SRU-K1-2017-6

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 171393
5 oktober 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van

Suriwood Lumber Company n.v.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name het Ministerie van Ruimtelijke ordening, Grond- en Bosbeheer in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie;
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 29 maart 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Bij beschikking d.d. 27 januari 2017 [nummer], MinRGB is aan eiseres een concessie verleend, tot exploitatie van hout op het terrein, vermoedelijk groot 18.195 ha., dat gelegen is in de districten Para en Sipaliwini, aan de Saramacca- en de Tibitirivier, deel uitmakende van voormalig terrein no. 366, thans bekend als terrein no. 366b, zoals nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter in Suriname, Ing. H. Kalloe d.d. 17 januari 2017, behoudens eventuele reeds bestaande rechten van derden voor de duur van 10 (tien) jaren onder de wettelijke bepalingen, onder meer van de Wet Bosbeheer en de aangehechte bijbehorende concessievoorwaarden, onder bijvoeging van de concessievoorwaarden (hierna concessie I).

2.2 Bij beschikking d.d. 2 maart 2017 [nummer] /MinRGB is de beschikking d.d. 27 januari 2017/Min RGB waarbij de concessie is verleend aan eiseres ingetrokken.

Voor de intrekking van de beschikking zijn de volgende gronden opgegeven:

– dat eiseres op 25 oktober 2016 is opgericht en nog niet operationeel is als houtverwerkingsbedrijf;
– dat eiseres haar aanvraag voor de houtkapconcessie heeft ingediend op 7 december 2016, gewijzigd d.d. 18 januari 2017 en geen exploratievergunning zoals aangegeven in artikel 23 juncto artikel 27 lid 2 van de Wet Bosbeheer heeft aangevraagd;
– dat eiseres de concessie aanvraagt op een terrein waar al een aanvraag van een derde op liep vanaf 9 december 2015;
– dat eiseres geen verklaring van solvabiliteit heeft overgelegd en niet de capaciteit bezit om de exploitatie ter hand te kunnen nemen zoals aangegeven in artikel 27 lid 3 van de Wet Bosbeheer.

2.3 Bij beschikking d.d. 25 april 2017 [nummer] /M in RGB is aan gedaagde sub b een vergunning tot exploitatie van hout verleend op het terrein, vermoedelijk groot 14500 ha., gelegen in de districten Para en Sipaliwini, deel uitmakende van voormalig terrein no. 366, thans bekend als terrein no. 366c, zoals nader aangeduid op de figuratieve kaart van de landmeter in Suriname, Caryl A. Cairo Lcs. d.d. 3 april 2017, behoudens eventuele reeds bestaande rechten van derden (hierna concessie II).

3. De vordering, de qrondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven:
Primair:
Intrekking en het ongedaan maken van de intrekkingsbeschikking van 2 maart 2017 en zoals nader omschreven onder 2.2 van de feiten, onder verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair:
Schorsing van de intrekkingsbeschikking van 2 maart 2017 en zoals nader omschreven onder 2.2 van de feiten.

3.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

Zij heeft voldaan aan alle voorwaarden ter verkrijging van de bedoelde vergunning op de concessie. De gronden voor de intrekking van de vergunning zijn vals, ondeugdelijk en in strijd met de Wet Bosbeheer.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd.

De kantonrechter komt zover nodig terug daarop in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en het gevorderde.

4.2 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft – zover van belang – het volgende aangevoerd.

Naderhand is gebleken dat eiseres niet voldeed aan de wettelijke vereisten om in aanmerking te komen voor een exploitatievergunning. Ingevolge artikel 27 lid 2 van de Wet Bosbeheer (S.B. 1992 no. 80) wordt een middellange concessie verleend onverminderd de bij die wet gestelde voorwaarden en is afhankelijk van de gunstige resultaten van een door de concessieaanvrager verricht onderzoek naar de mogelijkheden van bosexploitatie in het betreffend gebied overeenkomstig een exploratievergunning als bedoeld in artikel 23 van die wet. Hieruit vloeit voort dat voorafgaand aan de exploitatie eerst een exploratievergunning moest zijn verleend voor onderzoek waaruit er gunstige resultaten voor de concessie aanvrager aantoonbaar zijn. Aan eiseres is er geen exploratievergunning verleend voorafgaande aan de exploitatievergunning. Naast het voorgaande is ook gebleken, dat de aan eiseres verleende exploitatievergunning betreft een concessie waar er al een aanvraag van een derde op liep en wel vanaf 9 december 2015. Tenslotte zijn de saldorekeningen van eiseres op de bank in schril contrast met zijn investeringsplan. Uit de door eiseres overgelegde documenten blijkt dat zijn saldorekeningen op de bank bedragen SRD100,= respectievelijk USD34.000,= terwijl uit haar investeringsplan blijkt dat de investeringen voor 100% uit eigen middelen groot USD813.000,= gefinancierd zal worden. Eiseres heeft dus niet voldaan aan de vereiste van solvabiliteit. Zij bezit derhalve niet de capaciteit om de exploitatie ter hand te kunnen te nemen, zoals aangegeven in artikel 27 lid 3 van de Wet Bosbeheer.

4.3 Op dit gemotiveerd verweer van gedaagde heeft eiseres als volgt gereageerd. Zij heeft aan alle voorwaarden voldaan voor het verkrijgen van de concessievergunning. Het beginsel van rechtszekerheid brengt met zich dat de vergunning niet kan worden ingetrokken. Nalatigheid van gedaagde tot het eerst verlenen van een exploitatie- (lees exploratie-)vergunning komt voor rekening van gedaagde. De intrekking van de aan haar verleende vergunning is in strijd met de Wet Bosbeheer. Eiseres is voorts van mening dat het haar niet kan worden aangerekend dat er reeds eerder een aanvraag liep op de concessie.

4.4 Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de intrekking van de aan eiseres verleende concessievergunning niet onrechtmatig. De werkwijze van gedaagde om te komen tot de intrekking van de concessievergunning verdient geen schoonheidsprijs, doch de gronden die geleid hebben tot de intrekking zijn volledig valide. De blote ontkenning van eiseres dat er al een eerdere aanvraag liep, is niet onderbouwd, terwijl gedaagde gemotiveerd heeft aangegeven dat er al een aanvraag van een derde liep, gedateerd 9 december 2015. De informatie over een eerdere aanvraag van een derde is de kantonrechter ambtshalve bekend uit het proces bekend onder AR no. 17-2141, waarin er samen met de onderhavige zaak vonnis zal worden gewezen.

Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat op een eerdere aanvraag voor het verlenen van een vergunning op een bepaalde concessie eerst een beslissing wordt gegeven dan een latere aanvraag voor het verlenen van een vergunning op diezelfde concessie. Daarnaast heeft gedaagde, zoals omschreven onder 4.2 van de boordeling, ook aannemelijk gemaakt dat eiseres onvoldoende solvabel is om haar investeringsplan te financieren uit eigen middelen. Alhoewel eiseres thans het tegendeel beweert, laat zij na om dit aannemelijk te maken.

De hiervoor vermelde redenen rechtvaardigen dan ook de intrekking van de aan eiseres verleende vergunning. De door eiseres gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten betalen.

5. De beslissinq

De kantonrechter:

5.1 Weigert de gevraagde voorziening.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 5 oktober 2017 te Paramaribo, door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

SRU-K1-2018-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
A.R. no. 172160
8 februari 2018

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [plaats],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat

tegen

N.V. Grasshopper Aluminium Company,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigden: mr. S.W. Wattien en mr. H.R. Lim A Po, advocaten.

De kantonrechter spreekt in Naam van de Republiek het hierna volgend vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 17 mei 2017 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusies van dupliek met producties;
– de conclusie tot uitlating.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eiser is op 1 mei 2015 in dienst getreden van gedaagde voor de duur van 1 jaar en derhalve eindigende op 30 april 2016. Het salaris van eiser bedroeg bruto SRD 8.730,=.

2.2 Het dienstverband is vervolgens stilzwijgend voortgezet.

2.3 Op 30 maart 2017 heeft gedaagde aan eiser doen toekomen een schrijven, inhoudende dat gedaagde de arbeidsovereenkomst met eiser om haar moverende redenen opzegt.

2.4 Eiser heeft vanaf 1 mei 2017 geen salaris ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde tot doorbetaling van het loon met ingang van 1 mei 2017 en vervolgens elke maand totdat de dienstbetrekking rechtmatig is beëindigd, vermeerderd met:

a. De aan hem toekomende maandelijkse emolumenten/toelagen;
b. De vertragingsrente ex artikel 1614 q BW;
c. De wettelijke rente.

3.2 Eiser heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

Het ontslag aan hem is nietig, aangezien gedaagde niet in het bezit is van een ontslagvergunning.

In januari 2017 was eiser aangegeven dat zijn arbeidsovereenkomst met nog twee jaren zou worden verlengd. Door gedaagde zijn er hierdoor verwachtingen bij eiser opgewekt. Gedaagde heeft geen redenen opgegeven voor het ontslag, terwijl eiser ook niet de gelegenheid heeft gehad om zich te verweren.

Gedaagde heeft ook niet de wettelijke opzegtermijn in acht genomen en handelt derhalve in strijd met artikel 1615 i lid 5. Eiser lijdt schade door de handelingen van gedaagde.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt zover nodig terug op dat verweer in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang lijkt uit de stellingen van eiser en het door hem gevorderde.

4.2 Partijen zijn verdeeld over de vraag of gedaagde al dan niet een ontslagvergunning nodig had voor de door haar aan eiser gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst. Ter beantwoording van deze vraag is het van belang om na te gaan wat de wetgever daarover heeft bepaald.

Artikel 1615 e lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt het volgende:

“De dienstbetrekking eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken, bij overeenkomst of reglement of bij wettelijk voorschrift, of bij gebreke daarvan, door het gebruik bepaald”.

Ingevolge artikel 1615 e lid 2 BW is voor in dat artikel genoemde gevallen wel een opzegging vereist voor het eindigen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In deze gaat het onder meer om de gevallen waarbij de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615 f geacht wordt voor een bepaalde tijd te zijn voortgezet.

Artikel 1615 f lid 1 regelt de voortzetting van de arbeidsovereenkomst “zonder tegenspraak”, Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tegenspraak wordt voortgezet wordt zij geacht voor dezelfde duur, doch telkens voor maximaal 1 jaar op de vroegere voorwaarden te zijn verlengd.

4.3 De kantonrechter concludeert uit artikel 1615 e lid 1, dat iedere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt als de periode waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan is verstreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in dit geval geen opzegging en dus ook geen ontslagvergunning noodzakelijk.

Echter, indien de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 1615 f lid 1 een of meerdere malen zonder tegenspraak is voortgezet, is voor de beëindiging daarvan wel opzegging en een ontslagvergunning vereist.

In het onderhavige geval is de arbeidsovereenkomst tussen partijen zonder tegenspraak voortgezet. Ingevolge de artikelen 1615 e lid 2 en 1615 f lid 1 BW is er dus wel opzegging vereist. Aan deze opzegging is er – naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – wel een ontslagvergunning vereist.

Aangezien gedaagde niet beschikt over een ontslagvergunning is de dienstbetrekking tussen partijen nog in stand en is gedaagde gehouden het salaris van eiser door te betalen vanaf 1 mei 2017 totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd. Het onder a van het petitum gevorderde is derhalve toewijsbaar als in het dictum te melden.

