SRU-K1-2014-6

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. no. 131866
9 januari 2014

Vonnis in het incident in de zaak van

[stichting], gevestigd en kantoor houdende te [district],
tussenkomende partij, eiseres in het incident,
hierna te noemen: “de Stichting”,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

[eiser sub A], wonende te [district],
[eiser sub B], wonende te [district],
eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het incident,
hierna te noemen: “ [eiser sub A] en [eiser sub B]”,
gemachtigde: mr. E. A. Glunder, advocaat,

en tegen

DE HYPOTHEEKBEWAARDER, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,
gedaagde in de hoofdzaak en gedaagde in het incident,
gemachtigde: mr. C.B. Lachman, advocaat.

1. Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 3 mei 2013 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging, met producties;
– de conclusie van antwoord in het incident zijdens [eiser sub A] en [eiser sub B];
– de conclusie van antwoord in het incident zijdens de hypotheekbewaarder.

1.2 De uitspraak van het vonnis in het incident is bepaald op heden.

2. De vordering en de grondslag daarvan in de hoofdzaak en het incident
2.1 De vordering in de hoofdzaak:
[eiser sub A] en [eiser sub B] vorderen kort gezegd, dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
a. nietig verklaart of vernietigt de akte opgemaakt door [eiser sub A] en verleden op 6 oktober 2011, op grond van het feit dat voornoemde akte in strijd is met de bepalingen zoals die staan vermeld in de notariele volmacht van 30 november 2010 met alle wettelijke gevolgen van dien;

b. de hypohteekbewaarder gelast om de overschrijving van bedoelde akte welke op 2 november 2011 is geschied in [register en nummer] ten name van [stichting] door te halen, met gevolg herstel in oude toestand.

2.2 De Grondslag in de hoofdzaak
[eiser sub A] en [eiser sub B] hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat bij het opmaken en verlijden van de notariele akte waarvan vernietiging wordt gevraagd een fout is gemaakt, in dier voege dat geen rekening is gehouden met het feit dat in de gebruikte volmacht het vervreemden van onroerende goederen was uitgesloten, en in de akte onroerend goed door de gevolmachtigde werd vervreemd. Hierdoor is de verkoop nietig en van onwaarde, zijnde die handeling door een onbevoegde persoon gepleegd.

2.3 De vordering in het incident
[stichting] vordert dat zij wordt toegelaten om tussen te komen in het geding tussen [eiser sub A] en [eiser sub B] als verzoekers en de hypotheekbewaarder als gedaagde.

2.4 De grondslag in het incident
[stichting] voert als grondslag aan dat zij het onroerend goed waarover de akte waarvan vernietiging wordt gevraagd handelt, heeft gekocht van [eiser sub B] en thans de zakelijk gerechtigde is op het onroerend goed en er op haar rechten inbreuk gemaakt kan worden indien zij niet in het geding tussenkomt.

3. De beoordeling
3.1 [eiser sub A] en [eiser sub B] hebben op het verzoek tot tussenkomst gereageerd en daarbij aangegeven dat het noodzakelijk is dat de fout wordt gerectificeerd. Zij achten het duidelijk dat derden niet kunnen intervenieren om het proces van rectificatie en herstel van de vergissing te ‘frustreren’. Indien de tussenkomende partij van mening is dat zij in haar belang kan worden geschaad door het herstel van de vergissing, dient zij tegen de gevolmachtigde juridische maatregelen te treffen.

3.2 De Hypotheekbewaarder heeft geantwoord in het incident en zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

3.3 De kantonrechter overweegt dat de tussenkomst moet worden toegestaan indien blijkt van een belang van [stichting] om in dit geding op te treden teneinde benadeling of verlies van een hem toekomend recht te voorkomen. Getoetst zal worden of van een dergelijk belang blijkt.

3.4 [stichting] baseert haar vordering tot tussenkomst op het feit dat zij het onroerend goed waarover de akte handelt, heeft gekocht en dat het onroerend goed aan haar is overgedragen. Door vernietiging van de akte zal dat recht van haar verloren gaan. Om die reden heeft zij er belang bij in het proces betrokken te worden.

3.5 De kantonrechter is van oordeel dat, nu [stichting] zich erop beroept dat zij thans de zakelijk gerechtigde is op het perceelland waarover de akte handelt waarvan vernietiging wordt gevraagd, haar belang is aangetoond waardoor de tussenkomst zal worden toegestaan.

3.6 In de hoofdzaak zal worden voortgeprocedeerd.

4. De beslissing
In het incident
4.1. Wijst toe het verzoek tot tussenkomst van [stichting];

In de hoofdzaken :
4.2 Bepaalt dat in de hoofdzaken zal worden voortgeprocedeerd en wel alsvolgt;

In de oorspronkelijke zaak van [eiser sub A] en [eiser sub B] tegen de Hypotheekbewaarder:
– De Hypotheekbewaarder zal in de gelegenheid gesteld worden te antwoorden op het verzoekschrift van [eiser sub A] en [eiser sub B];

In de tussenkomst, de zaak van [stichting] tegen [eiser sub A] en [eiser sub B] en de Hypotheekbewaarder:
– [stichting] zal in de gelegenheid gesteld worden voor eis te concluderen;

4.3 Roept deze zaak daarvoor af voor de terechtzitting van de kantonrechter in het eerste kanton van donderdag 13 februari 2014 om 09.00 uur des voormiddags;

4.4 Houdt iedere verdere beslissing aan

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 9 januari 2014, in tegenwoordigheid van mr. S. Tika, substituut-griffier.

SRU-HvJ-2018-54

Vonnisnummer: 60/2018
Parketnummer: 01-01- 05817
Uitspraak: 24 oktober 2018
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 04 juli 2013 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte],
geboren op [datum] te [district],
visser van beroep, wonende aan [adres] te [district], thans in verzekerde bewaring gesteld.

Verdachte is verschenen en wordt tevens bijgestaan door zijn raadslieden, mr. B.A.H. Pick en mr. R.R. Lobo.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 05 juli 2013 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 11 juli 2013 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 04 juli 2013 zal bevestigen.

De verdediging heeft:

Primair bepleit dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.

Subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 04 juli 2013 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder A ( het medeplegen van moord) ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust.

Nadere overwegingen omtrent het bewijs:

Het hof acht naar aanleiding van het door de verdediging primair gestelde in casu voldoende om aan te geven dat de [verdachte] voornoemd, reeds door de politie was aangehouden toen de [getuige] bedoelde belastende verklaringen jegens hem, verdachte aflegde en zijn deze verklaringen tesamen met de overige verklaringen van getuigen in samenhang bekeken en zal het hof daarom aan dit verweer voorbij gaan.

Voorts overweegt het Hof naar aanleiding van het door de verdediging subsidiair gestelde dat de verdachte niet de persoon is geweest die het [slachtoffer] van zijn leven heeft beroofd, als volgt:
De ontkenning van de verdachte geplaatst tegen de achtergrond van de in het vonnis in eerste aanleg aangehaalde bewijsmiddelen met name de verklaringen van de verschillende getuigen in het bijzonder de getuigen [getuige], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] alsook van de verbalisanten [verbalisant], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kan niet anders worden opgevat dan een kennelijk leugenachtige verklaring bedoeld om de waarheid te bemantelen. Het door de verdachte opgeworpen alibi dat hij zich op die bewuste avond op een feest zou hebben bevonden is ook nader onderzocht en ongegrond gebleken. Het is namelijk niet komen vast te staan dat de verdachte onafgebroken en voortdurend op voornoemde feest aanwezig is geweest.
Het is het hof bij de behandeling van de zaak in hoger beroep verder ook van geen enkele tegenstrijdigheid in de verklaringen van de genoemde getuigen gebleken; reden waarom er bij het hof dan ook geen twijfel bestaat dat het de verdachte is geweest die op die bewuste dag op de motorfiets met een tot nog toe onbekend gebleven persoon is gereden naar het adres van [slachtoffer] voornoemd en hem, [slachtoffer], vervolgens heeft geroepen en vervolgens met een vuurwapen gericht meerdere schoten op hem heeft gelost, waardoor [slachtoffer] voornoemd tengevolge van die verwondingen is komen te overlijden.
Ook de door de verdediging geopperde omstandigheden dat het vuurwapen reeds door de Franse autoriteiten was vernietigd en daardoor niet bewezen zou kunnen worden dat daarmee de dodelijke schoten zouden zijn gelost alsook de omstandigheid dat niemand de verdachte positief heeft kunnen herkennen, doet niets af aan het bewijs; immers leveren de bewijsmiddelen in elkaars verband en samenhang beschouwd wel het wettig en overtuigend bewijs voor het hof op dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] voornoemd van het leven heeft beroofd. Ten aanzien van het vuurwapen liggen de omschrijving daarvan door de Franse autoriteiten en de door de getuigen afgelegde verklaringen in hoger beroep in elkaars verlengde en is er ten aanzien van het al dan niet positief herkennen van de verdachte door de getuigen wel een omschrijving van het postuur en de kleding van de verdachte gegeven die overeenkomt met andere verklaringen van getuigen omtrent postuur en kleding van de verdachte op die avond.

Evenals de kantonrechter en de vervolging komt het hof tot het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem onder A van de tenlastelegging wordt verweten en is de verdachte in de visie van het hof terecht daarvoor veroordeeld door de kantonrechter.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton op 04 juli 2013 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte waarvan beroep.

