SRU-K2-2004-1

Kantonrechter Tweede Kanton

11 maart 2004, 2004 no. 167
(Mr. A.I. Ramnewash)

Kantonrechter in het 2e Kanton, zitting houdende te Paramaribo, inzake de vervolgingsambtenaar tegen:
[verdachte] wonende te [district], thans gevangen gehouden in Buro Nieuwe Haven.

Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2003, 8 januari 2004, 26 februari 2004 en 11 maart 2004.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage l aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder II is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder l ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder l meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De kantonrechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
p.m.
Ten aanzien van feit l:
– de verklaring van het slachtoffer t.t.z.,
– de geneeskundige verklaring van de E.H.B.O- arts dd. 29 juli 2003,
– het pv van verhoor van de getuige [naam] dd. 21 augustus 2003.

Bewijsoverweging
Bij de voorgeleiding dd. 18 augustus 2003, heeft de verdachte ontkend dit feit te hebben gepleegd. Hij heeft daarbij verklaard dat hij ziek is aan zijn penis en onder behandeling is van een dokter bij de Dermatologische dienst. Hierbij heeft hij ook verklaard dat hij derhalve niet in staat is om geslachtsgemeenschap te hebben. Bij verificatie hiervan is gebleken dat de verdachte inderdaad onder behandeling is geweest, doch dat hij voor het laatst op 27 september 2002 voor behandeling is geweest voor een seksueel overdraagbare aandoening. Verder is ook aangegeven dat deze aandoening, de erectie niet kan beïnvloeden. Op 30 september 2003 heeft de verdachte wel bekend geslachtsgemeenschap met het slachtoffer te hebben gehad tegen haar wil. Ter terechtzitting van 26 februari 2004 heeft de verdachte ook verklaard geslachtsgemeenschap met het slachtoffer te hebben gehad, echter met haar toestemming. Tevens heeft de persoon van [naam] bij proces-verbaal verklaard dat ze samen met het slachtoffer was, toen deze door de verdachte werd vastgegrepen terwijl hij iets tegen haar buik gedrukt hield en haar het erf in sleurde. Na dit te hebben gezien rende deze getuige weg teneinde hulp te halen.

De kantonrechter merkt hierbij op dat de ontkennende verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is, naar aanleiding van de getuigenverklaring en vanwege de vele tegenstrijdige verklaringen van de verdachte. Het verweer van de verdachte als zou hij het feit niet hebben gepleegd, wordt derhalve verworpen.

De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder l bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder l bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:
Verkrachting. Voorzien en strafbaar gesteld in artikel 295 W.v.Sr.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:
De verdachte heeft door middel van bedreiging met geweld en tegen de wil van het slachtoffer vleselijke gemeenschap met het haar gehad. De verdachte heeft in letterlijke zin de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geweld aangedaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van deze feiten psychische problemen hiervan kunnen ondervinden.
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de kantonrechter in het bijzonder gelet op het feit dat de verdachte eerder reeds veroordeeld is geworden voor een soortgelijk misdrijf.
De kantonrechter acht, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9,11 en 44 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder l ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder l meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder l bewezen verklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbaar feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

SRU-K1-2016-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-3752
08 december 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan [adres 1] te [district 1],
eiseres,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende in [district 2] te [adres 2],
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 28 juli 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 04 augustus 2016;
– de conclusie van antwoord d.d. 11 augustus 2016, met de producties;
– de conclusie van repliek d.d. 18 augustus 2016, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 25 augustus 2016, met producties;
– de conclusie tot uitlating over de producties d.d. 01 september 2016;
– de rolbeschikking d.d. 06 oktober 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 19 oktober 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen;
– het proces-verbaal d.d. 01 december 2016 betreffende de voortzetting van de comparitie van partijen.

1.2 Nadat partijen tijdens de comparitie van partijen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige omgangsregeling, is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd. Tijdens dit huwelijk tussen partijen is op [datum] geboren de thans nog minderjarige [naam].

2.2 Partijen zijn thans verwikkeld in een echtscheidingsproces, welke zaak bekend staat onder A.R. No. 16-0352. De echtscheiding tussen partijen is inmiddels al uitgesproken bij vonnis van de kantonrechter en zal de raadkamerbehandeling ter voorziening in de voogdij op 10 januari 2017 plaatsvinden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te gelasten de minderjarige onmiddellijk aan haar af te staan, onder bepaling, dat indien gedaagde weigeren mocht aan het voorgaande te voldoen eiseres gemachtigd is, om desnoods de hulp van de sterke arm in te roepen;
b) te bepalen, dat de minderjarige aan de zorg van eiseres wordt toevertrouwd, totdat er dienaangaande een definitieve voorziening is gegeven door de voorzieningrechter;
c) indien en voor zover nodig een voorlopige omgangsregeling vast te stellen t.a.v. de minderjarige en gedaagde;
d) een passende beslissing te nemen, zoals het de kantonrechter geraden voorkomt.

3.1.1 Eiseres legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag:
– vanwege de ontwrichting van het huwelijk heeft zij de echtelijke woning verlaten met medeneming van de minderjarige. Sedert zij de echtelijke woning heeft verlaten, heeft zij haar intrek genomen bij haar moeder;
– op 26 oktober 2016 heeft gedaagde in beschonken toestand de minderjarige meegenomen, terwijl zij aan het werk was. Sedertdien wordt eiseres door gedaagde belemmerd om enig contact met de minderjarige te hebben;
– zij is de meest aangewezen persoon, die belast dient te worden met de zorg van de minderjarige, omdat de minderjarige haar liefde en geborgenheid nodig heeft, gedaagde niet in staat en bij machte is de zorg over de minderjarige op zich te nemen, de minderjarige vaak hier en daar bij derden wordt achtergelaten, gedaagde frequent alcoholgebruiker is.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 In het belang van de minderjarige heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, teneinde een omgangsregeling als voorlopige voorziening tussen partijen te kunnen bewerkstelligen.
Vaststaat dat de minderjarige sedert oktober 2015 bij gedaagde verblijft. Op de compartiezitting van 19 oktober 2016 zijn partijen ten aanzien van de minderjarige ten overstaan van de kantonrechter de volgende omgangsregeling met elkaar overeengekomen. Met ingang van de hiervoor vermelde datum zou de minderjarige elk weekend bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige des vrijdags om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige des zondags om 13.00 uur weer terugbrengt op datzelfde adres bij gedaagde. Tijdens de evaluatie op de vervolgcomparitiezitting d.d. 01 december 2016 hebben partijen kenbaar gemaakt dat de omgangsregeling vlot is verlopen. Bij die evaluatie heeft gedaagde het verzoek gedaan of de minderjarige elk derde weekend met hem zou mogen doorbrengen. In dat licht en met het oog op de kerstvakantie zijn partijen op voorstel van de kantonrechter het volgende overeengekomen:

  • de minderjarige zal in het weekend van 02 december 2016 tot en met 04 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 02 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 04 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 16 december 2016 tot en met 18 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 16 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 18 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 23 december 2016 tot en met 25 december 2016 bij gedaagde vertoeven;
  • de minderjarige zal in de periode van 26 december 2016 tot en met 28 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 26 december 2016 om 08.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 28 december 2016 om 17.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • in het weekend van 29 december 2016 tot en met 01 januari 2017 zal de minderjarige bij gedaagde blijven;
  • in het weekend van 06 januari 2017 tot en met 08 januari 2017 zal de minderjarige bij eiseres verblijven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 06 januari 2017 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 08 januari 2017 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt.

De hiervoor gemaakte afspraken gelden tot 10 januari 2017, zijnde de datum waarop het verhoor in raadkamer ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij van de minderjarige zal plaatsvinden.

4.2 Gelet op de hiervoor tussen partijen gemaakte afspraken c.q. bereikte schikking, zoals hiervoor onder 4.1 is omschreven, zal de gevraagde voorziening conform deze afspraken worden toegewezen. In dit kader wordt partijen in herinnering gebracht om op vermelde datum het verzoek aan de voogdijrechter te doen een nadere omgangsregeling vast te stellen voor de periode na de datum van 10 januari 2017.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort, dat de gevraagde voorziening onder c zal worden toegewezen.
Nu in het belang van de minderjarige een schikking tussen partijen is bereikt, zullen de overige gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.3 Daar partijen beiden de ouders zijn van de minderjarige en het belang van de minderjarige voorop staat, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. De compensatie bestaat daarin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing
5.1 Stelt als voorlopige voorziening de volgende omgangsregeling vast:

  • de minderjarige zal in het weekend van 02 december 2016 tot en met 04 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 02 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij het kind op 04 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 16 december 2016 tot en met 18 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 16 december 2016 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 18 december 2016 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • de minderjarige zal in het weekend van 23 december 2016 tot en met 25 december 2016 bij gedaagde vertoeven;
  • de minderjarige zal in de periode van 26 december 2016 tot en met 28 december 2016 bij eiseres vertoeven, met dien verstande dat eiseres het kind op 26 december 2016 om 08.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 28 december 2016 om 17.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt;
  • in het weekend van 29 december 2016 tot en met 01 januari 2017 zal de minderjarige bij gedaagde verblijven;
  • in het weekend van 06 januari 2017 tot en met 08 januari 2017 zal de minderjarige bij eiseres verblijven, met dien verstande dat eiseres de minderjarige op 06 januari 2017 om 17.00 uur op het adres alwaar gedaagde verblijft ophaalt en zij de minderjarige op 08 januari 2017 om 13.00 uur op hetzelfde adres terugbrengt.

5.2 Bepaalt dat de voorlopige voorziening zoals onder 5.1 van de beslissing is gegeven, geldt tot 10 januari 2017, zijnde de datum van het verhoor in raadkamer ter zake de voorziening in voogdij en toeziende voogdij van de minderjarige.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend-kantonrechter in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 08 december 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2016-21

In naam van de Republiek

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 14-4434
01 augustus 2016

Vonnis in de zaak van:

1.[eiser 1],
2.[eiser 2],
echtelieden,
beiden wonende te [district], eisers,
procederend in persoon,

tegen

1.DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, volgens artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, domicilie gekozen hebbende te zijnen kantore te Paramaribo,
2. DE WETGEVENDE MACHT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ingevolge artikel 70 van de Grondwet bestaande uit:

a. DE REGERING VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ten deze vertegenwoordigd wordende door de President van de Republiek Suriname, de heer Desi Delano Bouterse, die ingevolge artikel 90 lid 1 van de Grondwet Hoofd van de Regering is, kantoor houdende te Paramaribo aan de Kleine Combéweg 2.4,
b. DE NATIONALE ASSEMBLEE VAN DE REPUBLIEK SURINAME, ten deze ingevolge artikel 7 van het Reglement van orde van de Nationale Assemblee (S.B. 1990 No. 43) naar buiten vertegenwoordigd wordende door haar Voorzitter, mevrouw drs. Jennifer Geerlings-Simons, kantoor houdende te Paramaribo aan het Onafhankelijkheidsplein 10,

gedaagden
gemachtigde: mr. S.D. Kraag, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 14 oktober 2014 met bijlagen op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis d.d. 17 november 2014;
– de conclusie van antwoord d.d. 20 april 2015;
– de conclusie van repliek d.d. 18 mei 2015 met een productie;
– de conclusie van dupliek d.d. 06 juli 2015.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet gemotiveerd weersproken, gelet op de in zoverre niet betwistte inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 Bij resolutie van de president van de Republiek Suriname (hierna resolutie) van 05 januari 1985 is [eiser sub 1], te rekenen van 15 oktober 1984 belast met de functie van lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname.

2.2 Eiser sub 1 is op zijn verzoek eervol ontlast van de functie van lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie van Suriname bij resolutie van 19 april 2005.

2.3 Bij resolutie van 12 oktober 2007 is eiser sub 1 te rekenen vanaf 01 oktober 2007 benoemd tot lid van het Hof van Justitie van Suriname.
In de resolutie staat onder meer:
“(…) GELET OP:
(….)
2. de “Personeelswet (G.B. 1962 no. 195), geldende tekst S.B. 1985 no. 41, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1987 no. 93;
(…)
II. Te bepalen, dat de Ministers van Justitie en Politie en van Binnenlandse Zaken belast zijn met de uitvoering van deze resolutie, waaronder begrepen is het volgens de terzake geldende regelen toekennen van de bezoldiging en van eventuele toelagen en het voorstellen van de bijdragegrondslag.”

2.4 Eiser sub 1 is op zijn verzoek bij resolutie van 11 december 2013 eervol ontslag verleend uit Staatsdienst te rekenen vanaf 01 augustus 2012 “onder dankbetuiging voor de gedurende lange tijd aan de Staat bewezen diensten”.