4.3.1 Gedaagde heeft een viertal kopie-vonnissen bij conclusie van antwoord overgelegd waaruit zou moeten blijken dat er geen ontslagvergunning vereist is bij stilzwijgende voortzetting van de dienstbetrekking.

Naar het oordeel van de kantonrechter verschillen niet alleen de feiten in de door gedaagde overgelegde vonnissen van de feiten in het onderhavige geval, maar ook het hiervoor genoemde verweer van gedaagde blijkt niet uit deze vonnissen.

4.3.2 Bij conclusie van dupliek heeft gedaagde overgelegd een artikel van mr. F. Kruisland, waaruit zou moeten blijken dat er geen ontslagvergunning vereist is bij stilzwijgende voortzetting van de dienstbetrekking.

De kantonrechter merkt op dat deze visie van mr. Kruisland, op zichzelf staat en geen ondersteuning vindt in jurisprudentie. Om deze reden gaat de kanonrechter voorbij aan de inhoud van voormeld artikel.

4.4 Ingevolge artikel 1614 q BW maakt eiser aanspraak op vertragingsrente vanwege de late uitbetaling van het loon.

De kantonrechter zal deze rente naar redelijkheid en billijkheid beperken tot nihil, nu eiser vanaf 1 mei 2017 geen werkzaamheden heeft verricht. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter wordt de door eiser opgelopen schade vanwege de niet-betaling van het loon in voldoende mate gecompenseerd door de wettelijke rente die wel zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is evenwel toewijsbaar. Deze bevoegdheid ontleent de kantonrechter aan artikel 1614 q BW, waarin tevens is opgenomen dat de rechter bevoegd is de verhoging te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.

4.5 De kantonrechter acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.6 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde patij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het loon vermeerderd met de aan eiser maandelijks toekomende emolumenten/toelagen vanaf 1 mei 2017, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 17 mei 2017.

5.2 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.3 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 281,= (tweehonderd en eenentachtig Surinaamse Dollar).

5.4 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kort geding mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van donderdag 8 februari 2018 te Paramaribo, door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding mr. A.C. Johanns, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. J. Pinas w.g I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A.C. Johanns

 

SRU-K3-2011-1

AR No. 115245
Datum: 27 december 2011

Kantongerecht in het Derde Kanton

Vonnis in de zaak van

[eiser sub A],
[eiser sub B],
[eiser sub C],
[eiser sub D],
[eiser sub E],
[eiser sub F],
[eiser sub G],
[eiser sub H],
[eiser sub I],
[eiser sub J],
[eiser sub K],
[eiser sub L],
[eiser sub M],
[eiser sub N],
[eiser sub O],
eisers sub A, J, L, M en N, wonende in het [district 1],
eisers sub B, I, K en O wonende in het [district 2],
eisers sub C, D, E, F, G en H, wonende in het [district 3],
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat

tegen

[gedaagde sub A],
[gedaagde sub B],
[gedaagde sub C], allen wonende in het [district 1],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R.M. Libretto, advocaat.

1. Het procesverloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift, met producties, dat op 16 december 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord;
– de mondelinge conclusies van repliek en dupliek, aangetekend in het process-verbaal van de terechtzitting van 23 december 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kort geding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [naam 1] is de overleden echtgenoot van eiseres sub A en de vader, tevens erflater van de overige eisers. Hij is overleden op 6 november 2011.

2.2 [naam 1] woonde vanaf 1984 te [dorp 1] een plaats gelegen aan de bovenloop van de [rivier]. Op zijn sterfbed heeft hij te kennen gegeven begraven te willen worden volgens de gebruiken van de Volle Evangelie gemeente op zijn woonplaats [dorp].

2.3 [naam 1] is broer van gedaagde sub A, de neef van gedaagde sub B en de oom van gedaagde sub C.

2.4 [naam 1] behoorde tijdens zijn leven tot de Awana lo van de Saramaccaners, welke onder andere gevestigd is te [dorp 2], een dorp gelegen aan de bovenloop van de [rivier]. Te [dorp 2] is een begraafplaats ingericht.

2.5 [naam 1] was op de dag van de indiening van het verzoekschrift nog niet begraven vanwege het feit dat onder andere gedaagden, die deel uitmaken van de Awana lo, aan de familie kenbaar hebben gemaakt dat hij niet begraven mag worden te [dorp 1].

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1 De vordering

Eisers vorderen, kort samengevat, dat de Kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Gedaagden verbiedt om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van eisers en de uitvoering daarvan om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam 1] te begraven te [dorp 1] aan de bovenloop van de [rivier] in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en geloofsgemeenschap van de Volle Evengelie gemeente;
Gedaagden verbiedt de genoemde begrafenis te gehengen en te gedogen;
Onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,= per keer voor elke keer dat gedaagden in strijd handelen met het vonnis;
Eisers machtigt om ter uitvoering van het vonnis de hulp van de sterke arm te mogen inroepen en voorts
Gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 De grondslag

De kantonrechter begrijpt dat eisers als grondslag voor hun vordering aanvoeren dat gedaagden, door eisers te verhinderen [naam 1] te begraven op de plaats en volgens de gebruiken die hij wenste toen hij nog leefde, jegens hen, eisers onrechtmatig handelen. Immers, zo stellen zij, zijn zij de wettige erfgenamen van [naam 1] en derhalve ingevolge de begrafeniswet gerechtigd om hem te begraven. Zij voeren aan dat de begrafenis te [dorp 1] mogelijk moet zijn omdat [dorp 1] de plaats was die door de Awana lo in 1980 aan hem is toegewezen om te wonen, zijn gezin te stichten en later te worden begraven. Zij voeren voorts aan dat zij van de Granman der Saramaccaners en van de Districts-Commissaris toestemming hebben gekregen om [naam 1] op [dorp 1] te begraven. Zij voeren aan dat, nu zij de erfgenamen zijn en dus de gerechtigden zijn om over de begrafenis te beslissen, en het de wens van de overledene was daar begraven te worden en de Granman en de DC daartoe toestemming hebben gegeven, gedaagden, door zich te blijven verzetten tegen de begrafenis, inbreuk plegen op het besluit van de eisers, en daarmee, zo begrijpt de kantonrechter, onrechtmatig handelen jegens eisers.

3.3 Het verweer

Gedaagden hebben verweer gevoerd, op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter overweegt dat het spoedeisend karakter blijkt uit de feiten die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd.

4.2 De kantonrechter overweegt dat gedaagden als verweer onder andere hebben aangevoerd dat zij slechts om één reden niet willen toestaan dat [naam 1] wordt begraven te [dorp 1] en die reden is: dat op die plaats geen begraafplaats is ingericht en dat het volgens de Saramaccaanse regels en normen, en de Saramaccaanse traditie, niet geoorloofd is overledenen te begraven op een plaats waar geen begraafplaats is. Ook is het niet geoorloofd op die betreffende plaats een begraafplaats in te richten. Zij voeren aan dat dat eigenlijk in heel Suriname geldt, maar vooral in het binnenland.

4.3 Eisers hebben op het bezwaar van gedaagde enkele zaken naar voren gebracht die in het kort neerkomen op: 1. Dat de plaats in 1980 aan [naam 1] is toegewezen om te wonen, zijn gezin te stichten en begraven te worden; 2. Dat er al een overledene daar is begraven, namelijk een lijk dat was aangespoeld, voordat [naam 1] zich daar vestigde; 3. Dat de Granman der Saramaccaners en de Districts-Commissaris van het [district 1] toestemming hebben gegeven om op die plaats te begraven (10e sustenu van het verzoekschrift).

4.4 De kantonrechter overweegt dat gedaagden niet hebben weersproken dat de Granman der Saramaccaners en de Districts-Commissaris van het [district 1] toestemming hebben gegeven om op de genoemde plaats te begraven. Ook hebben zij niet weersproken dat er reeds iemand daar is begraven, ze stellen dat dat dan een noodgeval moet zijn geweest.

4.5 De kantonrechter overweegt dat ingevolge de begrafeniswet (GB 1959 no. 119) voor het begraven van overleden personen in de districten een begraafplaats kan worden aangelegd, mits daartoe toestemming wordt verkregen van de Districts-Commissaris (artikel 16 e.v.).

4.6 De kantonrechter overweegt voorts dat gedaagden zich hebben beroepen op de gebruiken en regelgeving van de Stam der Saramaccaners, op grond waarvan zij stellen dat de eisers geen begraafplaats zouden kunnen aanleggen. Nu gedaagden niet hebben weersproken en de Granman der Saramaccaners, die volgens de regels en normen van de Saramaccaners moet worden gezien als de hoogste gezagsdrager, toestemming heeft verleend voor het begraven van [naam 1] te [dorp 1], is hun argument dat het begraven aldaar in strijd zou zijn met de regels en normen van de Saramaccaanse leefgemeenschap, niet aannemelijk.

4.7 De kantonrechter is van oordeel dat, nu eisers van zowel het traditioneel gezag als de Districts-Commissaris toestemming hebben voor de begrafenis, gedaagden het verweer dat door hen is aangevoerd niet aannemelijk hebben kunnen maken waardoor zij geen gronden hebben om eisers te verhinderen de begrafenis voortgang te doen vinden. Zij hebben noch gronden die gestoeld zijn op de normen en regels van de marrongemeenschap en de traditie, noch gronden die gestoeld zijn op de Begrafenis regelgeving.

4.8 De kantonrechter overweegt dat hierdoor de grondslag van het gevorderde, namelijk dat gedaagden zich onrechtmatig gedragen jegens eisers, door de begrafenis te verhinderen, aannemelijk is geworden, waardoor het gevorderde zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd, achtende de kantonrechter dat redelijk.