Handhaaft de gevangenhouding van de verdachte

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend-President;
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. M.C. Mettendaf, Leden;
bijgestaan door mr. I. Madarsa, Fungerend-Griffier,
en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 24 oktober 2018.

w.g. I. Madarsa w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

w.g. M.C. Mettendaf

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2015-9

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 15-4909
26 november 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van

STICHTING SANDSTONE
gevestigd te Voorland te Meerzorg
in het district Commewijne,
eiseres in kort geding,
vertegenwoordigd door haar enig bestuurslid: dhr. [naam 1],

tegen

STICHTING CHACHA,
gevestigd aan de Oostkanaalstraat no. 11 boven
te Nickerie en ten deze domicilie kiezende ten kantore van
de notaris mr. J.R.K. Vishnudatt, kantoor houdende aan de
Van Roseveltkade 24 te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 05 november 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord;
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusie van dupliek;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

2. Waarvan kan worden uitgegaan
2.1 Eiseres heeft door tussenkomst van haar toenmalig bestuurslid [naam 2] op 21 juli 2009 van gedaagde geleend het bedrag van 60.000,- US DOLLARS althans heeft eiseres dit bedrag van haar in handen gehad, zoals wordt vermeld in de daaraan voorafgaande schuldbekentenis;

2.2 Eiseres heeft ter waarborging van de richtige voldoening van de in de akte vermelde maximale leensom en renten “erfpachtsrecht – vervallende twee april tweeduizendvijfentwintig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 410,47 m2 gelegen in het district Commewijne deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats Meerzorg en nader aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 26 januari 1976 met de letters AFGHK”, verhypothekeerd aan gedaagde;

2.3 De vorm van deze hypotheek betreft een krediethypotheek en uit voormelde akte blijkt dat er door de gedaagde inschrijving is genomen tot een bedrag van maximaal 72.000,- US dollars;

2.4 Gedaagde heeft middels een deurwaardersexploit d.d. 26 september 2015 van deurwaarder R. Bhoelan, eiseres aangezegd dat haar onroerend goed op DONDERDAG 26 NOVEMBER 2015 in het openbaar zal worden verkocht ten kantore van notaris mr.J.R.K. Vishnudatt, ter zake een vermeende leensom van US$ 72.000,-, exclusief de rente en kosten die sinds 21 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening nog aan haar verschuldigd zijn;

3. De standpunten van partijen
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de stopzetting zal worden gelast van de bij het exploit no. 579 van 26 september 2015 van deurwaarder Radijnderkoemar Bhoelan aangezegde openbare verkoop van het daarin omschreven erfpachtsrecht. Daarnaast vordert zij dat gedaagde zal worden verboden opnieuw tot de openbare verkoop van voormeld onroerend goed over te gaan totdat er in de door eiseres ingestelde bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid dan wel nietigheid van de hypotheekakte. Tevens vordert zij veroordeling van gedaagde in betaling van alle kosten die betrekking hebben op de ophouding c.q. stopzetting van de aangezegde openbare verkoop alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Aan haar vordering legt eiseres – naast voormelde feiten – ten grondslag zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat zij nimmer een hoofdsom van 72.000,- US dollars heeft geleend zoals uit de door gedaagde nog over te leggen schuldbekentenis zal blijken. Gedaagde heeft volgens de hypotheekakte slechts een verhaalsrecht tot een bedrag van 72.000 US dollars. De (notaris) wet schrijft voor dat de grosse van de hypotheekakte aan de eiseres diende te worden betekend door de gedaagde.
Het document dat de eiseres heeft ontvangen van de deurwaarder is geen grosse en er zat ook geen saldo-opgave bij. Verder ontbreekt de voor een grosse voorgeschreven aanhef “in naam van de republiek” en tevens blijkt dat deze “grosse” in 2009 niet door de notaris is uitgereikt aan de schuldeiser is casu de gedaagde – zoals eveneens wettelijke vereist is – doch aan de heer [naam 1] niet zijnde gedaagde. Dus zelfs als zou dit document mogen doorgaan als een rechtsgeldige grosse – quod non – dan nog blijkt deze “grosse” niet gebruikt te kunnen worden aangezien zij een gebrek vertoont dan wel niet in het bezit is van de gedaagde. Eiseres heeft tot op heden van de gedaagde nimmer een gespecificeerde saldo-opgave en/of aanmaning c.q.ingebrekestelling ontvangen en weet tot op de dag van vandaag niet hoeveel zij precies schuldig is.

Deze ingebrekestellingsverplichting vloeit echter voort uit artikel 1207 lid 2 BW. Uit het vonnis AR 10-0887 [naam 3] versus Stichting Randiersing Ghauwhaan blijkt bovendien dat de gedaagde er zorg voor diende te dragen dat er een gespecificeerde saldo-opgave aanwezig was. Indien zij daarmede in gebreke is gebleven heeft zij dan niet voldaan aan de formaliteiten met betrekking tot de op handen zijnde openbare verkoop. Inachtneming van alle formaliteiten is echter een voorwaarde voor het houden van een rechtsgeldige openbare verkoop op grond van artikel 1207 lid 2 BW, aldus dit vonnis. De schuldeiser, in casu gedaagde, is slechts bevoegd om zijn schuldenaar aan te manen en in gebreke te stellen voor de werkelijke schuld der geldlening en in ieder geval niet voor een hogere hoofdsom dan de werkelijk verschuldigde hoofdsom.

Voorts heeft eiseres aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de rente is verjaard en dat de hypotheekakte nietig is vanwege woekerrente. Tenslotte heeft eiseres aangevoerd dat de door gedaagde aan eiseres verstrekte geldlening nooit middels een aangetekend schrijven en/of deurwaardersexploit is opgezegd noch heeft gedaagde ooit enig schrijven aan eiseres verzonden dat melding maakt van een beëindiging van de geldlening. Gedaagde heeft juist jarenlang stilgezeten en aangezien de geldlening nimmer is opgezegd door gedaagde is zij niet gerechtigd om gebruik te maken van haar bevoegdheid tot openbare verkoop;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang van eiseres vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 Gedaagde heeft eerstens ten verwere aangevoerd – kort gezegd – dat gedaagde is gevestigd aan de Oostkanaalstraat no. 11 boven in het district Nickerie. Het district Nickerie valt volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onder de competentie van de kantonrechter in het derde kanton. Het enkele feit dat gedaagde tot aan het uiteinde der executie domicilie gekozen heeft ten kantor van de executerende notaris in Paramaribo, brengt niet met zich mee dat zij ook haar vestigingsplaats heeft gewijzigd. De vordering had ingesteld dienen te worden in het derde kanton en niet in het eerste kanton. De kantonrechter in het eerste kanton is derhalve onbevoegd om van de vordering kennis te nemen aangezien het in het onderhavige geding niet gaat om het onroerend goed zelve en speelt de ligging van het onroerend goed in deze geen enkele rol;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is het formeel verweer van gedaagde ongegrond en gedoemd te stranden. Immers staat het eiseres ingevolge het bepaalde in artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – zoals eiseres terecht heeft aangevoerd – vrij om indien er woonplaats is gekozen te kiezen tussen de kantonrechter van de gekozen woonplaats en de kantonrechter van de werkelijke woonplaats van de gedaagde. Nu eiseres heeft gekozen voor de kantonrechter van de gekozen woonplaats van de gedaagde is er derhalve geen vuiltje aan de lucht en zal het daartoe strekkend verweer van gedaagde worden verworpen;

4.4. Materieel heeft gedaagde aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover van belang voor het geschil – dat eiseres haar betalingsverplichting niet is nagekomen en is daarmee de bevoegdheid van eiseres (de kantonrechter leest: gedaagde) gegeven het tot zekerheid gegeven onroerend goed in het openbaar te verkopen teneinde haar vordering te innen.Het wettelijk recht van parate executie mag dus niet ondergeschikt gemaakt worden aan mogelijk volgens eiseres bestaande formele fouten. Het is overduidelijk dat de deurwaarder bij de aanmaning een fout heeft gemaakt, welke echter geenszins tot stopzetting van de executie kan leiden omdat ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de hypotheekakte op gedaagde niet eens een plicht rust tot aanmaning en/of ingebrekestelling. Eiseres is door deze fout echter in het geheel niet geschaad;

4.5 Het materieel verweer aan een beschouwing onderwerpend, komt de kantonrechter tot de slotsom dat het recht van parate executie van gedaagde overeind staat en dat naar dezerzijds voorlopig oordeel daar niet aan getornd kan worden. Immers staat onomstotelijk vast dat eiseres het bedrag van US$ 60.000,- heeft ontvangen. Van enige aflossing zijdens eiseres is gesteld noch gebleken. Simpel beredeneerd is eiseres gehouden in elk geval de hoofdsom vermeerderd met rente en kosten te betalen aan gedaagde. Immers is gesteld noch gebleken dat gedaagde een filantropische instelling is die in het kader van liefdadigheid voormeld bedrag ad US$ 60.000,- aan eiseres ter hand heeft gesteld. Het gaat om een puur zakelijke transactie en het siert eiseres niet om zich in allerlei bochten te wringen teneinde aan haar terugbetalingsverplichting te ontkomen. Voor zover de overeengekomen rente als zijnde exorbitant hoog wordt ervaren door eiseres, staat dat naar dezerzijds voorlopig oordeel niet er aan in de weg dat eiseres in elk geval de hoofdsom ad US$ 60.000,- zou moeten beginnen af te lossen en eventueel dat deel van de rente dat als redelijk en billijk wordt ervaren vermeerder met de door gedaagde gemaakte kosten. Ten aanzien van het eventuele verschil van inzicht omtrent de overeengekomen rente kan dan het oordeel van de bodemrechter afgewacht worden;

4.6 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter snijdt het spreekwoordelijke mes ook in deze zaak aan beide kanten. Aan de zijde van gedaagde lijkt het de kantonrechter geïndiceerd dat bij het uitoefenen van haar recht van parate executie door gedaagde, zij de door de wet en/of het plaatselijk gebruik dan wel de jurisprudentie voorgeschreven formaliteiten in acht dient te nemen. Tot deze formaliteit behoort sowieso een correcte betekening van het nauwkeurig en gespecificeerd aangegeven vermeend verschuldigd bedrag door of vanwege gedaagde aan eiseres. Naar het oordeel van de kantonrechter kleven er ernstige gebreken aan voormelde betekening door de deurwaarder namens gedaagde aan eiseres. Niet alleen is de hoofdsom daarin verkeerd opgenomen maar is er evenmin een gespecificeerde saldo-opgave mede betekend waaruit de opbouw van het verschuldigd bedrag blijkt. Eiseres is derhalve niet in staat om de hoogte van het bedrag te verifiëren en eventueel daartegen op te komen en/of bronnen aan te boren teneinde de schuld alsnog te voldoen. Het voorgaande acht de kantonrechter van een dergelijke importantie dat niet nakoming daarvan resulteert in het verlies van het recht om gebruik te maken van het recht tot executie op grond van de gedane aankondiging tenzij kort voor de aanzegging de schuldeiser aan de schuldenaar en de onderzetter een saldo-opgave heeft verstrekt, op grond waarvan deze zich niet te goeder trouw op het ontbreken daarvan kan beroepen. Van het laatste is gesteld noch gebleken.

