een bord heeft gezien aan het gebouw van [erflater] op de hoek van de [wegen 1]. Op het bord stond “te koop”. Nadat hij dat had gezien heeft hij dat voorgehouden aan [eiser sub A] en heeft hij hem voor het pand geïnteresseerd, omdat zij samen zaken doen. Aldaar heeft [eiser sub A] op het contacttelefoonnummer gebeld en heeft hij met de heer [erflater] gesproken. Er is toen een afspraak gemaakt voor dezelfde dag in de middag tussen 15.00 en 15.30 uur.

Zij zijn toen [getuige 1] op gaan halen en met en met zijn drieën naar het pand getogen ter bezichtiging.
– [getuige 1] heeft verklaard dat volgens hem (althans dat begreep hij) betalingen zouden worden gepleegd de volgende dag terwijl [getuige 2] heeft verklaard dat [eiser sub A] de volgende dag bij [erflater] zou gaan om een overeenkomst te tekenen. De overeenkomst zou inhouden dat [eiser sub A] het pand zou kopen en dat [erflater] het pand zou overdragen aan [eiser sub A] wanneer deze terug zou komen uit Nederland.
– Met betrekking tot het gesprek met [erflater] op de dag na de bezichtiging van het pand, heeft de [getuige 1] verklaard dat [erflater] aan [eiser sub A] zei dat hij kon betalen, maar dat hij geen kwitantie zou krijgen en verder dat als [eiser sub A] niet zonder een kwitantie zou betalen, de koop niet door zou gaan.
[getuige 2] verklaart echter dat [erflater] hen toen heeft voorgehouden dat hij het pand niet meer zou verkopen: voorts dat hij aan [eiser sub A] heeft gezegd dat die het pand niet zou kunnen kopen en dat [eiser sub A] drugsgeld bezit. [getuige 2] heeft verklaard niet te weten wat voor afspraken partijen hadden gemaakt voor wat betreft de betaling.

2.4 De getuigen zijn ook met elkaar geconfronteerd voor wat betreft enkele van de geconstateerde tegenstrijdigheden, maar konden geen verklaring daarvoor geven. Gelet op de omstandigheid dat volgens de getuigen zij steeds met [eiser sub A] aanwezig waren bij de onderhandelingen met [erflater] roepen de tegenstrijdigheden, vraagtekens op. Dit heeft tot gevolg dat de verklaringen van de getuigen niet geloofwaardig overkomen. [eiser sub A] heeft het van hem verlangde bewijs niet kunnen leveren.

De stellingen van [eiser sub A] zijn dan ook niet in rechte komen vast te staan, zodat de vordering in conventie dient te worden afgewezen.

2.5 Op grond van al het voorgaande dient het gelegd conservatoir beslag ten laste van de [erven] te worden opgeheven. De vordering in reconventie is derhalve toewijsbaar.

2.6 [eisers] zullen als de in het ongelijk gesteld partij de proceskosten moeten dragen, zo in conventie als reconventie.

3. De beslissing
In conventie

3.1 Wijst de vordering af.

In reconventie

3.2 Heft op het bij exploot van de deurwaarder Tj. Jhagroe dd. 29 juni 2001 no. 486, gelegd conservatoir beslag op de in dat exploot omschreven onroerende goederen.

3.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

3.4 Veroordeelt [eisers] in de proceskosten aan de zijde van de [erven] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo, op dinsdag 14 december 2010 door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. G.R. Mangal.

Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2007-2

A.R. No. 063266

BETALEND
A.R. No. 063266
S.P. 12 juli 2007

[verzoeker], wonende aan [adres], [district], voor wie als gemachtigde optreedt, [naam];
verzoeker,
tegen

PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat;
verweerder,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat verzoeker bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd de (fictieve) beslissingen van de president van de Republiek Suriname en/of de minister van Binnenlandse Zaken te vernietigen en de minister van Binnenlandse Zaken conform Artikel 21 van de voornoemde Kiesregeling te bevelen opdat eiser alsnog in de Kiezerslijsten wordt opgenomen.