4.9 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en gedaagden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

5.1 Verbiedt gedaagden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van eisers en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam 1] te begraven te [dorp 1]aan de bovenloop van de [rivier] in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie gemeente;

5.2 Machtigt eisers, indien gedaagden zich niet houden aan het verbod genoemd onder 5.1 hierboven, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis;

5.3 Veroordeelt gedaagden de begrafenis zoals omschreven onder 5.1 hierboven te gehengen en te gedogen;

5.4 Veroordeelt gedaagden, indien zij zich niet houden aan het hierboven onder 5.1 genoemde verbod en de onder 5.3 genoemde veroordeling, aan eisers een dwangsom te betalen van SRD. 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per keer, het toaal van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand, des de een betalend de anderen bevrijd zullen zijn;

5.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;

5.6 Veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 2.060,= (tweeduizend en zestig Surinaamse dollar).

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het kortgeding, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het derde kanton te Paramaribo van dinsdag 27 december 2011, in tegenwoordigheid van mr. G.T. Moerlie, fungerend-griffier.

w.g. G. Moerlie w.g. A.C. Johanns

SRU-K3-2012-1

A.R. no. 12-0002
05 januari 2012

DE PLAATSVERVANGEND-KANTONRECHTER IN HET DERDE KANTON

Vonnis in kort geding inzake:

[eiser sub A]
[eiser sub B],
[eiser sub C],
allen wonende in het [district 1] ,
eisers in kort geding,
gemachtigde: mr. N.B. Sang A Jong, advocaat.

tegen

[gedaagde sub A],
[gedaagde sub B] ,
[gedaagde sub C] ,
[gedaagde sub D],
[gedaagde sub E],
[gedaagde sub F],
[gedaagde sub G],
[gedaagde sub H],
[gedaagde sub I],
[gedaagde sub J],
[gedaagde sub K],
[gedaagde sub L],
[gedaagde sub M],
[gedaagde sub N],
[gedaagde sub O],
gedaagden sub A, J, L, M en N, wonende te [dorp] in het [district 1],
gedaagden sub B, I, K en O wonende aan [adres 1] in het [district 2] ,
gedaagden sub C, D, E, F, G en H, wonende aan [adres 2]in het [district 3],
gedaagden in kort geding,
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat

De Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Derde Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

1. Het verloop van de procedure:

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 02 januari 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de mondelinge conclusies van antwoord, onder overlegging van een productie;
– de mondelinge conclusie van repliek en uitlating productie, onder overlegging van een productie;
– de mondeling conclusie van dupliek en uitlating productie;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in het derde kanton, in kort geding de dato 27 december 2011, zijn eisers (toen gedaagden) verboden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van gedaagden (toen eisers), om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam 1] te begraven te [dorp] aan de bovenloop van de [rivier] in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie Gemeente; met veroordeling van eisers (toen gedaagden) tot een dwangsom van SRD 10.000,= per keer, het totaal van SRD 50.000,= niet te bovengaand, indien zij zich niet houden aan bovengenoemd vonnis;

2.2 Eisers hebben tijdig hoger beroep aangetekend d.d. 02 januari 2012 tegen voormeld vonnis aangezien zij zich niet kunnen verenigen met de inhoud van voormeld vonnis;

3. De standpunten van partijen

3.1 Eisers vorderen – kort samengevat – schorsing althans opschorting van de executie casu quo uitvoering van het vonnis d.d. 27 december 2011, A.R. no. 11-5245 totdat het Hof in hoger beroep zal hebben beslist. Naast voormelde vaststaande feiten leggen zij aan hun vordering ten grondslag – zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang – dat gedaagden verkeerde en/of onjuiste feiten aan de Kantonrechter hebben voorgehouden, anders was de vordering nimmer toegewezen;

3.2 Gedaagden hebben de vordering weersproken en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voorzover van belang – terug komen;

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van eisers bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest;

4.2 In dit geding wordt gevorderd de schorsing casu quo de opschorting van de executie van van het vonnis d.d. 27 december 2011, A.R. no. 11-5245 totdat het Hof in hoger beroep zal hebben beslist. Als grondslag voeren eisers (destijds gedaagden) aan dat gedaagden (destijds eisers) verkeerde en/of onjuiste feiten aan de Kantonrechter hebben voorgehouden, anders was de vordering nimmer toegewezen;

4.3 Gedaagden hebben primair aangevoerd dat nu eisers niet hebben aangegeven dat er sprake is van een apert onjuist vonnis, zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de vordering. Subsidiair hebben zij aangevoerd – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat de vordering ongegrond is en dient te worden afgewezen aangezien zelfs de Districts-Commissaris in een televisieprogramma zou hebben gezegd dat Granman [naam 2] wel toestemming voor het begraven zou hebben gegeven;

4.4 De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat en rechterlijke beslissing – waaronder ook een beslissing in kort geding wordt gerubriceerd – dient te worden geëerbiedigd zolang die in stand is. Volgens vaste jurisprudentie kan staking van de executie van een vonnis in een executiegeschil slechts worden bevolen (vide H.R. 22 april 1983, NJ 1984 nr. 145) als sprake is van de navolgende omstandigheden, te weten:

– als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust;
– de executie van het vonnis op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten, klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;
– er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan executanten in redelijkheid geen gebruik mogen maken van hun exclusieve recht tot executie van het vonnis in kwestie (misbruik van executiebevoegdheid)

4.5 Naar het oordeel van de kantonrechter hebben eisers geen der onder rechtsoverweging 4.4. vermelde gronden aan hun vordering ten grondslag gelegd. Hetgeen zij als grondslag voor hun vordering hebben aangevoerd, te weten het voorhouden van verkeerde en/of onjuiste feiten aan de kantonrechter door de gedaagden, is naar dezerzijds oordeel onvoldoende om tot toewijzing van het gevorderde te leiden. Immers betreft het geding hetwelk heeft geleid tot de beslissing de dato 27 december 2011 (A.R. no. 11-5245) een geding op tegenspraak waarin eisers (destijds gedaagden) ruimschoots de gelegenheid hadden om de door gedaagden (destijds eisers) aan de kantonrechter voorgehouden “verkeerde en/of onjuiste feiten” te ontzenuwen. Voor zover zij dat hebben nagelaten casu quo de kantonrechter in hun visie een verkeerde taxatie van feiten en/of omstandigheden heeft verricht biedt het rechtsmiddel van hoger beroep soelaas om dat eventueel te corrigeren. De kantonrechter zal dan ook niet ingaan op het gedaan bewijsaanbod zijdens beide partijen aangezien dat in het kader van dit kort geding irrelevant is. De overige stellingen die eisers aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd – dragen naar het oordeel van de kantonrechter – meer het karakter van grieven tegen het litigieus vonnis d.d. 27 december 2011 en de kantonrechter zal daaraan in het kader van dit kort geding voorbijgaan en eisers in overweging geven om “hun kruit droog te houden” voor de behandeling in hoger beroep;

4.6 Gelet op al het voorgaande rest de kantonrechter niets anders dan het gevorderde af te wijzen. Anders dan de gemachtigde van gedaagden heeft bepleit – niet ontvankelijk verklaring omdat niet gesteld is dat het litigieus vonnis apert onjuist is – kiest de kantonrechter er in casu voor om de vordering af te wijzen aangezien er – naast een apert onjuist vonnis – zoals hiervoor onder 4.4. aangegeven ook nog andere gronden aanwezig kunnen zijn die een staking van executie van een vonnis kunnen rechtvaardigen;

4.7 Eisers zullen, als de het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de gedingkosten aan de zijde van gedaagden gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.8 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter derhalve niet toe.

5. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

5.1 Wijst af het gevorderde;

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Derde Kanton in kort geding, en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op de terechtzitting van donderdag 05 januari 2012, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Oedit Doebe.

w.g. M. Oedit Doebe w.g. A. Charan

SRU-K3-2003-1

Kantonrechter Derde Kanton
09 juli 2003
(Mr. J.R. von Niesewand)

[naam], gemachtigde mr. G.R. Sewcharan, verzoeker

tegen

De Staat Suriname, gemachtigde mr. C. Algoe

Wij, Kantonrechter in het Derde Kanton;

Gelezen het op 31 maart 2003 ter Griffie van het Kantongerecht in het Derde Kanton ingekomen verzoekschrift van [naam], verzoeker, bijgestaan door mr. G.R. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie, strekkende tot toekenning aan hem, verzoeker, van een geldelijke tegemoetkoming ad Sf 60.198.000,= (zestig, miljoen eenhonderd achtennegentig duizend Surinaamse gulden) ten laste van de Staat, althans een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen geldelijke tegemoetkoming.

Gezien de overige stukken;

Gehoord in Raadkamer van 28 mei 2003 de verzoeker bijgestaan door zijn raadsman voornoemd, alsmede de Officier van Justitie, mr. C. Algoe;

Overwegende, dat verzoeker bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton rechtdoende in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen verzoeker, verzoeker op 27 januari 2003 heeft vrijgesproken;

Overwegende, dat verzoeker in verband met voormelde strafzaak voorlopige hechtenis heeft ondergaan van 26 juni 2002 tot en met 27 januari 2003;

Overwegende, dat verzoeker aangegeven heeft in het dagelijks leven graafmachine-operator in de goudsector te zijn en derhalve een salaris had van 150 gram goud per maand, in geld uitgedrukt neerkomende op Sf. 2.970.000,=. Verzoeker geeft aan 216 dagen in voorrarrest te hebben doorgebracht in het politiecellenhuis Leiding 9A, met het gevolg dat hij aan materiele schade heeft geleden een bedrag van Sf. 20.790.000,=. Verder is verzoeker van mening dat hij ook immateriele schade heeft geleden, waarbij voor deze schade een dagvergoeding van sf. 175.500,= gehanteerd kan worden. Verzoeker meent ook dat de kosten die hij terzake rechtsbijstand, ten bedrage van sf. 1.500.000,=, heeft gemaakt, voor vergoeding in aanmerking moeten komen. Overwegende, dat verzoeker ten einde de geleden materiële schade bestaande uit inkomstenderving te hebben geleden, te bewijzen, zijn echtgenote en zoon als getuigen heeft doen horen;

Overwegende, dat de vraag of verzoeker het van hem terzake verlangde bewijs geleverd heeft, ontkennend moet worden beantwoord; zijnde de Kantonrechter van oordeel dat zijn echtgenote en zoon, die van hem, verzoeker, niet in onbelangrijke mate afhankelijk zijn, groot belang hebben bij een gunstige afloop van dit proces voor hun echtgenoot en vader en dat mitsdien aan de objectiviteit en geloofwaardigheid van hun respectieve verklaringen ernstig moet worden getwijfeld.

Overwegende, dat de vergoeding van de door verzoeker naar hij stelt, geleden immateriele schade, niet voor toewijzing in aanmerking kan komen en wel reeds hierom niet omdat verzoeker op generlei wijze aangegeven heeft waarom hem tevens zou moeten toekomen vergoeding van die schade; verzoeker heeft voormelde schadepost met andere woorden op generlei wijze onderbouwd;

Overwegende, dat toewijzing van voormelde schadepost dan ook niet kan volgen;

Overwegende, dat met betrekking tot de post, kosten rechtsbijstand zij opmerkt, dat nu het hoofdbeginsel van de verplichte procesvertegenwoordiging sinds lang niet meer ten grondslag ligt aan Ons procesrecht, toewijzing van die kosten dan ook niet kan volgen.

Beschikkende:

Wijst af verzoeker zijn vordering.

SRU-K2-2016-1

KANTONGERECHT

Parketnummer : 2
Vonnisnummer : …./16
Datum uitspraak : 8 juli 2016

Tegenspraak

Raadsvrouw : mr. R. Essed-Sohansingh

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo inzake de vervolgingsambtenaar tegen:

[verdachte]
geboren op [geboortedatum] te [district 1],
wonende aan [adres] in het [district 2]

Het onderzoek in de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 juni 2016 en 8 juli 2016.

De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van de Kantonrechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vervolgingsambtenaar niet ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering omdat, de verdachte niet was aangesteld als opzichthoudend persoon en dus niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor geconstateerde overtredingen. De verdachte is tewerkgesteld op de afdeling service en onderhoud. Op de desbetreffende dag werd hij bij afwezigheid van de directeur (die zich in een ander filiaal bevond) gevraagd te functioneren als checker.

De vervolgingsambtenaar heeft opgemerkt dat uit de feitelijke gang van zaken genoegzaam is gebleken dat de verdachte opzichthoudend persoon was. Bovendien is voor het aanstellen van een persoon als opzichthoudend persoon in de zin van de Arbeidswet 1963 geen formele aanstelling vereist.

Artikel 28 lid 3 Arbeidswet verplicht het hoofd of de bestuurder van een onderneming om bij zijn ontstentenis of afwezigheid een opzichthouder aan te wijzen. Ter terechtzitting van 10 juni 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij op het desbetreffende moment verantwoordelijk was voor de winkel, het personeel en de gang van zaken terwijl, de directeur zich in een ander filiaal bevond. Bij het bezoek van de arbeidsinspecteur heeft de verdachte de directeur gebeld en de arbeidsinspecteur in contact gebracht met hem.

