SRU-K1-2010-7

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. 10-2851
2 december 2010
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. Jennifer V. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

De Anton de Kom Universiteit van Suriname, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken.

l.Het verloop van het geding
1.1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 9 juli 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties bevattende tevens de vermindering, wijziging en aanvulling van de eis;
– de conclusie van dupliek;
– bij rolbeschikking is een comparitie van partijen gelast;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen waarbij door de kantonrechter een schikkingsvoorstel is gedaan;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser;
– het proces-verbaal van de voortzetting van de comparitie van partijen;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Eiser is hoogleraar aan de Faculteit der Maatschappij Wetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname en fungeert als richtingscoördinator van de [studierichting].

2.2. Ten vervolge op een persoonlijk onderhoud dat het Dagelijks Bestuur van gedaagde op 22 juni 2010 met eiser heeft gehad heeft het Bestuur van gedaagde bij brief d.d. 22 juni 2010, die op 23 juni 2010 door eiser is ontvangen, het navolgende onder de aandacht van hem gebracht:

  1. U heeft als werknemer van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS) schriftelijk de workshops Sustainable Project Management, Strategisch Verandermanagement, Strategic Information Management 1, Strategic Information Management 2, Integrale Kwaliteitszorg en Advies Vaardigheden aangeboden aan de samenleving zonder medeweten en toestemming van de leiding van de faculteit c.q. universiteit hetgeen tegen alle regels is;
  2. U heeft door gebruik te maken van een model briefhoofd van de AdeKUs ten onrechte kenbaar gemaakt dat het gaat om een activiteit van de AdeKUS;
  3. U heeft potentiële participanten van onder punt 1 genoemde workshops een bankrekening voor storting van gelden doorgegeven, dat niet op naam staat van de AdeKUS, maar een privérekening blijkt te zijn, ten name van [naam 1] en anderen.

2.3. Op grond van voormelde feiten heeft het Bestuur van gedaagde de conclusie getrokken dat eiser niet conform de door het Bestuur vastgestelde en bekendgemaakte procedures heeft gehandeld en de handelingen c.q. het gedrag van eiser als een ernstige vorm van plichtsverzuim gekwalificeerd en hem op grond daarvan op non-actief gesteld teneinde hem in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk te verweren.

2.4. Eiser heeft zich bij brief d.d. 24 juni 2010 verweerd en geconcludeerd dat het besluit van gedaagde dient te worden teniet gedaan dan wel worden vernietigd, althans dat hij gehandhaafd blijft, althans hersteld wordt in alle functies, welke hij bij de Universiteit bekleedt.

2.5. Als reactie op het verweerschrift van eiser heeft gedaagde bij schrijven van 28 juni 2010 geconcludeerd dat eiser niet heeft kunnen aantonen niet onrechtmatig te hebben gehandeld en heeft hem op grond daarvan, ingaande 29 juni 2010, voor twee weken geschorst. Deze schorsing heeft plaatsgevonden met inhouding van loon.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1. Na wijziging en aanvulling van het petitum vordert eiser bij conclusie van repliek

dat:

  1. bij vonnis wordt gelast dat gedaagde binnen een uur na de uitspraak in haar personeelsadministratie en alle daarbij behorendende registers en documenten de aan eiser opgelegde non-actiefstelling, schorsing en inhouding van loon doorhaalt;
  2. gedaagde wordt veroordeeld om binnen een uur na de uitspraak hem het loon uit hoofde van alle functies die hij bij de Universiteit bekleedt uit te betalen.
  3. gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat geen gevolg wordt gegeven aan de veroordeling.

3.2. Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3. Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd de stelling dat gedaagde, met haar schuld daaraan, onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld waardoor hij schade lijdt.

3.4. Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van nun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Eiser heeft het spoedeisend belang van zijn vordering voldoende aannemelijk gemaakt. De kantonrechter deelt de mening van gedaagde niet dat er geen sprake meer is van een spoedeisend belang omdat de non-actiefstelling en de schorsing van eiser inmiddels zijn opgeheven. Eiser vordert behalve zijn loon over de twee weken waarin hij geschorst was ook dat alle tegen hem genomen sancties uit de administratie van gedaagde worden geschrapt. De kantonrechter verstaat uit de stellingen van eiser dat hij zich door de tegen hem getroffen maatregelen dusdanig voelt aangetast in zijn goede naam, eer en maatschappelijke reputatie dat hij een spoedeisend belang heeft bij het rechtzetten van de in zijn ogen onrechtmatige gang van zaken.

4.2. Verder heeft gedaagde tegen de vordering aangevoerd dat eiser geen belang meer heeft bij de punten 1 tot en met 4 van het oorspronkelijk petitum en dat de bij conclusie van repliek aangebrachte ”wijziging en aanvulling” niet mag worden geaccepteerd aangezien zulks niet bij conclusie van repliek doch bij incidentele conclusie had moeten worden gevorderd en bovendien deze ”wijziging en aanvulling” een vermeerdering van eis is, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 109 Rv.

De kantonrechter. constateert dat in de loop van dit proces zich een belangrijke wijziging heeft voor gedaan in die zin dat de aan eiser opgelegde non-actiefstelling en schorsing zijn uitgewerkt. Als gevolg daarvan heeft eiser geen belang meer bij de onderdelen 1 tot en met 4 van zijn oorspronkelijke vordering en heeft hij daarom terecht zijn vordering met die punten verminderd.

Door de gewijzigde omstandigheden acht de kantonrechter het geoorloofd dat de eis, met inachtneming van de nieuwe feitelijke situatie, wordt aangepast. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiser zulks gedaan en is er geen sprake van een ongeoorloofde verzwaring van de eis. Het oorspronkelijk petitum was gegrond op de stelling dat de non-actiefstelling en de schorsing onrechtmatig waren en het nieuwe petitum steunt op dezelfde grondslag. Bij conclusie van dupliek en bij de nadere conclusies heeft gedaagde alle gelegenheid gehad zich over de ”wijziging en aanvulling” uit te laten zodat ook niet gezegd kan worden dat zij in haar verdediging is geschaad.

Aan gedaagde kan worden toegegeven dat normaliter een wijziging of aanvulling van het petitum bij incidentele conclusie pleegt te worden gevraagd. Aangezien het in casu gaat om een kort geding is de kantonrechter echter vrij in het toepassen van processuele regels, mits uiteraard de belangen van de procespartijen niet worden geschaad en geen afbreuk wordt gedaan aan de regels van ”fair trial”. Hierboven is al vermeld dat gedaagde voldoende gelegenheid heeft gehad zich over het verzoek uit te laten, zowel voor wat betreft de formele als de materiële kant daarvan, en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt, zodat zij op generlei wijze in haar verdediging is geschaad. Op grond van het voren overwogene staat de kantonrechter de wijziging en aanvulling van het petitum toe.

4.3. Ingaande op de gronden die voor gedaagde aanleiding zijn geweest tot het treffen van maatregelen tegen eiser overweegt de kantonrechter dat gebleken is dat gedaagde op grond van de navolgende feiten en omstandigheden tot de non-actiefstellling en schorsing heeft besloten:
a. eiser heeft als privépersoon dan wel als werknemer van de AdeKUS enkele workshops georganiseerd;
b. zulks is geschied zonder medeweten en toestemming van de faculteit c.q. de universiteit;
c. hierbij is gebruik gemaakt van een model briefhoofd van de AdeKUS;
d. potentiële participanten aan de workshops dienden de vergoeding voor de deelname aan de workshops te storten op een privérekening.

4.4. Over deze punten oordelend komt de kantonrechter tot de conclusie dat uit de brief van 7 juni 2010, onder meer gericht aan de Voorzitter van de SBF, de heer Ing. O. DosRamos blijkt, dat de [studierichting] en niet eiser de trainingen zou organiseren. Dit blijkt uit de eerste zin (”De [studierichting] organiseert—”) alsmede uit het feit dat inlichtingen konden worden ingewonnen op het secretariaat van de genoemde studierichting en bij twee personen die als docent aan deze studierichting verbonden zijn, te weten mevrouw [naam 2] en de eiser. Bovendien heeft eiser deze brief ondertekend in zijn hoedanigheid van richtingscoördinator van de [studierichting].Op grond hiervan acht de kantonrechter het aanvaardbaar dat gebruik is gemaakt van het brievenhoofd van de [studierichting] van de Faculteit der Maatschappijwetenschappen van de AdeKUS.Het aan eiser gemaakt verwijt dat de door de cursisten te betalen vergoeding moest worden gestort op een privérekening acht de kantonrechter ongegrond in zover hiermee wordt gesuggereerd dat het om een privérekening van eiser gaat. Duidelijk is gebleken dat de rekening op naam van eiser en twee andere docenten van de [studierichting] stond en dat deze rekening door enkele docenten is geopend met als doel de door de studierichting verkregen middelen aan te wenden ter bekostiging van diverse kosten van de studierichting die niet uit de universiteitsbegroting zouden worden gedekt.Hoewel de rekening op naam van drie personen, waaronder eiser, staat kan zij naar het oordeel van de kantonrechter niet als een privérekening in de strikte zin van het woord worden aangemerkt.

4.5. Van de andere kant constateert de kantonrechter dat eiser niet geheel binnen de structuren van de faculteit c.q. universiteit heeft gehandeld. Hoe ver de vrijheid van de verschillende studierichtingen van de AdeKUS gaat met betrekking tot het organiseren van workshops e.d. en op welke wijze de financiën van de studierichtingen dienen te worden gestructureerd is niet volledig uit de verf gekomen en kan in kort geding ook niet verder worden uitgezocht, rnaar wat naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan is dat eiser gehouden was in elk geval het faculteitsbestuur te informeren. Met betrekking tot de in mei 2010 gehouden workshops heeft eiser het faculteitsbestuur vooraf op de hoogte gesteld van de te ontplooien activiteiten doch met betrekking tot de workshops die in de maanden juli en augustus zouden worden gehouden is dit niet gebeurd. Het argument dat zulks niet kon omdat de bestuursvergadering voor die periode toen nog niet had plaatsgevonden acht de kantonrechter ongegrond aangezien de mededeling van de geplande activiteiten schriftelijk had kunnen geschieden, hetgeen eiser in zijn hoedanigheid van richtingscoördinator van de [studierichting] heeft nagelaten.