2.5 Bij beschikking van de minister van Binnnenlandse Zaken van 27 maart 2014 is besloten: “(…) aan de gewezen landsdienaar in de functie van Lid van het Hof van Justitie, op arbeidsovereenkomst, bij het Ministerie van Justitie en Politie,… op zijn verzoek, te rekenen van 1 mei 2013, een onderstaand uit Staatskas te verlenen, ten bedrage van SRD 14,34 (….) per maand (…)”

3. De vordering daarvan en het verweer
3.1 Samengevat houdt de vordering van eisers na de wijziging van hun eis in bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(1) eisers toestemming te verlenen gedaagden op verkorte termijn te doen dagvaarden;
(2) gedaagden te veroordelen om binnen zes maanden na betekening van dit vonnis of binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de organieke wet ex art. 131 lid 3 van de Grondwet, Gw, aan te nemen en inwerking te doen treden door publicatie in het Staatsblad c.q. voornoemde organieke wet in behandeling te nemen, op voortvarende wijze af te handelen en in werking te doen treden;
(3,4) gedaagde sub 1 te veroordelen om eisers c.q. eiser sub 1 te betalen de som van: SRD 98.532,72 wegens pensioen, en SRD 68.991,33 wegens onderstand, althans in goede justitie te bepalen bedragen, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan de dag van algehele voldoening.
(5,6) gedaagde sub 1 te veroordelen om ingaande 01 oktober 2014 tot en met de inwerkingtreding van bedoelde organieke wet, maandelijks, aan eiser sub 1 wegens pensioen het bedrag van SRD 3.789,72 en wegens onderstand het bedrag van SRD 2.816, althans in goede justitie vast te stellen bedragen, te betalen;(7) gedaagde sub 1 te veroordelen om ingaande het overlijden van eiser sub 1 tot en met de inwerkingtreding van bedoelde organieke wet, maandelijks een eiseres sub 2 een bedrag gelijk aan 75% van (SRD 3.789,72+SRD 2.816,-) is gelijk aan SRD 4.954,29 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te bepalen.
(8) gedaagde sub 1 te veroordelen een bij verhoging van de bezoldiging van de rechterlijke macht met rechtspraak belast, genoemde bedragen dienovereenkomstig aan te passen;
(9, 10) gedaagden te veroordelen in de proceskosten waaronder de kosten van betekening van dit vonnis en de executiekosten.

3.2 Eisers leggen aan deze vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag.
-Gedaagden handelen opzettelijk, met hun schuld daaraan, in strijd met hun rechtsplicht en handelen daardoor onrechtmatig jegens eisers, als gevolg waarvan eisers schade lijden. Aan de grondwettelijke bepaling in, de kantonrechter leest verbeterd art 141 lid 3 Gw i.p.v. art 131 lid 3 Gw, hebben gedaagden geen uitvoering gegeven, waardoor eiser sub 1 niet in aanmerking komt voor de geldelijke vergoeding en eiseres sub 2 eveneens niet na het overlijden van eiser sub 1.

– De Staat Suriname handelt discriminatoir en dus onrechtmatig jegens (gewezen) leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en hun nabestaanden, omdat voor de leden en de gewezen leden alsmede hun nabestaanden van De Nationale Assemblee, van de president en de vicepresident en van de (gewezen) ministers en onderministers ter uitvoering van de artikelen 86, 112 en 126 Gw de geldelijke rechtspositie wel bij wet is voorzien.

– Eiser sub 1 is gedurende 18 jaren en 2 ½ maand als lid-plaatsvervanger en voor een periode van 4 jaren en 10 maanden als van het Hof van Justitie werkzaam geweest.

– Eiser sub 1 heeft via brieven aan de vicepresident van 3 februari en 16 april 2013 aandacht hiervoor gevraagd en geen antwoord ontvangen. Op een brief van 14 juli 2014 gericht aan de president heeft eiser sub 1 een kopie van een brief ontvangen, afkomstig van de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de president en gericht aan de waarnemend directeur van het Pensioenfonds Suriname. Eiser sub 1 heeft aan de directeur Bestuurs- en Administratieve Aangelegenheden van het kabinet van de president in een brief van 14 augustus 2014 bericht dat zijn vordering is gebaseerd op het in gebreke blijven van opeenvolgende regeringen om uitvoering te geven aan art 145 lid 4 Gw 1975 en art 141 lid 3 Gw 1987. Een antwoord op laatst bedoeld schrijven heeft eiser sub 1 niet ontvangen.

– Eiser sub 1 ontvangt thans een onderstand – door het ministerie van Justitie en Politie voor hem aangevraagd – ad SRD 248,51 per maand.

3.3 Gedaagden betogen, kort samengevat, als volgt:
– Wetgeving waarin de financiële positie van rechters is geregeld is er altijd geweest. In die wetgeving zijn onder meer pensioenafdrachten waarmee pensioen wordt opgebouwd bepaald. Dat hiertoe een wet in formele zin ontbreekt, levert geen onrechtmatige daad op, omdat een bestendige regeling van toepassing is waar rechters zich op kunnen beroepen.

– Eisers kunnen niet via de rechterlijke macht de wetgevende macht dwingen een voor hen gunstige regeling bij wet in het leven te roepen; formele wetgeving is het prerogatief van de wetgever in formele zin.

– Eisers’ aanname dat wetgeving ontwikkeld zal worden tot het nivelleren van de financiële positie van rechters, president en vicepresident mist zowel een feitelijke als een reële grondslag.

– Tijdens zijn functioneren als lid-plaatsvervanger bij het Hof van Justitie heeft eiser sub 1 tegelijkertijd het ambt van notaris uitgeoefend. Bij die omstandigheid is geen sprake van bezoldigd lidmaatschap van de rechterlijke macht ex art 7 van, de kantonrechter leest verbeterd het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht, G.B. 1935 no. 79, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1994 no. 17 i.p.v. de Wet Rechterlijke Organisaties. In bedoelde periode is geen sprake geweest van pensioenopbouw.

– In de benoemingsresolutie tot Lid van het Hof van Justitie van 12 oktober 2007 is geen bijdragegrondslag opgenomen, omdat in de aanhef van bedoelde resolutie de Ambtenarenpensioenwet niet is aangehaald en deze wet daarom niet van toepassing is.

– Eiser sub 1 heeft nimmer pensioenafdrachten gepleegd en die afdrachten hebben ook niet namens hem plaatsgevonden. Uit zijn loonstrook moet eiser sub 1 zulks hebben kunnen vaststellen, maar hij heeft hiervoor niet de aandacht van de bevoegde instanties gevraagd. Een schadeloosstelling gelijk aan de pensioenuitkering terwijl geen afdracht van de pensioenpremie heeft plaatsgevonden is in strijd met de huidige regeling voor rechters.

3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van eisers in hun vordering tegen de gedaagde sub 2, omdat noch de wetgevende macht noch De Nationale Assemblee openbare rechtspersonen of bestuursorganen zijn.

4.1.1 Volgens eisers gaan gedaagden eraan voorbij dat in het Surinaams (proces)recht is geaccepteerd dat in het algemeen bestuursorganen als verwerende partij in rechte optreden. Eisers verwijzen in dit verband naar M.R. Hoever-Venoaks en L.J. Damen, 1996, waar de districts-commissaris, de procureur-generaal en de ontvanger der directe belastingen als voorbeelden zijn genoemd.

4.1.2 Eisers’ standpunt over het in rechte optredende bestuursorgaan als verwerende partij is op zichzelf niet onjuist. In het voorliggend geding zijn De Nationale Assemblee en Regering genoemd als delen waaruit de gedaagde, “de wetgevende macht”, bestaat. Ex artikel 70 Gw wordt de wetgevende macht gezamenlijk uitgeoefend door De Nationale Assemblee en Regering. Dit houdt in dat de wetgevende macht is opgedragen aan De Nationale Assemblee en de Regering, waarbij laatstgenoemde een uitvoerende taak heeft. De wetgevende macht is aldus geen bestuursorgaan, wat eisers overigens bij conclusie van repliek niet hebben weersproken. De wetgevende macht kan daarom niet als procespartij, in casu als gedaagde, in het geding optreden.

4.1.3 De wijze van duiding van de gedaagde sub 2 leidt er voorts niet toe dat de wetgevende macht, De Nationale Assemblee en de Regering als afzonderlijke procespartijen zijn gedaagd. Op die grond wordt aan een beoordeling van hen afzonderlijk als procespartij niet toegekomen.

4.1.4 Eisers zullen op grond van het voorgaande niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering tegen gedaagde sub 2.

4.1.5 Suriname, de Staat Suriname, is rechtspersoon en kan in een rechtsgeding als eiser of gedaagde betrokken zijn, art 95 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv, en wordt in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, art 146 lid 2 Gw. Voor zover eisers tegen de Staat Suriname gevorderd hebben worden zij in hun vordering ontvangen. In vorderingen tegen “gedaagden”, zijn eisers ontvankelijk voor zover die vorderingen mede tegen de Staat Suriname, gedaagde sub 1, zijn ingesteld.

4.2 In deze zaak gaat het om de schade die eiser sub 1 en zijn echtgenote, eiseres sub 2 stellen te lijden als gevolg van een nalaten door gedaagde sub 1 om te voorzien in formele wetgeving ter regeling van de rechtspositie van leden van het rechtsprekende deel van de rechterlijke macht.

4.2.1 Tussen partijen is niet in geschil dat geen organieke wet tot stand is gekomen als uitvloeisel van art. 141 lid 3 Gw.

4.2.2 Gedaagde sub 1 stelt zich op het standpunt dat niet de rechterlijke macht maar de wetgever in formele zin zelf de rechtspolitieke keuze maakt over de totstandkoming van wetten zonder daartoe door de rechter geïnstrueerd te zijn. Ook beroept de Staat zich op een bestendige regeling, die voorziet in de wijze waarop rechters hun pensioen dienen op te bouwen zoals bij Ambtenarenpensioenwet is bepaald. Indien de inhoud van die bestendige regeling een persoon of enkelen in het nadeel brengt, maakt zulks het niet voorzien hebben in formele wetgeving door de Staat niet onrechtmatig.

4.2.3 Eisers stellen dat de voorliggende vordering niet strekt tot het vaststellen van de inhoud van de wet, wat immers de bevoegdheid van de wetgevende macht is. De grondslag is dat gedaagde sub 1 heeft nagelaten de constitutionele verplichting voortvloeiend uit artikel 141 lid 3 Gw voor de regeling van de geldelijke voorzieningen van rechters voor te bereiden, of de uitvoering voor te bereiden, of uit te voeren. Eisers’ standpunt in deze is dat gedaagde sub 1 zich weliswaar beroept op staatsbesluiten, maar dat voorafgaande aan die besluiten niet bij wet in formele zin in de financiële rechtspositie van de leden van de rechterlijke macht is voorzien. Dit is volgens eisers in strijd met de beginselen van de rule of law.

4.2.4 De rechter zal zich niet bevoegd achten een bevel tot wetgeving te geven in geval het beginsel dat de wet moet worden nageleefd conflicteert met een beginsel van behoorlijk bestuur. Ook in Nederlandse rechtspraak komt deze behoedzaamheid tot uiting in bijvoorbeeld het arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 21 maart 2003, NJ 2003, 691, waarin onder meer is overwogen dat:

“de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand zal komen, moet worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de erbij betrokken belangen. De evenzeer op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen brengt mee dat de rechter niet vermag in te grijpen in die procedure van politieke besluitvorming. (…) en indien moet worden aangenomen dat de Staat daarmee onrechtmatig handelt, kan de rechter niet een bevel geven binnen een door hem te bepalen termijn alsnog die wetgeving vast te stellen, Ook dan geldt nog steeds dat de vraag of wetgeving tot stand moet worden gebracht en zo ja welke inhoud deze moet hebben, noopt tot een afweging van vele belangen, ook van niet bij een procedure als de onderhavige betrokken partijen, en een politieke beoordeling vergt, waarin de rechter niet kan treden”.

In het algemeen is behoedzaamheid van de rechter geboden met het vellen van een oordeel over alles wat met wetgeving in formele zin samenhangt, ook een bevel tot vaststelling van een organieke wet (zie ook P.P.T. Bovend’Eert en C.A.J.M. Kortmann, 2008).

4.2.5 De vordering sub 2 strekt ertoe een onrechtmatige toestand op te heffen door gedaagde sub 1 te veroordelen een organieke wet aan te nemen en inwerking te doen stellen. Op de gronden als hiervoor overwogen zal deze vordering tot veroordeling van gedaagde sub 1 om de organieke wet ex artikel 1412 lid 3 Gw aan te nemen en in werking te doen stellen moeten worden afgewezen.

4.2.6 Bij afwijking van de vordering sub 2 op voorgaande gronden, met name dat de gedraging van gedaagde sub 1 op grond van afweging van belangen behoort te worden geduld, behouden de benadeelden, in casu eisers, evenwel het recht op vergoeding van de schade.

4.3 Het Hof van Justitie stelt in haar vonnis H.v.J. 17 februari 1978, A-67 vast dat pseudowetgeving (beleid) geen afbreuk doet aan wettelijke bepalingen. In het voorliggend geval is sprake van lagere wetgevingsproducten en van beleid. Bedoelde lagere wetgeving is geen nadere regeling van een organieke wet die is voortgevloeid uit artikel 141 lid 3 Gw. Voor zover gedaagde sub 1 met “bestendige regeling” op zijn beleid heeft gedoeld, zal in dat geval alsook in het geval van lagere wetgeving moeten worden getoetst aan beginselen van behoorlijk bestuur.