Uit deze feitelijke gang van zaken leidt de kantonrechter af dat de verdachte conform artikel 28 lid 3 van de Arbeidswet 1963 door de directeur is aangewezen als opzichthoudend persoon, waardoor het verweer van de raadsvrouw verworpen wordt. De vervolgingsambtenaar zal dus in de vordering worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging
Er zijn geen redenen om de vervolging te schorsen.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven – ten laste gelegd dat hij op 1 mei 2016 zijnde een zondag tevens een aan de zondag gelijkgestelde dag te Paramaribo arbeid heeft doen verrichten – artikel 8 lid 1 jo artikel 29 lid 1 Arbeidswet 1963 (2) zonder in het bezit te zijn van een vergunning daartoe.

Een kopie van die dagvaarding is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Ten aanzien van het doen verrichten van arbeid in de onderneming heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, de onderneming bij schrijven van 12 maart 2016 vergunning aangevraagd heeft voor het doen verrichten van arbeid op navolgende nationale feestdagen, 23 maart 2016 (Holi Phagwa), 25 maart 2016 (Goede Vrijdag) en 28 maart 2016 (2e Pasen) welke vergunning ook verleend is. Voorts dat voor de nationale vrije dag van zondag 1 mei 2016 geen vergunning is aangevraagd en dat de onderneming des zondags gewoon open is.

Naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw heeft de vervolgingsambtenaar gesteld dat, aan de onderneming geen vergunning is verleend om op de nationale vrije dag van 1 mei 2016 arbeid te doen verrichten. Naar de menig van de vervolgingsambtenaar is voor het verrichten van arbeid op deze met de zondag gelijkgestelde dag een vergunning vereist.

Beoordeling door de kantonrechter
In artikel 8 lid 1 Arbeidswet l963 verbiedt de wet tewerkstelling op de zondag en op de bij Staatsbesluit gelijk te stellen dag. Echter, wordt voorzien in een uitzondering wanneer vergunning is verleend door of vanwege het Hoofd der Arbeidsinspectie (artikel 10 lid 1 Arbeidswet 1963).

In het betrekkelijke artikel 8 lid 1 Arbeidswet worden 2 verboden gesteld tw:

  1. Het verrichten van arbeid op de zondag en;
  2. Het verrichten van arbeid op bij Staatsbesluit daarmee (lees: zondag) gelijk te stellen dagen.

Feiten:

– Blijkens het proces-verbaal d.d. 1 mei 2018 van de arbeidsinspecteur [naam] heeft hij op zondag 1 mei 2016 omstreeks 15.30 uur de onderneming Kirpalani’s N.V. (hierna: de onderneming) aan de J.A. Pengelstraat 163 aangedaan en 16 werknemers aangetroffen die arbeid aan het verrichten waren.
– De onderneming heeft geen vergunning aangevraagd en is aan haar evenmin vergunning verleend voor het doen verrichten van arbeid op de dag van de Arbeid.
– 1 mei 2016 was een zondag.
– 1 mei 2016 was de dag van de Arbeid en deze dag is met de zondag gelijk gesteld.

De kantonrechter begrijpt het verweer van de raadsvrouw aldus niet:
– de onderneming een ontheffing heeft voor arbeid des zondags (ex artikel 10 lid 3 Arbeidswet 1963) en dat,
– 1 mei 2016 een zondag was en deze dag samenviel met een met de zondag gelijkgestelde dag.

Gelet op het verwijt terzake overtreding van artikel 8 lid 1 Arbeidswet 1963 had het aan de vervolgingsambtenaar gelegen uitdrukkelijk te reageren op het gevoerde verweer, hetgeen niet gedaan is. De vervolgingsambtenaar heeft zich tot een reactie betreffende het doen verrichten van arbeid op de aan de zondag gelijkgestelde dag (dus verbod 2) beperkt. Nu, een reactie op het aangevoerde inzake toestemming tot het doen verrichten van arbeid op de zondag is uitgebleven en indachtig het algemeen bekend feit dat, deze onderneming geruime tijd voorafgaand aan de pleegdatum gewijzigde openingstijden heeft, waarbij zij op de zondag van 12.00 pm – 20.00 pm open is, houdt de kanonrechter het er daarom voor dat de onderneming een ontheffing heeft voor arbeid des zondags ex artikel 10 lid 3 Arbeidswet 1963.

Bij Landsbesluit van 22 april 1971, GB 1971 no. 78 (hierna: besluit Vrije Dagen) is de dag van de Arbeid (1 mei) met de zondag gelijk gesteld. Op 1 mei 2016 viel de dag van de Arbeid samen met een zondag. Derhalve was er sprake van een situatie waarin de nationale vrije dag samenvalt met een zondag.

Thans dient de vraag beantwoord te worden of de vergunning voor het verrichten van arbeid op de zondag ook gelding heeft in deze situatie waarbij de met de zondag gelijkgestelde dag samenvalt met een zondag.

Eerstens dient vastgesteld te worden wat verstaan moet worden onder “met de zondag gelijk gestelde dag”. Bij gemis van een toelichting op het besluit Vrije Dagen wordt ervan uitgegaan dat aan “gelijk gesteld” de betekenis gegeven mag worden volgens het Prismawoordenboek Nederlands t.w. “op een lijn gesteld”. In casu, dagen welke op een lijn gesteld zijn met de zondag.

Nu de onderneming alsvoren overwogen een vergunning had om op de zondag arbeid te doen verrichten heeft zij bij het doen verrichten van arbeid op deze tevens met de zondag gelijkgestelde dag, dus voldaan aan het vergunningsvereiste.

Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van overtreding van artikel l0 lid 3 van de Arbeidswet 1963. De jegens de verdachte ingestelde vervolging wegens vermeende strafrechtelijke aansprakelijkheid als opzichthouder is derhalve onterecht waardoor hij vrijgesproken dient te worden.

DE BESLISSING

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting gehouden op 8 juli 2016.

De griffier, De Kantonrechter,

w.g. M.U. Van Doorn w.g. D.G.W. Karamat Ali

Ondergetekende, Griffier der Kantongerechten verklaart hierbij dat de Procureur-Generaal noch de veroordeelde tegen dit vonnis in hoger beroep is gekomen.

Paramaribo, 02 augustus 2016

w.g. Mr. S.K. Simbhoedat Panday, Substituut

 

SRU-K1-2004-4

Kantonrechter Eerste Kanton
08 maart 2004, A.R. 040835
(Mr. E.S. Ombre)

De Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
zetelende te Paramaribo, gemachtigde: mr. F.F. P. Truideman, advocaat, eiser in kort geding,

tegen

De Bond van Leraren, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Frederik Derbystraat no. 33,
te Paramaribo, gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat, gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft in naam van de Republiek het volgende vonnis uitgesproken.

Procesgang
Bij het op 23 februari 2004 ter griffie ingediende, en naderhand aangevulde, verzoekschrift, heeft eiser gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. de gedaagde te gelasten c.q. haar leden om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak het onderwijsproces voort te zetten volgens het gebruikelijk arbeidsrooster en zich te onthouden van elke handeling, die verstoring in het onderwijsproces meebrengt, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000 (tweeduizend Surinaamse dollars) voor iedere dag dat de gedaagde en haar leden nalatig blijft/blijven aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven;
  2. de gedaagde te gelasten casu quo haar leden om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak de onderhandelingen met de eiser, nadat het rapport van het Bureau [naam] is ontvangen, voort te zetten totdat voor het ontstane probleem een oplossing is gevonden, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000 (tweeduizend Surinaamse dollars) voor iedere dag dat de gedaagde en haar leden nalatig blijven aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven.Op de eerstdienende dag heeft advocaat Mr. B.A. Halfhide zich als gemachtigde van de gedaagde gesteld. Na de gemachtigden van partijen te hebben aangehoord heeft, zijn partijen in de gelegenheid gesteld met elkaar in overleg te treden. De zaak heeft vervolgens gediend op 27 februari 2004 en is op verzoek van partijen aangehouden. Vervolgens hebben de gemachtigden van partijen de zaak bepleit en is op 5 maart 2004 een inlichtingencomparitie gehouden, waarbij partijen produkties hebben overgelegd. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Hierna is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

Motivering

  1. Partijen worden gemakshalve verder (ook) aangeduid als de Staat en de Bond.
  2. Gelet op zijn stellingen heeft de Staat een spoedeisend belang bij hetgeen hij vordert.
  3. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist staat het volgende vast:

3.1. De Bond is een vakorganisatie en bij haar zijn aangesloten de leraren verbonden aan onderwijsinstellingen op VOS-niveau, de docenten verbonden aan het IOL en de AHKCO, alsmede de direkteuren van VOS-scholen. Het gaat hier, voor wat het VOS-niveau betreft, om een aantal onderwijsinstellingen liggende tussen 17 en 20. De hier bedoelde instellingen en instituten staan, met uitzonderingen van het CPI, onder het beheer van de Staat.

3.2 Partijen hebben de resultaten van het overleg casu quo de onderhandelingen, door hen gevoerd naar aanleiding van een door hen op 27 november 1997 ondertekend Protocol van afspraken, vastgelegd in een overeenkomst van 22 januari 1998.

3.3 Voormelde resultaten hebben volgens die overeenkomst, voor zoveel hier van belang, betrekking op secundaire voorwaarden onder de naam Representatietoelage, Partiële onkostenvergoeding voor permanente educatie en Vervoerstoelage aan praktijkdocenten.

3.4 Meergenoemde overeenkomst bevat de volgende bepaling:
IV.2 “Tussen partijen bestaat er overeenstemming dat bij wijziging van de omstandigheden die aan de totstandkoming van deze overeenkomst ten grondslag hebben gelegen, welke omstandigheden indien vooraf bekend tot een ander resultaat zouden hebben geleid, partijen wederom in overleg zullen treden”.

3.5 Op 25 maart 1998 is tussen de Staat en de Fols een overeenkomst tot stand gekomen, betreffende, onder andere, bezoldiging en onderwijstoelage.

3.6 Op 26 april 1999 is tussen enerzijds de Staat Suriname en anderzijds de CLO en de Bond, deze laatste bijgestaan door de Fols, een overeenkomst tot stand gekomen volgens welke een erkend organisatie- en adviesbureau een evaluatie zou maken van de geldende bezoldigingsstructuur voor de landsdienaren en aan partijen bij die overeenkomst advies zou uitbrengen omtrent de waardering van de diverse categorieën landsdienaren binnen de sectoren van de overheidsdienst en hun onderlinge verhouding binnen de sectoren.

3.7 Naar aanleiding van voormelde overeenkomst is aan het Bureau [naam] een opdracht verstrekt. Nadat van de zijde van de beroepsgroepen tegen een eerste, door genoemd Bureau uitgebracht, verslag of rapport bezwaren waren ingebracht, is – de betreffende offerte dateert van 4 februari 2003 – een tweede opdracht aan het bureau verstrekt, welke tot doel heeft het aanbieden van een methodisch systeem voor waardering van funkties in de overheidsorganisatie en het ontwikkelen van een beloningsstructuur voor de overheid, welke moeten bijdragen tot het realiseren van een evenwichtig beloningsbeleid.

