Behandeling Hoger Beroep strafzaak Pikin Saron 21 oktober 2025

Op 21 oktober 2025 is de behandeling van de strafzaak in hoger beroep voortgezet tegen de verdachten J.A., J.H., G.Z., R.M. en M.W. Deze zaak betreft misdrijven gepleegd te Pikin Saron.

De zaak stond voor getuigenverhoor. De raadslieden hebben eerder een lijst ingediend met vijftien getuigen die zij wensen te horen. Getuigen die op verzoek van de verdediging worden gehoord worden ‘getuigen a décharge’ genoemd. Er zijn op 21 oktober 2025 drie getuigen van de lijst gehoord. Op de volgende zitting zullen vier getuigen gehoord worden.

De advocaten van de verdachten dienden een verzoek tot in vrijheidstelling in. Volgens de verdediging zijn de verdachten ten onrechte veroordeeld. Er werd voorts aangevoerd dat er geen sprake is van vluchtgevaar en dat de verdachten geen strafbare feiten hebben gepleegd.

Het Hof wees het verzoek af en gaf aan dat er nog ernstige bezwaren tegen de verdachten bestaan. Verder moeten nog alle getuigen gehoord worden.

Het getuigenverhoor wordt voortgezet op de volgende zitting op 4 november 2025 om 9.30 uur.

Lees ook het vorige bericht: https://rechtspraak.sr/actualiteiten/behandeling-hoger-beroep-strafzaak-pikin-saron-18-augustus-2025/

 

Paramaribo, 24 oktober 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Uitspraak hoger beroep kortgedingzaak Hoefdraad tegen de Staat Suriname van 17 oktober 2025

Op 17 oktober 2025 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in het hoger beroep van de civiele kortgedingzaak die G.A. Hoefdraad had aangespannen tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Nationale Assemblée (DNA) en het Openbaar Ministerie (OM).

Het verzoek tot in staat van beschuldigingstelling van Hoefdraad was door de Procureur-generaal ingediend in april 2020. De DNA heeft dit verzoek afgewezen. In juli 2020 heeft de Procureur-generaal wederom een verzoek tot in staat van beschuldigingstelling van Hoefdraad ingediend. DNA heeft op 6 augustus 2020 toewijzend beslist en is Hoefdraad in staat van beschuldiging gesteld.

Tegen dit tweede besluit heeft Hoefdraad een vordering ingediend bij de kortgedingrechter die vervolgens is afgewezen. Hiertegen is Hoefdraad in hoger beroep gegaan. Het Hof heeft Hoefdraad in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het Hof overwoog hiertoe onder andere dat de civiele rechter in kort geding zich niet zonder meer kan begeven op strafprocesrechtelijk terrein, een oplossing van een geschil op het terrein van het strafrecht moet worden overgelaten aan de strafrechter.

Volgens het Hof biedt het Wetboek van Strafvordering een uitputtend systeem van rechtsbescherming. Hoefdraad heeft in het hoger beroep in de strafzaak tegen hem, zijn bezwaren tegen de in staat van beschuldigingstelling aan de orde gesteld. Het Hof van Justitie in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers, dat de strafzaak tegen Hoefdraad behandelt, heeft bij tussenvonnis van 20 mei 2024 inhoudelijk hierover geoordeeld en heeft beslist tot verwerping van het opgeworpen verweer. (voor het tussenvonnis van 20 mei 2024 in de strafzaak zie: SRU-HvJ-2024-3 – Hof van Justitie).

Omdat de wetgeving betrekking hebbende op het strafproces een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt, waarvan door Hoefdraad ook gebruik is gemaakt, heeft het Hof het vonnis in eerste aanleg vernietigd en is Hoefdraad in dit hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

 

Paramaribo, 21 oktober 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Uitspraak kortgedingzaak landmeter G. Winter tegen de Staat Suriname op 15 september 2025

Op 15 september 2025 deed de kantonrechter uitspraak in de kortgedingzaak van landmeter G.G. Winter tegen de Staat Suriname. Landmeter Winter eiste rectificatie, schadevergoeding en intrekking van een circulaire en tuchtklacht die volgens hem onterecht en schadelijk voor zijn reputatie waren.

Winter beklaagde zich bij de kortgedingrechter over een tuchtklacht die door het ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer was ingediend bij het Tuchtcollege voor Landmeters. Deze klacht, samen met een beleidsinstructie waarin richtlijnen werden gegeven aan ondergeschikte diensten, leidde tot het tijdelijk stopzetten van de behandeling van alle verzoeken waarbij kaarten waren gevoegd die Winter had vervaardigd. Volgens Winter waren de beschuldigingen ongegrond en was zijn eer en goede naam ernstig geschaad. Dit door onder meer berichten op de Facebookpagina van het ministerie en in de media, waaronder Starnieuws en Times of Suriname.