4.3.1 Van schending van het gelijkheidsbeginsel jegens het rechtsprekende deel van de rechterlijke macht kan volgens gedaagde sub 1 geen sprake zijn, omdat de aanname dat nivellering van de financiële positie bij wet zal worden bepaald een feitelijke en reële grondslag mist. Ook de omstandigheid dat op rechters een bestendige regeling van toepassing is en daarvan wordt afgeweken ten gunste van andere ambtsdragers waaronder de president, vice-president en ministers brengt volgens gedaagde sub 1 niet met zich dat sprake is van onrechtmatig handelen. Gedaagde sub 1 volhardt daarin dat in de resolutie d.d. 12 oktober 2007 geen bijdragegrondslag is opgenomen omdat in de aanhef van die resolutie de Ambtenarenpensioenwet niet is aangehaald. Voorts voert hij aan dat de wijze waarop eiser sub 1 tot lid van de rechterlijke macht is benoemd reden is van de situatie waarin hij, eiser sub 1, thans is beland. Voorts wordt eiser sub 1 verweten dat hij er zelf schuld aan heeft dat aan hem geen pensioen toekomt omdat hij nimmer pensioenpremie heeft gestort.

4.3.2 Uit de resolutie d.d. 12 oktober 2007 blijkt dat twee ministers, de ministers van Justitie en Politie en van Binnenlandse Zaken, zijn belast met de uitvoering van die resolutie, waaronder begrepen het toekennen van de ter zake geldende regelen van bezoldiging en het vaststellen van de bijdragegrondslag. Een en ander onder overweging van de Personeelswet. Gedaagde sub 1 geeft echter geen nadere verduidelijking of de bij resolutie genoemde ministers in overeenstemming met de aan hen gegeven instructie de bijdragegrondslag voor eiser sub 1 al dan niet hebben vastgesteld. Het verweer dat eiser sub 1 niet onder de aandacht van bevoegde instanties heeft gebracht dat in zijn geval geen pensioenafdrachten zijn gedaan en zijn situatie aan hemzelf te wijten is, snijdt in het licht van deze omstandigheden dan ook geen hout.

4.3.3 Nota bene blijkt uit de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 maart 2014 dat de Staat eiser sub 1 als landsdienaar in de functie van Lid van het Hof van Justitie, op arbeidsovereenkomst in dienst heeft doen treden bij het Ministerie van Justitie en Politie, dit in strijd met de resolutie van 12 oktober 2007. De beschikking van genoemde minister geeft voorts blijk van het geheel voorbijgaan aan de bepaling in artikel 141 lid 2 van de Grondwet. In genoemd artikel is immers voorzien dat de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast voor het leven zijn benoemd. De Staat negeert aldus het bepaalde in artikel 14a van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht, dat de pensioengerechtigde leeftijd van de president, de vice-president en de leden van het Hof van Justitie is gesteld op zeventig jaar. Het voorgaande brengt met zich mee dat de Staat onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële gevolgen van haar handelen voor eiser sub 1.

4.3.4 Een zodanige bejegening geeft geen blijk van zorgvuldig handelen. In de voorbereiding en afweging van alle relevante omstandigheden, heeft de Staat onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van eiser sub 1. Daarbij is gedaagde sub 1 volkomen voorbijgegaan aan de cruciale rol van de rechtspraak voor de maatschappij die bij Grondwet is bepaald. Wat nog meer is, uit het door gedaagde sub 1 ingenomen standpunt komt naar voren dat de Staat zich niet zal beijveren voor een behoorlijke bejegening van zijn (gewezen) rechters door middel van regelgeving voor de rechtspositie van rechters die essentieel verschilt van de (overige) ambtenaren.

4.3.5 Maar ook als gedaagde sub 1 zou menen, wat overigens zijn verweer mede behelst, dat in het onderhavige geval zijn optreden zowel publiek- als administratiefrechtelijk als rechtmatig kan worden aangemerkt, doet zich niettemin in casu de situatie voor waarin het niet redelijk is de schade als gevolg van de behartiging van een – mogelijk – zwaarder wegend algemeen belang ten laste te laten van eisers en getuigt het allerminst van behoorlijk bestuur het goed te vinden dat de benadeling eisers onevenredig zwaar treft ten opzichte van anderen.

4.4 Al het voorgaande brengt met zich dat de vordering van eisers als na te melden zal worden toegewezen.

4.5 Gedaagde sub 1 zal in de proceskosten worden verwezen.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagde sub 2.

5.2 Veroordeelt gedaagde sub 1 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “pensioen” te betalen de som van SRD 98.532,772 (achtennegentigduizend vijfhonderd tweeëndertig 72/100 Surinaamse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar gerekend vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt gedaagde sub 1 om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “onderstand” te betalen de som van SRD 68.991,33 (achtenzestigduizend negenhonderd eenennegentig 33/100 Surinaamse Dollar) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar gerekend vanaf 24 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.4 Veroordeelt gedaagde sub 1 om ingaande 01 oktober 2014 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “pensioen” te betalen de som van SRD 3.789.72 (drieduizend zevenhonderd negenentachtig 72/100 Surinaamse Dollar) per maand.

5.5 Veroordeelt gedaagde sub 1 om ingaande 01 oktober 2014 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers c.q. aan eiser sub 1 wegens “onderstand” te betalen de som van SRD 2.816,- (tweeduizend achthonderd zestien Surinaamse Dollar) per maand.

5.6 Veroordeelt gedaagde sub 1 om ingaande het overlijden van eiser sub 1, maandelijks, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres sub 2 te betalen een bedrag gelijk aan 75% van de onder 5.4. en 5.5 genoemde bedragen, zijnde 75% van SRD 3.789,72 (drieduizend zevenhonderd negenentachtig 72/100 Surinaamse Dollar) per maand en 75% van SRD 2.816,- (tweeduizend achthonderd zestien Surinaamse Dollar) is gelijk aan 75% van SRD 4.954,29 (vierduizend negenhonderd vierenvijftig 29/100 Surinaamse Dollar).

5.7 Veroordeelt gedaagde sub 1 om bij verhoging van de bezoldiging van de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast de bedragen genoemd onder 5.4, 5.5 en 5.6 dienovereenkomstig aan te passen.

5.8 Veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van betekening en executie van dit vonnis.

5.9 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.10 Veroordeelt gedaagde sub 1 in de kosten van het geding aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 595,- (vijfhonderd en vijf en negentig Surinaamse Dollar).

5.11 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter lid-plaatsvervanger in het eerste kanton, en in het openbaar uitgesproken op maandag 01 augustus 2016 te Paramaribo in aanwezigheid va de fungerend griffier, mr. S.P. Andea.

w.g.S.P.Andea w.g. S.J.S. Bradley

SRU-K1-2015-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R.no. 10-0861
24 februari 2015

Vonnis inzake:

LE GRAND BALDEW N.V.,
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
eiseres, hierna aangeduid met “het vervoersbedrijf”
gemachtigde: was: mr. S. Gopalrai, advocaat,
thans: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

A. RESIDENCE INN N.V.,

B. DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V. (SLM),
rechtspersonen, gevestigd te Paramaribo,
gedaagden, hierna mede aangeduid met “het hotel” en “SLM”,
gemachtigde: was: mr. F. Kruisland, advocaat,
thans: mr. M.I. Vos, advocaat.

1. Het verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties dat op 24 februari 2010 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de conclusie van antwoord en uitlating producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De Feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

2.1 SLM is de directie voerende vennootschap van het hotel.

2.2 Het hotel heeft op 28 maart 2002 een overeenkomst gesloten met het vervoersbedrijf om haar hotelgasten vanuit het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven en vice versa te vervoeren, en wel ingaande 01 april 2002 voor de duur van een jaar.

2.3 Het hotel heeft op 28 maart 2003 wederom een overeenkomst gesloten met het vervoersbedrijf om haar hotelgasten vanuit het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven en vice versa te vervoeren, en wel ingaande 01 april 2003 voor de duur van een jaar, eindigende op 31 maart 2004.

2.4 In de periode 01 oktober 2003 tot en met 31 mei 2009, heeft het hotel diverse betalingen gedaan aan het vervoersbedrijf terzake vervoer van hotelgasten.

2.5 Het vervoersbedrijf heeft vanaf juni 2009 geen vervoersopdrachten meer gehad van het hotel.

2.6 Bij exploot no. II.0264 van de gerechtsdeurwaarder R. Kappel, heeft het vervoersbedrijf op 15 december 2009 gedaagden in gebreke doen stellen teneinde het vervoer van de hotelgasten te hervatten.

2.7 Op 06 januari 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van partijen ten kantore van het hotel.

2.8 In de kort geding zaak tussen partijen met A.R.no. 10-3172 zijn gedaagden gemaand tot het openen van onderhandelingen met het vervoersbedrijf om te geraken tot een minnelijke schikking, doch staat deze zaak thans voor vonnis op 13 maart 2014.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De vordering
Het vervoersbedrijf vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te gelasten dat gedaagden het vervoer van de gasten van het hotel naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven door het vervoersbedrijf doen verrichten, waarbij gedaagden dagelijks een lijst doen toekomen aan het vervoersbedrijf, met vermelding van de namen van de hotelgasten die per dag individueel of per groep in voornoemd hotel verwacht worden vanaf voornoemde luchthaven c.q. uit het hotel naar de luchthaven zullen vertrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,-voor iedere dag dat gedaagden nalaten aan het ten deze te wijzen vonnis gevolg te geven.
  2. gedaagden te verbieden het vervoer van de gasten van het hotel naar de luchthaven door anderen dan het vervoersbedrijf te doen verrichten, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat gedaagden in strijd met het in deze te wijzen vonnis handelen.
  3. gedaagde te veroordelen om aan het vervoersbedrijf tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van USD 24.000,-, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan de algehele voldoening.

3.2 De grondslag
Het vervoersbedrijf heeft tegen de achtergrond van de feiten, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij bijkans negen jaren achtereen passagiers vervoert tussen het hotel en de Johan Adolf Pengel Luchthaven. In of omstreeks de maand mei 2009 is de werkrelatie tussen partijen onderbroken zonder opzegging van de jarenlange in acht genomen overeenkomst. Door de onderbreking is ineens een aanzienlijk deel van de inkomsten van het vervoersbedrijf komen weg te vallen, met groot financieel nadeel voor het vervoersbedrijf als gevolg. Een redelijke grond voor opzegging van de reeds langdurige samenwerking is voorts niet aannemelijk gemaakt. Ondanks gemaakte afspraken tijdens een bespreking op 06 januari 2010 om het vervoer van de gasten te hervatten, hebben gedaagden geen gevolg gegeven aan de gemaakte afspraken. Gedaagden maken zich aldus schuldig aan wanprestatie alsmede aan een onrechtmatige daad, met hun schuld daaraan,waardoor het vervoersbedrijf schade lijdt. Gedaagden hebben namelijk in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid waaraan zij gehouden zijn in hun relatie tot het vervoersbedrijf.

3.3 Het verweer
Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter komt indien nodig in zijn beoordeling terug op dit verweer.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagden hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tegen SLM, aangezien SLM in haar hoedanigheid van direkteur van het hotel ingevolge artikel 103 van het Wetboek van Koophandel gerechtigd en bevoegd is het hotel te besturen en te vertegenwoordigen binnen het kader van haar deelname aan het maatschappelijk verkeer, doch zijn handelingen van SLM dan handelingen van het hotel als rechtspersoon en geen handelingen van SLM als rechtssubject.

4.2 Het vervoersbedrijf voert hiertegen aan dat SLM in de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken is ingeschreven als oprichtster en directie voerende vennootschap van het hotel en zoals algemeen bekend, wordt onder directie voeren al hetgeen verstaan dat te maken heeft met de dagelijkse leiding en exploitatie van de instelling. Voorts voert het vervoersbedrijf aan dat zij meermalen rechtstreeks te maken heeft gehad met SLM in de persoon van de heer [naam], die aanzat aan de vergadertafel en zelfs uiterlijk goedkeuring gaf aan de vervoersafspraken en na alle gedetailleerde besprekingen, duidelijk maakte dat goedkeuring van SLM van de afspraken tussen het vervoersbedrijf en het hotel steeds een vereiste is geweest. Ook bij de bespreking van 06 januari 2010 heeft de heer [naam] namens SLM aangezeten.

4.3 Gedaagden voeren bij dupliek aan dat zij persisteren bij het gestelde bij conclusie van antwoord en stellen dat de positie van SLM slechts in haar hoedanigheid van bestuurder van het hotel is en niet van een afzonderlijke contractspartij naast het hotel, hetgeen overigens blijkt uit de overeenkomst d.d. 28 maart 2003, welke alleen tussen het vervoersbedrijf en het hotel is getekend.

4.4 De kantonrechter overweegt dat inderdaad – zoals door gedaagden gesteld – niet gebleken is dat er tussen SLM als rechtspersoon en het vervoersbedrijf een rechtsrelatie bestaat, nu niet is betwist dat de vervoersafspraken steeds tussen het vervoersbedrijf en het hotel zijn gemaakt. Natuurlijk zal SLM in haar hoedanigheid van directeur van het hotel goedkeuring moeten geven aan het te voeren beleid van het hotel, doch is SLM als rechtspersoon geen partij bij die overeenkomsten. Op grond hiervan moet naar het oordeel van de kantonrechter het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen SLM als rechtssubject, nu SLM niet in haar hoedanigheid van directievoerder van het hotel is aangesproken.