4.6. Op grond van het onder 4.5. overwogene acht de kantonrechter het wel gerechtvaardigd dat gedaagde maatregelen tegen eiser treft doch aangezien de kantonrechter, met verwijzing naar de overwegingen in punt 4.4. van dit vonnis, van oordeel is dat er zijdens eiser geen sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim doch hoogstens van het niet in acht nemen van procedureregels, acht de kantonrechter de non-actiefstelling en de schorsing van eiser voor een periode van twee weken disproportioneel zwaar. Om tot deze conclusie te komen heeft de kantonrechter uitdrukkelijk laten meewegen dat eiser al 35 jaar aan de universiteit verbonden is zonder dat hem ooit een reprimande, berisping dan wel vermanende brief of mondelinge afkeurende mededeling is gedaan. Dit laatste heeft eiser gesteld en is door gedaagde in haar conclusies niet weersproken. Tijdens de comparitie van partijen heeft gedaagde wel naar voren gebracht dat zij in het verleden reeds signalen rond de persoon van eiser had ontvangen, doch gedaagde heeft direct toegegeven dat deze ”signalen” niet zijn onderzocht. Op grond hiervan beschouwt de kantonrechter de door gedaagde tijdens de comparitie van partijen gemaakte opmerking als niet relevant en gaat daar dan ook aan voorbij.

4.7. In onderdeel 1 van het gewijzigde petitum vordert eiser de doorhaling van de non-actiefstelling en de schorsing in de personeelsadministratie van gedaagde. Het gevorderde is vanwege het constitutieve karakter daarvan in kort geding niet toewijsbaar doch de kantonrechter acht zich wel bevoegd het petitum zo te lezen dat de schorsing van de besluiten van gedaagde wordt gevraagd en wel tot dat in een bodemprocedure uiteindelijk over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist.

4.8. Op basis van het voorlopig karakter van een uitspraak in kort geding zal onderdeel 2 van het gewijzigde petitum zo worden gelezen dat gevorderd wordt dat de uitbetaling aan eiser bij wege van voorschot geschied.

4.9. Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. De beslissing in kort geding

5.1. Schorst het besluit van gedaagde d.d. 22 juni 2010 tot op non-actiefstelling van eiser en het besluit van gedaagde d.d. 28 juni 2010 tot schorsing van eiser en wel tot dat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van die besluiten zal zijn beslist.

5.2. Veroordeelt gedaagde om binnen 3 (drie) weken na betekening van dit vonnis bij wege van voorschot aan eiser uit te betalen het gedurende de periode van schorsing ingehouden loon uit hoofde van alle functies die eiser binnen de universiteit bekleed.

5.3. Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,– (duizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat zij in gebreke blijft met de uitvoering van de sub 5.2. omschreven veroordeling, met dien verstande evenwel dat de totale dwangsom het bedrag van SRD 25.000,– (vijfentwintig duizend Surinaamse Dollar) niet mag overschrijden.

5.4. Verklaart het vonnis voor wat de onderdelen 5.2. en 5.3 betreft uitvoerbaar bij voorraad.

5.5. Verwijst gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 195,– (honderdvijfennegentig Surinaamse Dollar).

5.6. Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 2 december 2010, door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de substituut -griffier, mr. S.Tika.

EISER IN KORT GEDING IS BIJGESTAAN DOOR MR. VAN DIJK-SILOS, J.
EN GEDAAGDE IS NOCH IN PERSOON NOCH BIJ GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-HvJ-2004-3

Hof van Justitie
25 februari 2004
(Mrs. J.R. von Niesewand , R.G. Rodrigues, I.H.M.H. Rasoelbaks)

Beschikking inzake bezwaarschrift ex artikel 24 en 40 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelezen het bezwaarschrift ex artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering ingediend op 16 februari 2004 door de advocaat bij het Hof van Justitie, mr. G.R. Sewcharan, namens zijn klient, [naam 1], waarin het verzoek wordt gedaan om het bevel gegeven op grond van artikel 40 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, met onmiddellijke ingang op te heffen;

Gelet op ’s Hofs beschiking d.d. 19 februari 2004, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald op dinsdag 24 februari 2004 des voormiddags te 11.00 uur, waarbij tevens de oproeping van de verzoeker is bevolen:

Gehoord in Raadkamer, advocaat bij het Hof van Justitie mr. G.R. Sewcharan, namens de verzoeker:

Tevens gehoord in Raadkamer mr. S. Punwasi, waarnemend Procureur-generaal;

Gezien de overige zich in het proces-dossier bevindende bescheiden;

Overwegende, dat de raadsman van verzoeker een tweede bezwaarschrift ex artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering op 20 februari 2004 heeft ingediend waarin onder meer het verzoek is gedaan om te beslissen dat het de verdachte met onmiddellijke ingang toegestaan zal worden kennis te nemen van de processtukken c.q. de processen-verbaal van zijn verhoor en om het onderhavige verzoek gezamenlijk met het reeds ingediend bezwaarschrift ex artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering te behandelen.

Overwegende, dat het Hof voormeld verzoek tot gezamenlijk in behandeling neming van gemelde vorderingen heeft gehonoreerd;

Overwegende dat de raadsman in het kader van het verhoor in raadkamer gepersisteerd heeft bij zijn ingediende verzoekschriften c.q. bezwaarschriften, na die te hebben toegelicht zoals vervat in het proces verbaal van 24 februari 2004;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur-Generaal tijdens zijn verhoor, gevorderd heeft het gedaan verzoek af te wijzen op grond van feiten, door hem alstoen aangehaald, welke feiten in het proces-verbaal zijn gerelateerd; de inhoud daarvan wordt hier als ingelast aangemerkt;

Overwegende, dat het het Hof geheel ontgaat hoe het over zou kunnen gaan tot honorering van de gevraagde voorziening ex artikel artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering als verzoeker formeel (schriftelijk) nog geen mededeling heeft ontvangen van de weigerende instantie/autoriteit gelijk bedoeld in artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 22 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering; Hij zal derhalve terzake met een niet-ontvankelijkheid worden begroet, onverminderd de toezegging van de waarnemend Procureur-Generaal tot verstrekking van de processen-verbaal van verhoor van de verdachte aan de raadsman en de overige stukken als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafvordering;

Overwegende, dat het Hof zal overgaan tot opheffing van het bevel ex artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering gegeven door de Hoofdofficier van Justitie, mr. R. Baidjnath Panday, daar aan voormelde beschikking immers geen feiten en of omstandigheden aangehaald die bepaaldelijk “het belang van het onderzoek” zouden moeten adstrueren en dus de beslissing rechtvaardigen zoals artikel 40 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering met het woord ‘bepaaldelijk’ bedoelt. Bovendien blijkt uit het lichaam van de beschikking niet dat die gegeven is ingevolge artikel 40 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering;

Overwegende, dat het het Hof bij het verhoor in raadkamer overigens niet gebleken is van bepaalde feiten en of omstandigheden welke de beperking van vrij verkeer tussen de raadsman en de verdachte, kunnen rechtvaardigen;

Overwegende ten overvloede dat het Hof in eerder gegeven beschikkingen (inzake [naam 2] (16 mei 2003), [naam 3](16 mei 2003) en [naam 4] (29 december 2003) het Openbaar Ministerie bereids indicaties had gegeven over hoe het dacht over de gebezigde standaard motivering: “dat het belang van het onderzoek zich verzet tegen het vrije verkeer tussen de verdachte en de raadsman” hebbende toch het Openbaar Ministerie in kwestie nagelaten te handelen overeenkomstig die indicaties.

Gezien de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafvordering:

Beschikkende

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn ingediend bezwaarschrift ex artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering;

Heft op het bevel ex artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering gegeven door de Hoofdofficier van Justitie Mr. R Baidjnath Panday dd 13 februari 2004.

SRU-K1-2013-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 123557
6 juni 2013

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser]
wonende in het district [district 1],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[gedaagde sub A]
[gedaagde sub B],
beiden wonende te [district 2],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat.

De kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. De procesgang
1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
– Het verzoekschrift dat op 5 september 2012 met bijbehorende productie ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusies van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij overeenkomst dd. 28 maart 1991 verleden ten overstaan van notaris mr. J.R.S. Ashruf, heeft eiser van gedaagden gekocht, gelijk deze aan hem hebben verkocht het recht van grondhuur ter uitoefening van tuinbouw voor de duur van 40 jaren op het perceelland groot 0,3873 ha, gelegen in het [district 3] aan de [straat] deel uitmakende van het perceel bekend als [plaats] Serie [nummer] (hierna het perceel).

2.2 De koopsom bedraagt Sf 110.000,=. Op 28 maart 1991 heeft eiser een bedrag van Sf 50.000,=. Ingevolge de overeenkomst zal het saldobedrag ad Sf 60.000,= worden afgelost bij het verlijden van een notariële akte van transport.

2.3 Bij beschikking dd. 12 juli 2000 is door de minister van Natuurlijk Hulpbronnen toestemming verleend om het perceel binnen 1 jaar na dagtekening van de beschikking in grondhuur over te dragen aan [stichting]. De levering van het perceel is niet geschied binnen het genoemd jaar.

2.4 Bij beschikking dd. 13 juni 2012 is wederom toestemming verleend door de minister van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer voor overdracht van het perceel aan [stichting] en wel binnen 1 jaar na dagtekening van de beschikking.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis in kortgeding uitvoerbaar bij voorraad:
a. veroordeling van gedaagden, om onmiddellijk althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn het recht van grondhuur op het hierna te noemen perceel aan eiser, althans aan [stichting] te leveren, onder verbeurte van een dwangsom;
b. machtiging van eiser om dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van gedaagden, indien gedaagden in gebreke blijven om aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eiser stelt dat gedaagden weigeren om mee te werken aan de overdracht van het perceel, ondanks de verleende toestemming.

3.3 Gedaagden hebben de vordering weersproken.

De kantonrechter komt, voor zover van belang, daarop terug bij de beoordeling.

4. De beoordeling van het geschil

Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van eiser en het gevorderde.

4.2 Gedaagden voeren aan dat zij geen verplichting hebben jegens [stichting] om het perceel te leveren nu zij geen overeenkomst hebben met genoemde Stichting. Dit verweer gaat niet op.

Nu gedaagden het perceel verkocht hebben aan eiser, hebben zij de verplichting tot levering aan eiser. Aangezien eiser zelf aangeeft dat het perceel aan een derde, te weten [stichting], mag worden geleverd dienen gedaagden conform de wil van eiser het perceel te leveren aan de genoemde Stichting, tenzij er sprake zou zijn van enig belang zijdens gedaagden om niet aan de wil van eiser te voldoen. Van enig belang terzake is echter gesteld noch gebleken.

