SRU-K1-2016-10

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 165056
25 oktober 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van

De Stichting “Stichting Sandstone”,
gevestigd in het district Commewijne,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: dhr. S.P. Abhelakh, advocaat,

tegen

Stichting Chacha,
gevestigd in het district Nickerie,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 18 oktober 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 juli 2009 heeft gedaagde aan eiseres ter leen verstrekt, gelijk eiseres van gedaagde ter leen heeft ontvangen een bedrag van US$ 60.000,=, tegen een rente van 30% per jaar.

2.2 Tot zekerheid voor de voldoening van het geleend bedrag heeft eiseres ten behoeve van gedaagde krediethypotheek gevestigd op een aan eiseres in erfpacht gegeven perceel gelegen in het district Commewijne en aan partijen nader bekend (hierna het perceel).

2.3 Gedaagde heeft de openbare verkoop van het perceel bepaald op 26 oktober 2016.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. nietig te verklaren c.q. te vernietigen het exploot van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 augustus 2016 no. 1133;
  2. stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop van het perceel;
  3. het opleggen van een verbod aan gedaagde om opnieuw over te gaan tot de openbare verkoop van het perceel totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid van de hypotheekakte heeft beslist;
  4. veroordeling van gedaagde tot betaling van alle kosten die betrekking hebben op de stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop alsmede de proceskosten.

3.2 Eisers heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.
Zij, eiseres heeft nimmer een aanzegging gehad voor de openbare verkoop van het perceel. Zij heeft via de dagbladen vernomen dat het perceel openbaar zal worden verkocht. Achteraf is gebleken dat de aanzegging van de openbare verkoop gedaan is aan de persoon van [naam 1]. Laatstgenoemde is echter geen bestuurslid meer van eiseres, en gedaagde is daarvan op de hoogte. Gedaagde weet dat de persoon van [naam 2] het huidig bestuurslid is van eiseres. De aanzegging is derhalve niet rechtsgeldig. Eiseres heeft nimmer de bij de aanzegging onderliggende stukken ontvangen.
De persoon van [naam 2] en gedaagde hebben sinds 2008 een zakelijke relatie met elkaar gehad, welke relatie thans abrupt is beëindigd zonder dat partijen met elkaar hebben afgerekend. Gedaagde is, uit hoofde van de tussen partijen bestaand hebbende zakelijke relatie, nog een groot geldbedrag verschuldigd aan die [naam 2]
Gedaagde heeft bijna acht jaren stilgezeten en pas nadat de relatie tussen partijen is verstoord, is gedaagde ertoe overgegaan om de openbare verkoop van het perceel aan te kondigen.
De openbare verkoop van het perceel is aangezegd voor de leensom van US$ 72.000,=. Eiseres heeft niet US$ 72.000,= geleend maar US$ 60.000,=.
Gedaagde heeft geen saldo opgave betekend aan eiseres.
Gedaagde heeft eiseres nimmer aangemaand om de verschuldigde rente te betalen en heeft evenmin schade beperkend opgetreden als gevolg waarvan de schuld onnodig is opgelopen. Eiseres beroept zich uitdrukkelijk op artikel 1996 BW (Burgerlijk Wetboek) inzake de verjaring van interesten en van geleende geldsommen.
De opgebrachte rente van 30% per jaar kan worden aangemerkt als woekerrente. Een dergelijke woekerrente staat een rechtsgeldige titel in de weg, en kan niet geëxecuteerd worden. Ingevolge artikel 3 van de Woekerwet van1939 is de hypotheekakte dus nietig.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De Kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De boordeling

4.1 De kantonrechter gaat voorbij aan het verweer van gedaagde dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.
De onderhavige vordering heeft tot doel stopzetting van de op 26 oktober 2016 aangekondigde openbare verkoop.
Een dergelijke vordering is naar haar aard spoedeisend.

4.2 De aanzegging
Gedaagde voert aan dat de aanzegging wel ingevolgde de wet is gedaan. Het exploot, van deurwaarder J.E. Febis, d.d. 22 augustus 2016 nr. 1133, is namelijk uitgebracht bij de Procureur-Generaal omdat, naar de kantonrechter begrijpt, het enig bestuurslid van eiseres, [naam 1], niet op zijn woonadres is aangetroffen. Gedaagde ontkent dat de persoon van [naam 2] thans enig bestuurslid is van eiseres.
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer.
Uit een door eiseres overgelegde kopie uittreksel uit het Openbaar Stichtingenregister, gedateerd 13 september 2016, blijkt dat de persoon van [naam 2], als enig bestuurslid van eiseres staat ingeschreven en wel vanaf 29 oktober 2009. Gedaagde heeft de inhoud van dit stuk niet althans niet gemotiveerd betwist zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan. Nu het exploot van aanzegging van de openbare verkoop is gericht aan de persoon van [naam 1], in de hoedanigheid van enig bestuurslid, concludeert de kantonrechter dat de aanzegging niet ingevolge de wet is geschied. Het exploot is derhalve nietig. Het gevolg hiervan is dat de openbare verkoop dient te worden stopgezet. Het onder sub 1 en 2 van het petitum gevorderde zijn derhalve toewijsbaar.

4.3 Het opnieuw aanzeggen van de openbare verkoop van het perceel
Thans is aan de orde de vraag of de openbare verkoop van het perceel al dan niet opnieuw kan worden aangezegd.
Eiseres heeft gesteld dat gedaagde bijna acht jaren heeft stilgezeten en pas nadat de relatie tussen partijen is verstoord, is gedaagde ertoe overgegaan om de openbare verkoop van het perceel aan te kondigen. Volgens eiseres heeft gedaagde haar nimmer aangemaand om de verschuldigde rente te betalen en heeft zij evenmin schade beperkend opgetreden als gevolg waarvan de schuld onnodig is opgelopen.
Eiseres beroept zich uitdrukkelijk op artikel 1996 BW (Burgerlijk Wetboek) inzake de verjaring van interesten en van geleende geldsommen. Volgens gedaagde zijn partijen vrijwel altijd met elkaar in contact geweest om over de terugbetaling te praten. Gedaagde voert voorts aan dat de wet niet aangeeft op welke wijze de invorderingsactie moet geschieden.

Het is de kantonrechter vooralsnog onduidelijk waarom gedaagde pas nu, bijkans 8 jaren later, actie onderneemt om haar vordering op eiseres te verhalen terwijl eiseres nimmer enige poging heeft ondernomen om te voldoen aan haar betalingsverplichting jegens gedaagde. Aan de zijde van de schuldeiser mag worden verwacht dat hij binnen niet al te lange tijd actie onderneemt tegen de schuldenaar die totaal niet voldoet aan zijn betalingsverplichting. Immers de schuldeiser heeft de verplichting om schadebeperkend op te treden. Door na bijkans 8 jaren te hebben stilgezeten en abrupt de openbare veiling van het perceel aan te kondigen wegens het niet voldoen aan haar betalingsverplichting, maakt gedaagde, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, misbruik van haar executierecht.

Daarnaast is het van belang dat grondig onderzoek wordt gedaan naar het beroep van eiseres op verjaring van interesten en van geleende geldsommen, hetgeen bij de bodemrechter zal moeten gebeuren. Gezien de aard van dit geding is onderzoek daartoe niet mogelijk.

Om voormelde redenen is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde de beslissing van de bodemrechter dient af te wachten alvorens wederom over te gaan tot executie van het perceel. Het onder sub 3 van het petitum gevorderde is dus ook toewijsbaar.

4.4 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten, inclusief de veilingkosten, moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Verklaart nietig het exploot van deurwaarder J.E. Febis dd. 22 augustus 2016 no. 1133;

5.2 Gelast de stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop van het perceel zoals omschreven in het exploot van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 augustus 2016 no. 1133 en nader aan partijen bekend, welke openbare verkoop is bepaald op 26 oktober 2016 ten kantore van notaris, mr. K.E. Olff.

5.3 Verbiedt gedaagde om opnieuw over te gaan tot de openbare verkoop van het perceel totdat de bodemrechter in rechte zal hebben beslist over de rechtsvraag met betrekking tot de verjaring van de rente en leensommen uit hoofde van de schuldbekentenis d.d. 21 juli 2009;

5.4 Bepaalt dat eiseres binnen twee maanden na de uitspraak van dit vonnis een vordering bij de bodemrechter zal indienen, met betrekking tot de rechtsvraag over het al dan niet verjaard zijn van de rente en leensommen uit hoofde van de tussen partijen bestaande schuldbekentenis d.d. 21 juli 2009, bij gebreke waarvan eiseres geen beroep meer kan doen op dit vonnis voor wat betreft hetgeen is beslist onder 5.3 hiervoor.

5.5 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 316,= (driehonderd en zestien Surinaamse Dollar), en tevens de veilingkosten.

