SRU-K1-2016-6

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-5531
08 december 2016

Vonnis in kort geding inzake

1. FLEX CARS N.V.
2. STICHTING HEMSA,
gevestigd te Paramaribo,
eiseressen in kort geding,
gemachtigde: mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaat

tegen

SURICHANGE BANK N.V.
gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 71 te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk ter griffie is ingediend op 10 november 2016;
– De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating productie, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie tot uitlating producties zijdens eiseressen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Blijkens de ten processe in fotokopie overgelegde grosse van de krediethypotheek akte verleden op 22 september 2011 ten overstaan van de te Paramaribo residerende kandidaat-notaris Mr. V. Gangaram Panday optredende als plaatsvervanger van Mr. C.A. Calor zouden eiseressen van gedaagde ter leen hebben ontvangen, gelijk gedaagde aan eiseressen in leen gegeven heeft een som geld ad US$ 287.500,= met als onderzetting 2 percelen zoals vermeld in de voormelde krediethypotheek akte;

2.2 Gedaagde heeft aan eiseressen per deurwaardersexploit d.d. 19 oktober 2016 exploitnummer 589 van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname R. Bhoelan aangezegd dat zij de percelen zoals opgenomen in de hypotheek-akte op donderdag 08 december 2016 om 10.30 uur in het openbaar zal verkopen.

3. De standpunten van partijen

3.1 Eiseressen vorderen in dit geding – kort samengevat – dat de stopzetting zal worden gelast van de aangekondigde openbare verkoop van de in de litigieuze hypotheekakte omschreven percelen op 8 december 2016 des voormiddags te 10.30 uur ten kantore van de te Paramaribo gevestigde notaris mr. R.B. Manna, onder straffe van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor iedere dag of keer dat de gedaagde weigert of nalaat of weigerachtig blijft of nalatig blijft om aan het ten deze te wijzen vonnis uitvoering te geven of tegenstrijdig daarmee handelt. Tevens vorderen zij dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

3.2 Naast voormelde vaststaande feiten leggen eiseressen – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde aan hen heeft betekend een zogenaamde saldo-opgaaf zonder dat deze saldo-opgaaf gespecificeerd is. Eiseressen zijn de mening toegedaan dat het voorgaande in strijd is met het plaatselijk gebruik welke van toepassing is bij veilingen. Eiseressen verwijzen in dit kader naar het vonnis van de kantonrechter d.d. 15 juli 2010 Ar. No. 10-0956 inzake Marte e.a. ca Stichting Dimax, het vonnis d.d. 15 maart 2010 Ar. No. 10-0887 inzake [naam] ca De Stichting Randhiersing Chauwhaan en het vonnis d.d. 26 november 2015 Ar. No. 15-4909 inzake Stichting Sandstone ca Stichting Chacha. Voorts hebben eiseressen aangegeven dat zij reeds USD 240.420,= hebben afgelost aan gedaagde. Nergens blijkt uit de hypotheekakte wat het rentepercentage dan wel bedrag is over de hoofdsom dan wel saldo. Eiseressen hebben aan gedaagde diverse reçu’s dan wel betalingen aangeboden om het bedrag van ongeveer USD. 50.000,= af te lossen hetgeen gedaagde heeft geweigerd;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter in het hierna volgende – voor zover nodig – terug zal komen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van eiseressen bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd – kort gezegd – dat tijdens de diverse gesprekken en de briefwisseling tussen partijen altijd de saldoschuld van eiseressen centraal heeft gestaan anders hadden die gesprekken en briefwisseling geen zin. Gedaagde heeft een correcte saldo-opgave doen betekenen aan eiseressen. Onder saldo-opgave wordt verstaan het verschil tussen debet en credit. Eiseressen zijn met de saldo-opgave in staat gesteld wegen te zoeken de schuld alsnog te voldoen doch hebben eiseressen ondanks de coulante houding van gedaagde volhard in hun ongedisciplineerd betaalgedrag. De rente en leningscondities worden opgenomen in de leningsovereenkomst, daarvoor dient de hypotheekakte a priori niet;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is de centrale vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de door gedaagde bij deurwaardersexploit d.d. woensdag 10 oktober 2016 aan eiseressen betekende saldo-opgave kan worden gekwalificeerd als een nauwkeurige en gespecificeerde saldo-opgave. Eiseressen beantwoorden die vraag in ontkennende zin terwijl gedaagde die in bevestigende zin beantwoordt;

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter is tussen partijen in confesso dat ingevolge het plaatselijk gebruik alsmede de vaste jurisprudentie van de kantonrechters in eerste aanleg aan de saldo-opgave die bij aanzeggingen van veilingen aan de schuldenaar wordt betekend, de eis van nauwkeurigheid en gespecificeerdheid wordt gesteld. Het voorgaande is inderdaad in diverse vonnissen van de kantonrechters uitgemaakt. De ratio van voormelde eisen is gelegen in het feit dat aan de schuldenaar de mogelijkheid wordt geboden om de hoogte van het bedrag te verifiëren en eventueel daartegen op te komen en/of bronnen aan te boren teneinde de schuld alsnog te voldoen;

4.5 In dit specifiek geval blijken partijen gedurende lange tijd met elkaar in onderhandeling te zijn geweest omtrent de slechte betalingsdiscipline van eiseressen. Het voorgaande blijkt uit de inhoud van de door gedaagde bij antwoord alsmede bij dupliek in het geding gebrachte producties, welker inhoud niet is betwist of van valsheid beticht door eiseressen. De hoogte van het saldo was geen discussiepunt tussen partijen en eiseressen waren kennelijk zelfs content met de wijze van aanpak door gedaagde blijkens de inhoud van het ten processe overgelegd e-mailbericht de dato 24 oktober 2016, hetwelk als productie I bij antwoord is overgelegd door gedaagde. Op gegeven moment had er zelfs een herschikking van de schuld plaatsgevonden hetgeen heeft geresulteerd in (een) nadere overeenkomst(en);

4.6 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat eiseressen – zoals gedaagde terecht heeft aangevoerd – niet te goeder trouw zijn met hun beroep op vermeende gebreken in de saldo-opgave die aan hen is betekend. Immers hebben zij ruimschoots de gelegenheid gehad om de hoogte daarvan te verifiëren en eventuele bronnen aan te boren om hun betalingsachterstand in te lopen. Nu zij daarmede in gebreke zijn gebleven wringen zij zich in allerlei spreekwoordelijke bochten teneinde aan hun terugbetalingsverplichtingen te ontkomen, hetgeen een schuldenaar niet siert. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter verdient de litigieuze saldo-opgave in dit verband wel de kwalificatie nauwkeurig en gespecificeerd aangezien partijen gedurende langere tijd in onderhandeling zijn geweest met elkaar waarbij centraal heeft gestaan de slechte terugbetalingsdiscipline van eiseressen in samenhang bezien met de hoogte van het openstaande saldobedrag;

4.7 Gelet op al het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de grondslag van het gevorderde niet in rechte is komen vast te staan en zullen de gevraagde voorzieningen derhalve worden geweigerd.

4.8 Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterweg laten.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseressen in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton in kort geding, te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 08 december 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.Charan
w.g. A.C. Johanns

SRU-K3-2004-1

Kantonrechter Derde Kanton
18 augustus 2004, 2004 no. 85
(Mr. K. Pultoo)

De Kantonrechter in het 3e Kanton, zitting houdende te Nickerie, inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte] alias [naam 2] te [district], thans gevangen gehouden.

Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 mei 2004, 16 juni 2004, 21 juli 2004 en 18 augustus 2004.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage l aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder feit l is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder II ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen onder II meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De kantonrechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
p.m.

– procesverbaal dd. 19 maart 2004 (pg. 70-75), opgemaakt door a.v.p. 1e klasse, waaruit het volgende blijkt:
De [verdachte] gaf toe dat hij wel Surinaamse Dollar namaakt en dat hij daarvoor een speciale kopieermachine gebruikt. Hij verklaarde verder dat hij de machine in een der slaapkamers van zijn ouderlijke woning, waar hij woont had verborgen. In een der kamers werd op aanwijzing van [verdachte] een kopieermachine van het merk Hewlett/Packert, verborgen onder vele kledingstukken, gevonden waarmede de SRD bankbiljetten werden nagemaakt.
Niet ver van de plek waar poten had gestaan werden er in totaal drie gekleurde plastiek zakken gevonden. De inhoud van de eerste zak bleek blanco blaadjes A-4 formaat te zijn. Op elk der blanco blaadjes aan beide zijden waren de afbeeldingen te zien van nagemaakt SRD 20,= bankbiljetten.
In totaal zijn er 255 stuks nagemaakte bankbiljetten in beslaggenomen. Verder bleken er na telling in totaal 218 stuks blanco vellen te zijn met de afbeelding van de nagemaakte 20 SRD biljetten.

– procesverbaal verhoor van de verdachte dd. 19 maart 2004 (pg. 133-136), opgemaakt door a.v.p. 1e klasse, waaruit het volgende blijkt:
De intentie die ik voor ogen had, was om mijn schulden af te lossen. Ik heb de bankbiljetten nagemaakt en of vervalst met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

– Verklaring van de verdachte afgelegd bij de Rechter Commissaris, waaruit het volgende blijkt:

Ik heb bij de politie verklaringen afgelegd en blijf daarbij volharden.
Proces-verbaal nader verhoor van de verdachte dd. 2 april 2004 (pg. 169-171), opgemaakt door a.v.p.:
De wijze hoe ik de bankbiljetten namaak is als volgt: als eerste moet ik een mal maken. Dat doe ik door drie echte bankbiljetten te plakken met doorzichtig plakband op een blanco A-4 vel. Deze plak ik met dezelfde afbeelding naar boven, naast elkaar op gelijke afstand. Hierna trek ik met een balpen lijnen naast de biljetten om aan te geven hoe deze geplakt zijn op de A-4 vel. Het gedeelte van de A-4 vel dat vrij is, wordt afgesneden. De mal wordt met de bankbiljetten naar beneden gericht geplaatst op het venster van het kopieerapparaat en wordt gekopieerd. Dit wordt gedaan in de bestmode van het apparaat. Na dit eerste gedeelte worden de bankbiljetten van de mal afgehaald en vervolgens weer geplakt met doorzichtig plakband, nu met de andere zijde naar boven gericht. De mal wordt weer geplaatst op het venster van de kopieerapparaat met de bankbiljetten naar beneden gericht. De kopie wordt weer geplaatst in de bak, zodat de andere zijde erop gekopieerd wordt. Na het kopiëren worden de nagemaakte bankbiljetten uitgesneden. Met een vlijmscherp mesje, de zogenaamde stanleymesjes, worden de bankbiljetten aan de rand uitgesneden. Hierdoor krijg je dan een nagemaakte bankbiljet. Met de nieuwe SRD 20, = bankbiljetten was ik pas begonnen, toen ik gearresteerd werd. Ik had ongeveer dertig stuks afgegeven aan [naam 1].

– verklaring van de verdachte ter terechtzitting dd. 21 juli 2004, waaruit het volgende blijkt:
Het is waar dat ik geld heb nagemaakt, maar de verdachte [naam 1] heeft mij de attributen daarvoor gegeven. In ruil daarvoor zou hij mijn schulden bij de bank betalen.

– Verklaring van de C.B.v.S dd. 12 juli 2004, opgemaakt door A.E. Telting, president van de C.B.v.S., waaruit blijkt dat de voor onderzoek aangeboden biljetten vervalsingen blijken te zijn.

De raadsman van verdachte voert als meest verstrekkend verweer:
– dat het oogmerk om de vervalste biljetten als echt en onvervalst te gebruiken niet is gebleken;
– dat het proces verbaal van verhoor van verdachte dd. 2 april 2004 (pg. 169-171), opgemaakt door a.v.p., niet voor het bewijs mag worden gebruikt aangezien de cautie niet is gegeven;
– dat de verklaring van de C.B.v.S. wordt betwist aangezien er geen logische verklaring is waarom de bij verdachte in beslaggenomen biljetten niet gestuurd zijn naar de bank, maar de in opdracht van a.v.p., gemaakte biljetten.

De kantonrechter merkt naar aanleiding van het verweer het volgende op;
– Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte dd. 19 maart 2004, blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij wel het oogmerk had om de vervalste biljetten als echt en onvervalst uit te geven.
Bij verhoor van verdachte dd. 2 april 2004 constateert de kantonrechter dat de cautie niet is gegeven. Aangezien de fout is hersteld bij de Rechter Commissaris, kan dit niet lijden tot bewijsuitsluiting, maar zal de kantonrechter er rekening mee houden en strafvermindering toepassen.
Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte heeft gedemonstreerd hoe de biljetten werden nagemaakt. Verdachte heeft bij de demonstratie duidelijk aangegeven de wijze waarop de bankbiljetten werden nagemaakt, dus ook de biljetten welke in beslag zijn genomen, en niet specifiek de biljetten die gedemonstreerd zijn. Als gevolg hiervan wordt de verklaring van de C.B.v.S. wel als wettig bewijs aangenomen.