Om dezelfde reden als hiervoor gaat de kantonrechter voorbij aan het verweer van gedaagden dat zij nooit hebben meegewerkt aan een overdrachtsverzoek c.q. toestemming hebben verleend aan de notaris om toestemming te vragen voor overdracht van het grondhuurrecht van het perceel aan de [stichting], en dat de toestemming die verleend is ten gunste van de Stichting niet valide is. Evenmin is het van belang of eiser al dan niet bestuurslid is van de Stichting.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is er dan ook geen enkele reden om eiser te verplichten om het verzoekschrift uit 1991, gericht aan de minister tezamen met het verzoekschrift van notaris mr. C.A. Calor dd. 9 januari 2012 N-1927 over te leggen, zoals door gedaagden gevraagd.

De vordering van eiser tot veroordeling van gedaagden om over te gaan tot levering van het recht van grondhuur op het perceel aan [stichting] is dan ook toewijsbaar als na te melden.

4.3 Eiser, zal zoals door hem gevorderd, ook worden gemachtigd om dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van gedaagden, indien zij in gebreke blijven om aan het vonnis te voldoen. Gelet hierop is een dwangmiddel in de vorm van een dwangsom overbodig om gedaagden te dwingen te voldoen aan het vonnis. De gevorderde dwangsom zal derhalve worden geweigerd.

4.4 Bij conclusie van dupliek hebben gedaagden ook aangevoerd dat in de koopovereenkomst is opgenomen dat [naam] is opgetreden als mondeling gevolgmachtigde van verzoeker [eiser]. Daarnaast is in de akte volgens gedaagden “vreemd” genoeg opgenomen dat de volmachtgever heeft gehandeld krachtens akte van volmacht getekend ten overstaan van notaris Claude H. de Ouderaen te Leuven op 6 augustus 1990, dus als schriftelijk gemachtigde. Zij, gedaagden, bestrijden dat er sprake is van een akte van volmacht teneinde over te gaan tot koop van enig zakelijk recht. Zij menen dat er sprake is van tegenstrijdigheid in de overeenkomst.

Behalve dat gedaagden dit verweer te laat hebben gevoerd, te weten pas bij conclusie van dupliek, waardoor eiser niet heeft kunnen reageren hierop vraagt de kantonrechter zich af welk belang van gedaagden door het voorgaande is geschaad.

4.5 Ook het verweer van gedaagden dat zij pas gehouden zijn tot levering indien de koopsom voldaan zou zijn, is te laat gevoerd waardoor eiser niet heeft kunnen reageren hierop. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat eiser onwillig is om de koopsom te voldoen.

4.6 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Veroordeelt gedaagden om binnen 1×24 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van het recht van grondhuur op het perceel aan [stichting].

5.2 Machtigt eiser om dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van gedaagden, indien gedaagden in gebreke blijven om aan het vonnis te voldoen.

5.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 120,= (eenhonderd en twintig Surinaamse Dollar).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van donderdag 6 juni 2013 door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. S. Tika w.g I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-HvJ-2004-2

Hof van Justitie
05 oktober 2004
(mrs. E.S. Ombre, K. Pultoo, A.A. Hermelijn)

Beschikking inzake bezwaarschrift ex artikel 40 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering
Gelezen het bezwaarschrift ex artikel 40 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend op 30 september 2004 door de advocaat bij het Hof van Justitie, I.D. Kanhai,Bsc. namens de klagers, [naam 1] en [naam 2], waarin het verzoek wordt gedaan om de beschikkingen van de vervolgingsambtenaar d.d. 28 september 2004, houdende beperking van het vrije verkeer tussen de klagers en hun raadsman te willen opheffen en zulks met onmiddellijke ingang;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 1 oktober 2004, waarbij de behandeling van het bezwaarschrift is bepaald voor maandag, 4 oktober 2004, alsmede op ’s Hofs beschikking dd 4 oktober 2004, waarbij, in verband met de wijziging van de samenstelling van de kamer, de behandeling is bepaald op 5 oktober 2004 des voormiddags te 9.00 uur;

Gehoord de raadsman van klagers, I.D. Kanhai, Bsc., advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord in Raadkamer, Mr. S. Punwasi, waarnemend Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden, waaronder een beschikking van de vervolgingsambtenaar d.d. 1 oktober 2004 tot wijziging van hogervermelde beschikkingen van 27 september 2004 (in het bezwaarschrift wordt als datum van de beschikkingen kennelijk abusievelijk genoemd: 28 september 2004);

Overwegende, dat de raadsman van de klagers in het kader van het verhoor in Raadkamer gepersisteerd heeft bij zijn ingediend bezwaarschrift, na die te hebben toegelicht, zoals vervat in het proces-verbaal van 5 oktober 2004;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur-Generaal tijdens zijn verhoor, gevorderd heeft, het gedane verzoek af te wijzen;

Overwegende, dat de vervolgingsambtenaar bij beschikkingen van 1 oktober 2004, de beschikkingen van 27 september 2004 heeft gewijzigd in dier voege, dat al hetgeen in laatstvermelde beschikkingen staat tussen de zinsnede ”Dat mr. I.D. Kanhai zich als advocaat heeft aangemeld voor voornoemde verdachte” en het woord ”Beveelt” wordt vervangen door het navolgende:

Dat de verdachte [naam 3] die ingesloten is terzake het gepleegd hebben van strafbare feiten tezamen en in vereniging met [naam 4] e.a. op 16 september 2004 bij proces-verbaal gehoord is geworden door de Onder Inspekteur van Politie en daarbij onder meer heeft verklaard:

– dat zij op 10 september 2004 bezoek kreeg van mr. Kanhai, die niet haar raadsman is en dat hij haar vroeg wat zij tot nu toe had verklaard bij de politie tegen [naam 5];
– dat hij haar te kennen gaf, dat zij geen enkele politieambtenaar moest vertrouwen en dat zij niets meer hoeft te verklaren;
– dat haar twee raadslieden te weten mr. Brandon en mr. Kraag naar het buitenland waren vertrokken, hetgeen bezijdens de waarheid was;
– dat hij haar probeerde te spreken, toen zij zich in de cel bevond op het kabinet van de Rechter-Commissaris, doch dat zulks werd belemmerd door de aldaar dienstdoende ambtenaar van politie;

Overwegende, dat uit het bovenstaande een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen de raadsman mr. I. Kanhai en de verdachten [naam 1] en [naam 2] wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren.
Dat deze omstandigheden aanleiding geven tot het beperken van het vrije verkeer tussen voornoemde raadsman en de verdachten [naam 1] en [naam 2] op grond van artikel 40 lid 2 Wetboek van Strafvordering

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat een dergelijke wijziging niet op de wet berust, derhalve rechtsgevolg ontbeert en dat, wat elk der klagers betreft, te zijner beoordeling staan de ten aanzien van elk hunner gegeven beschikking van 27 september 2004;

Overwegende, dat de onder A tot en met C van die beschikkingen genoemde omstandigheden, te weten, kort gezegd: aard, omvang en complexiteit van het strafrechtelijk onderzoek in verband met het grensoverschrijdend karakter van de gepleegde feiten, het betrokken zijn van zowel nationale- als buitenlandse opsporingsinstanties bij voormeld onderzoek, de aard en omvang van het onderzoek en de fase waarin het verkeert, niet concreet genoeg en noch op zich noch in samenhang met elkaar van dien aard zijn dat daaruit een ernstig vermoeden kan worden geput dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachten [naam 1] en [naam 2], hetzij zal strekken om de verdachten bekend te maken met de omstandigheden, waarvan zij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moeten blijven, hetzij worden misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren;

Overwegende, dat in de beschikkingen van 27 september 2004 tevens als reden voor de beperking van het verkeer tussen de verdachte [naam 1] en [naam 2]en hun raadsman is genoemd dat tevens is gebleken dat de raadsman zich heeft gesteld voor meerdere als verdachte aangemerkte personen, hetgeen tevens bewijsvertroebeling kan bevorderen.

Overwegende, dat de raadsman Kanhai heeft medegedeeld zich, behalve voor de verdachten [naam 1] en [naam 2] ook als raadsman te hebben gesteld voor [naam 4] en [naam 6]; voorts, dat [naam 7], [naam 8] en [naam 9] worden verdacht van het tezamen en in vereniging plegen van feiten omschreven en strafbaar gesteld in de Wet E 57 (tegengaan smokkelen) en de wet Economische delicten, alsmede, wat [naam 8] en [naam 7] betreft, tevens de Vuurwapenwet, terwijl [naam 7] tevens wordt verdacht van overtreding van de Wet Verdovende Middelen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat een behoorlijke taakuitoefening van de raadsman met zich brengt dat de raadsman in de fase dat (nog) niet van een tegenstrijdig belang van de verdachten sprake is, verdachten over en weer op de hoogte zal houden van de stand van het onderzoek in hun zaak, daaronder de begrepen de stand van ieders verklaringen;

Overwegende, dat derhalve de omstandigheid dat de raadsman voor vier verdachten in dezelfde zaak optreedt, het ernstig vermoeden wettigt dat het vrije verkeer tussen de raadsman en de verdachten [naam 1] en [naam 2] zal strekken om deze verdachten bekend te maken met enige omstandigheden waarvan zij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven;

Overwegende, dat het Hof het verzoek dan ook zal weigeren;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Beschikkende:

Weigert het verzoek.

SRU-K1-2006-6

A.R. NO.063765
17 oktober 2006
S.P.

A. [eiser sub A], wonende aan [adres 1] te [district 1];

B. 1. [eiser sub Bl], wonende te [adres 2] in het [district 2];

2. [eiser sub B2], wonende aan [adres 2] in het [district 2], voor wie allen als gemachtigde optreedt, mr. S. Marica, advocaat;
eisers in kort geding,

tegen

FERNANDES BAKKERIJ N. V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Kernkampweg nr. 84, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat;
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat eisers bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. De schorsing, althans opschorting te gelasten van de werking van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR nr.: 063122, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft
  2. Gedaagde te verbieden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR nr.: 063122 te excecuteren, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft beslist;
  3. Gedaagde te gelasten om aan elk der eisers te betalen hun loon met bij behorende emolumenten vanaf 14 juli 2006, tot ultimo augustus 2006 zijnde deze voor eiseres sub A SRD. l .129,42 (DUIZEND HONDERD EN NEGEN EN TWINTIG EN 42/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B1 het bedrag SRD. 1.894,94 (DUIZEND ACHTHONDERD EN VIER EN NEGENTIG EN 94/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B2 het bedrag SRD. 2.148,16 (TWEE DUIZEND HONDERD EN ACHT EN VEERTIG EN 16/100 SURINAAMSE DOLLAR) en voorst iedere maand totdat op rechtsgeldige wijze de arbeidsovereenkomst tussen de gedaagde als werkgever en elk der eisers als werknemers zal zijn beëindigd;
  4. Gedaagde te gelasten aan elk der eisers te betalen ten titel van dwangsom het bedrag groot SRD. 1.000,00 (DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elke dag of keer, dat de gedaagde in strijd handelt met het in sub 2 hierboven veroordeelde.