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van dinsdag 25 oktober 2016 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D.Ramdin w.g. mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2016-9

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 14-2222
27 oktober 2016

Vonnis in kort geding inzake:

[eiseres],
wonende te [district]
aan de [adres],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2],
te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 16 mei 2014 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– De mondelinge conclusie van eis;
– De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating productie;
– Het schrijven afkomstig van advocaat mr. G.R. Sewcharan de dato 11 augustus 2016 waarbij hij – kort gezegd – heeft aangegeven zich als procesgemachtigde van eiseres aan de zaak te onttrekken;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 juni 2016 doch nader op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

Eiseres heeft bij akte van schenking een aanneming d.d. 11 februari 2010 het recht van eigendom verkregen van het perceelland, groot tweehonderd vijftig, tien/honderdste vierkante meter gelegen in het district Paramaribo, ten zuiden van de Industrieweg, op de kaart van de landmeter E. Emanuels van vier december negentienhonderd twee en zeventig, aangeduid met de letters A B C D en bekend onder nummer 34c, van het complex Saron-Zuid en de daarop staande woning;

3. De standpunten van partijen

3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden gelast om tot ontruiming van de litigieuze woning en het perceelland over te gaan, met de gebruikelijke nevenvorderingen. Daarnaast vordert zij dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

3.2 Aan de vordering legt eiseres – naast voormeld vaststaand feit – ten grondslag, zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang, dat gedaagde door de vorige eigenaar reeds uit de litigieuze woning was verwijderd maar heeft op enig moment wederom zijn intrek erin genomen. Eiseres heeft gedaagde nimmer toestemming gegeven om in de woning te verblijven, noch bestaat er tussen partijen een overeenkomst waaraan hij enig recht of titel voor het verblijf in de woning kan ontlenen. Eiseres heeft gedaagde gesommeerd om de woning te ontruimen en te verlaten, laatstelijk bij schrijven d.d. 26 februari 2010 van deurwaarder M. Sitaram. Echter heeft gedaagde geweigerd hieraan gevolg te geven. Eiseres heeft het perceel, inclusief de woning, thans dringend nodig voor eigen gebruikt. De woning waarin zij thans verblijft dient zij namelijk op korte termijn te verlaten. Gelet op het voorgaande heeft eiseres een spoedeisend belang bij het gevorderde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Allereerst heeft gedaagde aangevoerd dat eiseres prematuur is met het instellen van onderhavige vordering en derhalve op grond hiervan niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Hij heeft nimmer een schrijven ontvangen van eiseres en is pas bij de oproeping voor dit geding geconfronteerd met eiseres die pretendeert een belang te hebben;

4.2 Naar het oordeel van de kantonrechter is voormeld verweer gegrond. Immers blijkt uit de inhoud van productie 2 dat bij het inleidend rekest is overgelegd wel duidelijk het voornemen tot ingebrekestelling van gedaagde maar blijkt nergens uit dat voormeld schrijven aangetekend naar gedaagde is verzonden per post. Er ontbreekt een bewijs van ter post bezorging zodat de kantonrechter niet kan vaststellen of het desbetreffend bescheid daadwerkelijk is verzonden naar gedaagde. Op grond van het voorgaande is eiseres prematuur met het rauwelijks dagvaarden van gedaagde en zal eiseres derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de ingestelde vordering. Daarenboven ontgaat het de kantonrechter waarom eiseres bijkans vier jaren heeft stilgezeten om daarna in 2014 onderhavig kortgeding in te stellen daarbij stellende dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.3 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen zoals hierna in het dictum te begroten;

4.4 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter derhalve niet toe;

5. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

5.1 Verklaart eiseres niet-ontvankelijk in de ingestelde vordering;

5.2 Veroordeelt eiseres in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 27 oktober 2016 door mr. S.M.M. Chu, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. R. Mangal w.g. A. Charan
w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2017-11

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 164971
20 juli 2017

Vonnis in de zaak van

[eiser],

Ca

A. [gedaagde A],
B. de Staat Suriname

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 14 november 2016.

1. Het verdere proces verloop;

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:
het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 6 december 2016;
de respectieve conclusies tot uitlating na de comparitie, zijdens elk der partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan
Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoorderling
In conventie
3.1 [eiser] vordert dat de Staat veroordeeld wordt om onmiddellijk bij beschikking met terugwerkende kracht in te trekken de beschikking van 29 februari 2016 ten name van [gedaagde A] en voorts de Staat gelast tot uitgifte van het aangevraagde recht van grondhuur op het ten rekeste omschreven perceelland aan [eiser]. Voorts vordert [eiser] dat [gedaagde A] veroordeeld wordt om alle activiteiten op het litigieuze perceelland stop te zetten en het perceelland te ontruimen.

3.2 [eiser] heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de echtgenoot van [gedaagde A] in 1991 een bereidverklaring heeft ontvangen van de Staat waarna de echtgenoot met medeweten van [gedaagde A] de beterschap op het perceel heeft verkocht aan [eiser]. Daarbij heeft [eiser] duizenden guldens in het perceel geïnvesteerd en een opstal erop gebouwd. In 2003 heeft [eiser] na de koop het perceel aangevraagd in grondhuur. Tot zijn verbazing heeft de Staat in 2016 het perceel in grondhuur uitgegeven aan [gedaagde A], die bovendien wist dat [eiser] het perceel van haar en haar man had gekocht en had aangevraagd en de afgelopen jaren heeft bewerkt.

3.3 [eiser] voert voorts aan dat de Staat op de hoogte was van de feiten rond het perceel en de instanties hadden alle al positief geadviseerd over het verzoek van [eiser] in 2003. Ook was [eiser] de eerste aanvrager en de bewerker van het perceel waardoor het uitgeven aan [gedaagde A] in strijd is met de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.4 De Staat heeft als verweer aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de afspraken tussen de partijen en niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Dat er weliswaar tussen het echtpaar en [eiser] afspraken waren gemaakt over het gebruik van het perceelland, doch dat de Staat daarvan niet op de hoogte was en dat op het tijdstip waarop de afspraken gemaakt zijn, noch [naam], noch [gedaagde A] enige titel op de grond hadden. De Staat voert aan dat zij er niet van op de hoogte was dat [eiser] sedert 2003 de grond in cultuur brengt of investeringen op de grond heeft gepleegd. De Staat voert aan dat de bereidverklaring aan [naam] relevant was en dat [naam] geen afstand had gedaan van zijn verzoek. Toen [gedaagde A] als weduwe van [naam] zelf het perceel aangevraagd had is het perceel en na onderzoek aan haar toegewezen. De Staat stelt dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

3.5 [gedaagde A] heeft als verweer aangevoerd dat zij het perceel ettelijke jaren met haar man heeft bewoond en bewerkt en dat zij nimmer het perceel wilde verkopen aan [eiser], doch dat [eiser] haar man wist te overhalen door hem te manipuleren omdat hij, haar man dus, alcoholverslaafd was. Zij voert aan dat [eiser] op die manier misbruik maakte van de omstandigheden. Zij voert aan dat zij onder dwang een overeenkomst heeft ondertekend en niet in vrije wil. Zij voert aan dat zij na het overlijden van haar man het perceel heeft aangevraagd en dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

3.6 De kantonrechter overweegt dat, nu de Staat betwist dat zij op de hoogte was van de afspraken, haar geen onrechtmatig handelen kan worden verweten.

3.7 De kantonrechter overweegt dat uit de inlichtingen, verschaft tijdens de comparitie van partijen, ook geen duidelijkheid is ontstaan over de vraag waarom in 1991 niet op het verzoek van [naam] is beslist en in 2003 niet op het verzoek van [eiser] is beslist. Ook is niet duidelijk geworden waarom uiteindelijk pas in 2016 het perceel is uitgegeven aan [gedaagde A] als weduwe van de rechthebbende.

3.8 De kantonrechter is van oordeel dat, nu niet aannemelijk is geworden dat de Staat op de hoogte was van de afspraken noch dat de Staat rekening had moeten houden met de afspraken gemaakt tussen [eiser] en [naam], en [gedaagde A] zich beroept op wilsgebreken tijdens de afspraken, niet voldoende gronden aanwezig zijn om het gevorderde toe te wijzen. Partijen zullen de beoordeling van de bodemrechter moeten afwachten, die, zoals tijdens de comparitie is gebleken, reeds de zaak in onderzoek heeft.

3.9 Het gevorderde zal daarom worden afgewezen en [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie
3.10 [gedaagde A] vordert primair dat [eiser] wordt veroordeeld om aan haar te betalen de som van SRD.172.500,= en subsidiair dat [eiser] wordt verboden om [gedaagde A] te storen in de uitoefening van het recht dat zij verworven heeft. Zij voert als grondslag daarvoor aan dat haar man op 20 maart 2003 is overleden en dat de overeenkomst overgelegd door [eiser] niet in vrije wil is ondertekend. Zij betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

3.11 De kantonrechter overweegt dat [eiser] de geldvordering betwist waardoor deze door de bodemrechter zal moeten worden beoordeeld.

3.12 Voor wat het subsidiair gevorderde betreft, overweegt de kantonrechter dat nu in conventie reeds is geoordeeld dat onrechtmatig handelen van de Staat niet aannemelijk is geworden, en het conventioneel gevorderde niet kan worden toegewezen, het gevorderde in reconventie kan worden toegewezen, immers is [gedaagde A] in het bezit van een rechtsgeldige titel. De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd, achtende de kantonrechter het bij petitum gevorderde bovenmatig.

3.13 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en [eiser], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing

In conventie
6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2.Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van de Staat en [gedaagde A] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

In reconventie
6.3 Verbiedt [eiser] om [gedaagde A] te hinderen in haar uitoefening van het recht dat zij heeft verworven op het ten rekeste vermeld perceelland, namelijk het recht van grondhuur, op straffe van een dwangsom van SRD.1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.100.000,= (eenhonderd duizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, voor iedere dag dat [eiser] in strijd handelt met dit verbod;

6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde A] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. I. S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 20 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-HvJ-2018-53

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante,
verder te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
verder te noemen: de man,
gemachtigden: mr. M.G.A. Vos en mr. R.V.C. Mungra, advocaten,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 15 december 2015 (A.R.No. 14-2430) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
– de verklaring d.d. 24 december 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de vrouw tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota d.d. 18 november 2016;
– de antwoordpleitnota d.d. 17 maart 2017;
– de repliekpleitnota d.d. 5 mei 2017;
– de dupliekpleitnota d.d. 7 juli 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om een zwarighedenprocedure, die volgde op een proces-verbaal van zwarigheden, opgemaakt op 21 mei 2014. Van de daar vermelde zwarigheden is er in hoger beroep nog één aan de orde. Het gaat om het volgende.

3. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Met gelden van de huwelijksgoederengemeenschap – hetzij oorspronkelijk afkomstig van de man hetzij oorspronkelijk afkomstig van diens vader en geschonken aan het echtpaar; de vrouw heeft de laatste variant niet weersproken en heeft ook niet gesteld en onderbouwd dat het geld oorspronkelijk van haar afkomstig is – is een gebouw geplaatst op een stuk grond dat door de vader van de vrouw in verband met het huwelijk aan haar was geschonken. Die schenking vond plaats onder een uitsluitingsclausule, waardoor de grond nooit in de huwelijksgemeenschap is gevallen. Het gebouw is door natrekking eigendom geworden van de vrouw.
De kosten van de stichting van het gebouw leveren een vordering op van de huwelijksgoederengemeenschap op de vrouw. Die vordering valt in de huwelijksgoederengemeenschap en moet betrokken worden bij de scheiding en deling daarvan in verband met de echtscheiding tussen partijen. De helft van die vordering komt aan de man toe.
De hoofdvraag die partijen verdeeld houdt, luidt of deze vordering gewaardeerd moet worden tegen de nominale waarde daarvan (het bedrag dat destijds is besteed) dan wel op een hoger bedrag, rekening houdend met de waardestijging van het gebouw in kwestie. Het gaat om de tegenstelling tussen de nominaliteitsleer en de beleggingsleer. Een voorvraag en een aantal nevenvragen zijn daarnaast aan de orde.

De voorvraag: wat is de omvang van de rechtsstrijd?

4. Het is vaste regel in zwarighedenprocedures dat het proces-verbaal van zwarigheden de omvang van de rechtsstrijd bepaalt. Anders dan de man betoogt, kan die rechtsstrijd niet zo maar worden uitgebreid. Het is de vraag of van zo’n uitbreiding sprake is doordat de beleggingsleer in het debat naar voren is gebracht.
In het proces-verbaal van zwarigheden voert de vrouw aan dat de man recht heeft op de helft van het geïnvesteerde, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op het geheel, omdat hij destijds niet wist van de uitsluitingsclausule en de investering niet zou hebben gedaan als hij dat had geweten. Uit het proces-verbaal van zwarigheden blijkt niet dat partijen zich hebben laten bijstaan door een advocaat.
Het standpunt van de man in het proces-verbaal is juridisch onjuist. Uit het regime van een gemeenschap van goederen volgt nu eenmaal dat de echtgenoten alles gelijk delen, wat dus ook geldt voor een vordering van de gemeenschap op de vrouw die is ontstaan op de beschreven wijze. Uit het standpunt van de man, zoals weergegeven in het proces-verbaal van zwarigheden is af te leiden dat de man zich misleid voelt, omdat hij ervan uitging dat de grond (dus ook het daarop gebouwde) tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Hij was op zoek naar een compensatie, dus naar méér dan de helft van het destijds nominaal geïnvesteerde bedrag. De manier waarop hij die compensatie zocht, is juridisch onmogelijk. Gegeven dat partijen kennelijk zonder juridische bijstand hun opvattingen in het proces-verbaal van zwarigheden lieten noteren, vat het Hof onder ‘de zwarigheid’ van de man ook een beroep op de beleggingsleer, omdat deze vorm van compensatie in beginsel juridisch wel denkbaar is en de man niet bedoeld kan hebben zich in het proces-verbaal van zwarigheden op een met zekerheid juridisch onhoudbaar standpunt te hebben willen stellen.
De slotsom is dat het debat tussen partijen over de toepassing van de beleggingssfeer geacht moet worden te liggen binnen de grenzen van het debat die zij door het proces-verbaal van zwarigheden hebben getrokken. Het Hof kan dit debat dus inhoudelijk beoordelen.

De hoofdvraag: moet de nominaliteitsleer of beleggingsleer worden toegepast?

5. Partijen zijn het er terecht over eens dat met de investering door de huwelijksgoederengemeenschap (de bouw van de woning op de grond die uitsluitend aan de vrouw behoort) een vordering is ontstaan van die gemeenschap op de vrouw. Partijen zijn het er ook over eens dat aan beiden de helft van de omvang van die vordering toekomt.
Partijen geven echter een ander antwoord op de vraag hoe de waarde van de investering moet worden berekend. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de nominaliteitsleer moet worden toegepast. Die leidt ertoe dat de waarde van de toenmalige investering bepalend is. De helft daarvan komt dan aan de man toe. De man stelt zich op het standpunt dat de beleggingsleer moet worden toegepast. Die leidt ertoe dat de actuele waarde van het onroerend goed bepalend is. De helft daarvan komt aan de man toe.

6. Het uitgangspunt bij de beoordeling is het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden inzake Kriek/Smit. Daarin is bepaald dat de nominaliteitsleer moet worden toegepast, maar dat “niet geheel uitgesloten” is dat de derogerende werking van de goede trouw meebrengt dat daarvan wordt afgeweken. De leer van dit arrest geldt ook in Suriname, omdat ook in het Surinaamse recht de derogerende werking van de goede trouw als rechtsfiguur bestaat. Deze derogerende werking van de goede trouw kan leiden tot uitzonderingen op de nominaliteitsleer. Het betoog van de vrouw dat dit onder het huidige Surinaamse recht niet zou kunnen en dat dit pas mogelijk is als het nieuwe Burgerlijk Wetboek betreffende het familierecht is ingevoerd, volgt het Hof dus niet.

7. Het Hof oordeelt dat in dit geval reden is voor afwijking van de nominaliteitsleer op grond van de derogerende werking van de goede trouw. Doorslaggevend daarvoor is dat de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist heeft dat de man helemaal niet wist dat de grond die door haar vader aan haar was geschonken door een uitsluitingsclausule buiten de gemeenschap viel. De opmerking van de vrouw dat de man dit had kunnen zien in de registers is zowel feitelijk juist als veelzeggend voor haar kwade trouw. Zij heeft haar man blijkbaar niet ingelicht en stilzwijgend laten gebeuren, dat hij in haar privé vermogen investeerde, terwijl hij dacht dat geïnvesteerd werd in de huwelijksgoederengemeenschap. Zo werd zij slapende rijk, terwijl hij dacht dat dit ook voor hem gold en zij wist dat dit niet klopte, maar liet hem in de waan. Een dergelijke opstelling verdient juridisch geen prijs, reden om de beleggingsleer toe te passen: de waardestijging van het onroerend goed komt ook de man toe.

De nevenvraag: wat is de waarde van het onroerend goed?

8. Het Hof volgt hier integraal het rapport van de [deskundige]. Diverse subvragen verdienen beantwoording om deze conclusie te kunnen trekken.

Heeft de deskundige gerapporteerd buiten zijn opdracht?

9. De vrouw voert als grief aan dat de deskundige zonder opdracht van de kantonrechter heeft gerapporteerd over de (toen, in 2015) actuele waarde van het onroerend goed. Het verwijt is dat op deze wijze de beleggingsleer door de deskundige is gevolgd. De vrouw heeft echter onweersproken gelaten wat de man heeft aangevoerd over de gang van zaken op de zitting waarbij de deskundige aanwezig was, voorafgaand aan de opdracht. De deskundige heeft toen laten weten dat hij zowel de waarde van de investering in het jaar 2000 zou berekenen als de actuele waarde van de onroerende zaak. Partijen waren daarbij aanwezig en zij noch de kantonrechter hebben toen laten weten dat dit niet de bedoeling was. Daarmee staat vast dat de deskundige binnen zijn opdracht is gebleven.

Mag het rapport worden gebruikt, terwijl het niet door drie deskundigen is opgesteld?

10. De vrouw heeft erop gewezen dat het rapport van [deskundige] alleen door hem is opgesteld en dus niet door drie deskundigen. In artikel 1104 BW is bepaald dat bij een boedelscheiding de waardering van onroerende goederen door drie deskundigen wordt gedaan. Deze bepaling is niet van dwingend recht en partijen zijn hiervan blijkbaar afgeweken. Het Hof leidt dat af uit het gegeven dat vóór [deskundige] ook nog een rapport is uitgebracht, eveneens door één deskundige. Dat rapport is buiten beschouwing gelaten door de kantonrechter – om redenen die nu niet meer van belang zijn, omdat tegen die beslissing van de kantonrechter geen grief is ontwikkeld – maar het was de vrouw die juist graag wilde dat dit rapport wél zou worden gebruikt. Daaruit leidt het Hof af dat ook de vrouw wilde werken met één deskundige. Nu uit de processtukken in eerste aanleg niets blijkt van een protest tegen het voornemen van de kantonrechter met wederom één deskundige ([deskundige])te volstaan, komt het Hof tot de slotsom dat partijen van artikel 1104 BW zijn afgeweken. Dat mag en daarop kan de vrouw niet terugkomen door in hoger beroep te stellen dat het rapport van [deskundige] in strijd met artikel 1104 BW is tot stand gekomen.

Heeft de kantonrechter terecht beslist dat partijen niet meer op het rapport van de deskundige mochten ingaan voorafgaand aan het vonnis?

11. Het staat vast dat het zo is gegaan dat de kantonrechter al bij het aanstellen van de deskundige aan partijen heeft laten weten dat zij geen conclusies na deskundigenbericht mochten nemen, maar dat in plaats daarvan de kantonrechter meteen tot het wijzen van een vonnis zou overgaan. De grief die daartegen door de vrouw is aangevoerd, ligt ter beoordeling voor. De man betoogt tevergeefs dat deze grief niet meer kon worden aangevoerd, omdat deze niet in de memorie van grieven is verwoord. Het is vaste leer van het Hof dat dit niet in de weg staat aan het alsnog opvoeren van een grief in de fase van de pleitnota’s.

12. Een dergelijke afspraak is te maken, indien het deskundigenbericht door partijen wordt beschouwd als een bindend advies. Daarvan blijkt echter niets uit het procesdossier van de zaak in eerste aanleg, hoewel de man in hoger beroep stelt dat die afspraak zou zijn gemaakt. De kantonrechter lijkt de gang van zaken aan partijen te hebben opgelegd. Dat zij niet daartegen protesteerden, maakt nog niet dat zij dan geacht worden te zijn overeengekomen dat zij het rapport van de deskundige als voor hen bindend beschouwen. Het verdere verloop van de procedure bevestigt ook dat er van een bindend advies geen sprake is geweest. Als het advies voor partijen bindend zou zijn, was er voor de kantonrechter geen rol meer weggelegd, behalve als (een van) partijen had aangekaart dat het bindend advies door de inhoud of de wijze van totstandkoming niet voldeed aan de toets dat ‘geen enkele handelend deskundige tot dit rapport/advies had kunnen komen’. Maar dat konden partijen helemaal niet aan de kantonrechter voorleggen, omdat na het rapport alleen nog maar vonnis werd gewezen. Dat vonnis geeft ook geen blijk van een marginale toetsing van het rapport, maar komt neer op een vol (dus: niet marginaal) oordeel over het voorgelegde geschil zelf.