4.5 Met betrekking tot de vervoersovereenkomsten voert het hotel aan dat nadat de tweede vervoersovereenkomst op 31 maart 2004 was verlopen, er telkens incidentele vervoersopdrachten aan het vervoersbedrijf zijn gegeven, doch telkens op afroep.Vanaf 01 juni 2009 zijn dergelijke vervoersopdrachten niet meer aan het vervoersbedrijf gegeven. Hoewel er gesprekken zijn gevoerd op 06 januari 2010 met betrekking tot een nieuw duurcontract, hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de prijs. Er was en er is geen relatie tussen partijen op basis waarvan het hotel vergoedingen verschuldigd is aan het vervoersbedrijf.

4.6 Het vervoersbedrijf voert hiertegen bij repliek aan dat het hotel gedurende de jaren 2001 tot halverwege 2009 steeds bedragen voor vervoer heeft betaald; uit de grootte van deze bedragen, naast de regelmaat, moge blijken dat het niveau van de door het hotel beweerde ‘incidentele vervoersopdrachten’ langdurig en ruimschoots is overschreden. Op dezelfde wijze zoals in de schriftelijke tekst uitdrukkelijk en gespecificeerd is vastgelegd, heeft het vervoersbedrijf het vervoer verricht, is dit haar aangeboden en is zij daarvoor betaald. Overigens is de overeenkomst tussen partijen steeds stilzwijgend verlengd ingevolge artikel 9 lid 2 van de overeenkomst van 28 maart 2003, hetwelk bepaald dat bij niet-verlenging door beide partijen een opzegtermijn van twee maanden in acht zal worden genomen. Tot op heden heeft het vervoersbedrijf geen opzegging ontvangen, waardoor de wanprestatie van het hotel per 01 juni 2009 vaststaat.

4.7 Het hotel voert bij dupliek hiertegen aan dat de overeenkomst voor een bepaalde tijd, namelijk een jaar, was aangegaan en dat de bepaling van artikel 9 lid 2 dan ook alleen uitgelegd kan worden als te zijn een overgangsbepaling met betrekking tot het einde van de relatie, in die zin dat als geen verlenging plaatsvond, partijen gelet op hun beider belang, nog twee maanden met elkaar zouden doorgaan. Hoe zou namelijk een overeenkomst die door het verstrijken van de tijd waarvoor zij is aangegaan is geëindigd, nog kunnen en moeten worden opgezegd. Zulks klemt te meer, nu duidelijk in die bepaling is aangegeven, dat partijen op de laatste dag van de duur van de overeenkomst moesten besluiten tot al of niet verlenging. Voorts persisteert het hotel erbij dat het vervoer nadien gepleegd, incidentele opdrachten betrof, in die zin dat telkens nieuwe overeenkomsten voor vervoer op een bepaalde dag werden gesloten en het geen voortgaande relatie van duurzame aard betrof. Het hotel ontkent dat de overeenkomst mondeling zou zijn verlengd.

4.8 De kantonrechter overweegt dat de betalingsovermakingen van het hotel naar het vervoersbedrijf, zoals gesteld bij conclusie van repliek door het vervoersbedrijf, als niet betwist vast staan. Als niet betwist staat eveneens vast dat de vervoersopdrachten uitgevoerd na maart 2004, zijn uitgevoerd conform de voorwaarden en specificaties die in de voorheen geldende vervoersovereenkomsten waren overeengekomen. Op basis van deze vastgestelde feiten en op basis van de geconstateerde regelmaat van de vervoersopdrachten tussen maart 2004 en juni 2009, is naar het oordeel van de kantonrechter de vervoersovereenkomst tussen het vervoersbedrijf en het hotel voortgezet onder dezelfde voorwaarden. Niettegenstaande hetgeen in artikel 9 lid 2 van de oude overeenkomst is vastgelegd, hebben partijen door alzo te handelen een andere betekenis aan voormeld artikel toegekend. Niet gesteld of gebleken is dat de vervoersovereenkomst is opgezegd nadat deze na maart 2004 is voortgezet, weshalve de wanprestatie van het hotel jegens het vervoersbedrijf vast staat. Het vervoersbedrijf is daarom gerechtigd om nakoming te vorderen van het hotel. Tevens is het hotel aansprakelijk voor de schade die het vervoersbedrijf lijdt als gevolg van de wanprestatie van het hotel en is het hotel gehouden om het vervoersbedrijf deze schade te vergoeden, nu het hotel vanaf 15 december 2009 in gebreke is gesteld.

4.9 Uit het onder I van het petitum gevorderde begrijpt de kantonrechter dat het hotel nakoming van de vervoersovereenkomst vordert onder dezelfde voorwaarden als voorheen. Nu de wanprestatie van het hotel vast staat en er geen gronden voor overmacht zijn gesteld of gebleken, zal het gevorderde onder I worden toegewezen,met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zal worden gemaximeerd op SRD 100.000,-.

4.10 De kantonrechter overweegt dat niet gesteld of gebleken is dat de vervoersovereenkomst enige mate van exclusiviteit ten opzichte van het vervoersbedrijf inhield, in dier voege dat niet gesteld of gebleken is dat in de vervoersovereenkomst was opgenomen dat het hotel haar gasten uitsluitend door het vervoersbedrijf zou doen vervoeren, zodat het gevorderde onder II van het petitum als ongegrond zal worden afgewezen.

4.11 Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, overweegt de kantonrechter dat onder andere vanwege het ontbreken van een exclusiviteitsafspraak, het vervoersbedrijf haar investeringen in alle redelijkheid niet kan verhalen op het hotel.De gederfde inkomsten tussen de maand juni 2009 en februari 2010 is niet onderbouwd. Bovendien zou de schadevergoeding slechts vanaf de ingebrekestelling,dus vanaf 15 december 2009 kunnen worden toegekend, doch zal deze als niet onderbouwd worden afgewezen.

4.12 Het hotel zal, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het vervoersbedrijf gevallen, zoals begroot in de beslissing.

5. De beslissing
De kantonrechter

5.1 Gelast het hotel om het vervoer van de gasten van het hotel van respectievelijk naar de Johan Adolf Pengel Luchthaven door het vervoersbedrijf te doen verrichten,waarbij het hotel dagelijks een lijst doet toekomen aan het vervoersbedrijf, met vermelding van de naam van de hotelgasten die per dag individueel of per groep in voornoemd hotel verwacht worden vanaf voornoemde luchthaven c.q. uit het hotel naar de luchthaven zullen vertrekken, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van SRD 1.000,- (éénduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat het hotel nalaat aan het ten deze te wijzen vonnis gevolg te geven, met dien verstande dat de maximaal te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 100.000,- (éénhonderd duizend Surinaamse dollar), niet zal overschrijden.

5.2 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Verklaart het vervoersbedrijf niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen SLM.

5.4 Veroordeelt het hotel in de proceskosten aan de zijde van het vervoersbedrijf gevallen en tot aan de uitspraak begroot op SRD 308,- (driehonderd acht Surinaamse dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter plaatsvervanger in het Eerste Kanton,mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van dinsdag 24 februari 2015, uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. R.G. Chatterpal, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier

SRU-K1-2014-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 142157
12 juni 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

tegen

De Staat Suriname (het Ministerie van R.O.G.B.), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Ch.N. Mijnals, advocaat,

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 15 mei 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de mondelinge conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek;
– de op 10 juni 2014 gegeven rolbeschikking tot het houden van een descente;
– overlegging van een productie aan de zijde van gedaagde;
– de mondelinge conclusie tot uitlating zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 13 juni 2014 doch bij vervroeging op heden.

2. De beoordeling

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd weersproken staat in rechte tussen partijen het volgende vast:

2.2 Bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen dd. 31 oktober 1994 no. D. [nummer 1] (de oorspronkelijke beschikking), is aan eiser in grondhuur verstrekt, ter uitoefening van de landbouw, voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 28,97 ha, gelegen in [district], ten oosten van [weg], nader aangeduid op de in 4-voud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname G.R. Liesdek dd. 14 mei 1992, met de letters ABCD en blijkens de indorso gestelde aantekening van landmeter Ing. H. Kalloe dd. 14 mei 1992 thans bekend als de percelen ten oosten van de [adres 1] (hierna het perceel).

2.3 Voornoemd recht van grondhuur is aan eiser verleend onder, onder meer de voorwaarde dat het perceel binnen 3 jaar na te zijn verstrekt in grondhuur, in cultuur moet worden gebracht en wel als volgt:

a. in het eerste jaar : ongeveer ¼ deel van het perceel;
b. in het tweede jaar : ongeveer ½ deel van het perceel;
c. in het derde jaar : ongeveer ¾ deel van het perceel.

2.4 Bij beschikking van 25 juni 1998 no. D [nummer 2] (hierna beschikking I) is aan eiser toestemming verleend om het deel groot 9, 2704 ha deel uitmakend van het perceel mede te bestemmen ter bebouwing en bewoning.

2.5 Bij beschikking van 29 januari 2009 no. D [nummer 3] (hierna beschikking II) is aan eiser toestemming verleend om de bestemming op het perceelland groot 7, 7350 ha deel uitmakend van het perceel te wijzigen in bebouwing en bewoning.

2.6 Bij beschikking dd. 29 januari 2009 no. D[ nummer 4] (hierna beschikking III) is aan eiser toestemming verleend om de bestemming van het perceelland groot 11,9646 ha deel uitmakend van het perceel te wijzigen in bebouwing en bewoning.

2.7 De beschikkingen I, II en III moesten binnen 4 maanden na dagtekening worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore op straffe van verval.

2.8 Eiser is in gebreke gebleven om de beschikkingen I, II en III te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore.

2.9 Eiser heeft bij brieven gedateerd 15 april 2013 , 7 oktober 2013 en 11 april 2014 aan gedaagde het verzoek gedaan om de termijn van registratie van de beschikkingen I, II en III ten hypotheekkantore te verlengen dan wel een nieuwe bestemmingswijzigingsbeschikking te verstrekken.

2.10 Bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014 no. 168 is aan eiser betekend een ingebrekestelling (de ingebrekestelling) afkomstig van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer (ROGB) dd. 8 april 2014 G.I. [nummer 5] en G.I. [nummer 6]. Daarbij is besloten dat het aan eiser in grondhuur gegeven perceel, vervallen zal worden verklaard indien hij niet binnen 4 weken heeft voldaan aan zijn cultuurplicht.

3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde te verbieden om over te gaan tot het treffen van maatregelen die zouden moeten leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceel, met bevel tot verstrekking van (een) nieuwe beschikking(en) houdende bestemmingswijziging voor bebouwing en bewoning t.a.v. de delen groot 9,2704 ha, 7,7350 ha en 11,89646 ha deel uitmakende van het perceel.

II. Primiar: gedaagde te verbieden om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen die zouden moeten of kunnen leiden tot het vervallen verklaren van het recht van grondhuur op het perceel.

Subsidiair: gedaagde te verbieden om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen die zouden moeten of kunnen leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceel, totdat de bodemrechter definitief daarover zal hebben beslist.

III. gedaagde te verbieden om zich te onthouden van elk handelen of nalaten, dat inbreuk zou kunnen maken op de reeds door eiser op het perceel gepleegde investeringen en aangebrachte beterschap.

IV. gedaagde te verbieden om het recht van grondhuur op het perceel dan wel delen daarvan uit te geven aan derden onder welke titel dan ook of deze aan te wenden voor zichzelf of anderszins totdat tussen partijen definitief de hoogte van de waarde van de aangebrachte beterschap op het perceel zal zijn overeengekomen en zal zijn uitgekeerd aan eiser.

V. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

4.1 Eiser heeft ondermeer het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Alhoewel gedaagde ontsluitingskosten in rekening heeft gebracht bij de uitgifte van het perceel aan eiser, heeft gedaagde nimmer zorg gedragen voor de infrastructuur. Eiser heeft geïnvesteerd op het perceel, door het te ontsluiten en dammen en kanalen aan te leggen. Hij heeft miljoenen kubieke meters zand aangevoerd om het totale perceel op te hogen en volgens de gewijzigde bestemming aan te wenden. Daarnaast heeft hij een riante woning op het perceel gezet tot een waarde van € 175.000,=, alwaar bedrijfsarchieven worden opgeslagen. Hij, eiser, heeft ruim 12 km aan wegen aangelegd, op basis van het vertrouwen uit hoofde van de bestemmingswijziging. Vanwege omstandigheden is de bestemmingswijziging niet in de hypotheekregisters aangetekend. Toen eiser dit constateerde heeft hij diverse brieven gericht aan gedaagde met het verzoek om de registratie van de beschikkingen I, II en III ter zake bestemmingswijziging te verlengen dan wel (een) nieuwe beschikking(en) aan hem te verstrekken. Gedaagde heeft nimmer gereageerd op deze brieven. Gedaagde heeft toestemming verleend tot bestemmingswijziging van het perceel, en eiser heeft diverse investeringen daarop gepleegd uit dien hoofde. Door zich thans erop te beroepen dat eiser niet heeft voldaan aan de cultuurplicht met name land- en tuinbouw handelt gedaagde niet te goeder trouw jegens eiser. Op enig moment heeft gedaagde de toegangsweg welke leidde naar het perceel, zonder mededeling daarvan aan eiser, open gegraven als gevolg waarvan eiser het perceel niet meer kon bereiken om verdere activiteiten te ontplooien. Als gevolg van de ontstane situatie hebben eiser en/of zijn raadsman diverse brieven gericht aan gedaagde (het Ministerie van Openbare Werken) om hem te ontvangen voor een onderhoud danwel om het daarheen te leiden dat eiser het perceel kan bereiken. Ten einde raad hebben eisers een kortgeding procedure aanhangig gemaakt tegen gedaagde welke procedure bekend is onder AR no. 134557 en thans nog in behandeling is.