3.8 In het jaar 2001 heeft de Bond een eisenpakket bij de Staat ingediend. In dit pakket zijn de hierboven onder 3.3 vermelde toelagen en onkostenvergoeding (verder hier zonder onderscheid toelagen genoemd) niet expliciet ter sprake gebracht, maar wel is de wens te kennen gegeven om de inflatiecorrectie toe te passen op alle toelagen.

3.9 In een vergadering met de Minister van Onderwijs op 13 juni 2003 is overeengekomen dat er een commissie zou worden geïnstalleerd, met als taak, onder andere, om uitvoeringsmodaliteiten te bespreken, waardoor de uiteindelijke realisatie spoedig en vloeiend zou verlopen.

3.10 Bovenbedoelde commissie is niet geïnstalleerd en de Bond heeft op 17 oktober 2003 een spoedbrief gericht aan de Minister van Onderwijs om de gesprekken te hervatten. Op deze brief is niet gereageerd, waarna bij brief van 1 december 2003 aan de Vice President van de Republiek Suriname is gevraagd om een spoedige oplossing te bewerkstelligen.

3.11 Op 5- en 8 januari 2004 hebben constructieve besprekingen met de Minister van Onderwijs plaatsgehad. Op 15 januari 2004 heeft genoemde Minister medegedeeld dat hij geen mandaat had om met betrekking tot de toelagen zelfstandig te onderhandelen.

3.12 De Bond heeft zich bij brief van 16 januari 2004 tot de Regering van de Republiek Suriname gericht. In die brief stelt de Bond, voor zoveel hier van belang, dat de onderwijstoelagen sinds 1998 niet zijn aangepast, terwijl het voor een ieder duidelijk is dat de goederen en diensten gemiddeld in prijs behoorlijk zijn gestegen; voorts, dat de ABS-cijfers aangeven dat de loontrekkers elk jaar in koopkracht achteruitgaan; dat de onderwijstoelagen inmiddels ontoereikend zijn om te voldoen aan de verwachtingen waarvoor zij zijn ingesteld; dat het in deze gaat om de volgende toelagen: representatietoelage, partiële onkostenvergoeding voor permanente educatie en vervoerstoelage aan praktijkdocenten. De Bond stelt, onder aanhaling van bepaling IV.2 van de overeenkomst van 22 januari 1998, verder dat deze overeenkomst voldoende ruimte geeft om te onderhandelen met de Regering teneinde onderwijstoelagen bij te stellen casu quo aan te passen. Ten gevolge hiervan, aldus de brief, acht de Bond het thans van het allerhoogste belang om in overleg te treden met de regering van de Republiek Suriname casu quo een afvaardiging van de regering ter vaststelling van de genoemde toelagen. Verder wordt in de brief gesteld dat de leden van de Bond met grote vastberadenheid uiting hebben gegeven aan de eis om niet later dan 30 januari 2004 een aanvaardbare aanpassing van voornoemde toelagen te realiseren.

3.13 De Minister van Onderwijs heeft bij brief van 20 januari 2004 een copie van hogergenoemde brief van de Bond aan de President van de Republiek toegezonden met verzoek de besprekingen tussen de regering en de Bond te doen opstarten.

3.14 De Bond heeft op haar brief van 16 januari 2004 geen reaktie van de regering ontvangen en heeft op 30 januari 2004 een algemene vergadering gehouden, op welke vergadering is besloten tot het ondernemen van aktie. Op genoemde vergadering is bekend gemaakt dat op één dag, te weten 3 februari 2004, beraad zou worden gehouden. Ook zijn de akties tot 9 februari daaraanvolgend bekendgemaakt.

3.15 Op 3 februari-, 10 februari- en 12 februari 2004 heeft de Bond gesprekken gevoerd met de regering, althans een vertegenwoordiging daarvan, welke gesprekken niet tot het door de Bond gewenste resultaat hebben geleid.

3.16 Op initiatief van de Bond zijn de volgende akties door haar leden ondernomen: op 3 februari-, 12 februari- en 13 februari 2004 het houden van vergadering van 10 uur ’s morgens tot één uur ’s middags en op 4-, 5-, 6-, en 9 februari 2004 het tussen 10 uur en 11 uur ’s morgens verstrekken van informatie over de ontstane situatie aan de studenten op de verschillende onderwijsinstellingen. Vanaf 17 februari 2004 zijn de leden van de Bond op haar initiatief continu in beraad, hetgeen betekent dat er geen lessen worden verzorgd.

4.1 Volgens de Bond is bij het gesprek van 3 februari 2004 aan haar te kennen gegeven dat het uitgesloten is dat er zou worden gesproken over de drie toelagen en is dit standpunt bij de gesprekken van 10- en 12 februari 2004 herhaald. Naar de Staat beweert is er niet gezegd dat nooit over verhoging van toelagen kan worden gesproken. De regering heeft tot beleidsuitgangspunt dat het rationaliseren van het beloningsbeleid mede gebaseerd is op de beoordeling en de merites van bestaande funktionele toelagen en de daarmee verband houdende saneringsoperaties en stelt zich – aldus nog steeds de Staat – op grond hiervan op het standpunt dat op dit moment – dat wil zeggen vooruitlopend op het uitbrengen van het rapport door het bureau [naam] – niet kan worden onderhandeld over verhoging van toelagen.

4.2 Naar de Staat beweert heeft de regering bij de opdrachtnemer aangedrongen om het concept-rapport ultimo mei van dit jaar af te hebben, waarna het concept door de clusterministers moet worden goedgekeurd en in augustus 2004 een zodanig stuk voor handen zal zijn dat op basis daarvan zou kunnen worden onderhandeld over eventuele verhoging van toelagen. De Bond heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat volgens hetgeen is overeengekomen het rapport van het bureau [naam] de grondslag zal vormen voor het door de regering te voeren structureel loon- en salarisbeleid, nadat partijen over de inhoud daarvan overeenstemming hebben bereikt.

5.1 De Staat heeft, voor zoveel hiervan belang, na rektifikatie van het inleidend verzoekschrift, kort gezegd, gevorderd:

  1. dat de Bond zal, althans haar leden zullen, worden gelast om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak het onderwijsproces voort te zetten volgens het gebruikelijk arbeidsrooster en zich te onthouden van elke handeling, die verstoring in het onderwijsproces meebrengt, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000 per dag;
  2. dat de Bond zal, althans haar leden zullen, worden gelast om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak de onderhandelingen met hem, de Staat, nadat het rapport van het Bureau [naam] is ontvangen, voort te zetten totdat voor het ontstane probleem een oplossing is gevonden, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000 per dag.

5.2 De Bond heeft zich tegen de vordering verweerd. Op de stellingen van de Staat en de door de Bond opgeworpen weren wordt, voor zover nodig, hieronder ingegaan.

6.1 Op grond van de vaststaande feiten mag ervan worden uitgegaan dat vanaf 3 februari 2004 sprake is van werkonderbrekingen en vanaf 17 februari 2004 van een algehele (werk)staking door de leden van de Bond. De Bond gaat overigens, door een beroep te doen op het bepaalde in artikel 33 van de Grondwet, er stilzwijgend van uit dat (vanaf 17 februari 2004) van een (algehele) staking sprake is.

6.2 Genoemd grondwetsartikel bepaalt dat het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien. Naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter omvat dit stakingsrecht beide, hierboven genoemde, door Bond gehanteerde aktievormen en moet, gelet op het grondwetsartikel, ervan worden uitgegaan dat het initiatief nemen tot de werkonderbrekingen en de (werkstaking door de Bond, althans het oproepen van haar leden daartoe, geoorloofd is, zij het dat bijkomende omstandigheden dat initiatief of die oproep onrechtmatig kunnen doen zijn.

7.1 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat de handelwijze van de Bond om, zonder het rapport van het Bureau [naam] af te wachten, haar leden aan te zeggen om het werk niet volgens het gebruikelijke arbeidsrooster uit voeren, onrechtmatig is en een ernstige schending is van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Tijdens de inlichtingencomparitie is namens de Staat aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat met “overeenkomst” wordt gerefereerd aan de afspraak die met de beroepsgroepen is gemaakt met betrekking tot het project actualisering bezoldigingsstructuur overheid. Er is evenwel niet gesteld noch is gebleken dat de Bond zich bij die afspraak heeft verbonden om in afwachting van bedoeld rapport geen akties te ondernemen. Aan bovenvermeld verwijt kan verder dan ook voorbij worden gegaan.

7.2 De Staat heeft ook aangevoerd dat artikel l V. 2 uit de overeenkomst van 22 januari 1998 geen basis biedt om te onderhandelen over aanpassing casu quo bijstelling van toelagen, in het bijzonder de representatietoelage, de partiële onkostenvergoeding voor permanente educatie en de vervoerstoelage van praktijkdocenten.

7.3 Tussen partijen bestaat verschil van mening over de strekking van dit artikel. Volgens de Staat hebben de woorden ”gewijzigde omstandigheden” niets te maken met inflatie, koerswijziging en/of koopkrachtvermindering. De bedoeling was om de gelijkheid tussen de Bond en de Fols, met welke laatste nog werd onderhandeld, te bewaren in die zin dat voor de Bond de mogelijkheid werd geopend om weer met de Staat aan tafel te gaan zitten indien de Fols bij haar onderhandelingen een voordeliger resultaat dan de Bond zou hebben behaald. De strekking van het artikel is volgens de Bond een geheel andere. Naar de Bond beweert is bij de besprekingen, die hebben geleid tot de overeenkomst van 22 Januari 1998, nimmer ter sprake gekomen dat de Fols een beter resultaat zou kunnen behalen. Bij de bespreking van de primaire en secundaire voorwaarden hebben een rol gespeeld de financieel-economische situatie van het Land en ook het standpunt van de toenmalige regering dat onderwijsgevenden een strategische groep vormden. Het zijn deze omstandigheden die – aldus de Bond -aan de overeenkomst van 22 januari 1998 ten grondslag hebben gelegen.

7.4.1 Nergens in die overeenkomst worden de omstandigheden, die daaraan ten grondslag hebben gelegen, met zoveel woorden genoemd. In artikel IV.2 wordt in de hoofdzin gesproken over ”omstandigheden die aan de totstandkoming van de overeenkomst ten grondslag hebben gelegen. Dat wil zeggen dat het gaat om omstandigheden die bij de totstandkoming van de overeenkomst bekend waren. In de bijzin wordt van dat zelfde artikel wordt van diezelfde omstandigheden echter gezegd ”indien vooraf bekend”, hetgeen betekent dat het gaat om omstandigheden die pas achteraf bekend zijn geworden. De tekst van artikel IV.2 geeft dus op zich geen uitsluitsel welke omstandigheden zijn bedoeld, maar kan ook niet gebruikt worden om, met behulp van de andere artikelen uit de overeenkomst, na te gaan welke omstandigheden hier bedoeld zijn. De Bond heeft de door haar gegeven lezing van de strekking van artikel IV.2 niet aannemelijk gemaakt en moet, nu zij het tegendeel niet heeft beweerd, niet in staat worden geacht zulks te doen.