13. Uit wat is overwogen in rechtsoverweging 12 volgt dat van een afspraak tussen partijen over een bindend advies geen sprake is. Dat zo zijnde, heeft de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, door partijen niet de gelegenheid te bieden zich over het deskundigenrapport uit te laten en zonder meer tot vonniswijzing over te gaan. De grief van de vrouw hierover slaagt.

Kan het deskundigenrapport in hoger beroep gebruikt worden, hoewel de kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor niet toepaste?

14. In hoger beroep heeft de vrouw de gelegenheid gehad om alsnog het deskundigenrapport van [deskundige] ter discussie te stellen. Daarmee is alsnog – zij het in tweede aanleg – de schending van het beginsel van hoor en wederhoor geheeld. De vrouw heeft deze gelegenheid benut door een eigen deskundige een rapport te laten uitbrengen. In dat andere rapport worden andere conclusies getrokken over de waarde van het onroerend goed. Maar de advocaat van de vrouw heeft verzuimd om uit te leggen waarom het rapport van [deskundige] onjuist is. Het simpelweg overleggen van een ander rapport dat tot een andere slotsom komt, volstaat niet. Waarom het andere rapport juist is en dat van [deskundige] niet, is niet door deze advocaat gemotiveerd. Dat had vanzelfsprekend wél gemoeten. Het kan namelijk net zo goed andersom zijn: het rapport van [deskundige] is correct en dat andere rapport is fout. Het Hof moet dat blijkbaar zelf maar bedenken, maar zo werkt het procesrecht niet. Het is aan de vrouw om haar grieven tegen het rapport van [deskundige] uit te werken en te onderbouwen. De uitwerking en de onderbouwing ontbreken compleet. Aldus is de vrouw tekortgeschoten in haar stelplicht. Daarom gaat het Hof aan het tegenrapport dat is opgesteld in opdracht van de vrouw voorbij en concludeert het dat het rapport van [deskundige] daarom nog steeds bepalend is.

Heeft de kantonrechter het juiste bedrag genoemd, waar hij zich op het rapport van [deskundige] baseerde?

15. De vrouw heeft aangevoerd dat de kantonrechter niet het juiste bedrag heeft toegewezen aan de man. Daarbij beroept de vrouw zich op de uitkomsten van het rapport van [deskundige]. Bij nadere beschouwing mist dit verwijt een zelfstandige inhoud, omdat de vrouw teruggrijpt op haar stellingen dat uitgegaan moest worden van de nominaliteitsleer en dat de kantonrechter de uit die leer volgende bedragen – zoals die ook staan in het rapport – had moeten gebruiken. Uit wat is overwogen, volgt dat het Hof dit standpunt van de vrouw niet volgt.
Daarnaast constateert het Hof dat de kantonrechter geen rekenfouten heeft gemaakt. De grief faalt.

De conclusie

16. Uit wat door het Hof is overwogen volgt dat de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft. Het vonnis zal daarom worden bevestigd.
Het Hof compenseert de kosten in het geschil in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Dit doet het Hof gelet op de aard van de zaak en de verhouding tussen partijen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 15 december 2015 (A.R. No. 14-2430),

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. M.G.A.Vos en mr. R.V.C. Mungra, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2009-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 063267
18 augustus 2009

Vonnis inzake:
[eiser],
wonende te [district] aan [adres],
eiser,
procederende in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën, Dienst der Belastingen,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat

Vooraf
De kantonrechter verwijst naar het op 19 november 2007 in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnis, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld de volgende producties over te leggen:
a) de beschikkingen genummerd OS 123891/ OS 123892/ OS 123893/ OS 123894/ AS 675283/ AS 675283/ AS 675284,
b) een uitdraai van de belastingdienst gedateerd 18 mei 2005,
c) het bezwaarschrift van [eiser] van mei 2005,
d) de beschikkingen van de gedaagde over de jaren: 1997, 1998, 2002, 2003, 2004, gedateerd 2 augustus 2006 en ontvangen op 10 augustus 2006.
De kantonrechter volhardt bij de inhoud van dit vonnis.

1. Het verdere verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– de conclusie tot overlegging van de producties d.d. 16 juni 2008;
– de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 7 juli 2008.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 Uit de inhoud van de beschikkingen waarvan eiser vernietiging vordert, blijkt dat gedaagde eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingesteld bezwaar, omdat hij niet binnen de bij wet gestelde termijn beroep heeft aangewend. Doordat gedaagde eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in het hem ingesteld bezwaar, is gedaagde inhoudelijk niet ingegaan op de bezwaren van eiser hetgeen overigens blijkt uit de inhoud van de beschikkingen waarvan eiser vernietiging vordert. Zoals de kantonrechter reeds in het eerder op 19 november 2007 in deze zaak gewezen tussenvonnis heeft geoordeeld, is eiser wel ontvankelijk in zijn beroep omdat de Raad van Beroep alwaar hij in beroep dient te gaan een ettelijk aantal jaren niet functioneert. Nu de kantonrechter eiser wel ontvankelijk acht in zijn bezwaar en gedaagde om die reden inhoudelijk niet is ingegaan op het bezwaar van eiser, zal gedaagde alsnog inhoudelijk moeten ingaan op het door eiser ingesteld bezwaar. Hieruit volgt dat de vordering van eiser tot vernietiging van de beschikkingen zal worden toegewezen.

2.2 De vordering terzake veroordeling van gedaagde in de kosten voor juridische adviezen, welke kosten zijn inbegrepen in de door eiser gevorderde proceskosten van SRD 750,– komen niet voor toewijzing in aanmerking. Dit, omdat deze kosten blijkens het bepaalde in artikel 61 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet vallen onder de proceskosten en dus enige wettelijke grondslag missen.

2.3 De kantonrechter constateert dat eiser heeft nagelaten het vonnis in onderhavige zaak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu de kantonrechter niet meer mag toewijzen dan gevorderd, zal het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

2.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

3. De beslissing

3.1 Vernietigt de bestreden aanslagen c.q. beschikkingen over de jaren 1997, 1998, 2002, 2003, 2004, gedateerd 2 augustus 2006 en ontvangen op 10 augustus 2006.

3.2 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser en tot aan de uitspraak begroot op SRD 112,50 (eenhonderd twaalf Surinaamse Dollar en vijftig Surinaamse dollarcent).

3.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op dinsdag 18 augustus 2009 te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. A. Sewgobind w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-2016-8

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 164970
2 november 2016

Vonnis in de zaak van

[eiser],
wonende te Paramaribo,
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,
hierna te noemen: [eiser]

tegen

STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ NV,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,
hierna te noemen: “het Pensioenfonds”.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift met producties, dat op 11 oktober 2016 ter griffie der kantonrechter is ingediend,
– de conclusie van antwoord, met productie,
– de conclusie van repliek,
– de conclusie van dupliek.

1.2. De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [eiser] is eigenaar van het ten rekeste vermeld perceelland.

2.2 Het Pensioenfonds is met de [eiser] en [naam] een overeenkomst van geldleen aangegaan bij welke overeenkomst tevens een hypotheek is gevestigd.

2.3 Bij akte van 21 juli 2000 is deze hypotheek gevestigd en is [eiser] als onderzetter opgetreden waarbij hij het ten rekeste vermeld perceelland heeft ondergezet.

2.4 Op 16 juli 2016 is de inschrijving van de hypotheek vernieuwd.

2.5 Bij exploit van 17 september 2016 heeft het Pensioenfonds [eiser] de openbare verkoop aangezegd voor donderdag 3 november 2016 om 10.00 uur des voormiddags.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

[eiser] vordert kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

– de onmiddellijke stopzetting gelast van de voor 3 november 2016 door het Pensioenfonds aangekondigde verkoop;
– het Pensioenfonds veroordeelt om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak ten behoeve van haar en ten laste van [eiser] vernieuwde hypotheek door te halen of te royeren;
– het Pensioenfonds veroordeelt tot betaling van een dwangsom en voorts
– het Pensioenfonds veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag

[eiser] heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd, dat de hypotheek op 4 augustus 2000 in het register is ingeschreven. Artikel 1220 BW schrijft voor, dat de hypotheek standhoudt gedurende 15 jaar en voor het verloop van die termijn moet worden vernieuwd. Nu de inschrijving niet binnen die termijn is vernieuwd is de hypotheek vervallen.

De inschrijving is weliswaar op 18 juli 2016 vernieuwd doch dat is te laat omdat de hypotheek reeds is vervallen. Om die reden kan de veiling geen voortgang hebben. Hij voert tevens als grondslag aan dat hij geen schuldenaar is waardoor van hem niet kan worden gevraagd om de schuld af te betalen. Hij is het Pensioenfonds niets verschuldigd. Ook om die reden is de aangezegde veiling niet juist.

4. Het verweer

Het Pensioenfonds heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De beoordeling

5.1 Het Pensioenfonds heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd.

  1. Dat ingevolge de wet inderdaad een hypotheek vervalt indien de inschrijving na vijftien jaar niet vernieuwd wordt, doch dat uit de literatuur blijkt dat het weder inschrijven van de hypotheek tot gevolg heeft dat de hypotheek rechtsgeldig is; het enige gevolg dat in de literatuur wordt aangegeven aan het na de termijn van vijftien jaar vernieuwd inschrijven is, dat de rangorde kan veranderen indien er meerdere hypotheken zijn, omdat de inschrijving van de hypotheek dan pas geldt vanaf het moment van de vernieuwde inschrijving; indien de inschrijving voor het verloop van de vijftien jaar wordt vernieuwd zijn er geen gevolgen voor een eventuele rangorde met andere hypotheekhouders; om die reden is de hypotheek wel rechtsgeldig en kon het Pensioenfonds wel de veiling aanzeggen;
  2. [eiser] is als onderzetter opgetreden waardoor aan hem ook de aanzegging gedaan moest worden.