Naar aanleiding van het bovenstaande verwerpt de kantonrechter het verweer van de raadsman.

De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 11 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder II bewezenverklaarde levert het navolgende strafbaar feit op.
Het namaken of vervalsen van bankbiljetten met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Voorzien en strafbaar gesteld in artikel 260 W.v.Sr.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:
Verdachte heeft op een of meer niet nader aan te duiden tijdstippen in het jaar 2004, te zijner woonplaats het [district] Nickerie, een aantal bankbiljetten met een nominale waarde van SRD 20,= nagemaakt of vervalst met de bedoeling om deze biljetten als echt en onvervalst uit te geven,

De kantonrechter neemt hierbij ook in aanmerking dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de vervalste biljetten in omloop zijn gebracht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de kantonrechter in het bijzonder gelet op het feit dat hij nooit eerder is veroordeeld.

De kantonrechter acht, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf 2 jaar passend en geboden, maar gezien het vormverzuim als eerder vermeld, legt de kantonrechter een gevangenisstraf op van 1 jaar.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 11 en 44 van het Wetboek van Strafrecht

De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder l ten laste gelegd feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder II ten taste gelegd feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder II meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder II bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbaar feit oplevert. Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Beveelt de gevangen houding van verdachte.

 

Bevel tot dagvaarding van verdachten

De vervolgingsambtenaar dagvaardt

[verdachte] geboren te [district]; Beroep : visser . Wonende te [district] om op woensdag 19 mei 2004 te 8:30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Nickerie, a.d. A.K. Doerga Shawstraat no. 96

teneinde aldaar terecht te staan terzake dat hij:

I. Op een of meer niet nader aan te duiden tijdstippen in het jaar 2002, in het [district], in ieder geval in Suriname,

Tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [naam 1], althans alleen, (telkens) opzettelijk 5000 (vijfduizend), althans een of meer bankbiljetten met een nominale waarde van Sf. 10.000,= (tien duizend Surinaamse gulden), althans met een andere nominale waarde heeft nagemaakt en/of heeft vervalst,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] Immers alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of bedriegelijk, althans in strijd met de waarheid 3 (drie), althans een of meer echte (originele) bankbiljetten (met de afbeelding naar boven gericht) op een (blanco) A-4 vel geplaatst en/of (vervolgens) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of (vervolgens) met een ballpoint lijnen om voormelde bankbiljetten getrokken en/of (vervolgens) het gedeelte van de A-4 vel dat vrij was, afgesneden, waarbij de mal dan gereed was om gekopieerd te worden en/of (voorts) voormelde mal (met de bankbiljetten naar beneden gericht) op het venster van een kopieerapparaat geplaatst en deze gekopieerd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (voorts) nadat de bankbiljetten van de mal afgehaald waren (wederom) op de mal geplaatst, doch nu met de andere zijde naar boven gericht en/of (wederom) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (vervolgens) (wederom) de mal op het venster van de kopieermachine geplaatst, met de bankbiljetten naar beneden gericht en/of de kopie (wederom) in de bak van voormelde kopieermachine geplaatst, waardoor de andere zijde gekopieerd werd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (voorts) (na het kopieren van voormelde bankbiljetten) middels een (vlijmscherp) mes de rand(en) van voormelde bankbiljetten afgesneden,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (tenslotte) middels goudschrijvende ballpoints de vogel, die in een van de hoeken van een echt (origineel) bankbiljet voorkomt, nagetekend en/of middels een zilverschrijvende ballpoint de zilveren veiligheidsdraad, die over de breedte van een echt (origineel) bankbiljet loopt, nagetekend,

Zulks teneinde voormelde bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

 

II. Op een of meer niet nader aan te duiden tijdstippen in het jaar 2004, in het [district] , in ieder geval in Suriname,

Tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [naam 1] althans alleen, (telkens) opzettelijk 939 (negen honderd en negenendertig), althans een of meer bankbiljetten met een nominale waarde van SRD. 20,= (twintig Surinaamse dollar), althans met een andere nominale waarde heeft nagemaakt en/of heeft vervalst,

Hebbende hij verdachte en/of die [naam 1] Immers alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of bedriegelijk, althans in strijd met de waarheid 3 (drie), althans een of meer echte (orginele) bankbiljetten (met de afbeelding naar boven gericht) op een (blanco) A-4 vel geplaatst en/of (vervolgens) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of (vervolgens) met een ballpoint lijnen om voormelde bankbiljetten getrokken en/of (vervolgens) het gedeelte van de A-4 vel dat vrij was, afgesneden, waarbij de mal dan gereed was om gekopieerd te worden en/of (voorts) voormelde mal (met de bankbiljetten naar beneden gericht) op het venster van een kopieerapparaat geplaatst en deze gekopieerd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (voorts) nadat de bankbiljetten van de mal afgehaald waren (wederom) op de mal geplaatst, doch nu met de andere zijde naar boven gericht en/of (wederom) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (vervolgens) (wederom) de mal op het venster van de kopieermachine geplaatst, met de bankbiljetten naar beneden gericht en/of de kopie (wederom) in de bak van voormelde kopieermachine geplaatst, waardoor de andere zijde gekopieerd werd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (tenslotte) na het kopieren van voormelde bankbiljetten) middels een (vlijmscherp) mes de rand(en) van voormelde bankbiljetten afgesneden,

Zulks teneinde voormelde bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

P.G. Gedaan te Paramaribo, 11 mei 2004

De Vervolgingsambtenaar voornoemd,

SRU-K1-2016-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-3681
04 augustus 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten in het politiecellenhuis te Keizerstraat in het district Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 1, ten kantore van het Juridisch Adviesbureau Kanhai N.V.,
eiser,
gemachtigde: mr. A.I.K. Ramlakhan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur – generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,

gemachtigde: mr. I. Krenten, Substituutofficier van justitie.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 25 juli 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 juli 2016;
– de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 27 juli 2016, met producties;
– de conclusie van repliek d.d. 28 juli 2016;
– de conclusie van dupliek d.d. 29 juli 2016, met productie;
– de conclusie tot uitlating d.d. 02 augustus 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is van Guyanese afkomst en is de Nederlandse taal niet machtig. Op 18 juli 2016 is eiser omstreeks 09.15 uur in verzekering gesteld.

2.2 Op 22 juli 2016 is eiser voorgeleid bij de Officier van Justitie, bij welke voorgeleiding er geen beëdigde tolk aanwezig was.

2.3 Eiser is nadien nog niet gehoord door de Rechter-commissaris, welk verhoor op 22 juli 2016 en vervolgens op 25 juli 2016 zou plaatsvinden.

2.4 Bij beschikking d.d. 22 juli 2016 heeft de vervolgingsambtenaar met ingang van 25 juli 2016 de inverzekeringstelling van eiser verlengd.

2.5 Bij beschikking d.d. 26 juli 2016 heeft de Rechter-commissaris de inverzekeringstelling van eiser onrechtmatig verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser bevolen.

2.6 Op 26 juli 2016 heeft gedaagde het rechtsmiddel van hoger beroep aangewend tegen de beschikking van de Rechter-commissaris.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
a) om binnen 1 uur na de uitspraak eiser lijfelijk in vrijheid te stellen;
b) gedaagde te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor ieder uur, dat zij in gebreke mocht blijven hieraan te voldoen.

3.1.1 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:
– het verhoor van eiser bij de officier van justitie, zonder dat daarbij een beëdigde tolk aanwezig was, is nietig;
– eiser is in strijd met artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering niet binnen zeven dagen na de dag van zijn aanhouding gehoord en is daarom onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd;
– gedaagde maakt misbruik van haar bevoegdheden.

Als spoedeisend belang stelt eiser dat hij op een onrechtmatige wijze van zijn vrijheid wordt beroofd, omdat de rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser heeft bevolen.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt voldoende uit de aard van het door hem gestelde. Daarom zal hij worden ontvangen in het kortgeding.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiser de onderhavige vordering bij een verkeerde rechtinstantie heeft ingesteld en daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat eiser op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering een vordering ter zake bij de Rechter-commissaris had moeten instellen.

Bij conclusie van repliek heeft eiser in reactie op dit verweer gesteld dat de Rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser heeft bevolen en eiser daardoor thans op een onrechtmatige wijze van zijn vrijheid wordt beroofd.

Zoals de kantonrechter eiser begrijpt, heeft hij vanwege het feit dat gedaagde geen uitvoering heeft geven aan de beschikking van de Rechter-commissaris, inhoudende het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling, de kantonrechter benaderd als restrechter. In dat kader stelt de kantonrechter voorop dat toegang naar de kantonrechter in kort geding is verzekerd, indien geen andere bevoegde rechter, waaronder de strafrechter of Rechter-commissaris, of speciale rechtsgang is gewezen. Indien dat wel het geval is, moet een eisende partij niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer die aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt.

Gedaagde heeft opgeworpen dat hij tegen de beschikking van de Rechter-commissaris hoger beroep heeft aangetekend en de behandeling in hoger beroep op 29 juli 2016 heeft plaatsgevonden. Nu eiser zulks niet heeft betwist, is het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat hij tegen de bedoelde beschikking van de Rechter-commissaris hoger beroep heeft aangewend. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat er nog een rechtsingang met voldoende waarborgen voor eiser openstaat, zijnde de behandeling van het hoger beroep in raadkamer. Voor zover eiser beoogt te stellen dat ondanks het hoger beroep gedaagde hem lijfelijk in vrijheid had horen te stellen, gaat zulks niet op. Dit, omdat blijkens het bepaalde in artikel 54c lid 4 van het Wetboek van Strafvordering de invrijheidstelling van verdachte voor ten hoogste drie dagen wordt gestuit en de beslissing in hoger beroep kan inhouden óf bevestiging van de beschikking van de Rechter-commissaris, óf vernietiging van de beschikking van de Rechter-commissaris waarbij de inverzekeringstelling in hoger beroep rechtmatig kan worden geacht.

Nu eiser geen inzicht aan de kantonrechter heeft verschaft of de beschikking van de Rechter-commissaris in hoger beroep is bevestigd en rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat het ook kan worden vernietigd en opnieuw rechtdoende de inverzekerinstelling rechtmatig kan worden geacht, zal eiser niet ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat de gevraagde voorziening betreffende de lijfelijke invrijheidstelling voor toewijzing vatbaar zou zijn, indien in hoger beroep zou zijn beslist dat de inverzekeringstelling onrechtmatig wordt geacht, de onmiddellijke invrijheidstelling zou zijn bevolen en desondanks eiser niet in vrijheid zou worden gesteld door gedaagde.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op donderdag 04 augustus 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-2909
10 augustus 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1. [eiser 1],
wonende aan de [adres] te [district],

2. [eiser 2],
wonende aan de [adres] te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. H.O.J. Lowe, advocaat,

tegen

ASSURIA N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

– het inleidend verzoekschrift dat op 03 juli 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 juli 2017;
– de conclusie van antwoord d.d. 11 juli 2017, met producties;
– het proces-verbaal betreffende de gehouden descente tevens comparitie van partijen d.d. 15 juli 2017;
– de conclusie van repliek d.d. 19 juli 2017, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 25 juli 2017, met producties;
– de conclusie tot uitlating over de producties d.d. 28 juli 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers wonen aan de [adres].

2.2 Bij ministeriële beschikking d.d. 16 januari 1986 [nummer 1] is aan Aarvina Trading N.V. verleend het recht van grondhuur voor het opzetten van een vakverenigingsgebouw annex sportvelden, een zwembad en een aantal verkoopstands op het perceelland groot 1,5463 ha, gelegen in het district Paramaribo aan de Mr. J. Lachmonstraat en deel uitmakende van het perceelland bekend als Flora projekt no. 1220, thans No. 1596.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 18 september 2007, La D [nummer 2] , is aan Aarvina Trading N.V., toestemming verleend om de bestemming van het aan haar verleende recht van grondhuur op het hiervoor omschreven perceelland te wijzigen, en wel ter bebouwing en bewoning.

2.4 Op 12 mei 2017 is door de Staat Suriname aan Aarvina Trading N.V. vergunning verleend voor het bouwen van een zakenpand op het perceel, gelegen in het district Paramaribo, op de hoek van de Foeliestraat en de Recolaan, deel uitmakende van het project Flora A no. 1718, met 11 aantal bouwlagen. De vergunning is onder enkele voorwaarden verleend.

2.5 Het terrein waarop het zakenpand zal worden gebouwd heeft Assuria gekocht van respectievelijk BDO en Aarvina Trading N.V.