Eiser heeft vanwege zijn activiteiten op het perceel schulden gemaakt in de vorm van leningen. Hij, eiser, heeft het idee dat hij tegengewerkt wordt door de huidige regering vanwege zijn politieke kleur. Volgens eiser is hij het slachtoffer geworden van politieke rancune. Hij beroept zich erop dat de handelingen van gedaagde jegens hem in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gedaagde gedraagt zich aldus onrechtmatig jegens eiser.

4.2 In het onderhavig geval dient te worden beantwoord de vraag of het al dan niet gerechtvaardigd is dat gedaagde het aan eiser in grondhuur gegeven perceel vervallen wenst te verklaren zoals vastgelegd in de ingebrekestelling van de minister van ROGB. Om deze vraag te beantwoorden is het van belang om na te gaan, wat de reden is geweest die ertoe heeft geleid dat gedaagde een dergelijke maatregel wenst te treffen tegen eiser. Deze reden kan worden afgeleid uit de ingebrekestelling.

In de ingebrekestelling is zover van belang het volgende verwoord:

“……De Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer.

– Gelezen het veldrapport van de dienst Grondinspectie dd. 3 april 2014.
– Herlezen de beschikking van 31 oktober 1994 no. D [nummer 1].
– Gehoord de directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer.
Gelet op:
Het Decreet Uitgifte Domeingrond (S.B. 1982 no. 11), zoals zij luidt na wijziging en aanvulling laatstelijk bij wet van 28 januari 2003 (S.B. 2003 no. 7).

Overwegende:
Dat aan [eiser] bij beschikking van 31 oktober 1994 no. D [nummer 1] in grondhuur ter uitoefening van de landbouw- voor de duur van 40 jaren – is afgestaan het perceelland groot 28,97 ha gelegen in het [district], ten oosten van de [weg] bekend als percelen ten oosten van de [adres 1], welke beschikking ten kantore van de bewaarder van het Management Instituut GLIS is overgeschreven op 11 november 1994 in register C [nummer 7].Dat uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat het voormeld perceel land niet is bewerkt en beplant, zodat [eiser] is gebreke is gebleven om te voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf II.5 van de uitgiftebeschikking, althans niet heeft voldaan aan de cultuurplicht.

Heeft besloten:
I. Aan [eiser] – wonende aan de [adres 2] in [district] – wegens het niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in paragraaf II.5 van meergenoemde beschikking, althans wegens het niet voldoen van de cultuurplicht, bij deurwaardersexploit mededeling te doen van het voornemen tot vervallen verklaring van voren vermeld recht van grondhuur, indien binnen 4 weken na dagtekening van bedoeld exploit niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan …”.

4.3 Vast staat dat het perceel oorspronkelijk in grondhuur is uitgegeven aan eiser ter uitoefening van de landbouw. Hierna is de bestemming van het perceel door middel van drie beschikkingen (I, II en III) gewijzigd in bebouwing en bewoning. Eiser heeft verzuimd om deze wijziging, binnen de gestelde termijn van 4 maanden, te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore.

Anders dan gedaagde meent kan, niet simpelweg ervan worden uitgegaan dat de niet-inschrijving van de beschikkingen I, II en III in de daartoe bestemde registers als gevolg heeft dat het recht van grondhuur op het perceel ook vervallen is. Immers, blijkt uit de genoemde beschikkingen zelf, dat indien de overschrijving van de beschikking niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, die beschikking van rechtswege vervalt.

Het van rechtswege vervallen van die beschikking tot bestemmingswijziging, heeft tot gevolg dat geen beroep meer kan worden gedaan op die beschikking en zal dus in beginsel de bestemming van de oorspronkelijke beschikking, te weten uitoefening van landbouw, weer herleven. Dat is kennelijk ook de reden geweest dat gedaagde in de ingebrekestelling heeft doen opnemen dat “uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat het perceelland niet is bewerkt en beplant, zodat [eiser] in gebreke is gebleven om te voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf II.5 van de uitgiftebeschikking”.

Het verweer van gedaagde dat de ingebrekestelling overbodig is, omdat het recht van grondhuur door de niet inschrijving van de bestemmingswijzigingsbeschikking automatisch vervallen is, is dus niet juist en dient te worden verworpen.Het verweer van gedaagde dat eiser de juridische grondslag mist om als titelgerechtigde de onderhavige vordering in te stellen, zal om dezelfde reden ook worden verworpen.

4.4 Dan is van belang de vraag of de omstandigheid dat eiser niet althans niet volledig heeft voldaan aan zijn cultuurplicht uit hoofde van de oorspronkelijke beschikking te weten uitoefening van landbouw, tot consequentie moet hebben dat het aan hem gegeven recht van grondhuur op het perceel dient te worden vervallen verklaard. Niet is betwist, dat nadat eiser toestemming had van gedaagde tot bestemmingswijziging van het perceel, eiser ertoe is overgegaan het perceel na die bestemmingswijziging tot bebouwing en bewoning in te richten. Volgens eiser heeft hij diverse investeringen gepleegd om het perceel daartoe in te richten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser overgelegd een rapport van Makelaardij & Taxatiebureau D. Lachmon, gedateerd 10 december 2013.
In dit rapport is zover van belang het volgende verwoord:
“Taxatieobject: een onbebouwd perceelland groot 29,97 ha en gelegen ten oosten van de [weg] te [district] ….
Bezichtigingsdatum: 8 december 2013 ……
Omschrijving : het onderwerpelijk perceelland is gelegen ten oosten van de [weg]. Circa 24 ha ervan is reeds opgehoogd met opvul-zand, het resterend deel moet nog worden opgehoogd. Aan alle vier zijden van het perceelland zijn er afwateringsdammen opgeworpen. Zo te zien is het perceelland goed geïrrigeerd. De grond wordt klaargemaakt om te verkavelen. Bereids zijn er bomen en hoge struik- gewassen verwijderd van de grond….

Opstallen : op het onderwerpelijke perceelland staan er twee opstallen. Bekeken vanuit de westelijke dam van het perceelland. Aan de rechterkant een nieuw hoogbouw woonhuis, in steen opgetrokken en beslaande een totale bouwoppervlakte van 200 m² …. Het aanhorige erf heeft een oppervlakte van 1.208 m², is helemaal betegeld met straatklinkers en heeft aan alle vier zijden stenen muren.

Aan de linkerkant van het terrein is er een loods, (15x20m), de constructie is van beton, terwijl de muren met zinkplaten zijnafgewerkt. De vloer is belegd met straatklinkers.

Stand/ligging : het aanhorige erf van beide opstallen is samen circa 2500 m² groot, is netjes opgehoogd met klinkzand en is nagenoeg even hoog als de kruin van de voorlangs lopende weg……

Omrastering : Omrastering is niet aanwezig, doch het terrein wordt begrensd door dammen en lozingen. En uit eigen waarneming kan gesteld worden dat de directe omgeving goed voorzien is van ontwateringssystemen

Waardering : gelet op de hiervoren aangehaalde bevindingen, als courantheid, alsook andere relevante, waardebeinvloedingsfactoren, wordt aan het hierboven in beschouwing zijnde perceelland een onderhandse verkoopwaarde ad € 17,= per vierkante meter toegekend, hetgeen neerkomt voor het totale perceelland op ….€ 4.924.900,=… Het stenen hoogbouwwoonhuis, inclusief de omrastering en aanwezige voorzieningen wordt gewaardeerd op € 80.000,=….

De loods € 22.500,=….

De totale waarde van het perceelland en de opstallen bedraagt €5.027.400,=.

Executiewaarde : de executiewaarde bedraagt € 4.021.920,=…”.

4.5 Gedaagde heeft de inhoud van het hiervoor genoemde taxatierapport niet althans niet gemotiveerd weersproken zodat de inhoud daarvan aannemelijk wordt geacht. Uit het taxatierapport kan worden geconcludeerd dat eiser reeds enorme investeringen heeft gepleegd op het perceel uit hoofde van de aan hem gegeven toestemming tot bestemmingswijziging van het perceel. Op grond van het voorgaande is het, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat gedaagde maatregelen wenst te treffen tegen eiser met als argument dat eiser niet heeft voldaan aan de cultuurplicht uit hoofde van de oorspronkelijke beschikking, en evenmin uit hoofde van de beschikkingen I, II en III met betrekking tot de bestemmingswijziging, ook nu het perceel niet is bebouwd en bewoond, zoals in de wijzigingsbeschikking is vereist.

Daarbij wordt ook in acht genomen dat toen eiser het perceel in grondhuur verkreeg dit perceel geheel door eiser is ontbost, hetgeen gedaagde niet heeft weersproken.Daarnaast heeft gedaagde evenmin weersproken dat alhoewel gedaagde ontsluitingskosten in rekening heeft gebracht bij de uitgifte van het perceel aan eiser, hij nimmer zorg heeft gedragen voor de infrastructuur. Door zelf niet te voldoen aan zijn verplichtingen jegens eiser is het dus onredelijk van en in strijd met alle redelijkheid dat gedaagde maatregelen tegen eiser treft vanwege diens tekortkomingen.

De kantonrechter overweegt voorts dat het eveneens onredelijk is dat gedaagde een termijn van 4 weken aan eiser gunt om alsnog te voldoen aan zijn cultuurplicht, wetende dat een perceel met een grootte van 28,97 ha onmogelijk binnen 4 weken in cultuur kan worden gebracht.

4.7 Gedurende het proces heeft de gemachtigde van gedaagde het verzoek gedaan hem de ruimte te bieden om, de bij wege van de (mondelinge) conclusie van repliek geplaatste kanttekeningen zijdens eiser, te bespreken met de gedaagde. Gezien de omstandigheid dat aan eiser slechts 4 weken de ruimte is geboden om alsnog te voldoen aan zijn cultuurplicht, bij gebreke waarvan het recht van grondhuur vervallen zou worden verklaard, heeft de onderhavige zaak een bijzonder spoedeisend karakter, met dien verstande dat voordat er een maatregel op grond van de ingebrekestelling zou worden genomen, een vonnis werd verwacht. Dat betekent dat er een uitspraak diende te worden gedaan in de voorliggende zaak vóór 4 juni 2014, de laatste dag waarop eiser volgens de ingebrekestelling nog de ruimte had om te voldoen aan zijn cultuurplicht.

Naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde van gedaagde, zoals hiervoor reeds verwoord, is aan de gemachtigde van gedaagde voorgehouden dat de door hem gevraagde ruimte kan worden geboden onder de voorwaarde dat ook gedaagde een pas op de plaats zou maken voor het treffen van maatregelen uit hoofde van de ingebrekestelling. Aan de kantonrechter is nimmer voorgehouden dat gedaagde zich, om welke reden dan ook, niet wenste te confirmeren aan de gestelde voorwaarde. Het is dan ook zeer onethisch dat de kantonrechter, gedurende de behandeling van de zaak, te horen krijgt dat door gedaagde een vervallenverklaringsbeschikking met betrekking tot het perceel, is opgemaakt door gedaagde, te meer daar aan de gemachtigde wel de door hem gevraagde ruimte is geboden. Dit kan niet anders worden aangemerkt dan een schoffering van de rechterlijke macht door gedaagde.Bij het nemen van een beslissing in de onderhavige zaak, zal dan ook rekening worden gehouden met deze nieuwe ontwikkeling gedurende de behandeling van de onderhavige zaak.

4.8 Door gedaagde is een kopie van de vervallenverklaringsbeschikking overgelegd. Deze beschikking is gedateerd 10 juni 2014. Uit deze beschikking blijkt dat het recht van grondhuur van genoemd perceel vervallen is verklaard. Volgens eiser is deze beschikking niet aan hem betekend. Het is ook niet duidelijk geworden of deze beschikking reeds is verwerkt in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore.

4.9 Nu reeds is overwogen dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat gedaagde maatregelen treft tegen eiser met als argument dat laatstgenoemde niet heeft voldaan aan zijn cultuurplicht uit hoofde van de oorspronkelijke beschikking, zal gedaagde dan ook worden verboden om maatregelen tegen eiser te treffen uit hoofde van de ingebrekestelling welke ter kennis van eiser is gebracht bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014 no. 166.

De kantonrechter zal ook rekening houden met de omstandigheid dat inmiddels reeds een vervallenverklaringsbeschikking is opgemaakt. In dit kader zal gedaagde worden verboden om deze laatste beschikking te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, en voor zover deze beschikking is ingeschreven zal de doorhaling daarvan worden gelast. Gezien de nieuwe ontwikkelingen in de onderhavige zaak acht de kantonrechter in kort geding zich bevoegd, en wel uit hoofde van haar ruime bevoegdheid in kort geding, om rekening te houden met mogelijke onrechtmatige handelingen van gedaagde tegen eiser, en als zodanig ook een voorziening te treffen.