Overwegende, dat te dienende dage verzoeker in persoon en de verweerder vertegenwoordigd door mr. A.R. Baarh, advocaat, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de verzoeker voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een verweerschrift heeft ingediend onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een schriftelijke conclusie van repliek onder overlegging van producties heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een schriftelijke conclusie van dupliek verweer heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT;
Overwegende, dat nu van een door de Minister van Binnenlandse Zaken daadwerkelijk gegeven beslissing niet gebleken is en daaromtrent door verzoeker niets is gesteld zodat Wij er van uitgaan dat een dergelijke beslissing rechtens niet bestaat, ontgaat het de kantonrechter daarom geheel hoe Hij die beslissing zou kunnen vernietigen als door verzoeker mede verzocht nog daargelaten dat daaromtrent door de President van de Republiek Suriname geen beslissing is genomen kunnen worden; te dien aanzien zal worden beslist als in het dictum van deze beslissing te melden;

Overwegende voorts, dat nu verzoeker niet binnen tien dagen na de openbare publicatie van de beslissing van de President van de Republiek Suriname in beroep is gegaan bij de kantonrechter in het Eertse Kanton, zijnde de beslissing van de President van de Republiek Suriname die van 6 oktober 2006 dateert in het openbaar gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname de dato 30 januari 2007 en verzoeker binnen tien dagen na dagtekening van die openbare publicatie van die beslissing in beroep had moeten gaan bij de kantonrechter in het Eerste Kanton (zie artikel 20 lid 1 van de Geldende Tekst van de Kiesregeling), naar wat hij, naar Ons gebleken is, nagelaten heeft, zullen Wij hem in zijn verzoek om vernietiging van de beslissing van de President van de Republiek Suriname niet ontvankelijk verklaren;

Overwegende, dat verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zal hebben te dragen;

Beslissende in beroep

Verstaat, dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken rechtens niet bestaat;

En voorts:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn beroep van de beslissing van de President van de Republiek Suriname de dato 6 oktober 2006;

Verwijzen verzoeker in de proceskosten, aan de zijde van de verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting in beroep van donderdag 12 juli 2007 door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. H.E. Struiken, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S. Tika.
w.g. S. Tika w.g. H.E. Struiken

SRU-K1-2017-9

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 163007
30 juni 2017

Vonnis in de zaak van

STICHTING LAWA ALL-IN PROJECTS,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H. Schurman, advocaat,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “Stichting Lawa”,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

B. STICHTING CONSERVATORIUM SURINAME, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. N.U. van Dijk, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. I.D. Kanhai, advocaat,
gedaagden in conventie,
gedaagde sub B tevens eiseres in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “de Staat en Stichting Conservatorium”.

1. Het proces verloop;

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift, met producties, dat op 9 juni 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord zijdens de Staat,
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie zijdens de Stichting Conservatorium, met producties,
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties,
– de conclusie van dupliek zijdens de Staat,
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, zijdens de Stichting Conservatorium,
– de conclusie van dupliek in reconventie,
– de rolbeschikking d.d. 26 januari 2017,
– de conclusie tot overlegging conclusie van antwoord zijdens de Staat.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Stichting Lawa heeft bij verzoekschrift van 19 november 2015 in grondhuur aangevraagd het perceelland groot 4485 vierkante meter.

2.2 Bij beschikking van 7 maart 2016 heeft de Staat zich bereid verklaard het perceel in grondhuur uit te geven aan de Stichting Lawa waarbij voorwaarden zijn gesteld.

2.3 Bij beschikking van 28 april 2016 is de bereidverklaringsbeschikking ingetrokken

2.4 Bij beschikking van 26 april 2016 heeft de Staat zich bereid verklaard het perceel in grondhuur uit te geven aan de Stichting Conservatoriuim.

2.5 Bij schrijven van 12 mei 2016 heeft de Stichting Lawa aan de Staat het verzoek gedaan om het perceel alsnog aan haar in grondhuur uit te geven. In dat schrijven brengt zij ter kennis van de Staat dat zij door de bereidverklaring ervan uit mocht gaan dat het perceel aan haar in grondhuur zou worden uitgegeven. Dat zij daarom enorme investeringen heeft gepleegd en goederen ten bedrage van USD 200.000,= voor het complex heeft aangeschaft. Het bij nader inzien niet meer uitgeven in grondhuur aan de Stichting Lawa is dan ook onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.6 Bij schrijven van 16 mei 2016 heeft de Staat aan de Stichting Lawa te kennen gegeven dat het niet mogelijk is het perceel nog in grondhuur aan haar uit te geven. De Staat stelt in dat schrijven dat zij op 28 april 2016 een gesprek had met de Stichting waarbij aan de Stichting is medegedeeld dat de bereidverklaring per abuis was verstrekt en dat op een later tijdstip bleek dat het grond betrof welke was bestemd voor het conservatorium. De Staat verwijst in dat schrijven tevens naar punt c van paragraaf IV van de bereidverklaringsbeschikking waarin als voorwaarde staat opgenomen dat aan de bereidverklarende beschikking generlei rechten ontleend kunnen worden en dat er geen activiteiten van welke aard an ook vooruitlopend op het verlenen van het recht van grondhuur op het perceelland verricht kunnen worden.