Subsidiair:

  1. De schorsing, althans opschorting te gelasten van de werking van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR nr.: 063122, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft beslist;
  2. Gedaagde te verbieden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste kanton d.d. 12 september 2006, in de zaak bekend onder AR. Nr.: 063122 te excecuteren, totdat in het bodem geschil de rechter uiteindelijk en definitief heeft beslist;
  3. Gedaagde te gelasten om aan elk der eisers te betalen hun loon met bij behorende emolumenten vanaf 14 juli 2006, tot en ultimo augustus 2006 zijnde deze voor eiseres sub A SRD. 1.129,42 (DUIZEND HONDERD EN NEGEN EN TWINTIG EN 42/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B1 het bedrag SRD. 1.894,94 (DUIZEND ACHTHONDERD EN VIER EN NEGENTIG EN 94/100 SURINAAMSE DOLLAR); voor eiser sub B2 het bedrag SRD. 2.148,16 (TWEE DUIZEND HONDERD EN ACHT EN VEERTIG EN 16/100 SURINAAMSE DOLLAR), vermeerderd met 10% wettelijke rente voor elk der eisers en voorst iedere maand totdat op rechtsgeldigde wijze de arbeidsovereenkomst tussen de gedaagde als werkgever en elk der eisers als werknemers zal zijn beëindigd;
  4. Gedaagde te gelasten elk der eisers binnen één (l) uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis althans de betekening daarvan, althans een door de Kantonrechter te bepalen termijn in de gelegenheid te stellen hun werkzaamheden te verrichten en zich te onthouden van elke handeling, welke elk der eisers zulks zou beletten of zulks zou verstoren of zulks zou belemmeren;
  5. Gedaagde te gelasten aan elk der eisers te betalen ten titel van dwangsom het bedrag groot SRD. 1.000,00 (DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elke dag of keer, dat de gedaagde in strijd handelt met het sub 2 hierboven veroordeelde;
  6. Gedaagde te gelasten aan elk der eisers te betalen ten titel van dwangsom het bedrag groot SRD. 3.000,00 (DRIE DUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) voor elke dag of keer, dat de gedaagde in strijd handelt met het sub 4 hierboven veroordeelde. Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten, mr. S. Marica en mr. F. Kruisland ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eisers van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben gepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakte en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen de eisers en gedaagde als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie als gedaagden in conventie en drie anderen in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/3122 in kort geding vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt:

In conventie:

  • Schorst de hierboven onder 2.14.1 vermelde beschikkingen totdat de rechter in een bodemgeschil definitief zal hebben beslist omtrent de rechtsgeldigheid en/of rechtskracht van die beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de dienstbetrekkingen met de sub 5 van het inleidend rekest vermelde personen door eiseres althans omtrent de beëindiging van die dienstbetrekkingen op 13 juli en/of 14 juli 2006;
  • Verbied de gedaagden sub B l tot en met sub B 6, elk alleen of afzonderlijk, om, totdat de rechter in een bodemprocedure definitief heeft beslist omtrent de rechtsgeldigheid van de door eiseres gedane opzegging van de dienstbetrekking op 13 juli – of 14 juli 2006, althans voordat die dienstbetrekking is beëindigd, de bedrijfsterreinen van de eiseres te betreden en beveelt hen om zich te onthouden van elke gedraging, welke storing kan veroorzaken in het produktieproces en/of distributieproces van eiseres. Veroordeelt ieder der gedaagden om ten titel van dwangsom aan de eiseres te betalen de som van SRD 1000,- voor elke keer dat hij of zij het tegen hem of haar gegeven verbod en/of aan hem of haar gegeven bevel niet nakomt;Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD…..

In reconventie:
A. Weigert de primair onder a, c en d alsmede de subsidiair onder a, c en d gevorderde voorzieningen;

B. Veroordeelt de gedaagde om aan eiser sub B1 tot en met B6 te betalen de volgende geldbedragen, vermeerderd met de daarbij behorende emolumenten te weten:

  1. de eiseres sub B1 de som van SRD 413,64 + SRD 10,50;
  2. de eiseres sub B2 de som van SRD 425,12 + SRD 10,50;
  3. de eiseres sub B 3 de som van SRD 292,26 + SRD 10,50;
  4. de eiser sub B4 de som van SRD 579,32 + SRD 10,50;
  5. de eiser sub B5 de som van SRD 674,28 + SRD 10,50;
  6. de eiser sub B6 de som van SRD 330,49 + SRD 10,50;

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld sub B uitvoerbaar bij voorraad;
Veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Fernandes Bakkerij N.V. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD;
Compenseert de proceskosten tussen Fernandes Bakkerij N.V. en [naam] en anderen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Overwegende, dat eisers naar als onweersproken vaststaat tussen partijen, tegen voormeld vonnis op 13 september 2006 appèl hebben aangetekend;

Overwegende, dat Wij, naar aanleiding van het telkens zijdens de eiser zowel primair als subsidiair onder l en 2 van het petitum gevorderde opmerken, dat, voorzover een constitutieve beslissing een definitief karakter draagt, of door de wet alleen aan de gewone rechter is opgedragen (hetgeen al geldt bij maatregelen van tijdelijke aard, als surséance van betaling), de bevoegdheid, ontbreekt hieromtrent in kort geding te beslissen. Slechts dan mag in kort geding een constitutieve beslissing worden genomen wanneer dringende noodzaak noopt tot een voorlopige schorsing der bestaande rechtsbetrekking; dit toch is te zien als een voorziening bij voorraad (vide Meyers, Kort Geding, nr. 40, 2e druk, nr. 42);

Overwegende, dat nu, naar Ons gebleken is, zich in casu niet voordoet een geval als in het hiervoren overwogene aangehaald, dient te worden geweigerd hetgeen gevorderd is telkens in onderdeel I van zowel het primair als het subsidiair gevorderde;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot zowel het primair als het subsidiair gevorderde telkens onder 2 van het petitum opmerken, dat, nu de eisers gesteld noch doen blijken hebben dat zij tegen gedaagde een bodemgeschil hebben aangelegd en wat zij in dat bodemgeschil tegen gedaagde vorderen en zij dientengevolge in zoverre niet aan hun stelplicht hebben voldaan, zijnde immers geen sprake van een correlatie tussen het fundamentum petendi en het petitum, dient het gevorderde onder 2 van zowel het primair als het subsidiair gevorderde te worden geweigerd;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde in het petitum onder 3 van zowel het primair als het subsidiair gedeelte daarvan, opmerken, dat, nu het geven aan de telkens gevraagde voorzieningen lijnrecht zou ingaan tegen de beslissingen, gegeven in conventie onder de nummers I en II van het dictum van het vonnis de dato 12 september 2006 en neerkomen zou op het ineffectief doen zijn van die beslissingen waartoe Wij als Kantonrechter niet bevoegd zijn, nu door het vonnis van 12 september 2006 het geding in eerste aanleg geëindigd is en het vervolgens aan het Hof als beroepsinstantie is om omtrent één en ander te oordelen en te beslissen, zullen Wij de ter zake gevraagde voorzieningen weigeren;

Overwegende, dat Wij, wat het subsidiair gevorderde in onderdeel 4 van het petitum betreft, opmerken, dat, nu toewijzing daarvan afsluit op het zojuist overwogene, wij dat gevorderde eveneens zullen weigeren;

Overwegende, dat Wij eisers als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zullen laten dragen;

RECHTDOENDE IN KORTGEDING:
Weigeren de gevraagde voorzieningen;
Verwijzen eisers in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil.

Aldus gewezen door mr. J.R. Von Niesewand, Kantonrechter-Plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag 17 oktober 2006 door, mr. H.E. Struiken, Kantonrechter in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier, mr. L. van Bosse.

SRU-K1-2006-5

A.R. NO 063714
S.P.
17 oktober 2006

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Arbeid, Technologische ontwikkeling en Milieu, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Tuideman, advocaat;eiser in kort geding, tegen

De naamloze vennootschap FERNANDES BAKKERIJ N.V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aan de Kernkampweg nr. 84, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat;gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:
– de staking te gelasten van de werking van het vonnis d.d. 12 september 2006, A.R. no. 063122, totdat in bodemgeschil definitief zal zijn beslist omtrent de rechtsgeldigheid en/of de rechtskracht van die beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de dienstbetrekkingen met de sub 5 van het inleidend rekest vermelde personen door eiser, althans omtrent de beëindiging van die dienstbetrekking op 13 juli en/of 14 juli 2006 alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 20.000,- (twintigduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat de gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven;

Subsidiair
– de gedaagde te veroordelen enige verdere executiemaatregelen te treffen gebaseerd op het vonnis d.d. 12 september 2006 totdat in bodemgeschil definitief zal zijn beslist omtrent de rechtgeldigheid en/of de rechtskracht van die beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de dienstbetrekkingen met de sub 5 van het inleidend rekest vermelde personen, althans omtrent de beëindiging van die dienstbetrekkingen op 13 juli en/of 14 juli 2006, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 20.000,- (twintigduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat de gedaagde nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven. Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten, mr. F.F.P. Truideman en mr. F. Kruisland ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser van eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord onder overlegging van producties heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 9 oktober 2006 doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, en tussen partijen mitsdien vaststaat, tussen de eiser als één der gedaagden in conventie en één der eisers in reconventie op 12 september 2006 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 06/3122, vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken is waarvan het dictum luidt:

In conventie:

  • Schorst de hierboven onder 2.141. vermelde beschikkingen totdat de rechter in een bodemgeschil definitief zal hebben beslist omtrent de rechtsgeldigheid en/of rechtskracht van die beschikkingen en/of de rechtmatigheid van de opzeggingen van de dienstbetrekkingen met de sub 5 van het inleidend rekest vermelde personen door eiseres, althans omtrent de beëindiging van die dienstbetrekkingen op 13 juli – en/of 14 juli 2006;
  • Verbied de gedaagden sub BI tot en met B6, elk alleen of afzonderlijk om, totdat de rechter in een bodemprocedure definitief heeft beslist omtrent de rechtsgeldigheid van de door eiseres gedane opzegging van de dienstbetrekking op 13 juli- of 14 juli 2006, althans voordat die dienstbetrekking is beëindigd, de bedrijfsterreinen van de eiseres te betreden en beveelt hen om zich te onthouden van elke gedraging, welke storing kan veroorzaken in het productieproces en/of distributieproces van eiseres;

Veroordeelt ieder der gedaagden om ten titel van dwangsom van SRD 1000,- voor elke keer dat hij of zij het tegen hem of haar gegeven verbod en/of aan hem of haar gegeven bevel niet nakomt;

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.

In reconventie:

  • Weigert de primair onder a,c en de alsmede de subsidiair onder a, c en d gevorderde voorzieningen;
  • Veroordeelt de gedaagde om aan eiser sub B1 tot en met B6 te betalen de volgende geldbedragen, vermeerderd met de daarbij behorende emolumenten te weten:
  1. de eiseres sub B1 de som van SRD 413,64 + SRD 10,50;
  2. de eiseres sub B2 de som van SRD 425,12 + SRD 10,50;
  3. de eiseres sub B 3 de som van SRD 292,26 + SRD 10,50;
  4. de eiser sub B4 de som van SRD 579,32 + SRD 10,50;
  5. de eiser sub B5 de som van SRD 674,28 + SRD 10,50;
  6. de eiseres sub B6 de som van SRD 330,49 + SRD l 0,50;

Verklaart dit vonnis tot zover vermeld sub B uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Fernandes Bakkerij N.V. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD;

Compenseert de proceskosten tussen Fernandes Bakkerij N.V. en Aboikonie en anderen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Overwegende, dat de beschikkingen onder s.14.4 zijn die van:

De Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu, namens deze,

Het Hoofd der Arbeidsinspektie, namens deze,

(handtekening)

Drs. R.S. Resida,

(Direkteur van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu);

Overwegende, dat, naar voorts uit het procesdossier blijkt en tussen partijen eveneens vaststaat eiser tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in kort geding op 14 september 2006 appel heeft aangetekend;

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat door voormeld vonnis van de Kantonrechter in kort geding het rechtsgeding in de instantie waarin dat vonnis is gewezen en uitgesproken is geëindigd;

Overwegende, dat het hoger beroep, door de eiser aangewend tegen voormeld vonnis, niet alleen dient om onjuistheden of verzuimen bij de behandeling en de uitspraak in eerste aanleg te verbeteren. Het heeft ten doel een nieuwe behandeling van het geding, voorzover dit voor de hogere rechter is gebracht, om hem in staat te stellen zelfstandig te oordelen;

Overwegende, dat het hoger beroep door de eiser aangetekend bij schrijven de dato 14 september 2006, door de verklaring in dat schrijven vervat ingevolge artikel 270 lid l Rv. een aanvang heeft genomen;

Overwegende, dat door het hoger beroep het Hof als hogere rechter de grieven, tegen het beroepen vonnis ontwikkeld en behoorlijk te zijner kennis gebracht, te beoordelen krijgt;

Overwegende, dat naar blijkt, eiser in het verzoekschrift de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven aan Ons als Kantonrechter in kort geding ter beoordeling en beslissing heeft voorgelegd, wat Ons naar luid van artikel 34 van de Wet van 17 mei 1935, houdende vaststelling van een reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse rechterlijke macht, laatstelijk gewijzigd bij SB 1994 no. 17, niet juist voorkomt;

Overwegende, dat Wij naar aanleiding van het primair gevorderde vooraf opmerken

dat voorzover een constitutieve beslissing een definitief karakter draagt, of door de wet alleen aan de gewone rechter is opgedragen (surséance van betaling) ontbreekt de bevoegdheid hieromtrent in kort geding te beslissen. Slechts dan mag in kort geding een constitutieve beslissing worden genomen, wanneer dringende noodzaak noopt tot een voorlopige schorsing van een schriftelijk besluit van een administratief orgaan, gericht op enig rechtsgevolg, zoals in casu, wat, naar ons voorlopig oordeel, te zien is als een voorziening bij voorraad;

Overwegende, voorts, dat, terwijl het condemnatoire en het declaratoire vonnis reeds kracht hebben zodra zij zijn uitgesproken, dus nog voor zij in kracht van gewijsde zijn gegaan, is het constitutieve vonnis, dat niet zozeer een recht van een der partijen erkent, als wel een bestaande rechtsverhouding door een nieuwe vervangt eerst effectief – dat wil zeggen de nieuwe rechtsverhouding wordt eerst geschapen wanneer dat vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen-daartegen dus geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat;

Overwegende, dat nu, naar tussen partijen vaststaat, eiser tegen het vonnis van de Kantonrechter in kort geding de dato 12 september 2006 op 14 september 2006 heeft geappelleerd dat vonnis alsgevolg daarvan zijn werking niet heeft verkregen, wat het geven van de primair gevraagde voorziening in de weg staat;

Overwegende, dat nu de eiser gesteld noch doen blijken heeft dat gedaagde bereids een aanvang gemaakt heeft met de executie van het vonnis de dato 12 september 2006 en zij -gedaagde – doende is haar – de executie – voort te zetten en hij – eiser – dientengevolge niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, rest Ons niets anders dan de subsidiair gevraagde voorziening tevens te weigeren;

Overwegende, dat Wij de eiser akte van rectificatie verlenend in die zin dat gelezen wordt in het subsidiair gevorderde ”verbieden” instede van ”veroordelen”, nu gedaagde, wat voormelde rectificatie betreft, niet in haar verdediging is geschaad, en mitsdien beslissen zullen als in het dictum te melden;Overwegende, dat Wij de eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces, zullen laten dragen;

RECHTDOENDE IN KORTGEDING:
Verlenen de eiser akte van rectificatie als verzocht;
Weigeren zowel de primair als de subsidiair gevraagde voorziening;
Verwijzen de eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD nihil.

Aldus gewezen door mr. J.R. Von Niesewand, Kantonrechter-Plaatsvervanger, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag 17 oktober 2006 door mr. H.E. Struiken, Kantonrechter in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier, mr. L.van Bossé.

EISER IN KORT GEDING IS NOCH IN PERSOON NOCH BIJ GEMACHTIGDE BIJ DE UITSPRAAK TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN DE GEDAAGDE IS BIJGESTAAN DOOR ZIJN GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-1997-3

Kantonrechter Eerste Kanton
29 mei 1997, A.R. 971079
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E. Naarendorp, advocaat, eiser in Kort Geding,

tegen

a. [gedaagde sub a] weduwe van [naam]

b. [gedaagde sub b]

c. [gedaagde sub c]

d. [gedaagde sub d]

e. [gedaagde sub e]

f. [gedaagde sub f]

g. [gedaagde sub g]

h. [gedaagde sub h]

i. [gedaagde sub i]

j. [gedaagde sub j], allen wonende te [adres 2], gedaagden in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord eiser;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren en dagen:

Eiser toestemming zal worden verleend c.q. zal worden gemachtigd zelf de juridische levering van ”het perceelland, met de daaropstaande gebouwen, groot driehonderd en tien, driehonderd vijfentachtig/duizendste vierkante meters, gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor d.d. 25 maart 1954 met de letters ABCD en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d. 3 oktober 1953 met het no. 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3] bekend als wijk [nummer 1]. ”middels het doen overschrijven van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 5 december 1995 A.R. NO. 87/4350 in de daarvoor bestemde openbare registers.

Overwegende, dat te dienende dage, eiser vertegenwoordigd door advocaat mr. J.R. Bouterse namens zijn gemachtigde, advocaat mr. E. Naarendorp ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hen verstek is verleend, waarna de gemachtigde van eiser alvorens voor eis te concluderen, akte van rectificatie van de naam van gedaagde heeft gevraagd luidende [naam variant gedaagde sub f] in plaats van [gedaagde sub f] en akte van rectificatie van het petitum luidende: instede van ”bekend als Wijk [nummer] moet worden gelezen ”Wijk [nummer aangepast], waarna advocaat mr. J.R. Bouterse namens de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat de eiser op aan zijn vordering ten grondslag gelegde als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen gronden heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle uren en dagen, hem – eiser – toestemming te verlenen c.q. te machtigen zelf de juridische levering van ”het perceelland, met de daarop staande gebouwen, groot 310, 385 m², gelegen te Paramaribo, aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato 25 maart 1954 met de letters ABCD en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3] bekend als wijk [nummer], middels het doen overschrijven van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 december 1995, (A.R. No. 87/4350) in de daarvoor bestemde openbare registers te bewerkstelligen;

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat de Wet deze mogelijkheid tot vervanging niet noemt, doch zij verbiedt die ook niet, terwijl Wij in de artikelen 382 K en 1201 BW een analoge toepassing van deze vervangingsmogelijkheid gelegen achten;

Overwegende, dat door de eiser is overgelegd een op tegenspraak gewezen vonnis van 5 december 1995 (A.R. no. 87/4350), tussen partijen gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waarbij gedaagden op grond van een tussen partijen gesloten koopovereenkomst, met betrekking tot het litigieuze perceelland veroordeeld zijn binnen 1 (een) maand na de betekening van dit vonnis ten overstaan van notaris mr. C.A. Calor, mede te werken aan de juridische overdracht van dat perceelland tegen betaling van de som van Sf. 28.000,–;

Overwegende, dat de onderhavige vordering tot machtiging van de eiser om, zoals Wij die opvatten, bij gebreke van de wilsverklaring van gedaagden deze in de transportakte te doen vervangen door dat vonnis van 5 december 1995, met bepaling dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor de eigendom van het onderwerpelijk perceelland op de eiser zal overgaan, mitsdien toewijsbaar is als in het dictum te melden;

Overwegende immers, dat de gewone rechter, naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, eisers vordering ook zou toewijzen;

Overwegende, dat eisers vordering Ons in zoverre noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt;

Rechtdoende in kort geding
Machtigen de eiser om, indien gedaagden in gebreke mochten blijven te verschijnen ten kantore van notaris mr. C.A. Calor voor het transport van het perceelland, met de daaropstaande gebouwen, groot 310,385 m², gelegen te Paramaribo aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato 25 maart 1954 met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato 3 oktober 1953 met het nummer 53, welk perceel deel uitmaakt van het erf gelegen te [district] aan [adres 3] bekend als wijk [nummer], of verschenen zijnde mochten weigeren aan bedoeld transport mede te werken, een en ander overeenkomstig het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 5 december 1995 tussen partijen gewezen, dit vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring van gedaagden;

Bepalen, dat de aldus opgemaakte transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers kan worden overgeschreven en daardoor de eigendom van genoemd perceelland op de eiser zal overgaan;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Weigeren het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2010-6

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 10-3184
2december 2010
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
wonende te [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. Jennifer V. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

De Anton de Kom Universiteit van Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,gedaagde in kort geding, gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uitgesproken.

1.Het verloop van het geding
1.1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/handelingen:
– het verzoekschrift dat op 3 augustus 2010 met producties is ingediend ter griffie;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek;
– bij rolbeschikking is een comparitie van partijen gelast;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen waarbij de ten processe overgelegde DVD’s zijn bekeken en beluisterd;
– de conclusie tot uitlating zijdens eiser;
– de conclusie tot uitlating zijdens gedaagde.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Eiser is hoogleraar aan de Faculteit der Maatschappij Wetenschappen van de Anton de Kom Universiteit van Suriname en fungeert als richtingscoördinator van de studierichting Bedrijfskunde.

2.2. In verband met een conflict dat is ontstaan naar aanleiding van workshops die gehouden zouden worden heeft gedaagde eiser bij brief van 22 juni 2010 op non-actief gesteld en hem de gelegenheid gegeven zich te verweren.

2.3. Nadat eiser zulks bij schrijven d.d. 24 juni 2010 had gedaan heeft gedaagde hem bij brief d.d. 28 juni 2010 voor een periode van twee weken geschorst, onder inhouding van zijn loon.

2.4. Voormeld conflict is in de publiciteit gekomen waarbij de STVS in het avondjournaal van 2 en 4 juli 2010 aandacht hieraan heeft besteed. Het Dagblad Suriname heeft in haar editie van 7 juli 2010 een artikel aan deze zaak gewijd. Op 7 juli 2010 heeft het bestuur van gedaagde een persbriefing gehouden die door verschillende radio- en tv-stations alsmede kranten is uitgezonden c.q. verslagen.

3. Het gevorderde en de grondslag daarvan

3.1. Eiser vordert dat gedaagde binnen een dag na de uitspraak op eigen kosten via alle schrijvende en beeldende persmedia en via radio Sky, radio Apintie en radio ABC het navolgende bericht bekend maakt of doet bekend maken:
” De Anton de Kom Universiteit Suriname, althans het Bestuur van de Anton de Kom Universiteit Suriname maakt hierbij uitdrukkelijk bekend dat alle eerdere berichten ter zake [eiser] door het Bestuur gedaan vanaf 22 juni 2010 tot op heden zeer krenkend, beledigend en lasterlijk zijn. Dat deze uitspraken [eiser] zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit ernstig hebben aangetast althans geschaad. Tevens zijn deze berichtmakingen onwaar dan wel onjuist. Dat de Anton de Kom Universiteit van Suriname deze ongerechtvaardigde en krenkende uitspraken bij monde van haar waarnemend voorzitter gedaan derhalve bij deze volledig intrekt en haar wel gemeende, behoorlijke, oprechte en gepaste verontschuldigingen bij deze uitdrukkelijk aan [eiser] aanbiedt. Met deze verklaring beoogt de Anton de Kom Universiteit, althans haar bestuur de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van [eiser] volledig te hebben hersteld”, zulks op verbeurte van een dwangsom van SRD 15.000,– voor elke dag dat gedaagde nalatig blijft om aan de veroordeling te voldoen.

3.2. Mede is gevorderd dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar wordt verklaard en dat gedaagde in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

3.3. Eiser heeft aan zijn vordering de stelling ten grondslag gelegd dat gedaagde door de aan zijn adres gedane uitspraken opzettelijk zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit heeft geschaad.

3.4. Op het verweer van gedaagde en op hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunten nog hebben aangevoerd zal, indien nodig, in het hierna volgende worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uit de aard van de stellingen van eiser en uit het door hem gevorderde blijkt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.

4.2. Gedaagde heeft als meest verstrekkend verweer tegen de vordering aangevoerd dat eiser niet aan zijn stelplicht heeft voldaan door in het inleidend rekest niet te vermelden dat gedaagde het oogmerk had om eiser te beledigen. De kantonrechter verwerpt dit verweer aangezien in het 16e sustenu van het verzoekschrift uitdrukkelijk is gesteld dat de uitlatingen zijn gedaan ”met het kennelijk doel” om de eer enz. enz. van eiser te schaden, welke formulering dezelfde betekenis heeft als ” met het oogmerk”.

4.3. Eiser heeft gesteld dat gedaagde uitlatingen aan zijn adres heeft gedaan via verscheidene persberichten en op de op 7 juli 2010 gehouden persbriefing. Gedaagde heeft betwist dat leden van haar Bestuur de media te woord hebben gestaan, zodat de gepubliceerde berichten, los van wat gezegd is tijdens de persbriefing, haar niet kunnen worden tegengeworpen. De procedure in kort geding leent zich er niet voor ter zake een onderzoek in stellen zodat de kantonrechter, rechtdoende in kort geding, vooralsnog uitsluitend zal toetsen wat op de persbriefing door de bestuursleden van gedaagde naar voren is gebracht.

4.4. Het beeld en het geluid van deze persbriefing zijn tijdens de comparitiezitting bekeken en beluisterd. In het 5e sustenu van zijn conclusie van repliek heeft eiser een aantal uitspraken geciteerd die als grondslag van de vordering dienen te worden aangemerkt en die door de kantonrechter op hun beledigend c.q. onrechtmatig karakter zullen worden getoetst. Het betreft de navolgende door het bestuur van gedaagde op de persbriefing van 7 juli 2010 gedane uitspraken:
– ” De professor heeft stiekem het universiteitslogo gebruikt…
– De professor heeft grote sommen geld afkomstig van projecten gestort op zijn privérekening…
– ….. dat de professor heeft aangegeven dit vaker te hebben gedaan.
– Dat de professor gelden van de universiteit heeft verduisterd”.

4.5. Alvorens over te gaan tot de toetsing van de gedane uitspraken constateert de kantonrechter dat gebleken is dat gedaagde op grond van de navolgende feiten en omstandigheden tot de non-actiefstellling en schorsing van eiser is overgegaan:

  • eiser heeft als privépersoon dan wel als werknemer van de AdeKUS enkele workshops georganiseerd;
  • zulks is geschied zonder medeweten en toestemming van de faculteit c.q. de universiteit;
  • hierbij is gebruik gemaakt van een model briefhoofd van de AdeKUS;
  • potentiële participanten aan de workshops dienden de vergoeding voor de deelname aan de workshops te storten op een privérekening.

4.6. Over deze punten oordelend komt de kantonrechter tot de conclusie dat uit de brief van 7 juni 2010, onder meer gericht aan de Voorzitter van de SBF, de heer Ing. O. Dos Ramos blijkt, dat de studierichting bedrijfskunde en niet eiser de trainingen zou organiseren. Dit blijkt uit de eerste zin (”De studierichting bedrijfskunde organiseert—“) alsmede uit het feit dat inlichtingen konden worden ingewonnen op het secretariaat van
de genoemde studierichting en bij twee personen die als docent aan deze studierichting verbonden zijn. te weten [naam] B. Sc. en de eiser. Bovendien heeft eiser deze brief ondertekend in zijn hoedanigheid van richtingscoördinator van de studierichting bedrijfskunde.

Op grond hiervan acht de kantonrechter het aanvaardbaar dat gebruik is gemaakt van het brievenhoofd van de studierichting bedrijfskunde van de Faculteit der Maatschappijwetenschappen van de AdeKUS.
Het aan eiser gemaakt verwijt dat door de cursisten te betalen vergoeding moest worden gestort op een privérekening acht de kantonrechter ongegrond in zover hiermee wordt gesuggereerd dat het om een privérekening van eiser gaat. Duidelijk is gebleken dat de rekening op naam van eiser en twee andere docenten van de studierichting bedrijfskunde stond en dat deze rekening door enkele docenten is geopend met als doel de door de studierichting verkregen middelen aan te wenden ter bekostiging van diverse kosten van de studierichting die niet uit de universiteitsbegroting zouden worden gedekt. Hoewel de rekening op naam van drie personen, waaronder eiser, staat kan het naar het oordeel van de kantonrechter niet als een privérekening in de strikte zin van het woord worden aangemerkt.

4.7. Van de andere kant constateert de kantonrechter dat eiser niet geheel binnen de structuren van de faculteit c.q. universiteit heeft gehandeld. Hoe ver de vrijheid van de verschillende studierichtingen van de AdeKUS gaat met betrekking tot het organiseren van workshops e.d. en op welke wijze de financiën van de studierichtingen dienen te worden gestructureerd is niet volledig uit de verf gekomen en kan in kort geding ook niet verder worden uitgezocht, rnaar wat naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan is dat eiser gehouden was in elk geval het faculteitsbestuur te informeren. Met betrekking tot de in mei 2010 gehouden workshops heeft eiser het faculteitsbestuur vooraf op de hoogte gesteld van de te ontplooien activiteiten doch met betrekking tot de workshops die in de maanden juli en augustus zouden worden gehouden is dit niet gebeurd. Het argument dat zulks niet kon omdat de bestuursvergadering voor die periode toen nog niet had plaatsgevonden acht de kantonrechter ongegrond aangezien de mededeling van de geplande activiteiten schriftelijk had kunnen geschieden, hetgeen eiser in zijn hoedanigheid van richtingscoördinator van de studierichting bedrijfskunde heeft nagelaten.

4.8. Op grond van het onder 4.7 overwogene acht de kantonrechter het wel gerechtvaardigd dat gedaagde maatregelen tegen eiser treft doch aangezien de kantonrechter, met verwijzing naar de overwegingen in punt 4.6. van dit vonnis, van oordeel is dat er zijdens eiser geen sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim doch hoogstens van het niet inachtnemen van procedureregels is de kantonrechter de mening toegedaan dat de aan het adres van eiser gedane uitspraken zwaar overtrokken zijn en eiser onterecht en onnodig in een kwaad daglicht stellen, aangezien de uitspraken in onderling verband en samenhang beschouwd de indruk wekken dat eiser oneerlijk bezig was en de instituten van de Universiteit heeft misbruikt ten behoeve van zijn persoonlijk voordeel. Op basis hiervan is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde opzettelijk eiser in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit heeft geschaad.

4.9. Om tot deze conclusie te komen heeft de kantonrechter uitdrukkelijk laten meewegen dat eiser al 35 jaar aan de universiteit verbonden is zonder dat hem ooit een reprimande, berisping dan wel vermanende brief of mondelinge afkeurende mededeling is gedaan. Dit laatste heeft eiser gesteld en is door gedaagde in haar conclusies niet weersproken. Tijdens de comparitie van partijen heeft gedaagde wel naar voren gebracht dat zij in het
verleden reeds signalen rond de persoon van eiser had ontvangen, doch gedaagde heeft direct toegegeven dat deze ”signalen” niet zijn onderzocht. Op grond hiervan beschouwt de kantonrechter de door gedaagde tijdens de comparitie van partijen gemaakte opmerking vanwege het suggestieve karakter daarvan als krenkend voor eiser.

4.10. Op grond van het voren overwogene zal de vordering worden toegewezen, zoals nader in het dictum is omschreven, onder veroordeling van gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing in kort geding

5.1. Veroordeelt gedaagde om binften 1 (een) week na betekening van dit vonnis op haar kosten via Apintie T.V., de STVS, Sky T.V, SCTV, radio Apintie, radio ABC, radio 10, De Ware Tijd en Times of Suriname het navolgende bericht te doen bekendmaken:

” De Anton de Kom Universiteit van Suriname maakt hierbij bekend dat de door het bestuur van de Universiteit op de persbriefing van 7 juli 2010 aan het adres van [eiser] gedane uitspraken krenkend, beledigend en lasterlijk zijn. Door deze uitspraken is [eiser] ernstig geschaad in zijn eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit. Tevens zijn de gedane uitspraken onwaar. De Anton de Kom Universiteit van Suriname trekt de ongerechtvaardigde en krenkende uitspraken, bij monde van haar waarnemend voorzitter gedaan, bij deze volledig in en biedt haar oprechte verontschuldigingen bij deze aan [eiser] aan. Met deze verklaring beoogt de Anton de Kom Universiteit van Suriname de eer, goede naam, maatschappelijke reputatie en persoonlijke integriteit van [eiser] volledig te hebben hersteld”.

5.2. Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat zij in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, met dien verstande evenwel dat de totale dwangsom het bedrag van SRD 250.000,– ( tweehonderdvijftigduizend Surinaamse Dollar) niet mag overschrijden.

5.3. Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Verwijst gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 195,– (honderdvijfennegentig Surinaamse Dollar).

5.5. Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus in kort geding gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton mr. R.G. Rodrigues, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzirting van donderdag 2 december 2010, door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton, in tegenwoordigheid van de substituut -griffier, mr. S.Tika.

EISER IN KORT GEDING IS BIJGESTAAN DOOR ZIJN GEMACHTIGDE BIJ DE UITSPRAAK ’TER TERECHTZITTING VERSCHENEN EN GEDAAGDE IS NOCH IN PERSOON NOCH BIJ GEMACHTIGDE VERSCHENEN.

SRU-K1-1985-2

Kantonrechter Eerste Kanton
16 oktober 1985, A.R. 857355
(Mr. J.R. von Niesewand)

De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V.

tegen

[gerekestreerde]

Gezien een verzoekschrift van de Naamloze Vennootschap De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, welk verzoekschrift ter Griffie van het Kantongerecht, in het Eerste Kanton is binnengekomen op 23 september 1985 en waarin De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V., verzoekt de tussen haar en de hierna te noemen gerekwestreerde bestaande arbeidsovereenkomst d.d. 8 oktober 1976 wegens gewichtige redenen met ingang van 1 oktober 1985 te ontbinden, althans ontbonden te verklaren;

Gehoord op 10 oktober 1985 in Raadkamer van het Kantongerecht in het Eerste Kanton:

1. Rekwestrante, bijgestaan door Mr. F. Kruisland, advokaat bij het Hof van Justitie;

2. Gerekwestreerde, bijgestaan door Mr. E.J. Bruma, advokaat bij het Hof van Justitie.

Overwegende, dat van het in Raadkamer verhandelde aantekeningen zijn gemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

Overwegende ten aanzien van het recht
Rekwestrante, de Naamloze Vennootschap vraagt dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en gerekwestreerde wordt ontbonden wegens gewichtige redenen.
Gerekwestreerde beroept zich er eerst op – aldus zijn betoog opvatend en uitleggend – dat rekwestrante in haar verzoek niet kan worden ontvangen, omdat zij – toen zij de arbeidsovereenkomst in geschil wilde beëindigen – gekozen heeft voor de toetsing van de ontslagredenen door het Hoofd der Arbeidsinspectie en zich nu bij diens – afwijzende naderhand door de Minister van Arbeid bevestigde – beslissing moet neerleggen, waarbij gerekwestreerde er vanuit gaat dat de werkgeefster, in casu rekwestrante, voor de beëindiging de reden van de beëindiging moet laten toetsen ofwel door genoemd Hoofd, ofwel door de Kantonrechter maar dat zij – rekwestrante – niet op de gemaakte keuze kan terugkomen als de beslissing van de toetsende instantie anders uitvalt dan zij wil;
dat betoog is – hoewel tussen partijen vaststaat dat het Hoofd der Arbeidsinspectie bij besluit naderhand door de Minister van Arbeid bevestigd niet heeft ingestemd met de opgegeven reden voor het beëindigen van de arbeidsverhouding in geschil, op grond waarvan de dienstbetrekking van rechtswege is blijven voortduren – onjuist, omdat het uitgaat van een verkeerd begrip van de manieren waarop een arbeidsovereenkomst eindigen kan, nu daarbij de wetgever uitgaan van – voor zover hier van belang – het eindigen van die overeenkomst door een beëindigingshandeling van een van de partijen, danwel door een andere omstandigheid;
is er een dergelijke handeling beoogd, dan kent de Wet in bepaalde gevallen een voorafgaande toetsing door het Hoofd der Arbeidsinspectie naast een beoordeling achteraf door de Rechter van de geldigheid van die handeling, waarbij weer in een aantal gevallen het ontbreken van de voorafgaande toetsing moet leiden tot het oordeel van de Rechter dat de beëindiging ongeldig was (en eveneens in bepaalde gevallen waarin de toetsing door genoemd Hoofd leidde tot het onthouden door hem van het vereiste besluit van geen bezwaar voor de beëindiging)
daarnaast staan de gevallen waarin de overeenkomst tot een einde komt zonder een dergelijke beëindiging door een partij en één daarvan is ontbinding door de Rechter op grond van gewichtige redenen, zoals rekwestrante die nu vraagt;
het is dus onjuist – zo gerekwestreerde meent – dat altijd een voorafgaande toetsing van de ontslagreden bij een voorgenomen beëindiging nodig zou zijn men kan ook direkt kiezen voor een verzoek aan de Rechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en het is ook onjuist dat de Rechter dan vooraf de ontslagreden zou toetsen, welke toetsing zou zijn uitgesloten als het Hoofd der Arbeidsinspectie al had getoetst;

het verweer van gerekwestreerde moet mitsdien worden verworpen;

Als gesteld en erkend, dan wel niet of niet voldoende weersproken staan ten processe vast:

  • dat gerekwestreerde per 1 oktober 1976 in dienst is getreden van rekwestrante tegen een salaris van f.300,– per maand en alstoen tewerk gesteld op de afdeling vrachtafhandeling van rekwestrante te Zorg en Hoop;
  • dat gerekwestreerde per 6 juni 1979 is benoemd tot afhandelingsemployé 2e kl., bij de stationsdienst te Zanderij zowel met betrekking tot vracht- als passagiersvervoer.
  • dat gerekwestreerde ’s inkomen f.885,– per maand bruto bedraagt;
  • dat gerekwestreerde gehuwd is en één kind heeft;
  • dat rekwestrante de dienstbetrekking met gerekwestreerde op 6 augustus 1985 wegens dringende redenen heeft opgezegd;
  • dat het Hoofd van de Arbeidsinspectie, wiens beslissing naderhand op dezelfde grond door de Minister van Arbeid werd bevestigd zich echter daarmede niet heeft kunnen verenigen op grond dat de maatregel van ontslag onevenredig aan het gepleegd feit is, zodat ingevolge artikel 3 van het Decreet Ontslagvergunning gedane opzegging geen rechtskracht had;

Rekwestrante heeft aan haar verzoek – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat:

  • gerekwestreerde in het kader van de uitoefening van zijn functie op of omstreeks 2 augustus 1985 bij het inchecken van een passagier, met name [naam 1], voor vlucht PY 753 naar Curaçao en Miami opzettelijk voormelde passagier doorgelaten met negentien kg overvracht, zonder die passagier voor die overvracht de vereiste betaling te laten doen.
    De bagage van voormelde passagier woog namelijk 39 kg., terwijl de passagier slechts recht had op gratis vervoer van 20 kg.
  • dat het uiteraard gerekwestreerde bekend was, dat zijn gedraging als voormeld in strijd was met de voor hem geldende dienstvoorschriften;
    dat bij het voorgaande moet worden opgemerkt, dat gerekwestreerde voormelde handeling pleegde, nadat één zijner collega’s reeds had geweigerd voormelde overvracht door te laten en hij, gerekwestreerde, daarmede bekend was, hetgeen destemeer wijst op het bewust overtreden van de terzake geldende voorschriften;
    dat rekwestrante voorts heeft gesteld, dat het ontvallen van de basis van vertrouwen aan de dienstbetrekking met gerekwestreerde behalve door eerder aangehaalde feiten, nog wordt gestaafd door het feit, dat gerekwestreerde zich eerder aan gedragingen heeft schuldig gemaakt, welke wijzen op een gebrek aan betrouwbaarheid, te weten: gerekwestreerde heeft namelijk op 19 september 1980 bewust 144 kg. overvracht geaccepteerd zonder de passagier daarvoor te laten betalen, waarvoor hem een ontevredenheidsbetuiging d.d. 19 december 1980 is uitgereikt.Voorts heeft gerekwestreerde op 5 juli 1982 ten onrechte bewust 3 (drie) kinderen die niet op de gefiatteerde passagierslijst voorkwamen als passagier alsnog ingeboekt, waardoor ”overloading” ontstond.Verder heeft gerekwestreerde bewust in strijd met de geldende dienstvoorschriften voor rekwestrante haar vlucht PY 745 van 14 april 1983 een passagier geaccepteerd met een ALM-ticket, terwijl naar hem bekend was, met de ALM alstoen geen interline agreement bestond en rekwestrante mitsdien de vervoerskosten niet op de ALM kon verhalen, waardoor rekwestrante schade heeft geleden.