4.10 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.11 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Verbiedt gedaagde – zover er nog geen (verdere) maatregelen zijn getroffen – om over te gaan tot het treffen van verdere maatregelen, die zouden moeten of kunnen leiden tot vervallenverklaring van het recht van grondhuur op het perceelland, groot 28,97 ha, gelegen in [district], ten oosten van [weg], bekend als de percelen ten oosten van de [adres 1], welke bij beschikking ten kantore van de bewaarder van het Management Instituut GLIS is overgeschreven op 11 november 1994 in register C [nummer 7], op basis van de ingebrekestellingsbeschikking dd. 8 april 2014 G.I. [nummer 5] en G.I. [nummer 6] , welke aan eiser betekend is bij exploot van deurwaarder L. Gangaram Panday, dd. 7 mei 2014, no. 168, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.2 Verbiedt gedaagde om de vervallenverklaringsbeschikking gedateerd 10 juni 2014, met betrekking tot het onder 5.1 omschreven perceelland, tegen eiser te gebruiken en/of te doen inschrijven in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.3 Gelast de doorhaling van de inschrijving van de vervallenverklaringsbeschikking gedateerd 10 juni 2014 in de daartoe bestemde registers ten hypotheekkantore voor zover deze reeds is ingeschreven, totdat de bodemrechter definitief over de rechtmatigheid daarvan zal hebben beslist.

5.4 Veroordeelt gedaagde om, binnen een maand na betekening van dit vonnis, aan eiser te verstrekken nieuwe beschikkingen houdende bestemmingswijziging voor bebouwing en bewoning ten aanzien van de delen groot 9,2704 ha, 7,7350 ha een 11,9646 ha deel uitmakende van het onder 5.1 omschreven perceelland zoals door eiser is verzocht.

5.5 Veroordeelt gedaagde om zich te onthouden van elk handelen of nalaten, dat inbreuk zou kunnen maken op het onder 5.1 omschreven perceelland en de daarop aangebrachte beterschap.

5.6 Verbiedt gedaagde om delen van het onder 5.1 omschreven perceelland aan derden te doen verstrekken, onder welke titel dan ook.

5.7 Veroordeelt gedaagde om hetgeen onder 5.3 is beslist te gehengen en te gedogen.

5.8 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een eenmalige dwangsom van SRD 50.000.000,= (vijftig miljoen Surinaamse Dollar), indien zij in strijd handelt met dit vonnis.

5.9 Verklaart dit vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.10 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 275,= (tweehonderd en vijfenzeventig Surinaamse Dollar).

5.11 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdaag 12 juni 2014 door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2013-7

In naam van de Republiek
Arno. 134864
Kantonrechter in Kort Geding
A.R. no. 134864
27 november 2013

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende te [district],
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat
eiseres in kort geding,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [gedaagde B], wonende te [district],
C. [gedaagde C], woonplaats gekozen hebbende te [district],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. Ch.N. Mijnals, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. R.V.C. Mungra, advocaat,
gedaagde sub C: niet verschenen.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 13 november 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de rolbeschikking d.d. 15 november 2013 aangetekend op de kaft van het proces-dossier;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub A;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
– het proces-verbaal van de descente gehouden op 20 november 2013;
– de mondelinge conclusies van repliek zijdens gedaagde sub A en dupliek jegens gedaagde sub A, aangetekend in het proces-verbaal van 20 november 2013;
– de mondelinge conclusie van repliek zijdens gedaagde sub B en van dupliek jegens gedaagde sub B;
– de mondelinge aanvulling op het antwoord en dupliek zijdens gedaagde sub A, aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2013;
– de mondelinge conclusie tot uitlating over de aanvulling, zijdens eiseres, eveneens aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 november 2013;
– tegen de niet verschenen gedaagden sub C is verstek verleend.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Aan eiseres is in grondhuur verleend voor bebouwing en bewoning het perceel groot 749,80 vierkante meter aan [adres] te [woonplaats].

2.2 Aan gedaagde C is het perceel allernaast het perceel van eiseres in grondhuur uitgegeven.

2.3 Gedaagde sub B heeft bij beschikking van 10 april 2013 vergunning verkregen om een magazijn te bouwen op het perceel van gedaagde sub C.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Gedaagde sub A beveelt om binnen 24 uren na uitspraak in te trekken althans te doen intrekken de aan gedaagden sub B en C verleende toestemming of vergunning om een ander bouwsel dan ter bewoning te bouwen c.q. te doen bouwen op het ten rekeste vermeld perceel;
b. Gedaagde sub A te verbieden om met betrekking tot de bouw op het perceel een andere vergunning te verstrekken dan tot de bouw van een woning en wat daarmede in direct verband staat zoals de afrastering;
c. Gedaagden sub B en C te bevelen om de aangevangen bouw op laatstvermeld perceelland van een ander bouwsel dan een woning onmiddellijk te staken en de bouw slechts te hervatten voor zover betreft een gebouw ter bewoning;
d. Gedaagden te bevelen om binnen een week na uitspraak van dit vonnis af te breken en af te voeren al hetgeen zij op meergemeld perceelland hebben gebouwd als onderdeel van een bedrijfsgebouw;
e. Al het voorgaande op straffe van een dwangsom en voorts
f. Gedaagden veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat aan haar het perceel in grondhuur is uitgegeven ter bebouwing en bewoning evenals de andere percelen in de buurt. Dat ook aan gedaagden sub C en D het perceel is uitgegeven ter bebouwing en bewoning. Dat het bouwen van een zakenpand derhalve in strijd is met de bestemming en daardoor onwettig. Voorts is het bouwen van een zakenpand allernaast eiseres onrechtmatig omdat dat een ernstige inbreuk maakt op haar woongenot, haar woonomstandigheden zullen ernstig worden verstoord. Daarbij stelt zij voorts dat het exploiteren van een magazijn of bedrijfspand naast een woning de marktwaarde van de woning ernstig doet dalen, waardoor zij ook in materieel opzicht enorme schade zal lijden. Gedaagde sub A handelt onrechtmatig door een bouwvergunning te verstrekken welke in strijd is met de bestemming van het perceel.

4. Het antwoord van gedaagde sub A
Gedaagde sub A heeft in antwoord op het gevorderde aangevoerd dat intern een kort onderzoek is gedaan en dat het niet is gebleken dat er wijziging van bestemming is aangevraagd. Voorts heeft gedaagde sub A aangevoerd dat een wijziging van de bestemming in een woonwijk slechts dan zou kunnen worden toegestaan indien die bestemmingswijziging ten gunste van de woonwijk zou komen, hetgeen in casu niet is gebleken. Gedaagde concludeert dat in casu in strijd met de bestemming is gehandeld en refereert zich verder aan het oordeel van de kantonrechter.

5. Het verweer van gedaagde sub B
Gedaagde sub B heeft als verweer aangevoerd dat hij als burger de bouwvergunning heeft aangevraagd en op een verstrekte bouwvergunning had mogen afgaan. Nu de staat de vergunning heeft verleend kan gedaagde sub B geen onrechtmatig handelen worden verweten. Bovendien, zo stelt gedaagde sub B, heeft eiseres gedoogd dat het bouwwerk werd opgezet omdat er reeds vanaf maart of april voorbereidingen werden getroffen. Om die reden heeft eiseres geen spoedeisend belang. Gedaagde sub B voert aan dat hem niets verweten kan worden nu de gedaagde sub A vergunning heeft verleend. Hij handelt dan ook in overeenstemming met de wet. Gedaagde sub B voert tevens aan dat het gebruik is dat er magazijnen worden gebouwd op percelen die zijn uitgegeven voor bebouwing en bewoning en voert aan dat het Ministerie van Openbare Werken slechts dan een bestemmingswijziging vraagt wanneer het om tuinbouwactiviteiten gaat. Nu het om het bouwen van een loods gaat is het geen gebruik bij het Ministerie van Openbare Werken om een bestemmingswijziging te vragen. Op grond van al het voorgaande kan gedaagde sub B geen onrechtmatig handelen worden verweten, immers heeft hij in goed vertrouwen het bouwwerk opgezet. Daarnaast is de schade die eiseres stelt niet onderbouwd.

6. De beoordeling

6.1 Eiseres heeft op het verweer van gedaagde sub B gereageerd door te stellen dat door gedaagde sub A en B is erkend dat er geen sprake is van een bestemmingswijziging. Hiermee is de grondslag voor het gevorderde aannemelijk geworden. Het beroep van gedaagde sub B op de vergunning is niet geoorloofd, immers heeft gedaagde sub B geweten dat de bestemming van het perceel “bebouwing en bewoning” is en heeft hij ondanks dat in strijd met de bestemming en daarmee, in strijd met de wet, de verguninning aangevraagd. Nu hij de vergunning heeft verkregen kan hij zich niet erop beroepen dat hij op die vergunning had mogen afgaan. Het feit dat de vergunning en de bouw in strijd zijn met de wet staat immers recht overeind.

6.2 De kantonrechter overweegt dat, gelijk gedaagde sub A en eiseres aanvoeren, het bouwen in strijd is met de bestemming in strijd is met de wet waardoor aannemelijk is geworden dat gedaagde sub B onrechtmatig handelde jegens eiseres. Ook is aannemelijk geworden dat de gevolgen van het plaatsen van een magazijn in een woonwijk een inbreuk maakt op het woongenot van de omwonenden, immers zal het zakenpand met zich meebrengen dat er zakenverkeer aan en afgaat, inclusief containervrachtwagens zoals door eiseres wordt gesteld. De sfeer van de woonwijk wordt hierdoor aangetast.Zoals door gedaagde sub A is aangevoerd is een wijziging in de bestemming van een perceel in een woonwijk pas dan geoorloofd wanneer het de woonwijk ten goede zou komen. Gedaagde sub A heeft aangevoerd dat daar in casu geen sprake van is. Gedaagde sub A voert aan dat de vergunning niet verstrekt had mogen worden. Ook deze stelling van gedaagde sub A draagt bij aan de aannemelijkheid van de grondslag, namelijk dat het bouwen van een zakenpand of magazijn op een perceel voor “bebouwing en bewoning” als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

6.3 De kantonrechter acht de grondslag aannemelijk en zal het gevorderde toewijzen, met uitzondering van het gevorderde onder B, nu de kantonrechter in dit geding niet tot een oordeel kan komen omtrent de vergunningen welke in de toekomst door gedaagde sub A zouden worden uitgegeven. Iedere uitgegeven vergunning moet immers worden getoetst alvorens daarover een oordeel te kunnen hebben.

6.4 Gedaagde sub C is tot twee keer toe opgeroepen doch niet verschenen, derhalve zal het gevorderde jegens haar ook worden toegewezen, achtende de kantonrechter dat gevorderde noch onrechtmatig, noch ongegrond.

6.5 De kantonrechter zal de gevorderde termijnen en dwangsommen naar redelijkheid en billijkheid aanpassen en gedaagden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

7. De beslissing

7.1 Veroordeelt gedaagde sub A om binnen een week na betekening van het vonnis in te trekken de bouwvergunning d.d. 10 april 2013 verleend aan gedaagde sub B om een loods annex magazijn op te zetten op het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 749,80 vierkante meter gelegen te [plaats], ten zuiden van de [straat 1] en ten westen van het verlengde van [straat 2], deel uitmakende van het perceelland bekend als [wijk] [nummer], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa Lcs d.d. 4 december 1998, met de letters ABCD en het nummer I blijkens de in dorso gestelde aantekening van landmeter Ing. H. Kalloe d.d. 18 december 2002, thans bekend als [wijk] [nummer], op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor elke dag dat gedaagde sub A nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

7.2 Beveelt gedaagden sub B en C om de aangevangen bouw op laatstgemeld perceelland van een ander bouwsel dan een woning, binnen 24 (vier en twintig) uur na betekening van dit vonnis te staken;

7.3 Beveelt gedaagden sub B en C om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gebouwde zakenpand af te breken en af te voeren;

7.4 Veroordeelt gedaagden sub B en C, indien zij niet voldoen aan het bevel zoals gegeven hierboven onder 7.2 en 7.3 tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal van SRD 300.000,= (driehonderdduizend Surinaamse dollar) niet te boven gaand, voor iedere dag dat zij weigeren te voldoen aan het bevel zoals gegeven hierboven onder 7.2 en 7.3;

7.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

7.6 Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 697,20 (zeshonderd zeven en negentig 20/100 Surinaamse dollar);

7.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting, van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 27 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.
w.g. D. Ramdin w.g A.C. Johanns

SRU-K1-2016-20

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 15-0211
08 augustus 2016

Vonnis in de hoofdzaak en in het incident inzake:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] te [district],
doch feitelijk verblijf houdende aan de [adres 2] in het [district],|
eiseres in de hoofdzaak tevens gedaagde in het incident,
hierna aangeduid met ‘[eiseres]’,
gemachtigde: (voorheen: mr. M.G.A. Vos, advocaat),
thans: mr. E.F. van der Hilst, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 1] te [district],
gedaagde in de hoofdzaak tevens eiser in het incident,
hierna aangeduid met ‘[gedaagde]’,
gemachtigden: voorheen: mr. K. Kraag-Brandon en mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaten,
thans: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat.

