SRU-K1-2010-10

Kantonrechter Eerste Kanton
14 december 2010, A.R. 012519
(mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran)

A. [eiser sub A], wonende in Nederland,
B. [eiser sub B], rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo, hierna te noemen [eisers], eiseres in conventie en gedaagden in reconventie,
gemachtigde, mr. C.Ch. Bhagwandin, advocaat.

ca

A. [gedaagde sub A],
B. [gedaagde sub B],
C. [gedaagde sub C] en
D. [gedaagde sub D],

Allen wonende te Paramaribo, hierna te noemen de [erven], gedaagden in conventie en eisers in reconventie, gemachtigde: mr. B. Halfhide, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op de tussenvonnissen respectievelijk gedateerd 11 juli 2006, 24 juli 2007, 27 oktober 2009 en 27 juli 2010.

Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het proces-verbaal van de op 30 augustus 2010 gehouden enquête;
– de conclusie na gehouden enquête zijdens parijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling
In conventie en in reconventie

2.1 [eisers] zijn in de gelegenheid gesteld om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen dat de [erflater] zich op 9 juni 2001 “onvindbaar” heeft gemaakt en voorts dat hij geen bewijs van kwijting wilde geven voor het te ontvangen bedrag van US$200.000,=.

Ter voldoening aan het voorgaande hebben [eisers] 2 getuigen doen horen te weten [getuige 1] en [getuige 2].

2.2 [getuige 1] heeft zover van belang het volgende aangevoerd:
“Ik ben bekend met de heer [erflater]. Ik ben op de hoogte van een koopovereenkomst gesloten tussen [eiser sub A] en [erflater]. Op een dag reed ik samen met [eiser sub A] en een vriend genaamd [achternaam getuige 2] langs [erflater] op de hoek van [wegen 1]. Wij zijn toen gaan kijken naar het gebouw en zagen een contacttelefoonnummer. [eiser sub A] was geïnteresseerd in het gebouw en heeft toen op het zelfde moment gebeld op het nummer. Hij kreeg meneer [erflater] aan de telefoon en er werd een afspraak gemaakt voor de volgende dag om het pand te bezichtigen. De volgende dag zijn wij weer met zijn drieën geweest om het gebouw te bezichtigen. Wij hebben toen een rondleiding gehad van de heer [erflater]……….Ik begreep toen dat de volgende betalingen zouden worden gepleegd. Alleen weet ik niet welk bedrag zou worden betaald. Daarmee bedoel ik dat ik niet weet of het bedrag in één keer moest worden betaald danwel in delen. De volgende dag werd ik door [eiser sub A] opgehaald om ten huize van de heer [erflater] te gaan. Naar mijn weten gingen we voor de betaling, gezien de afspraken van de dag daarvoor gemaakt. Ook zag ik [eiser sub A] met een tas en ik vermoedde dat daarin geld zat. Onderweg naar de heer [erflater] hebben wij steeds gebeld, maar er werd niet opgenomen. Op een goed moment kregen we bezettoon en reden toen rechtstreeks daarnaartoe. Aldaar aangekomen belden wij aan maar er werd niet gereageerd. Na een tijdje daar te hebben aangebeld kwam de heer [erflater] naar buiten en stond hij ons te woord. Ik stond erbij toen hij aan [eiser sub A] zei dat hij kon betalen, maar geen kwitantie zou krijgen. Hij zei nog dat als [eiser sub A] niet zonder een kwitantie zou betalen, de koop niet door zou gaan……”.

[getuige 2] heeft het volgende verklaard, zo ver van belang:
“……. Op een dag reed ik richting [wegen 2] en heb ik een bord gezien aan het gebouw van [erflater] op de hoek van [wegen 1]. Op het bord stond “te koop”. Nadat ik dat had gezien heb ik dat voorgehouden aan [eiser sub A] en heb ik hem voor het pand geïnteresseerd, omdat wij samen zaken doen……… Ik ben toen samen met [eiser sub A] gegaan om het pand te bezichtigen. Aldaar heeft [eiser sub A] op contacttelefoonnummer gebeld en heeft hij met de heer [erflater] gesproken. Er is toen een afspraak gemaakt voor dezelfde dag in de middag tussen 15.00 en 15.30 uur. Wij zijn toen [getuige 1] op gaan halen en met zijn drieën naar het pand getogen ter bezichtiging. [erflater] heeft toen een rondleiding gegeven in het pand…… [eiser sub A] heeft toen met [erflater] afgesproken dat hij de volgende dag bij [erflater] zou gaan om een overeenkomst te tekenen. De overeenkomst zou in houden dat [eiser sub A] het pand zou kopen en dat [erflater] het pand zou overdragen aan [eiser sub A] wanneer deze terug zou komen uit Nederland…….. Omstreeks 19.00 uur de volgende avond ging ik samen met [eiser sub A] en [getuige 1] naar de woning van [erflater] voor het tekenen van de overeenkomst. Ik kan mij niet heugen of wij die avond hebben gebeld naar [erflater]. Wel weet ik dat we aldaar aangekomen, ongeveer 15 minuten hebben getoeterd voordat de heer [erflater] naar buiten kwam. Toen hij uiteindelijk uit de woning kwam heeft hij ons voorgehouden dat hij het pand niet meer zou verkopen. Hij heeft verder aan [eiser sub A] gezegd dat die het pand niet zou kunnen kopen. Ook heeft hij gezegd dat [eiser sub A] drugsgeld bezit. Ik weet niet wat voor afspraken partijen hadden gemaakt voor wat betreft de betaling. U houdt mij voor dat [getuge 1] heeft verklaard dat [eflater] op die bewuste avond geen kwitantie wilde geven voor kwijting van het te betalen bedrag en u vraagt mij wat ik daarover te zeggen heb. Ik verklaar u hierop dat ik niets daarover weet. U confronteert mij met [getuige 1] en ik hoor hem zeggen dat hij niets heeft gehoord, dat de heer [erflater] het pand niet meer wilde verkopen en dat hij gezegd zou hebben dat [eiser sub A] het pand niet zou kunnen kopen en dat hij drugsgelden bezat……..”

2.3 De kantonrechter constateert dat er vele tegenstrijdigheden zijn in de verklaringen van de getuigen.

De geconstateerd tegenstrijdigheden worden hieronder opgesomd:
– Het bezichtigen van het pand:
Volgens [getuige 1] reed hij samen met [eiser sub A] (eiser conventie) en een vriend genaamd [achternaam getuige 2] langs [erflater] op de hoek van de [wegen 1]. Zij zijn toen gaan kijken naar het gebouw en zagen een contacttelefoonnummer. [eiser sub A] was geïnteresseerd in het gebouw en heeft toen op hetzelfde moment gebeld op het nummer. Hij kreeg meneer [erflater] aan de telefoon en er werd een afspraak gemaakt voor de volgende dag om het pand te bezichtigen. [getuige 2] daarentegen heeft verklaard dat hij op een dag reed richting [wegen 2] toen hij een bord heeft gezien aan het gebouw van [erflater] op de hoek van de [wegen 1]. Op het bord stond “te koop”. Nadat hij dat had gezien heeft hij dat voorgehouden aan [eiser sub A] en heeft hij hem voor het pand geïnteresseerd, omdat zij samen zaken doen. Aldaar heeft [eiser sub A] op het contacttelefoonnummer gebeld en heeft hij met de heer [erflater] gesproken. Er is toen een afspraak gemaakt voor dezelfde dag in de middag tussen 15.00 en 15.30 uur.

Zij zijn toen [getuige 1] op gaan halen en met en met zijn drieën naar het pand getogen ter bezichtiging.
– [getuige 1] heeft verklaard dat volgens hem (althans dat begreep hij) betalingen zouden worden gepleegd de volgende dag terwijl [getuige 2] heeft verklaard dat [eiser sub A] de volgende dag bij [erflater] zou gaan om een overeenkomst te tekenen. De overeenkomst zou inhouden dat [eiser sub A] het pand zou kopen en dat [erflater] het pand zou overdragen aan [eiser sub A] wanneer deze terug zou komen uit Nederland.
– Met betrekking tot het gesprek met [erflater] op de dag na de bezichtiging van het pand, heeft de [getuige 1] verklaard dat [erflater] aan [eiser sub A] zei dat hij kon betalen, maar dat hij geen kwitantie zou krijgen en verder dat als [eiser sub A] niet zonder een kwitantie zou betalen, de koop niet door zou gaan.
[getuige 2] verklaart echter dat [erflater] hen toen heeft voorgehouden dat hij het pand niet meer zou verkopen: voorts dat hij aan [eiser sub A] heeft gezegd dat die het pand niet zou kunnen kopen en dat [eiser sub A] drugsgeld bezit. [getuige 2] heeft verklaard niet te weten wat voor afspraken partijen hadden gemaakt voor wat betreft de betaling.

2.4 De getuigen zijn ook met elkaar geconfronteerd voor wat betreft enkele van de geconstateerde tegenstrijdigheden, maar konden geen verklaring daarvoor geven. Gelet op de omstandigheid dat volgens de getuigen zij steeds met [eiser sub A] aanwezig waren bij de onderhandelingen met [erflater] roepen de tegenstrijdigheden, vraagtekens op. Dit heeft tot gevolg dat de verklaringen van de getuigen niet geloofwaardig overkomen. [eiser sub A] heeft het van hem verlangde bewijs niet kunnen leveren.

De stellingen van [eiser sub A] zijn dan ook niet in rechte komen vast te staan, zodat de vordering in conventie dient te worden afgewezen.

2.5 Op grond van al het voorgaande dient het gelegd conservatoir beslag ten laste van de [erven] te worden opgeheven. De vordering in reconventie is derhalve toewijsbaar.

2.6 [eisers] zullen als de in het ongelijk gesteld partij de proceskosten moeten dragen, zo in conventie als reconventie.

3. De beslissing
In conventie

3.1 Wijst de vordering af.

In reconventie

3.2 Heft op het bij exploot van de deurwaarder Tj. Jhagroe dd. 29 juni 2001 no. 486, gelegd conservatoir beslag op de in dat exploot omschreven onroerende goederen.

3.3 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

3.4 Veroordeelt [eisers] in de proceskosten aan de zijde van de [erven] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo, op dinsdag 14 december 2010 door de kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. G.R. Mangal.

Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-K1-2007-2

A.R. No. 063266

BETALEND
A.R. No. 063266
S.P. 12 juli 2007

[verzoeker], wonende aan [adres], [district], voor wie als gemachtigde optreedt, [naam];
verzoeker,
tegen

PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat;
verweerder,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat verzoeker bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd de (fictieve) beslissingen van de president van de Republiek Suriname en/of de minister van Binnenlandse Zaken te vernietigen en de minister van Binnenlandse Zaken conform Artikel 21 van de voornoemde Kiesregeling te bevelen opdat eiser alsnog in de Kiezerslijsten wordt opgenomen.

Overwegende, dat te dienende dage verzoeker in persoon en de verweerder vertegenwoordigd door mr. A.R. Baarh, advocaat, ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de verzoeker voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een verweerschrift heeft ingediend onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een schriftelijke conclusie van repliek onder overlegging van producties heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een schriftelijke conclusie van dupliek verweer heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT;
Overwegende, dat nu van een door de Minister van Binnenlandse Zaken daadwerkelijk gegeven beslissing niet gebleken is en daaromtrent door verzoeker niets is gesteld zodat Wij er van uitgaan dat een dergelijke beslissing rechtens niet bestaat, ontgaat het de kantonrechter daarom geheel hoe Hij die beslissing zou kunnen vernietigen als door verzoeker mede verzocht nog daargelaten dat daaromtrent door de President van de Republiek Suriname geen beslissing is genomen kunnen worden; te dien aanzien zal worden beslist als in het dictum van deze beslissing te melden;

Overwegende voorts, dat nu verzoeker niet binnen tien dagen na de openbare publicatie van de beslissing van de President van de Republiek Suriname in beroep is gegaan bij de kantonrechter in het Eertse Kanton, zijnde de beslissing van de President van de Republiek Suriname die van 6 oktober 2006 dateert in het openbaar gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname de dato 30 januari 2007 en verzoeker binnen tien dagen na dagtekening van die openbare publicatie van die beslissing in beroep had moeten gaan bij de kantonrechter in het Eerste Kanton (zie artikel 20 lid 1 van de Geldende Tekst van de Kiesregeling), naar wat hij, naar Ons gebleken is, nagelaten heeft, zullen Wij hem in zijn verzoek om vernietiging van de beslissing van de President van de Republiek Suriname niet ontvankelijk verklaren;

Overwegende, dat verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten zal hebben te dragen;

Beslissende in beroep

Verstaat, dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken rechtens niet bestaat;

En voorts:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn beroep van de beslissing van de President van de Republiek Suriname de dato 6 oktober 2006;

Verwijzen verzoeker in de proceskosten, aan de zijde van de verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting in beroep van donderdag 12 juli 2007 door de kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. H.E. Struiken, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S. Tika.
w.g. S. Tika w.g. H.E. Struiken

SRU-K1-2017-9

Kantonrechter in Kort geding
A.R. no. 163007
30 juni 2017

Vonnis in de zaak van

STICHTING LAWA ALL-IN PROJECTS,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. H. Schurman, advocaat,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “Stichting Lawa”,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

B. STICHTING CONSERVATORIUM SURINAME, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. N.U. van Dijk, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. I.D. Kanhai, advocaat,
gedaagden in conventie,
gedaagde sub B tevens eiseres in reconventie in kort geding,
hierna te noemen: “de Staat en Stichting Conservatorium”.