Winter stelde dat hij vooraf niet was gehoord en dat de Staat daarmee het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden. Hij eiste onder meer dat de Staat zich publiekelijk zou verontschuldigen en schadevergoeding zou betalen, vermeerderd met rente en advocaatkosten.

De Staat voerde verweer en stelde dat de tuchtklacht niet inhoudelijk door de rechter mag worden beoordeeld omdat die behandeling bij het Tuchtcollege hoort. Daarnaast ontkende de Staat beschuldigingen publiekelijk te hebben geuit en stelde dat uitingen in de media zijn gedaan in het kader van transparantie in het publieke debat.

De rechter oordeelde dat het indienen van een tuchtklacht een bevoegdheid is van de Staat en dat het niet aan de kortgedingrechter is om de gegrondheid van die klacht te toetsen. De Staat hoefde Winter niet vooraf te horen. Ook de betreffende beleidsinstructie is door de rechter niet als onzorgvuldig beoordeeld, aangezien daarin slechts zijdelings werd verwezen naar integriteitskwesties zonder expliciete beschuldigingen.

Wat betreft de publicaties in de media, erkende de rechter dat bepaalde uitspraken van de minister tijdens een persconferentie hebben geleid tot negatieve berichtgeving waarin de integriteit van Winter werd betwijfeld. Volgens de rechter is daarmee wel degelijk een beschuldiging geuit waarvoor de Staat verantwoordelijkheid draagt. Omdat echter niet duidelijk is of deze beschuldigingen op voldoende feiten berusten, is voor een oordeel daarover nader onderzoek nodig. Daarvoor is het kort geding niet de juiste procedure volgens de rechter.

Het vonnis is na te lezen via SRU-K1-2025-8 – Hof van Justitie

 

Paramaribo, 16 oktober 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Behandeling krijgsraad strafzaak verdachte Veira van 6 oktober 2025

Op 6 oktober 2025 heeft de krijgsraad de strafzaak tegen de verdachte D. Veira behandeld. De strafzaak heeft betrekking op een poging om Rodney Cairo van zijn vrijheid te beroven. De verdachte was toen als directeur van het Directoraat Nationale Veiligheid (DNV) aangesteld en volgens het slachtoffer degene die de opdracht zou hebben gegeven om het slachtoffer te ontvoeren. De zaak stond voor verdachtenverhoor.

De verdediging verzocht tijdens de zitting om de verdere behandeling van de zaak achter gesloten deuren voort te zetten. Dit verzoek was gebaseerd op uitlatingen die door de heer Cairo via een medium zouden zijn gedaan en op redenen die betrekking zouden hebben op de staatsveiligheid.

De krijgsraad heeft het verzoek in beraad genomen. Na het beraad deelde de krijgsraad mee dat de openbaarheid van de rechtspraak een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat is. Met betrekking tot de genoemde redenen oordeelde de krijgsraad dat er geen zaken waren aangehaald die van zodanig zwaar gewicht zouden zijn dat van het openbare karakter van de terechtzitting zou moeten worden afgeweken. Het verzoek van de verdediging is afgewezen.

Hierna is eerst de getuige M.L. gehoord. Deze getuige is op verzoek van de verdediging gehoord. Aansluitend hierop vond het verhoor van de verdachte D. Veira plaats.

De strafzaak wordt voortgezet op maandag 3 november 2025 om 10.00 uur en staat op die zittingsdag voor het requisitoir.

Lees ook het vorige bericht: https://rechtspraak.sr/actualiteiten/behandeling-krijgsraad-strafzaak-verdachte-veira-van-1-augustus-en-15-augustus-2025/

 

Paramaribo, 13 oktober 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Uitspraak kortgedingzaak aannemingsmaatschappij Baitali N.V. tegen de Staat Suriname van 5 augustus 2025

Op 5 augustus 2025 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan in de kortgedingzaak van aannemingsmaatschappij Baitali N.V. (hierna: Baitali) tegen de Staat Suriname (hierna: de Staat).

De zaak draaide om de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door via het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij (LVV) een aanbesteding te houden met betrekking tot de rehabilitatie van het wegtraject Southdrain-Apoera en Baitali buiten de aanbesteding te houden.