2.7 Bij schrijven van 12 mei 2016 heeft de Staat aan de Stichting Lawa ook te kennen gegeven dat de Stichting alle activiteiten op het terrein moet staken.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering in conventie

Stichting Lawa vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

De Staat veroordeelt om onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken de beschikking van 26 april 2016 alsmede de eventuele toewijzingsbeschikkingen die na de indiening van de vordering aan de Stichting Conservatorium zijn verleend, op straffe van een dwangsom;

De Staat gelast tot uitgifte over te gaan van het recht van grondhuur aan de Stichting Lawa op straffe van een dwangsom,

De Stichting Conservatorium verbiedt rechtshandelingen terzake het perceel te verrichten onder verbeurte van een dwangsom,

De Stichting Conservatorium veroordeelt om het vonnis te gehengen en te gedogen,

De Staat en de Stichting Conservatorium veroordeelt in de proceskosten.

Subsidiair:

De Staat veroordeelt om onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken de beschikking van 26 april 2016 alsmede de eventuele toewijzingsbeschikkingdie na de indiening van de vordering aan de Stichting Conservatorium zijn verleend, op straffe van een dwangsom,

– De Staat gelast om binnen een door de kantonrechter vast te stellen termijn het besluit tot honorering van de aanvraag van de Stichting Lawa d.d. 19 november 2015 te heroverwegen;
– De Staat verbiedt om het perceelland geheel noch gedeeltelijk in grondhuur aan derden uit te geven;
– De Stichting Conservatorium verbiedt om rechtshandelingen terzake het perceelland te verrichten onder verbeurte van een dwangsom,
– De Stichting Conservatorium veroordeelt om het vonnis te gehengen en te gedogen en voorts,
– De Staat en de Stichting Conservatorium veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag

De Stichting Lawa heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij door de bereidverklaring ervan uit mocht gaan dat het perceel aan haar in grondhuur zou worden uitgegeven. Dat zij daarom enorme investeringen heeft gepleegd en goederen ten bedrage van USD.200.000,= voor het complex heeft aangeschaft. Het bij nader inzien niet meer uitgeven in grondhuur aan de Stichting Lawa is dan ook onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De vordering in reconventie

De Stichting Conservatorium vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

De Stichting Lawa verbiedt om het perceelland groot 9357,76 te betreden en beheersdaden van welke aard dan ook te verrichten op straffe van een dwangsom.

3.4 De grondslag

De Stichting Conservatorium heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij het perceel reeds in grondhuur heeft verkregen en doende is het perceel in te richten voor de opzet van het conservatorium. Zij heeft gemerkt dat de Stichting Lawa zich ook op het perceel bevindt en doende is andere delen van het perceel te ontbossen terwijl dat niet de bedoeling is. Hierdoor loopt de Stichting Conservatorium het risico dat zij het perceelland niet kan inrichten zoals zij dat wenst en donoren het noodzakelijk achten.

4. Het verweer

Zowel de Staat en de Stichting Conservatorium enerzijds als de Stichting Lawa anderzijds hebben, repectievelijk in conventie en reconventie, verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling

In conventie

5.1 De Staat heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. Dat zij inderdaad een bereidverklaring heeft verleend doch daarna merkte dat het perceelland was gereserveerd voor het opzetten van een conservatorium; 2. Dat zij dat gelijk in april 2016 tijdens een onderhoud aan de Stichting Lawa heeft voorgehouden; 3. Dat de Stichting Lawa voor eigen risico investeringen heeft gepleegd omdat in de voorwaarden van de bereidverklarende beschikking is opgenomen dat die beschikking nog geen recht geeft op het perceel en dat de beschikking ook niet het recht verleend om vooruitlopend op de uitgifte activiteiten van welke aard dan ook uit te voeren.

5.2 De Stichting Conservatorium heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. Dat zij rechtsgeldig het recht van grondhuur heeft verkregen voor het perceel groot 9357,76 en de beschikking heeft overgeschreven in het register van het hypotheekkantoor; 2. Dat het perceel dat de Stichting Conservatorium heeft verkregen andere afmetingen heeft dan het door de Stichting Lawa aangevraagde perceel, waardoor het niet hetzelfde perceel betreft; 3. Dat de bereidverklaring het karakter heeft van een toezegging met als gevolg dat de burger slechts recht kan hebben op schadevergoeding, indien het niet waarmaken van de toezegging in strijd zou zijn met de wet; dat uit de bereidverklaringsbeschikking blijkt dat die beschikking generlei rechten aan de belanghebbende geeft om vooruitlopend op het uitgeven van het grondhuurrecht activiteiten van welke aard dan ook op het perceelland te verrichten; 4. Dat de Minister bevoegd is om indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, een bereidverklarende beschikking in te trekken eventueel tegen restitutie van de reeds in staatskas gestorte bedragen; ook deze voorwaarde is in de beschikking opgenomen.