1. Het proces verloop;

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift, met producties, dat op 9 juni 2016 ter griffie der kantongerechten is ingediend,
– de conclusie van antwoord zijdens de Staat,
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie zijdens de Stichting Conservatorium, met producties,
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, met producties,
– de conclusie van dupliek zijdens de Staat,
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie, zijdens de Stichting Conservatorium,
– de conclusie van dupliek in reconventie,
– de rolbeschikking d.d. 26 januari 2017,
– de conclusie tot overlegging conclusie van antwoord zijdens de Staat.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Stichting Lawa heeft bij verzoekschrift van 19 november 2015 in grondhuur aangevraagd het perceelland groot 4485 vierkante meter.

2.2 Bij beschikking van 7 maart 2016 heeft de Staat zich bereid verklaard het perceel in grondhuur uit te geven aan de Stichting Lawa waarbij voorwaarden zijn gesteld.

2.3 Bij beschikking van 28 april 2016 is de bereidverklaringsbeschikking ingetrokken

2.4 Bij beschikking van 26 april 2016 heeft de Staat zich bereid verklaard het perceel in grondhuur uit te geven aan de Stichting Conservatoriuim.

2.5 Bij schrijven van 12 mei 2016 heeft de Stichting Lawa aan de Staat het verzoek gedaan om het perceel alsnog aan haar in grondhuur uit te geven. In dat schrijven brengt zij ter kennis van de Staat dat zij door de bereidverklaring ervan uit mocht gaan dat het perceel aan haar in grondhuur zou worden uitgegeven. Dat zij daarom enorme investeringen heeft gepleegd en goederen ten bedrage van USD 200.000,= voor het complex heeft aangeschaft. Het bij nader inzien niet meer uitgeven in grondhuur aan de Stichting Lawa is dan ook onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.6 Bij schrijven van 16 mei 2016 heeft de Staat aan de Stichting Lawa te kennen gegeven dat het niet mogelijk is het perceel nog in grondhuur aan haar uit te geven. De Staat stelt in dat schrijven dat zij op 28 april 2016 een gesprek had met de Stichting waarbij aan de Stichting is medegedeeld dat de bereidverklaring per abuis was verstrekt en dat op een later tijdstip bleek dat het grond betrof welke was bestemd voor het conservatorium. De Staat verwijst in dat schrijven tevens naar punt c van paragraaf IV van de bereidverklaringsbeschikking waarin als voorwaarde staat opgenomen dat aan de bereidverklarende beschikking generlei rechten ontleend kunnen worden en dat er geen activiteiten van welke aard an ook vooruitlopend op het verlenen van het recht van grondhuur op het perceelland verricht kunnen worden.

2.7 Bij schrijven van 12 mei 2016 heeft de Staat aan de Stichting Lawa ook te kennen gegeven dat de Stichting alle activiteiten op het terrein moet staken.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering in conventie

Stichting Lawa vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

De Staat veroordeelt om onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken de beschikking van 26 april 2016 alsmede de eventuele toewijzingsbeschikkingen die na de indiening van de vordering aan de Stichting Conservatorium zijn verleend, op straffe van een dwangsom;

De Staat gelast tot uitgifte over te gaan van het recht van grondhuur aan de Stichting Lawa op straffe van een dwangsom,

De Stichting Conservatorium verbiedt rechtshandelingen terzake het perceel te verrichten onder verbeurte van een dwangsom,

De Stichting Conservatorium veroordeelt om het vonnis te gehengen en te gedogen,

De Staat en de Stichting Conservatorium veroordeelt in de proceskosten.

Subsidiair:

De Staat veroordeelt om onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken de beschikking van 26 april 2016 alsmede de eventuele toewijzingsbeschikkingdie na de indiening van de vordering aan de Stichting Conservatorium zijn verleend, op straffe van een dwangsom,

– De Staat gelast om binnen een door de kantonrechter vast te stellen termijn het besluit tot honorering van de aanvraag van de Stichting Lawa d.d. 19 november 2015 te heroverwegen;
– De Staat verbiedt om het perceelland geheel noch gedeeltelijk in grondhuur aan derden uit te geven;
– De Stichting Conservatorium verbiedt om rechtshandelingen terzake het perceelland te verrichten onder verbeurte van een dwangsom,
– De Stichting Conservatorium veroordeelt om het vonnis te gehengen en te gedogen en voorts,
– De Staat en de Stichting Conservatorium veroordeelt in de proceskosten.

3.2 De grondslag

De Stichting Lawa heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij door de bereidverklaring ervan uit mocht gaan dat het perceel aan haar in grondhuur zou worden uitgegeven. Dat zij daarom enorme investeringen heeft gepleegd en goederen ten bedrage van USD.200.000,= voor het complex heeft aangeschaft. Het bij nader inzien niet meer uitgeven in grondhuur aan de Stichting Lawa is dan ook onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De vordering in reconventie

De Stichting Conservatorium vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:

De Stichting Lawa verbiedt om het perceelland groot 9357,76 te betreden en beheersdaden van welke aard dan ook te verrichten op straffe van een dwangsom.

3.4 De grondslag

De Stichting Conservatorium heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat zij het perceel reeds in grondhuur heeft verkregen en doende is het perceel in te richten voor de opzet van het conservatorium. Zij heeft gemerkt dat de Stichting Lawa zich ook op het perceel bevindt en doende is andere delen van het perceel te ontbossen terwijl dat niet de bedoeling is. Hierdoor loopt de Stichting Conservatorium het risico dat zij het perceelland niet kan inrichten zoals zij dat wenst en donoren het noodzakelijk achten.

4. Het verweer

Zowel de Staat en de Stichting Conservatorium enerzijds als de Stichting Lawa anderzijds hebben, repectievelijk in conventie en reconventie, verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

5. De Beoordeling

In conventie

5.1 De Staat heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. Dat zij inderdaad een bereidverklaring heeft verleend doch daarna merkte dat het perceelland was gereserveerd voor het opzetten van een conservatorium; 2. Dat zij dat gelijk in april 2016 tijdens een onderhoud aan de Stichting Lawa heeft voorgehouden; 3. Dat de Stichting Lawa voor eigen risico investeringen heeft gepleegd omdat in de voorwaarden van de bereidverklarende beschikking is opgenomen dat die beschikking nog geen recht geeft op het perceel en dat de beschikking ook niet het recht verleend om vooruitlopend op de uitgifte activiteiten van welke aard dan ook uit te voeren.

5.2 De Stichting Conservatorium heeft als verweer onder andere het volgende aangevoerd: 1. Dat zij rechtsgeldig het recht van grondhuur heeft verkregen voor het perceel groot 9357,76 en de beschikking heeft overgeschreven in het register van het hypotheekkantoor; 2. Dat het perceel dat de Stichting Conservatorium heeft verkregen andere afmetingen heeft dan het door de Stichting Lawa aangevraagde perceel, waardoor het niet hetzelfde perceel betreft; 3. Dat de bereidverklaring het karakter heeft van een toezegging met als gevolg dat de burger slechts recht kan hebben op schadevergoeding, indien het niet waarmaken van de toezegging in strijd zou zijn met de wet; dat uit de bereidverklaringsbeschikking blijkt dat die beschikking generlei rechten aan de belanghebbende geeft om vooruitlopend op het uitgeven van het grondhuurrecht activiteiten van welke aard dan ook op het perceelland te verrichten; 4. Dat de Minister bevoegd is om indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, een bereidverklarende beschikking in te trekken eventueel tegen restitutie van de reeds in staatskas gestorte bedragen; ook deze voorwaarde is in de beschikking opgenomen.

5.3 De Stichting Lawa heeft op de weren gereageerd waarbij zij onder andere het volgende stelde: 1. Dat het wel hetzelfde perceel betreft, doch dat het perceel dat de Stichting Lawa heeft aangevraagd een deel is van het perceel dat aan de Stichting Conservatorium is uitgegeven; 2. Dat de Staat ten alle tijde gehouden is afspraken na te leven; ook de bereidverklaring dient nageleefd te worden; door de bereidverklaring is de Staat gehouden na voldoening van de voorwaarden het recht aan de betreffende belanghebbende uit te geven; dit blijkt uit artikel 10 van de Wet Uitgifte Domeingrond; 3. In casu heeft de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld omdat zij in strijd met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld bij het intrekken van de bereidverklaring; 4. Er is geen sprake van enige bijzondere omstandigheid die de intrekking van de bereidverklaring rechtvaardigt; 5. Ook betekent de voorwaarde in de beschikking opgenomen niet dat de Staat zondermeer de bereidverklaring mag intrekken; zij zal daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten nemen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

5.4 De kantonrechter overweegt dat de vraag die partijen verdeeld houdt de vraag betreft of de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door de bereidverklarende beschikking in te trekken en of als gevolg daarvan de beschikking waarin het perceel in grondhuur is uitgegeven aan de Stichting Conservatorium moet worden ingetrokken.

5.5 De kantonrechter overweegt dat, gelijk de Staat en de Stichting Conservatorium aanvoeren, de voorwaarden in de bereidverklarende beschikking ruimte bieden om een bereidverklaring weer in te trekken. Ook is aannemelijk geworden dat een partij aan de bereidverklaring geen rechten kan ontlenen om voor de uitgifte investeringen te plegen.

5.6 De kantonrechter overweegt voorts dat het relaas van de Staat, dat zij merkte dat de grond eigenlijk voor iets anders was bestemd en dat zij de Stichting Lawa gelijk in april 2016 heeft uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dat gesprek, welk gesprek niet is betwist door de Stichting Lawa, is aan de Stichting Lawa uitgelegd dat de grond eigenlijk voor een ander doel bestemd was. Om die reden acht de kantonrechter niet aannemelijk dat feitelijk het motiveringsbeginsel is geschonden door de Staat.

5.7 De kantonrechter overweegt voorts dat ook het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden, nu in de bereidverklaring de twee voorwaarden duidelijk zijn genoemd, namelijk de voorwaarden genoemd onder IV c en d, welke laatste voorwaarde zelfs vetgedrukt staat in de beschikking. Uit deze voorwaarden blijkt voldoende dat een partij die toch investeringen pleegt, deze voor eigen risico pleegt.

5.8 De kantonrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Staat in strijd gehandeld heeft met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierdoor zal het gevorderde worden afgewezen en komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de tweede vraag genoemd onder punt 5.4 hierboven.

5.9 De kantonrechter zal de vordering afwijzen en de Stichting Lawa veroordelen in de proceskosten.

In reconventie

5.10 De Stichting Lawa heeft als verweer onder andere aangevoerd dat het perceel aan haar moet worden toegewezen en de vordering daarom moet worden afgewezen.

5.11 De kantonrechter overweegt dat in conventie reeds is geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een besluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierdoor heeft de Stichting Lawa geen rechtsgeldige titel om zich op het perceelland te bevinden en daar beheersdaden te plegen. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd achtende de kantonrechter de gevorderde dwangsom bovenmatig.

5.12 De Stichting Lawa zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

In conventie

6.1 Wijst af het gevorderde,

6.2 Veroordeelt de Stichting Lawa in de proceskosten aan de zijde van de gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In reconventie

6.3 Verbiedt de Stichting Lawa om het perceelland groot 9357,76 vierkante meters gelegen in het district Paramaribo, ten noorden van de Boomskreek en de Jan Steenstraat en zonder nadere aanduiding aan de Stichting Lawa bekend, te betreden en beheersdaden van welke aard dan ook te verrichten op straffe van een dwangsom van SRD.10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag, het totaal bedrag van SRD.1.000.000,=(eenmiljoen Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat de Stichting Lawa in strijd handelt met dit verbod;

6.4 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. Veroordeelt de Stichting Lawa in de proceskosten aan de zijde van de Stichting Conservatorium gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

6.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van vrijdag 30 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-6

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 16-5531
08 december 2016

Vonnis in kort geding inzake

1. FLEX CARS N.V.
2. STICHTING HEMSA,
gevestigd te Paramaribo,
eiseressen in kort geding,
gemachtigde: mr. S.G.R. Khoenkhoen, advocaat

tegen

SURICHANGE BANK N.V.
gevestigd en kantoorhoudende aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 71 te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit;

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

– Het inleidend rekest met bijlagen hetwelk ter griffie is ingediend op 10 november 2016;
– De schriftelijke conclusie van antwoord, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie van repliek en uitlating producties, onder overlegging van een productie;
– De schriftelijke conclusie van dupliek en uitlating productie, onder overlegging van producties;
– De schriftelijke conclusie tot uitlating producties zijdens eiseressen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Blijkens de ten processe in fotokopie overgelegde grosse van de krediethypotheek akte verleden op 22 september 2011 ten overstaan van de te Paramaribo residerende kandidaat-notaris Mr. V. Gangaram Panday optredende als plaatsvervanger van Mr. C.A. Calor zouden eiseressen van gedaagde ter leen hebben ontvangen, gelijk gedaagde aan eiseressen in leen gegeven heeft een som geld ad US$ 287.500,= met als onderzetting 2 percelen zoals vermeld in de voormelde krediethypotheek akte;

2.2 Gedaagde heeft aan eiseressen per deurwaardersexploit d.d. 19 oktober 2016 exploitnummer 589 van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname R. Bhoelan aangezegd dat zij de percelen zoals opgenomen in de hypotheek-akte op donderdag 08 december 2016 om 10.30 uur in het openbaar zal verkopen.

3. De standpunten van partijen

3.1 Eiseressen vorderen in dit geding – kort samengevat – dat de stopzetting zal worden gelast van de aangekondigde openbare verkoop van de in de litigieuze hypotheekakte omschreven percelen op 8 december 2016 des voormiddags te 10.30 uur ten kantore van de te Paramaribo gevestigde notaris mr. R.B. Manna, onder straffe van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor iedere dag of keer dat de gedaagde weigert of nalaat of weigerachtig blijft of nalatig blijft om aan het ten deze te wijzen vonnis uitvoering te geven of tegenstrijdig daarmee handelt. Tevens vorderen zij dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde zal worden veroordeeld in de gedingkosten.