Het Ministerie van Openbare Werken (OW) had eerder met betrekking tot hetzelfde project een aanbesteding gehouden en Baitali had naar aanleiding daarvan een offertedossier ingediend bij het Ministerie van Openbare werken. Het project werd uiteindelijk opnieuw via LVV heraanbesteed, zonder dat Baitali daarvan op de hoogte was. Toen Baitali om het bestek vroeg heeft de Staat aangegeven dat Baitali te laat was en kon zij niet meer meedoen aan die aanbesteding. Volgens Baitali is de procedure in strijd met het Aanbestedingsreglement Werken (AWS 1996) verlopen. 

Baitali vorderde in het kortgeding onder andere dat het gunningsbesluit, waarbij het werk werd gegund aan Shiwan Tushan Suriname N.V., werd ingetrokken. Ook vorderde zij dat de werkzaamheden van het project stopgezet zouden worden, dat de Staat het project aan haar zou gunnen of anders een nieuwe aanbesteding zou uitschrijven die voldeed aan de regels. Zij vorderde voorts een dwangsom indien de Staat zou worden veroordeeld en zich niet zou houden aan de veroordeling. De regels die volgens Baitali niet zijn gevolgd bij de aanbesteding door LVV waren de regels met betrekking tot de in acht te nemen termijnen en de regels met betrekking tot de verplichte bekendmakingen. Ook was het volgens Baitali in strijd met de regels dat zij niet in de gelegenheid werd gesteld om het bestek te kopen.

De Staat voerde aan dat de aanbesteding wel volgens de regels was verlopen. Vanwege het feit dat de werkzaamheden met spoed uitgevoerd moesten worden werd volgens de Staat een verkorte procedure gevolgd, waarbij de gebruikelijke termijnen mochten worden ingekort. De Staat stelde verder dat Baitali zichzelf had buitengesloten, doordat zij zich niet tijdig had aangemeld bij LVV.

De rechter oordeelde dat bij de aanbestedingsprocedure niet is voldaan aan de wettelijke vereisten van het AWS 1996 en aan de beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter overwoog dat de Staat (OW) reeds geruime tijd in overleg met Baitali was over het project en aan Baitali een uitnodiging tot inschrijving had gedaan. Door het plaatsen van een bekendmaking door LVV in de periode waarbinnen Baitali op grond van de uitnodiging, de inschrijving en de prijsofferte zou moeten doen aan OW, heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens Baitali.

Van de Staat mocht worden verwacht dat Baitali ervan in kennis werd gesteld dat de aanbesteding zoals aangekondigd door OW, geen voortgang zou hebben doch dat het project in een gewijzigde vorm door het Ministerie van LVV zou worden aanbesteed. Dat heeft de Staat niet gedaan en de Staat heeft Baitali tevens ten onrechte uitgesloten om zich in te schrijven voor de aanbesteding volgens de verkorte procedure.

De kantonrechter kwam tot de slotsom dat het op 26 maart 2025 genomen gunningsbesluit tot stand is gekomen op basis van een gebrekkig verlopen procedure, welke niet is gegrond op de algemeen verbindende voorschriften van AWS 1996 en dat door het houden van een heraanbesteding de onjuistheden die zich hebben voorgedaan bij de aanbesteding hersteld kunnen worden. De gunning aan Shiwan Tushan Suriname N.V., werd daarom opgeschort. De kantonrechter heeft de Staat bevolen het gunningsbesluit in te trekken en veroordeeld om, voorzover hij nog tot gunning van het Southdrain-Apoera Werk wenst over te gaan een nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren die volledig voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.

Paramaribo, 13 oktober 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Opening zittingsjaar 2026 Hof van Justitie

3 oktober 2025

Tijdens de officiële opening van het nieuwe zittingsjaar heeft de president van het Hof van Justitie de nadruk gelegd op de verdere modernisering, goed gecommuniceerde en transparante Rechtspraak. Deze pijlers vormen de kern van het meerjarenontwikkelingsplan 2026–2030, die zijn uitgewerkt in diverse programma’s en projecten. Verder gaf hij aan dat het Hof met vertrouwen uitkijkt naar betere vooruitzichten voor het komende jaar.

Het Hof van Justitie tijdens de buitengewone openbare zitting ter gelegenheid van de opening van het zittingsjaar

Het Hof heeft het afgelopen zittingsjaar belangrijke stappen gezet richting modernisering mede door invoering van het nieuwe Surinaamse Burgerlijk Wetboek. De nieuwe organisatiewet, die nog wordt behandeld in De Nationale Assemblée, zal bijdragen aan het toeganklijker maken van gerechtelijke procedures voor burgers. Ook wordt gewerkt aan speciale rechtbanken voor belastingzaken en bestuursrecht, zodat iedereen op een eerlijke en zorgvuldige manier gehoord kan worden.

“Het zijn de kleine korrels zand die maken dat we een strand zien. Zo zullen we ook elke dag kleine stappen blijven zetten om de moderne rechtspraakorganisatie te laten verrijzen,” aldus de president.

Met thans 31 rechters en de beschikbare middelen begint de organisatie met goed gecommuniceerde en transparante Rechtspraak. Door de invoering van Comparitie Na Antwoord, inzet van persrechters, het gebruik van Facebook en het voortzetten van overleg met ketenpartners en de andere Staatsmachten, wordt hier stap voor stap invulling aan gegeven.

De President van de Republiek, Voorzitter van DNA, Minister Justitie en Politie en Minister van Financiën

Door onder andere de reeds ingezette instrumenten te evalueren en bij te stellen, beleid te formuleren voor efficientere doorlooptijden, nieuwe lichting rechters, decentralisatie en deconcentratie beoogt het Hof te voorzien in tijdige en toegankelijke rechtspraak. Verder, pleit ook het Hof van Justitie voor de instelling van een derde hogere rechtspraakinstantie ten gunste van de rechtsbescherming en de rechtsontwikkeling. In overleg met de Hoge Raad der Nederlanden en de Caribbean Court of Justice (CCJ) worden de mogelijke modellen voor Suriname verder onderzocht, waarna de bevindingen zullen worden voorgelegd aan de Regering en DNA.

De president sloot af met een oproep om ook in 2026 met toewijding en integriteit te blijven werken aan een rechtspraak die recht doet aan de samenleving.

 

De toespraken en powerpoint presentaties kunt u nalezen op:

TOESPRAAK_President HvJ_Opening zittingsjaar 2025-2026

HvJ_Opening zittingsjaar 2025-2026

Jaarrede OM 2025-2026_Finale

OM_Jaarrede 2025-2026

Opmerkingen Deken SOVA start zittingsjaar 2025-2026 – 3okt2025

SOVA_Opening Zittingsjaar 2025-2026

 


 

De Rechtspraak op Facebook

1 oktober 2025

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Hof van Justitie is vanaf vandaag officieel op Facebook.

Via dit kanaal kan het publiek op een toegankelijke manier meer te weten komen over wat de rechtspraak doet. Op de Facebookpagina zal onder andere nieuws, procedures, toelichting van spraakmakende vonnissen en andere actualiteiten gedeeld worden. Hiermee wil de organisatie het publiek beter informeren over haar werkzaamheden. Volgers blijven zo op de hoogte en komen op een toegankelijke manier in contact met de Rechtspraak.

De officiële pagina is te vinden via https://www.facebook.com/share/1AP48pWa7k/?mibextid=wwXIfr 


 

Uitspraak in de zaak Stalweide 3 tussen Radjie en de Staat Suriname van 8 juli 2025

De kantonrechter in het Eerste Kanton heeft op 8 juli 2025 uitspraak gedaan in de rechtszaak tussen Stichting Radjie Rijstindustrie (de Stichting) en Radjie Caribbean Argiculture Company N.V. enerzijds en de Staat Suriname, met name het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) anderzijds. De zaak betreft het perceel, bekend als Stalweide 3. Het perceel is 198,27 ha groot en ligt in het district Nickerie. Het perceel maakt deel uit van een groter perceelland van 370 ha dat  bij beschikking van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen van 2005  ter beschikking is gesteld van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) voor de ontwikkeling van de veeteeltsector.

Het perceel is bij beschikking van 6 juli 2023 voor de uitoefening van landbouw en veeteelt door GBB in grondhuur uitgegeven aan de Stichting. Op 19 juli 2023 is hypotheek gevestigd op het perceel in kwestie ten behoeve van de N.V.

Naar aanleiding van een verklaring van de waarnemend directeur van het Ministerie van LVV is door het Ministerie van GBB een onderzoek ingesteld, waarbij de grondinspecteur in casu uitgebreid is gehoord en mede op grond van zijn verklaring is bij beschikking van 6 november 2023 van de Minister van GBB  het recht vervallen verklaard in het algemeen belang.

Voorafgaand aan deze rechtszaak zijn er in kort geding twee vonnissen gewezen in deze kwestie. Het eerste vonnis is van 22 februari 2024, waarbij de werking van de vervallenverklaringsbeschikking is geschorst. En het vonnis van 9 mei 2024, waarbij de Stichting werd verboden om activiteiten op het perceel in kwestie te ontplooien.