7.4.2 Onder de hierboven onder 7.4.1 vermelde omstandigheden kon de Bond redelijkerwijs niet tot het oordeel komen dat de Staat op grond van genoemd artikel gehouden was om met haar in overleg te treden over de toelagen en door desondanks de voornaamste rechtvaardiging voor haar akties in bedoeld artikel te zoeken heeft de Bond die akties, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

7.5.1 Bij het voorgaande wordt het volgende aangetekend. De Staat heeft aangevoerd oorspronkelijk op grond van de tekst te hebben aangenomen dat artikel IV.2 een basis bood voor onderhandeling over de toelagen, maar naderhand erop te zijn gewezen dat zulks niet het geval was. Nu het tegendeel niet is beweerd wordt het ervoor gehouden dat dit laatste tijdens de loop van dit geding is geschied. Echter, de Staat wist reeds uit de brief van de Bond van 16 januari 2004 dat zij, de Bond, hem, de Staat, op grond van genoemd artikel gehouden achtte om met haar te overleggen. De Staat wist uit die brief ook dat het de Bond veel aan was gelegen – er is sprake van een eis – om binnen korte termijn (uiterlijk 30 januari 2004) tot een aanvaardbare aanpassing van de toelagen te komen. Er was voor de Staat dan ook alle reden om, na ontvangst van de brief, na te gaan of artikel IV.2 hem wel tot overleg verplichtte. Dit gold nog sterker nadat de Bond op 30 januari- de akties had aangekondigd en op 3 februari 2004 de eendaagse aktie had gehouden. Voorts is door de vertegenwoordiger van de Staat ter comparitie verklaard (hetgeen niet in het proces-verbaal is opgenomen) dat er een side-letter moet zijn, waarin de werkelijke bedoeling van artikel IV.2 is te putten. In dit geding is niet gebleken dat de Bond, indien zij tijdig van het standpunt van de Staat op de hoogte was geweest geen akties zou hebben ondernomen, maar zij, de Bond, zou in ieder geval in staat zijn geweest dit standpunt in haar besluitvorming te betrekken.

7.5.2 Verder wordt het volgende aangetekend. De Staat heeft ter terechtzitting had doen verklaren dat hij bereid was om met de Bond over alles, ook over de toelagen te praten, hiermee de indruk wekkend effectief met de Bond te willen overleggen. De Kantonrechter heeft in verband hiermee de verdere behandeling van de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven met elkaar te overleggen. Partijen verschillen van mening over de juiste inhoud van de over en weer gedane mededelingen, maar in ieder geval staat vast dat, op zijn zachts gezegd, de Staat de door hem gewekte indruk niet tot een realiteit heeft gemaakt, met als gevolg een onnodig oponthoud van het geding.

7.5.3 Voor alle duidelijkheid wordt hier gesteld dat hetgeen onder 7.5.1 en 7.5.2 is gesteld niet afdoet aan het onder 7.4.2 vermelde oordeel.

7.6 Terugkerend tot hetgeen onder 7.3 tot en 7.4.2 is overwogen, wordt het volgende opgemerkt. Indien de Staat op grond artikel IV.2 gehouden was om met de Bond in overleg te treden dan had zij, de Bond, nadat zij van de Minister van Onderwijs had vernomen dat hij geen mandaat had om met betrekking tot de toelagen zelfstandig te onderhandelen, middels een kort geding de Staat kunnen noodzaken om een wel van het benodigde mandaat voorziene vertegenwoordiger aan te wijzen om met haar, de Bond, te overleggen. In zoverre kan dus niet worden gezegd dat alle mogelijkheden voor overleg waren uitgeput voordat de Bond met haar akties aanving.

7.7 Nu de Bond het tegendeel niet heeft beweerd, mag ervan worden uitgegaan dat het hier betreft een staking voor onbepaalde tijd. Uit de informatie, die bij gelegenheid van de gehouden inlichtingencomparitie is verstrekt, blijkt niet dat door de akties van de Bond tot nog toe aanmerkelijke schade aan het onderwijs is toegebracht. Volgens de Staat zal de opgelopen onderwijsachterstand, zij het niet zonder problemen, in de paasvakantie kunnen worden ingelopen. Het ligt echter voor de hand aan te nemen dat, binnen niet al te lange tijd, een punt zal zijn bereikt dat de alsdan opgelopen achterstand niet kan worden ingehaald en het schooljaar als verloren moet worden aangemerkt. Gelet hierop brengt, naar het voorlopig oordeel van de Kantonrechter, een staking voor onbepaalde tijd als de onderhavige voor de bij de verschillende onderwijsinstellingen ingeschreven studenten, die niet in staat zijn de wensen van de Bond te vervullen, onevenredige schade met zich in verhouding tot de -naar is aan te nemen – gerechtvaardigde belangen van de leden van de Bond bij de verhoging van de toelagen.

8.1 De conclusie is dat er omstandigheden zijn die de hier besproken akties onrechtmatig doen zijn. Hetgeen onder 1 is gevorderd zal, als hieronder volgt, worden toegewezen. De Kantonrechter gaat ervan uit dat de Bond dit vonnis zal uitvoeren en zal daarom een beslissing over de gevorderde dwangsom aanhouden.

8.2 Uit de door de Staat gestelde feiten volgt niet dat er voor de Bond een rechtsplicht bestaat om met hem, de Staat, te onderhandelen en noch minder om te onderhandelen nadat het Bureau [naam] rapport heeft uitgebracht Hetgeen onder 2 is gevorderd zal dan ook worden geweigerd.

8.3 Waar het gevorderde slechts ten dele wordt toegewezen, worden termen aanwezig geacht de proceskosten als hieronder volgt te compenseren.

Beslissing

  1. Veroordeelt de gedaagde om binnen vierentwintig uren na de uitspraak van dit vonnis haar leden op te roepen om, met ingang van woensdag, 10 maart 2004, hun werkzaamheden volgens het gebruikelijke arbeidsrooster te hervatten.
  2. Beveelt de gedaagde om zich te onthouden van elke handeling, waardoor het onderwijsproces wordt verstoort.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Weigert hetgeen onder 1 meer of anders is gevorderd, met, uitzondering van de gevorderde dwangsom, waaromtrent iedere beslissing wordt voorbehouden.
Weigert hetgeen onder 2 is gevorderd.
Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

SRU-K1-2006-7

BETALEND:
A.R. NO.062611
F.H.
11 juli 2006

[eiser], voor wie als gemachtigde optreedt, I.D. Kanhai, advocaat,
eiser in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, meer precies het MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de H. Arronstraat 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S. Punwasi, Procureur-Generaal,
gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten:

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd: om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren gedaagde te veroordelen als volgt:

a. de gedaagde te gelasten om indien een last tot uitzetting is uitgevaardigd deze binnen 1 x 24 uur in te trekken en ongedaan te maken.
b. de gedaagde te gelasten om binnen 1 x 24 uur de eiser opnieuw te brengen op Surinaams grondgebied, althans de uitzetting recht te trekken en de eiser ter beschikking van de Surinaamse Justitie te houden.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, I.D. Kanhai en mr. S. Punwasi ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser van eis overeenkomstig het vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld onder overlegging van producties, waarvan de inhoud hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht:

Overwegende, dat eiser bij wege van wijziging c.q. aanvulling van het petitum gesteld heeft, dat door hem gevorderd is de gedaagde te verbieden hem uit te leveren. Dat echter uit de pers gebleken is dat gedaagde hem – eiser – vermoedelijk heeft uitgezet zulks op grond van de Wet van 16 januari 1992 S.B., 1992 no. 3; dat echter elke informatie hierover ontbreekt weshalve hij – eiser – genoodzaakt is het petitum te wijzigen en wel als volgt:

a. gedaagde te gelasten om, indien de last tot uitzetting uitgevaardigd is deze binnen 1 x 24 uur in te trekken en ongedaan te maken;

b. gedaagde te gelasten binnen 1 x 24 uur hem, eiser, opnieuw te brengen op Surinaams grondgebied althans de uitzetting recht te trekken en de eiser ter beschikking van de Surinaamse justitie te houden;

Overwegende, dat nu gedaagde zich tegen voormelde wijziging c.q. aanvulling niet blijkt te hebben verzet, Wij haar zullen toestaan en de eiser ter zake akte verlenen;

Overwegende, dat gedaagde als formeel verweer van de verste strekking aangevoerd heeft dat Wij onbevoegd zijn om kennis te nemen van de onderhavige vordering omdat tegen de uitzetting van illegalen, wier verblijf in Suriname van het begin af steeds ongeoorloofd is, krachtens de Vreemdelingenwet 1991 (S.B. 1992 No. 3) geen actie c.q. beroep kan worden ondernomen althans is aan de rechter geen kennisneming voorbehouden;

Overwegende, met betrekking tot voormeld formeel verweer:
– het recht de rechter te adiëren en het recht op een eerlijk proces, twee fundamentele aspecten die van belang zijn voor de uitoefening van een rechterlijke taak, zijn neergelegd in artikel 10 van onze Grondwet. Deze rechten zijn nader uitgewerkt in artikel 14 van het VN Verdrag inzake Burgerrechten en Politiekerechten en artikelen 8 van het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens. Artikel 14 van het VN Verdrag inzake Burgerrechten bepaalt daarenboven uitdrukkelijk dat allen gelijk zijn voor de rechte en rechterlijke instanties. Dit impliceert dat niet alleen het adiëren van de rechter moet zijn verzekerd, doch dat dat ook voor allen in gelijke mate verzekerd moet zijn;
– het recht op gelijke behandeling heeft niet alleen betrekking op gelijkheid voor de wet, doch ook op de toepassing van de wet door de rechter. Dit impliceert dat aan een ieder zonder onderscheid naar ras, godsdienst, sekse, eigendom, etc…etc…, gelijke toegang tot de rechter en gelijke behandeling door de rechter moet zijn verzekerd;

Overwegende, dat Wij, anders dan gedaagde heeft aangevoerd, dan ook volkomen bevoegd zijn van de onderhavige vordering kennis te nemen;

Overwegende, dat Wij het zijdens gedaagde gevoerd formeel verweer dan ook als ongegrond verwerpen;

Overwegende voorts, dat Wij met betrekking tot het zijdens eiser in onderdeel a van het petitum gevorderde opmerken, dat nu, naar als tussen partijen rechtens vaststaand mag worden aangenomen, hij – eiser – zich niet meer op Surinaams grondgebied bevindt althans hij niet meer op Surinaams grondgebied aanwezig is en derhalve geen belang meer heeft bij het gevorderde in gemeld onderdeel, dat gevorderde afgewezen dient te worden;

Overwegende, dat Wij met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum wijders opmerken, dat nu dat gevorderde niet gegeven kan worden met tegelijk volledige instandhouding van het genomen besluit tot eisers onmiddellijke uitzetting, dient ook dat gevorderde te worden afgewezen;

Overwegende, dat Wij bespreking van de overige stellingen van partijen en de door hem overgelegde producties als niet langer relevant geheel in het midden latend, de eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit process zullen laten dragen;

Rechtdoende in kort geding:
Verlenen de eister akte van wijziging c.q. aanvulling als verzocht;
Wijzen eisers vordering af:
Verwijzen eiser in de kosten van dit process, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken ter Openbare Terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van dinsdag, 11 juli 2006, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. J.R. Von Niesewand, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S. Tika.

SRU-HvJ-1998-44

M.R.S.

GENERALE ROL NO. 13904.