4.7 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het gevorderde zal worden toegewezen in voege als na te melden. Hetgeen mede is gevorderd onder sub 2 van het petitum van het inleidend rekest zal worden afgewezen nu toewijzing daarvan een uitholling van het recht van parate executie van gedaagde teweeg zal brengen terwijl het op de weg van eiseres ligt om in elk geval terug te betalen het deel dat zij erkent, zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen. Eveneens zal het onderdeel van het gevorderde onder sub 3 van het petitum van het inleidend rekest worden afgewezen dat betreft de kosten die betrekking hebben op de stopzetting van de aangezegde openbare verkoop, aangezien gesteld noch gebleken is op grond waarvan die voor rekening van gedaagde zouden dienen te komen;

4.8 De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen, die over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, te compenseren in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

5.1 Gelast de stopzetting van de bij het exploit no. 579 van 26 september 2015 van deurwaarder Radjinderkoemar Bhoelan aangezegde openbare verkoop van: “het erfpachtsrecht – vervallende op twee april tweeduizendenvijftig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 410,47 m2 gelegen in het district Commewijne deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats Meerzorg en nader aangeduid o de kaart van de landmeter F. Emanuels d.d. 26 januari 1976 met de letters AFGHK”, ten kantore van notaris mr. Jennifer R.K. Vishnudatt;

5.2 Veroordeelt gedaagde om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van SRD 20.000,- (Twintigduizend Surinaamse Dollars) per dag voor elke dag dat zij nalatig blijft zich te houden aan voormeld bevel, tot een maximum van SRD 200.000,- (Tweehonderdduizend Surinaamse Dollars);

5.3 Verklaart dit vonnis voorzover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet;

5.5 Wijst af al hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 26 november 2015 door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. A. Charan

SRU-K1-2015-8

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-1141
30 juli 2015

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser],
wonende aan [adres]
te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. I.A. Nazier, advocaat,

tegen

DWT PUBLISHING N.V.,
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
en kantoorhoudende aan de Wagenwegstraat no. 57.
te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Det verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 16 maart 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusies van dupliek en uitlating producties.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Tussen eiser en gedaagde is er op 22 januari 2013 een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van een jaar, ingaande 1 februari 2013 en eindigende op 31 januari 2014, in de functie van waarnemend Hoofdredacteur Digitaal, een en ander tegen betaling van een aanvangssalaris van SRD 3.500,- aangevuld met onder andere een waarnemingstoelage van SRD 1.300,-.

2.2 Op deze arbeidsovereenkomst zijn voorts van toepassing de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) tussen DWT Publishing NV en De Ware Tijd Werknemersbond. Eiser heeft zich gedurende deze dienstbetrekking naar volle tevredenheid van gedaagde van zijn taken gekweten;

2.3 Op 16 januari 2015 ontving eiser een schrijven van gedaagde waarin aan hem werd medegedeeld dat:

– de gesloten arbeidsovereenkomst van 22 januari 2013 met een termijn van 1 jaar stilzwijgend is verlengd naar 31 januari 2015;
– de overeenkomst niet meer wordt verlengd;
– de arbeidsovereenkomst per 31 januari 2015 expireert.

  1. De standpunten van partijen

3.1 Eiser vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser door te betalen het laatstgenoten loon en emolumenten, met ingang van 1 februari 2015 totdat het dienstverband tussen partijen op een rechtens juiste wijze is beëindigd en vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert eiser doorbetaling van de verhoging van het laatstgenoten loon ingevolge artikel 1614q BW vanwege te late betaling en vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens vordert eiser dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak de dienstbetrekking met eiser te herstellen, althans hem toe te laten tot zijn werk en aan eiser de gelegenheid te bieden zijn werk optimaal en ongewijzigd uit te oefenen tegen het aan eiser toekomend salaris en toekomende voorzieningen als overeengekomen. Al het voorgaande wordt gevorderd op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,= per dag. Eveneens wordt gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het proces;

3.2 Aan de vordering legt eiser – naast voormelde vaststaande feiten – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat deze arbeidsovereenkomst hierna werd verlengd tot 30 april 2016, waarbij eiser werd aangesteld in de functie van Hoofdredacteur. Reeds vóór de expiratie van de overeenkomst op 30 januari 2014 zijn partijen gestart met het bespreken van nieuwe casu quo gewijzigde voorwaarden voor verlenging van het contract. Eiser is onder de vroegere voorwaarden na 30 januari 2014 door blijven werken. Op 18 april 2014 werd eiser in zijn functie positief door gedaagde beoordeeld en werd vervolgens op 1 mei 2014 aangesteld in de functie van Hoofdredacteur Digitaal. De reeds gemaakte afspraken en voorstellen werden vervolgens vastgelegd in een conceptovereenkomst d.d. 14 mei 2014, met als einddatum 30 april 2016. Eiser ging akkoord doch waren partijen nog aan het onderhandelen over de beloning. Over de einddatum van de overeenkomst hadden partijen in ieder geval al overeenstemming bereikt, namelijk 30 april 2016 en bestaat er daarover geen twijfel. Eiser heeft tegen het schrijven de dato 16 januari 2015 met klem geprotesteerd. De overeenkomst is niet geëxpireerd op 31 januari 2015 omdat: a) er geen sprake is van een stilzwijgende verlenging, b) indien er sprake was van een stilzwijgende verlenging, quod non, dan zou gedaagde alleen kunnen opzeggen na verkregen ontslagvergunning. Gezien het voorgaande is het gegeven ontslag casu quo de beëindiging van het dienstverband nietig. Deze onrechtmatige beëindiging van het dienstverband met eiser is des te klemmender voor eiser nu eiser zich steeds naar behoren en naar volle tevredenheid van gedaagde, zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd. Eiser heeft in verband met die positieve evaluaties hoge verwachtingen bij eiser gewekt waaronder een langdurige arbeidsrelatie. Eiser heeft ook zijn functie als docent op de Anton de Kom Universiteit van Suriname opgezegd om zich volledig in te zetten voor zijn werkzaamheden bij gedaagde. Eiser heeft daarom ook meermaals geprotesteerd tegen dit onrechtmatig ontslag. Eiser heeft ook de tussen partijen over en weer gevoerde correspondentie d.d. 20 januari 2015, 22 januari 2015, 23 januari 2015, 26 januari 2015 en 03 februari 2015 bij zijn inleidend rekest in het geding gebracht. Eiser heeft zich ook steeds ter beschikking gesteld voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Ook al zou gedaagde thans ontslagvergunning aanvragen, dan nog is er geen enkel reden aanwezig om het dienstverband met eiser te beëindigen. Naar aan alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal er dan ook geen ontslagvergunning worden verleend. Simpelweg omdat de grondige reden voor ontslag ontbreekt. Bij exploit no. 089 de dato 21 januari 2015 van deurwaarder Dasimin Toekimin en het schrijven d.d. 3 februari 2015 heeft eiser gedaagde gesommeerd en in gebreke gesteld om het loon en de emolumenten aan eiser na 31 januari 2015 maandelijks door te betalen totdat het dienstverband rechtmatig is beëindigd. Gedaagde heeft niet aan deze sommatie voldaan en heeft eiser desondanks de aanspraak op het loon en de emolumenten onthouden. Door alzo te handelen pleegt gedaagde wanprestatie casu quo een onrechtmatige daad jegens eiser, als gevolg waarvan eiser schade lijdt en voor welke schade gedaagde aansprakelijk is;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen;

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde;

4.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd en aangegeven – kort gezegd en voor zover voor de beslissing van belang – dat uit de relevante rechtsfeiten volgt dat de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615e lid 1 BW juncto artikel 1615e lid 2 sub 3 BW op 31 januari 2015 van rechtswege is beëindigd. Eiser maakt vanaf 1 februari 2015 mitsdien geen aanspraak meer op loonbetaling uit dienstbetrekking en het gevorderde dient dan ook integraal aan hem te worden ontzegd. Voorts heeft gedaagde aangevoerd – kort gezegd – dat er geen verlenging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen zou hebben plaatsgevonden tot 30 april 2016 en dat gedaagde de verlengde arbeidsovereenkomst aan eiser heeft “opgezegd”, als bedoeld in artikel 1615e lid 2 sub 3 BW, nu haar schrijven van 16 januari 2015 als zodanig moet worden uitgelegd. De stelling van eiser dat voor een dergelijke opzegging een ontslagvergunning vereist zou zijn, als bedoeld in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning, vindt geen enkele steun in het recht;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er in casu twee centrale vragen die partijen verdeeld houden. Ten eerste betreft het de vraag of er tussen partijen al dan niet een arbeidsovereenkomst de dato 14 mei 2014 tot stand is gekomen. Eiser beantwoordt voormelde vraag in bevestigende zin terwijl gedaagde die in ontkennende zin beantwoordt. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er op voormelde datum geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen. Immers is de overeenkomst niet ondertekend door partijen en stelt eiser zelf dat partijen nog aan het onderhandelen waren over de beloning. Zoals gedaagde terecht heeft aangevoerd is het loon één der essentialia van een arbeidsovereenkomst en als er tussen partijen daaromtrent geen overeenstemming bestaat, kan er geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het door eiser geschetste feitenrelaas doet aan het voorgaande niet af en adstrueert in de visie van de kantonrechter dat partijen nog in de onderhandelingsfase verkeerden vooruitlopend op een eventuele nadere arbeidsovereenkomst. Dat er enkele onderdelen van de concept- overeenkomst vooruitlopend reeds werden uitgevoerd doet aan voorgaande vaststelling van de kantonrechter niet af;