5.2 [eiser] heeft op het verweer gereageerd waarbij hij bleef bij zijn gronden.

5.3 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt die is, of de hypotheek nog rechtsgeldig is of dat de hypotheek niet meer bestaat vanwege het niet tijdig vernieuwen van de inschrijving.

5.4 Het Pensioenfonds heeft verwezen naar de literatuur, onder andere Asser – van Oven waarin de achtergrond is beschreven van de inschrijving van de hypotheek en de werking en het doel welke wordt toegeschreven aan de verplichting om binnen een wettelijke termijn de inschrijving te vernieuwen.

5.5 De kantonrechter overweegt dat het standpunt van het Pensioenfonds, dat de inschrijving van de hypotheek wel kan plaatsvinden na de einddatum van de wettelijke termijn, wordt onderschreven door zowel de uiteenzetting in Asser-van Oven als de uiteenzetting in het handboek “Hoofdzaken hypotheek en veiling” van mr. dr. C.A. Kraan (2014-Paramaribo).

5.6 In Asser-van Oven (10e druk 1978, pagina 174) is de volgende uitleg opgenomen: “opnieuw werden zodanige maatregelen genomen bij wet van 2 juni 1965 krachtens welke wet n.l. alle voor 1 juli 1948 genomen hypothecaire inschrijvingen binnen twee jaar na 1 juli 1966 vernieuwd moesten worden. De bedoelde vernieuwingen verzekeren aan belanghebbenden dezelfde rang en dezelfde rechten, die zij door de oorspronkelijke inschrijving hadden. Is de vernieuwing binnen de genoemde termijn nagelaten, dan houdt de vroegere inschrijving op van kracht te zijn, en kan niet meer worden hersteld, behoudens het recht van de schuldeiser om opnieuw krachtens zijn titel een inschrijving te doen bewerkstelligen, die dan echter eerst kracht heeft en rang verleent volgens haar eigen dagtekening.

5.7 In Kraan (2014) is de volgende uitleg gegeven over het royement: “de doorhaling van de hypotheek is een administratieve handeling die alleen effect heeft, dat wil zeggen het onroerend goed alleen blijvend van de inschrijving bevrijdt, als de hypotheek teniet is gegaan. Is de hypotheek niet tenietgegaan, dan blijft deze ondanks het royement van de inschrijving in stand en kan op grond van de oorspronkelijke hypotheekakte te allen tijde een nieuwe inschrijving plaatsvinden”.

5.8 De kantonrechter overweegt dat uit de hiervoor aangehaalde literatuur het verweer van het Pensioenfonds aannemelijk is waardoor de hypotheek en de inschrijving als rechtsgeldig moeten worden aangemerkt, evenals de aanzegging voor de openbare verkoop.

5.9 De kantonrechter overweegt ten aanzien van het tweede deel van de grondslag, dat gelijk het Pensioenfonds aanhaalt, aan de onderzetter die niet tevens de schuldenaar is, ook de akte van de hypotheek moet worden betekend, met de melding van de saldoschuld, een bevel om te betalen en de aanzegging voor de openbare verkoop indien niet aan het verschuldigde wordt voldaan (vide hoofdstuk 6 van het hiervoor aangehaald werk van mr. dr. C.A. Kraan).

5.10 De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het hiervoor gestelde de grondslag niet aannemelijk is geworden waardoor het gevorderde zal worden afgewezen.

5.11 De kantonrechter zal [eiser], als de in het gelijkgestelde partij, veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing

6.1 Wijst af het gevorderde;

6.2 Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van het Pensioenfonds gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van woensdag 2 november 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

 

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-1998-4

Kantonrechter Eerste Kanton
21 mei 1998, A.R. no. 975215
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt
mr. I.D. Kanhai, advokaat, eiser in Kort Geding,

tegen

A. Kersten & co N.V. rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Steenbakkerijstraat no. 27 te Paramaribo; voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat,

B. De Staat Suriname, rechtspersoon vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie kantoorhoudende aan de Gravenstraat no. l te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat, gedaagden in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, gedaagden sub a en b zullen worden veroordeeld als volgt :

  1. zal worden opgeschort de werking van de beschikking d.d. 5 november 1997 genummerd 087/97 zoals uitgegeven door gedaagde sub b totdat in bodemgeschil bij een in kracht van gewijsde gegane vonnis zal zijn beslist over de vernietiging van bedoelde beschikking;
  2. gedaagde sub ab zullen worden veroordeeld om aan eiser te betalen zijn loon tot dat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd;
  3. aan eiser te betalen zijn vakantie tegoeden en alle andere emolumenten verbonden aan de dienstbetrekking tot dat die dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd;
  4. gedaagde zal worden gelast eiser toegang te verschaffen tot de geneeskundige voorziening binnen het bedrijf van gedaagde totdat de dienstbetrekking tussen eiser en gedaagde op rechtmatige wijze is beëindigd.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, eiser vertegenwoordigd door advokaat, mr. S. Mangroelal namens zijn gemachtigde advokaat, I. D. Kanhai en gedaagde sub a door advokaat, mr. F. Kruisland en gedaagde sub b door advokaat, mr. J. Kraag ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. S. Mangroelal namens de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 9 februari 1995 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd

Overwegende, dat ter comparitiezitting, welke op 12 maart 1998 is gehouden, zijn verschenen gemachtigden van partijen en eiser in persoon, die hebben verklaard gelijk in het door Ons opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van gedaagde sub.A schriftelijke conclusies hebben genomen, waarvan is opgemaakt een proces-verbaal, welk hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat opgemerkt zij, dat het Ons geheel ontgaat hoe gedaagde sub.a en gedaagde sub.b zo zij daartoe veroordeeld zouden worden, zouden kunnen overgaan tot opschorting van de werking van de beschikking de dato 5 november 1997 no. 087/97 van de Minister van Arbeid, nu de eiser op generlei wijze heeft gesteld of doen blijken, dat zij, gedaagde sub.a en gedaagde sub.b, daartoe gehouden zouden zijn doch dat zij zulks weigeren;

Overwegende, dat wijders opgemerkt zij, dat nu de eiser niet heeft gesteld of doen blijken, dat de beschikking de dato 5 november 1997 no. 087/97 vernietigd is, ontgaat het Ons eveneens hoe in de bodemprocedure bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zou moeten worden beslist over de vernietiging van bedoelde beschikking;

Overwegende, dat het vorenoverwogene zou moeten leiden tot afwijzing van het gevorderde onder I van het petitum waartoe Wij evenwel niet zullen overgaan, zullende Wij dat gevorderde aldus opvatten, dat eiser vordert op grond van daaraan ten grondslag gelegde feiten, opschorting van de beschikking van de Minister van Arbeid de dato 5 november 1997 in haar werking totdat omtrent de rechtsgeldigheid daarvan bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beslist, biedende de aard van de onderhavige procedure Ons daartoe die ruimte;

Overwegende, dat ook dit gevorderde niet mag leiden tot een voor de eiser gunstige beslissing nu, naar gedaagde sub.a terecht heeft gesteld, een gerechtelijke aktie van een werknemer tegen een beschikking van de Minister van Arbeid als voormeld uitgesloten is omdat de bevoegdheid van de Minister de rechtspositie van de werknemer niet raakt immers wordende de rechtspositie immers uitsluitend beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met de werkgever en de daarop van toepassing zijnde rechtsregels, neergelegd in de artikelen 1613 a. e. BW;

Overwegende, dat nu het gevorderde onder 2, 3 en 4 van het petitum, naar blijkt, een sequeel is van het gevorderde onder 1 en dit gevorderde afgewezen wordt, ondergaat het gevorderde onder 2, 3 en 4 hetzelfde lot;

Overwegende, dat Wij de eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen,

Rechtdoende in kort geding
Wijzen eisers vorderingen af;

Verwijzen de eiser in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.Nihil

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”

SRU-K1-1993-2

A.R.NO. 931480
28 juni 1993.
AS.

MARS G.B, LIMITED, een vennootschap-rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, gevestigd te Melton Mowbray, Leicestershire LE4 4RS, Groot-Brittannië, ook handeldrijvende onder de naam ”Pedigree Petfoods”, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,
eiseres in Kort Geding,

tegen

[gedaagde], handelende onder de Acea Trading, zaakdoende en kantoorhoudende aan de Wanicastraat no. 159 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.P.E.Bemmel,
advokaat,
gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit;
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat hij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

I. gedaagde zal worden verboden om bij het ten verkoop en distributie aan het publiek in Suriname aanbieden ……………….van vogelvoedsel onder het merk ”VAM” of enig ander merk in welke verpakking dan ook, zonder toestemming of instemming van eiseres op die verpakking aan te geven, althans te vermelden, dat voormeld vogelvoedsel van eiseres, althans van ”Pedigree Petfoods” afkomstig is, dan wel zulks te doen uitkomen of de indruk daartoe wekken op die verpakking,en/of zonder instemming of toestemming van eiseres op die verpakking te vermelden, dat terzake ………………. van voormeld vogelvoedsel door hem ten verkoop en distributie aangeboden onder het merk ”VAM” of enig ander merk, door ”Pedigree Petfoods” enige garantie is afgegeven, althans zulks te doen uitkomen of de indruk daartoe wekken;

II. gedaagde zal worden bevolen om zorg te dragen, dat door hem aan andere personen of instellingen ter verdere verkoop en distributie geleverd of ter beschikking gesteld vogelvoedsel onder het merk ”VAM”, althans enig ander merk, waarbij dat vogelvoedsel, althans de verpakking zonder toestemming of instemming van eiseres is voorzien van de naam ”Pedigree Petfoods”, dan wel zonder toestemming of instemming van eiseres is voorzien van een garantie als zijnde afkomstig van ”Pedigree Petfoods”, dan wel zulks te doen uitkomen, niet verder of langer wordt verkocht en gedistribueerd en zulke verkoop en distributie wordt gestaakt ;