Vooraf
Dit vonnis bouwt voort op de in deze zaak gewezen tussenvonnissen op 10 augustus 2015 en 23 mei 2016.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verder verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 13 juni 2016 van de gehouden enquête;
  • de conclusie tot overlegging schriftelijk bewijs, met producties;
  • de processen-verbaal d.d. 11 juli 2016 en 25 juli 2016 van de gehouden contra-enquête;
  • de conclusies tot overlegging producties zijdens partijen, met producties;
  • de conclusies tot uitlating na gehouden enquête en contra-enquête en uitlating producties zijdens partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling in de hoofdzaak en in het incident

2.1 [eiseres] is bij hoger genoemd tussenvonnis d.d. 23 mei 2016, bij de inhoud waarvan wordt volhard, toegelaten tot bewijs door alle middelen rechtens van haar stelling dat het huwelijk tussen partijen al jaren ontwricht was vanwege het dominante, jaloerse gedrag van gedaagde en zijn alcoholmisbruik en de psychische mishandeling als gevolg daarvan.

2.2 Ter voldoening aan voormelde bewijsopdracht heeft [eiseres] drie getuigen opgebracht, waarvan twee ingevolge artikel 1931 BW onbekwaam waren om te getuigen, omdat het in casu ging om de moeder en de dochter van [eiseres]. Hierdoor is slechts de getuige [naam 1] ter enquête-zitting gehoord geworden. [eiseres] heeft aanvullend schriftelijk bewijs overgelegd, alsmede audio materiaal van een gesprek tussen [eiseres] en haar dochter. De kantonrechter heeft ingevolge artikel 1931 BW het audio materiaal niet meegenomen bij de bewijswaardering.

2.3 Volgens de getuige [naam 1] voornoemd, heeft zij met partijen te maken gehad in het jaar 2009, toen zij werkzaam was bij Stichting Ilse Henar Hewitt voor juridische bijstand. Volgens de getuige is [eiseres] toen, overstuur, bij haar gekomen voor nadere informatie over echtscheiding.De getuige heeft toen met beide partijen gesproken, die vertelden dat er relatieproblemen waren,waarbij het ging om huwelijksproblemen, aandacht en dat haar partner jaloers was. Er was namelijk ruzie ontstaan toen zij op een avond thuis waren geweest. De getuige verklaarde voorts dat beiden bereid waren te werken aan de relatie en dat zij hen na 2 of 3 sessies niet meer heeft gezien. Volgens de getuige werd zij na 1 of 2 jaren wederom gebeld door [eiseres] voor bemiddeling, doch heeft zij haar niet meer geholpen, aangezien zij intussen haar eigen adviesbureau had geopend. De getuige kon zich niet meer herinneren als er over drankprobleem was gesproken. Het ging volgens de getuige meer om aandacht. De getuige verklaarde voorts dat zij niet had kunnen waarnemen of [gedaagde] jaloers en dronken was.

2.4 [eiseres] heeft voorts als bewijs overgelegd een schrijven d.d. 03 november 2014 afkomstig van de voormalige procesgemachtigde van [eiseres], waarbij [gedaagde] werd opgeroepen voor een gesprek naar aanleiding van het verzoek van [eiseres] voor een vordering tot echtscheiding.

2.5 [eiseres] heeft voorts als schriftelijk bewijs overgelegd enkele bankafschriften van de en/of rekening van partijen bij de ING-bank, waaruit blijkt dat er gelden daarvan zijn opgenomen in oktober 2014, november 2014 en januari 2015. De kantonrechter overweegt dat de bankafschriften geen bewijs leveren van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan. Bovendien betrof het een en/of rekening van partijen.

2.6 [eiseres] heeft tevens als schriftelijk bewijs overgelegd een verklaring van haar moeder d.d. 16 juni 2016 met betrekking tot de relatie tussen partijen. De kantonrechter zal hieraan echter voorbij gaan, nu de moeder ingevolge artikel 1932 BW in casu onbekwaam is om te getuigen.

2.7 [gedaagde] heeft in contra-enquête twee getuigen doen horen, de heer [naam 2] en de heer [naam 3], die beiden in beginsel slechts [gedaagde] kennen en [eiseres] niet of nauwelijks kennen, terwijl zij niets weten over de relatieproblemen van partijen. De getuigen hebben wel verklaard [gedaagde] niet als een agressieve persoon te kennen, met wie zij af en toe een borreltje of twee pakken bij de zwemvereniging Oase na het sporten.

2.8 Bij conclusie na gehouden enquête heeft [eiseres] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de 2 door haar opgebrachte getuigen als onbekwaam heeft aangemerkt, aangezien het in casu gaat om een zaak betreffende voorziening in levensonderhoud conform boek 1 BW, zodat artikel 1931 lid 2 sub 2 BW van toepassing is en de getuigen wel bekwaam zouden zijn om te getuigen. Voorts kunnen de getuigenissen van de vrienden van [gedaagde] volgens [eiseres] niet als objectief worden bestempeld aangezien zij niet bekend zijn met de huwelijksproblemen tussen partijen.

2.9 Bij conclusie na gehouden enquête heeft [gedaagde] aangevoerd dat de kantonrechter terecht de moeder en de dochter van [eiseres] als onbekwaam heeft aangemerkt. Ter adstructie verwijst [gedaagde] naar het academisch proefschrift van mr. J.C. de Miranda Jr.: ‘Het bewijs door getuigen in Burgerlijke zaken’. [gedaagde] verzoekt daarom voorbij te gaan aan de verklaring van de moeder en het audiomateriaal. Voorts leveren de overgelegde bankafschriften geen bewijs van de ontwrichting van het huwelijk, zodat ook daaraan voorbij dient te worden gegaan.

2.10 De kantonrechter stelt voorop dat het in casu betreft bewijs ten aanzien van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk, zodat ingevolge artikel 1931 BW naar het oordeel van de kantonrechter getuigen in de rechte linie onbekwaam zijn om te getuigen.

2.11 De kantonrechter overweegt dat, nu beide partijen hebben erkend dat er vaker ruzies tussen hun waren, dit rechtens tussen hun vaststaat. Voorts staat als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist vast, mede gelet op de verklaring van de getuige [naam 1] en het schrijven van de voormalige procesgemachtigde van [eiseres] d.d. 14 november 2014, dat [eiseres] tot twee keren toe stappen heeft ondernomen om een echtscheiding aan te vragen en/of te overwegen. Eveneens staat als niet, althans niet voldoende gemotiveerd vast dat na beide pogingen voornoemd, partijen hebben meegewerkt dan wel bereid waren mee te werken aan herstel van de relatie, hetgeen wordt bevestigd door de getuige [naam 1] en de mediation van de voormalige procesgemachtigde van [eiseres] tussen partijen op 28 november 2014 volgens [gedaagde] (incidentele conclusie), waardoor het niet is gekomen tot een daadwerkelijke vordering tot echtscheiding zijdens [eiseres]. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, houdt de kantonrechter het ervoor dat het huwelijk tussen partijen reeds duurzaam was ontwricht, voordat het incident van 24 december 2014 zich had voorgedaan, zodat naar het oordeel van de kantonrechter de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in ieder geval niet in overwegende mate aan [eiseres] te wijten is geweest. De kantonrechter overweegt dat voor het overige de schuldvraag niet langer relevant is nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht en beiden wensen te scheiden.

2.12 Gelet op het hetgeen is overwogen onder 2.11, gaat het beroep van [gedaagde] op artikel 278 BW niet op, weshalve [eiseres] aanspraak maakt op partneralimentatie. Met betrekking tot de gestelde behoeftigheid van [eiseres] over weegt de kantonrechter dat uit de stellingen en weren van partijen is komen vast te staan dat partijen een bepaalde levensstandaard gewend zijn geweest en dat het geenszins de bedoeling kan zijn dat een partij na het huwelijk achteruit gaat in zijn of haar levensstandaard. Als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist staat vast dat [gedaagde] in ieder geval meer dan SRD 4.500,- per maand verdient, nu niet is betwist dat hij drie lorerende bedrijven heeft, althans aldaar werkzaam is, zodat [gedaagde] in staat moet worden geacht te voorzien in de behoefte van [eiseres]. Gelet op de door [eiseres] ingediende onkostenstaat, mede in acht nemende het 23-jarig huwelijk tussen partijen, acht de kantonrechter het redelijk en billijk dat [gedaagde] tenminste in de kosten van de huur van de woning van [eiseres] bijdraagt, zijnde het bedrag van USD 500,-, zijnde het reeds bij beschikking toegewezen en vastgesteld bedrag. De kantonrechter stelt derhalve de door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen alimentatie vast op USD 500,- per maand ter voorziening in aar levensonderhoud vanaf de dag van betekening van dit vonnis.

2.13 De kantonrechter overweegt dat op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen de incidentele vordering zal worden afgewezen.

2.14 De kantonrechter heeft ambtshalve kennis genomen van de uitspraak in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.no. 15-0041, waarin het overig door [eiseres] gevorderde reeds is toegewezen, zodat [eiseres] in het overig door haar gevorderde met uitzondering van de gevorderde partneralimentatie, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.15 Aangezien partijen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hun worden gecompenseerd.

3. De beslissing in het incident en in de hoofdzaak

De Kantonrechter:

In het incident

3.1 Wijst de vordering af.

In de hoofdzaak

3.2 Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het bedrag van USD 500,- (vijfhonderd Noordamerikaanse Dollar) per maand ter voorziening in haar levensonderhoud.

3.3 Verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in het overig door haar gevorderde.

3.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kostendraagt.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, op de terechtzitting van maandag 08 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. M.S. Wesenhagen.

SRU-K1-2012-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 07-2614
21 februari 2012

Vonnis in de zaak van:
A. [eiseres sub A], echtgenote van [eiser sub B], ten deze optredende in privé en als moedervoogdes over [het minderjarige kind],
B. [eiser sub B],beiden wonende te [district 1],
eisers,
gemachtigde: mr. N. Tjin A Djie, advocaat,

tegen

A. [gedaagde sub A],wonende in het [dorp] bij de [stad] in het [district 2] in [land], niet verschenen,
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling Centraal Bureau voor Burgerzaken,ten deze vertegenwoordigd wordende door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie,kantoorhoudende te Paramaribo,gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat,
gedaagden.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:

– Het verzoekschrift dat op 11 juni 2007 met producties in ingediend ter griffie;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de tegen de gedaagde sub A verleende verstek;
– de conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub B;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub B.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiseres sub A en gedaagde sub A zijn op 26 maart 1999 in [land] met elkaar in het huwelijk getreden, welk huwelijk op 20 april 2001 is ontbonden.

2.2 Eiseres sub A is op 29 augustus 2000 in Suriname aangekomen. Haar toenmalige echtgenoot, gedaagde sub A, is achtergebleven in [land].

2.3 Op 11 januari 2002 is te [district 1] uit eiseres sub A, gescheiden echtgenote van gedaagde sub A, geboren [het minderjarige kind].

2.4 Aangezien dit kind geboren is binnen 306 dagen na de ontbinding van het huwelijk van eiseres sub A en gedaagde sub A wordt het, op grond van de Surinaamse wetgeving, te weten artikel 303 juncto artikel 308 van het BW, geacht een wettig kind van gedaagde sub A te zijn.

2.5 Eiseres sub A is op 7 mei 2005 gehuwd met eiser sub B, uit welk huwelijk op 2 juni 2005 te [district 1] een kind is geboren genaamd [naam].

2.6 Eisers en [de minderjarigen kinderen] wonen samen in gezinsverband.

3. Het gevorderde, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers, eiseres sub A handelende als gemeld, vorderen – zakelijk weergegeven – dat:

I. Voor recht verklaard wordt dat:

a. gedaagde sub A niet de vader is van [het minderjarige kind];
b. de status van voormelde minderjarige die van natuurlijk kind is,

II. De doorhaling wordt gelast door of vanwege gedaagde sub B in de registers van geboorten gehouden door het Centraal Bureau voor Burgerzaken van iedere vermelding en/of registratie, onder meer in folio [nummer] daarvan, van gedaagde sub A als de vader van [het minderjarige kind], geboren te [district 1] op 11 januari 2002.

III. Gedaagde sub B wordt gelast:

a. na verzoek van eiser sub B een akte van erkenning op te maken waaruit blijkt van de erkenning door hem van [het minderjarige kind];
b. deze akte van erkenning in te schrijven in het doorvoor bestemde register;
c. van voormelde erkenning melding te maken op de kant van de akte van geboorte van de minderjarige.

IV. Gedaagden worden veroordeeld het sub I, II en III gevorderde te gehengen en te gedogen.

3.2 Mede is gevorderd dat gedaagden in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

3.3 Eisers hebben het navolgende aan hun vordering ten grondslag gelegd:

1. gedaagde sub A is niet de biologische vader van de minderjarige;
2. gedaagde sub A weigert een procedure tot ontkenning van de wettigheid op basis van de huidige Surinaamse wetgeving aanhangig te maken.
3. op grond van deze omstandigheden wordt het recht van de minderjarige op vaststelling van zijn afstamming en van zijn juiste identiteit geschonden en vindt er schending plaats van het recht op een family-life van eisers en de minderjarige.