2.6 Op 15 juni 2017 heeft de gemachtigde namens eisers per exploit van een deurwaarder een schrijven d.d. 13 juni 2017 betreffende de bouw van het zakenpand met 10 verdiepingen aan gedaagde gericht, in welk schrijven zij het volgende aan gedaagde hebben medegedeeld

“Tot mij hebben zich gewend [eiser 2], [eiser 1], mede namens alle bewoners van de [adres] en omgeving en [persoon], mede namens de bewoners van Huize Ashiana die mij mededeelden vernomen te hebben dat U plannen hebt om op korte termijn over te gaan tot de bouw van een 10 verdiepingen hoge kantoorgebouw aan de [adres] te [district].

Het hoeft geen betoog dat de bewoners van de [adres] en omgeving alsmede de bewoners van Huize Ashiana zich grote zorgen maken over dit plan, aangezien uitvoering hiervan niet slechts grote schade zal aanrichten aan hun woonhuizen in ruime omtrek, alsook aan Huize Ashiana, nog afgezien van het feit dat al deze bewoners dag en nacht en voor altijd last zullen ondervinden van de dagelijkse aan- en toeloop van personen, daar gelaten de overlast, veroorzaakt door gemotoriseerde voertuigen die dag en nacht de kantoren en eventueel bijkomende gelegenheden zullen bezoeken die in dit reusachtig gebouw zullen worden ondergebracht.

Het heien van de – naar verluid – 250 palen met een lengte van om en bij 60 meters elk waarop dit reusachtig gebouw moet komen te staan zal voor niet te verdragen overlast zorgen, nog afgezien van de niet te verduren last en hinder bij de aanvoer van zwaar materieel op de bouwplaats.

Cliënten wensen u erop te attenderen dat de plek waarop u dit gigantisch gebouw zult opzetten in een woonwijk ligt en dat contaminatie niet is toegestaan m.a.w. dat enkel en alleen woonhuizen in dit gebied mogen worden gebouwd. Ze zijn er dan ook vast van overtuigd dat het ministerie dat bevoegd is bouwvergunningen wel of niet af te geven zeker geen toestemming aan u zal verlenen tot het opzetten van een dergelijk gebouw. Ook het vliegverkeer (vliegveld Zorg en Hoop) zal – zij het naar een lekenoordeel – last van dit hoogste gebouw van Suriname ondervinden.

Van u wordt geëist af te zien van uw voornemens tot het bouwen op eerdergenoemde locatie en indien u dit nalaat en de bouw toch doorzet zal zulks als onrechtmatig handelen uwerzijds jegens mijn cliënten worden gekwalificeerd en zullen er tegen u onverkort rechtsmaatregelen worden getroffen”.

2.7 Eind april 2017 hebben eisers een schrijven d.d. 15 april 2017 aan de Minister van Openbare Werken, Transport en Communicatie, hierna afgekort OWT en C, gericht, waarin zij hun misnoegen uiten over de vergunning die aan gedaagde is verleend voor het bouwen van het mega zakenpand en het verzoek doen dat de vergunning alsnog wordt ingetrokken. Ter zake hebben zij het volgende verwoord:

“(….)

Uit informatie is gebleken dat het verzekeringsbedrijf Assuria N.V. binnenkort van start zal gaan met de bouw van een groot ‘commercieel’ centrum van, naar verluidt min of meer 14 verdiepingen, aan de [adres]. Het zal het hoogste gebouw in Suriname moeten gaan worden. De [adres] loopt parallel met en ligt ten noorden van de [straat 1](tussen de [ straat 1] en de [straat 2]). Te uwer oriëntatie, zie aangehecht een figuratieve kaart.

Wij willen u erop attenderen dat voor zover bekend de gronden in de [adres] zijn uitgegeven in grondhuur en bestemd zijn voor bebouwing en bewoning. Zulks is uitdrukkelijk aangegeven in alle relevante aktes.

Door de bouw van het commercieel centrum zal de rust en het woongenot van een aantal gezinnen en van de seniorenburgers van Huize Ashiana voorgoed tot het verleden gaan behoren. Allen hebben voor hun leven geïnvesteerd in een vaste woon- en verblijfplaats en deze zal door een bedrijf dat tal van andere mogelijkheden heeft nu danig verstoord worden, indien zij ertoe overgaat het bovengenoemd centrum in de woonwijk op te zetten. Op dit moment ondervinden wij al behoorlijk veel last van de wekelijkse feestelijke activiteiten met luide muziek vanuit Stichting De Olifant en Flamboyant waarover reeds tal van brieven zijn geschreven naar diverse instanties, voornamelijk door bewoners van Huize Ashiana. Helaas is tot heden alle reactie uitgebleven.

Om te beginnen zal de bouw van een dergelijk mega commercieel centrum enige jaren in beslag nemen waarbij de bouwwerkzaamheden, zoals het heiwerk, het vrachtverkeer voor aan- en afvoer van materiaal, het lawaai van te gebruiken machines en motorische gereedschappen continu de rust en ‘woongenot’ verstoren en ook nog hun tol eisen van woonhuizen en de door ons moeizaam opgebouwde weg die slechts een capaciteit van 4 ton heeft. Eveneens zal onze privacy vanwege de continue inkijk van bouwvakkers in het geding zijn. De overlast zal niet te overzien zijn en de gedachte eraan alleen werkt nu al negatief op onze gemoedstoestand.

Na de bouw zullen wij 1 x 24 uur last hebben van commerciële activiteiten, zoals aankomende en vertrekkende auto’s, bezoekers die her en der zullen parkeren op onze bermen en in onze inritten, vrachtverkeer van leveranciers, luide muziek van de te organiseren shows en andere activiteiten en, niet te vergeten, al het afval dat ook nog zal komen bij kijken en dat door ons opgeruimd zal moeten worden. Wij zullen als bewoners geen dag en geen moment meer rust hebben van dit alles en dat is waar wij met klem tegen protesteren.

Vermeldenswaard is dat Assuria N.V., zoals een goed en maatschappelijk verantwoorde onderneming niet betaamt, nimmer en op geen enkele manier in contact is getreden met de bewoners voor enige mededeling of overleg. Ook het Ministerie van Openbare Werken heeft nagelaten zulks te doen, terwijl dat wel gebruik is, alvorens vergunningen van dergelijke omvang worden verleend.

Voorts willen wij aan U doorgeven dat een aantal van de bewoners van de woningen dicht tegen hun pensioengerechtigde leeftijd zitten en het slachtoffer worden van onmaatschappelijk en arrogant gedrag van een rijk en succesvol bedrijf. Van deze bewoners kan niet worden verwacht dat zij van de een op de andere dag een andere verblijfplaats moeten zoeken. Waar zullen onze seniorenburgers, die hun laatste dagen in alle rust dachten door te brengen in Huize Ashiana, naar toe moeten gaan?

Het is alleszins incorrect dat het ministerie een vergunning heeft verleend voor het opzetten van een kolossaal commercieel centrum in een woonwijk waar notabene op enkele meters afstand zich een bejaardenthuis bevindt.

Wij vragen U hierbij om deze kwestie grondig te onderzoeken en te interveniëren opdat de bouwvergunning alsnog wordt ingetrokken en de bouw niet aanvangt.

Gaarne vernemen wij, vanwege de urgentie van deze zaak binnen een week na ontvangst van dit schrijven, uw reactie”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eisers vorderen om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagde te veroordelen om onmiddellijk na de uitspraak althans binnen een uur na de uitspraak te stoppen met de bouw van een 9 á 10 verdiepingen hoge zakenpand c.q. bedrijfspand aan de [adres] op de percelen 1 t/m 12, als aangegeven op de kaart van de landmeter in Suriname J.G. van der Jagt d.d. 08 augustus 2006 onder verbeurte van een dwangsom groot SRD 250.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde nalaat aan deze veroordeling te voldoen, althans zodanig bedrag welke, de kantonrechter met inachtneming van goede justitie redelijk en billijk mocht achten;

b. gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen eisers, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

– het terrein in de [adres] is ingevolge de wet bestemd voor bebouwing en bewoning;
– met de bouw van het zakenpand handelt gedaagde in strijd met de bestemming waarvoor het terrein is uitgegeven;
– als gevolg van de bouw van het zakenpand wordt schade berokkend aan eisers, daarin bestaande dat het bouwwerk ernstige inbreuk zal maken op het woongenot van eisers en alle andere buurtbewoners;
– met het heien van de betonnen palen c.q. de bouw van het zakenpand zal enorme schade aan de woningen van eisers en andere buurtbewoners in de wijde omgeving worden toegebracht en zal de marktwaarde van de woningen enorm dalen.

3.3 Gedaagde heeft het volgende verweer gevoerd:

– de door eisers gemaakte bezwaren tegen de gevraagde bouwvergunning van het zakenpand zijn niet valide beoordeeld door de vergunningverlenende instanties;
– eisers hebben elke handreiking tot coördinatie van de heiwerkzaamheden door gedaagde uit de weg gegaan. Op het hiervoor door gedaagde opgeworpen verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling op terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang in de onderhavige zaak blijkt in voldoende mate uit de stellingen van eisers, waarbij gedaagde reeds is gestart met het heien van de betonnen palen. Om die reden zullen eisers in het kort geding worden ontvangen.

4.2 Als eerst betwist gedaagde dat eisers een titel van grondhuur ter bebouwing en bewoning hebben op het door hun bewoonde perceel en dienen eisers dus zoals de kantonrechter het verweer van gedaagde begrijpt, om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard in de door hun gevraagde voorzieningen. In reactie op dit verweer heeft eiser sub 1, ter staving van zijn stelling dat hij de titel van grondhuur met als bestemming bebouwing en bewoning op het door hem bewoonde perceel heeft verkregen, overgelegd de beschikking van de minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 20 juli 1998 LAD [nummer 3] ter bebouwing en bewoning en eiseres sub 2 heeft ter staving van deze stelling overgelegd een koopovereenkomst d.d. 19 april 2007 en een hypothecair uittreksel van het Glis Management Instituut d.d. 18 juli 2017.

Uit de inhoud van de beschikking die eiser sub 1 heeft overgelegd, zijnde de toewijzingsbeschikking, leidt de kantonrechter af dat de titel van grondhuur ter bebouwing en bewoning niet aan eiser sub 1 is verleend, doch aan ene [naam ]. Eiser sub 1 heeft daarbij evenwel gesteld dat hij is gehuwd met die [naam], doch heeft hij nagelaten deze laatste stelling middels enig bescheid afkomstig van het Centraal Bureau voor Burgerzaken te staven. Nu hij zulks niet heeft overgelegd, is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat eiser sub 1 met genoemde [naam], die bovendien geen procespartij is in de onderhavige zaak, is gehuwd en hij dus geen zakelijke titel heeft op het door hem bewoonde perceel. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat ook al zou aannemelijk zijn geweest dat eiser sub 1 met de hiervoor genoemde [naam] gehuwd is, eiser niet kan volstaan met slechts het overleggen van de toewijzingsbeschikking om de titel van grondhuur te staven. Dit, omdat voor het verkrijgen van de zakelijke titel van het recht van grondhuur op het perceel overschrijving van de toewijzingsbeschikking binnen vier maanden na verkrijging van de beschikking in de daartoe bestemde openbare registers bij het GLIS Management Instituut, voorheen Hypotheekkantoor, dient te geschieden en eiser sub 1 de zakelijke titel op het perceel alleen zou kunnen staven middels een hypothecair uittreksel. De kantonrechter vermag niet in te zien op welke wijze de woning in marktwaarde zal dalen, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat juist door de bouw van nieuwe panden de marktwaarde van belendende percelen in waarde stijgt. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eiser sub 1.

4.3 Voor wat betreft het zakelijk recht van grondhuur op het door eiseres sub 2 bewoonde perceel blijkt uit de inhoud van de ten processe door eiseres sub 2 overgelegde koopovereenkomst en het hypothecair uittreksel dat zij het zakelijk recht van grondhuur op het door haar bewoonde perceel onderhands van een derde heeft gekocht op 19 april 2007 en dat dit zakelijk recht nog niet juridisch aan haar is overgedragen. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat eiseres sub 2 geen enkele zakelijke titel op het door haar bewoonde perceel heeft.

4.4 Ondanks eisers geen zakelijke titel op het perceel dat zij bewonen hebben, leidt zulks niet tot niet ontvankelijk verklaring van eisers in de door hun gevraagde voorziening. Dit, omdat wel voldoende aannemelijk is dat zij hebben gebouwd op de percelen alwaar zij wonen. Daar deze percelen zich bevinden tegenover het terrein alwaar gedaagde bezig is het zakenpand te bouwen en geluidsoverlast/trillingen in die omgeving niet uitgesloten zullen zijn bij de hei- en bouwwerkzaamheden, hebben eisers wel enig belang bij de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter het verweer van gedaagde tot niet ontvankelijk verklaring van eisers verwerpen.