III. gedaagde zal worden verboden om op de verpakking van door hem ten verkoop en distributie aangeboden of aan te bieden vogelvoedsel onder het merk ”VAM” of enig ander merk, teksten te vermelden, welke geheel of nagenoeg geheel, dan wel in overwegende mate of substantieel gelijkluidend of gelijksoortig zijn aan die, welke eiseres heeft geplaatst en/of zal plaatsen op verpakkingen van vogel voedsel, hetwelk door haar ten verkoop en distributie wordt aangeboden onder het merk ”Trill” of enig ander aan eiseres toebehorend merk, in het bijzonder de navolgende teksten:

a. THE COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD
Trill is the ideal food for your budgie, because it’s a completely balanced diet of highest quality seeds, all: thoroughly cleaned to ensure your, budgie gets maximum food, minimum waste. Trill is carefully blended to ensure your budgie gets all the vital proteins, minerals and vitamins its needs; including the essential ’Sunshine’ vitamin D The Sunshine Grains in Trill also include vital, iodine and calcium to ensure strong bones, claws, beaks and feathers. Plus protein and vegetable oil for a healthy look. No wonder Trill makes budgies bounce with health! EVERYTHING YOUR BUDGIE NEEDS FOR PERFECT HEALTH.

b. MAKES BUDGIES BOUNCE WITH HEALTH BECAUSE TRILL IS A COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD. TRILL HAS SUNSHINE GRAINS WITH VITAL IODINE AND CALCIUM.
Guarantee:
Trill is made from quality ingredients and manufactured to the highest standards. If this products fails to give complete satisfaction, please return the part of the packaging bearing the date of manufacture with details of complaint, stating (in block capitals please) your name and full address and where and when purchased to the Consumer Service Department, Pedigree Petfoods, Freepost, Melton Mowbray, :Leics., LEI3 OBR. In the Republic of Ireland return to Master-foods, 7/8 Hartcourt Street, Dublin 2, Your Statutory rights are not affected.

c. Pedigree Petfoods, Shrewsbury Avenue, Peterborough, PE2 OBY. Trill is a complete pet food for budgerigars. Feeding Instructions: As we 11 as his daily diet of Trill, your budgie should have fresh water every day. Remove empty husks from the top of his seed tray. Don’t forget to provide cuttle-fish, grit and sand.
Ingrediënts;
Cereals, minerals, derivatives of vegetable origin, milk and milk derivatives, oils and fats, I-lysine hydrochloride.
Vitamin A/kg 2000 I.U.
Vitamin D3/kg 400 I.U.
Vitamin content guaranteed for 12 months from the date of manufacture shown on the top of the carton.

IV. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van Sf.50,000,–(VIJFTIGDUIZEND GULDEN) voor iedere:dag of keer dat hij, gedaagde, de sub I en/of III vermelde verboden overtreedt en/of het sub II vermelde bevel niet nakomt;

Kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage partijen, eiseres vertegenwoordigd door Mr. B.A.Halfhide namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en de gedaagde vertegenwoordigd door Mr.Y.Van Trigt namens haar gemachtigde, advokaat Mr.P.E. Bemmel, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. B.A. Halfhide namens de gemachtigde van eiseres een hier als ingelast te beschouwen schriftelijke conclusie tot aanvulling van eis heeft genomen en vervolgens voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigde van gedaagde tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overge legde produktie eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie zijdens eiseres bepaald diens gemachtigde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:
Overwegende, dat het spoedeisend belang der vordering uit de aard der stellingen van eiseresses ——— inleidend rekest voortvloeit;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans als niet of niet voldoend gemotiveerd betwist-en mede blijkende uit ten processe overgelegde producties- het navolgende rechtens tussen partijen vaststaat:

  1. dat de gedaagde in Suriname vogelzaad onder het merk ”VAM’’ verkoopt en distribueert, waarbij zij niet alleen een kleurverpakking gebruikt, die nagenoeg gelijk is aan de kleurverpakking van de vogelzaad onder het merk ”Trill”, die de eiseres fabriceert en-ook in Suriname, als beschermd gerechtigde-doet, distribueren, doch dat de gedaagde in strijd met de waarheid daarbij de indruk wekt dat haar product afkomstig is van en dat de kwaliteit daarvan gegarandeerd wordt door -Pedigree Pet- foods, zijnde de handelsnaam, waaronder de eiseres bedrijfshandelingen zowel in Suriname als andere landen verricht;
  2. dat de gedaagde daarbij teksten op de verpakking heeft opgenomen-teksten die strekken tot aanbeveling voor gebruik van dat voedsel alsmede de samenstelling daarvan-welke (in overwegende mate ) ge1ijkluidend en gelijkend zijn met de teksten die de eiseres op haar verpakking heeft aangebracht;
  3. dat de gedaagde inmiddels zowel de kleur van als de teksten op de verpakking van haar product heeft gewijzigd;

Overwegende, dat de eiseres terecht stelt dat zowel de handelsnaam (Pedigree Petfoods) als de teksten die zij op de verpakking van haar vogelzaad heeft aangebracht door het recht (wet en verdragen) beschermd worden, waarop de gedaagde geen inbreuk mag maken en hoewel de gedaagde zowel de verpakking als de. teksten daarop heeft veranderd, heeft de eiseres er belang bij dat haar vorderingen worden toegewezen omdat anders haar vrees dat de gedaagde tot het onrechtmatig gebruik van de naam en de teksten opnieuw zou kunnen overgaan, bewaarheid zou kunnen worden;

Overwegende, dat Wij dan ook als na te melden recht zullen doen met veroordeling van de gedaagde,. als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten,

RECHTDOENDE:

I. Verbieden de gedaagde om bij het ten verkoop en distrubutie aan het publiek in Suriname aanbieden van vogelvoedsel onder het merk ”VAM” of enig ander merk in welke verpakking dan ook, zonder toestemming of instemming van eiseres op die ver pakking aan te geven, dat voormeld vogelvoedsel van ”Pedigree Petfoods” afkomstig is, of de indruk daartoe wekken op die verpakking, dat terzake van voormeld vogelvoedsel door hem ten verkoop en distributie aangeboden onder het merk ”VAM”, door ”Pedigree Petfoods” enige garantie is afgegeven;

II. Bevelen de gedaagde om zorg te dragen, dat door haar aan andere personen of instellingen ter verdere verkoop en distributie geleverd of ter beschikking gesteld vogelvoedsel onder het merk ”VAM”, waarbij dat vogelvoedsel is voorzien van de naam ”Pedigree Petfoods”, dan wel is voorzien van een garantie als zijnde afkomstig van ”Pedigree Petfoods” niet verder of langer wordt verkocht en gedistribueerd en zulke verkoop en distributie wordt gestaakt;

III. Verbieden de gedaagde om op de verpakking van door haar ten verkoop en distributie aangeboden of aan te bieden vogelvoedsel onder het merk ”VAM”of enig ander merk, teksten te vermelden, welke geheel of nagenoeg geheel, dan wel in overwegende mate of substantieel gelijkluidend of gelijksoortig zijn aan die,– welke eiseres heeft geplaatst op verpakkingen van vogelvoedsel, hetwelk door haar ten verkoop en distributie wordt aangeboden onder het merk ”Trill”, in het bijzonder de navolgende teksten:

a. THE COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD.
Trill is the ideal food for your budgie, because it’s a completely balanced diet of highest quality seeds, all thoroughly cleaned to ensure your budgie gets maximum food, minimum waste. Trill is carefully blended to ensure your budgie gets all the vital proteins, minerals and vitamins its needs; including the essential ’Sunshine’ vitamin D. The Sunshine Grains in Trill also include vital iodine and calcium to ensure strong bones, c1aws, beaks and feathers. Plus protein and vegetable oil for a healthy look.No wonder Trill makes budgies bounce with health! EVERYTHING YOUR BUDGIE NEEDS FOR PER F ECT HEALTH.

b. MAKES BUDGIES BOUNCE WITH HEALTH BECAUSE TRILL IS A COMPLETE, BALANCED BUDGIE FOOD. TRILL HAS SUNSHINE GRAINS WITH VITAL IODINE AND CALCIUM.
Guarantee:
Trill is made from quality ingredients and manufactured to the highest standards. If this products fails to give complete satisfaction, p lease return the part of the packaging bearing the date of manufacture with details of complaint, stating (in block capitals please) your name and full address and where and when purchased to the consumer service Department, Pedigree Petfoods, Freepost, Melton Mowbray, Leics., LEI3 OBR. In the Republic of Ireland return to Masterfoods,7/8 Hartcourt Street Dublin 2,Your Statutory rights are not affected,

c. Pedigree Petfoods, Shrewsbury Avenue, Peter-borough,PE2 OBY, Trill is a complete pet food for budgerigars,Feeding Instructions:As well as his daily diet of Trill, your budgie should have fresh water every day. Remove empty husks trom the top of his seed tray. Don’t forget to provide cuttle-fish,grit and sand.
Ingredients :
Cereals, minerals,derivatives of vegetable origin, milk and milk derivatives, oils and fats, I-lysine hydroch1oride .
Vitamin A/kg 2000 I.U.
Vitamin D3/kg 400 I.U.
Vitamin content guaranteed for 12 months from the date of manufacture shown on the top of the carton.
Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordelen gedaagde om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van f.50.000,– (VIJFTIGDUIZEND GULDEN), voor iedere keer dat de gedaagde voormelde verboden en bevel overtreedt.

Wijzen af het meer of anders gevorderde.

Veroordelen gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.159,75 (EENHONDERD NEGEN EN VIJFTIG 75/100 GULDEN).

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van MAANDAG 28 JUNI 1993, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr. S. GANGARAM-PANDAY, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,

A. CHARAN, BSc.

SRU-K1-1984-1

A.R.NO. 847654
19 november 1984.
TV.