3.4 Op het verweer van gedaagde sub B en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde sub B heeft, bij gebrek aan wetenschap, ontkent dat niet gedaagde sub A doch verzoeker sub B de biologische vader van de minderjarige is. De kantonrechter constateert dat gedaagde sub B niet is ingegaan op de ter zake door eisers gestelde feiten te weten dat het huwelijk tussen eiseres sub A en gedaagde sub A een verstandshuwelijk was dat zonder trouwfeest is gesloten, dat zij niet hebben samengewoond en nooit een werkelijk huwelijksleven hebben geleid en zelf geen contact met elkaar hebben gehad, dat eiseres sub A op 28 augustus 2000 alleen in Suriname is gearriveerd en dat gedaagde sub A vanaf het sluiten van het huwelijk in [land] verblijft. De kantonrechter acht op grond hiervan de ontkenning van gedaagde sub B onvoldoende gemotiveerd en gaat op grond daarvan daaraan voorbij. Naar aanleiding hiervan overweegt de kantonrechter dat hierdoor rechtens is komen vast te staan dat eiser sub B en niet gedaagde sub A de biologische vader van de minderjarige is.

4.2 Voorts staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist rechtens vast dat gedaagde sub A, die in [land] woont, niet in het levensonderhoud en de opvoeding van de minderjarige voorziet en op geen enkele manier contact met hem heeft of wil hebben en dat de minderjarige tezamen met zijn moeder, eiseres sub A, en zijn biologische vader, eiser sub B, die inmiddels met elkaar in het huwelijk zijn getreden, in Suriname in gezinsverband samenleeft en dat tot dat gezin ook is gaan behoren een uit het huwelijk van zijn ouders geboren broertje.

4.3 Nu gedaagde sub B weigert een vordering tot ontkenning van de wettigheid in te stellen en de wet deze mogelijkheid niet aan eiseres sub A als moeder van de minderjarige of aan de minderjarige zelf toekent concludeert de kantonrechter dat artikel 304 BW een zodanige leemte vertoont dat daardoor de rechten van het kind op de vaststelling van zijn afstamming en zijn juiste identiteit worden geschonden alsmede aantasting plaatsvindt van het recht van eisers en de minderjarige op eerbiediging van hun gezin, aangezien het, volgens de huidige wetgeving, onmogelijk is geworden dat er familierechtelijke betrekkingen worden gevestigd tussen de minderjarige en zijn verwekker, met wie de moeder en het kind in een ‘family’ samenleven (Vide: J. de Boer, SJB december 2004 No. 3, pg. 36).

4.4 Aangezien voormelde rechten van de minderjarige en van eisers uit hoofde van artikel 17 van de Grondwet bescherming genieten is de kantonrechter op grond van artikel 80 lid 2 juncto artikel 137 van de Grondwet bevoegd de toepassing van de wettelijke bepaling dat alleen aan gedaagde sub A de bevoegdheid toekomt een vordering tot ontkenning van de wettigheid in te stellen, in dit concrete geval ongeoorloofd te verklaren.

4.5 De kantonrechter is op grond van het hierboven overwogene en na afweging van de belangen van de minderjarige en van eisers van oordeel dat de vordering toewijsbaar is met dien verstande evenwel dat de kantonrechter met betrekking tot onderdeel II van het petitum overweegt dat in de geboorteakte van de minderjarige gedaagde sub A niet expliciet staat vermeld als te zijn de vader van de minderjarige zodat de bijvoeging dat eiseres sub A ten tijde van de geboorte van de minderjarige gescheiden echtgenote was van gedaagde sub A zal worden geschrapt.

4.6 Op grond van het vorenstaande behoeft het verweer van gedaagde sub B dat de door eisers aangehaalde verdragsbepalingen, te weten artikel 8 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, de artikelen 2, 24 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, de artikelen 17, 18, 19, 24 en 25 van de American Convention on Human Rights en artikel 16 lid 1 sub d van het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen, toepassing missen en/of geen waarborgnormen doch slechts instructienormen bevatten, als zijnde niet langer relevant, geen nadere beoordeling.

4.7 Gezien de aard van de procedure acht de kantonrechter termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren in dier voege dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5. De beslissing

5.1 Verklaart voor recht dat gedaagde sub A niet de vader is van [het minderjarige kind], die op 11 januari 2002 te [district] is geboren uit eiseres sub A en dat de status van de minderjarige die van een natuurlijk kind is.

5.2 Gelast doorhaling door of vanwege gedaagde sub B in de registers van geboorten van [district 1] van het jaar 2002, folio [nummer], van de zinsnede “sedert twintig april tweeduizend gescheiden echtgenote van: [gedaagde sub B], zonder beroep, wonende in [land]”.

5.3 Gelast dat door of vanwege gedaagde sub B, na een daartoe gedaan verzoek van eiser sub B en met toestemming van eiseres sub A, wordt opgemaakt de akte van erkenning waaruit blijkt van de erkenning door verzoeker sub B van [het minderjarige kind].

5.4 Gelast dat deze akte van erkenning door of vanwege gedaagde sub B wordt ingeschreven in het daarvoor bestemde openbare register.

5.5 Gelast dat door of vanwege gedaagde sub B van dezer erkenning melding wordt gemaakt op de kant van de akte van geboorte van [het minderjarige kind], geboren te [district 1] op 11 januari 2002.

5.6 Veroordeelt gedaagden het sub 5.1 tot en met 5.5. van dit vonnis bepaalde te gehengen en te gedogen.

5.7 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. R.G. Rodrigues, en is in het openbaar uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 21 februari 2012 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. R.G. Rodrigues
w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2016-19

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 15-3518
08 augustus 2016

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende aan de [adres] in het [district], eiser,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres] in het [district], gedaagde,
gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

  • het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 06 augustus 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de schriftelijke conclusie van antwoord en uitlating producties;
  • de schriftelijke conclusie van repliek, met producties;
  • de schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating producties, met producties;
  • de schriftelijke conclusie tot uitlating producties;
  • de rolbeschikking d.d. 11 juli 2016 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
  • het proces-verbaal d.d. 25 juli 2016 van de gehouden comparitie van partijen;
  • het verzoek van eiser om te mogen concluderen na gehouden comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal d.d. 05 augustus 2016 van het gesprek met de procesgemachtigden naar aanleiding van het door eiser ingediend verzoek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 januari 2005, te Paramaribo, bij [akte no], [folio no].

2.2 Uit het huwelijk tussen partijen is het navolgend thans nog minderjarig kind geboren:
– [naam], geboren op 06 juni 2005 te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert – kort samengevat – dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
– de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
– met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden, alsmede
– om gedaagde te veroordelen om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat gedaagde reeds langer dan een jaar iedere fysieke relatie met hem weigert zonder dat daarvoor enig reden is aan te wijzen. Volgens eiser houdt gedaagde vol dat zij niet meer van eiser houdt en dat alle gevoelens voor eiser dood zijn voor haar. Bemiddeling door familieleden aan beide zijden heeft niet mogen baten. Eiser stelt dat hij sinds 2 weken de echtelijke kamer heeft verlaten en zijn intrek heeft genomen in een andere kamer. Volgens eiser kan hij vanwege deze factoren niet meer met gedaagde samenwonen en is herstel van het huwelijk niet meer mogelijk.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd, waarop de kantonrechter – voor zover van belang – in de beoordeling zal terugkomen.

4. De beoordeling

4.1 Gedaagde erkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, doch betwist de gronden die eiser daaraan ten grondslag heeft gelegd. Volgens gedaagde is de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen aan eiser te wijten geweest, met name vanwege zijn onredelijk c.q.wangedrag jegens haar. Gedaagde heeft de door eiser aangevoerde gronden gemotiveerd betwist en heeft derhalve bezwaar tegen de vordering van eiser met een beroept zich op artikel 263 BW.

4.2 Eiser persisteert bij zijn stellingen en heeft de door gedaagde aangevoerde feiten gemotiveerd betwist.

4.3 Gedaagde persisteert bij haar stellingen en haar beroep op artikel 263 BW.

4.4 De kantonrechter heeft in de stellingen en weren van partijen aanleiding gevonden om een comparitie van partijen te gelasten. Tijdens de gehouden comparitie van partijen hebben partijen gepersisteerd bij hun stellingen en standpunten. Gedaagde heeft tevens gepersisteerd in haar beroep op artikel 263 BW.

4.5 In het gesprek met de procesgemachtigden van partijen is namens partijen aangegeven dat partijen – met het oog op met name het belang van het minderjarig kind en om zo spoedig mogelijk een eind te maken aan de emotionele strijd tussen partijen die nu reeds een jaar duurt, zodat partijen een nieuwe start kunnen maken met hun respectieve levens – hoewel er wordt gepersisteerd bij de stellingen en de schuldvraag met betrekking tot de duurzame ontwrichting van het huwelijk, partijen zich met betrekking tot de vordering refereren aan het oordeel van de kantonrechter en zo spoedig mogelijk de zaak middels vonnis wensen te beëindigen.

4.6 De kantonrechter overweegt dat, nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht, terwijl gedaagde zich, naar de kantonrechter begrijpt, niet langer verzet tegen de vordering van eiser, deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen in voege als na te melden.

4.7 De beslissing omtrent de voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over het minderjarig kind, zal worden aangehouden tot de datum zoals bepaald in de beslissing.

4.8 Nu partijen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De Kantonrechter:

5.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen [eiser] en [gedaagde], in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 januari 2005, te Paramaribo, bij [akte no.], [folio no.].

5.2 Bepaalt dat het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij ten aanzien van het minderjarig kind, te weten:
– [naam], geboren op 06 juni 2005 te Paramaribo,
zal plaatsvinden op dinsdag 13 december 2016 des voormiddags te 09.30 uur in èèn der zalen van het Gerechtsgebouw aan de Grote Combeweg no. 02 te Paramaribo.

5.3 Beveelt de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn geweest.

5.4 Benoemt, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit echtscheidingsvonnis geen overeenstemming omtrent de keuze van een notaris zullen hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden, J.G. Kemp, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.5 Benoemt, voor het geval een der partijen weigerachtig mocht blijken aan de verdeling mede te werken, tot onzijdige personen volgens de wet:

  • voor eiser: H.A. Wekker, advocaat,
  • voor gedaagde: A.E. Veldman, advocaat.

5.6 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt.

5.7 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 08 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. M.S. Wesenhagen.

SRU-K1-2011-11

ALGEMEEN REGISTER NO. 10-475
DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

Verzoeker I en zijn echtgenote Verzoeker II,
beiden wonende te [district] aan de …,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. Marja I. Vos, advocaat;

Verzoekers tot adoptie van de minderjarige:

Minderjarige, geboren te [district] op [geboortedag];

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

De Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord verzoekers;
Gehoord de moeder en de grootmoeder van moederszijde der minderjarige.

Gelet op het proces-verbaal van verhoor d.d. 24 oktober 2011, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Ten aanzien van de feiten:
Verzoekers hebben bij verzoekschrift op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gevorderd dat zal worden ingewilligd het verzoek tot de adoptie van:

Minderjarige, geboren te [district] op [geboortedag];

Bij beschikking van de Kantonrechter dd. 10 december 2008, A.R. No. 084511 zijn verzoekers tot respectievelijk voogd en toeziende voogdes over voornoemde minderjarige benoemd;

De inhoud van het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken moeten hier als ingelast worden aangemerkt;

Ten dage voor behandeling van de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren bepaald, zijn verschenen:
Verzoekers;
Mr. M. Djokarso-Wesenhagen als vertegenwoordiger van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken;
De familie van pleegouders en de minderjarige, die ieder afzonderlijk, doch eensluidend hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het gedane verzoek.
De Kantonrechter heeft terstond vonnis gewezen en uitgesproken.

Ten aanzien van het recht:
Nu de pleegmoeder meer dan 40 jaren in leeftijd verschilt met de minderjarige is niet voldaan aan het vereiste als omschreven in artikel 342 1 lid 1 sub d van het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Dat echter de Kantonrechter dit leeftijdsvereiste in het belang van de minderjarige opzij dient te zetten. Immers de minderjarige woont sinds kort na de geboorte bij de pleegouders die thans de voordij over haar uitoefenen. Uit het rapport van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken blijkt dat de minderjarige wordt omringd door liefde van haar pleegouders. Dat die in staat zijn haar een veilige woon- en leefsituatie te bieden. Dat gelet op de omstandigheden waaronder de minderjarige ter wereld is gekomen en de wens om haar bestaan geheim te houden, het duidelijk is dat de moeder der minderjarige geen rol in haar leven wenst te vervullen. Dat de minderjarige een zodanige band heeft ontwikkeld met haar pleegouders die zich altijd over haar hebben ontfermd. Dat in het belang wordt geacht dat deze band wordt verstevigd, ook in juridische zin. Dat door de adoptie juridische betrekkingen ontstaan tussen de minderjarige en de pleegouders en dat de kantonrechter van oordeel is dat het leeftijdsverschil onder de zojuist hiervoor beschreven redenen geen beletsel mag zijn om de adoptie uit te spreken. Dat de adoptie in het belang van de minderjarige wordt geacht. De Kantonrechter zal het verzoek tot adoptie inwilligen, nu aan alle overige wettelijke formaliteiten is voldaan en het gedane verzoek in het belang van de minderjarige wordt geacht.

Rechtdoende:
Willigen het verzoek tot adoptie in van:
Minderjarige, geboren te [district] op [geboortedag]
Als natuurlijk kind van …, door de pleegouders Verzoeker I en Verzoeker II, beiden
wonende aan de … te [district].

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo op heden, maandag 24 oktober 2011, door de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton mr. S.S.S. Wijnhard, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.S.S. Wijnhard