4.5 Gedaagde werpt op dat zij voor het verkrijgen van de nodige vergunningen voor de bouw van het kantoorpand alle wettelijk vereiste procedures heeft doorlopen en dat zij vanwege het verkrijgen van de bouwvergunning toestemming heeft verkregen voor het bouwen van het zakenpand. Hierdoor handelt zij niet in strijd met de bestemming van bebouwing en bewoning. Volgens het betoog van gedaagde brengt de bestemming van bebouwing en bewoning niet per se met zich dat alleen maar woonhuizen op het betreffende terrein mogen worden gebouwd en verwijst zij in dat kader naar de belendende kantoor- en zakenpanden van de Surinaamsche Luchtvaartmaatschappij, Accountants- en Belastingkantoor BDO, de Verenigde Hervormingspartij, het AVSS de Moederbond, die zijn opgezet op terrein dat in grondhuur is verstrekt met dezelfde bestemming van bebouwing en bewoning.

In reactie op dit verweer stellen eisers dat het Ministerie van Openbare Werken Transport en Telecommunicatie geen bouwvergunning aan gedaagde mocht verlenen voor de bouw van het mega zakenpand, omdat eisers en de overige buurtbewoners nimmer ter zake zijn gehoord door de Districtscommissaris en het Ministerie en dat deze instanties geen deskundigen in huis hebben op het gebied van de bouw van dergelijke mega zakenpanden. Uit deze stelling begrijpt de kantonrechter dat eisers zich op het standpunt stellen dat de daartoe bevoegde autoriteiten bij het verlenen van de bouwvergunning aan gedaagde het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden en daarbij tevens onzorgvuldig zijn omgesprongen met de belangen van eisers en de overige buurtbewoners en hierdoor onrechtmatig jegens hen handelt. Daar eisers de vergunningverlenende instantie, met name de Staat Suriname, niet in het proces hebben betrokken en deze zich ter zake niet kan verweren, is het onmogelijk voor de kantonrechter om deze stelling van eisers te beoordelen. Om die reden gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eisers en zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde de wettelijke procedure heeft bewandeld voor het verkrijgen van de vergunning. Dit heeft gedaagde overigens aannemelijk gemaakt middels overlegging van de bouwvergunning, welke bouwvergunning eisers niet van valsheid hebben beticht.

4.6 Gedaagde weerspreekt zich niets van de belangen van buurtbewoners, waaronder eisers, te hebben aangetrokken. Daartoe voert zij aan dat zij informatiesessies heeft gehouden om overleg te voeren betreffende de coördinatie van het heiwerk en de bouw en dat eisers hiervoor niet openstonden. Tevens voert zij aan dat zij alle nodige voorzieningen heeft getroffen om ingeval door de bouwwerkzaamheden schade aan goederen van eisers en overige buurtbewoners mocht worden veroorzaakt, zij een verzekering ter zake heeft om de schade aan hen te vergoeden. In dit licht heeft zij voor aanvang een inspectie in de woningen van eisers gepleegd en een rapport uitgebracht over de staat waarin de woningen voor aanvang van de bouwwerkzaamheden verkeerde. Dat gedaagde zulks hebben gedaan hebben eisers zelf erkend en gedaagde heeft het rapport van de inspecteur ter zake overgelegd. Ondanks gedaagde al deze nodige maatregelen heeft getroffen en voorstellen heeft gedaan om de mogelijke schade aan de goederen van eisers te beperken en indien er toch schade zou optreden als gevolg van de bouwwerkzaamheden bereid is die te vergoeden, staan eisers niet open hiervoor. Gedaagde heeft zelf in het kader van de trillingen en de geluidsoverlast waarvan eisers last ondervinden, voorgesteld dat eisers gedurende de hei- c.q. bouwwerkzaamheden in een hotel kunnen verblijven en zelfs aangeboden om op te draaien voor die kosten. Ook dit voorstel hebben eisers afgewezen. Eisers hebben tijdens de gehouden descente en gehouden comparitie van partijen op niet mis te verstane wijze kenbaar gemaakt dat gedaagde het zakenpand niet in die omgeving mag bouwen. Gelet op al hetgeen hiervoor en onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, de nodige voorzieningen c.q. maatregelen die gedaagde heeft getroffen om de schade die mogelijk aan goederen van eisers en de bewoners zou kunnen worden veroorzaakt door de bouw- c.q. heiwerkzaamheden, de kosten die gedaagde reeds in dat kader heeft gemaakt en het feit dat eisers hebben nagelaten de Staat Suriname in het onderhavige proces te betrekken, zullen de door eisers gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 10 augustus 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu
w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-5729
18 februari 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE STICHTING OMROEP SURINAME (SRS), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jagdeiweg no. 18 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mw. M. Gangapersad, algemeen directeur Sasur.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 december 2015 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 14 januari 2016;
– de conclusie van antwoord d.d. 15 januari 2016, met producties;
– de conclusie van repliek d.d. 21 januari 2016, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 28 januari 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 03 december 2009 is eiseres in de zaak in kort geding bekend onder A.R. No. 07-3984 onder andere:

  • verboden de muziekwerken “Ladies Night”, “Killing me Softly with his song”, alsook het muziekwerk “kiss and say goodbye”, geheel of gedeeltelijk middels het door haar geexploiteerde omroepstation of op welke wijze dan ook, zonder de van gedaagde verkregen toestemming openbaar te maken, dan wel te verveelvoudigen;
  • verboden enig muziekwerk of delen al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door gedaagde’s beheerde repertoire middels het door haar geexploiteerde omroepstation of op welke andere wijze dan ook, zonder de van gedaagde verkregen toestemming openbaar te willen maken dan wel te vereenvoudigen;
  • veroordeeld tot betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,- voor iedere keer dat zij de hier bovengenoemde verboden overtreedt, tot een maximum van SRD 1.000.000,-.

2.2 Het hiervoor vermeld vonnis is reeds in kracht van gewijsde gegaan. Gedaagde heeft dit vonnis op diverse data, voor de eerste maal op 10 november 2011 aan eiseres bij exploit van de deurwaarder doen betekenen.

2.3 Bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 26 juli 2014 no. 1025 is eiseres aangezegd om het bedrag ad SRD 1.000.000,- aan gedaagde te voldoen, omdat zij in strijd met het bedoelde vonnis zou hebben gehandeld door op frequentie 96.3 FM op de aangegeven data de daarin vermelde muziekwerken behorende tot haar repertoire zonder haar toestemming openbaar te hebben gemaakt c.q. ten gehore te hebben gebracht.

2.4 Bij exploit van deurwaarder D. Hieralal d.d. 07 augustus 2014 heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen op het aan eiseres toebehorend recht van erfpacht voor het opzetten van een radio-omroepbedrijf voor de duur van 75 jaren “op het erf groot 2.978 m², uitmakende van de erven aan de verlengde Hoogestraat en bekend als NW 2e BW no.’s 246 L en 246 M”, hierna aangeduid als het onroerend goed.
Deze executoriale beslaglegging is op 07 augustus 2014 aan eiseres betekend.

2.5 In de kort geding zaak bekend onder A.R. No. 14-4867 is tussen partijen een geschil geweest over de beantwoording van de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd. Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 19 januari 2015 is deze vraag in de hiervoor vermelde zaak bevestigend beantwoord, en wel op grond van de volgende overweging:

“3.16 Ten aanzien van het tweede deel van de grondslag, namelijk de stelling van de SRS dat zij het verbod opgenomen in het vonnis niet heeft overtreden overweegt de kantonrechter alsvolgt.

3.17 De SRS stelt zich op het standpunt dat zij niet weet welke muziekwerken in het repertoire van Sasur zijn opgenomen. Zij stelt dat het verbod in het vonnis daarover onvoldoende duidelijkheid geeft. Daardoor kan haar niet worden verweten dat zij het verbod heeft overtreden en zijn er geen dwangsommen verbeurd.

3.18 De SRS verwijst daarbij naar het vonnis van 7 februari 2013 in de zaak bekend onder arno. 123358 waarin de kantonrechter onder andere heeft overwogen (4.2.2 en 4.2.3): “naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat gedeelte van het vonnis waarbij eiseres is verboden om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door gedaagde’s beheerde repertoire middels het door haar geëxploiteerde omroepstation of op welke wijze dan ook, zonder de van gedaagde verkregen toestemming openbaar te maken dan wel te verveelvoudigen, zo vaag dat van eiseres niet kon worden verwacht dat zij zich hield aan dit gedeelte van de veroordeling. Alhoewel een groot deel van de muziekwerken tot het repertoire van gedaagde behoren, had specifiek moeten zijn vermeld aan welke muziekwerken eiseres zich diende te houden. Immers nu niet alle muziekwerken behoren tot het repertoire van gedaagde, mocht van eiseres niet worden verwacht dat zij behoorde te weten welke muziek al dan niet behoort tot het repertoire, dat door gedaagde beheerd wordt. Het verweer van gedaagde ter zake wordt daarom verworpen. Evenmin mocht gedaagde ervan uitgaan dat het een feit van algemene bekendheid is welke muziekwerken tot haar repertoire behoren …… Ten aanzien hiervan heeft eiseres gesteld dat, na het vonnis van de kantonrechter van 3 december 2009, gedaagde pas op 16 mei 2012 haar repertoire aan eiseres heeft kenbaar gemaakt. Zij stelt dat ook terecht indien zij in de tussenliggende periode van 3 december 2009 tot en met 16 mei 2012, muziekwerken behorende tot het repertoire van gedaagde ten gehore heeft gebracht, dit haar redelijkerwijs niet kan worden aangerekend. Op grond van al het voorgaande in onderlinge samenhang gezien en gelezen, kan naar het oordeel van de kantonrechter worden geconcludeerd dat er geen dwangsommen zijn verbeurd.”

3.19 Sasur heeft op dit gestelde gereageerd en aangegeven dat zij de SRS herhaaldelijk heeft uitgenodigd om kennis te nemen van de omvang van het Sasur repertoire, hetgeen ook blijkt uit het vonnis met arno. 073984 onder punt 2.6; dat meerdere malen overleg is gepleegd met de SRS, ook door tussenkomst van de ingestelde Commissie van Toezicht, waarbij het repertoire aan haar is gedemonstreerdd; dat Sasur bekend heeft gemaakt, ook tijdens gesprekken met de SRS na de eerste beslaglegging dat zij kennis kan nemen van het actuele repertoire op een aantal websites, waaronder de website van Sasur zelf.

3.20 De kantonrechter overweegt ten aanzien van dit verweer dat de SRS tijdens de comparitie van partijen op 6 januari 2015 heeft erkend dat er gesprekken zijn geweest met Sasur na de eerste beslaglegging in 2012. Zij heeft ook erkend dat Sasur haar naar de websites heeft verwezen vanwege het feit dat het miljoenen werken betreft.

3.21 De kantonrechter is van oordeel dat, alhoewel de kantonrechter in de zaak met arno. 123358 redenen zag om aan te nemen dat niet van de SRS verwacht mocht worden dat zij op de hoogte was van het feit dat de werken die zij afdraaide tot het repertoire van Sasur behoorden, die omstandigheid thans niet meer opgaat. Immers zijn er daarna gesprekken geweest waarin de SRS is gewezen op de websites waar het repertoire is vermeld. Voorts is door Sasur gesteld en niet voldoende gemotiveerd door de SRS betwist dat zij, Sasur dus, aan de SRS te kennen heeft gegeven dat het er eigenlijk op neerkomt dat nagenoeg alle buitenlandse werken in het repertoire van Sasur zijn opgenomen waardoor geen buitenlandse werken kunnen worden afgedraaid zonder dat er sprake is van het repertoire van Sasur. De kantonrechter is van oordeel dat, nu deze informatie na de eerste beslaglegging in 2012 bekend is geworden bij de SRS, de SRS zich niet op het standpunt kan stellen dat zij er niet van op de hoogte was dat de nummers die zij afdraaide in het repertoire van Sasur vallen, immers hadden zij de mogelijkheid dat eerst na te trekken op de website en hadden zij ook zonder het na te trekken moeten begrijpen dat, nagenoeg alle buitenlandse werken in het repertoire van Sasur vallen, zij het risico lopen, zodra zij een buitenlands werk afdraaien, dat dit werk valt binnen het repertoire van Sasur.”

2.6 Eiseres heeft tegen het hiervoor onder 2.5 vermeld vonnis hoger beroep aangetekend.

2.7 In de kortgeding zaak bekend onder A.R. No.15-1096 heeft eiseres de schorsing van de executie van de dwangsommen gevorderd, welke vordering door de kantonrechter in het eerste kanton bij vonnis d.d. 05 mei 2015 is toegewezen, en wel totdat het Hof van Justitie in de zaak bekend onder A.R. No. 07- 3984, waarvan eiseres in beroep is gegaan, definitief heeft beslist over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd. Daartoe heeft de kantonrechter in het eerste kanton onder meer het volgende overwogen:

“4.3.1 Bij de vraag of de executie van verbeurde dwangsommen misbruik van bevoegdheid oplevert, stelt de kantonrechter voorop dat de rechter in een executiegeschil een bijzondere terughoudendheid heeft. Voor de tenuitvoerlegging van een executoriale titel geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat misbruik van bevoegdheid wordt aangenomen anders dan in sprekende gevallen. De vraag of er sprake is van misbruik van bevoegdheid laat zich slechts aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen.