RECKITT & COLMAN (OVERSEAS) LIMITED, vennootschap-rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, gevestigd te Hull, Yorkshire, Engeland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,
eiseres in Kort Geding,

tegen

H.J.DE VRIES N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant no.92-96, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.W.P.Siwpersad, advokaat,
gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Overwegende ten aanzien van de feiten:
Eiseres heeft bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden gevorderd:
dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoer-baar bij voorraad en op de minuut:

I. gedaagde zal worden verboden om (pharmaceutische) preparaten voor antiseptics desinfectants en germiciden, alsmede zepen, inclusief toiletzeep, medicinale en ontsmettende zepen en kiemdodende en insecten verdelgende middelen, althans soortgelijke waren, in Suriname in het (handels)verkeer te brengen, te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of aflevering in voorraad te hebben, onder het handelsmerk ”DESSOL” en zal worden bevolen die of soortgelijke handelingen onmiddelllijk te staken, eventueel totdat over de rechtmatigheid van die handelingen zijdens gedaagde uiteindelijk door de Rechter is beslist en eventueel onder door de Rechter te stellen voorwaarden;

II. gedaagde zal worden verboden om reinigings- en/of poetsmiddelen, althans soortgelijke waren, in Suriname in het (handels)verkeer te brengen, (aan het publiek) te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of levering (aan het publiek) in voorraad te hebben, onder het merk ”WINDOLINE” en zal worden bevolen die of soortgelijke handelin- gen onmiddellijk te staken, eventueel totdat omtrent de rechtmatigheid van voormelde handelingen zijdens gedaagde door de Rechter uiteindelijk is beslist en/of eventueel onder door de Rechter te stellen voorwaarden;

III. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres voor elke keer of elke dag, dat zij de sub I en II te geven verboden en/of bevelen overtreedt, ten titel van dwangsom zal betalen het bedrag van ƒ. 5.000,– (VIJF DUIZEND GULDEN); Kosten rechtens. Te dienende dage is eiseres vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr..F.Kruisland, ter terechtzitting verschenen, terwijl advokaat Mr.W.P.Siwperaad zich als gemachtigde van de gedaagde heeft gesteld, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig het inleidend rekest heeft geconcludeerd. De gemachtigde van gedaagde heeft hierna een schriftelijke conclusie van antwoord overgelegd. De gemachtigden van partijen hebben vervolgens middels schriftelijke conclusien over en weer gerepliceerd en gedupliceerd waar-bij zij tevens producties hebben overgelegd (gemachtigde van eiseres 1 fles dettol en 1 fles dessol en de gemachtigde van gedaagde 1 fles windoline). De gemachtigde van eiseres heeft hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating over de overgelegde producties genomen en daarbij het navolgende gezegd:,, voorzover zij bekend, heeft eiseres dit jaar haar product ”windoline” niet geïmporteerd en ook niet in de handel gebracht”.De inhoud van het een en ander wordt als hier ingelast beschouwd. Wij hadden hierna aanvankelijk vonnis bepaald op maandag 12 november 1984 doch nader op heden.

Overwegende ten aanzien van het recht:
Het spoedeisend belang van eiseres bij de onderhavige vordering blijkt uit de stellingen van het inleidend rekest, zijnde zulks door gedaagde overigens niet betwist.
Ten processe is als niet betwist
rechtens tussen partijen komen vast te staan

  1. dat eiseres eigenares is en houdster van het handelsmerk ”DETTOL”, welke zij zowel in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland als in Suriname als eerste heeft gebruikt en nog gebruikt ter onderscheiding van haar waren, met name pharmaceutische preparaten voor antiseptics, germiciden en desinfectants, kiemdodende en insecten verdelgende middelen, sanitaire bestanddelen, toiletzeep, medicinale en ontsmettende zepen, zuiveringsmiddelen en schoonmaakpreparaten, zulks blijkens gedane inschrijvingen van voormeld handelmerk zowel in Groot-Britannië als in Suriname in de daartoe wettelijk aangewezen openbare registers;
  2. dat eiseres voorts eigenares is en houdster van het handelsmerk ”WINDOLENE”, welke zij zowel in het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland als in Suriname als eerste heeft gebruikt en nog gebruikt ter onderscheiding van haar waren.met name reinigings-en poetsmiddelen, zulks eveneens blijkens gedane inshrijvingen van voormeld handelsmerk in de daartoe wettelijk aangewezen openbare registers zowel in Groot-Brittannië als in Suriname;
  3. dat op grond van het bepaalde in artikel 2 van de wet, houdende bepalingen omtrent de fabrieks- en handelsmerken, eiseres mitsdien gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de sub 1 en 2 bedoelde handelsmerken:
  4. dat eiseres voorts tot voormeld uitsluitend gebruik in Suriname gerechtigd is op grond van artikel 2 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de Industriële Eigendom (Tractatenblad voor het Koninkrijk der Nederlanden, jg. 1970 no.187), aangezien zowel het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland als Suriname deelnemer aan voormeld verdrag is en uit hoofde van voormeld verdragsartikel de nationalen van de deelnemers, zoals eiseres van het Verenigd Koninkrijk is, dezelfde bescherming genieten in het land van een andere deelnemer, zoals Suriname, indien zij, gelijk eiseres, hun handelsmerk in dat land gebruiken.Gebleken is, dat gedaagde in Suriname pharmaceutische preparaten voor antiseptics en desinfectants, althans soortgelijke waren als hierboven sub 1 vermeld, in het verkeer brengt en/of verkoopt en die waren aan het publiek in Suriname levert, althans ter aflevering en verkoop in voorraad heeft, onder het merk ”DESSOL”. Eiseres stelt, dat voormelde handeling van gedaagde een nabootsing is van, althans een soortgelijk merk is als ”DETTOL”, tot het gebruik van welk merk eiseres bij uitsluiting van ieder ander gerechtigd is; dat de merken ”DETTOL” en ”DESSOL” in hoofdzaak gelijk zijn, althans dat ”DESSOL” een nabootsing is van eiseresses merk ”DETTOL”, welke zij lang vóór gedaagde in Suriname gebruikte ter onderscheidingding van naar waren, gelijksoortig aan die welke door gedaagde wordt gebruikt; dat zulks op grond van artikel 10 van de Wet, houdende bepalingen ontrent de fabriek- en handelsmerken (G.B.1946 no.73) tegenover eiseres onrechtmatig is; dat zulks immers ook volgt uit artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs, ter bescherming van de Industriële eigendom, zijnde Suriname ook deelnemer aan dat Verdrag dat ingevolge voormelde Verdragsbepaling het gebruik namelijk van een handelsmerk, dat een reproductie of nabootsing is, welke verwarring kan wekken, onrechtmatig is.Gedaagde heeft zich tegen voormelde stellingen van eiseres verweerd, door ondermeer te stellen, dat artikel 10 van de Wet Fabrieks- en Handelsmerken hier niet van toepassing is; dat ”DESSOL” een afkorting is van de woorden ,,desinfectant” en „solution”; dat geen sprake kan zijn van verwarring met het product van eiseres, op grond van de duidelijke verschillen tussen de beiden producten, zoals opgesomd in de conclusie van antwoord.Gedaagde heeft evenwel toegegeven, dat in auditief opzicht wellicht van enige overeenstemming sprake kan zijn, echter leidt zulks niet tot de conclusie, dat er in casu sprake is van overeenstemming en wel in dien mate, dat gebruik van het woord ”DESSOL” verwarring als door eiseres stelt, sticht, althans daartoe kan leiden. Tenslotte heeft gedaagde gesteld, dat de waren die door eiseres onder de naam ”DETTOL” in Suriname op de markt gebruikt worden, sedert enige tijd niet meer mogen worden geïmporteerd, aangezien het beleid van de Surinaamse Overheid erop gericht is om import van producten die lokaal geproduceerd kunnen worden, stop te zetten. Dit laatste verweer van gedaagde is door eiseres, gestaafd met onbetwiste bescheiden, ontzenuwd, Naar Ons voorlopig oordeel ziet gedaagde over het hoofd, dat het in casu in hoofdsaak gaat om een merk, dat geheel of in hoofdzaak overeenstemt met het merk van een ander, in casu van eiseres.Naar Ons voorlopig oordeel vertonen beide merken zowel naar opschrift als auditief zodanige overeenstemming, dat sprake is van nabootsing en mitsdien verwarringstichtend.Het feit, dat de vorm van de flessen en van de etiketten daarop en van de kleur der vloeistoffen van de producten van partijen lichtelijke verschillen met elkaar vertonen, doet hieraan niets af, evenmin doet hieraan iets af het feit, dat het merk ”DETTOL” in zwarte letters op een wit achtergrond en ”DESSOL” in witte letters op een zwart achtergrond op de flessen gedrukt staat; tenslotte doet evenmin hieraan iets af het feit, dat op de fles van eiseres een zwaard voorkomt en op die van gedaagde een rood kruis.

Op grond van het voorgaande dient de gevraagde voorziening ten aanzien van het merk ”DESSOL” te worden toegewezen onder de navolgende voorwaarde.

Met betrekking tot de door gedaagde in Suriname in de handel gebracht wordende reinigings- en poetsmiddelen, althans soortgelijke waren onder het merk ”WINDOLINE” welke naar eiseres beweert eveneens jegens haar onrechtmatig zou zijn, ten opzichte van het door haar -eiseres- voor haar reinigings- en poetsmiddelen gebruikte merk ”WINDOLENE”, zijn Wij van oordeel, dat nu eiseres heeft doen zeggen, dat zij in dit jaar haar product (WINDOLENE”) niet geimporteerd heeft en ook niet in de handel heeft gebracht, zij mitsdien geen belang heeft bij haar vordering ten aanzien hiervan en haar vordering ten deze dan ook zal worden geweigerd.

RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

I. Weigeren de door eiseres gevraagde voorzieningen met betrekking tot het door gedaagde gebruikte merk ”WINDOLINE”.

II. Verbieden gedaagde om pharmaceutische preparaten voor antiseptics, desinfectants en gemiciden alsmede zepen, inclusief toilet zeep, medicinale en ontsmettende zepen en kiemdodende en insecten verdelgende middelen, althans soortgelijke waren in Suriname in het handelsverkeer te brengen, te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of aflevering in voorraad te hebben, onder het handelsmerk

III. Bevelen gedaagde deze of soortgelijke handelingen binnen ZES MAANDEN na heden te staken, onder voorwaarde, dat eiseres binnen EEN MAAND na heden een vordering bij de gewone Rechter indient, opdat over de rechtmatigheid van de handelingen van gedaagde door die Rechter uiteindelijk zal kunnen worden beslist.

