SRU-K1-2010-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 072584
12 oktober 2010

Vonnis in de zaak van

1. [eiser sub 1], wonende te [district 1],
2. [eiser sub 2], wonende te [district 1],
3. [eiser sub 3], wonende te [district 1],
4. [eiser sub 4], wonende de [district 1],
5. [eiser sub 5], wonende te [district 1],
eisers, gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,
hierna te noemen “de leden”,

tegen

1. DE COOPERATIEVE INKOOP-, VERKOOP- EN LANDBOUWWERKTUIGEN VERENIGING KWATTA, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,

2. [gedaagde sub 2], wonende in [district 2],

3. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo

4. [gedaagde sub 4], domicilie kiezende te [district 1],

gedaagden,
gedaagde sub 1: niet verschenen
gemachtigde voor gedaagde sub 2: mr. D.S. Kraag, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub 3: mr. R.L.Kensmil, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub 4: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
hierna te noemen: “de CV Kwatta, [gedaagde sub 2], de Staat en de notaris”.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift met producties, dat op 8 juni 2007 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de respectieve conclusie van antwoord zijdens [gedaagde sub 2], de Staat en de notaris, met producties;
– tegen de niet verschenen partij sub 1, is verstek verleend;
– de conclusie van repliek, met productie;
– de respectieve conclusies van dupliek zijdens [gedaagde sub 2] en de notaris;
– de conclusie van dupliek zijdens de Staat, aangetekend op de kaft van het process-dossier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De CV Kwatta bezat het recht van grondhuur voor het opzetten van een recreatiegebouw voor de duur van 40 jaren op het ten rekeste vermeld perceelland groot 652,02 m2.

2.2 Eisers zijn allen leden van de CV Kwatta.

2.3 Bij akte van 21 september 2006, verleden ten overstaan van de notaris, is ten behoeve van de NV Landbouwbank een hypotheek gevestigd ten bedrage van US$ 100.000,= ten laste van de CV Kwatta en [gedaagde sub 2]. Als onderpand is het voormeld perceelland in hypotheek gegeven.

2.4 Bij akte van koop en verkoop van 10 januari 2007, verleden ten overstaan van de notaris, is het genoemd onroerend goed door de CV Kwatta verkocht aan [gedaagde sub 2].

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering
Eisers vorderen, kort samengevat, dat de Kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Vernietigt of nietig verklaart de voorschreven verkoop en koop van het recht van grondhuur als ten rekeste omschreven;
  2. De doorhaling gelast van de overschrijving van het recht van grondhuur als ten rekeste omschreven in register A deel [nummer];
  3. De Staat veroordeelt het te dezer zake te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen;
  4. Voor recht verklaart dat de notaris jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld;
  5. De notaris veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen een som geld op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet vermeerderd met een rente van 6% per jaar te rekenen van de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening met veroordeling van [gedaagde sub 4] in de kosten van dit geding;

3.2 De grondslag
De eisers voeren als grondslag aan dat de statuten van de CV Kwatta voorschrijven dat voor de vervreemding van grond een goedkeurend besluit van de Algemene Vergadering van de vereniging vereist is, welk besluit bij de onderhavige verkoop van het onroerend goed niet is gegeven. Hierdoor, zo stellen eisers, heeft de vervreemding niet plaatsgevonden met inachtneming van de statuten. Zij voeren aan dat daardoor de vervreemding nietig is. Zij voeren voorts aan dat [gedaagde sub 4] door de verkoopakte te passeren onrechtmatig heeft gehandeld omdat deze verkoop in strijd is met de statuten en zij als notaris niet had moeten meewerken aan het passeren van de verkoopakte. Zij voeren aan dat nu [gedaagde sub 4] zich als zodanig onrechtmatig heeft gedragen, zij de schade zal moeten vergoeden die zij, door de verkoop hebben geleden. Zij voeren aan dat de schade die zij hebben geleden onder andere de derving aan inkomsten is welke zij zouden verkrijgen uit de exploitatie van het recreatieoord.

3.3 Het verweer
[gedaagde sub 2], de Staat en de notaris hebben elk verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling
4.1 De kantonrechter zal de beoordeling aanvangen met de opmerking dat uit het inleidend verzoekschrift de respectieve conclusies van antwoord en de conclusie van repliek blijkt dat enkele schrijffouten of fouten in de oproeping correctie behoeven. Nu eisers in hun conclusie van repliek de naam van [gedaagde sub 2] gewijzigd hebben geschreven en het verzoek hebben gedaan aan de kantonrechter tot aanvulling c.q. verbetering van de verzuimen of onregelmatigheden, zal de kantonrechter zowel de naam van gedaagde sub 2 als gedaagde sub 4 verbeterd lezen, zoals ook reeds in de kop van dit vonnis is doorgevoerd.

4.2 [gedaagde sub 2] heeft als verweer aangevoerd dat tijdens de ledenvergadering van 27 juni 2004 door de ledenvergadering aan het bestuur toestemming is verleend tot het verkopen van het onroerend goed. Zij voert aan dat daarna, in 2006 het onroerend goed aan haar is verkocht en dat zij voor de betaling van de koopsom een lening heeft gesloten. Omdat het onroerend goed dat door haar gekocht werd nog op naam van de CV Kwatta stond is de CV Kwatta ook genoemd in de hypotheekakte. Echter was het [gedaagde sub 2] die de lening heeft gesloten voor de aankoop van het onroerend goed. De lening is niet door de CV Kwatta gesloten, om die reden was het ook niet nodig dat de CV Kwatta toestemming had voor de lening. [gedaagde sub 2] stelt dat zij de gehele koopsom reeds heeft betaald en ook daarnaast investeringen in het terrein heeft gedaan. Zij betwist derhalve dat de koop in strijd met de statuten plaats heeft gevonden. Zij betwist voorts bij gebrek aan wetenschap dat eisers leden zijn van de CV Kwatta.

4.3 De notaris heeft als verweer aangevoerd dat zij zich niet onrechtmatig heeft gedragen jegens de leden van de CV Kwatta, omdat bij de koop door het bestuur van de vereniging was overgelegd een exemplaar van de notulen van de algemene ledenvergadering d.d. 27 juni 2004 waarin aan het bestuur toestemming wordt verleend over te gaan tot de verkoop van de grond. De notaris betwist derhalve dat zij zich onrechtmatig heeft gedragen en schadeplichtig is.

4.4. De Staat heeft zich in haar conclusie van antwoord gerefereerd aan het oordeel van de rechter.

4.5 Eisers hebben op de weren van gedaagden gereageerd door te stellen dat het besluit dat tijdens de vergadering van 27 juni 2004 genomen zou zijn, niet rechtsgeldig is omdat minder dat de helft van de leden aanwezig was en de verkoop van de grond niet op de agenda stond.

4.6 De kantonrechter overweegt dat [gedaagde sub 2] de notulen van de algemene ledenvergadering van 27 juni 2004 in het proces heeft gebracht. De kantonrechter overweegt voorts dat in de notulen de zinsnede is opgenomen (pagina 3 agendapunt 3): “Uit de zaal kwam naar voren dat het perceel bezwaard of overgedragen zou kunnen worden aan derden. Hierdoor kreeg het bestuur de goedkeuring van de ALV voor het (dit moet zijn: de) overdracht van het perceel aan derden”. De kantonrechter overweegt dat deze notulen blijkens een aantekening op de notulen zijn gearresteerd op een ledenvergadering van latere datum.

4.7 De kantonrechter overweegt dat, alhoewel eisers van mening zijn dat uit de notulen geen besluit blijkt, uit deze notulen wel voldoende een besluit blijkt, namelijk uit de hierboven geciteerde woorden “hierdoor kreeg het bestuur goedkeuring van de ALV voor de overdracht”. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de stelling van eisers dat het onderwerp niet op de agenda stond, dan wel dat er niet voldoende leden waren, dat het feit dat de notulen op een latere datum zijn gearresteerd aangeeft dat de ledenvergadering het wel eens was met de wijze waarop het besluit toentertijd tot stand is gekomen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat eisers thans dan ook niet kunnen stellen da aan het besluit een gebrek kleeft, immers zij hebben nimmer gevorderd dat het besluit wordt vernietigd of nietig wordt verklaard. De kantonrechter is van oordeel dat het verweer, dat er wel een besluit van de ALV is, in dit geding in rechte is komen vast te staan.

4.8 De kantonrechter is van oordeel dat, gezien het hiervoor overwogene, de grondslag van het gevorderde, namelijk dat de verkoop heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor een besluit was genomen in de ALV, niet is komen vast te staan.

4.9 De kantonrechter zal het gevorderde dan ook afwijzen.

4.10 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

5.1 Wijst af het gevorderde.

5.2 Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en uitgesproken door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 12 oktober 2010, in tegenwoordigheid van mr. G. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A.C. Johanns I.S. Chhangur-Lachitjara

SRU-K1-1993-1

Kantonrechter Eerste Kanton
6 september 1993, A.R. 933093
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiser], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. Lim A Po, advokaat, eiser in Kort Geding

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. M.R. Carrilho, advokaat, gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, aan gedaagde zal worden bevolen:

Primair:

  • een herstel van de tussen eiser en gedaagde gesloten huurovereenkomst, dusdanig dat er een herstel in de oude toestand plaatsvindt, zodat eiser zijn oude kamer kan betrekken;
  • een verbod om eiser de toegang te ontzeggen tot de door hem gehuurde kamer in het pension van gedaagde, tevens inhoudende dat aan eiser de benodigde sleutels tot de toegang in het voormelde pension en de desbetreffende kamer ter beschikking worden gesteld;
  • aan eiser terzake als ten rekeste omschreven een voorschot zal worden betaald ten bedrage van ƒ3.000,=;

Subsidiair:

Aan een herstel in de oude toestand mee te werken, in dier voege dat aan eiser een soortgelijke kamer in het pension ter beschikking wordt gesteld; met bepaling dat indien gedaagde niet binnen 1 x 24 uur na vonniswijziging, althans binnen een door de Rechter in goede justitie te bepalen termijn aan de veroordeling sub a en b casu quo de subsidiaire veroordeling voldoet, zij aan eiser een dwangsom van ƒ 500,= (VIJFHONDERD GULDEN) zal verbeuren voor iedere dag dat zij daarmede in gebreke mocht blijven.

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende partijen, eiser vertegenwoordigd door advokaat Mr. B.A. Halfhide namens zijn gemachtigde advokaat, Mr. Lim A Po en de gedaagde door Mr. M.R. Carrilho ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting advokaat Mr. B.A. Halfhide namens de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, onder overlegging van een produktie waarvan de inhoud, evenals van de overgelegde produktie hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek en uitlating produkties, bepaald de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het spoedeisend karakter der vordering uit de aard der stellingen van het inleidend rekest van eiser blijkt;

Overwegende, dat de eiser na gemotiveerde weerspreking door de gedaagde van diens stellingen van het inleidend rekest niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van de gedaagde een kamer in het pension aan [adres 1] te [district] gehuurd heeft en dat hij door de gedaagde hardhandig uit die kamer gezet is;

Overwegende, dat nu overigens ook juist is de stelling van de gedaagde dat een verhuurde kamer in een pension niet valt onder de huurbescherming, die een huurder van een woonhuis geniet, zal de eiser zijn heil moeten zoeken bij een schadevordering tegen zijn verhuurder voor onder andere kwijtgeraakte goederen, etcetera;

Overwegende dat Wij de gevraagde voorziening aan de eiser dan ook zullen weigeren;

Rechtdoende in Kort Geding:

Weigeren de gevraagde voorzieningen.

SRU-K1-1996-3

Kantonrechter Eerste Kanton
18 januari 1996, A.R. 956566
(Mr. J.R. von Niesewand)

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit in de zaak aanhangig tussen:

[eiseres], wonende in [district 1], ten deze domicilie kiezende aan de Mr. F. Lim A Postraat no. 1, gemachtigde: Mr. M.I. Vos, advocaat, eiseres in kort geding,

tegen

Landbouwmaatschappij Patamacca N.V. rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, kantoorhoudende aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 26, gemachtigde: Mr. F.F.P. Truideman, advocaat, gedaagde in kort geding,

1. Procesgang
Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 20 november 1995 heeft eiseres gevorderd dat de Kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  • Gedaagde zal veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot te voldoen het aan eiseres toekomend loon en de daarbij behorende emolumenten, en wel met ingang van 1 augustus 1995 tot aan de rechtmatige beëindiging van de arbeidsrelatie;
  • gedaagde zal bevelen om alle bij de [staffunctie] te [plaats] behorende voorzieningen, in het bijzonder medische voorzieningen en het gebruik van transport- en communicatiemiddelen, aan eiseres te doen toekomen, althans eiseres daarvoor in aanmerking te doen stellen, althans het gebruik daarvan niet aan eiseres te onthouden;
  • gedaagde zal bevelen om binnen 1 x 24 uur na vonniswijzing, althans binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn, aan eiseres haar privé-post, hetwelk zich onder gedaagde bevindt, te doen afgeven, en na te laten door gedaagde namens eiseres in ontvangst te nemen post en poststukken langer onder zich te houden dan strikt noodzakelijk is;
  • gedaagde zal veroordelen om indien zij nalaat aan de in sub II en III te geven bevelen uitvoering te geven danwel zich daartegen in gedraagt, aan eiseres bij wege van dwangsom een bedrag te betalen van f.100.000,– (eenhonderdduizend gulden) per dag of per keer.

Een en ander kosten rechtens.

Gedaagde heeft tegen die vordering middels een conclusie van antwoord verweer gevoerd, onder overlegging van producties.

Eiseres heeft hierna op 4 december 1995 mondeling doen repliceren en gedaagde mondeling doen dupliceren en hebben Wij ter zelfde zitting een comparitie gehouden, waarbij eiseres en [naam] namens de gedaagde een verklaring hebben afgelegd als in het opgemaakt proces-verbaal is verwoord.

Vervolgens hebben partijen zich op 21 december 1995 en op 8 januari 1996 nader uitgelaten en vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak bepaald is op heden.

2. Motivering
2.1 Vaststaande feiten

Tussen partijen is in rechte als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, deels blijkend uit de overgelegde producties, het volgende komen ,vast te staan:

  • Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten ingaande 1 maart 1994 voor de duur van drie jaar, dus eindigend op 1 maart 1997.
  • Eiseres is conform de in het geding gebrachte taakomschrijving in dienst genomen in de [staffunctie].
  • Bij schrijven van 12 juli 1995 heeft gedaagde eiseres schriftelijke medegedeeld dat besloten is haar met ingang van 24 juli 1995 over te plaatsen naar de GPOV N.V. te Paramaribo, met als standplaats Paramaribo. Bij brief van 12 juli 1995 heeft de GPOV N.V. eiseres bericht dat zij na overplaatsing zou worden aangesteld in de [functie] Landbouwkundige Zaken.
  • Eiseres heeft bij brief van 13 juli 1995 en 28 juli 1995 haar bezwaren tegen de overplaatsing met name t.a.v. haar standplaats kenbaar gemaakt, doch bericht te zullen trachten een woning in [district 2] te vinden, binnen een aangegeven termijn.
  • Bij schrijven van 7 augustus 1995 heeft de gemachtigde van eiseres gedaagde bericht de sub d genoemde brieven van eiseres namens haar in te trekken.
  • Eiseres is tot nog toe gunstig beoordeeld door de werkgever in het kader van de jaarlijkse beoordelingen.

2.2. Standpunten van Partijen
Standpunten eiseres:

Eiseres stelt bezwaren te hebben tegen de overplaatsing naar [district 2] en tegen de functiewijziging van [staffunctie] tot [functie] Landbouwkundige Zaken, zulks omdat deze zonder vooroverleg is geschied en eiseres destijds juist met het oog op de vervulling van haar functie op [plaats] haar woning in [district 2] heeft opgegeven en passende woonruimte in [district 2] niet voorhanden is. Bovendien stelt eiseres dat de haar laatstelijk aangeboden functie meer van administratieve aard is, terwijl veldwerk zowel haar specialiteit is en verreweg haar voorkeur geniet. Eiseres stelt dat de GPOV niet als een gelieerde onderneming in de zin van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst kan worden opgemerkt. Zij stelt steeds bereid te zijn geweest en nog steeds bereid te zijn de bedongen arbeid te verrichten en vordert doorbetaling van loon sinds augustus 1995. Voorts vordert eiseres de medische voorzieningen te [plaats] en aldaar in het bezit van haar poststukken te worden gesteld.

Standpunten gedaagde:

Gedaagde stelt aan artikel 12 van de tussen partijen vigerende arbeidsovereenkomst de bevoegdheid te ontlenen tot overplaatsing van eiseres naar een andere standplaats in Suriname, hetzij op haar eigen onderneming hetzij bij gelieerde ondernemingen. Gedaagde merkt de GPOV in dit kader aan als een gelieerde maatschappij. Gedaagde stelt voorts dat eiseres blijkens haar aan gedaagde gerichte brieven van 13 juli 1995 en 28 juli 1995 onvoorwaardelijk met de overplaatsing heeft ingestemd. Gedaagde stelt voorts dat de aan eiseres aangeboden [functie] Landbouwkundige zaken niet administratief van aard is en gelijkwaardig aan haar huidige [staffunctie] en bovendien passend is bij haar opleiding en ervaring en dat deze gepaard zal gaan met veelvuldige veldbezoeken. Gedaagde beroept zich op het principe “geen werk geen loon” t.a.v de vordering van eiseres op doorbetaling van loon sinds augustus 1995. Voorts stelt gedaagde de medische voorzieningen in [district 2] te willen verschaffen en eiseres haar poststukken in [district 2] beschikbaar te stellen.

3. Beoordeling van het geschil

De Kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend karakter uit de aard der stellingen van eiseres haar vordering genoegzaam blijkt. De vraag die partijen verdeeld houdt is of gedaagde eiseres houden mag aan het schrijven van gedaagde aan eiseres d.d.12 juli 1995, kenmerk Pat. Intern [nummer 1] waarin eiseres wordt medegedeeld haar overplaatsing naar de GPOV N.V. te Paramaribo, met als standplaats Paramaribo, alsmede het schrijven van GPOV N.V. d.d. 12 juli 1995, kenmerk GPOV Intern [nummer 2] aan eiseres, waarin zij geïnformeerd wordt over haar nieuwe [functie] Landbouwkundige Zaken. De Kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst met name artikel 12, de mogelijkheid van overplaatsing openlaat, doch uitdrukkelijk bepaalt dat de arbeidsvoorwaarden op de nieuwe standplaats ongewijzigd zullen blijven danwel gelijkwaardig zullen zijn aan de tevoren geldende voorwaarden.

Gelet op de uitwendige taakomschrijving van de [staffunctie], die als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd moet worden beschouwd is naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter sprake van een functiewijziging gelet op de taakomschrijving behorende bij de [functie] Landbouwkundige Zaken, welke, taakomschrijving eveneens als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd dient te worden beschouwd. Een en ander geeft de Kantonrechter alle reden te oordelen, dat aan het besluit van gedaagde tot overplaatsing van eiseres tenminste vooroverleg met eiseres vooraf had moeten plaatsvinden.

Voorts is de Kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden nu op de standplaats [plaats] recht op vrije ongemeubileerde huisvesting inclusief gebruik van water en electriciteit onderdeel vormde van de arbeidsvoorwaarden, wat op de standplaats Paramaribo niet het geval is.

De Kantonrechter is wijders van oordeel dat uit de brieven van eiseres d.d. 13 en 28 juli 1995 zeker niet mag worden afgeleid haar onvoorwaardelijke instemming met de overplaatsing naar [district 2].

Gedaagde had, alle omstandigheden van het onderhavige geval inachtnemend, in redelijkheid niet tot het nemen van de beslissing, vastgelegd in het schrijven van 12 juli 1995 mogen komen en handelt dan ook niet te goeder trouw eiseres daaraan gebonden te achten.

Nu eiseres steeds bereid is geweest en nog is de bedongen arbeid te verrichten en de bodemrechter naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen andersluidende beslissing zal geven dan in casu zal worden gegeven, zal worden beslist als in het dictum te melden onder aantekening dat rekening zal worden gehouden met het bereids door eiseres ontvangen bedrag van f 100.000,– en onder verwijzing van gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces.

Rechtdoende
De Kantonrechter:

  • veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het aan eiseres toekomend loon en de daarbij behorende emolumenten, en wel met ingang van 1 augustus 1995 tot aan de rechtmatige beëindiging van de arbeidsrelatie, een en ander onder aftrek van het bereids door eiseres ontvangen bedrag van f.100 000,–;
  • beveelt gedaagde om alle bij de [staffunctie] te [plaats] behorende voorzieningen, in het bijzonder medische voorzieningen en het gebruik van transport- en communicatiemiddelen, aan eiseres te doen toekomen;
  • veroordeelt gedaagde om, indien zij nalaat aan de sub 1 en sub 11 gegeven bevelen uitvoering te geven, aan eiseres bij wege van dwangsom een bedrag te betalen van f.100.000,– (een honderdduizend gulden) per dag.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordeelt de gedaagde in de kosten van dit proces aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op f.3034,- (drieduizend vier en dertig gulden).

Weigert het meer of anders gevorderd

SRU-K1-2009-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 061358
20 oktober 2009
M.V.K.

VONNIS inzake:

Ten Group Holding N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

Het Surinaams Postbedrijf Surpost, rechtspersoon,
wonende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit:

– Het verzoekschrift met producties dat eiseres op 7 april 2006 bij de griffie der kantongerechten heeft ingediend;
– een schriftelijke conclusie van antwoord;
– een schriftelijke conclusie van repliek met producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating over de overgelegde producties.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De heer Leo Kie-Mien Chiu Hung, handelende in zijn hoedanigheid als directeur van eiseres enerzijds en de heer drs. Carlo Rudy Godlieb, directeur van gedaagde anderzijds, hierna te noemen Godlieb, hebben op 20 april 2005 een koopovereenkomst gesloten waarbij Godlieb van eiseres heeft gekocht gelijk eiseres aan Godlieb heeft verkocht het gedeelte van de erven gelegen te Paramaribo aan het Molenpad bekend onder Nieuwe Wijk Letter F nummer 465 en 466 a, vroeger letter F nummer 373 c en 373 a, welk gedeelte op de kaart van de landmeter H.v.Ommeren de dato 13 januari 1909 wordt aangeduid met de letters ABCD en thans is genummerd Nieuwe Wijk letter F nummer 466 1 a, met de zich op dit erf bevindende gebouwen, ter grootte van drieduizend tweehonderdnegentig, achthonderdtachtig/honderste vierkante meter voor de koopsom van US$ 1300.000,-.

2.2 Partijen zijn bij de vermelde koopovereenkomst overeengekomen dat de volledige koopsom binnen zes weken na het aangaan van de koopovereenkomst, bij de notariële overdracht, door gedaagde zou zijn voldaan, dus uiterlijk 1 juni 2005.

2.3 Gedaagde heeft de koopsom niet binnen de termijn van 1 juni 2005 betaald. Op 2 september 2005 zijn eiseres en Godlieb – volgens de overeenkomst “hierna te noemen Surpost” – een nieuwe overeenkomst met elkaar aangegaan ter regulering van de betaling van het verschuldigd bedrag met rente, boete en kosten. Bij die overeenkomst heeft gedaagde verklaart aan eiseres schuldig te zijn:

  • US$ 1300.000,– (een miljoen driehonderdduizend Amerikaanse Dollar) voor de aankoop van een gedeelte van de erven met opstallen aan het Molenpad, zoals vermeld in het tweede sustenu;
  • Het saldo van de schuld die eiseres heeft bij de Surinaamse Bank N.V., inclusief rente, boeterente en alle bijkomende kosten die de Surinaamse Bank N.V. aan eiseres in rekening brengt, minus US$ 500.000,- (vijfhonderdduizend Amerikaanse Dollar). Een en ander in verband met de schuld van eiseres bij de Surinaamse Bank N.V., die gedaagde krachtens deze overeenkomst dient over te nemen.
  • Rente van 12% per jaar over US$ 800.000,- (achthonderdduizend Amerikaanse Dollar) ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening;
  • Brandverzekeringspremie die de DSB in rekening brengt aan eiseres, ingaande 20 april 2005 tot en met de dag van algehele voldoening van hetgeen in sub a is aangehaald;
  • Alle overige kosten t.b.v. het pand gelegen aan het Molenpad 27, zoals water, electriciteit, brandverzekering, onderhoud etc. ingaande april 2005;
  • US$ 10.000,- (tienduizend Amerikaanse Dollar) voor de feasibility study;
  • Een boete van US$ 500,– (vijfhonderd Amerikaanse Dollar) per dag ingaande 26 september 2005 indien gedaagde uiterlijk 25 september 2005 niet aan de totale schuld met alle kosten heeft voldaan;
  • Rente van 14% per jaar ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening over:
    – de koopsom van US$ 1300.000,-;
    – De uitstaande kosten, indien gedaagde uiterlijk 25 september 2005 de totale schuld met rente niet volledig heeft voldaan.

Gedaagde heeft zich verbonden om de bedragen met rente zoals hierboven aangehaald, uiterlijk 25 september 2005 aan eiseres te voldoen. In sub B van de overeenkomst staat vermeld dat “Surpost zal met de DSB in onderhandeling dienen te treden om de veiling van de panden van “Ten” stop te zetten en met DSB afspraken te maken dat de rente, boeterente en alle overige kosten voor de lening van “Ten” bij de DSB, vanaf 1 juni 2005 voor rekening zijn van “Surpost”.

2.4 Gedaagde heeft haar schuld niet binnen de termijn van 25 september 2005 voldaan. Op 12 september 2005 hebben partijen een overeenkomst getekend waarbij zij bevestigen het volgende te zijn overeengekomen:
– op 12 september 2005 is een overeenkomst getekend tussen het Surinaams Postbedrijf “Surpost” en Ten Group Holding N.V., in de overeenkomst aangeduid als “Ten”;
– Indien Surpost uiterlijk 30 september 2005 de totale schuld volgens de overeenkomst van 12 september 2005, inclusief alle kosten, rente en boete niet volledig heeft afbetaald, zal Surpost behalve de bedragen volgens de overeenkomst en aanhangels, vanaf 1 oktober 2005 tot en met de dag van volledige betaling van “Ten” voor elke dag dan ook een boete betalen groot, US$ 2.500,- per dag.

2.5 Partijen hebben op 2 december 2005 opnieuw een overeenkomst gesloten. Daarin staat vermeld dat gedaagde, vertegenwoordigd door haar directeur Godlieb aan eiseres schuldig is en bedrag van Euro 45.000,– (vijf en veertigduizend Euro’s) plus dezelfde rente zijnde een lening die eiseres is aangegaan, ter stopzetting van de veiling van 24 november 1975, voor aflossing van de schuld bij de Surinaamse Bank N.V. die gedaagde dient over te nemen krachtens de overeenkomst de dato 12 september 2005.

2.6 Gedaagde heeft in de maanden oktober 2005 tot en met januari 2006 een totaal bedrag van US$ 35.491,50 aan eiseres afgelost. Verder heeft eiseres aan gedaagde enkele opdrachten gegeven en het totaal verschuldigd bedrag groot SRD 836,29 gecrediteerd op de SRD rekening van gedaagde bij eiseres.

2.7 Eiseres heeft gedaagde bij schrijven van 30 maart 2006 in gebreke gesteld en gesommeerd om uiterlijk dinsdag 4 april 2006 aan haar betalingsverplichting jegens eiseres te voldoen; echter heeft gedaagde geen gevolg hieraan gegeven.

2.8 Eiseres heeft na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, bij exploiten no. 187 tot en met 102 de dato woensdag 12 april 2006 van deurwaarder Dasimin Toekimin conservatoir beslag doen leggen op de aan gedaagde toebehorende navolgende onroerende goederen:
– het perceel groot 600 vierkante meter, gelegen te Nickerie, aangeduid op de kaart van G. Eliazer de dato 5 januari 1981 met de letters ABCD en het no. 1069 deel van de plantage Waterloo
– het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning voor de duur van veertig jaren op het perceel, groot 777,20 vierkante meters, gelegen aan het Kerkplein, bekend als NW.La A no. 628;
– het recht van grondhuur voor het opzetten van een kantoorruimte voor de duur van veertig jaren op het perceel groot 1.538,53 vierkante meters, gelegen te Lelydorp bekend als Ten Westen Indira Gandhiweg no. 229;

Alsmede conservatoir derdenbeslag gelegd onder de navolgende instellingen die gelden, goederen, geldswaarden en/of geldswaardige papieren van gedaagde onder zich hebben of aan haar verschuldigd zijn of zullen worden te weten:

– De R.B.T.T. (Suriname) Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo;
– De Hakrinbank N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo;
– De Surinaamse Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-28 te Paramaribo;
– De Centrale Bank van Suriname, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no. 20 te Paramaribo;
– De Staat Suriname, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo.

Deze beslagen zijn bij exploit no. 193 de dato woensdag 12 april 2006 (productie nummer 17) van voornoemde deurwaarder betekend aan gedaagde.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagde wordt veroordeeld om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  • US$ 1300.000,- (een miljoen driehonderdduizend Amerikaanse Dollar) welk bedrag gedaagde verschuldigd is krachtens de koopovereenkomst de dato 20 april 2005 en overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 1:
  • Brandverzekeringspremie die de Surinaamse Bank N.V. in rekening brengt aan eiseres, ingaande 20 april 2005 tot en met de dag van algehele voldoening van hetgeen in sub a is aangehaald, welke premie gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 4;
  • Het bedrag van US$ 10.000,– welk bedrag gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst van 12 september 2005 onder sub A 6;
  • Een boete van US$ 500,– (vijfhonderd Amerikaanse Dollar) per dag ingaande 26 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 8;
  • Rente van 14% per jaar ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening over:
  • De koopsom van US$ 1300.000,–;
  • De uitstaande kosten, hetgeen gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub D;
  • Een boete van US$ 2.500,– per dag ingaande 1 oktober 2005 tot en met de dag van algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform aanhangsel 3 behorende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005;
  • Het saldo van de schuld die eiseres heeft bij de Surinaamse Bank N.V. inclusief rente, boeterente en alle bijkomende kosten die de Surinaamse Bank N.V. aan eiseres in rekening brengt, welk saldo gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 2 en aanhangsel 4 horende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005.

II. Van waarde te verklaren de ten deze gelegde conservatoire beslagen op de navolgende onroerende goederen van gedaagde, gelegd bij exploit nummer 187 de dato woensdag 12 april 2006 van deurwaarder Dasimin Toekimin:

  • het perceel groot 600 vierkante meter, gelegen te Nickerie, aangeduid op de kaart van G. Eliazer de dato 5 januari 1981 met de letters ABCD en het no. 1069 deel van de plantage Waterloo;
  • het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning voor de duur van veertig jaren op het perceel, groot 777,20 vierkante meters, gelegen aan het Kerkplein, bekend als NW.La A no. 628;
  • het recht van grondhuur voor het opzetten van een kantoorruimte voor de duur van veertig jaren op het perceel groot 1.538,53 vierkante meters, gelegen te Lelydorp bekend als Ten Westen Indira Gandhiweg no. 229;

Alsmede conservatoir derdenbeslag gelegd onder de navolgende instellingen die gelden, goederen, geldswaarden en/of geldswaardige papieren van gedaagde onder zich hebben of aan haar verschuldigd zijn op zullen worden te weten:

  • De R.B.T.T. (Suriname) Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo;
  • De Hakrinbank N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo;
  • De Surinaamse Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-28 te Paramaribo;
  • De Centrale Bank van Suriname, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no. 20 te Paramaribo;
  • De Staat Suriname, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo.

III. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van dit geding die van voormelde beslagen inbegrepen.

3.2 De grondslag van de vordering is dat gedaagde wanpresatie pleegt jegens eiseres daar zij de saldo schuld niet heeft voldaan ondanks dat zij daartoe in gebreke is gesteld.

3.3 Gedaagde voert het volgend verweer:

  • In artikel 8 sub h van de Wet Surpost is expliciet vermeld dat de directeur voor het kopen van een onroerend goed en het aangaan van een verbintenis waarvan het geldelijk belang SF 100.000,– te boven gaat, een schriftelijke machtiging behoeft van de Raad van Commissarissen. Het bedrag van SF 100.000,– in het jaar 1993 is beslist niet hoger dan het bedrag van US$ 1300.000,– van nu (anno 2008). De directeur van eiseres is zonder de daartoe vereiste machtiging van de Raad van Commissarissen en dus zonder daartoe bevoegd te zijn, de overeenkomsten met eiseres aangegaan met als gevolg dat de in de akte van koop en verkoop gerelateerde transactie, gedaagde niet bindt. De transactie is nietig. Gedaagde heeft de transactie ook nimmer bekrachtigd en de Raad van Commissarissen heeft nimmer een handeling verricht waaruit zou moeten blijken dat zij de directeur heeft gemachtigd om de transactie met eiseres aan te gaan. De Raad van Commissarissen is ook niet gekend geworden bij de aflossingen die aan eiseres zijn gedaan.
  • Het gelegd beslag is niet terecht gedaan;
  • Op het litigieus onroerend goed is het recht van hypotheek gevestigd ten bedrage van US$ 690.000,– weshalve eiseres niet kan voldoen aan het bepaalde in artikel 2 van de litigieuze overeenkomst, namelijk levering van het onroerend goed vrij van hypotheken en hypothecaire inschrijvingen. Intussen is het onroerend goed door de hypotheekhouder in het openbaar verkocht krachtens artikel 1207 B.W. waardoor eiseres niet kan leveren. Hierdoor is gedaagde niet verplicht om de koopsom aan eiseres te betalen.

4. De beoordeling

4.1 Het geschil tussen partijen strekt zich ten eerste uit tot de vraag of gedaagde is gebonden aan de koopovereenkomst met eiseres indien de directeur van gedaagde die koopovereenkomst heeft gesloten zonder de daartoe vereiste machtiging van de Raad van Commissarissen.

4.2 Eiseres heeft het verweer van gedaagde gemotiveerd weersproken. Zij stelt dat ingevolge artikel 7 van de Wet Surpost, de Directeur het bedrijf in en buiten rechte vertegenwoordigt. Zij mocht ervan uitgaan dat de Directeur bevoegd was om de overeenkomst aan te gaan. Het al dan niet beschikken over een schriftelijke machtiging is een interne aangelegenheid van Surpost en kan de derde te goeder trouw niet worden tegengeworpen. Gedaagde heeft handelingen gepleegd die aangemerkt kunnen worden als een uitvoering, nakoming dan wel bekrachtiging van de overeenkomst namelijk:

  • Sedert de ondertekening van de overeenkomst in april 2005 heeft gedaagde reeds zeven deelbetalingen verricht aan eiseres, in totaal US$ 35.491,50;
  • Gedaagde heeft beheershandelingen gepleegd door bij het gekochte pand aan het Molenpad haar Surpost bord te plaatsen met haar naam erop, hiermee aangevende dat het onroerend goed aan haar toebehoort c.q. dat zij zich aldaar zal vestigen. Zij hebben sinds de ondertekening ook de beschikking over de sleutels van het pand;
  • Partijen zijn de koopovereenkomst nu ruim een jaar geleden aangegaan. In deze periode is over en weer veel correspondentie geweest, ook naar de RvC toe, betreffende de overeenkomst en de nakoming daarvan. Echter heeft gedaagde in deze correspondentie nimmer gesproken over het ontbreken van een schriftelijke machtiging, noch minder een beroep gedaan op het ontbreken daarvan. Noch de RvC, noch de Directeur hebben ooit de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen danwel aangegeven dat deze nietig zou zijn in verband met het ontbreken van de machtiging. Gedaagde kan zich thans niet te goeder trouw beroepen op de nietigheid van de overeenkomst aangezien uit alles blijkt dat hij handelingen heeft verricht die een eventuele nietigheid opheffen;
  • Artikel 8 sub j van de statuten vermeldt dat gedaagde voor het aangaan van een verbintenis waarvoor het geldelijk bedrag SF 100.000,– per geval te boven gaat, een machtiging van de RvC nodig heeft. Er mag ervan worden uitgegaan dat de machtiging wel verstrekt is aan de Directeur, aangezien gedaagde aan eiseres aflossingen heeft gedaan ten bedrage van US$ 35.491,50;
  • De handelingen van gedaagde namelijk het aangaan van de overeenkomst de dato 12 april 2005, 12 september 2005 en daarna nog de aanhangeis no. 1 t/m 4 die op verschillende data zijn ondertekend, geven blijk van een rechtens relevante wil zijdens gedaagde. Met deze handelingen heeft gedaagde de overeenkomsten bekrachtigd;
  • Door wanprestatie van gedaagde dreigde de hypotheekhouder op gegeven moment over te gaan tot openbare verkoop. Eiseres was dan ook genoodzaakt om zelf de schuld af te lossen en hiervan legt zij een productie over. De schuld is geheel afgelost en door de hypotheekhouder is er reeds opdracht aan de notaris gegeven voor royement van de hypothecaire inschrijvingen en zal het onroerend goed dus spoedig geheel vrij zijn van hypotheken en beslagen. Indien gedaagde aan haar betalingsverplichting jegens eiseres voldoet zal het perceel geheel vrij van hypotheek en beslagen aan haar worden geleverd.

4.3 Vooropgesteld wordt dat de Wet Surpost (S.B. 1993 no. 34) in het midden laat wat de consequenties zijn indien de directeur van gedaagde zijn bevoegdheden overschrijdt en in strijd handelt met artikel 8 van voornoemde wet. Eiseres heeft hierboven bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die relevant zij geweest voor het opwekken van de schijn van bevoegdheid c.q. het vertrouwen bij haar heeft opgewekt dat de directeur van gedaagde de vereiste machtiging van de Raad van Commissarissen had om de overeenkomsten met eiseres aan te gaan. Die handelingen en verklaringen van de directeur van gedaagde zijn zo uitvoerig en gedetailleerd, dat zij geen reden had om te twijfelen dat hij de vereiste machtiging niet bezat. Het door de directeur van gedaagde opgewekt vertrouwen – op grond van zijn verklaringen en gedragingen en mede op grond van artikel 7 van de Wet Surpost – ligt in de risicosfeer van gedaagde en eiseres geniet als derde te goeder trouw bescherming. Gedaagde heeft de door eiseres geponeerde stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken en zij heeft ook geen verweer meer gevoerd omtrent de aflossing van de hypotheekschuld. De conclusie van voorgaande overweging is dat de vordering van eiseres wordt toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld. Het conservatoir beslag op de onroerende goederen van gedaagde en het conservatoir derdenbeslag op de overige goederen van gedaagde (zie 3.1 onder II van dit vonnis) zijn gelegd op 12 april 2006, terwijl de eis van vanwaardeverklaring is ingediend op 13 april 2006, dus binnen de wettelijke termijn met als gevolg dat de vordering van eiser tot vanwaardeverklaring van voormelde goederen wordt toegewezen. De gevorderde boete acht de kantonrechter bovenmatig en zal worden beperkt tot een maximum van US$ 10.000,–. Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  • US$ 1300.000,- (een miljoen driehonderdduizend Amerikaanse Dollar) welk bedrag gedaagde verschuldigd is krachtens
    de koopovereenkomst de dato 20 april 2005 en overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 1:
  • Brandverzekeringspremie die de Surinaamse Bank N.V. in rekening brengt aan eiseres, ingaande 20 april 2005 tot en met de dag van algehele voldoening van hetgeen in sub a is aangehaald, welke premie gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 4;
  • Het bedrag van US$ 10.000,– welk bedrag gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst van 12 september 2005 onder sub A 6;
  • Een boete van US$ 500,– (vijfhonderd Amerikaanse Dollar) per dag ingaande 26 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 8; met dien verstande dat de boete wordt gesteld op een maximum van US$ 10.000,– (tienduizend Amerikaanse Dollar);
  • Rente van 14% per jaar ingaande 1 juni 2005 tot en met de dag van algehele voldoening over:
  • De koopsom van US$ 1300.000,–;
  • De uitstaande kosten, hetgeen gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub D;
  • Een boete van US$ 2.500,– per dag ingaande 1 oktober 2005 tot en met de dag van algehele voldoening, welke boete gedaagde verschuldigd is conform aanhangsel 3 behorende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005, met dien verstande dat de boete wordt gesteld op een maximum van US$ 10.000,– (tienduizend Amerikaanse Dollar);
  • Het saldo van de schuld die eiseres heeft bij de Surinaamse Bank N.V. inclusief rente, boeterente en alle bijkomende kosten die de Surinaamse Bank N.V. aan eiseres in rekening brengt, welk saldo gedaagde verschuldigd is conform overeenkomst de dato 12 september 2005 onder sub A 2 en aanhangsel 4 horende bij de overeenkomst de dato 12 september 2005.

5.2 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Verklaart van waarde de ten deze gelegde conservatoire beslagen op de navolgende onroerende goederen van gedaagde, gelegd bij exploit nummer 187 de dato woensdag 12 april 2006 van deurwaarder Dasimin Toekimin:

  • h) het perceel groot 600 vierkante meter, gelegen te Nickerie, aangeduid op de kaart van G. Eliazer de dato 5 januari 1981 met de letters ABCD en het no. 1069 deel van de plantage Waterloo;
  • i) het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning voor de duur van veertig jaren op het perceel, groot 777,20 vierkante meters, gelegen aan het Kerkplein, bekend als NW.La A no. 628;
  • j) het recht van grondhuur voor het opzetten van een kantoorruimte voor de duur van veertig jaren op het perceel groot 1.538,53 vierkante meters, gelegen te Lelydorp bekend als Ten Westen Indira Gandhiweg no. 229;

Alsmede conservatoir derdenbeslag gelegd onder de navolgende instellingen die gelden, goederen, geldswaarden en/of geldswaardige papieren van gedaagde onder zich hebben of aan haar verschuldigd zijn of zullen worden te weten:

k) De R.B.T.T. (Suriname) Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo;
l) De Hakrinbank N.V. gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Sophie Redmondstraat no. 11-13 te Paramaribo;
m) De Surinaamse Bank N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 26-28 te Paramaribo;
n) De Centrale Bank van Suriname, gevestigd en kantoorhoudende aan de Waterkant no. 20 te Paramaribo;
o) De Staat Suriname, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo.

5.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die van voormelde beslagen inbegrepen, en tot op heden begroot op SRD 723,– (zevenhonderd drie en twintig Surinaamse Dollar).

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. M.V. Kuldip Singh in het eerste kanton te Paramaribo en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 20 oktober 2009, door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr. S.M.M. Chu in tegenwoordigheid van de fungerend griffier mr. A. Sewgobind.

w.g. A. Sewgobind w.g. M.V. Kuldip Singh
w.g. S.M.M. Chu

SRU-K1-1996-2

Kantonrechter Eerste Kanton
1 februari 1996, A.R. 955764
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser 1] en

[eiser 2], beiden wonende in [land], voor wie beiden tot gemachtigde is gesteld, mr. H.E. Struiken, advocaat, eisers in kort geding,

tegen

De Staat Suriname, Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling Directoraat Cultuur, in rechte vertegenwoordigd wordende door Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, Kantoorhoudende te zijnen parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. C.D. Ooft, advocaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken waaronder meer bepaald een afschrift van het proces-verbaal van de door Ons bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 28 december 1995;

Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen, namens eiser de heer [naam 1] en de procesgemachtigde van eiser, mr. H.R. Struiken en namens de Staat Suriname, de heer [naam 2], zijn verschenen die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat er een mondelinge conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen is genomen, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 8 februari 1996 doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat eisers op te dezer plaatse, als ingelast te beschouwen gronden hebben gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan hen – eisers – te betalen de som van Sf. 600.000,–;

Overwegende, dat blijkens de doctrine en de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer er aanleiding kan zijn in kort geding de gedaagde tot betaling van een voorschot te veroordelen indien de betalingsverplichting vaststaat, doch er alleen geschil is over de grootte van het bedrag (zie Schenk ”Het kort geding” Voortgezet door: Blauw en De Bruijn-Luikinga, 4e dr, 1984, p.182);

Overwegende, dat thans dient te worden nagegaan of de betalingsverplichting als vereist vaststaat;

Overwegende, dat, naar als onweersproken tussen partijen vaststaat, eisers, kort nadat gedaagde het eertijds bij hem in huur zijnd pand had ontruimd en verlaten en ter vrije en algehele beschikking van hen had gesteld, de situatie waarin gedaagde het pand aan [adres] had teruggegeven, mede in bijzijn van een vertegenwoordiger van gedaagde c.q. Het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Direktoraat Cultuur hebben opgenomen en naar aanleiding daarvan opgemaakt een inventarislijst de dato 30 augustus 1994 vermeldende de beschadigde, vernielde en ontbrekende artikelen in de boven- en benedenwoning van bedoeld pand, welke inventarislijst door eisers in het geding gebracht, gedaagde niet heeft betwist of van valsheid beticht, zodat van de juistheid daarvan in het onderhavige proces moet worden uitgegaan;

Overwegende, dat eisers gedaagde dan ook terecht aansprakelijk houden voor de schade, gedurende de huurtijd aan het verhuurde toegebracht;

Overwegende, dat het antwoord op de gestelde vraag of de betalingsverplichting vaststaat, dan ook bevestigend moet luiden;

Overwegende, dat gedaagde voorts niet heeft betwist c.q van valsheid beticht de eveneens door eisers in het geding gebrachte van 29 juni 1995 daterende schriftelijke opgave van kostprijzen van de artikelen (materialen), vermeld op de inventarislijst de dato 30 augustus 1994 betreffende de boven- en benedenwoning van het litigieuze pand en van het arbeidsloon voor herstel van de op de inventarislijst aangegeven aantallen van ernstig beschadigde en verwijderde materialen, zodat Wij ook van de juistheid van gemelde opgave zullen uitgaan;

Overwegende, dat ofschoon, naar Wij van eisers begrepen hebben met de uitvoering van de reparatiewerkzaamheden aan het litigieuze pand nog geen aanvang is gemaakt en eisers derhalve nog geen kosten hebben gemaakt, Wij niettemin termen aanwezig achten eisers nu reeds een bedrag, door Ons mede aan de hand van de schriftelijke opgave de dato 27 juni 1995 te bepalen, zullen toewijzen ten einde hen in staat te stellen met de uitvoering der reparatiewerkzaamheden alvast een aanvang te maken en zo verder te lijden schade, zo niet te voorkomen maar dan toch wel te beperken, bepalende Wij, de redelijkheid en billijkheid mede in acht nemend, op Sf. 450.000,–, tot de betaling waarvan Wij gedaagde zullen veroordelen, hebbende Wij van eisers ter gehouden inlichtingencomparitie begrepen dat zij de gewone rechter voor het nog aan hem verschuldigde bedrag zullen adiëren;

Overwegende, dat Wij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen;

Rechtdoende in kort geding
Veroordelen gedaagde aan eisers bij wege van voorschot te betalen de som van Sf. 450.000,–;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Verwijzen gedaagden in de kosten van dit proces, aan eisers’ zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. …

Weigeren het meer of anders gevorderde.

SRU-K1-2011-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 090570
28 juni 2011
D.G.W.K.

VONNIS inzake

[eiser],
wonende te [district],
eiser,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

DE CENTRALE BANK VAN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat.

De kantonrechter-plaatsvervanger spreekt in naam van de Republiek het volgende vonnis uit:

1. Het verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift dat op 5 februari 2009 ter griffie der kantongerechten is ingediend, waaraan gevoegd enkele producties;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
– Ingaande 2 mei 2005 is eiser als technisch medewerker in tijdelijke dienst genomen door gedaagde voor de duur van 1 jaar;
– Ingaande 2 mei 2006 is de dienstbetrekking met 1 jaar verlengd;
– Bij schrijven d.d. 14 mei 2007 is de dienstbetrekking met zes maanden verlengd, eindigende op 31 oktober 2007;
– Bij schrijven d.d. 19 oktober 2007 is de dienstbetrekking met zes maanden verlengd, eindigende op 30 april 2008;
– Bij schrijven d.d. 13 juni 2008 is de dienstbetrekking per ingaande 1 mei 2008 verlengd en eindigende op 31 december 2008.

3. De vordering, grondslag van de vordering en het verweer

3.1 De vordering strekt primair tot:

  • voor recht verklaren dat het besluit van gedaagde om eiser te ontslaan c.q. het ontslag nietig is;
  • gedaagde te veroordelen het salaris plus alle emolumenten vanaf 1 januari 2009 aan eiser te betalen;
  • gedaagde te veroordelen eiser in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid normaal te verrichten;
  • gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad. SRD. 10.000,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke is te voldoen aan het gevorderde onder b en c;

Subsidiair:

  • Voor recht te verklaren dat het aan eiser verleende ontslag kennelijk onredelijk is.
  • Gedaagde te bevelen om eiser te herstellen in zijn dienstbetrekking dan wel aan hem tegen kwijting en vermeerderd met de wettelijke rente te betalen een door de kantonrechter vast te stellen schadeloosstelling.

Mede is gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten gronde dat het aan hem bij schrijven d.d. 13 juni 2008, 2 augustus 2008 en 19 november 2008 aangezegd ontslag per 1 januari 2009 kennelijk onredelijk is. Aangezien hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had, was voorafgaande opzegging vereist. Derhalve kon de beëindiging van de dienstbetrekking niet op de door gedaagde gepleegde wijze plaatsvinden.

3.3 Gedaagde voert aan dat het om een overeenkomst voor bepaalde tijd ging die dat ook na de verlengingen steeds gebleven is. Ingevolge artikel 1615 e lid 1 BW jo. artikel 3 lid 1 sub b Wet Ontslagvergunning is deze arbeidsovereenkomst met het verstrijken van de overeengekomen termijn van rechtswege geëindigd. Er is geen sprake van ontslagverlening.

4. De beoordeling
Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst d.d. 19 oktober 2007 (hierna te noemen: oorspronkelijke overeenkomst) na het verstrijken van de termijn van zes maanden stilzwijgend is voortgezet.

4.1 Vaststaat dat genoemde overeenkomst voor de duur van 6 maanden was aangegaan en bij het verstrijken op 30 april 2008 niet onmiddellijk en aansluitende uitdrukkelijk is verlengd. Naar de inhoud van het schrijven van 19 oktober 2007 is medegedeeld dat hij wederom voor bepaalde tijd gehandhaafd zal worden in dezelfde functie, houdt de kantonrechter het ervoor dat de gang van zaken één was waarbij de feitelijke voortzetting van de bedongen arbeid ook na de einddatum plaatshad en dat partijen ongewijzigde voortzetting van de oorspronkelijke overeenkomst wensten. Op grond van artikel 1615f lid 1 Burgerlijk Wetboek wordt onderhavige overeenkomst in beginsel dan ook geacht te zijn voortgezet voor dezelfde duur als de oorspronkelijke.

4.2 Nu, de oorspronkelijke overeenkomst was aangegaan voor de duur van zes maanden, is die tijd beslissend voor de duur van de voortgezette overeenkomst. Uitgaande van de aanvangsdatum van 1 mei 2008, verliep de voortgezette overeenkomst op 30 oktober 2008 echter, staat het partijen vrij deze termijn te verruimen en is in deze zoals uit de overeenkomst blijkt de einddatum gesteld op 31 december 2008. Hierna is eiser bij schrijven d.d. 6 augustus 2008 en 19 november 2008 medegedeeld dat de overeenkomst na expiratie niet verlengd zal worden. Het feit dat gedaagde herhaaldelijk bij genoemd schrijven uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven de arbeidsovereenkomst met eiser niet te zullen voortzetten na het verstrijken van de overeengekomen termijn moet gezien worden als een herinnering en is geen tussentijdse beëindiging.

4.3 Alleen wanneer gedaagde de overeenkomst eerder wilde opzeggen dan was conform art. 1615e lid 2 sub 3 Burgerlijk Wetboek een voorafgaande opzegging vereist, daar deze omstandigheid zich in deze niet voordeed was geen voorafgaande opzegging zijdens gedaagde vereist. Dit brengt met zich dat voor beëindiging van die overeenkomst ook geen opzegging of ontslagvergunning vereist is. Gelet op het voren overwogene staat in rechte vast dat gedaagde de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder dat er sprake is van een handelen in strijd met de wettelijke bepalingen, derhalve is de grond aan eiser zijn vorderingen komen weg te vallen en zullen deze afgewezen moeten worden. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij verwezen worden in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter;

5.1 Wijst de vorderingen af.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr.D.G.W. Karamat Ali en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 28 juni 2011, door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton te Paramaribo, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. G.R. Mangal.

w.g. G.R. Mangal w.g. D.G.W. Karamat Ali w.g I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-1979-1

Kantonrechter Eerste Kanton
13 maart 1979, AR 780747
(Mr.Dr. L.Th. Waaldijk)

[eiser], wonende in [district 1], voor wie als gemachtigden optreden Mr. K.C. Gonçalves, Mr. L.Y. Ho Kang You, Mr. J.R. von Niesewand en Mr. E.A. Hoost, advokaten, eiser,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres] te [project] in [district 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. J. Lachmon, advocaat, gedaagde,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken waaronder meer bepaald het proces-verbaal van bezichtiging d.d. 13 december 1978, ingevolge Onze rolbeschikking opgemaakt.

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekent op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis:

  • zal worden ontbonden althans ontbonden zal worden verklaard de ten rekeste gestelde huurovereenkomst;
  • gedaagde zal worden veroordeeld onmiddellijk of binnen een door de Rechter te bepalen termijn het ten rekeste vermelde gehuurde te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met medeneming van al de zijnen en al het zijne na de sleutels daarvan aan eiser te hebben afgegeven, met machtiging op eiser om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan desnoods met behulp van de Sterke Arm;
  • het sub B gevorderde uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard;
  • gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling der proceskosten.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door haar respectieve gemachtigden advocaten Mr. K.C. Gonçalves en Mr. J. Lachmon ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd:Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde hierna een schriftelijke van antwoord heeft genomen, onder overlegging van produkties, waarbij hij heeft geconcludeerd:
dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, Kosten rechtens, wordende de inhoud van deze conclusie alsmede van de overgelegde produkties geacht hier te zijn opgenomen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigde van eiser tevens produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produktie eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij bij rolbeschikking een descente hebben gelast op 13 december 1978;

Overwegende, dat bij de bevolen en gehouden descente door Ons is waargenomen en bevonden hetgeen in vorenaangehaald proces-verbaal is gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden descente heeft genomen, terwijl de gemachtigde van eiser bij mondelinge conclusie na gehouden descente heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat Wij aanvankelijk vonnis hadden bepaald op 27 maart 1979 doch bij vervroeging op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat Wij volharden bij hetgeen daaromtrent in voormeld vonnis is overwogen en Ons daarnaar zullen gedragen;

Overwegende, dat Wij blijkens het proces-verbaal van Onze plaatselijke bezichtiging hebben geconstateerd dat het litigieuze gebouw grondige reparatie nodig heeft en in een zeer slechte en verwaarloosde toestand verkeert;

Overwegende, dat voor zover gedaagde reparaties heeft verricht aan het litigieuze huis deze slechte als noodoplossingen kunnen worden gezien hetgeen Ons uit eigen waarneming is gebleken;

Overwegende, mitsdien dat het belang dat eiser heeft bij het herstellen van zijn woning en het treffen van zodanige maatregelen teneinde verdere verwaarlozing tegen te kunnen gaan, in vergelijking met het belang dat gedaagde heeft bij het, bewonen van de onderhavige woning, als resultaat bij een afweging van die belangen, te zien geeft een zodanig groter belang van eiser dat zulks een aannemen van de kwalificatie: ”dringend voor eigen gebruik nodig hebben” rechtvaardigt;

Overwegende mitsdien dat eisers vordering voor toewijzing vatbaar is en invoegen als in het dictum te vermelden;

Rechtdoende:

  • Verklaren voor ontbonden de in het inleidend verzoekschrift gestelde huurovereenkomst.
  • Veroordelen gedaagde om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis het erf met daarop staand gebouw aan [adres] te [projekt] in [district 2] te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen met medeneming van al de zijnen en al het zijne na de sleutels daarvan aan eiser te hebben afgegeven.
  • Machtigen eiser om indien gedaagde weigeren mocht blijven het voormelde gehuurde te ontruimen deze zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;
  • Verklaren dit vonnis tot zover vermeld sub Ben C uitvoerbaar bij voorraad.

Veroordelen gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 55,75 (Vijf en vijftig 75/100 gulden).

SRU-K1-2014-4

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 144268
7 oktober 2014

Vonnis in de zaak van

A. [eiseres A], en
B. [eiser B], beiden wonende te [district],
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
procederend in persoon,
gedaagde in kort geding.

1. Het procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 6 oktober 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusies van antwoord, repliek en dupliek en uitlating productie zijdens eisers, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 6 oktober 2014.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Blijkens akte van 12 november 2007 hebben eisers van gedaagde geleend het bedrag van SRD. 3.000,=. In verband met de geldlening is op het ten rekeste vermeld perceel een hypotheek gevestigd.

2.2 Bij exploit van 5 augustus 2014 heeft gedaagde aan eisers betekend de grosse van de krediethypotheek, een saldo opgave en bevel gedaan om te betalen met aanzegging van de openbare verkoop welke zal plaatsvinden op dinsdag 7 oktober 2014 om 11.30 uur des voormiddags.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1. De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  1. De stopzetting gelast van de openbare verkoop en voorts
  2. De doorhaling gelast van de hypothecaire inschrijving;

Subsidiair:

  1. De stopzetting gelast van de openbare verkoop totdat in een door eisers in te stellen bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist;
  2. De voortzetting van de openbare verkoop schorst;
  3. Gedaagde veroordeelt tot het betalen van een dwangsom en voorts
  4. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eisers hebben als grondslag voor hun vordering aangevoerd dat zij de hele schuld reeds hebben voldaan. Zij verwijzen daarbij naar de hypotheekakte, de daarin opgenomen termijn en de rente bepalingen. Voorts verwijzen zij naar een overzicht afkomstig van de Landbouwbank waarin vier betalingen zijn opgenomen voor een totaal bedrag van SRD 5.210,= op 24 december 2007, 31 maart 2008, 17 april 2008 en 2 mei 2008.

3.3. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling

4.1 Op de grondslag van eisers, namelijk dat zij de volledige schuld reeds hebben voldaan heeft gedaagde de volgende zaken als verweer aangevoerd: 1. Dat eisers het perceel inmiddels aan twee andere personen hebben verkocht. 2. Dat eisers op 4 februari 1998 een volmacht aan hem hebben verstrekt met betrekking tot het perceel; 3. Dat hij gelden heeft betaald om het perceel te kopen; 4. Dat de schuld nog niet volledig is voldaan en dat er wel betalingen zijn gedaan doch dat niet blijkt waarvoor er is betaald.

4.2 Eisers hebben op het verweer gereageerd en aangegeven dat het perceel wel is verkocht doch niet is geleverd en dat dat gegeven niets van doen heeft met de vordering; dat de volmacht van 1998 een ander perceel betreft en derhalve niet relevant is voor de beoordeling van de onderhavige vordering evenals de kwitantie van 1998; dat de schuld wel is voldaan, hetgeen blijkt uit de aflossingen die uit de Staat van de Landbouwbank blijken en ook uit de annuïteiten staat die eisers hebben overgelegd.

4.3 De kantonrechter overweegt dat, gelijk eisers stellen, het eventueel verkopen van het perceel geen relatie heeft met de vraag of de totale schuld is voldaan. Ook de volmacht en het bedrag dat is betaald, hebben geen relatie tot de vraag of de schuld is voldaan. Dat verweer moet dan ook worden verworpen.

4.4 Ten aanzien van het verweer dat de schuld niet is voldaan overweegt de kantonrechter dat eisers hun grondslag met de twee overgelegde documenten hebben onderbouwd. Gedaagde heeft bloot ontkend dat de schuld is voldaan doch geen specifiek verweer gevoerd ten aanzien van de documenten, terwijl in het document van de Landbouwbank melding wordt gemaakt van de overeenkomst tussen partijen.

4.5 Nu gedaagde de documenten niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft weersproken is aannemelijk geworden dat de schuld reeds volledig is voldaan.

4.6 Om die reden zal de kantonrechter de stopzetting gelasten van de veiling. De doorhaling zal worden afgewezen nu daarvoor geen spoedeisend belang is aangetoond en gedaagde heeft betwist dat het royement moet plaatsvinden.

4.7 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De Beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de openbare verkoop d.d. 7 oktober 2014 om 11.30 uur v.m., aangezegd bij exploit van 5 augustus 2014 van deurwaarder H.B. Verwey met exploitnummer 212, en verbiedt gedaagde nogmaals tot openbare verkoop van het onroerend goed op grond van de ten rekeste vermelde krediethypotheek over te gaan, totdat in een door eisers in te stellen bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist;

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te boven gaand, voor elke dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde.

5.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 275,= (tweehonderd vijf en zeventig Surinaamse dollar);

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatvervanger in kort geding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 7 oktober 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-1996-1

Kantonrechter Eerste Kanton
2 april 1996, A.R. 756323
(Mr. E.S. Ombre)

[eiser 1], weduwe van [naam], [eiser 2], [eiser 3], tijdelijk verblijfhoudende te [plaats] in [district 1], gemachtigde: Mr. R.W. van Ritter, advocaat, eisers,

tegen

[gedaagde], wonende te [district 2] aan [adres], gemachtigde: Mr. A.R. Baarh, advocaat, gedaagde,

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Procesgang

    • Bij conclusie van eis overeenkomstig het op 31 oktober 1995 ingediende verzoekschrift hebben eisers, voor zoveel hier nog van belang, gevorderd:
    • om bij vonnis de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning staande en gelegen te [district 2] aan [adres] te ontbinden althans ontbonden te verklaren;
    • om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde te veroordelen om binnen twee weken na de uitspraak, althans binnen een door de ’Rechter te bepalen redelijke termijn de woning staande op het perceel gelegen te [district 2] aan [adres] met alle van zijnentwege daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en deze ter algehele en vrije beschikking van eisers te stellen, met machtiging aan eisers om ter uitvoering van het vonnis de hulp van de Sterke Arm in te roepen;
    • bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om zolang hij nog in de woning zal verblijven maandelijks te rekenen van 1 november 1995 aan eisers te betalen de huur ad Nƒ 150,– (EENHONDERD EN VIJFTIG GULDEN NEDERLANDS COURANT) per maand, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant tegen de koers van de dag van betaling, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

De gemachtigde van gedaagde heeft een schriftelijke conclusie van antwoord genomen en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers, althans tot ontzegging van de vordering.
Er is schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.
De uitspraak van het vonnis is oorspronkelijk bepaald op 18 juni 1996, maar bij vervroeging op heden,

Motivering

  1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde produkties, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende rechtens vast:
    1. eisers zijn de enige erfgenamen van [naam], nader te noemen [naam], overleden in [district 1] op 29 januari 1995.
    2. [naam] heeft op 7 december 1994 schriftelijk aan gedaagde verhuurd de aan hem in eigendom toebehorende woning gelegen te [district] aan [adres] voor de duur van twee jaren ingaande 1 januari 1995, en wel tegen een huurprijs van Nƒ 100,– per maand voor de periode 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 en tegen een huurprijs van Nƒ 150,– per maand voor de periode 1 juli 1995 tot en met 31 december 1996.
    3. [naam] was staflid van de [maatschappij] en had een dienstwoning toegewezen gekregen. Na het overlijden van haar man heeft eiseres sub 1 een schrijven van de [maatschappij] ontvangen d.d. 24 februari 1995, waarin zij wordt aangezegd om de dienstwoning uiterlijk 1 april 1995 te ontruimen. Bij schrijven van 25 september 1995 heeft genoemde maatschappij aan eiseres medegedeeld dat zij uiterlijk 31 oktober 1995 de woning zal dienen te ontruimen, aangezien de Maatschappij anders genoodzaakt zal zijn om de nieuwe bewoner op kosten van eiseres elders in [district 2] te huisvesten.
    4. Bij brief van 23 maart 1995 heeft Mr. R. van Ritter, namens eiseres sub 1, aan gedaagde een fotocopie van de hierboven genoemde brief van de [maatschappij] d.d. 24 februari 1995 doen toekomen en heeft aan gedaagde tot uiterlijk 30 juni 1995 gegund om het door hem gehuurde te ontruimen.
  2. Als door eisers gesteld en door gedaagde niet betwist staat vast dat in het huurcontract abusievelijk vermeld staat dat de huurovereenkomst op 31 december 1997 eindigt (en niet op 31 december 1996).
  3. Eisers vorderen thans, kort gezegd, de ontbondenverklaring van de hierboven onder 1.2 vermelde huurovereenkomst en de ontruiming van gedaagde op grond dat de woning aan [adres] het enige onroerend goed is waarover eisers beschikken en dat zij door het plotselinge overlijden van [naam] in een overmachtspositie zijn komen te verkeren en door nood gedwongen voor eigen gebruik over die woning dienen te beschikken.
  4. Eisers bedoelen met hun stelling dat zij in een overmachtspositie zijn komen te verkeren geen beroep te doen op overmacht, maar hebben daarmee kennelijk niets anders willen zeggen dan datgene wat zij verder op in het verzoekschrift ook stellen, te weten dat zij door het plotselinge overlijden van [naam] en als gevolg daarvan het opeisen van de door hen bewoonde dienstwoning door de [maatschappij], wat hun huisvesting betreft, in een noodsituatie zijn komen te verkeren.
    Het verweer van gedaagde dat eisers geen beroep kunnen doen op overmacht gaat aan het voorgaande voorbij en verder dan ook geen bespreking.
  5. Aan de orde is de vraag of eisers, wat hun huisvesting betreft, in een zodanige noodtoestand verkeren dat van gedaagde kan worden gevergd om het gehuurde te hunnen behoeve te ontruimen. Het feit dat eisers de door hen bewoonde dienstwoning moeten ontruimen en geen andere woning bezitten dan die welke aan gedaagde is verhuurd leidt tot de conclusie dat eisers die woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik .
    De omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een verhuurder, wat zijn behoefte aan huisvesting betreft, in een noodtoestand is komen te verkeren kunnen ertoe leiden dat die verhuurder niet te goeder trouw een beroep op die noodtoestand kan doen. De geheel in het algemeen door gedaagde gestelde mogelijkheid van het overlijden van de verhuurder-rechtsvoorganger gedurende de loop van de huurovereenkomst is niet zo een omstandigheid.
    De vorderingen van eisers tot ontbondenverklaring van de huurovereenkomst en tot ontruiming van gedaagde kunnen dan ook worden toegewezen. Hieraan doet niet af dat de huur voor bepaalde tijd is aangegaan, omdat gedaagde wordt vermoed ermee bekend te zijn dat ook dergelijke huurovereenkomsten tussentijds kunnen worden opgezegd en hij derhalve, anders dan hij beweert, er niet op mocht rekenen dat hij tot het einde van de overeengekomen huurtermijn het genot van het gehuurde zou hebben.
    Ook doet daaraan niet af dat gedaagde het huis en het erf met toestemming van [naam] heeft aangepast “om aan het representatieve doel te voldoen”, aangezien uit gedaagde’s stellingen volgt dat die aanpassing enkel in zijn belang is geschied.
  6. Gelet enerzijds op de ernst van de aanmaning van de [maatschappij] aan gedaagde om de dienstwoning te ontruimen, zoals blijkt uit de brief van 25 september 1995, en anderzijds het feit dat gedaagde reeds langer dan een jaar ervan op de hoogte is dat de [maatschappij] bij eisers aandringt op ontruiming van de dienstwoning en eisers in verband daarmee over het gehuurde willen beschikken, zal de ontruimingstermijn worden bepaald op één maand na de betekening van dit vonnis.
  7. Er zijn geen feiten gesteld waaruit volgt dat er vrees bestaat dat gedaagde de te vervallen huurtermijnen niet zal voldoen, zodat de vordering om gedaagde te veroordelen die termijnen te voldoen niet kan worden toegewezen.
  8. De proceskosten zullen als hieronder volgt tussen partijen worden gecompenseerd, nu zij over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

  • Verklaren voor ontbonden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] te [district 2].
  • Veroordelen gedaagde om binnen EEN MAAND na de betekening van dit vonnis voormelde woning met alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en deze ter algehele en vrije beschikking van eisers te stellen.

Machtigen eisers om, indien .gedaagde in gebreke blijft aan voormelde veroordeling gevolg te geven, de ontruiming zelf ter hand te nemen en ter uitvoering van dit vonnis de hulp van de Sterke Arm in te roepen.

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseren de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijzen af hetgeen meer of anders is gevorderd.

SRU-K1-1997-2

Kantonrechter Eerste Kanton
2 oktober 1997, A.R. 972251
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser], wonende aan [adres 1] te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. Hooplot, advokaat, eiser in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres 2] in [district 1], gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld binnen 1 (één) week na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door Ons in goede justitie vast te stellen termijn de woning te [district 1] aan [adres 2], te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich van zijnentwege daarin mocht bevinden onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking te stellen van eiser;

Voorts eiser zal worden gemachtigd de ontruiming zelf uit te voeren indien gedaagde daarmede in gebreke blijft, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr. Marica namens de gemachtigde van eiser en de gedaagde in persoon ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. Marica namens de gemachtigde van eiser overeenkomstig vermeld verzoekschrift voor eis heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat gedaagde bij wege van mondelinge conclusie van antwoord heeft verklaard:

dat hij een halfbroer is van eiser;

dat hetgeen in het 3e “dat” van het verzoekschrift is gesteld niet juist is;

dat hij in december 1995 met [naam 1] een overeenkomst van huur en verhuur heeft gesloten betreffende de woning aan de [adres 2];

dat eiser bij het sluiten van de overeenkomst van huur en verhuur nog geen eigenaar was van de woning;

dat de woning niet grondig behoeft te worden gerepareerd;

Overwegende dat de proces gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij bij rolbeschikking de dato 14 augustus 1997 een comparitie van partijen hebben gelast;

Overwegende, dat Wij hierna bij rolbeschikking comparitie van partijen hebben bevolen, welke op 21 augustus 1997 is gehouden, ter welke comparitie zijn verschenen eiser bijgestaan door zijn gemachtigde en de gedaagde in persoon door Ons opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat Wij op grond van de zich in het proces-dossier bevindende notariële akte de dato 2 mei 1996 gevoegd bij de aan Ons ter terechtzitting van 21 en 29 augustus 1997 verstrekte informaties, bewezen achten en als tussen partijen rechtens vaststaand aannemen, dat [naam 2], bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 15 maart 1984, [nummer], van welke beschikking een afschrift is overgeschreven ten hypoheekkantore op 5 april 1984 in register C927 onder [nummer], is verleend het recht van grondhuur – vervallende 5 april 2024 – op het perceelland groot 513,57 m2 gelegen in [district 2], thans [district 1] aan [adres 3] , van het zogenaamde [projekt], en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter G.R. Liesdek de dato 28 november 1983, met de letters ABCD, voor de tijd van 40 jaren, gerekend vanaf 5 april 1984;

Overwegende, dat naar Wij veronderstellenderwijs van uitgaan, eiseres, nadat vorenomschreven perceelland haar in grondhuur was afgestaan, op dat perceelland heeft gebouwd althans laten bouwen een woning;

Overwegende, dat, naar voorts blijkt uit de zich in het procesdossier bevindende akte de dato 26 december 1995, [naam 1], zoon van [naam 2], de woning en het perceelland met ingang van 1 januari 1996 voor een periode van twee jaar en voor de prijs van ƒ 5000,– per maand aan gedaagde heeft verhuurd;

Overwegende, dat, naar wijders uit de eerder aangehaalde notarië1e akte blijkt, eiser door koop van en levering aan hem door [naam 2], op 20 september 1996 eigenaar is geworden van het recht van grondhuur op vorenomschreven perceelland met daaropstaande woning;

Overwegende, dat eiser stellend (7e “dat” van het verzoekschrift) dat gedaagde thans zonder recht of titel in de woning verblijft, heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen, binnen 1 (één) week na de uitspraak van het in deze te wijzen, vonnis, althans binnen een door Ons in goede justitie vast te stellen termijn de woning aan de [adres 2] te [district 1], te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich van zijnentwege daarin mocht bevinden onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking te stellen van eiser; voorts eiser te machtigen de ontruiming zelf uit te voeren indien gedaagde daarmede in gebreke blijft, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Overwegende, dat Wij, uitgaande van de door Ons als tussen partijen rechtens vaststaand aangenomen feiten, opmerken, dat een algemene bepaling, dat de verhuurder eigenaar, of zakelijk of persoonlijk tot de zaak gerechtigd zou moeten zijn, onze wet niet kent;

dat de verhuurder geen eigenaar behoeft te zijn; niet alleen, dat een voorschrift als dat van artikel 1492 BW ten aanzien van de huur ontbreekt maar artikel 1580 BW duidelijk doet uitkomen, dat ook de niet eigenaar kan verhuren;

dat voorts ook een geheel onbevoegde als verhuurder kan optreden; wel behoeft in een dergelijk geval de eigenaar zich natuurlijk aan de huurovereenkomst niet te storen, maar deze laatste blijft alszodanig geldig en de huurder verhaal heeft op de verhuurder;

Overwegende, dat Wij wijders opmerken, dat de wetgever echter in enkele gevallen de bevoegdheid om te verhuren beperkt of uitgesloten heeft, doch dat nu geen van die gevallen zich in casu voordoet bespreking van die gevallen in dit proces achterwege behoort te blijven;

Overwegende, dat Wij, gegeven de door Ons als tussen partijen rechtens vaststaand aangenomen feiten, van oordeel zijn, dat ofschoon [naam 1] geheel onbevoegd was de woning aan de [adres 2] te [district 1] aan gedaagde te verhuren, die tussen hem en gedaagde gesloten huurovereenkomst als zodanig geldig is gebleven;

Overwegende evenwel, dat [naam 2], de vorige eigenares van het zakelijk recht van grondhuur op vorenomschreven perceelland met daaropstaande woning, zich in een dergelijk geval natuurlijk niet aan die huurovereenkomst behoefde te storen en eiser als rechtsverkrijger onder bijzondere titel van genoemde [naam 2] in casu evenmin, omdat artikel 1597 BW (vervreemding breekt geen huur) hier toepassing mist;

Overwegende, dat eiser dan ook terecht aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde thans zonder recht of titel in de woning verblijft;

Overwegende, dat gedaagde door te weigeren de litigieuze woning te ontruimen, inbreuk maakt op eisers eigendomsrecht op het zakelijk recht van grondhuur op vorenomschreven perceelland met daaropstaande woning en zich jegens eiser schuldig maakt aan een onrechtmatige daad met zijn schuld daaraan als gevolg waarvan eiser schade lijdt, ziende Wij in het instellen van de onderhavige vordering door eiser tegen gedaagde een door eiser getroffen maatregel die schade te beperken;

Overwegende dat Wij de van Ons verlangde voorziening verlenend, gedaagde desondanks een ontruimingstermijn zullen toestaan van twee maanden na dagtekening van deze uitspraak waarbij onder meer rekening gehouden is met de heersende woningnood hier te lande die hoe langer hoe hoger aan het worden is en er geen zicht op verbetering van deze situatie, ook niet op lange termijn, naar Ons voorkomt te verwachten is;

Overwegende, dat Wij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen;

Rechtdoende in Kort Geding:

Veroordelen gedaagde binnen twee maanden na dagtekening van deze uitspraak de woning (en perceelland) aan [adres 2] te [district 1] met medeneming van alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en/of goederen, te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels daarvan ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen; met machtiging op eiser om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 7.280,50 (zeven duizend tweehonderd en tachtig 50/100 gulden).

Weigeren het meer of anders gevorderde.