4.3.2 SRS en de Staat betogen bij repliek dat de door SRS te lijden schade bij de voortzetting van de openbare verkoop van het perceel en ook de afgifte van de gelden heel groot zal zijn, vooral omdat Sasur niet in staat zal zijn bij een in haar nadeel gewezen vonnis de ontvangen gelden te kunnen restitueren. Volgens SRS en de Staat heeft Sasur geen enkel vermogen waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken. Zij heeft geen enkel vermogensbestanddeel op haar naam en ook geen of nauwelijks gelden op de bank op haar naam. Daarnaast heeft Sasur in diverse processen aangegeven schulden te hebben. In dit proces heeft zij ook geen zekerheid geboden voor een eventuele terugbetaling.

4.3.3 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het in beginsel aan Sasur om in te schatten hoe hoog het risico van vernietiging van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 19 januari 2015, bekend onder A.R. No. 14-4867 en om, na dit risico te hebben ingeschat, te beoordelen of zij al dan niet tot inning van de dwangsommen overgaat.

Evenwel zal bij deze afweging, niet lichtvaardig moeten worden omgegaan met het restitutierisico.

De dwangsommen die Sasur wenst te executeren belopen een totaal van SRD 1.000.000,-. Sasur heeft de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat, dat zij geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken indien het vonnis wordt vernietigd door het Hof, niet althans niet gemotiveerd weersproken. Evenemin heeft Sasur weersproken dat zij in diverse processen heeft aangegeven schulden te hebben.

Gezien de financiele situatie van Sasur en de omstandigheid dat de hoogte van de te executeren dwangsommen niet gering is, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een restitutierisico indien het Hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt. Het belang van SRS om in dit geval een beslissing van het Hof af te wachten weegt zwaarder dan het belang van Sasur om de dwangsommen te executeren.

Daarbij wordt meegenomen de omstandigheid dat het oorspronkelijk vonnis op grond waarvan Sasur meent dwangsommen te hebben verbeurd, dateert van 3 december 2009, dus langer dan 5 jaren geleden.

Onder de gegeven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat Sasur een pas op de plaats dient te maken met de verdere executie van de dwangsommen, totdat het Hof definitief heeft beslist over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd.

Dit heeft tot gevolg dat de primair gevraagde voorziening dient te worden geweigerd en het subsidiair gevorderde voor toewijzing gereed ligt, als in het dictum te melden.”

2.8 Gedaagde heeft tegen het hiervoor vermeld vonnis onder 2.8 hoger beroep aangetekend.

2.9 Gedaagde heeft in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 15-2151 een vordering ingediend bij de kantonrechter in het eerste kanton om de tenuitvoerlegging van het onder 2.7 gewezen vonnis te doen staken, welke vordering bij vonnis van 29 mei 2015 is geweigerd. Tegen dit vonnis heeft gedaagde hoger beroep aangetekend.

2.10 Gedaagde heeft in de zaak bekend onder A.R. No. 14-3831 bij de kantonrechter in het eerste kanton de openbare verkoop van het onroerend goed gevorderd, welke vordering bij beschikking d.d. 21 oktober 2015 door de kantonrechter in het eerste kanton is toegewezen en heeft de kantonrechter daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4. Uit de overgelegde producties blijkt dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis van 5 mei 2015 onder A.R. nummer 15-1096 de executie van de dwangsommen welke verzoekster wenste te verbeuren, heeft geschorst totdat in hoger beroep definitief is beslist over de rechtmatigheid daarvan. Het is een feit dat vanwege de onderbezetting bij de rechterlijke macht, het jaren kan duren alvorens het Hof van Justitie een beslissing neemt in civiele zaken, hetgeen niet ten detrimente van de rechtszoekende mag komen. Bovendien is er een grote kans dat tegen de tijd dat verzoekster in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld omtrent de rechtmatigheid van de executie van de dwangsommen, het geld reeds is gedevalueerd.

5. Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat verzoekster – anders dan De Staat Suriname en verweerster – een zwaarder belang heeft om het vonnis van 3 december 2009 onder A.R. nummer 073984 te executeren. De vordering van verzoekster is gegrond en wordt toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.”

2.11 Tegen deze door de kantonrechter gegeven beschikking tot openbare verkoop bestaat er geen mogelijkheid tot het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep.

2.12 Bij schrijven d.d. 23 oktober 2015 heeft eiseres aan gedaagde medegedeeld dat zij niet tot openbare verkoop van het onroerend goed kan overgaan, vanwege de beslissing van de kantonrecher in het eerste kanton. In dat schrijven staat onder meer het volgende vermeld:
“….
Op woensdag 21 oktober 2015 heeft de kantonrechter ten principale Sasur inderdaad toestemming gegeven tot het in het openbaar verkopen van het aan haar in eigendom toebehorend onroerend goed, nader bij partijen bekend.

De bron van de openbare verkoop zijn de dwangsommen met als grondslag het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 03 december 2009, bekend onder A.R. No. 07-3984. Zoals u bekend verschillen partijen van mening over de vraag als de dwangsommen rechtmatig zijn opgelopen en staat zulks nog niet rechtens tussen partijen vast. Naar aanleiding hiervan heeft de kantonrechter in het eerste kanton bij vonnis de dato 5 mei 2015, bekend onder A.R. no. 15/1096, op verzoek van de SRS de executie van deze dwangsommen geschorst, totdat het Hof van Justitie definitief heeft beslist over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd. Inmiddels heeft het Hof de eerste behandeling van de zaak vastgesteld op 06 november 2015.

Gelet op het voorgaande wil ik uw aandacht erop vestigen dat u niet tot de openbare verkoop mag overgaan, zolang het Hof niet over vermelde rechtsvraag heeft beslist. Het doen verkopen van het onroerend goed is als een executiehandeling te beschouwen. Mocht u toch onverhoopt overgaan tot de openbare verkoop, dan zal cliente de kort geding rechter onverkort wederom adieren en alle alsdan te maken kosten en te lijden schade op u verhalen.”

2.13 Gedaagde heeft bij exploit van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 december 2015 no. 1700 aan eiseres de openbare verkoop van het onroerend goed ten overstaan van notaris mr. M.A. Nannan Panday op woensdag 24 februari 2016 om 10.00 uur aangezegd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

  • de stopzetting te gelasten van de bij exploit van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 december 2015 no. 1700 voor woensdag 24 februari 2016 om 10.00u aangekondigde openbare verkoop ten overstaan van notaris mr. M.A. Nannan Panday van het perceelland ten laste van eiseres, totdat in hoger beroep definitief is beslist over de rechtmatigheid van de dwangsommen;
  • gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

 

3.2 Eiseres legt, naast de feiten vermeld onder 2, ook het volgende feiten aan haar vordering ten grondslag:
– de bron van de openbare verkoop zijn de dwangsommen met als grondslag het vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 07-3984, welke dwangsommen gedaagde thans wenst te verhalen door de executie op het onroerend goed;
– zij heeft geen dwangsommen verbeurd, omdat zij niet in strijd met het hiervoor vermeld vonnis heeft gehandeld en het Hof van Justitie nog een beslissing op de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd dient te nemen;
– de kantonrechter in kort geding in dat licht de verdere executie van deze dwangsommen bij vonnis heeft geschorst, totdat door het Hof van Justitie definitief is beslist op deze vraag. Daarom mag gedaagde niet tot openbare verkoop van het onroerend goed overgaan;
– er bestaat geen enkele zekerheid dat gedaagde bij de openbare verkoop van het onroerend goed, het verkochte aan eiseres zal kunnen restitueren, omdat de koper op de veiling wordt beschermd;
– gedaagde heeft geen in redelijkheid te respecteren belang dat zwaarder weegt dan het belang van eiseres om de beslissing in het hoger beroep niet te kunnen afwachten.

3.3 Gedaagde heeft het hierna volgend verweer gevoerd:
– op grond van het vonnis van 19 januari 2015 in de zaak bekend onder A.R. No. 14-4867, welk vonnis kracht van gewijsde heeft, heeft eiseres de dwangsommen verbeurd, omdat zij in strijd met dit vonnis heeft gehandeld;
– het onderhavige geschil tussen partijen betreft de tenuitvoerlegging van het hiervoor in kracht van gewijsde vonnis en mag de tenuitvoerlegging ervan vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en daarbij horende rechtszekerheid – niet belemmerd worden;
– op grond van de beschikking tot openbare verkoop d.d. 21 oktober 2015 in de zaak bekend onder A.R. no. 14-3831 mag zij, gedaagde overgaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed;
– zij heeft een dringend en rechtvaardig belang bij om de openbare verkoop voortgang te laten vinden om haar rechten en belangen bestendig te zien;
– op het onroerend goed rusten naast het door gedaagde gelegde executoriaal beslag, ook twee beslagen die door de Staat Suriname zijn gelegd vanwege belastingschulden;
– mocht het perceel vanwege deze beslagen hangende het hoger beroep worden verkocht, dan heeft gedaagde haar rechten en aanspraken verloren.

Op het hiervoor vermeld verweer komt de kantonrechter, voor zover nodig, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt voldoende uit haar stellingen, met name de ingrijpende gevolgen die de openbare verkoop zal hebben, indien in hoger beroep het Hof van Justitie van oordeel mocht zijn dat eiseres niet in strijd met het in kracht van gewijsde vonnis heeft gehandeld en daaruit voortvloeiend gedaagde geen aanspraak maakt op de verbeurde dwangsommen. Derhalve zal eiseres in het kort geding worden ontvangen.

4.2 Naar aanleiding van de stellingen en weren van partijen, zoals weergegeven onder 3.2 en 3.3 in dit vonnis, stelt de kantonrechter het volgende voorop.
Een dwangsom is geen boete of straf. Het is een prikkel richting de veroordeelde tot nakoming of naleving van een rechterlijk gebod of verbod. Een vonnis waarbij een veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom is uitgesproken, geeft de bevoegdheid de dwangsommen te executeren. Voor de executie van de dwangsommen is vereist dat de partij die is veroordeeld, in casu eiseres, niet aan de veroordeling heeft voldaan. Op de partij die meent aanspraak te maken op de verbeurde dwangsommen, in casu gedaagde, rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het niet voldoen door de andere partij aan de veroordelingen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de kantonrechter nimmer sprake zijn van het verloren gaan van de rechten en aanspraken van gedaagde, zoals door haar opgeworpen. Dit, ook mede vanwege het feit dat het in kracht van gewijsde vonnis in stand blijft en het door gedaagde gelegde executoriaal beslag uit hoofde van de reeds aangevangen executie van de dwangsommen terzake waarvan zij de mening is toegedaan daarop aanspraak te maken, nog op het onroerend goed rust.

Voor wat betreft het verweer dat zij haar rechten en aanspraken kwijt zal raken indien andere beslagleggers tot de openbare verkoop mochten overgaan, brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat volgens de regels van het beslagrecht beslagleggers bij de vereffening een rangregeling in acht horen te nemen. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan dit verweer.

4.3 Hetgeen partijen nog verdeeld houdt is de beantwoording van de vraag of eiseres in strijd met het in kracht van gewijsde vonnis van 03 december 2009 in de zaak bekend onder A.R No. 07-3984 heeft gehandeld, en alzo dwangsommen heeft verbeurd.

Zoals uit de feiten blijkt is de verdere executie van deze dwangsommen vanwege deze vraag die partijen nog verdeeld houdt en op welke vraag het Hof van Justitie in hoger beroep nog een beslissing moet geven, bij vonnis van de kantonrechter in kort geding geschorst.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter valt de door gedaagde aangezegde openbare verkoop onder de noemer “executie van de dwangsommen”, waardoor deze openbare verkoop vanwege het vonnis van
5 mei 2015 geen voortgang meer kan vinden, en wel totdat het Hof van Justitie op de hiervoor bedoelde vraag die partijen verdeeld houdt heeft beslist. Derhalve komt de gevraagde voorziening, zoals hierna in de beslissing vermeld, voor toewijzing in aanmerking. Daarbij heeft de kantonrechter ook in overweging genomen dat de beantwoording op dit geschilpunt thans in kort geding geschiedt, terwijl de definitieve beantwoording van de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd danwel de vaststelling van dit feit, volgens de algemene regels van het procesrecht in bodemprocedure zou horen te geschieden.