IV. Veroordelen gedaagde om aan eiseres voor elke dag, dat zij na ZES MAANDEN na heden het aub II hierboven gegeven verbod overtreedt, ten titel van dwangsom te betalen het bedrag van ƒ. 1.500,– (EENDUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN).

Verklaren dit vonnis tot zover vermeld aub II tot en met IV uitvoerbaar bij voorraad.
Veroordelen gedaagde in de helft van de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen, deze helft tot aan deze uitspraak begroot op f. 25,50 (vijf en twintig 50/100 gulden) Wijzen af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van MAANDAG 19 NOVEMBER 1984, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, Mr.R.E.Th.OOSTERLING, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier, E.M.RANCHOR.

w.g.E.M.Ranchor. w.g.R.E.TH.Oosterling.

Partijen, eiseres in Kort Geding vertegenwoordigd door haar gemachtigde en de gedaagde in Kort Geding door Mr.C.Calor namens haar gemachtigde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-1997-4

Kantonrechter Eerste Kanton
2 oktober 1997, A.R. 972406
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiseres], wonende aan [adres 1], [land], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. P.E. Bemmel en Mr. S. Mangroelal, advokaten, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. B.A. Halfhide, advokaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. zal worden geschorst in zijn werking c.q. zal worden opgeschort de tussen partijen gesloten huurovereenkomst d.d. 4 november 1995 betreffende het woonhuis aan [adres 2] te [district]; en gedaagde zal worden veroordeeld:
b. aan eiseres bij wijze van voorschot zal worden betaald de achterstallige huurpenningen tot en met mei 1997, bedragende Nƒ 5.100,– (VIJFDUIZEND EENHONDERD GULDEN NEDERLANDS COURANT);
c. het litigieuze woonhuis aan [adres 2] te [district] te ontruimen binnen een (1) week na het te wijzen vonnis, althans binnen een door Ons in goede justitie te bepalen termijn met machtiging van eiseres, zo ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advokaten Mr. S. Mangroelal en Mr. B. Halfhide ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres overeenkomstig vermeld verzoekschrift voor eis heeft geconcludeerd.
Overwegende dat de gemachtigde van partijen ter terechtzitting van 19 augustus 1997 hun standpunten mondeling hebben toegelicht gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der daaraan ten grondslag gelegde feiten, meer in het bijzonder uit het in het 6e “dat” van het verzoekschrift gestelde, blijkt;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemotiveerd betwist, gevoegd bij de door eiseres in het geding gebrachte producties, tussen partijen, voorzover ten deze van belang, vaststaat, dat eiser per 1 januari 1996 aan gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiseres alstoen heeft gehuurd het erf met daaropstaand gebouw gelegen te [district] aan [adres 2] met inboedel, aan partijen zonder nadere omschrijving volledig bekend, zulks voor de duur van een jaar en voor de prijs van Nƒ 300,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen; dat eiseres bij de gewone rechter tegen gedaagde heeft aangelegd een vordering tot onder meer ontbinding der ten rekeste gestelde huurovereenkomst en ontruiming op grond van wanprestatie, hierin bestaande dat gedaagde de verschuldigde huurpenningen ten bedrage van Nƒ 300,– per maand, niet heeft betaald en ten tijde van het instellen van de onderhavige vordering een achterstand had van Nƒ 5.100,–;

Overwegende, dat eiseres in het onderhavige proces vordert schorsing c.q. opschorting der ten rekeste gestelde huurovereenkomst, veroordeling van gedaagde bij wijze van voorschot aan haar te betalen de achterstallige huurpenningen tot en met mei 1997, ten bedrage van Nƒ 5.100,– en veroordeling van gedaagde tot ontruiming van het hem verhuurde binnen 1 (een) week na dagtekening van het vonnis althans binnen een door Ons in goede justitie te bepalen termijn, e.e.a. op grond van door gedaagde jegens haar, eiseres, gepleegde wanprestatie, bestaande in het nalaten de verschuldigde huurpenningen te betalen als gevolg waarvan een achterstand daarin is ontstaan die tot en met mei 1997 heeft bedragen Nƒ 5100,–;

Overwegende, dat gedaagde bij wege van verweer heeft aangevoerd dat eiseres in haar tegen gedaagde in de bodemprocedure ingestelde vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst niet ontvankelijk verklaard zal worden en dat Wij, daarop anticiperend, de van Ons (onder a van het petitum) verlangde voorziening dienen te weigeren, omdat de Huurbeschermingswet 1949 aan artikel 1287 BW derogeert en dat als gevolg daarvan eiseres het recht in de bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen op grond van wanprestatie mitsdien niet toekomt;

Overwegende, dat eiseres, voormelde zienswijze van gedaagde betwistend, van oordeel is dat zij wel het recht heeft ontbinding der huurovereenkomst te vorderen, kunnende het immers, aldus eiseres, nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de verhuurder geen beroep zou mogen doen op wanprestatie, door de huurder gepleegd, en op grond daarvan in rechte ontbinding van de huurovereenkomst vorderen; dat de Huurbeschermingswet 1949 niet derogeert aan artikel 1287 BW;

Overwegende, dat, naar uit hun stellingen terzake valt af te leiden, partijen in wezen aan Ons hebben voorgelegd de vraag of de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingswet 1949 aan artikel 1287 BW al dan niet derogeren;

Overwegende, dat de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingwet 1949 het einde van de huurovereenkomst van een woning uitsluitend in het geval deze huurovereenkomst een einde door opzegging neemt, regelen;

Overwegende, dat, was het nog tot voor kort zo dat Wij, evenals gedaagde, de mening waren toegedaan dat de Huurbeschermingswet 1949 aan artikel 1287 BW derogeert, thans oordelen Wij dat die mening Ons niet juist voorkomt en door Ons wordt verlaten, komende het Ons immers voor, dat de in de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingswet 1949 neergelegde regeling met betrekking tot de beëindiging van de huurovereenkomst van een woning op zichzelf niet uitsluit ontbinding van die overeenkomst op grond van de algemene bepalingen met betrekking tot de ontbinding van wederkerige overeenkomsten te vorderen;

Overwegende immers, dat de wetgever met de woorden: “wordt voor het eindigen van de huur ener woning een opzegging als bedoeld in artikel 1592 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek altijd vereist” (artikel 1) niet bedoeld heeft dat opzegging het enige middel is waardoor aan een huurovereenkomst een einde kan komen;

Overwegende, dat Wij het dan ook het met eiseres eens zijn, dat de artikelen 1, 2 en 3 van de Huurbeschermingswet 1949, niet derogeren aan artikel 1287 BW en dat ook een overeenkomst van huur en verhuur van een woning in de zin van artikel 9 lid 2 van de Huurbeschermingswet 1949 ontbonden kan worden op grond van wanprestatie langs de weg van artikel 1287 BW;

Overwegende, dat gedaagde Ons het verzoek gedaan heeft de huur in redelijkheid vast te stellen nu hij van de Distrikts Commissaris van Paramaribo, aan wie hij om taxatie van de huur heeft verzocht de beslissing terzake (nog) niet heeft ontvangen omdat de taxatiecommissie niet bemensd is en niet functioneert;

Overwegende, dat gedaagdes verzoek, dat, naar Ons voorkomt, gebaseerd is op artikel 7 van de Huurbeschermingswet l949, niet kan worden ingewilligd omdat de bevoegdheid om de voorwaarden naar billijkheid te wijzigen, naar Ons voorlopig oordeel, bij uitsluiting voorbehouden is aan de gewone rechter en niet aan de Kantonrechter in kort geding;

Overwegende, dat gemelde wettelijke bepaling blijkens de Memorie van Toelichting, naar het Ons eveneens voorkomt, bovendien geschreven is in het belang van de verhuurder en niet in het belang van de huurder zodat, ook al zouden Wij bevoegd zijn de voorwaarden naar billijkheid te wijzigen, Wij het door gedaagde, in casu de huurder, gedaan verzoek om vaststelling van de huur op een, aldus dat verzoek opvattend, lager bedrag dan oorspronkelijk overeengekomen, niet zouden kunnen inwilligen;

Overwegende, dat, naar tussen partijen rechtens vaststaat, gedaagde tot en met mei 1997 een achterstand in de betaling van de verschuldigde huurpenningen had van Nƒ 5.100,-, neerkomend op een periode van (Nƒ 5.100,–: Nƒ 300,– is) 19 maanden;

Overwegende, dat in casu sprake is van wanprestatie zijdens gedaagde welke wanprestatie Wij dermate ernstig achten dat van eiseres als verhuurster in redelijk niet verwacht zou mogen worden de ten rekeste gestelde huurovereenkomst langer gestand te doen en nu de gewone rechter naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid eiseres haar vordering strekkende tot onder meer ontbinding der huurovereenkomst, ontruiming door gedaagde en betaling van de niet betaalde huurpenningen zijdens gedaagde zal toewijzen, zullen Wij de van Ons verlangde voorzieningen verlenen als in het dictum van dit vonnis te melden, onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in Kort Geding:
A. Schorten op de tussen partijen gesloten huurovereenkomst de dato 4 november 1995;

Veroordelen gedaagde tot:
B. ontruiming binnen een maand na dagtekening van deze uitspraak van het woonhuis staande op het erf dat gelegen is te [district] aan [adres 2] en het, na medeneming van alle zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen, ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen; met machtiging op eiseres om, indien gedaagden weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan desnoods met behulp van de Sterke Arm;
C. betaling aan eiseres bij wijze van voorschot van het bedrag van Nƒ 5.100,-;

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;
Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eiseres zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 3.791,– (Drie Duizend Zevenhonderd een en negentig gulden)
Weigeren het meer of anders gevorderde.

 

 

“Voor rechterlijke uitspraken geldt dat alleen de in authentieke, aan partijen betekende uitspraken formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden en kunnen op redactionele punten afwijken.”