In deze rechtszaak vorderde de Stichting onder andere dat de vervallenverklaring wordt ingetrokken, dat de Staat wordt verboden om het terrein te betreden of beheersdaden uit te oefenen op straffe van een dwangsom en voorts dat de beschikking wordt verwijderd uit de registers van het MI-GLIS.

De Stichting vindt dat de Staat onterecht en onrechtmatig heeft gehandeld door haar grondhuurrecht te laten vervallen. Zij heeft daardoor schade geleden.

De Staat Suriname heeft een tegenvordering ingediend tegen de Stichting. Daarin vroeg de Staat onder andere dat het perceel wordt ontruimd door de Stichting  op straffe van een dwangsom. Volgens de Staat is de uitgifte aan Stichting Radjie onrechtmatig omdat het terrein al in gebruik was voor het publieke belang, namelijk de ontwikkeling van de veeteeltsector.

De kantonrechter heeft de vordering van de Stichting afgewezen en de tegenvordering van de Staat Suriname tot ontruiming van het perceel toegewezen. Stichting Radjie is veroordeeld om het perceel binnen twee weken na de betekening van het vonnis te ontruimen op straffe van een dwangsom.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de uitgifte aan de Stichting onrechtmatig was en dat de vervallenverklaring van het recht van grondhuur door de Staat Suriname rechtmatig was. Volgens de kantonrechter was de Stalweide al ter beschikking gesteld van het Ministerie van LVV en had een deel daarvan daardoor niet zonder medeweten en toestemming van LVV kunnen worden uitgegeven aan een ander. Daarnaast overwoog de kantonrechter dat voor de uitgifte aan de Stichting niet de juiste procedure was gevolgd, immers was er geen advies gevraagd van de Districts-Commissaris. Met betrekking tot de vervallenverklaring in het algemeen belang heeft de kantonrechter overwogen dat, indien de belangen afgewogen worden, het algemeen belang om de Stalweide te behouden voor de veeteelt zwaarder moet wegen dan het belang van Stichting.

 

Paramaribo, 9 september 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

Behandeling tweede deel SPSB strafzaak van 13 augustus 2025

Op 13 augustus 2025 is het tweede deel van de SPSB strafzaak door de kantonrechter behandeld. Als verdachten in deze strafzaak zijn aangemerkt: A. Hassankhan, G. Kromosoeto, M. Hassankhan, P. Bhiekemsingh, S. Djojobesari, O. Wangabesari, R. Kartoredjo, A. Harpal, W. Sardjo, Twahier Ajoeb NV, Global Equipment NV, Earth Cleaning NV, NV Caremco Holding, Stichting Aanvaardbaar en Multi Electrical System NV. De zaak stond voor repliek en dupliek in verband met de gevoerde preliminaire verweren in de strafzaak van de verdachte Kromosoeto en getuigenverhoor in de strafzaak tegen de verdachten Sardjo en Multi Electrical System NV.

De behandeling van de zaak is uitgesteld vanwege afwezigheid van de rechter die de zaak behandelt.

De zaak zal worden voortgezet op 5 november 2025 met het getuigenverhoor tegen de verdachten Sardjo en Multi Electrical System NV. Tevens zullen de raadslieden en de vervolging op die dag verder ingaan op de preliminaire weren.

Lees ook het vorige bericht: Behandeling tweede deel SPSB strafzaak van 4 juli en 17 juli 2025 – Hof van Justitie

 

Paramaribo, 3 september 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie


 

BEHANDELING STRAFZAAK VERDACHTEN KROMOSOETO E.A. VAN 13 AUGUSTUS 2025

Op 13 augustus 2025 is de behandeling van de strafzaak tegen de verdachten G. Kromosoeto, G. Hew A Kee, B. Jurgens, R. Putter, W. Sardjo en J. ten Berge voortgezet door de kantonrechter. De zaak stond voor pleidooi in de strafzaak tegen de verdachte Putter en de beslissing van de kantonrechter over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van Kromosoeto.

De behandeling van de zaak is uitgesteld vanwege afwezigheid van de rechter die de zaak behandelt.

De behandeling van de zaak wordt voortgezet op 5 november 2025 voor het pleidooi in de strafzaak tegen de verdachte Putter en de beslissing van de kantonrechter op het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van de verdachte Kromosoeto.

Lees ook het vorige bericht: Behandeling strafzaak verdachte Kromosoeto e.a. van 17 juli 2025 – Hof van Justitie

 

Paramaribo, 3 september 2025

Communicatie Unit Hof van Justitie