4.4 De tweede centrale vraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of er al dan niet een ontslagvergunning vereist was om de litigieuze (verlengde) arbeidsovereenkomst tussen partijen te beëindigen. Eiser beantwoordt deze vraag in bevestigende zin terwijl gedaagde die in ontkennende zin beantwoordt. Het gaat in casu om het navolgende. Eiser is met ingang van 01 februari 2013 een schriftelijke arbeidsovereenkomst met gedaagde aangegaan voor de duur van een jaar en derhalve eindigende op 31 januari 2014. Onder het kopje Termijn van voormelde overeenkomst is aangegeven dat verlenging van het contract mogelijk is met expliciete instemming van beide partijen. Er is dus geen sprake van een stilzwijgende verlenging van het contract. In weerwil van voormelde bepaling in de overeenkomst is de arbeidsovereenkomst tussen partijen stilzwijgend voortgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1615f BW wordt de overeenkomst geacht voor dezelfde duur, doch voor telkens ten hoogste een jaar op de vroegere voorwaarden te zijn verlengd. Toegespitst op de onderhavige casus wordt de arbeidsovereenkomst geacht verlengd te zijn tot 31 januari 2015. Op 06 januari 2015 bericht gedaagde schriftelijk aan eiser dat bij het expireren van de dienstbetrekking op 31 januari 2015 geen verdere voortzetting van de dienstbetrekking zal plaatsvinden. Eiser beroept zich op het bepaalde in artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning en stelt zich op het standpunt dat gedaagde verplicht was om over een ontslagvergunning te beschikken alvorens de dienstbetrekking met eiser te kunnen beëindigen terwijl gedaagde van een tegenovergestelde opvatting uitgaat;

4.5 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient voormelde vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. Het betreft immers een overeenkomst voor een bepaalde tijd aangegaan en die eindigt in beginsel van rechtswege bij het verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan tenzij het stilzwijgend wordt verlengd. Nu de kantonrechter onder 4.4. heeft vastgesteld dat er in casu sprake is van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst tussen partijen ingevolge het bepaalde in artikel 1615f BW duurde de arbeidsovereenkomst dus door tot 31 januari 2015 en zou op die datum dus in beginsel expireren tenzij het wederom stilzwijgend zou worden verlengd. Nu heeft gedaagde op 06 januari 2015 aan eiser kenbaar gemaakt dat de dienstbetrekking met eiser niet zal worden voortgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1615e lid 2 onder 3 BW was deze voorafgaande opzegging vereist en ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder b van de Wet Ontslagvergunning lijdt de algemene regel van artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning uitzondering indien het betreft een beëindiging van de dienstbetrekking van rechtswege als bedoeld in artikel 1615e BW;

4.6 Gelet op al het voorgaande is de slotsom gerechtvaardigd dat gedaagde rechtsgeldig schriftelijk de dienstbetrekking met eiser heeft opgezegd en daartoe niet over een ontslagvergunning verleend door of namens de Minister van Arbeid hoefde te beschikken. De grondslag van het gevorderde is derhalve niet in rechte komen vast te staan en derhalve zullen de gevraagde voorzieningen aan eiser worden geweigerd, met zijn veroordeling – als de in het ongelijk gestelde partij – in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.7 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

  1. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter;

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2 Veroordeelt eiser in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 30 juli 2015 door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A. Charan w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2015-7

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 09 3643
16 juni 2015

Vonnis in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. F.W.M. Thijm, advocaat,

tegen

N.V. HOTELMAATSCHAPPIJ TORARICA,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

De Kantonrechter — Plaatsvervanger in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnissen de dato 19 oktober 2010 en 20 december 2011.

 

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de op 05 april 2012 gehouden comparitie van partijen en het proces — verbaal daarvan;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen aan de zijde van eiser, met producties;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties aan de zijde van gedaagde, met een productie;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating productie aan de zijde van eiser, met producties;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating producties aan de zijde van gedaagde;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 De kantonrechter volhardt bij de inhoud van de in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnissen de dato 19 oktober 2010 en 20 december 2011.

2.2 Zoals reeds onder punt 2.2 van het tussenvonnis de dato 20 december 2011 is overwogen, werd eiser met ingang van 1 januari 2002 belast met de waarneming van de functie van Manager Casino Operations. Dit feit is door de kantonrechter in voormeld tussenvonnis als vaststaand aangenomen. Al hetgeen gedaagde in het kader van de waarneming van eiser heeft aangevoerd, wordt derhalve verworpen. Bovendien blijkt uit de door eiser overgelegde producties, namelijk de brief van 09 juni 2009 betreffende buitenfunctiestelling, de werkgeversverklaring de dato 15 oktober 2005 en de brief van 30 juni 2009, die overigens interne stukken gedaagde van zijn, dat eiser heeft waargenomen in voormelde functie.

2.3 Op de 05 april 2012 gehouden comparitie van partijen heeft eiser zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang — verklaard dat hij met ingang van 01 januari 2002 was belast met de waarneming in de functie van Manager Casino Operations en dat hij in het jaar 2008 is ontheven uit deze functie. Verder heeft eiser verklaard dat hij op 01 januari 2012 met pensioen is gegaan.
Gelet 015 voormelde stellingen van eiser, komt de kantonrechter tot de conclusie dat eiser ingaande 01 januari 2002 tot en met 2008 heeft waargenomen in betreffende functie. Hieruit volgt dat — alhoewel gedaagde niet ertoe is overgegaan om eiser definitief te benoemen in de functie van Manager Casino Operations — eiser in beginsel recht heeft op vergoeding van de meerwerkzaamheden die hij in voormelde periode heeft verricht.

2.4 Ten aanzien van de hoogte van de waarnemingstoelage wordt het volgende overwogen. Volgens eiser bedraagt ingevolge artikel 7.7 onder punt 7 van de cao de waarnemingstoelage 60% van zijn dagloon voor elke dag van waarneming.
Gedaagde heeft hiertegen aangevoerd dat eiser geen lid is van de vereniging van werknemers, de Torarica Werknemers Bond, en dat op hem de bepalingen van de cao niet van toepassing zijn.
Eiser heeft niet ontkend dat hij geen lid is van de Torarica Werknemers Bond met wie gedaagde een cao heeft gesloten, waardoor dit tussen partijen in confesso is. Dit betekent dat eiser in beginsel niet is gebonden aan de cao en dat hij derhalve geen nakoming van de cao van gedaagde kan vorderen. Hieruit volgt dat het beroep van eiser op het bepaalde in artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst faalt. De kantonrechter gaat eveneens aan de stelling van eiser dat de cao bepaling strekkende tot waarneming als een gebruik, althans een bestendig gebruikelijk beding is, daar eiser deze onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Met name heeft eiser nagelaten te stellen in welke in Suriname gesloten cao’s een zodanige bepaling voorkomt. De verwijzing van eiser naar de Personeelswet is echter onjuist, daar deze van toepassing is op ambtenaren en niet op particulieren.

2.5 Nu gebleken is dat aan eiser ingevolge artikel 15 van de Wet op de collectieve arbeids- overeenkomst geen zelfstandig recht toekomt om zich te beroepen op de bepalingen van de cao, betekent dit dat de vordering van eiser dient te worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

2.6 De overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter — als niet langer relevant zijnde — achterwege laten.

  1. De beslissing

3.1 Wijst de vordering af.

3.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Sonai, kantonrechter — plaatsvervanger in het Eerste Kanton en bij vervroeging uitgesproken door de kantonrechter — plaatsvervanger in het Eerste Kanton mr. S.S. Nanhoe — Gangadin op dinsdag 16 juni 2015 te Paramaribo ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-1998-5

Kantonrechter Eerste Kanton
29 juni 1998, A.R. 982402
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser],
wonende aan [adres] te [district]
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advocaat, eiser in kort geding,

tegen

De Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,
gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Ir. Adhinstraat (Flora, Industrieterrein no. 21),
voor wie als gemachtigden optreden, Mr. J. Kraag en Mr. H.P. Boldewijn, advokaten, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad:

I.
Primair
Gedaagde zal worden bevolen om binnen een uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans de betekening daarvan, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, eiser in de gelegenheid te stellen zijn functie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke eiser zulks zou beletten of zulks zou verstoren.

Subsidiair

A. Het besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van gedaagde d.d. 4 juni 1998, waarbij eiser als algemeen direkteur van gedaagde werd ontslagen, zal worden geschorst, althans in haar werking zal worden opgeschort, totdat de rechter omtrent de rechtsgeldigheid van voormeld besluit uiteindelijk en definitief heeft beslist.
B. Gedaagde zal worden bevolen om binnen een uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans de betekening daarvan, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, eiser in de gelegenheid te stellen zijn functie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke eiser zulks zou beletten of zulks zou verstoren.

II.
Gedaagde zal worden veroordeeld om voor elke dag en/of elke keer, dat zij het sub I onder primair, danwel het sub I onder subsidiair sub B te geven bevel niet nakomt, aan eiser ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van F.5.000.000,– (vijf miljoen gulden).

Kosten Rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, de advokaten Mr. F. Kruisland, Mr. J. Kraag en Mr. H.P. Boldewijn ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser overeenkomstig het verzoekschrift voor eis heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 15 juni en 22 juni 1998 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in de daarvan door Ons opgemaakte, hier als ingelast te beschouwen, processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering genoegzaam uit de daaraan ten grondslag gelegde feiten blijkt;

Overwegende, dat eiser primair onder I van het petitum heeft gevorderd, dat gedaagde zal worden bevolen binnen een uur na de uitspraak van dit vonnis, althans de betekening daarvan, althans binnen een door Ons te bepalen termijn, hem – eiser – in de gelegenheid te stellen zijn functie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke hem – eiser – zulks zou beletten of zulks zou verstoren; en onder II gedaagde te veroordelen voor elke dag en/of elke keer, dat zij het sub I onder primair, danwel het sub I onder subsidiair sub B te geven bevel niet nakomt, aan eiser ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van f.5.000.000,– (vijf miljoen gulden).