5.3 De Stichting Lawa heeft op de weren gereageerd waarbij zij onder andere het volgende stelde: 1. Dat het wel hetzelfde perceel betreft, doch dat het perceel dat de Stichting Lawa heeft aangevraagd een deel is van het perceel dat aan de Stichting Conservatorium is uitgegeven; 2. Dat de Staat ten alle tijde gehouden is afspraken na te leven; ook de bereidverklaring dient nageleefd te worden; door de bereidverklaring is de Staat gehouden na voldoening van de voorwaarden het recht aan de betreffende belanghebbende uit te geven; dit blijkt uit artikel 10 van de Wet Uitgifte Domeingrond; 3. In casu heeft de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld omdat zij in strijd met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld bij het intrekken van de bereidverklaring; 4. Er is geen sprake van enige bijzondere omstandigheid die de intrekking van de bereidverklaring rechtvaardigt; 5. Ook betekent de voorwaarde in de beschikking opgenomen niet dat de Staat zondermeer de bereidverklaring mag intrekken; zij zal daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten nemen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

5.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door de bereidverklarende beschikking in te trekken en of als gevolg daarvan de beschikking waarin het perceel in grondhuur is uitgegeven aan de Stichting Conservatorium moet worden ingetrokken.

5.5 De kantonrechter overweegt dat, gelijk de Staat en de Stichting Conservatorium aanvoeren, de voorwaarden in de bereidverklarende beschikking ruimte bieden om een bereidverklaring weer in te trekken. Ook is aannemelijk geworden dat een partij aan de bereidverklaring geen rechten kan ontlenen om voor de uitgifte investeringen te plegen.

5.6 De kantonrechter overweegt voorts dat het relaas van de Staat, dat zij merkte dat de grond eigenlijk voor iets anders was bestemd en dat zij de Stichting Lawa gelijk in april 2016 heeft uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dat gesprek, welk gesprek niet is betwist door de Stichting Lawa, is aan de Stichting Lawa uitgelegd dat de grond eigenlijk voor een ander doel bestemd was. Om die reden acht de kantonrechter niet aannemelijk dat feitelijk het motiveringsbeginsel is geschonden door de Staat.

5.7 De kantonrechter overweegt voorts dat ook het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden, nu in de bereidverklaring de twee voorwaarden duidelijk zijn genoemd, namelijk de voorwaarden genoemd onder IV c en d, welke laatste voorwaarde zelfs vetgedrukt staat in de beschikking. Uit deze voorwaarden blijkt voldoende dat een partij die toch investeringen pleegt, deze voor eigen risico pleegt.

5.8 De kantonrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Staat in strijd gehandeld heeft met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierdoor zal het gevorderde worden afgewezen en komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de tweede vraag genoemd onder punt 5.4 hierboven.

5.9 De kantonrechter zal de vordering afwijzen en de Stichting Lawa veroordelen in de proceskosten.

In reconventie

5.10 De Stichting Lawa heeft als verweer onder andere aangevoerd dat het perceel aan haar moet worden toegewezen en de vordering daarom moet worden afgewezen.

5.11 De kantonrechter overweegt dat in conventie reeds is geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierdoor heeft de Stichting Lawa geen rechtsgeldige titel om zich op het perceelland te bevinden en daar beheersdaden te plegen. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd achtende de kantonrechter de gevorderde dwangsom bovenmatig.

5.12 De Stichting Lawa zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

In conventie

6.1 Wijst af het gevorderde,

6.2 Veroordeelt de Stichting Lawa in de proceskosten aan de zijde van de gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie

6.3 Verbiedt de Stichting Lawa om het perceelland groot 9357,76 vierkante meters gelegen in het district Paramaribo, ten noorden van de Boomskreek en de Jan Steenstraat en zonder nadere aanduiding aan de Stichting Lawa bekend, te betreden en beheersdaden van welke aard dan ook te verrichten op straffe van een dwangsom van SRD.10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal bedrag van SRD.1.000.000,=(eenmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat de Stichting Lawa in strijd handelt met dit verbod;

6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. Veroordeelt de Stichting Lawa in de proceskosten aan de zijde van de Stichting Conservatorium gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

6.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van vrijdag 30 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns