SRU-HvJ-2025-5

In naam van de Republiek

Vonnisnummer:         17/2025

Uitspraak: 05 februari 2025

Tegenspraak

 

Het Hof van Justitie van Suriname

in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg gewezen op 02 november 2023 en uitgesproken tegen de verdachte:

ADHIN, Michael Ashwin Satyandre, geboren op 10 juni 1980 te Paramaribo, gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Vice – President en thans assemblee lid en wonende aan de [adres] in het [district], in vrijheid verkerend; 

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie.

1.De ontvankelijkheid van het appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Substituut – Griffier van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg is gebleken dat de vervolgingsambtenaar namens het Openbaar Ministerie (hierna OM) op 08 november 2023 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van het Hof in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers. 

Gelet op het vorenstaande, is tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve de vervolging daarin ontvankelijk is.

2.Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers d.d. 02 november 2023 is de verdachte – verkort weergegeven – vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

3.Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De Procureur-Generaal heeft gerequireerd tot de bewezenverklaring van de onder IA, IIA, III, IV en V ten laste gelegde feiten, met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 11 (elf) maanden en 3 (drie) weken voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, een proeftijd van 3 (drie) jaren met als bijzondere voorwaarde dat de schade aan de apparatuur wordt vergoed, in dier voege dat soortgelijk apparatuur wordt aangeschaft voor het Kabinet van de Vice President. 

Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het OM en subsidiair vrijspraak voor de verdachte van de ten laste gelegde feiten bepleit. 

4.De geldigheid van de dagvaarding

Noch tegen de dagvaarding in eerste aanleg, noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

5.De bevoegdheid van het Hof

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

6.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

6.1 Door de verdediging zijn met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM enkele verweerpunten aangevoerd namelijk: 

6.1.1 Dat het de vraag is welk belang het OM had bij de vervolging van verdachte omdat tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek reeds bleek, uit meerdere verklaringen van de getuigen, dat verschillende personen zich bezighielden met afschrijving en instructies daaromtrent waardoor het vreemd is dat alleen Adhin daaruit is geselecteerd als verdachte. Uit de verklaringen bleek dat op alle kantoren goederen worden afgeschreven en vervolgens een nieuwe bestemming krijgen en nergens een vastgestelde en eenduidige procedure is hiervoor en dat elk kantoor of dienstonderdeel doet wat zij denken dat goed is;

6.1.2 Dat het OM, in strijd met het gelijkheidsbeginsel de vervolging inzette van verdachte terwijl het OM erkent dat de persoon van [naam] een strafbaar feit gepleegd had. Hij heeft de apparaten die onbeheerd lagen op het kabinet kunnen vernielen en heeft vervolgens gefraudeerd met serienummers. Vervolgens verwijst het OM naar haar vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel is nimmer bedoeld om het gelijkheidsbeginsel te schenden en het OM een vrijbrief voor willekeur te geven. Het OM heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden en heeft de verdachte tegen wie er voldoende bewijs was en die het feit ook bekende, buiten vervolging gelaten en is wel achter verdachte aangegaan. 

6.1.3 Dat het OM voorts, zo begrijpt het hof, in strijd met de regels van 

een goede procesorde heeft gehandeld bij de inverzekeringstelling van verdachte. Terwijl verdachte op 13 november 2020 een brief ontving om zich op 16 november 2020 aan te melden, werd hij in de ochtend van 16 november 2020 opgehaald en ingesloten, als zou hij geweigerd hebben gevolg te geven aan de oproep, daarbij geheel voorbijgaand aan de Wet in staat van beschuldigingstelling van Politieke Ambtsdragers. 

6.1.4 Dat het OM bij het dagvaarden na de bezwaarschriftprocedure rekening had moeten houden met de termijn.

6.2.1 Op deze verweerpunten heeft het OM gereageerd waarbij werd aangevoerd dat er weliswaar geen procedure was voor afschrijving, doch wel een gebruik dat moest worden gevolgd. 

6.2.2 Het OM voerde ten aanzien van het verweerpunt met betrekking tot de willekeur aan dat het vervolgingsmonopolie van het OM een fundamenteel principe is in het strafrecht. Een kernaspect van het vervolgingsmonopolie is het opportuniteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat alleen het OM bevoegd is om te beslissen of strafbare feiten worden vervolgd. Het OM heeft de bevoegdheid om te beslissen of een strafzaak wordt voorgelegd aan de rechter. Hierbij houdt het OM rekening met zowel de juridische als maatschappelijke aspecten, zoals de ernst van het feit, het beschikbare bewijs, de proceshouding van de verdachte en het algemeen belang. 

6.2.3 Met betrekking tot het verweerpunt betreffende het in strijd handelen met de goede procesorde heeft het OM aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter. Het OM heeft in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen gehad en ziet zich als onafhankelijke instantie verplicht de wet te handhaven en handelt in deze zaak enkel op basis van de feiten en het bewijs. Er zijn geen externe invloeden of ongepaste belangen die de beslissing tot vervolging hebben beïnvloed. Er is geen sprake van het nastreven van andere belangen dan het beschermen van de rechtsorde en het recht van de samenleving op gerechtigheid. 

6.2.4 Met betrekking tot de termijn van het dagvaarden na de bezwaarschrift procedure heeft het OM aangevoerd dat zij de verdachte niet eerder kon dagvaarden omdat er nog geen zittingsdag was bepaald of bekend gemaakt. Het Hof van Justitie is de instantie die appointeert, niet het OM.

Om die reden stelt het OM dat voorbij moet worden gegaan aan dat verweer.

7.De beoordeling 

7.1 Het Hof stelt voorop dat het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

7.2 De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. 

7.3 Zo een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. 

7.4 Alhoewel het OM met betrekking tot de goede procesorde heeft aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter en hij in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen heeft gehad, dient de vraag beantwoord te worden of in casu sprake is geweest van een zodanige aperte onevenredigheid van een vervolgingsbeslissing dat de verdere vervolging onverenigbaar was met het verbod van willekeur oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.5 Daarover oordelende overweegt het hof dat het antwoord op de vraag welke procedure noodzakelijk is voor de afschrijving c.q. het voor de dienst ongeschikt verklaren van hulpmiddelen dan wel goederen ter uitvoering of ondersteuning van bestuurlijke werkzaamheden, niet helder en eenduidig vast staat. 

Een toetsing aan ontwikkelde reglementen danwel instructies en/of procesbeschrijvingen, al dan niet vanwege de ‘s Lands Accountantsdienst leidend tot de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan, ontbreekt in deze. 

7.6 Alhoewel het OM dominus litis is bij de beslissing of er moet worden vervolgd, leidt het feit dat in casu ervoor gekozen is de verdachte verder te vervolgen en de persoon van [naam] en de andere leidinggevenden die dezelfde procedure volgden bij de afschrijving van goederen niet, tot het oordeel dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur en daarmee schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

7.7 Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, waaronder ook het voorbij gaan aan de wettelijk voorgeschreven procedure neergelegd in de Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.8 De door de verdediging hierboven opgesomde verweerpunten leiden tot het oordeel dat het onderhavige geval moet worden beschouwd als één van de uitzonderingen waar plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de instelling en de voortzetting van de vervolging omdat zulks onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Het OM zal daarom niet ontvangen worden.

7.9 Gelet op het voorgaande komen de overige gevoerde weren niet voor bespreking in aanmerking.

7.10 Het vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023 zal worden vernietigd en het OM zal, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijk worden verklaard in de door haar ingestelde vervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften 

Het Hof heeft gelet op de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafrecht en Strafprocesrecht.

8.De Beslissing:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van het Hof van Justitie inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet – ontvankelijk in de door haar ingestelde vervolging tegen de verdachte.

Aldus gewezen door: A.C. Johanns, Fungerend – President, S.J.S. Bradley, Lid, mr. I. Sonai, Lid, mr. L. Ravenberg, Lid-plaatsvervanger en mr. C. Klein, Lid – plaatsvervanger, bijgestaan door J.J. Rodrigues LLB, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers van woensdag 5 februari 2025 te Paramaribo.

 

w.g. J.J. Rodrigues                                                                                                                                   w.g. A.C. Johanns 

                                                                   w.g. S.S. Bradley

                                                                   w.g. I. Sonai

                                                                   w.g. L. Ravenberg

                                                                   w.g. C. Klein

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

 

SRU-K2-2024-1

KANTONGERECHT
CS
Parketnummer: 1-1-00485
Vonnisnummer: 503 2e/24
Datum uitspraak: 24 juni 2024
Tegenspraak
Raadsman: mr. L. Latour

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats],
wonende aan de [adres] te [plaats],
beroep: taxi-chauffeur,
ingesloten.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 april 2024, 13 mei 2024 en 24 juni 2024.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en het standpunt van de vervolgingsambtenaar mr. S. Sewgobind, van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. L. Latour, advocaat bij het Hof van Justitie, naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

De tenlastelegging houdt (zakelijk weergegeven) in dat de verdachte:

op of omstreeks 15 januari 2024 te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, samen met nog onbekend gebleven personen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand, immers heeft verdachte en/ of zijn mededader(s), opzettelijk vuur in aanraking gebracht met vermelde pand, althans gebouw, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in één of meer panden, waardoor er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Een door de griffier gewaarmerkte kopie van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

VOORVRAGEN

De Kantonrechter stelt vast dat:
de dagvaarding geldig is;
de Kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak;
de vervolgingsambtenaar ontvankelijk is in de vervolging;
er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

VORDERING EN STANDPUNTEN VAN DE VERVOLGINGSAMBTENAAR

De vervolgingsambtenaar acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De vervolgingsambtenaar rekwireert dat de Kantonrechter het feit bewezen en strafbaar verklaart, de verdachte strafbaar verklaart en veroordeelt tot een gevangenisstraf van 5 jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met handhaving van het bevel gevangenhouding. Voorts vordert de vervolging de teruggave van het in beslaggenomen voertuig van het merk Toyota Mark 2 en het telefoontoestel aan de verdachte.

STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Op de camerabeelden is naar de mening van de verdediging vastgelegd dat er een grijs gelakt voertuig te zien is met twee inzittenden en dat er een bepaalde route is afgelegd. Voorts zou het gaan om een lange en een korte persoon. De vervolging is nooit op zoek gegaan naar die andere verdachte, waardoor er ook nooit is vastgesteld wie de lange of de korte persoon zou moeten zijn. Ook is aangegeven door een getuige dat er zich vaker daklozen en drugsverslaafden bevonden in pand nummer 30. Ondanks die informatie heeft de vervolging geen onderzoek laten instellen indien er op die bewuste dag andere personen in het pand aanwezig waren. Men heeft zicht gefocust op het voertuig en toen deze verdachte in beeld kwam door tussenkomst van de politie heeft men zich verder op hem geconcentreerd, ondanks het feit dat de verdachte heeft verklaard waar hij zich bevond op het moment van de brand. De verdediging is van mening dat de vervolging niet in staat is geweest om het wettig en overtuigend bewijs te leveren en verzoeken wij de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging en teruggave van al de inbeslaggenomen goederen. Indien de kantonrechter tot het oordeel komt dat de verdachte schuldig is en het wettig en overtuigend bewijs is geleverd, verzoekt de verdediging om de strafmaat te mitigeren en aan verdachte een zodanige straf op te leggen dat hij binnenkort op vrije voeten komt.

BEOORDELING DOOR DE KANTONRECHTER

Bewezenverklaring

De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat de verdachte:

op 15 januari 2024 te Paramaribo, tezamen en in vereniging met tot nog toe onbekend gebleven personen, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (aan de Domineestraat pand nummer 30), immers heeft hij, verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met vermeld pand ten gevolge waarvan 4 (vier) panden geheel of gedeeltelijk zijn afgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor nadere nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1.
Eigen waarneming van de rechter
De eigen waarneming van de kantonrechter bij het bekijken van het beeldmateriaal op de terechtzitting van 13 mei 2024, waarin de kantonrechter ziet dat een grijs gelakt voertuig vertrekt vanuit een adres aan de [straatnaam] en vervolgens parkeert aan de Keizerstraat. De kantonrechter neemt voorts waar dat er twee personen uit het voertuig stappen. De twee personen lopen richting Steenbakkerijstraat, vervolgens de Domineestraat in en gaan op een terrein. Hierna is te zien dat een gebouw in vlam staat en is waar te nemen dat de mannen vervolgens teruglopen naar het voertuig. Zij stappen in het voertuig en verlaten de plek. Vervolgens wordt gereden naar de [straatnaam]. Op het voertuig is ook schade waargenomen.

Bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaringen

2.
De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
Er is een voertuig in beslag genomen. Het voertuig is vermoedelijk gebruikt bij de brandstichting. Het is gereden vanuit de [straatnaam] naar de Keizerstraat. Na het voertuig geparkeerd te hebben liepen de twee heren naar de Domineestraat. Na de brandstichting liepen ze weer terug naar de auto.

3.
De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
Er stappen twee mannen uit het voertuig, waarvan een korte en een lange. De korte man is de bestuurder van het voertuig. Ze lopen richting de Steenbakkerijstraat en Jodenbreestraat. Ze lopen het gebouw binnen en gelijk daarna zie je duidelijk de brand.

4.
De verklaring van de getuige [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
De brand is ontstaan op het leegstaand pand ernaast. Vervolgens overgeslagen naar ons pand. Het hoofdkantoor van het familiebedrijf Interfund N.V. is volledig tot de grond toe afgebrand. Het is een historisch pand.

Schriftelijke bescheiden

5.
Pagina`s 2-3
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 46/2024, opgemaakt door onder inspecteur van politie, en gesloten op 15 januari 2024, inhoudende als verklaring van aangifte gedaan door [naam 1], voor zover relevant voor het bewijs:
Op 15 januari 2024 werd het bericht ontvangen van de Centrale Meldkamer dat er aan de Domineestraat nummer 30 te Paramaribo sprake moet zijn van brand. Ter plaatse aangekomen bleek dat het pand op pand nummer 30 inderdaad in brand stond. Vermeld dient te worden dat tijdens het blussen het vuur oversloeg naar pand nummer 28 en pand nummer 34 van de Domineestraat.

6.
Pagina 4
Het in de wettelijke vorm opgemaakte referte proces-verbaal, nummer 0076/ 2024, opgemaakt door brigadier van politie Setrowidjojo, S.L. en gesloten op 13 juni 2024, inhoudende als het verkrijgen van een brand verklaring van het Korps Brandweer Suriname, voor zover relevant voor het bewijs:
Volgens de brandweer is de brand bij pandnummer 30 van de Domineestraat begonnen. Vervolgens is de brand uitgebreid naar de pandnummers 28, 32 en 34.

7.
Pagina A
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 0076/ 2024, opgemaakt door brigadier van politie Setrowidjojo, S.L. en gesloten op 29 januari 2024, inhoudende als het verrichten van onderzoek op de afdeling verkeerstechnische dienst van het Korps Politie Suriname en het fotografisch vastleggen van een grijs gelakte Toyota Mark 2 gekentekend 83-27 WP, voor zover relevant voor het bewijs:
Nadat de inspecteur van politie tweede klasse Panka inzage in het bestand deed, gaf hij aan dat er twee voertuigen van het merk Toyota Mark 2 voorkomen, namelijk een grijs gelakte met als kentekennummer 83-27WP, welke geregistreerd staat op naam van [naam 2] en eveneens een grijs gelakte met als kentekennummer 83-59 WP, welke geregistreerd staat op naam van [naam 3]. Vermeld dient te worden dat het voertuig op naam van het merk Toyota Mark 2, gekentekend 83-59 WP aan de verdachte [verdachte] toebehoort en is door de politie reeds in beslag genomen.

De Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het om twee personen gaat die in beeld zijn gebracht doch de tweede persoon heeft de politie niet kunnen traceren. De politie is belast met de opsporing en nasporing van strafbare feiten. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats op basis van de dagvaarding hetgeen ten last is gelegd. Heden is voor het gerecht verschenen de verdachte [verdachte]. Het gegeven dat er geen tweede verdachte in beeld is gebracht, heeft op dit moment voor dit onderzoek geen relevantie. In casu is er sprake van een onbekende tweede dader. Het Openbaar Ministerie kan niet verweten worden dat het met twee maten meet. Het verweer gaat in casu niet op. Voorts heeft de verdediging bepleit dat met betrekking tot het verhoor van de eigenaar van het ander voertuig, de politie niet genoegzaam onderzoek heeft gepleegd. De raadsman heeft ruim voor de zitting het proces-verbaal ontvangen teneinde kennis te nemen van de inhoud daarvan. De raadsman is zich bewust dat in het belang van de verdediging van zijn cliënt hij het recht heeft tot het horen van getuigen. Nu de raadsman na ontvangst en het bestuderen van het proces-verbaal geen gebruik heeft gemaakt van het recht om de getuige te doen dagvaarden teneinde de hem kennelijke ontbrekende informatie ter terechtzitting te verkrijgen, hij tardief is en wordt dit verweer aldus verworpen.

Met betrekking tot de ontkenning van de verdachte beslist de kantonrechter het volgende:
Een ontkenning van de verdachte betekent niet dat hij het feit niet heeft begaan, maar het betekent ook niet dat hij het feit heeft begaan. De bewijsmiddelen zijn limitatief opgesomd in de wet. In deze zaak hebben wij getuigen gehoord en heeft er technisch onderzoek plaatsgehad. Als bewijs nemen we in deze zaak de vaststelling en het analyseren van de camerabeelden waarbij het voertuig in beeld komt. Het voertuig komt op twee locaties in beeld. Gekeken wordt naar het moment dat het voertuig in beeld komt in de buurt waar uiteindelijk de brand is gesticht, waarbij te zien is dat twee personen in hun handen materiaal, mogelijk een jerrycan, hadden. De twee personen liepen naar het verlaten pand en op enig moment zien wij vuur opvlammen. We zien vervolgens dat de twee personen de plek verlaten en vervolgens in het voertuig stappen waarbij desbetreffend voertuig stopt op het woonadres van deze verdachte. Bovendien heeft de verdachte aangegeven dat hij de enige bestuurder is van dit voertuig. Er zijn meerdere camerabeelden bekeken van die bewuste dag en is vastgesteld dat het voertuig vertrekt vanuit het woonadres van de verdachte en vervolgens rijdt via verschillende straten om vervolgens te stoppen bij de locatie waar en alwaar de twee personen uitstappen. We zien vervolgens dat er opvallende schade aanwezig is bij het voertuig. Het blijkt dat de schade overeenkomt met de schade die is aangetroffen bij het voertuig van deze verdachte. De verdachte heeft op enig moment gesteld dat desbetreffend voertuig niet zijn voertuig zou zijn. Uit het onderzoek bij de afdeling Rijbewijzen is gebleken dat er nog een voertuig van het type Toyota Mark 2 beginnende met de cijfers 83 en eindigende met de letters PW in beeld is gekomen. Volgens de eigenaar van dat voertuig was het voertuig ten tijde van die brand ter reparatie aangeboden en dus niet in rijdende staat. Dit voertuig heeft geen schade, in ieder geval, geen schade zoals te zien is aan het voertuig dat op de camerabeelden te zien is ( zie fotomateriaal). Vast is komen te staan dat de schade die is waargenomen via het beeldmateriaal overeenkomt met de schade van het in beslaggenomen voertuig van de verdachte.

Ten aanzien van de alibi van de verdachte, heeft de verdediging geen getuigen geproduceerd die zijn alibi zouden kunnen ondersteunen. De politie heeft nagetrokken of er camerabeelden zijn op de locatie zoals aangegeven door de verdachte aan de Hogestraat dan wel Hofstraat alwaar hij ten tijde van de brand zich zou bevinden, echter zijn er geen camerabeelden aangetroffen die de bewering van de verdachte dat hij op die locatie was, kunnen staven.
De Kantonrechter komt tot het bewijs en de overtuiging middels de fotografische vastlegging van het voertuig met de aanwezige kenmerken met de ter terechtzitting vertoond beeldmateriaal. Uit de camerabeelden blijkt dat het voertuig waaruit de twee personen zijn gestapt om te lopen naar de locatie alwaar de brand is gesticht, is vertrokken vanuit het woonadres van de verdachte en na de brandstichting hebben ze hetzelfde woonadres aangedaan. Hiermee geconfronteerd heeft de verdachte deze vaststelling niet weersproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 207 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf heeft de Kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten
Paramaribo bestaat nog deels uit een houten binnenstad waarbij het gevaar van een overslaand brand waarbij meerdere panden in as kunnen worden gelegd algemeen bekend is. Levensgevaar voor mens en goederen is een logisch gevolg bij opzettelijke brandstichting. De brand heeft een schokgolf teweeg gebracht in de maatschappij, alsook een negatief effect voor de historische waarde van onze binnenstad die op de Unesco lijst van wereld erfgoed voorkomt. Voor de familie van de afgebrande panden is het een extreem verlies, zowel in financieel als emotionele zin. Bekeken tegen deze achtergrond is afwijking van de eis passend en geboden.

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden
Uit een betreffende Staat van inlichtingen van de verdachte van 13 februari 2024 blijkt dat hij meerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan.

De op te leggen straf
Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van het feit, is de Kantonrechter van oordeel dat mede in verband met een juiste normmarkering en de algemene preventie, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat brandstichting in het algemeen en in casu in de binnenstad extreem gevaar zetten is. De daaruit voortvloeiende schade voor mens en land kan niet getolereerd worden.

Alles afwegende acht de Kantonrechter een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

Beslag

Verbeurdverklaren

De Kantonrechter zal het volgende in beslag genomen voorwerp te weten 1 grijs gelakt voertuig van het merk Toyota Mark 2 met als volgnummer 83-59 WP, verbeurdverklaren.
Dit voorwerp behoort aan de verdachte toe en het bewezen verklaarde feit is met behulp van dit voorwerp begaan.

Teruggave aan de verdachte

De Kantonrechter zal de teruggave gelasten aan de verdachte van het in beslag genomen voorwerp die aan de verdachte toebehoort, te weten 1 blauw verkaste mobiele telefoon van het merk Samsung aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing van de Kantonrechter berust op de artikelen 9, 11, 38, 44, 72 en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De Kantonrechter beslist als volgt:

Bewezenverklaring

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven is vermeld;

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hierboven is vermeld;

Strafbaarheid van de verdachte

Verklaart de verdachte strafbaar;

Oplegging straf

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Beslag

Verklaart het volgende voorwerp verbeurd te weten 1 grijs gelakt voertuig van het merk Toyota Mark 2 met als volgnummer 83-59 WP.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp, te weten 1 blauw verkaste mobiele telefoon van het merk Samsung.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Elgin, Kantonrechter in het Tweede Kanton, in tegenwoordigheid van mr. R. Singodikromo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2024.

 

 

SRU-HvJ-2025-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00044
28 maart 2025
Vonnis in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de PVP”

tegen

HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “het CHS”,
geïntimeerde in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 26 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (Civarnummer 202501211) tussen PVP als eiseres en het CHS als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep                                                                           

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 27 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat de PVP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van Justitie d.d. 28 maart 2025, tijdens welke zitting de zaak door beide partijen is bepleit.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

De feiten
Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. haar een ruimere periode wordt toegekend om de kandidatenlijsten in te dienen, althans haar daartoe een periode van een week de ruimte te bieden, totdat in een bodemprocedure wordt uitgemaakt of de wettelijke bepaling, zijnde artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling, inderdaad dwingendrechtelijk van aard is;
II. het CHS te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor iedere dag dat zij mocht nalaten aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;
III. het CHS te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2 Het CHS heeft tegen de vordering verweer gevoerd.
3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 26 maart 2025 het gevorderde afgewezen en de PVP veroordeeld in de proceskosten.

De vordering in hoger beroep en de standpunten van partijen
4.1 De PVP heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter en vordert dat het Hof het vonnis in eerste aanleg vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vordering alsnog toewijst.

4.2 De PVP heeft aan haar vordering, onder andere, ten grondslag gelegd dat zij vanaf de verkeerde beslissing van het CHS van 28 februari 2025 in het ongewisse is geweest over de vraag of zij kon deelnemen aan de verkiezingen. Deze verkeerde beslissing komt neer op een onrechtmatige daad van het CHS jegens de PVP. De PVP had hierdoor niet voldoende ruimte om de kandidatenlijsten op 25 maart 2025 te kunnen afronden en in te dienen. De PVP mag niet het gelag betalen voor de verkeerde beslissing van het CHS.

4.3 De PVP heeft voorts aangevoerd dat er geen wettelijk beletsel is om de termijn uit te breiden. Artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling vermeldt niet dat de dag van kandidaatstelling 25 maart 2025 moet zijn. De datum van de kandidaatstelling is niet dwingendrechtelijk bepaald. Slechts de tijdsintervallen die dienen te zitten tussen de specifieke acties die elkaar opvolgen zijn geregeld. Nu het is gebleken dat de PVP ten onrechte niet is toegelaten tot de registratie dient zij in de gelegenheid gesteld te worden om alsnog dezelfde tijd te krijgen die andere partijen hebben gehad om hun kandidatenlijsten in te dienen. Door de weigering van het CHS om de periode te verruimen was er geen sprake van een “even playing field”.

4.4 Tevens werd door de PVP aangevoerd dat door de onzekerheid die is ontstaan door de weigering op 28 februari 2025, veel personen die zich kandidaat hebben gesteld ontmoedigd waren geraakt en zich terug hadden getrokken. Er was gedurende de weken na de weigering sprake van een “psychologische ramp”. De personen die betrokken waren bij de partij hadden er door teleurstelling geen geloof meer in dat de partij nog zou meedoen aan de verkiezingen. Na de uitspraak van het Hof van Justitie op 22 maart 2025, waarin was beslist dat de PVP zich mocht registreren, was het niet mogelijk gelijk iedereen weer bij elkaar te krijgen en de kandidatenlijsten op te stellen. Het was pas op maandag 24 maart 2025 dat alle bij de partij betrokken personen op de hoogte konden worden gesteld waarna nog aan de vereiste formaliteiten moest worden voldaan alvorens de kandidatenlijsten ingediend hadden kunnen worden. Door het effect van de weigering was het niet mogelijk om de lijsten op 25 maart 2025 in te dienen waardoor een verzoek was gedaan om verruiming van de termijn met een week. Deze situatie is niet door de schuld van de PVP ontstaan doch door de schuld van het CHS. Om die reden had het CHS wel toestemming moeten geven voor de verruiming van de termijn.

4.5 Het CHS heeft aangevoerd dat na het vonnis van het Hof op 22 maart 2025 gelijk alle condities zijn gecreëerd voor de PVP om te voldoen aan de eisen van de wet voor het indienen van de kandidatenlijsten. Zij heeft op 22 maart 2025 direct het vonnis uitgevoerd en PVP in de gelegenheid gesteld om zich te registreren. Tevens heeft PVP gelijk toegang verkregen tot het digitale platform en verkreeg zij van CBB alle medewerking om de kandidatenlijsten klaar te maken. Het CBB was buiten kantooruren ook bereikbaar voor alle politieke partijen, ook op de zaterdagen en de zondagen. De vier dagen waren ruim voldoende om de kandidatenlijsten digitaal te uploaden en de stukken fysiek in te dienen.
Het CHS heeft met betrekking tot de handelingen na de registratie aangevoerd dat het klaarmaken van de kandidatenlijsten via het platform mogelijk is in een paar stappen en het uploaden in een half uur kan geschieden. Daarna is het indienen van fysieke kandidatenlijsten ook binnen korte tijd te realiseren.
Voorts heeft het CHS niet kunnen afwijken van de in de wet genoemde termijnen omdat daarmee de voortgang van de verkiezingen ernstig in gevaar kan worden gebracht.
De artikelen 38 en verder van de Kiesregeling noemen fatale termijnen waaraan het CHS zich strikt moet houden. Het CHS heeft er bewust voor gekozen om het digitale platform gelijk na het vonnis open te stellen waardoor de PVP geen belemmeringen heeft ondervonden van de zijde van het CHS. Het CHS is niet aansprakelijk voor de interne issues van de PVP.

4.6 Het CHS voerde voorts aan dat de kantonrechter de vordering terecht heeft afgewezen, immers, artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling is van dwingendrechtelijke aard. In casu was er geen sprake van een uitzonderlijke toestand op grond waarvan het CHS anders zou moeten besluiten.

De beoordeling

5.1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de PVP daarin kan worden ontvangen.

5.2. Het Hof overweegt vooreerst dat vanuit hun aard het kiesrecht en de uitwerking van dat recht een nogal formeel en uiterlijk karakter hebben. De kieswettelijke regelingen geven vooral een samenstel van procedureregels en termijnbepalingen. De keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kiesregeling heeft als achtergrond een voor ieder gelijke, eerlijke verkiezing te waarborgen. Daarom is er, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen ruimte voor het CHS om in afwijking van de dwingende bepalingen van de Kiesregeling te beslissen.

5.3 Artikel 85 lid 1 van de Kiesregeling bepaalt dat de dag der kandidaatstelling ten behoeve van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen bij Staatsbesluit wordt bepaald en wel zodanig dat tussen deze dag en de dag van de stemming zestig dagen gelegen zijn. Ter uitvoering van dit artikel lid is bij Staatsbesluit van 17 februari 2025 (Besluit Vaststelling Dag der Kandidaatstelling en Dag der Stemming 2025) bepaald dat de dag der kandidaatstelling ten van behoeve van de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen is vastgesteld op 25 maart 2025. Voorts is in dit Staatsbesluit bepaald dat de dag der stemming voor de volksvertegenwoordigende lichamen is vastgesteld op zondag 25 mei 2025.

5.4 De vraag die thans dient te worden beantwoord is of hetgeen PVP als reden heeft gegeven voor het niet kunnen indienen van de kandidatenlijst op 25 maart 2025 moet worden aangemerkt als een uitzonderlijke situatie, die het verruimen van de termijnen genoemd in de de wet, rechtvaardigt.
In casu doet het geval zich voor dat PVP zich door de weigering van het CHS om zich te registeren op 28 februari 2025, niet richtte op het voorbereiden van de kandidatenlijsten, doch zich richtte op het instellen van procedures, bij de President en bij het gerecht om het besluit van de weigering aan te vechten.
De PVP heeft, nadat zij in het gelijk is gesteld door het Hof op zaterdag 22 maart 2025, op die dag nog de toegang verkregen tot het digitale platform waardoor zij gelijk de voorbereidingen kon treffen, ook op de zaterdag en de zondag, om de kandidatenlijsten klaar te maken. Ook had zij, naar eigen zeggen, de volledige medewerking van het Centraal Bureau voor Burgerzaken om op een spoedige manier aan de benodigde documenten te komen.
Het Hof begrijpt dat het probleem niet zozeer was het niet op tijd kunnen voldoen aan de vereiste formaliteiten om de kandidatenlijsten in te dienen, doch dat het probleem was dat de PVP niet meer beschikte over kandidaten om op de lijst te plaatsen.
Dat zij door interne omstandigheden, de partij zelf betreffende, die door de PVP werd aangemerkt als een “psychologische ramp”, niet over kandidaten beschikte, kan, gelijk het CHS stelt, niet op het conto van het CHS geschreven worden.
Van een politieke partij die wenst deel te nemen aan de algemene, geheime en vrije verkiezingen van het land teneinde bij verkiezing van haar kandidaten deel uit te maken van de wetgevende macht en mogelijk ook deel te nemen aan het bestuur, mocht worden verwacht dat zij, in geval van een gunstige beslissing, haar voorbereidingen zodanig had getroffen, dat zij de kandidatenlijsten op tijd zowel digitaal als in fysieke vorm kon indienen.
In dit geval is van een zeer uitzonderlijke situatie, als gevolg waarvan verruiming van tijd zou moeten geschieden, geen sprake.

5.5 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken, nu dat niet tot een ander oordeel zou leiden en het PVP zal worden veroordeeld in de kosten van het proces.

6. Beslissing
Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 maart 2025 bekend onder Civarnummer 202501211;

6.2 Veroordeelt PVP in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van CHS gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. nihil (nihil SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 28 maart 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B, Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                       w.g. D.D. Sewratan

Partijen appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.S. Fernand, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

Dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier

 

SRU-K1-2025-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202501211
26 maart 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

 

PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “PVP”,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.S. Fernand, advocaat,

tegen

HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU, kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “CHS”,
gedaagde,
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 25 maart 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 26 maart 2025;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 PVP heeft bij brief van haar gemachtigde de dato 24 maart 2025 ref: 025-070.pro het CHS het verzoek gedaan om aan haar een week, na de datum van de kandidaatstelling op 25 maart 2025, althans een redelijke termijn te gunnen om haar kandidaat lijsten alsnog in te dienen.

2.2 Het CHS heeft per brief de dato 24 maart 2025 kenmerk CHS-2025/92/SEC, de gemachtigde van PVP als volgt bericht:

“Hetgeen u in uw vorenbedoeld schrijven verlangt is helaas niet uitvoerbaar aangezien zulks in strijd is met art. 38 lid 1 van de Kiesregeling.

Hetzij vermeld, dat de tijdsbepalingen genoemd in de Kiesregeling van dwingendrechtelijke aard zijn en de wet het CHS geen ruimte open laat hiervan af te wijken;”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 PVP vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

haar een verruimde periode voor het indienen van haar kandidatenlijst toe kent, althans haar een week daartoe de ruimte biedt, totdat in een bodemprocedure is uitgemaakt of artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling dwingendrechtelijk van aard is.
CHS veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van SRD 50.000, – (vijftigduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat het CHS nalatig blijft om uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
CHS veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 PVP legt aan haar vordering ten grondslag dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling niet dwingendrechtelijk van aard is, waardoor aan haar een verruiming van de periode voor het indienen van haar kandidatenlijst moet worden geboden.

3.3 Het CHS heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Niet in geschil is dat de kort geding rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil als hier aan de orde en dat PVP een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.2 PVP heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat de weigering van het CHS tot registratie van haar voor deelname aan de verkiezingen wanhoop en teleurstelling heeft teweeggebracht bij personen die zij wilde plaatsen op haar kandidatenlijst. Dat voor het kunnen plaatsen van personen op haar kandidatenlijst het geloof en vertrouwen van deze personen nodig is. Dat de overige politieke partijen hun kandidatenlijst voor indiening gereed hadden, omdat zij niet te maken hadden met de uitdagingen waarmee zij te maken had. Dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling niet van dwingend rechtelijke aard is en dat aan haar derhalve een week, althans een redelijke periode moet worden gegund om haar kandidatenlijst alsnog in te dienen. Het CHS stelt zakelijk weergegeven dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling van openbare orde is en dat de PVP de mogelijkheid had, om in afwachting van de uitslag van de procedure met betrekking tot de weigering om haar te registreren, haar kandidatenlijst in orde te maken. Dat de bepaling van de dag der kandidaatstelling en de te houden verkiezingen dwingend is geregeld in artikel 85 lid 1 en 86 van de Kiesregeling. Dat zowel de dag van de kandidaatstelling als die van de houden verkiezing op 25 mei 2005 bij staatbesluit van 17 februari 2025 (SB 2025 no. 25) is bepaald, waarvan zij niet kan afwijken.

4.3 Uitgangspunt is het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling. In artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling is bepaald dat op de dag van de kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor De Nationale Assemblee bij het hoofdstembureau van 08.00 tot 15.00 uur lijsten van kandidaten zowel schriftelijk als digitaal kunnen worden ingeleverd. De kantonrechter is van oordeel dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling een vervaltermijn betreft. Een vervaltermijn is een fatale termijn. Het brengt het definitieve verval mee van het recht van PVP om haar kandidatenlijst in te dienen. De vervaltermijn is, in tegenstelling tot een verjaringstermijn, niet vatbaar voor stuiting of voor schorsing en kan niet het voorwerp zijn van een afstand. Een vervaltermijn is een door de wet, de rechter of de overeenkomst voorgeschreven termijn waarbinnen een bepaalde handeling, waarvan het behoud van een recht of de bescherming van een belang afhangt, dient te worden verricht. Indien de handeling niet wordt verricht binnen de voorgeschreven termijn is het recht onherroepelijk vervallen en kan de handeling niet meer worden verricht. De verkiezingsorganisatie brengt met zich mee dat partijen die aan de verkiezing wensen deel te nemen zich dienen te houden aan strikt vastgestelde termijnen. Gelet op het voren overwogene zal de vordering van PVP om haar nog een week te gunnen, althans haar een redelijke termijn te gunnen om alsnog haar kandidaten lijst in te dienen worden afgewezen.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 PVP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CHS worden begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het gevorderde,

5.2 veroordeelt PVP in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van het CHS welke is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in Kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 26 maart 2025 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2025-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00038
22 maart 2025

Vonnis in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de PVP”
tegen

A. HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “het CHS”,

B. DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, CHANDRIKAPERSAD SANTOKHI,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. K. J. Kraag – Brandon, advocaat,
hierna te noemen: “de President”,
sub A en B gezamenlijk geïntimeerden in kort geding genoemd,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 12 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (Civarnummer 202500973) tussen PVP als eiseres en het CHS en de President als gedaagden, spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal van 17 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat PVP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven, met producties, gedateerd 17 maart 2025;
• de memorie van antwoord zijdens het CHS, gedateerd 20 maart 2025;
• de antwoordpleitnota zijdens de President, gedateerd 20 maart 2025.
• partijen hebben hiena mondeling gepleit waarna de uitspraak van het vonnis is bepaald op een nader door te geven datum en tijd.

1.2 De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. De feiten

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de werking van de beschikking d.d. 28 februari 2025 van het CHS te schorsen, dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
II. de werking van de resolutie d.d. 5 maart 2025 van de President te schorsen dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
III. het CHS te veroordelen om de registratie van PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] toe te staan;
IV. het CHS en de President, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van het geding conform het liquidatietarief;
V. het CHS en de President te veroordelen in de proceskosten.
3.2 Het CHS en de President hebben tegen de vordering verweer gevoerd.
3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 12 maart 2025 de PVP niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tegen het CHS, het verzoek tegen de President afgewezen en de PVP veroordeeld in de proceskosten.

4. De vordering, de grieven en het verweer
4.1 De PVP is met vijf grieven opgekomen tegen het beroepen vonnis en heeft gevorderd dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, het gevorderde wordt toegewezen.

De stellingen en weren van partijen in eerste aanleg
4.2 PVP heeft in eerste aanleg – kort samengevat – aangevoerd dat er geen sprake is van weigeringsgronden ex artikel 35 lid 1 tot en met 4 van de Kiesregeling zodat zij moest worden toegelaten om zich te registreren. Tevens heeft zij aangevoerd dat de indieners een rechtsgeldige volmacht hadden om de PVP te registreren en dat zij op grond van artikel 37 lid 1 van de Kiesregeling nog eenmaal een aanbieding ter registratie zouden moeten kunnen doen. Voorts heeft zij aangevoerd dat het motiveringsbeginsel is geschonden door CHS en de President omdat hun beslissingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

4.3 CHS voerde als formeel verweer aan dat zij geen wettelijke procesbevoegdheid bezit waardoor de PVP niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering jegens haar.
Als materieel verweer heeft zij aangevoerd dat artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling dwingendrechtelijk van aard is, zodat bij het ontbreken van een geldige schriftelijke volmacht niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het doen van het verzoek tot registratie. De weigering van het verzoek is gestoeld op artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling, niet op artikel 35 lid 1 onder b en c Kiesregeling, terwijl er ook geen sprake is van ongegrond verklaring van het ingediende bezwaarschrift.
Ook voerde zij aan dat PVP niet nogmaals de mogelijkheid moet krijgen om te registreren.

4.4 De President voerde als verweer onder andere aan dat de weigering van de registratie wegens het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht bij de indiening van de registratiebescheiden terecht was en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving inzake verkiezingen in Suriname. Het bij de President ingesteld beroep is derhalve terecht ongegrond verklaard. De President stelde dat een niet-rechtsgeldige volmacht een fundamenteel gebrek is dat niet met terugwerkende kracht kan worden gerepareerd in deze fase van de verkiezingsprocedure.

De grieven van de PVP
4.5 De grieven 1 en 2 hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat de volmacht niet rechtsgeldig was en dat de PVP een besluitenlijst had moeten overleggen als zij zich op artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement beroept.
De weigering om de PVP te laten registreren is gebaseerd op artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling, namelijk op de zienswijze van het CHS dat aan de volmacht gebreken kleven nu deze niet was ondertekend door de penningmeester S.R.A. Lachman.
Echter is de volmacht rechtsgeldig tot stand gekomen. Artikel 13 van de Statuten bepaalt dat het hoofdbestuur belast is met de leiding van de PVP met inachtneming van het bepaalde in de statuten en het huishoudelijk reglement en artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement bepaalt dat besluiten van het hoofdbestuur zullen worden genomen met gewone meerderheid, wat dient te blijken uit de desbetreffende besluitenlijsten, schriftelijk of electronisch.
De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat de rechtsgeldigheid niet voortvloeit uit artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement omdat dat artikel gaat over besluiten genomen door het hoofdbestuur en de wijze waarop deze tot stand komen en niet over de vertegenwoordiging van de vereniging. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat een besluitenlijst overgelegd had moeten worden waaruit bleek dat het bestuur bij gewone meerderheid had besloten dat aan de twee personen genoemd in de volmacht, een volmacht zou worden uitgebracht.

4.6 De grieven 3 en 4 handelen over de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het handelen in strijd met het het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten en de Grondwet.
De PVP stelt onder andere dat het handelen van het CHS en de President in strijd is met het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel. Zij voert aan dat de handtekening van vier bestuursleden waarbij het vijfde bestuurslid vanwege uitstedigheid niet heeft kunnen tekenen geen benadeling betekent van wie dan ook in de samenleving, nu dat vijfde bestuurslid ook de volmacht had willen tekenen. De sanctie van uitsluiting van deelname aan de verkiezingen staat niet in verhoudig tot een dergelijke omstandigheid en is disproportioneel. Ook is het handelen in strijd met het recht tot deelname van een partij aan de verkiezingen zoals neergelegd in het genoemde verdrag en de Grondwet.

4.7 Grief 5 heeft betrekking op het registratieverzoek in tweede instantie.
De PVP stelt met deze grief aan de orde dat haar registratie ten onrechte is geweigerd en dat daardoor ook een registratieverzoek in tweede instantie, zoals bedoeld in artikel 37 van de Kiesregeling, helemaal niet aan de orde is. Het besluit van het CHS is onterecht waardoor de PVP wel in de gelegenheid gesteld moet worden om zich te registreren.

4.8 Het CHS en de President hebben op de grieven gereageerd.
Daarbij is het CHS bij haar formeel verweer gebleven namelijk dat zij niet in rechte kan worden betrokken omdat zij geen zelfstandige drager is van rechten en plichten en daardoor geen wettelijke procesbevoegdheid heeft.
Voorts heeft het CHS op de grieven, voor zover voor de beoordeling van belang, aangevoerd dat haar weigering om de PVP te registreren terecht was. De weigering is gestoeld op artikel 31 lid 2 jo artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling. De aanbieding tot registratie is gekoppeld aan dwingendrechtelijke, wettelijke vereisten, waar de PVP niet aan voldeed. De PVP geeft een eigen lezing aan haar statuten, echter blijkt uit de statuten dat het hoofdbestuur bevoegd is tot vertegenwoordiging van de PVP in en buiten rechte, waardoor een volmacht ondertekend zou moeten zijn door alle vijf bestuursleden.
Het besluitenregime neergelegd in artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement is niet hetzelfde als het vertegenwoordigingsregime.
Het CHS ontkent voorts dat zij in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met verdragsbepalingen of de Grondwet.

De President heeft op de grieven aangevoerd dat terecht is geoordeeld dat de volmacht niet rechtsgeldig is uitgebracht. Hierbij verwijst de President naar artikel 13 sub 2 van de statuten, waaruit zou moeten blijken dat de volmacht door alle vijf bestuursleden getekend diende te worden. Voorts stelt hij dat, indien de PVP zich op artikel 7 lid 2 wil beroepen, een besluitenlijst overgelegd zou moeten zijn, hetgeen niet is gebeurd.
De President voert voorts aan dat er geen spake is geweest van het in strijd handelen met bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten van de mens of de Grondwet.

5. De beoordeling

5.1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de PVP daarin kan worden ontvangen.

Het formele verweer
5.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de vraag of de vordering ingediend had mogen worden tegen het CHS alsvolgt.
Geoordeeld moet worden over de vraag of het CHS in dit kort geding in rechte kan worden betrokken.

De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. Indien een ambtelijk orgaan als zodanig in een burgerlijk geding zou kunnen optreden zouden problemen van procesrechtelijke aard kunnen optreden. Zo zou onzeker kunnen zijn wie door het gezag van gewijsde wordt gebonden en jegens wie een uitspraak zou kunnen worden geexecuteerd. Dit uitgangspunt laat ruimte voor uitzonderingen. (vide onder andere HR 27–6–1975, NJ 1976, 128)

Met betrekking tot privaatrechtelijke partijen is het algemeen aanvaard dat de VOF en de Commanditaire vennootschap de bevoegdheid hebben om als procespartij op te treden, ondanks het feit dat zij geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Ook de maatschap heeft de bevoegdheid om als procespartij op te treden, ondanks het feit dat zij geen rechtspersoonlijkheid bezit. Ter vergelijking zie overige jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo werd in de zeventiger jaren door de HR overwogen (Vide NJ 1977, 586, HR, 05-11-1976: Moret Gudde Brinkman) : “Door in het bestreden vonnis de eiseres in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat een maatschap geen rechtspersoonlijkheid bezit en derhalve in rechte niet zelfstandig doch bij haar maten moet optreden, heeft de Kantonrechter een onjuiste beslissing gegeven.”

De HR heeft overigens bij arrest van 30 jan. 1874 reeds overwogen “ – ten aanzien van het tweede cassatiemiddel-, dat niet alleen enkele personen, hetzij dan natuurlijke of regtspersonen, zakelijke of persoonlijke regten kunnen hebben en door middel van regtsvorderingen kunnen handhaven, maar dat ook meerdere personen gezamenlijk eigenaars of schuldeischers kunnen zijn en tot handhaving van hunne gemeenschappelijke regten gezamenlijk in regten kunnen optreden; dat bepaaldelijk vennooten in hunne door de overeenkomst van maatschap ontstane betrekkingen gemeene regten kunnen hebben en gezamenlijk hunne gemeenschappelijke regten door regtsvorderingen kunnen handhaven”.

De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt dus in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen, echter is er ruimte voor uitzonderingen.

Het voormelde uitgangspunt — waar dit ruimte laat voor uitzonderingen — brengt mee dat voor het antwoord op de door het middel aan de orde gestelde vraag beslissend is of er grond bestaat te dezen een zodanige uitzondering aan te nemen.

Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavig kort geding grond om een zodanige uitzondering aan te nemen. Voor het antwoord op die vraag is gekeken naar de wet waarin de instelling van dit orgaan is geregeld, namelijk de Kiesregeling.

Uit de wetstekst en de memorie van toelichting blijkt dat het CHS in verband met de verkiezingen een aantal specifieke taken en bevoegdheden heeft, die alleen zij kan uitvoeren. Bij de wijziging van 2024 (SB 2024 no. 59) zijn deze taken zelfs uitgebreid.
Nu het CHS specifieke zelfstandige taken heeft en bevoegdheden bezit, waaronder de bevoegdheid om besluiten te nemen in verband met de registratie van politieke partijen en het indienen en controleren van kandidatenlijsten, moet ervan worden uitgegaan dat het CHS, op grond van de Kiesregeling, weliswaar enkel met betrekking tot deze taken en bevoegdheden, in kort geding in rechte kan worden betrokken en als procespartij kan optreden.
Op grond van het voorgaande is de PVP ontvankelijk in haar vordering jegens het CHS.

De grieven 1 en 2
5.3 In haar grieven voert de PVP aan dat de volmacht wel rechtsgeldig is. Het CHS en de President hebben, zoals hierboven uiteengezet, als standpunt dat de volmacht niet rechtsgeldig is.
Het hof overweegt ten aanzien van deze grieven alsvolgt.
Artikel 13 (nieuw) leden 1 tot en met 4 van de gewijzigde statuten van de PVP luiden alsvolgt:
1. “Het hoofdbestuur is belast met de leiding van de “P.V.P.”vereniging, met inachtneming van het bepaalde in de statuten en het huishoudelijk reglement.
2. Het hoofdbestuur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechte.
3. Het Hoofdbestuur heeft onder andere tot taak:
• erop toe te zien dat kandidaten ter verkiezing in de door de wet ingestelde volksvertegenwoordigende lichamen binnen de structuur van de PVP worden gekozen; – om het beginselprogramma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend te maken.
4. Het dagelijkse bestuur, belast met de dagelijkse leiding van de “P.V.P.”, wordt gevormd door de voorzitter, de secretaris en de penningmeester.”

Artikel 7 leden 1 en 2 van het huishoudelijk reglement van de P.V.P. luiden alsvolgt:
“1. Conform artikel 13 van de statuten is het hoofdbestuur belast met de leiding van de PVP en vertegenwoordigt zij de partij in en buiten rechte.
2. Besluiten van het hoofdbestuur zullen worden genomen met gewone meerderheid, wat dient te blijken uit de desbetreffende besluitenlijsten, schriftelijk of electronisch.”

De namens PVP overgelegde schriftelijke volmacht aan het CHS herbergt in zich de besluitvorming van de PVP om aan de komende verkiezingen deel te nemen en tevens om de twee personen te machtigen de PVP te registreren voor deelname aan de verkiezingen. Voor laatstbedoelde besluit was een gewone meerderheid, minimaal drie van de vijf hoofdbestuursleden,voldoende. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 13 lid1 van de statuten juncto artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement.
Dat het bestuur van de PVP dat besluit heeft genomen, en wel bij gewone meerderheid blijkt genoegzaam uit de volmacht, die door vier van de vijf bestuursleden is ondertekend. Een aparte schriftelijke besluitenlijst was in casu daarom niet nodig.
Het CHS had genoegzaam kunnen begrijpen dat aan het voorschrift van artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling is voldaan.
De eerste twee grieven zijn op grond van het voorgaande gegrond.

5.4 Nu de eerste twee grieven doel treffen zal het besluit van het CHS worden geschorst en zal de CHS worden bevolen om de registratie als bedoeld in artikel 31 van de Kiesregeling van de PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] alsnog toe te staan en wel op uiterlijk maandag 24 maart 2025 om 11.00 uur des voormiddags.

5.5 Gelet op het hiervoren overwogene zal het besluit van de President vervat in de resolutie d.d. 5 maart 2025, no. [nummer 2] eveneens worden geschorst.

5.6 Aan bespreking van de overige grieven komt het hof daarom niet meer toe.

5.7 Het beroepen vonnis van de kantonrechter zal derhalve worden vernietigd en het gevorderde zal als na te melden worden toegewezen.

5.8 CHS en de president zullen, des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van PVP gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep, met inachtneming van het liquidatietarief.

6. Beslissing
Het hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken op 12 maart 2025 bekend onder civarnummer 202500973, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

6.2 Schorst de werking van het besluit van het CHS genomen bij beschikking d.d. 28 februari 2025, genummerd [nummer 1], totdat in een nog in te stellen bodemprocedure onherroepelijk hierover is beslist;

6.3 Schorst de werking van het besluit van de President genomen bij resolutie d.d. 5 maart 2025, no. [nummer 2], totdat in een nog in te stellen bodemprocedure onherroepelijk hierover is beslist;

6.4 Beveelt het CHS om de registratie als bedoeld in artikel 31 van de Kiesregeling van de PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] alsnog toe te staan en wel uiterlijk maandag 24 maart 2025 om 11.00 uur des voormiddags;

6.5 Veroordeelt CHS en de President in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van PVP gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 16.784,- (ZESTIENDUIZEND ZEVENHONDERD EN VIERENTACHTIG SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op zaterdag 22 maart 2025 in tegenwoordigheid van R.S. Dewkalie LLB, Fungerend-Griffier.

SRU-K1-2025-3

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

Civarno.202500973
12 maart 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
eiseres,
hierna te noemen: “PVP”

tegen

A. HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “CHS”,

B. DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, CHANDRIKAPERSAD SANTOKHI,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. K. J. Kraag – Brandon, advocaat,
hierna te noemen: “de President”
gedaagden.

1. Het procesverloop:
1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken en/of handelingen:
• het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 10 maart 2025 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de exceptie tot niet ontvankelijkheid zijdens CHS;
• de conclusie van antwoord met daarbij behorende producties zijdens CHS;
• de conclusie van antwoord zijdens de President;
• de mondelinge conclusie van repliek;
• de mondelinge conclusie van dupliek zijdens CHS;
• de mondelinge conclusie van dupliek zijdens de President.

1.2 de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten:
2.1 PVP is opgericht op 23 februari 2014 en is een politieke organisatie in de zin van het Decreet Politieke Organisaties.

2.2 Het hoofdbestuur van PVP bestaat uit:

• [naam 1] (voorzitter);
• [naam 2] (secretaris);
• [naam 3] (penningmeester);
• [naam 4] (commissaris)
• [naam 5] (commissaris).

2.3 PVP heeft zich bij CHS opgegeven voor registratie op 24 februari 2025 teneinde deel te kunnen nemen aan de Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen op 25 mei 2025. [Naam A] en [Naam B], zijnde leden van PVP, hebben de nodige stukken aangeboden aan CHS.

2.4 CHS heeft bij beschikking d.d. 28 februari 2025 met als kenmerk [nummer] het volgende overwogen en beslist:

“OVERWEGENDE:
• Dat de Politieke Organisatie “PVP”, bij het gedane verzoek heeft overgelegd:
1. Een schriftelijke volmacht waaruit zou moeten blijken, dat
– [Naam A];
– [Naam B];
door de politieke organisatie zijn gemachtigd en aldus bevoegd tot aanbieding voor registratie;
2. Het bewijs van registratie van de politieke organisatie bij het Onafhankelijk Kiesbureau d.d. 31 januari 2025;
3. De statuten van de politieke organisatie waaruit blijkt, dat is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 7 lid 2 van het Decreet Politieke Organisaties;
4. Het bewijs van de storting van de waarborgsom;
5. De naam van de politieke organisatie;
6. De verkorte aanduiding van de politieke organisatie;
7. De gekozen woonplaats van de politieke organisatie in Suriname;
8. Het partijsymbool;
9. De samenstelling van het huidig bestuur van de politieke organisatie;
10. Het verkiezingsprogramma van de politieke organisatie;

• dat aanbieding tot registratie van de “P.V.P” op 24 februari 2025 omstreekst 14.45 is voltooid.
• dat artikel 13 onder 2 van de statuten van de politieke organisatie luidt:
– “Het hoofdbestuur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechte”
– Artikel 13 onder 5 “het hoofdbestuur kan aan het dagelijks bestuur en aan andere bestuursleden taken delegeren;
• dat uit het bewijs van registratie van het Onafhankelijk Kiesbureau d.d. 31 januari 2025, welk bewijs overeenstemt met het overgelegd schrijven van de politieke organisatie d.d. 12 februari 2025 aan het O.K.B. blijkt, dat het bestuur van politieke organisatie bestaat uit:
– [Naam 1], voorzitter
– [Naam 2], Secretaris
– [Naam 3], penningmeester
– [Naam 4], Commissaris
– [Naam 5], Commissaris
• dat de aan het Centraal Hoofdstembureau overgelegde volmacht is ondertekend door
– [Naam 1], voorzitter
– [Naam 2], secretaris
– [Naam 5], commissaris
– [Naam 4], commissaris
• Dat het Centraal Hoofdstembureau op grond van bovenstaande tot de conclusie komt, dat aan de aan haar overgelegde volmacht gebreken kleven, aangezien deze niet is ondertekend door de penningmeester [Naam 3];
• Niet is gebleken van een omstandigheid zoals genoemd in artikel 13 lid 5 van de Statuten;

HEEFT BESLOTEN:
I. Het verzoek van de Politieke Organisatie “P.V.P” tot registratie in het openbaar register, bijgehouden door het Centraal Hoofdstembureau, ten behoeve van de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen, te houden op zondag 25 mei 2025, te weigeren;

II. Onder de aandacht van de politieke organisatie te brengen, dat zij ingevolge artikel 36 lid 1 van Kiesregeling, geldende tekst, gedurende twee werkdagen na de dag van ontvangst van deze beslissing, schriftelijk beroep kan aantekenen bij de President van de Republiek Suriname;”

2.5 Tegen de beslissing van CHS is PVP in beroep gegaan bij de President. Bij resolutie d.d. 05 maart 2025, no. [nummer 2] heeft de President besloten het beroep van PVP ongegrond te verklaren en de beslissing van CHS te handhaven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer:
3.1 PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de werking van de beschikking d.d. 28 februari 2025 met als kenmerk [nummer 1] te schorsen dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
II. de werking van de resolutie d.d. 5 maart 2025 no. [nummer 2] te schorsen dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
III. CHS te veroordelen om de registratie van PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] toe te staan;
IV. CHS en de President, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van het geding conform het liquidatietarief;
V. CHS en de President te veroordelen in de proceskosten.

3.2 PVP heeft – kort samengevat – aan haar vordering ten grondslag gelegd dat:
1. het motiveringsbeginsel is geschonden door CHS en de President, nu hun beslissingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd;
2. er geen weigeringsgronden zijn gerezen ex artikel 35 lid 1 tot en met 4 van de Kiesregeling, zodat zij dient te worden toegelaten om zich te doen registreren;
3. de indieners ex artikel 7 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement van PVP volmacht hebben verkregen om haar ter registratie aan te bieden;
4. zij ex artikel 37 lid 1 van de Kiesregeling nog eenmaal een aanbieding ter registratie kan doen.

3.3 CHS heeft, kort gezegd, de volgende verweren gevoerd. Allereerst voert zij formeel verweer inhoudende dat PVP niet moet worden ontvangen in haar vordering jegens haar, omdat zij weliswaar een onafhankelijke positie heeft binnen het verkiezingsproces, doch aan haar geen wettelijke procesbevoegdheid is gegeven. Als materieel verweer voert CHS aan dat het bepaalde in artikel 31 lid 2 dwingendrechtelijk van aard is, zodat bij het ontbreken van een (geldige) schriftelijke volmacht niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het doen van het verzoek tot registratie. Volgens CHS heeft PVP haar verzoek, zoals wettelijk vereist niet gedaan binnen de wettelijke gestelde termijn; De weigering van het verzoek is gestoeld op artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling, niet op artikel 35 lid 1 onder b en c Kiesregeling, terwijl er ook geen sprake is van ongegrond verklaring van ingediende bezwaarschrift. Aan PVP komt geen bevoegdheid toe tot registratie in tweed instantie.

3.4 De President voert als formeel verweer dat de dagvaarding tegen hem zoals uitgebracht door PVP gebrekkig is en op grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden afgewezen. PVP heeft nagelaten te specificeren in welke hoedanigheid de President wordt gedagvaard, hetgeen een ernstige schending oplevert van de kernbeginselen van een goede procesorde. Als materieel verweer voert de President, kort samengevat, aan dat de weigering van de registratie wegens het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht bij de indiening van de registratiebescheiden terecht is en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving inzake verkiezingen in Suriname. Het bij de President ingesteld beroep is derhalve terecht ongegrond verklaard. De President stelt dat een rechtsgeldige volmacht een fundamenteel gebrek is dat niet met terugwerkende kracht kan worden gerepareerd in deze fase van de verkiezingsprocedure.

3.5 De kantonrechter komt, voor zover voor de beslissing van belang, in de beoordeling terug op de overige stellingen en weren van partijen.

4. De beoordeling:
Het Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en de aard van het gevorderde.

Formele verweren
4.2 Ex artikel 29 van de Kiesregeling is er een Centraal Hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van De Nationale Assemblee. Dit bureau heeft mede tot opdracht het controleren van de vaststelling van de samenstelling van de Districtsraden, op grond van de uitslag van verkiezingen voor de Ressortraden en treedt eveneens als Centraal Hoofdstembureau op voor de verkiezing van de leden van de Ressortraden. De leden van het Centraal Hoofdstembureau worden benoemd en ontslagen door de President.

4.3 Uit de bepalingen in de Kiesregeling blijkt niet dat CHS zelfstandige drager is van rechten en plichten, zodat zij geen wettelijke procesbevoegdheid heeft. CHS kan derhalve niet zelfstandig in rechte worden betrokken. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van CHS slaagt op grond van het voorgaande, zodat PVP niet zal worden ontvangen in haar verzoek tegen CHS.

4.4 Ex artikel 36 lid 1 van de Kiesregeling kan de politieke organisatie aan wie de registratie is geweigerd, respectievelijk de organisatie wiens bezwaarschrift ongegrond is bevonden, tegen die beslissing schriftelijk beroep aantekenen bij de President. Anders dan de President is de kantonrechter van oordeel dat er geen wettelijk vereiste bestaat dat de hoedanigheid van de President in het proces dient te worden vermeld. Het betreft immers geen dagvaarding in privé en is het voor partijen duidelijk dat de President is betrokken in dit geding, vanwege zijn besluit als beroepsorgaan. Zie hierover het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 juli 2017, bekend onder 15-2150 (vindplaats SRU-K1-2017-13). In dit vonnis is onder meer het volgende overwogen:

“voor de beoordeling van dit verweerpunt dient onderscheid gemaakt te worden tussen de formele procespartij en de materiële procespartij (vide het handboek “het Nederlands Procesrecht”- 2007 – pagina 76 – Prof. Mr. H.J. Snijders en anderen – en “Compendium van het Burgerlijk Procesrecht, 6e druk, pagina 52). Het onderscheid is van belang wanneer een partij in een proces optreedt doch dat doet voor een ander. De formele procespartij is degene die namens de andere (materiële procespartij) de benodigde beslissingen in de procedure neemt, de materiële procespartij is degene die gebonden en gerechtigd wordt door de uiteindelijke uitspraak van de rechter. Dit doet zich voor bij voogden van minderjarigen, de voogd treedt op in de hoedanigheid van voogd over de minderjarige waardoor uiteindelijk de minderjarige gebonden of gerechtigd wordt en niet de voogd. De voogd is de formele procespartij en de minderjarige is de materiële procespartij. Hetzelfde geldt voor een situatie waarbij een NV de materiële procespartij is doch waarbij de directeur in zijn hoedanigheid van directeur van die NV op de zitting wordt toegelaten als formele procespartij. Zijn verklaringen in de hoedanigheid van de directeur van de NV tijdens bijvoorbeeld een comparitie afgelegd worden aangemerkt als verklaringen afgelegd door de NV”.

Tevens is overwogen:
“De kantonrechter overweegt dat onder andere in het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 1997 in de zaak bekend onder arno. 964305 dit onderscheid aan de orde is gesteld waarin de kantonrechter overwoog: “Met de uitdrukking “in hoedanigheid optreden”in een rechtsgeding wordt, naar algemeen wordt aangenomen, niet bedoeld de hoedanigheid van bijvoorbeeld koper, vruchtgebruiker, uitlener of in het algemeen kwaliteiten die uit het materiële recht voortspruiten, maar de hoedanigheid van voogd, curator, gemachtigde of in het algemeen kwaliteiten die de bevoegdheid geven om namens en ten behoeve van een ander rechten uit te oefenen. Wie in hoedanigheid in een rechtsgeding optreedt (formele procespartij) treedt dus op ten behoeve van een ander (materiële procespartij). Een rechtspersoon, zoals een vereniging, treedt in eigen naam op……. uit de stellingen volgt niet dat, wanneer partijen het hebben over het aanspreken “in hoedanigheid”of het aannemen dan wel niet aannemen van een hoedanigheid, zij bedoelen te zeggen dat zij als formele procespartij ten behoeve van de vereniging optreden. Het is eerder aan te nemen dat zij bedoelen dat bij de opsomming van de naam van de procespartijen ook hun bestuursfuncties moeten worden genoemd, echter berust een dergelijk vereiste niet op de wet”.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt derhalve verworpen.

Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur
4.5 Volgens PVP heeft CHS het motiveringsbeginsel geschonden en heeft de President haar daarin gevolgd, terwijl laatstgenoemde bij de voorbereiding van het besluit de zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen.

4.6 De President heeft in zijn besluit onder meer het volgende overwogen:
“- dat ingevolge artikel 13 lid 2 van de statuten van de politieke organisatie P.V.P. staat vermeld dat hoofdbestuur belast is met de leiding van P.V.P. vereniging met inachtneming van het bepaalde in de statuten en het huishoudelijk reglement;
– dat artikel 13 lid 2 van de statuten van voornoemde partij is opgenomen dat het hoofdbestuur de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigt, hetgeen betekent dat alle leden van het hoofdbestuur officiële documenten dienen te tekenen;
– dat ingevolge artikel 7 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement van de partij P.V.P. het hoofdbestuur besluiten neemt bij gewone meerderheid hetgeen moet blijken uit de besluitenlijst die zowel schriftelijk als elektronisch kan;
– dat de volmacht welke slechts door vier (4) leden is ondertekend in strijd is met artikel 7 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement daar in onderhavige het voltallig bestuur deze had moeten onderteken;
– dat de politieke organisatie P.V.P. het argument van het Centraal Hoofstembureau nimmer heeft betwist dat overeenkomstig de statuten de volmacht door het voltallig bestuur moest worden ondertekend;
– dat het schrijven van de penningmeester [Naam 3] waarin de volmacht telefonisch is bevestigd, gelet op de adressering niet als een formeel schrijven aan het hoofdbestuur kan worden aangemerkt;
– dat op grond van al het voorgaande het beroep van de politieke organisatie Progressief Verheffende Partij (PVP) ongegrond zal worden verklaard.”

4.7 Uit de overwegingen van de President zoals vermeld onder 4.6 blijkt de motivering van zijn besluit. Van schending van het motiveringsbeginsel is, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet gebleken noch van het zorgvuldigheidsbeginsel, nu uit de overwegingen blijkt dat de President bij de besluitvorming de standpunten van PVP in overweging heeft genomen.

De rechtsgeldigheid van de volmacht
4.8 De aanbieding tot registratie bij CHS dient ingevolge artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling te geschieden door twee personen die hiertoe door de politieke organisatie schriftelijk zijn gemachtigd. Bij de aanbieding dienen zij de schriftelijke volmacht waaruit hun bevoegdheid blijkt te overleggen.

4.9 Ex artikel 13 lid 2 van de statuten alsook artikel 7 lid 1 van het huishoudelijk reglement wordt PVP in en buiten rechte vertegenwoordigd door haar hoofdbestuur. Nu niet expliciet in de statuten is opgenomen dat elk hoofdbestuurslid afzonderlijk de vereniging in en buiten rechte kan vertegenwoordigen dient ervan te worden uitgegaan dat de hoofdbestuursleden gezamenlijk de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigen. Voor een rechtsgeldige volmacht is derhalve vereist dat deze door alle leden van het hoofdbestuur is ondertekend. Nu de volmacht die is aangeboden aan CHS niet aan het voorgaande voldoet is er geen sprake van een rechtsgeldige volmacht. Het beroep van PVP op artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement wordt verworpen, omdat voormeld artikel gaat over besluiten genomen door het hoofdbestuur en de wijze waarop deze tot stand komen. Thans is geen rechtsgeldigheid van een bestuusbesluit aan de orde, doch betreft het de vraag door wie PVP in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd. Voor zover en indien PVP bedoelt dat binnen het hoofdbestuur is besloten dat zij niet door alle bestuursleden gezamenlijk hoeft te worden vertegenwoordigd, dan had zij ex artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement de besluitenlijst waaruit zulks blijkt dienen te overleggen, hetgeen zij heeft nagelaten.

4.10 Op grond van hetgeen is overwogen in 4.9 zal de kantonrechter het ervoor houden dat de volmacht van PVP zoals aangeboden aan CHS niet rechtsgeldig is, wat tot gevolg heeft dat de bevoegdheid van de 2 indieners namens PVP niet is komen vast te staan. PVP heeft hierdoor niet voldaan aan het vereiste zoals vastgesteld in artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling, wat tot gevolg heeft dat haar registratie is geweigerd. Anders dan PVP is de kantonrechter van oordeel dat de weigering van de registratie op grond van het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht terecht is, nu het bevoegdheidsvereiste fundamenteel van aard is. Het besluit van de President tot ongegrondverklaring van het beroep van PVP en handhaving van het besluit van CHS is dan ook terecht.

Strijdig handelen met het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten
4.11 PVP is in de gelegenheid gesteld om zich te registreren voor deelname aan de verkiezingen. Door haar is niet weersproken dat zij op de dag van de registratie meerdere malen door CHS opmerkzaam is gemaakt dat de volmacht die is aangeboden niet aan de statutaire vereisten voldoet. Juist vanwege de opmerking van CHS heeft PVP een vierde bestuurslid de volmacht laten ondertekenen, terwijl het vijfde bestuurslid niet in de mogelijkheid verkeerde om alsnog de volmacht te ondertekenen. PVP heeft tegenover CHS en ook in onderhavig proces volhardt in haar zienswijze en gepersisteerd bij de rechtsgeldigheid van haar volmacht. Deze verkeerde zienswijze van PVP komt volledig voor haar rekening en risico en het besluit van de President kan derhalve niet worden aangemerkt als onredelijke beperking tot deelname aan de verkiezing zoals in artikel 25 van het verdrag wordt bedoeld.

Registratieverzoek in tweede instantie
4.12 Ex artikel 37 kan de politieke organisatie, wier registratie in eerste instantie dan wel in beroep geweigerd is op de in artikel 35 lid 1 onder b en c genoemde gronden of wier bezwaarschrift ongegrond is bevonden gedurende drie werkdagen na de dag van ontvangst van de beslissing van het Centraal Hoofdstembureau dan wel die van de President, nog eenmaal een aanbieding, als in artikel 31 lid 1 bedoeld, verrichten.

4.13 Indien tot de slotsom zou zijn gekomen dat de door PVP gegeven volmacht rechtsgeldig is, zou zij niet nogmaals een aanbieding op grond van artikel 37 van de Kiesregeling hoeven te doen, doch zou het besluit van de President en CHS mogelijk kunnen worden aangetast. Nu van de niet- rechtsgeldigheid van de volmacht blijkt, kan worden gesteld dat de aanbieding van PVP niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden en is de registratie terecht geweigerd conform artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling. Hoewel PVP niet wordt ontvangen in haar verzoek tegen CHS, wordt ten overvloede overwogen dat PVP, op grond van het voorgaande, niet in aanmerking komt voor nogmaals een aanbieding als bedoeld in artikel 37 van de Kiesregeling.

De proceskosten
4.14 PVP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van CHS en de President worden deze kosten begroot op SRD7.500,- elk, zijnde het salaris van de gemachtigden conform het in het procesreglement vastgestelde liquidatie tarief.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 verklaart PVP niet-ontvankelijk in haar verzoek tegen CHS;

5.2 wijst het verzoek tegen de President af;

5.3 veroordeelt PVP in de proceskosten, aan de zijde van CHS en de President voor elk begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. D. M. Haakmat – Sniphout, kantonrechter in het eerste kanton, ter openbare terechtzitting op woensdag 12 maart 2025 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2025-2

 02024H00269

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

GAJADIEN, Asiskumar,

wonend in het district Wanica,

appellant,

hierna: Gajadien,

gemachtigde: mr. drs. S. Boedhoe, advocaat,

 

tegen

 

JONES, Ebu Rohno,

wonend in het district Nickerie,

geïntimeerde,

hierna: Jones,

gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 21 november 2024 (CIVAR No. 202404137) tussen Gajadien als eiser in conventie, gedaagde in reconventie, en Jones als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 9 december 2024 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Gajadien tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 11 december 2024, met producties;
  • Gajadien persisteert  bij zijn memorie van grieven van 11 december 2024;
  • antwoord pleidooi zijdens Jones.

De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep

1.Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Gajadien daarin kan worden ontvangen.

2. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft Gajadien, zakelijk weergegeven, de veroordeling van Jones gevorderd tot rectificatie in een aantal dag- en avondbladen, op straffe van een dwangsom, van door hem gedane uitspraken, met advocaat- en proceskosten. Gajadien heeft aan zijn vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Jones hem op 7 en 8 oktober 2024 heeft beledigd, en hem daarbij schade heeft berokkend, door het doen van beschimpende uitlatingen die grove onwaarheden inhouden. In reconventie heeft Jones de veroordeling van Gajadien tot betaling aan hem van SRD 100.000,- met wettelijke rente gevorderd, omdat Gajadien jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zonder deugdelijke grondslag en zonder enige noodzaak een vordering in te stellen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, met veroordeling van Gajadien in de proceskosten.

3. De uitspraken die Jones heeft gedaan en waarop de vordering van Gajadien betrekking heeft, zijn de volgende:

op 7 oktober 2024:

  • Joe nanga Gajadien, we tek monie;
  • A mang e tek moni foe Suribet;
  • A her coalitie de oneens nanga ing, maar omdat ye kies wang telefoontje dan gaat een ieder lekker mee, mek omeng Suribet de ini a kondrenow, terwijl we allemaal erover eens waren dat we het zouden aanpakken.

op 8 oktober 2024:

  • .. waarvan we weten dat leugens niet onbekend zijn en het vertellen van leugens geen onbekende fenomeen is van onder andere lid Gajadien;
  • .. we hem al te vaak hebben betrapt op het verdraaien van de werkelijkheid;
  • .. hij verdraait vaak genoeg de werkelijkheid;
  • .. we hebben allemaal de behandeling van de casinowet gevolgd, waarbij zelfs zijn eigen coalitieleden er tegen waren, maar toen het erop aankwam om te stemmen, hebben ze uit een verklaring tijdens hun stemmotivatie aangegeven waarom ze ertegen zijn, maar toch mee zullen stemmen of zich zullen onthouden.

 

4. Gajadien heeft tegen het vonnis van beroep, zakelijk weergegeven, de volgende vijf grieven aangevoerd:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter de Wet Bureau De Nationale Assemblée (hierna: Wet Bureau DNA) in zijn beoordeling betrokken.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat Jones zijn uitlatingen tijdens een schorsing van de vergadering van De Nationale Assemblée (hierna: DNA) als DNA-lid heeft gedaan en op die grond parlementaire immuniteit genoot. 

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de parlementaire immuniteit niet alleen tijdens de DNA-vergadering zelf, maar ook bij andere activiteiten van DNA van kracht is.

Grief 4: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de uitspraken die Jones op 8 oktober 2024 heeft gedaan, niet beledigend waren.

Grief 5: Ten onrechte heeft de kantonrechter afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de door Jones op 7 oktober 2024 gedane uitspraken, omdat deze vallen onder artikel 7 Wet BDNA.

Tegen deze grieven heeft Jones – kort weergegeven –  gesteld dat:

  • hij zich  beroept op de immuniteit die  de wet hem als parlementariër  biedt;
  • artikel 7  van de wet van 25 juni 2020 no. 118 ook  immuniteit biedt voor uitspraken die hij elders dan in de vergadering zou hebben gedaan ;
  • de schorsing een onderdeel is van de vergadering en uitspraken gedaan tijdens de schorsing ook vallen onder  de gestelde immuniteit. 

5. Het Hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. Artikel 88 van de Grondwet bepaalt dat de leden van DNA niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor wat zij in de vergadering zeggen. Deze bepaling laat derhalve de mogelijkheid open dat leden van DNA civielrechtelijk voor hun uitlatingen kunnen worden aangesproken. Deze mogelijkheid wordt echter beperkt, doordat artikel 7 Wet Bureau DNA (Wet van 25 juni 2020, S.B. 2020 no. 118), voor zover hier van belang, bepaalt dat de DNA-leden strafrechtelijk én civielrechtelijk niet aansprakelijk zijn ‘voor hetgeen zij in de vergaderingen van DNA en bij activiteiten van DNA in verband [met] de uitoefening van haar grondwettelijke taken’ hebben gezegd. Met zijn eerste drie grieven bestrijdt Gajadien het oordeel van de kantonrechter dat de parlementaire onschendbaarheid van toepassing was op de uitlatingen van Jones in de Nationale Assemblée op 7 oktober 2024.

6. De parlementaire immuniteit of onschendbaarheid heeft ten doel deelnemers aan de parlementaire beraadslagingen een optimale uitlatingsvrijheid te gunnen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat een of andere uitlating hen in aanraking met de rechter zou kunnen brengen. De ratio hierachter is dat parlementsleden, naast andere activiteiten, een controlerende functie hebben ten aanzien van het handelen van de regering. Om die functie optimaal te kunnen uitoefenen moeten zij zowel de regering als het regeringsbeleid vrij kunnen bekritiseren. Daarbij moeten in het heetst en in de emotie van het debat uitingen kunnen worden gedaan die in andere omstandigheden als onrechtmatig zouden kunnen worden aangemerkt. De grenzen die in het algemeen aan het grondrecht van vrijheid van meningsuiting worden gesteld, leggen teveel beperkingen op. De reikwijdte van deze vrijheid is echter wel beperkt tot de activiteiten die het hiervoor genoemde doel dienen. De belangrijkste daarvan zijn de beraadslagingen tijdens de openbare zitting, al dan niet in commissie, en andere activiteiten in verband met de uitoefening van de grondwettelijke taken van DNA. Doorgaans worden hiervan verslagen gemaakt en is voor iedereen kenbaar wie welke uitlatingen heeft gedaan. 

7. Vervolgens komt, gelet op de tweede grief, de vraag aan de orde of ook schorsingen deel van de beraadslagingen uitmaken. Het antwoord op deze vraag hangt af van de aard van de schorsing. Zo kan het debat over een onderwerp worden geschorst om ter vergadering een andere activiteit te kunnen verrichten. Tijdens een dergelijke schorsing wordt de vergadering voortgezet en van het gebeurde zal doorgaans ook verslag worden gedaan. In het onderhavige geval werd de vergadering echter in haar geheel geschorst. In dat geval kan niet worden gezegd dat datgene wat zich in die periode afspeelde, behoorde tot de “de vergaderingen van DNA en [tot] activiteiten van DNA in verband [met] de uitoefening van haar grondwettelijke taken”. Tijdens die schorsing gold de parlementaire onschendbaarheid dus niet. Het feit dat tijdens de schorsing televisiecamera’s zijn blijven draaien en beelden van de gebeurtenissen viraal zijn gegaan, maakt dat niet anders. De tweede grief van Gajadien slaagt dan ook. Als gevolg daarvan kan de eerste grief onbesproken blijven. Ook de derde grief hoeft niet te worden besproken. Daarbij kan in het midden blijven of de voorzitter van DNA Jones al dan niet heeft gelast de vergaderzaal te verlaten. 

8. Met zijn vijfde grief verwijt Gajadien de kantonrechter dat hij de uitspraken van 7 oktober 2024 niet inhoudelijk heeft besproken. Deze grief faalt. De kantonrechter is aan die inhoudelijke bespreking niet toegekomen, omdat hij tot de conclusie was gekomen dat Jones voor die uitlatingen parlementaire onschendbaarheid genoot. Nu het Hof daarover anders oordeelt, zullen de uitlatingen van Jones thans wel inhoudelijk worden besproken, evenals de uitingen die Jones op 8 oktober 2024 in een radio-interview met ABC heeft gedaan en waarvoor de parlementaire onschendbaarheid in ieder geval niet geldt.

9. Gajadien stelt dat Jones hem met zijn uitlatingen heeft beledigd en daardoor jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voor de beoordeling van deze stelling is van belang dat elke uiting, hoe schokkend, storend of beledigend ook, in beginsel bescherming geniet onder het recht van uitingsvrijheid, zoals vastgelegd in onder meer artikel 19 van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en  Politieke Rechten (BUPO) en artikel 13 van het Inter-Amerikaanse Verdrag inzake Mensenrechten (IAVM). Deze vrijheid is echter wel aan grenzen gebonden. Elke inbreuk daarop, zoals een veroordelend civiel vonnis, dient op de wet te zijn gebaseerd, een legitiem doel te dienen, en noodzakelijk en proportioneel te zijn ter bescherming van dat doel. Aan de eerste twee criteria is voldaan, doordat de vordering van Gajadien op de artikelen 1386 en 1393 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is gebaseerd en de bescherming van, in dit geval, zijn goede naam als legitiem doel heeft. Aan de orde is dan ook de vraag of de inbreuk noodzakelijk en proportioneel is.

10. Voor de beoordeling daarvan dienen onder meer de volgende omstandigheden in aanmerking te worden genomen: 

  • de aard van de uitlatingen en de ernst van de gevolgen daarvan voor Gajadien;
  • de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die Jones aan de kaak beoogt te stellen;
  • de mate waarin de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
  • de inkleding van de uitlatingen, in verhouding tot de hiervoor genoemde factoren;
  • de mate van waarschijnlijkheid dat het nagestreefde doel op een andere manier had kunnen worden bereikt;
  • de maatschappelijke positie van Gajadien.

11. Voorop staat dat Gajadien, gezien zijn hoedanigheid van prominent lid van DNA, een publiek persoon is. Dat betekent dat hij meer moet kunnen verdragen dan de gemiddelde burger. Een uitlating die onwaar is, hoeft jegens hem niet steeds als onrechtmatig te worden aangemerkt. Ook zal hij uitingen in een overdreven vorm of met gebruik van in het normale spraakgebruik aanstootgevende bewoordingen moeten kunnen verdragen. Dat betekent echter niet dat hij “vogelvrij” is. Zo zal voor uitingen in strijd met de waarheid een zekere basis in de feiten moeten kunnen worden gevonden en kan onnodig grievend taalgebruik onder omstandigheden als onrechtmatig worden beschouwd.

12. Met zijn uitlatingen in de Nationale Assemblée beschuldigt Jones Gajadien in feite ervan dat hij geld heeft ontvangen en zijn stemgedrag inzake de aanpak van Suribet daardoor heeft laten beïnvloeden. Op zichzelf is de aanpak van gokgedrag en bedrijven die dat stimuleren, een onderwerp van algemeen belang. Als een parlementslid zijn stemgedrag daarover door het ontvangen van geld (steekpenningen) zou laten beïnvloeden, zou dat een misstand zijn die aan de kaak kan worden gesteld. Het is dan aan degene die de beschuldiging uit, aannemelijk te maken dat daarvan sprake is, ook als de persoon die hij beschuldigt, de politieke arena betreedt, die, zoals Jones terecht aanvoert, geen theekransje is. Jones merkte bij de comparitie van partijen in eerste aanleg op dat Gajadien leden van de oppositie tijdens een debat over de vergoeding voor de DNA-leden had verweten dat zij in het openbaar verklaarden geen verhoging te wensen, maar daarover in de koffiekamer anders spraken. Jones zou hem hebben gevraagd wie hij daarmee bedoelde. Ook in zijn conclusie van antwoord refereert Jones aan de schadeloosstelling voor de DNA-leden. Dat is echter iets anders dan dat iemand ervan wordt beschuldigd zijn stemgedrag bij een debat over gokgedrag door steekpenningen te laten beïnvloeden. Voor zover hij dat heeft beoogd te zeggen, heeft Jones zijn bewering niet feitelijk onderbouwd. 

13. Jones voert nog aan dat hij niet kon weten dat zijn uitlatingen tijdens de schorsing van de vergadering Gajadien (en anderen) zouden bereiken. Aangezien anderen daarbij aanwezig waren en daarvan met hun telefoon opnamen hebben gemaakt, moet hem echter duidelijk zijn geweest dat zijn uitingen viraal zouden (kunnen) gaan. 

14. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de uitlatingen die Jones op 7 oktober 2024 heeft gedaan, jegens Gajadien onrechtmatig zijn en dat een civiel vonnis waarbij dat wordt vastgesteld, een noodzakelijke en proportionele beperking van zijn recht op vrijheid van meningsuiting is.

15. Met zijn door Gajadien geselecteerde uitlatingen voor het radiostation ABC op 8 oktober 2024 heeft Jones het handelen van Gajadien als politicus aan de kaak willen stellen, en in het bijzonder zijn observatie dat Gajadien niet altijd de waarheid spreekt en soms opportunistische standpunten inneemt. Deze uitingen vallen bij uitstek onder de paraplu van de hiervoor onder 9 genoemde criteria. Gajadien moet ze als publiek persoon en prominent politicus kunnen verdragen, ook al zijn ze mogelijk in scherpe bewoordingen gesteld. Anders dan op 7 oktober 2024 beschuldigt Jones Gajadien hier niet van het aannemen van steekpenningen, maar uitsluitend van politiek opportunisme. Een civiel vonnis dat deze uitingen zou veroordelen, is dan ook niet noodzakelijk en niet proportioneel. Dat brengt mee dat de vierde grief faalt.

16. Gajadien vordert, net als in eerste aanleg, dat Jones een rectificatie in een aantal dag- en avondbladen dient te plaatsen. Deze vordering kan alsnog worden toegewezen, voor zover ze de uitlatingen van 7 oktober 2024 betreffen. Het Hof zal de formulering van de rectificatie hierna in het dictum opnemen. Tevens zal het Hof daarbij een dwangsom opleggen, zij het dat deze zal worden gematigd tot SRD 1.000,= per dag voor elke dag dat Jones nalaat na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling te voldoen. Aangezien Jones in het ongelijk zal worden gesteld zal het Hof hem veroordelen in de proceskosten.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof

5.1 vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 21 november 2024 (CIVAR No. 202404137) en, opnieuw rechtdoende,

5.2 veroordeelt Jones om binnen 2 (twee) werkdagen na de betekening  van het vonnis  te doen plaatsen in de dagbladen De Ware Tijd, Dagblad Suriname en Times of Suriname en in het avondblad De West een schriftelijk bericht, in lettergrootte 12 van de  lettertype Times New Roman luidend als volgt:

“Middels deze publicatie geef ik JONES, Ebu Rohno, parlementariër, aan dat ik op 7 oktober 2024 gedurende een schorsing van een DNA vergadering,  welke vergadering in haar geheel was geschorst,  ten aanzien van GAJADIEN, Asiskumar  parlementariër, de volgende uitspraak heb gedaan:

  • Joe nanga Gajadien, we tek monie;
  • A mang e tek moni foe Suribet;
  • A her coalitie de oneens nanga ing, maar omdat ye kies wang telefoontje dan gaat een ieder lekker mee, mek omeng Suribet de ini a kondre now, terwijl we allemaal erover eens waren dat we het zouden aanpakken.

Deze uitspraak is een beschuldiging dat GAJADIEN, Asiskumar, gelden ontvangt om zijn stemgedrag inzake de aanpak van Suribet te laten beïnvloeden. Deze beschuldiging berust niet op waarheid en is dus onterecht. Deze onterechte uitspraak is onnodig lasterlijk, beledigend,  en schadelijk voor de  reputatie van Gajadien, Asiskumar.”

5.3 veroordeelt JONES, Ebu Rohno  tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000,= (een duizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.100.000,= (honderd duizend Surinaamse dollar)  niet te boven gaand voor elke dag dat hij  nalaat te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 5.2;

5.4 verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 veroordeelt JONES, Ebu Rohno in de proceskosten aan de zijde van GAJADIEN, Asiskumar gevallen tot aan deze uitspraak begroot op SRD 60,–.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard,  Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh  en A. C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 maart  2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R.S. Dewkalie, LL.B.

 

w.g. R.S. Dewkalie                                                                                                                                                                                                                       w.g. S.S.S. Wijnhard

Partijen appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. F.X. Khelawan-Blokland namens advocaat  drs. S. Boedhoe, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat K.J. Kraag-Brandon namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

SRU-K1-2025-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR no. 202303970
13 februari 2025

Vonnis in de zaak van:

1. [Naam 1] ten rechte geheten [Naam 1],
2. [Naam 2],
3. [Naam A],
4. [Naam B],
allen wonende te Paramaribo,
eisers,
hierna te noemen: afzonderlijk de heren [naam 1] en [naam 2] en [naam A] en [naam B],
en gezamenlijk: eisers,
gemachtigden: mr. S.M.D. Sitaram MPA en mr. M.A. Castelen, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
het Centraal Bureau voor Burgerzaken,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
gevolmachtigde: mr. J. Foort, jurist Buro Landsavocaten.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of –handelingen:
• het inleidend rekest met producties dat op 05 oktober 2023 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de conclusie van antwoord;
• de conclusie van repliek;
• de conclusie van dupliek.

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Eisers zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (hierna: het CBB). Met uitzondering van [naam B], hebben zij allen de Surinaamse nationaliteit; [naam B] heeft de Guyanese nationaliteit.

2.2 Eisers zijn in het buitenland gehuwd. De heren [naam A] en [naam B] zijn gehuwd met elkaar te Maryland in de Verenigde Staten van Amerika op 8 januari 2016, terwijl de heren [naam 1] en [naam 2] met elkaar zijn gehuwd, te Buenos Aires in Argentinië op 10 juli 2018.

2.3 De heren [naam 1] en [naam 2] hebben na terugkomst, eind 2018, hun huwelijksakte aangeboden aan het CBB voor overschrijving. Hun burgerlijke staat is van “ongehuwd”, gewijzigd in “onbekend” volgens een uittreksel van 05 oktober 2021.

2.4 Voor de heren [naam A] en [naam B] staat als hun burgerlijke staat thans eveneens “onbekend”. Eerder stond voor [naam A]: “Ongehuwd” op 25 maart 2019 en daarna “Onbekend” op 26 maart 2021 en 31 mei 2023. Voor [Naam B] heeft de afdeling Vreemdelingenregistratie van het CBB bij de opname van [naam B] in het bevolkingsregister van Paramaribo op 22 februari 2019 vermeld “Gehuwd met [naam A] d.d. 08-01-2016 plaats: Amerika volgens de Amerikaanse wetgeving.” Vervolgens staat op het bewijs van opname in het bevolkingsregister Vreemdelingenregistratie van het CBB van 23 april 2019 als burgerlijke staat van [naam B] vermeld “ongehuwd”. Het CBB heeft in een verklaring van 20 oktober 2022 als burgerlijke staat van [naam B] vermeld: “Gehuwd met: [naam A] (volgens de Amerikaanse Wetgeving).” Volgens het bewijs van inschrijving in het verblijfs-/bevolkingsregister ten behoeve van vreemdelingen van 31 mei 2023 staat echter als burgerlijke staat van [naam B] vermeld: “onbekend SR. Recht”

2.5 De gemachtigden van eisers hebben zich bij verzoekschrift gedateerd 30 maart 2022 gewend tot het Constitutioneel Hof (hierna: het CH), met het verzoek om artikel 80 BW te toetsen aan artikel 8 jo. 17 lid 1 Grondwet en de artikelen 17 jo. 23 jo. 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten (IVBPR) en of de artikelen 1 jo. 11 jo. 17 lid 2 van het Amerikaans Verdrag voor Rechten van de Mens (AVRM). Het CH heeft op 31 januari 2023 een beslissing genomen, bekend onder zaaknummer CH-03.
Voor zover van belang luidt het besluit als volgt:
“9. HET HOF KOMT TOT HET VOLGEND BESLUIT:
Gelet op de toetsing van artikel 80 SBW:
1. Dat artikel 80 SBW niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatie verbod van artikel 8 jo. 17 lid 1 Grondwet.
2. Dat artikel 80 SBW niet in strijd is met de artikelen 17 jo. 23 en 26 IVBPR.
3. Dat artikel 80 SBW niet in strijd is met de artikelen 1 jo. 11 en 17 lid 2 AVRM.”

2.6 Nog vóór de beslissing van het CH, hebben de heren [naam 1] en [naam 2] bij schrijven van 08 april 2022 hun huwelijksakte opnieuw aangeboden aan de directeur van het CBB ter inschrijving in het openbaar huwelijksregister. Voor zover van belang staat in hun schrijven vermeld:
(…) “Op 8 april 2022 hebben wij onze huwelijksakte conform artikel 137 BW aangeboden aan uw Dienst voor inschrijving in het openbaar huwelijksregister van Suriname. Uit uittreksels van de burgerregisters van uw Dienst blijkt dat ons huwelijk niet conform de geldende wetgeving is ingeschreven. De nalatigheid van uw Dienst om onze huwelijksakte in te schrijven in de daartoe bestemde registers, belet ons in het kunnen bewijzen van ons huwelijk op de wijze zoals is voorgeschreven door artikel 153 BW. Dit met benadeling van ons en onze belangen tot gevolg.

Om verdere benadeling te voorkomen, doen wij u bijgesloten toekomen een kopie van onze gelegaliseerde huwelijksakte. Op u wordt het dringend beroep gedaan om het daarheen te leiden dat onze huwelijksakte conform de geldende wetgeving ten spoedigste wordt ingeschreven in de daartoe bestemde registers van het CBB.” (…)

2.7 De directeur van het CBB heeft op bovenvermeld schrijven van de heren [naam 1] en [naam 2] gereageerd, bij schrijven van 26 april 2022. Voor zover van belang staat in het schrijven van de directeur van het CBB vermeld:
(…) “Zeer onterecht beschuldigt u het CBB van nalatigheid om jullie huwelijksakte in te schrijven in de daartoe bestemde registers en verder stelt u dat u daardoor belet wordt in het kunnen bewijzen dat jullie huwelijk op de wijze zoals is voorgeschreven in artikel 153 BW. Hierbij stellende dat u en uwer belangen doordoor benadeeld wordt. Hetgeen dan ook nadrukkelijk wordt tegengesproken onzerzijds.

Ter uwe informatie zal in het hiernavolgende puntsgewijs worden aangegeven op grond waarvan geen uitvoering kan worden gegeven aan hetgeen door u gevraagd, m.n.:
1e. Het door u aangehaalde artikel 137 BW stelt als vereiste dat een huwelijk in een vreemd land aangegaan, binnen de termijn van 1 jaar na de terugkomst der echtgenoten in Suriname, in het openbaar huwelijksregister van hun woonplaats moet worden overgeschreven. Let wel: de wet geeft aan “overschrijven” en niet “inschrijven”. Verder is uit door u overgelegde stukken ons niet gebleken wanneer u na 10 juli 2018 terug bent gekeerd in Suriname.

Bovendien artikel 137 BW kan niet los worden gezien van artikel 136 BW.

2e. Ingevolge artikel 136 BW zijn huwelijken, in een vreemd land aangegaan, hetzij tussen ingezetenen van Suriname, hetzij tussen deze en anderen, pas van waarde, indien deze is voltrokken naar de vorm, in dat land gebruikelijk, mits, de huwelijksafkondiging, binnen Suriname, zonder stuiting van het huwelijk, heeft plaatsgehad, en de genoemde ingezetenen niet hebben gehandeld tegen de bepalingen, in de eerste afdeling van hetzelfde titel vervat.

Uit het voorgaande kan gesteld worden dat:
• u van uw voornemens met elkaar te trouwen toen geen huwelijksafkondiging door het CBB heeft doen plaatsen binnen Suriname, weshalve uw huwelijk ingevolge artikel 136 BW junto artikel 103 BW en 105 BW op grond daarvan alleen al voor Suriname van geen waarde is;
• u als ingezetenen van Suriname in strijd hebt gehandeld met de wet en wel in strijd met artikel 80 BW. U heeft welbewust ervoor gekozen om met elkaar te trouwen en daarbij het risico genomen dat uw huwelijk vooralsnog niet door Suriname kan worden erkend.

Aldus kan dus voor wat betreft uw verzoek worden aangegeven dat deze niet door het CBB kan worden uitgevoerd. Immers, het CBB kan niet in strijd met de geldende wetgeving handelingen plegen die verstrekkende rechtsgevolgen hebben. ” (…)

2.8 De heren [naam 1] en [naam 2] hebben zich vervolgens, bij verzoekschrift van 13 mei 2022 van hun gemachtigden, met een tweede verzoek gewend tot het CH om het besluit van het CBB van 26 april 2022, houdende afwijzing van hun verzoek tot overschrijving van hun in Argentinië gesloten huwelijk in het register van huwelijken, te beoordelen op de verenigbaarheid met de artikelen 8 en 17 lid 1 Grondwet. Het CH heeft ook op dit verzoek op 31 januari 2023 een beslissing genomen, bekend onder zaaknummer CH-Bestuursbesluit-01. Voor zover van belang luidt het besluit in de als volgt:
“6. BESLUIT:
Het Constitutioneel Hof oordeelt dat het besluit van het Centraal Bureau voor Burgerzaken van d.d. 26 april 2022 no. 1262, houdende wijziging van het verzoek van verzoekers tot overschrijving van hun in het buitenland (Argentinië) gesloten huwelijk in het Register van huwelijken niet in strijd is met de artikelen 8 en 17 lid 1 Grondwet.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
De vordering
3.1 Eisers vorderen, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. veroordeling van de Staat om, binnen 24 uur, althans binnen een in goede justitie te bepalen periode na betekening van het te wijzen vonnis, het besluit van de CBB-directeur van 26 april 2022 te herroepen en eisers per brief te informeren dat de Staat hun huwelijk had moeten beoordelen volgens het geldend huwelijksrecht en niet slechts de nationale huwelijkswetgeving en dat de Staat ingevolge het geldend huwelijksrecht hun huwelijk volwaardig erkent en beschermt. In dier voege dat de Staat het huwen door personen van gelijk geslacht op gelijke voet faciliteert als het huwen door personen van ongelijk geslacht, waardoor de huwelijken van eisers dezelfde volwaardige juridische en maatschappelijke erkenning kunnen genieten als die huwelijken gesloten tussen personen van ongelijk geslacht;
2. veroordeling van de Staat om, binnen 24 uur, althans binnen een in goede justitie te bepalen periode na betekening van het te wijzen vonnis, het huwelijk van eisers op dezelfde wijze als huwelijken gesloten tussen personen van ongelijk geslacht te doen overschrijven, althans te verwerken, in de daartoe bestemde bevolkingsregisters van het Centraal Bureau voor Burgerzaken;
3. veroordeling van de Staat om, binnen 24 uur althans binnen een in goede justitie te bepalen periode na betekening van het te wijzen vonnis, aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een billijke compensatie, begroot op USD 15.000, – per persoon. De vergoeding is ter compensatie voor de geleden immateriële schade door eisers als gevolg van het onrechtmatig handelen door de Staat;
4. veroordeling van de Staat om, binnen 24 uur althans binnen een in goede justitie te bepalen periode na betekening van het te wijzen vonnis, aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag groot USD 1.500, – en (vijftienhonderd US-dollars) zijnde de kosten voor rechtsbijstand, BTW 10% en deurwaarderskosten USD 100, – (honderd US-dollars), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening. Deze noodzakelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand worden aangemerkt als de materiële of te wel de geldelijke schade, welke door de echtparen is geleden als gevolg van de gepleegde onrechtmatige daad door de Staat;
5. veroordeling van de Staat in de kosten van het geding, alsook tot het betaling van een compensatie voor de gerechtelijke kosten, in goede justitie berekend conform de vigerende regels, te voldoen binnen 24 uur althans binnen een in goede justitie te bepalen periode na betekening van het te wijzen vonnis;
6. veroordeling van de Staat tot het betalen van een dwangsom van SRD. 10.000, – (tienduizend Surinaamse Dollars) per dag dat de Staat in gebreke blijft om het vonnis of gedeelten daarvan uit te voeren binnen 24 uur althans binnen een in goede justitie te bepalen periode na betekening van het te wijzen vonnis.

De grondslag
3.2 Eisers leggen, zakelijk weergegeven, aan hun vordering ten grondslag, dat de Staat, althans het CBB onrechtmatig handelt jegens hen. Zij voeren aan, dat ondanks hun huwelijken rechtsgeldig zijn gesloten in het buitenland en het CBB de wetenschap heeft van deze huwelijken, het CBB hun huwelijken niet erkent en weigert de aangeboden gelegaliseerde akten over te schrijven.
Door de handelingen van het CBB, worden zij benadeeld in hun rechten als echtparen. Eisers doen onder andere een beroep op de Grondwet, verschillende verdragen waarbij de Staat partij is en diverse jurisprudentie. Volgens eisers staat de weigering van het CBB, tot overschrijving van hun huwelijken, op gespannen voet met de verplichtingen die voor de Staat voortvloeien uit het Apostille-verdrag, het Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten (IVBPR) en het Amerikaans Verdrag van de Rechten van de Mens (AVRM) en het Weense Verdragen Verdrag, waarbij de Staat partij is. Zij beroepen zich voorts op overwegingen van het CH bij de beslissingen van 31 januari 2023 in de zaken bekend onder de zaaknummers CH-03 en CH-Bestuursbesluit-01, het vonnis van de kantonrechter van 11 januari 2017, A.R.no. 15-5612 en de bevestiging daarvan in hoger beroep door het Hof van Justitie en een uitspraak van het IAHRM van 24 november 2017.

Het verweer
3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Voor zover van belang komt de kantonrechter daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling
Te beantwoorden vragen
4.1 Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of een in het buitenland gesloten huwelijk door personen van hetzelfde geslacht, zijnde ingezetenen van Suriname wat betreft de heren [naam 1] en [naam 2] en wat de heren [naam A] en [naam B] betreft, het huwelijk tussen een ingezetene en iemand met een andere nationaliteit, overgeschreven dient te worden in de registers van huwelijken van de Burgerlijke Stand van het CBB van Suriname.
De tweede vraag die beantwoord dient te worden is, of het huwelijk van personen van gelijke geslacht volwaardig erkend en beschermd kan worden door de Staat, zodanig dat de Staat vermeld huwelijk (huwelijk van personen van gelijke geslacht) op gelijke voet faciliteert als het huwelijk van personen van ongelijk geslacht, waardoor de huwelijken van eisers dezelfde volwaardige juridische en maatschappelijke erkenning kunnen genieten, als de huwelijken gesloten tussen personen van ongelijk geslacht.
Ten derde, de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, waardoor eisers immateriële schade lijden, begroot op USD 15.000 per persoon en of de gevorderde kosten van rechtsbijstand en dwangsom toewijsbaar zijn.

Standpunt Staat
4.2 De Staat, met name het CBB stelt zich op het standpunt dat inschrijving van een in het buitenland gesloten huwelijk in het huwelijksregister niet mogelijk is, omdat vooraf geen aangifte is gedaan in Suriname conform art 136 BW juncto artikel 103 en 105 BW, zoals vermeld in het schrijven van de directeur van het CBB vermeld onder 2.7 van de feiten. Voorts stelt de Staat zich op het standpunt dat het niet kunnen overschrijven van de buitenlandse huwelijksakte van de heren [naam 1] en [naam2], in het openbaar huwelijksregister van het CBB door hun eigen handelen komt en wel doordat zij als ingezetenen van Suriname, de geldende wettelijke voorschriften met betrekking tot huwelijken voltrokken in het buitenland, die dwingend van aard zijn, naast zich hebben neergelegd. Volgens de Staat dienden eisers de nationale wet niet naast zich neer te leggen en hebben eisers in het buitenland in strijd met hun nationale rechtsregels gehandeld. Ook heeft het Apostilleverdrag niets te maken met de plicht tot overschrijven van buitenlandse stukken, doch met legalisatie in verband met de echtheid van de stukken. Voorts beroept de Staat zich ook op het besluit van het CH, dat het besluit van het CBB niet in strijd is met de artikelen 8 en 17 lid 1 van de Grondwet.

Wet Algemene Bepalingen: regels voor ingezeten en vreemdelingen
4.3 De kantonrechter overweegt dat op grond van de Wet houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving, wettelijke regelingen betreffende de rechten, de staat en de bevoegdheden der personen, ingezetenen van Suriname verbinden, ook wanneer zij zich buiten Suriname bevinden (artikel 8). Voorts is het burgerlijk recht van Suriname hetzelfde voor vreemdelingen, als voor Surinamers, zolang de wettelijke regelingen niet bepaaldelijk het tegendeel vaststellen (artikel 9).

Huwelijk
4.4 De kantonrechter overweegt dat de regels van het huwelijk zijn geregeld in de vierde titel van het Burgerlijk Wetboek, in de eerste afdeling, met name de hoedanigheden en voorwaarden die vereist zijn om een huwelijk te kunnen aangaan, staan in de eerste afdeling. Van belang zijn de volgende bepalingen:
Artikel 80 BW: “De man kan tegelijkertijd slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man door het huwelijk verbonden zijn.”

In de tweede afdeling zijn de formaliteiten geregeld, welke de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan, te weten: huwelijksaangifte en afkondiging. Van belang zijn de volgende bepalingen:
Artikel 103 BW: “Alle personen, die met elkaar een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand der woonplaats van een der partijen. ”

Artikel 104 BW: “Deze aangifte zal, hetzij in persoon, hetzij bij zodanige geschriften geschieden, waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenoten moet genoegzame zekerheid kan blijken, waarvan een akte doro de ambtenaar van de burgerlijke stand zal worden opgemaakt.”

Artikel 105 BW lid 1: “Vóór het voltrekken van het huwelijk geschiedt daarvan door de zorg van de ambtenaar van de burgerlijke stand afkondiging door middel van aanplakking van een, door deze ambtenaar opgemaakt, geschrift aan het gebouw, waarin het bureau van de ambtenaar van de burgerlijke stand gevestigd is, en wel op zaterdag. Het geschrift zal gedurende tien dagen aangeplakt blijven. ”

De regeling voor huwelijken, welke in het buitenland zijn voltrokken, staan in de vierde afdeling in twee artikelen, te weten:
Artikel 136 BW: “De huwelijken, in een vreemd land aangegaan, hetzij tussen ingezetenen van Suriname, hetzij tussen deze en anderen, zijn van waarde, indien dezelve voltrokken zijn naar de vorm, in dat land gebruikelijk, mits de huwelijksafkondiging, volgens de tweede afdeling van deze titel, binnen Suriname, zonder stuiting van het huwelijk, heeft plaatsgehad, en de genoemde ingezetenen niet hebben gehandeld tegen de bepalingen, in de eerste afdeling van dezelfde titel vervat. ”

Artikel 137 BW:
“Binnen het jaar na de terugkomst der echtgenoten in Suriname, zal de akte van huwelijksvoltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het openbaar huwelijksregister van hun woonplaats moeten worden overgeschreven.”

4.5 De kantonrechter overweegt dat ingevolge het huidig Surinaams BW, een huwelijk alleen mogelijk is tussen een man en een vrouw. De wetgever heeft geen regeling getroffen voor een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht. Het verzoek tot overschrijving van een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht is voor het eerst aan de orde.
In het aangenomen nieuw BW (S.B. 2014 no. 164 Wet van 05 december 2024, houdende vaststelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek) dat inwerking treedt per 01 mei 2025 (S.B. 2025 no. 14 Resolutie van 6 februari 2025 no. 2909/25, houdende vaststelling van de inwerkingtreding van het Burgerlijk Wetboek), is het huwelijk geregeld in artikel 1:31 lid 1 juncto 33 Nieuw BW onder vereisten tot het aangaan van een huwelijk. Volgens het nieuw BW is een huwelijk alleen mogelijk tussen een man en een vrouw. De wetgever heeft het huwelijk niet opengesteld voor personen van het gelijke geslacht, noch is er daarover gedebatteerd. Alles wat met LGBTIQ+ te maken heeft, is niet meegenomen door de wetgever.

4.6 Eisers zijn personen van hetzelfde geslacht, namelijk manspersonen, die zijn gehuwd met elkaar in het buitenland. Met uitzondering van het verweer van de Staat wat betreft het Apostilleverdrag, kan de kantonrechter het standpunt van de directeur van het CBB in deze niet volgen. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Immers, de Staat in deze het CBB, voert als meest verstrekkend verweer aan dat eisers de formaliteiten voor aangaan van een huwelijk in het buitenland niet in acht hebben genomen en daarom hun huwelijk niet overgeschreven kan worden in de registers, terwijl ingevolge de wet slechts een man en een vrouw een huwelijk met elkaar kunnen aangaan. Er is een leemte in de wet, althans geen huwelijksregeling voor personen van hetzelfde geslacht, noch is dit in het nieuw BW aangepast.
De kantonrechter is van oordeel dat, ook al hadden eisers van hun voorgenomen huwelijk aangifte gedaan bij het CBB conform artikel 103 BW, dan nog zou de ambtenaar deze aangifte niet aannemen, noch een huwelijksafkondiging doen, daar eisers personen zijn van hetzelfde geslacht die met elkaar een huwelijk wensten aan te gaan en niet voldoen aan de vereisten van de wet om een huwelijk aan te gaan.

Beslissing/Oordeel CH
4.7 Het CH heeft in beide verzoeken van de gemachtigden van eisers op 31 januari 2023 een beslissing genomen (zie 2.5 en 2.8 hiervoor). Eisers beroepen zich thans op de overwegingen van het CH en voeren aan dat het CH oordeelde dat rechten van LGBTIQ+ personen erkend worden door de verdragen waarbij Suriname partij is, met name het IVBPR en het AVRM. Tevens oordeelde het CH dat artikel 27 van het Weense Verdragen Verdrag, Suriname verplicht om zich als partijstaat aan onder andere het IVBPR en AVRM te committeren. Verder oordeelde het CH dat vermelde artikel 27 van het Weense Verdragen Verdrag, Suriname eveneens verbiedt om zich te beroepen op nationale wettelijke bepalingen als rechtvaardiging voor het niet kunnen uitoefenen door LGBTIQ+ personen van de in het IVBPR en AVRM erkende rechten die eenieder toekomen. Aanvullend oordeelde het CH dat er bindende uitspraken en aanbevelingen zijn van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens (IAHRM) en van het VN-mensenrechtencomité gericht op de bescherming van de rechten van de LGBTIQ+ personen. De rechten vanwege het IVBPR en AVRM zijn “self-executing” en het effect van dergelijke verdragsbepalingen zijn geregeld in de artikelen 105 en 106 van de Grondwet. Het CH oordeelde dat dezelfde rechten erkend door het IVBPR en AVRM, ook zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Grondwet. Volgens eisers vereist het voorgaande dat aan hen ongestoord toegang moet worden verleend tot het volledige genot van hun rechten als gehuwden, zoals toegekend door het IVBPR en AVRM.

Toetsing aan IVBPR en AVRM
4.8 De kantonrechter overweegt dat nu de huidige wet en het nieuw BW een huwelijk tussen personen van het gelijk geslacht niet regelt en er geen regeling is voor de erkenning van in het buitenland gesloten huwelijken door eisers, zal zulks beoordeeld moet worden aan de hand van het IVBPR en AVRM.
Van belang zijn de artikelen 17 en 23 van het IVBPR, te weten:
Artikel 17 : “1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. 2.Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting. ”
De kantonrechter overweegt dat de essentie van bovenvermeld artikel, ook staat in de Grondwet van de Republiek Suriname, in artikel 17.

Artikel 23: ”1. Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.
2. Het recht van mannen en vrouwen van huwbare leeftijd een huwelijk aan te gaan en een gezin te
stichten wordt erkend.
3. Geen huwelijk wordt gesloten zonder de vrije en volledige toestemming van de aanstaande
echtgenoten.
4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen ter verzekering van de gelijke rechten en verantwoordelijkheden van de echtgenoten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. In geval van ontbinding van het huwelijk wordt voorzien in de noodzakelijke bescherming van eventuele kinderen.”

Tevens is van belang artikel 11 lid 2 AVRM (welk artikel overeenkomst met artikel 17 IVBPR hiervoor). Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of beledigende inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn woning of zijn correspondentie, of aan onrechtmatige aantasting van zijn eer of goede naam. In lid 3 is bepaald dat eenieder recht heeft op bescherming door de wet tegen dergelijke inmenging of aantasting.

Beroep eisers op Grondwet en verdragen
4.9 Daar de Staat het huwelijk van eisers niet wenst over te schrijven en te erkennen, doen eisers een beroep op de artikelen 105 en 106 en 137 van de Grondwet en het artikel 27 van het Weense Verdragen Verdrag en de mensenrechtenverdragen waarbij de Staat Suriname partij is, te weten het IVBPR en het AVRM.
De kantonrechter overweegt dat de naleving, toepassing en uitlegging van verdragen is geregeld in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, waarin is bepaald dat elk in werking getreden verdrag de partijen verbindt en moet door hen te goeder trouw uitgelegd worden (artikel 26) en een partij mag zich niet beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen (artikel 27).
Volgens artikel 105 van de Grondwet, hebben overeenkomsten met andere mogendheden en volkenrechtelijke organisaties, welke naar de inhoud eenieder kunnen binden, verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt. Op grond van artikel 106 vinden geldende wettelijke voorschriften binnen de Republiek Suriname geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met eenieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor, hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan. In artikel 137 Grondwet staat: “Voor zover de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer der in Hoofdstuk V genoemde grondrechten, verklaart hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd.”

Leemte in huwelijkswetgeving en rechten van personen van gelijke geslacht
4.10 De kantonrechter overweegt dat eisers, die in het buitenland gehuwd zijn zich hebben gewend tot het CBB voor verwerking daarvan en het CBB als hun burgerlijke staat thans heeft vermeld “onbekend” in plaats van “gehuwd”. Zoals eerder overwogen heeft de wetgever in Suriname het huwelijk (vooralsnog) niet opengesteld voor personen van hetzelfde geslacht, terwijl de Staat onvoorwaardelijk is toegetreden tot de mensenrechtenverdragen en burgers hieraan rechten ontlenen. In het nieuw BW dat is aangenomen op 13 augustus 2024 en inwerking zal treden op 1 mei 2025, is het huwelijk vooralsnog alleen toegestaan tussen een man en een vrouw. Dit kan het CBB niet verweten worden, noch levert dit een onrechtmatig handelen op van het CBB.
Het is de Staat die verantwoordelijk is voor wetgeving, althans de aanpassing van de nationale huwelijkswetgeving conform de geratificeerde mensenrechtenverdragen. De kantonrechter dient terughoudend te zijn wat de wetgeving betreft, daar dit een bevoegdheid is van de wetgever aan de hand van de maatschappelijke ontwikkelingen. Vaststaat dat door de bepalingen van het BW wat betreft het huwelijk, volgens het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht en het IVBPR en AVRM, de rechten van personen van gelijke geslacht niet gegarandeerd is. Eisers ervaren dit als discriminatoir ten opzichte van hun rechten op gelijke behandeling.

LGBTIQ+ ontwikkelingen in Suriname
4.11 De kantonrechter overweegt dat het CH in het besluit CH-03 d.d. 31 januari 2023 heeft overwogen dat uit bestudering van relevante documenten is gebleken, dat de erkenning van de rechten van de LGBTIQ+ in Suriname bezig zijn te evolueren en derhalve kan gesteld worden dat deze rechten langzaam aandacht krijgen in de samenleving. De kantonrechter overweegt voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat er ontwikkelingen zijn binnen de LGBTIQ+ gemeenschap, onder andere, een organisatie, althans vereniging voor LGBT, de jaarlijkse “Pride month” en erkenning van gelijke rechten in bepaalde Collectieve Arbeidsovereenkomsten (CAO’s) in Suriname.
Het ligt echter aan de Staat om in de toekomst de wetgeving aan te passen. Het CBB is afhankelijk van de wetgever.

Herroeping brief CBB
4.12 Op grond van het hiervoor beoordeelde zal het verzoek om de Staat te veroordelen om de brief van de directeur van het CBB d.d. 26 april 2022 te herroepen, dan ook worden afgewezen.

Immateriële schade
4.13 Eisers vorderen een immateriële schade van USD 15.000, – per persoon vanwege aantasting van hun persoonlijke waarden. Zij beroepen zich op twee beslissingen van het IAHRM in de Moiwana-zaak en Guerrero, Molina et. al v. Venezuela zaak. Eisers hebben echter de hoogte van de immateriële schade niet onderbouwd. Daar het onduidelijk is, zal de kantonrechter de vermeende schadevordering afwijzen.

Inschrijving huwelijk van eisers in bevolkingsregisters niet in strijd met openbare orde
4.14 Op grond van het bepaalde in de artikelen 105, 106 en 137 van de Grondwet, is de kantonrechter voor dit specifiek geval van eisers, van oordeel dat de inschrijving van het huwelijk van eisers als ingezetenen van Suriname niet in strijd is met de openbare orde en daarom toegestaan zal worden.
De Staat, althans het CBB, zal dan ook veroordeeld worden om het huwelijk van eisers in te schrijven in de daartoe bestemde bevolkingsregisters en als burgerlijke staat van eisers te vermelden “gehuwd” in stede van “onbekend”. Wat de heer [naam B] betreft ook in het vreemdelingenregister.
Nu specifieke wetgeving ontbreekt en de bestaande huwelijkswetgeving aangevuld dient te worden met bepalingen ten aanzien van rechten van LGBTIQ+ personen en niet te voorzien is wanneer zulks zal geschieden, dienen eisers de vermogensrechtelijke-, familierechtelijke en erfrechtelijke consequenties van de door hen gesloten huwelijken te regelen bij notariële akte.

Gevorderde kosten voor rechtsbijstand
4.15 De gevorderde kosten voor rechtsbijstand begroot door eisers op USD 1.500, – zullen eveneens afgewezen worden, nu er geen verplichte rechtsbijstand geldt in eerste aanleg.
Ingevolge het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname, dat inwerking is getreden per 01 oktober 2021, wordt de in het ongelijk gestelde partij ook veroordeeld om het gemachtigdensalaris te voldoen, welke vallen onder de proceskosten. Onderhavige zaak wordt gewaardeerd op grond van tarief 4, geldende voor zaken van onbepaalde waarde, SRD 5.000,- per punt, begroot op SRD 10.000,- (2 punten).

Proceskosten
4.16 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden in de proceskosten aan de zijde van eisers, welke begroot wordt op SRD 11.050,- op grond van de volgende specificatie: vastrecht SRD 50,- en oproepingskosten SRD 1.000,- en gemachtigdensalaris SRD 10.000,-.

Dwangsom
4.17 De gevorderde dwangsom van SRD 10.000, – per dag, indien de Staat in gebreke blijft om het vonnis na betekening uit te voeren, zal worden toegewezen.

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 veroordeelt de Staat om, binnen 7 (zeven) dagen na betekening van dit vonnis, de huwelijken van eisers op dezelfde wijze als huwelijken gesloten tussen personen van ongelijk geslacht te doen overschrijven, althans te verwerken, in de daartoe bestemde bevolkingsregisters van het Centraal Bureau voor Burgerzaken;

5.2 verklaart hetgeen beslist is onder 5.1 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 voordeelt de Staat om een dwangsom van SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar) per dag te betalen aan eisers, indien de Staat in gebreke blijft om hetgeen onder 5.1 is beslist uit te voeren tot met een maximum van SRD 1000.000,- (een miljoen Surinaamse dollar);

5.4 veroordeelt de Staat, in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 11.050, – (elfduizend en vijftig Surinaamse Dollar);

5.5 wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. S.S. Bikhari, Kantonrechter in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo op heden, donderdag 13 februari 2025, in tegenwoordigheid van de Substituut-Griffier, S.P. Andea.

SRU-HvJ-2023-19

VONNIS INZAKE POLITIEKE AMBTSDRAGER

In naam van de Republiek!

Vonnisnummer: 58/2023
Uitspraak: 02 november 2023
TEGENSPRAAK

Het Hof van Justitie van Suriname
in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis gewezen in deze zaak op 02 februari 2023

Zitting houdende te Paramaribo, inzake het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

ADHIN, Michael Ashwin Satyandre, geboren op 10 juni 1980 te Paramaribo, gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Vice – President en thans assemblee lid en wonende aan de [adres], in vrijheid verkerend;

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie.

De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het Hof
Krachtens de wettelijke bepalingen is het Hof bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de verdediging is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie, hierna OM niet –ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het niet naleven van het bepaalde in artikel 224 van het Wetboek van Strafvordering.

Aangevoerd is dat het OM na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek verlenging van de termijn van dagvaarding heeft gevorderd. Na verkregen verlenging heeft het OM verzuimd verdachte tijdig te dagvaarden voor de openbare terechtzitting. Naar de mening van de raadslieden heeft het OM met het dagvaarden van verdachte buiten de vergunde termijn haar vervolgingsrecht ex art. 224 Sv. verspeeld en dient zij derhalve niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vervolging van verdachte.
Het Hof overweegt alsvolgt:
Het verweer betrekking hebbende op artikel 224 Sv is reeds door de verdediging op de terechtzitting van 13 januari 2023 naar voren gebracht, waarop het Hof op 02 februari 2023 een beslissing heeft gegeven.
Het Hof volhardt bij haar tussenvonnis d.d. 02 februari 2023, waarbij de vervolging reeds ontvankelijk is verklaard en verwerpt het verweer.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 01 december 2022, 13 januari 2023, 02 februari 2023, 20 maart 2023, 17 april 2023, 15 mei 2023, 16 juni 2023, 20 juli 2023 en 02 november 2023.

De tenlastelegging:
Aan verdachte zijn de volgende feiten ten laste gelegd:

Feit IA en IIA uitlokking tot valsheid in geschrifte (artikel 278 juncto 72 lid 1 onder 2 WvSr)
Feit IB en IIB medeplegen van valsheid in geschrifte (artikel 278 juncto 72 lid 1 onder 1 WvSr)
Feit III en IV verduistering ( artikel 381 WvSr)
Feit V vernieling (artikel 414 lid 1 juncto 72 WvSr)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De vordering van de vervolgingsambtenaar
De procureur generaal heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van de onder IA, IIA, III, IV en V ten laste gelegde feiten, met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 11 (elf) maanden en 3 (drie) weken voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, een proeftijd van 3 (drie) jaren met als bijzondere voorwaarde dat de schade aan de apparatuur wordt vergoed, in dier voege dat soortgelijk apparatuur wordt aangeschaft voor het Kabinet van de Vice President. Het gaat in deze om: een video camera (van het merk Sony Hxr), een laptop (van het merk HP, model 15 – chol) met personal computer en een scherm van het merk Dell (grootte van 42,5 inch). Aan deze bijzondere voorwaarde dient te worden voldaan binnen een termijn van 4 (vier) maanden na uitspraak.

Het standpunt/verweer van de verdediging:

Door de verdediging is vrijspraak voor de verdachte van de ten laste gelegde feiten bepleit.
Ten aanzien van het bepleiten voor vrijspraak heeft de verdediging – kort samengevat – zich doen beroepen op niet duidelijke of onduidelijke c.q. ontbreken van omschrijvingen van bepaalde begrippen zoals afschrijving, bruikbaar en onbruikbaar en bevoegdheden van bepaalde functionarissen danwel instanties in het administratieve van de overheid.
Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet het verwijt gemaakt kan worden dat hij in daderschap en/of alleen de verweten strafbare gedragingen – zoals valsheid en verduistering en vernieling – gepleegd heeft.

De overwegingen van het Hof:
Feit 1 en 2
Valsheid in geschrifte is strafbaar gesteld in artikel 278 van het wetboek van Strafrecht. Volgens de wet is sprake van valsheid in geschrifte als iemand een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst met als doel het te gebruiken alsof het een echt en onvervalst document is.

De vervolging stelt zich in deze op het standpunt dat ten tijde van het opmaken en accorderen van de nota’s de goederen geen defecten (zichtbaar noch onzichtbaar) vertoonden waardoor er geen sprake kon zijn van goederen die niet meer bruikbaar zijn voor de dienst. Desondanks als afschrijvingsgrond aangeven dat de goederen “niet bruikbaar zijn voor de dienst ”moet aangemerkt worden als valselijk opmaken van de nota’s hetgeen strafbaar is.

Verdachte heeft verklaard, de opdracht gegeven te hebben aan zijn mededaders [naam 1] en [naam 2] in hun functie als respectievelijk medewerker communicatie en ICT manager om voor hem op zoek te gaan naar goederen die in aanmerking konden komen voor afschrijving met de bedoeling deze goederen te doneren aan een daarvoor in aanmerking komende instelling. De mede daders hebben goederen geselecteerd en de afschrijvingsmemo ter ondertekening aan verdachte aangeboden. Op de memo is te lezen dat de gronden voor afschrijving waren defecten/ sporen van slijtage/ storing bij gebruik/ slijtage/ schade/ niet meer bruikbaar voor de dienst. Vervolgens heeft de administratieve afwikkeling van de afschrijving plaatsgevonden. Na afschrijving heeft verdachte de goederen onder zich gehouden teneinde ze af te staan als donatie.

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat, de goederen niet meer voldeden aan de voorwaarden, en niet meer naar behoren functioneerden. Deze eigenschappen hebben doen concluderen dat de goederen niet meer bruikbaar waren voor de dienst, waardoor er geen sprake is van valselijk opmaken van de nota’s.
In discussie is de vraag of er sprake is van valselijk(doen) opmaken door verdachte?
Het Hof stelt voorop dat om tot een bewezenverklaring van het strafbaar feit van artikel 278 Sr (valsheid in geschrifte) te komen, voldaan moet zijn aan een aantal bestanddelen. Er moet sprake zijn van:
• een geschrift;
• vervolgens moet het ook gaan om een document dat is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen;
• van het vervalsen of valselijk doen opmaken van stukken;
• de intentie om het stuk als echt en onvervalst te gebruiken.

Het Hof stelt vast dat de steller van de tenlastelegging, gezien de verfeitelijking daarvan heeft toegespitst op het valselijk (doen) opmaken van memo’s ter afschrijving als waren de af te schrijven goederen beschadigd c.q. niet meer bruikbaar voor de dienst. Het Hof begrijpt hieruit dat het valselijk (doen) opmaken eruit bestaat dat de gestelde afschrijving onterecht heeft plaatsgevonden omdat de goederen niet beschadigd en niet onbruikbaar waren voor de dienst.

Niet is gebleken van het bestaan van de wettelijke grondslag voor de criteria voor afschrijving van goederen van de Staat, evenmin van een regeling betreffende de definitie “ niet bruikbaar voor de dienst”. Uit de getuigen verklaringen is komen vast te staan dat afschrijving van goederen die niet meer bruikbaar zijn voor de dienst is toegestaan, evenwel criteria om tot die vaststelling te komen ontbreken alsook de te volgen procedure. Verklaringen van getuigen terzake zijn sterk uiteenlopend en bieden geen houvast.

Bij gemis aan bedoelde criteria komt het Hof niet tot het bewijs van deze feiten. Verdachte dient voor de feiten onder 1 en 2 vrijgesproken te worden.

Feit 3 en 4
Uitgangspunt voor de ten laste gelegde verduistering c.q. gekwalificeerde verduistering is dat de afschrijving van de goederen niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan deze goederen nog aan de Staat toebehoren. Het Hof overweegt dienaangaande dat met betrekking tot de vermeende afschrijving van deze goederen niet is komen vast te staan dat de nota’s vervalst zijn. Het bestaan van de actuele nota van afschrijving heeft tot gevolg dat de goederen welke verdachte onder zijn beheer had, afgeschreven waren. Derhalve kan er geen sprake zijn van verduistering van de goederen door verdachte.

Feit 5
De goederen zijn eerstens door de medeverdachte [naam 1] in opdracht van verdachte op een door verdachte opgegeven locatie afgezet. Nadat er gewag gemaakt werd van ontbrekende goederen heeft verdachte besloten de goederen terug te sturen. De goederen zijn op 11 augustus 2020 door mede verdachte [naam 1] bij verdachte opgehaald en afgeleverd bij het kabinet van de Vice President. Na ontvangst name van de goederen zijn deze aan een grondig onderzoek onderworpen. Op enkele van de goederen zijn er defecten c.q. vernielingen geconstateerd door de afdeling ICT van het kabinet van de VP. Op verdenking van een vermeend strafbaar feit zijn de goederen vervolgens opgestuurd naar de politie. Het politioneel onderzoek is door de afdeling FO verricht en is de constatering van de afdeling ICT bevestigd.

Naar het oordeel van het Hof kan uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld, dat het de verdachte is geweest die de goederen heeft vernield. De goederen, waaronder de beschadigde, zijn weliswaar thuis bij verdachte opgehaald, maar het hof kan de verklaringen van de medeverdachten [naam 1] en [naam 2], de enige getuigen wanneer het aankomt op selectie en verplaatsen van de goederen in nauw contact met verdachte, over de toedracht van de vernieling geen aanwijzing vinden. De verdachte heeft van meet af aan stellig ontkend de goederen te hebben vernield. In het licht van het voorgaande is het Hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Eindconclusie
Het Hof komt aldus tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd onder I t/m V, zodat hij hiervan integraal moet worden vrijgesproken.
Gelet op dit oordeel behoeven de overige ter terechtzitting door de verdediging gevoerde verweren geen (nadere) bespreking.

Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het Hof heeft gelet op de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

Het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder I, II, III, IV en V tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door:
mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President,
mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. R.H. Elgin, Lid – plaatsvervanger,
bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers van donderdag
02 november 2023 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh      w.g. M.C. Mettendaf
                                                                               w.g. D.G.W. Karamat Ali
                                                                               w.g. R.H. Elgin

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

 

SRU-K1-2025-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202404407
20 januari 2025

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

NATIONALE PARTIJ SURINAME,
gevestigd aan de Johan Adolf Pengelstraat no. 77 te Paramaribo,
eiseres,
hierna te noemen: NPS,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET ONAFHANKELIJK KIESBUREAU,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
gevestigd aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
hierna te noemen: OKB,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift dat met producties op 30 oktober 2024 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;

  • het verzoekschrift dat met producties op 30 oktober 2024 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 14 november 2024;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 NPS is een politieke organisatie. Zij wenst deel te nemen aan de algemene geheime en vrije verkiezingen die op 25 mei 2025 gehouden zullen worden.

2.2 Op 22 februari 2024 heeft NPS een verzoek gedateerd 19 januari 2024 bij OKB ingediend, inhoudende een verzoek tot herregistratie van haar organisatie in het daartoe bestemde register.
OKB heeft per diezelfde datum een verklaring aan NPS afgegeven ter zake het ingediend verzoek, met daarin vervat een opsomming van de ontvangen bescheiden.

2.3 Op 14 mei 2024 heeft NPS een schriftelijk verzoek aan OKB gericht om haar te informeren over de stand van zaken omtrent het door haar ingediend verzoek tot herregistratie.
OKB heeft per diezelfde datum schriftelijk aan NPS medegedeeld dat het bedoelde verzoek sinds 22 februari 2024 in behandeling is en dat de door NPS ingediende documenten zijn onderworpen aan een onderzoek.

2.4 Op 27 mei 2024 heeft OKB een schrijven aan NPS gericht omtrent het door haar ingediend verzoek tot herregistratie, waarin zij – voor zover voor de beslissing van belang – het volgende vermeld:
“ (…) Na toetsing met de wettelijke regelingen met name met het Decreet Politieke Organisaties is het OKB tot de volgende bevinding gekomen.

Vooropgesteld dient te worden, dat krachtens artikel 7 lid 1 van het Decreet Politieke Organisaties, politieke organisaties geregistreerd dienen te zijn in het openbaar register dat voor dat doel door het OKB wordt gehouden.

Artikel 7 lid 2 van voormeld decreet geeft onder andere als een van de voorwaarden voor registratie aan dat de politieke organisatie dient te overleggen: statuten, reglementen of andere documenten, waaruit de ordening van de politieke organisatie blijkt. Bij toetsing van de statuten van N.P.S. is vooralsnog niet gebleken dat de politieke organisatie voldoet aan de vereiste zoals vastgelegd in artikel 2 punt van het voormeld decreet.

Artikel 2 onder punt b luidt: “Onverminderd het bepaalde in artikel 1665 e.v. van het Burgerlijk Wetboek en de door het Ministerie van Justitie en Politie vastgestelde richtlijnen ter zake, dienden de statuten van een politieke organisatie nog te bevatten: de verplichting van bestuursorganen om het beginselprogramma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend te maken.”

Het OKB stelt de politieke organisatie N.P.S. in de gelegenheid om haar statuten, voorzover niet in andere reglementen reeds geregeld, in overeenstemming te brengen met het voormeld artikel en die aan te bieden aan het OKB voor verdere behandeling van het verzoek.

(…)”.

2.5 Op 21 juni 2024 heeft NPS door tussenkomst van haar gemachtigde een schrijven gedateerd 20 juni 2024 aan OKB gericht met het verzoek haar zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen dat zij de registratie van NPS in het Openbaar Register heeft doen plaatsvinden zoals door haar verzocht op 22 februari 2024. Hiertoe vermeldt zij, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende in het schrijven:
“ (…) Gelet op het standpunt van het OKB zoals verwoord in haar voormelde schrijven d.d. 27 mei 2024 doet zich thans de juridische vraag voor of het OKB de bevoegdheid bezit om een registratie zoals hier bedoeld niet te doen plaatshebben op grond van de stelling dat de statuten c.q. een reglement van de politieke partij inhoudelijk in strijd zou zijn met een wet c.q. niet aan een wettelijk voorschrift voldoet, zoals thans in het geval van cliënte is geschied. In casu betreft het de vraag of het OKB bevoegd is de statuten van cliënte inhoudelijk te toetsen aan het Decreet Politieke Organisatie in het bijzonder artikel 2 lid b ervan.

Deze vraag moet naar aanleiding van cliënte ontkennend worden beantwoord en wel om de navolgende redenen.

  1. Blijkens de wet, artikelen 1665 tot en met 1685 van het Burgerlijk Wetboek (BW), is het goedkeuren, dus inhoudelijk toetsen, van de statuten en reglementen van een politieke partij expliciet voorbehouden aan de president van de Republiek Suriname.
  2. In geen enkele bepaling van het Decreet Politieke Organisaties noch in enig andere wet is een dergelijke toetsingsbevoegdheid aan het OKB toegekend.
  3. Ingevolge artikel 35 van de Kiesregeling weigert het Centraal Hoofdstembureau de registratie van een politieke partij indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 7 lid 2 van het Decreet Politieke Organisatie. De bedoelde voorwaarden zijn de voorwaarden gesteld in artikel 7 lid 2 van het Decreet Politieke Organisatie. Ook het CHS komt dus geen inhoudelijke toetsingsbevoegdheid van de statuten van een politieke organisatie toe.
  4. Het Staatsbesluit van 15 maart 2010, S.B. 2010 No. 33, ter uitvoering van artikel 7 lid 5 van het Decreet Politieke Organisatie, geeft ook niet de bevoegdheid aan het OKB om de stukken van een politieke partij op hun inhoud aan de wet in casu het Decreet Politieke Organisatie te toetsen.
  5. Blijkens het model dat door het OKB bij weigering van een registratie gehanteerd dient te worden, welke is opgenomen in het Staatsbesluit van 15 maart 2010, S.B. 2010 NO. 33, dient het OKB slechts te beoordelen of de politieke organisatie de vereiste stukken niet of niet volledig heeft overgelegd. In het model is voor het OKB ook geen ruimte opengelaten om overwegingen te geven die te maken zouden kunnen hebben met een inhoudelijke toets van de statuten aan de wet.

Op grond van het voorgaande verzoek ik u derhalve mij zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen dat het OKB de registratie van cliënte in het Openbaar Register heeft doen plaatsvinden zoals door haar verzocht op 22 februari 2024.”

2.6 In reactie op het hiervoor in 2.5 vermeld schrijven, heeft OKB per brief d.d. 02 juli 2024 onder meer het volgende aan NPS medegedeeld:
“ (…)
Voor wat betreft uw verzoek tot registratie van de NPS, wordt u hierbij medegedeeld dat het OKB dat verzoek reeds in behandeling heeft. Zoals door u ook is aangegeven heeft het OKB reeds een schrijven verstuurd naar de politieke organisatie Nationale Partij Suriname (NPS) voor het volledig in lijn brengen van haar statuten met de Wet op de Politieke Organisaties. Het OKB kijkt uit naar de gewijzigde statuten ter afronding van het verzoek”.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 NPS vordert dat de kantonrechter in kortgeding bij uitvoerbaar bij voorraad ter verklaren vonnis:
I) OKB veroordeelt om binnen een week na het in dezen te wijzen vonnis tot registratie van NPS in haar openbaar register over te gaan en NPS van die registratie kennisgeving te doen zoals in de wet bedoeld;
II) OKB veroordeelt tot een dwangsom van SRD 1.000.000,-, althans tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag dat hij na de betekening van het vonnis aan hem nalaat eraan te voldoen;
III) OKB veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 NPS legt aan het gevorderde ten grondslag dat OKB een onrechtmatige daad jegens haar pleegt door in strijd te handelen met het legaliteitsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daartoe stelt zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, onder meer hetgeen zij heeft vermeld in het schrijven van 27 mei 2024 waarvan de inhoud is weergegeven in 2.4 in dit vonnis. Tevens stelt zij het volgende.
OKB is niet bevoegd de inhoud van de bij hem ingediende statuten te toetsen aan artikel 2 sub b van de Wet Politieke Organisaties. Noch de Kiesregeling, noch de Wet Politieke Organisaties geven OKB de bevoegdheid de statuten van politieke partijen aan een of andere wet te toetsen en bij een vermeende strijdigheid c.q. gebrek de politieke partij de registratie te weigeren.
NPS heeft zich meermalen doen registreren in het openbaar register bij OKB en heeft OKB de statuten nooit eerder strijdig geacht met een of andere wettelijke bepaling. NPS is opgericht op 29 september 1946 en heeft sedertdien aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen meegedaan. Haar goedgekeurde statuten zijn nimmer onderdeel geweest van enig dispuut met welk verkiezingsorgaan dan ook. OKB kan na al die keren van registratie niet tegenwerpen dat de statuten van NPS niet voldoen c.q. in strijd zijn met een wet die al die keren van registratie ook gold. Dit is in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
Geen enkele wet geeft OKB de bevoegdheid om statuten van politieke partijen, die reeds door de president ex-artikel 1665 e.v BW zijn goedgekeurd, te toetsen aan enige wet en te verlangen dat de politieke partij de statuten wijzigt. Dit levert willekeur op.
De Wet Politieke Organisaties heeft geen overgangsregeling die voorschrift dat politieke partijen die toen reeds actief waren als gevolg van de inwerkingtreding ervan hun statuten dienden te wijzigen.

NPS stelt als spoedeisend belang dat zij zich in maart 2025 zal moeten registreren bij het Centraal Hoofd Stembureau om deel te kunnen nemen aan de algemene geheime en vrije verkiezingen. Om hieraan deel te kunnen nemen, is de registratie van haar orgaan in het openbaar register van OKB een wettelijk vereiste. Als gevolg van de weigering van OKB om NPS te registreren in het daartoe bestemd openbaar register, zal zij niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen.

3.3 OKB voert als formeel verweer dat de kantonrechter zich onbevoegd dient te verklaren om van deze vordering kennis te nemen dan wel NPS niet ontvankelijk dient te verklaren in het gevorderde. Daartoe voert hij, verkort en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende aan:
1) NPS gaat ervan uit dat OKB een bestuursorgaan van de Staat Suriname is en heeft hiervan uitgaande de vordering tegen de Staat Suriname ingesteld. De opvatting van NPS hierover is onterecht, omdat OKB ingevolge artikel 60 GW een onafhankelijk constitutioneel orgaan is dat zich in geen enkele hiërarchie tot de Staat verhoudt. Nergens is wettelijk bepaald dat de Staat directieven en/of opdrachten aan het OKB kan geven ten aanzien van haar toezichthoudende taak in artikel 1 Kiesregeling. De vordering is dus onterecht tegen de Staat ingesteld;
2) de door NPS ingestelde vordering is prematuur. Er is nog geen sprake van een proces-verbaal bevattende een weigering van registratie en betekening hiervan zoals artikel 7lid 5 van de Wet Politieke Organisaties dat dwingend voorschrijft. Artikel 7 lid 6 van de Wet Politieke Organisaties schrijft dwingend voor dat NPS tegen het besluit in beroep bij de President van de Republiek Suriname dient te gaan en niet bij de kortgedingrechter.

OKB voert het volgende materieel verweer:
1) in artikel 2 sub b van de Wet Politieke Organisaties is dwingend voorgeschreven aan welke vereisten de statuten van politieke organisaties dienen te voldoen. OKB is op grond van haar toezichthoudende taken genoemd in artikel 60 GW en artikel 1 Kiesregeling bevoegd om te beoordelen als de statuten van politieke organisaties aan artikel 2 sub b van de Wet Politieke Organisaties voldoen;
2) de toets in artikel 1665 e.v BW is slechts beperkt tot het verkrijgen van de rechtspersoonlijkheid door een vereniging. Die artikelen zijn niet toegespitst op de vereisten verband houdende met verenigingen die politieke organisaties zijn.

De kantonrechter komt op het verweer van OKB, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1 Het door NPS gestelde spoedeisend belang, namelijk dat de registratie bij het CHS voor deelname aan de verkiezingen in maart 2025 dient plaats te vinden, is in voldoende mate aannemelijk voor de kantonrechter. Daarom wordt NPS in het kortgeding ontvangen.

Formeel verweer tot niet-ontvankelijk verklaring
4.2 In reactie op de eerste grond tot niet-ontvankelijk verklaring, zijnde de eerste grond van het door OKB opgeworpen formeel verweer, voert NPS aan dat OKB een orgaan van de Staat Suriname is. OKB is belast met een staatsrechtelijke taak, maar is geen natuurlijke- of rechtspersoon.
De kantonrechter verwerpt dit onderdeel van het door OKB opgeworpen formeel verweer, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen.
Vooropgesteld wordt dat slechts natuurlijke- en rechtspersonen als procespartij kunnen deelnemen aan het rechtsverkeer dan wel een rechtsproces.
Blijkens artikel 1 van de Kiesregeling is OKB belast met het houden van toezicht op de algemene verkiezingen en het bindend vaststellen van de uitslag van de verkiezingen voor de samenleving. Hij bestaat uit leden die allen worden benoemd en ontslagen door de President van de Republiek Suriname. Zijn leden worden voor de duur van zes jaren benoemd en ontvangen zij blijkens het bepaalde in artikel 2 lid 8 van de Kiesregeling voor de specifiek aan hun toebedeelde taak een renumeratie.
Blijkens het bepaalde in artikel 6 van de Kiesregeling dient OKB jaarlijks vóór 1 april verslag uit te brengen aan de Regering en De Nationale Assemblee over zijn werkzaamheden in het afgelopen dienstjaar. Voorts dient hij binnen twee maanden na de dag, waarop een periodieke of tussentijdse verkiezing voor een vertegenwoordigend lichaam is gehouden, schriftelijk verslag uit te brengen aan de Regering en De Nationale Assemblee over het door hem uitgeoefende toezicht op de gehouden verkiezingen. Noch in de Kiesregeling, noch in de Wet Politieke Organisaties is er enige bepaling waarin is neergelegd dat OKB een rechtspersoon is. Dit alles in onderling samenhang beschouwd en gelezen leiden tot de conclusie dat OKB geen rechtspersoon is. OKB kan naar het oordeel van de kantonrechter dus niet als procespartij in een rechtsproces worden betrokken, doch instede daarvan de Staat Suriname die wel rechtspersoonlijkheid bezit.

4.3 In reactie op de tweede grond van het door OKB opgeworpen formeel verweer, voert NPS aan dat haar vordering niet prematuur is. Zij stelt dat de door OKB aan de orde gestelde beroepsprocedure bij de President van de Republiek Suriname alleen gevolgd kan worden indien er een proces-verbaal ex-artikel 7 lid 5 van de Wet Politieke Organisaties op tafel ligt. Er is geen proces-verbaal, maar omdat NPS nog niet geregistreerd wordt in het openbaar register, heeft zij een gerechtvaardigd belang bij deze vordering.
De kantonrechter kan NPS niet volgen in dit standpunt. Wat NPS vordert, behelst naar het oordeel van de kantonrechter niets anders dan een veroordeling van OKB om NPS te doen registreren in het daartoe bestemde register, zonder de in artikel 7 van de Wet Politieke Organisaties voorgeschreven procedures volledig in acht te nemen. Simpelweg, omdat NPS zich op het standpunt stelt dat zij voldoet aan de in artikel 7 lid 2 van de Wet Politieke Organisaties vermelde vereisten en OKB niet bevoegd is haar statuten te toetsen aan artikel 2 van de Wet Politieke Organisaties. De kantonrechter stelt vast dat NPS dit standpunt ondubbelzinnig aan OKB in haar schriftelijke reactie d.d. 20 juni 2024 heeft kenbaar gemaakt. Echter heeft NPS bij het ondubbelzinnig kenbaar maken van haar standpunt aan OKB verlangt dat OKB de registratie van haar organisatie doet plaatsvinden in het register, terwijl zij instede daarvan – vanwege haar duidelijk ingenomen standpunt – aan OKB zou kunnen vragen zo spoedig mogelijk een besluit te nemen op haar aanvraag. Dat zou voor NPS de weg openen om na ontvangst van het door OKB genomen besluit, in beroep te gaan bij de President van de Republiek Suriname en dit onderwerp op dat forum waar het thuis hoort aan de orde te stellen. Het is de President van de Republiek Suriname die de statuten van politieke organisaties goedkeurt, waarbij hij kennelijk eerst zijn werkarmen dan wel de ter zake deskundigen inschakelt om te toetsen of de statuten voldoen aan de wettelijke vereisten en OKB in dat stadium kennelijk niet is betrokken geweest bij de toetsing van de statuten. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat zoals OKB terecht opwerpt, NPS haar besluit op de aanvraag tot (her)registratie dient af te wachten. Indien zij na ontvangst van het besluit zich daarin niet zou kunnen terugvinden, dan zou zij in beroep bij de President van de Republiek Suriname kunnen gaan. De voorlopige slotsom is dat NPS prematuur is met deze vordering, zodat OKB slaagt in dit onderdeel van het door hem opgeworpen formeel verweer. Daarom zal NPS niet ontvankelijk worden verklaard in het gevorderde.

4.4 Vanwege het slagen van het niet-ontvankelijkheidsverweer, komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de vraag of OKB al dan niet bevoegd is de statuten van politieke organisaties te toetsen aan het bepaalde in artikel 2 van de Wet Politieke Organisaties.

Proceskosten
4.5 Gangbaar is dat de partij die in het ongelijk is gesteld of niet ontvankelijk is verklaard in de proceskosen wordt veroordeeld. De kantonrechter zal van dit gebruik afwijken en de proceskosten tussen partijen compenseren. Dit, op grond van de volgende overwegingen. OKB had en heeft vanwege het duidelijk door NPS ingenomen standpunt de mogelijkheid om gelijk te beslissen op de aanvraag van NPS. Instede daarvan kiest OKB ervoor om NPS de ruimte te bieden om de statuten te wijzigen en deze wederom ter goedkeuring aan de President van de Republiek Suriname ter goedkeuring aan te bieden, zonder aan NPS kenbaar te maken binnen welke termijn NPS de gewijzigde statuten bij haar zou moeten indienen. Daardoor verkeert NPS in onzekerheid of OKB al dan niet zal beslissen op haar aanvraag tot (her)registratie.

5. De beslissing
De kantonrechter in kortgeding:
5.1 verklaart NPS niet ontvankelijk in het gevorderde;

5.2 compenseert de proceskosten tussen partijen met dien verstande dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

 

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op maandag 20 januari 2025 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.