Overwegende, dat eiser onder meer aan zijn primaire vordering ten grondslag heeft gelegd, dat de relatie tussen hem en gedaagde een arbeidsovereenkomst is, als bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek en wel voor onbepaalde tijd; dat ingevolge artikel 1 van het Decreet Ontslagvergunning ook de bepalingen daarvan van toepassing zijn op voormelde relatie; dat ingevolge artikel 2 van voormeld decreet mitsdien voor het ontslag van hem eiser althans de beëindiging van voormelde relatie, een vergunning van de Minister van Arbeid vereist was; dat een dergelijke vergunning echter niet is verleend; dat het aan eiser gegeven ontslag ingevolge art. 7 van voormeld decreet van rechtswege nietig is;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist tussen partijen rechtens in confesso is, dat eiser, overeenkomstig artikel 109 van het Wetboek van Koophandel, bij de akte van oprichting van gedaagde verleden voor de te Paramaribo residerende notaris R.S. Hirasing op 13 december 1980 voor onbepaalde tijd benoemd is tot direkteur van gedaagde; dat voormelde akte van oprichting, die naderhand gewijzigd werd bij onderhandse akte de dato 1 augustus 1987, tevens inhoudt de statuten van gedaagde; dat naderhand de arbeidsvoorwaarden van hem, eiser, als direkteur van gedaagde schriftelijk zijn vastgelegd in een onderhandse akte, verleden door eiser en het ingevolge artikel 7 lid 3 van voormelde statuten daartoe bevoegde orgaan van gedaagde, de Raad van Commissarissen; dat uit die akte blijkt dat tussen eiser en gedaagde een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan; dat ingevolge artikel 103 van het Wetboek van Koophandel het bestuur van een naamloze vennootschap, zoals gedaagde is, belast is met het besturen van de vennootschap; dat in de praktijk en ook in de statuten van gedaagde (artikel 6) het bestuur van een naamloze vennootschap wordt aangeduid als ”direktie” en de leden daarvan als ”direkteur”, waarbij nog nadere aanduiding van de direkteursfunctie kan worden gegeven zoals ”algemeen direkteur”, ”hoofddirekteur”, ”president-direkteur”, zoals in artikel 7 van de statuten van gedaagde is geschied; dat eiser bij gedaagde de vennootschappelijke functie van ”algemeen-direkteur” bekleedde en hij als zodanig op grond van artikel 7 lid 1 van de statuten van gedaagde tevens voorzitter van de direktie van gedaagde was;

Overwegende, dat als erkend althans niet c.q. niet gemotiveerd betwist, tussen partijen rechtens in confesso is, dat eiser bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders de dato 4 juni 1998, als algemeen-direkteur van gedaagde met onmiddellijke ingang, i.e. 4 juni 1998, is ontslagen;

Overwegende, dat eiser voormeld besluit aanvechtend, wijders gesteld heeft dat het non-existent, althans nietig en van onwaarde is en elk rechtsgevolg ontbeert, althans dat voormeld besluit vernietigbaar is, onder meer op grond van eerder aangehaalde in het 14e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde feiten;

Overwegende, dat Wij in casu er van uit zullen gaan dat de Staat Suriname, rechtspersoon, de enige aandeelhouder is in gedaagde, nu de eiser op generlei wijze aannemelijk heeft kunnen maken, dat de Stichting Planburo Suriname mede-aandeelhouder is in gedaagde,

Overwegende, dat Wij de vraag of het ontslagdecreet waar eiser zich uitdrukkelijk op beroepen heeft in casu inachtgenomen had moeten worden, bevestigend beantwoorden blijkende immers uit de zich in het procesdossier bevindende niet betwiste arbeidsovereenkomst de dato 13 maart 1987 tussen eiser en gedaagde, dat eiser tegen loon werkzaam was en dat hij dientengevolge arbeider in dienst van gedaagde was en dat deze rechtsbetrekking tot gedaagde onder meer betekende, dat de artikelen 1613a e.v. van het Burgerlijk Wetboek van toepassing waren nu daarvan in het Wetboek van Koophandel niet blijkt te zijn afgeweken;

Overwegende, dat gedaagde in casu, niet in acht blijkt te hebben genomen het bepaalde in artikel 3 lid 2 van het decreet E-39A (S.B. 1984 No. 102) luidende: ”Indien ontslag wordt verleend wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek, is de werkgever verplicht dit binnen vier dagen schriftelijk te melden bij het Hoofd der Arbeidsinspectie onder opgave van de dringende reden”;

Overwegende, dat als niet althans niet gemotiveerd weersproken tussen partijen rechtens vaststaat, dat gedaagde voormelde wettelijke bepaling heeft veronachtzaamd althans niet inachtgenomen heeft, wat zij juist had moeten doen;

Overwegende, dat de consequentie van deze omissie is, dat het aan eiser als algemeen direkteur van gedaagde op 4 juni 1998 met onmiddellijke ingang verleend ontslag bij besluit van de Algemene Vergadering, welk besluit, naar de eiser terecht heeft gesteld een besluit is van gedaagde zelf, als in strijd met de wet c.q. voormeld decreet van rechtswege nietig is en elk rechtsgevolg ontbeert;

Overwegende, dat eiser mitsdien algemeen direkteur gebleven is;

Overwegende, dat Wij in verband met het onder I van het primair gevorderde opmerken, dat het antwoord op de vraag of de werkgever verplicht is de werknemer in staat te stellen de overeengekomen arbeid te verrichten in het kader van de in artikel 1614ij van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichting van de werkgever zich als een ”goed werkgever” te gedragen, van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid, alsmede van de bijzondere omstandigheden afhangt;

Overwegende, dat nu gedaagde naar Ons gebleken is, geen rechtens relevante feiten en omstandigheden heeft aangedragen, die indien genoegzaam aannemelijk gemaakt, Ons tot het oordeel zouden doen komen dat het belang van de eiser bij het hem in de gelegenheid stellen zijn functie als algemeen directeur uit te oefenen overeenkomstig de ter zake relevante wettelijke en statutaire bepalingen in het onderhavige geval wijken moet voor het belang van gedaagde bij handhaving van haar, overigens beslist niet genoegzaam met feiten onderbouwd en bovendien zowel in wettelijk als in statutair opzicht volkomen onjuist, standpunt met betrekking tot het binnen haar bedrijf te voeren c.q. gevoerde beleid aangaande versnelde ontwikkeling c.q. productieverhoging als in het 4e ”Dat” van de conclusie van antwoord weergegeven, dient te worden beslist als in het dictum van dit vonnis te melden, onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in kort geding
Bevelen gedaagde binnen een uur na deze uitspraak, eiser in de gelegenheid te stellen zijn funktie als algemeen direkteur uit te oefenen, overeenkomstig de terzake relevante wettelijke en statutaire bepalingen, en zich te onthouden van elke handeling, welke eiser zulks zou beletten of zulks zou verstoren.

Veroordelen gedaagde om voor elke dag, dat zij voormeld bevel niet nakomt, aan eiser ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van f.5.000.000,– (vijf miljoen gulden) per dag;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.7.781,– (zevenduizend zevenhonderd en een en tachtig gulden);

Weigeren het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2016-13

Kantonrechter in Kortgeding
A.R. no. 163991
16 augustus 2016

Vonnis in de zaak van

[eiseres], wonende te [district 2] , gescheiden echtgenote van [naam],
eiseres in kortgeding,
gemachtigde: mr. Ch. N. Mijnals, advocaat,

tegen

A. [gedaagde A], wonende in het [district 1],
B. [gedaagde B], wonende in het [district 1],
C. [gedaagde C], wonende in het [district 1],
D. [gedaagde D], notaris, wonende te [district 2],
E. [gedaagde E], notaris wonende te [district 2],
gedaagden in kortgeding,
gedaagden sub A en B: procederend in persoon,
gemachtigde voor gedaagde sub C: mr. S. Mangre, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub E: mr. F. Thijm, advocaat,
gedaagde sub D: niet verschenen.

1. Het procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties, dat op 12 augustus 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– tegen de niet verschenen gedaagde sub D is verstek verleend;
– de mondelinge conclusie van antwoord zijdens respectievelijk gedaagden sub A, B, C en E, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2016;
– de mondelinge conclusie van repliek, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2016;
– de mondelinge conclusie van dupliek zijdens respectievelijke gedaagden sub A, B, C en E, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eiseres was in gemeenschap van goederen gehuwd met gedaagde sub A.
2.2 Bij vonnis van 2 juni 2014 in de zaak met arno. 123891 is gedaagde sub A veroordeeld om over te gaan tot scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederen- gemeenschap.
2.3 In dat vonnis is als notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling moest plaatsvinden aangewezen notaris, [gedaagde sub E]. Ook is een onzijdig persoon aangewezen.
2.4 Tot de ontbonden gemeenschap hoort ten rekeste vermeld perceelland groot vijfhonderd zes en zestig acht/honderdste vierkante meter gelegen in het district Wanica ten noorden van de Nieuw Weergevondenweg.
2.5 Bij schrijven van 11 december 2015 heeft de gemachtigde van eiseres aan notaris [gedaagde sub E] het verzoek gedaan over te gaan tot de scheiding en deling van de gemeenschap.
2.6 Notaris [gedaagde sub E] heeft bij schrijven van 18 december 2015 de gedaagde sub A opgroepen om op 21 januari 2016 om 11.00 uur op haar kantoor aanwezig te zijn bij de bespreking van de scheiding en deling.
2.7 Tijdens de bespreking heeft gedaagde sub A aangegeven slechts bereid te zijn tot scheiding en deling waarbij aan eiseres een bedrag van SRD 5.000,= zou worden uitgekeerd. Hierdoor is het op die dag niet tot de scheiding en deling gekomen.
2.8 De gemachtigde van eiseres heeft hierna aan notaris [gedaagde sub E] het verzoek gedaan om de procedure tot scheiding en deling voort te zetten.
2.9 Bij exploit van 8 augustus 2016 is eiseres de executie aangezegd van het perceel op grond van een hypothecaire schuld van SRD 51.550,= , welk hypotheek was gevestigd op 13 juli 2009 ten behoeve van gedaagde sub C ten laste van gedaagden sub A en B. De openbare verkoop is aangezegd voor 16 augustus 2016.

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 De vordering
Eiseres vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
– de opschorting gelast van de door gedaagde sub D voorgenomen executoriale verkoop op 16 augustus 2016 van het genoemd onroerend goed totdat in een bodemgeschil over het bestaan van een hypothecaire schuld daarop definitief zal zijn beslist;
– gedaagde sub E gelast uitvoering te geven aan het vonnis van de kantonrechter d.d. 2 juni 2014 onder arno. 123891;
– gedaagde sub C gelast het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen totdat in bodem het bestaan van een openstaande hypothecaire schuld zal zijn vastgesteld;
– gedaagde sub A en B gelast de uitvoering van het vonnis te gehengen en te gedogen alsmede de uitvoering van het vonnis van 2 juni 2014 onder arno. 123981 door gedaagde sub E;
– gedaagden sub A, B, C, D en E veroordeelt tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat zij nalatig blijven om uitvoering te geven aan het vonnis en voorts
– gedaagden sub A, B, C, D en E veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag
Eiseres heeft als grondslag voor het gevorderde het volgende aangeroerd:

  1. Dat de openbare verkoop niet op de juiste wijze aan haar is betekend; het is op 8 augustus 2016 aan haar betekend terwijl de openbare verkoop op 16 augustus 2016 zal plaatsvinden; de wettelijke termijn is hierdoor niet in acht genomen;
  2. Notaris [gedaagde sub E] had op grond van het vonnis de scheiding en deling moeten uitvoeren, immers was in het vonnis een onzijdig persoon genoemd, en had de notaris met gebruikmaking van de onzijdig persoon de scheiding en deling kunnen afronden; door dit niet te doen heeft notaris [gedaagde sub E] onrechtmatig gehandeld jegens eiseres als gevolg waarvan eiseres schade dreigt te lijden;
  3. Notaris [gedaagde sub E] kan nog steeds op grond van het vonnis de scheiding en deling uitvoeren;
  4. De schuld aan gedaagde sub C is volledig voldaan, inclusief de rente, eiseres heeft de kwitanties gezien waar dat uit blijkt; het enige dat nog moest gebeuren was dat de hypotheek geroyeerd moest worden; de openbare verkoop is daarom niet rechtmatig en dient enkel en alleen om eiseres te benadelen bij de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap;
  5. Gedaagde sub A heeft stelselmatig geprobeerd om de rechten van eiseres in de huwelijksgoederengemeenschap te ontkennen en gaf zelfs aan dat er niets meer te verdelen valt; ook door die houding tracht gedaagde sub A eiseres te benadelen.

4. Het verweer
Gedaagden hebben verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling
5.1 De kantonrechter overweegt dat gedaagde sub D niet is verschenen, doch dat het verzoekschrift voor wat betreft deze gedaagde niet voldoet aan de vereisten der wet, immers zijn ten aanzien van gedaagde sub D niet vermeld de voornamen, zoals voorgeschreven in artikel 111 WBRv. Om die reden zal eiseres niet ontvankelijk verklaard worden in haar vordering jegens gedaagde sub D.
5.2 Gedaagde sub A heeft in zijn verweer onder andere het volgende naar voren gebracht:

  1. dat de hypotheek voor het huwelijk was gevestigd;
  2. dat eiseres slechts twee maanden met hem heeft gewoond;
  3. dat hij de schuld niet kan voldoen en dat het niet juist is dat de schuld reeds is afgelost;
  4. dat hij het er niet mee eens is dat eiseres tracht de veiling stop te zetten;
  5. dat hij niet wenst dat notaris [gedaagde sub E] overgaat tot scheiding en deling.

5.3 Gedaagde sub B heeft in zijn verweer onder andere het volgende naar voren gebracht:

  1. dat de hypotheek voor het huwelijk was gevestigd;
  2. dat hij de schuld niet kan betalen en dat het niet juist is dat de schuld reeds is afgelost;
  3. dat hij het niet eens is met een scheiding en deling omdat hij zijn aandeel ook wenst; dat hij heel veel heeft geïnvesteerd op het perceel.

5.4 Gedaagde sub C heeft in zijn verweer o.a. het volgende naar voren gebracht:

  1. dat de schuld niet is voldaan en hij zijn hypotheekrecht mag uitoefenen;
  2. dat de zaken rond de termijn door mr. [gedaagde sub D] zijn geregeld;
  3. dat in gelijksoortige zaken nagegaan wordt of men tijdig reageert op de oproep;
  4. dat de publicatie in de dagbladen plaats heeft gevonden;
  5. dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechter voor wat betreft de scheiding en deling.

5.5 Gedaagde sub E heeft in haar verweer onder andere het volgende naar voren gebracht:

  1. dat zij wel het vonnis heeft uitgevoerd; zij heeft gedaagde sub A opgeroepen en nadat bleek dat er zwarigheden waren, heeft zij een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt welke moet worden ingediend bij de kantonrechter;
  2. de kantonrechter zal in de zwarigheden moeten oordelen; de notaris moet bij zwarigheden die zwarigheden- procedure beginnen, waarna de kantonrechter beslist over hoe de scheiding en deling plaats moet vinden;
  3. er is geen grond voor toewijzing van het gevorderde jegens haar nu zij het vonnis heeft uitgevoerd en de procedure van de wet heeft gevolgd.

5.6 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het eerste deel van de grondslag, namelijk dat bij aanzegging van de veiling aan eiseres als mede-eigenaar in het verbonden goed, niet de juiste termijnen in acht zijn genomen, dat gedaagden op dat deel van de grondslag geen relevant verweer hebben gevoerd. Er is slechts door gedaagde sub C opgemerkt dat de notaris belast was met de voorbereidingen van de veiling en dat in soortgelijke gevallen men nagaat of tijdig is gereageerd op de oproep.
5.7 De kantonrechter overweegt dat, nu gedaagden op dit deel van de grondslag geen verweer hebben gevoerd, althans geen relevant verweer, aannemelijk is geworden dat niet de juiste termijn in acht is genomen bij de aanzegging van de veiling aan eiseres als mede eigenaar van het verbonden goed.
5.8 Om die reden zal het gevorderde worden toegewezen met dien verstande dat de veiling niet zal worden opgeschort, doch zal worden verboden op grond van de door eiseres aangevoerde grond met betrekking tot de termijn.
5.9 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het tweede deel en het derde deel van de grondslag, namelijk het deel betrekking hebbende op de veroordeling van de gedaagde sub E, om over te gaan tot scheiding en deling, dat gelijk gedaagde sub E aanvoert er wel uitvoering is gegeven aan het vonnis, indien de partijen zijn opgeroepen ten kantore van de notaris en de notaris van gerezen zwarigheden een proces-verbaal heeft opgemaakt. Dit proces-verbaal zal conform de wet moeten worden behandeld door de kantonrechter, die uiteindelijk een oordeel zal geven over de wijze waarop de scheiding en deling dient plaats te vinden. De notaris kan na het rijzen van zwarigheden de scheiding en deling niet meer voortzetten alsof er geen zwarigheden zijn. Om die reden zal het gevorderde onder B van het petitum niet kunnen worden toegewezen.
5.10 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het vierde deel van de grondslag, namelijk dat de schuld reeds is voldaan, dat eiseres enerzijds stelt dat de schuld reeds is voldaan, en gedaagden sub A, B en C daarop als verweer aanvoeren dat de schuld nog niet is betaald. Echter zijn door eiseres geen documenten overgelegd waaruit haar stelling aannemelijk wordt waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat de schuld wel reeds is voldaan. Om die reden zal het gevorderde onder A en C, voor zover betrekking hebbende op het opschorten totdat in bodem over het bestaan van een hypothecaire schuld is beslist, niet worden toegewezen.
5.11 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en de gedaagden sub A, B en C, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het geding.

6. De beslissing
6.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in haar vordering tegen gedaagde sub D;
6.2 Verbiedt de bij exploit van deurwaarder S.W. Niekoop van maandag acht augustus 2016, met nummer 1061, aan eiseres aangezegde openbare verkoop van het in dat exploit genoemd onroerend goed, welke openbare verkoop gehouden zou worden ten kantore van de notaris mr. D.S.P. [gedaagde sub D] op dinsdag 16 augustus 2016, om 10.00 uur des voormiddags.
6.3 Veroordeelt de gedaagden sub A, B en C, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te boven gaand, voor elke dag dat gedaagden in strijd handelen met het onder 6.2 van dit vonnis genoemd verbod;
6.4 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorrad;
6.5 Veroordeelt de gedaagden sub A, B en C in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 544,= (vijfhonderd vier en veertig Surinaamse dollar);
6.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 16 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-12

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 16-4129
25 augustus 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] in het [district],
eiser,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name
A. HET MINISTERIE VAN DEFENSIE en
B. HET MINISTERIE VAN RUIMTELIJKE ORDENING, GROND- en BOSBEHEER,
beiden ten deze domicilie kiezend ten parkette van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudend aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden,
gemachtigde voor gedaagde sub A: majoor mr. Th.E. Roos, jurist en
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
– Eiser heeft op 19 augustus 2016 het inleidend verzoekschrift met producties bij de Griffie der kantongerechten ingediend.
– Vervolgens heeft eiser op de eerste dag van de behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting d.d. 23 augustus 2016 voor eis geconcludeerd, overeenkomstig de stellingen en de vordering zoals vermeld in het inleiden verzoekschrift.
– Vanwege de spoedeisendheid van de zaak hebben eiser en gedaagden op 23 augustus 2016 mondeling gepleit, waarbij gedaagde sub B bij het pleiten producties heeft overgelegd en eiser in de gelegenheid is gesteld zich over de inhoud van de overgelegde producties uit te laten.

1.2 In verband met de spoedeisendheid van de zaak is de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 30 juni 2016 heeft de kantonrechter in het derde kanton in de kortgeding zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 16-3004 vonnis gewezen, in welk vonnis het dictum luidt als volgt:

“6. De beslissing in conventie in kort geding

De kantonrechter:
6.1 Wijst de vordering af.
6.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten van dit geding en tot op heden begroot op nihil.

7. De beslissing in reconventie in kort geding

De kantonrechter:
7.1 Veroordeelt gedaagde, de heer [naam 1], om binnen twee maanden na uitspraak van dit vonnis, het perceelland met daarop staande woning gelegen op de hoek van de [straat 1] en [straat 2] [nummer 4], deel uitmakende van [gebied] in het [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven, eiser sub a (De Staat Suriname, in deze het Ministerie van Defensie) gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.
7.2 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.”

2.2 Gedaagden hebben het hiervoor vermeld vonnis op 13 augustus 2016 bij exploit no. 430 van de deurwaarder Charmila Natazia Sitaram aan eiser betekend.