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploit van deurwaarder J.E. Febis de dato 22 december 2015 no. 1700 voor woensdag 24 februari 2016 om 10.00 uur aangekondigde openbare verkoop ten overstaan van notaris mr. M.A. Nannan Panday van het het aan eiseres toebehorend recht van erfpacht voor het opzetten van een radio-omroepbedrijf voor de duur van 75 jaren op het erf groot 2.978 m², uitmakende van de erven aan de verlengde Hoogestraat en bekend als NW 2e BW no.’s 246 L en 246 M, totdat definitief in hoger beroep is beslist over de rechtmatigheid van de dwangsommen.

5.2 Verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 235,- (Tweehonderd en Vijfendertig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur – Lachitjaran, op donderdag 18 februari 2016 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-4794
09 november 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
domicilie kiezende te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET OPENBAAR MINISTERIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur- generaal bij het Hof van Justitie van Surianme,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C. Klein, officier van justitie.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 29 oktober 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 03 november 2015;
– het verstek dat is verleend aan gedaagde d.d. 03 november 2015;
– de zuivering van het verstek door gedaagde d.d. 03 november 2015;
– de conclusie van antwoord d.d. 04 november 2015, met producties;
– de conclusie van repliek d.d. 05 november 2015, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 06 november 2015.

1.1 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 september 2015 is eiser in verzekering gesteld. De inverzekeringstelling is met ingang van 28 september 2015 met 30 dagen verlengd bij bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling.

2.2 Op 26 oktober 2015 is eiser bij de Rechter-commissaris voorgeleid in het kader van de vordering tot bewaring gedaan door gedaagde.

2.3 Bij beschikking d.d. 27 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris de bewaring van eiser bevolen met ingang van 28 oktober 2015 voor de tijd van 30 dagen.

2.4 Op 29 oktober 2015 heeft gedaagde de hiervoor vermelde beschikking aan eiser doen betekenen, doch heeft eiser geweigerd de beschikking in ontvangst te nemen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
– gedaagde te gelasten om eiser binnen 1 uur na de uitspraak in deze, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, lijfelijk in vrijheid te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor ieder uur dat gedaagde nalatig blijft aan de uitvoeringvan dit vonnis gevolg te geven;
– gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt, daarin bestaande dat de voortduring van zijn vrijheidsbeneming niet op de wet is gestoeld en daarbij in strijd met artikel 7 lid 2 en 4 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens is gehandeld. Daartoe stelt eiser, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:
– op 28 oktober 2015 was hem geen bevel tot bewaring van de rechter-commissaris betekend, noch een last tot tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel en evenmin is hem door de gerechtelijke autoriteiten medegedeeld dat zijn verdere vrijheidsbeneming is ingewilligd. Dit, terwijl de termijn van de verlengde inverzekeringstelling reeds op 27 oktober 2015 te 24.00 uur is verstreken;
– ingevolge artikel 68 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een bevel tot bewaring vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte, in casu eiser, te worden betekend, hetgeen niet is geschied;
– er is geen sprake van een geldige vrijheidsbeneming in de zin van voorlopige hechtenis, omdat het bevel terzake in strijd met de artikel 516 Sv niet aan eiser is betekend;
– ingevolge artikel 517 lid 4 en 6 Sv is de betekening van het bevel inzake bewaring nietig;
– daar er geen sprake is van een voorlopige hechtenis ontbeert eiser de mogelijkheid zijn in vrijheidstelling aan het Hof van Justitie te verzoeken, omdat het Hof van Justitie op grond van artikel 61 Sv alleen in de gevallen waarin er wel sprake is van voorlopige hechtenis en de enige rechtsgang om dit verzoek te doen de kort gedingrechter is.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiser, zodat hij in het kort geding zal worden ontvangen.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of eiser onrechtmatig in detentie zit, dan wel of gedaagde een onrechtmatige daad jegens eiser pleegt.

Zoals de kantonrechter het betoog van eiser begrijpt, beroept hij zich er:

  1. primair op dat in casu geen sprake is van een bevel inzake voorlopige hechtenis. Dit, omdat het bevel inzake bewaring d.d. 27 oktober 2009 vanwege de late betekening en het niet in acht nemen van de bij wet voorgeschreven wijze van betekening daarvan door de vervolging, in casu gedaagde, nietig is;
  2. subsidiair op dat gedaagde met het niet of niet tijdig betekenen van het bevel inzake de bewaring en het niet in acht nemen van de wettelijke vereisten bij de betekening daarvan, een ernstige fout heeft gemaakt bij de vrijheidsbeneming van eiser waarbij de belangen van eiser zijn veronachtzaamd, en dit zal moeten leiden tot de invrijheidstelling van eiser.

4.3 Voor wat betreft het primair gestelde gaat eiser naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter uit van een onjuist standpunt. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat een bevel tot bewaring een beslissing van de rechter-commissaris op vordering van de vervolging behelst welke beslissing door de vervolging zoals eiser terecht stelt, aan de verdachte, in casu eiser, dient te worden betekend vóór of bij de tenuitvoerlegging van dat bevel, doch is in geen der bepalingen van het Wetboek van Strafvordering neergelegd dat een te late betekening van dit bevel door de vervolging of het niet voldoen van de betekening aan de bij wet gestelde eisen leidt tot nietigheid van het door de rechter-commissaris gegeven bevel inzake bewaring. Het kan immers nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat ingeval de vervolging de bij wet gestelde eisen en termijn van betekening van een bevel inzake de bewaring niet in acht neemt, dit zou moeten leiden tot nietigheid van een bevel betreffende de detentie van een verdachte, in casu eiser. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan de stellingen van eiser dat er in casu geen sprake is van een bevel tot voorlopige hechtenis oftwel bewaring. Voldoende aannemelijk is dat er een bevel tot bewaring door de daartoe bevoegde autoriteit, zijnde de rechter-commissaris, is gegeven en er in casu dus wel sprake is van een bevel tot voorlopige hechtenis.

4.4 Voor wat betreft het subsidiar gestelde is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter van belang welke consequenties de strafrechter naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de strafzaak aan een te late betekening of nietigheid van de betekening van het bevel inzake de bewaring zou kunnen verbinden op grond van de vaste jurisprudentie.

Buiten discussie staat de beantwoording van vraag of de vervolging, in casu gedaagde, de wettelijk voorgeschreven regels met betrekking tot de betekennig van het bevel tot bewaring niet in acht heeft genomen, omdat voldoende aannemelijk is dat de wettelijke voorschriften niet in acht zijn genomen. Wat ter discussie staat is de vraag welke consequentie in redelijkheid aan dit handelen van gedaagde verbonden dient te worden.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het laat betekenen van het bevel in zake voorlopige hechtenis of het niet voldoen aan de eisen van de betekening zou kunnen leiden tot óf niet ontvankelijkheid van de vervolging óf strafvermindering als compensatie en zulks dus niet zal leiden tot de invrijheidstelling van de verdachte, in casu eiser. Voorts dient volgens vaste rechtspraak, waarbij verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376, dat niet ontvankelijk verklaring van de vervolging gereserveerd dient te blijven voor uitzonderlijke gevallen. Voor deze sanctie is – naar bewoordingen van de Hoge Raad – alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van grove veronachtzaming van de belangen van eiser. Eiser stelt evenwel dat hij niet geïnformeerd is geworden over de gronden van de voortduring van zijn detentie, doch heeft hij door de weigering voor het in ontvangst nemen bij de betekening van het bevel tot bewaring er zelf voor gekozen om niet geïnformeerd te worden terzake. Mede gelet hierop zal naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de strafrechter bij een beroep van eiser op schending van dit recht en de overige wettelijke formaliteiten terzake aan dit verzuim van gedaagde een strafvermindering als consequentie verbinden.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, zal de door eiser gevraagde voorziening worden geweigerd. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat gedaagde vóór het verstrijken van de termijn van de bewaring, een vordering tot verlenging daarvan bij de rechter-commissaris kan indienen, welke op zeer korte termijn zal verstrijken en dus op zeer korte termijn zal horen te geschieden en eiser zich ook op dit verzuim kan beroepen bij de rechter-commissaris bij de voorgeleiding in dat kader.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 09 november 2015 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

SRU-K1-2017-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 10-2694
31 augustus 2017

Vonnis inzake:

A. DE EVANGELISCHE BROEDERGEMEENTE IN SURINAME,

B. DE EVANGELISCHE LUTHERSE KERK IN SURINAME,

beiden gevestigd te Paramaribo, eisers,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

a. De Stichting ‘SURINAAMSE STICHTING DIAKONESSENARBEID (SSD)’, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

b. [gedaagde 2] , wonende te [district 1],

d. [gedaagde 3], wonende te [district1]

e. [gedaagde 4], wonende in het [district 2],

f. [gedaagde 5], wonende te [district 1],

g. [gedaagde 6] , wonende te [district 1]

h. [gedaagde 7] , wonende te [district 1],

gedaagden sub b en d t/m h pro sé en in hun hoedanigheid van bestuurslid van gedaagde sub a,

gemachtigde voor gedaagden sub a t/m h: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

Vooraf

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis 21 april 2015.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

– het proces-verbaal d.d. 22 mei 2015 van de gehouden comparitie van partijen;
– het proces-verbaal d.d. 12 juni 2015 van de voortgezette comparitie van partijen;
– de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen zijdens gedaagden, met een productie;
– de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating productie zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Gedaagden hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat eisers niet- ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering omdat zij geen rechtspersonen zijn zoals gesteld in het verzoekschrift, terwijl er geen wettelijke regeling is die godsdienstige gemeenschappen als rechtspersoon aanwijst. Gedaagden voeren aan dat de zelfstandige onderdelen van de Hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk, met name de ‘Evangelische Lutherse Gemeente in Suriname’ en de ‘Hervormde Gemeente van Paramaribo’, wel rechtspersoonlijkheid bezaten, doch zijn eisers sub B en C niet hun rechtsopvolgers.

Met betrekking tot eiseres sub A voeren gedaagden aan dat eiseres sub A volgens haar eigen kerkorde slechts een provincie is van de Broeder Entiteit (Unitas Fratrum), zodat de kerkorde (Church Order of the Unitas Fratrum) beslissend is voor de status van eiseres sub A. Ter adstructie wordt de kerkorde van eiseres sub A als productie overgelegd.

Voorts stellen gedaagden zich op het standpunt dat eisers geen bevoegdheid bezitten om bestuursbesluiten van gedaagde sub a aan te tasten, nu bestuursbesluiten van gedaagde sub a slechts kunnen worden aangetast door gedaagde sub a zelf of door degenen wiens rechten door het besluit zijn geschonden. Volgens gedaagden is geen enkel recht van eisers geschonden door de statutenwijziging, nu zij niet tot de oprichters van gedaagde sub a behoren of deelnemers zijn in gedaagde sub a, terwijl zij in het kader van hun eigen doelstelling geen enkel recht hebben om mede te beslissen over de doelbereiking van gedaagde sub a.

Tevens voeren gedaagden aan dat eisers ingevolge artikel 8 lid 1 van de Wet op Stichtingen geen ontslag van bestuursleden kunnen vorderen, nu zij gezamenlijk noch afzonderlijk als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

Tenslotte voeren gedaagden aan dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tegen gedaagden sub c en h, omdat gedaagde sub c ten tijde van de statutenwijziging nog geen bestuurslid was van gedaagde sub a, terwijl gedaagde sub h reeds ettelijke jaren geen bestuurslid meer is van gedaagde sub a.

2.2 Eisers voeren hiertegen aan dat zij wel degelijk rechtspersoon zijn en leggen ter adstructie diverse producties over. Ten aanzien van het processueel belang van eisers voeren zij aan dat hun rechten wel degelijk zijn geschonden door de statutenwijziging, met name het recht om bestuursleden te benoemen en te ontslaan, zodat zij ingevolge artikel 8 lid 1 van de Wet op Stichtingen wel belanghebbende zijn. Eisers voeren aan dat gedaagden sub c en h hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de statutenwijziging, weshalve zij terecht zijn betrokken.

2.3 Gedaagden voeren hiertegen aan dat gedaagde sub h geen bestuurslid meer is, terwijl gedaagde sub c niet heeft deelgenomen aan de besluitvorming. Gedaagden persisteren dat eisers geen rechtspersonen zijn en beroepen zich op artikel 1666 BW, terwijl de door eisers overgelegde producties worden betwist. Gedaagden persisteren dat aan eisers niet het recht toekomt om de bestuursbesluiten van gedaagde sub a aan te tasten, omdat zij geen inbreng hebben in het besluitvormingsproces binnen gedaagde sub a.

2.4 Tijdens de gehouden comparitie en voortgezette comparitie van partijen is door eisers aangegeven dat de zaak tegen gedaagde sub c zal worden ingetrokken, aangezien hij is overleden. Eveneens zal eiseres zich terugtrekken als eiseres sub C.