    Tenslotte heeft gerekwestreerde, nadat hem uitdrukkelijk was meedegedeeld, dat in verband met de gegeven deviezenvoorschriften, hij van de deviezencommissie vergunning behoefde om een door hem ten behoeve van zijn zuster in het kader van de aan hem toebehorende aanspraak op gereduceerd tarief voor familieleden aangekochte ticket in Suriname te mogen betalen – het betrof namelijk een ticket Amsterdam-Paramaribo vice versa –, niettemin getracht om zonder voormelde vergunning zijn zuster op die ticket te doen vervoeren;

Gerekwestreerde heeft met betrekking tot het gebeurde op 2 augustus 1985 aangevoerd:

  • dat de heer [naam 1] alstoen bij een collega van hem had ingechecked die hem – gerekwestreerde – had verteld dat [naam1] f.40,– tekort kwam om zijn overvracht te kunnen bekostigen;
  • dat de Minister van Onderwijs en één zijner collega’s via Curaçao naar Miami reisden en drie stuks bagage hadden;
  • dat hij deze bagage heeft samengevoegd met die van de heer [naam 1];
  • dat hij weliswaar niet gehandeld heeft volgens de geldende dienstvoorschriften doch dat hij het gewicht moest verantwoorden tegenover gerekwestrante;

Gerekwestreerde ’s wederspraak komt Ons echter ongenoegzaam voor om de hem verweten gedraging weerlegd te achten, zodat Wij hetgeen zich op 2 augustus 1985 heeft voorgedaan zoals door rekwestrante weergegeven als tussen partijen rechtens vaststaand zullen aannemen.

Gerekwestreerde heeft voorts met betrekking tot het in sub 6 van het inleidend rekest gestelde aangevoerd:

ten aanzien van het op 19 september 1980 voorgevallene:

  • dat bij alstoen in opdracht van een meerdere had gehandeld;

ten aanzien van het op 5 juli 1982 voorgevallene:

  • dat hij de door gerekwestrante weergegeven toedracht van het gebeurde op 5 juli 1982 ontkent;

Gerekwestreerde heeft voorts aangevoerd, dat, ook al zouden de op 19 september 1980 en 5 juli 1982 gestelde feiten door hem zijn gepleegd, het rekwestrante na vijf respectievelijk drie jaar niet meer vrijstond zich in de onderhavige zaak op deze feiten te beroepen ingevolge het bepaalde in artikel 11 lid 6, alinea 2 van de tussen partijen geldende Collectieve Arbeids Overeenkomst.

Dat artikel bepaald: ”Zodra een maatregel als bedoeld onder lid 2 sub b of c van kracht wordt, vindt aantekening daarvan plaats in het personeelsdossier van de betrokken weknemer.

Zulk een aantekening wordt geacht uit het personeelsdossier te zijn verwijderd na een jaar wanneer het een berisping en na twee jaar wanneer het een schorsing betreft enz…

Artikel 11 lid 2 sub b en sub c luidt, voor zover van belang, alsvolgt: ”De disciplinaire maatregelen die tegen de werknemer kunnen worden getroffen zijn:

a. —————-
b. schriftelijke berisping,
c. schorsing, enz………,

Tijdens de verhoren van partijen in Raadkamer heeft rekwestrante naar voren gebracht gerekwestreerde voor de eerder aangehaalde feiten disciplinair te hebben ”gestraft” overeenkomstig artikel 11 lid 2 sub b en sub c, op grond waarvan Wij met gerekwestreerde van oordeel zijn dat het rekwestrante niet meer vrijstond zich in casu op voormelde feiten te beroepen, zullende Wij op die feiten verder geen acht slaan.

ten aanzien van het op 14 april 1983 voorgevallene:

Gerekwestreerde heeft dat feit erkennende aangevoerd in de drukte zulks over het hoofd te hebben gezien en dat hij de schade welke rekwestrante als gevolg hiervan heeft geleden door middel van twee maandelijkse inhoudingen op zijn salaris, geheel heeft vergoed, hetgeen rekwestrante niet heeft weersproken, zodat Wij de bewering van gerekwestreerde als juist zullen aannemen;

Gerekwestreerde heeft tenslotte de hem in alinea 5 van het 6de ”sustenu” van het inleidend rekest verweten gedraging betwistend en daaromtrent een geheel andere lezing gevend, aangevoerd dat het geenszins zijn bedoeling was te trachten zonder vergunning van de deviezen Commissie zijn zuster op een ticket Amsterdam-Paramaribo vice versa te doen vervoeren.

Gerekwestreerdes terzake gevoerd verweer komt Ons echter niet voldoende gemotiveerd voor, zodat Wij daaraan voorbijgaand het hem gedaan verwijt als juist en tussen partijen rechtens vaststaand zullen aannemen.

Onze conclusie is trots het voorgaande deze: er zijn geen voldoende gronden om van een gewichtige reden, in de zin van dringende reden, te spreken. Evenmin zou gezegd kunnen worden, dat er ten tijde van het gebeurde op 2 augustus 1985 een verandering in de omstandigheden was die billijkheidshalve tot het einde van de arbeidsverhouding zou moeten voeren. Wij zijn derhalve van oordeel, dat de aan gerekwestreerde, overigens terecht, verweten gedragingen beslist niet van zulk een aard zijn dat gezegd kan worden dat zij ernstig afbreuk hebben gedaan aan de noodzakelijke vertrouwensbasis.

Rekwestrante ’s verzoek dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.

Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen.

Beschikkende op het verzoekschrift.

Wijzen het verzoek af.

SRU-K1-2004-3

Kantonrechter Eerste Kanton
04 mei 2004 A.R. 014277
(mr. I.H.M.H. Rasoelbaks)

[eiseres], wonende te [district], gemachtigde mr. E.C.M. Hooplot advocaat, eiseres

tegen

[gedaagde] wonende te [district], gemachtigde mr. H.R. Schurman, advocaat, gedaagde.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen in deze zaak op 7 oktober 2003.

l. Het verdere procesverloop
1.1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:
– de conclusie tot wijziging van de grondslag van de vordering zijdens eiseres;
– de conclusie tot uitlating over de gewijzigde grondslag van de vordering zijdens gedaagde.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag van de vordering en het verweer van gedaagde

2.1. Eiseres vordert echtscheiding subsidiair dat partijen zullen worden verklaard te zijn gescheiden van tafel en bed met alle wettelijke gevolgen van dien. Zij stelt dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan overspel en ernstige misdragingen. bestaande uit het overmatig en overvloedig gebruik van alcohol waarbij gedaagde onder invloed zijnde de orde en rust in huis op dusdanige wijze verstoord dat samenwonen en samenleven onhoudbaar is geworden voor eiseres en haar kinderen waardoor het huwelijk is ontwricht. Voorts vordert eiseres dat een datum zal worden bepaald waarop het familieverhoor zal worden gehouden en dat gedaagde zal worden veroordeeld om tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon.

2.2. Op het verweer komt de kantonrechter voor zoveel nodig terug.

3. De feiten
Partijen zijn op 24 september 1985 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn thans nog twee kinderen minderjarig. t.w.. [naam 1] en [naam 2].

4. De beoordeling

4.1. Voorafgaande aan een beoordeling van het eigenlijke geschilpunt tussen partijen zij het volgende overwogen:
volgens artikel 262 BW (nieuw) legt de eisende partij een echtscheidingsvordering aan waarbij feiten en of omstandigheden moeten worden genoemd welke het huwelijk met gedaagde duurzaam hebben ontwricht. Daarbij is geenszins wettelijk verplicht dat de eisende partij ook stelt dat die ontwrichting aan de schuld van gedaagde te wijten is. Doet hij/zij dat toch dan is zulks overbodig. Wetssystematisch is de schuldvraag als een verweermiddel in het leven geroepen voor de gedaagde partij. De gedaagde partij die de duurzame ontwrichting tegensprekend tegenwerpt aan de eisende partij -bij wege van verweer- dat de schuld daarvan bij de eisende partij ligt kan -op straffe van onvoldoende gemotiveerd verweer- niet volstaan met een enkele ontkenning van de ontwrichting en het verweer dat die ontwrichting (indien aannemelijk) in overwegende mate te wijten is aan de eisende partij: gedaagde moet bepaaldelijk feiten en omstandigheden stellen dat en waarom die schuld bij de eisende partij ligt.Indien de eisende partij dit verwijt gemotiveerd betwist, dan ligt de bewijslast bij de steller van die schuld-feiten, dus bij de verwerende partij.

4.2. De duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen volgt uit de niet gemotiveerd weersproken feiten en omstandigheden dat partijen reeds geruime tijd op gespannen voet met elkaar leven en dat samenleving tussen hen niet meer mogelijk is.

4.3. Thans overgaande tot de beoordeling van het eigenlijke geschilpunt tussen partijen, zij geoordeeld dat gedaagde niet gemotiveerd heeft gereageerd op hetgeen eiseres heeft gesteld en zoals onder 2.1 van dit vonnis is verwoord, hebbende hij slechts dit gestelde ontkend zonder daarbij aan te geven feiten en of omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat het aan de schuld van eiseres te wijten is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.De vordering tot echtscheiding kan derhalve volgens het thans geldend echtscheidingsrecht worden toegewezen als te zijn ongemotiveerd weersproken.

4.4. Hetgeen voor het overige is gevorderd kan eveneens als op de wet gegrond worden toegewezen onder compensatie van de proceskosten.

5. Beslissing

5.1. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 24 september 1985 te [district].

5.2. Bepaalt dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over voornoemde minderjarige kinderen zal worden gehouden in een van de zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no. 79-81 te Paramaribo op dinsdag I2 oktober 2004 ’s morgens om half negen.

5.3. Beveelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.

5.4. Benoemt, indien partijen binnen EEN MAAND na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt, tot notaris ten overstaan van wie werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, mr. R. Currie, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger.

5.5. Benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken tot onzijdig persoon volgens de wet:
voor de eiseres: mr. S. Mangroelal, advocaat:
voor de gedaagde: mr. J. C.P. Nannan Panday, advocaat.

5.6. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.