2.3 Tegen het hiervoor vermeld vonnis heeft eiser het rechtsmiddels van hoger beroep aangewend. Tevens heeft eiser middels het indienen van een verzoekschrift ex-artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht om de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis van 30 juni 2016 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R. No. 16-3004, op te schorten totdat het Hof van Justitie beslist heeft op de vordering ex artikel 272 Rv van eiser.

3.2 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan zijn vordering ten grondslag dat niet te verwachten is dat het Hof van Justitie tijdig een beslissing neemt op het verzoek ex artikel 272 Rv. Hij heeft er alle recht op en belang bij een voorziening bij voorraad.

3.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit het gevorderde, met name dat eiser uiterlijk op 30 augustus 2016 de woning als vermeld in het aan hem betekend vonnis dient te ontruimen. Om die reden zal eiser worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Gedaagden hebben als formeel verweer opgeworpen dat eiser niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening. Daartoe hebben zij, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
– eiser heeft niet voldaan aan zijn stelplicht, en wel in die zin dat eiser heeft nagelaten de rechtsgronden van hetgeen gij vordert te stellen;
– eiser maakt misbruik van procesrecht, omdat de door eiser ingestelde vordering veel weg heeft van een verkapte vorm van appel.

In reactie op dit formeel verweer heeft eiser betoogd dat hij wel heeft voldaan aan zijn stelplicht. In dat kader heeft hij aangevoerd dat de grondslag van de vordering is vermeld in het inleidend verzoekschrift, welke grondslag erop neerkomt dat het niet verwachtbaar is dat het Hof van Justitie tijdig een beslissing neemt op het verzoek ex- artikel 272 Rv.

4.3 Terzake het door eiser gestelde en het door gedaagden opgeworpen verweer, stelt de kantonrechter het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie in kort geding kan staking of schorsing van de executie van een vonnis slechts worden bevolen, indien sprake zou zijn van misbruik van recht. Dit kan het geval zijn, indien:
– het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust;
– de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde in casu eiser, een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;
– er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan de executant in casu gedaagde in redelijkheid geen gebruik mag maken van het exclusieve recht tot executie van het vonnis in kwestie.

Hetgeen hiervoor voorop is gesteld, brengt de kantonrechter tot de slotsom dat het door eiser gestelde geen grondslag is voor het door hem gevorderde. Om die reden zal de door eiser gevraagde voorziening als ongegrond worden geweigerd. Zulks betekent dat gedaagden slagen in het door hun opgeworpen verweer.

4.4 Eiser, zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de plaatsvervangend kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op donderdag 25 augustus 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-1999-1

RA 2007, 30
Kantonrechter Eerste Kanton
11 januari 1999, A.R. 985274
(Mr. J.R. von Niesewand)

  1. [eiser sub 1];
  2. [eiser sub 2];
  3. [eiser sub 3];
  4. [eiser sub 4];
  5. [eiser sub 5];
  6. [eiser sub 6];
  7. [eiser sub 7];
  8. [eiser sub 8];
  9. [eiser sub 9];
  10. [eiser sub 10];
  11. [eiser sub 11];
  12. [eiser sub 12];
  13. [eiser sub 13];
  14. [eiser sub 14];
  15. [eiser sub 15];
  16. [eiser sub 16];
  17. [eiser sub 17];
  18. [eiser sub 18];
  19. [eiser sub 19];
  20. [eiser sub 20];
  21. [eiser sub 21];
  22. [eiser sub 22];
  23. [eiser sub 23];
  24. [eiser sub 24];
  25. [eiser sub 25];
  26. [eiser sub 26];
  27. [eiser sub 27];
  28. [eiser sub 28];
  29. [eiser sub 29];
  30. [eiser sub 30];
  31. [eiser sub 31];
  32. [eiser sub 32];
  33. [eiser sub 33];
  34. [eiser sub 34];
  35. [eiser sub 35];
  36. [eiser sub 36];
  37. [eiser sub 37];
  38. [eiser sub 38];
  39. [eiser sub 39];
  40. [eiser sub 40];
  41. [eiser sub 41];
  42. [eiser sub 42];
  43. [eiser sub 43];
  44. [eiser sub 44];
  45. [eiser sub 45];
  46. [eiser sub 46];
  47. [eiser sub 47];
  48. [eiser sub 48];
  49. [eiser sub 49];
  50. [eiser sub 50];
  51. [eiser sub 51];
  52. [eiser sub 52];
  53. [eiser sub 53];
  54. [eiser sub 54];
  55. [eiser sub 55];
  56. [eiser sub 56];
  57. [eiser sub 57];
  58. [eiser sub 58];
  59. [eiser sub 59];
  60. [eiser sub 60];
  61. [eiser sub 61];
  62. [eiser sub 62];
  63. [eiser sub 63];
  64. [eiser sub 64];
  65. [eiser sub 65];
  66. [eiser sub 66];

    II.
  67. [eiser sub 67];
  68. [eiser sub 68];
  69. [eiser sub 69]
  70. [eiser sub 70]
  71. [eiser sub 71];
  72. [eiser sub 72];
  73. [eiser sub 73], allen wonende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt. Mr. A.R. Baarh, advokaat, eisers in Kort Geding,tegen

A. N.V. Meelmaatschappij de Molen;
B. N.V. Veevoerbedrijf Vesu, beiden kantoorhoudende te Paramaribo aan de Saramaccadoorsteek-Sluizencomplex, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F.F.P. Truideman, advokaat, gedaagden in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden voor zover haar aangaat en des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, als ten rekeste omschreven, zullen worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen:

  1. het loon plus toelagen en bijlagen over de maand november 1998;
  2. maandelijks op de 25e dag van de maand het loon plus toelagen en bijslagen toekomende aan eisers zolang het dienstverband niet overeenkomstig de wet is beëindigd.
  3. medische voorzieningen voor eisers en hun gezin conform hetgeen voor het onwettige ontslag d.d. 17 november 1998, gegolden heeft voor eisers en hun gezin;
  4. gedaagden zullen worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van f.5.000.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagden weigeren mochten uitvoering te geven aan het onder punt 3 van het petitum gevorderde.
  5. gedaagden zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advokaten, Mr. A.R. Baarh en Mr. F.F.P. Truideman ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 11 januari 1999 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt – en hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat Wij zullen verstaan, dat eisers sub. 19, 46 en 64. ter terechtzitting van 4 januari 1999 hun vorderingen tegen gedaagde sub. A hebben ingetrokken;

Overwegende, dat Wij voorts zullen verstaan, dat eisers sub 4, 5, 6, 7, 11, 12, 16, 21, 34, 37, 41, 42, 43, 47, 48, 51, 54, 58, 65 en 71 ter gemelde terechtzitting hun vorderingen tegen gedaagde sub. B hebben ingetrokken;

Overwegende, dat Wij overeenkomstig de wens der overige eisers, te weten de eisers sub. 1, 2 3, 8, 9, 10, 13, 14, 15, 17 tot en met 28, 30 tot en met 33, 35, 36, 38 tot en met 40, 44, tot en met 46, 49, 50, 50, 52, 53, 55 tot en met 57, 59 tot en met 64, 66 tot en met 70, 72 en 73 hun tegen gedaagde sub A ingestelde vorderingen aan een bespreking zullen onderwerpen;

Overwegende, dat nu, naar tussen partijen rechtens vaststaat, de Minister van Arbeid bij diens beschikking d.d. 30 november 1998 no. 449 bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag van eisers met onmiddellijke ingang, wat hier op neerkomt dat hij niet ingestemd heeft met de opgegeven reden, heeft het ontslag ingevolge artikel 3 lid 3 van Decreet E-39A, geen rechtskracht en is de dienstbetrekking van rechtswege blijven voortduren;

Overwegende, dat de omstandigheid dat gemelde beschikking een deugdelijke motivering zou ontberen op door gedaagde sub A aangehaalde gronden in het proces-verbaal vermeld, aan het zo juist overwogene geen afbreuk doet omdat die beschikking op grond daarvan niet nietig en van onwaarde zou zijn;

Overwegende, dat de loonaanspraken van eisers als gevolg van de beslissing van de Minister van Arbeid zijn blijven voortduren;

Overwegende, dat nu de overige weren van gedaagde sub A Ons voorkomen als te zijn irrelevant, dient bespreking van die weren in het midden te blijven;

Overwegende, dat Wij zullen beslissen als in het dictum te melden onder mitigeren van de dwangsom tot f.50.000,– per dag, achtende Wij daartoe termen aanwezig en onder verwijzing van gedaagde sub A als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in kort geding
Verstaan, dat eisers sub 19, 46 en 64 hun vorderingen tegen gedaagde sub A hebben ingetrokken;

Verstaan tevens, dat eisers sub 4, 5, 6, 7, 11, 12, 16, 29, 34, 37, 41 tot en met 43, 47, 48, 51, 54, 58, 65 en 71 hun vorderingen tegen gedaagde sub B hebben ingetrokken;

Veroordelen gedaagde sub A aan eisers sub 1 tot en met 3, 8 tot en met 10, 13 tot en met 15, 17 tot en met 28, 30 tot en met 33, 35, 36, 38 tot en met 40, 44 tot en met 46, 49, 50, 52, 53, 55 tot en met 57, 59 tot en met 64, 66 tot en met 70, 72 en 73

  • te betalen het loon plus toelagen en bijlagen over de maand november 1998;
  • te betalen maandelijks en wel op de 25e dag van de maand het loon plus toelagen en bijslagen toekomende aan voornoemde eisers zolang het dienstverband niet overeenkomstig de wet is beëindigd;
  • te treffen medische voorzieningen voor voornoemde eisers en hun gezin conform hetgeen voor het onwettig ontslag de dato 17 november 1998 gegolden heeft voor voornoemde eisers en hun gezin;

Veroordelen gedaagde sub A tot het betalen van een dwangsom van f.50.000,– per dag voor iedere dag dat gedaagde sub A weigeren mocht uitvoering te geven aan de onder punt 3 van dit dictum verleende voorziening;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden sub A in de kosten van dit proces aan de zijde van voornoemde eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.30,75 (dertig en 75/100 gulden);

Wijzen af het meer of anders gevorderde

SRU-K1-2016-11

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-4052
22 augustus 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende aan [adres 1], Nederland, tijdelijk verblijvende aan [adres 2] te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district] in het appartementencomplex aan [adres 3],
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 15 augustus 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 16 augustus 2016;
– de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 16 augustus 2016;
– de rolbeschikking d.d. 16 augustus 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
– het proces-verbaal d.d. 17 augustus 2016 betreffende de gehouden comparitie van partijen, waarbij gedaagde producties heeft overgelegd;
– het proces-verbaal d.d. 18 augustus 2016 betreffende het verhoor van de minderjarige;
– de conclusie tot uitlating over de gehouden comparitie van partijen aan de zijde van eiser d.d. 18 augustus 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk tussen partijen is in Nederland ontbonden.