Gedaagden sub b en h hebben verklaard dat zij de kerk die zij vertegenwoordigen respectievelijk eiseres sub C en A, op de hoogte hadden gesteld van de voorgenomen statutenwijziging. Gedaagde sub f verklaarde dat zij ervan uit zijn gegaan dat de vertegenwoordiger van eiseres sub B, [naam] , eiseres sub B op de hoogte had gesteld omtrent de noodzaak om de statuten te wijzigen.

Eiseres sub A verklaarde dat er op geen enkel wijze met eisers is overlegd en dat eiseres sub A na onderzoek er echter is gekomen dat de statuten waren gewijzigd.

Eiseres sub B verklaarde eveneens dat gedaagde sub a geen overleg met eisers had gevoerd. Gedaagde sub f verklaarde dat zij geen bestuursleden meer zijn en dat in 2013 er nieuwe bestuursleden zijn gekozen op voordracht van de kerken op basis van de nieuwe statuten. Eiseres sub A verklaarde dat het bestuur heeft gesproken met niet-leden en dat er schriftelijk verwoord moet worden dat de kerken hebben ingestemd met de wijziging.

2.5 De kantonrechter overweegt dat, nu gedaagden zich niet hebben verzet tegen de intrekking van de vordering van eiseres sub C, zal worden verstaan dat de vordering van eiseres sub C tegen gedaagden is ingetrokken. Hiermee is reeds rekening gehouden in de aanhef van dit vonnis.

2.6 Nu er ten aanzien van eiseres sub B geen statuten zijn overgelegd waaruit blijkt dat zij rechtspersoon is, wordt het ervoor gehouden dat eiseres sub B geen rechtspersoon is en zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen gedaagden.

2.7 De kantonrechter overweegt dat Par. 81 van de Kerkorde Der Evangelische Broedergemeente in Suriname 1999, als volgt luidt:

“a. De eigendomstitel is “De Evangelische Broedergemeente in Suriname”.

b. De Evangelische Broedergemeente in Suriname is als rechtspersoon eigenares van alle vermogensbestanddelen van alle onderdelen”.

Op grond hiervan overweegt de kantonrechter dat eiseres sub A, mede in acht nemende de door eisers overgelegde hypothecaire uittreksel en beschikking ten name van eiseres sub A, ingevolge voornoemde kerkorde wel rechtspersoon is en derhalve kan worden ontvangen in haar vordering. Het beroep van gedaagden op artikel 1666 BW wordt derhalve verworpen.

2.8 Nu gedaagden zich niet hebben verzet tegen de intrekking van de vordering tegen gedaagde sub c, zal de kantonrechter verstaan dat de vordering tegen gedaagde sub c is ingetrokken.

Ten aanzien van gedaagde sub h, overweegt de kantonrechter dat hij blijkens de notulen d.d. 11 mei 2004 aanwezig was op de bewuste vergadering en de functie van ondervoorzitter van gedaagde sub a bekleedde. Het verweer van gedaagden ter zake wordt derhalve verworpen en kan eiseres sub A worden ontvangen in haar vordering tegen gedaagde sub h.

2.9 Als niet betwist staat vast dat gedaagden sub b, d t/m h geen bestuursleden meer zijn van gedaagde sub a, zodat eiseres sub A niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tegen gedaagden sub b, d t/m h om hun te ontslaan als bestuursleden, zoals gevorderd onder c van het petitum.

Met betrekking tot de bevoegdheid van eiseres sub A om de nietigheid van de statuten dan wel de nietigheid van het besluit tot wijziging daarvan in te roepen, overweegt de kantonrechter dat zulks slechts een aangelegenheid is van het bestuur van gedaagde sub a zelf. Naar het oordeel van de kantonrechter had eiseres sub A een dergelijke vordering tegen gedaagde sub a moeten instellen middels haar vertegenwoordiger in het bestuur van gedaagde sub a, omdat eiseres sub A niet rechtstreeks deelnam of deelneemt in het bestuur van gedaagde sub a. Eiseres sub A zal derhalve niet- ontvankelijk worden verklaard in het door haar gevorderde onder a en b van het petitum.

2.10 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

3. De beslissing

De kantonrechter

3.1 Verklaart eisers sub A en B niet-ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagden sub a, b en d t/m h.

3.2 Verstaat dat eiseres sub C de vordering tegen gedaagden heeft ingetrokken.

3.3 Verstaat dat de vordering tegen gedaagde sub c is ingetrokken.

3.4 Veroordeelt eisers sub A en B in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van donderdag 31 augustus 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. Moerlie w.g. S.S. Nanhoe-Gangadin
w.g. R.M. Praag

SRU-K1-2017-6

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 171393
5 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

Suriwood Lumber Company n.v.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name het Ministerie van Ruimtelijke ordening, Grond- en Bosbeheer in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie;
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 29 maart 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij beschikking d.d. 27 januari 2017 [nummer], MinRGB is aan eiseres een concessie verleend, tot exploitatie van hout op het terrein, vermoedelijk groot 18.195 ha., dat gelegen is in de districten Para en Sipaliwini, aan de Saramacca- en de Tibitirivier, deel uitmakende van voormalig terrein no. 366, thans bekend als terrein no. 366b, zoals nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter in Suriname, Ing. H. Kalloe d.d. 17 januari 2017, behoudens eventuele reeds bestaande rechten van derden voor de duur van 10 (tien) jaren onder de wettelijke bepalingen, onder meer van de Wet Bosbeheer en de aangehechte bijbehorende concessievoorwaarden, onder bijvoeging van de concessievoorwaarden (hierna concessie I).

2.2 Bij beschikking d.d. 2 maart 2017 [nummer] /MinRGB is de beschikking d.d. 27 januari 2017/Min RGB waarbij de concessie is verleend aan eiseres ingetrokken.

Voor de intrekking van de beschikking zijn de volgende gronden opgegeven:

– dat eiseres op 25 oktober 2016 is opgericht en nog niet operationeel is als houtverwerkingsbedrijf;
– dat eiseres haar aanvraag voor de houtkapconcessie heeft ingediend op 7 december 2016, gewijzigd d.d. 18 januari 2017 en geen exploratievergunning zoals aangegeven in artikel 23 juncto artikel 27 lid 2 van de Wet Bosbeheer heeft aangevraagd;
– dat eiseres de concessie aanvraagt op een terrein waar al een aanvraag van een derde op liep vanaf 9 december 2015;
– dat eiseres geen verklaring van solvabiliteit heeft overgelegd en niet de capaciteit bezit om de exploitatie ter hand te kunnen nemen zoals aangegeven in artikel 27 lid 3 van de Wet Bosbeheer.

2.3 Bij beschikking d.d. 25 april 2017 [nummer] /M in RGB is aan gedaagde sub b een vergunning tot exploitatie van hout verleend op het terrein, vermoedelijk groot 14500 ha., gelegen in de districten Para en Sipaliwini, deel uitmakende van voormalig terrein no. 366, thans bekend als terrein no. 366c, zoals nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter in Suriname, Caryl A. Cairo Lcs. d.d. 3 april 2017, behoudens eventuele reeds bestaande rechten van derden (hierna concessie II).

3. De vordering, de qrondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
Primair:
Intrekking en het ongedaan maken van de intrekkingsbeschikking van 2 maart 2017 en zoals nader omschreven onder 2.2 van de feiten, onder verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair:
Schorsing van de intrekkingsbeschikking van 2 maart 2017 en zoals nader omschreven onder 2.2 van de feiten.

3.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

Zij heeft voldaan aan alle voorwaarden ter verkrijging van de bedoelde vergunning op de concessie. De gronden voor de intrekking van de vergunning zijn vals, ondeugdelijk en in strijd met de Wet Bosbeheer.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd.

De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft – zover van belang – het volgende aangevoerd.

Naderhand is gebleken dat eiseres niet voldeed aan de wettelijke vereisten om in aanmerking te komen voor een exploitatievergunning. Ingevolge artikel 27 lid 2 van de Wet Bosbeheer (S.B. 1992 no. 80) wordt een middellange concessie verleend onverminderd de bij die wet gestelde voorwaarden en is afhankelijk van de gunstige resultaten van een door de concessieaanvrager verricht onderzoek naar de mogelijkheden van bosexploitatie in het betreffend gebied overeenkomstig een exploratievergunning als bedoeld in artikel 23 van die wet. Hieruit vloeit voort dat voorafgaand aan de exploitatie eerst een exploratievergunning moest zijn verleend voor onderzoek waaruit er gunstige resultaten voor de concessie aanvrager aantoonbaar zijn. Aan eiseres is er geen exploratievergunning verleend voorafgaande aan de exploitatievergunning. Naast het voorgaande is ook gebleken, dat de aan eiseres verleende exploitatievergunning betreft een concessie waar er al een aanvraag van een derde op liep en wel vanaf 9 december 2015. Tenslotte zijn de saldorekeningen van eiseres op de bank in schril contrast met zijn investeringsplan. Uit de door eiseres overgelegde documenten blijkt dat zijn saldorekeningen op de bank bedragen SRD100,= respectievelijk USD34.000,= terwijl uit haar investeringsplan blijkt dat de investeringen voor 100% uit eigen middelen groot USD813.000,= gefinancierd zal worden. Eiseres heeft dus niet voldaan aan de vereiste van solvabiliteit. Zij bezit derhalve niet de capaciteit om de exploitatie ter hand te kunnen te nemen, zoals aangegeven in artikel 27 lid 3 van de Wet Bosbeheer.

4.3 Op dit gemotiveerd verweer van gedaagde heeft eiseres als volgt gereageerd. Zij heeft aan alle voorwaarden voldaan voor het verkrijgen van de concessievergunning. Het beginsel van rechtszekerheid brengt met zich dat de vergunning niet kan worden ingetrokken. Nalatigheid van gedaagde tot het eerst verlenen van een exploitatie- (lees exploratie-)vergunning komt voor rekening van gedaagde. De intrekking van de aan haar verleende vergunning is in strijd met de Wet Bosbeheer. Eiseres is voorts van mening dat het haar niet kan worden aangerekend dat er reeds eerder een aanvraag liep op de concessie.

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de intrekking van de aan eiseres verleende concessievergunning niet onrechtmatig. De werkwijze van gedaagde om te komen tot de intrekking van de concessievergunning verdient geen schoonheidsprijs, doch de gronden die geleid hebben tot de intrekking zijn volledig valide. De blote ontkenning van eiseres dat er al een eerdere aanvraag liep, is niet onderbouwd, terwijl gedaagde gemotiveerd heeft aangegeven dat er al een aanvraag van een derde liep, gedateerd 9 december 2015. De informatie over een eerdere aanvraag van een derde is de kantonrechter ambtshalve bekend uit het proces bekend onder AR no. 17-2141, waarin er samen met de onderhavige zaak vonnis zal worden gewezen.

Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat op een eerdere aanvraag voor het verlenen van een vergunning op een bepaalde concessie eerst een beslissing wordt gegeven dan een latere aanvraag voor het verlenen van een vergunning op diezelfde concessie. Daarnaast heeft gedaagde, zoals omschreven onder 4.2 van de boordeling, ook aannemelijk gemaakt dat eiseres onvoldoende solvabel is om haar investeringsplan te financieren uit eigen middelen. Alhoewel eiseres thans het tegendeel beweert, laat zij na om dit aannemelijk te maken.

De hiervoor vermelde redenen rechtvaardigen dan ook de intrekking van de aan eiseres verleende vergunning. De door eiseres gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissinq

De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 5 oktober 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

SRU-K1-2018-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 172160
8 februari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [plaats],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat

tegen

N.V. Grasshopper Aluminium Company,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigden: mr. S.W. Wattien en mr. H.R. Lim A Po, advocaten.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 17 mei 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusies van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is op 1 mei 2015 in dienst getreden van gedaagde voor de duur van 1 jaar en derhalve eindigende op 30 april 2016. Het salaris van eiser bedroeg bruto SRD 8.730,=.

2.2 Het dienstverband is vervolgens stilzwijgend voortgezet.

2.3 Op 30 maart 2017 heeft gedaagde aan eiser doen toekomen een schrijven, inhoudende dat gedaagde de arbeidsovereenkomst met eiser om haar moverende redenen opzegt.

2.4 Eiser heeft vanaf 1 mei 2017 geen salaris ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde tot doorbetaling van het loon met ingang van 1 mei 2017 en vervolgens elke maand totdat de dienstbetrekking rechtmatig is beëindigd, vermeerderd met:

a. De aan hem toekomende maandelijkse emolumenten/toelagen;
b. De vertragingsrente ex artikel 1614 q BW;
c. De wettelijke rente.

3.2 Eiser heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

Het ontslag aan hem is nietig, aangezien gedaagde niet in het bezit is van een ontslagvergunning.