3.2 Naast voormelde vaststaande feiten leggen eiseressen – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde aan hen heeft betekend een zogenaamde saldo-opgaaf zonder dat deze saldo-opgaaf gespecificeerd is. Eiseressen zijn de mening toegedaan dat het voorgaande in strijd is met het plaatselijk gebruik welke van toepassing is bij veilingen. Eiseressen verwijzen in dit kader naar het vonnis van de kantonrechter d.d. 15 juli 2010 Ar. No. 10-0956 inzake Marte e.a. ca Stichting Dimax, het vonnis d.d. 15 maart 2010 Ar. No. 10-0887 inzake [naam] ca De Stichting Randhiersing Chauwhaan en het vonnis d.d. 26 november 2015 Ar. No. 15-4909 inzake Stichting Sandstone ca Stichting Chacha. Voorts hebben eiseressen aangegeven dat zij reeds USD 240.420,= hebben afgelost aan gedaagde. Nergens blijkt uit de hypotheekakte wat het rentepercentage dan wel bedrag is over de hoofdsom dan wel saldo. Eiseressen hebben aan gedaagde diverse reçu’s dan wel betalingen aangeboden om het bedrag van ongeveer USD. 50.000,= af te lossen hetgeen gedaagde heeft geweigerd;

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter in het hierna volgende – voor zover nodig – terug zal komen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van eiseressen bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest alsmede de aard van het gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft als verweer aangevoerd – kort gezegd – dat tijdens de diverse gesprekken en de briefwisseling tussen partijen altijd de saldoschuld van eiseressen centraal heeft gestaan anders hadden die gesprekken en briefwisseling geen zin. Gedaagde heeft een correcte saldo-opgave doen betekenen aan eiseressen. Onder saldo-opgave wordt verstaan het verschil tussen debet en credit. Eiseressen zijn met de saldo-opgave in staat gesteld wegen te zoeken de schuld alsnog te voldoen doch hebben eiseressen ondanks de coulante houding van gedaagde volhard in hun ongedisciplineerd betaalgedrag. De rente en leningscondities worden opgenomen in de leningsovereenkomst, daarvoor dient de hypotheekakte a priori niet;

4.3 Naar het oordeel van de kantonrechter is de centrale vraag die partijen verdeeld houdt de vraag of de door gedaagde bij deurwaardersexploit d.d. woensdag 10 oktober 2016 aan eiseressen betekende saldo-opgave kan worden gekwalificeerd als een nauwkeurige en gespecificeerde saldo-opgave. Eiseressen beantwoorden die vraag in ontkennende zin terwijl gedaagde die in bevestigende zin beantwoordt;

4.4 Naar het oordeel van de kantonrechter is tussen partijen in confesso dat ingevolge het plaatselijk gebruik alsmede de vaste jurisprudentie van de kantonrechters in eerste aanleg aan de saldo-opgave die bij aanzeggingen van veilingen aan de schuldenaar wordt betekend, de eis van nauwkeurigheid en gespecificeerdheid wordt gesteld. Het voorgaande is inderdaad in diverse vonnissen van de kantonrechters uitgemaakt. De ratio van voormelde eisen is gelegen in het feit dat aan de schuldenaar de mogelijkheid wordt geboden om de hoogte van het bedrag te verifiëren en eventueel daartegen op te komen en/of bronnen aan te boren teneinde de schuld alsnog te voldoen;

4.5 In dit specifiek geval blijken partijen gedurende lange tijd met elkaar in onderhandeling te zijn geweest omtrent de slechte betalingsdiscipline van eiseressen. Het voorgaande blijkt uit de inhoud van de door gedaagde bij antwoord alsmede bij dupliek in het geding gebrachte producties, welker inhoud niet is betwist of van valsheid beticht door eiseressen. De hoogte van het saldo was geen discussiepunt tussen partijen en eiseressen waren kennelijk zelfs content met de wijze van aanpak door gedaagde blijkens de inhoud van het ten processe overgelegd e-mailbericht de dato 24 oktober 2016, hetwelk als productie I bij antwoord is overgelegd door gedaagde. Op gegeven moment had er zelfs een herschikking van de schuld plaatsgevonden hetgeen heeft geresulteerd in (een) nadere overeenkomst(en);

4.6 Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat eiseressen – zoals gedaagde terecht heeft aangevoerd – niet te goeder trouw zijn met hun beroep op vermeende gebreken in de saldo-opgave die aan hen is betekend. Immers hebben zij ruimschoots de gelegenheid gehad om de hoogte daarvan te verifiëren en eventuele bronnen aan te boren om hun betalingsachterstand in te lopen. Nu zij daarmede in gebreke zijn gebleven wringen zij zich in allerlei spreekwoordelijke bochten teneinde aan hun terugbetalingsverplichtingen te ontkomen, hetgeen een schuldenaar niet siert. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter verdient de litigieuze saldo-opgave in dit verband wel de kwalificatie nauwkeurig en gespecificeerd aangezien partijen gedurende langere tijd in onderhandeling zijn geweest met elkaar waarbij centraal heeft gestaan de slechte terugbetalingsdiscipline van eiseressen in samenhang bezien met de hoogte van het openstaande saldobedrag;

4.7 Gelet op al het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de grondslag van het gevorderde niet in rechte is komen vast te staan en zullen de gevraagde voorzieningen derhalve worden geweigerd.

4.8 Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterweg laten.

5. De beslissing in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseressen in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.C. Johanns, Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton in kort geding, te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 08 december 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. A.Charan
w.g. A.C. Johanns

SRU-K3-2004-1

Kantonrechter Derde Kanton
18 augustus 2004, 2004 no. 85
(Mr. K. Pultoo)

De Kantonrechter in het 3e Kanton, zitting houdende te Nickerie, inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte] alias [naam 2] te [district], thans gevangen gehouden.

Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 mei 2004, 16 juni 2004, 21 juli 2004 en 18 augustus 2004.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage l aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder feit l is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring
De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder II ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen onder II meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De kantonrechter grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
p.m.

– procesverbaal dd. 19 maart 2004 (pg. 70-75), opgemaakt door a.v.p. 1e klasse, waaruit het volgende blijkt:
De [verdachte] gaf toe dat hij wel Surinaamse Dollar namaakt en dat hij daarvoor een speciale kopieermachine gebruikt. Hij verklaarde verder dat hij de machine in een der slaapkamers van zijn ouderlijke woning, waar hij woont had verborgen. In een der kamers werd op aanwijzing van [verdachte] een kopieermachine van het merk Hewlett/Packert, verborgen onder vele kledingstukken, gevonden waarmede de SRD bankbiljetten werden nagemaakt.
Niet ver van de plek waar poten had gestaan werden er in totaal drie gekleurde plastiek zakken gevonden. De inhoud van de eerste zak bleek blanco blaadjes A-4 formaat te zijn. Op elk der blanco blaadjes aan beide zijden waren de afbeeldingen te zien van nagemaakt SRD 20,= bankbiljetten.
In totaal zijn er 255 stuks nagemaakte bankbiljetten in beslaggenomen. Verder bleken er na telling in totaal 218 stuks blanco vellen te zijn met de afbeelding van de nagemaakte 20 SRD biljetten.

– procesverbaal verhoor van de verdachte dd. 19 maart 2004 (pg. 133-136), opgemaakt door a.v.p. 1e klasse, waaruit het volgende blijkt:
De intentie die ik voor ogen had, was om mijn schulden af te lossen. Ik heb de bankbiljetten nagemaakt en of vervalst met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

– Verklaring van de verdachte afgelegd bij de Rechter Commissaris, waaruit het volgende blijkt:

Ik heb bij de politie verklaringen afgelegd en blijf daarbij volharden.
Proces-verbaal nader verhoor van de verdachte dd. 2 april 2004 (pg. 169-171), opgemaakt door a.v.p.:
De wijze hoe ik de bankbiljetten namaak is als volgt: als eerste moet ik een mal maken. Dat doe ik door drie echte bankbiljetten te plakken met doorzichtig plakband op een blanco A-4 vel. Deze plak ik met dezelfde afbeelding naar boven, naast elkaar op gelijke afstand. Hierna trek ik met een balpen lijnen naast de biljetten om aan te geven hoe deze geplakt zijn op de A-4 vel. Het gedeelte van de A-4 vel dat vrij is, wordt afgesneden. De mal wordt met de bankbiljetten naar beneden gericht geplaatst op het venster van het kopieerapparaat en wordt gekopieerd. Dit wordt gedaan in de bestmode van het apparaat. Na dit eerste gedeelte worden de bankbiljetten van de mal afgehaald en vervolgens weer geplakt met doorzichtig plakband, nu met de andere zijde naar boven gericht. De mal wordt weer geplaatst op het venster van de kopieerapparaat met de bankbiljetten naar beneden gericht. De kopie wordt weer geplaatst in de bak, zodat de andere zijde erop gekopieerd wordt. Na het kopiëren worden de nagemaakte bankbiljetten uitgesneden. Met een vlijmscherp mesje, de zogenaamde stanleymesjes, worden de bankbiljetten aan de rand uitgesneden. Hierdoor krijg je dan een nagemaakte bankbiljet. Met de nieuwe SRD 20, = bankbiljetten was ik pas begonnen, toen ik gearresteerd werd. Ik had ongeveer dertig stuks afgegeven aan [naam 1].

– verklaring van de verdachte ter terechtzitting dd. 21 juli 2004, waaruit het volgende blijkt:
Het is waar dat ik geld heb nagemaakt, maar de verdachte [naam 1] heeft mij de attributen daarvoor gegeven. In ruil daarvoor zou hij mijn schulden bij de bank betalen.

– Verklaring van de C.B.v.S dd. 12 juli 2004, opgemaakt door A.E. Telting, president van de C.B.v.S., waaruit blijkt dat de voor onderzoek aangeboden biljetten vervalsingen blijken te zijn.

De raadsman van verdachte voert als meest verstrekkend verweer:
– dat het oogmerk om de vervalste biljetten als echt en onvervalst te gebruiken niet is gebleken;
– dat het proces verbaal van verhoor van verdachte dd. 2 april 2004 (pg. 169-171), opgemaakt door a.v.p., niet voor het bewijs mag worden gebruikt aangezien de cautie niet is gegeven;
– dat de verklaring van de C.B.v.S. wordt betwist aangezien er geen logische verklaring is waarom de bij verdachte in beslaggenomen biljetten niet gestuurd zijn naar de bank, maar de in opdracht van a.v.p., gemaakte biljetten.

De kantonrechter merkt naar aanleiding van het verweer het volgende op;
– Uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte dd. 19 maart 2004, blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij wel het oogmerk had om de vervalste biljetten als echt en onvervalst uit te geven.
Bij verhoor van verdachte dd. 2 april 2004 constateert de kantonrechter dat de cautie niet is gegeven. Aangezien de fout is hersteld bij de Rechter Commissaris, kan dit niet lijden tot bewijsuitsluiting, maar zal de kantonrechter er rekening mee houden en strafvermindering toepassen.
Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte heeft gedemonstreerd hoe de biljetten werden nagemaakt. Verdachte heeft bij de demonstratie duidelijk aangegeven de wijze waarop de bankbiljetten werden nagemaakt, dus ook de biljetten welke in beslag zijn genomen, en niet specifiek de biljetten die gedemonstreerd zijn. Als gevolg hiervan wordt de verklaring van de C.B.v.S. wel als wettig bewijs aangenomen.

Naar aanleiding van het bovenstaande verwerpt de kantonrechter het verweer van de raadsman.

De strafbaarheid van het feit
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 11 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder II bewezenverklaarde levert het navolgende strafbaar feit op.
Het namaken of vervalsen van bankbiljetten met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Voorzien en strafbaar gesteld in artikel 260 W.v.Sr.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:
Verdachte heeft op een of meer niet nader aan te duiden tijdstippen in het jaar 2004, te zijner woonplaats het [district] Nickerie, een aantal bankbiljetten met een nominale waarde van SRD 20,= nagemaakt of vervalst met de bedoeling om deze biljetten als echt en onvervalst uit te geven,

De kantonrechter neemt hierbij ook in aanmerking dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de vervalste biljetten in omloop zijn gebracht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de kantonrechter in het bijzonder gelet op het feit dat hij nooit eerder is veroordeeld.

De kantonrechter acht, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf 2 jaar passend en geboden, maar gezien het vormverzuim als eerder vermeld, legt de kantonrechter een gevangenisstraf op van 1 jaar.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 11 en 44 van het Wetboek van Strafrecht

De beslissing
De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder l ten laste gelegd feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder II ten taste gelegd feit, zoals vermeld in bijlage II van dit vonnis, heeft begaan. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder II meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder II bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbaar feit oplevert. Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Beveelt de gevangen houding van verdachte.