2.2 Tijdens het huwelijk tussen partijen is geboren de thans nog minderjarige: [naam], geboren te [plaats] op [datum].

2.3 Gedaagde is in Suriname geboren en woont in Suriname.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:

a) gedaagde te veroordelen om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn de minderjarige geheten: [naam], af te staan aan eiser;
b) gedaagde te verbieden, op welke wijze dan ook, eiser te verhinderen c.q. te beletten op de geplande vertrekdatum met de minderjarige terug te keren naar Nederland;
c) eiser te machtigen, voor zover gedaagde weigert daaraan haar medewerking te verlenen, om alle daartoe vereiste documenten te doen opmaken, teneinde de terugreis van de minderjarige naar Nederland te garanderen c.q. te bewerkstelligen en dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partij verklaring van gedaagde in bedoelde documenten;
d) eiser te machtigen onderdeel a van het vonnis uit te voeren, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien gedaagde weigert daaraan uitvoering te geven.

Voorts om gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt. Daartoe stelt hij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:
– in juli 2016 is hij met de minderjarige naar Suriname afgereisd voor het houden van vakantie;
– met gedaagde zou eiser hebben afgesproken dat de minderjarige elk weekend bij haar mocht doorbrengen;
– thans weigert gedaagde de minderjarige aan hem af te staan, terwijl de minderjarige al geruime tijd onafgebroken met hem in Nederland woont. Hierdoor schaadt gedaagde het geestelijk belang van de minderjarige;
– eiser oefent op grond van de artikel 251 e.v van het Nederlands Burgerlijk Wetboek het gezag over de minderjarige uit, totdat bij rechterlijk vonnis anders zal zijn beslist;
– de vakantie van eiser en de minderjarige neemt een einde en is het vertrek van beiden gepland voor 23 augustus 2016, waarbij de minderjarige gelijk bij aankomst in Nederland een aanvang dient te maken met de school.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser zelf. Daarom zal hij worden ontvangen in het kort geding.

4.2 Tussen partijen bestaat er een geschil over het hoofdverblijf van de minderjarige, dan wel bij welke der partijen de minderjarige zou mogen verblijven.
Ter comparitie van partijen d.d. 17 augustus 2016 en het verhoor van de minderjarige in raadkamer d.d. 18 augustus 2016 is het volgende aan het licht gekomen. In tegenstelling tot wat eiser heeft gesteld oefent hij niet alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige, doch zijn zowel hij als gedaagde belast met ouderlijk gezag over de minderjarige.
De minderjarige, die thans acht jaren jong is en in november van dit jaar negen jaar oud wordt, is in Nederland geboren. Ongeveer zeven maanden na de geboorte is hij met gedaagde naar Suriname teruggekeerd. Sedertdien verbleef de minderjarige in Suriname en genoot hij het nodige onderwijs en de nodige medische voorzieningen in Suriname, en wel tot bijkans het jaar 2014. Gedurende die periode kwam eiser regelmatig naar Suriname en had regelmatig contact met de minderjarige. In het jaar 2014 is de minderjarige met zijn grootmoeder (die thans wijlen is) naar Nederland afgereisd en is vanaf die periode tot juli 2016 bij eiser in Nederland gebleven. Gedurende die periode genoot de minderjarige onderwijs in Nederland, tot het moment dat hij in juli 2016 met eiser naar Suriname is afgereisd voor het houden van vakantie. Daar in juli 2016 de schoolvakantie nog niet was aangevangen en de minderjarige het schooljaar diende af te ronden, heeft eiser hem hier te lande ingeschreven op een lagere school te [wijk], te weten [naam school].

4.3 Tijdens het verhoor van de minderjarige in raadkamer d.d. 18 augustus 2016 is aan het licht gekomen dat, in tegenstelling tot wat eiser heeft gesteld, de minderjarige niet traag is in zijn denkvermogen. Volgens eigen waarneming van de kantonrechter praat de minderjarige vlot en kan de minderjarige duidelijk zijn eigen mening ventileren. Daarbij heeft de minderjarige meerdere malen duidelijk gemaakt bij zijn moeder te willen blijven en niet naar Nederland wenst terug te keren. Als reden heeft hij opgegeven dat hij zijn moeder gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gemist en hij het niet prettig vindt om in Nederland te wonen. Volgens zijn verklaring heeft hij geen vriendjes in Nederland. Voorts kan hij niet tegen de kou en wordt hij in Nederland vaker verkouden of ziek.
Op de uitdrukkelijke vraag van de kantonrechter of zijn moeder hem heeft aangeleerd wat hij aan de kantonrechter moet vertellen, was het antwoord van de minderjarige “neen”.
Op de uitdrukkelijke vraag van de kantonrechter hoe hij zich zou voelen als hij met de vader terugmoet naar Nederland, antwoordde hij dat hij zich verdrietig zal voelen en bleef er de nadruk op leggen dat hij bij zijn moeder in Suriname wil blijven, waarbij de minderjarige begon te huilen.

4.4 Bij het beoordelen van de vraag of het raadzaam is de minderjarige met eiser terug te laten gaan naar Nederland, dan wel met eiser in Nederland te doen verblijven, heeft de kantonrechter de volgende feiten en omstandigheden meegenomen:
– de minderjarige heeft vanaf hij zeven maandjes oud was tot zijn zesde jaar in Suriname bij de moeder gewoond, is grotendeels door de moeder verzorgd en opgevoed en in Suriname naar school gegaan, waarna hij naar Nederland is vertrokken en nu na bijkans 1 jaar en 6 maanden terug is in Suriname;
– de minderjarige heeft kenbaar gemaakt dat hij niet tegen de kou kan en hij vaak verkouden wordt in Nederland. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat het klimaat in Nederland vermoedelijk een negatieve invloed heeft op de gezondheid van de minderjarige en hij nog niet kan wennen aan de omgeving aldaar;
– de minderjarige wenst hier te lande naar school te gaan. Volgens zijn verklaring zou hij op dezelfde school kunnen worden ingeschreven alwaar hij vóór zijn vertrek naar Nederland in het jaar 2014 was ingeschreven;
– gedaagde is bezig de nodige voorbereidingen te treffen om de minderjarige in te schrijven voor het genieten van onderwijs en het doen sluiten van een ziektekosten verzekering voor de minderjarige;
– zowel eiser als gedaagden hebben een baan en zijn in staat de minderjarige te verzorgen;
– de minderjarige heeft op de dag van het verhoor in raadkamer meerdere malen in het bijzijn van eiser en gedaagde kenbaar gemaakt bij gedaagde te willen blijven in Suriname. Op dat moment wenste de minderjarige, blijkens eigen waarneming van de kantonrechter, niet met eiser te vertrekken uit de raadkamer, maar met gedaagde. Nadat hij de vader, zijnde eiser, in raadkamer een omhelzing heeft gegeven, heeft hij zich gelijk nadien gevoegd bij zijn moeder, zijnde gedaagde.

4.5 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en de eigen waarneming van de kantonrechter in raadkamer bij het verhoor van de minderjarige, acht de kantonrechter het in het belang van de minderjarige raadzaam hem niet aan eiser af te staan en hem niet naar Nederland met eiser te doen terugkeren. Daarbij heeft de kantonrechter rekening gehouden met de mogelijkheid dat de minderjarige zich zou kunnen verzetten tegen eiser en het met de harde hand aanpakken of dwingen van de minderjarige om met eiser terug te keren naar Nederland, psychische schade zou kunnen berokkenen aan de minderjarige.
Tevens heeft de kantonrechter ook in overweging genomen dat, zoals de stellingen door eiser zijn verwoord in het inleidend verzoekschrift dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hem pleegt, de indruk wordt gewekt dat de minderjarige als een goed in de zin van de wet wordt beschouwd en aldus in eigendom aan eiser toebehoort. Dit, terwijl de minderjarige in de zin van de wet een natuurlijke persoon is met twee wettelijke vertegenwoordigers, zijnde de ouders. In casu kan er dus om die reden geen sprake zijn van een onrechtmatige daad gepleegd door gedaagde jegens eiser. Uit het voorgaande vloeit voort dat de door eiser gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.6 De kantonrechter begrijpt dat het voor eiser als vader pijnlijk is dat de minderjarige niet aan hem zal worden afgestaan, doch brengt de kantonrechter hem in herinnering dat de allereerste zorg het belang van de minderjarige is en de plicht van partijen als ouders om de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Onder het belang van de minderjarige valt niet alleen het materiële, maar ook het geestelijk welzijn van de minderjarige en de plaats waar de minderjarige zich thuis voelt.
Met inachtneming van de plicht die zowel op eiser als gedaagde rust om de minderjarige te verzorgen en op te voeden, adviseert de kantonrechter dat eiser in het belang van de minderjarige de nodige medewerking aan gedaagde verleent, ingeval zij documenten voor de minderjarige nodig mocht hebben voor het doen inschrijven van de minderjarige op school en het in orde maken van de ziektekostendekking. Op gedaagde wordt een beroep gedaan om, indien de minderjarige dat wenst, de minderjarige alle ruimte te bieden om regelmatig in contact met eiser te blijven, hetzij telefonisch, hetzij via app.

4.6 Daar partijen de ouders van de minderjarige zijn en zij het belang van de minderjarige voorop dienen te stellen, acht de kantonrechter het redelijk en billijk de proceskosten tussen hen te compenseren. De compensatie bestaat daarin, dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 22 augustus 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.