In januari 2017 was eiser aangegeven dat zijn arbeidsovereenkomst met nog twee jaren zou worden verlengd. Door gedaagde zijn er hierdoor verwachtingen bij eiser opgewekt. Gedaagde heeft geen redenen opgegeven voor het ontslag, terwijl eiser ook niet de gelegenheid heeft gehad om zich te verweren.

Gedaagde heeft ook niet de wettelijke opzegtermijn in acht genomen en handelt derhalve in strijd met artikel 1615 i lid 5. Eiser lijdt schade door de handelingen van gedaagde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang lijkt uit de stellingen van eiser en het door hem gevorderde.

4.2 Partijen zijn verdeeld over de vraag of gedaagde al dan niet een ontslagvergunning nodig had voor de door haar aan eiser gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst. Ter beantwoording van deze vraag is het van belang om na te gaan wat de wetgever daarover heeft bepaald.

Artikel 1615 e lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende:

“De dienstbetrekking eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald”.

Ingevolge artikel 1615 e lid 2 BW is voor in dat artikel genoemde gevallen wel een opzegging vereist voor het eindigen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In deze gaat het onder meer om de gevallen waarbij de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615 f geacht wordt voor een bepaalde tijd te zijn voortgezet.

Artikel 1615 f lid 1 regelt de voortzetting van de arbeidsovereenkomst “zonder tegenspraak”, Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tegenspraak wordt voortgezet wordt zij geacht voor dezelfde duur, doch telkens voor maximaal 1 jaar op de vroegere voorwaarden te zijn verlengd.

4.3 De kantonrechter concludeert uit artikel 1615 e lid 1, dat iedere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt als de periode waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan is verstreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in dit geval geen opzegging en dus ook geen ontslagvergunning noodzakelijk.

Echter, indien de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 1615 f lid 1 een of meerdere malen zonder tegenspraak is voortgezet, is voor de beëindiging daarvan wel opzegging en een ontslagvergunning vereist.

In het onderhavige geval is de arbeidsovereenkomst tussen partijen zonder tegenspraak voortgezet. Ingevolge de artikelen 1615 e lid 2 en 1615 f lid 1 BW is er dus wel opzegging vereist. Aan deze opzegging is er – naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – wel een ontslagvergunning vereist.

Aangezien gedaagde niet beschikt over een ontslagvergunning is de dienstbetrekking tussen partijen nog in stand en is gedaagde gehouden het salaris van eiser door te betalen vanaf 1 mei 2017 totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd. Het onder a van het petitum gevorderde is derhalve toewijsbaar als in het dictum te melden.

4.3.1 Gedaagde heeft een viertal kopie-vonnissen bij conclusie van antwoord overgelegd waaruit zou moeten blijken dat er geen ontslagvergunning vereist is bij stilzwijgende voortzetting van de dienstbetrekking.

Naar het oordeel van de kantonrechter verschillen niet alleen de feiten in de door gedaagde overgelegde vonnissen van de feiten in het onderhavige geval, maar ook het hiervoor genoemde verweer van gedaagde blijkt niet uit deze vonnissen.

4.3.2 Bij conclusie van dupliek heeft gedaagde overgelegd een artikel van mr. F. Kruisland, waaruit zou moeten blijken dat er geen ontslagvergunning vereist is bij stilzwijgende voortzetting van de dienstbetrekking.

De kantonrechter merkt op dat deze visie van mr. Kruisland, op zichzelf staat en geen ondersteuning vindt in jurisprudentie. Om deze reden gaat de kanonrechter voorbij aan de inhoud van voormeld artikel.

4.4 Ingevolge artikel 1614 q BW maakt eiser aanspraak op vertragingsrente vanwege de late uitbetaling van het loon.

De kantonrechter zal deze rente naar redelijkheid en billijkheid beperken tot nihil, nu eiser vanaf 1 mei 2017 geen werkzaamheden heeft verricht. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter wordt de door eiser opgelopen schade vanwege de niet-betaling van het loon in voldoende mate gecompenseerd door de wettelijke rente die wel zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is evenwel toewijsbaar. Deze bevoegdheid ontleent de kantonrechter aan artikel 1614 q BW, waarin tevens is opgenomen dat de rechter bevoegd is de verhoging te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde patij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het loon vermeerderd met de aan eiser maandelijks toekomende emolumenten/toelagen vanaf 1 mei 2017, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 17 mei 2017.

5.2 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 281,= (tweehonderd en eenentachtig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 8 februari 2018 te Paramaribo, door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. J. Pinas w.g I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A.C. Johanns

 

SRU-K3-2011-1

AR No. 115245
Datum: 27 december 2011

Kantongerecht in het Derde Kanton

Vonnis in de zaak van

[eiser sub A],
[eiser sub B],
[eiser sub C],
[eiser sub D],
[eiser sub E],
[eiser sub F],
[eiser sub G],
[eiser sub H],
[eiser sub I],
[eiser sub J],
[eiser sub K],
[eiser sub L],
[eiser sub M],
[eiser sub N],
[eiser sub O],
eisers sub A, J, L, M en N, wonende in het [district 1],
eisers sub B, I, K en O wonende in het [district 2],
eisers sub C, D, E, F, G en H, wonende in het [district 3],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat

tegen

[gedaagde sub A],
[gedaagde sub B],
[gedaagde sub C], allen wonende in het [district 1],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R.M. Libretto, advocaat.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift, met producties, dat op 16 december 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek, aangetekend in het process-verbaal van de terechtzitting van 23 december 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [naam 1] is de overleden echtgenoot van eiseres sub A en de vader, tevens erflater van de overige eisers. Hij is overleden op 6 november 2011.

2.2 [naam 1] woonde vanaf 1984 te [dorp 1] een plaats gelegen aan de bovenloop van de [rivier]. Op zijn sterfbed heeft hij te kennen gegeven begraven te willen worden volgens de gebruiken van de Volle Evangelie gemeente op zijn woonplaats [dorp].

2.3 [naam 1] is broer van gedaagde sub A, de neef van gedaagde sub B en de oom van gedaagde sub C.

2.4 [naam 1] behoorde tijdens zijn leven tot de Awana lo van de Saramaccaners, welke onder andere gevestigd is te [dorp 2], een dorp gelegen aan de bovenloop van de [rivier]. Te [dorp 2] is een begraafplaats ingericht.

2.5 [naam 1] was op de dag van de indiening van het verzoekschrift nog niet begraven vanwege het feit dat onder andere gedaagden, die deel uitmaken van de Awana lo, aan de familie kenbaar hebben gemaakt dat hij niet begraven mag worden te [dorp 1].

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Eisers vorderen, kort samengevat, dat de Kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Gedaagden verbiedt om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van eisers en de uitvoering daarvan om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam 1] te begraven te [dorp 1] aan de bovenloop van de [rivier] in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en geloofsgemeenschap van de Volle Evengelie gemeente;
Gedaagden verbiedt de genoemde begrafenis te gehengen en te gedogen;
Onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per keer voor elke keer dat gedaagden in strijd handelen met het vonnis;
Eisers machtigt om ter uitvoering van het vonnis de hulp van de sterke arm te mogen inroepen en voorts
Gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag

De kantonrechter begrijpt dat eisers als grondslag voor hun vordering aanvoeren dat gedaagden, door eisers te verhinderen [naam 1] te begraven op de plaats en volgens de gebruiken die hij wenste toen hij nog leefde, jegens hen, eisers onrechtmatig handelen. Immers, zo stellen zij, zijn zij de wettige erfgenamen van [naam 1] en derhalve ingevolge de begrafeniswet gerechtigd om hem te begraven. Zij voeren aan dat de begrafenis te [dorp 1] mogelijk moet zijn omdat [dorp 1] de plaats was die door de Awana lo in 1980 aan hem is toegewezen om te wonen, zijn gezin te stichten en later te worden begraven. Zij voeren voorts aan dat zij van de Granman der Saramaccaners en van de Districts-Commissaris toestemming hebben gekregen om [naam 1] op [dorp 1] te begraven. Zij voeren aan dat, nu zij de erfgenamen zijn en dus de gerechtigden zijn om over de begrafenis te beslissen, en het de wens van de overledene was daar begraven te worden en de Granman en de DC daartoe toestemming hebben gegeven, gedaagden, door zich te blijven verzetten tegen de begrafenis, inbreuk plegen op het besluit van de eisers, en daarmee, zo begrijpt de kantonrechter, onrechtmatig handelen jegens eisers.

3.3 Het verweer

Gedaagden hebben verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter overweegt dat het spoedeisend karakter blijkt uit de feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd.

4.2 De kantonrechter overweegt dat gedaagden als verweer onder andere hebben aangevoerd dat zij slechts om één reden niet willen toestaan dat [naam 1] wordt begraven te [dorp 1] en die reden is: dat op die plaats geen begraafplaats is ingericht en dat het volgens de Saramaccaanse regels en normen, en de Saramaccaanse traditie, niet geoorloofd is overledenen te begraven op een plaats waar geen begraafplaats is. Ook is het niet geoorloofd op die betreffende plaats een begraafplaats in te richten. Zij voeren aan dat dat eigenlijk in heel Suriname geldt, maar vooral in het binnenland.

4.3 Eisers hebben op het bezwaar van gedaagde enkele zaken naar voren gebracht die in het kort neerkomen op: 1. Dat de plaats in 1980 aan [naam 1] is toegewezen om te wonen, zijn gezin te stichten en begraven te worden; 2. Dat er al een overledene daar is begraven, namelijk een lijk dat was aangespoeld, voordat [naam 1] zich daar vestigde; 3. Dat de Granman der Saramaccaners en de Districts-Commissaris van het [district 1] toestemming hebben gegeven om op die plaats te begraven (10e sustenu van het verzoekschrift).

4.4 De kantonrechter overweegt dat gedaagden niet hebben weersproken dat de Granman der Saramaccaners en de Districts-Commissaris van het [district 1] toestemming hebben gegeven om op de genoemde plaats te begraven. Ook hebben zij niet weersproken dat er reeds iemand daar is begraven, ze stellen dat dat dan een noodgeval moet zijn geweest.

4.5 De kantonrechter overweegt dat ingevolge de begrafeniswet (GB 1959 no. 119) voor het begraven van overleden personen in de districten een begraafplaats kan worden aangelegd, mits daartoe toestemming wordt verkregen van de Districts-Commissaris (artikel 16 e.v.).

4.6 De kantonrechter overweegt voorts dat gedaagden zich hebben beroepen op de gebruiken en regelgeving van de Stam der Saramaccaners, op grond waarvan zij stellen dat de eisers geen begraafplaats zouden kunnen aanleggen. Nu gedaagden niet hebben weersproken en de Granman der Saramaccaners, die volgens de regels en normen van de Saramaccaners moet worden gezien als de hoogste gezagsdrager, toestemming heeft verleend voor het begraven van [naam 1] te [dorp 1], is hun argument dat het begraven aldaar in strijd zou zijn met de regels en normen van de Saramaccaanse leefgemeenschap, niet aannemelijk.

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat, nu eisers van zowel het traditioneel gezag als de Districts-Commissaris toestemming hebben voor de begrafenis, gedaagden het verweer dat door hen is aangevoerd niet aannemelijk hebben kunnen maken waardoor zij geen gronden hebben om eisers te verhinderen de begrafenis voortgang te doen vinden. Zij hebben noch gronden die gestoeld zijn op de normen en regels van de marrongemeenschap en de traditie, noch gronden die gestoeld zijn op de Begrafenis regelgeving.

4.8 De kantonrechter overweegt dat hierdoor de grondslag van het gevorderde, namelijk dat gedaagden zich onrechtmatig gedragen jegens eisers, door de begrafenis te verhinderen, aannemelijk is geworden, waardoor het gevorderde zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd, achtende de kantonrechter dat redelijk.

4.9 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

5.1 Verbiedt gedaagden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van eisers en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam 1] te begraven te [dorp 1]aan de bovenloop van de [rivier] in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie gemeente;

5.2 Machtigt eisers, indien gedaagden zich niet houden aan het verbod genoemd onder 5.1 hierboven, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis;

5.3 Veroordeelt gedaagden de begrafenis zoals omschreven onder 5.1 hierboven te gehengen en te gedogen;

5.4 Veroordeelt gedaagden, indien zij zich niet houden aan het hierboven onder 5.1 genoemde verbod en de onder 5.3 genoemde veroordeling, aan eisers een dwangsom te betalen van SRD. 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per keer, het toaal van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, des de een betalend de anderen bevrijd zullen zijn;

5.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.6 Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 2.060,= (tweeduizend en zestig Surinaamse dollar).

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het derde kanton te Paramaribo van dinsdag 27 december 2011, in tegenwoordigheid van mr. G.T. Moerlie, fungerend-griffier.

w.g. G. Moerlie w.g. A.C. Johanns