 

Bevel tot dagvaarding van verdachten

De vervolgingsambtenaar dagvaardt

[verdachte] geboren te [district]; Beroep : visser . Wonende te [district] om op woensdag 19 mei 2004 te 8:30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Nickerie, a.d. A.K. Doerga Shawstraat no. 96

teneinde aldaar terecht te staan terzake dat hij:

I. Op een of meer niet nader aan te duiden tijdstippen in het jaar 2002, in het [district], in ieder geval in Suriname,

Tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [naam 1], althans alleen, (telkens) opzettelijk 5000 (vijfduizend), althans een of meer bankbiljetten met een nominale waarde van Sf. 10.000,= (tien duizend Surinaamse gulden), althans met een andere nominale waarde heeft nagemaakt en/of heeft vervalst,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] Immers alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of bedriegelijk, althans in strijd met de waarheid 3 (drie), althans een of meer echte (originele) bankbiljetten (met de afbeelding naar boven gericht) op een (blanco) A-4 vel geplaatst en/of (vervolgens) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of (vervolgens) met een ballpoint lijnen om voormelde bankbiljetten getrokken en/of (vervolgens) het gedeelte van de A-4 vel dat vrij was, afgesneden, waarbij de mal dan gereed was om gekopieerd te worden en/of (voorts) voormelde mal (met de bankbiljetten naar beneden gericht) op het venster van een kopieerapparaat geplaatst en deze gekopieerd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (voorts) nadat de bankbiljetten van de mal afgehaald waren (wederom) op de mal geplaatst, doch nu met de andere zijde naar boven gericht en/of (wederom) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (vervolgens) (wederom) de mal op het venster van de kopieermachine geplaatst, met de bankbiljetten naar beneden gericht en/of de kopie (wederom) in de bak van voormelde kopieermachine geplaatst, waardoor de andere zijde gekopieerd werd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (voorts) (na het kopieren van voormelde bankbiljetten) middels een (vlijmscherp) mes de rand(en) van voormelde bankbiljetten afgesneden,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (tenslotte) middels goudschrijvende ballpoints de vogel, die in een van de hoeken van een echt (origineel) bankbiljet voorkomt, nagetekend en/of middels een zilverschrijvende ballpoint de zilveren veiligheidsdraad, die over de breedte van een echt (origineel) bankbiljet loopt, nagetekend,

Zulks teneinde voormelde bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

 

II. Op een of meer niet nader aan te duiden tijdstippen in het jaar 2004, in het [district] , in ieder geval in Suriname,

Tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [naam 1] althans alleen, (telkens) opzettelijk 939 (negen honderd en negenendertig), althans een of meer bankbiljetten met een nominale waarde van SRD. 20,= (twintig Surinaamse dollar), althans met een andere nominale waarde heeft nagemaakt en/of heeft vervalst,

Hebbende hij verdachte en/of die [naam 1] Immers alstoen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of bedriegelijk, althans in strijd met de waarheid 3 (drie), althans een of meer echte (orginele) bankbiljetten (met de afbeelding naar boven gericht) op een (blanco) A-4 vel geplaatst en/of (vervolgens) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of (vervolgens) met een ballpoint lijnen om voormelde bankbiljetten getrokken en/of (vervolgens) het gedeelte van de A-4 vel dat vrij was, afgesneden, waarbij de mal dan gereed was om gekopieerd te worden en/of (voorts) voormelde mal (met de bankbiljetten naar beneden gericht) op het venster van een kopieerapparaat geplaatst en deze gekopieerd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (voorts) nadat de bankbiljetten van de mal afgehaald waren (wederom) op de mal geplaatst, doch nu met de andere zijde naar boven gericht en/of (wederom) met doorzichtig plakband, althans een plakmiddel vastgeplakt en/of

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (vervolgens) (wederom) de mal op het venster van de kopieermachine geplaatst, met de bankbiljetten naar beneden gericht en/of de kopie (wederom) in de bak van voormelde kopieermachine geplaatst, waardoor de andere zijde gekopieerd werd,

Hebbende hij, verdachte en/of die [naam 1] (tenslotte) na het kopieren van voormelde bankbiljetten) middels een (vlijmscherp) mes de rand(en) van voormelde bankbiljetten afgesneden,

Zulks teneinde voormelde bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven.

P.G. Gedaan te Paramaribo, 11 mei 2004

De Vervolgingsambtenaar voornoemd,

SRU-K1-2016-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 16-3681
04 augustus 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
thans ingesloten in het politiecellenhuis te Keizerstraat in het district Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 1, ten kantore van het Juridisch Adviesbureau Kanhai N.V.,
eiser,
gemachtigde: mr. A.I.K. Ramlakhan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur – generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Limesgracht no. 92,
gedaagde,

gemachtigde: mr. I. Krenten, Substituutofficier van justitie.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 25 juli 2016 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 27 juli 2016;
– de conclusie van antwoord die mondeling is genomen op 27 juli 2016, met producties;
– de conclusie van repliek d.d. 28 juli 2016;
– de conclusie van dupliek d.d. 29 juli 2016, met productie;
– de conclusie tot uitlating d.d. 02 augustus 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is van Guyanese afkomst en is de Nederlandse taal niet machtig. Op 18 juli 2016 is eiser omstreeks 09.15 uur in verzekering gesteld.

2.2 Op 22 juli 2016 is eiser voorgeleid bij de Officier van Justitie, bij welke voorgeleiding er geen beëdigde tolk aanwezig was.

2.3 Eiser is nadien nog niet gehoord door de Rechter-commissaris, welk verhoor op 22 juli 2016 en vervolgens op 25 juli 2016 zou plaatsvinden.

2.4 Bij beschikking d.d. 22 juli 2016 heeft de vervolgingsambtenaar met ingang van 25 juli 2016 de inverzekeringstelling van eiser verlengd.

2.5 Bij beschikking d.d. 26 juli 2016 heeft de Rechter-commissaris de inverzekeringstelling van eiser onrechtmatig verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser bevolen.

2.6 Op 26 juli 2016 heeft gedaagde het rechtsmiddel van hoger beroep aangewend tegen de beschikking van de Rechter-commissaris.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad,:
a) om binnen 1 uur na de uitspraak eiser lijfelijk in vrijheid te stellen;
b) gedaagde te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom van SRD 1.000.000,- voor ieder uur, dat zij in gebreke mocht blijven hieraan te voldoen.

3.1.1 Eiser legt, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:
– het verhoor van eiser bij de officier van justitie, zonder dat daarbij een beëdigde tolk aanwezig was, is nietig;
– eiser is in strijd met artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering niet binnen zeven dagen na de dag van zijn aanhouding gehoord en is daarom onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd;
– gedaagde maakt misbruik van haar bevoegdheden.

Als spoedeisend belang stelt eiser dat hij op een onrechtmatige wijze van zijn vrijheid wordt beroofd, omdat de rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser heeft bevolen.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiser blijkt voldoende uit de aard van het door hem gestelde. Daarom zal hij worden ontvangen in het kortgeding.

4.2 Gedaagde heeft opgeworpen dat eiser de onderhavige vordering bij een verkeerde rechtinstantie heeft ingesteld en daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat eiser op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering een vordering ter zake bij de Rechter-commissaris had moeten instellen.

Bij conclusie van repliek heeft eiser in reactie op dit verweer gesteld dat de Rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser heeft bevolen en eiser daardoor thans op een onrechtmatige wijze van zijn vrijheid wordt beroofd.

Zoals de kantonrechter eiser begrijpt, heeft hij vanwege het feit dat gedaagde geen uitvoering heeft geven aan de beschikking van de Rechter-commissaris, inhoudende het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling, de kantonrechter benaderd als restrechter. In dat kader stelt de kantonrechter voorop dat toegang naar de kantonrechter in kort geding is verzekerd, indien geen andere bevoegde rechter, waaronder de strafrechter of Rechter-commissaris, of speciale rechtsgang is gewezen. Indien dat wel het geval is, moet een eisende partij niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer die aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt.

Gedaagde heeft opgeworpen dat hij tegen de beschikking van de Rechter-commissaris hoger beroep heeft aangetekend en de behandeling in hoger beroep op 29 juli 2016 heeft plaatsgevonden. Nu eiser zulks niet heeft betwist, is het voor de kantonrechter voldoende aannemelijk dat hij tegen de bedoelde beschikking van de Rechter-commissaris hoger beroep heeft aangewend. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat er nog een rechtsingang met voldoende waarborgen voor eiser openstaat, zijnde de behandeling van het hoger beroep in raadkamer. Voor zover eiser beoogt te stellen dat ondanks het hoger beroep gedaagde hem lijfelijk in vrijheid had horen te stellen, gaat zulks niet op. Dit, omdat blijkens het bepaalde in artikel 54c lid 4 van het Wetboek van Strafvordering de invrijheidstelling van verdachte voor ten hoogste drie dagen wordt gestuit en de beslissing in hoger beroep kan inhouden óf bevestiging van de beschikking van de Rechter-commissaris, óf vernietiging van de beschikking van de Rechter-commissaris waarbij de inverzekeringstelling in hoger beroep rechtmatig kan worden geacht.

Nu eiser geen inzicht aan de kantonrechter heeft verschaft of de beschikking van de Rechter-commissaris in hoger beroep is bevestigd en rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat het ook kan worden vernietigd en opnieuw rechtdoende de inverzekerinstelling rechtmatig kan worden geacht, zal eiser niet ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

Ten overvloede oordeelt de kantonrechter dat de gevraagde voorziening betreffende de lijfelijke invrijheidstelling voor toewijzing vatbaar zou zijn, indien in hoger beroep zou zijn beslist dat de inverzekeringstelling onrechtmatig wordt geacht, de onmiddellijke invrijheidstelling zou zijn bevolen en desondanks eiser niet in vrijheid zou worden gesteld door gedaagde.

4.3 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Verklaart eiser niet ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. A. Charan, op donderdag 04 augustus 2016 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier.

SRU-K1-2017-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. No. 17-2909
10 augustus 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1. [eiser 1],
wonende aan de [adres] te [district],

2. [eiser 2],
wonende aan de [adres] te [district],
eisers,
gemachtigde: mr. H.O.J. Lowe, advocaat,

tegen

ASSURIA N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

– het inleidend verzoekschrift dat op 03 juli 2017 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 06 juli 2017;
– de conclusie van antwoord d.d. 11 juli 2017, met producties;
– het proces-verbaal betreffende de gehouden descente tevens comparitie van partijen d.d. 15 juli 2017;
– de conclusie van repliek d.d. 19 juli 2017, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 25 juli 2017, met producties;
– de conclusie tot uitlating over de producties d.d. 28 juli 2017.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers wonen aan de [adres].

2.2 Bij ministeriële beschikking d.d. 16 januari 1986 [nummer 1] is aan Aarvina Trading N.V. verleend het recht van grondhuur voor het opzetten van een vakverenigingsgebouw annex sportvelden, een zwembad en een aantal verkoopstands op het perceelland groot 1,5463 ha, gelegen in het district Paramaribo aan de Mr. J. Lachmonstraat en deel uitmakende van het perceelland bekend als Flora projekt no. 1220, thans No. 1596.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 18 september 2007, La D [nummer 2] , is aan Aarvina Trading N.V., toestemming verleend om de bestemming van het aan haar verleende recht van grondhuur op het hiervoor omschreven perceelland te wijzigen, en wel ter bebouwing en bewoning.

2.4 Op 12 mei 2017 is door de Staat Suriname aan Aarvina Trading N.V. vergunning verleend voor het bouwen van een zakenpand op het perceel, gelegen in het district Paramaribo, op de hoek van de Foeliestraat en de Recolaan, deel uitmakende van het project Flora A no. 1718, met 11 aantal bouwlagen. De vergunning is onder enkele voorwaarden verleend.

2.5 Het terrein waarop het zakenpand zal worden gebouwd heeft Assuria gekocht van respectievelijk BDO en Aarvina Trading N.V.

2.6 Op 15 juni 2017 heeft de gemachtigde namens eisers per exploit van een deurwaarder een schrijven d.d. 13 juni 2017 betreffende de bouw van het zakenpand met 10 verdiepingen aan gedaagde gericht, in welk schrijven zij het volgende aan gedaagde hebben medegedeeld

“Tot mij hebben zich gewend [eiser 2], [eiser 1], mede namens alle bewoners van de [adres] en omgeving en [persoon], mede namens de bewoners van Huize Ashiana die mij mededeelden vernomen te hebben dat U plannen hebt om op korte termijn over te gaan tot de bouw van een 10 verdiepingen hoge kantoorgebouw aan de [adres] te [district].

Het hoeft geen betoog dat de bewoners van de [adres] en omgeving alsmede de bewoners van Huize Ashiana zich grote zorgen maken over dit plan, aangezien uitvoering hiervan niet slechts grote schade zal aanrichten aan hun woonhuizen in ruime omtrek, alsook aan Huize Ashiana, nog afgezien van het feit dat al deze bewoners dag en nacht en voor altijd last zullen ondervinden van de dagelijkse aan- en toeloop van personen, daar gelaten de overlast, veroorzaakt door gemotoriseerde voertuigen die dag en nacht de kantoren en eventueel bijkomende gelegenheden zullen bezoeken die in dit reusachtig gebouw zullen worden ondergebracht.

Het heien van de – naar verluid – 250 palen met een lengte van om en bij 60 meters elk waarop dit reusachtig gebouw moet komen te staan zal voor niet te verdragen overlast zorgen, nog afgezien van de niet te verduren last en hinder bij de aanvoer van zwaar materieel op de bouwplaats.

Cliënten wensen u erop te attenderen dat de plek waarop u dit gigantisch gebouw zult opzetten in een woonwijk ligt en dat contaminatie niet is toegestaan m.a.w. dat enkel en alleen woonhuizen in dit gebied mogen worden gebouwd. Ze zijn er dan ook vast van overtuigd dat het ministerie dat bevoegd is bouwvergunningen wel of niet af te geven zeker geen toestemming aan u zal verlenen tot het opzetten van een dergelijk gebouw. Ook het vliegverkeer (vliegveld Zorg en Hoop) zal – zij het naar een lekenoordeel – last van dit hoogste gebouw van Suriname ondervinden.

Van u wordt geëist af te zien van uw voornemens tot het bouwen op eerdergenoemde locatie en indien u dit nalaat en de bouw toch doorzet zal zulks als onrechtmatig handelen uwerzijds jegens mijn cliënten worden gekwalificeerd en zullen er tegen u onverkort rechtsmaatregelen worden getroffen”.

2.7 Eind april 2017 hebben eisers een schrijven d.d. 15 april 2017 aan de Minister van Openbare Werken, Transport en Communicatie, hierna afgekort OWT en C, gericht, waarin zij hun misnoegen uiten over de vergunning die aan gedaagde is verleend voor het bouwen van het mega zakenpand en het verzoek doen dat de vergunning alsnog wordt ingetrokken. Ter zake hebben zij het volgende verwoord:

“(….)

Uit informatie is gebleken dat het verzekeringsbedrijf Assuria N.V. binnenkort van start zal gaan met de bouw van een groot ‘commercieel’ centrum van, naar verluidt min of meer 14 verdiepingen, aan de [adres]. Het zal het hoogste gebouw in Suriname moeten gaan worden. De [adres] loopt parallel met en ligt ten noorden van de [straat 1](tussen de [ straat 1] en de [straat 2]). Te uwer oriëntatie, zie aangehecht een figuratieve kaart.

Wij willen u erop attenderen dat voor zover bekend de gronden in de [adres] zijn uitgegeven in grondhuur en bestemd zijn voor bebouwing en bewoning. Zulks is uitdrukkelijk aangegeven in alle relevante aktes.

Door de bouw van het commercieel centrum zal de rust en het woongenot van een aantal gezinnen en van de seniorenburgers van Huize Ashiana voorgoed tot het verleden gaan behoren. Allen hebben voor hun leven geïnvesteerd in een vaste woon- en verblijfplaats en deze zal door een bedrijf dat tal van andere mogelijkheden heeft nu danig verstoord worden, indien zij ertoe overgaat het bovengenoemd centrum in de woonwijk op te zetten. Op dit moment ondervinden wij al behoorlijk veel last van de wekelijkse feestelijke activiteiten met luide muziek vanuit Stichting De Olifant en Flamboyant waarover reeds tal van brieven zijn geschreven naar diverse instanties, voornamelijk door bewoners van Huize Ashiana. Helaas is tot heden alle reactie uitgebleven.

Om te beginnen zal de bouw van een dergelijk mega commercieel centrum enige jaren in beslag nemen waarbij de bouwwerkzaamheden, zoals het heiwerk, het vrachtverkeer voor aan- en afvoer van materiaal, het lawaai van te gebruiken machines en motorische gereedschappen continu de rust en ‘woongenot’ verstoren en ook nog hun tol eisen van woonhuizen en de door ons moeizaam opgebouwde weg die slechts een capaciteit van 4 ton heeft. Eveneens zal onze privacy vanwege de continue inkijk van bouwvakkers in het geding zijn. De overlast zal niet te overzien zijn en de gedachte eraan alleen werkt nu al negatief op onze gemoedstoestand.

Na de bouw zullen wij 1 x 24 uur last hebben van commerciële activiteiten, zoals aankomende en vertrekkende auto’s, bezoekers die her en der zullen parkeren op onze bermen en in onze inritten, vrachtverkeer van leveranciers, luide muziek van de te organiseren shows en andere activiteiten en, niet te vergeten, al het afval dat ook nog zal komen bij kijken en dat door ons opgeruimd zal moeten worden. Wij zullen als bewoners geen dag en geen moment meer rust hebben van dit alles en dat is waar wij met klem tegen protesteren.

Vermeldenswaard is dat Assuria N.V., zoals een goed en maatschappelijk verantwoorde onderneming niet betaamt, nimmer en op geen enkele manier in contact is getreden met de bewoners voor enige mededeling of overleg. Ook het Ministerie van Openbare Werken heeft nagelaten zulks te doen, terwijl dat wel gebruik is, alvorens vergunningen van dergelijke omvang worden verleend.

Voorts willen wij aan U doorgeven dat een aantal van de bewoners van de woningen dicht tegen hun pensioengerechtigde leeftijd zitten en het slachtoffer worden van onmaatschappelijk en arrogant gedrag van een rijk en succesvol bedrijf. Van deze bewoners kan niet worden verwacht dat zij van de een op de andere dag een andere verblijfplaats moeten zoeken. Waar zullen onze seniorenburgers, die hun laatste dagen in alle rust dachten door te brengen in Huize Ashiana, naar toe moeten gaan?

Het is alleszins incorrect dat het ministerie een vergunning heeft verleend voor het opzetten van een kolossaal commercieel centrum in een woonwijk waar notabene op enkele meters afstand zich een bejaardenthuis bevindt.

Wij vragen U hierbij om deze kwestie grondig te onderzoeken en te interveniëren opdat de bouwvergunning alsnog wordt ingetrokken en de bouw niet aanvangt.

Gaarne vernemen wij, vanwege de urgentie van deze zaak binnen een week na ontvangst van dit schrijven, uw reactie”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 Eisers vorderen om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagde te veroordelen om onmiddellijk na de uitspraak althans binnen een uur na de uitspraak te stoppen met de bouw van een 9 á 10 verdiepingen hoge zakenpand c.q. bedrijfspand aan de [adres] op de percelen 1 t/m 12, als aangegeven op de kaart van de landmeter in Suriname J.G. van der Jagt d.d. 08 augustus 2006 onder verbeurte van een dwangsom groot SRD 250.000,- per dag, voor elke dag dat gedaagde nalaat aan deze veroordeling te voldoen, althans zodanig bedrag welke, de kantonrechter met inachtneming van goede justitie redelijk en billijk mocht achten;

b. gedaagde te veroordelen in de proceskosten.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat gedaagde een onrechtmatige daad jegens hen pleegt. Daartoe stellen eisers, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, het volgende:

– het terrein in de [adres] is ingevolge de wet bestemd voor bebouwing en bewoning;
– met de bouw van het zakenpand handelt gedaagde in strijd met de bestemming waarvoor het terrein is uitgegeven;
– als gevolg van de bouw van het zakenpand wordt schade berokkend aan eisers, daarin bestaande dat het bouwwerk ernstige inbreuk zal maken op het woongenot van eisers en alle andere buurtbewoners;
– met het heien van de betonnen palen c.q. de bouw van het zakenpand zal enorme schade aan de woningen van eisers en andere buurtbewoners in de wijde omgeving worden toegebracht en zal de marktwaarde van de woningen enorm dalen.

3.3 Gedaagde heeft het volgende verweer gevoerd:

– de door eisers gemaakte bezwaren tegen de gevraagde bouwvergunning van het zakenpand zijn niet valide beoordeeld door de vergunningverlenende instanties;
– eisers hebben elke handreiking tot coördinatie van de heiwerkzaamheden door gedaagde uit de weg gegaan. Op het hiervoor door gedaagde opgeworpen verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling op terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang in de onderhavige zaak blijkt in voldoende mate uit de stellingen van eisers, waarbij gedaagde reeds is gestart met het heien van de betonnen palen. Om die reden zullen eisers in het kort geding worden ontvangen.

4.2 Als eerst betwist gedaagde dat eisers een titel van grondhuur ter bebouwing en bewoning hebben op het door hun bewoonde perceel en dienen eisers dus zoals de kantonrechter het verweer van gedaagde begrijpt, om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard in de door hun gevraagde voorzieningen. In reactie op dit verweer heeft eiser sub 1, ter staving van zijn stelling dat hij de titel van grondhuur met als bestemming bebouwing en bewoning op het door hem bewoonde perceel heeft verkregen, overgelegd de beschikking van de minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 20 juli 1998 LAD [nummer 3] ter bebouwing en bewoning en eiseres sub 2 heeft ter staving van deze stelling overgelegd een koopovereenkomst d.d. 19 april 2007 en een hypothecair uittreksel van het Glis Management Instituut d.d. 18 juli 2017.

Uit de inhoud van de beschikking die eiser sub 1 heeft overgelegd, zijnde de toewijzingsbeschikking, leidt de kantonrechter af dat de titel van grondhuur ter bebouwing en bewoning niet aan eiser sub 1 is verleend, doch aan ene [naam ]. Eiser sub 1 heeft daarbij evenwel gesteld dat hij is gehuwd met die [naam], doch heeft hij nagelaten deze laatste stelling middels enig bescheid afkomstig van het Centraal Bureau voor Burgerzaken te staven. Nu hij zulks niet heeft overgelegd, is voor de kantonrechter niet aannemelijk dat eiser sub 1 met genoemde [naam], die bovendien geen procespartij is in de onderhavige zaak, is gehuwd en hij dus geen zakelijke titel heeft op het door hem bewoonde perceel. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat ook al zou aannemelijk zijn geweest dat eiser sub 1 met de hiervoor genoemde [naam] gehuwd is, eiser niet kan volstaan met slechts het overleggen van de toewijzingsbeschikking om de titel van grondhuur te staven. Dit, omdat voor het verkrijgen van de zakelijke titel van het recht van grondhuur op het perceel overschrijving van de toewijzingsbeschikking binnen vier maanden na verkrijging van de beschikking in de daartoe bestemde openbare registers bij het GLIS Management Instituut, voorheen Hypotheekkantoor, dient te geschieden en eiser sub 1 de zakelijke titel op het perceel alleen zou kunnen staven middels een hypothecair uittreksel. De kantonrechter vermag niet in te zien op welke wijze de woning in marktwaarde zal dalen, omdat het een feit van algemeen bekendheid is dat juist door de bouw van nieuwe panden de marktwaarde van belendende percelen in waarde stijgt. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eiser sub 1.

4.3 Voor wat betreft het zakelijk recht van grondhuur op het door eiseres sub 2 bewoonde perceel blijkt uit de inhoud van de ten processe door eiseres sub 2 overgelegde koopovereenkomst en het hypothecair uittreksel dat zij het zakelijk recht van grondhuur op het door haar bewoonde perceel onderhands van een derde heeft gekocht op 19 april 2007 en dat dit zakelijk recht nog niet juridisch aan haar is overgedragen. Dit brengt de kantonrechter tot de voorlopige slotsom dat eiseres sub 2 geen enkele zakelijke titel op het door haar bewoonde perceel heeft.

4.4 Ondanks eisers geen zakelijke titel op het perceel dat zij bewonen hebben, leidt zulks niet tot niet ontvankelijk verklaring van eisers in de door hun gevraagde voorziening. Dit, omdat wel voldoende aannemelijk is dat zij hebben gebouwd op de percelen alwaar zij wonen. Daar deze percelen zich bevinden tegenover het terrein alwaar gedaagde bezig is het zakenpand te bouwen en geluidsoverlast/trillingen in die omgeving niet uitgesloten zullen zijn bij de hei- en bouwwerkzaamheden, hebben eisers wel enig belang bij de onderhavige vordering. Daarom zal de kantonrechter het verweer van gedaagde tot niet ontvankelijk verklaring van eisers verwerpen.

4.5 Gedaagde werpt op dat zij voor het verkrijgen van de nodige vergunningen voor de bouw van het kantoorpand alle wettelijk vereiste procedures heeft doorlopen en dat zij vanwege het verkrijgen van de bouwvergunning toestemming heeft verkregen voor het bouwen van het zakenpand. Hierdoor handelt zij niet in strijd met de bestemming van bebouwing en bewoning. Volgens het betoog van gedaagde brengt de bestemming van bebouwing en bewoning niet per se met zich dat alleen maar woonhuizen op het betreffende terrein mogen worden gebouwd en verwijst zij in dat kader naar de belendende kantoor- en zakenpanden van de Surinaamsche Luchtvaartmaatschappij, Accountants- en Belastingkantoor BDO, de Verenigde Hervormingspartij, het AVSS de Moederbond, die zijn opgezet op terrein dat in grondhuur is verstrekt met dezelfde bestemming van bebouwing en bewoning.

In reactie op dit verweer stellen eisers dat het Ministerie van Openbare Werken Transport en Telecommunicatie geen bouwvergunning aan gedaagde mocht verlenen voor de bouw van het mega zakenpand, omdat eisers en de overige buurtbewoners nimmer ter zake zijn gehoord door de Districtscommissaris en het Ministerie en dat deze instanties geen deskundigen in huis hebben op het gebied van de bouw van dergelijke mega zakenpanden. Uit deze stelling begrijpt de kantonrechter dat eisers zich op het standpunt stellen dat de daartoe bevoegde autoriteiten bij het verlenen van de bouwvergunning aan gedaagde het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden en daarbij tevens onzorgvuldig zijn omgesprongen met de belangen van eisers en de overige buurtbewoners en hierdoor onrechtmatig jegens hen handelt. Daar eisers de vergunningverlenende instantie, met name de Staat Suriname, niet in het proces hebben betrokken en deze zich ter zake niet kan verweren, is het onmogelijk voor de kantonrechter om deze stelling van eisers te beoordelen. Om die reden gaat de kantonrechter voorbij aan deze stelling van eisers en zal de kantonrechter het ervoor moeten houden dat gedaagde de wettelijke procedure heeft bewandeld voor het verkrijgen van de vergunning. Dit heeft gedaagde overigens aannemelijk gemaakt middels overlegging van de bouwvergunning, welke bouwvergunning eisers niet van valsheid hebben beticht.

4.6 Gedaagde weerspreekt zich niets van de belangen van buurtbewoners, waaronder eisers, te hebben aangetrokken. Daartoe voert zij aan dat zij informatiesessies heeft gehouden om overleg te voeren betreffende de coördinatie van het heiwerk en de bouw en dat eisers hiervoor niet openstonden. Tevens voert zij aan dat zij alle nodige voorzieningen heeft getroffen om ingeval door de bouwwerkzaamheden schade aan goederen van eisers en overige buurtbewoners mocht worden veroorzaakt, zij een verzekering ter zake heeft om de schade aan hen te vergoeden. In dit licht heeft zij voor aanvang een inspectie in de woningen van eisers gepleegd en een rapport uitgebracht over de staat waarin de woningen voor aanvang van de bouwwerkzaamheden verkeerde. Dat gedaagde zulks hebben gedaan hebben eisers zelf erkend en gedaagde heeft het rapport van de inspecteur ter zake overgelegd. Ondanks gedaagde al deze nodige maatregelen heeft getroffen en voorstellen heeft gedaan om de mogelijke schade aan de goederen van eisers te beperken en indien er toch schade zou optreden als gevolg van de bouwwerkzaamheden bereid is die te vergoeden, staan eisers niet open hiervoor. Gedaagde heeft zelf in het kader van de trillingen en de geluidsoverlast waarvan eisers last ondervinden, voorgesteld dat eisers gedurende de hei- c.q. bouwwerkzaamheden in een hotel kunnen verblijven en zelfs aangeboden om op te draaien voor die kosten. Ook dit voorstel hebben eisers afgewezen. Eisers hebben tijdens de gehouden descente en gehouden comparitie van partijen op niet mis te verstane wijze kenbaar gemaakt dat gedaagde het zakenpand niet in die omgeving mag bouwen. Gelet op al hetgeen hiervoor en onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, de nodige voorzieningen c.q. maatregelen die gedaagde heeft getroffen om de schade die mogelijk aan goederen van eisers en de bewoners zou kunnen worden veroorzaakt door de bouw- c.q. heiwerkzaamheden, de kosten die gedaagde reeds in dat kader heeft gemaakt en het feit dat eisers hebben nagelaten de Staat Suriname in het onderhavige proces te betrekken, zullen de door eisers gevraagde voorzieningen worden geweigerd.

4.7 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. A.C. Johanns, op donderdag 10 augustus 2017 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. S.M.M. Chu
w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-2016-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-5729
18 februari 2016

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE STICHTING OMROEP SURINAME (SRS), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jagdeiweg no. 18 te Paramaribo,
gedaagde,
gevolmachtigde: mw. M. Gangapersad, algemeen directeur Sasur.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met de producties op 30 december 2015 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 14 januari 2016;
– de conclusie van antwoord d.d. 15 januari 2016, met producties;
– de conclusie van repliek d.d. 21 januari 2016, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 28 januari 2016.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 03 december 2009 is eiseres in de zaak in kort geding bekend onder A.R. No. 07-3984 onder andere:

  • verboden de muziekwerken “Ladies Night”, “Killing me Softly with his song”, alsook het muziekwerk “kiss and say goodbye”, geheel of gedeeltelijk middels het door haar geexploiteerde omroepstation of op welke wijze dan ook, zonder de van gedaagde verkregen toestemming openbaar te maken, dan wel te verveelvoudigen;
  • verboden enig muziekwerk of delen al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door gedaagde’s beheerde repertoire middels het door haar geexploiteerde omroepstation of op welke andere wijze dan ook, zonder de van gedaagde verkregen toestemming openbaar te willen maken dan wel te vereenvoudigen;
  • veroordeeld tot betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,- voor iedere keer dat zij de hier bovengenoemde verboden overtreedt, tot een maximum van SRD 1.000.000,-.

2.2 Het hiervoor vermeld vonnis is reeds in kracht van gewijsde gegaan. Gedaagde heeft dit vonnis op diverse data, voor de eerste maal op 10 november 2011 aan eiseres bij exploit van de deurwaarder doen betekenen.

2.3 Bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 26 juli 2014 no. 1025 is eiseres aangezegd om het bedrag ad SRD 1.000.000,- aan gedaagde te voldoen, omdat zij in strijd met het bedoelde vonnis zou hebben gehandeld door op frequentie 96.3 FM op de aangegeven data de daarin vermelde muziekwerken behorende tot haar repertoire zonder haar toestemming openbaar te hebben gemaakt c.q. ten gehore te hebben gebracht.

2.4 Bij exploit van deurwaarder D. Hieralal d.d. 07 augustus 2014 heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen op het aan eiseres toebehorend recht van erfpacht voor het opzetten van een radio-omroepbedrijf voor de duur van 75 jaren “op het erf groot 2.978 m², uitmakende van de erven aan de verlengde Hoogestraat en bekend als NW 2e BW no.’s 246 L en 246 M”, hierna aangeduid als het onroerend goed.
Deze executoriale beslaglegging is op 07 augustus 2014 aan eiseres betekend.

2.5 In de kort geding zaak bekend onder A.R. No. 14-4867 is tussen partijen een geschil geweest over de beantwoording van de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd. Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 19 januari 2015 is deze vraag in de hiervoor vermelde zaak bevestigend beantwoord, en wel op grond van de volgende overweging:

“3.16 Ten aanzien van het tweede deel van de grondslag, namelijk de stelling van de SRS dat zij het verbod opgenomen in het vonnis niet heeft overtreden overweegt de kantonrechter alsvolgt.

3.17 De SRS stelt zich op het standpunt dat zij niet weet welke muziekwerken in het repertoire van Sasur zijn opgenomen. Zij stelt dat het verbod in het vonnis daarover onvoldoende duidelijkheid geeft. Daardoor kan haar niet worden verweten dat zij het verbod heeft overtreden en zijn er geen dwangsommen verbeurd.

3.18 De SRS verwijst daarbij naar het vonnis van 7 februari 2013 in de zaak bekend onder arno. 123358 waarin de kantonrechter onder andere heeft overwogen (4.2.2 en 4.2.3): “naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat gedeelte van het vonnis waarbij eiseres is verboden om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door gedaagde’s beheerde repertoire middels het door haar geëxploiteerde omroepstation of op welke wijze dan ook, zonder de van gedaagde verkregen toestemming openbaar te maken dan wel te verveelvoudigen, zo vaag dat van eiseres niet kon worden verwacht dat zij zich hield aan dit gedeelte van de veroordeling. Alhoewel een groot deel van de muziekwerken tot het repertoire van gedaagde behoren, had specifiek moeten zijn vermeld aan welke muziekwerken eiseres zich diende te houden. Immers nu niet alle muziekwerken behoren tot het repertoire van gedaagde, mocht van eiseres niet worden verwacht dat zij behoorde te weten welke muziek al dan niet behoort tot het repertoire, dat door gedaagde beheerd wordt. Het verweer van gedaagde ter zake wordt daarom verworpen. Evenmin mocht gedaagde ervan uitgaan dat het een feit van algemene bekendheid is welke muziekwerken tot haar repertoire behoren …… Ten aanzien hiervan heeft eiseres gesteld dat, na het vonnis van de kantonrechter van 3 december 2009, gedaagde pas op 16 mei 2012 haar repertoire aan eiseres heeft kenbaar gemaakt. Zij stelt dat ook terecht indien zij in de tussenliggende periode van 3 december 2009 tot en met 16 mei 2012, muziekwerken behorende tot het repertoire van gedaagde ten gehore heeft gebracht, dit haar redelijkerwijs niet kan worden aangerekend. Op grond van al het voorgaande in onderlinge samenhang gezien en gelezen, kan naar het oordeel van de kantonrechter worden geconcludeerd dat er geen dwangsommen zijn verbeurd.”

3.19 Sasur heeft op dit gestelde gereageerd en aangegeven dat zij de SRS herhaaldelijk heeft uitgenodigd om kennis te nemen van de omvang van het Sasur repertoire, hetgeen ook blijkt uit het vonnis met arno. 073984 onder punt 2.6; dat meerdere malen overleg is gepleegd met de SRS, ook door tussenkomst van de ingestelde Commissie van Toezicht, waarbij het repertoire aan haar is gedemonstreerdd; dat Sasur bekend heeft gemaakt, ook tijdens gesprekken met de SRS na de eerste beslaglegging dat zij kennis kan nemen van het actuele repertoire op een aantal websites, waaronder de website van Sasur zelf.

3.20 De kantonrechter overweegt ten aanzien van dit verweer dat de SRS tijdens de comparitie van partijen op 6 januari 2015 heeft erkend dat er gesprekken zijn geweest met Sasur na de eerste beslaglegging in 2012. Zij heeft ook erkend dat Sasur haar naar de websites heeft verwezen vanwege het feit dat het miljoenen werken betreft.

3.21 De kantonrechter is van oordeel dat, alhoewel de kantonrechter in de zaak met arno. 123358 redenen zag om aan te nemen dat niet van de SRS verwacht mocht worden dat zij op de hoogte was van het feit dat de werken die zij afdraaide tot het repertoire van Sasur behoorden, die omstandigheid thans niet meer opgaat. Immers zijn er daarna gesprekken geweest waarin de SRS is gewezen op de websites waar het repertoire is vermeld. Voorts is door Sasur gesteld en niet voldoende gemotiveerd door de SRS betwist dat zij, Sasur dus, aan de SRS te kennen heeft gegeven dat het er eigenlijk op neerkomt dat nagenoeg alle buitenlandse werken in het repertoire van Sasur zijn opgenomen waardoor geen buitenlandse werken kunnen worden afgedraaid zonder dat er sprake is van het repertoire van Sasur. De kantonrechter is van oordeel dat, nu deze informatie na de eerste beslaglegging in 2012 bekend is geworden bij de SRS, de SRS zich niet op het standpunt kan stellen dat zij er niet van op de hoogte was dat de nummers die zij afdraaide in het repertoire van Sasur vallen, immers hadden zij de mogelijkheid dat eerst na te trekken op de website en hadden zij ook zonder het na te trekken moeten begrijpen dat, nagenoeg alle buitenlandse werken in het repertoire van Sasur vallen, zij het risico lopen, zodra zij een buitenlands werk afdraaien, dat dit werk valt binnen het repertoire van Sasur.”

2.6 Eiseres heeft tegen het hiervoor onder 2.5 vermeld vonnis hoger beroep aangetekend.

2.7 In de kortgeding zaak bekend onder A.R. No.15-1096 heeft eiseres de schorsing van de executie van de dwangsommen gevorderd, welke vordering door de kantonrechter in het eerste kanton bij vonnis d.d. 05 mei 2015 is toegewezen, en wel totdat het Hof van Justitie in de zaak bekend onder A.R. No. 07- 3984, waarvan eiseres in beroep is gegaan, definitief heeft beslist over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd. Daartoe heeft de kantonrechter in het eerste kanton onder meer het volgende overwogen:

“4.3.1 Bij de vraag of de executie van verbeurde dwangsommen misbruik van bevoegdheid oplevert, stelt de kantonrechter voorop dat de rechter in een executiegeschil een bijzondere terughoudendheid heeft. Voor de tenuitvoerlegging van een executoriale titel geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat misbruik van bevoegdheid wordt aangenomen anders dan in sprekende gevallen. De vraag of er sprake is van misbruik van bevoegdheid laat zich slechts aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen.

4.3.2 SRS en de Staat betogen bij repliek dat de door SRS te lijden schade bij de voortzetting van de openbare verkoop van het perceel en ook de afgifte van de gelden heel groot zal zijn, vooral omdat Sasur niet in staat zal zijn bij een in haar nadeel gewezen vonnis de ontvangen gelden te kunnen restitueren. Volgens SRS en de Staat heeft Sasur geen enkel vermogen waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken. Zij heeft geen enkel vermogensbestanddeel op haar naam en ook geen of nauwelijks gelden op de bank op haar naam. Daarnaast heeft Sasur in diverse processen aangegeven schulden te hebben. In dit proces heeft zij ook geen zekerheid geboden voor een eventuele terugbetaling.

4.3.3 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het in beginsel aan Sasur om in te schatten hoe hoog het risico van vernietiging van het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 19 januari 2015, bekend onder A.R. No. 14-4867 en om, na dit risico te hebben ingeschat, te beoordelen of zij al dan niet tot inning van de dwangsommen overgaat.

Evenwel zal bij deze afweging, niet lichtvaardig moeten worden omgegaan met het restitutierisico.

De dwangsommen die Sasur wenst te executeren belopen een totaal van SRD 1.000.000,-. Sasur heeft de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat, dat zij geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken indien het vonnis wordt vernietigd door het Hof, niet althans niet gemotiveerd weersproken. Evenemin heeft Sasur weersproken dat zij in diverse processen heeft aangegeven schulden te hebben.

Gezien de financiele situatie van Sasur en de omstandigheid dat de hoogte van de te executeren dwangsommen niet gering is, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een restitutierisico indien het Hof het vonnis van de kantonrechter vernietigt. Het belang van SRS om in dit geval een beslissing van het Hof af te wachten weegt zwaarder dan het belang van Sasur om de dwangsommen te executeren.

Daarbij wordt meegenomen de omstandigheid dat het oorspronkelijk vonnis op grond waarvan Sasur meent dwangsommen te hebben verbeurd, dateert van 3 december 2009, dus langer dan 5 jaren geleden.

Onder de gegeven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat Sasur een pas op de plaats dient te maken met de verdere executie van de dwangsommen, totdat het Hof definitief heeft beslist over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd.

Dit heeft tot gevolg dat de primair gevraagde voorziening dient te worden geweigerd en het subsidiair gevorderde voor toewijzing gereed ligt, als in het dictum te melden.”

2.8 Gedaagde heeft tegen het hiervoor vermeld vonnis onder 2.8 hoger beroep aangetekend.

2.9 Gedaagde heeft in de kort gedingzaak bekend onder A.R. No. 15-2151 een vordering ingediend bij de kantonrechter in het eerste kanton om de tenuitvoerlegging van het onder 2.7 gewezen vonnis te doen staken, welke vordering bij vonnis van 29 mei 2015 is geweigerd. Tegen dit vonnis heeft gedaagde hoger beroep aangetekend.

2.10 Gedaagde heeft in de zaak bekend onder A.R. No. 14-3831 bij de kantonrechter in het eerste kanton de openbare verkoop van het onroerend goed gevorderd, welke vordering bij beschikking d.d. 21 oktober 2015 door de kantonrechter in het eerste kanton is toegewezen en heeft de kantonrechter daartoe onder meer het volgende overwogen:

“4. Uit de overgelegde producties blijkt dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis van 5 mei 2015 onder A.R. nummer 15-1096 de executie van de dwangsommen welke verzoekster wenste te verbeuren, heeft geschorst totdat in hoger beroep definitief is beslist over de rechtmatigheid daarvan. Het is een feit dat vanwege de onderbezetting bij de rechterlijke macht, het jaren kan duren alvorens het Hof van Justitie een beslissing neemt in civiele zaken, hetgeen niet ten detrimente van de rechtszoekende mag komen. Bovendien is er een grote kans dat tegen de tijd dat verzoekster in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld omtrent de rechtmatigheid van de executie van de dwangsommen, het geld reeds is gedevalueerd.

5. Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat verzoekster – anders dan De Staat Suriname en verweerster – een zwaarder belang heeft om het vonnis van 3 december 2009 onder A.R. nummer 073984 te executeren. De vordering van verzoekster is gegrond en wordt toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.”

2.11 Tegen deze door de kantonrechter gegeven beschikking tot openbare verkoop bestaat er geen mogelijkheid tot het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep.

2.12 Bij schrijven d.d. 23 oktober 2015 heeft eiseres aan gedaagde medegedeeld dat zij niet tot openbare verkoop van het onroerend goed kan overgaan, vanwege de beslissing van de kantonrecher in het eerste kanton. In dat schrijven staat onder meer het volgende vermeld:
“….
Op woensdag 21 oktober 2015 heeft de kantonrechter ten principale Sasur inderdaad toestemming gegeven tot het in het openbaar verkopen van het aan haar in eigendom toebehorend onroerend goed, nader bij partijen bekend.

De bron van de openbare verkoop zijn de dwangsommen met als grondslag het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 03 december 2009, bekend onder A.R. No. 07-3984. Zoals u bekend verschillen partijen van mening over de vraag als de dwangsommen rechtmatig zijn opgelopen en staat zulks nog niet rechtens tussen partijen vast. Naar aanleiding hiervan heeft de kantonrechter in het eerste kanton bij vonnis de dato 5 mei 2015, bekend onder A.R. no. 15/1096, op verzoek van de SRS de executie van deze dwangsommen geschorst, totdat het Hof van Justitie definitief heeft beslist over de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd. Inmiddels heeft het Hof de eerste behandeling van de zaak vastgesteld op 06 november 2015.

Gelet op het voorgaande wil ik uw aandacht erop vestigen dat u niet tot de openbare verkoop mag overgaan, zolang het Hof niet over vermelde rechtsvraag heeft beslist. Het doen verkopen van het onroerend goed is als een executiehandeling te beschouwen. Mocht u toch onverhoopt overgaan tot de openbare verkoop, dan zal cliente de kort geding rechter onverkort wederom adieren en alle alsdan te maken kosten en te lijden schade op u verhalen.”

2.13 Gedaagde heeft bij exploit van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 december 2015 no. 1700 aan eiseres de openbare verkoop van het onroerend goed ten overstaan van notaris mr. M.A. Nannan Panday op woensdag 24 februari 2016 om 10.00 uur aangezegd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

  • de stopzetting te gelasten van de bij exploit van deurwaarder J.E. Febis d.d. 22 december 2015 no. 1700 voor woensdag 24 februari 2016 om 10.00u aangekondigde openbare verkoop ten overstaan van notaris mr. M.A. Nannan Panday van het perceelland ten laste van eiseres, totdat in hoger beroep definitief is beslist over de rechtmatigheid van de dwangsommen;
  • gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

 

3.2 Eiseres legt, naast de feiten vermeld onder 2, ook het volgende feiten aan haar vordering ten grondslag:
– de bron van de openbare verkoop zijn de dwangsommen met als grondslag het vonnis van de kantonrechter in de zaak bekend onder A.R. No. 07-3984, welke dwangsommen gedaagde thans wenst te verhalen door de executie op het onroerend goed;
– zij heeft geen dwangsommen verbeurd, omdat zij niet in strijd met het hiervoor vermeld vonnis heeft gehandeld en het Hof van Justitie nog een beslissing op de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd dient te nemen;
– de kantonrechter in kort geding in dat licht de verdere executie van deze dwangsommen bij vonnis heeft geschorst, totdat door het Hof van Justitie definitief is beslist op deze vraag. Daarom mag gedaagde niet tot openbare verkoop van het onroerend goed overgaan;
– er bestaat geen enkele zekerheid dat gedaagde bij de openbare verkoop van het onroerend goed, het verkochte aan eiseres zal kunnen restitueren, omdat de koper op de veiling wordt beschermd;
– gedaagde heeft geen in redelijkheid te respecteren belang dat zwaarder weegt dan het belang van eiseres om de beslissing in het hoger beroep niet te kunnen afwachten.

3.3 Gedaagde heeft het hierna volgend verweer gevoerd:
– op grond van het vonnis van 19 januari 2015 in de zaak bekend onder A.R. No. 14-4867, welk vonnis kracht van gewijsde heeft, heeft eiseres de dwangsommen verbeurd, omdat zij in strijd met dit vonnis heeft gehandeld;
– het onderhavige geschil tussen partijen betreft de tenuitvoerlegging van het hiervoor in kracht van gewijsde vonnis en mag de tenuitvoerlegging ervan vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en daarbij horende rechtszekerheid – niet belemmerd worden;
– op grond van de beschikking tot openbare verkoop d.d. 21 oktober 2015 in de zaak bekend onder A.R. no. 14-3831 mag zij, gedaagde overgaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed;
– zij heeft een dringend en rechtvaardig belang bij om de openbare verkoop voortgang te laten vinden om haar rechten en belangen bestendig te zien;
– op het onroerend goed rusten naast het door gedaagde gelegde executoriaal beslag, ook twee beslagen die door de Staat Suriname zijn gelegd vanwege belastingschulden;
– mocht het perceel vanwege deze beslagen hangende het hoger beroep worden verkocht, dan heeft gedaagde haar rechten en aanspraken verloren.

Op het hiervoor vermeld verweer komt de kantonrechter, voor zover nodig, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang van eiseres blijkt voldoende uit haar stellingen, met name de ingrijpende gevolgen die de openbare verkoop zal hebben, indien in hoger beroep het Hof van Justitie van oordeel mocht zijn dat eiseres niet in strijd met het in kracht van gewijsde vonnis heeft gehandeld en daaruit voortvloeiend gedaagde geen aanspraak maakt op de verbeurde dwangsommen. Derhalve zal eiseres in het kort geding worden ontvangen.

4.2 Naar aanleiding van de stellingen en weren van partijen, zoals weergegeven onder 3.2 en 3.3 in dit vonnis, stelt de kantonrechter het volgende voorop.
Een dwangsom is geen boete of straf. Het is een prikkel richting de veroordeelde tot nakoming of naleving van een rechterlijk gebod of verbod. Een vonnis waarbij een veroordeling op straffe van verbeurte van een dwangsom is uitgesproken, geeft de bevoegdheid de dwangsommen te executeren. Voor de executie van de dwangsommen is vereist dat de partij die is veroordeeld, in casu eiseres, niet aan de veroordeling heeft voldaan. Op de partij die meent aanspraak te maken op de verbeurde dwangsommen, in casu gedaagde, rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het niet voldoen door de andere partij aan de veroordelingen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de kantonrechter nimmer sprake zijn van het verloren gaan van de rechten en aanspraken van gedaagde, zoals door haar opgeworpen. Dit, ook mede vanwege het feit dat het in kracht van gewijsde vonnis in stand blijft en het door gedaagde gelegde executoriaal beslag uit hoofde van de reeds aangevangen executie van de dwangsommen terzake waarvan zij de mening is toegedaan daarop aanspraak te maken, nog op het onroerend goed rust.

Voor wat betreft het verweer dat zij haar rechten en aanspraken kwijt zal raken indien andere beslagleggers tot de openbare verkoop mochten overgaan, brengt de kantonrechter gedaagde in herinnering dat volgens de regels van het beslagrecht beslagleggers bij de vereffening een rangregeling in acht horen te nemen. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan dit verweer.

4.3 Hetgeen partijen nog verdeeld houdt is de beantwoording van de vraag of eiseres in strijd met het in kracht van gewijsde vonnis van 03 december 2009 in de zaak bekend onder A.R No. 07-3984 heeft gehandeld, en alzo dwangsommen heeft verbeurd.

Zoals uit de feiten blijkt is de verdere executie van deze dwangsommen vanwege deze vraag die partijen nog verdeeld houdt en op welke vraag het Hof van Justitie in hoger beroep nog een beslissing moet geven, bij vonnis van de kantonrechter in kort geding geschorst.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter valt de door gedaagde aangezegde openbare verkoop onder de noemer “executie van de dwangsommen”, waardoor deze openbare verkoop vanwege het vonnis van
5 mei 2015 geen voortgang meer kan vinden, en wel totdat het Hof van Justitie op de hiervoor bedoelde vraag die partijen verdeeld houdt heeft beslist. Derhalve komt de gevraagde voorziening, zoals hierna in de beslissing vermeld, voor toewijzing in aanmerking. Daarbij heeft de kantonrechter ook in overweging genomen dat de beantwoording op dit geschilpunt thans in kort geding geschiedt, terwijl de definitieve beantwoording van de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd danwel de vaststelling van dit feit, volgens de algemene regels van het procesrecht in bodemprocedure zou horen te geschieden.

4.4 Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de bij exploit van deurwaarder J.E. Febis de dato 22 december 2015 no. 1700 voor woensdag 24 februari 2016 om 10.00 uur aangekondigde openbare verkoop ten overstaan van notaris mr. M.A. Nannan Panday van het het aan eiseres toebehorend recht van erfpacht voor het opzetten van een radio-omroepbedrijf voor de duur van 75 jaren op het erf groot 2.978 m², uitmakende van de erven aan de verlengde Hoogestraat en bekend als NW 2e BW no.’s 246 L en 246 M, totdat definitief in hoger beroep is beslist over de rechtmatigheid van de dwangsommen.

5.2 Verklaart hetgeen onder 5.1 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 235,- (Tweehonderd en Vijfendertig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur – Lachitjaran, op donderdag 18 februari 2016 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2015-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 15-4794
09 november 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],
domicilie kiezende te Paramaribo,
eiser,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET OPENBAAR MINISTERIE,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur- generaal bij het Hof van Justitie van Surianme,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C. Klein, officier van justitie.

1. Het verloop van het proces

1.1 Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het verzoekschrift dat met de producties op 29 oktober 2015 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 03 november 2015;
– het verstek dat is verleend aan gedaagde d.d. 03 november 2015;
– de zuivering van het verstek door gedaagde d.d. 03 november 2015;
– de conclusie van antwoord d.d. 04 november 2015, met producties;
– de conclusie van repliek d.d. 05 november 2015, met producties;
– de conclusie van dupliek d.d. 06 november 2015.

1.1 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 21 september 2015 is eiser in verzekering gesteld. De inverzekeringstelling is met ingang van 28 september 2015 met 30 dagen verlengd bij bevel tot verlenging van de inverzekeringstelling.

2.2 Op 26 oktober 2015 is eiser bij de Rechter-commissaris voorgeleid in het kader van de vordering tot bewaring gedaan door gedaagde.

2.3 Bij beschikking d.d. 27 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris de bewaring van eiser bevolen met ingang van 28 oktober 2015 voor de tijd van 30 dagen.

2.4 Op 29 oktober 2015 heeft gedaagde de hiervoor vermelde beschikking aan eiser doen betekenen, doch heeft eiser geweigerd de beschikking in ontvangst te nemen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:
– gedaagde te gelasten om eiser binnen 1 uur na de uitspraak in deze, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, lijfelijk in vrijheid te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor ieder uur dat gedaagde nalatig blijft aan de uitvoeringvan dit vonnis gevolg te geven;
– gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.1.1 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt, daarin bestaande dat de voortduring van zijn vrijheidsbeneming niet op de wet is gestoeld en daarbij in strijd met artikel 7 lid 2 en 4 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens is gehandeld. Daartoe stelt eiser, naast de feiten vermeld onder 2, onder meer het volgende:
– op 28 oktober 2015 was hem geen bevel tot bewaring van de rechter-commissaris betekend, noch een last tot tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel en evenmin is hem door de gerechtelijke autoriteiten medegedeeld dat zijn verdere vrijheidsbeneming is ingewilligd. Dit, terwijl de termijn van de verlengde inverzekeringstelling reeds op 27 oktober 2015 te 24.00 uur is verstreken;
– ingevolge artikel 68 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een bevel tot bewaring vóór of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte, in casu eiser, te worden betekend, hetgeen niet is geschied;
– er is geen sprake van een geldige vrijheidsbeneming in de zin van voorlopige hechtenis, omdat het bevel terzake in strijd met de artikel 516 Sv niet aan eiser is betekend;
– ingevolge artikel 517 lid 4 en 6 Sv is de betekening van het bevel inzake bewaring nietig;
– daar er geen sprake is van een voorlopige hechtenis ontbeert eiser de mogelijkheid zijn in vrijheidstelling aan het Hof van Justitie te verzoeken, omdat het Hof van Justitie op grond van artikel 61 Sv alleen in de gevallen waarin er wel sprake is van voorlopige hechtenis en de enige rechtsgang om dit verzoek te doen de kort gedingrechter is.

3.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dit verweer komt de kantonrechter, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt voldoende uit de stellingen van eiser, zodat hij in het kort geding zal worden ontvangen.

4.2 De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of eiser onrechtmatig in detentie zit, dan wel of gedaagde een onrechtmatige daad jegens eiser pleegt.

Zoals de kantonrechter het betoog van eiser begrijpt, beroept hij zich er:

  1. primair op dat in casu geen sprake is van een bevel inzake voorlopige hechtenis. Dit, omdat het bevel inzake bewaring d.d. 27 oktober 2009 vanwege de late betekening en het niet in acht nemen van de bij wet voorgeschreven wijze van betekening daarvan door de vervolging, in casu gedaagde, nietig is;
  2. subsidiair op dat gedaagde met het niet of niet tijdig betekenen van het bevel inzake de bewaring en het niet in acht nemen van de wettelijke vereisten bij de betekening daarvan, een ernstige fout heeft gemaakt bij de vrijheidsbeneming van eiser waarbij de belangen van eiser zijn veronachtzaamd, en dit zal moeten leiden tot de invrijheidstelling van eiser.

4.3 Voor wat betreft het primair gestelde gaat eiser naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter uit van een onjuist standpunt. In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat een bevel tot bewaring een beslissing van de rechter-commissaris op vordering van de vervolging behelst welke beslissing door de vervolging zoals eiser terecht stelt, aan de verdachte, in casu eiser, dient te worden betekend vóór of bij de tenuitvoerlegging van dat bevel, doch is in geen der bepalingen van het Wetboek van Strafvordering neergelegd dat een te late betekening van dit bevel door de vervolging of het niet voldoen van de betekening aan de bij wet gestelde eisen leidt tot nietigheid van het door de rechter-commissaris gegeven bevel inzake bewaring. Het kan immers nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat ingeval de vervolging de bij wet gestelde eisen en termijn van betekening van een bevel inzake de bewaring niet in acht neemt, dit zou moeten leiden tot nietigheid van een bevel betreffende de detentie van een verdachte, in casu eiser. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan de stellingen van eiser dat er in casu geen sprake is van een bevel tot voorlopige hechtenis oftwel bewaring. Voldoende aannemelijk is dat er een bevel tot bewaring door de daartoe bevoegde autoriteit, zijnde de rechter-commissaris, is gegeven en er in casu dus wel sprake is van een bevel tot voorlopige hechtenis.

4.4 Voor wat betreft het subsidiar gestelde is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter van belang welke consequenties de strafrechter naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de strafzaak aan een te late betekening of nietigheid van de betekening van het bevel inzake de bewaring zou kunnen verbinden op grond van de vaste jurisprudentie.

Buiten discussie staat de beantwoording van vraag of de vervolging, in casu gedaagde, de wettelijk voorgeschreven regels met betrekking tot de betekennig van het bevel tot bewaring niet in acht heeft genomen, omdat voldoende aannemelijk is dat de wettelijke voorschriften niet in acht zijn genomen. Wat ter discussie staat is de vraag welke consequentie in redelijkheid aan dit handelen van gedaagde verbonden dient te worden.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het laat betekenen van het bevel in zake voorlopige hechtenis of het niet voldoen aan de eisen van de betekening zou kunnen leiden tot óf niet ontvankelijkheid van de vervolging óf strafvermindering als compensatie en zulks dus niet zal leiden tot de invrijheidstelling van de verdachte, in casu eiser. Voorts dient volgens vaste rechtspraak, waarbij verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376, dat niet ontvankelijk verklaring van de vervolging gereserveerd dient te blijven voor uitzonderlijke gevallen. Voor deze sanctie is – naar bewoordingen van de Hoge Raad – alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van grove veronachtzaming van de belangen van eiser. Eiser stelt evenwel dat hij niet geïnformeerd is geworden over de gronden van de voortduring van zijn detentie, doch heeft hij door de weigering voor het in ontvangst nemen bij de betekening van het bevel tot bewaring er zelf voor gekozen om niet geïnformeerd te worden terzake. Mede gelet hierop zal naar alle zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de strafrechter bij een beroep van eiser op schending van dit recht en de overige wettelijke formaliteiten terzake aan dit verzuim van gedaagde een strafvermindering als consequentie verbinden.

4.5 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, zal de door eiser gevraagde voorziening worden geweigerd. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat gedaagde vóór het verstrijken van de termijn van de bewaring, een vordering tot verlenging daarvan bij de rechter-commissaris kan indienen, welke op zeer korte termijn zal verstrijken en dus op zeer korte termijn zal horen te geschieden en eiser zich ook op dit verzuim kan beroepen bij de rechter-commissaris bij de voorgeleiding in dat kader.

4.6 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, op maandag 09 november 2015 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

SRU-K1-2017-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 10-2694
31 augustus 2017

Vonnis inzake:

A. DE EVANGELISCHE BROEDERGEMEENTE IN SURINAME,

B. DE EVANGELISCHE LUTHERSE KERK IN SURINAME,

beiden gevestigd te Paramaribo, eisers,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

a. De Stichting ‘SURINAAMSE STICHTING DIAKONESSENARBEID (SSD)’, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

b. [gedaagde 2] , wonende te [district 1],

d. [gedaagde 3], wonende te [district1]

e. [gedaagde 4], wonende in het [district 2],

f. [gedaagde 5], wonende te [district 1],

g. [gedaagde 6] , wonende te [district 1]

h. [gedaagde 7] , wonende te [district 1],

gedaagden sub b en d t/m h pro sé en in hun hoedanigheid van bestuurslid van gedaagde sub a,

gemachtigde voor gedaagden sub a t/m h: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

Vooraf

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis 21 april 2015.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:

– het proces-verbaal d.d. 22 mei 2015 van de gehouden comparitie van partijen;
– het proces-verbaal d.d. 12 juni 2015 van de voortgezette comparitie van partijen;
– de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen zijdens gedaagden, met een productie;
– de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen en uitlating productie zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Gedaagden hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat eisers niet- ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering omdat zij geen rechtspersonen zijn zoals gesteld in het verzoekschrift, terwijl er geen wettelijke regeling is die godsdienstige gemeenschappen als rechtspersoon aanwijst. Gedaagden voeren aan dat de zelfstandige onderdelen van de Hervormde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk, met name de ‘Evangelische Lutherse Gemeente in Suriname’ en de ‘Hervormde Gemeente van Paramaribo’, wel rechtspersoonlijkheid bezaten, doch zijn eisers sub B en C niet hun rechtsopvolgers.

Met betrekking tot eiseres sub A voeren gedaagden aan dat eiseres sub A volgens haar eigen kerkorde slechts een provincie is van de Broeder Entiteit (Unitas Fratrum), zodat de kerkorde (Church Order of the Unitas Fratrum) beslissend is voor de status van eiseres sub A. Ter adstructie wordt de kerkorde van eiseres sub A als productie overgelegd.

Voorts stellen gedaagden zich op het standpunt dat eisers geen bevoegdheid bezitten om bestuursbesluiten van gedaagde sub a aan te tasten, nu bestuursbesluiten van gedaagde sub a slechts kunnen worden aangetast door gedaagde sub a zelf of door degenen wiens rechten door het besluit zijn geschonden. Volgens gedaagden is geen enkel recht van eisers geschonden door de statutenwijziging, nu zij niet tot de oprichters van gedaagde sub a behoren of deelnemers zijn in gedaagde sub a, terwijl zij in het kader van hun eigen doelstelling geen enkel recht hebben om mede te beslissen over de doelbereiking van gedaagde sub a.

Tevens voeren gedaagden aan dat eisers ingevolge artikel 8 lid 1 van de Wet op Stichtingen geen ontslag van bestuursleden kunnen vorderen, nu zij gezamenlijk noch afzonderlijk als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

Tenslotte voeren gedaagden aan dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tegen gedaagden sub c en h, omdat gedaagde sub c ten tijde van de statutenwijziging nog geen bestuurslid was van gedaagde sub a, terwijl gedaagde sub h reeds ettelijke jaren geen bestuurslid meer is van gedaagde sub a.

2.2 Eisers voeren hiertegen aan dat zij wel degelijk rechtspersoon zijn en leggen ter adstructie diverse producties over. Ten aanzien van het processueel belang van eisers voeren zij aan dat hun rechten wel degelijk zijn geschonden door de statutenwijziging, met name het recht om bestuursleden te benoemen en te ontslaan, zodat zij ingevolge artikel 8 lid 1 van de Wet op Stichtingen wel belanghebbende zijn. Eisers voeren aan dat gedaagden sub c en h hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de statutenwijziging, weshalve zij terecht zijn betrokken.

2.3 Gedaagden voeren hiertegen aan dat gedaagde sub h geen bestuurslid meer is, terwijl gedaagde sub c niet heeft deelgenomen aan de besluitvorming. Gedaagden persisteren dat eisers geen rechtspersonen zijn en beroepen zich op artikel 1666 BW, terwijl de door eisers overgelegde producties worden betwist. Gedaagden persisteren dat aan eisers niet het recht toekomt om de bestuursbesluiten van gedaagde sub a aan te tasten, omdat zij geen inbreng hebben in het besluitvormingsproces binnen gedaagde sub a.

2.4 Tijdens de gehouden comparitie en voortgezette comparitie van partijen is door eisers aangegeven dat de zaak tegen gedaagde sub c zal worden ingetrokken, aangezien hij is overleden. Eveneens zal eiseres zich terugtrekken als eiseres sub C.

Gedaagden sub b en h hebben verklaard dat zij de kerk die zij vertegenwoordigen respectievelijk eiseres sub C en A, op de hoogte hadden gesteld van de voorgenomen statutenwijziging. Gedaagde sub f verklaarde dat zij ervan uit zijn gegaan dat de vertegenwoordiger van eiseres sub B, [naam] , eiseres sub B op de hoogte had gesteld omtrent de noodzaak om de statuten te wijzigen.

Eiseres sub A verklaarde dat er op geen enkel wijze met eisers is overlegd en dat eiseres sub A na onderzoek er echter is gekomen dat de statuten waren gewijzigd.

Eiseres sub B verklaarde eveneens dat gedaagde sub a geen overleg met eisers had gevoerd. Gedaagde sub f verklaarde dat zij geen bestuursleden meer zijn en dat in 2013 er nieuwe bestuursleden zijn gekozen op voordracht van de kerken op basis van de nieuwe statuten. Eiseres sub A verklaarde dat het bestuur heeft gesproken met niet-leden en dat er schriftelijk verwoord moet worden dat de kerken hebben ingestemd met de wijziging.

2.5 De kantonrechter overweegt dat, nu gedaagden zich niet hebben verzet tegen de intrekking van de vordering van eiseres sub C, zal worden verstaan dat de vordering van eiseres sub C tegen gedaagden is ingetrokken. Hiermee is reeds rekening gehouden in de aanhef van dit vonnis.

2.6 Nu er ten aanzien van eiseres sub B geen statuten zijn overgelegd waaruit blijkt dat zij rechtspersoon is, wordt het ervoor gehouden dat eiseres sub B geen rechtspersoon is en zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen gedaagden.

2.7 De kantonrechter overweegt dat Par. 81 van de Kerkorde Der Evangelische Broedergemeente in Suriname 1999, als volgt luidt:

“a. De eigendomstitel is “De Evangelische Broedergemeente in Suriname”.

b. De Evangelische Broedergemeente in Suriname is als rechtspersoon eigenares van alle vermogensbestanddelen van alle onderdelen”.

Op grond hiervan overweegt de kantonrechter dat eiseres sub A, mede in acht nemende de door eisers overgelegde hypothecaire uittreksel en beschikking ten name van eiseres sub A, ingevolge voornoemde kerkorde wel rechtspersoon is en derhalve kan worden ontvangen in haar vordering. Het beroep van gedaagden op artikel 1666 BW wordt derhalve verworpen.

2.8 Nu gedaagden zich niet hebben verzet tegen de intrekking van de vordering tegen gedaagde sub c, zal de kantonrechter verstaan dat de vordering tegen gedaagde sub c is ingetrokken.

Ten aanzien van gedaagde sub h, overweegt de kantonrechter dat hij blijkens de notulen d.d. 11 mei 2004 aanwezig was op de bewuste vergadering en de functie van ondervoorzitter van gedaagde sub a bekleedde. Het verweer van gedaagden ter zake wordt derhalve verworpen en kan eiseres sub A worden ontvangen in haar vordering tegen gedaagde sub h.

2.9 Als niet betwist staat vast dat gedaagden sub b, d t/m h geen bestuursleden meer zijn van gedaagde sub a, zodat eiseres sub A niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering tegen gedaagden sub b, d t/m h om hun te ontslaan als bestuursleden, zoals gevorderd onder c van het petitum.

Met betrekking tot de bevoegdheid van eiseres sub A om de nietigheid van de statuten dan wel de nietigheid van het besluit tot wijziging daarvan in te roepen, overweegt de kantonrechter dat zulks slechts een aangelegenheid is van het bestuur van gedaagde sub a zelf. Naar het oordeel van de kantonrechter had eiseres sub A een dergelijke vordering tegen gedaagde sub a moeten instellen middels haar vertegenwoordiger in het bestuur van gedaagde sub a, omdat eiseres sub A niet rechtstreeks deelnam of deelneemt in het bestuur van gedaagde sub a. Eiseres sub A zal derhalve niet- ontvankelijk worden verklaard in het door haar gevorderde onder a en b van het petitum.

2.10 Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

3. De beslissing

De kantonrechter

3.1 Verklaart eisers sub A en B niet-ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagden sub a, b en d t/m h.

3.2 Verstaat dat eiseres sub C de vordering tegen gedaagden heeft ingetrokken.

3.3 Verstaat dat de vordering tegen gedaagde sub c is ingetrokken.

3.4 Veroordeelt eisers sub A en B in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen, tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en uitgesproken door mr. R.M. Praag, kantonrechters in het Eerste Kanton, leden-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting te Paramaribo, van donderdag 31 augustus 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. G. Moerlie w.g. S.S. Nanhoe-Gangadin
w.g. R.M. Praag