[appelante], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.M.R.CAR­RILHO, advokaat,
appellan­te,

tegen

DE SURINAAMSE-AMERIKAANSE INDUSTRIE MAATSCHAPPIJ N.V., (Surinam American Industrie Limited), rechtspersoon gevestigd te Paramaribo aan de Cornelis Jongbawstraat no.48, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.S.A.THIJM, advokaat,
geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 9 januari 1996 tussen partij­en gewe­zen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 januari 1996, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advoka­ten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appelante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stel­lende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de Surinaamse-Amerikaanse Industrie Maat­schappij, N.V. (Surinam American Industries Limited), rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo aan de Cornelis Jongbawstraat no.48, gedaagde;
  2. dat eiseres op 13 januari 1976 als verpakster in dienst is getreden van gedaagde, doch blijkens het hierbij in fotocopie overgelegd schrijven d.d. 24 februari 1994, ondertekend door de waarnemend Directeur J.van Frederik­lust en betekend per deurwaardersexploit van de Gerechts­deurwaarder R.Kappel d.d. 25 februari 1994, no. 0109, met onmiddellijke ingang is ontslagen op één volgens gedaagde vermeend aanwezige dringende redenen.(prod I). Het loon van eiseres bij de ontslagverlening, bedroeg Sf.325,– per forthnight;
    Met het verzoek aan de Kantonrechter, de overgelegde produktie hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.
  3. dat blijkens het overgelegd schrijven d.d. 24 februa­ri 1994 (vide prod.I) van gedaagde ondertekend door de waarnemend Directeur J. van Frederikslust aan eiseres als dringende redenen is opgegeven ”het op 18 februari 1994 willen wegsmokkelen van 1½ kilogram garnalen (large)”, welke beschuldiging ten zeerste door haar-eiseres is ontkend, terwijl zij daarbij tevens nadrukkelijk te kennen heeft gegeven, dat zij haar werkzaamheden voor gedaagde zou blijven uitvoeren.
    Dit heeft eiseres in persoon medegedeeld aan de Direkteur en Hoofd Personele en Algemene Zaken van gedaagde,dhr.J.­C.Leter.
  4. dat hetgeen zich op 18 februari 1994 heeft voorge­daan, het navolgende is:
    eiseres heeft op herhaald en aandringend verzoek van een collega tijdens schafttijd ongeveer 6 tot 7 stuks garnalen – afgekeurd voor de export en verkoop – willen meenemen voor ene mevrouw, die volgens de collega, hoogzwanger moest zijn. De door gedaagde daartoe aangestelde contro­leur, heeft dit ontdekt en doorgegeven.
  5. dat eiseres na de ontdekking door de controleur zich heeft aangemeld bij het Hoofd Personele en Algemene Zaken en werd haar opgedragen om zich op maandag 22 februari 1994 bij voormeld Hoofd aanwezig te zijn, hetwelk ook is gebeurd.
    Het Hoofd voornoemd, heeft eiseres op 22 februari 1994 een schriftelijk verklaring voorgelegd, die zij moest onderte­kenen, hetwelk zij ten enenmale heeft geweigerd. Ook toen zij zich wederom moest aanmelden op 23 februari 1994;
  6. dat blijkens het hierbij overgelegd schrijven d.d. 24 februari 1994 dhr.J.C.Leter in zijn hoedanigheid van Hoofd Personele en Algemene Zaken, het aan eiseres ver­leende ontslag om dringende reden aan het Hoofd der Ar­beidsin­spectie heeft gemeld (prod.II), hetwelk ten enenma­le in strijd is met artikel 3 lid 2 van het Decreet E-39A van 11 december 1984, S.B.1984 no.102.
    Naar aanleiding van deze ontslagmelding is eiseres blijkens een niet gedateerd schrijven van het Onderdi­recto­raat Arbeidsinspectie, Ministerie van Arbeid, uitge­nodigd voor een verhoor op woensdag 2 maart 1994, op welke uitno­diging eiseres is ingegaan. (prod.III).
    Bij dit verhoor waren echter niet aanwezig de gedaagde en Bumble Bee werknemers Bond, zijnde de werknemersorganisa­tie, waarvan eiseres lid is en opkomt voor de belangen van de werknemer in dienst van gedaagde. I.c. is sprake van een schending van het beginsel van hoor en wederverhoor;
    Met het verzoek aan de Kantonrechter, de overgelegde produkties hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
  7. dat de desbetreffende ambtenaar van Arbeidsinspectie, aan eiseres heeft voorgehouden hetgeen gedaagde als drin­gende reden heeft gesteld, hetwelk door eiseres nadrukke­lijk en gemotiveerd is ontkend, enwel onder vermelding van de ware toedracht;
  8. dat op 11 maart 1994 door het hoofd der Ar­beidsin­spectie aan de Directeur van gedaagde is medege­deeld, dat zijdens de Minister van Arbeid geen bezwaar bestaat tegen het ontslag – om dringende redenen – van eiseres (prod. IV).
    Met het verzoek aan de Kantonrechter de overgelegde pro­dukties hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.
  9. dat echter, gezien de verleende beschikking, waarin is vermeld, dat geen bezwaar bestaat tegen het ontslag van eiseres, is komen vast te staan, dat het Onderdirectoraat Arbeidsinpectie – dat volgens de wetgever moet waken voor de schulding van de belangen van arbeiders – geheel en al is voorbijgegaan aan de stellingen van eiseres en blijkens het hierbij overgelegd proces-verbaal d.d. 2 maart 1994 (prod.V), volstaat met de niet gemotiveerde vermelding van ”….. een hoeveelheid ….”, waardoor ten onrechte de indruk wordt gewekt, dat het daadwerkelijk om een grote hoeveelheid garnalen gaat dan de 6 tot 7 stuks afgekeurde garnalen en waardoor voor gedaagde een reden wordt gecreë­erd om de dienstbetrekking met eiseres om dringende reden te beëindigen;
    Met het verzoek aan de Kantonrechter de overgelegde pro­dukties hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
  10. dat noch gedaagde, noch het Onderdirectoraat Arbeids­inspectie, althans het Hoofd der Arnbeidsinspectie bij respectievelijk het verlenen van het onderhavige ontslag als het verlenen van de beschikking, rekening hebben gehouden met de navolgende niet te verwaarlozen aspecten;
    a. eiseres zou op 13 januari 1996 onafgebroken 20 (twin­tig) jaar in dienst zijn van gedaagde;
    b. dat eiseres heeft een goede staat van dienst;
    c. de redenen, die ten grondslag liggen aan het willen meenemen van de garnalen, niet voor zichzelf of de ver­koop, maar op verzoek van een collega voor een hoogzwange­re vrouw;
    d. de consequenties die dit ontslag heeft voor eiseres m.n. dat zij, thans 57 jaar oud en na 18 dienstjaren, plotseling geen aanspraak meer maakt op o.a. vrije genees­kundige behandeling – ja erger nog geen uitzicht meer heeft op een pensioenuitkering bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar (over 3 jaren), terwijl zij, gezien haar hoge leeftijd, geen andere dienstbetrekking zal kunnen vinden om in haar levensonderhoud te kunnen voor­zien.
  11. dat vorenaangehaalde aspecten gekwalificeerd kunnen worden als een waarborg voor een rechtmatig verleend ontslag.
    Noch door gedaagde, noch door het Hoofd der Arbeidsinspec­teur is rekening gehouden met de onevenredigheid tussen de vermeend opgegeven dringende reden en de zéér ingrijpende maatregel van het ontslag aan eiseres.
  12. dat gedaagde gebruik heeft gemaakt van een gefingeer­de dringende reden en er i.c. sprake is van een oneigen­lijk gebruik van het ontslag wegens dringende reden, teneinde af te kunnen zijn van eiseres en haar – gedaagdes – ver­plichtingen, wanneer eiseres binnen enkele jaren de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
  13. dat gedaagde de door haar opgegeven dringende reden m.n.”… het willen wegsmokkelen van 1½ kg garnalen lar­ge…”, nimmer heeft gestaafd;
  14. dat uit al hetgeen eiseres hierboven heeft aangehaald ten overvloede blijkt dat:

    A. de beschikking van de Minister van Arbeid, getekend door het Hoofd der Arbeidsinspectie (vide prod.IV) in strijd is met de waarheid en bovenal met de wet en derhal­ve enig rechtskracht mist, waardoor deze nietig is en wel op grond van het volgende:

    1. ex artikel 3 lid 2 van het Decreet E-39A van 11 december 1984, S.B. 1984 no.102, houdende wijziging van het Decreet ontslagvergunning (S.B. 1983 no.10) moet de werkgever het ontslag melden;
    2. ex artikel 9 van de Statuten van gedaagde wordt zij – gedaagde – in en buiten rechte vertegenwoordigd door haar Directeur of Directeuren.
    3. uit eerder overgelegd schrijven d.d. 24 februari 1994 (vide prod. II) blijkt, dat de ontslagmelding niet wordt gedaan, door de Directeur van gedaagde, maar door de heer J.C.Leter, in zijn hoedanigheid van Hoofd Personele en Algemene Zaken, die i.c. onbevoegd is gedaagde te verte­genwoordigen;
    4. het schrijven vermeld in het aanhef van de beschik­king is derhalve niet afkomstig van de Directeur van gedaagde – dat had het rechtens dus inderdaad moeten zijn, – maar van een daartoe onbevoegde heer J.C. Leter.

      B. het verleende ontslag om dringende reden nietig is danwel onrechtmatig c.q. kennelijk onredelijk is enwel om de navolgende redenen:

      1. het is ten enenmale onjuist dat eiseres 1½ kg garna­len heeft willen ”wegsmokkelen”, gedaagde heeft dit valse­lijk als reden opgegeven, teneinde een grond voor ontslag om dringende reden te kunnen verkrijgen;
      2. dat de door gedaagde opgegeven reden geen dringende reden is, zoals de wetgever die – limitatief – heeft vastgesteld in artikel 1615 p van het Surinaams Burgerlijk Wetboek;
      3. ex artikel 1615 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek schrijft dwingendrechtelijk voor dat de mededeling van de dringende reden onverwijld aan eiseres moet zijn medege­deeld en zij terstond moet worden ontslagen. Hiervan is i.c. géén sprake geweest. Blijkens prod.I, stelt gedaagde dat eiseres op 18 januari 1994 de 1½ kg garnalen heeft willen wegsmokkelen, doch naderhand pas op 14 februari 1994 is ontslagen, nadat gedaagde op 22 en 23 februari 1994 getracht heeft eiseres over te halen om een verklaring terzake te onderteken.
  15. dat eiseres vanaf 25 februari 1994 geen loon heeft ontvangen van gedaagde, terwijl zij bereid is geweest, de bedongen arbeid te verrichten en in 1994 geen vakantie heeft genoten en ook nog geen vakantiegelden heeft ontvan­gen, terwijl de door gedaagde vast te stellen uitkering van de retentieregeling en winstdeling ook niet heeft plaatsgevonden. Daar het verleende ontslag onrechtmatig c.q. kennelijk onredelijk danwel nietig is, maakt eiseres ingevolge de wet, ook geen aanspraak op aanvullende scha­deloosstelling c.q. schadevergoeding;
  16. dat gedaagde weigert aan eiseres uit te betalen het loon vanaf 25 februari 1994 alsmede de uitkeringen genoemd in het 15e sustenu, terwijl eiseres daar recht op heeft;
  17. dat ook de aan gedaagde betekende aanmaning d.d.13 februari 1995, exploit no.0052 d.d.15 februari 1995 van de Gerechtsdeurwaarder R.Kappel, (prod. VI) vergeefs is geweest;
    Met het verzoek aan de Kantonrechter, de overgelegde produkties hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.
  18. dat eiseres recht heeft op:
    a. het herstel van de dienstbetrekking;
    b. doorbetaling van haar loon vanaf 25 februari 1994 en de uitkering vermeld in het 15e sustenu;
    c. schadeloosstelling, welke zij wenst te beperken tot 1 (één) jaar loon;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, niet tegenstaande verzet of hoger beroep:

I. Primair:
a. voor recht zal worden verklaard, dat het aan eiseres verleende ontslag op grond van dringende redenen, in strijd is met de wet en mitsdien nietig is en derhalve de dienstbetrekking onverkort voortduurt;
b. Gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen haar loon zijnde Sf.325,– per forthnight enwel vanaf 25 februari 1994, alsmede de daaraan verbonden vakantie en retentie uitke­ring, totdat de dienstbetrekking conform de wet op de regelmatige wijze zal zijn beëindigd;

II. Secundair:
a. voor recht zal worden verklaard, dat het aan eiseres verleend ontslag kennelijk onredelijk c.q.onrechtmatig is;
b. Gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres te betalen haar loon gedurende 1 (één) jaar te rekenen vanaf 25 februari 1994 zijnde de aanvullende schadeloosstelling c.q. schadevergoeding;

III. Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure, daaronder mede begrepen de buitengerechtelijke kosten;

Overwegende, dat DE SURINAAMSE-AMERIKAANSE INDUSTRIE MAATSCHAPPIJ N.V., (Surinam American Industrie Limited) als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord, welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast, de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans haar deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produkties, hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 9 januari 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal S.NAZIR in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis van 9 januari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. KAPPEL van 29 januari 1997 aan geinti­meerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienen­de dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 5 december 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d 9 januari 1996;

Overwegende, dat uit de gedingstukken van de eerste aanleg het navolgende blijkt:

  1. dat de appellante als werkneemster in dienst was van de geintimeerde en dat zij met ingang van 24 februari 1994 wegens dringende reden werd ontslagen, welk ontslag haar op 25 febru­ari 1994 per deurwaardersexploit werd aange­zegd;
  2. dat van genoemd ontslag tijdig mededeling gedaan is aan het hoofd van de Dienst der Arbeidsinspektie van het Ministe­rie van Arbeid;
  3. dat de appellante bij inleidend rekest d.d.7 februari 1995, ingekomen op de Griffie van de Kantongerechten d.d 16 maart 1995, de onderhavige vordering tegen de geinti­meerde ingesteld heeft;
  4. dat de geintimeerde zowel in de eerste aanleg als in hoger beroep een uitdrukkelijk beroep gedaan heeft op het bepaalde in artikel 1615 v van BW, waarin bepaald is dat iedere vorderingsrecht krachtens de artikelen 1615 o, 1616 t (lees:1­615 t) en 1615 u verjaart na verloop van zes maan­den;

Overwegende, dat nu de appellante de vordering na zes maanden vanaf de ontslagverlening wegens dringende reden heeft ingesteld, welke termijn begint te lopen vanaf de dag van de feitelijke beëindiging van de dienstbetrekking is zij daarmee tardief en had de eerste rechter haar in de vordering niet ontvankelijk moeten verklaren, omdat een indiening van een vordering op grond van ontslag wegens dringende reden aan de fatale termijn van art.1615 v BW gebonden is;

Overwegende, dat Hof in deze zal doen wat de Kanton­rech­ter had behoren te doen, hetgeen met zich meebrengt dat het aangevochten vonnis zal worden vernietigd en de appellante alsnog niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorde­ring, met haar veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten van beide instanties;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis d.d. 9 januari 1995 door de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitge­sproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart de appellante alsnog niet ontvankelijk in haar vorde­ring;

Veroordeelt appellante in de gedingkosten in beide in­stanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f……

– in hoger beroep op f…..

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.00­0,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lante eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, Fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JUNI 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, Funge­rend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.S.GANGARAM PANDAY

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.M.R.Carrilho en Mr.S.A.Thijm.

SRU-HvJ-1998-43

PRO JUSTITIA

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnis 1998 no.15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, door de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Tweede Kanton op 17 december 1997 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],

oud 17 jaar,

van beroep metselaar,

geboren in Suriname,

wonende aan [adres] te [district]Paramaribo, thans gevangengehouden, verdachte;

Gelet op het tijdig door de Vervolgingsambtenaar ingestelde hoger beroep;

Gehoord de verdachte in zijn verdediging daarin bijgestaan door zijn raadsman, Mr. H. MUNGRA, advokaat bij het Hof van Justitie van Suriname;

Gehoord de getuigen in hun beedigde verklaringen;

Gehoord de waarnemend Procureur-Generaal;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is te laste gelegd, hetgeen is omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geinsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij, verdachte, het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub B te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;

met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde feit heeft gekwalificeerd als:
MISHANDELING, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 360 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT WEKEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte van VIJF WEKEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van het daarbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, danwel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 17 november 1997 af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, met bevel tot gevangenhouding van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Overwegende, dat ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 1998 hebben verklaard, zakelijk weergegeven:

1. De getuige [naam 1]:
” Ik heb in deze zaak de aangifte opgenomen. De heer [naam 4] heeft de aangifte gedaan. Bij confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer heeft de verdachte toegegeven gestoken te hebben. Hij zei dat hij met een pennemes gestoken had, maar gelet op de verwonding moet het een langere mes zijn geweest. Op een daartoe strekkende vraag verklaar ik dat ik bij de aangifte heb geconstateerd dat het slachtoffer een verwonding had aan zijn linkerschouder dat doorliep tot aan zijn linkeroksel.”

2. De getuige [naam 2]:
” Ik ben gestoken geworden door de verdachte. Ik toon U hierbij waar ik gestoken ben geworden. Ik heb een zaak op de markt. Verdachte is op de bewuste dag van 23 oktober 1997 voor de deur van die zaak komen staan. Ik heb de verdachte toen weggeduwd van daar. De verdachte heeft zich toen snel omgekeerd en mij gestoken met een knipmes. Verdachte heeft de steekbewegingen gemaakt op de wijze zoals ik die nu naboots, ter waarneming door Uw Hof. Ik heb de verwonding toen vastgebonden en ben naar de E.H.B.O. gegaan. Ik kreeg 3 a 4 hechtingen. Ik had nogal wat bloed verloren. Ik ben gedurende een maand behandeld door de dokter. Op een daartoe strekkende vraag verklaar ik dat ik ook aan mijn borst een hechting had gekregen.”

3. De [verdachte]:” Ik heb met een knipmes gestoken. Ik was niet in de tent van het slachtoffer, maar voor de deur. Het slachtoffer heeft me geklapt.
Ik heb voor het eerst iemand gestoken. Ik had het mes toevallig in mijn zak. Ik heb het mes zelf in mijn zak gestopt.”

Overwegende, dat zich voorts in het procesdossier bevindt een geneeskundige verklaring op beroepseed opgemaakt, door de dienstdoende arts bij de E.H.B.O.- A.Z., [naam arts] d.d. 23 november 1997, hetwelk, zakelijk weergegeven, het navolgende inhoudt:

” Insteek en uitsteekwond. Rechter-bovenarm.

Insteek wond borst rechts.”

Overwegende dienaangaande:
dat het het Hof ter terechtzitting d.d. 24 juni 1998 uit eigen waarneming alsmede uit de verklaringen van de gehoorde getuigen [naam 1], en [naam 2] gebleken is dat in casu de verwonding heeft plaatsgehad aan de linkerzijde van het bovenlichaam van het slachtoffer, weshalve het Hof voormelde geneeskundige verklaring verbeterd zal lezen in dier voege dat waar daarin staat ” rechter-bovenarm ” respectievelijk ” borst rechts ”, het Hof ervan zal uitgaan dat daar staat ” linker-bovenarm ” respectievelijk ” borst links ”.

Immers is het evident dat het hierbij gaat om een kennelijke schrijffout casu quo verschrijving en wordt de verdachte door verbeterde lezing daarvan niet in zijn verdediging geschaad.

Overwegende voorts, dat uit het van de terechtzitting in eerste aanleg opgemaakt proces-verbaal d.d. 17 december 1997, blijkt dat op voormelde terechtzitting de vervolgingsambtenaar op grond van artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering aan de Rechter heeft gevraagd toe te laten de wijziging in de telastelegging van de naam [naam 3] in [naam 2], hetgeen de Rechter

– gehoord de raadsvrouwe van verdachte (die verklaarde geen bezwaar daartegen te hebben) – heeft toegestaan. Het Hof zal derhalve eveneens daarvan uitgaan.

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij de betreffende inleidende dagvaarding sub A is te laste gelegd, met dien verstande dat hij, verdachte, op 23 oktober 1997 te Paramaribo, ter uitvoering van zijn, verdachte’s voornemen en van het misdrijf om opzettelijk [naam 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen tot dat doeleinde toen aldaar voornoemde [naam 2] opzettelijk gewelddadig met een mes een steek op de bovenarm en de borst van voornoemde [naam 2] toe te brengen, zijnde de verdere uitvoering van voormeld misdrijf evenwel niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachte’s, wil onafhankelijke omstandigheid dat voornoemde [naam 2] weliswaar bloedend werd verwond, doch tengevolge daarvan geen zwaar lichamelijk letsel bekwam;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij de betreffende inleidende dagvaarding sub A meer of anders is te laste gelegd dan bewezen is verklaard, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

Overwegende, dat het ten laste van verdachte bewezen geachte feit moet worden gekwalificeerd als:

POGING TOT ZWARE MISHANDELING, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is, zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof bij de bepaling van de straf, die aan de verdachte zal worden opgelegd, rekening gehouden heeft met:

enerzijds:

– de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd;

anderzijds:

– de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken;
– de jeugdige leeftijd van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof op grond van het vorenstaande tot het oordeel komt, meer in het bijzonder gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in casu passend is;

Gezien, behalve vorenaangehaalde wetsartikelen, de artikelen 9, 11, 17, 18 en 38 van het Wetboek van Strafrecht;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van 17 december 1997 door de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde als voormeld;

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van

ACHT MAANDEN;

Beveelt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A meer of anders is te laste gelegd, dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. Von Niesewand, waarnemend President, Mr. M.G. De Miranda en Mr. L.J. Budhu Lall, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordig­heid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend, hetwelk door de waarnemend-President is uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 8 JULI 1998.

w.g.A.CHARAN w.g.J.R.VON NIESEWAND

w.g.M.G. DE MIRANDA

w.g.L.J.BUDHU LALL

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

Vermits de [verdachte], niet bij de uit­spraak van dit vonnis ter terechtzitting is versche­nen, heb ik ondergetekende, fungerend-Grif­fier bij het Hof van Justi­tie, ingevolge artikel 350 van het Wet­boek van Strafvorde­ring, op 8 juli 1998, nadat de ver­oordeelde voornoemd ten kanto­re van het Hof van Justi­tie is aangevoerd, aan hem dit vonnis voorgelezen.

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

(R.R.BRIJOBHOKUN, fg.)